V.De groote kraanvogeldans op den Kullaberg.’t Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft als de oude Kullaberg.De Kullaberg is laag en langwerpig. ’t Is heelemaal geen hooge of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten in Skaane.Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet laten een beetje teleurgesteld te zijn.Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen, als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg, om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven, diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten, die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte hellingen en zachtglooiende,met groen bekleede terrasjes. Daar zijn kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes, die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar zijn statige rotspoorten, die zich over ’t water welven; daar zijn steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere, die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten, den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen, tot in het hol van den Kullaberggeest.En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over ’t veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf, en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen, wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren, waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder ander oord.Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren, den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet te worden opgemerkt.Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver van de uiterste punt van den berg.De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel ’t een uitgemaakte zaak is, dat op een dag alsdeze, algemeene vrede heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de oude gewoonte.Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels uit te zien. ’t Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen, als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen, blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt, stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk, en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen en groengele meezen.Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot, dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij, die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst gekras. Allen, die op de speelplaats zijn,herademen, als die wolk zich eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien, en roeken, en raven en zaadkraaien.Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte, gestippelde lijnen in ’t oosten en ’t noordoosten. Dat zijn de boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels, van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in scheeve hoeken en halve cirkels.Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze, zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van ’t huis Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap, dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn, en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen, en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.Maar ’t was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met zijn groot gevolg voortliep; ’t was niet Akka, die neerdaalde, hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht, en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo oneerbiedig had behandeld.Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen, die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet had verdiend.“Neen, Moeder Akka,” zei hij.“U moet niet denken, dat ik de grijze ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde.”Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar, en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den Kullaberg te nemen. “Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als op ons zelf,” zei ze.De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.“Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,” zei hij, “’t is een geluk, dat we hem kunnenbeloonen voor alles, wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen, zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen.”Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen, die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over hem spraken.Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was, bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog, met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer wierp hij zich naar beneden met zóó’n vaart, dat het scheen, dat hij hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht naar den Kullaberg.Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht, en zongen van blijdschap.Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers, die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij, toen die voorbij was. De dierenvonden dien even somber en onzinnig als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets, wat hen een beetje blij kon maken.Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder ’t springen draaiden ze in ’t rond, namen hooge sprongen, en sloegen met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond, een ander liep op de voorpooten. Er wasnietde minste orde, maar er was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren, die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op, sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. “Tjek, tjek tjek,” klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde: “Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!” En meteen werd hij zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie, die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen, en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide, begon zwaar en heet te worden.“Ja zeker! Nu is het lente!” dachten alle diervolken. “De winterkoude is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde.”Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was, waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer opde speelplaats, waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te zingen: “Orr, orr, orr!”Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen, gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren aan niets anders dachten dan aan ’t spel van de korhoenders, heel zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in ’t oog, en omdat ze niet gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen doorsluipen zou, begon ze te roepen: “Pas op! Wilde ganzen, pas op!”De vos sloeg haar over de keel, misschien wel ’t meest, opdat ze zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord, en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had, kreeg Smirre zoo’n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had, dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik, dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd, om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust- en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet laten storen.Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hunoorlogsspel te laten zien. ’t Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.Op de heuvels in ’t rond was het ademloos stil, terwijl de in ’t strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan, zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was, en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den anderen: “Nu komen de kraanvogels.” En toen kwamen de grijze, als in schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen, hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden, zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor ’t eerst op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar den dans van de kraanvogels heette.Er was woestheid in, maar ’t gevoel, dat het wekte, was toch een zoet verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt, het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven naar het bovenaardsche.Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen.VI.In den regen.Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad, maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen, begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld, maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep: “Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik.”Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren vanChristianstaden ’t koningspaleis van Bäckaskog op de smalle landtong tusschen ’t meer van Oppmanna en ’t Ivömeer, en de steile helling van den Ryesberg.’t Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden, dat zij grijs en vervelend waren, maar ’t was heel wat anders, nu hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen: sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, anderemet tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had, en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken het water over de aarde neer te stroomen.Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op ’t veld neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk, en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.“Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is het beste, wat er is,” zongen de vogeltjes.Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze: “Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nuzijnjelui lang genoeg lui geweest.”Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen, zeiden ze vermanend: “Waaromhebbenjelui zoo’n haast?Zienjelui niet, dat het stoeten en pannekoeken regent!”Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: “Hier komen we met anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!”Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging, werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen om het meer van Ivö: “Hebbenjelui nu nog niet haast genoeg?Hebbenjelui nu nog niet haast genoeg?”De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed, dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter, sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze verwarring, en de wegmerken warenbijna niet te zien.De tocht ging al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de lucht gereden had. En ’s middags, toen ze neergestreken waren onder een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en ’t werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen; hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven zou van angst. “Als ik ’t nu eens waagde naar de menschen te gaan, voor dezen éénen nacht?” dacht de jongen. “Alleen maar zoo, dat ik even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang.”Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over ’t moeras.Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane, in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er zooveel zijn hooger op het land, maar die men in ’t geheel niet vindt op de vlakten.De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken, hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het prettig weer menschenstemmen te hooren. “Ik zou wel eens willen weten, wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te worden,” dacht hij.Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij in de nabijheid van menschen was.“Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken,” dacht hij, “voor ik iemand vraag, of ik binnen mag komen.”Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.“Het regent, nu komt de lente gauw,” zei ze. Toen de jongen haar zag, werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de menschenwereld gezet had.Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig ’t wezen moest, met zoo’n mooie machine over een akker te rijden. Een oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten, die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over, hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan, dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren spreken van een wereld,—boven die, waarin ze leefden,—van God, en opstanding en eeuwig leven.En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten, wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden, zooals hij wezen moest.Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep, ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofder pijn van deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.“Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft geleerd als ik,” dacht hij eindelijk. “’t Zal wel zoo loopen, dat ik toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit.”Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan ’t zwemmen was geweest.Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen, en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak zat, zich te bewegen en riep: “Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis, moerasuil? Hoe heb je het in ’t buitenland gehad?”“Heel goed, dank je wel, katuil!” zei de moerasuil. “Is er hier wat bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?”“Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is ’t gebeurd, dat een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans.”“Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?”“Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past, zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en...”“En verder, katuil? Verder? Verder?”“Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is, die ons beluistert.”En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op in de lucht. “Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag ik weer een mensch worden!”Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het natte moeras.VII.Bij de beek van Ronneby.Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen, en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd, niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet, dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting, en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet bij hen kon komen.De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er is niet veel, dat prettiger is op eenmooien zomerdag, dan op dat kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud, buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand, die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo’n steilen bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen verborgen. Ze konden het niet beter hebben.De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en ’t woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van alle kanten, en er kwam zoo’n groote onrust over hem, dat hij onder den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.Smirre stond op den bergtop, ver weg uit ’t gezicht.“Deze vervolging hier kun je even goed laten!” zei hij in zich zelf. “Je kunt zoo’n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo’n woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen.”Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja, ’t was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar ’t armoedige Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze dan ook zelf niet op mogen eten.Toen Smirre’s boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was als de eekhoorn, maar toch evenzeker op en neer langs de boomstammen sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.“Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar,” dacht de vos, “dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen.”Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen, dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop, zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner, en hij antwoordde bijna niet.“Het verbaast me,” zei Smirre, “dat zoo’n jager, als jij zich met de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je bereik is.”Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: “’t Is toch niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in ’t klimmen, dat je beneden bij hen kunt komen?”Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.“Heb je wilde ganzen gezien?” riep hij blazend. “Waar staan die? Zeg het dadelijk, of ik bijt je den strot af!”“Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen.”In ’t volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van tak tot tak voortbewoog, dacht hij:“Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in ’t heele bosch. Ik denk, dat de wilde ganzen ’t aan mij te danken hebben, als ze in een bloedbad wakker worden.” Maar juist toen Smirre verwachtte den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen, en alle ganzen vlogen snel op.Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.“Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou rollen!” zei Smirre verachtelijk.“Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen,” zei de marter. “Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over, hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje, niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó’n kracht een steen naar het hoofd gooide, dat ik in ’t water viel, en eer ik er weer uit kon kruipen...”De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.Intusschen was Akka naar ’t zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was, als ze in ’t voorjaar over de Oostzee reisde.Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang kon zien slingeren door het in ’t maanlicht badende landschap. Zoo kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging, hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom, die bruisend in de kloof valt.’t Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze veilig voor roofdieren waren.De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij zat naast hen om op den ganzerik te passen.Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij kreeg dadelijk de ganzen in ’t oog, die daar in den bruisenden maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten.Hij bleef aan den oever naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond, dat zijn eer als jager op ’t spel stond.Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet wou afnemen.“Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen, als er volop wilde ganzen op de steenen staan,” zei Smirre. Hij was zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te kiezen, als hij gewoonlijk deed.De otter keerde niet eens zijn kop naar ’t water. Hij was een landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt, en kende Smirre, den vos, wel.“Ik weet wel, hoe jij ’t aanlegt om een forel machtig te worden, Smirre,” zei hij.“O, ben jij ’t, Gripe,” zei Smirre en was blij, omdat hij wist, dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. “Ik wil wel gelooven, dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staatbentze te bereiken.” Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was, en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde ’t niet op zich laten zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg, wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. ’t Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen te worden.Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind, jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht mislukt was, barstte hij uit: “’t Komt niet, doordat ik niet goed zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen, en me opmijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó’n pijn, dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me.”Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier weer naar ’t zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis, met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten, en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting zoeken op de balkons en in de waranda’s van de verlaten gebouwen.Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.’t Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen ’t gezicht op de zee had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij ’t land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. ’t Is alsof ze zoo’n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt, alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van ’t land kort en klein wil scheuren.Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes, en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groenaf, en maakt haar even kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt, om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij ’t land zóó weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.En denk dan aan ’t land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met bosch begroeid. ’t Ziet er uit, alsof ’t enkel denkt aan haver, en rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die ver in ’t land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar ’t zet die af met berk en els, precies alsof ’t een gewoon zoetwatermeertje was. Dan komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en breken in, en maken zich breeder. Ze splijten ’t veld en de bosschen, en zoodoende moet het land ze wel opmerken.“Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt,” zegt het land, en dan begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. ’t Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden, en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij begon zich rustiger te voelen dan in ’t begin van den nacht. Toen hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis.Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.“Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?” vroeg ze.“Ja,” zei Smirre, “ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb.”“Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden hebt?” vroeg Akka weer.“Een goede daad moet men niet ontkennen,” zei Smirre. “Jelui hebt eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden, zoolang er nog maar een van jelui in ’t leven is, al zou ik jelui ook door ’t heele land heen vervolgen.”“Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die gewapendismet tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen; wij—die weerloos zijn,” zei Akka.Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: “Als jij, Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt, pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij je hooren.”“Duimelot kan ik je niet geven,” zei Akka. “Van de jongste tot de oudste hebben we graag ons leven voor hem over.”“Als jelui zóóveel van hem houden,” zei Smirre, “dan beloof ik je, dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal.”Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn leven voor hem wilde wagen!Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen, dat hij van niemand hield.
