The Project Gutenberg eBook ofNevelhekse

The Project Gutenberg eBook ofNevelhekseThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: NevelhekseAuthor: Albertus Alidus SteenbergenRelease date: January 6, 2011 [eBook #34898]Most recently updated: January 7, 2021Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttps://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEVELHEKSE ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: NevelhekseAuthor: Albertus Alidus SteenbergenRelease date: January 6, 2011 [eBook #34898]Most recently updated: January 7, 2021Language: DutchCredits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttps://www.pgdp.net

Title: Nevelhekse

Author: Albertus Alidus Steenbergen

Author: Albertus Alidus Steenbergen

Release date: January 6, 2011 [eBook #34898]Most recently updated: January 7, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team athttps://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEVELHEKSE ***

Opmerkingen van de bewerkerDe tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.Een extra verduidelijking is beschikbaar bij woorden die voorzien zijn van eendunne groene stippellijn.Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.Het origineel van dit boek bevat twee titels; deze zijn als twee losse e-boek-titels getranscibeerd. De andere titel (Berend Veltink) is via Project Gutenberg alse-boek #34899beschikbaar.Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van eendunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is. Variaties in spelling zijn behouden.Een extra verduidelijking is beschikbaar bij woorden die voorzien zijn van eendunne groene stippellijn.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aanhet eind van dit bestand.

Het origineel van dit boek bevat twee titels; deze zijn als twee losse e-boek-titels getranscibeerd. De andere titel (Berend Veltink) is via Project Gutenberg alse-boek #34899beschikbaar.

Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links voor u niet werken.

decoratiedecoratieNEVELHEKSE.EEN VERHAAL UIT DE DRENTSCHEVENEN, NAAR AUTHENTIEKEBESCHEIDEN MEDEGEDEELD DOOR:...ALB. STEENBERGEN....ENdecoratiedecoratieBEREND VELTINKOET 't EMMER KERSPEL OP REIZE NAO GRÖNNINGEN UM 't PEERDESPULVANCARRÉTE ZEEN EN WAT HUMDAORBIJ OVERKWAM, HEN ENWEERUM.  ...DOOR H. BOOM.DecoratieGRATIS-PREMIE AAN DE ABONNÉ's DER PROVINCIALE DRENTSCHEEN ASSER COURANT.decoratie1911.decoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratie

decoratiedecoratieNEVELHEKSE.

decoratie

decoratie

EEN VERHAAL UIT DE DRENTSCHEVENEN, NAAR AUTHENTIEKEBESCHEIDEN MEDEGEDEELD DOOR:...ALB. STEENBERGEN....

EN

decoratiedecoratieBEREND VELTINK

decoratie

decoratie

BEREND VELTINK

OET 't EMMER KERSPEL OP REIZE NAO GRÖNNINGEN UM 't PEERDESPULVANCARRÉTE ZEEN EN WAT HUMDAORBIJ OVERKWAM, HEN ENWEERUM.  ...DOOR H. BOOM.

Decoratie

GRATIS-PREMIE AAN DE ABONNÉ's DER PROVINCIALE DRENTSCHEEN ASSER COURANT.decoratie1911.decoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratiedecoratie

NEVELHEKSE.

1705.

Maar in 't gantse beloop van deze Historie was ene sonderlinge vremtheyt niet te miskennen, en, paste 't een Christen niet, bij de Beschickingen der Voorsienigheyt te swijgen en uyt te roepen met Paulus: „Hoe geheel onbegrijpelijk sijn Sijne Oordeelen, en ondoorgrondelijk Sijne Weghen”, men soude met de Ouden hier genegen zijn aen te nemen een blint en onversoenlijk Fatum.Mr.Petrus Calkoen.Tijtsgetuyghenissen-Clapper.

Maar in 't gantse beloop van deze Historie was ene sonderlinge vremtheyt niet te miskennen, en, paste 't een Christen niet, bij de Beschickingen der Voorsienigheyt te swijgen en uyt te roepen met Paulus: „Hoe geheel onbegrijpelijk sijn Sijne Oordeelen, en ondoorgrondelijk Sijne Weghen”, men soude met de Ouden hier genegen zijn aen te nemen een blint en onversoenlijk Fatum.

Mr.Petrus Calkoen.Tijtsgetuyghenissen-Clapper.

Mr.Petrus Calkoen.Tijtsgetuyghenissen-Clapper.

De veenkolonie Echtens-Hoogeveen had in 't jaar, waarin de geschiedenis voorvalt, die ik voornemens ben hier mede te deelen, haar negen-en-zeventigste levensjaar bereikt, want het octrooi harer stichting, dat in zekere mate als haar geboorteacte mag worden aangemerkt, is gedateerd: 30 Maart 1626.

Zij was op dat tijdstip dus al eene matrone van vrij gevorderden leeftijd, maar men hoorde haar echter heel weinig noemen; trouwens, datzelfde was het geval met „de Landschap” waarin zij lag, en ik geloof alzoo—vooral voor hen, die geene gelegenheid hadden kennis te maken met den „Clapper” van de heeren A. en P. Calkoen (waaraan mijn stuk voor een goed deel is ontleend)(1)—geen nutteloos werk te doen, met in breede trekken hare gelegenheid en de eigenaardigheden van hare bevolking in die dagen mede te deelen en aan de geschiedenis van Nevelhekse te doen voorafgaan.

