XV.De oude boerin.Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden, moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens, die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. “Als een van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede slaapplaats,” zei de een.“Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een best nachtverblijf zijn,” zei de andere.“Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van ’t land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist gevonden, wat wij zoeken,” zei de derde.’t Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger, al naarmate de nacht naderde.“’t Is toch ongelukkig,” dacht hij, “dat wij in een land zijn gekomen, waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt.”Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar hij kon binnengaan. En ’t was een donkere, koude avond met wind en stofregen. ’t Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen.’t Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben, omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen, dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in ’t geheel niet bewoond te zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie, hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij: “’t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden.”Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen kon. ’t Was geen kleine hoeve. Behalve ’t woonhuis, den stal en de schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren, voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe, met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan kapotte scharnieren. ’t Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak, dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij, dat een koe begon te loeien.“Kom je daar eindelijk, Vrouw,” zei de koe. “Ik dacht, dat ikvanavondniets te eten zou krijgen.”De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte, dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed.“Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen,” zei hij. “We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor ons was.”“Dat zou ik wel denken,” antwoordde de koe. “Wel zijn de muren slecht, maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wiezijnjelui eigenlijk?” ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.“Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter is veranderd,” antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen, “en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans.”“Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest,” zei de koe, “en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen was, om mij mijn avondvoer te brengen.”De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal, en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste dagen was overkomen.Hij dacht aan Asa, ’t kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads, die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo’n hutje hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen, sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht, die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in de oogen kreeg.Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was ’t een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleinedieren in ’t bosch naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij—of ze hem hadden gevonden of niet,—bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop, die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop gezeten, riep en bromde over iemand, die zich “kraaienroof” had genoemd en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet, alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord, en “door de kraai gestolen,” “kraaienvangst” en “kraaienroof” geheeten had. Op die manier hadden zij Duimelot’s spoor gevonden, tot bij de heide van Sunnerbo.Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan, en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht kregen.“Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij,” dacht de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op eens tegen den jongen te praten.“Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe hij een koe moet behandelen.”“Wat scheelt je dan?” vroeg de jongen.“Mij scheelt van alles,” zei de koe. “Ik ben niet gemolken en niet verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk, maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan, en ze is niet meer terug gekomen.”“’t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben,” zei de jongen. “Ik geloof niet, dat ik je helpen kan.”“Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je kleinbent,” zei de koe. “Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken,waren zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één vuistslag doodslaan.”De jongen kon niet laten te lachen. “Dat waren zeker andere kabouters dan ik,” zei hij. “Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te klimmen en hooi in je krib te gooien.”“Ja, dat zou altijd wel wat helpen,” zei de koe.De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:“Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag,” zei de koe.“Neen, dat zal ik niet, als ’t maar iets is, wat ik doen kan,” zei de jongen.“Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is.”“Neen, dat kan ik niet doen,” zei de jongen. “Ik durf me niet aan menschen te vertoonen.”“Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw,” zei de koe. “Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de deur staan, en kijk door een kier.”“Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen,” zei de jongen.Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. ’t Was een vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde, en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. ’t Was akelig ze te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over ’t weer. En nog erger was het te denken, dat—als maar één van hen hem in ’t oog kreeg, het met hem gedaan zou zijn.“Die arme kleintjes,” zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel, en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was een gat voor de kat om er uit en in te gaan. ’t Was dus voor den jongen niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was.Nauwelijkshad hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer terug. Een oudevrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof eenonzichtbaremaan er een bleek licht over liet vallen.De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet eens meer naar bed had kunnen gaan.Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde, wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.“O zoo! is de vrouw dood?” zei ze, “Dan is het ook gauw met mij gedaan?”“Er zal wel iemand voor je zorgen,” zei de jongen troostend.“Je weet niet,” zei de koe, “dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen.”Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.“Ligt ze op den grond?” vroeg ze.“Ja, dat doet ze,” zei de jongen.“Ze had de gewoonte in de schuur te komen,” ging de koe voort, “en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over, dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil jij dat wel gaan doen?”De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet: “neen”; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen, die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur geweest, en ’s zomers gingen ze met het vee naar ’tmoeras en langs de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel, of haar hoeders flinke menschen waren.En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden, en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in ’t huis en in de stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed, had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen geloeid, als zij haar hoorden komen.Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al ’t werk, en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en ze had geploegd en geoogst. ’s Avonds, als ze in den stal kwam om te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen uit de oogen, en zei: “Dat is niets. Ik zal ’t ook wel goed krijgen, als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!”Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En ’s avonds, als de vrouw zoo moe was, dat ze onder ’t melken bijna insliep, werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. “Ik zal ’t wel weer goed krijgen,” zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, “als ze maar eerst groot zijn.”Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in ’t vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit om bij haar te blijven.“Vindje, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?” placht zij te zeggen, als zij in de schuur bij de oude koe stond. “Hier in Smaland kunnen ze niet anders dan armoe verwachten.”Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder ’t loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte niet meer. Ze wilde de hoeve niet meerverzorgen, maar liet alles vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen haar gekend hadden.Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En misschien had ze maar ’t liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang, dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.“Als de kinderen ’t maar niet hooren! Als de kinderen ’t maar nooit hooren!” zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen, maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar had afgenomen. Ze haatte het.“’t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo goed voor hen was,” zei ze. “Maar ik wil het niet zien.”Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten, om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den heelen dag aan den kant van ’t moeras, met de handen in den schoot; en als ze naar huis ging, zei ze:“Zie je Rödlina, als hier groote, vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden ze niet hoeven weg te gaan.”Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had, dat haar kinderen van haar waren weggegaan.Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken, en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.“Hoor je wel, Rödlina?” had ze gezegd, “hoor je, dat ze zeiden, dat er rogge op ’t moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven, dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu kunnen ze hun brood hier thuis verdienen.”Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest.Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen, die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed, een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten, op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke, gedraaide kaarsen.De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode eer te bewijzen.Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht bij haar lijk waken.Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw naar haar kinderen!Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat hij niet geweest was, kon hij misschien worden.Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. ’t Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. ’t Waren bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.“Arme menschen!” zei de jongen tegen de portretten. “Jelui moeder is dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maarmijnmoeder leeft.”Hier hield hij even op, en glimlachte.“Mijn moeder leeft,” zei hij. “Vader en Moeder leven allebei!”XVI.Van Taberg naar Huskvarna.De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden, dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open, opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan, om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden en haar begraven.Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven, of ze kregen een hoogen berg in ’t oog, met bijna loodrechte wanden en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi, Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen, dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen, bruine moerassen, metijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat geschapenhad, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden, dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs en stralend helder daar lag te glanzen, alsof ’t niet met water, maar met blauw licht was gevuld.’t Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren, zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende, dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in ’t Paradijs uitzag.Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze naar dat blauwe dal. Ze waren in ’t allerbeste humeur, schreeuwden en waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder regen en wind, en toen ’t nu op eens mooi weer werd, kwam er onder de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen, dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één, die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen, hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep de vogels toe:“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over den ganzerug, en antwoordde in hun plaats:“Daarheen, waar geen houweel of hamer is!”Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.“Neem ons meê, neem ons meê!” riepen ze.“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer,en altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek van ’t Munkmeer. ’t Was juist na den middagschafttijd, en de groote scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.“Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?” riep een arbeider. De wilde ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:“Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!”Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.“Neem ons mee! Neem ons mee!” riepen ze.“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde ganzen. Zij, die het dichtst bij ’t venster zat, keek eruit met een lucifersdoosje in de hand, en riep:“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”“Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn,” riep de jongen.’t Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, maar ze antwoordde: “Neem me meê! Neem me meê!”“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen.Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak in ’t zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken voor een groote poort, waardoor men aan ’t meer komt. En midden in die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en ’t Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten ’t zelfde spektakel daar als buiten op ’t land. Maar in de stad antwoordde hun niemand. ’t Was niet te verwachten, dat destadsbewonersnaar buiten zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.De tocht ging verder langs ’t Wettermeer en na een poosje kwamen de ganzen bij ’t Sanatorium van Sanna. Eenige van dezieken waren op een veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij het ganzengekakel.“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” vroeg een van hen met zulk een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was.“Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!” antwoordde de jongen.“Neem ons mee!” zei de zieke.“Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen. “Van ’t jaar niet!”Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het dal lag de school.Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” schreeuwden de kinderen.“Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!” antwoordde de jongen.“Neem ons meê!” schreeuwden de kinderen. “Neem ons meê!”“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” riep de jongen, “maar later!”XVII.Een geschiedenis uit Halland.Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend roepen werd meer gehoord. En de jongenzat, in herinneringen verdiept, op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde, waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden kunnen maken.Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed, op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder, maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op een opengehakte plaats in ’t bosch gelegen, en de boomen hadden er om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt, en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steedsverder uitbreiden en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden, en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee, en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt, de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte, beneden aan het strand. Onder ’t gras lag fijn, licht zeezand. Dat bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes, die tot ’t allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag, dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor ’t eerst zagen, vonden ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.’t Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en winderig. ’t Koren kon niet groeien; ’t verdorde en verschrompelde. De aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm heele groote velden om meê te spelen. In de stadBrendanezaten de boeren en zagen, hoe hij de zandmassa’s oplichtte, ze naar den hemel deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes, die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó, dat er geen grassprietje groeien kon.En ’t was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam geen eind aan den last, dien het gaf. ’t Lag in hoopen op den drempel in den morgen, als men de huisdeur open deed; ’t striemde de menschen in ’t gezicht, als ze uitgingen, ’t stoof door den schoorsteen en viel in het eten, en ’t lag in zulke dikke lagen op wegen en paden, dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. ’t Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen; hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren, dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog een spa konden opheffen om het weg te graven. En ’t was geen lichte strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde, hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden, die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog bij machte, stand te houden.Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was nietouder dan vijftien jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het, die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde, dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld, zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden, en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger, zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht: griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou, dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo’n pleizier, dat ze soms slap van lachen waren.Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte niet.De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen, en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat kon hij niet over zich verkrijgen.“Is hij niet een Tater?” vroeg hij.“Hij!” antwoordde de moeder. “Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar.”“Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest.”“Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen,” zei de moeder, en scheen verdrietig te zijn.De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen, en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in ééndag meer deed, dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al ’t werk ging onder scherts en gebabbel. ’t Was niet te ontkennen, dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.“Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien,” zei Jan.De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over, maar gaf hem meteen een wenk.Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig weer neer.“Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,” zei hij. “Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden.”Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij, dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond, maar op eens had hij ’t hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over de snaren. ’t Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten, maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren, overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op, en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden: een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopenvodden schenen geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen, en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest, en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en kleeren moeten geven, zoodat—toen ze eindelijk weg waren,—het huis als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest, nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen, maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende vagebondenstemmen herinnerde.Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar zijn moeder zat te spinnen.“Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is,” zei hij.De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.“Neen, wat zeg je!” antwoordde zij. “Dat is een wonderlijk nieuwtje!”Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.“Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun.”“’t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken,” zei de moeder, en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.“Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan.”“En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu ook zelf een Tater moet zijn,” zei de moeder op den meest onbezorgden toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden.“Gelooft u het dan ook niet?” vroeg de jongen.Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.“Moet u hem nu niet wegsturen?” vroeg hij weer, want hij had altijd gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst.“Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had,” zei hij. “Ik dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog over ons komen.”Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over de Taters te spreken.“Onthoud nu wat ik je zeg,” zei hij, “en vergeet dat nooit! Je moet er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van wilden in zich, zoodat ze ’t niet kunnen uithouden onder een dak te wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude dingen oplappen en opknappen.”Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar en dreigend geklonken.“Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij, maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze lijken ook daarin op ’t heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen, en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons, boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden; maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen, maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende over allen, die op hen vertrouwd hebben.”Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.“’t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt,” drong hij nog eens aan.Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd diep in de oogen:“Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is,” zei ze. “Ik ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en zullen aanteekenen.”Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu ’t meest pijn deed, was, dat hij buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had, zonder te vragen, wat hij er van dacht.“Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer te zeggen,” barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.“Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben,” zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om afscheid te nemen. “Voor mij blijft niet anders over dan weer langs den weg te zwerven.”“Je hoeft je aan Sigurd niet te storen,” zei de huismoeder. “Ik heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan te teekenen.”“Daar kunnen we niet aan denken,” zei de knecht. Hij zonk op een bank neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. “Het helpt niet, of je al probeert er uit te komen,” zei hij. “Je kunt je uiterste best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels vertinnen.”Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.“Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan,” zei ze. “Ik geloof, dat Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is om op je te vertrouwen.”“Neen, dat kun je niet verlangen,” zei de knecht.“Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen,” ging de huismoeder voort.“Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil,” antwoordde Jan. “De hoeve is toch van hem, en ’t zou maar verwijdering geven tusschen hem en u, als ik bleef.”Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet een heel ander mensch was dan al de andere.Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze ruimte vol ongeluk overzag.Toen verbrak de moeder de stilte.“Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons had kunnen blijven,” zei ze. “En ik wil niet, dat je weer in ellende zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat.”“Dat moogt u nooit doen,” riep de knecht dadelijk. “Zoudt u als de vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer is geweest!”“Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt blijven.”“Neen, dat doe ik nooit,” barstte de knecht uit. “Ik dank u, omdat u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!”Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was, en hij was hard en wantrouwend.Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.“Goeden dag dan, Sigurd!” zei hij. “Je moet niet denken, dat ik boos op je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons.”Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit te barsten.Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching, en hij schreide luid.Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. ’t Was alsof hij iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan overgedragen te hebben.’t Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals het plan was. ’t Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig, hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop lag een dunne korst vruchtbare aarde daarondereen laag zeezand, en daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder ’t werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand, en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.“Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!” barstte hij uit.“Wat heb je dan gevonden?” vroeg Sigurd.“Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben,” antwoordde de Tater.Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.“Je moet boven komen, en mij helpen, Jan,” zei ze.Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen, dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in ’t gezicht, de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans gezicht somber werd.“Kun je ze niet wegjagen, Jan?” vroeg de huismoeder bekommerd.“Dat gaat niet best,” zei Jan lachend. “’t Zijn Vader en Moeder, en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe ’t me gaat.”Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand, die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij, dat hij allerlei dwaasheden beging.Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde jonge goed.’t Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan vioolspelen. ’t Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen, en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken, en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en zorgeloozer hij zich voelde. ’t Was, alsof hij nu voor ’t allereerst begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn.’t Had hem altijd gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,—hij, evenals zijn voorvaderen,—dat hij de hoeve moest zien in stand te houden,—hij, evenals zij—maar omdat je eens een enkelen keer blij was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den rijksten boer in de gemeente. ’t Was een verzoek, of Jan hem wou komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen, maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos, en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken, meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking, dat het leven zóó heerlijk kon zijn.’t Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken, weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk gegaan was.De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. ’t Was alsof dit opeens zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het beheer van Jan, den Tater. ’t Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In ’t voorjaar had Jan in ’t kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild.Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen, en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.Plotseling hield Jan met spelen op.“Zeg me nu één ding, Sigurd,” zei hij met ongewoon vriendelijke stem. “Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?”Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.“Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen,” zei Jan.Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat Jan en hij zouden scheiden.“Neen, ik wil liever, dat je hier blijft,” zei hij.“Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel gaat,” zei Jan, “want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend.”Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in de schuur.Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor ’t vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor de reis.“Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten,” dacht hij. “Al zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe.”Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden, zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen en hen nietachterna te vliegen.Op dat zelfde oogenblik keerde Jan zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was Sigurd bij den wagen en er boven op.Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den weg. Sigurds moeder ging dan naar ’t huis, en bedelde om eten en koren, en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden, maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in ’t Zuiden in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen, en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna trokken zij er weer op uit.Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest, te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag, toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:“Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. ’t Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden.”“De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker weggegaan, en hebben ’t land aan zijn lot overgelaten,” antwoordde Sigurd bitter.“Denk je dat?” zei Jan heftig. “Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar huis kunt gaan en ’t zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier.”“Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken,” zei Sigurd weer. “Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt.”Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam, schopte hij het om met zijn voet.“Wat doe je daar?” vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd, en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.“Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere ook om te schoppen.”“Wat zou je daar nu aan hebben?” vroeg Sigurd.“Ik weet niet hoe het komt,” zei Jan, “maar in de landen, waar groote, kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen wij het op den duur niet uithouden.”“Dat kan wel wezen,” zei Sigurd “maar je zult toch dat denneboompje weer in den grond zetten.”Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar voor zich uit te kijken.“Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt, als ik meerderjarig word!” schreeuwde Sigurd.Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht, maar hij zei niets.Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd, nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt, en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op een feest moest spelen bij den dans.“Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen.”Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs den weg stond. Vroeger had hijzichzelfprobeeren wijs te maken, dat hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig werd, maar nu voelde hij, dat hij er geenkracht toe had. De heele hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij, en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te verspillen aan een hopelooze zaak?Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten, of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil, en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. ’t Was een nieuw paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed, werd gevangen genomen als paardendief.Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest, en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn zaak behandeld werd.’t Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan, die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.“Jan is hier gekomen om mij te helpen,” dacht hij, want hij wist, dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag, dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij met het gestolen paard was komen aanrijden.Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor, dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien, dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep,dat hij tot verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en ’t hem duidelijk geworden was, dat hij in ’t diepst van zijn ziel valsch en hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel, omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op ’t zelfde oogenblik, dat hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was geweest, en hij schrikte daar hevig van.Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht, trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan, of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde, en ’t werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij ’s winters naar Skaane trok, als dorscher, en in ’t voorjaar kwam hij weer thuis met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hijzichzelfhad opgelegd te doen.Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden, raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote, rijke hoeve.Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd, dat hij goud had gevonden.“Hij wist dat van den mergel,” dacht Sigurd. “Hij heeft hetaldoor geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis blijven en ons allen rijk maken.”Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken en handelen, zooals hij had behooren te doen.
