VIII.

VIII.Karlskrona.’t Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. ’t Was mooi en stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend, en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want bijna niemand waagde zich nog op straat.Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze—waar ze ook neerstreken—door Smirre, den vos, gestoord werden.Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw, maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig verschrikte. ’t Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen, bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets dergelijks was.Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen hadden. ’t Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden, waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist boven dat eiland ging neerdalen.“Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken,” zei hij.Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over, dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren ten eerste niets anders dan huizen. ’t Heele eiland was een stad, en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte vensters. De reus, die op ’t hoogste punt van het eiland stond en de armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door ’t water moesten kunnen glijden als visschen.Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen, die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermdwou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als het licht werd.De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk weiland. Zij, die in ’t woeste veld wonen, of ver weg op het land, voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten, groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok, korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit, alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.“Wat heeft die hanglip daar te maken?” zei de jongen eindelijk. Hij had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in, die naar zee leidde.Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan ’t wandelen was gegaan.De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde, en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was.De grond dreunde, en de huizen schudden. ’t Kon niemand anders wezen dan hij, die zóó zwaar liep, en de jongenwerd bang, toen hij dacht aan wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken om te zien, of hij het werkelijk was.“Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier,” dacht de jongen. “Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat was heelemaal zoo niet bedoeld.”In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen, sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat, midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik, maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.“Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad beschut,” meende hij.Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond, en hem wenkte.“Dat is zeker iemand, die mij helpen wil,” dacht de jongen. Hij werd innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang, dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam, die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal verbluft.“Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte,” dacht hij, want hij zag, dat de heele man van hout was.Hij bleef hem aan staan kijken. ’t Was een grove man met korte beenen en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen zwarten baard. Op ’t hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in denmaneschijn, en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo’n goedig uiterlijk te geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:Ik vraag u nederig,Al is mijn stem ook zwak,Kom, leg een penning neer,Maar neem mijn hoed dan af.O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonderszou zijn. En nu herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich, dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,—precies zooals men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed, en stopte hem daaronder.Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem, en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:“Wat ben jij voor een snuiter?”De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:“Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op ’t linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein neergezet als armenbus.”Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de houten man zei: “Uwe Majesteit.” Want nu hij er over nadacht, wist hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad gesticht had. ’t Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij tegen zijn zin mee te doen gekregen had.“Je antwoordt flink,” zei de bronzen man. “Kun je me nu ook zeggen, of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg, zal ik hem wel mores leeren.” En bij die woorden stootte hij zijn stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.“Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien,” zei dehouten man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed, en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in ’t hout. Maar hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: “Maar uwe Majesteit is op ’t verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf te loopen en zich daar te verstoppen.”“Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen zien meer dan twee, Rosenbom.”Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:“Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en vermolmd, en kan ’t niet verdragen me te bewegen.”De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag tegengesproken worden.“Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?”En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden klap op zijn schouder.“Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt, Rosenbom.”Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en zagen er vandichtbijgrooter en verschrikkelijker uit, dan toen de jongen ze van boven af zag. “’t Was toch nog niet zoo verkeerd, dat ik ze voor zeespoken hield,” dacht hij.“Waar vindt je ’t het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?” zei de bronzen man.“Zoo’n klein ding, als hij, zou zich wel ’t beste in de modelzaal kunnen verstoppen,” antwoordde de houten man.Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening van de Zweedsche marine gebouwd waren.Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen, met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek, en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware, breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes, die op lange, slanke visschen leken.Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds meer verbaasd.“Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!” sprak hij.Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal, van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En Rosenbom, de opperbootsman van de “Driestheid” vertelde wat hij wist van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden, en hoe ’t met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel verstand te hebben.“Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier,” zei de bronzen man. “Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier heb ik pleizier in, Rosenbom.”Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij, de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis, de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben, bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken, hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen zoo goed mogelijkte maken en te verbeteren, die ter verdediging van het vaderland moesten dienen. ’t Kan niet ontkend worden, dat de jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat alles hoorde praten.’t Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar voor hem stonden.Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: “Neem je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in den strijd voor het vaderland geweest.”En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren, evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn houten hoed af en riep:“Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte, en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!”“Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Jebenteen beste kerel! Maar wat is dat nu, Rosenbom?”Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af, en zwaaide die hoog in de lucht en riep: “Hoera voor jou, Langlip!”De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man, alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken, vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in ’t oog, en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen.IX.De reis naar Öland.Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans, die even oud en wijs scheen als Akka zelf:“Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar ’t noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland, zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt.”Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen zouden aan gidsen geen gebrek hebben.Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa’s, die tot aan den horizon neerhingen, en ’t uitzicht verhinderden.Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan hij den eersten keer had gedaan. ’t Was, alsof hij zich onmogelijk vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.’t Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen, waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. ’t Was, als volgden ze een gebaanden weg. ’t Waren eenden en grijze ganzen, zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten, duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig, dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over, want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.“Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!” zei hij in zichzelf. “Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!”Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken, dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige witte rookzuiltjes opstijgen.Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.“Schutters! Schutters! Schutters in booten!” riepen ze. “Vlieg hoog! Vlieg weg!”Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen, en dat ze in ’t geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in een lange rij, en ze waren vol schutters, die schotop schot losten. De eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee, en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.’t Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde, met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg, maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor, dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan: “Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?”En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: “We vliegen recht op Öland aan, recht op Öland!”De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.“Haast je zoo niet!” riepen de eenden toen. “Jelui eet alles op, voor wij er aan toe zijn!”“Er is genoeg voor jelui en voor ons,” antwoordden de duikeleenden.Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa’s witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien, begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. “Pas op!” riepen zij. “Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in ’s hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland.”Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar het spoor bijster te maken. “Kijk nu die pijlstaarten eens!” klonk het in den nevel. “Jullie gaan naar de Noordzee terug!”“Past op, grijze ganzen!” riep iemand van een anderen kant, “als jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!”Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden laten lokken. Maar zij, die ’t moeilijk hadden—dàt waren de wilde ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren, en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.“Waar moet jelui heen, vrienden?” riep een zwaan. Hij kwam recht op Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.“Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest,” zei Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.“Dat is toch te erg,” zei de zwaan. “Dan hebben ze jelui in de war gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in de goede richting brengen.”En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij in den mist.Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.“’t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist is opgetrokken,” zei de eend. “Men kan wel zien, dat jelui niet aan ’t reizen gewend zijn.”’t Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor zoover de jongen ’t begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een kring rond.“Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt,” riep een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen, als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd, dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland, omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren op den nevel te schieten.Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer van afbrengen.De zuidpunt van Öland.Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve, die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij, waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten worden gebruikt.In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van ’t eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen, waar ze niet zoo veilig zijn.Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand, dat hij kon overzien.’t Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogenkiezen, zou hij er nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, maar ’t meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten zich aan larven, die daar in eindelooze massa’s wezen moesten, want nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: “Zijn jelui nu klaar? dan gaan we verder.”“Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,” zei zijn reisgezelschap.“Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?” zei de leider, klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om meê te gaan.Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op ’t water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet klonken.Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde zwanen van dichtbij gezien.Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, dat ze hun waardigheid niet op konden houden.Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als ’t ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht genoeg onder de vleugels, en vlogen op.Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.De jongen ging weer naar ’t land. Daar bleef hij toezien hoe de snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een weerschijn als zijde.Zoodra een paar van hen zich aan ’t strand vertoonden, zeiden de andere vogels: “Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!” “Als ze niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te maken, maar konden boven in ’t daglicht wonen, zooals alle anderen,” zeide een bruine wijfjesgraseend.“Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch nooit behoorlijk uitzien met zoo’n neus als zij hebben,” zei een grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over het water, en vischten.“Wat is dat voor visch, die je ophaalt?” vroeg een wilde gans.“Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de bestevisch in de wereld,” zei een meeuw. “Wil je niet eens proeven?” En hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes, en wilde er haar van geven.“O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!” zei de wilde gans.Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht, dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar hij in ’t geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er ook heel blij mee, toen die af was.Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem of hij den witten ganzerik ook gezien had. “Neen, hij is niet bij mij geweest,” zei de jongen.“Hij was een oogenblik geleden nog bij ons,” zei Akka, “maar nu weten we niet, waar hij is.”De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik was zeker alleen maar in den mist verdwaald.Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde vogelgewemel—maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een, maar hij vond geen spoor van den ganzerik.Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen, en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder kon missen.Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in ’t hoofd gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De jongen sloeg in zijnblijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan ’t strand, dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos, dat hij niet wist wat te beginnen.Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was, meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren, wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt, dat ze beter zou worden, voor hij van ’t eiland weg zou gaan, maar ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om, maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden dag zou terugkomen.De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake van, dat hij hier kon blijven om haar!—Maar toen hij het jonge gansje vandichtbijzag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde bij al haar bewegingen.“Je hoeft niet bang voor me te wezen,” zei de jongen, en keek lang zoo boos niet, als hij van plan was te doen. “Ik ben Duimelot, de reiskameraad van Maarten, den ganzerik,” ging hij voort, en hij wist niet, wat hij zeggen zou.Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat het een gans was, die sprak: “Ik ben heel blij, dat je hier gekomenbentom me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand zoo goed en zoo verstandig is als jij.”Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen werd. “Dat kan geen gans wezen,” dacht hij. “Dat is zeker een betooverde prinses.”Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. ’t Been was niet gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte in ’t gelid.“Pas nu op,” zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug en goed, in aanmerking genomen, dat het voor ’t eerst was, dat hij zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten.Allen waren bereid om op weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. ’t Was maar ’t beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van de grijze gans weg te gaan.Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans werd hem te machtig. ’t Moest met de reis naar Lapland maar gaan, zooals ’t kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag geen jonge gans tusschen de steenen.“Donsje, Donsje, waar ben je?” riep de ganzerik.“De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen,” dacht de jongen. Maar op ’t zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem antwoorden: “Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even een bad genomen.” En uit het water dook de kleine grijze gans op, frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in ’t lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, dat ze een echt prinsesje was.