Zooals ik zeide, was zij eene genoegzaam onbekende in Nederland. Op de landkaarten, in die dagen, en nog in veel later tijden vervaardigd, zocht men haar te vergeefs, en hoewel nagenoeg 3000 inwoners tellende, en alzoo het gehucht Echten meer dan tienmaal in bevolking overtreffende, achtte men het noodig op de adressen der brieven, aan hare bewoners gericht, steeds uitdrukkelijk te vermelden: Op 't Hogeveen, bij Echten.

Echtens-Hoogeveen bestond destijds, en vrij meer dan thans het geval is, uit twee zeer van elkander verschillende deelen: het kerkdorp, gewoonlijkde Huizengenoemd, en de veenderijen, in die dagen, en ook thans nog wel eens,de Veldenbetiteld.

In 't eerste gedeelte woonde de burgerij, in het tweede de veenarbeiders.

Wat het eerste gedeelte aangaat, het begon zich naar alle zijden uit te breiden, maar het getal huizen langs de vaart, of, om juister te spreken—de vaarten—die thans de kom der gemeente vormen, zal waarschijnlijk de 400 niet overschreden hebben.

En—verre van als thans, in dicht aaneen gesloten rijen te zijn geschaard—vertoonden zich overal gapingen in hare gelederen, ingenomen door tuinen, boomgaarden, en weidelanden, door slooten of schuttingen van den gemeenen weg gescheiden.

Op enkele uitzonderingen na, waren die huizen ook laag en onaanzienlijk, en hadden meestal rieten daken, en hoewel zij in 't algemeen de lijn van het kanaal volgden, stonden zij op sommige plaatsen verder af, op andere weder dichter bij het water, en daar er zeer weinig passage van rijtuigen was, werd het den smid niet belet zijne travaalje of slijpsteen ter halverwege van den weg te plaatsen, noch aan den houtkooper of timmerman, zijne waren uit te stallen voor zijn huis en zoo dicht bij de vaart, als de reglementen op de scheepvaart dit maar eenigszins toelieten.

De vaart, waaraan de kolonie haar aanwezen en opkomst had te danken, was zeer gebrekkig. Zij was vrij wat smaller dan tegenwoordig, en had niet minder dan elf schutten, en 't duurde dan ook gewoonlijk een uur of acht, vóór de schippers den toch maar vier uren langen waterweg hadden afgelegd.

En toch was deze vaart de genoegzaam eenige weg, waardoor de kolonie met de buitenwereld in betrekking gebracht werd. Want de rijwegen, die naar haar leidden, waren van de zeer primitieve soort, zandig in den zomer, modderig in den winter, ja zoodanig, dat zij in laatstgenoemd saizoen niet dan met het grootste bezwaar en gevaar waren te gebruiken.

Een „karos,” die kwam binnenrijden, was dan ook een evenement, „dat alle jonge en oude wijven van 't spinnewiel riep, en de schooljongens met hun monarch aan 't hoofd voor de deur der school.”

De correspondentie met de post was zoo gebrekkig mogelijk. De brieven uit Holland, voor Hoogeveen en de daarbij gelegen plaatsen bestemd, werden naar Groningen verzonden, kwamen van daar te Assen, om vervolgens door de Landschapsboden, die één en later tweemalen in de week, naar de Scholten der verschillende Carspels werden afgevaardigd, aan hunne adressen te worden bezorgd, met de weinige couranten, die sommige van de aanzienlijkste ingezetenen lazen.

Het bestuur der kolonie berustte voor één deel in handen van de afstammelingen der stichters—de heeren van Echten—en voor het andere deel in die van de Landschapsregenten.

De Scholten, door beide machten aangesteld, werden bijgestaan in hun beheer door de dorpsvolmachten, die direct en doorallemannelijke meerderjarige ingezetenen der kolonie, en alzoo zonder aanzien van stand of gegoedheid, werden gekozen en waarvan jaarlijks de helft aftrad.

Aan dit college was het Dagelijksch bestuur der gemeente opgedragen, en het deed daarvan ieder jaar, in de maand Februari, verslag aan het volk, tot dat einde bijeengeroepen, onder den blooten hemel, naar oud Germaansch gebruik en zede.

Dan werd ook de Carspelrekening ter tafel gebracht en de belastingen vastgesteld, die er in den loop van het jaar dienden te worden geïnd en die—vergeleken met wat tegenwoordig ten kantore van den gemeente-ontvanger moet worden geofferd—niet noemenswaardig mogen worden genoemd, want onder gewone omstandigheden zullen zij weinig meer dan achthonderd gulden jaarlijks hebben bedragen.

En geen wonder ook, want het Carspel bezoldigde geene ambtenaren(2), bezat geene publieke gebouwen, had geene schulden, liet het onderwijs der kinderen aan de zorgen der ouders over, en het onderhoud of den aanleg van wegen, straten, vonders, bruggen enz. aan den gemeenschappelijken boer of de aangelanden.

En deze geringe schatting, waaronder tevens begrepen was het onderhoud der kerk en de gedeeltelijke bezoldiging van den predikant, was alles wat de koloniërs aan belasting betaalden, want van de landschapslasten waren zij vrijgesteld.

Volgens de bepalingen toch, van het octrooi, door Ridderschap en Eigenerfden gegeven in den jare 1630, was het toen in wording verkeerende Carspel Echtens-Hoogeveen, vrijgesteld „van alle lasten en impositien hoe ook genaemd”(3)en dit gedurende een tijdvak van vijftig jaren.