V.De groote kraanvogeldans op den Kullaberg.’t Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft als de oude Kullaberg.De Kullaberg is laag en langwerpig. ’t Is heelemaal geen hooge of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten in Skaane.Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet laten een beetje teleurgesteld te zijn.Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen, als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg, om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven, diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten, die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte hellingen en zachtglooiende,met groen bekleede terrasjes. Daar zijn kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes, die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar zijn statige rotspoorten, die zich over ’t water welven; daar zijn steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere, die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten, den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen, tot in het hol van den Kullaberggeest.En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over ’t veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf, en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen, wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren, waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder ander oord.Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren, den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet te worden opgemerkt.Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver van de uiterste punt van den berg.De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel ’t een uitgemaakte zaak is, dat op een dag alsdeze, algemeene vrede heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de oude gewoonte.Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels uit te zien. ’t Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen, als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen, blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt, stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk, en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen en groengele meezen.Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot, dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij, die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst gekras. Allen, die op de speelplaats zijn,herademen, als die wolk zich eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien, en roeken, en raven en zaadkraaien.Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte, gestippelde lijnen in ’t oosten en ’t noordoosten. Dat zijn de boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels, van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in scheeve hoeken en halve cirkels.Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze, zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van ’t huis Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap, dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn, en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen, en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.Maar ’t was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met zijn groot gevolg voortliep; ’t was niet Akka, die neerdaalde, hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht, en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo oneerbiedig had behandeld.Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen, die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet had verdiend.“Neen, Moeder Akka,” zei hij.“U moet niet denken, dat ik de grijze ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde.”Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar, en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den Kullaberg te nemen. “Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als op ons zelf,” zei ze.De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.“Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,” zei hij, “’t is een geluk, dat we hem kunnenbeloonen voor alles, wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen, zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen.”Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen, die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over hem spraken.Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was, bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog, met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer wierp hij zich naar beneden met zóó’n vaart, dat het scheen, dat hij hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht naar den Kullaberg.Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht, en zongen van blijdschap.Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers, die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij, toen die voorbij was. De dierenvonden dien even somber en onzinnig als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets, wat hen een beetje blij kon maken.Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder ’t springen draaiden ze in ’t rond, namen hooge sprongen, en sloegen met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond, een ander liep op de voorpooten. Er wasnietde minste orde, maar er was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren, die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op, sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. “Tjek, tjek tjek,” klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde: “Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!” En meteen werd hij zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie, die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen, en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide, begon zwaar en heet te worden.“Ja zeker! Nu is het lente!” dachten alle diervolken. “De winterkoude is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde.”Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was, waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer opde speelplaats, waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te zingen: “Orr, orr, orr!”Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen, gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren aan niets anders dachten dan aan ’t spel van de korhoenders, heel zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in ’t oog, en omdat ze niet gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen doorsluipen zou, begon ze te roepen: “Pas op! Wilde ganzen, pas op!”De vos sloeg haar over de keel, misschien wel ’t meest, opdat ze zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord, en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had, kreeg Smirre zoo’n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had, dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik, dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd, om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust- en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet laten storen.Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hunoorlogsspel te laten zien. ’t Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.Op de heuvels in ’t rond was het ademloos stil, terwijl de in ’t strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan, zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was, en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den anderen: “Nu komen de kraanvogels.” En toen kwamen de grijze, als in schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen, hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden, zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor ’t eerst op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar den dans van de kraanvogels heette.Er was woestheid in, maar ’t gevoel, dat het wekte, was toch een zoet verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt, het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven naar het bovenaardsche.Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen.
’t Moet gezegd worden, dat, hoewel er veel prachtige gebouwen in Skaane zijn te vinden, er geen onder is, dat zulke mooie muren heeft als de oude Kullaberg.
De Kullaberg is laag en langwerpig. ’t Is heelemaal geen hooge of indrukwekkende berg. Op den breeden bergrug liggen bosschen en akkers, en hier en daar een heideveld. Daartusschen verheffen zich ronde heideheuveltjes en naakte bergtopjes. Daarboven is het niet zoo bizonder mooi. Daar ziet het er uit als op alle anderen hoogvlakten in Skaane.
Wie daar op dien landweg, midden over den berg wandelt, kan niet laten een beetje teleurgesteld te zijn.
Maar dan gebeurt het misschien, dat hij van den weg afgaat naar den kant van den berg, en langs de steile hellingen kijkt, en dan vindt hij op eens zóóveel, dat de moeite van het bekijken waard is, dat hij niet weet, hoe hij tijd zal vinden het allemaal te zien. Want het is zoo gesteld, dat de Kullaberg niet op het land staat met vlakten en dalen om zich heen, zooals andere bergen, maar hij is zoover in zee geloopen, als hij maar komen kan. Geen enkel strookje land ligt er voor den berg, om hem tegen de golven van de zee te beschermen. Die komen tot vlak bij den bergwand, en kunnen die afronden en vervormen naar hun welbehagen.
Daarom staan de bergwanden daar zoo rijk versierd, als de zee en haar bondgenoot, de wind, het hebben kunnen doen. Daar zijn steile kloven, diep ingesneden in de zijden van den berg, en zwarte rotspunten, die gladgeslepen zijn door de aanhoudende zweepslagen van den wind. Daar zijn eenzame rotspilaren, die rechtop uit het water steken en donkere grotten met nauwe ingangen. Daar zijn loodrechte, naakte hellingen en zachtglooiende,met groen bekleede terrasjes. Daar zijn kleine, uitstekende rotsblokken en kleine baaien, en strandkeitjes, die ritselend op en neer worden gespoeld met elken golfslag. Daar zijn statige rotspoorten, die zich over ’t water welven; daar zijn steenen, die voortdurend worden overspoten met wit schuim, en andere, die zich in zwartgroen, onbewegelijk stil water spiegelen. Daar zijn reuzenpannen, in de rots uitgehouwen, en geweldige spleten, den wandelaar uitlokkend, zich in de diepten van den berg te wagen, tot in het hol van den Kullaberggeest.
En boven en buiten al die kloven en klippen kruipen en kronkelen zich ranken en takken. Boomen groeien er ook, maar de kracht van den wind is zoo groot, dat de boomtakken zich ook in ranken moeten veranderen om op de hellingen te kunnen blijven. Eiken liggen en kruipen over ’t veld, terwijl hun bladen boven hen staan als een dicht gewelf, en laagstammige beuken staan in de spleten als groote looftenten.
Deze wonderlijke bergwanden met de wijde blauwe zee vóór, en de schitterende, scherpe lucht boven zich, zijn het, die den Kullaberg zoo bekoorlijk voor menschen maken, dat iederen dag groote scharen daarheen trekken, zoolang de zomer duurt. Moeilijker is het te zeggen, wat hem zoo aantrekkelijk voor dieren maakt, dat ze er ieder jaar samenkomen voor een groote speelbijeenkomst. Maar dat is een gebruik uit de alleroudste tijden, en men moest er bij geweest zijn, al toen de eerste zeegolf sloeg tegen den Kullaberg, om te kunnen verklaren, waarom juist die uitgekozen werd tot vergaderplaats boven ieder ander oord.
Als de bijeenkomst zal gehouden worden, maken de kroonherten, de reeën, de hazen, de vossen en de overige wilde viervoetige dieren, den tocht naar den Kullaberg al in den nacht, om door de menschen niet te worden opgemerkt.Kort voor de zon opgaat trekken ze alle op naar de speelplaats, een rotsvlakte ten westen van den weg, niet heel ver van de uiterste punt van den berg.
De speelplaats is aan alle kanten met ronde rotskoppen omringd, die haar verbergen voor ieder, die er niet juist vlak bij komt. En in de maand Maart is het niet waarschijnlijk, dat wandelaars daarheen zullen verdwalen. Alle vreemdelingen, die anders gewoonlijk op de heuvels rondzwerven, en de zijden van den berg beklimmen, hebben de herfststormen al maanden geleden verjaagd. En de wachter op den vuurtoren, buiten op het voorgebergte, de oude Mevrouw op het Kulla-landgoed en de Kulla-boer met zijn volk, loopen op hun gebaande wegen, en zwerven niet rond op de eenzame rotsvlakte.
Als de viervoeters op de speelplaats zijn aangekomen, zetten ze zich neer op de ronde bergtoppen. Iedere diersoort houdt zich apart, hoewel ’t een uitgemaakte zaak is, dat op een dag alsdeze, algemeene vrede heerscht, en niemand bang hoeft te zijn om overvallen te worden. Op dien dag zou een klein jong haasje vlak langs de vossen kunnen loopen, zonder ook maar een van zijn lange ooren te verliezen. Maar toch gaan de dieren in afgescheiden troepen bijeen staan. Dat is de oude gewoonte.