VIII.Karlskrona.’t Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. ’t Was mooi en stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend, en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want bijna niemand waagde zich nog op straat.Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze—waar ze ook neerstreken—door Smirre, den vos, gestoord werden.Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw, maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig verschrikte. ’t Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen, bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets dergelijks was.Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen hadden. ’t Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden, waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist boven dat eiland ging neerdalen.“Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken,” zei hij.Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over, dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren ten eerste niets anders dan huizen. ’t Heele eiland was een stad, en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte vensters. De reus, die op ’t hoogste punt van het eiland stond en de armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door ’t water moesten kunnen glijden als visschen.Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen, die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermdwou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als het licht werd.De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk weiland. Zij, die in ’t woeste veld wonen, of ver weg op het land, voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten, groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok, korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit, alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.“Wat heeft die hanglip daar te maken?” zei de jongen eindelijk. Hij had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in, die naar zee leidde.Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan ’t wandelen was gegaan.De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde, en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was.De grond dreunde, en de huizen schudden. ’t Kon niemand anders wezen dan hij, die zóó zwaar liep, en de jongenwerd bang, toen hij dacht aan wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken om te zien, of hij het werkelijk was.“Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier,” dacht de jongen. “Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat was heelemaal zoo niet bedoeld.”In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen, sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat, midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik, maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.“Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad beschut,” meende hij.Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond, en hem wenkte.“Dat is zeker iemand, die mij helpen wil,” dacht de jongen. Hij werd innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang, dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam, die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal verbluft.“Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte,” dacht hij, want hij zag, dat de heele man van hout was.Hij bleef hem aan staan kijken. ’t Was een grove man met korte beenen en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen zwarten baard. Op ’t hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in denmaneschijn, en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo’n goedig uiterlijk te geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:Ik vraag u nederig,Al is mijn stem ook zwak,Kom, leg een penning neer,Maar neem mijn hoed dan af.O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonderszou zijn. En nu herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich, dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,—precies zooals men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed, en stopte hem daaronder.Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem, en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:“Wat ben jij voor een snuiter?”De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:“Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op ’t linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein neergezet als armenbus.”Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de houten man zei: “Uwe Majesteit.” Want nu hij er over nadacht, wist hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad gesticht had. ’t Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij tegen zijn zin mee te doen gekregen had.“Je antwoordt flink,” zei de bronzen man. “Kun je me nu ook zeggen, of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg, zal ik hem wel mores leeren.” En bij die woorden stootte hij zijn stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.“Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien,” zei dehouten man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed, en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in ’t hout. Maar hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: “Maar uwe Majesteit is op ’t verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf te loopen en zich daar te verstoppen.”“Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen zien meer dan twee, Rosenbom.”Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:“Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en vermolmd, en kan ’t niet verdragen me te bewegen.”De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag tegengesproken worden.“Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?”En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden klap op zijn schouder.“Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt, Rosenbom.”Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en zagen er vandichtbijgrooter en verschrikkelijker uit, dan toen de jongen ze van boven af zag. “’t Was toch nog niet zoo verkeerd, dat ik ze voor zeespoken hield,” dacht hij.“Waar vindt je ’t het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?” zei de bronzen man.“Zoo’n klein ding, als hij, zou zich wel ’t beste in de modelzaal kunnen verstoppen,” antwoordde de houten man.Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening van de Zweedsche marine gebouwd waren.Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen, met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek, en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware, breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes, die op lange, slanke visschen leken.Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds meer verbaasd.“Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!” sprak hij.Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal, van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En Rosenbom, de opperbootsman van de “Driestheid” vertelde wat hij wist van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden, en hoe ’t met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel verstand te hebben.“Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier,” zei de bronzen man. “Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier heb ik pleizier in, Rosenbom.”Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij, de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis, de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben, bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken, hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen zoo goed mogelijkte maken en te verbeteren, die ter verdediging van het vaderland moesten dienen. ’t Kan niet ontkend worden, dat de jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat alles hoorde praten.’t Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar voor hem stonden.Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: “Neem je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in den strijd voor het vaderland geweest.”En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren, evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn houten hoed af en riep:“Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte, en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!”“Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Jebenteen beste kerel! Maar wat is dat nu, Rosenbom?”Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af, en zwaaide die hoog in de lucht en riep: “Hoera voor jou, Langlip!”De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man, alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken, vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in ’t oog, en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen.

’t Was een avond in Karlskrona, en de maan scheen. ’t Was mooi en stil weer, maar vroeger op den dag had het gestormd en geregend, en de menschen meenden zeker, dat het onweer nog voortduurde, want bijna niemand waagde zich nog op straat.

Terwijl de stad daar zoo verlaten lag, kwamen Akka en haar troep over Vämmön en Pontarholm op haar aanvliegen. Zij waren er in den laten avond op uit, om zich een veilige slaapplaats tusschen de klippen te zoeken. Ze konden niet aan land blijven, omdat ze—waar ze ook neerstreken—door Smirre, den vos, gestoord werden.

Toen nu de jongen hoog in de lucht voortreed, en naar de zee en de klippen keek, die zich voor hem uitstrekten, vond hij, dat alles er zoo wonderlijk en spookachtig uitzag. De hemel was niet langer blauw, maar welfde zich boven hem als een koepel van groen glas. De zee was melkwit. Zoover hij zien kon, rolde zij haar witte golfjes met zilveren glans op de toppen. Midden in al dat witte lagen koolzwart de vele klippeneilanden. Of ze groot of klein waren, vlak als weilanden of vol klippen, ze waren even zwart. Ja, zelfs de woonhuizen, de kerken en windmolens, die gewoonlijk wit of rood waren, teekenden zich zwart af op den groenen hemel. De jongen vond, dat het was, alsof de aarde onder hem verwisseld geworden, en hij in een andere wereld gekomen was.

Hij nam zich voor zich dezen nacht eens dapper te houden en niet bang te worden, maar toen kreeg hij iets te zien, dat hem hevig verschrikte. ’t Was een hoog, rotsachtig eiland, met groote, kantige blokken bedekt, en tusschen de zwarte blokken glinsterden plekken helder, schitterend goud. Hij kon niet laten aan den Magle-Steen, bij Heksen-Ljungby te denken, die de heksen soms op hooge, gouden zuilen omhoog heffen, en hij vroeg zich verwonderd af, of hier iets dergelijks was.

Maar die steenen en dat goud waren nog zoo erg niet, als er maar niet zooveel ondieren in het water rondom het eiland gelegen hadden. ’t Leken wel haaien en walvisschen en andere dieren, maar de jongen begreep, dat het de zeespoken waren, die zich om het eiland hadden verzameld, en van plan waren aan land te klauteren, om met de landspoken, die daar woonden, te vechten. En die op het land woonden, waren zeker bang, want hij zag hoe een groote reus, die op het hoogste punt van het eiland stond, de armen omhoog hief, als in wanhoop over al het ongeluk, dat over hem en zijn eiland zou komen.

De jongen was niet weinig verschrikt, toen hij merkte, dat Akka juist boven dat eiland ging neerdalen.

“Neen, goeie hemel! Daar moeten we toch niet neerstrijken,” zei hij.

Maar de ganzen bleven dalen. En al gauw was de jongen er verbaasd over, dat hij zóó verkeerd had kunnen zien. De groote steenblokken waren ten eerste niets anders dan huizen. ’t Heele eiland was een stad, en de schitterende gouden plekken waren lantarens en rijen verlichte vensters. De reus, die op ’t hoogste punt van het eiland stond en de armen opstak, was een kerk met twee schuine torens, en alle zeespoken en ondieren, die hij had meenen te zien, waren allerlei booten en vaartuigen, die om het eiland voor anker lagen. Aan de zijde van het vaste land waren de meeste roeibooten en zeilsloepen en kleine kuststoombootjes, maar aan den kant van de zee lagen gepantserde vaartuigen, sommige breed met reusachtig dikke, naar achteren hellende schoorsteenen, andere lang en smal, en zóó gevormd, dat ze door ’t water moesten kunnen glijden als visschen.

Wat zou dat wel voor een stad zijn? Ja, daar zou de jongen wel achter komen, want hij zag veel oorlogsschepen. Hij had zijn heele leven pleizier in schepen gehad, hoewel hij nooit met andere had te maken gehad, dan met de galeien, die hij in de sloot langs den weg had laten varen. Hij wist toch wel, dat die stad, waar zooveel oorlogsschepen lagen, geen andere dan Karlskrona kon wezen.