XV.De oude boerin.Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden, moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens, die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. “Als een van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede slaapplaats,” zei de een.“Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een best nachtverblijf zijn,” zei de andere.“Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van ’t land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist gevonden, wat wij zoeken,” zei de derde.’t Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger, al naarmate de nacht naderde.“’t Is toch ongelukkig,” dacht hij, “dat wij in een land zijn gekomen, waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt.”Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar hij kon binnengaan. En ’t was een donkere, koude avond met wind en stofregen. ’t Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen.’t Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben, omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen, dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in ’t geheel niet bewoond te zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie, hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij: “’t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden.”Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen kon. ’t Was geen kleine hoeve. Behalve ’t woonhuis, den stal en de schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren, voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe, met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan kapotte scharnieren. ’t Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak, dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij, dat een koe begon te loeien.“Kom je daar eindelijk, Vrouw,” zei de koe. “Ik dacht, dat ikvanavondniets te eten zou krijgen.”De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte, dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed.“Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen,” zei hij. “We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor ons was.”“Dat zou ik wel denken,” antwoordde de koe. “Wel zijn de muren slecht, maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wiezijnjelui eigenlijk?” ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.“Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter is veranderd,” antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen, “en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans.”“Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest,” zei de koe, “en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen was, om mij mijn avondvoer te brengen.”De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal, en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste dagen was overkomen.Hij dacht aan Asa, ’t kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads, die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo’n hutje hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen, sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht, die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in de oogen kreeg.Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was ’t een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleinedieren in ’t bosch naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij—of ze hem hadden gevonden of niet,—bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop, die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop gezeten, riep en bromde over iemand, die zich “kraaienroof” had genoemd en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet, alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord, en “door de kraai gestolen,” “kraaienvangst” en “kraaienroof” geheeten had. Op die manier hadden zij Duimelot’s spoor gevonden, tot bij de heide van Sunnerbo.Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan, en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht kregen.“Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij,” dacht de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op eens tegen den jongen te praten.“Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe hij een koe moet behandelen.”“Wat scheelt je dan?” vroeg de jongen.“Mij scheelt van alles,” zei de koe. “Ik ben niet gemolken en niet verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk, maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan, en ze is niet meer terug gekomen.”“’t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben,” zei de jongen. “Ik geloof niet, dat ik je helpen kan.”“Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je kleinbent,” zei de koe. “Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken,waren zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één vuistslag doodslaan.”De jongen kon niet laten te lachen. “Dat waren zeker andere kabouters dan ik,” zei hij. “Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te klimmen en hooi in je krib te gooien.”“Ja, dat zou altijd wel wat helpen,” zei de koe.De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:“Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag,” zei de koe.“Neen, dat zal ik niet, als ’t maar iets is, wat ik doen kan,” zei de jongen.“Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is.”“Neen, dat kan ik niet doen,” zei de jongen. “Ik durf me niet aan menschen te vertoonen.”“Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw,” zei de koe. “Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de deur staan, en kijk door een kier.”“Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen,” zei de jongen.Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. ’t Was een vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde, en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. ’t Was akelig ze te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over ’t weer. En nog erger was het te denken, dat—als maar één van hen hem in ’t oog kreeg, het met hem gedaan zou zijn.“Die arme kleintjes,” zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel, en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was een gat voor de kat om er uit en in te gaan. ’t Was dus voor den jongen niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was.Nauwelijkshad hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer terug. Een oudevrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof eenonzichtbaremaan er een bleek licht over liet vallen.De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet eens meer naar bed had kunnen gaan.Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde, wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.“O zoo! is de vrouw dood?” zei ze, “Dan is het ook gauw met mij gedaan?”“Er zal wel iemand voor je zorgen,” zei de jongen troostend.“Je weet niet,” zei de koe, “dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen.”Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.“Ligt ze op den grond?” vroeg ze.“Ja, dat doet ze,” zei de jongen.“Ze had de gewoonte in de schuur te komen,” ging de koe voort, “en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over, dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil jij dat wel gaan doen?”De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet: “neen”; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen, die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur geweest, en ’s zomers gingen ze met het vee naar ’tmoeras en langs de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel, of haar hoeders flinke menschen waren.En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden, en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in ’t huis en in de stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed, had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen geloeid, als zij haar hoorden komen.Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al ’t werk, en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en ze had geploegd en geoogst. ’s Avonds, als ze in den stal kwam om te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen uit de oogen, en zei: “Dat is niets. Ik zal ’t ook wel goed krijgen, als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!”Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En ’s avonds, als de vrouw zoo moe was, dat ze onder ’t melken bijna insliep, werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. “Ik zal ’t wel weer goed krijgen,” zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, “als ze maar eerst groot zijn.”Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in ’t vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit om bij haar te blijven.“Vindje, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?” placht zij te zeggen, als zij in de schuur bij de oude koe stond. “Hier in Smaland kunnen ze niet anders dan armoe verwachten.”Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder ’t loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte niet meer. Ze wilde de hoeve niet meerverzorgen, maar liet alles vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen haar gekend hadden.Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En misschien had ze maar ’t liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang, dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.“Als de kinderen ’t maar niet hooren! Als de kinderen ’t maar nooit hooren!” zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen, maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar had afgenomen. Ze haatte het.“’t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo goed voor hen was,” zei ze. “Maar ik wil het niet zien.”Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten, om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den heelen dag aan den kant van ’t moeras, met de handen in den schoot; en als ze naar huis ging, zei ze:“Zie je Rödlina, als hier groote, vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden ze niet hoeven weg te gaan.”Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had, dat haar kinderen van haar waren weggegaan.Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken, en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.“Hoor je wel, Rödlina?” had ze gezegd, “hoor je, dat ze zeiden, dat er rogge op ’t moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven, dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu kunnen ze hun brood hier thuis verdienen.”Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest.Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen, die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed, een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten, op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke, gedraaide kaarsen.De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode eer te bewijzen.Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht bij haar lijk waken.Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw naar haar kinderen!Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat hij niet geweest was, kon hij misschien worden.Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. ’t Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. ’t Waren bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.“Arme menschen!” zei de jongen tegen de portretten. “Jelui moeder is dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maarmijnmoeder leeft.”Hier hield hij even op, en glimlachte.“Mijn moeder leeft,” zei hij. “Vader en Moeder leven allebei!”
Drie vermoeide reizigers zochten een nachtverblijf op den laten avond. Zij liepen wel door een armoedig woest gedeelte van Noord-Smaland, maar een rustplaats, zooals zij die verlangden, moesten zij toch kunnen vinden, want ze waren geen verwijfde wezens, die zachte bedden en mooi gemeubileerde kamers verlangden. “Als een van de lange bergruggen hier een top hadden, zóó sterk en hoog, dat een vos er op geen enkele manier kon opklauteren, hadden we een goede slaapplaats,” zei de een.
“Als maar een van de groote moerassen hier niet bevroren was, en zoo zacht en nat, dat een vos er niet over durfde, dan zou dat ook een best nachtverblijf zijn,” zei de andere.
“Als het ijs op een van de meren, waar we voorbij komen, maar los van ’t land was, zoodat een vos daar niet kon komen, dan hadden we juist gevonden, wat wij zoeken,” zei de derde.
’t Ergste was, dat toen de zon was ondergegaan, twee van de reizigers zóó slaperig werden, dat ze elk oogenblik op het punt waren op den grond te vallen. De derde, die wakker kon blijven, werd onrustiger, al naarmate de nacht naderde.
“’t Is toch ongelukkig,” dacht hij, “dat wij in een land zijn gekomen, waar de moerassen en meren bevroren zijn, zoodat de vos overal heen kan komen. Het ijs is immers op andere plaatsen al weggedooid, maar nu zijn we zeker in het allerkoudste gedeelte van Smaland, waar de lente nog niet gekomen is. Ik begrijp niet, wat ik beginnen moet om een goede slaapplaats te vinden. Als ik geen goed beschutte plaats vind, hebben we Smirre, den vos, op onze hielen, eer de morgen komt.”
Hij keek uit naar alle kanten, maar hij zag geen herberg, waar hij kon binnengaan. En ’t was een donkere, koude avond met wind en stofregen. ’t Werd steeds akeliger en griezeliger om hem heen.
’t Kan wel vreemd lijken, dat de reizigers er geen lust in schenen te hebben, op de een of andere hoeve om nachtverblijf te vragen. Ze waren al verscheiden dorpen doorgetrokken, zonder ergens aan te kloppen. Naar kleine hutjes aan den zoom van het woud, die alle arme reizigers zoo graag aantreffen, keken zij ook niet om. Men zou in de verzoeking komen te zeggen, dat ze verdienden het akelig te hebben, omdat ze de hulp, die hun ten dienste stond, niet wilden aannemen.
Maar later, toen het zóó donker was geworden, dat er nauwlijks een streepje daglicht onder den hemel achterbleef, en de twee, die aan slaap behoefte hadden, half in den slaap voortliepen, kwamen ze bij een boerderij, die eenzaam lag, ver van al haar buren. En niet alleen, dat ze er eenzaam uitzag, ze scheen in ’t geheel niet bewoond te zijn. Geen rook steeg uit den schoorsteen op, geen licht scheen uit de vensters, geen mensch bewoog zich op de plaats. Toen een van de drie, hij, die beloofd had wakker te blijven, die boerderij zag, dacht hij: “’t Mag gaan zooals het wil, maar in deze hoeve moeten we zien binnen te komen. Iets beters zullen we zeker niet vinden.”
Kort daarop stonden ze alle drie op de binnenplaats van de hoeve. Twee van hen sliepen dadelijk in, zoodra ze moesten blijven staan, maar de derde zag haastig rond, om te ontdekken, hoe hij onder dak komen kon. ’t Was geen kleine hoeve. Behalve ’t woonhuis, den stal en de schuur waren er lange bijgebouwen, met schuren en dorschvloeren, voorraadshuizen en bergplaatsen voor de werktuigen.
Maar alles zag er akelig arm en vervallen uit. De huizen hadden grauwe, met mos begroeide, scheeve muren, die op het punt schenen van om te vallen. In het dak waren groote gaten, en de deuren hingen schuin aan kapotte scharnieren. ’t Was duidelijk, dat al lang niemand de moeite had genomen een spijker in den wand te slaan op deze boerderij.
Intusschen had hij, die wakker was, uitgerekend welk gebouw de koestal was. Hij schudde zijn reisgezellen wakker, en bracht ze bij de schuurdeur. Die was gelukkig alleen gesloten met een haak, dien hij gemakkelijk kon oplichten met een stokje. Hij zuchtte van verlichting bij de gedachte, dat ze gauw in veiligheid zouden zijn. Maar toen de schuurdeur luid knarsend openging, hoorde hij, dat een koe begon te loeien.
“Kom je daar eindelijk, Vrouw,” zei de koe. “Ik dacht, dat ikvanavondniets te eten zou krijgen.”
De reiziger bleef heel verschrikt in de deur staan, toen hij merkte, dat de schuur niet leeg was. Maar hij zag al gauw, dat er niets meer dan één koe stond, en drie of vier kippen, en toen vatte hij weer moed.
