XXI.

XXI.De geschiedenis van Karr en Grauwvel.Karr.Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen, die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen naar het bosch, en hem dood te schieten.De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen zeiden. Terwijl de boschwachter hem door ’t bosch bracht, wist hij heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze ’t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en intoom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren er dan ook bij massa’s. Ze noemden het onder elkaar het “Vrijbosch”, en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.“Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze wisten wat me wachtte,” dacht hij. En hij kwispelde met den staart, en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of gedrukt was.“Wat zou er aan ’t leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens had mogen jagen?” dacht hij. “Wie berouw hebben wil, mag dat voor mijn part. Ik doe niet meê!”Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams in den zin gekomen was.Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren, en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort na het ontdooien van den grond, en dat het zoo’n groot dier, als zij was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, en keerde weer terug.De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat gelukte niet,—ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij een eland in ’t ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, vóór hij thuis was.Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed hem op een heel andere manier verdriet, dan al hetkwaad, dat hij ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat hij het wilde, om het leven had gebracht.“Maar ze leven misschien nog,” dacht de hond op eens. “Ze waren immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog wel uitgeraakt.”Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij verdwenen was.De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde hij luid, alsof hij om hulp riep.Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, likte hem de handen, en blafte van vreugd.De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde hij om, en ging naar het landgoed terug.Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, vóór hij zou sterven.Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.“Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê aankomt?” zei hij. “Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al lang dood.”Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den boschwachter weg om zich te verstoppen.Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, en hen hadwillenredden.“Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,” zei hij eindelijk.De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust over de elanden was geweest?De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, wat hij doen moest.“Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven,” zei hij eindelijk.Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de boschwachterswoning.De vlucht van Grauwvel.Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met het elandkalfje te spelen.Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem tebemoeien. Maar doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten het hok zag,alsofhet er blij om was, dat hij kwam.Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, alsof een groote wensch van hem was vervuld.Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees hem zoo’n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.’t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in dengrootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.“Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?” vroeg Karr.“Wat zou het helpen, als ik me verzette?” zei Grauwvel. “Ik zou ’t liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier wel vandaan moeten.”Karr stond hem aan te zien. ’t Was merkbaar, dat de eland nog niet volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid te strijden.“Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,” dacht Karr, maar hij zeide niets.Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist, dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.“Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen,” zei Karr, en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. “Je zult in een grooten tuin gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen, dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben, dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een bosch geweest.”Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.“Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining komen?” zei hij met zijn gewone slapheid.“Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen heeft,” zei Karr.De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten, bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. ’t Was een mooie nacht met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.“’t Is misschien ’t beste, dat we teruggaan,” zei Karr. “Jij, die nog nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken.”Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen dringen kon.“Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou en den storm,” zei Karr. “Hier staan zij onder den blooten hemel, den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os.”Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken dennengeur in.Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de grasboschjes en het weeke moeras.“Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar zijn,” zei Karr. “Ik weet niet hoe zij ’t aanleggen, maar zoo groot en zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen.”Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op ’t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.“Hebben wij nu het heele bosch gezien?” vroeg hij.“Neen, nog niet,” antwoordde Karr.Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.“Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast,” zei Karr. “Zij houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel krijgen in het buitenland.”Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en de abeelenbast.“Dat smaakt sterk en goed,” zei hij. “Dat is beter dan klaver.”“’t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg,” zei de hond.Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.“Wat is dat, Karr?” vroeg hij. ’t Was voor ’t eerst, dat hij een meer zag.“Dat is een groot water, dat is een meer,” zei Karr. “Je familie zwemt gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan om een bad te nemen.”Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van welbehagen, toen het water zich zacht en koelom zijn leden sloot. Hij wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde, dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen, en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden, vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?“’t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het bosch rond blijven loopen,” zei Grauwvel.Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen, glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote dieren te grazen. ’t Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.“Wat is dat voor een dier?” vroeg Grauwvel met een stem, die beefde van verwondering.“Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in ’t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden.”“Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem bekijken,” zei Grauwvel. “Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon zijn.” Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.“Jebentzeker niet vriendelijk ontvangen,” zei Karr.“Ik zei hem, dat het voor ’t eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette, en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me af, en dreigde me met zijn horens.”“’t Was goed, dat je wegging,” zei Karr. “Een jonge stier, die nog maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in ’t heele bosch gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten, maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het buitenland zult gaan.”Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en Grauwvel werd over ’t heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel vochtzwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, en sprong het bosch in.Karr stond nog aan den zoom van ’t bosch, toen Grauwvel terugkwam.“Nu heb je gezien, wat er in het bosch was,” zei hij. “Wil je nu meê naar huis gaan?”“Ja, nu zal het wel tijd zijn,” zei de eland.Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.“De elanden zijn één met het bosch!” riep hij, wierp den kop achteruit, zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.Helpmij.Diep in ’t groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in ’t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, dat men “Nonvlinders” noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in ’t bosch een paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen dag, na zijn vlucht, in ’t bosch rondgeloopen om te maken, dat hij er zich thuis zou gaan voelen.In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in ’t oog had gekregen, die bij den poel groeiden.Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn tong over den verbrijzelden kop gaan.“Is dat werkelijk mogelijk, dat je doodbent, oude Karnlösa?” siste de slang. “Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was het ergste verdriet, dat me treffen kon.”De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor hen leefden, hadden medelijden met hem.“Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die zich niet kan verweren!” siste de slang, “hij verdient zeker een heel harde straf.” Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, maar op eens hief hij den kop op. “Ik zal me wreken, zoowaar ik Helpmij heet, en de oudste slang in ’t bosch ben! Ik zal niet rusten, voor die eland dood op ’t veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!”Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang, dan wraak te bedenken op een grooten,krachtigen eland, en de oude Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, toen begon hij luid inzichzelfte sissen, maar eindelijk sliep hij in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een steenachtige en hooggelegen streek van ’t Friedsbosch woonde. Aan hem vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.“Als ik een eland aanviel,” zei hij, “zou hij me dadelijk doodslaan. Je oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?”Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.“Wisch, wasch! wisch, wasch!” zei hij. “’t Is jammer, dat jij zulke wapens hebt, jij, die zoo lafis, dat je ze niet gebruiken durft.”Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.“Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!” siste hij. “’t Vergif loopt me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, liefst sparen.”De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.“Ik had eigenlijk nog een boodschap,” zei hij, en begon zacht te fluisteren; “maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet helpen wilt.”“Als je me maar niet ietsonzinnigsvraagt, wil ik je wel van dienst zijn.”“In de dennen dicht bij mijn poel,” zei de slang, “woont een vlindervolk, dat in den nazomer ’s nachts rondvliegt.”“Ik weet wel wie je meent,” zei Krule “wat wou je met hen?”“’t Is het kleinste insectenvolk in het bosch,” zei Helpmij, “en de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van dennebast tevreden stellen.”“Ja, dat weet ik,” zei Krule.“Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijnuitgeroeid,” zei de slang. “Er zijn zooveel dieren, die de larven in de lente opeten.”Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: “Wil je, dat ik aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?”“Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in ’t bosch, daarvoor zorgen kon, zou het wel goed zijn.”“Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,” zei de adder. “Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets onmogelijks begeert.”“Dat is een goede belofte, Krule,” zei Helpmij, “en ik ben blij, dat ik bij je gekomen ben.”XXII.De nonnen.Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de stoep. ’t Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten, en ’t was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.“Ben jij het, Grauwvel?” vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord, maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het geluid af.Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het ’t dichtste was, zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het spoor niet te verliezen.“Karr, Karr,” hoorde hij roepen, en ’t was de stem van Grauwvel, maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.“Ik kom, ik kom! Waar ben je?” antwoordde de hond.“Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?” vroeg Grauwvel.Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een lichte regen.“Ja, dat zie ik!” riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den eland te zoeken.Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr was opnieuw bijna het spoor bijster.“Karr, Karr!” schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, “merk je niet, hoe het ruikt in ’t bosch?” Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur verspreidden, dan ze anders deden.“Ja, ik merk, hoe het ruikt,” zei hij, maar gaf zich niet dentijd om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet kon inhalen. “Karr, Karr!” riep hij een poos later, “hoor je niet hoe het knapt in de takken.” Nu klonk de stem zóó droevig, dat die steenen zou kunnenvermurwen. Karr bleef staan om te luisteren, en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het klonk als het tikken van een horloge.“Ja, ik hoor het knappen,” riep Karr, en ging nu niet verder. Hij begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove, donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam, ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom; dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk, dat de hond er last van had.“Die den daar zal niet veel naalden behouden,” dacht hij, en keerde zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den, maar die zag er ook zoo uit. “Wat kan dat wezen?” dacht Karr. “Dat is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid hebben verloren.”Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter te komen, hoe ’t met hen was. “Dat daar is een spar, die hebben ze misschien niet aangedurfd,” dacht hij. Maar ze hadden ook de spar aangetast. “En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den boschwachter wel niet aanstaan,” dacht Karr.Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken, rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. ’t Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles doodstil was.“Hier is hun rijk uit,” dacht de hond, bleef staan, en keek rond.Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen te gebruiken.Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karrte wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden, de aanzienlijkste in ’t bosch. Karr kende hen. ’t Waren Kromrug, een kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn, de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in den herfst een kogel in de dij gekregen had.“Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?” vroeg Karr, toen hij bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.“Dat kan niemand zeggen,” antwoordde Grauwvel. “Dit insectenvolk hier is het meest machtelooze in ’t heele bosch geweest, en heeft vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele bosch zullen vernielen.”“Ja, het ziet er leelijk uit,” zei Karr, “maar ik merk, dat de wijzen uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er misschien iets op gevonden.”Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op, klapte met de lange ooren, en zei: “We hebben je hier geroepen, Karr, om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting.”“Neen,” zei Karr, “zoover in ’t bosch komt immers geen mensch, wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk.”“Wij, die in ’t bosch oud geworden zijn,” zei toen Kroonhoorn, “gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk kunnen verweren.”“Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,” zei Ruigmaan. “Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit.”“Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven,” zei Grootsterk. “We hebben geen keus.”Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.“Is ’t misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten, hoe het hier gaat?”Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.“’t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen, maar we weten geen anderen raad.”Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep, diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem een groote, zwarte slang te gemoet.“Welkom in ’t bosch,” siste de slang.“Goedendag,” blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.“Misschien is hij ook ongerust over ’t bosch,” dacht Karr, en bleef staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.“Als de menschen hier komen, is ’t uit met onze rust en vrede,” zei hij.“Daar ben ik ook bang voor,” zei Karr, “maar de oude elanden in ’t bosch weten wel, wat ze doen.”“Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet,” zei de slang, “als ik maar het loon kreeg, dat ik verlang.”“Ben jij ’t soms, die ze Helpmij noemen?” vroeg de hond verachtelijk.“Ik ben al een oude boschbewoner,” zei de slang. “Ik weet, hoe je dat ongedierte wegkrijgen kunt.”“Als je ’t maar wegkrijgen kunt,” zei Karr, “denk ik wel, dat niemand je weigeren zal, wat je ook begeert.”Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.“Groet dan Grauwvel van mij,” zei hij, “en zeg hem, dat, als hij van het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in ’t bosch groeit, en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en er van eten.”“Wat zeg je daar?” vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op te staan. “Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?”“Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was,” zei de slang. “En ik wil me op hem wreken.”Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem, maar hij lag veilig onder den boomwortel.“Lig daar zoolang je wilt,” zei Karr eindelijk. “Wij zullen die denneneters zonder jou wel wegkrijgen.”Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.“Dat is Karr, die weer aan ’t jagen is,” zei de ijzerfabrikant. De boschwachter wilde het niet gelooven.“Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden,” zei hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte, en de ijzerfabrikant volgde hem.Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staanom te luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden, die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.De groote nonnenoorlog.Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. “Karr, Karr!” riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed gehoord. ’t Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.“Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!” zei de vos.“Ja, wees daar maar zeker van,” zei Karr. “Zij werken er voor, zoo hard zij kunnen.”“Ze hebben mijn heele familie vermoord,” zei de vos. “En zij zullen mij ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, als zij het bosch maar helpen.”Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. ’t Was niet zoo gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden1was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang te redden. Zij velden de boomen, die ’t meest beschadigd waren, kapten het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze lijmringen aan te leggen om de boomen. ’t Was de bedoeling, dat men op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, en daar dood te hongeren.De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af,dat de larven uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren massa’s, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten van Kolmarden.“Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn,” zeiden de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.“Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?” vroeg de slang.Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.“Doe dat in ieder geval,” zei de slang. “Je ziet immers wel, dat de menschen geen raad weten voor deze verwoesting.”“Ja, jij ook niet,” antwoordde Karr, en liep verder.Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. “Ik weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,” zei hij.“Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt,” zei Karr, en bracht nu de boodschap van de slang over.“Als ’t iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik dadelijk in ballingschap gaan,” zei de eland. “Maar hoe zou nu een arme slang zoo’n macht hebben?”“’t Is natuurlijk maar pocherij,” zei Karr. “Slangen doen altijd, alsof ze meer weten dan andere dieren.”Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag, bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:“Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!” Toen rende hij weg, zoo hard hij kon.“Wat bedoelen ze daarmeê?” vroeg Karr.“Dat weet ik niet precies,” zei Grauwvel. “Ik denk, dat het kleine volkje in ’t bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt.”Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten werd geroepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.“Zeg, Grauwvel,” vroeg Karr snel, “wat meent de slang daarmeê, dat je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?”“Hoe kan ik dat weten?” zei Grauwvel. “Je weet, dat ik nooit iemand doodsla.”Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn, Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen, achter elkaar.“Welkom in ’t bosch,” riep Grauwvel ze tegen.“Goeden dag,” antwoordden de elanden. “We zochten je juist, Grauwvel, om met je over het bosch te spreken.”“We hebben gehoord,” zei Kromrug, “dat er hier een misdaad in ’t bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die daad niet gestraft is.”“Wat is dat voor een misdaad?”“Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet eten kon. Zooiets wordt hier in ’t Friedsbosch voor een misdaad gehouden.”“Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?” vroeg Grauwvel.“Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je weet, wie dat wezen kan.”“Neen,” zei Grauwvel, “ik heb nooit over een eland hooren spreken, die een onschadelijk dier heeft gedood.”Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule, de adder, die daar in zijn hol lag.“Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield,” siste Krule, zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op de adder toe, en lichtte den voorpoot op.“Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt doodgeslagen?”“Heb ik een slang doodgeslagen?” vroeg Grauwvel.“De eerste dag, toen je in ’t bosch kwam, sloeg je de vrouw van de slang, Helpmij, dood,” zei Krule.Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens stond hij stil:“Karr,ikheb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest.”“Wat zeg je toch?” viel Karr hem in de rede.“Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in ballingschap gaat.”“Dat zeg ik nooit,” zei Karr. “’t Is een gevaarlijk land voor elanden, daar in ’t noorden.”“Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo’n ongeluk heb aangericht?” vroeg Grauwvel.“Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet.”“Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch,” zei Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord had gehouden, en in ballingschap was gegaan.Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet wegpraten. Hij had nooit van zoo’n dwaasheid gehoord. Wat kon die Helpmij nu voor macht hebben?Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.“Waar kijk je naar?” vroeg een man, die naast hem stond.“Er is een ziekte onder de larven uitgebroken,” zei de boschwachter.Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want die slang zou wel nooit sterven.Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, die hem een beetje troostte.“De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden,” dacht hij. “Hij zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal.”Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, of de larven hadden zich verpopt. Uit depoppen kwamen millioenen vlinders. Zij vlogen ’s nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon men nog grooter verwoesting verwachten.De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van ’t eene bosch naar het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot, toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid, en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven leven, tot ze poppen en vlinders werden.Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap, dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.De wraak.Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs dekte ’t geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klompverloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van ’t bosch. “Neen, dan heb ik de vlakte en de zee liever,” dacht hij. “Daar kun je zien, waar je op afgaat. Als ’t nog een beukenbosch was, kon ’t er nog door, want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, die zoo woest en ongebaand zijn—ik begrijp niet, hoe de menschen het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken.”Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in ’t oog, en stond dat juist om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef rustig staan. “Dat is maar een slang,” dacht hij. “Die kan mij toch niets doen.”Maar ’t volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo’n sterken stoot voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem dicht op de hielen.Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile kanten, en hij klauterde er op.“Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen,” dacht hij, maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, dat de slang probeerde achter hem aan te komen.Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal los op een smallen kant. ’t Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den slangenkop liggen.“Die heeft zijn werk netjes gedaan,” dacht de jongen, en haalde diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, stil bleef liggen.“Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar ben geweest.”Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een metaalachtigen glans er over.De jongen kroop voorzichtig weg in een spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur, toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder noodzaak vertoonen.De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed in de ooren: “Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood ligt!” Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.“’t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in ’t bosch kunnen zijn,” zei hij. “Hij is het zeker!”Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens hield hij zich in. “Je moet geen ezel zijn, Bataki,” zei hij. “Je kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is, als hij hem niet zelf ziet.”De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten, dat hij het lachen niet laten kon.De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. “Ben jij niet Bataki, de raaf, eengoedevriend van Akka van Kebnekaise?” vroeg de jongen.De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.“Jijbenttoch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt, en dien ze Duimelot noemen?”“Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis,” zei de jongen.“Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen, wie die slang heeft dood geslagen?”“Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,” antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.“Dat was flink voor zoo’n kleintje als jij,” zei de raaf.“Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen.”“Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,” zei de jongen.“Och,” antwoordde de raaf, “dat is een lang verhaal. Je hebt toch geen geduld daarnaar te luisteren.”Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.“Ik dank je wel,” zei hij. “’t Is alsof ik het bosch beter begrijp, nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog iets van het groote Friedsbosch over is.”“’t Meeste is al verwoest,” zei Bataki. “De boomen zien er uit, alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is.”“Die slang daar heeft zijn dood verdiend,” zei de jongen. “Maar hoe wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?”“Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,” zei Bataki.“Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder geval een heel verstandig dier was.”De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop afgewend te luisteren naar iets anders.“Hoor,” zei hij. “Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, als hij hoort, dat Helpmij dood is.”De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.“Hij spreekt met de wilde ganzen,” zei hij. “Ja, hij heeft zich zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel te hooren.”De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.“Daar heb je Karr,” zei Bataki tegen den jongen.“Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is.”Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:“’t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden,” zei de gans. “We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die ’s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, messen in den gordel, maar geen geweren.Er was een hard bevroren korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, maar liepen rechtuit.Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden, wat ze zochten.Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden ’t heele bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.We daalden snel naar beneden, en streken midden in ’t kreupelhout neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. ’t Waren drie elanden, die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. ’t Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.“Neen, vadertje, ga niet liggen slapen,” zei ik toen tegen hem. “Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in ’t bosch, en ze komen recht op dit elandleger aan.”“Dank je wel, ganzenmoedertje,” zei de eland, en het was, alsof hij weer insliep onder ’t praten, “maar je weet wel, dat wij, elanden, hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers zijn zeker op de vossenjacht.”“Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat ze geen schot in ’t bosch durven te lossen in dezen tijd van ’t jaar.”De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig, “’t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen,” zeiden ze, en begonnen op te staan.“Blijvenjelui maar stil liggen,” zei de stier. “Er komen hier geen jagers in ’t kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn.”Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met de elanden zou gaan.Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daarliep hij heen, en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom van ’t bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze weer in ’t gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats, waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in ’t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het tegen zulk een draver als hij konden volhouden.Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in ’t begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze optrok, zagen we bloed in het spoor.Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de pooten neerzette.De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en struikelend. Hij blies heftig. ’t Was niet genoeg, dat hij zooveel pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl we boven hem zweefden, riep hij: “Blijf nu hier, wilde ganzen! tot alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood gestorven is!””Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee stappen naar haar toe. “Grauwvel heeft een goedleven geleid,” zei hij. “Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel me nu hoe....”Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding aan te nemen, maar hij zonk weer neer.“Karr, Karr!” riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude hond stond haastig op. “Dat is de baas, die me roept,” zei hij, “en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je, wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden den dood te gemoet te gaan.”1Berg- en boschstreek inOost-Göthland, Södermanland en Nerike.