De grootvader van den jongen was een oude marinematroos geweest, en zoolang hij leefde, had hij elken dag van Karlskrona verteld, van de groote oorlogswerf en van alles, wat daar in de stad te zien was. Hier voelde de jongen zich heelemaal thuis, en hij was er blij om, dat hij nu dat alles, waarvan hij zooveel had gehoord, te zien zou krijgen.

Maar hij zag maar flauw de omtrekken van den toren en de vestingen, die den ingang van den haven afsloten, en van de vele gebouwen op de werf, eer Akka op een van de platte daken neerstreek.

Dat was wel een veilige plaats voor wie tegen een vos beschermdwou zijn, en de jongen dacht er over, of hij niet voor dien eenen nacht onder den vleugel van den ganzerik kon kruipen. Ja, dat kon hij zeker wel. Het zou goed voor hem zijn een beetje te slapen. Hij zou dan probeeren wat meer van de werf en de schepen te zien, als het licht werd.

De jongen vond zelf, dat het vreemd was, dat hij zich niet stilhouden kon en tot den volgenden morgen wachten, voor hij de schepen ging zien. Hij had zeker nog geen vijf minuten geslapen, voor hij onder den vleugel uitgleed, en langs den bliksemafleider en de gootpijpen naar beneden op den grond klauterde. Hij stond al gauw op een groote markt, die voor de kerk lag. Die was met ronde steenen bestraat, en voor hem even moeilijk te begaan, als voor volwassenen een ongelijk weiland. Zij, die in ’t woeste veld wonen, of ver weg op het land, voelen zich altijd angstig, als ze in een stad komen, waar de huizen recht en stijf staan, en de straten open liggen, zoodat ieder kan zien, wie daar loopt. Zoo ging het ook met den jongen. Toen hij op de groote markt in Karlskrona stond, en naar de Duitsche kerk en het raadhuis en de groote kerk zag, vanwaar hij zoo pas naar beneden was geklommen, wenschte hij zich weer boven bij de ganzen.

Gelukkig was de markt heelemaal leeg. Er was geen mensch, als men ten minste het standbeeld niet meê rekende, dat op een hoog voetstuk stond. De jongen keek lang naar het standbeeld, dat een grooten, groven man voorstelde, met een driekanten hoed op, een langen rok, korte broek en zware schoenen aan, en hij dacht er over, wie het wel wezen zou. Hij hield een langen stok in de hand, en zag er uit, alsof hij dien ook wel wist te gebruiken, want hij had een geweldig streng gezicht, met een grooten, krommen neus en een leelijken mond.

“Wat heeft die hanglip daar te maken?” zei de jongen eindelijk. Hij had zichzelf nooit zoo klein en akelig gevoeld als dien avond. Hij probeerde zich moed in te spreken met een parmantig woord. Later dacht hij niet meer aan het standbeeld, maar liep een breede straat in, die naar zee leidde.

Maar hij had nog niet lang geloopen, toen hij iets achter zich hoorde. Achter hem liep iemand, die met zware voeten op de steenen stampte, en op den grond stootte met een met ijzer beslagen stok. Dat klonk, alsof de groote bronzen man van de markt aan ’t wandelen was gegaan.

De jongen luisterde naar die stappen, terwijl hij de straat uitholde, en hij werd er al meer van overtuigd, dat het de bronzen man was.De grond dreunde, en de huizen schudden. ’t Kon niemand anders wezen dan hij, die zóó zwaar liep, en de jongenwerd bang, toen hij dacht aan wat hij zoo pas tegen hem had gezegd. Hij durfde niet om te kijken om te zien, of hij het werkelijk was.

“Hij gaat misschien maar wandelen voor zijn pleizier,” dacht de jongen. “Hij kan toch niet boos op me zijn, om wat ik gezegd heb. Dat was heelemaal zoo niet bedoeld.”

In plaats van recht door te gaan en te probeeren op de werf te komen, sloeg de jongen een straat in, die naar het oosten liep. Hij wilde allereerst wegkomen, van wie daar achter hem liep.

Maar al dadelijk hoorde hij, dat de bronzen man dezelfde straat insloeg, en de jongen werd zóó bang, dat hij heelemaal niet wist wat hij beginnen moest. En wat was het moeilijk schuilplaatsen te vinden in een stad, waar alle poorten gesloten waren! Toen zag hij aan zijn rechterhand een oude houten kerk, die een eind van de straat, midden in een groot plantsoen lag. Hij bedacht zich geen oogenblik, maar liep zoo hard hij kon naar de kerk.

“Als ik daar maar komen kan, dan ben ik zeker tegen alle kwaad beschut,” meende hij.

Terwijl hij voortholde, zag hij in eens een man, die op een pad stond, en hem wenkte.

“Dat is zeker iemand, die mij helpen wil,” dacht de jongen. Hij werd innig blij, en liep gauw naar dien kant. Hij was werkelijk zoo bang, dat het hart hem in de borst bonsde. Maar toen hij bij den man kwam, die aan den kant van het pad op een paaltje stond, was hij heelemaal verbluft.

“Hij kan het toch niet geweest zijn, die me wenkte,” dacht hij, want hij zag, dat de heele man van hout was.

Hij bleef hem aan staan kijken. ’t Was een grove man met korte beenen en een breed, blozend gezicht, glanzend zwart haar en een vollen zwarten baard. Op ’t hoofd had hij een zwarten houten hoed, om het lichaam een bruinen houten rok, om het midden een zwarte houten sjerp, om de beenen een wijde, grijze houten korte broek en houten kousen, en aan de voeten zwarte, houten korte rijglaarzen. Hij was pas geschilderd en gevernist, zoodat hij glom en blonk in denmaneschijn, en dat droeg er zeker wel toe bij om hem zoo’n goedig uiterlijk te geven, dat de jongen hem dadelijk vertrouwde.

In de linkerhand hield hij een houten bord, en daarop las de jongen:

Ik vraag u nederig,Al is mijn stem ook zwak,Kom, leg een penning neer,Maar neem mijn hoed dan af.

Ik vraag u nederig,

Al is mijn stem ook zwak,

Kom, leg een penning neer,

Maar neem mijn hoed dan af.

O, zoo! De man was dus een armenbus. De jongen voelde zich in de war gebracht. Hij had verwacht, dat het iets heel bizonderszou zijn. En nu herinnerde hij zich, dat zijn grootvader ook over dien houten man daar had gesproken, en gezegd had, dat alle kinderen in Karlskrona zoo veel van hem hielden. En dat was zeker wel waar, want hij had ook moeite om van dien houten man weg te gaan. Hij had zooiets ouderwetsch over zich, dat men kon denken, dat hij wel honderd jaar oud was, en tegelijkertijd zag hij er zoo sterk en barsch en levenslustig uit,—precies zooals men zich kon voorstellen, dat de menschen vroeger deden.

De jongen vond het zoo aardig naar den houten man te kijken, dat hij den ander, waarvoor hij was weggeloopen, heelemaal vergat. Maar nu hoorde hij hem weer. Hij kwam de straat uit en het kerkplein op. Hij kwam hierheen! Waar moest de jongen toch blijven?

Op datzelfde oogenblik zag hij, hoe de houten man zich naar hem neerboog en zijn groote breede hand uitstak. Het was onmogelijk iets anders dan goed van hem te denken, en de jongen stond met één sprong op de hand. En de houten man lichtte hem op naar zijn hoed, en stopte hem daaronder.

Juist was de jongen verstopt, en juist had de houten man zijn arm weer op de rechte plaats gebracht, of de bronzen man stond voor hem, en stootte zijn stok op den grond, zoodat de houten man op zijn voetstuk schudde. Toen zei de bronzen man met sterke, klankvolle stem:

“Wat ben jij voor een snuiter?”

De arm van den houten man ging snel naar boven, zoodat het oude hout kraakte, en hij tikte aan zijn hoed, terwijl hij antwoordde:

“Rosenbom, met permissie, uwe Majesteit. Eens opperbootsman op ’t linieschip Driestheid; na mijn diensttijd kerkwachter aan de Admiraliteitskerk, eindelijk in hout gesneden en op het kerkplein neergezet als armenbus.”

Een schok ging den jongen door de leden, toen hij hoorde, dat de houten man zei: “Uwe Majesteit.” Want nu hij er over nadacht, wist hij, dat het standbeeld op de markt den man voorstelde, die de stad gesticht had. ’t Was dus niemand minder dan Karel de Elfde, waar hij tegen zijn zin mee te doen gekregen had.

“Je antwoordt flink,” zei de bronzen man. “Kun je me nu ook zeggen, of je een dwergje gezien hebt, dat hier van nacht rondloopt in de stad? Dat is een brutale rekel, en als ik hem maar te pakken krijg, zal ik hem wel mores leeren.” En bij die woorden stootte hij zijn stok weer op den grond, en zag er vreeselijk boos uit.

“Met uw verlof, Uwe Majesteit, ik heb hem gezien,” zei dehouten man. En de jongen werd zóó bang, dat hij begon te beven onder den hoed, en hij keek naar den bronzen man door een spleetje in ’t hout. Maar hij werd weer kalm, toen de houten man voortging: “Maar uwe Majesteit is op ’t verkeerde spoor. Dat dwergje was zeker van plan naar de werf te loopen en zich daar te verstoppen.”

