XVIII.Het groote vogelmeer.Jarro, de wilde eend.Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.’t Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.Nu is er iemand, die graag met de voeten in ’t water staat, als hij ’t hoofd en ’t lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene, omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen en klompen wormen in eindelooze massa’s geteeld worden. En aan de kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnenuitbroeden en hun jongen opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun voedsel gekweld te worden.Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van ’t Takermeer, en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate ’t meer bekend wordt, wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden, waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een heele massa anderen.Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen, zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker, hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen, was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs nog op het meer lag.Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende, dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het Takermeer liggen.Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hemde huismoeder zien, een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen, als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij den vogel in neerlei als in een bedje.Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig besnuffelde.Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door het rietveld had geklonken, “daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar aan!” Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.“Wie ben jij?” bromde hij. “Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor jij niet thuis op het rietveld?”Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.“Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,” zei hij. “Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen zelf hebben mij hier in deze mand gelegd.”“O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd,” zei Caesar. “Dan is ’t zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te kijken. We zijn hier niet op het Takermeer.”Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammendenhaard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, en door de kamer ging loopen.Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor kreeg Jarro zoo’n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar “welkom” toe in zijn eigen taal.Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor hen hoefden te wezen.Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.“Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden,” zei Klorina. “Wacht maar, tot je vetbent. Dan draaien ze je den nek om. Ik ken ze wel, die menschen!”Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even liefhadden als hij hen.Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend te kibbelen.“Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, ’t volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, en in een akker veranderd,” zei Klorina.“Wat zeg je daar, Klorina?” riep Jarro, en sprong op van schrik.“Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal verstaat,” zei de kat. “Anders zou je wel hebben gehoord, dat de knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten.”Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.“Je bent even akelig als een zwart waterhoen,” zei hij tegen Klorina. “Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan ’t schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!”Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.“Zoo! Geloof je, dat ik lieg?” zei ze. “Vraag het Caesar dan, hij was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!”“Caesar!” zei Jarro. “Jij verstaat de menschentaal veel beter dan Klorina. Zeg nu eens, dat zij ’t niet goed gehoord heeft. Stel je nu eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen droogmaken en van den bodem van ’t meer een akker maken. Dan zou daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit zoo’n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina het niet mis heeft!”’t Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten, en sliep vast in een oogenblik.De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.“Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil,” zei zetegen Jarro. “’t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas waren op ’t meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet te behouden.”Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den kop op, en riep Caesar in ’t oor:“Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, dat de menschen van plan zijnaldie eenden dakloos te maken.”Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.“Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil,” schreeuwde Caesar. “Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van ’t jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als het Takermeer wordt droog gemaakt? En jijbenteen stoffel, als je je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen vogels meer op het Takermeer zijn?”De lokvogel.Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet van ’t vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte,en de groene toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.“Het is verboden in dezen tijd,” zei hij, “maar dat geldt natuurlijk niet voor mij.”De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten rond loopen.Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in ’t water en haalde ze op.Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den hond gaan liggen slapen.Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: “Weg! weg! Pas op. Ga een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik ben maar een lokvogel!”En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, en hij was al over ’t heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: “Pas op, vogels! Kom niet in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel,” dat er een duikernest kwam aandrijven naar ’t eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu niet zooveel bizonders. ’t Was een nest van het vorige jaar, en de duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe: “Kom zoo dicht bij ’t water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!”Een oogenblik later lag het duikernest bij ’t land, maar de kleine roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een mesje uit de scheede aan zijnzij, en sneed het net, dat Jarro’s vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. “Vlieg nu weg, Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden,” riep hij, terwijl hij weer in ’t nest sprong, en van land afzette.De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en greep hem bij den nek.Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, zei met de grootste kalmte tegen Caesar:“Als jij zoo eerlijkbent, als je er uitziet, kun je toch niet een goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun ongeluk te lokken.”Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar een oogenblik later liet hij Jarro los. “Vlieg maar weg, Jarro,” zei hij. “Jebentzeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer.”Het droogmaken van het meer.’t Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, en had in zijn heele leven nog niet zoo’n speelkameraad gehad als Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd: “Let op Peer Ola, Caesar.”Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden,dat hij niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.Toen Peer Ola aan den oever van ’t meer was gekomen, riep hij meer dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, dat zij de rechte niet waren.Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker gemakkelijk zou vinden, als hij maar op ’t meer kon komen. Er lagen veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op het Takermeer, maar als ’t water hoog is, en ’t ongeluk het wil, hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op ’t water te komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven, riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro niet kwam.Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijkblij, omdat een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander weer zagen.Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen ’t riet, en nu kreeg Peer Ola ’t bevel aan land te stappen. Op ’t zelfde oogenblik, dat hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen, naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil liggen, alsof hem dat alles niet aanging.Verder op den dag vond men Peer Ola’s voetstappen bij de booten. En toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen te zoeken. Ze roeiden over ’t meer heen en weer tot den avond, zonder een glimp van hem te zien. Ze konden niet andersdenken, dan dat de oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem van het meer lag.Dien avond zwierf Peer Ola’s moeder aan den oever. Alle anderen waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden en jammerden.“Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren,” dacht ze. Maar dan bedacht ze zich. ’t Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die hadden toch zeker geen zorgen. ’t Was vreemd, dat ze niet stil werden na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele lucht was vol klachten en gejammer.Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo’n groot verschil tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis hier bij het Takermeer zouden moeten missen. “Dat wordt toch moeielijk voor hen,” dacht ze. “Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?”Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig werk—een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel duizenden dieren woonden.Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad weer goed te maken.Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola’s dood eenstraf voor hen beiden was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt, zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, dietweemaalzoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor hij antwoordde:“Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is.”Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, en trok haar naar de deur.“Maar Caesar toch!” riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen barstte ze uit: “Weet je, waar Peer Ola is?”Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En nauwelijks waren zij aan den kant van ’t meer gekomen, of ze hoorden het schreien van een kind over ’t meer.Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en Caesar hem kwamen halen.XIX.De voorspelling.Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in ’t Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo’n schelle lichtgloed in ’t gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op ’t meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen ’t riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.“Houd nu hier stil,” zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.“Ziezoo!” zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. “Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan.”Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken.“’t Is zoo mooi hier op ’t meer vanavond,” zei hij. En dat was het ook. ’t Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. ’t Strand lag verscholen achter de rietbossen in ’t Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.“Ja, ’t is hier mooi in Östergyllen,” zei hij. “Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is.”“Wat is het dan?” vroeg de roeier.“Ja,—dat het een land is, dat in eer en aanzien staat.”“Ja, dat kan wel zijn.”“En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal.”“Hoe ter wereld kan men dat weten?” vroeg hij, die bij de riemen zat.De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.“Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan,” zei hij.“Dat kon je me wel eens vertellen,” zei de roeier.“We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden.”“Op Ulvasa, hier in Oostgothland,” ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, “woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in ’t rond beroemd, en ’t is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.“Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe,” zei de boer na een poosje.“Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken,” antwoordde zij.“Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan ’t hart gaat,” zei de boer.“Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe ’t met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels worden zal.”“Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden,” zei de boer. “Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden te zijn met wat hij moest hooren.”Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.“Zoo,” zei ze, “heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet zoo kan antwoorden, dat je tevredenbent.”Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.“Is er niet anders, dat je weten wilt,” zei de wijze vrouw, “dan denk ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen.”“Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe,” zei de boer, “en ik zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets mogelijk wezen kon.”“Waarom zou dat niet mogelijk zijn?” zei de vrouw van Ulvasa. “Weet je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo’n mooie domkerk heeft als die in Linköping?”“Dat kan wel zoo zijn,” zei de boer, “maar ik ben een oud man, en ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk.”“Daar kun je gelijk aan hebben,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar daarom hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft.”De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens in discrediet kwam.“’t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken,” zei de vrouw van Ulvasa. “Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten.”“Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor,” zei de boer. “Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?”“Het is geen kleinigheid, wat je wil weten,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt.”De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.“Je bent niet gemakkelijk te voldoen,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken.”“Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?” hield de boer aan.“Je hoeft niet zoo bang te wezen,” zei de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt.”“Dat is een gewichtig ding om te hooren,” zei de boer. “Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?”“Daar moet je niet bezorgd over wezen,” antwoordde de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen.”Maar de boer bleef er ongerust uitzien.“Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging gaan zetten,” zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. “Ik hoor hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping.”“Ja, het is goed, dat ik dat weet,” zei de boer, “maar alles is veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden.”Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw van Ulvasa ten eind.“Je zegt, dat alles vergankelijk is,” zei ze, “maar nu zal ik je toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in ’t land zullen zijn tot aan ’t eind van de wereld.”Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk was hij voldaan, zei hij.“Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent,” zei de vrouw van Ulvasa.“Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe,” zei de boer, “dat alles wat koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of bouwen,—dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle tijden heen.”XX.Het baaien kleed.De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die boven kleine boschjes uitstaken.Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich over verbaasde.“Er moeten in dit land geen boeren wonen,” zei hij in zichzelf, “want ik zie nergens boerderijen.”Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; “Hier wonen de boeren als heeren! Hier wonen de boeren als heeren!”Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was begonnen.“Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers kruipen?” vroeg de jongen na een poos.“Ossen en ploegen! ossen en ploegen!” antwoordden alle wilde ganzen.De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen hun toe. “Jelui komt van ’t jaar niet klaar! Jelui komt van ’t jaar niet klaar!”Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek hoog in lucht en loeiden: “Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in ’t heele jaar!”Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden niet laten ook hen te plagen.“Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?” riepen zij de paarden toe. “Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?”“Schaam jelui je niet zoo te luieren?” hinnikten de paarden terug.Terwijl de paarden en ossen buiten aan ’t werk waren, liepde hamel op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.“Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?” riepen de wilde ganzen, die boven in de lucht voorbij vlogen.“Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,” antwoordde de hamel met een lang geblaat.“Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?” vroegen de ganzen.Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos werd hij.Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los, zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om elkaar te beschermen.“Knor, knor!” riepen de biggetjes. “Wij zijn te vroeg van Vader en Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!”Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers den gek te steken.“’t Zal je beter gaan, dan je denkt,” riepen zij in ’t voorbijgaan.De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in, dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige streken ingesloten, een in ’t noorden en een in ’t zuiden. De beide boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai.Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij, dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen, glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er was niet veel orde en regel in ’t patroon, maar het was een pracht, waar je nooit genoeg naar kijken kon.De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk, en teerden de groote sluispoorten.Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil- en stoombooten in orde gemaakt.BijNorrköpingverlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.“Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen.”De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp hadden opgeraapt.“Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan mijn klomp niet terug krijgen!”Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.“De wilde ganzen lieten het vallen,” zei kleine Mads.Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: “Herinner jij je wel, Mads, dat we, toen we voorbij ’t Övedklooster liepen, er over hebben hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwergmet klompen aan had gezien, die op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen, Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was, en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel, die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor.”“Ja, dat moet zeker zoo wezen,” antwoordde kleine Mads.Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.“Wacht! wacht eens, Mads,” zei Asa. “Hier staat iets op den eenen kant.”“Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters.”“Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson, V. Vemmenhög.”“Dat is wel ’t wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb,” zei Mads.