XXI.De geschiedenis van Karr en Grauwvel.Karr.Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen, die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen naar het bosch, en hem dood te schieten.De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen zeiden. Terwijl de boschwachter hem door ’t bosch bracht, wist hij heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze ’t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en intoom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren er dan ook bij massa’s. Ze noemden het onder elkaar het “Vrijbosch”, en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.“Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze wisten wat me wachtte,” dacht hij. En hij kwispelde met den staart, en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of gedrukt was.“Wat zou er aan ’t leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens had mogen jagen?” dacht hij. “Wie berouw hebben wil, mag dat voor mijn part. Ik doe niet meê!”Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams in den zin gekomen was.Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren, en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort na het ontdooien van den grond, en dat het zoo’n groot dier, als zij was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, en keerde weer terug.De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat gelukte niet,—ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij een eland in ’t ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, vóór hij thuis was.Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed hem op een heel andere manier verdriet, dan al hetkwaad, dat hij ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat hij het wilde, om het leven had gebracht.“Maar ze leven misschien nog,” dacht de hond op eens. “Ze waren immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog wel uitgeraakt.”Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij verdwenen was.De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde hij luid, alsof hij om hulp riep.Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, likte hem de handen, en blafte van vreugd.De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde hij om, en ging naar het landgoed terug.Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, vóór hij zou sterven.Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.“Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê aankomt?” zei hij. “Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al lang dood.”Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den boschwachter weg om zich te verstoppen.Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, en hen hadwillenredden.“Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,” zei hij eindelijk.De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust over de elanden was geweest?De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, wat hij doen moest.“Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven,” zei hij eindelijk.Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de boschwachterswoning.De vlucht van Grauwvel.Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met het elandkalfje te spelen.Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem tebemoeien. Maar doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten het hok zag,alsofhet er blij om was, dat hij kwam.Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, alsof een groote wensch van hem was vervuld.Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees hem zoo’n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.’t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in dengrootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.“Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?” vroeg Karr.“Wat zou het helpen, als ik me verzette?” zei Grauwvel. “Ik zou ’t liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier wel vandaan moeten.”Karr stond hem aan te zien. ’t Was merkbaar, dat de eland nog niet volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid te strijden.“Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,” dacht Karr, maar hij zeide niets.Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist, dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.“Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen,” zei Karr, en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. “Je zult in een grooten tuin gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen, dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben, dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een bosch geweest.”Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.“Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining komen?” zei hij met zijn gewone slapheid.“Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen heeft,” zei Karr.De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten, bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. ’t Was een mooie nacht met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.“’t Is misschien ’t beste, dat we teruggaan,” zei Karr. “Jij, die nog nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken.”Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen dringen kon.“Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou en den storm,” zei Karr. “Hier staan zij onder den blooten hemel, den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os.”Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken dennengeur in.Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de grasboschjes en het weeke moeras.“Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar zijn,” zei Karr. “Ik weet niet hoe zij ’t aanleggen, maar zoo groot en zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen.”Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op ’t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.“Hebben wij nu het heele bosch gezien?” vroeg hij.“Neen, nog niet,” antwoordde Karr.Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.“Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast,” zei Karr. “Zij houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel krijgen in het buitenland.”Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en de abeelenbast.“Dat smaakt sterk en goed,” zei hij. “Dat is beter dan klaver.”“’t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg,” zei de hond.Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.“Wat is dat, Karr?” vroeg hij. ’t Was voor ’t eerst, dat hij een meer zag.“Dat is een groot water, dat is een meer,” zei Karr. “Je familie zwemt gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan om een bad te nemen.”Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van welbehagen, toen het water zich zacht en koelom zijn leden sloot. Hij wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde, dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen, en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden, vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?“’t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het bosch rond blijven loopen,” zei Grauwvel.Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen, glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote dieren te grazen. ’t Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.“Wat is dat voor een dier?” vroeg Grauwvel met een stem, die beefde van verwondering.“Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in ’t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden.”“Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem bekijken,” zei Grauwvel. “Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon zijn.” Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.“Jebentzeker niet vriendelijk ontvangen,” zei Karr.“Ik zei hem, dat het voor ’t eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette, en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me af, en dreigde me met zijn horens.”“’t Was goed, dat je wegging,” zei Karr. “Een jonge stier, die nog maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in ’t heele bosch gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten, maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het buitenland zult gaan.”Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en Grauwvel werd over ’t heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel vochtzwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, en sprong het bosch in.Karr stond nog aan den zoom van ’t bosch, toen Grauwvel terugkwam.“Nu heb je gezien, wat er in het bosch was,” zei hij. “Wil je nu meê naar huis gaan?”“Ja, nu zal het wel tijd zijn,” zei de eland.Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.“De elanden zijn één met het bosch!” riep hij, wierp den kop achteruit, zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.Helpmij.Diep in ’t groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in ’t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, dat men “Nonvlinders” noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in ’t bosch een paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen dag, na zijn vlucht, in ’t bosch rondgeloopen om te maken, dat hij er zich thuis zou gaan voelen.In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in ’t oog had gekregen, die bij den poel groeiden.Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn tong over den verbrijzelden kop gaan.“Is dat werkelijk mogelijk, dat je doodbent, oude Karnlösa?” siste de slang. “Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was het ergste verdriet, dat me treffen kon.”De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor hen leefden, hadden medelijden met hem.“Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die zich niet kan verweren!” siste de slang, “hij verdient zeker een heel harde straf.” Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, maar op eens hief hij den kop op. “Ik zal me wreken, zoowaar ik Helpmij heet, en de oudste slang in ’t bosch ben! Ik zal niet rusten, voor die eland dood op ’t veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!”Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang, dan wraak te bedenken op een grooten,krachtigen eland, en de oude Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, toen begon hij luid inzichzelfte sissen, maar eindelijk sliep hij in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een steenachtige en hooggelegen streek van ’t Friedsbosch woonde. Aan hem vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.“Als ik een eland aanviel,” zei hij, “zou hij me dadelijk doodslaan. Je oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?”Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.“Wisch, wasch! wisch, wasch!” zei hij. “’t Is jammer, dat jij zulke wapens hebt, jij, die zoo lafis, dat je ze niet gebruiken durft.”Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.“Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!” siste hij. “’t Vergif loopt me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, liefst sparen.”De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.“Ik had eigenlijk nog een boodschap,” zei hij, en begon zacht te fluisteren; “maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet helpen wilt.”“Als je me maar niet ietsonzinnigsvraagt, wil ik je wel van dienst zijn.”“In de dennen dicht bij mijn poel,” zei de slang, “woont een vlindervolk, dat in den nazomer ’s nachts rondvliegt.”“Ik weet wel wie je meent,” zei Krule “wat wou je met hen?”“’t Is het kleinste insectenvolk in het bosch,” zei Helpmij, “en de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van dennebast tevreden stellen.”“Ja, dat weet ik,” zei Krule.“Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijnuitgeroeid,” zei de slang. “Er zijn zooveel dieren, die de larven in de lente opeten.”Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: “Wil je, dat ik aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?”“Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in ’t bosch, daarvoor zorgen kon, zou het wel goed zijn.”“Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,” zei de adder. “Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets onmogelijks begeert.”“Dat is een goede belofte, Krule,” zei Helpmij, “en ik ben blij, dat ik bij je gekomen ben.”

