XXIII.In Närke.In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden, en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heelNärkekon men zeker wezen haar niet tegen te komen.Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en waar ze ’t allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en ’t land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan rent hij voort over de vlakte, maar vlak in ’t westen bonst hij tegen den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat hij naar ’t oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar ’t noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stondze midden in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in ’t rond op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.’s Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite ’s avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer, zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren, en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag een eind aan het werk maakten.’t Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht, dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå ’s avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen, en de zware sleden in poelen en moerassen reden.Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel, wie er weer aan ’t grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in Örebro van ’t hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook ’s avonds de kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was ’t niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan ’t pret maken was.Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel merken, dat ze ’t meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen, dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek, en ’t gevaar afweerde.In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsadikwijls hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de langzaam stroomendeSvartåen de ondiepe vischrijke meren in de vlakte, met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben: “Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt.”En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg, dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. ’t Was even verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben, als voor ’t veld door den stormwind te worden gezweept.Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.De avond voor den marktdag.’t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende, dat het goot.’t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen uit de wolken, en menigeen dacht: “’t Is precies, als in den tijd van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de marktdagen. ’t Zou juist iets voor haar zijn, zoo’n stortregen te brengen op den avond vóór de groote markt.”Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen inÖrebrote zijn, hadden het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers, en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.’t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen en schuren.Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te laten staan. ’t Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder dak konden komen.’t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten, waar ze voor zorgen moesten.De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge voeten over kon komen, als het laag water was.Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. ’t Was een oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel, droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. ’t Was duidelijk, dat ’t hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.’t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.“Waar moet je heen? Kijk toch uit!” riep hij.“Zoo, ben jij daar,” zei het paard, en kwam op den jongen af. “Ik heb bijna een uur geloopen om je te vinden.”“Heb je over mij hooren spreken?” vroeg de jongen verbaasd.“Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel over je gesproken.”Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en een zachten fijnen neus had.“Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, op zijn ouden dag, akelig aan toe,” dacht hij.“Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen,” zei het paard. De jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.“Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit,” zei het paard. “Maar je durftmisschienniet met zoo’n schooier van een knol meê, als ik ben.”“O ja, dat durf ik wel,” zei de jongen.“Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je morgen zullen komen halen,” zei het paard.Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, zonder eenige beschutting voor den regen, en in ’t midden van de plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, varkens en hoenders opgesloten zaten. ’t Paard ging naar het hek, en bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.“Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?” vroeg hij.“Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen.”De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept neerviel, was met sneeuw vermengd. ’t Was niet moeilijk te begrijpen, wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.“Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?” vroeg het paard.“Ja,” zei de jongen, “die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar misschien ook al vol?”“Neen, daar zijn geen gasten,” zei het paard. “Zij, die daar wonen, zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt, als ze daar om huisvesting vragen.”“O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent.”“Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed,” zei het paard. “Ik weet, dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken, dat we daar binnen kwamen.”“Ik geloof niet, dat ik dat durf,” zei de jongen. Maar toen had hij toch zoo’n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde probeeren.Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant, van waar hij die niet verwacht had. ’t Was een windvlaag, die kwam aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak voor hem opengooide.De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.“’t Is niet mogelijk in de stallen te komen,” zei hij, “maar er is een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten, en daar kan ik jelui in brengen.”“Ja, graag,” zei het paard. “’t Zal prettig zijn nog eens op de oude plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van ’t leven verwachten kan.”In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang, en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in ’t vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder een beweging te maken, dan alleen om nu endan een stuk brandhout op den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon, die daar bij ’t vuur stond, en niet naar bed ging.“’t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger,” zei hij.De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien, dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was, dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.“Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen, want dien heeft het wel noodig,” had de paardenkooper geantwoord.Toen had hij ’t paard bekeken en het herkend. ’t Was een dier, dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet in den zin zoo’n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen, zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker, dat hij niet naar bed kon gaan.Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem heelemaal laten oppassen. Hij had hem ’t eerst gereden, en hij hield meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd, dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte haver gegeven.Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard had; hij had altijd gereden. ’t Was alleen om met dat jonge paard te pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren, en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het mooiste, dat op ’t kerkplein kwam.Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan ’t verstand te brengen, dat hij, als hij zoo’n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch ook een beetje knap uit moest zien.Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.Dat was hard! Maar ’t was duidelijk, dat Vader bang was geweest, dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu, zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vadergelijk had gehad. Zoo’n paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in ’t begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan, en ’t paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te sluipen met een klontje suiker.“Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg,” had hij gedacht, “koop ik allereerst mijn paard weer terug.”Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had in lang niet aan het dier gedacht, voor nu,vanavond.’t Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil, en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen, dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen, als Vader zou gedaan hebben.Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men niet door nalatigheid verwaarloozen. ’t Was beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat hij iets vreemds hoorde. ’t Was alsof een schelle, spottende stem precies herhaalde wat hij dacht:“’t Is ’t beste je beurs stijf toe te houden. ’t Is beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars.”’t Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was op ’t punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing was. ’t Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor werkelijk spreken gehouden had.Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware slagen. ’t Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.“’t Wordt tijd, dat je naar bed gaat,” dacht hij. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht waren, en alle lichten uit.Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten in den storm.Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuurdoor den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit, en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar begon in de kamer heen en weer te loopen. ’t Was vreeslijk weer buiten, met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in de buurt gekomen was.Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen; maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was, toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen, hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den sleutel zien te bemachtigen.“Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel te halen,” zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar hulp zou kunnen krijgen.“Zie zoo Brita Maja,” zei de eene, “nu moet je niet meer schreien! Nu zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen.”Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe: “Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen gasten. Daar moet jelui heengaan.”De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien, wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk:“We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen, zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den weg moeten loopen bedelen.”“Dat kan wel wezen,” zei de jongen, “maar jelui moet daar in ieder geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat.”“Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens binnengelaten,” zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe, en klopten aan.Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken, en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.’t Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige, vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen, even groot als zijzelf.“Watzijnjelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten rondzwerft?” vroeg de boer onvriendelijk.De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te begroeten. “Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!” zei de oudste, “en we wilden om nachtverblijf vragen.”Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem opkwam. Engärde,—was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen, had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste waren ten laste van de gemeente gekomen.Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld hadopgeëischt, dat toch zijn rechtmatig eigendom was.“Wat voeren jelui tegenwoordig uit?” vroeg hij de kinderen op strengen toon. “Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui nu te bedelen?”“Dat kunnen wij niet helpen,” zei het oudste meisje. “De menschen, waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen.”“Nu, jelui hebt de zakken vol,” zei de boer, “je hebt dus niette klagen. Nu is ’t maar ’t beste, dat je er uit neemt, wat je bij je hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan liggen, danhebbenjelui ’t ten minste niet koud.”Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde, en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in den schoorsteen.Maar dat was het wonderlijke:—als de wind zoo zijn gedachten herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.“Wil jelui wel eens stil wezen!” zei hij. Hij was zoo prikkelbaar, dat hij ze wel had willen slaan.Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat ze moesten zwijgen.“Toen Moeder van ons wegging,” antwoordde daarop een helder stemmetje, “heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben opgezegd van: “Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt” zullen we stil zijn.”De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te loopen,—heen en weer,—en hij wrong de handen, alsof hij in grooten angst was.Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was ’t werk van zijn vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles, wat hij deed.Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter hem, alsof ze verwachtte, dat hijiets tegen haar zou zeggen. Toen dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. “Zeg eens, Lars,” zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide, “je moet mij die twee kinderen laten.”“Wat, Moeder?” zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.“Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af, dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook.”“Ja, maar...”“Ik wil ze hier houden en flinkemenschenvan hen maken. Ze zijn te goed om te loopen bedelen.”Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde die.Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.“Wat zou Vader hiervan zeggen?”“Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw tijd gekomen,” zei de moeder. “Zoolang Vader leefde, moesten we hem gehoorzamen. Nu moet jij je toonen,zooalsjebent.”De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met schreien.“Ik toon me toch, zooals ik ben,” zei hij.“Neen,” antwoordde zijn moeder. “Dat doe je niet. Je probeert aldoor op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig hebt, en ’t zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht.”Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in ’t oog kreeg, die uit den jaszak stak. “Als nu de boer de kinderen de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg,” dacht hij.Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo’n goede uitdrukkingop zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde hij die oude gerimpelde hand.“Ja, nu moeten we toch naar bed,” zei de oude vrouw, toen ze zag, dat hij weer kalm was.“Neen,” zei hij, en stond snel op.“Ik kan nog niet naar bed gaan. Er is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag.”Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, en ’t was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.”Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid,” dacht hij, en ging er heen om die te sluiten.Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en hen onder dak gebracht, maar ’t was het geluid, dat de jongen maakte, toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.En de boer begon hem te streelen. “Mijn best paard,” zei hij. “Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte hoef te doen. Jebentook nog niet heelemaal op. Jezult nog eens het mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest.”Het kruien van het ijs.Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens van den vorigen dag.Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet anders dan het prachtige ijs.Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden, en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoodichtbij, dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.“Kom, laten we het probeeren,” zei kleine Mads. “Als we maar goed voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel.”En zoo gingen ze op weg over het meer. ’t IJs was niet heel glad, maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen, maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de buurt vanVinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. ’t Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel prettig. Ze deden om ’t hardst hun best om uit te vinden, waar het ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe moeilijkheden kwamen.Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd over, dat het meer zoo breed was.“’t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt,” zei de kleine Mads.Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, was, dat die wind zoo’n leven maakte. ’t Was alsof die ’t lawaai van een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust begonnen te worden.Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over ’t ijs liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het ijs sloegen.Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in ’t westen was open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig naar ’t oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd,juist op de plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door het ijs zien schieten.Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.“Asa,” zei kleine Mads, “dit is zeker het kruien van ’t ijs.”“Ja Mads, dat is het,” antwoordde Asa, “maar we kunnen nog aan land komen. Loop maar flink door.”De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote gave velden vormde.Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de kinderen onder al ’t gekakel door de woorden hoorden: “Jelui moet rechts loopen, rechts, rechts, rechts!”Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet wat ze doen moesten.Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in ’t gekakel onderscheidden ze de woorden: “Blijf stil staan, waar jebent, blijf stil staan, waar jebent!”De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer een stem, die tot hen doordrong: “Recht door! Recht door!” zei de stem.Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, maar ze liepen hard door.Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens staan.“Wacht hier even, Mads,” zei ze. “Ik heb wat vergeten.” En Asa, het ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van ’t meer terug. Daar ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in ’t oog viel. Daarna ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om te kijken.Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.XXIV.De ijzerfabriek.Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar Akka meende, dat Smirre de vos, in ’t oosten van ’t land rondzwierf. Ze wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw, en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren dien middag nog in demijndistrictenvan Westmanland. Tegen den avond ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat, en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik gelicht, en in de lucht geslingerd.Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo’n hevigen wind niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als een blad van een boom valt.“Nu, dat loopt wel goed af,” dacht de jongen nog onder het vallen. “Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen.”Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien, waar hij was.“Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?” riep hij. En hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast hem stond.Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos verdwenen.Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen, om hem te halen.Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar in een breede bergspleet, of iets dergelijks. ’t Was een ruimte, zoo groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken, en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen.De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan, doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.“Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren,” dacht hij, “want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden.”Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde brommen:“Wat ben jij er voor een?”De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep:“Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje voor jelui.”Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden.“Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?” riepen ze.“O zoo! ben ik bij de beren gekomen,” dacht de jongen. “Dan ben ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij te jagen.”De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door, want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken, vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en sloegen elkaar, en bromden.Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na, klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het mos als een bal.“Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van een kat is gevallen,” dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem, waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem weer te vangen.Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond bleef liggen.“Loop nu weg, anders eten we je op,” bromden de beertjes.