Als allen hun plaatsen hebben ingenomen, beginnen ze naar de vogels uit te zien. ’t Is gewoonlijk mooi weer op dien dag. De kraanvogels zijn goede weerprofeten, en ze zouden de dieren niet bijeenroepen, als ze regen verwachtten. Maar al is de lucht helder, en al belet ook niets het uitzicht, de viervoeters zien geen vogels. Dat is vreemd. De zon staat hoog aan den hemel, en de vogels moesten al onderweg zijn.
Wat de dieren op den Kullaberg daarentegen opmerken, is hier en daar een klein, donker wolkje, dat langzaam voorttrekt over de vlakte. En zie! Een van die wolkjes stuurt nu plotseling van de kust van de Sund naar den Kullaberg. Als de wolk midden boven de speelplaats is gekomen, blijft ze staan, en op eens begint de heele wolk te klinken en te kwinkeleeren, alsof ze uit louter tonen bestond. Ze stijgt en daalt, stijgt en daalt, maar aldoor klinkt en kwinkeleert ze. Eindelijk valt de heele wolk neer op een bergtopje, de heele wolk te gelijk, en oogenblikkelijk daarna is de bergtop heelemaal verborgen onder grijze leeuweriken, mooie roode en grijs-witte vinken, bonte spreeuwen en groengele meezen.
Onmiddellijk daarna trekt er weer een wolkje over de vlakte. Dat blijft staan boven iedere hoeve, boven prachtige huizen en kasteelen, boven marktplaatsen en steden, boven boerenhoeven en spoorwegstations, boven plaatsen, waar de visch bijeenschoolt, en boven suikerfabrieken. Telkens als het stilstaat, zuigt het van uit de hoeven, beneden op het veld, een kleine, omhoog wemelende zuil van grijze stofkorreltjes op. En zoo groeit het steeds aan, en als het eindelijk klaar is en op den Kullaberg aanhoudt, is het niet enkel een wolkje meer, maar een heel groote donkere wolk, zóó groot, dat ze schaduw geeft op het veld, heel van Höganäs tot Mölle. Als ze boven de speelplaats blijft staan, verduistert ze de zon, en het moet een heele poos musschen regenen op een van de bergtoppen, eer zij, die midden in de wolk vlogen, weer een glimp van het daglicht zien.
Maar de allergrootste vogelwolk komt toch pas aan. Die is gevormd door troepen, die van alle kanten toestroomden, en zich bij elkaar aansloten. Ze is donker blauwgrijs, en geen zonnestraal dringt er door heen. Ze komt aanrollen, somber en schrikaanjagend als een donderwolk. Ze is vol van het akeligste spektakel, het gruwelijkst geschreeuw, het meest hoonend geschater en een alleronheilspellendst gekras. Allen, die op de speelplaats zijn,herademen, als die wolk zich eindelijk oplost in een regen van fladderende en krassende kraaien, en roeken, en raven en zaadkraaien.
Daarna verschijnen er aan den hemel niet alleen wolken, maar een menigte ongelijke strepen en teekens. Dan vertoonen zich rechte, gestippelde lijnen in ’t oosten en ’t noordoosten. Dat zijn de boschvogels uit Göinge: korhanen en woudhoenders, die in lange reien op een paar meter afstand van elkaar komen aanvliegen. En de zwemvogels, van Måkläppen buiten Falsterbo, komen nu over het Sund aanzweven in veel zonderlinge volgorden: in driehoeken, en lange hoeken, in scheeve hoeken en halve cirkels.
Op die groote bijeenkomst, die plaats had in dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, kwamen Akka en haar troep later dan alle anderen, en dat was geen wonder, want Akka had over heel Skaane moeten vliegen om op den Kullaberg te komen. Bovendien had ze, zoodra ze wakker werd, moeten uitvliegen om Duimelot te zoeken, die urenlang voor de grijze ratten had loopen spelen, en ze ver van ’t huis Glimmingen had weggelokt. De uileman was teruggekomen met de boodschap, dat de zwarte ratten onmiddellijk na zonsondergang thuis zouden zijn, en dus kon men zonder gevaar de fluit van de torenuil laten zwijgen, en de grijze ratten de vrijheid geven te gaan, waarheen ze wilden.
Maar ’t was niet Akka, die den jongen ontdekte, terwijl hij met zijn groot gevolg voortliep; ’t was niet Akka, die neerdaalde, hem met den snavel pakte, en met hem naar boven zweefde hoog in de lucht. Dat was Mijnheer Ermerik, de ooievaar. Want die was ook naar hem gaan zoeken. En toen had hij hem naar het ooievaarsnest gebracht, en hem om vergiffenis gevraagd, omdat hij hem den vorigen avond zoo oneerbiedig had behandeld.
Dat vond de jongen bizonder aardig, en hij en de ooievaar werden goede vrienden. Akka was ook heel vriendelijk tegen hem, streek haar oud hoofd meermalen langs zijn arm, en prees hem, omdat hij hen, die in verdrukking waren, geholpen had. Maar dit moet tot eer van den jongen gezegd worden, dat hij geen lof wilde aannemen, dien hij niet had verdiend.
“Neen, Moeder Akka,” zei hij.“U moet niet denken, dat ik de grijze ratten weglokte om de zwarte te helpen. Ik wou alleen aan Mijnheer Ermerik toonen, dat ik ook ergens voor deugde.”
Nauwelijks had hij dat gezegd, of Akka wendde zich tot den ooievaar, en vroeg of hij vond, dat het aan te raden was Duimelot meê naar den Kullaberg te nemen. “Ik geloof, dat wij op hem kunnen vertrouwen als op ons zelf,” zei ze.
De ooievaar raadde haar dadelijk sterk aan Duimelot meê te laten gaan.
“Ja, zeker moet u Duimelot meênemen naar den Kullaberg, Moeder Akka,” zei hij, “’t is een geluk, dat we hem kunnenbeloonen voor alles, wat hij van nacht om onzentwil heeft uitgestaan. En omdat het me nog spijt, dat ik me gisteren avond zoo ongepast jegens hem heb gedragen, zal ik hem zelf op mijn rug heel tot op de vergaderplaats brengen.”
Er is niet veel, dat zóó prettig is, als geprezen te worden door hen, die zelf verstandig en knap zijn, en de jongen was zeker nog nooit zoo blij geweest, als toen de wilde gans en de ooievaar zoo over hem spraken.
Zoo deed dan de jongen den tocht naar den Kullaberg op den rug van den ooievaar. Hoewel hij wist, dat dit een groote eer was, bezorgde het hem toch heel wat angst, omdat Mijnheer Ermerik een meester in de vliegkunst was, en met een heel andere vaart van wal stak als de wilde ganzen. Terwijl Akka rechtuit voort vloog, met gelijkmatige vleugelslagen, vermaakte de ooievaar zich met een massa vliegkunsten. Nu eens lag hij stil op een onmetelijke hoogte in de lucht, en dreef daar zonder de vleugels te bewegen, dan weer wierp hij zich naar beneden met zóó’n vaart, dat het scheen, dat hij hulpeloos als een steen op den grond zou vallen, en dan weer vermaakte hij zich met in groote en kleine kringen als een wervelwind om Akka heen te vliegen. De jongen had nog nooit zooiets beleefd, en hij was in één voortdurenden angst; maar hij moest bekennen, dat hij vroeger niet had geweten wat goed vliegen eigenlijk zeggen wou.
Maar een oponthoud hadden ze onderweg. Dat was toen Akka bij het Vombmeer zich bij haar reiskameraden aansloot, en hun toeriep, dat de grijze ratten overwonnen waren. Daarna vlogen de reizigers regelrecht naar den Kullaberg.
Daar streken ze neer op den bergtop, die voor de wilde ganzen bestemd was, en toen nu de jongen de oogen liet gaan van den eenen bergtop naar den anderen, zag hij, dat boven één daarvan de veelgetakte horens van de kroonherten zich verhieven, en over een andere de halspluimen van de reigers. Een top was rood van vossen, een andere zwart en wit van zeevogels, weer een grijs van ratten. Een was bedekt met zwarte kraaien, die onophoudelijk schreeuwden, een met leeuweriken, die zich niet stil konden houden, maar onophoudelijk opvlogen in de lucht, en zongen van blijdschap.
Zooals gewoonlijk op den Kullaberg waren het de kraaien, die de spelen en vermakelijkheden van den dag begonnen met hun vliegdans. Zij verdeelden zich in twee partijen, die elkaar te gemoet vlogen, bij elkaar kwamen, zich omkeerden en weer van voren af aan begonnen. Deze dans bestond uit verschillende figuren, en kwam de toeschouwers, die de regels van den dans niet kenden, te eentonig voor. De kraaien zelf waren heel trotsch op hun dans, maar alle anderen waren blij, toen die voorbij was. De dierenvonden dien even somber en onzinnig als het spel, dat de winterstorm met de sneeuwvlokken drijft. Ze werden gedrukt door er naar te kijken, en verlangden hard naar iets, wat hen een beetje blij kon maken.
Ze hoefden ook niet tevergeefs te wachten, want zoodra de kraaien klaar waren, kwamen de hazen aanspringen. Ze stroomden toe in een lange rij zonder bepaalde orde. Hier sprong er een alleen, daar drie of vier op een rij. Allen gingen overeind staan, en ze vlogen voort met zulk een vaart, dat hun lange ooren alle kanten uit zwierden. Onder ’t springen draaiden ze in ’t rond, namen hooge sprongen, en sloegen met de voorpooten tegen de ribben, dat het klapte. Sommige duikelden ettelijke malen over den kop, anderen drongen zich op elkaar, en rolden weg, als een wiel; een stond op één poot en draaide rond, een ander liep op de voorpooten. Er wasnietde minste orde, maar er was veel vroolijkheid in het spel van de hazen, en al die dieren, die er naar stonden te kijken, begonnen sneller adem te halen. Nu waren vreugde en blijdschap in aantocht. De winter was voorbij. De zomer naderde. Spoedig zou het leven een en al lust zijn!