XVIII.Het groote vogelmeer.Jarro, de wilde eend.Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.’t Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.Nu is er iemand, die graag met de voeten in ’t water staat, als hij ’t hoofd en ’t lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene, omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen en klompen wormen in eindelooze massa’s geteeld worden. En aan de kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnenuitbroeden en hun jongen opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun voedsel gekweld te worden.Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van ’t Takermeer, en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate ’t meer bekend wordt, wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden, waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een heele massa anderen.Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen, zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker, hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen, was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs nog op het meer lag.Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende, dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het Takermeer liggen.Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hemde huismoeder zien, een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen, als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij den vogel in neerlei als in een bedje.Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig besnuffelde.Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door het rietveld had geklonken, “daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar aan!” Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.“Wie ben jij?” bromde hij. “Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor jij niet thuis op het rietveld?”Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.“Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,” zei hij. “Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen zelf hebben mij hier in deze mand gelegd.”“O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd,” zei Caesar. “Dan is ’t zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te kijken. We zijn hier niet op het Takermeer.”Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammendenhaard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, en door de kamer ging loopen.Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor kreeg Jarro zoo’n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar “welkom” toe in zijn eigen taal.Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor hen hoefden te wezen.Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.“Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden,” zei Klorina. “Wacht maar, tot je vetbent. Dan draaien ze je den nek om. Ik ken ze wel, die menschen!”Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even liefhadden als hij hen.Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend te kibbelen.“Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, ’t volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, en in een akker veranderd,” zei Klorina.“Wat zeg je daar, Klorina?” riep Jarro, en sprong op van schrik.“Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal verstaat,” zei de kat. “Anders zou je wel hebben gehoord, dat de knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten.”Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.“Je bent even akelig als een zwart waterhoen,” zei hij tegen Klorina. “Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan ’t schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!”Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.“Zoo! Geloof je, dat ik lieg?” zei ze. “Vraag het Caesar dan, hij was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!”“Caesar!” zei Jarro. “Jij verstaat de menschentaal veel beter dan Klorina. Zeg nu eens, dat zij ’t niet goed gehoord heeft. Stel je nu eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen droogmaken en van den bodem van ’t meer een akker maken. Dan zou daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit zoo’n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina het niet mis heeft!”’t Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten, en sliep vast in een oogenblik.De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.“Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil,” zei zetegen Jarro. “’t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas waren op ’t meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet te behouden.”Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den kop op, en riep Caesar in ’t oor:“Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, dat de menschen van plan zijnaldie eenden dakloos te maken.”Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.“Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil,” schreeuwde Caesar. “Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van ’t jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als het Takermeer wordt droog gemaakt? En jijbenteen stoffel, als je je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen vogels meer op het Takermeer zijn?”De lokvogel.Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet van ’t vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte,en de groene toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.“Het is verboden in dezen tijd,” zei hij, “maar dat geldt natuurlijk niet voor mij.”De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten rond loopen.Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in ’t water en haalde ze op.Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den hond gaan liggen slapen.Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: “Weg! weg! Pas op. Ga een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik ben maar een lokvogel!”En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, en hij was al over ’t heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: “Pas op, vogels! Kom niet in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel,” dat er een duikernest kwam aandrijven naar ’t eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu niet zooveel bizonders. ’t Was een nest van het vorige jaar, en de duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe: “Kom zoo dicht bij ’t water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!”Een oogenblik later lag het duikernest bij ’t land, maar de kleine roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een mesje uit de scheede aan zijnzij, en sneed het net, dat Jarro’s vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. “Vlieg nu weg, Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden,” riep hij, terwijl hij weer in ’t nest sprong, en van land afzette.De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en greep hem bij den nek.Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, zei met de grootste kalmte tegen Caesar:“Als jij zoo eerlijkbent, als je er uitziet, kun je toch niet een goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun ongeluk te lokken.”Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar een oogenblik later liet hij Jarro los. “Vlieg maar weg, Jarro,” zei hij. “Jebentzeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer.”Het droogmaken van het meer.’t Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, en had in zijn heele leven nog niet zoo’n speelkameraad gehad als Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd: “Let op Peer Ola, Caesar.”Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden,dat hij niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.Toen Peer Ola aan den oever van ’t meer was gekomen, riep hij meer dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, dat zij de rechte niet waren.Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker gemakkelijk zou vinden, als hij maar op ’t meer kon komen. Er lagen veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op het Takermeer, maar als ’t water hoog is, en ’t ongeluk het wil, hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op ’t water te komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven, riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro niet kwam.Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijkblij, omdat een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander weer zagen.Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen ’t riet, en nu kreeg Peer Ola ’t bevel aan land te stappen. Op ’t zelfde oogenblik, dat hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen, naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil liggen, alsof hem dat alles niet aanging.Verder op den dag vond men Peer Ola’s voetstappen bij de booten. En toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen te zoeken. Ze roeiden over ’t meer heen en weer tot den avond, zonder een glimp van hem te zien. Ze konden niet andersdenken, dan dat de oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem van het meer lag.Dien avond zwierf Peer Ola’s moeder aan den oever. Alle anderen waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden en jammerden.“Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren,” dacht ze. Maar dan bedacht ze zich. ’t Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die hadden toch zeker geen zorgen. ’t Was vreemd, dat ze niet stil werden na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele lucht was vol klachten en gejammer.Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo’n groot verschil tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis hier bij het Takermeer zouden moeten missen. “Dat wordt toch moeielijk voor hen,” dacht ze. “Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?”Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig werk—een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel duizenden dieren woonden.Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad weer goed te maken.Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola’s dood eenstraf voor hen beiden was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt, zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, dietweemaalzoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor hij antwoordde:“Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is.”Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, en trok haar naar de deur.“Maar Caesar toch!” riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen barstte ze uit: “Weet je, waar Peer Ola is?”Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En nauwelijks waren zij aan den kant van ’t meer gekomen, of ze hoorden het schreien van een kind over ’t meer.Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en Caesar hem kwamen halen.