Dat octrooi, in 1680 geëindigd, was lang voor het vervallen van dien termijn verlengd. In 1663 toch, wendden zich de Participanten van de „5000 morgen,” mitsgaders die van Steenbergen en ten Arlo, namens het Zuidwoldinger Hoogeveen optredende, tot het Landschapsbestuur, met „submis verzoek, dat het Octroy mogte worden verlengd, aengesien zij tot noch toe weynich profyt daarvan hadden genoten, en zij sodanige prolongatie niet obtinerende, gediscourageert zouden worden de hand langer aan 't werk te houden, maar genootsaekt souden zijn, hetzelve te verlaeten, tot haeren excessiven schade, alsmede tot ondienst van de Landschap.”

Ridderschap en Eygenerfden, deze „redenen gouterende”, hadden daarop in hunne vergadering van 23 Februari 1664 het Octroi geprolongeert met dertig jaren, „aftereekenen oft te beginnen van den tijt aft dat het oude octroy sal comen te expireren.”

Was er dus over den druk van belastingen niet te klagen, over grooten vooruitgang op materieel gebied viel niet te roemen.

Behalve in turf was er weinig handel en gering vertier.

Er waren twee korenmolens—beide op de Schutstreek staande—, een kalkoven, eenige scheepshellingen, eene tichelarij, een drietal brouwerijen en grutterijen en verder een paar weefgetouwen, waarop grove wollen stoffen en linnens geweven werden.

Wat de winkels aangaat, zij waren klein en men kon er zich niet anders dan van de allernoodzakelijkste levensbehoeften voorzien.

Wat daar boven ging, kwam óf uit Meppel, óf werd door schippers, wier pramen groot genoeg waren om zich op de Zuiderzee te wagen, uit Amsterdam aangevoerd.

Want een veerschip op laatstgenoemde stad was er niet, en een beurtveer op Meppel kwam eerst in 1735, en alzoo in veel lateren tijd tot stand.

Over gebrek aan geneeskundige hulp was er lang geklaagd, maar daarin was in 1683 voorzien, toen een te Leiden gepromoveerd geneesheer, zich in de kolonie kwam nederzetten.

Dat hij het echter niet breed had met zijne practijk blijkt uit de omstandigheid, dat hij zich tevens „met de borst” op de vervening toelei, zoowel als op den landbouw.

Trouwens dit was ook het geval met de vier advocaten, die den pleitlustigen koloniërs dienden van rechtsgeleerde adviezen. Ook deze heeren waren veenbaas en boer en verkochten turf, melk en boter, zoo goed als hunne niet geletterde collega's en concurrenten.

Wat het andere gedeelte der kolonie—de Velden—aangaat, hier was het voor een goed deel nog woest en ledig.

Aan het Hollandscheveldsche Opgaande(4)zag men tot den hoek, waar dit eene oostelijke richting neemt, eenige huisjes van steen, afgewisseld door andere, tot welker bouw geene andere materialen waren gebruikt dan turf en leem, en waarvan de deur zoowel diende tot ingang als tot schoorsteen.

Het in oostelijke richting opschietende gedeelte was meer een breede wijke(5)dan eene vaart.

Diep tusschen hooge oevers van donker veen gelegen, werd dit kanaal omzoomd door eenige hutten, of liever holen, want het waren weinig anders dan in den grond gegraven gaten, waarop een dak van zoden of bonkaarde(6)geplaatst was, en die, uit de verte gezien, niet kwalijk geleken op reusachtige molshoopen.

Van de bewoners dezer verblijven wordt door een tijdgenoot verzekerd, dat zij waren: „een Rapiamus, hokkelende bij elkanderen, comende wel van Tijdt tot Tijdt in de Cercke, maar sonder enige bate, sijnde sij te onwetent om de woorden te connen verstaen van den Leeraar.”

Wellicht was dat oordeel wel wat al te ongunstig en zeer zeker niet van toepassing op alle bewoners der „Velden”, maar voor een goed deel was het juist.

't Was een wild en woest volkje, de bewoners van het Hollandscheveld hier, en van nog veel latere dagen, en hoe zou het ook anders kunnen zijn?

Onderricht ontvingen zij niet of weinig, want de twee scholen, die er in de kolonie bestonden, lagen in de bebouwde kom van 't Carspel en alzoo veel te ver weg om er gebruik van te kunnen maken, en hetzelfde bezwaar gold tegen het bezoek van de catechisatie, een oogenblik aangenomen, dat de ouders besef genoeg hadden om het nut er van voor hunne kinderen in te zien.

Dat het bijgeloof dan ook welig onder hen tierde, behoef ik niet te zeggen, maar wèl, dat dit evenzeer het geval was aan „de Huizen”.

Ook daar waren spokerijen en hekserijen aan de orde van den dag, en de duivel stoorde zich zoo weinig aan de tegen hem geslingerde banbliksems van den zeer Voetiaanschen predikant Curtenius, dat hij stoutmoedig genoeg bleek te zijn, dezen dienaar Christi persoonlijk lagen te leggen.

Heksen waren er dan ook van allerlei soort en zeer diverse kunstvaardigheid. De een verstond de kunst melk uit het hecht van een mes te tappen; een ander wist uit slootwater boter te karnen van „redelycke qualiteit”—als de berichtgever er bijvoegt—, en een derde kon een bok met zooveel snelheid doen voortstappen, dat zijn vaart die der sneltreinen van onze dagen nog overtrof.

Volgens onwraakbare getuigen toch, reed zekere heks, op zulk een beestje gezeten, op éénen nacht heen en weerom naar den Bloksberg!

En welk soort van hekserij Nevelhekse uitoefende, zullen we nu zien, want deze mogelijk te lange inleiding sluitende, zullen we overgaan tot het verhaal harer lotgevallen.