Toen de hazen uitgeraasd hadden, was de beurt aan de groote boschvogels. Honderden woudhanen, in glanzende zwartbruine gewaden en met helderroode wenkbrauwen, vlogen op in een grooten eik midden op de speelplaats. Hij, die op den hoogsten tak zat, zette de veeren op, sloeg de vleugels neer en den staart op, zoodat de witte dekveeren voor den dag kwamen. Daarop stak hij den hals vooruit, en stootte een paar diepe tonen uit de samengesnoerde keel. “Tjek, tjek tjek,” klonk het. Meer kon hij niet uitbrengen; het klokte alleen nog een paar keer diep in zijn keel. Toen sloot hij de oogen en fluisterde: “Sis, sis, sis! Hoor eens hoe mooi, sis sis sis!” En meteen werd hij zóó verrukt, dat hij niet meer wist, wat er om hem heen gebeurde.
Terwijl de eerste korhoen nog doorging met sissen, begonnen de drie, die het dichtst bij hem zaten, te zingen en eer zij hun liedje uit hadden, begonnen de tien, die wat verder naar beneden zaten, en zoo ging het voort, van tak tot tak, tot alle honderden korhoenen zongen en klokten en sisten. Ze werden allemaal even verrukt onder het zingen, en juist dàt werkte op de andere dieren als een aanstekelijke roes. Hun bloed, dat zoo juist nog licht en vroolijk door hun aderen vloeide, begon zwaar en heet te worden.
“Ja zeker! Nu is het lente!” dachten alle diervolken. “De winterkoude is weg. Het vuur van de lente brandt over de aarde.”
Toen de korhoenders merkten, dat de woudhoenders zóóveel succes hadden, konden zij zich niet stil houden. Omdat er geen boom was, waarin ze plaats konden vinden, streken ze neer opde speelplaats, waar het heidekruid zóó hoog stond, dat alleen hun mooi gevormde staartveeren en hun dikke snavels te zien kwamen, en begonnen te zingen: “Orr, orr, orr!”
Juist toen de berkhanen den wedstrijd met de korhoenders begonnen, gebeurde er iets ongehoords. Een vos sloop nu, terwijl alle dieren aan niets anders dachten dan aan ’t spel van de korhoenders, heel zachtjes naar den heuveltop, waar de wilde ganzen waren. Hij liep heel voorzichtig, en kwam een heel eind den heuvel op, eer iemand hem opmerkte. Op eens kreeg toch een gans hem in ’t oog, en omdat ze niet gelooven kon, dat een vos met een goede bedoeling tusschen de ganzen doorsluipen zou, begon ze te roepen: “Pas op! Wilde ganzen, pas op!”
De vos sloeg haar over de keel, misschien wel ’t meest, opdat ze zwijgen zou, maar de wilde ganzen hadden haar roepen al gehoord, en vlogen allen op. En toen zagen de dieren Smirre, den vos, op den heuvel van de wilde ganzen zitten, met een doode gans in den bek.
Maar omdat hij zoodoende den vrede van den speeldag verbroken had, kreeg Smirre zoo’n harde straf, dat hij er levenslang berouw van had, dat hij zijn wraakzucht niet had kunnen bedwingen, maar beproefd had op deze manier Akka en haar troep te bereiken. Hij werd dadelijk omringd door een troep vossen, en veroordeeld volgens een oud gebruik, dat voorschrijft, dat ieder, die den vrede op den grooten speeldag verbreekt, verbannen moet worden. Geen enkele vos wilde het vonnis verzachten, omdat ze alle wisten, dat zoodra ze zooiets zouden willen probeeren, ze dadelijk van de speelplaats zouden worden weggejaagd, om er nooit meer terug te komen. Dus werd de verbanning uit het land, zonder iemands protest, over Smirre uitgesproken. Het werd hem verboden zich in Skaane op te houden. Hij werd verbannen van zijn vrouw en familie, van zijn jachtveld, zijn woning, van zijn rust- en schuilplaatsen, die hij tot nu toe had gehad, en moest zijn geluk beproeven in een vreemd land. En opdat alle vossen in Skaane weten zouden, dat Smirre daar vogelvrij was, beet de oudste vos hem de punt van zijn rechteroor af. Zoodra dat gebeurd was, begonnen alle jonge vossen te huilen van bloeddorst en wierpen zich op Smirre. Voor hem bleef niets anders over dan te vluchten, en met alle jonge vossen achter zich aan holde hij weg van den Kullaberg.
Dit alles gebeurde, terwijl de berkhanen en de korhoenders met hun wedstrijd bezig waren; maar die vogels zijn zóó verdiept in hun eigen gezang, dat ze hooren noch zien. Ze hadden zich dan ook niet laten storen.
Nauwelijks was de wedstrijd tusschen de boschvogels afgeloopen, of de kroonherten van den Häckeberg traden vooruit, om hunoorlogsspel te laten zien. ’t Waren verscheiden kroonherten, die tegelijk vochten. Ze stoven op elkaar aan met groote kracht, sloegen donderend de horens tegen elkaar, zoodat de takken in elkaar bleven zitten, en probeerden elkaar achteruit te dringen. Pruiken heikruid werden onder hun hoeven losgescheurd, hun adem stond om hen heen als rook; uit hun keel drong zich een akelig gebrul, en het schuim vloeide hun over de borst.
Op de heuvels in ’t rond was het ademloos stil, terwijl de in ’t strijden geoefende herten vochten. En bij alle dieren werd een nieuw gevoel wakker. Allen voelden zij zich moedig en sterk, opgewekt door vernieuwde kracht, herboren door de lente, vlug en bereid voor allerlei avonturen. Ze waren niet boos op elkaar, en toch werden overal vleugels omhoog geheven, nekveeren opgezet en klauwen gescherpt. Als de herten van den Häckeberg nog een oogenblik waren voortgegaan, zou er een woest gevecht op den Kullaberg zijn ontstaan, omdat alle door een brandend verlangen werden aangegrepen om te toonen, dat ook zij vol leven waren, dat de onmacht van den winter voorbij was, en ze kracht in hun eigen lichaam voelden.
Maar de kroonherten hielden juist op het rechte oogenblik op, en dadelijk ging er een gefluister van den eenen heuveltop naar den anderen: “Nu komen de kraanvogels.” En toen kwamen de grijze, als in schemering gekleede vogels, met pluimen aan de vleugels en met roode veeren versierde nekken, de groote vogels met hun lange beenen, hun slanke halzen, hun kleine koppen. Ze kwamen aanglijden over den berg in een geheimzinnige bedwelming. Terwijl ze voortgleden, zwaaiden ze rond, half vliegend, half dansend. Met de vleugels gracieus opgeheven, bewogen ze zich onbegrijpelijk snel. Er was iets vreemds, iets wonderlijks in hun dans. Het was, alsof grijze schaduwen een spel speelden, dat het oog nauwelijks volgen kon. Het was, alsof zij dat hadden geleerd van de nevels, die over de eenzame moerassen zweefden. Er was betoovering in. Allen, die voor ’t eerst op den Kullaberg waren, begrepen waarom de geheele bijeenkomst naar den dans van de kraanvogels heette.
Er was woestheid in, maar ’t gevoel, dat het wekte, was toch een zoet verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de gevleugelden èn zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daar achter ligt, het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok, en wegzweven naar het bovenaardsche.
Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het leven verborgen is, voelden de dieren maar ééns in het jaar, en dàt was op den dag, dat zij den grooten kraanvogeldans zagen.
VI.In den regen.Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad, maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen, begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld, maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep: “Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik.”Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren vanChristianstaden ’t koningspaleis van Bäckaskog op de smalle landtong tusschen ’t meer van Oppmanna en ’t Ivömeer, en de steile helling van den Ryesberg.’t Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden, dat zij grijs en vervelend waren, maar ’t was heel wat anders, nu hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen: sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, anderemet tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had, en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken het water over de aarde neer te stroomen.Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op ’t veld neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk, en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.“Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is het beste, wat er is,” zongen de vogeltjes.Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze: “Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nuzijnjelui lang genoeg lui geweest.”Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen, zeiden ze vermanend: “Waaromhebbenjelui zoo’n haast?Zienjelui niet, dat het stoeten en pannekoeken regent!”Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: “Hier komen we met anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!”Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging, werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen om het meer van Ivö: “Hebbenjelui nu nog niet haast genoeg?Hebbenjelui nu nog niet haast genoeg?”De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed, dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter, sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze verwarring, en de wegmerken warenbijna niet te zien.De tocht ging al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de lucht gereden had. En ’s middags, toen ze neergestreken waren onder een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en ’t werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen; hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven zou van angst. “Als ik ’t nu eens waagde naar de menschen te gaan, voor dezen éénen nacht?” dacht de jongen. “Alleen maar zoo, dat ik even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang.”Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over ’t moeras.Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane, in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er zooveel zijn hooger op het land, maar die men in ’t geheel niet vindt op de vlakten.De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken, hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het prettig weer menschenstemmen te hooren. “Ik zou wel eens willen weten, wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te worden,” dacht hij.Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij in de nabijheid van menschen was.“Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken,” dacht hij, “voor ik iemand vraag, of ik binnen mag komen.”Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.“Het regent, nu komt de lente gauw,” zei ze. Toen de jongen haar zag, werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de menschenwereld gezet had.Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig ’t wezen moest, met zoo’n mooie machine over een akker te rijden. Een oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten, die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over, hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan, dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren spreken van een wereld,—boven die, waarin ze leefden,—van God, en opstanding en eeuwig leven.En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten, wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden, zooals hij wezen moest.Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep, ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofder pijn van deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.“Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft geleerd als ik,” dacht hij eindelijk. “’t Zal wel zoo loopen, dat ik toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit.”Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan ’t zwemmen was geweest.Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen, en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak zat, zich te bewegen en riep: “Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis, moerasuil? Hoe heb je het in ’t buitenland gehad?”“Heel goed, dank je wel, katuil!” zei de moerasuil. “Is er hier wat bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?”“Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is ’t gebeurd, dat een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans.”“Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?”“Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past, zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en...”“En verder, katuil? Verder? Verder?”“Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is, die ons beluistert.”En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op in de lucht. “Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag ik weer een mensch worden!”Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het natte moeras.