Jarro, de wilde eend.Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.’t Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.Nu is er iemand, die graag met de voeten in ’t water staat, als hij ’t hoofd en ’t lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene, omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen en klompen wormen in eindelooze massa’s geteeld worden. En aan de kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnenuitbroeden en hun jongen opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun voedsel gekweld te worden.Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van ’t Takermeer, en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate ’t meer bekend wordt, wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden, waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een heele massa anderen.Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen, zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker, hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen, was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs nog op het meer lag.Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende, dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het Takermeer liggen.Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hemde huismoeder zien, een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen, als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij den vogel in neerlei als in een bedje.Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig besnuffelde.Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door het rietveld had geklonken, “daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar aan!” Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.“Wie ben jij?” bromde hij. “Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor jij niet thuis op het rietveld?”Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.“Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,” zei hij. “Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen zelf hebben mij hier in deze mand gelegd.”“O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd,” zei Caesar. “Dan is ’t zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te kijken. We zijn hier niet op het Takermeer.”Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammendenhaard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, en door de kamer ging loopen.Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor kreeg Jarro zoo’n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar “welkom” toe in zijn eigen taal.Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor hen hoefden te wezen.Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.“Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden,” zei Klorina. “Wacht maar, tot je vetbent. Dan draaien ze je den nek om. Ik ken ze wel, die menschen!”Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even liefhadden als hij hen.Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend te kibbelen.“Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, ’t volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, en in een akker veranderd,” zei Klorina.“Wat zeg je daar, Klorina?” riep Jarro, en sprong op van schrik.“Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal verstaat,” zei de kat. “Anders zou je wel hebben gehoord, dat de knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten.”Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.“Je bent even akelig als een zwart waterhoen,” zei hij tegen Klorina. “Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan ’t schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!”Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.“Zoo! Geloof je, dat ik lieg?” zei ze. “Vraag het Caesar dan, hij was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!”“Caesar!” zei Jarro. “Jij verstaat de menschentaal veel beter dan Klorina. Zeg nu eens, dat zij ’t niet goed gehoord heeft. Stel je nu eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen droogmaken en van den bodem van ’t meer een akker maken. Dan zou daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit zoo’n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina het niet mis heeft!”’t Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten, en sliep vast in een oogenblik.De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.“Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil,” zei zetegen Jarro. “’t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas waren op ’t meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet te behouden.”Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den kop op, en riep Caesar in ’t oor:“Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, dat de menschen van plan zijnaldie eenden dakloos te maken.”Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.“Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil,” schreeuwde Caesar. “Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van ’t jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als het Takermeer wordt droog gemaakt? En jijbenteen stoffel, als je je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen vogels meer op het Takermeer zijn?”
Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.
’t Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden, en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.
Nu is er iemand, die graag met de voeten in ’t water staat, als hij ’t hoofd en ’t lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene, omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.
Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen en klompen wormen in eindelooze massa’s geteeld worden. En aan de kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnenuitbroeden en hun jongen opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun voedsel gekweld te worden.
Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van ’t Takermeer, en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate ’t meer bekend wordt, wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden, waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een heele massa anderen.
Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen, zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker, hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.
In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen, was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs nog op het meer lag.
Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende, dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het Takermeer liggen.
Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.
Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hemde huismoeder zien, een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af, dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig, en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen, als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij den vogel in neerlei als in een bedje.
Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen; maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet, had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.
Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt, dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig besnuffelde.
Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door het rietveld had geklonken, “daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar aan!” Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven, dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.
Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.
“Wie ben jij?” bromde hij. “Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor jij niet thuis op het rietveld?”
Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.
“Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,” zei hij. “Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen zelf hebben mij hier in deze mand gelegd.”
“O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd,” zei Caesar. “Dan is ’t zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken, dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te kijken. We zijn hier niet op het Takermeer.”
Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammendenhaard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was, kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.
Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem, en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.
Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam, en door de kamer ging loopen.
Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor kreeg Jarro zoo’n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.
Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand, als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar “welkom” toe in zijn eigen taal.
Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor hen hoefden te wezen.
Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer, die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.
“Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden,” zei Klorina. “Wacht maar, tot je vetbent. Dan draaien ze je den nek om. Ik ken ze wel, die menschen!”
Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen, dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even liefhadden als hij hen.
Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend te kibbelen.
“Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, ’t volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt, en in een akker veranderd,” zei Klorina.
“Wat zeg je daar, Klorina?” riep Jarro, en sprong op van schrik.
“Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal verstaat,” zei de kat. “Anders zou je wel hebben gehoord, dat de knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten.”
Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.
“Je bent even akelig als een zwart waterhoen,” zei hij tegen Klorina. “Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan ’t schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!”
Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.