Karr.Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen, die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen naar het bosch, en hem dood te schieten.De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen zeiden. Terwijl de boschwachter hem door ’t bosch bracht, wist hij heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze ’t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en intoom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren er dan ook bij massa’s. Ze noemden het onder elkaar het “Vrijbosch”, en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.“Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze wisten wat me wachtte,” dacht hij. En hij kwispelde met den staart, en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of gedrukt was.“Wat zou er aan ’t leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens had mogen jagen?” dacht hij. “Wie berouw hebben wil, mag dat voor mijn part. Ik doe niet meê!”Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams in den zin gekomen was.Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren, en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort na het ontdooien van den grond, en dat het zoo’n groot dier, als zij was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, en keerde weer terug.De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat gelukte niet,—ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij een eland in ’t ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, vóór hij thuis was.Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed hem op een heel andere manier verdriet, dan al hetkwaad, dat hij ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat hij het wilde, om het leven had gebracht.“Maar ze leven misschien nog,” dacht de hond op eens. “Ze waren immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog wel uitgeraakt.”Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij verdwenen was.De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde hij luid, alsof hij om hulp riep.Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, likte hem de handen, en blafte van vreugd.De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde hij om, en ging naar het landgoed terug.Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, vóór hij zou sterven.Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.“Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê aankomt?” zei hij. “Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al lang dood.”Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den boschwachter weg om zich te verstoppen.Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, en hen hadwillenredden.“Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,” zei hij eindelijk.De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust over de elanden was geweest?De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, wat hij doen moest.“Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven,” zei hij eindelijk.Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de boschwachterswoning.

Ongeveer twaalf jaar vóór Niels Holgersson op reis was gegaan met de wilde ganzen, was er een ijzerfabrikant op Kolmarden, die van een van zijn jachthonden af wou zijn. Hij liet zijn boschwachter roepen, zei hem, dat het onmogelijk was dien hond langer te houden, omdat men hem niet kon afwennen achter alle schapen en kippen te jagen, die hij maar zag, en vroeg den boschwachter den hond meê te nemen naar het bosch, en hem dood te schieten.

De boschwachter deed den hond aan den ketting om hem naar een plaats in het bosch te brengen, waar alle afgedankte honden van het landgoed gewoonlijk doodgeschoten en begraven werden. Hij was geen slechte man, maar hij was toch blij, dat hij dien hond dood mocht schieten, omdat hij wist, dat hij niet alleen schapen en honden najoeg. Hij liep maar al te dikwijls het bosch in, en snoepte een haasje of een jong korhoen.

De hond was klein en zwart, met gele borst en voorpooten. Hij heette Karr en was zoo slim, dat hij alles begreep, wat de menschen zeiden. Terwijl de boschwachter hem door ’t bosch bracht, wist hij heel goed, wat hem te wachten stond. Maar dat mocht niemand aan hem merken. Hij liet den kop en den staart niet hangen, maar zag er even zorgeloos uit als altijd. Het was, omdat zij door het bosch liepen, dat de hond zoo oppaste, niet te laten merken, dat hij bang was. Om het oude landgoed heen lag namelijk aan alle kanten een groot uitgestrekt bosch, berucht bij dieren en menschen, omdat de eigenaars er al sinds jaren zoo bezorgd voor waren geweest, dat ze ’t bijna niet over hun hart konden verkrijgen een boom voor brandhout te vellen. Ze hadden er ook niet toe kunnen komen het te hakken en intoom te houden. Het bosch had mogen doen, waar het lust in had. Maar het was natuurlijk, dat een bosch, dat zoo met rust gelaten werd, een heerlijke schuilplaats voor boschdieren moest worden, en die waren er dan ook bij massa’s. Ze noemden het onder elkaar het “Vrijbosch”, en waardeerden het als de beste schuilplaats in het heele land. Toen nu de hond door het bosch gebracht werd, dacht hij er aan, hoe hij de schrik was geweest van alle kleine dieren, die daar woonden.

“Wat zouden ze allemaal blij zijn, zij daar in het kreupelhout, als ze wisten wat me wachtte,” dacht hij. En hij kwispelde met den staart, en blafte blij, opdat ze toch niet zouden denken, dat hij bang of gedrukt was.

“Wat zou er aan ’t leven geweest zijn, als ik niet nu en dan eens had mogen jagen?” dacht hij. “Wie berouw hebben wil, mag dat voor mijn part. Ik doe niet meê!”

Maar juist toen de hond dat dacht, kwam er een zonderlinge verandering over hem. Hij stak den kop en den nek naar boven, alsof hij lust had te huilen. Hij sprong niet meer naast den boschwachter voort, maar liep stil achter hem. Het was duidelijk, dat hem iets onaangenaams in den zin gekomen was.