Dit was de eerste regendag op deze reis. Zoo lang de wilde ganzen in den omtrek van het Vombmeer gebleven waren, hadden ze mooi weer gehad, maar op denzelfden dag, dat ze den tocht naar het noorden ondernamen, begon het te regenen, en uren lang moest de jongen op den rug van den ganzerik zitten, doornat en bibberend van de kou.
Dien morgen, toen ze uittrokken, was het helder en stil geweest. De wilde ganzen hadden hoog in de lucht gevlogen, gelijkmatig en zonder haast, in strenge volgorde, met Akka aan het hoofd, en de overige in twee schuine lijnen achter haar aan. Zij hadden zich geen tijd gegund om ondeugende dingen te roepen tegen de dieren op het veld, maar omdat ze zich toch niet heelemaal stil konden houden, zongen ze onophoudelijk op de maat van hun wiekslagen hun gewoon lokgeroep: “Waar ben je? Hier ben ik. Waar ben je? Hier ben ik.”
Allen namen deel aan dit aanhoudend geroep, en ze hadden het alleen afgebroken om den witten ganzerik de wegmerken te wijzen, waarnaar ze hun koers richtten. Op deze reis bestonden die merken uit de schrale heuvels van Linderodsaas, het buiten Ovesholm, de kerktoren vanChristianstaden ’t koningspaleis van Bäckaskog op de smalle landtong tusschen ’t meer van Oppmanna en ’t Ivömeer, en de steile helling van den Ryesberg.
’t Was een eentonige reis geweest, en toen de regenwolken zich begonnen te vertoonen, vond de jongen dat een heel pretje. Vroeger, toen hij de regenwolken alleen van beneden af had gezien, had hij altijd gevonden, dat zij grijs en vervelend waren, maar ’t was heel wat anders, nu hij er midden in was. Nu zag hij duidelijk, dat de wolken reusachtige vrachtwagens waren, die door de lucht reden met hemelhooge ladingen: sommige waren met geweldige groote, grauwe zakken geladen, anderemet tonnen, die zoo groot waren, dat ze een heel meer konden bevatten, en andere met groote schalen en flesschen, die tot een duizelingwekkende hoogte waren opgestapeld. En toen er zooveel waren voorgereden, dat ze een heele ruimte vulden, was het, alsof iemand een sein gegeven had, en toen begon opeens uit al die schalen, tonnen, flesschen en zakken het water over de aarde neer te stroomen.
Op hetzelfde oogenblik, dat de eerste lentebuien op ’t veld neerkletterden, werden er zulke vreugdekreten aangeheven door alle vogeltjes in boschjes en hagen, dat de heele lucht er van weerklonk, en de jongen hoog van zijn plaats opsprong.
“Nu krijgen we regen! De regen brengt ons de lente, en de lente geeft ons bloemen en groene bladen. Groene bladen geven ons rupsen en insecten; rupsen en insecten geven ons eten. Veel en goed eten is het beste, wat er is,” zongen de vogeltjes.
Ook de wilde ganzen waren blij met den regen, die de planten uit hun slaap wekte, en gaten maakten in het ijsdak op de meren. Zij konden zich niet meer zoo ernstig houden, als tot nu toe, en begonnen een vroolijk geroep in den omtrek uit te zenden.
Toen ze over de groote aardappellanden vlogen, die er zooveel zijn in de buurt van Christianstad, en die nog kaal en zwart waren, riepen ze: “Word wakker en voer wat uit! Hier komt iets, wat je roept! Nuzijnjelui lang genoeg lui geweest.”
Als ze menschen zagen, die hard liepen om uit den regen te komen, zeiden ze vermanend: “Waaromhebbenjelui zoo’n haast?Zienjelui niet, dat het stoeten en pannekoeken regent!”
Er was een groote, dikke wolk, die zich snel naar het noorden voortbewoog, en vlak achter de ganzen aankwam. Zij schenen zich te verbeelden, dat zij de wolk voorttrokken, en toen ze beneden zich groote tuinen zagen, riepen ze heel trotsch: “Hier komen we met anemonen, hier komen we met appel- en kersebloesems, hier komen we met erwten en boonen en rapen en kool. Wie wat hebben wil, moet maar aanpakken, wie wat hebben wil, moet maar aanpakken!”
Zoo had het geklonken, terwijl de eerste buien vielen, en allen nog blij waren met den regen. Maar toen die den heelen middag doorging, werden de ganzen ongeduldig, en riepen tegen de dorstige bosschen om het meer van Ivö: “Hebbenjelui nu nog niet haast genoeg?Hebbenjelui nu nog niet haast genoeg?”
De hemel werd steeds grijzer, en de zon verborg zich zoo goed, dat niemand begrijpen kon, waar ze toch zat. De regen viel dichter, sloeg zwaar tegen de vleugels, en vond zijn weg tusschen de vette buitenveeren tot op het lichaam. De aarde lag in een nevel van regendamp; meren, bergen en bosschen liepen in elkaar in eindelooze verwarring, en de wegmerken warenbijna niet te zien.De tocht ging al langzamer, het blijde roepen verstomde, en de jongen voelde de kou steeds scherper. Maar nog had hij moed gehouden, zoolang hij door de lucht gereden had. En ’s middags, toen ze neergestreken waren onder een klein dwergachtig dennetje, midden in een groot moeras, waar alles nat en alles koud was, waar sommige hoogtetjes met sneeuw waren bedekt, en andere kaal uit een plas half gesmolten ijs opstaken, had hij zich ook niet moedeloos gevoeld, maar had vroolijk rondgeloopen en naar bevroren boschbessen gezocht. Maar toen kwam de avond, en ’t werd zoo donker, dat niet eens zulke oogen, als hij had, er door konden kijken. En het woeste veld werd griezelig en akelig. De jongen lag ingestopt onder de vleugels van den ganzerik; maar hij kon niet slapen, omdat hij zoo koud en zoo nat was. En hij hoorde zooveel geritsel en geruisch, en sluipende stappen en dreigende stemmen; hij werd zóó bang, dat hij niet wist, waar hij heen moest. Hij moest ergens wezen, waar hij vuur en licht vond, als hij niet sterven zou van angst. “Als ik ’t nu eens waagde naar de menschen te gaan, voor dezen éénen nacht?” dacht de jongen. “Alleen maar zoo, dat ik even bij een vuur kon zitten en een hapje eten. Ik kon immers naar de wilde ganzen teruggaan vóór zonsopgang.”
Hij kroop onder den ganzenvleugel uit, en liet zich op den grond glijden. Hij maakte den ganzerik niet wakker en ook de andere ganzen niet, maar sloop zachtjes en ongemerkt voort over ’t moeras.
Hij wist niet recht, waar in de wereld hij toch was, of het in Skaane, in Smaland was. Maar vlak voor hij in het moeras gekomen was, had hij een groot dorp gezien, en daar ging hij nu op af. Het duurde ook niet lang, eer hij den weg vond, en al gauw was hij in de dorpsstraat, die lang en met boomen beplant was, en waar aan beide zijden hoeven lagen.
De jongen was in een van de groote kerkbuurten gekomen, zooals er zooveel zijn hooger op het land, maar die men in ’t geheel niet vindt op de vlakten.
De woonhuizen waren van hout en heel sierlijk gebouwd. De meeste hadden gevels en voorgevels, met uitgesneden lijsten versierd, en serres met hier en daar gekleurde ruiten. De muren waren beschilderd met lichte olieverf; deuren en vensterkozijnen waren schel blauw en groen, of nu en dan zelfs rood. Terwijl de jongen de huizen liep te bekijken, hoorde hij heel op den weg de menschen in de warme kamers praten en lachen. De woorden kon hij niet onderscheiden, maar hij vond het prettig weer menschenstemmen te hooren. “Ik zou wel eens willen weten, wat ze zouden zeggen, als ik aanklopte, en vroeg om binnengelaten te worden,” dacht hij.
Dat was juist, wat hij van plan geweest was te doen; maar nu was zijn angst over, nu hij de verlichte vensters zag. In plaats daarvan voelde hij opnieuw de schuwheid, die altijd over hem kwam, als hij in de nabijheid van menschen was.
“Ik zal nog eerst het dorp eens bekijken,” dacht hij, “voor ik iemand vraag, of ik binnen mag komen.”
Aan een van de huizen was een balkon. En juist toen de jongen voorbijkwam, werden de balkondeuren opengezet, en een geelachtig licht viel naar buiten door fijne, dunne gordijnen. Toen kwam een mooie jonge vrouw naar buiten, en leunde over het hek.
“Het regent, nu komt de lente gauw,” zei ze. Toen de jongen haar zag, werd hij wonderlijk beklemd. Hij had wel willen schreien. Voor het eerst maakte het hem een beetje onrustig, dat hij zich buiten de menschenwereld gezet had.
Kort daarna kwam hij voorbij een winkel. Buiten den winkel stond een roode zaaimachine. Hij bleef staan en bekeek die, en kroop eindelijk op den bok en ging daar zitten. Toen hij daar zat, klapte hij met de tong, en deed alsof hij reed. Hij dacht er aan, hoe prettig ’t wezen moest, met zoo’n mooie machine over een akker te rijden. Een oogenblik had hij vergeten, hoe het met hem was gesteld, maar toen dacht hij er aan, en sprong van de machine op den grond. Hij werd steeds onrustiger. Hij, die altijd onder de dieren leven moest, zou toch wel veel missen. Menschen waren toch heel bizonder en heel knap.
Hij ging voorbij het postkantoor, en dacht toen aan al die couranten, die daar dien dag waren aangekomen met berichten uit alle oorden van de wereld. Hij zag de apotheek en de dokterswoning, en dacht er over, hoe de macht van de menschen zóó groot was, dat ze konden strijden tegen ziekte en dood. Hij kwam bij de kerk, en hij dacht er aan, dat de menschen die gebouwd hadden, omdat ze daar wilden hooren spreken van een wereld,—boven die, waarin ze leefden,—van God, en opstanding en eeuwig leven.
En hoe langer hij daar liep, hoe meer hij van de menschen ging houden.