“Zoo! Geloof je, dat ik lieg?” zei ze. “Vraag het Caesar dan, hij was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!”
“Caesar!” zei Jarro. “Jij verstaat de menschentaal veel beter dan Klorina. Zeg nu eens, dat zij ’t niet goed gehoord heeft. Stel je nu eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen droogmaken en van den bodem van ’t meer een akker maken. Dan zou daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden, en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit zoo’n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina het niet mis heeft!”
’t Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten, en sliep vast in een oogenblik.
De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.
“Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil,” zei zetegen Jarro. “’t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen, dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas waren op ’t meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen, en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet te behouden.”
Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den kop op, en riep Caesar in ’t oor:
“Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn, dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is, dat de menschen van plan zijnaldie eenden dakloos te maken.”
Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina, dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.
“Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil,” schreeuwde Caesar. “Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van ’t jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als het Takermeer wordt droog gemaakt? En jijbenteen stoffel, als je je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen vogels meer op het Takermeer zijn?”
De lokvogel.Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet van ’t vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte,en de groene toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.“Het is verboden in dezen tijd,” zei hij, “maar dat geldt natuurlijk niet voor mij.”De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten rond loopen.Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in ’t water en haalde ze op.Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den hond gaan liggen slapen.Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: “Weg! weg! Pas op. Ga een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik ben maar een lokvogel!”En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, en hij was al over ’t heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: “Pas op, vogels! Kom niet in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel,” dat er een duikernest kwam aandrijven naar ’t eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu niet zooveel bizonders. ’t Was een nest van het vorige jaar, en de duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe: “Kom zoo dicht bij ’t water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!”Een oogenblik later lag het duikernest bij ’t land, maar de kleine roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een mesje uit de scheede aan zijnzij, en sneed het net, dat Jarro’s vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. “Vlieg nu weg, Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden,” riep hij, terwijl hij weer in ’t nest sprong, en van land afzette.De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en greep hem bij den nek.Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, zei met de grootste kalmte tegen Caesar:“Als jij zoo eerlijkbent, als je er uitziet, kun je toch niet een goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun ongeluk te lokken.”Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar een oogenblik later liet hij Jarro los. “Vlieg maar weg, Jarro,” zei hij. “Jebentzeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer.”
Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes, die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.
Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.
Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet van ’t vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes, maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte,en de groene toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.
De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan, en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was, omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.
Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.
“Het is verboden in dezen tijd,” zei hij, “maar dat geldt natuurlijk niet voor mij.”
De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten rond loopen.
Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg, maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die, en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen, begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in ’t water en haalde ze op.
Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den hond gaan liggen slapen.
Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: “Weg! weg! Pas op. Ga een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik ben maar een lokvogel!”
En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.
Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.
Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard, en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.
Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen, stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.
Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet, en hij was al over ’t heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: “Pas op, vogels! Kom niet in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel,” dat er een duikernest kwam aandrijven naar ’t eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu niet zooveel bizonders. ’t Was een nest van het vorige jaar, en de duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven; dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.
Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje, het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe: “Kom zoo dicht bij ’t water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!”
Een oogenblik later lag het duikernest bij ’t land, maar de kleine roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.
Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een mesje uit de scheede aan zijnzij, en sneed het net, dat Jarro’s vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. “Vlieg nu weg, Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden,” riep hij, terwijl hij weer in ’t nest sprong, en van land afzette.
De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en greep hem bij den nek.
Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had, zei met de grootste kalmte tegen Caesar:
“Als jij zoo eerlijkbent, als je er uitziet, kun je toch niet een goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun ongeluk te lokken.”
Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar een oogenblik later liet hij Jarro los. “Vlieg maar weg, Jarro,” zei hij. “Jebentzeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer.”
Het droogmaken van het meer.’t Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, en had in zijn heele leven nog niet zoo’n speelkameraad gehad als Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd: “Let op Peer Ola, Caesar.”Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden,dat hij niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.Toen Peer Ola aan den oever van ’t meer was gekomen, riep hij meer dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, dat zij de rechte niet waren.Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker gemakkelijk zou vinden, als hij maar op ’t meer kon komen. Er lagen veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op het Takermeer, maar als ’t water hoog is, en ’t ongeluk het wil, hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op ’t water te komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven, riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro niet kwam.Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijkblij, omdat een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander weer zagen.Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen ’t riet, en nu kreeg Peer Ola ’t bevel aan land te stappen. Op ’t zelfde oogenblik, dat hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen, naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil liggen, alsof hem dat alles niet aanging.Verder op den dag vond men Peer Ola’s voetstappen bij de booten. En toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen te zoeken. Ze roeiden over ’t meer heen en weer tot den avond, zonder een glimp van hem te zien. Ze konden niet andersdenken, dan dat de oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem van het meer lag.Dien avond zwierf Peer Ola’s moeder aan den oever. Alle anderen waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden en jammerden.“Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren,” dacht ze. Maar dan bedacht ze zich. ’t Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die hadden toch zeker geen zorgen. ’t Was vreemd, dat ze niet stil werden na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele lucht was vol klachten en gejammer.Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo’n groot verschil tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis hier bij het Takermeer zouden moeten missen. “Dat wordt toch moeielijk voor hen,” dacht ze. “Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?”Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig werk—een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel duizenden dieren woonden.Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad weer goed te maken.Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola’s dood eenstraf voor hen beiden was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt, zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, dietweemaalzoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor hij antwoordde:“Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is.”Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, en trok haar naar de deur.“Maar Caesar toch!” riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen barstte ze uit: “Weet je, waar Peer Ola is?”Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En nauwelijks waren zij aan den kant van ’t meer gekomen, of ze hoorden het schreien van een kind over ’t meer.Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en Caesar hem kwamen halen.