(1)Notulen Mijner Daghen, ofte Tijtsgetuygenissen-Clapper van Arent Calkoen I. U. D. en Petrus Calkoen I. U. D. 1661–1709. Van dat werk, thans nog in manuscript, werden eenige fragmenten medegedeeld in de Hoogeveensche Courant, 1884–1885.

(2)Alleen de Carspelsoldaten werden gekleed op kosten van de gemeenten. Hunne bezoldiging genoten zij van het Landschapsbestuur.

(3)De kasteleins betaalden—en dat was ook de eenige fiscale uitzondering van het octrooi—„sestien stuyvers van ydere tonne bier, op den tap”.

(4)Vaart.

(5)Zijkanalen, minder breed en diep dan het hoofdkanaal.

(6)De bovenste laag van het veen, bestaande uit dicht ineengegroeide heide en mosplanten.

Het was in 't midden van de maand Augustus van 't hierboven vermelde jaar 1705, dat een gezelschap jonge lieden, meestal studenten, die de vacantie te huis doorbrachten, zich al vroeg in den morgen op weg begaven, om te visschen in het Riegmeer, eene waterplas, een half uurtje zuidwaarts van de kolonie Hoogeveen gelegen en in die dagen gewoonlijk Alberts-Holtien genoemd, naar een boschje van opgaand hout, dat het omringde.

Niet alle leden van 't gezelschap waren ingezetenen van het Carspel of Coloniërs, als men ze veelal betitelde, want er was een vreemdeling onder hen, een Hagenaar, die een paar dagen vroeger te Hoogeveen was aangekomen en bij zijne bloedverwanten—de familie Bentinck—logeerde.

Zijn geslachtsnaam kan ik niet met volle zekerheid mededeelen, maar wèl dat hij van moeder's zijde verwant was aan de Bentincks en—meer bepaald—aan den tak dier aanzienlijke familie, waartoe Jan Willem Bentinck, den grooten vriend van Koning William, behoorde.

Noem ik hem dus ook Bentinck, en stel ik hem onder dien naam aan den lezer voor, ik meen daarmede geen te groote zonde tegen de waarheid te begaan.

Hij wordt in het manuscript van de heeren Calkoen beschreven, als een jongenman van „ene hoge gestalte, en een so innement voorkomen, dat sijn Gesigt alleen voldoende was hem te doen beminnen.”

Verder wordt van hem getuigd, „dat hij had enen dichterlijken Geest, en was een jonkman vanvoorbeeldigenwandel, en hoewel Godsdienstig van herte, tog een vriend van vrolijkheit, en—gulle scherts, mits blijvende binnen de perken der sedelijkheidt, zeer geerne gedoghende ende gouterende.”

Tegen de gewoonte van den adel dier dagen, had hij niet in de rechtsgeleerdheid gestudeerd, maar in de medicijnen, en was in dat vak, nu twee jaren geleden, met glans gepromoveerd.

Hij had echter de practijk slechts korten tijd uitgeoefend, en hoewel het hem niet ontbroken had aan patienten, strookte het „dokteren” zoo weinig met zijn smaak, dat hij het er had aangegeven.

En geen wonder ook!

In 't bezit van een van zijn ouders geheel onafhankelijk vermogen, behoefde hij om den broode niet een vak te beoefenen, dat hem noopte zich in een kring te bewegen, waarin hij zich niet te huis gevoelde, en waarin van zijne waarheidsliefde grooter offers zouden worden gevergd, dan hij geneigd was te brengen.

Daarbij stond de studie der Natuur hooger bij hem aangeschreven dan die der geneeskunde, en 't was dan ook—voor een goed deel althans—aan zijne begeerte te danken, om zich met de Fauna van deze schaarsch bezochte, ja bijna onbekende streken bekend te maken, dat hij zich te Hoogeveen bevond.

Deze zijne zucht verloochende zich ook thans niet, want, na zich een poosje, evenals de overige leden van zijn gezelschap met het visschen te hebben bezig gehouden, stak Jonker Bentinck, dien ik voortaan bij zijn doopnaam—Allard—zal noemen, zijne hengelroede in den wal, en trok, gewapend met vlindernet en plantendoos, de achter Alberts-Holtien gelegen veenachtige heide in.

Wat hij daar zag, geleek in geen enkel opzicht op 't geen men er tegenwoordig kan aanschouwen.

Waar in onze dagen het oog van den wandelaar, rust op eene aaneenschakeling van weide- en bouwland, van elkander gescheiden door met bosch omzoomde wijken, rustte het zijne op eene breede watervlakte, wellicht eentwintigtal morgensgroot, golvende tusschen hooge oevers van donkerbruin veen, hier en daar bezet met boekweit en aan de noordzijde begrensd door een lagen dijk.

Die dijk—opgeworpen om de aan deze zijde lager gelegen gronden te beveiligen, tegen de door zuidweste winden dikwijls hoog opgestuwde wateren van het meer—was hier en daar beplant met hoog opgeschoten kreupelhout en schoot oostwaarts op tot een plek, waar een door welig bosch omringd, vrij groot steenen huis stond.Hier vereenigde hij zich met een anderen dijk, die naar het zuiden liep en het meer in twee zeer ongelijke helften verdeelde, waarvan het westelijkste deel verreweg 't grootst was.

Allard volgde het pad door de boekweitakkers, beneden den eersten dijk, tot hij aan een plek kwam, waar een drietal veldnimfen bezig was de reeds gedeeltelijk gemaaide boekweit aan schoven te binden.