Zoo zijn kinderen. Ze denken niet verder dan hun neus lang is. Dat wat het dichtste bij is, willen ze dadelijk hebben, zonder er om te geven, wat het hun kosten kan. Niels Holgersson had niet geweten, wat hij verloor, toen hij verkozen had een kabouter te blijven, maar nu werd hij er vreeselijk bang voor, dat hij nooit meer zou worden, zooals hij wezen moest.
Wat in de wereld moest hij toch beginnen om weer een mensch te worden? Dat zou hij heel graag willen weten. Hij kroop op een stoep, ging daar zitten midden in den stortregen, en peinsde. Hij zat daar een uur, twee uren, en dacht na, zoo dat zijn hoofder pijn van deed. Maar hij was en bleef even wijs. Het was, alsof de gedachten al maar ronddraaiden in zijn hoofd. Hoe langer hij daar zat, hoe onmogelijker het hem voorkwam een oplossing te vinden.
“Dit is zeker veel te moeilijk voor iemand, die zoo weinig heeft geleerd als ik,” dacht hij eindelijk. “’t Zal wel zoo loopen, dat ik toch bij de menschen terugkomen moet. Ik zal het aan den dominé, en den dokter, en den meester en aan anderen moeten vragen, die geleerd zijn, en raad kunnen weten voor een geval als dit.”
Ja, dat nam hij zich voor gauw te doen, en hij stond op en schudde zich, want hij was zoo nat als een poedelhond, die aan ’t zwemmen was geweest.
Juist op dat oogenblik zag hij een grooten uil, die kwam aanvliegen, en neerstreek op een van de boomen aan den kant van de dorpsstraat. En dadelijk daarop begon een katuil, die onder de lijst van het dak zat, zich te bewegen en riep: “Kiviet, kiviet! Ben je weer thuis, moerasuil? Hoe heb je het in ’t buitenland gehad?”
“Heel goed, dank je wel, katuil!” zei de moerasuil. “Is er hier wat bizonders gebeurd, terwijl ik weg was?”
“Niet hier in Bleking, moerasuil, maar in Skaane is ’t gebeurd, dat een jongen door een kabouter is betooverd en zoo klein gemaakt als een eekhoorn, en later is hij naar Lapland gereisd met een tamme gans.”
“Dat is een merkwaardig bericht! een merkwaardig bericht! Kan hij nooit weer een mensch worden, katuil? Kan hij nooit weer een mensch worden?”
“Dat is een geheim, moerasuil, maar jij mag het toch wel weten. De kabouter heeft gezegd, dat als de jongen op dien tammen ganzerik past, zoodat hij ongedeerd weer thuis komt en...”
“En verder, katuil? Verder? Verder?”
“Vlieg met me meê naar den kerktoren, moerasuil, dan zal ik je alles vertellen. Ik ben bang, dat er hier iemand in de straat is, die ons beluistert.”
En toen vlogen de uilen weg. Maar de jongen gooide zijn muts hoog op in de lucht. “Als ik maar op den ganzerik pas, zoodat hij heelhuids thuiskomt, dan mag ik weer een mensch worden. Hoera! Hoera! Dan mag ik weer een mensch worden!”
Hij riep hoera! zóó hard, dat het een wonder was, dat niemand in de huizen hem hoorde. Maar dat deed niemand, en hij liep, zoo hard zijn beenen hem dragen konden, terug naar de wilde ganzen in het natte moeras.
VII.Bij de beek van Ronneby.Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen, en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd, niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet, dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting, en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet bij hen kon komen.De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er is niet veel, dat prettiger is op eenmooien zomerdag, dan op dat kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud, buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand, die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo’n steilen bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen verborgen. Ze konden het niet beter hebben.De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en ’t woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van alle kanten, en er kwam zoo’n groote onrust over hem, dat hij onder den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.Smirre stond op den bergtop, ver weg uit ’t gezicht.“Deze vervolging hier kun je even goed laten!” zei hij in zich zelf. “Je kunt zoo’n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo’n woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen.”Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja, ’t was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar ’t armoedige Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze dan ook zelf niet op mogen eten.Toen Smirre’s boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was als de eekhoorn, maar toch evenzeker op en neer langs de boomstammen sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.“Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar,” dacht de vos, “dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen.”Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen, dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop, zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner, en hij antwoordde bijna niet.“Het verbaast me,” zei Smirre, “dat zoo’n jager, als jij zich met de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je bereik is.”Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: “’t Is toch niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in ’t klimmen, dat je beneden bij hen kunt komen?”Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.“Heb je wilde ganzen gezien?” riep hij blazend. “Waar staan die? Zeg het dadelijk, of ik bijt je den strot af!”“Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen.”In ’t volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van tak tot tak voortbewoog, dacht hij:“Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in ’t heele bosch. Ik denk, dat de wilde ganzen ’t aan mij te danken hebben, als ze in een bloedbad wakker worden.” Maar juist toen Smirre verwachtte den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen, en alle ganzen vlogen snel op.Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.“Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou rollen!” zei Smirre verachtelijk.“Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen,” zei de marter. “Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over, hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje, niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó’n kracht een steen naar het hoofd gooide, dat ik in ’t water viel, en eer ik er weer uit kon kruipen...”De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.Intusschen was Akka naar ’t zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was, als ze in ’t voorjaar over de Oostzee reisde.Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang kon zien slingeren door het in ’t maanlicht badende landschap. Zoo kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging, hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom, die bruisend in de kloof valt.’t Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze veilig voor roofdieren waren.De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij zat naast hen om op den ganzerik te passen.Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij kreeg dadelijk de ganzen in ’t oog, die daar in den bruisenden maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten.Hij bleef aan den oever naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond, dat zijn eer als jager op ’t spel stond.Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet wou afnemen.“Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen, als er volop wilde ganzen op de steenen staan,” zei Smirre. Hij was zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te kiezen, als hij gewoonlijk deed.De otter keerde niet eens zijn kop naar ’t water. Hij was een landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt, en kende Smirre, den vos, wel.“Ik weet wel, hoe jij ’t aanlegt om een forel machtig te worden, Smirre,” zei hij.“O, ben jij ’t, Gripe,” zei Smirre en was blij, omdat hij wist, dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. “Ik wil wel gelooven, dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staatbentze te bereiken.” Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was, en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde ’t niet op zich laten zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg, wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. ’t Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen te worden.Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind, jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht mislukt was, barstte hij uit: “’t Komt niet, doordat ik niet goed zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen, en me opmijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó’n pijn, dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me.”Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier weer naar ’t zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis, met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten, en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting zoeken op de balkons en in de waranda’s van de verlaten gebouwen.Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.’t Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen ’t gezicht op de zee had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij ’t land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. ’t Is alsof ze zoo’n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt, alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van ’t land kort en klein wil scheuren.Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes, en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groenaf, en maakt haar even kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt, om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij ’t land zóó weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.En denk dan aan ’t land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met bosch begroeid. ’t Ziet er uit, alsof ’t enkel denkt aan haver, en rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die ver in ’t land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar ’t zet die af met berk en els, precies alsof ’t een gewoon zoetwatermeertje was. Dan komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en breken in, en maken zich breeder. Ze splijten ’t veld en de bosschen, en zoodoende moet het land ze wel opmerken.“Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt,” zegt het land, en dan begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. ’t Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden, en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij begon zich rustiger te voelen dan in ’t begin van den nacht. Toen hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis.Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.“Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?” vroeg ze.“Ja,” zei Smirre, “ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb.”“Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden hebt?” vroeg Akka weer.“Een goede daad moet men niet ontkennen,” zei Smirre. “Jelui hebt eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden, zoolang er nog maar een van jelui in ’t leven is, al zou ik jelui ook door ’t heele land heen vervolgen.”“Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die gewapendismet tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen; wij—die weerloos zijn,” zei Akka.Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: “Als jij, Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt, pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij je hooren.”“Duimelot kan ik je niet geven,” zei Akka. “Van de jongste tot de oudste hebben we graag ons leven voor hem over.”“Als jelui zóóveel van hem houden,” zei Smirre, “dan beloof ik je, dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal.”Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn leven voor hem wilde wagen!Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen, dat hij van niemand hield.
Noch de wilde ganzen, noch Smirre had gedacht, dat ze elkaar ooit weer zouden ontmoeten, nadat ze uit Skaane waren heengegaan. Maar nu liep het zoo, dat de wilde ganzen hun weg over Bleking namen, en daar was Smirre, de vos, ook heengegaan. Hij had zich tot nu toe in het noorden van die streek opgehouden, en daar had hij nog geen parken van buitens, of hertenkampen vol herten en lekkere jonge reeën gevonden. Hij was meer uit zijn humeur, dan hij zeggen kon.
Op een middag, dat Smirre in een eenzaam boschland in Mellambygd, niet ver van de beek van Ronneby rondzwierf, zag hij een vlucht wilde ganzen door de lucht vliegen. Hij merkte dadelijk op, dat een van de ganzen wit was, en toen wist hij, met wie hij te doen had.
Smirre begon onmiddellijk op de ganzen te jagen, evenzeer uit lust in een goed maal, als om zich op hen te wreken voor al het verdriet, dat ze hem hadden bezorgd. Hij zag, dat ze naar het oosten gingen, tot ze aan de beek van Ronneby kwamen. Toen veranderden ze van richting, en vlogen naar het zuiden. Hij begreep, dat ze van plan waren een slaapplaats aan den kant van de beek uit te zoeken, en hij dacht, dat hij wel een paar van hen zonder bizonder veel moeite zou kunnen pakken.
Maar toen Smirre eindelijk de plaats zag, waar de ganzen neergestreken waren, merkte hij, dat ze die zóó goed gekozen hadden, dat hij niet bij hen kon komen.