“Wij zijn drie arme reizigers, die graag ergens wilden wezen, waar geen vos ons kan overvallen, en geen menschen ons kunnen vangen,” zei hij. “We zouden graag weten of er hier een geschikte plaats voor ons was.”
“Dat zou ik wel denken,” antwoordde de koe. “Wel zijn de muren slecht, maar een vos kan er nog niet door, en hier woont niemand dan een oude vrouw, die zeker niet in staat is iemand gevangen te nemen. Maar wiezijnjelui eigenlijk?” ging ze voort, terwijl ze zich in haar stal omkeerde, om de nieuwaangekomenen te zien.
“Ik ben Niels Holgersson van Wester Vemmenhög, die in een kabouter is veranderd,” antwoordde de eerste van hen, die binnenkwamen, “en ik heb een tamme gans bij me, waar ik op rijd, en een grijze gans.”
“Zulke rare gasten zijn nog nooit in mijn huis geweest,” zei de koe, “en jelui bent welkom. Maar ik wou toch liever, dat de vrouw gekomen was, om mij mijn avondvoer te brengen.”
De jongen bracht nu de ganzen in de schuur, die heel groot was, en zette ze in een leeg hok, waar ze oogenblikkelijk insliepen. Voor zichzelf maakte hij een bedje van stroo, en verwachtte, dat hij ook gauw in slaap zou vallen. Maar hier kwam niets van, want de arme koe, die nog geen avondvoer had gehad, hield zich geen oogenblik stil. Ze trok aan haar halster, schoof heen en weer in haar stal, en klaagde over den honger. De jongen kon geen oog dicht doen, maar lag wakker, en liet alles aan zich voorbijgaan, wat hem de laatste dagen was overkomen.
Hij dacht aan Asa, ’t kleine ganzenhoedstertje, en kleine Mads, die hij zoo onverwacht had ontmoet, en hij dacht er over, dat het hutje, dat hij in brand gestoken had, hun oud huis in Smaland moest zijn. Hij herinnerde zich immers wel, dat ze juist over zoo’n hutje hadden gesproken, en over de groote hei, die er omheen lag. Nu waren zij gekomen om hun huisje weer te zien, en toen ze er bij kwamen, sloegen de vlammen er uit. Dat was wel een groot verdriet, dat hij hun gedaan had, en dat speet hem heel erg. Als hij ooit weer een mensch werd, zou hij de schade en de teleurstelling kunnen vergoeden.
Toen dacht hij weer aan de kraaien, en als hij aan Haspel dacht, die hem had gered, en den dood had gevonden, zoo kort nadat hij als aanvoerder was gekozen, werd hij zóó bedroefd, dat hij de tranen in de oogen kreeg.
Hij had het wel heel moeilijk gehad de laatste dagen. Maar toch was ’t een groot geluk geweest, dat de ganzerik en Donsje hem gevonden hadden.
De ganzerik had hem verteld, dat de wilde ganzen, zoodra ze gemerkt hadden, dat Duimelot verdwenen was, bij de kleinedieren in ’t bosch naar hem hadden gevraagd. Ze hadden al gauw gehoord, dat een troep kraaien uit Smaland hem hadden meêgenomen. Om den jongen zoo gauw mogelijk te vinden, had Akka bevolen, dat de ganzen twee aan twee verschillende kanten uit zouden vliegen, om hem te zoeken. Maar nadat ze drie dagen hadden gezocht, moesten zij—of ze hem hadden gevonden of niet,—bij elkaar komen in Noord-west Smaland op een hoogen bergtop, die op een afgehouwen toren leek, en Taberg heette. En toen Akka hun de beste aanwijzingen had gegeven om den weg te vinden, en nauwkeurig beschreven, hoe zij Taberg zouden herkennen, gingen zij uiteen.
De witte ganzerik had Donsje uitgekozen als reisgezel, en ze hadden hier en daar rondgevlogen in de grootste onrust over Duimelot. Onder dat rondzwerven hadden ze een lijster gehoord, die, in een boomtop gezeten, riep en bromde over iemand, die zich “kraaienroof” had genoemd en hem voor den gek gehouden. Ze hadden met de lijster een gesprek aangeknoopt, en hij had hun gezegd, welken kant die kraaienroof was uitgegaan. Later hadden ze een doffer, een spreeuw en een eend ontmoet, alle klagend over een booswicht, die hen in hun gezang had gestoord, en “door de kraai gestolen,” “kraaienvangst” en “kraaienroof” geheeten had. Op die manier hadden zij Duimelot’s spoor gevonden, tot bij de heide van Sunnerbo.
Zoodra de ganzerik en Donsje Duimelot hadden gevonden, vlogen zij naar het noorden om naar Taberg te komen. Maar ze waren daar ver vandaan, en het donker was hen overvallen, eer ze den bergtop in het gezicht kregen.
“Als wij er morgen maar komen, zijn al onze zorgen voorbij,” dacht de jongen, en kroop diep onder het stroo om wat warmer te worden.
De koe had al dien tijd leven gemaakt in den stal. Nu begon zij op eens tegen den jongen te praten.
“Ik meende, dat een van hen, die hier binnenkwamen, vertelde, dat hij een kabouter was. Als dat zoo is, dan weet hij zeker wel, hoe hij een koe moet behandelen.”
“Wat scheelt je dan?” vroeg de jongen.
“Mij scheelt van alles,” zei de koe. “Ik ben niet gemolken en niet verzorgd. Ik heb geen nachtvoer in mijn krib gekregen en geen versch stroo onder me. De vrouw kwam hier om me te helpen, zooals gewoonlijk, maar ze was zoo ziek, dat ze dadelijk weer naar binnen moest gaan, en ze is niet meer terug gekomen.”
“’t Is toch akelig, dat ik zoo klein en zwak ben,” zei de jongen. “Ik geloof niet, dat ik je helpen kan.”
“Je moet me niet wijsmaken, dat je zwak ben, omdat je kleinbent,” zei de koe. “Alle kabouters, waar ik van heb hooren spreken,waren zoo sterk, dat ze een voer hooi konden trekken en een koe met één vuistslag doodslaan.”
De jongen kon niet laten te lachen. “Dat waren zeker andere kabouters dan ik,” zei hij. “Maar ik zal je halster losmaken en de deur voor je opendoen, dan kun je naar buiten gaan en uit een van de plassen op de hoeve drinken, en dan zal ik probeeren op den hooizolder te klimmen en hooi in je krib te gooien.”
“Ja, dat zou altijd wel wat helpen,” zei de koe.
De jongen deed, zooals hij gezegd had, en toen de koe met een gevulde krib voor zich stond, meende hij eindelijk te kunnen slapen. Maar pas was hij in zijn bed gekropen, of de koe begon weer te praten:
“Je zult me wel heel vervelend vinden, als ik je nu weer wat vraag,” zei de koe.
“Neen, dat zal ik niet, als ’t maar iets is, wat ik doen kan,” zei de jongen.
“Dan zou ik je willen vragen in de kamer te gaan, en te zien, hoe het met de vrouw is. Ik ben zoo bang, dat haar een ongeluk overkomen is.”
“Neen, dat kan ik niet doen,” zei de jongen. “Ik durf me niet aan menschen te vertoonen.”
“Je kunt toch niet bang zijn voor een zieke, oude vrouw,” zei de koe. “Maar je hoeft ook niet in de kamer te gaan. Ga maar buiten de deur staan, en kijk door een kier.”
“Ja, als je niets anders van me verlangt, dan kan ik dat wel doen,” zei de jongen.
Toen deed hij de schuurdeur open, en ging de plaats op. ’t Was een vreeselijke nacht. Maan of sterren waren niet te zien, de wind huilde, en de regen stroomde neer. Maar het ergste was, dat zeven groote uilen op een rij op het dak van het woonhuis zaten. ’t Was akelig ze te hooren, zooals ze daar zaten te klagen over ’t weer. En nog erger was het te denken, dat—als maar één van hen hem in ’t oog kreeg, het met hem gedaan zou zijn.
“Die arme kleintjes,” zei de jongen, toen hij op de plaats kwam. En dat mocht hij wel zeggen. Hij woei twee keer om, eer hij bij het woonhuis was, en eens gooide de wind hem in een plas, die zoo diep was, dat hij bijna verdronk. Maar hij kwam er toch.
Hij klauterde een paar treden van de stoep op, kroop over een drempel, en kwam in de gang. De kamerdeur was dicht, maar in den eenen hoek was een gat voor de kat om er uit en in te gaan. ’t Was dus voor den jongen niet moeilijk te zien, hoe het in de kamer gesteld was.Nauwelijkshad hij er even in gekeken, of hij trok verschrikt het hoofd weer terug. Een oudevrouw met grijs haar lag daar binnen op den vloer uitgestrekt. Ze bewoog zich niet, en klaagde niet, en haar gezicht was zoo wonderlijk wit. Het was, alsof eenonzichtbaremaan er een bleek licht over liet vallen.
De jongen herinnerde zich, dat toen zijn grootvader stierf, zijn gezicht ook zoo wonderlijk wit geworden was. En hij begreep dat het oude mensch, dat daar op den vloer in de kamer lag, dood wezen moest. De dood was zeker zoo haastig over haar gekomen, dat zij niet eens meer naar bed had kunnen gaan.
Hij werd vreeselijk bang, toen hij er aan dacht, dat hij in den donkeren nacht alleen met een doode was. Hij sprong halsoverkop de stoep af, en holde naar de schuur terug. Toen hij de koe vertelde, wat hij in de kamer gezien had, hield zij met eten op.
“O zoo! is de vrouw dood?” zei ze, “Dan is het ook gauw met mij gedaan?”
“Er zal wel iemand voor je zorgen,” zei de jongen troostend.
“Je weet niet,” zei de koe, “dat ik al ééns zoo oud ben, als een koe gewoonlijk wordt, eer ze op de slachtbank wordt gelegd. Maar ik geef er ook niet meer om, of ik leef, nu zij me niet meer kan komen verzorgen.”
Ze zei een poos lang niets meer, maar de jongen merkte wel, dat ze niet sliep en niet at. Het duurde niet lang, of ze begon weer te praten.
“Ligt ze op den grond?” vroeg ze.
“Ja, dat doet ze,” zei de jongen.
“Ze had de gewoonte in de schuur te komen,” ging de koe voort, “en over al haar zorgen te praten. Ik begreep, wat ze zei, al kon ik haar niet antwoorden. Deze laatste dagen sprak ze er telkens over, dat ze bang was, dat er niemand bij haar zou zijn, als ze stierf. Ze was er bang voor, dat niemand haar de oogen zou toedrukken, of de armen gekruist over de borst leggen, als ze dood was. Misschien wil jij dat wel gaan doen?”
De jongen aarzelde. Hij herinnerde zich, dat toen Grootvader gestorven was, Moeder hem zorgvuldig neer had gelegd. Hij wist, dat dit gebeuren moest. Maar aan den anderen kant voelde hij, dat hij in dezen griezeligen nacht niet naar de doode durfde gaan. Hij zei niet: “neen”; maar hij deed ook geen stap naar de schuurdeur.
Een oogenblik bleef de oude koe zwijgend staan, alsof ze op antwoord wachtte. Maar toen de jongen niets zei, herhaalde ze haar verzoek niet. Ze zweeg een poos, en toen begon ze over de vrouw te spreken.
Er was veel van haar te vertellen. Allereerst van al de kinderen, die ze had grootgebracht. Ze waren immers elken dag in de schuur geweest, en ’s zomers gingen ze met het vee naar ’tmoeras en langs de met boomen begroeide velden, zoodat de oude koe ze allen kende. Ze waren allen flink geweest en vroolijk en vlijtig. Een koe wist wel, of haar hoeders flinke menschen waren.
En ook was er veel van de boerderij te vertellen. Die was niet altijd zoo armoedig geweest, als ze nu was. Die was heel uitgestrekt, maar het grootste deel bestond uit moerassen en steenachtige velden. Er was niet veel plaats voor akkers, maar er waren overal uitmuntende weiden. Er was een tijd geweest, dat de stallen vol koeien stonden, en de ossenstal, die nu leeg stond, vol ossen. En in ’t huis en in de stallen woonden lust en vreugd. Als de vrouw de schuurdeur open deed, had ze geneuried en gezongen, en alle koeien hadden van genoegen geloeid, als zij haar hoorden komen.
Maar de boer was gestorven, toen de kinderen zoo klein waren, dat ze nog niet konden werken, en de vrouw had de hoeve, en al ’t werk, en de zorg moeten overnemen. Ze was sterk als een man geweest, en ze had geploegd en geoogst. ’s Avonds, als ze in den stal kwam om te melken, was ze nu en dan zóó moe, dat ze schreide. Maar als ze aan haar kinderen dacht, werd ze weer blij. Dan veegde zij de tranen uit de oogen, en zei: “Dat is niets. Ik zal ’t ook wel goed krijgen, als mijn kinderen groot worden. Ja, als ze maar eerst groot zijn!”
Maar zoodra de kinderen groot waren, kwam er een wonderlijk verlangen over hen. Zij wilden niet thuis blijven, maar ze trokken weg naar vreemde landen. Hun moeder kreeg nooit hulp van hen. Een paar van de kinderen waren getrouwd, eer ze op reis gingen, en zij hadden hun kindertjes thuis achtergelaten. En die kleintjes liepen nu met de vrouw meê door de schuur, zooals hun eigen ouders gedaan hadden. Zij hoedden de koeien, en ze werden beste, flinke menschen. En ’s avonds, als de vrouw zoo moe was, dat ze onder ’t melken bijna insliep, werd ze weer welgemoed, als ze aan hen dacht. “Ik zal ’t wel weer goed krijgen,” zei ze, en wreef zich den slaap uit de oogen, “als ze maar eerst groot zijn.”
Maar toen die kinderen groot waren, vertrokken ze naar hun ouders in ’t vreemde land. Geen van hen kwam terug, geen van hen bleef thuis. De oude vrouw bleef alleen op de hoeve achter. Zij vroeg hun ook nooit om bij haar te blijven.
“Vindje, Rödlina, dat ik hun moet vragen bij mij te blijven, als ze de wereld in kunnen gaan en het goed hebben?” placht zij te zeggen, als zij in de schuur bij de oude koe stond. “Hier in Smaland kunnen ze niet anders dan armoe verwachten.”