Weinig aangetrokken door dit ruwe veldvolkje, dat hem met open mond aanstaarde, om daarop in een schaterend gelach uit te barsten, wilde hij zich omkeeren, toen een wondervreemd gezang, dat van de overzijde van den met hoog kreupelhout beplanten dijk scheen te komen, zijn oor trof en hem ademloos deed toeluisteren.

't Was een hooge, maar tevens volle vrouwenstem, die dit gezang voortbracht, maar hij verstond zoo weinig de woorden van het lied, als hij er de melodie van kende. Die melodie geleek dan ook volstrekt niet op de zangwijzen, in die dagen in zwang en die hem, als beoefenaar der muziek, zeer goed bekend waren, en hoewel de klank van sommige woorden hem deden denken aan 't Italiaansch, klonken andere weer zoo geheel anders, dat hij begreep ze tot eene hem niet bekende taal te moeten rekenen.

Een lang aangehouden toon, uitgaande in een parelzuiveren triller, besloot het gezang en juist stond de jonker gereed om het dijkje te beklimmen, teneinde de zangster te kunnen aanschouwen, die zulke wonderbare tonen voortbracht onder het wandelen—want opnieuw klonk haar lied, maar reeds zeer uit de verte—toen een vreeselijk gegil achter hem, hem verschrikt deed omzien.

Een helsche furie scheen wel gevaren in de arbeidsters, straks nog zoo ijverig en vreedzaam aan 't werk.

Eene er van wentelde zich gillende op den grond en de overigen balden de vuisten naar de plaats van den dijk, van waar het gezang geklonken had, terwijl zij met verbazende rapheid van tong eene menigte scheldwoorden uitbraakten.

Een geruime poos duurde het voor Allard, verbaasd over dit verschrikkelijk getier, gewaar wierd wat er eindelijk was gebeurd.

En het bleek hem toen, dat het geen „leven over niets” was, maar dat het geval ernstig mocht genoemd worden.

Een der meisjes namelijk had, bij het binden van een schoof, op een adder getast en deze had haar in den arm gebeten.

Die adder nu, en dit verklaarde de toorn van hare gezellinnen, was niet op eene natuurlijke wijze in de boekweit gekomen: de zang van de Nevelhekse had haar daarin gezworen en—aan haar was dus het ongeluk te wijten!

De beet van een adder—een dier, destijds vrij gemeener in deze streken dan thans—is wel gevaarlijk, maar zelden doodelijk.

Warme zomers verhoogen echter de werkzaamheid van het venijn, terwijl de genezing zeer wordt bemoeilijkt, wanneer een lichaamsdeel wordt verwond, dat bezwaarlijk valt te onderbinden.

Geen dezer ongunstige factoren was hier aanwezig: de warmte was zeer gematigd geweest in den afgeloopen zomer en de beet van het dier had den onderarm, even boven de hand, getroffen.

De jonge geneesheer deed wat hij in de gegeven omstandigheden doen kon.

Hij opende de wondjes—schijnbaar niet anders dan twee bloedroode stippen—met zijn pennemes, om eene bloeding te bevorderen, en onderbond vervolgens met zijn zakdoek, dien hij middendoor sneed, den arm beneden de elleboog.

Vervolgens zocht hij de misdadigster op, en toen hij gelukkig genoeg was haar te vinden, verbrijzelde hij haar den kop en bond deze met de andere helft van de zakdoek op de wonden, in het volle, ook medische geloof dier dagen: dat niets beter de beet van een venijnig dier geneest, dan den verbrijzelden kop van dat dier te doen dienen als trekpleister van het venijn.

En na de patiente rust en een gestadig gebruik van een afkooksel van kamillen, die onder aan den dijk in overvloed groeiden, te hebben aanbevolen, zocht hij zijne metgezellen op, om hun het verslag van zijn wedervaren te doen en vooral ook om meer te vernemen van Nevelhekse, dan hij uit de verwarde verhalen van de vertoornde veldnimfen had kunnen opmaken.

Ziehier wat hij hoorde:

In de laatste jaren der verloopen eeuw, kwam in de kolonie een man wonen—niemand wist van waar, maar zeker uit verre landen—want hij had de taanachtige kleur van lieden, die lang in tropische gewesten hadden vertoefd, en gebruikte vele woorden en uitdrukkingen, die zelfs dominé verklaarde niet recht te kunnen begrijpen.

Ook het kind, dat hem vergezelde, een meisje van nog zeer jeugdigen leeftijd, was gewis niet geboren onder deze kille noorderzon, en, verraadde ook de blanke, eenigszins in 't bruine spelende kleur der huid niet duidelijk genoeg eene zuidelijke herkomst, de groote donkere oogen en het gitzwarte, prachtig golvende haar, die het bezat, deden dit zooveel te beter.

Ook was het wonderbaarlijk vlug in zijne bewegingen, sprong als een geitje langs den weg en kon klimmen als een aapje!

Tot groote verbazing van de buurt stond dit meisje den morgen na hare aankomst in de herberg „De vliegende Visch,” waar de vreemdeling voorloopig zijn intrek genomen had, op het rieten dak van het huis te zingen, maar in eene taal, die heel vreemd in de ooren klonk en wel iets had van vogelgezang.

Ook sprong en wipte zij op onder het zingen en maakte bewegingen met de armen, als een klapwiekende vogel doet, die zóó, zóó weg zal vliegen.

Wat den man betreft, hij was stuursch tegen ieder, behalve tegen dit kind, en er gingen dagen om, waarin hij een bijna volstrekt stilzwijgen bewaarde.

Zijn tijd bracht hij door met tochten in de venen en vreemd was het daarbij, dat hij, hoewel een vreemdeling, den weg in de omstreken zeer wel wist te vinden en de gevaarlijke plekken in het moer te vermijden, zoo goed als een geboren veldrot.