’t Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde, was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud, en had in zijn heele leven nog niet zoo’n speelkameraad gehad als Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen, maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.
Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.
Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd: “Let op Peer Ola, Caesar.”
Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden,dat hij niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden, weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.
En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer, op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou, zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel, dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.
Toen Peer Ola aan den oever van ’t meer was gekomen, riep hij meer dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken, maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus, dat zij de rechte niet waren.
Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker gemakkelijk zou vinden, als hij maar op ’t meer kon komen. Er lagen veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op het Takermeer, maar als ’t water hoog is, en ’t ongeluk het wil, hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op ’t water te komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.
Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven, riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro niet kwam.
Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde, dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijkblij, omdat een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander weer zagen.
Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen ’t riet, en nu kreeg Peer Ola ’t bevel aan land te stappen. Op ’t zelfde oogenblik, dat hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.
Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland, en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.
Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen, naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.
Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht, maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil liggen, alsof hem dat alles niet aanging.
Verder op den dag vond men Peer Ola’s voetstappen bij de booten. En toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag, en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.
De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen te zoeken. Ze roeiden over ’t meer heen en weer tot den avond, zonder een glimp van hem te zien. Ze konden niet andersdenken, dan dat de oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem van het meer lag.
Dien avond zwierf Peer Ola’s moeder aan den oever. Alle anderen waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen, en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken, hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.
Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide, klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden en jammerden.
“Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren,” dacht ze. Maar dan bedacht ze zich. ’t Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die hadden toch zeker geen zorgen. ’t Was vreemd, dat ze niet stil werden na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar, waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele lucht was vol klachten en gejammer.
Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond, dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren, hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo’n groot verschil tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.
Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis hier bij het Takermeer zouden moeten missen. “Dat wordt toch moeielijk voor hen,” dacht ze. “Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?”
Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig werk—een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel duizenden dieren woonden.
Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad weer goed te maken.
Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola’s dood eenstraf voor hen beiden was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.
Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt, zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, dietweemaalzoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.
En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor hij antwoordde:
“Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel, dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is.”
Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet, en trok haar naar de deur.
“Maar Caesar toch!” riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen barstte ze uit: “Weet je, waar Peer Ola is?”
Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open, en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van, dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En nauwelijks waren zij aan den kant van ’t meer gekomen, of ze hoorden het schreien van een kind over ’t meer.
Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had, en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en Caesar hem kwamen halen.
XIX.De voorspelling.Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in ’t Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo’n schelle lichtgloed in ’t gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op ’t meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen ’t riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.“Houd nu hier stil,” zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.“Ziezoo!” zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. “Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan.”Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken.“’t Is zoo mooi hier op ’t meer vanavond,” zei hij. En dat was het ook. ’t Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. ’t Strand lag verscholen achter de rietbossen in ’t Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.“Ja, ’t is hier mooi in Östergyllen,” zei hij. “Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is.”“Wat is het dan?” vroeg de roeier.“Ja,—dat het een land is, dat in eer en aanzien staat.”“Ja, dat kan wel zijn.”“En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal.”“Hoe ter wereld kan men dat weten?” vroeg hij, die bij de riemen zat.De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.“Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan,” zei hij.“Dat kon je me wel eens vertellen,” zei de roeier.“We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden.”“Op Ulvasa, hier in Oostgothland,” ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, “woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in ’t rond beroemd, en ’t is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.“Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe,” zei de boer na een poosje.“Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken,” antwoordde zij.“Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan ’t hart gaat,” zei de boer.“Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe ’t met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels worden zal.”“Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden,” zei de boer. “Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden te zijn met wat hij moest hooren.”Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.“Zoo,” zei ze, “heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet zoo kan antwoorden, dat je tevredenbent.”Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.“Is er niet anders, dat je weten wilt,” zei de wijze vrouw, “dan denk ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen.”“Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe,” zei de boer, “en ik zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets mogelijk wezen kon.”“Waarom zou dat niet mogelijk zijn?” zei de vrouw van Ulvasa. “Weet je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo’n mooie domkerk heeft als die in Linköping?”“Dat kan wel zoo zijn,” zei de boer, “maar ik ben een oud man, en ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk.”“Daar kun je gelijk aan hebben,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar daarom hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft.”De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens in discrediet kwam.“’t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken,” zei de vrouw van Ulvasa. “Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten.”“Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor,” zei de boer. “Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?”“Het is geen kleinigheid, wat je wil weten,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt.”De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.“Je bent niet gemakkelijk te voldoen,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken.”“Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?” hield de boer aan.“Je hoeft niet zoo bang te wezen,” zei de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt.”“Dat is een gewichtig ding om te hooren,” zei de boer. “Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?”“Daar moet je niet bezorgd over wezen,” antwoordde de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen.”Maar de boer bleef er ongerust uitzien.“Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging gaan zetten,” zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. “Ik hoor hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping.”“Ja, het is goed, dat ik dat weet,” zei de boer, “maar alles is veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden.”Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw van Ulvasa ten eind.“Je zegt, dat alles vergankelijk is,” zei ze, “maar nu zal ik je toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in ’t land zullen zijn tot aan ’t eind van de wereld.”Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk was hij voldaan, zei hij.“Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent,” zei de vrouw van Ulvasa.“Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe,” zei de boer, “dat alles wat koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of bouwen,—dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle tijden heen.”
Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in ’t Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo’n schelle lichtgloed in ’t gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.
Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op ’t meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen ’t riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.
In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met grove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.
“Houd nu hier stil,” zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.
“Ziezoo!” zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. “Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan.”
Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken.
“’t Is zoo mooi hier op ’t meer vanavond,” zei hij. En dat was het ook. ’t Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lag te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw, en dicht met sterren bezaaid. ’t Strand lag verscholen achter de rietbossen in ’t Westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.
De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.
“Ja, ’t is hier mooi in Östergyllen,” zei hij. “Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is.”
“Wat is het dan?” vroeg de roeier.
“Ja,—dat het een land is, dat in eer en aanzien staat.”
“Ja, dat kan wel zijn.”
“En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal.”
“Hoe ter wereld kan men dat weten?” vroeg hij, die bij de riemen zat.
De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.
“Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan,” zei hij.
“Dat kon je me wel eens vertellen,” zei de roeier.
“We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden.”
“Op Ulvasa, hier in Oostgothland,” ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, “woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in ’t rond beroemd, en ’t is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.
Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.
“Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe,” zei de boer na een poosje.
“Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken,” antwoordde zij.
“Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan ’t hart gaat,” zei de boer.
“Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe ’t met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels worden zal.”
“Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden,” zei de boer. “Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden te zijn met wat hij moest hooren.”
Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.
“Zoo,” zei ze, “heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet zoo kan antwoorden, dat je tevredenbent.”
Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.
“Is er niet anders, dat je weten wilt,” zei de wijze vrouw, “dan denk ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen.”
“Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe,” zei de boer, “en ik zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets mogelijk wezen kon.”
“Waarom zou dat niet mogelijk zijn?” zei de vrouw van Ulvasa. “Weet je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo’n mooie domkerk heeft als die in Linköping?”
“Dat kan wel zoo zijn,” zei de boer, “maar ik ben een oud man, en ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk.”
“Daar kun je gelijk aan hebben,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar daarom hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het meest beroemde in het Noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft.”
De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens in discrediet kwam.
“’t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken,” zei de vrouw van Ulvasa. “Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten.”
“Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor,” zei de boer. “Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?”
“Het is geen kleinigheid, wat je wil weten,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt.”
De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Finspangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets níeuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.
“Je bent niet gemakkelijk te voldoen,” zei de vrouw van Ulvasa, “maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken.”
“Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?” hield de boer aan.
“Je hoeft niet zoo bang te wezen,” zei de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt.”
“Dat is een gewichtig ding om te hooren,” zei de boer. “Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?”
“Daar moet je niet bezorgd over wezen,” antwoordde de vrouw van Ulvasa. “Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan komt Oostgothlands roem weer op aller lippen.”
Maar de boer bleef er ongerust uitzien.
“Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging gaan zetten,” zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. “Ik hoor hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping.”
“Ja, het is goed, dat ik dat weet,” zei de boer, “maar alles is veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden.”
Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw van Ulvasa ten eind.
“Je zegt, dat alles vergankelijk is,” zei ze, “maar nu zal ik je toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke trotsche en hardnekkige boeren, als jij er een bent, hier in ’t land zullen zijn tot aan ’t eind van de wereld.”
Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk was hij voldaan, zei hij.
“Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent,” zei de vrouw van Ulvasa.
“Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe,” zei de boer, “dat alles wat koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadburgers oprichten of bouwen,—dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle tijden heen.”
XX.Het baaien kleed.De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die boven kleine boschjes uitstaken.Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich over verbaasde.“Er moeten in dit land geen boeren wonen,” zei hij in zichzelf, “want ik zie nergens boerderijen.”Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; “Hier wonen de boeren als heeren! Hier wonen de boeren als heeren!”Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was begonnen.“Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers kruipen?” vroeg de jongen na een poos.“Ossen en ploegen! ossen en ploegen!” antwoordden alle wilde ganzen.De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen hun toe. “Jelui komt van ’t jaar niet klaar! Jelui komt van ’t jaar niet klaar!”Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek hoog in lucht en loeiden: “Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in ’t heele jaar!”Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden niet laten ook hen te plagen.“Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?” riepen zij de paarden toe. “Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?”“Schaam jelui je niet zoo te luieren?” hinnikten de paarden terug.Terwijl de paarden en ossen buiten aan ’t werk waren, liepde hamel op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.“Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?” riepen de wilde ganzen, die boven in de lucht voorbij vlogen.“Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,” antwoordde de hamel met een lang geblaat.“Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?” vroegen de ganzen.Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos werd hij.Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los, zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om elkaar te beschermen.“Knor, knor!” riepen de biggetjes. “Wij zijn te vroeg van Vader en Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!”Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers den gek te steken.“’t Zal je beter gaan, dan je denkt,” riepen zij in ’t voorbijgaan.De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in, dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige streken ingesloten, een in ’t noorden en een in ’t zuiden. De beide boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai.Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij, dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen, glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er was niet veel orde en regel in ’t patroon, maar het was een pracht, waar je nooit genoeg naar kijken kon.De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk, en teerden de groote sluispoorten.Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil- en stoombooten in orde gemaakt.BijNorrköpingverlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.“Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen.”De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp hadden opgeraapt.“Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan mijn klomp niet terug krijgen!”Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.“De wilde ganzen lieten het vallen,” zei kleine Mads.Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: “Herinner jij je wel, Mads, dat we, toen we voorbij ’t Övedklooster liepen, er over hebben hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwergmet klompen aan had gezien, die op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen, Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was, en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel, die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor.”“Ja, dat moet zeker zoo wezen,” antwoordde kleine Mads.Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.“Wacht! wacht eens, Mads,” zei Asa. “Hier staat iets op den eenen kant.”“Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters.”“Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson, V. Vemmenhög.”“Dat is wel ’t wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb,” zei Mads.