Het was vroeg in den zomer. De jonge elanden waren juist geboren, en den vorigen avond was het den hond gelukt een jong elandje, niet meer dan vijf dagen oud, van de moeder weg te jagen, en het op een moeras te drijven. Daar had hij het heen en weer gejaagd, eigenlijk niet om het diertje te vangen, maar alleen om zich met zijn angst te vermaken. De moeder wist wel, dat het moeras bodemloos was, zoo kort na het ontdooien van den grond, en dat het zoo’n groot dier, als zij was, nog niet dragen kon, en ze bleef zoo lang mogelijk aan den kant staan. Maar toen Karr het kalfje al verder en verder wegdreef, liep zij plotseling het moeras op, joeg den hond weg, nam haar kalfje meê, en keerde weer terug.

De elanden zijn veel meer dan andere dieren geschikt om op drassigen en gevaarlijken bodem te loopen, en het scheen, alsof ze behouden aan land komen zou. Maar toen ze heel dicht aan den kant was, zonk een kluitje, waar ze op stapte, opeens weg in de modder, en zij ging meê in de diepte. Ze probeerde weer vasten voet te krijgen, maar dat gelukte niet,—ze zonk al dieper weg. Karr stond er naar te kijken, en hield van angst den adem in, maar toen hij merkte, dat de eland zich niet zou kunnen redden, liep hij weg, zoo hard hij kon. Hij dacht aan al de slaag, die hij krijgen zou, als men merkte, dat hij een eland in ’t ongeluk had gelokt, en hij durfde niet stil te staan, vóór hij thuis was.

Dat was het, wat den hond in de gedachte gekomen was, en dat deed hem op een heel andere manier verdriet, dan al hetkwaad, dat hij ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat hij het wilde, om het leven had gebracht.

“Maar ze leven misschien nog,” dacht de hond op eens. “Ze waren immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog wel uitgeraakt.”

Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voor hij verdwenen was.

De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond een paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder zag liggen. Dicht naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde hij luid, alsof hij om hulp riep.

Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, likte hem de handen, en blafte van vreugd.

De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.

Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde hij om, en ging naar het landgoed terug.

Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, vóór hij zou sterven.

Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.

De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.

“Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê aankomt?” zei hij. “Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al lang dood.”

Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den boschwachter weg om zich te verstoppen.

Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, en hen hadwillenredden.

“Meneer mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten,” zei hij eindelijk.

De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust over de elanden was geweest?

De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, wat hij doen moest.

“Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven,” zei hij eindelijk.

Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de boschwachterswoning.

De vlucht van Grauwvel.Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met het elandkalfje te spelen.Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem tebemoeien. Maar doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten het hok zag,alsofhet er blij om was, dat hij kwam.Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, alsof een groote wensch van hem was vervuld.Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees hem zoo’n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.’t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in dengrootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.“Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?” vroeg Karr.“Wat zou het helpen, als ik me verzette?” zei Grauwvel. “Ik zou ’t liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier wel vandaan moeten.”Karr stond hem aan te zien. ’t Was merkbaar, dat de eland nog niet volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid te strijden.“Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,” dacht Karr, maar hij zeide niets.Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist, dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.“Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen,” zei Karr, en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. “Je zult in een grooten tuin gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen, dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben, dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een bosch geweest.”Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.“Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining komen?” zei hij met zijn gewone slapheid.“Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen heeft,” zei Karr.De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten, bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. ’t Was een mooie nacht met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.“’t Is misschien ’t beste, dat we teruggaan,” zei Karr. “Jij, die nog nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken.”Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen dringen kon.“Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou en den storm,” zei Karr. “Hier staan zij onder den blooten hemel, den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os.”Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken dennengeur in.Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de grasboschjes en het weeke moeras.“Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar zijn,” zei Karr. “Ik weet niet hoe zij ’t aanleggen, maar zoo groot en zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen.”Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op ’t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.“Hebben wij nu het heele bosch gezien?” vroeg hij.“Neen, nog niet,” antwoordde Karr.Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.“Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast,” zei Karr. “Zij houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel krijgen in het buitenland.”Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en de abeelenbast.“Dat smaakt sterk en goed,” zei hij. “Dat is beter dan klaver.”“’t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg,” zei de hond.Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.“Wat is dat, Karr?” vroeg hij. ’t Was voor ’t eerst, dat hij een meer zag.“Dat is een groot water, dat is een meer,” zei Karr. “Je familie zwemt gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan om een bad te nemen.”Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van welbehagen, toen het water zich zacht en koelom zijn leden sloot. Hij wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde, dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen, en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden, vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?“’t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het bosch rond blijven loopen,” zei Grauwvel.Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen, glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote dieren te grazen. ’t Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.“Wat is dat voor een dier?” vroeg Grauwvel met een stem, die beefde van verwondering.“Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in ’t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden.”“Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem bekijken,” zei Grauwvel. “Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon zijn.” Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.“Jebentzeker niet vriendelijk ontvangen,” zei Karr.“Ik zei hem, dat het voor ’t eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette, en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me af, en dreigde me met zijn horens.”“’t Was goed, dat je wegging,” zei Karr. “Een jonge stier, die nog maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in ’t heele bosch gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten, maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het buitenland zult gaan.”Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en Grauwvel werd over ’t heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel vochtzwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, en sprong het bosch in.Karr stond nog aan den zoom van ’t bosch, toen Grauwvel terugkwam.“Nu heb je gezien, wat er in het bosch was,” zei hij. “Wil je nu meê naar huis gaan?”“Ja, nu zal het wel tijd zijn,” zei de eland.Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.“De elanden zijn één met het bosch!” riep hij, wierp den kop achteruit, zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.

Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.

Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met het elandkalfje te spelen.

Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem tebemoeien. Maar doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd op zij. Het vel zat in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor hem was gemaakt. Het zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten het hok zag,alsofhet er blij om was, dat hij kwam.

Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, alsof een groote wensch van hem was vervuld.

Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees hem zoo’n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.

’t Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En toen het eenmaal aan het groeien was werd het in een paar weken zoo groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de omheining kon stappen, als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verscheidene jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.

Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in dengrootsten angst, dat hij hem zou moeten missen. Maar de eland nam de zaak kalm op, en scheen er niet blij en niet bedroefd om te wezen.

“Ben je van plan om je zonder verzet te laten wegbrengen?” vroeg Karr.

“Wat zou het helpen, als ik me verzette?” zei Grauwvel. “Ik zou ’t liefst blijven, waar ik ben, maar als ik verkocht ben, zal ik hier wel vandaan moeten.”

Karr stond hem aan te zien. ’t Was merkbaar, dat de eland nog niet volwassen was. Hij had nog niet zulke breede horens, noch zulk een hoogen bult op den rug en zoo steile manen als de oudere stieren onder de elanden, maar hij had wel kracht genoeg om voor zijn vrijheid te strijden.

“Je kunt wel merken, dat hij zijn leven lang gevangen is gehouden,” dacht Karr, maar hij zeide niets.

Karr kwam niet bij den eland terug voor na den middag, toen hij wist, dat Grauwvel goed uitgeslapen was, en zijn eersten maaltijd hield.

“Je hebt wel gelijk, Grauwvel, dat je je laat wegbrengen,” zei Karr, en scheen nu rustig en vergenoegd te zijn. “Je zult in een grooten tuin gevangen gezet worden, en een zorgeloos leven hebben. Ik vind alleen, dat het jammer is, dat je van hier zult weggaan, vóór je het bosch gezien hebt. Je weet, dat je stamgenooten tot lijfspreuk hebben, dat de eland één is met het bosch, maar je bent nog nooit in een bosch geweest.”

Grauwvel zag op van de klaver, waar hij van stond te eten.

“Ik zou het bosch wel willen zien, maar hoe zal ik over de heining komen?” zei hij met zijn gewone slapheid.

“Neen, dat zal wel onmogelijk zijn voor iemand, die zulke korte beenen heeft,” zei Karr.

De eland keek van onder zijn haren neer op Karr, die zoo klein als hij was, verscheiden keer per dag over de heining sprong.

Toen ging hij naar den slagboom, nam een sprong, en was buiten, bijna zonder dat hij wist, hoe het was toegegaan.

Karr en Grauwvel begaven zich nu het bosch in. ’t Was een mooie nacht met helderen maneschijn, tegen het eind van den zomer, maar onder de boomen was het donker, en de eland liep heel langzaam.

“’t Is misschien ’t beste, dat we teruggaan,” zei Karr. “Jij, die nog nooit in een woest bosch geloopen hebt, kon je beenen wel eens breken.”

Toen begon Grauwvel sneller en moediger te loopen. Karr bracht den eland naar een gedeelte van het bosch, waar geweldige dennen groeiden, die zoo dicht op elkaar stonden, dat de wind er niet doorheen dringen kon.

“Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou en den storm,” zei Karr. “Hier staan zij onder den blooten hemel, den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os.”

Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken dennengeur in.

Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de grasboschjes en het weeke moeras.

“Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar zijn,” zei Karr. “Ik weet niet hoe zij ’t aanleggen, maar zoo groot en zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen.”

Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op ’t moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.

“Hebben wij nu het heele bosch gezien?” vroeg hij.

“Neen, nog niet,” antwoordde Karr.

Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.

“Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast,” zei Karr. “Zij houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel krijgen in het buitenland.”

Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het eikenloof en de abeelenbast.

“Dat smaakt sterk en goed,” zei hij. “Dat is beter dan klaver.”

“’t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg,” zei de hond.

Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.

“Wat is dat, Karr?” vroeg hij. ’t Was voor ’t eerst, dat hij een meer zag.

“Dat is een groot water, dat is een meer,” zei Karr. “Je familie zwemt gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan om een bad te nemen.”

Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van welbehagen, toen het water zich zacht en koelom zijn leden sloot. Hij wilde het ook over den rug hebben, hij ging verder vooruit, voelde, dat het water hem droeg, en begon te zwemmen. Hij zwom om Karr heen, en was geheel thuis in het water. Toen ze weer op het strand stonden, vroeg de hond, of ze nu naar huis zouden gaan?

“’t Duurt nog lang eer het morgen is. We kunnen nog wel wat in het bosch rond blijven loopen,” zei Grauwvel.

Zij gingen weer terug in het naaldbosch. Al gauw kwamen ze aan een open plaats, die in den vollen maneschijn lag, met gras en bloemen, glinsterend van den dauw. Midden op die boschweide liepen eenige groote dieren te grazen. ’t Waren elanden, een stier, met verscheidene koeien en kalveren. Toen Grauwvel hen zag, bleef hij eensklaps staan. Hij zag nauwlijks naar de koeien en de jonge dieren. Hij staarde naar den ouden stier, die breede horens had met veel takken, een hooge bult boven de dijen, en een langharig stuk vel hangende onder den hals.

“Wat is dat voor een dier?” vroeg Grauwvel met een stem, die beefde van verwondering.