Niet lang na zijne komst in de kolonie was hij in onderhandeling getreden met Piet Warries—alias slimme Piet—over den koop van een hoek gronds aan den Riegsdijk, de plek waar thans het steenen huis stond, dat Allard in de verte had gezien.

't Was een plek van niet zeer groote geldelijke waarde, maar overigens merkwaardig genoeg, daar, hetgeen men er op vond bij de wegneming van het veen dat het bedekte, ten klaarste bewees, dat er vóór de veenvorming, in deze streken menschen gewoond hadden, die de Nomadische levenswijze der Germaansche volksstammen niet volgden of—alree hadden vaarwel gezegd.

De arbeiders toch, die hier 't veen afgroeven, ontdekten op eene diepte van vier of vijf voet een steenen vuurhaard en daar om heen de wortels van zware boomen en later nog de overblijfselen van een uit flinten opgestapelden muur, die een erf van groote uitgestrektheid had omsloten.(a)

Dit alles was echter sinds lang opgeruimd, en nagenoeg vergeten ook, maar toen de vreemdeling er zoo op stond om juist dit plekje gronds te willen koopen, begreep „slimme Piet” dat dit was om de daarop gevondene oudheden, en hield zich dus op een afstand.

Dit duurde echter niet lang, want toen de man een bod deed, zóó hoog boven de waarde, dat de lui die er bij tegenwoordig waren naar hunne voorhoofden wezen, als wilden zij zeggen: niet pluis hier bij den bieder en nog minder pluis bij den eigenaar, zoo hij geen gebruik maakt van de gelegenheid,—sloeg hij toe.

Intusschen—onder borgstelling voor betaling op kort termijn.

DeStroeve—want zóó werd de vreemdeling aldra in 't Carspel genoemd—deStroeveantwoordde met een schamperen grijnslach: dat hij betere borgen in zijn kist had, dan er in de gansche kolonie te vinden waren, en wierp daarop een zoo zwaar met groote goudstukken gespekte beurs op de tafel, dat „slimme Piet” er anders van wierd.

Ja, zijne begeerlijkheid werd zoodanig opgewekt, dat hij het uiterste wilde wagen, om meer nog dan het bepaalde aantal van den gelen buit machtig te worden, en hij veinsde dus berouw te gevoelen over den gesloten koop. Zijne vrouw, zeide hij, hechtte bijzonder veel aan dit lapje gronds, en zou hare toestemming nooit geven, om dit voor een appel en een ei van de hand te doen.

't Was daarom maar beter—voegde hij er bij—den gesloten koop te beschouwen als een grap.

De gansche vergadering schudde het hoofd bij deze verklaring, want zij doorzag Piet's spel niet.

DeStroeve, daarentegen, zooveel te beter, maar hij was geen man, om zich door een Veenkluit te laten vangen.

Na al de aanwezigen als getuigen te hebben opgeroepen, begon hij zoo vreeselijk uit te varen, zoo geweldig zijne tanden aan „slimmen Piet” te laten zien, dat deze bang werd en verklaarde—in Gods naam te berusten in de zaak, mits de kooper eenige mutsjes brandewijn als zoenoffer plengde.

Deze liet zich aan zulk een kleinigheid volstrekt niet kennen, maar stond er op, dat de Schout, die aanwezig was, oogenblikkelijk den Stokleggingsbrief gereed zou maken.(b)Deze voldeed aan dat verzoek, en zoo kon de Stoklegging, naar Landrechts eisch, nog denzelfden avond geschieden.

Niet lang daarna, liet de nieuwe bezitter de noodige bouwmaterialen voor een huis komen, dat in 't voorjaar verrees en wel, geheel van steen en met een pannen dak.

Ook omheinde hij het geheele terrein met wilgenstekken, man aan man gezet, en plantte daaromheen eiken hakhout, en in den tuin allerlei fijne vruchtboomen.

Het eerste jaar was de opbrengst van den zorgvuldig omgespitten grond reeds zeer voldoende, en in het tweede jaar stond alles, wat de „Stroeve” verbouwde, schooner dan de wilde veldrotten, die in zijne buurt hunne hutten en holen hadden, ooit hadden gezien.

En jaar op jaar werd dit beter, en wat het vreemdst was: wanneer bij ieder de oogst schraal uitviel, had deStroevegeen reden van klagen, maar mocht zich verheugen in een goed beschot.

Men begreep er niets van, en omdat men er niets van begreep, lag het voor de hand—niet aan meerdere kennis, en zorgvuldiger behandeling van den voor eeuwen al bebouwden grond te denken, maar aan geheel iets anders.

DeStroeve(hij zelf noemde zich Jansen) deStroeve—dus fluisterde men—deelde in de gunst van zeker iemand, wiens naam men maar liefst niet noemen wou, maar die te zijner tijd wel het loon voor de betoonde bescherming zou komen opvorderen.

In 's Heeren zegen, dat was zeker! deelde hij niet, want hij zette nooit een voet in kerk of kluis, en had bij zijne komst in de kolonie zelfs geweigerd zijne lidmaatsattestatie in te dienen.

Maar dat was nog lang niet alles.

Hij had den vromen predikant der gemeente, die met zijn ouderling, Amos Grootendost, hem in 't belang zijner onsterfelijke ziele, en die van zijn onschuldig kind, waren komen bezoeken, op eene zoo onhebbelijke wijze bejegend, dat zij het huis hadden verlaten, schuddende het stof van hunne voetzolen, en onder luide bedreigingen, met den toorn en het oordeel des Heeren!