De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die boven kleine boschjes uitstaken.
Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich over verbaasde.
“Er moeten in dit land geen boeren wonen,” zei hij in zichzelf, “want ik zie nergens boerderijen.”
Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; “Hier wonen de boeren als heeren! Hier wonen de boeren als heeren!”
Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was begonnen.
“Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers kruipen?” vroeg de jongen na een poos.
“Ossen en ploegen! ossen en ploegen!” antwoordden alle wilde ganzen.
De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen hun toe. “Jelui komt van ’t jaar niet klaar! Jelui komt van ’t jaar niet klaar!”
Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek hoog in lucht en loeiden: “Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in ’t heele jaar!”
Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden niet laten ook hen te plagen.
“Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?” riepen zij de paarden toe. “Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?”
“Schaam jelui je niet zoo te luieren?” hinnikten de paarden terug.
Terwijl de paarden en ossen buiten aan ’t werk waren, liepde hamel op de boerenplaats rond. Hij was pas geschoren en prikkelbaar; hij stootte de kleine jongens ondersteboven, joeg den kettinghond in zijn hok, en liep dan fier rond, alsof hij alleen baas op de hoeve was.
“Hamel, hamel, wat heb je met je wol gedaan?” riepen de wilde ganzen, die boven in de lucht voorbij vlogen.
“Die heb ik naar de fabrieken van Drag in Norrköping gestuurd,” antwoordde de hamel met een lang geblaat.
“Hamel, hamel, wat heb je met je horens gedaan?” vroegen de ganzen.
Maar horens had de hamel tot zijn groote spijt nooit gehad, en men kon hem niet meer ergeren, dan door daarnaar te vragen. Hij sprong een heele poos rond, en stootte om zich heen in de lucht, zóó boos werd hij.
Op den grooten weg kwam een man aan, en dreef een troep Skaansche biggetjes voor zich uit, die nog maar een paar weken oud waren, en op het land verkocht moesten worden. Ze stapten er dapper op los, zoo klein als ze waren, en drukten zich dicht tegen elkaar aan om elkaar te beschermen.
“Knor, knor!” riepen de biggetjes. “Wij zijn te vroeg van Vader en Moeder weggenomen! Hoe zal het met ons, arme kinderen, gaan!”
Maar zelfs de wilde ganzen hadden het hart niet met zulke stakkers den gek te steken.
“’t Zal je beter gaan, dan je denkt,” riepen zij in ’t voorbijgaan.
De wilde ganzen waren nooit zoo opgeruimd, als wanneer ze over een vlakte kwamen. Dan haastten zij zich niet, maar vlogen van de eene hoeve naar de andere, en maakten gekheid met de tamme dieren.
Terwijl de jongen over de vlakte reed, viel hem een verhaal in, dat hij eens lang geleden had gehoord. Hij kon het zich niet goed meer herinneren, maar het was iets van een kleedingstuk, dat half van brokaat en half van baai gemaakt was. Maar zij, die dat kleedingstuk bezat, versierde het baaien gedeelte met zooveel paarlen en edelsteenen, dat het mooier en kostbaarder scheen dan het brokaat.
Hij dacht daaraan, toen hij Oostgothland zag, omdat het uit een groote vlakte bestond, tusschen twee bergachtige, boschachtige streken ingesloten, een in ’t noorden en een in ’t zuiden. De beide boschachtige strooken lagen in blauwachtig licht, en schitterden in het morgenrood, alsof ze met gulden sluiers waren bedekt, en de vlakte, waarop de eene kale winterakker naast den anderen lag, was op zichzelf niet mooier om te zien dan grijs baai.
Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij, dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen, glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er was niet veel orde en regel in ’t patroon, maar het was een pracht, waar je nooit genoeg naar kijken kon.
De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk, en teerden de groote sluispoorten.
Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil- en stoombooten in orde gemaakt.
BijNorrköpingverlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.
“Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen.”
De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp hadden opgeraapt.
“Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan mijn klomp niet terug krijgen!”
Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.
“De wilde ganzen lieten het vallen,” zei kleine Mads.
Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te peinzen. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: “Herinner jij je wel, Mads, dat we, toen we voorbij ’t Övedklooster liepen, er over hebben hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwergmet klompen aan had gezien, die op den rug van een gans vloog? En toen we zelf in ons huisje kwamen, Mads, zagen we immers een kaboutertje, dat precies zoo gekleed was, en ook op een gans klom en wegvloog. Misschien was hij het wel, die hier door de lucht reed op zijn gans, en de klomp verloor.”
“Ja, dat moet zeker zoo wezen,” antwoordde kleine Mads.
Zij keerden de klomp om, en bekeken die nauwkeurig, want het overkomt niet iedereen dwergeklompjes op den weg te vinden.
“Wacht! wacht eens, Mads,” zei Asa. “Hier staat iets op den eenen kant.”
“Ja, dat is zoo. Het zijn kleine letters.”
“Laat eens zien. Ja, daar staat.... daar staat: Niels Holgersson, V. Vemmenhög.”
“Dat is wel ’t wonderlijkste, wat ik ooit gehoord heb,” zei Mads.