Maar toen haar laatste kleinkind vertrokken was, had de vrouw geen kracht meer. Ze werd op eens gebogen en grijs, en ze wankelde onder ’t loopen, alsof ze zich bijna niet meer verroeren kon. En ze werkte niet meer. Ze wilde de hoeve niet meerverzorgen, maar liet alles vervallen. Ze onderhield het huis niet meer, en ze verkocht de ossen en koeien. Het eenige, wat ze behield, was de oude koe, die nu met Duimelot stond te praten. Haar liet ze leven, omdat alle kinderen haar gekend hadden.
Zij had wel meisjes en jongens in haar dienst kunnen nemen, die haar met het werk hadden geholpen, maar ze kon geen vreemden om zich heen verdragen, nu haar eigen familieleden haar hadden verlaten. En misschien had ze maar ’t liefste, dat de hoeve achteruit ging, nu geen van de kinderen die overnemen zou. Zij gaf er niet om, of zij arm werd, doordat ze haar eigendom niet verzorgde. Maar ze was bang, dat haar kinderen zouden te weten komen, hoe moeilijk zij het had.
“Als de kinderen ’t maar niet hooren! Als de kinderen ’t maar nooit hooren!” zuchtte ze, als ze door de schuur strompelde.
De kinderen schreven dikwijls, en vroegen of ze bij hen wilde komen, maar dat wilde ze niet. Zij wilde het land niet zien, dat ze haar had afgenomen. Ze haatte het.
“’t Is wel dom van me, dat ik niet van dat land kan houden, dat zoo goed voor hen was,” zei ze. “Maar ik wil het niet zien.”
Ze dacht nooit aan iets anders, dan aan de kinderen, en dat ze waren weggegaan. Als het zomer was, bracht ze de koe naar buiten, om haar op het groote moeras te laten grazen. Zelf zat zij den heelen dag aan den kant van ’t moeras, met de handen in den schoot; en als ze naar huis ging, zei ze:“Zie je Rödlina, als hier groote, vette akkers waren in plaats van dit onvruchtbaar moeras, dan hadden ze niet hoeven weg te gaan.”
Ze kon boos op dat moeras zijn, dat zich zoo ver uitbreidde, en geen nut deed. Ze kon zitten praten, alsof dat moeras er schuld aan had, dat haar kinderen van haar waren weggegaan.
Den laatsten avond was ze zwakker geweest, en had meer gebeefd dan ooit te voren. Ze had het melken niet eens kunnen volhouden. Ze had tegen den muur geleund gestaan, en verteld, dat er twee boeren bij haar waren geweest om het moeras te koopen. Zij wilden het indijken, en dan bebouwen. Daar was ze bang en toch blij door geworden.
“Hoor je wel, Rödlina?” had ze gezegd, “hoor je, dat ze zeiden, dat er rogge op ’t moeras groeien kan? Nu zal ik de kinderen schrijven, dat ze thuis moeten komen. Nu hoeven ze niet langer weg te blijven. Nu kunnen ze hun brood hier thuis verdienen.”
Het was om dien brief te schrijven, dat ze naar huis was gegaan.
De jongen hoorde niet meer, wat de oude koe vertelde. Hij had de schuurdeur open gedaan, en was de plaats over geloopen naar de kamer met de doode, waar hij zoo pas zoo bang voor was geweest.
Eerst stond hij een poos stil rond te kijken.
De kamer zag er niet zoo armoedig uit, als hij verwacht had. Die was rijkelijk voorzien van allerlei, wat men gewoonlijk vindt bij menschen, die familie in Amerika hebben. In een hoek stond een Amerikaansche schommelstoel, op de tafel voor het venster lag een bont pluche kleed, een mooie sprei lag over het bed, aan de wanden hingen de portretten van de kinderen en kleinkinderen, in mooie uitgesneden lijsten, op de commode stonden hooge vazen en een paar kandelaars met dikke, gedraaide kaarsen.
De jongen zocht een lucifersdoos, en stak die kaarsen aan, niet omdat hij beter wilde zien, maar omdat hij dit een manier vond om de doode eer te bewijzen.
Toen ging hij naar haar toe, drukte haar oogen toe, legde haar handen gekruist over de borst, en streek het dunne grijze haar uit haar gezicht. Het kwam niet meer in hem op om bang voor haar te wezen. Hij was er zoo innig bedroefd om, dat ze haar ouderdom in eenzaamheid en verlangen had moeten doorbrengen. Nu zou hij ten minste dien nacht bij haar lijk waken.
Hij zocht in het gezangboek, en las een paar psalmen halfluid voor. Maar middenin hield hij op, hij dacht aan Vader en Moeder.
Dat wist hij niet, dat ouders zóó naar hun kinderen kunnen verlangen! Dat had hij nooit geweten. Stel je voor, dat het leven voor hen voorbij is, als de kinderen weg zijn. Stel je voor, dat ze thuis op dezelfde manier naar hem verlangden, als deze oude vrouw naar haar kinderen!
Hij werd blij bij die gedachte, maar hij durfde het niet gelooven. Hij was niet zoo geweest, dat iemand naar hem kon verlangen, maar wat hij niet geweest was, kon hij misschien worden.
Om zich heen zag hij de portretten van hen, die waren heengegaan. ’t Waren groote, sterke mannen en vrouwen met ernstige gezichten. ’t Waren bruiden in lange sluiers, en heeren in fijne kleeren, en kinderen met krulhaar en mooie witte kleertjes aan. En hij vond, dat ze allen als blinden voor zich uit keken, en niet wilden zien.
“Arme menschen!” zei de jongen tegen de portretten. “Jelui moeder is dood. Je kunt het niet meer goed maken, dat je van haar wegging. Maarmijnmoeder leeft.”
Hier hield hij even op, en glimlachte.
“Mijn moeder leeft,” zei hij. “Vader en Moeder leven allebei!”
XVI.Van Taberg naar Huskvarna.De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden, dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open, opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan, om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden en haar begraven.Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven, of ze kregen een hoogen berg in ’t oog, met bijna loodrechte wanden en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi, Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen, dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen, bruine moerassen, metijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat geschapenhad, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden, dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs en stralend helder daar lag te glanzen, alsof ’t niet met water, maar met blauw licht was gevuld.’t Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren, zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende, dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in ’t Paradijs uitzag.Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze naar dat blauwe dal. Ze waren in ’t allerbeste humeur, schreeuwden en waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder regen en wind, en toen ’t nu op eens mooi weer werd, kwam er onder de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen, dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één, die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen, hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep de vogels toe:“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over den ganzerug, en antwoordde in hun plaats:“Daarheen, waar geen houweel of hamer is!”Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.“Neem ons meê, neem ons meê!” riepen ze.“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer,en altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek van ’t Munkmeer. ’t Was juist na den middagschafttijd, en de groote scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.“Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?” riep een arbeider. De wilde ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:“Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!”Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.“Neem ons mee! Neem ons mee!” riepen ze.“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde ganzen. Zij, die het dichtst bij ’t venster zat, keek eruit met een lucifersdoosje in de hand, en riep:“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”“Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn,” riep de jongen.’t Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, maar ze antwoordde: “Neem me meê! Neem me meê!”“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen.Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak in ’t zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken voor een groote poort, waardoor men aan ’t meer komt. En midden in die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en ’t Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten ’t zelfde spektakel daar als buiten op ’t land. Maar in de stad antwoordde hun niemand. ’t Was niet te verwachten, dat destadsbewonersnaar buiten zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.De tocht ging verder langs ’t Wettermeer en na een poosje kwamen de ganzen bij ’t Sanatorium van Sanna. Eenige van dezieken waren op een veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij het ganzengekakel.“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” vroeg een van hen met zulk een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was.“Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!” antwoordde de jongen.“Neem ons mee!” zei de zieke.“Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen. “Van ’t jaar niet!”Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het dal lag de school.Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” schreeuwden de kinderen.“Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!” antwoordde de jongen.“Neem ons meê!” schreeuwden de kinderen. “Neem ons meê!”“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” riep de jongen, “maar later!”
De jongen zat bijna den heelen nacht klaar wakker, maar tegen den morgen sliep hij in, en droomde van Vader en Moeder. Hij kon ze bijna niet herkennen. Beiden hadden ze grijs haar en oude, gerimpelde gezichten gekregen. Hij vroeg waar dat van kwam, en zij antwoordden, dat ze zooveel ouder waren geworden, omdat ze zoo naar hem hadden verlangd. Hij was hierdoor bewogen en er over verbaasd, want hij had nooit anders gedacht, dan dat ze blij waren van hem af te zijn. Toen de jongen wakker werd, was de morgen aangebroken, met mooi helder weer. Hij at zelf eerst een stuk brood, dat hij in de kamer vond, gaf toen morgenvoer aan de ganzen en de koe, en deed de schuurdeur open, opdat de koe naar de naastbijliggende hoeve zou kunnen gaan. Als ze daar alleen aankwam, zouden de buren wel begrijpen, dat het slecht stond met haar eigenares. Ze zouden naar de verlaten hoeve gaan, om te zien, hoe het de oude ging, en dan zouden ze haar lijk vinden en haar begraven.
Nauwlijks hadden de jongen en de ganzen zich in de lucht verheven, of ze kregen een hoogen berg in ’t oog, met bijna loodrechte wanden en een recht afgebroken top, en ze begrepen, dat dit de Taberg moest wezen. En op den top van den Taberg stond Akka met IJksi en Kaksi, Kolme en Nelja, Viisi en Kuusi en alle zes de kleine gansjes hen op te wachten. Dat was me een blijdschap, en een gekakel, en een fladderen en roepen, dat niet te beschrijven was, toen zij zagen, dat het den ganzerik en Donsje gelukt was Duimelot te vinden.
Langs de zijden van den Taberg groeide tamelijk hoog hout, maar boven op was de top kaal, en van daar kon men naar alle kanten uitzien. Keek men naar het oosten, het zuiden en het westen, dan was er bijna niets anders te zien, dan een armoedig hoogland, met donkere dennenbosschen, bruine moerassen, metijs bedekte meren, en blauwe bergtoppen. De jongen kon niet laten te denken, dat het waar was, dat hij, die dat geschapenhad, zich niet veel moeite had gegeven bij zijn werk, maar het in haast had uitgehouwen. Keek men daarentegen naar het noorden, dan was het iets heel anders. Hier zag het toen eruit, alsof het met de grootste liefde en zorg was gevormd. Naar dien kant kwamen louter mooie bergen te voorschijn, zacht glooiende dalen, en kronkelende stroomen, heel tot aan het groote Wettermeer toe, dat vrij van ijs en stralend helder daar lag te glanzen, alsof ’t niet met water, maar met blauw licht was gevuld.
’t Was juist dat Wettermeer, dat het uitzicht naar het Noorden zoo mooi maakte, omdat het scheen, alsof een blauwe schijn uit het meer was opgestegen, en zich ook over het land had uitgespreid. Bosschen en heuvels, daken en torenspitsen in Jönköping, die flauw te zien waren aan de oevers van het Wettermeer, lagen in een lichtblauwen gloed gehuld, dat het oog streelde. Als er landen in den hemel waren, zouden ze ook wel zoo blauw zijn, dacht de jongen, en hij meende, dat hij er nu een indruk van had, hoe het er in ’t Paradijs uitzag.
Toen de ganzen verder op den dag hun reis voortzetten, vlogen ze naar dat blauwe dal. Ze waren in ’t allerbeste humeur, schreeuwden en waren rumoerig, zoodat ieder, die niet doof was, ze wel moest opmerken.
Nu was het toevallig de eerste echt mooie lentedag, dien men in die streek gehad had. Tot nu toe had de lente haar werk verricht onder regen en wind, en toen ’t nu op eens mooi weer werd, kwam er onder de menschen zulk een verlangen naar zomerwarmte en groene bosschen, dat ze moeite hadden aan hun werk te blijven. En als de wilde ganzen vrij en vroolijk hoog in de lucht voorbijvlogen, was er niet één, die niet ophield met wat hij deed, en ze nazag.
De eerste, die de wilde ganzen dien dag zagen, waren de mijnwerkers op Taberg, die erts braken uit den bergwand. Toen ze hen hoorden kakelen, hielden ze op met het boren van hun loopgraven, en een van hen riep de vogels toe:
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”
De ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen boog zich over den ganzerug, en antwoordde in hun plaats:
“Daarheen, waar geen houweel of hamer is!”
Toen de mijnwerkers die woorden hoorden, meenden ze, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.
“Neem ons meê, neem ons meê!” riepen ze.
“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.
De wilde ganzen vlogen langs de Tabergbeek naar het Munkmeer,en altijd door maakten ze hetzelfde spektakel. Hier op de smalle strook land tusschen het Munkmeer en het Wettermeer lag Jönköping met zijn groote fabrieken. De wilde ganzen vlogen eerst over de papierfabriek van ’t Munkmeer. ’t Was juist na den middagschafttijd, en de groote scharen arbeiders stroomden naar de fabriekspoort. Toen zij de wilde ganzen hoorden, bleven ze een oogenblik staan om te luisteren.
“Waar ga jelui heen? waar ga jelui heen?” riep een arbeider. De wilde ganzen begrepen niet, wat hij zei, maar de jongen antwoordde voor hen:
“Daarheen, waar noch machines, noch stoomketels zijn!”
Toen de arbeiders dat antwoord hoorden, meenden zij, dat het hun eigen verlangen was, dat door het ganzengekakel heen klonk in menschentaal.
“Neem ons mee! Neem ons mee!” riepen ze.
“Van ’t jaar niet, van ’t jaar niet!” riep de jongen.
Daarna vlogen de ganzen over de wijdberoemde lucifersfabriek, die aan den oever van het Wettermeer ligt, groot als een vesting, en haar hooge schoorsteenen naar den hemel opsteekt. Geen mensch bewoog zich op de binnenplaatsen, maar in de groote zaal zaten jonge arbeidsters de lucifersdoosjes te vullen. Zij hadden een venster open, omdat het zulk mooi weer was, en daardoor hoorden zij het gekakel van de wilde ganzen. Zij, die het dichtst bij ’t venster zat, keek eruit met een lucifersdoosje in de hand, en riep:
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?”
“Naar dat land, waar geen kaarsen of lucifers noodig zijn,” riep de jongen.
’t Meisje meende wel, dat wat ze gehoord had, enkel ganzengekakel was, maar ze antwoordde: “Neem me meê! Neem me meê!”
“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen.