“Hij wordt Kroonhoorn genoemd, en hij is je stamgenoot. Je krijgt zeker ook eens zulke breede horens en zulke manen, en als je in ’t bosch bleef, zou je ook wel een kudde krijgen om te leiden.”

“Als hij daar mijn stamgenoot is, wil ik dichter bij hem komen en hem bekijken,” zei Grauwvel. “Ik wist niet, dat een dier zóó prachtig kon zijn.” Grauwvel ging op de elanden toe, maar kwam bijna dadelijk bij Karr terug, die aan den zoom van het bosch achtergebleven was.

“Jebentzeker niet vriendelijk ontvangen,” zei Karr.

“Ik zei hem, dat het voor ’t eerst was, dat ik stamgenooten ontmoette, en ik vroeg, of ik bij hen op de wei mocht loopen, maar hij wees me af, en dreigde me met zijn horens.”

“’t Was goed, dat je wegging,” zei Karr. “Een jonge stier, die nog maar takken aan zijn horens heeft, moet zich wachten voor een gevecht met oude elanden. Een ander zou een slechten naam in ’t heele bosch gekregen hebben, als hij was weggeloopen, zonder zich te verzetten, maar daar hoef jij je niet over te bekommeren, die toch naar het buitenland zult gaan.”

Karr had nauwlijks uitgesproken, of Grauwvel keerde om, en liep over het veld. De oude eland kwam hem tegemoet, en ze raakten dadelijk aan het vechten. Ze zetten de horens tegen elkaar, en stootten toe, en Grauwvel werd over ’t heele veld achteruit gedreven. Hij scheen zijn kracht niet te kunnen gebruiken. Maar toen hij aan den kant van het bosch kwam, zette hij de voeten vaster op den grond, stootte krachtig met de horens, en begon Kroonhoorn achteruit te drijven. Grauwvel vochtzwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens hoorde Karr een sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, en sprong het bosch in.

Karr stond nog aan den zoom van ’t bosch, toen Grauwvel terugkwam.

“Nu heb je gezien, wat er in het bosch was,” zei hij. “Wil je nu meê naar huis gaan?”

“Ja, nu zal het wel tijd zijn,” zei de eland.

Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.

“De elanden zijn één met het bosch!” riep hij, wierp den kop achteruit, zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.

Helpmij.Diep in ’t groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in ’t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, dat men “Nonvlinders” noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in ’t bosch een paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen dag, na zijn vlucht, in ’t bosch rondgeloopen om te maken, dat hij er zich thuis zou gaan voelen.In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in ’t oog had gekregen, die bij den poel groeiden.Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn tong over den verbrijzelden kop gaan.“Is dat werkelijk mogelijk, dat je doodbent, oude Karnlösa?” siste de slang. “Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was het ergste verdriet, dat me treffen kon.”De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor hen leefden, hadden medelijden met hem.“Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die zich niet kan verweren!” siste de slang, “hij verdient zeker een heel harde straf.” Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, maar op eens hief hij den kop op. “Ik zal me wreken, zoowaar ik Helpmij heet, en de oudste slang in ’t bosch ben! Ik zal niet rusten, voor die eland dood op ’t veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!”Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang, dan wraak te bedenken op een grooten,krachtigen eland, en de oude Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, toen begon hij luid inzichzelfte sissen, maar eindelijk sliep hij in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een steenachtige en hooggelegen streek van ’t Friedsbosch woonde. Aan hem vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.“Als ik een eland aanviel,” zei hij, “zou hij me dadelijk doodslaan. Je oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?”Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.“Wisch, wasch! wisch, wasch!” zei hij. “’t Is jammer, dat jij zulke wapens hebt, jij, die zoo lafis, dat je ze niet gebruiken durft.”Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.“Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!” siste hij. “’t Vergif loopt me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, liefst sparen.”De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.“Ik had eigenlijk nog een boodschap,” zei hij, en begon zacht te fluisteren; “maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet helpen wilt.”“Als je me maar niet ietsonzinnigsvraagt, wil ik je wel van dienst zijn.”“In de dennen dicht bij mijn poel,” zei de slang, “woont een vlindervolk, dat in den nazomer ’s nachts rondvliegt.”“Ik weet wel wie je meent,” zei Krule “wat wou je met hen?”“’t Is het kleinste insectenvolk in het bosch,” zei Helpmij, “en de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van dennebast tevreden stellen.”“Ja, dat weet ik,” zei Krule.“Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijnuitgeroeid,” zei de slang. “Er zijn zooveel dieren, die de larven in de lente opeten.”Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: “Wil je, dat ik aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?”“Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in ’t bosch, daarvoor zorgen kon, zou het wel goed zijn.”“Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,” zei de adder. “Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets onmogelijks begeert.”“Dat is een goede belofte, Krule,” zei Helpmij, “en ik ben blij, dat ik bij je gekomen ben.”

Diep in ’t groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in ’t lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, dat men “Nonvlinders” noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in ’t bosch een paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.

Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.

Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg, en klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.

Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jaren lang in het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, die zoo weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.

Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen dag, na zijn vlucht, in ’t bosch rondgeloopen om te maken, dat hij er zich thuis zou gaan voelen.

In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in ’t oog had gekregen, die bij den poel groeiden.

Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr hooren spreken over de vergiftige adders in het bosch, en toen de slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.

Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn tong over den verbrijzelden kop gaan.

“Is dat werkelijk mogelijk, dat je doodbent, oude Karnlösa?” siste de slang. “Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was het ergste verdriet, dat me treffen kon.”

De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor hen leefden, hadden medelijden met hem.

“Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die zich niet kan verweren!” siste de slang, “hij verdient zeker een heel harde straf.” Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, maar op eens hief hij den kop op. “Ik zal me wreken, zoowaar ik Helpmij heet, en de oudste slang in ’t bosch ben! Ik zal niet rusten, voor die eland dood op ’t veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!”

Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen nadenken. Maar er kan wel niets moeielijker zijn voor een arme slang, dan wraak te bedenken op een grooten,krachtigen eland, en de oude Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.

Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, toen begon hij luid inzichzelfte sissen, maar eindelijk sliep hij in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.

Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een steenachtige en hooggelegen streek van ’t Friedsbosch woonde. Aan hem vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.

“Als ik een eland aanviel,” zei hij, “zou hij me dadelijk doodslaan. Je oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?”

Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.

“Wisch, wasch! wisch, wasch!” zei hij. “’t Is jammer, dat jij zulke wapens hebt, jij, die zoo lafis, dat je ze niet gebruiken durft.”

Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.

“Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!” siste hij. “’t Vergif loopt me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, liefst sparen.”

De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.

“Ik had eigenlijk nog een boodschap,” zei hij, en begon zacht te fluisteren; “maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet helpen wilt.”

“Als je me maar niet ietsonzinnigsvraagt, wil ik je wel van dienst zijn.”

“In de dennen dicht bij mijn poel,” zei de slang, “woont een vlindervolk, dat in den nazomer ’s nachts rondvliegt.”

“Ik weet wel wie je meent,” zei Krule “wat wou je met hen?”

“’t Is het kleinste insectenvolk in het bosch,” zei Helpmij, “en de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van dennebast tevreden stellen.”

“Ja, dat weet ik,” zei Krule.

“Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijnuitgeroeid,” zei de slang. “Er zijn zooveel dieren, die de larven in de lente opeten.”

Nu meende Krule te begrijpen, dat de slang die larven voor eigen gebruik wilde houden, en hij antwoordde vriendelijk: “Wil je, dat ik aan de uilen zeg, dat ze die denneneters met rust zullen laten?”

“Ja, als jij, die wat invloed hebt hier in ’t bosch, daarvoor zorgen kon, zou het wel goed zijn.”

“Misschien zal ik ook een goed woord voor hen doen bij de lijsters,” zei de adder. “Ik wil je graag helpen, als je maar niet iets onmogelijks begeert.”

“Dat is een goede belofte, Krule,” zei Helpmij, “en ik ben blij, dat ik bij je gekomen ben.”