“Denk je dat, Rosenbom? Ja, blijf dan niet langer daar zoo stil op je paal staan, maar kom met me mee, en help me hem zoeken. Vier oogen zien meer dan twee, Rosenbom.”

Maar de houten man antwoordde met jammerende stem:

“Ik smeek U alleronderdanigst te mogen blijven staan, waar ik sta. Ik zie er frisch en glimmend uit door de verf, maar ik ben oud en vermolmd, en kan ’t niet verdragen me te bewegen.”

De bronzen man hoorde zeker niet tot de menschen, die graag tegengesproken worden.

“Wat zijn dat voor manieren? Wil je wel eens meegaan, Rosenbom?”

En hij hief zijn langen stok op, en gaf den ander een klinkenden klap op zijn schouder.“Zie je wel, dat je nog wat verdragen kunt, Rosenbom.”

Toen braken ze op, en gingen groot en geweldig door de straten van Karlskrona, tot ze aan een houten poort kwamen, aan den ingang van de werf. Daarbuiten liep een van de marinematrozen op wacht, maar de bronzen man liep hem voorbij, en trapte de poort open, zonder dat de matroos er iets om gaf. Zoodra ze op de werf gekomen waren, zagen zij een uitgestrekte haven voor zich, door steigers in verschillende afdeelingen verdeeld. In de havenbasins lagen oorlogsschepen, en zagen er vandichtbijgrooter en verschrikkelijker uit, dan toen de jongen ze van boven af zag. “’t Was toch nog niet zoo verkeerd, dat ik ze voor zeespoken hield,” dacht hij.

“Waar vindt je ’t het beste om met zoeken te beginnen, Rosenbom?” zei de bronzen man.

“Zoo’n klein ding, als hij, zou zich wel ’t beste in de modelzaal kunnen verstoppen,” antwoordde de houten man.

Op een smalle strook land, die zich links van de poort langs de heele haven tot aan zee toe uitstrekte, lagen ouderwetsche gebouwen. De bronzen man ging naar een huis met lage muren, kleine vensters en een groot dak. Hij stootte met zijn stok tegen de deur, zoodat die open sprong, en liep met harde stappen een trap met uitgesleten treden op. Toen kwamen zij in een groote zaal, die vol getakelde en getuigde schepen was. De jongen begreep, ook zonder dat men het hem zei, dat het de modellen waren van de vaartuigen, die voor rekening van de Zweedsche marine gebouwd waren.

Daar waren verschillende soorten van vaartuigen. Er waren oude linieschepen met kanonnen aan weerskanten, met hooge getouwen voor en achter, de masten met een warwinkel van zeilen en touwen bezwaard. Er waren kleine bootjes voor de vaart tusschen de klippen, met roeibanken langs de kanten, er waren kanonneersloepen zonder dek, en rijk vergulde fregatten, de modellen van de schepen, die koningen voor hun reizen hadden gebruikt. Eindelijk waren er ook de zware, breede pantserschepen met een toren en kanonnen op het dek, die tegenwoordig in gebruik zijn, en smalle glimmende torpedobootjes, die op lange, slanke visschen leken.

Toen de jongen door dat alles heengedragen werd, was hij steeds meer verbaasd.

“Dat zulke groote en mooie schepen hier in Zweden gebouwd zijn!” sprak hij.

Hij had tijd genoeg alles daar binnen te bekijken, want toen de bronzen man de modellen zag, vergat hij het andere. Hij bekeek ze allemaal, van de eerste tot de laatste, en vroeg naar alles, wat hij opmerkte. En Rosenbom, de opperbootsman van de “Driestheid” vertelde wat hij wist van de bouwmeesters van de schepen, en van wie ze gecommandeerd hadden, en hoe ’t met hen gegaan was. Hij vertelde van alle beroemde zeehelden tot 1809, want verder was hij er niet bij geweest.

Hij en de bronzen man vonden allebei de oude, mooie houten schepen de beste. Van de nieuwe pantserschepen schenen ze niet zoo heel veel verstand te hebben.

“Ik merk wel, dat je niets weet van dat nieuwe hier,” zei de bronzen man. “Laten we daarom liever naar wat anders gaan kijken, want hier heb ik pleizier in, Rosenbom.”

Nu scheen hij opgehouden te hebben naar den jongen te zoeken, en Niels voelde zich kalm en veilig daar onder den houten hoed.

Toen wandelden de beide mannen door de groote gebouwen: de zeilmakerij, de ankersmederij, de machine en timmerwerkplaatsen. Ze zagen de kranen en dokken, de groote magazijnen, de artillerie-afdeeling, het tuighuis, de lange touwslagerij en het groote verlaten dok, dat in de rots was uitgehouwen. Ze liepen de steigers op, waar de oorlogsschepen voor anker lagen, gingen aan boord, en bekeken ze als twee oude zeerobben, bewonderden en keurden af, prezen en ergerden zich.

De jongen zat veilig onder den houten hoed, en hoorde er van spreken, hoe er gewerkt en gezwoegd was om al die vloten uit te rusten, die van hier waren uitgezonden. Hij hoorde hoe leven en bezittingen waren gewaagd, de laatste penning geofferd om oorlogsschepen te bouwen, hoe bekwame mannen al hun krachten hadden ingespannen om die vaartuigen zoo goed mogelijkte maken en te verbeteren, die ter verdediging van het vaderland moesten dienen. ’t Kan niet ontkend worden, dat de jongen een paar maal de tranen in de oogen kreeg, toen hij over dat alles hoorde praten.

’t Allerlaatst gingen zij naar een open plaats, waar de gallioenfiguren van oude linieschepen stonden uitgestald. En iets wonderlijkers had de jongen nog nooit gezien, want die beelden hadden ongelooflijk indrukwekkende, schrikaanjagende gezichten. Ze waren groot, zagen er dapper en woest uit, vol van denzelfden fieren geest, die de groote schepen hadden uitgerust. Ze waren van een anderen tijd dan de zijne. Hij had een gevoel, dat hij in elkaar kromp, toen ze daar voor hem stonden.

Maar toen ze daar kwamen, zei de bronzen man tegen den houten: “Neem je hoed af, Rosenbom, voor hen, die hier staan. Zij zijn allemaal in den strijd voor het vaderland geweest.”

En Rosenbom had vergeten, waarom ze die wandeling begonnen waren, evengoed als de bronzen man. Zonder zich te bedenken nam hij zijn houten hoed af en riep:

“Ik neem de hoed af voor hem, die de haven groef en de werf stichtte, en de vloot vernieuwde, voor den koning, die dit alles schiep!”

“Dank je Rosenbom. Dat is mooi gezegd. Jebenteen beste kerel! Maar wat is dat nu, Rosenbom?”

Want daar stond Niels Holgersson midden op den kalen schedel van Rosenbom. Maar nu was hij niet bang meer. Hij nam zijn witte muts af, en zwaaide die hoog in de lucht en riep: “Hoera voor jou, Langlip!”

De bronzen man stootte met zijn stok hard op den grond. Maar de jongen kwam nooit te weten, wat hij van plan was te doen, want nu ging de zon op, en meteen verdwenen ze allebei, de bronzen en de houten man, alsof ze uit damp bestonden. Terwijl hij nog naar hen stond te kijken, vlogen de wilde ganzen op van den kerktoren, en zweefden heen en weer over de stad. Op eens kregen ze Niels Holgersson in ’t oog, en toen schoot de groote witte uit de wolken neer om hem te halen.