En ook dit was nog niet alles!

De man bewaarde in een zijner vertrekken zeer verdachte dingen.

Men zag er flesschen staan met vreemde gedrochten, en daartusschen, dito met menschelijke ledematen, ja zelfs volslagen kinderen, aan den nek opgehangen aan roode draden!

Voorts stond er naast een boekenkast, een volledig menschelijk geraamte, en grijnsden er op die kast, mogelijk wel tien doodshoofden!

Kwam nu een van zijne buren hem 't een of ander vragen, dan had hij de gewoonte, hem door Cicilie, zijn dochtertje, in dit vertrek te doen brengen, en hem daar een poos alleen te laten.

De meesten echter, wachtten daar niet zoo lang tot de heer des huizes verscheen, maar verkozen liever onverrichter zake te vertrekken.

Niet alleen toch bevond men zich hier te midden van de opgenoemde verschrikkingen, maar..... er leefde en bewoog zich iets in die kamer, dat zonder den minsten twijfel reden had zich niet te laten zien.

OudeHaasoor, de vermaarde strooper, en een kerel, die voor geen kleintje vervaard was, verklaarde, na een minuut of tien deze proef te hebben doorgestaan—dat hij liever een heelen dag wilde zitten, tegenover tien koddebeyers en vier scholten, dan een uur door te brengen in de spookkamer van denStroeve.

De doodshoofden op de kast had hij hooren knarsetanden, en het geraamte, dat daar naast stond, deed zijn best, om zich den kop af te schudden; en het had rondom hem gepiept, en getikt, en geknetst, en geduiveljaagd, dat het er den Satan zelf te benauwd zou geworden zijn!

Nu waren er wel lui, die de waarheid van deze bevindingen eenigszins in twijfel trokken en 't grootste deel er van op rekening stelden van Haasoor's overprikkelde verbeelding, en zijn niet al te zuiver geweten. Maar..... dat het overigens niet pluis was bij denStroeve, zie! dat stond ook bij hen vast.

Waren deze bevindingen en verhalen meer dan voldoende, om alles wat er vreemds en noodlottigs in de buurt voorviel, aan den boozen invloed van den vreemdeling toe te schrijven, de eigenschappen van zijne dochter, die—ik behoef het wel niet te zeggen—de zangster was, welker lied jonker Allard zoo had bekoord, droegen niet weinig bij, om de vrees, die men voor den bewoner van het „steenen huis” had, te vermeerderen.

't Was, als de verhalers het om strijd verzekerden, een wonderschoon, maar ook een wonder vreemd meisje.(c)

In 't dorp zag men haar maar zelden, maar in de „velden”, en dat dikwijls ver van 't huis haars vaders, zwierf zij gansche dagen, en, naar sommigen verzekerden, halve nachten om.

Velen hadden haar in den maneschijn, of in de nevelen van den avond of vroegen morgen zien dansen, en hooren zingen, en 't was daarom, dat men haar den naam van Nevelhekse gegeven had.

Maar wanneer men haar poogde te naderen, verwijderde zij zich schielijk, en alleen een paar jonge meisjes uit de buurt kenden haar persoonlijk, en gaven breed op van hare gaven en van de lichtheid van haren tred, die, zeiden zij, het gras nauw neêrdrukte, dat zij betrad.

Alles, wat anderen met moeite moesten leeren, scheen zij uit zich zelve te kunnen en te kennen.

Want, om van lezen en schrijven niet te spreken, dat zij van haar vader kon hebben geleerd, wie had haar zoo meesterlijk leeren breien, naaien en strijken als zij kon?

DeStroevenoch zijne eenvoudige huishoudster had haar ook kleedjes kunnen leeren maken, en ziet! alles wat zij aan had zat haar even keurig, al was 't ook waar, dat het zeer afweek van de gewone kleederdracht, en 't meestal van zuiver witte of van ongewoon kleurige stoffen was vervaardigd.

En dan haar muziek! haar zang!

Daar was inderdaad iets betooverends in, want zong of speelde zij—wat somtijds gebeurde—op eene fluit, men moest er naar luisteren, of men wilde of niet!

Nauw klonk dan ook hare muziek, of—evenals vroeger om Orpheus de dieren—verzamelden zich de veldrotten om haar heen, en luisterden (op een eerbiedigen afstand altijd!) naar hare tonen en melodiën.

Intusschen was deze zucht in de laatste tijden merkelijk verflauwd.

En geen wonder ook!

Tweemalen toch was er onder het spelen en zingen van Nevelhekse een ongeluk in den kring van hare toehoorders voorgevallen.

Marren-Diene, een meisje van veertien jaren, onder den toover der fluit rondspringende, was plotseling neergevallen, en bleek zich den enkel zoodanig verstuikt te hebben, dat zij niet anders kon doen dan hinken, en dat veertien dagen lang.

Verder had Haasoor's-Benne—een jongen van vijf jaar—er „termienen”, d. i. stuipen, van gekregen en het er ternauwernood afgebracht. Daarbij had men opgemerkt, dat er onweer volgde op haar gezang, en eens was het gebeurd, dat er onder haar spelen, zich een zwerm pennevogels (vlinders) vertoonden, en dat men daarop druppels bloed op 't gras had gevonden!(d)

Een kwaad gerucht maakt weinig vrienden!

DeStroeveen zijn dochter hadden ze dan ook niet, straksgenoemde meisjes uitgezonderd, en een invloedrijk burger in de kolonie—jonker Swaap genoemd.