XXII.De nonnen.Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de stoep. ’t Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten, en ’t was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.“Ben jij het, Grauwvel?” vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord, maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het geluid af.Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het ’t dichtste was, zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het spoor niet te verliezen.“Karr, Karr,” hoorde hij roepen, en ’t was de stem van Grauwvel, maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.“Ik kom, ik kom! Waar ben je?” antwoordde de hond.“Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?” vroeg Grauwvel.Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een lichte regen.“Ja, dat zie ik!” riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den eland te zoeken.Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr was opnieuw bijna het spoor bijster.“Karr, Karr!” schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, “merk je niet, hoe het ruikt in ’t bosch?” Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur verspreidden, dan ze anders deden.“Ja, ik merk, hoe het ruikt,” zei hij, maar gaf zich niet dentijd om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet kon inhalen. “Karr, Karr!” riep hij een poos later, “hoor je niet hoe het knapt in de takken.” Nu klonk de stem zóó droevig, dat die steenen zou kunnenvermurwen. Karr bleef staan om te luisteren, en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het klonk als het tikken van een horloge.“Ja, ik hoor het knappen,” riep Karr, en ging nu niet verder. Hij begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove, donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam, ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom; dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk, dat de hond er last van had.“Die den daar zal niet veel naalden behouden,” dacht hij, en keerde zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den, maar die zag er ook zoo uit. “Wat kan dat wezen?” dacht Karr. “Dat is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid hebben verloren.”Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter te komen, hoe ’t met hen was. “Dat daar is een spar, die hebben ze misschien niet aangedurfd,” dacht hij. Maar ze hadden ook de spar aangetast. “En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den boschwachter wel niet aanstaan,” dacht Karr.Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken, rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. ’t Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles doodstil was.“Hier is hun rijk uit,” dacht de hond, bleef staan, en keek rond.Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen te gebruiken.Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karrte wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden, de aanzienlijkste in ’t bosch. Karr kende hen. ’t Waren Kromrug, een kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn, de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in den herfst een kogel in de dij gekregen had.“Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?” vroeg Karr, toen hij bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.“Dat kan niemand zeggen,” antwoordde Grauwvel. “Dit insectenvolk hier is het meest machtelooze in ’t heele bosch geweest, en heeft vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele bosch zullen vernielen.”“Ja, het ziet er leelijk uit,” zei Karr, “maar ik merk, dat de wijzen uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er misschien iets op gevonden.”Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op, klapte met de lange ooren, en zei: “We hebben je hier geroepen, Karr, om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting.”“Neen,” zei Karr, “zoover in ’t bosch komt immers geen mensch, wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk.”“Wij, die in ’t bosch oud geworden zijn,” zei toen Kroonhoorn, “gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk kunnen verweren.”“Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,” zei Ruigmaan. “Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit.”“Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven,” zei Grootsterk. “We hebben geen keus.”Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.“Is ’t misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten, hoe het hier gaat?”Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.“’t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen, maar we weten geen anderen raad.”Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep, diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem een groote, zwarte slang te gemoet.“Welkom in ’t bosch,” siste de slang.“Goedendag,” blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.“Misschien is hij ook ongerust over ’t bosch,” dacht Karr, en bleef staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.“Als de menschen hier komen, is ’t uit met onze rust en vrede,” zei hij.“Daar ben ik ook bang voor,” zei Karr, “maar de oude elanden in ’t bosch weten wel, wat ze doen.”“Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet,” zei de slang, “als ik maar het loon kreeg, dat ik verlang.”“Ben jij ’t soms, die ze Helpmij noemen?” vroeg de hond verachtelijk.“Ik ben al een oude boschbewoner,” zei de slang. “Ik weet, hoe je dat ongedierte wegkrijgen kunt.”“Als je ’t maar wegkrijgen kunt,” zei Karr, “denk ik wel, dat niemand je weigeren zal, wat je ook begeert.”Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.“Groet dan Grauwvel van mij,” zei hij, “en zeg hem, dat, als hij van het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in ’t bosch groeit, en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en er van eten.”“Wat zeg je daar?” vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op te staan. “Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?”“Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was,” zei de slang. “En ik wil me op hem wreken.”Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem, maar hij lag veilig onder den boomwortel.“Lig daar zoolang je wilt,” zei Karr eindelijk. “Wij zullen die denneneters zonder jou wel wegkrijgen.”Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.“Dat is Karr, die weer aan ’t jagen is,” zei de ijzerfabrikant. De boschwachter wilde het niet gelooven.“Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden,” zei hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte, en de ijzerfabrikant volgde hem.Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staanom te luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden, die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.De groote nonnenoorlog.Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. “Karr, Karr!” riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed gehoord. ’t Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.“Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!” zei de vos.“Ja, wees daar maar zeker van,” zei Karr. “Zij werken er voor, zoo hard zij kunnen.”“Ze hebben mijn heele familie vermoord,” zei de vos. “En zij zullen mij ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, als zij het bosch maar helpen.”Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. ’t Was niet zoo gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden1was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang te redden. Zij velden de boomen, die ’t meest beschadigd waren, kapten het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze lijmringen aan te leggen om de boomen. ’t Was de bedoeling, dat men op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, en daar dood te hongeren.De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af,dat de larven uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren massa’s, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten van Kolmarden.“Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn,” zeiden de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.“Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?” vroeg de slang.Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.“Doe dat in ieder geval,” zei de slang. “Je ziet immers wel, dat de menschen geen raad weten voor deze verwoesting.”“Ja, jij ook niet,” antwoordde Karr, en liep verder.Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. “Ik weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,” zei hij.“Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt,” zei Karr, en bracht nu de boodschap van de slang over.“Als ’t iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik dadelijk in ballingschap gaan,” zei de eland. “Maar hoe zou nu een arme slang zoo’n macht hebben?”“’t Is natuurlijk maar pocherij,” zei Karr. “Slangen doen altijd, alsof ze meer weten dan andere dieren.”Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag, bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:“Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!” Toen rende hij weg, zoo hard hij kon.“Wat bedoelen ze daarmeê?” vroeg Karr.“Dat weet ik niet precies,” zei Grauwvel. “Ik denk, dat het kleine volkje in ’t bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt.”Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten werd geroepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.“Zeg, Grauwvel,” vroeg Karr snel, “wat meent de slang daarmeê, dat je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?”“Hoe kan ik dat weten?” zei Grauwvel. “Je weet, dat ik nooit iemand doodsla.”Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn, Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen, achter elkaar.“Welkom in ’t bosch,” riep Grauwvel ze tegen.“Goeden dag,” antwoordden de elanden. “We zochten je juist, Grauwvel, om met je over het bosch te spreken.”“We hebben gehoord,” zei Kromrug, “dat er hier een misdaad in ’t bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die daad niet gestraft is.”“Wat is dat voor een misdaad?”“Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet eten kon. Zooiets wordt hier in ’t Friedsbosch voor een misdaad gehouden.”“Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?” vroeg Grauwvel.“Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je weet, wie dat wezen kan.”“Neen,” zei Grauwvel, “ik heb nooit over een eland hooren spreken, die een onschadelijk dier heeft gedood.”Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule, de adder, die daar in zijn hol lag.“Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield,” siste Krule, zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op de adder toe, en lichtte den voorpoot op.“Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt doodgeslagen?”“Heb ik een slang doodgeslagen?” vroeg Grauwvel.“De eerste dag, toen je in ’t bosch kwam, sloeg je de vrouw van de slang, Helpmij, dood,” zei Krule.Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens stond hij stil:“Karr,ikheb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest.”“Wat zeg je toch?” viel Karr hem in de rede.“Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in ballingschap gaat.”“Dat zeg ik nooit,” zei Karr. “’t Is een gevaarlijk land voor elanden, daar in ’t noorden.”“Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo’n ongeluk heb aangericht?” vroeg Grauwvel.“Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet.”“Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch,” zei Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord had gehouden, en in ballingschap was gegaan.Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet wegpraten. Hij had nooit van zoo’n dwaasheid gehoord. Wat kon die Helpmij nu voor macht hebben?Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.“Waar kijk je naar?” vroeg een man, die naast hem stond.“Er is een ziekte onder de larven uitgebroken,” zei de boschwachter.Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want die slang zou wel nooit sterven.Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, die hem een beetje troostte.“De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden,” dacht hij. “Hij zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal.”Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, of de larven hadden zich verpopt. Uit depoppen kwamen millioenen vlinders. Zij vlogen ’s nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon men nog grooter verwoesting verwachten.De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van ’t eene bosch naar het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot, toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid, en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven leven, tot ze poppen en vlinders werden.Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap, dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.De wraak.Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs dekte ’t geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klompverloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van ’t bosch. “Neen, dan heb ik de vlakte en de zee liever,” dacht hij. “Daar kun je zien, waar je op afgaat. Als ’t nog een beukenbosch was, kon ’t er nog door, want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, die zoo woest en ongebaand zijn—ik begrijp niet, hoe de menschen het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken.”Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in ’t oog, en stond dat juist om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef rustig staan. “Dat is maar een slang,” dacht hij. “Die kan mij toch niets doen.”Maar ’t volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo’n sterken stoot voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem dicht op de hielen.Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile kanten, en hij klauterde er op.“Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen,” dacht hij, maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, dat de slang probeerde achter hem aan te komen.Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal los op een smallen kant. ’t Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den slangenkop liggen.“Die heeft zijn werk netjes gedaan,” dacht de jongen, en haalde diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, stil bleef liggen.“Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar ben geweest.”Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een metaalachtigen glans er over.De jongen kroop voorzichtig weg in een spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur, toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder noodzaak vertoonen.De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed in de ooren: “Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood ligt!” Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.“’t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in ’t bosch kunnen zijn,” zei hij. “Hij is het zeker!”Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens hield hij zich in. “Je moet geen ezel zijn, Bataki,” zei hij. “Je kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is, als hij hem niet zelf ziet.”De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten, dat hij het lachen niet laten kon.De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. “Ben jij niet Bataki, de raaf, eengoedevriend van Akka van Kebnekaise?” vroeg de jongen.De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.“Jijbenttoch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt, en dien ze Duimelot noemen?”“Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis,” zei de jongen.“Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen, wie die slang heeft dood geslagen?”“Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,” antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.“Dat was flink voor zoo’n kleintje als jij,” zei de raaf.“Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen.”“Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,” zei de jongen.“Och,” antwoordde de raaf, “dat is een lang verhaal. Je hebt toch geen geduld daarnaar te luisteren.”Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.“Ik dank je wel,” zei hij. “’t Is alsof ik het bosch beter begrijp, nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog iets van het groote Friedsbosch over is.”“’t Meeste is al verwoest,” zei Bataki. “De boomen zien er uit, alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is.”“Die slang daar heeft zijn dood verdiend,” zei de jongen. “Maar hoe wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?”“Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,” zei Bataki.“Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder geval een heel verstandig dier was.”De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop afgewend te luisteren naar iets anders.“Hoor,” zei hij. “Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, als hij hoort, dat Helpmij dood is.”De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.“Hij spreekt met de wilde ganzen,” zei hij. “Ja, hij heeft zich zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel te hooren.”De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.“Daar heb je Karr,” zei Bataki tegen den jongen.“Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is.”Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:“’t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden,” zei de gans. “We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die ’s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, messen in den gordel, maar geen geweren.Er was een hard bevroren korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, maar liepen rechtuit.Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden, wat ze zochten.Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden ’t heele bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.We daalden snel naar beneden, en streken midden in ’t kreupelhout neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. ’t Waren drie elanden, die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. ’t Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.“Neen, vadertje, ga niet liggen slapen,” zei ik toen tegen hem. “Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in ’t bosch, en ze komen recht op dit elandleger aan.”“Dank je wel, ganzenmoedertje,” zei de eland, en het was, alsof hij weer insliep onder ’t praten, “maar je weet wel, dat wij, elanden, hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers zijn zeker op de vossenjacht.”“Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat ze geen schot in ’t bosch durven te lossen in dezen tijd van ’t jaar.”De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig, “’t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen,” zeiden ze, en begonnen op te staan.“Blijvenjelui maar stil liggen,” zei de stier. “Er komen hier geen jagers in ’t kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn.”Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met de elanden zou gaan.Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daarliep hij heen, en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom van ’t bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze weer in ’t gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats, waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in ’t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het tegen zulk een draver als hij konden volhouden.Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in ’t begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze optrok, zagen we bloed in het spoor.Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de pooten neerzette.De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en struikelend. Hij blies heftig. ’t Was niet genoeg, dat hij zooveel pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl we boven hem zweefden, riep hij: “Blijf nu hier, wilde ganzen! tot alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood gestorven is!””Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee stappen naar haar toe. “Grauwvel heeft een goedleven geleid,” zei hij. “Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel me nu hoe....”Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding aan te nemen, maar hij zonk weer neer.“Karr, Karr!” riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude hond stond haastig op. “Dat is de baas, die me roept,” zei hij, “en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je, wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden den dood te gemoet te gaan.”1Berg- en boschstreek inOost-Göthland, Södermanland en Nerike.

Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de stoep. ’t Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten, en ’t was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.

“Ben jij het, Grauwvel?” vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord, maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het geluid af.

Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het ’t dichtste was, zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het spoor niet te verliezen.

“Karr, Karr,” hoorde hij roepen, en ’t was de stem van Grauwvel, maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.

“Ik kom, ik kom! Waar ben je?” antwoordde de hond.

“Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?” vroeg Grauwvel.

Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een lichte regen.

“Ja, dat zie ik!” riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den eland te zoeken.

Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr was opnieuw bijna het spoor bijster.