Ten oosten van de fabrieken verheft Jönköping zich op de heerlijkste plek, waar een stad maar kan liggen. Het smalle Wettermeer heeft hooge, steile, zandige oevers ten oosten en ten westen, maar vlak in ’t zuiden zijn de zandmuren uitgebroken, als om plaats te maken voor een groote poort, waardoor men aan ’t meer komt. En midden in die poort, met bergen links en rechts, met het Munkmeer achter en ’t Wettermeer voor zich, ligt Jönköping.
De ganzen vlogen over de lange smalle stad, en maakten ’t zelfde spektakel daar als buiten op ’t land. Maar in de stad antwoordde hun niemand. ’t Was niet te verwachten, dat destadsbewonersnaar buiten zouden komen om de wilde ganzen na te roepen.
De tocht ging verder langs ’t Wettermeer en na een poosje kwamen de ganzen bij ’t Sanatorium van Sanna. Eenige van dezieken waren op een veranda gegaan, om van de lentelucht te genieten, en zoo hoorden zij het ganzengekakel.
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” vroeg een van hen met zulk een zwakke stem, dat het nauwlijks hoorbaar was.
“Naar het land, waar geen verdriet of ziekte is!” antwoordde de jongen.
“Neem ons mee!” zei de zieke.
“Van ’t jaar niet!” antwoordde de jongen. “Van ’t jaar niet!”
Toen ze nog een eind verder gevlogen waren, kwamen zij aan Huskvarna. Dat lag in een dal. De bergen stonden steil en fraai gevormd daarom heen. Een beek kwam van een hoogte naar beneden in lange smalle watervallen. Groote werkplaatsen en fabrieken lagen beneden aan de bergwanden; over den bodem van het dal lagen de arbeiderswoningen verspreid, door tuinen als bonte tapijten omgeven, en midden in het dal lag de school.
Juist toen de wilde ganzen aan kwamen vliegen, luidde een klok, en een menigte kinderen marcheerden naar buiten, rij aan rij. Er waren er zooveel, dat het heele schoolplein vol werd.
“Waar ga jelui heen? Waar ga jelui heen?” schreeuwden de kinderen.
“Daarheen, waar geen boeken of lessen zijn!” antwoordde de jongen.
“Neem ons meê!” schreeuwden de kinderen. “Neem ons meê!”
“Van ’t jaar niet! Van ’t jaar niet!” riep de jongen, “maar later!”
XVII.Een geschiedenis uit Halland.Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend roepen werd meer gehoord. En de jongenzat, in herinneringen verdiept, op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde, waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden kunnen maken.Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed, op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder, maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op een opengehakte plaats in ’t bosch gelegen, en de boomen hadden er om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt, en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steedsverder uitbreiden en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden, en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee, en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt, de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte, beneden aan het strand. Onder ’t gras lag fijn, licht zeezand. Dat bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes, die tot ’t allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag, dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor ’t eerst zagen, vonden ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.’t Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en winderig. ’t Koren kon niet groeien; ’t verdorde en verschrompelde. De aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm heele groote velden om meê te spelen. In de stadBrendanezaten de boeren en zagen, hoe hij de zandmassa’s oplichtte, ze naar den hemel deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes, die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó, dat er geen grassprietje groeien kon.En ’t was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam geen eind aan den last, dien het gaf. ’t Lag in hoopen op den drempel in den morgen, als men de huisdeur open deed; ’t striemde de menschen in ’t gezicht, als ze uitgingen, ’t stoof door den schoorsteen en viel in het eten, en ’t lag in zulke dikke lagen op wegen en paden, dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. ’t Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen; hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren, dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog een spa konden opheffen om het weg te graven. En ’t was geen lichte strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde, hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden, die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog bij machte, stand te houden.Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was nietouder dan vijftien jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het, die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde, dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld, zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden, en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger, zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht: griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou, dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo’n pleizier, dat ze soms slap van lachen waren.Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte niet.De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen, en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat kon hij niet over zich verkrijgen.“Is hij niet een Tater?” vroeg hij.“Hij!” antwoordde de moeder. “Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar.”“Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest.”“Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen,” zei de moeder, en scheen verdrietig te zijn.De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen, en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in ééndag meer deed, dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al ’t werk ging onder scherts en gebabbel. ’t Was niet te ontkennen, dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.“Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien,” zei Jan.De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over, maar gaf hem meteen een wenk.Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig weer neer.“Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,” zei hij. “Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden.”Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij, dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond, maar op eens had hij ’t hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over de snaren. ’t Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten, maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren, overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op, en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden: een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopenvodden schenen geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen, en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest, en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en kleeren moeten geven, zoodat—toen ze eindelijk weg waren,—het huis als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest, nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen, maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende vagebondenstemmen herinnerde.Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar zijn moeder zat te spinnen.“Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is,” zei hij.De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.“Neen, wat zeg je!” antwoordde zij. “Dat is een wonderlijk nieuwtje!”Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.“Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun.”“’t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken,” zei de moeder, en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.“Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan.”“En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu ook zelf een Tater moet zijn,” zei de moeder op den meest onbezorgden toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden.“Gelooft u het dan ook niet?” vroeg de jongen.Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.“Moet u hem nu niet wegsturen?” vroeg hij weer, want hij had altijd gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst.“Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had,” zei hij. “Ik dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog over ons komen.”Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over de Taters te spreken.“Onthoud nu wat ik je zeg,” zei hij, “en vergeet dat nooit! Je moet er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van wilden in zich, zoodat ze ’t niet kunnen uithouden onder een dak te wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude dingen oplappen en opknappen.”Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar en dreigend geklonken.“Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij, maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze lijken ook daarin op ’t heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen, en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons, boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden; maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen, maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende over allen, die op hen vertrouwd hebben.”Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.“’t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt,” drong hij nog eens aan.Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd diep in de oogen:“Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is,” zei ze. “Ik ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en zullen aanteekenen.”Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu ’t meest pijn deed, was, dat hij buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had, zonder te vragen, wat hij er van dacht.“Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer te zeggen,” barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.“Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben,” zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om afscheid te nemen. “Voor mij blijft niet anders over dan weer langs den weg te zwerven.”“Je hoeft je aan Sigurd niet te storen,” zei de huismoeder. “Ik heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan te teekenen.”“Daar kunnen we niet aan denken,” zei de knecht. Hij zonk op een bank neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. “Het helpt niet, of je al probeert er uit te komen,” zei hij. “Je kunt je uiterste best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels vertinnen.”Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.“Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan,” zei ze. “Ik geloof, dat Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is om op je te vertrouwen.”“Neen, dat kun je niet verlangen,” zei de knecht.“Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen,” ging de huismoeder voort.“Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil,” antwoordde Jan. “De hoeve is toch van hem, en ’t zou maar verwijdering geven tusschen hem en u, als ik bleef.”Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet een heel ander mensch was dan al de andere.Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze ruimte vol ongeluk overzag.Toen verbrak de moeder de stilte.“Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons had kunnen blijven,” zei ze. “En ik wil niet, dat je weer in ellende zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat.”“Dat moogt u nooit doen,” riep de knecht dadelijk. “Zoudt u als de vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer is geweest!”“Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt blijven.”“Neen, dat doe ik nooit,” barstte de knecht uit. “Ik dank u, omdat u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!”Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was, en hij was hard en wantrouwend.Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.“Goeden dag dan, Sigurd!” zei hij. “Je moet niet denken, dat ik boos op je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons.”Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit te barsten.Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching, en hij schreide luid.Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. ’t Was alsof hij iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan overgedragen te hebben.’t Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals het plan was. ’t Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig, hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop lag een dunne korst vruchtbare aarde daarondereen laag zeezand, en daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder ’t werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand, en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.“Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!” barstte hij uit.“Wat heb je dan gevonden?” vroeg Sigurd.“Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben,” antwoordde de Tater.Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.“Je moet boven komen, en mij helpen, Jan,” zei ze.Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen, dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in ’t gezicht, de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans gezicht somber werd.“Kun je ze niet wegjagen, Jan?” vroeg de huismoeder bekommerd.“Dat gaat niet best,” zei Jan lachend. “’t Zijn Vader en Moeder, en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe ’t me gaat.”Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand, die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij, dat hij allerlei dwaasheden beging.Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde jonge goed.’t Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan vioolspelen. ’t Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen, en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken, en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en zorgeloozer hij zich voelde. ’t Was, alsof hij nu voor ’t allereerst begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn.’t Had hem altijd gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,—hij, evenals zijn voorvaderen,—dat hij de hoeve moest zien in stand te houden,—hij, evenals zij—maar omdat je eens een enkelen keer blij was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den rijksten boer in de gemeente. ’t Was een verzoek, of Jan hem wou komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen, maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos, en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken, meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking, dat het leven zóó heerlijk kon zijn.’t Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken, weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk gegaan was.De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. ’t Was alsof dit opeens zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het beheer van Jan, den Tater. ’t Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In ’t voorjaar had Jan in ’t kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild.Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen, en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.Plotseling hield Jan met spelen op.“Zeg me nu één ding, Sigurd,” zei hij met ongewoon vriendelijke stem. “Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?”Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.“Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen,” zei Jan.Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat Jan en hij zouden scheiden.“Neen, ik wil liever, dat je hier blijft,” zei hij.“Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel gaat,” zei Jan, “want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend.”Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in de schuur.Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor ’t vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor de reis.“Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten,” dacht hij. “Al zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe.”Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden, zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen en hen nietachterna te vliegen.Op dat zelfde oogenblik keerde Jan zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was Sigurd bij den wagen en er boven op.Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den weg. Sigurds moeder ging dan naar ’t huis, en bedelde om eten en koren, en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden, maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in ’t Zuiden in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen, en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna trokken zij er weer op uit.Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest, te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag, toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:“Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. ’t Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden.”“De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker weggegaan, en hebben ’t land aan zijn lot overgelaten,” antwoordde Sigurd bitter.“Denk je dat?” zei Jan heftig. “Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar huis kunt gaan en ’t zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier.”“Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken,” zei Sigurd weer. “Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt.”Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam, schopte hij het om met zijn voet.“Wat doe je daar?” vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd, en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.“Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere ook om te schoppen.”“Wat zou je daar nu aan hebben?” vroeg Sigurd.“Ik weet niet hoe het komt,” zei Jan, “maar in de landen, waar groote, kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen wij het op den duur niet uithouden.”“Dat kan wel wezen,” zei Sigurd “maar je zult toch dat denneboompje weer in den grond zetten.”Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar voor zich uit te kijken.“Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt, als ik meerderjarig word!” schreeuwde Sigurd.Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht, maar hij zei niets.Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd, nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt, en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op een feest moest spelen bij den dans.“Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen.”Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs den weg stond. Vroeger had hijzichzelfprobeeren wijs te maken, dat hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig werd, maar nu voelde hij, dat hij er geenkracht toe had. De heele hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij, en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te verspillen aan een hopelooze zaak?Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten, of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil, en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. ’t Was een nieuw paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed, werd gevangen genomen als paardendief.Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest, en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn zaak behandeld werd.’t Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan, die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.“Jan is hier gekomen om mij te helpen,” dacht hij, want hij wist, dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag, dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij met het gestolen paard was komen aanrijden.Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor, dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien, dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep,dat hij tot verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en ’t hem duidelijk geworden was, dat hij in ’t diepst van zijn ziel valsch en hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel, omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op ’t zelfde oogenblik, dat hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was geweest, en hij schrikte daar hevig van.Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht, trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan, of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde, en ’t werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij ’s winters naar Skaane trok, als dorscher, en in ’t voorjaar kwam hij weer thuis met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hijzichzelfhad opgelegd te doen.Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden, raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote, rijke hoeve.Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd, dat hij goud had gevonden.“Hij wist dat van den mergel,” dacht Sigurd. “Hij heeft hetaldoor geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis blijven en ons allen rijk maken.”Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken en handelen, zooals hij had behooren te doen.
Tegen zonsondergang werden de ganzen moe en stil. Geen schertsend roepen werd meer gehoord. En de jongenzat, in herinneringen verdiept, op den rug van den ganzerik. Hij dacht aan een avond in Zuid-Halland.
De wilde ganzen waren neergedaald op akkers, die daar even uitgestrekt en goed bewerkt waren als in Skaane, en toen hoorde hij hoe een Hallander aan een man uit Skaane de volgende geschiedenis vertelde, waaruit hij zou kunnen zien met hoeveel moeilijkheden de Hallanders te strijden hadden, eer zij hun land tot een welgesteld land hadden kunnen maken.
Voor ongeveer honderd jaar lag in Zuid-Halland een oud landgoed, op een eenzame plaats, dicht bij de kust. Dat was met kleine, lage en ouderwetsche huizen bebouwd, met donkergrauwe rieten daken, en de groote kamer was zoo stokoud, dat ze dakvensters had.
Het landgoed heette Brendane. Er hoorden groote landerijen onder, maar alleen de naaste omgeving van de huizen kon bebouwd worden. Het andere gedeelte bestond uit onvruchtbaar stuifzand. Ouden van dagen wisten te vertellen, dat om dat eenzame landgoed vroeger een heele stad moest hebben gelegen. Dat was in den tijd geweest, toen er nog veel bosschen in Halland waren, toen er zich geweldig groote wouden van eiken en beuken van de kust af tot heel aan de grens van Smaland uitstrekten. In die dagen had de stad met haar landerijen op een opengehakte plaats in ’t bosch gelegen, en de boomen hadden er om heen gestaan en haar beschut. Maar toen was het bosch omgehakt, en niet alleen dat, wat het dichtste bij stond, maar de bosschen in de heele streek, ja in heel Halland waren vernield.
Men zei, dat de boeren in Brendane er eerst blij om waren, dat ze van dat bosch af waren. Nu konden zij hun akkers steedsverder uitbreiden en hun vee laten weiden op open velden, waar het gemakkelijk kon worden gehoed. Dezen en genen klaagden er wel over, dat het nooit meer stil weer was, nu de boomen niet langer den wind tegenhielden, en anderen jammerden er over, dat ze heel naar Smaland om brandhout moesten. Maar toch was er niemand, die in ernst ontevreden was. Niemand dacht, dat het gevaarlijk kon zijn, dat het bosch weg was.
Maar de stad Brendane lag, zooals hierboven gezegd is, vlak bij de zee, en de groote akkers strekten zich tot heel bij het water uit. En nu wordt er verteld, dat eenige jaren, nadat het bosch was omgehakt, de storm op een herfstdag een paar verdorde grasbosjes losrukte, beneden aan het strand. Onder ’t gras lag fijn, licht zeezand. Dat bestond bijna uit niets anders dan mosselschelpen en slakkenhuisjes, die tot ’t allerfijnste stof waren gemalen in den grooten molen van de zee. En ze werden door den wind opgenomen en begonnen rond te stuiven. Van dat oogenblik was het, alsof de wind het strand niet meer met rust kon laten. De grasbosjes droogden uit, nu het bosch de vocht niet meer vasthield, en ze werden, het eene na het andere door den wind weggerukt. Op die manier kwam er steeds meer zand voor den dag, dat meê ging met den storm. Het stoof op in de lucht, danste een poos rond, en viel neer in harde, witte wolken, ongeveer als fijne sneeuw.