De beek van Ronneby is immers geen groote indrukwekkende stroom, maar toch wordt ze veel besproken om haar mooie oevers. Op verscheidene plaatsen dringt ze door tusschen steile bergwanden, die loodrecht uit het water opkomen, en heelemaal begroeid zijn met kamperfoelie en wilde rozen, met hagedoorn en els, met vogelkers en wilgen, en er is niet veel, dat prettiger is op eenmooien zomerdag, dan op dat kleine, donkere beekje te roeien en naar boven te zien naar al dat zachte groen, dat zich vasthaakt aan de ruwe bergwanden.
Maar toen de wilde ganzen en Smirre bij de beek kwamen, was het koud, buiïg lenteweer; alle boomen stonden kaal, en er was zeker niemand, die er ook maar een oogenblik over dacht, of de oevers mooi of leelijk waren. De wilde ganzen waren blij, dat ze onder aan zoo’n steilen bergwand een smal reepje zand hadden ontdekt, juist zoo groot, dat ze er een plaatsje op konden vinden. Vóór zich hadden zij de bruisende beek, die woest en sterk was, nu de sneeuw begon te smelten, achter zich een onbeklimbare rotswand, terwijl neerhangende takken hen verborgen. Ze konden het niet beter hebben.
De ganzen sliepen spoedig in, maar de jongen deed geen oog dicht. Zoodra de zon onder was, werd hij bang voor het donker en ’t woeste veld, en verlangde hij naar menschen. Zooals hij nu onder den vleugel van de gans lag ingestopt, kon hij niets zien en maar slecht hooren, en als den ganzerik iets kwaads overkwam, was hij niet in staat hem te redden. Geruisch en gekletter hoorde hij van alle kanten, en er kwam zoo’n groote onrust over hem, dat hij onder den vleugel uit kwam, en op het veld ging zitten naast de ganzen.
Smirre stond op den bergtop, ver weg uit ’t gezicht.
“Deze vervolging hier kun je even goed laten!” zei hij in zich zelf. “Je kunt zoo’n steilen berg niet opklauteren, je kunt in zoo’n woesten stroom niet zwemmen, en onder aan den berg is geen streepje land, dat je naar die slaapplaats brengen kan. Die ganzen daar zijn je te slim af. Probeer maar nooit meer op ze te jagen.”
Maar Smirre, als alle vossen, had moeite een voornemen op te geven, en hij ging daarom aan den uitersten kant van den berg liggen, en wendde de oogen niet van de wilde ganzen af. Terwijl hij ze daar zoo lag te bekijken, dacht hij aan al het kwaad, dat ze hem gedaan hadden. Ja, ’t was om hen, dat hij uit Skaane verbannen was, en naar ’t armoedige Bleking had moeten vluchten. Hij wond zich zoo op, terwijl hij daar lag, dat hij die wilde ganzen den dood toewenschte, al zou hij ze dan ook zelf niet op mogen eten.
Toen Smirre’s boosheid zóó geweldig erg geworden was, hoorde hij geritsel, in een grooten spar, die dichtbij hem stond, en hij zag een eekhoorn uit den boom komen, hevig achtervolgd door een marter. Geen van hen merkte Smirre, en hij zat stil naar de jacht te kijken, die voortging van boom tot boom. Hij keek naar den eekhoorn, die zich tusschen de takken zoo vlug voortbewoog, alsof hij vliegen kon. Hij keek naar den marter, die wel niet een even knappe klauteraar was als de eekhoorn, maar toch evenzeker op en neer langs de boomstammen sprong, alsof hij op rechte boschpaden liep.
“Kon ik maar half zoo goed klimmen als hij daar,” dacht de vos, “dan zouden die daar beneden niet lang zoo rustig slapen.”
Zoodra de eekhoorn gevangen en de jacht ten einde was, ging Smirre naar den marter toe, maar bleef op twee stappen afstand staan, om te toonen, dat hij niet van plan was hem zijn buit te ontrooven. Hij groette den marter heel vriendelijk, en feliciteerde hem met zijn vangst. Smirre wist zijn woorden goed te kiezen, zooals alle vossen. De marter daarentegen, die er met zijn lang, slank lichaam, zijn fijnen kop, zijn zacht vel en de lichtbruine vlek aan zijn hals, als een klein prachtdiertje uitziet, is toch eigenlijk maar een ruwe boschbewoner, en hij antwoordde bijna niet.
“Het verbaast me,” zei Smirre, “dat zoo’n jager, als jij zich met de jacht op eekhoorns vergenoegt, als er zooveel edeler wild in je bereik is.”
Hier hield hij op, en wachtte op antwoord, maar toen de marter heel onbeschaamde gezichten tegen hem trok, ging hij voort: “’t Is toch niet mogelijk, dat je de wilde ganzen niet hebt gezien, die hier onder tegen den bergwand staan. Of ben je niet zoo flink in ’t klimmen, dat je beneden bij hen kunt komen?”
Deze keer hoefde hij niet op antwoord te wachten.
“Heb je wilde ganzen gezien?” riep hij blazend. “Waar staan die? Zeg het dadelijk, of ik bijt je den strot af!”
“Nou, nou! Denk er om, dat ik eens zoo groot ben als jij, en wees een beetje beleefd. Ik wil niets liever dan je de wilde ganzen wijzen.”
In ’t volgend oogenblik was de marter op weg, de helling op, en terwijl Smirre er naar zat te kijken, hoe hij zijn slangachtig lichaam van tak tot tak voortbewoog, dacht hij:
“Die mooie boomjager heeft het wreedste hart in ’t heele bosch. Ik denk, dat de wilde ganzen ’t aan mij te danken hebben, als ze in een bloedbad wakker worden.” Maar juist toen Smirre verwachtte den doodskreet van de ganzen te hooren, zag hij den marter van een tak vallen en in de beek neerploffen, zoodat het water hoog opspatte. Dadelijk daarop hoorde hij harde vleugels luid kleppen, en alle ganzen vlogen snel op.
Smirre wilde eerst de ganzen navliegen, maar hij was zóó verlangend te hooren, hoe ze gered werden, dat hij bleef zitten, tot de marter weer naar boven kwam klauteren. De stumper was druipnat, en bleef nu en dan staan om den kop met de voorpooten te wrijven.
“Dacht ik het niet, dat je een stoffel was, en in de beek zou rollen!” zei Smirre verachtelijk.
“Ik heb niets stoffeligs gedaan. Je hoeft niet zoo te brommen,” zei de marter. “Ik zat al op een van de onderste takken, en dacht er over, hoe ik een heele massa ganzen zou verscheuren, toen een klein dwergje, niet grooter dan een eekhoorn, opvloog en me met zóó’n kracht een steen naar het hoofd gooide, dat ik in ’t water viel, en eer ik er weer uit kon kruipen...”
De marter hoefde niet verder te vertellen. Er was niemand, die naar hem luisterde; Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.
Intusschen was Akka naar ’t zuiden gevlogen, om een nieuwe slaapplaats te zoeken. Er was nog een klein beetje daglicht, en bovendien stond de halve maan hoog aan den hemel, zoodat ze eenigszins zien kon. Gelukkig was ze goed thuis in die streek, omdat het al meer dan eens gebeurd was, dat ze door den wind Bleking in gedreven was, als ze in ’t voorjaar over de Oostzee reisde.
Ze volgde de beek, zooals ze die als een zwarte, glanzende slang kon zien slingeren door het in ’t maanlicht badende landschap. Zoo kwam ze heel tot Djupafors, waar de beek zich eerst verbergt in een onderaardsche bedding, en dan helder en doorschijnend, alsof ze van glas was, zich neerstort in een nauwe kloof, en zich op den bodem daarvan stukslaat in glinsterende droppels en rondwielend schuim. Onder aan dien witten waterval lagen enkele steenen, waardoor het water als een woeste stroom heenbruiste, en hier streek Akka neer. Dit was ook weer een goede slaapplaats, vooral zoo laat op den avond, als de menschen niet meer in beweging waren. Terwijl de zon onderging, hadden de ganzen daar niet kunnen neerstrijken, want Djupafors ligt niet in een woestenij. Aan den eenen kant van den waterval ligt een papierfabriek, en aan den anderen kant, die steil is en met boomen begroeid, ligt het park van Djupadal, waar steeds menschen rondzwerven op de gladde en steile paden, om te genieten van den wilden stroom, die bruisend in de kloof valt.
’t Ging hier precies als op de vorige plaats: geen van de reizigers dacht er ook maar een oogenblik aan, dat ze op een mooie en zeer beroemde plek waren. Ze dachten er zeker meer aan, dat het griezelig en gevaarlijk was op gladde, natte steenen, midden in een donderenden waterval te staan slapen. Maar ze moesten immers blij zijn, als ze veilig voor roofdieren waren.
De ganzen vielen gauw in slaap, maar de jongen had geen rust. Hij zat naast hen om op den ganzerik te passen.
Na een poos kwam Smirre naar den oever van de beek gesprongen. Hij kreeg dadelijk de ganzen in ’t oog, die daar in den bruisenden maalstroom stonden, en begreep, dat hij ook nu niet bij hen kon komen. Maar hij wilde ze toch niet verlaten.Hij bleef aan den oever naar hen zitten kijken. Hij voelde zich erg vernederd, en vond, dat zijn eer als jager op ’t spel stond.
Op eens zag hij een otter uit het schuimende water komen met een visch in den bek. Smirre ging hem te gemoet, maar bleef op twee stappen afstand van hem staan, om te toonen, dat hij hem zijn jachtbuit niet wou afnemen.
“Je bent toch een rare snaak, dat je je vergenoegt met visch te vangen, als er volop wilde ganzen op de steenen staan,” zei Smirre. Hij was zóó in vuur, dat hij den tijd niet nam om zijn woorden zoo goed te kiezen, als hij gewoonlijk deed.
De otter keerde niet eens zijn kop naar ’t water. Hij was een landlooper, als alle otters, hij had dikwijls in het Vombmeer gevischt, en kende Smirre, den vos, wel.
“Ik weet wel, hoe jij ’t aanlegt om een forel machtig te worden, Smirre,” zei hij.