“Karr, Karr!” schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, “merk je niet, hoe het ruikt in ’t bosch?” Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur verspreidden, dan ze anders deden.

“Ja, ik merk, hoe het ruikt,” zei hij, maar gaf zich niet dentijd om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.

De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet kon inhalen. “Karr, Karr!” riep hij een poos later, “hoor je niet hoe het knapt in de takken.” Nu klonk de stem zóó droevig, dat die steenen zou kunnenvermurwen. Karr bleef staan om te luisteren, en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het klonk als het tikken van een horloge.

“Ja, ik hoor het knappen,” riep Karr, en ging nu niet verder. Hij begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.

Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove, donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam, ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom; dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk, dat de hond er last van had.

“Die den daar zal niet veel naalden behouden,” dacht hij, en keerde zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den, maar die zag er ook zoo uit. “Wat kan dat wezen?” dacht Karr. “Dat is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid hebben verloren.”

Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter te komen, hoe ’t met hen was. “Dat daar is een spar, die hebben ze misschien niet aangedurfd,” dacht hij. Maar ze hadden ook de spar aangetast. “En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den boschwachter wel niet aanstaan,” dacht Karr.

Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken, rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. ’t Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.

Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles doodstil was.

“Hier is hun rijk uit,” dacht de hond, bleef staan, en keek rond.

Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen te gebruiken.

Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karrte wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden, de aanzienlijkste in ’t bosch. Karr kende hen. ’t Waren Kromrug, een kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn, de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in den herfst een kogel in de dij gekregen had.

“Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?” vroeg Karr, toen hij bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.

“Dat kan niemand zeggen,” antwoordde Grauwvel. “Dit insectenvolk hier is het meest machtelooze in ’t heele bosch geweest, en heeft vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele bosch zullen vernielen.”

“Ja, het ziet er leelijk uit,” zei Karr, “maar ik merk, dat de wijzen uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er misschien iets op gevonden.”

Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op, klapte met de lange ooren, en zei: “We hebben je hier geroepen, Karr, om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting.”

“Neen,” zei Karr, “zoover in ’t bosch komt immers geen mensch, wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk.”

“Wij, die in ’t bosch oud geworden zijn,” zei toen Kroonhoorn, “gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk kunnen verweren.”

“Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,” zei Ruigmaan. “Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit.”

“Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven,” zei Grootsterk. “We hebben geen keus.”

Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.

“Is ’t misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten, hoe het hier gaat?”

Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.

“’t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen, maar we weten geen anderen raad.”

Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep, diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem een groote, zwarte slang te gemoet.

“Welkom in ’t bosch,” siste de slang.

“Goedendag,” blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.

“Misschien is hij ook ongerust over ’t bosch,” dacht Karr, en bleef staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.

“Als de menschen hier komen, is ’t uit met onze rust en vrede,” zei hij.

“Daar ben ik ook bang voor,” zei Karr, “maar de oude elanden in ’t bosch weten wel, wat ze doen.”

“Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet,” zei de slang, “als ik maar het loon kreeg, dat ik verlang.”

“Ben jij ’t soms, die ze Helpmij noemen?” vroeg de hond verachtelijk.

“Ik ben al een oude boschbewoner,” zei de slang. “Ik weet, hoe je dat ongedierte wegkrijgen kunt.”

“Als je ’t maar wegkrijgen kunt,” zei Karr, “denk ik wel, dat niemand je weigeren zal, wat je ook begeert.”

Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.

“Groet dan Grauwvel van mij,” zei hij, “en zeg hem, dat, als hij van het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in ’t bosch groeit, en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en er van eten.”

“Wat zeg je daar?” vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op te staan. “Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?”

“Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was,” zei de slang. “En ik wil me op hem wreken.”

Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem, maar hij lag veilig onder den boomwortel.

“Lig daar zoolang je wilt,” zei Karr eindelijk. “Wij zullen die denneneters zonder jou wel wegkrijgen.”

Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.

“Dat is Karr, die weer aan ’t jagen is,” zei de ijzerfabrikant. De boschwachter wilde het niet gelooven.

“Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden,” zei hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte, en de ijzerfabrikant volgde hem.

Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staanom te luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden, die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.

De groote nonnenoorlog.Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. “Karr, Karr!” riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed gehoord. ’t Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.“Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!” zei de vos.“Ja, wees daar maar zeker van,” zei Karr. “Zij werken er voor, zoo hard zij kunnen.”“Ze hebben mijn heele familie vermoord,” zei de vos. “En zij zullen mij ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, als zij het bosch maar helpen.”Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. ’t Was niet zoo gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden1was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang te redden. Zij velden de boomen, die ’t meest beschadigd waren, kapten het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze lijmringen aan te leggen om de boomen. ’t Was de bedoeling, dat men op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, en daar dood te hongeren.De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af,dat de larven uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren massa’s, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten van Kolmarden.“Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn,” zeiden de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.“Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?” vroeg de slang.Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.“Doe dat in ieder geval,” zei de slang. “Je ziet immers wel, dat de menschen geen raad weten voor deze verwoesting.”“Ja, jij ook niet,” antwoordde Karr, en liep verder.Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. “Ik weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,” zei hij.“Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt,” zei Karr, en bracht nu de boodschap van de slang over.“Als ’t iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik dadelijk in ballingschap gaan,” zei de eland. “Maar hoe zou nu een arme slang zoo’n macht hebben?”“’t Is natuurlijk maar pocherij,” zei Karr. “Slangen doen altijd, alsof ze meer weten dan andere dieren.”Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag, bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:“Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!” Toen rende hij weg, zoo hard hij kon.“Wat bedoelen ze daarmeê?” vroeg Karr.“Dat weet ik niet precies,” zei Grauwvel. “Ik denk, dat het kleine volkje in ’t bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt.”Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten werd geroepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.“Zeg, Grauwvel,” vroeg Karr snel, “wat meent de slang daarmeê, dat je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?”“Hoe kan ik dat weten?” zei Grauwvel. “Je weet, dat ik nooit iemand doodsla.”Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn, Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen, achter elkaar.“Welkom in ’t bosch,” riep Grauwvel ze tegen.“Goeden dag,” antwoordden de elanden. “We zochten je juist, Grauwvel, om met je over het bosch te spreken.”“We hebben gehoord,” zei Kromrug, “dat er hier een misdaad in ’t bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die daad niet gestraft is.”“Wat is dat voor een misdaad?”“Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet eten kon. Zooiets wordt hier in ’t Friedsbosch voor een misdaad gehouden.”“Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?” vroeg Grauwvel.“Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je weet, wie dat wezen kan.”“Neen,” zei Grauwvel, “ik heb nooit over een eland hooren spreken, die een onschadelijk dier heeft gedood.”Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule, de adder, die daar in zijn hol lag.“Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield,” siste Krule, zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op de adder toe, en lichtte den voorpoot op.“Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt doodgeslagen?”“Heb ik een slang doodgeslagen?” vroeg Grauwvel.“De eerste dag, toen je in ’t bosch kwam, sloeg je de vrouw van de slang, Helpmij, dood,” zei Krule.Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens stond hij stil:“Karr,ikheb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest.”“Wat zeg je toch?” viel Karr hem in de rede.“Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in ballingschap gaat.”“Dat zeg ik nooit,” zei Karr. “’t Is een gevaarlijk land voor elanden, daar in ’t noorden.”“Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo’n ongeluk heb aangericht?” vroeg Grauwvel.“Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet.”“Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch,” zei Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord had gehouden, en in ballingschap was gegaan.Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet wegpraten. Hij had nooit van zoo’n dwaasheid gehoord. Wat kon die Helpmij nu voor macht hebben?Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.“Waar kijk je naar?” vroeg een man, die naast hem stond.“Er is een ziekte onder de larven uitgebroken,” zei de boschwachter.Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want die slang zou wel nooit sterven.Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, die hem een beetje troostte.“De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden,” dacht hij. “Hij zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal.”Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, of de larven hadden zich verpopt. Uit depoppen kwamen millioenen vlinders. Zij vlogen ’s nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon men nog grooter verwoesting verwachten.De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van ’t eene bosch naar het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot, toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid, en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven leven, tot ze poppen en vlinders werden.Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap, dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.

Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. “Karr, Karr!” riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed gehoord. ’t Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.

“Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!” zei de vos.

“Ja, wees daar maar zeker van,” zei Karr. “Zij werken er voor, zoo hard zij kunnen.”

“Ze hebben mijn heele familie vermoord,” zei de vos. “En zij zullen mij ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, als zij het bosch maar helpen.”

Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. ’t Was niet zoo gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.

Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden1was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang te redden. Zij velden de boomen, die ’t meest beschadigd waren, kapten het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze lijmringen aan te leggen om de boomen. ’t Was de bedoeling, dat men op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, en daar dood te hongeren.

De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af,dat de larven uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.

Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren massa’s, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten van Kolmarden.

“Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn,” zeiden de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.

Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.

“Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?” vroeg de slang.

Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.

“Doe dat in ieder geval,” zei de slang. “Je ziet immers wel, dat de menschen geen raad weten voor deze verwoesting.”

“Ja, jij ook niet,” antwoordde Karr, en liep verder.

Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. “Ik weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,” zei hij.

“Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt,” zei Karr, en bracht nu de boodschap van de slang over.

“Als ’t iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik dadelijk in ballingschap gaan,” zei de eland. “Maar hoe zou nu een arme slang zoo’n macht hebben?”

“’t Is natuurlijk maar pocherij,” zei Karr. “Slangen doen altijd, alsof ze meer weten dan andere dieren.”

Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”

Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag, bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:

“Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!” Toen rende hij weg, zoo hard hij kon.

“Wat bedoelen ze daarmeê?” vroeg Karr.

“Dat weet ik niet precies,” zei Grauwvel. “Ik denk, dat het kleine volkje in ’t bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt.”

Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten werd geroepen: “Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield.”

Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.

“Zeg, Grauwvel,” vroeg Karr snel, “wat meent de slang daarmeê, dat je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?”

“Hoe kan ik dat weten?” zei Grauwvel. “Je weet, dat ik nooit iemand doodsla.”

Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn, Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen, achter elkaar.

“Welkom in ’t bosch,” riep Grauwvel ze tegen.

“Goeden dag,” antwoordden de elanden. “We zochten je juist, Grauwvel, om met je over het bosch te spreken.”

“We hebben gehoord,” zei Kromrug, “dat er hier een misdaad in ’t bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die daad niet gestraft is.”

“Wat is dat voor een misdaad?”

“Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet eten kon. Zooiets wordt hier in ’t Friedsbosch voor een misdaad gehouden.”

“Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?” vroeg Grauwvel.

“Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je weet, wie dat wezen kan.”

“Neen,” zei Grauwvel, “ik heb nooit over een eland hooren spreken, die een onschadelijk dier heeft gedood.”

Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule, de adder, die daar in zijn hol lag.

“Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield,” siste Krule, zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op de adder toe, en lichtte den voorpoot op.

“Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt doodgeslagen?”

“Heb ik een slang doodgeslagen?” vroeg Grauwvel.

“De eerste dag, toen je in ’t bosch kwam, sloeg je de vrouw van de slang, Helpmij, dood,” zei Krule.

Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens stond hij stil:

“Karr,ikheb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest.”

“Wat zeg je toch?” viel Karr hem in de rede.

“Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in ballingschap gaat.”

“Dat zeg ik nooit,” zei Karr. “’t Is een gevaarlijk land voor elanden, daar in ’t noorden.”

“Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo’n ongeluk heb aangericht?” vroeg Grauwvel.

“Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet.”

“Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch,” zei Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.

Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord had gehouden, en in ballingschap was gegaan.

Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet wegpraten. Hij had nooit van zoo’n dwaasheid gehoord. Wat kon die Helpmij nu voor macht hebben?

Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.

“Waar kijk je naar?” vroeg een man, die naast hem stond.

“Er is een ziekte onder de larven uitgebroken,” zei de boschwachter.

Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want die slang zou wel nooit sterven.

Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, die hem een beetje troostte.

“De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden,” dacht hij. “Hij zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal.”

Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, of de larven hadden zich verpopt. Uit depoppen kwamen millioenen vlinders. Zij vlogen ’s nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon men nog grooter verwoesting verwachten.

De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van ’t eene bosch naar het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot, toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.

Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.

Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid, en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven leven, tot ze poppen en vlinders werden.

Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap, dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.

Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.

Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.

De wraak.Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs dekte ’t geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klompverloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van ’t bosch. “Neen, dan heb ik de vlakte en de zee liever,” dacht hij. “Daar kun je zien, waar je op afgaat. Als ’t nog een beukenbosch was, kon ’t er nog door, want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, die zoo woest en ongebaand zijn—ik begrijp niet, hoe de menschen het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken.”Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in ’t oog, en stond dat juist om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef rustig staan. “Dat is maar een slang,” dacht hij. “Die kan mij toch niets doen.”Maar ’t volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo’n sterken stoot voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem dicht op de hielen.Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile kanten, en hij klauterde er op.“Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen,” dacht hij, maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, dat de slang probeerde achter hem aan te komen.Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal los op een smallen kant. ’t Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den slangenkop liggen.“Die heeft zijn werk netjes gedaan,” dacht de jongen, en haalde diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, stil bleef liggen.“Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar ben geweest.”Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een metaalachtigen glans er over.De jongen kroop voorzichtig weg in een spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur, toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder noodzaak vertoonen.De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed in de ooren: “Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood ligt!” Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.“’t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in ’t bosch kunnen zijn,” zei hij. “Hij is het zeker!”Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens hield hij zich in. “Je moet geen ezel zijn, Bataki,” zei hij. “Je kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is, als hij hem niet zelf ziet.”De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten, dat hij het lachen niet laten kon.De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. “Ben jij niet Bataki, de raaf, eengoedevriend van Akka van Kebnekaise?” vroeg de jongen.De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.“Jijbenttoch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt, en dien ze Duimelot noemen?”“Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis,” zei de jongen.“Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen, wie die slang heeft dood geslagen?”“Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,” antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.“Dat was flink voor zoo’n kleintje als jij,” zei de raaf.“Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen.”“Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,” zei de jongen.“Och,” antwoordde de raaf, “dat is een lang verhaal. Je hebt toch geen geduld daarnaar te luisteren.”Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.“Ik dank je wel,” zei hij. “’t Is alsof ik het bosch beter begrijp, nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog iets van het groote Friedsbosch over is.”“’t Meeste is al verwoest,” zei Bataki. “De boomen zien er uit, alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is.”“Die slang daar heeft zijn dood verdiend,” zei de jongen. “Maar hoe wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?”“Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,” zei Bataki.“Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder geval een heel verstandig dier was.”De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop afgewend te luisteren naar iets anders.“Hoor,” zei hij. “Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, als hij hoort, dat Helpmij dood is.”De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.“Hij spreekt met de wilde ganzen,” zei hij. “Ja, hij heeft zich zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel te hooren.”De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.“Daar heb je Karr,” zei Bataki tegen den jongen.“Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is.”Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:“’t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden,” zei de gans. “We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die ’s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, messen in den gordel, maar geen geweren.Er was een hard bevroren korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, maar liepen rechtuit.Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden, wat ze zochten.Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden ’t heele bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.We daalden snel naar beneden, en streken midden in ’t kreupelhout neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. ’t Waren drie elanden, die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. ’t Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.“Neen, vadertje, ga niet liggen slapen,” zei ik toen tegen hem. “Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in ’t bosch, en ze komen recht op dit elandleger aan.”“Dank je wel, ganzenmoedertje,” zei de eland, en het was, alsof hij weer insliep onder ’t praten, “maar je weet wel, dat wij, elanden, hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers zijn zeker op de vossenjacht.”“Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat ze geen schot in ’t bosch durven te lossen in dezen tijd van ’t jaar.”De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig, “’t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen,” zeiden ze, en begonnen op te staan.“Blijvenjelui maar stil liggen,” zei de stier. “Er komen hier geen jagers in ’t kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn.”Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met de elanden zou gaan.Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daarliep hij heen, en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom van ’t bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze weer in ’t gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats, waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in ’t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het tegen zulk een draver als hij konden volhouden.Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in ’t begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze optrok, zagen we bloed in het spoor.Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de pooten neerzette.De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en struikelend. Hij blies heftig. ’t Was niet genoeg, dat hij zooveel pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl we boven hem zweefden, riep hij: “Blijf nu hier, wilde ganzen! tot alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood gestorven is!””Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee stappen naar haar toe. “Grauwvel heeft een goedleven geleid,” zei hij. “Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel me nu hoe....”Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding aan te nemen, maar hij zonk weer neer.“Karr, Karr!” riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude hond stond haastig op. “Dat is de baas, die me roept,” zei hij, “en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je, wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden den dood te gemoet te gaan.”

Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs dekte ’t geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klompverloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.

De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van ’t bosch. “Neen, dan heb ik de vlakte en de zee liever,” dacht hij. “Daar kun je zien, waar je op afgaat. Als ’t nog een beukenbosch was, kon ’t er nog door, want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, die zoo woest en ongebaand zijn—ik begrijp niet, hoe de menschen het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken.”

Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in ’t oog, en stond dat juist om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef rustig staan. “Dat is maar een slang,” dacht hij. “Die kan mij toch niets doen.”

Maar ’t volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo’n sterken stoot voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem dicht op de hielen.

Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile kanten, en hij klauterde er op.

“Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen,” dacht hij, maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, dat de slang probeerde achter hem aan te komen.

Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal los op een smallen kant. ’t Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den slangenkop liggen.

“Die heeft zijn werk netjes gedaan,” dacht de jongen, en haalde diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, stil bleef liggen.

“Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar ben geweest.”

Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een metaalachtigen glans er over.De jongen kroop voorzichtig weg in een spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur, toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder noodzaak vertoonen.

De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed in de ooren: “Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood ligt!” Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.

“’t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in ’t bosch kunnen zijn,” zei hij. “Hij is het zeker!”

Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens hield hij zich in. “Je moet geen ezel zijn, Bataki,” zei hij. “Je kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is, als hij hem niet zelf ziet.”

De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten, dat hij het lachen niet laten kon.

De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. “Ben jij niet Bataki, de raaf, eengoedevriend van Akka van Kebnekaise?” vroeg de jongen.

De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.

“Jijbenttoch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt, en dien ze Duimelot noemen?”

“Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis,” zei de jongen.

“Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen, wie die slang heeft dood geslagen?”

“Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,” antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.

“Dat was flink voor zoo’n kleintje als jij,” zei de raaf.

“Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen.”

“Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,” zei de jongen.

“Och,” antwoordde de raaf, “dat is een lang verhaal. Je hebt toch geen geduld daarnaar te luisteren.”

Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.

“Ik dank je wel,” zei hij. “’t Is alsof ik het bosch beter begrijp, nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog iets van het groote Friedsbosch over is.”

“’t Meeste is al verwoest,” zei Bataki. “De boomen zien er uit, alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is.”

“Die slang daar heeft zijn dood verdiend,” zei de jongen. “Maar hoe wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?”

“Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,” zei Bataki.

“Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder geval een heel verstandig dier was.”

De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop afgewend te luisteren naar iets anders.

“Hoor,” zei hij. “Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, als hij hoort, dat Helpmij dood is.”

De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.

“Hij spreekt met de wilde ganzen,” zei hij. “Ja, hij heeft zich zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel te hooren.”

De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.

“Daar heb je Karr,” zei Bataki tegen den jongen.

“Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is.”

Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:

“’t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden,” zei de gans. “We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die ’s winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.

Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, messen in den gordel, maar geen geweren.Er was een hard bevroren korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, maar liepen rechtuit.

Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden, wat ze zochten.

Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden ’t heele bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.

We daalden snel naar beneden, en streken midden in ’t kreupelhout neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. ’t Waren drie elanden, die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.

De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. ’t Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.

“Neen, vadertje, ga niet liggen slapen,” zei ik toen tegen hem. “Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in ’t bosch, en ze komen recht op dit elandleger aan.”

“Dank je wel, ganzenmoedertje,” zei de eland, en het was, alsof hij weer insliep onder ’t praten, “maar je weet wel, dat wij, elanden, hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers zijn zeker op de vossenjacht.”

“Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat ze geen schot in ’t bosch durven te lossen in dezen tijd van ’t jaar.”

De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig, “’t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen,” zeiden ze, en begonnen op te staan.

“Blijvenjelui maar stil liggen,” zei de stier. “Er komen hier geen jagers in ’t kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn.”

Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met de elanden zou gaan.

Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daarliep hij heen, en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.

Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom van ’t bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.

De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze weer in ’t gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats, waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in ’t gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.

De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het tegen zulk een draver als hij konden volhouden.

Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in ’t begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze optrok, zagen we bloed in het spoor.

Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de pooten neerzette.

De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en struikelend. Hij blies heftig. ’t Was niet genoeg, dat hij zooveel pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.

Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl we boven hem zweefden, riep hij: “Blijf nu hier, wilde ganzen! tot alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood gestorven is!””

Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee stappen naar haar toe. “Grauwvel heeft een goedleven geleid,” zei hij. “Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel me nu hoe....”

Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding aan te nemen, maar hij zonk weer neer.

“Karr, Karr!” riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude hond stond haastig op. “Dat is de baas, die me roept,” zei hij, “en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je, wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden den dood te gemoet te gaan.”

1Berg- en boschstreek inOost-Göthland, Södermanland en Nerike.

1Berg- en boschstreek inOost-Göthland, Södermanland en Nerike.


Back to IndexNext