Toen de boeren in Brendane dat spelletje voor ’t eerst zagen, vonden ze daar geen kwaad in. Maar het volgend voorjaar merkten ze, dat de akkers, die het dichtst bij de zee lagen, met zand waren bedekt.
’t Was maar een dun laagje zand, en het scheen aan de vruchtbaarheid niet erg te hinderen. Maar die heele zomer werd buitengewoon droog en winderig. ’t Koren kon niet groeien; ’t verdorde en verschrompelde. De aarde lag onder de planten, droog als zwam, en iederen dag dreef de wind heele wolken omhoog, en voerde ze weg. Maar onder die dunne aardlaag lag weer dat lichte zeezand, fijn als meel, klaar om met den wind rond te dansen. En toen de zomer voorbij was, had de storm heele groote velden om meê te spelen. In de stadBrendanezaten de boeren en zagen, hoe hij de zandmassa’s oplichtte, ze naar den hemel deed stuiven, ze rondwervelde en neergooide in hoopen en bergjes, die hij den anderen dag weer verplaatste en vervormde.
Elk jaar verzandde de wind meer velden, en de boeren kregen telkens minder grond te bebouwen. Ze streden wel met het zand; ze zetten schuttingen, en maakten dijken, maar niets scheen te helpen. Als ze ploegden en egden, was het alsof ze den wind hielpen het zand op te zweepen, en als zij den grond met rust lieten, verzandde die zóó, dat er geen grassprietje groeien kon.
En ’t was niet genoeg, dat het stuifzand de akkers bedierf; er kwam geen eind aan den last, dien het gaf. ’t Lag in hoopen op den drempel in den morgen, als men de huisdeur open deed; ’t striemde de menschen in ’t gezicht, als ze uitgingen, ’t stoof door den schoorsteen en viel in het eten, en ’t lag in zulke dikke lagen op wegen en paden, dat het rijden en loopen vreeselijk vermoeiend werd.
Spoedig konden de stadsbewoners het niet meer uithouden. Na een paar jaar braken een paar van hen hun huizen af, en bouwden ze verder op het land weer op. Ieder voorjaar verhuisden er zoo eenigen, en eindelijk bleef er maar één hoeve over van de heele stad. Nu verwachtte men natuurlijk, dat ook die hoeve niet lang midden in de velden met stuifzand zou blijven staan. Maar dat deed ze toch. De boer, die de hoeve bezat, was een van die menschen, die zich niet laten wegjagen. ’t Was niet, omdat hij de streek zoo liefhad, dat hij nergens anders zou kunnen aarden, dat hij niet van woonplaats wilde veranderen. Maar hij kon niet verdragen, dat hij gedwongen zou worden te verhuizen; hij wilde liever blijven, waar hij was, en het zand bestrijden.
Later ging het zoo, dat zijn zoon en allen, die na hem in het bezit van den tuin kwamen, denzelfden aard hadden. Ze wilden er niet van hooren, dat het zand hen zou dwingen de hoeve te verplaatsen, zoolang zij nog een spa konden opheffen om het weg te graven. En ’t was geen lichte strijd, dien zij te voeren hadden, vooral omdat niemand hun leerde, hoe zij dien voeren moesten. Niemand zei hun, hoe zij het zand moesten vastmaken, zoodat het stil bleef liggen. Zij vergenoegden zich met het zetten van omheiningen om de akkers heen, die het dichtst bij het woonhuis lagen, om ten minste die te kunnen bewaren.
De menschen daar bekommerden er zich niet om, dat zij ter wille van hun hardnekkigheid in armoede moesten leven. Zij stelden boven alles hun onwil om zich te laten verdrijven. In plaats van de groote kudden, die ze vroeger bezaten, hadden ze nog maar een paar koeien en een enkel paard. Maar zoolang ze die onderhouden konden, waren ze nog bij machte, stand te houden.
Wat hen steunde was het gevoel, dat zij in aanzien stegen door den strijd, dien ze voerden. De menschen vonden het flink, dat ze zich niet lieten verdrijven, en als de boer van Brendane zich op een volksbijeenkomst vertoonde, waren er altijd, die omkeken om den man te zien, die de kracht had het in het stuifzand vol te houden.
Maar honderd jaar geleden, toen de strijd tusschen het zand en de menschen op zijn hoogst was, scheen het op eens, alsof het zand het zou winnen. De boer van Brendane stierf plotseling in de kracht van zijn leven, en de zoon, dien hij naliet, was nietouder dan vijftien jaar, en kwam onder voogdij van zijn moeder. Dus nu was zij het, die den strijd tegen het zand moest voortzetten, en hoewel zij zich tot dien tijd toe goed had gehouden, was er niemand, die geloofde, dat ze volharding genoeg zou hebben, om tegen zulk een vijand te strijden. De zoon heette Sigurd. Hij leek op zijn moeder, die blond en mooi was. Hij scheen opgeruimd te zijn van aard, evenals zij, maar zoo lang zijn vader leefde, had deze al zijn bekommeringen met hem gedeeld, zoodat hij wel wat heel gedrukt was geworden en te ernstig voor zijn leeftijd. Hij kon het goed met zijn moeder vinden. Zij waren het er over eens, dat zij zouden probeeren het op Brendane uit te houden, en zich niet minder te toonen dan de vorige eigenaars.
Toen de boer van Brendane een jaar dood was, kwam er een nieuwe knecht op de hoeve. Sigurd had hem niet gezien, voor hij in den herfst kwam. De huismoeder had hem op een bruiloft ontmoet, in den afgeloopen zomer, en zij had hem dadelijk gehuurd, zonder er met haar zoon over te spreken. De knecht heette Jan, hij was lang en tenger, zag bleek, en had sterk rood haar, en zwarte oogen. De moeder ontving hem bizonder vriendelijk. Toen hij kwam, was er groot feest aangericht: griesmeelkoek, versch brood, verschgekarnde boter, kaas, worst en brandewijn. Er lag een wit tafellaken op tafel, als op feestdagen. De jongen at akelig veel, en Sigurd vond het vreemd, dat hij toonen wou, dat hij hongerig op de hoeve kwam. Onder den maaltijd en daarna sprak hij onophoudelijk; zijn mond stond geen oogenblik stil. Hij was heel grappig, en de moeder en de dienstboden hadden allen zoo’n pleizier, dat ze soms slap van lachen waren.
Sigurd keek hem aanhoudend aan, dien heelen avond, maar hij lachte niet.
De knecht ging een oogenblik in den stal om het paard te verzorgen, en dat nam de moeder waar, om Sigurd te vragen, hoe hij den nieuwaangekomene vond. Sigurd wist, dat zijn moeder heel blij zou zijn, als hij antwoordde, dat hij met hem was ingenomen, maar dat kon hij niet over zich verkrijgen.
“Is hij niet een Tater?” vroeg hij.
“Hij!” antwoordde de moeder. “Waarom zou hij een Tater zijn? Weet je niet, dat de Taters donker zijn? En deze heeft immers rood haar.”
“Ja, maar hij heeft zilveren knoopen aan zijn vest.”
“Dat kan hij toch wel hebben, zonder een Tater te wezen,” zei de moeder, en scheen verdrietig te zijn.
De volgende dagen was Sigurd veel met den nieuwen knecht samen, en wat hij ook van zijn afkomst dacht, hij kon niet ontkennen, dat hij goed werkte. Hij was zoo flink, dat hij in ééndag meer deed, dan de vorige knecht in vier. En hij was zoo gewillig, dat hij meer werk verrichtte, dan men van hem verwachtte. Niet alleen hakte hij brandhout klein in de schuur, maar hij bracht het ook in huis. Er was een luik in de schuur, dat jaren lang scheef aan een scharnier had gehangen, zonder dat iemand er op gelet had, maar nu werd het in orde gemaakt. Hij smeerde oude roestige sloten, zette ringen om het brouwvat, en stopte zorgvuldig de gaten in de schuttingen. En al ’t werk ging onder scherts en gebabbel. ’t Was niet te ontkennen, dat het veel gezelliger in huis was geworden, sinds hij gekomen was.
Er stond een oude koffieketel op een plank in de groote kamer in Brendane, die al jaren lang niet gebruikt had kunnen worden. Op een dag vroeg Sigurd aan Jan, of hij dien niet in orde kon maken.
“Ja, dat denk ik wel; laat hem mij maar eens zien,” zei Jan.
De huismoeder nam den ketel van de plank, en reikte dien Jan over, maar gaf hem meteen een wenk.
Jan nam den deksel van den ketel, keek er in, en zette hem haastig weer neer.
“Dien moeten we laten maken, als er eens Taters voorbij komen,” zei hij. “Er mankeert niets aan, dan dat hij vertind moet worden.”
Sigurd voelde een groote verlichting bij die woorden van Jan. Hij wist, dat alle Taters ketels en pannen konden vertinnen, en als Jan die kunst niet verstond, was hij zeker geen Tater. De jongen had niet kunnen laten zich aan den knecht te hechten, en hij was blij, dat Jan geen Tater was, zoodat hij op de hoeve kon blijven.
Maar een paar dagen later werd Sigurd weer ongerust, want toen begon Jan viool te spelen. De huismoeder had er over gesproken, hoe vaak en hoe mooi zij in haar jeugd viool had hooren spelen. En toen had Jan zijn viool gehaald, en was begonnen te spelen. Eerst had hij langzaam en onzeker gespeeld, alsof hij die kunst niet goed verstond, maar op eens had hij ’t hoofd achterover gebogen, zijn oogen waren begonnen te schitteren, en de strijkstok ging met kracht en vaart over de snaren. ’t Bleek, dat hij een meesterlijk speler was. Toen hij goed aan den gang was, konden de vrouwen niet stil blijven zitten, maar begonnen te dansen. Sigurd daarentegen zat onbewegelijk, en luisterde maar. Hij had nooit te voren goed hooren spelen, en hij genoot zóó van de muziek, dat hij niet wilde dansen, maar alleen de muziek in zich opnemen. Maar terwijl hij daar zat te luisteren, overkwam hem iets vreemds. Een duistere herinnering dook in hem op, en verstoorde zijn genot. Hij zag voor zich een Tatertroep, zooals die gewoonlijk door het land trok. Ze kwamen hun hoeve binnen rijden: een paar groote wagens, die alleen met een paar hoopenvodden schenen geladen te zijn, en door ellendige, uitgehongerde paarden werden getrokken; en met de wagens kwamen lange, magere mannen, met gezichten vol schrammen en litteekens, leelijke vrouwen met geel vel, en een eindeloos aantal kinderen met zwarte oogen, die overal rondsprongen, en om alles bedelden, wat ze zagen. Vader was niet thuis geweest, en ze hadden Moeder bang gemaakt, en haar gedwongen hun alles te geven, wat ze begeerden. Ze had hun eten, brandewijn, hooi, wol en kleeren moeten geven, zoodat—toen ze eindelijk weg waren,—het huis als uitgeplunderd was. En dat alles kwam hem nu weer voor den geest, nu Jan speelde. Hij zocht zich aan die herinnering te ontworstelen, maar er was iets in die muziek, wat hem aan de schelle schreeuwende vagebondenstemmen herinnerde.
Een paar dagen later kwam Sigurd haastig in de groote kamer, waar zijn moeder zat te spinnen.
“Nu moet ik u zeggen, dat Jan toch een Tater is,” zei hij.
De moeder boog zich wat meer voorover, maar hield niet op met spinnen.
“Neen, wat zeg je!” antwoordde zij. “Dat is een wonderlijk nieuwtje!”
Er was iets in haar toon, alsof ze hem voor den gek hield.
“Daar kwam zoo pas een wagen vol Taters voorbij, toen Jan en ik op de plaats stonden. Ze riepen Jan iets toe, en hij antwoordde hun.”
“’t Is toch zeker niet verboden met Taters te spreken,” zei de moeder, en scheen niet het minste belang in dat bericht te stellen.
“Neen, maar ze riepen hem iets toe in hun eigen taal, en hij antwoordde. Ik kon er geen woord van verstaan.”
“En nu denk je zeker, dat Jan, omdat hij de Tatertaal verstaat, nu ook zelf een Tater moet zijn,” zei de moeder op den meest onbezorgden toon van de wereld, en zonder met haar werk op te houden.
“Gelooft u het dan ook niet?” vroeg de jongen.
Hij was er verbaasd over, dat de moeder dit zoo kalm opnam.
“Moet u hem nu niet wegsturen?” vroeg hij weer, want hij had altijd gehoord, dat het onmogelijk was een Tater in dienst te hebben. Hij herinnerde zich de wanhoop van zijn vader, toen de Taters er geweest waren, en hij het huis uitgeplunderd had gevonden bij zijn thuiskomst.
“Ik dacht, dat deze hoeve al genoeg te lijden had,” zei hij. “Ik dacht, dat het zand al erg genoeg was. Moeten nu de Taters ook nog over ons komen.”
Later in den avond had de vader Sigurd bij zich geroepen.
Hij had hem tusschen zijn knieën gezet, en was begonnen met hem over de Taters te spreken.
“Onthoud nu wat ik je zeg,” zei hij, “en vergeet dat nooit! Je moet er voor oppassen, dat je nooit iets met Taters te maken hebt. Want ze zijn niet als wij, en dat worden ze ook nooit. Ze hebben iets van wilden in zich, zoodat ze ’t niet kunnen uithouden onder een dak te wonen, maar vaak langs den weg moeten zwerven. Ze kunnen nooit zoo tam worden, dat ze behoorlijk werk kunnen doen, maar ze willen leven van paarden ruilen en kaartspelen, als ze niet bedelen of kleinigheden stelen. En als een Tater ooit zoo ver komt, dat hij werkt, dan zul je zien, dat hij nooit wat nieuws maakt; hij zal alleen maar oude dingen oplappen en opknappen.”
Sigurd zag zijn vader duidelijk voor zich, zooals hij was, toen hij dat zei. Hij was heel ernstig geweest, en zijn woorden hadden zwaar en dreigend geklonken.