IX.De reis naar Öland.Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans, die even oud en wijs scheen als Akka zelf:“Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar ’t noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland, zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt.”Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen zouden aan gidsen geen gebrek hebben.Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa’s, die tot aan den horizon neerhingen, en ’t uitzicht verhinderden.Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan hij den eersten keer had gedaan. ’t Was, alsof hij zich onmogelijk vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.’t Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen, waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. ’t Was, als volgden ze een gebaanden weg. ’t Waren eenden en grijze ganzen, zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten, duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig, dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over, want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.“Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!” zei hij in zichzelf. “Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!”Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken, dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige witte rookzuiltjes opstijgen.Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.“Schutters! Schutters! Schutters in booten!” riepen ze. “Vlieg hoog! Vlieg weg!”Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen, en dat ze in ’t geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in een lange rij, en ze waren vol schutters, die schotop schot losten. De eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee, en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.’t Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde, met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg, maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor, dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan: “Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?”En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: “We vliegen recht op Öland aan, recht op Öland!”De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.“Haast je zoo niet!” riepen de eenden toen. “Jelui eet alles op, voor wij er aan toe zijn!”“Er is genoeg voor jelui en voor ons,” antwoordden de duikeleenden.Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa’s witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien, begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. “Pas op!” riepen zij. “Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in ’s hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland.”Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar het spoor bijster te maken. “Kijk nu die pijlstaarten eens!” klonk het in den nevel. “Jullie gaan naar de Noordzee terug!”“Past op, grijze ganzen!” riep iemand van een anderen kant, “als jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!”Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden laten lokken. Maar zij, die ’t moeilijk hadden—dàt waren de wilde ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren, en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.“Waar moet jelui heen, vrienden?” riep een zwaan. Hij kwam recht op Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.“Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest,” zei Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.“Dat is toch te erg,” zei de zwaan. “Dan hebben ze jelui in de war gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in de goede richting brengen.”En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij in den mist.Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.“’t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist is opgetrokken,” zei de eend. “Men kan wel zien, dat jelui niet aan ’t reizen gewend zijn.”’t Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor zoover de jongen ’t begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een kring rond.“Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt,” riep een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen, als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd, dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland, omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren op den nevel te schieten.Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer van afbrengen.De zuidpunt van Öland.Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve, die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij, waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten worden gebruikt.In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van ’t eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen, waar ze niet zoo veilig zijn.Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand, dat hij kon overzien.’t Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogenkiezen, zou hij er nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, maar ’t meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten zich aan larven, die daar in eindelooze massa’s wezen moesten, want nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: “Zijn jelui nu klaar? dan gaan we verder.”“Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,” zei zijn reisgezelschap.“Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?” zei de leider, klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om meê te gaan.Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op ’t water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet klonken.Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde zwanen van dichtbij gezien.Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, dat ze hun waardigheid niet op konden houden.Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als ’t ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht genoeg onder de vleugels, en vlogen op.Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.De jongen ging weer naar ’t land. Daar bleef hij toezien hoe de snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een weerschijn als zijde.Zoodra een paar van hen zich aan ’t strand vertoonden, zeiden de andere vogels: “Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!” “Als ze niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te maken, maar konden boven in ’t daglicht wonen, zooals alle anderen,” zeide een bruine wijfjesgraseend.“Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch nooit behoorlijk uitzien met zoo’n neus als zij hebben,” zei een grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over het water, en vischten.“Wat is dat voor visch, die je ophaalt?” vroeg een wilde gans.“Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de bestevisch in de wereld,” zei een meeuw. “Wil je niet eens proeven?” En hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes, en wilde er haar van geven.“O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!” zei de wilde gans.Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht, dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar hij in ’t geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er ook heel blij mee, toen die af was.Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem of hij den witten ganzerik ook gezien had. “Neen, hij is niet bij mij geweest,” zei de jongen.“Hij was een oogenblik geleden nog bij ons,” zei Akka, “maar nu weten we niet, waar hij is.”De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik was zeker alleen maar in den mist verdwaald.Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde vogelgewemel—maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een, maar hij vond geen spoor van den ganzerik.Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen, en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder kon missen.Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in ’t hoofd gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De jongen sloeg in zijnblijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan ’t strand, dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos, dat hij niet wist wat te beginnen.Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was, meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren, wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt, dat ze beter zou worden, voor hij van ’t eiland weg zou gaan, maar ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om, maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden dag zou terugkomen.De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake van, dat hij hier kon blijven om haar!—Maar toen hij het jonge gansje vandichtbijzag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde bij al haar bewegingen.“Je hoeft niet bang voor me te wezen,” zei de jongen, en keek lang zoo boos niet, als hij van plan was te doen. “Ik ben Duimelot, de reiskameraad van Maarten, den ganzerik,” ging hij voort, en hij wist niet, wat hij zeggen zou.Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat het een gans was, die sprak: “Ik ben heel blij, dat je hier gekomenbentom me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand zoo goed en zoo verstandig is als jij.”Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen werd. “Dat kan geen gans wezen,” dacht hij. “Dat is zeker een betooverde prinses.”Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. ’t Been was niet gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte in ’t gelid.“Pas nu op,” zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug en goed, in aanmerking genomen, dat het voor ’t eerst was, dat hij zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten.Allen waren bereid om op weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. ’t Was maar ’t beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van de grijze gans weg te gaan.Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans werd hem te machtig. ’t Moest met de reis naar Lapland maar gaan, zooals ’t kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag geen jonge gans tusschen de steenen.“Donsje, Donsje, waar ben je?” riep de ganzerik.“De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen,” dacht de jongen. Maar op ’t zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem antwoorden: “Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even een bad genomen.” En uit het water dook de kleine grijze gans op, frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in ’t lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, dat ze een echt prinsesje was.

Den volgenden morgen vlogen de wilde ganzen naar een rotseiland om te grazen. Daar ontmoetten ze een troepje grijze ganzen, die heel verwonderd waren ze te zien, omdat ze heel goed wisten, dat hun verwanten, de wilde ganzen, liefst over het binnenland vliegen. Ze waren nieuwsgierig en vraagziek, en waren niet eer tevreden, voor de wilde ganzen van de vervolging van Smirre, den vos, hadden verteld. Toen ze hun verhaal hadden gedaan, zei een grijze gans, die even oud en wijs scheen als Akka zelf:

“Dat was een groot ongeluk voor u, dat de vos in zijn eigen land vogelvrij verklaard werd. Hij zal zeker zijn woord houden, en u tot in Lapland vervolgen. Als ik in uw plaats was, zou ik niet naar ’t noorden, over Smaland gaan, maar den buitenweg nemen over Öland, zoodat hij heelemaal uw spoor bijster wordt. Om hem goed in de war te brengen, moest u een paar dagen op de zuidelijke spits van Öland blijven. Daar zult u goed eten en goed gezelschap vinden. Ik geloof niet, dat u er spijt van hebben zult, als u dien weg neemt.”

Dat was werkelijk een wijze raad, en de wilde ganzen besloten dien te volgen. Zoodra zij verzadigd waren, begonnen zij den tocht naar Öland. Geen van hen was daar vroeger geweest, maar de grijze gans had hun goede kenteekenen voor den weg aangegeven.

Ze hadden maar recht naar het zuiden te vliegen, tot ze den grooten vogelstoet ontmoetten, die buiten langs de kust van Bleking ging. Alle vogels, die hun winterverblijf bij de Noordzee hadden, en nu op weg waren naar Finland en Rusland, vlogen daar langs, en ze waren allen gewoon op Öland neer te strijken om daar te rusten. De wilde ganzen zouden aan gidsen geen gebrek hebben.

Dien dag was het volkomen stil en warm als op een zomerdag, het beste weer, dat men zich voor een zeereis denken kan. Het eenige, wat een beetje onrust gaf, was, dat het niet heelemaal helder was; de hemel was grijs en gedekt. Hier en daar dreven geweldige wolkenmassa’s, die tot aan den horizon neerhingen, en ’t uitzicht verhinderden.

Toen de reizigers buiten de klippen waren gekomen, strekte de zee zich zoo effen en spiegelglad uit, dat de jongen, toen hij naar beneden keek, meende, dat het water verdwenen was. Er was geen aarde meer onder hem, hij had niets dan lucht en wolken om zich heen. Hij werd heelemaal duizelig, en klemde zich nog angstiger aan den ganzenrug vast, dan hij den eersten keer had gedaan. ’t Was, alsof hij zich onmogelijk vast zou kunnen houden, maar den een of anderen kant uit vallen moest.

’t Werd nog erger, toen ze aan den grooten vogelstoet kwamen, waarvan de grijze gans had gesproken. Werkelijk kwam de eene vlucht na de andere aanvliegen, allen in dezelfde richting. ’t Was, als volgden ze een gebaanden weg. ’t Waren eenden en grijze ganzen, zwarte waterhoenders en duikerhoenders, duikeleenden en pijlstaarten, duikelganzen en zilverhoenders, strandeksters en waterhoenders. Maar toen nu de jongen zich vooroverboog, en dien kant uitkeek, zag hij den heelen vogelstoet spiegelen in het water. Hij was zoo soezig, dat hij niet begreep hoe dat kwam; hij meende, dat alle vogels met den buik naar boven vlogen. Hij was daar toch niet erg verbaasd over, want hij wist zelf niet wat boven en wat beneden was.

De vogels waren heel moe, en verlangden verder te komen. Niemand van hen schreeuwde, of zei een grappig woordje, en dat maakte, dat alles er zoo wonderlijk onwerkelijk uitzag.

“Stel je voor, dat we van de aarde weggevlogen zijn!” zei hij in zichzelf. “Stel je voor, dat we bezig zijn naar den hemel te gaan!”

Hij zag niets dan wolken en vogels om zich heen, en hij begon het waarschijnlijk te vinden, dat ze naar den hemel vlogen. Hij werd blij, en vroeg zich af, wat hij daar wel te zien zou krijgen. De duizeligheid ging op eens over. Hij vond het zoo heerlijk te denken, dat hij naar den hemel ging, en de aarde verliet.

Maar op eens hoorde hij een paar knallende schoten, en zag eenige witte rookzuiltjes opstijgen.

Onder de vogels ontstond onrust en rumoer.

“Schutters! Schutters! Schutters in booten!” riepen ze. “Vlieg hoog! Vlieg weg!”

Toen zag de jongen eindelijk, dat ze nog steeds over de zee vlogen, en dat ze in ’t geheel niet in den hemel waren. Kleine booten lagen in een lange rij, en ze waren vol schutters, die schotop schot losten. De eerste groepen vogels hadden hen niet bijtijds gemerkt. Ze hadden te laag gevlogen. Verscheidene donkere lichamen zonken neer in zee, en bij elk, die viel, hieven de levende lange jammerkreten aan.