Nooit was deze in de Velden, of hij ging bij denStroeveaan, en jonker Swaap's huis was dan ook bijna het eenigst in 't dorp, dat deze en zijne dochter somwijlen bezochten.

De jonker wilde dan ook van heksen en tooverijen niets weten, en sprak men er van, dan riep hij: „Papperlepap! allemaal gekheid! De kerel is een knappe kerel, en weet meer dan alle veenbazen hier met hun allen, en 't kind is een engel! Was ik dertig jaar jonger, en had ik geen huiskruis, ik ging naar haar vrijen, zoo waar als ik een oude zeebonk ben!”

Intusschen fluisterde men dan ook vrij algemeen, dat jonkerSwaaponder den geheimzinnigen invloed van Nevelhekse stond, en dat het alleen door haar toedoen was, dat hij denStroevehad benoemd tot schutbaas van het sluisje, waarmee hij de wateren van het groote meer in zijn bedwang hield.

Maar anderen waren wijzer, en begrepen zeer wel, dat niet de invloed van Nevelhekse, maar de invloed van zijn eigenbelang, den doorslag had gegeven bij het benoemen van den alom gevreesden Jansen tot bewaker van een verlaat, dat door de aangelanden gestadig bedreigd wierd.

En hetwaaromzal ieder duidelijk wezen, die weet, hoe de vork daarbij aan den steel zat, iets wat ik niet duidelijker kan maken dan door eene aanhaling uit het geschrift van dr. P. Calkoen te schuiven in het relaas, dat de jongelieden aan het Riegmeer gaven, aan Allard Bentinck.

Bedoelde aanteekening luidt als volgt:

„Jonker Swaap, die namens de aangelanden, gelegen tusschen 't Grote Riegmeer en 't Hollandse Veldtse Opgaande (Vaart) en den Heere v. Echten, (die dese lose vos maar al te veel vertrout) 't beheer uitoefent over de waateren van 't meer, is deser daghen (1699) met buren, bontgenoten en vijanden, tegelijckertijd (geraakt) in dispuyt.

„In plaatse oock van dese waateren te gebruycken en aan te wenden als sulx behoort, en ook ampel bedongen, besteede hij deselve bijna gantselijck ten eygen profijte.

„Is er te veel, dan tragt hij de Suydwoldingers (sijne speciale vijanden) er mee te versuypen, en is er te weynigh, hij stuwt 't meer op tot de hoogte dat hij 't kan bevaren met de sponturfbakken, waarmee hij de sponturf, uyt sijne Trekkerijen, aan de suydoostelijke kant van 't Meer gelegen, afvaart na 't Opgaande, en gerijft de Compagnie alleen met 't overschot, en 't gunt dat door 't schutten vrij komt.

„Want in plaatse van een Vallaat, voldoende om de waateren te keeren of door te laaten, heeft hij een schutje laten timmeren, met een keerdeure daarvoor, geschickt om sijne bokken (turfschuitjes) bequamelijck te konnen schutten.

„En voorsiende dat sommige Luyden met geweldt dit vallaat souden willen openen, heeft hij tot schutmeester aangestelt, een man die yder vreest en ontsiet, en die vlack aan dat schut woonende, bij uytnementheyt geschikt is om sijne belangen te dienen, en zijne ordres te executeren.

„En dat is niemand anders als Jansen, . . . . . . . . . . . . . . . . . . die bij naest allen ontsien, sij 't niet om Sijn roep van swarte konste, dan ten minste om sijne extravagante brutaliteit.”

Men ziet, niet Nevelhekse, maar het eigenbelang van den zeer zelfzuchtigen jonker Swaap, had hem bewogen, „denStroeve” op eene plaats te stellen, waar hij hem bij uitnemendheid konde dienen.

Dat echter ook de roep, die van de bovennatuurlijke vermogens van het meisje uitging, medewerkte in het belang van den jonker, is zeker, en washijeerlijk genoeg, er voor zich zelven geen gebruik van te maken, de schutbaas dacht er anders over, want hij trachtte op alle mogelijke wijzen het geloof aan de buitengewone krachten, die het publiek haar toeschreef, te versterken.

Maar—en dit moet ik er bijvoegen—hij deed dit niet alleen in 't belang van zijne veiligheid, maar ook, en meer nog, in 't belang van die van 't meisje zelve, dat, gewoon, geheel alleen in 't veld rond te zwerven, daarbij niet veilig zoude geweest zijn, ware de onbeschoftheid niet in 't begrip, dat eene onzichtbare macht hare schreden vergezelde.

Jonker Allard vond zich ten zeerste geboeid door deze verhalen, en een wonderbaar verlangen, het meisje te zien, waarvan hij zooveel vreemds gehoord had, vervulde hem zoo zeer, dat hij om bijna niets anders dacht.

Hij werd dan ook zoo stil en afgetrokken, dat zijne metgezellen er hem mede plaagden. Zij noemden hem betooverd door het gezang van Nevelhekse, en terwijl hij dit lachend toegaf, verlangde hij steeds meerdere bijzonderheden betrekkelijk haar en haren vader te vernemen.

Maar, wat men wist, had men verteld, en daar slechts een paar van de jongelieden het meisje gezien hadden, en dat nog wel van verre, konden zij van haar uiterlijk niet anders dan in zeer onbepaalde termen spreken.

't Was intusschen schemeravond geworden, en hoewel Allard plan had nog eens naar het meisje te gaan zien, dat door de adder was gebeten, liet hij dit voornemen varen, toen hij hoorde, dat hij daartoe nog wel een minuut of tien hooger op zou moeten wandelen, en keerde dus met zijn gezelschap naar huis.


Back to IndexNext