“O, ben jij ’t, Gripe,” zei Smirre en was blij, omdat hij wist, dat deze otter een kloek en knap zwemmer was. “Ik wil wel gelooven, dat je niet naar de wilde ganzen wilt kijken, als je niet in staatbentze te bereiken.” Maar de otter, die zwemvliezen tusschen de teenen had, een stijven staart, die zoo goed als een roeiriem was, en een pels, voor vocht ondoordringbaar, wilde ’t niet op zich laten zitten, dat er een stroom was, dien hij niet aandurfde. Hij keerde zich naar het water, en zoodra hij de wilde ganzen in het oog kreeg, wierp hij den visch weg, en sprong van de steile helling in de rivier.
Als het wat verder in de lente was geweest, zoodat de nachtegalen in het park van Djupadal geweest waren, zouden ze later vele nachten hebben gezongen van den strijd van Gripe met den stroom. Want de otter werd dikwijls door de golven meêgerukt, de rivier af, maar hij werkte zich telkens weer naar boven. Hij zwom voort in de deining; hij kroop over steenen, en kwam langzamerhand dichter bij de wilde ganzen. ’t Was een gevaarlijke tocht, wel waard om door de nachtegalen bezongen te worden.
Smirre volgde zijn weg met de oogen, zoo goed hij kon. Eindelijk zag hij, dat de otter bezig was naar de wilde ganzen te klimmen. Maar juist toen klonk er een woeste, schelle schreeuw. De otter stortte achterover in het water, en werd weggerukt, alsof hij een blind, jong katje was geweest. Onmiddellijk daarna klapten de ganzen hard met de vleugels. Ze vlogen op en weg om een andere slaapplaats te zoeken. De otter kwam gauw weer aan land. Hij zei niets, en begon zijn eenen voorpoot te likken. Toen Smirre hem bespotte, omdat zijn tocht mislukt was, barstte hij uit: “’t Komt niet, doordat ik niet goed zwemmen kan, Smirre. Ik was tot vlak bij de ganzen gekomen, en zou juist bij hen aan land klimmen, toen een dwergje kwam aanspringen, en me opmijn poot sloeg met een scherp ijzer. Dat deed zóó’n pijn, dat ik mijn houvast verloor, en toen pakte de stroom me.”
Hij hoefde niet verder te vertellen. Smirre was al lang weg, de ganzen achterna.
Opnieuw moesten Akka en haar troep dus uit op een nachtelijken tocht. Gelukkig was de maan nog niet onder, en met behulp van haar licht, gelukte het de leidstergans een van de andere slaapplaatsen te vinden, die zij daar in de buurt kende. Ze volgde de glanzende rivier weer naar ’t zuiden. Over het buiten van Djupadal en over de donkere daken en witte watervallen van Ronneby zweefde ze voort, zonder neer te strijken. Maar een eindwegs ten zuiden van de stad, niet ver van de zee, ligt het sanatorium van Ronneby, met zijn badhuis en bronhuis, met een groot hotel en zomerwoningen voor badgasten. Dit alles staat den heelen winter leeg en verlaten, wat alle vogels wel weten, en talrijk zijn de vogelvluchten, die bij harden storm beschutting zoeken op de balkons en in de waranda’s van de verlaten gebouwen.
Hier streken de wilde ganzen neer op een balkon, en als gewoonlijk sliepen ze gauw in. De jongen daarentegen kon niet slapen, omdat hij niet onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen.
’t Balkon lag op het zuiden, zoodat de jongen ’t gezicht op de zee had. En omdat hij niet kon slapen, zat hij er naar te kijken, hoe mooi het was, als in Bleking zee en land elkaar ontmoeten.
Want zie eens, zee en land kunnen elkaar ontmoeten op zooveel verschillende manieren. Op veel plaatsen komt het land naar beneden bij de zee, met vlakke, hier en daar knobbelige velden, en de zee komt bij ’t land met stuifzand, dat het opdrijft in hoopen en wallen. ’t Is alsof ze zoo’n hekel aan elkaar hebben, dat ze alleen het leelijkste willen laten zien, wat ze hebben. Maar het kan ook gebeuren, dat het land, als het beneden bij de zee komt, een muur van bergen opwerpt, alsof de zee iets gevaarlijks was; en als het land zoo doet, gaat de zee daar tegen op in booze branding, en zweept en brult en slaat tegen de klippen, en ziet er uit, alsof ze de bergen van ’t land kort en klein wil scheuren.
Maar in Bleking gaat het heel anders toe, als land en zee elkaar ontmoeten. Daar splijt het land zich in kapen en eilanden en eilandjes, en de zee verdeelt zich in fjords en baaien en inhammen, en misschien komt het wel hierdoor, dat alles er uitziet, alsof hier land en zee elkaar in vreugde en eendracht te gemoet komen.
Denk nu allereerst aan de zee! Heel in de verte ligt ze doodsch en leeg en groot, en doet niets dan haar grauwe golven voortrollen. Als ze in de buurt van het land komt, ontmoet ze de eerste klip. Die neemt ze gauw in bezit, trekt er al het groenaf, en maakt haar even kaal en grauw, als ze zelf is. Dan ontmoet ze weer een klip. Daar gaat het ook zoo meê. En nog een. Ja, daar gaat het ook zoo meê. Die wordt uitgekleed en uitgeplunderd, alsof ze in roovershanden gevallen was. Maar dan komen de klippen in al dichter rijen, en dan begrijpt de zee zeker, dat het land haar zijn kleinste kinderen tegemoet zendt, om haar tot zachtheid te bewegen. Ze wordt ook vriendelijker, hoe verder ze naar binnen komt, stuwt haar golven minder hoog op, dempt haar stormen, laat groen zitten in barsten en spleten, en verdeelt zich in kleine baaien en inhammen, en wordt eindelijk dicht bij ’t land zóó weinig gevaarlijk, dat kleine bootjes zich op haar water wagen. Ze kan zeker zichzelf niet herkennen, zoo licht en vriendelijk is ze geworden.
En denk dan aan ’t land. Dat ligt daar eentonig, en is bijna overal hetzelfde. Het bestaat uit vlakke akkers met hier en daar een beukenhaag er tusschen, of ook uit ver uitgestrekte bergterrassen met bosch begroeid. ’t Ziet er uit, alsof ’t enkel denkt aan haver, en rapen, en aardappelen, en sparren, en dennen. Dan komt een baai, die ver in ’t land insnijdt. Daar geeft het niets om, maar ’t zet die af met berk en els, precies alsof ’t een gewoon zoetwatermeertje was. Dan komt er nog een baai aan. Ook daar maakt het land geen complimenten mee: die wordt ook bekleed als de eerste. Maar dan komen de fjords en breken in, en maken zich breeder. Ze splijten ’t veld en de bosschen, en zoodoende moet het land ze wel opmerken.
“Ik geloof, dat de zee zelf daar aankomt,” zegt het land, en dan begint het zich op te sieren. Het bekranst zich met bloemen, rijst en daalt in heuvels en dalen, en gooit eilanden uit in de zee. ’t Wil niet meer weten van sparren en dennen, maar gooit ze weg als oude, daagsche kleeren, en pronkt met groote eikeboomen, en linden, en kastanjes, en met bloeiende velden vol groen kruid, en wordt zoo mooi als een park op een landgoed. En als het de zee ontmoet, is het zóó veranderd, dat het zichzelf niet meer herkent.
Dit alles kan men nu niet goed zien, voor het zomer wordt, maar de jongen merkte toch, hoe zacht en vriendelijk de natuur was, en hij begon zich rustiger te voelen dan in ’t begin van den nacht. Toen hoorde hij op eens een sterk en akelig gehuil van uit het park, bij het badhuis. En toen hij opstond, zag hij een vos in den bleeken maneschijn op den grond, onder het balkon staan. Want Smirre was de ganzen weer nageloopen. Maar toen hij de plaats had gevonden, waar ze nu waren, had hij begrepen, dat het nu onmogelijk was ze ook maar eenigszins nabij te komen, en toen had hij niet kunnen laten te huilen van ergernis.
Toen de vos zoo huilde, werd de oude Akka, de leidstergans, wakker, en hoewel ze bijna niets zien kon, meende ze toch die stem te herkennen.
“Ben jij daar buiten in den nacht, Smirre?” vroeg ze.
“Ja,” zei Smirre, “ik ben het. En nu wil ik eens vragen, wat jelui ganzen van den nacht zegt, dien ik jelui bezorgd heb.”
“Meen je daarmee, dat jij ons den marter en den otter achterna gezonden hebt?” vroeg Akka weer.
“Een goede daad moet men niet ontkennen,” zei Smirre. “Jelui hebt eens met mij het ganzenspelletje gespeeld. Nu heb ik met jelui het vossenspelletje gedaan, en ik ben niet van plan daarmeê op te houden, zoolang er nog maar een van jelui in ’t leven is, al zou ik jelui ook door ’t heele land heen vervolgen.”
“Je moest er eens over nadenken, Smirre, of dat goed is van jou, die gewapendismet tanden en klauwen, om ons op die manier te vervolgen; wij—die weerloos zijn,” zei Akka.
Smirre vond, dat Akka bang scheen te zijn, en hij zei snel: “Als jij, Akka, dien Duimelot daar, die me nu zoo dikwijls heeft tegengewerkt, pakken wilt, en naar beneden gooien, dan beloof ik vrede met je te sluiten. Ik zal je dan nooit meer vervolgen, en ook niet wie bij je hooren.”
“Duimelot kan ik je niet geven,” zei Akka. “Van de jongste tot de oudste hebben we graag ons leven voor hem over.”
“Als jelui zóóveel van hem houden,” zei Smirre, “dan beloof ik je, dat hij de eerste van jelui zijn zal, op wien ik wraak nemen zal.”
Akka antwoordde niet meer, en nadat Smirre nog een paar keer gehuild had, werd alles stil. De jongen bleef wakker liggen. Nu kwam het door wat Akka tegen den vos had gezegd, dat hij niet slapen kon. Nooit had hij gedacht, dat hij zooiets groots zou hooren, dat iemand zijn leven voor hem wilde wagen!
Van dat oogenblik af kon men niet meer van Niels Holgersson zeggen, dat hij van niemand hield.