’t Was vreemd voor hem, die zich zoo pas ver in den hemel droomde, met zulk een schrik en ellende weer tot zichzelf te komen. Akka schoot omhoog zoo snel ze kon, en daarna vloog de troep weg met de grootst mogelijke snelheid. De wilde ganzen kwamen dan ook ongedeerd weg, maar de jongen kon maar niet van zijn verbazing bekomen. Stel je voor, dat iemand kon schieten op Akka, en Yksi en Kaksi! Op den ganzerik en de anderen. De menschen hadden toch geen begrip van wat ze deden!

Zoo ging de tocht weer voort door de stille lucht, en alles was doodstil als te voren; alleen enkele afgematte vogels riepen nu en dan: “Zijn we er gauw? Weet jelui wel zeker, dat we op den goeden weg zijn?”

En dan antwoordden zij, die vooraan vlogen: “We vliegen recht op Öland aan, recht op Öland!”

De wilde eenden waren moe, en de duikeleenden draaiden om hen heen.

“Haast je zoo niet!” riepen de eenden toen. “Jelui eet alles op, voor wij er aan toe zijn!”

“Er is genoeg voor jelui en voor ons,” antwoordden de duikeleenden.

Eer ze nog zoover gekomen waren, dat ze Öland zagen, kwam een flauw windje hun tegemoet. Dat bracht iets meê, dat op geweldige massa’s witte rook leek, alsof er ergens een groote brand was.

Toen de vogels de eerste witte warrelwolken zagen aanrollen, werden ze bang, en vlogen sneller. Maar dat witte, dat op rook leek, stroomde al dichter voort, en eindelijk omringde het hen heelemaal. Het had geen scherpe lucht, het was niet donker en droog, maar wit en vochtig. De jongen begreep al gauw, dat het niet anders dan mist was.

Toen de mist zoo dicht was, dat men geen stap voor zich uit kon zien, begonnen de vogels zich aan te stellen als echte dwazen. Allen, die tot nu toe zoo ordelijk hadden meêgevlogen, begonnen in den mist te spelen. Zij vlogen heen en weer om elkaar in de war te brengen. “Pas op!” riepen zij. “Jelui vliegen maar aldoor in de rondte! Keer toch in ’s hemels naam om! Zoo komen jelui nooit op Öland.”

Allen wisten heel goed, waar het lag, maar ze deden hun best elkaar het spoor bijster te maken. “Kijk nu die pijlstaarten eens!” klonk het in den nevel. “Jullie gaan naar de Noordzee terug!”

“Past op, grijze ganzen!” riep iemand van een anderen kant, “als jelui zoo voortgaat, kom je nog in Rügen!”

Er was, zooals we al zeiden, geen gevaar, dat de vogels, die gewoon waren dezen weg te nemen, zich den verkeerden kant uit zouden laten lokken. Maar zij, die ’t moeilijk hadden—dàt waren de wilde ganzen. De boosdoeners merkten, dat ze niet zeker van den weg waren, en deden àl wat zij konden om hen in de war te brengen.

“Waar moet jelui heen, vrienden?” riep een zwaan. Hij kwam recht op Akka af, en zag er medelijdend en ernstig uit.

“Wij moeten naar Öland, maar we zijn er nog nooit geweest,” zei Akka. Ze meende, dat dit een vogel was om op te vertrouwen.

“Dat is toch te erg,” zei de zwaan. “Dan hebben ze jelui in de war gebracht. Je bent op weg naar Bleking. Kom nu meê, ik zal je weer in de goede richting brengen.”

En toen vloog hij met hen weg. En toen hij hen zoo ver van den grooten trekweg gebracht had, dat zij geen roepen meer hoorden, verdween hij in den mist.

Nu vlogen ze een poos op goed geluk rond. Nauwlijks was het hun gelukt de vogels terug te vinden, of een eend kwam op hen aan.

“’t Is het beste, dat jelui op het water gaat liggen, tot de mist is opgetrokken,” zei de eend. “Men kan wel zien, dat jelui niet aan ’t reizen gewend zijn.”

’t Scheelde niet veel, of de rekels hadden Akka suf gemaakt. Voor zoover de jongen ’t begreep, vlogen de wilde ganzen lang in een kring rond.

“Pas toch op! Zie jelui niet, dat jelui op en neer vliegt,” riep een duikeleend, terwijl hij hen vlug voorbij vloog. De jongen greep onwillekeurig den ganzerik om den hals. Daar was hij nu aldoor bang voor geweest. Niemand kan zeggen, hoe ze vooruit zouden zijn gekomen, als ze niet een dof rollend schot hadden gehoord, heel in de verte.

Toen strekte Akka den hals uit, klapwiekte luid, en vloog voort in een vliegende vaart. De grijze eenden hadden haar juist gezegd, dat zij niet moesten neerstrijken op de zuidelijke spits van Öland, omdat daar een groot kanon stond, waarmeê de menschen gewoon waren op den nevel te schieten.

Nu kende zij de richting, en nu zou niemand in de wereld er haar meer van afbrengen.

De zuidpunt van Öland.Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve, die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij, waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten worden gebruikt.In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van ’t eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen, waar ze niet zoo veilig zijn.Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand, dat hij kon overzien.’t Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogenkiezen, zou hij er nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, maar ’t meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten zich aan larven, die daar in eindelooze massa’s wezen moesten, want nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: “Zijn jelui nu klaar? dan gaan we verder.”“Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,” zei zijn reisgezelschap.“Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?” zei de leider, klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om meê te gaan.Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op ’t water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet klonken.Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde zwanen van dichtbij gezien.Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, dat ze hun waardigheid niet op konden houden.Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als ’t ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht genoeg onder de vleugels, en vlogen op.Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.De jongen ging weer naar ’t land. Daar bleef hij toezien hoe de snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een weerschijn als zijde.Zoodra een paar van hen zich aan ’t strand vertoonden, zeiden de andere vogels: “Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!” “Als ze niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te maken, maar konden boven in ’t daglicht wonen, zooals alle anderen,” zeide een bruine wijfjesgraseend.“Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch nooit behoorlijk uitzien met zoo’n neus als zij hebben,” zei een grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over het water, en vischten.“Wat is dat voor visch, die je ophaalt?” vroeg een wilde gans.“Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de bestevisch in de wereld,” zei een meeuw. “Wil je niet eens proeven?” En hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes, en wilde er haar van geven.“O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!” zei de wilde gans.Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht, dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar hij in ’t geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er ook heel blij mee, toen die af was.Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem of hij den witten ganzerik ook gezien had. “Neen, hij is niet bij mij geweest,” zei de jongen.“Hij was een oogenblik geleden nog bij ons,” zei Akka, “maar nu weten we niet, waar hij is.”De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik was zeker alleen maar in den mist verdwaald.Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde vogelgewemel—maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een, maar hij vond geen spoor van den ganzerik.Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen, en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder kon missen.Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in ’t hoofd gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De jongen sloeg in zijnblijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan ’t strand, dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos, dat hij niet wist wat te beginnen.Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was, meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren, wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt, dat ze beter zou worden, voor hij van ’t eiland weg zou gaan, maar ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om, maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden dag zou terugkomen.De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake van, dat hij hier kon blijven om haar!—Maar toen hij het jonge gansje vandichtbijzag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde bij al haar bewegingen.“Je hoeft niet bang voor me te wezen,” zei de jongen, en keek lang zoo boos niet, als hij van plan was te doen. “Ik ben Duimelot, de reiskameraad van Maarten, den ganzerik,” ging hij voort, en hij wist niet, wat hij zeggen zou.Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat het een gans was, die sprak: “Ik ben heel blij, dat je hier gekomenbentom me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand zoo goed en zoo verstandig is als jij.”Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen werd. “Dat kan geen gans wezen,” dacht hij. “Dat is zeker een betooverde prinses.”Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. ’t Been was niet gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte in ’t gelid.“Pas nu op,” zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug en goed, in aanmerking genomen, dat het voor ’t eerst was, dat hij zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten.Allen waren bereid om op weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. ’t Was maar ’t beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van de grijze gans weg te gaan.Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans werd hem te machtig. ’t Moest met de reis naar Lapland maar gaan, zooals ’t kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag geen jonge gans tusschen de steenen.“Donsje, Donsje, waar ben je?” riep de ganzerik.“De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen,” dacht de jongen. Maar op ’t zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem antwoorden: “Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even een bad genomen.” En uit het water dook de kleine grijze gans op, frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in ’t lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, dat ze een echt prinsesje was.

Op het zuidelijk gedeelte van Öland ligt een oude koningshoeve, die Ottenby heet. Dat is een groot landgoed, dat zich dwars over het eiland uitstrekt, van het eene strand naar het andere, en het is al daarom beroemd, omdat groote kudden herten er altijd een toevlucht gezocht hebben. Omstreeks 1600, toen de koningen gewoon waren naar Öland te gaan om te jagen, was het heele landgoed niet anders dan een groot hertenpark. Omstreeks 1700 vond men daar een paardenfokkerij, waar edele raspaarden werden gefokt, en een schapenfokkerij, waar vele honderden schapen gehouden werden. In onze dagen vindt men bij Ottenby geen volbloedspaarden of schapen meer. In plaats daarvan leven er groote troepen jonge paarden, die bij de Zweedsche kavallerie moeten worden gebruikt.