“Onthoud nu, dat je nooit op een Tater vertrouwen moet, want ze hooren niet tot onzen stam, en ze zullen ons altijd in den steek laten! Ze zijn meer verwant met heksen en stroomgeesten dan met ons. Daarom kunnen ze beter voorspellen en vioolspelen dan wij, maar daarom kunnen ze ook nooit eerlijke christenmenschen worden. Ze lijken ook daarin op ’t heksenvolk, dat ze graag de dorpen insluipen, en vleien en zich indringen, zoodat ze in dienst komen bij ons, boeren, en met onze dochters trouwen, en zoo landeigenaars worden; maar wee de familie, die er een in huis krijgt, want vroeg of laat krijgt de hekserij macht over hen! Ze kunnen nog zoo hun best doen, maar eindelijk verknoeien en bederven ze alles, en brengen ellende over allen, die op hen vertrouwd hebben.”
Sigurd stond zwijgend naast zijn moeder, en dacht aan dit alles. Zij zweeg ook, en aarzelde met haar antwoord.
“’t Is het beste, dat u Jan zoo gauw mogelijk wegzendt,” drong hij nog eens aan.
Nu liet de moeder haar werk rusten; ze hief het hoofd op en zag Sigurd diep in de oogen:
“Het kan mij niet schelen, van wat voor stam Jan is,” zei ze. “Ik ga met hem trouwen. Aanstaanden Vrijdag gaan we naar den dominé en zullen aanteekenen.”
Sigurd werd ijskoud. Maar wat hem nu ’t meest pijn deed, was, dat hij buiten alles was gehouden, en dat zijn moeder alles al bepaald had, zonder te vragen, wat hij er van dacht.
“Als u alles al samen in orde hebt gemaakt, hoef ik ook niets meer te zeggen,” barstte hij uit, keerde zich om, en wilde de kamer uitgaan.
Maar toen hij de deur opendeed, stond hij tegenover den knecht. Jan kwam de kamer in met iets vreeselijk droevigs en sombers over zich. De meest hopelooze smart stond op zijn gezicht te lezen.
“Ik hoor, dat Sigurd mij weg wil hebben, omdat ik een Tater ben,” zei hij, en ging op de huismoeder toe met uitgestrekte hand, als om afscheid te nemen. “Voor mij blijft niet anders over dan weer langs den weg te zwerven.”
“Je hoeft je aan Sigurd niet te storen,” zei de huismoeder. “Ik heb hem gezegd, dat we van plan zijn naar den dominé te gaan om aan te teekenen.”
“Daar kunnen we niet aan denken,” zei de knecht. Hij zonk op een bank neer, alsof hij geen kracht had zich op de been te houden, keek strak naar den vloer, en sloeg met de muts tegen de hand. “Het helpt niet, of je al probeert er uit te komen,” zei hij. “Je kunt je uiterste best doen, je kunt het bloed uit je vingers werken, je wordt toch teruggestooten. Hij, die van boeren afstamt, kan nooit begrijpen, wat het zeggen wil, niets dan een vagebondenwagen te hebben geërfd. Voor mij is geen redding. Ik moet weer leven van paarden ruilen en ketels vertinnen.”
Nu kwam de huismoeder op den knecht toe.
“Ik heb gezien, hoe je je best hebt gedaan,” zei ze. “Ik geloof, dat Sigurd het ook heeft gezien. Ik denk, dat hij grootmoedig genoeg is om op je te vertrouwen.”
“Neen, dat kun je niet verlangen,” zei de knecht.
“Maar in ieder geval heb ik voorloopig te bevelen,” ging de huismoeder voort.
“Maar ik kan hier geen dag blijven tegen Sigurds wil,” antwoordde Jan. “De hoeve is toch van hem, en ’t zou maar verwijdering geven tusschen hem en u, als ik bleef.”
Er volgde een lange poos stilte, nadat Jan dit gezegd had. Sigurd begreep, dat zijn moeder nu verwachtte, dat hij Jan zou vragen te blijven, en zelf was hij zóó bewogen door zijn woorden, dat hij zéér geneigd was dat te doen. Maar toen dacht hij aan wat zijn vader van de Taters had gezegd, en hij voelde zulk een strijd en onrust in zijn hart, dat hij niets kon zeggen. Hij zou willen weten, of er ook onder de Taters niet een eerlijke, flinke man kon wezen, en of Jan niet een heel ander mensch was dan al de andere.
Jan zat daar heel stil. Hij sloeg niet meer met de muts tegen de hand. Hij zat somber voor zich uit te staren, alsof hij een eindelooze ruimte vol ongeluk overzag.
Toen verbrak de moeder de stilte.
“Ik weet, wat je voor een man zou geworden zijn, als je hier bij ons had kunnen blijven,” zei ze. “En ik wil niet, dat je weer in ellende zult verzinken. Daarom wil ik je volgen, waar je ook heengaat.”
“Dat moogt u nooit doen,” riep de knecht dadelijk. “Zoudt u als de vrouw van een vagebond rondzwerven, u, die de vrouw van een boer is geweest!”
“Daar moet ik maar aan wennen, als je vindt, dat je niet hier kunt blijven.”
“Neen, dat doe ik nooit,” barstte de knecht uit. “Ik dank u, omdat u dat doen wilt! Maar ik wil u niet meesleepen in het ongeluk!”
Sigurd zweeg nog altijd. Maar nu begon hij zich bijna over zichzelf te schamen. De beide anderen waren bereid tot al, wat goed en edel was, en hij was hard en wantrouwend.
Eindelijk stond de Tater op, ging op Sigurd toe, en reikte hem de hand.
“Goeden dag dan, Sigurd!” zei hij. “Je moet niet denken, dat ik boos op je ben. Je hebt zeker zóó veel kwaad van ons, Taters, gehoord, dat ik wel begrijpen kan, dat je geen goeds verwachten kunt van een van ons.”
Sigurd nam zijn hand niet aan, en zei ook niets. Hij was nu zóó overweldigd door hun edelmoedigheid, en zóó beschaamd over zijn eigen hardheid, dat hij voelde, dat hij op het punt stond in tranen uit te barsten.
Maar hij wilde niet, dat iemand hem zou zien schreien, en hij vloog naar de deur. Maar al in de gang verloor hij zijn zelfbeheersching, en hij schreide luid.
Den volgenden dag was Sigurd heel stil, en sprak niet. Hij zat op den eiken drempel van het voorhuis, zonder iets te doen. Jan was bezig op de hoeve, en de jongen volgde hem met de oogen, maar hij ging niet naar hem toe. Jan riep hem bij zich, en sprak vriendelijk en opgewekt tegen hem, zooals gewoonlijk. Sigurd was daar blij om, en van toen af was hij den heelen dag bij hem. Zijn moeder was ook vriendelijk voor hem, maar daar scheen hij niet zooveel om te geven. ’t Was alsof hij iemand was, die niet meer dan één te gelijk kon liefhebben, en alle liefde, die hij vroeger voor zijn moeder had, scheen hij nu op Jan overgedragen te hebben.
’t Was duidelijk, dat Sigurd zich niet meer tegen het huwelijk verzette. Het werd afgekondigd, en de bruiloft werd gevierd, zooals het plan was. ’t Was een stille bruiloft. Alleen de naaste buren waren genoodigd, en niemand van Jans familie. Jan zelf was heel ernstig, hij voegde zich niet bij de jongelui, maar zat rustig te praten met oudere mannen. De menschen begonnen goed over hem te denken, en op weg naar huis, na de bruiloft, zeiden enkelen, dat het misschien toch mogelijk was, dat een Tater een behoorlijk, arbeidzaam man kon worden.
Toen Jan een paar weken getrouwd geweest was, begonnen hij en Sigurd op een dag een nieuwen put te graven. Toen zij dieper in den grond groeven, vonden ze verscheidene verschillende aardlagen. Bovenop lag een dunne korst vruchtbare aarde daarondereen laag zeezand, en daaronder grof grint en klei. Nu en dan stootten ze op oude messen en sleutels, die jaren geleden in den grond begraven waren; hoe verder ’t werk kwam, hoe meer plezier zij er in kregen. Ze spitten zoo hard ze konden, om te zien wat ze nog meer zouden vinden, en schertsten er samen over, dat ze nog wel goud en zilver zouden opgraven. Toen ze nog een paar el dieper waren gekomen vonden ze weer zeezand, en daaronder een nieuw soort klei. Zoodra Jan die zag, gaf hij een schreeuw, boog zich neer, en nam er wat van op, dat hij tusschen de vingers kneep. Eindelijk proefde hij het ook.
“Zei ik het niet, dat we goud zouden vinden!” barstte hij uit.
“Wat heb je dan gevonden?” vroeg Sigurd.
“Ik zeg niets, voor ik zeker van mijn zaak ben,” antwoordde de Tater.
Op datzelfde oogenblik kwam de huismoeder en riep Jan.
“Je moet boven komen, en mij helpen, Jan,” zei ze.
Jan en Sigurd keken tegelijk over den rand van de put, en zagen, dat een paar gewone vagebondwagens de hoeve waren opgereden. De bronskleurige mannen met schrammen en litteekens in ’t gezicht, de leelijke vrouwen en de schreeuwende, woeste kinderen waren er ook. Sigurd werd bang, toen hij ze zag, en hij meende, dat ook Jans gezicht somber werd.
“Kun je ze niet wegjagen, Jan?” vroeg de huismoeder bekommerd.
“Dat gaat niet best,” zei Jan lachend. “’t Zijn Vader en Moeder, en mijn broers en zusters, die komen zien, hoe ’t me gaat.”
Hij sprong uit de groeve, en ging de aangekomenen te gemoet. Er was nog iets aarzelends over zijn houding, maar hoe dichter hij bij zijn familie kwam, hoe harder hij liep, en toen hij midden tusschen hen in stond, sloeg hij de armen uit, en deed een uitroep, als iemand, die uit een gevangenis gekomen is. Hij werd zoo uitgelaten blij, dat hij allerlei dwaasheden beging.
Met een sprong stond hij op den rug van een van de paarden, balanceerde daar een poosje, en vloog weer naar beneden. Hij begon te worstelen met zijn oudsten broeder, en een oogenblik daarna was hij midden in den kindertroep, wierp zich op den grond, en stoeide met al dat wilde jonge goed.
’t Was den heelen dag feest. Jan deed bijna niet anders dan vioolspelen. ’t Werd een groot drinkgelag, maar Jan dronk zelf niet veel; hij speelde alleen maar. Tegen den avond begon het dansen, en Jan danste meê, maar hij speelde ondertusschen door.
Sigurd zat in de kamer. Hij vond de andere Taters even akelig als vroeger, maar hij kon den lust niet weerstaan naar Jan te kijken, en hem te hooren spelen. En hoe langer hij luisterde, hoe lichter en zorgeloozer hij zich voelde. ’t Was, alsof hij nu voor ’t allereerst begon te begrijpen, dat het leven prettig kon zijn.’t Had hem altijd gedrukt en bezwaard, dat hij met het zand moest strijden,—hij, evenals zijn voorvaderen,—dat hij de hoeve moest zien in stand te houden,—hij, evenals zij—maar omdat je eens een enkelen keer blij was, hoefde je de hoeve toch niet te vergeten.
Later liep het zoo vreemd, dat Jan, de Tater, er nooit weer aan toe kwam den put verder te graven. Den volgenden dag, toen zijn familie vertrokken was, ging hij slapen, en toen hij laat op den middag wakker werd, stond daar een man met een boodschap van den rijksten boer in de gemeente. ’t Was een verzoek, of Jan hem wou komen helpen. Hij zou de bruiloft van zijn dochter vieren, maar de speelman, dien hij aangenomen had, was ziek geworden, en nu had hij het huis vol menschen, die er naar verlangden te kunnen dansen, maar er was geen speelman. Jan ging meê en Sigurd ook. Zij bleven drie dagen weg. Toen ze terugkwamen, waren ze moe en lusteloos, en konden niet aan het werk komen. Sigurd had gedanst en gedronken, meêgedaan aan allerlei spelen en geschertst. Hij liep rond als in een roes, en kon maar niet bekomen van zijn verbazing over de ontdekking, dat het leven zóó heerlijk kon zijn.
’t Scheen wel voorbeschikt, dat telkens, als zij er over spraken, weer aan den put te beginnen, er gasten moesten komen. Meestal waren het familieleden van Jan. Hij scheen verwant te zijn aan alle Taters, die in Halland woonden, en allen ontving hij zoo goed, als hij maar kon. Dat verminderde den voorraad in de provisiekamer en op den korenzolder niet weinig, en als Jan met zijn vrouw en Sigurd alleen was, klaagde hij er over, dat zijn eigen familie hem aan den bedelstaf bracht. Maar als ze kwamen, aarzelde hij nooit ze met de meeste gastvrijheid te ontvangen. Nu en dan verleidden ze hem tot kaartspelen, en eens gelukte het een Tater met spelen een koe van hem te winnen. Aan zijn vrouw en Sigurd zei hij, dat hij de koe had verkocht, maar door anderen kwamen zij te weten, hoe het eigenlijk gegaan was.
De koe was zoowat alles, wat Sigurd bezat, en toen hij hoorde, dat Jan haar verspeeld had, werd hij heel boos. ’t Was alsof dit opeens zijn oogen opende, zoodat hij zag, hoe het met de hoeve stond.
Brendane was immers al zoo arm, dat de grootste spaarzaamheid noodig was om daar te kunnen leven. Maar nog armer was het geworden onder het beheer van Jan, den Tater. ’t Kwam Sigurd voor, dat het heele laatste jaar als in een droom was voorbijgegaan. Nu zag hij, hoe de akkers verzand waren. Er was er nauwelijks meer een, die bruikbaar was. In ’t voorjaar had Jan in ’t kale zand gezaaid, en maar een paar halmpjes waren opgekomen. Heel Sigurds vaderlijk erfdeel was bijna verspild.
Sigurd ging de kamer binnen, om met Jan te spreken, maar Jan stond te spelen; en Sigurd kwam er niet toe zijn spel af te breken, maar zat met een bezwaard hart te luisteren. Zooals altijd werd hij langzamerhand kalmer, toen hij Jan hoorde spelen. Hij dacht aan het strenge, zware leven, dat zij hadden geleid, vóór de Tater in huis was gekomen, en hij vroeg zich af, of hij zelf dat opnieuw zou willen beginnen.
Plotseling hield Jan met spelen op.
“Zeg me nu één ding, Sigurd,” zei hij met ongewoon vriendelijke stem. “Wil je, dat ik wegga, en jou en wat je bezit, met rust laat?”