In het geheele land is zeker geen hoeve, die beter voor herten geschikt is. Langs de oostkust ligt de oude schapenwei, die een kwart mijl lang is, de grootste weide op heel Öland, waar de dieren kunnen grazen en spelen, en zich even vrij bewegen als op de woeste velden. En daar is het beroemde bosch van Ottenby met de honderdjarige eiken, die schaduw voor de zon geven en beschutting voor den scherpen Ölandswind. En dan moet men den langen muur van Ottenby niet vergeten, die van ’t eene strand naar het andere loopt, en Ottenby van het overige eiland afscheidt, zoodat de herten kunnen weten, hoe ver de oude Koningshoeve loopt, en er op passen kunnen, dat ze niet op een ander veld komen, waar ze niet zoo veilig zijn.

Maar niet alleen tamme dieren zijn er veel op Öland. Men zou bijna denken, dat wilde èn tamme dieren op een oud kroondomein er op konden rekenen daar goed verzorgd en beschermd te zijn, en dat ze er daarom in zulke groote troepen komen. Behalve dat daar nog herten van den ouden stam zijn overgebleven, en dat hazen en bergeenden en patrijzen er graag wonen, is daar in de lente en in den nazomer een rustplaats voor vele duizenden trekvogels. Vooral aan de moerassige oostkust, onder de schapenwei, strijken de trekvogels neer om te grazen en te rusten.

Toen de wilde ganzen en Niels Holgersson eindelijk op Öland waren aangeland, streken zij, als alle andere neer, op het strand bij de schapenwei. Dicht lag de mist over het eiland, zooals vroeger over de zee. Maar de jongen was toch verbaasd over al de vogels, die hij onderscheiden kon, alleen maar op het kleine stukje van het strand, dat hij kon overzien.

’t Was een laag, zandig strand met steenen en waterplasjes en een massa aangespoeld zeewier. Als de jongen had mogenkiezen, zou hij er nooit aan gedacht hebben daar neer te strijken, maar de vogels vonden het daar zeker een echt paradijs. Eenden en grijze ganzen liepen te grazen op de wei; dichter bij het water sprongen houtsnippen en andere strandvogels rond. De duikeleenden lagen op zee te visschen, maar ’t meeste leven en beweging was er op de lange zeewierbanken aan de kust. Daar stonden de vogels dicht op elkaar, en vergastten zich aan larven, die daar in eindelooze massa’s wezen moesten, want nooit hoorde men klachten over gebrek aan voedsel.

Verreweg de meesten moesten verder, en waren alleen neergestreken om te rusten, en zoo gauw de leider van een troep meende, dat zijn kameraden zich voldoende versterkt hadden, zei hij: “Zijn jelui nu klaar? dan gaan we verder.”

“Neen, wacht nog even, wacht wat! We hebben nog lang niet genoeg,” zei zijn reisgezelschap.

“Je denkt toch niet, dat ik van plan ben jelui te laten eten, tot je zóóveel gegeten hebt, dat je je niet meer kunt bewegen?” zei de leider, klapte met de vleugels en vloog op. Maar het gebeurde meer dan eens, dat hij moest terugkomen, omdat hij de anderen niet bewegen kon om meê te gaan.

Buiten de verste zeewierbanken lag een troep zwanen. Zij hadden geen zin om aan land te gaan, maar rustten door te liggen wiegelen op ’t water. Nu en dan staken zij de halzen onder den waterspiegel, en haalden voedsel op van den bodem der zee. Als zij iets heel lekkers gepakt hadden, gaven ze luide kreten, die als stooten op de trompet klonken.

Toen de jongen hoorde, dat er zwanen op het ondiepe water lagen, ging hij gauw naar de zeewierbanken, want hij had nog nooit wilde zwanen van dichtbij gezien.

Het liep hem meê, zoodat hij vlak bij hen kwam.

De jongen was de eenige niet, die de wilde zwanen had gehoord. Wilde en grijze ganzen, eenden en duikeleenden zwommen naar de banken, vormden een kring om de zwanen heen en staarden ze aan. De zwanen zetten hun veeren op, hieven hun vleugels als zeilen omhoog, en staken de halzen recht naar boven. Nu en dan zwom een van hen naar een gans of een duikeleend, en zei een paar woorden. En dan was het, alsof de aangesprokene nauwlijks den snavel durfde opheffen om te antwoorden.

Maar daar was ook een klein duikeleendje, een kleine zwarte deugniet, die al die plechtige manieren niet uit kon staan. Hij dook heel snel weg, en verdween onder den waterspiegel. Onmiddellijk daarna schreeuwde een van de zwanen, en zwom zóó gauw weg, dat het water schuimde. Toen hield hij stil, en begon er weer majestueus uit te zien. Maar kort daarop schreeuwde een andere, en toen schreeuwde een derde.

Nu kon het duikeleendje het niet langer onder water uithouden, maar verscheen aan de oppervlakte, klein, en zwart en ondeugend als hij was. De zwanen vlogen op hem af, maar toen ze zagen wat het voor een peuter was, keerden ze knorrig om, alsof ze het beneden hun waardigheid achtten met hem te kibbelen. Maar het duikeleendje dook opnieuw onder, en beet ze in de pooten. Dat deed zeker pijn, maar het ergste was, dat ze hun waardigheid niet op konden houden.

Op eens maakten ze er een eind aan. Ze begonnen met hun vleugels in de lucht te slaan, dat het dreunde, kwamen een heel eind, als ’t ware springende, vooruit over het water, kregen eindelijk lucht genoeg onder de vleugels, en vlogen op.

Toen ze weg waren, lieten ze een groote leegte achter. En zij, die eerst pleizier hadden gehad in de aanvallen van het duikeleendje, berispten hem nu om zijn onbeschaamdheid.

De jongen ging weer naar ’t land. Daar bleef hij toezien hoe de snippen speelden. Zij leken op heele kleine kraanvogels, hadden ook dat kleine lichaampje, die hooge pooten, lange halzen en lichte zwevende bewegingen, alleen waren ze niet grijs, maar bruin. Ze stonden in een lange rij op strand, waar de golven het bespoelden. Zoodra een golf aankwam, sprong de heele rij achteruit. Zoodra die teruggleed, volgden ze haar na. En zoo gingen ze uren lang door.

De mooiste van alle vogels waren de bergeenden. Ze waren zeker verwant aan de gewone eenden, want ze hadden evenals deze een zwaar, gezet lichaam, een breeden snavel en zwempooten, maar ze waren véél sierlijker. Hun veeren waren wit, maar om den hals hadden zij een breeden, gelen band, de vleugels speelden in groen, rood en zwart; de vleugelpunten waren zwart; de kop was zwartgroen, en had een weerschijn als zijde.

Zoodra een paar van hen zich aan ’t strand vertoonden, zeiden de andere vogels: “Kijk die eens! Die hebben slag zich op te tooien!” “Als ze niet zoo mooi waren, zouden ze hun nesten niet in den grond hoeven te maken, maar konden boven in ’t daglicht wonen, zooals alle anderen,” zeide een bruine wijfjesgraseend.

“Ze kunnen zich uitsloven, zooveel ze willen, maar ze kunnen er toch nooit behoorlijk uitzien met zoo’n neus als zij hebben,” zei een grijze gans. En dat was werkelijk waar. De bergeenden hadden een groote knoest op den wortel van hun snavel, die hen erg leelijk maakte.

Binnen het strand vlogen meeuwen en zeezwaluwen heen en weer over het water, en vischten.

“Wat is dat voor visch, die je ophaalt?” vroeg een wilde gans.

“Dat zijn stekelbaarzen, Ölandsche stekelbaarzen, dat is de bestevisch in de wereld,” zei een meeuw. “Wil je niet eens proeven?” En hij vloog naar de gans toe met een mond vol van de kleine vischjes, en wilde er haar van geven.

“O foei! Meen je, dat ik zulke vuiligheid eten wil!” zei de wilde gans.

Den volgenden morgen was het nog altijd even mistig. De wilde ganzen gingen naar de weide om te grazen, maar de jongen ging naar het strand om mosselen te zoeken. Er waren er genoeg, en toen hij er aan dacht, dat hij den volgenden dag misschien op een plaats zou wezen, waar hij in ’t geheel geen eten kon krijgen, besloot hij te probeeren een zakje te maken, dat hij vol mosselen kon doen. Hij vond op de wei oud rietgras, dat sterk en taai was, en daarvan begon hij een ransel te vlechten. Daar had hij verscheidene uren werk aan, maar hij was er ook heel blij mee, toen die af was.

Tegen den middag kwamen alle wilde ganzen aanvliegen, en vroegen hem of hij den witten ganzerik ook gezien had. “Neen, hij is niet bij mij geweest,” zei de jongen.

“Hij was een oogenblik geleden nog bij ons,” zei Akka, “maar nu weten we niet, waar hij is.”

De jongen vloog op, en werd vreeselijk bang. Hij vroeg, of er zich ook een vos of arend vertoond had, of dat er een mensch in de buurt gezien was. Maar niemand had iets gevaarlijks gemerkt. De ganzerik was zeker alleen maar in den mist verdwaald.

Maar het was voor den jongen al even ongelukkig, op welke manier de ganzerik ook weggeraakt was, en hij ging dadelijk op weg om hem te zoeken. De mist beschermde hem, zoodat hij ongezien overal rond kon loopen, maar die belette hem ook te zien. Hij liep hard naar het zuiden, langs de kust, heel tot aan den vuurtoren en het mistkanon aan de uiterste spits van het eiland. Overal was hetzelfde vogelgewemel—maar geen ganzerik. Hij waagde zich tot bij de hoeve van Ottenby, en hij doorzocht al de oude uitgeholde eiken een voor een, maar hij vond geen spoor van den ganzerik.

Hij zocht tot het donker begon te worden. Toen moest hij terug naar het strand aan de oostzijde van het eiland. Hij liep met zware stappen, en was heel somber. Hij wist niet, wat er van hem worden moest, als hij den ganzerik niet vinden kon. Er was niemand, dien hij minder kon missen.

Maar toen hij over de schapenwei liep... wat was dat voor een groot wit ding, dat hem te gemoet kwam, als dat de ganzerik niet was? Hij was volkomen ongedeerd en heel blij, dat hij eindelijk zijn weg naar de anderen terug had kunnen vinden. De mist had hem zoo soezig in ’t hoofd gemaakt, dat hij op de groote Wei den heelen dag had rondgeloopen. De jongen sloeg in zijnblijdschap de armen om zijn hals, en smeekte hem voorzichtig te zijn en niet van de anderen weg te gaan. En dat beloofde hij stellig, nooit meer te doen. Neen, nooit meer! Maar den volgenden morgen, toen de jongen langs het strand liep, en mosselen zocht, kwamen de ganzen weer aan, en vroegen hem, of hij den ganzerik ook had gezien.

Neen, dat had hij zeker niet. Zoo, was de ganzerik nu weer weg? Hij was zeker weer in den mist verdwaald, zooals den vorigen dag.

De jongen liep dood verschrikt weg, en begon te zoeken. Hij vond een plaats, waar de muur van Ottenby zoo afgebrokkeld was, dat hij er over kon klauteren. Later liep hij rond beneden aan ’t strand, dat langzamerhand breeder werd, en eindelijk zoo groot was, dat er plaats was voor akkers en velden en boerenplaatsen; hij zocht boven op het platte hoogland, dat midden op het eiland lag, waar geen andere gebouwen dan windmolens waren, en waar de plantengroei op den bodem zóó dun was, dat de witte kalkgrond er door scheen.

Maar den ganzerik kon hij niet vinden, en toen het tegen den avond liep, en hij weer naar het strand terug ging, kon hij niet anders denken, dan dat zijn reiskameraad weg was. Hij was zoo moedeloos, dat hij niet wist wat te beginnen.

Hij was al weer over den muur gekomen, toen hij een steen hoorde vallen, vlak bij hem. Toen hij zich omkeerde om te zien wat dat was, meende hij iets te onderscheiden, dat zich bewoog op een steenhoop, die vlak tegen de muur lag. Hij sloop dichterbij, en zag toen den witten ganzerik aankomen, tegen den steenhoop op, met moeite verscheidene lange wortelvezels in den bek meêsleepend. De ganzerik zag den jongen niet, en deze riep hem ook niet, maar meende, dat het zaak was eerst te onderzoeken, waarom de ganzerik keer op keer verdween.

Hij kwam de reden daarvan ook te weten. Boven op den steenhoop lag een jonge, grijze gans, die een uitroep van vreugd liet hooren, toen de ganzerik kwam. De jongen sloop naderbij, zoodat hij kon hooren, wat ze zeiden, en wist toen al gauw, dat de grijze gans den eenen vleugel had beschadigd, zoodat ze niet vliegen kon, en dat haar troep was weggevlogen, en haar alleen had achtergelaten. Ze was op het punt van honger te sterven, toen de witte ganzerik den vorigen dag haar had hooren roepen, en gezocht had, tot hij haar vond. Sinds dien tijd had hij haar eten gebracht. Ze hadden allebei gehoopt, dat ze beter zou worden, voor hij van ’t eiland weg zou gaan, maar ze kon nog niet vliegen of loopen. Ze was daar heel bedroefd om, maar hij troostte haar, en zei, dat hij nog lang niet op reis zou gaan.

Eindelijk zei hij haar goedennacht, en beloofde, dat hij den volgenden dag zou terugkomen.

De jongen liet den ganzerik heengaan, en zoodra hij weg was, sloop hij op zijn beurt den steenhoop op. Hij was boos, omdat hij bedrogen was, en nu wou hij die gans daar vertellen, dat de ganzerik van hem was. Hij moest den jongen naar Lapland brengen, en er was geen sprake van, dat hij hier kon blijven om haar!—Maar toen hij het jonge gansje vandichtbijzag, begreep hij waarom de ganzerik haar twee dagen lang eten had gebracht, en waarom hij er niet over had willen spreken, dat hij haar hielp. Ze had een beelderig kopje, haar veeren waren zóó zacht als zijde, en haar oogen zacht en smeekend.

Toen ze den jongen zag, wilde ze wegloopen. Maar haar linkervleugel was uit het lid, en sleepte over den grond, zoodat die haar hinderde bij al haar bewegingen.

“Je hoeft niet bang voor me te wezen,” zei de jongen, en keek lang zoo boos niet, als hij van plan was te doen. “Ik ben Duimelot, de reiskameraad van Maarten, den ganzerik,” ging hij voort, en hij wist niet, wat hij zeggen zou.

Er kan soms iets aan dieren zijn, dat ons verwonderd doet vragen, wat het toch voor soort wezens zijn. Men is bijna bang, dat het betooverde menschen zijn. Zooiets had die jonge, grijze gans. Zoodra Duimelot zei, wie hij was, boog zij den hals heel gracieus voor hem, en zei met een stem, zóó mooi, dat de jongen niet kon gelooven, dat het een gans was, die sprak: “Ik ben heel blij, dat je hier gekomenbentom me te helpen. De witte ganzerik heeft me gezegd, dat niemand zoo goed en zoo verstandig is als jij.”

Ze zei dat met zooveel waardigheid, dat de jongen heel verlegen werd. “Dat kan geen gans wezen,” dacht hij. “Dat is zeker een betooverde prinses.”

Hij kreeg grooten lust haar te helpen, en stak zijn kleine handjes onder de veeren om aan het vleugelbeen te voelen. ’t Been was niet gebroken, maar het gelid was niet in orde. Hij voelde een leege holte in ’t gelid.

“Pas nu op,” zei hij, nam het been vast tusschen de vingers, en zette het weer in, waar het moest wezen. Hij deed het heel vlug en goed, in aanmerking genomen, dat het voor ’t eerst was, dat hij zooiets probeerde, maar het moest wel heel veel pijn gedaan hebben, want de arme jonge gans gaf één enkelen harden gil, en toen zonk ze neer tusschen de steenen, zonder een teeken van leven te geven. De jongen schrikte ontzettend. Hij had haar willen helpen, en nu was ze dood. Hij was met één sprong van den steenhoop af, en liep hard weg. Hij had een gevoel, alsof hij een mensch had vermoord.

Den volgenden morgen was het helder, de mist was opgetrokken, en Akka zei, dat ze nu de reis moesten voortzetten.Allen waren bereid om op weg te gaan, maar de witte ganzerik maakte bezwaren. De jongen begreep, dat hij niet van de grijze gans weg wilde gaan. Maar Akka hoorde niet naar hem, en vertrok. De jongen sprong op den rug van den ganzerik, en de witte volgde den troep, hoewel langzaam en met tegenzin. De jongen was heel blij, dat ze van het eiland weg zouden komen. Hij had berouw over de grijze gans, en had den ganzerik niet willen zeggen, hoe het was gegaan, toen hij haar had willen genezen. ’t Was maar ’t beste, als Maarten, de ganzerik, dat nooit te weten kwam, dacht hij. Hij was er toch verwonderd over, dat de witte het hart had van de grijze gans weg te gaan.

Maar plotseling keerde de ganzerik om. De gedachte aan de jonge gans werd hem te machtig. ’t Moest met de reis naar Lapland maar gaan, zooals ’t kon. Hij kon niet met de anderen meê gaan, als hij wist, dat zij daar ziek en alleen achter bleef, en moest doodhongeren.

Met een paar vleugelslagen was hij bij den steenhoop. Maar daar lag geen jonge gans tusschen de steenen.

“Donsje, Donsje, waar ben je?” riep de ganzerik.

“De vos is zeker hier geweest, en heeft haar meêgenomen,” dacht de jongen. Maar op ’t zelfde oogenblik hoorde hij een mooie stem antwoorden: “Hier ben ik, ganzerik, hier ben ik! Ik heb maar even een bad genomen.” En uit het water dook de kleine grijze gans op, frisch en gezond, en vertelde, dat Duimelot haar vleugel weer in ’t lid getrokken had, en dat ze heelemaal beter was en klaar om meê te gaan. De waterdroppels rolden als paarlen over haar zijachtige veeren, waarover een mooie weerschijn lag, en Duimelot dacht weêr, dat ze een echt prinsesje was.


Back to IndexNext