Sigurd was heelemaal verbluft, want hij had er juist over zitten denken, hoe hij hem wegkrijgen zou. Hij kon niet antwoorden.
“Zeg maar één enkel woord, als je me kwijt wilt wezen,” zei Jan.
Toen voelde Sigurd, dat zijn hart ineenkromp bij de gedachte, dat Jan en hij zouden scheiden.
“Neen, ik wil liever, dat je hier blijft,” zei hij.
“Stel mij er dan niet verantwoordelijk voor, hoe het met je erfdeel gaat,” zei Jan, “want wat ik je nu aanbood, was eerlijk gemeend.”
Het duurde ook niet heel lang, voor de tijd kwam, dat Sigurd er met den vagabondwagen op uit moest trekken. Er was geen eten meer in de provisiekamer, geen volk meer in de dienstbodenkamer, geen koe in de schuur.
Er was niets meer dan een boerenwagen en een paard, want dat had Jan niet weg willen doen. Toen ze op een dag niets meer hadden om van te leven, spande Jan het paard voor den wagen, laadde dien vol potten en pannen, oude dekens en kussens, en legde er ook zijn werktuigen voor ’t vertinnen in. Eindelijk riep hij zijn vrouw. Ze kwam naar buiten met een kindje op den arm, en ging op de lading zitten.
Sigurd had geen deelgenomen aan al die toebereidselen. Hij zat er onbewegelijk naar te kijken, hoe de anderen zich klaar maakten voor de reis.
“Hoe het ook gaat, ik zal de hoeve niet verlaten,” dacht hij. “Al zou ik hier doodhongeren, ik zal hier blijven tot het laatste toe.”
Zijn moeder en Jan schenen het ook als een uitgemaakte zaak te beschouwen, dat hij zou achterblijven. Geen van hen sprak er ook meer een enkel woord over, dat hij meê zou gaan. Maar al naarmate het oogenblik van hun vertrek naderde, voelde Sigurd zich meer ellendig en beklemd. Hij liet hen toch afscheid nemen en van de hoeve wegrijden, zonder zich te bewegen. Toen de wagen het hek uit reed, kwam de angst voor de eenzaamheid met alle kracht over Sigurd, en hij greep met beide handen de bank vast, waar hij op zat, om zich te bedwingen en hen nietachterna te vliegen.Op dat zelfde oogenblik keerde Jan zich nog eens om, en zag Sigurd aan. Sigurd stond op, en toen Jan dat merkte, begon bij hem te wenken. En met een paar groote sprongen was Sigurd bij den wagen en er boven op.
Daarna ging Sigurd een paar jaar meê met Jan op zijn reizen door het land. Ze trokken meestal op deze manier voort, dat Jan en Sigurd naast den wagen liepen, maar de vrouw en het kind reden. Als ze in de nabijheid van een hoeve kwamen, hielden zij stil aan den kant van den weg. Sigurds moeder ging dan naar ’t huis, en bedelde om eten en koren, en vroeg of er ook koperen ketels waren, die vertind moesten worden, maar de mannen bleven bij den wagen. Het moeilijkst was des nachts onder dak te komen. Vaak waren ze gedwongen onder den blooten hemel te overnachten, maar daar wenden zij ook spoedig aan. Waar er maar markt gehouden werd, of het diep in Smaland was, of ver in ’t Zuiden in Skaane, zij zorgden, dat ze er bij waren. Dan ontmoetten ze heele troepen van de andere zwervers, en in hun gezelschap leefden ze dan een lustig leventje, dagen lang: Jan dronk veel op zulke marktdagen, en Sigurd wende zich ook aan het drinken. Om en bij Kerstmis, als het al te koud werd, hielden ze gewoonlijk met zwerven op, en keerden naar Brendane terug. Daar bleven zij zoolang er nog iets over was van de levensmiddelen, die ze op reis hadden bijeengebedeld. Daarna trokken zij er weer op uit.
Dit leven hadden de Taters geleid van den tijd af, dat ze in Zweden waren gekomen, en Jan begeerde niets beters dan dat voort te zetten. Hij zei nu telkens, dat het een dwaasheid van hem was geweest, te probeeren zich ergens te vestigen. Hij moest vrij zijn; hij moest ten allen tijde kunnen gaan, waar hij wilde.
Het scheen ook, alsof zelfs Sigurd tevreden was, en of de vriendschap tusschen hem en Jan steeds even groot bleef. Toch was er een en ander, dat er op wees, dat Sigurd door een innerlijke onrust werd verteerd. Hij dronk veel; niet als iemand, die van drinken houdt, maar alsof hij alleen dronk om een groot verdriet te dempen. Hij was ook prikkelbaar geworden, en de minste aanleiding kon hem hevig boos maken.
Terwijl ze heen en weer trokken door Halland, zagen ze vaak groote velden stuifzand, en dan werd Sigurd altijd zwaarmoedig. Op een dag, toen ze over zulk een eindeloos zandveld trokken, zei Jan:
“Hier was vroeger bosch. Dat heb ik mijn vader hooren vertellen. ’t Is toch vreemd, dat alles zoo verwoest kon worden.”
“De menschen, die tegen het zand hadden moeten strijden, zijn zeker weggegaan, en hebben ’t land aan zijn lot overgelaten,” antwoordde Sigurd bitter.
“Denk je dat?” zei Jan heftig. “Dan wil ik je wel zeggen, dat je naar huis kunt gaan en ’t zand van je akkers halen. Niemand houdt je hier.”
“Je weet wel, dat ik niet meer naar huis kan gaan om te werken,” zei Sigurd weer. “Ik ben nu bijna een even goede Tater als jij. Ik houd van brandewijn en kaartspelen, en ik wil niets uitvoeren. Ik ben nu heelemaal, zooals je me hebben wilt.”
Op een anderen dag waren zij op een weg gekomen, die langs den kant van een groot zandvlek liep. Hier had men geprobeerd het zand vast te leggen en er waren een massa denneboompjes gezaaid. Een daarvan groeide vlak aan den kant van den weg, en toen Jan er voorbij kwam, schopte hij het om met zijn voet.
“Wat doe je daar?” vroeg Sigurd scherp. Hij fronste het voorhoofd, en zag er uit, alsof hij lust had den Tater aan te vallen.
“Ik schop dat plantje om, en ik zou grooten lust hebben al die andere ook om te schoppen.”
“Wat zou je daar nu aan hebben?” vroeg Sigurd.
“Ik weet niet hoe het komt,” zei Jan, “maar in de landen, waar groote, kale velden zijn en wijde open heiden, daar zijn de Taters graag. Maar waar de boeren vooruit komen, en zaaien, en zich vestigen, daar kunnen wij het op den duur niet uithouden.”
“Dat kan wel wezen,” zei Sigurd “maar je zult toch dat denneboompje weer in den grond zetten.”
Jan scheen bijna niet te begrijpen, wat hij bedoelde. Hij stond maar voor zich uit te kijken.
“Zet dat weer in den grond, anders zul je eens zien, wat er gebeurt, als ik meerderjarig word!” schreeuwde Sigurd.
Jan bukte zich, en zette het boompje weer in den grond. Toen hij opstond zag hij Sigurd aan met een valsche uitdrukking op zijn gezicht, maar hij zei niets.
Sigurds buren verwonderden er zich sterk over, dat hij, die van zulk een goede familie was, het bij de Taters kon uithouden, en velen verwachtten, dat hij van hen zou weggaan, als hij meerderjarig werd. Maar als dat zijn bedoeling geweest was, kon hij die toch niet ten uitvoer brengen, want op denzelfden dag, dat hij meerderjarig werd, nam men hem gevangen voor diefstal. Hij was met zijn moeder en Jan op een gewonen zwerftocht uit, en des morgens had Jan Sigurd gewekt, en hem gevraagd dien dag den wagen voor hem te rijden, omdat Jan op een feest moest spelen bij den dans.
“Als je niet al te hard rijdt, zal ik je morgen wel bijtijds inhalen.”
Sigurd liep over allerlei te denken dien dag, terwijl hij zoo langs den weg stond. Vroeger had hijzichzelfprobeeren wijs te maken, dat hij het werk van zijn vader weer zou opnemen, als hij meerderjarig werd, maar nu voelde hij, dat hij er geenkracht toe had. De heele hoeve lag nu onder het zand, geen voetbreed grond was meer vrij, en om het woonhuis lagen de zandhoopen hoog tegen den muur op. Hij begreep niet wat hij thuis nog zou uitvoeren. Wat hielp het, werk te verspillen aan een hopelooze zaak?
Nauwelijks had Sigurd besloten de hoeve aan haar lot over te laten, of hij werd door een paar vreemde mannen aangeroepen. Hij hield stil, en ze kwamen naar hem toe, en bekeken zijn paard. ’t Was een nieuw paard. Jan was er den vorigen avond meê aangekomen, en had Sigurd gezegd, dat hij het van een boer in Frilles-aas had gekocht. Nu bleek het, dat het paard gestolen was, en Sigurd, die er meê reed, werd gevangen genomen als paardendief.
Sigurd werd niet erg ongerust over die aanklacht. Hij kon een heele massa menschen als getuigen aanroepen, dat hij den vorigen dag niet in Frilles-aas was geweest. Hij ging zonder tegenstand in arrest, en was er zeker van, dat hij zou worden vrijgesproken, zoodra zijn zaak behandeld werd.
’t Eerste wat Sigurd zag, toen hij de rechtszaal binnen kwam, was Jan, die daar midden tusschen een heele bende Taters zat.
“Jan is hier gekomen om mij te helpen,” dacht hij, want hij wist, dat al die mannen gezien hadden, waar hij was geweest op den dag, dat de diefstal had plaats gehad. Maar toen later de getuigen werden opgeroepen en getuigenis aflegden, bleek het, dat de een na den ander hem had gezien op den weg naar Frilles-aas, ja zelfs vlak bij de stad. Velen waren hem midden in den nacht tegengekomen, toen hij met het gestolen paard was komen aanrijden.
Jan zelf hoefde niet te getuigen, maar Sigurd verwachtte aldoor, dat hij op een of andere manier zou ingrijpen, en een eind aan al die onwaarheid maken. Maar Jan deed niets om hem te hulp te komen; en naarmate de zaak bedenkelijker voor Sigurd werd, kreeg Jans gezicht meer en meer een uitdrukking van diepe smart. Eens ontmoetten hun oogen elkaar, en toen zag Jan Sigurd aan, zooals een goede vader een ontaarden zoon aanziet, die op den verkeerden weg gekomen is.
Toen Sigurd dien blik ontmoette, was hij eerst als versteend, maar kort daarna speelde er een glimlach om zijn lippen. Hij had gezien, dat alles wat er op Jans gezicht te lezen stond, leugen was. Hij had gezien, dat Jan blij was; dat het Jan was, die hem had doen gevangen nemen, en dat Jan bewerkte, dat hij veroordeeld werd.
Maar het vreemde was, dat toen Sigurd dit alles helder inzag, er een gevoel van blijdschap door zijn heele ziel ging. Hij was verbaasd over zichzelf, omdat hij het zoo voelde. Hij begreep,dat hij tot verscheidene jaren dwangarbeid zou worden veroordeeld, maar hij voelde zich als iemand, die de vrijheid terugkrijgt.
Toen Sigurd naar de gevangenis teruggebracht en daar alleen gelaten was, voelde hij, dat hij plotseling een ander mensch was geworden. Van het oogenblik af, dat hij Jan, den Tater, doorzien had, en ’t hem duidelijk geworden was, dat hij in ’t diepst van zijn ziel valsch en hard was, werd hij uit een jarenlange betoovering verlost. Hij was in de macht van een ander geweest, en er was vreugde in zijn ziel, omdat hij nu weer vrij zou zijn. Maar op ’t zelfde oogenblik, dat hij op die manier wakker werd, zag hij ook zichzelf, zooals hij was geweest, en hij schrikte daar hevig van.
Toen Sigurd de volgende keer voor het gerecht werd gebracht, trachtte hij zich nauwelijks te verdedigen. Wat kwam het er op aan, of hij schuldig was aan den paardendiefstal. Hij voelde zich toch als een groot misdadiger. Hij was in een stemming, dat hij graag lijden wilde. En hij was er blij om, dat hij op deze manier werd gescheiden van al het oude, van alles, wat hem had verlokt en verleid. Toen het vonnis werd uitgesproken, dacht hij er nauwelijks aan, wat het eigenlijk inhield. Op hetzelfde oogenblik stond hij daar zichzelf te veroordeelen tot levenslangen dwangarbeid. Hij wilde den strijd van zijn voorvaderen weer opnemen, hoe hopeloos die ook scheen.
En werkelijk kwam eenmaal de dag, dat Sigurd naar huis terugkeerde, en ’t werk begon. Hij richtte het zoo in, dat hij ’s winters naar Skaane trok, als dorscher, en in ’t voorjaar kwam hij weer thuis met zooveel levensmiddelen, dat hij op Brendane kon blijven tot den herfst. Hij probeerde helm en dennen te planten om het zand vast te leggen; hij vorderde niet veel, maar werkte onverdroten, zooals hijzichzelfhad opgelegd te doen.
Op een dag kwam hij op de gedachte, dat het goed zou zijn een put in de buurt te hebben, en hij begon die te graven, ongeveer op dezelfde plaats, waar Jan en hij eens hadden gewerkt. Toen hij een paar el diep gekomen was, vond hij een mergellaag. Hij had in Skaane geleerd waar mergel goed voor is, en hoewel hij nu een heel stil man was geworden, raakte hij opgewonden van vreugd. Nu wist hij, dat hij niet alleen het zand zou overwinnen, maar dat hij het ook vruchtbaar maken zou. Nu was het gedaan met den dwangarbeid; nu kwam er een werken met hoop en vreugd. Hij zag zich al in gedachten als eigenaar van een groote, rijke hoeve.
Op eens herinnerde hij zich toen, hoe Jan en hij hadden gespit om een put te maken, en dat Jan een stuk klei had opgenomen en gezegd, dat hij goud had gevonden.
“Hij wist dat van den mergel,” dacht Sigurd. “Hij heeft hetaldoor geweten. En hij wilde liever als bedelaar rondzwerven, dan thuis blijven en ons allen rijk maken.”
Maar die gedachte wekte bij hem haat noch bitterheid, maar alleen diep medelijden. Nu begreep hij, dat de Tater niet had kunnen denken en handelen, zooals hij had behooren te doen.