“Ja, doe dat maar,” zei de jongen. “Ik kan niet meer wegloopen.”Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.“Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!” klaagden ze.“Dan moet jelui hem samen deelen,” zei de berin. Maar toen de jongen dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo’n pleizier gehad, dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe, dat hij ook insliep.Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den beer kon zien. ’t Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden boschkoning zag.“’t Ruikt hier naar menschen,” zei de beer, zoodra hij bij de berin kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.“Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?” zei de berin, en bleef rustig liggen. “We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten, dat jij hem kon ruiken.”De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in ’t rond te snuffen.“Schei nu uit met dat gesnuffel!” zei de berin. “Je kent me toch genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele week niet gezien.”“Ik heb naar een nieuwe woning omgezien,” zei de beer. “Eerst ben ik naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol meer in ’t heele bosch.”“Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn,” zei de berin. “Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in ’t bosch blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten verhuizen om rust te hebben.”“Hier in de groeve hebben we ’t immers jaren lang best gehad,” zei de beer. “Maar ik kan ’t hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik ’t laatst ten oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten...”Op ’t zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde om zich heen.“’t Is vreemd,—maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht weer,” zei hij.“Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft,” zei de berin. “Ik zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou kunnen zijn.”De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.“Zei ik ’t niet?” zei de berin. “Maar jij gelooft natuurlijk, dat niemand, behalve jij, neus en ooren heeft.”“Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier hebben,” zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht gelegd, zoodat de stakker niet konademhalen, maar begon te snuiven. Nu kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen rechts en links, en kreeg Duimelot in ’t oog, vóór hij op kon staan.Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet tusschen hen in geworpen had.“Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!” riep ze. “Ze hebben den heelen avond zoo’n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten, maar hem voor morgen bewaren.”Maar de beer duwde haar op zij.“Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt,” schreeuwde hij. “Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch ruikt? Ik zal hemdirectopeten, anders speelt hij ons nog eens een leelijke poets.”Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in den bek van den beer.De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en—uit was de vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar—wonderlijk genoeg—de beer deed geen aanval.“Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?” vroeg de beer.“Ik kan er zooveel aansteken, dat ze ’t heele bosch kunnen vernielen,” antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer bang kon maken.“Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?” vroeg de beer.“Dat zou voor mij in ’t minst geen kunst zijn,” blufte de jongen, en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.“Dat is best,” zei de beer. “Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb.”Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van ’t bosch kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen, zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten vast. “Kijk nu naar die groote lawaaifabriek,” zei hij tegen den jongen.De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden, en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo’n kracht, dat de lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen, stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa’s, scholen, vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht en rook uit, en vuur en vonken. ’t Was het meest overweldigende, wat hij ooit had gezien.“Je zult toch niet beweren, dat je zoo’n groote fabriek ook in brand kunt steken,” zei de beer.De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende, dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken indruk van zijn macht en kracht kreeg.“Dat is me ’t zelfde, of het groot of klein is,” zei hij. “Ik kan dat best laten afbranden.”“Dan zal ik je wat zeggen,” zei de beer. “Mijn voorouders hebben in deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in ’t land groeiden, en ik heb het jachtgebied en ’t veld om te grazen, het nest en alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijnleven langgewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht.”De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch, dat ze dichter bij de fabriek kwamen.De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was, dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag.Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond, en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog, en zei: “Probeer eens,of je in dat huis kunt zien.”Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer.In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong, sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten, in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen gevangen zat.De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven, en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder, die het nog langer en smaller maakte.Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange, roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer, als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders staken. ’t Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan.“Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is,” dacht de jongen.De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij, en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de smeden met ijzer en vuur omgingen.“Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen,” dacht hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen leken, en daarom konden ze zeker ’t ijzer buigen en vervormen naar welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren, die zulk een macht hadden.“Kijk! Zoo gaan ze nu maar door—dag aan dag, nacht op nacht!” zei de beer, en ging op den grond liggen. “Je kunt wel begrijpen, dat zooiets je verveelt. ’t Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan.”“Zoo, kun je dat?” vroeg de jongen. “Hoe wil je dat doen?”“Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken,” zei de beer. “Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen.”De jongen werd ijskoud van schrik. ’t Was dus daarom, dat de beer hem hierheen had gebracht.“Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag blijven leven,” zei de beer. “Maar als je niet doet, wat ik wil, is ’t gauw met je gedaan.”De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht, dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die toch niet zou kunnen uitvoeren.Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden barsten door de hitte, en de machines vernield worden.“Nu, wil je—of wil je niet?” zei de beer.De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:“Ik mag me zeker nog wel even bedenken.”“Nu ja, dat mag je wel,” zei de beer, “maar ik moet je zeggen, dat het juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren, geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden.”De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang,dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg, die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd, in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde, aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: ’t geweer, dat de wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar, waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd gekookt. ’t Groote en ’t kleine, al het nuttige en onontbeerlijke, van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.“Nu, wil je, of wil je niet?” vroeg de beer.De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden om zich te redden.“Je moet niet zoo ongeduldig wezen,” zei hij. “Dat is een zaak van gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken.”“Nu, bedenk je dan nog een poosje,” zei de beer. “Maar ik wil je wel zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier weg hebben.”Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken, hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. ’t Was misschien, omdat ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen, dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.“Nu, hoe is het?” zei de beer. “Wil je, of wil je niet?”Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest om weg te komen.“’t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt,” zei hij. “Je moet me bedenktijd geven.”“Ik kan nog wel een poos wachten,” zei de beer. “Maar dan krijg je geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen, dat ik die fabriek hier weg wil hebben.”De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was, zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten had gezien. ’t Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging, zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van ’t oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden hadden meegebracht, die...”“Nu, hoe is het?” vroeg de beer. “Wil je—of wil je niet?”De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had hij bedacht, maar zooveel wist hij—dat hij niets tegen het ijzer wou doen, dat zoo’n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel menschen in dit land brood gaf.“Ik wil niet,” zei hij.De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.“Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen,” zei de jongen. “Want het ijzer is zoo’n groote zegen, dat het niet aangaat daar kwaad aan te doen.”“Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven,” zei de beer.“Neen, dat verwacht ik niet,” zei de jongen, en keek den beer vlak in de oogen.De beer kneep nog harder. Dat deed zoo’n pijn, dat de jongen tranen in de oogen kreeg, maar hij zei niets.“Nu dan!” zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.“Beer!” riep de jongen. “Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak, dat je weg komt, of ze schieten op je!”De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen meete nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het deed, zonder er over te denken.Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan, en zette den jongen op den grond.“Ik dank je wel, klein ventje,” zei hij. “Die kogels zouden wel beter hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet je hem zeggen, wat ik je nu influister,—dan raakt hij je niet aan.”Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor, en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en jagers hem vervolgden.En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen, gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde, dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in ’t bosch lag, waar ze hem niet konden vinden.Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd, en hen in hun verwondering hoorde kakelen.Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.“Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel,” zei hij.“Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!”“Dat is vreemd,” zei de jongen. “Toen de beer weg was, klom ik in een den, en viel in slaap. Maar bij ’t eerste aanbreken van den dag werd ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met me gedaan was. Maar hijdeed me niets; hij vloog regelrecht hierheen, en gooide me neer midden tusschen jelui in.”“Zei hij niet, wie hij was?” vroeg de groote witte ganzerik.“Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder Akka hem had gezonden om me te halen.”“Dat was wonderlijk,” zei de witte ganzerik. “Ben je er zeker van, dat het een arend was?”“Ik heb nog nooit een arend gezien,” zei de jongen. “Maar hij was zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven.”Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten.“We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten,” zei Akka, en vloog haastig op.
XXIII.In Närke.In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden, en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heelNärkekon men zeker wezen haar niet tegen te komen.Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en waar ze ’t allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en ’t land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan rent hij voort over de vlakte, maar vlak in ’t westen bonst hij tegen den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat hij naar ’t oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar ’t noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stondze midden in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in ’t rond op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.’s Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite ’s avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer, zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren, en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag een eind aan het werk maakten.’t Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht, dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå ’s avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen, en de zware sleden in poelen en moerassen reden.Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel, wie er weer aan ’t grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in Örebro van ’t hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook ’s avonds de kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was ’t niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan ’t pret maken was.Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel merken, dat ze ’t meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen, dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek, en ’t gevaar afweerde.In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsadikwijls hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de langzaam stroomendeSvartåen de ondiepe vischrijke meren in de vlakte, met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben: “Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt.”En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg, dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. ’t Was even verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben, als voor ’t veld door den stormwind te worden gezweept.Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.De avond voor den marktdag.’t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende, dat het goot.’t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen uit de wolken, en menigeen dacht: “’t Is precies, als in den tijd van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de marktdagen. ’t Zou juist iets voor haar zijn, zoo’n stortregen te brengen op den avond vóór de groote markt.”Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen inÖrebrote zijn, hadden het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers, en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.’t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen en schuren.Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te laten staan. ’t Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder dak konden komen.’t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten, waar ze voor zorgen moesten.De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge voeten over kon komen, als het laag water was.Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. ’t Was een oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel, droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. ’t Was duidelijk, dat ’t hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.’t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.“Waar moet je heen? Kijk toch uit!” riep hij.“Zoo, ben jij daar,” zei het paard, en kwam op den jongen af. “Ik heb bijna een uur geloopen om je te vinden.”“Heb je over mij hooren spreken?” vroeg de jongen verbaasd.“Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel over je gesproken.”Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en een zachten fijnen neus had.“Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, op zijn ouden dag, akelig aan toe,” dacht hij.“Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen,” zei het paard. De jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.“Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit,” zei het paard. “Maar je durftmisschienniet met zoo’n schooier van een knol meê, als ik ben.”“O ja, dat durf ik wel,” zei de jongen.“Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je morgen zullen komen halen,” zei het paard.Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, zonder eenige beschutting voor den regen, en in ’t midden van de plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, varkens en hoenders opgesloten zaten. ’t Paard ging naar het hek, en bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.“Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?” vroeg hij.“Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen.”De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept neerviel, was met sneeuw vermengd. ’t Was niet moeilijk te begrijpen, wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.“Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?” vroeg het paard.“Ja,” zei de jongen, “die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar misschien ook al vol?”“Neen, daar zijn geen gasten,” zei het paard. “Zij, die daar wonen, zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt, als ze daar om huisvesting vragen.”“O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent.”“Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed,” zei het paard. “Ik weet, dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken, dat we daar binnen kwamen.”“Ik geloof niet, dat ik dat durf,” zei de jongen. Maar toen had hij toch zoo’n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde probeeren.Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant, van waar hij die niet verwacht had. ’t Was een windvlaag, die kwam aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak voor hem opengooide.De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.“’t Is niet mogelijk in de stallen te komen,” zei hij, “maar er is een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten, en daar kan ik jelui in brengen.”“Ja, graag,” zei het paard. “’t Zal prettig zijn nog eens op de oude plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van ’t leven verwachten kan.”In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang, en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in ’t vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder een beweging te maken, dan alleen om nu endan een stuk brandhout op den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon, die daar bij ’t vuur stond, en niet naar bed ging.“’t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger,” zei hij.De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien, dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was, dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.“Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen, want dien heeft het wel noodig,” had de paardenkooper geantwoord.Toen had hij ’t paard bekeken en het herkend. ’t Was een dier, dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet in den zin zoo’n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen, zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker, dat hij niet naar bed kon gaan.Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem heelemaal laten oppassen. Hij had hem ’t eerst gereden, en hij hield meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd, dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte haver gegeven.Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard had; hij had altijd gereden. ’t Was alleen om met dat jonge paard te pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren, en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het mooiste, dat op ’t kerkplein kwam.Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan ’t verstand te brengen, dat hij, als hij zoo’n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch ook een beetje knap uit moest zien.Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.Dat was hard! Maar ’t was duidelijk, dat Vader bang was geweest, dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu, zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vadergelijk had gehad. Zoo’n paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in ’t begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan, en ’t paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te sluipen met een klontje suiker.“Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg,” had hij gedacht, “koop ik allereerst mijn paard weer terug.”Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had in lang niet aan het dier gedacht, voor nu,vanavond.’t Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil, en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen, dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen, als Vader zou gedaan hebben.Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men niet door nalatigheid verwaarloozen. ’t Was beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat hij iets vreemds hoorde. ’t Was alsof een schelle, spottende stem precies herhaalde wat hij dacht:“’t Is ’t beste je beurs stijf toe te houden. ’t Is beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars.”’t Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was op ’t punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing was. ’t Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor werkelijk spreken gehouden had.Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware slagen. ’t Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.“’t Wordt tijd, dat je naar bed gaat,” dacht hij. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht waren, en alle lichten uit.Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten in den storm.Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuurdoor den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit, en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar begon in de kamer heen en weer te loopen. ’t Was vreeslijk weer buiten, met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in de buurt gekomen was.Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen; maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was, toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen, hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den sleutel zien te bemachtigen.“Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel te halen,” zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar hulp zou kunnen krijgen.“Zie zoo Brita Maja,” zei de eene, “nu moet je niet meer schreien! Nu zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen.”Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe: “Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen gasten. Daar moet jelui heengaan.”De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien, wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk:“We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen, zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den weg moeten loopen bedelen.”“Dat kan wel wezen,” zei de jongen, “maar jelui moet daar in ieder geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat.”“Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens binnengelaten,” zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe, en klopten aan.Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken, en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.’t Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige, vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen, even groot als zijzelf.“Watzijnjelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten rondzwerft?” vroeg de boer onvriendelijk.De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te begroeten. “Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!” zei de oudste, “en we wilden om nachtverblijf vragen.”Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem opkwam. Engärde,—was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen, had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste waren ten laste van de gemeente gekomen.Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld hadopgeëischt, dat toch zijn rechtmatig eigendom was.“Wat voeren jelui tegenwoordig uit?” vroeg hij de kinderen op strengen toon. “Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui nu te bedelen?”“Dat kunnen wij niet helpen,” zei het oudste meisje. “De menschen, waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen.”“Nu, jelui hebt de zakken vol,” zei de boer, “je hebt dus niette klagen. Nu is ’t maar ’t beste, dat je er uit neemt, wat je bij je hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan liggen, danhebbenjelui ’t ten minste niet koud.”Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde, en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in den schoorsteen.Maar dat was het wonderlijke:—als de wind zoo zijn gedachten herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.“Wil jelui wel eens stil wezen!” zei hij. Hij was zoo prikkelbaar, dat hij ze wel had willen slaan.Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat ze moesten zwijgen.“Toen Moeder van ons wegging,” antwoordde daarop een helder stemmetje, “heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben opgezegd van: “Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt” zullen we stil zijn.”De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te loopen,—heen en weer,—en hij wrong de handen, alsof hij in grooten angst was.Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was ’t werk van zijn vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles, wat hij deed.Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter hem, alsof ze verwachtte, dat hijiets tegen haar zou zeggen. Toen dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. “Zeg eens, Lars,” zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide, “je moet mij die twee kinderen laten.”“Wat, Moeder?” zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.“Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af, dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook.”“Ja, maar...”“Ik wil ze hier houden en flinkemenschenvan hen maken. Ze zijn te goed om te loopen bedelen.”Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde die.Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.“Wat zou Vader hiervan zeggen?”“Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw tijd gekomen,” zei de moeder. “Zoolang Vader leefde, moesten we hem gehoorzamen. Nu moet jij je toonen,zooalsjebent.”De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met schreien.“Ik toon me toch, zooals ik ben,” zei hij.“Neen,” antwoordde zijn moeder. “Dat doe je niet. Je probeert aldoor op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig hebt, en ’t zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht.”Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in ’t oog kreeg, die uit den jaszak stak. “Als nu de boer de kinderen de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg,” dacht hij.Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo’n goede uitdrukkingop zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde hij die oude gerimpelde hand.“Ja, nu moeten we toch naar bed,” zei de oude vrouw, toen ze zag, dat hij weer kalm was.“Neen,” zei hij, en stond snel op.“Ik kan nog niet naar bed gaan. Er is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag.”Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, en ’t was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.”Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid,” dacht hij, en ging er heen om die te sluiten.Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en hen onder dak gebracht, maar ’t was het geluid, dat de jongen maakte, toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.En de boer begon hem te streelen. “Mijn best paard,” zei hij. “Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte hoef te doen. Jebentook nog niet heelemaal op. Jezult nog eens het mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest.”Het kruien van het ijs.Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens van den vorigen dag.Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet anders dan het prachtige ijs.Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden, en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoodichtbij, dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.“Kom, laten we het probeeren,” zei kleine Mads. “Als we maar goed voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel.”En zoo gingen ze op weg over het meer. ’t IJs was niet heel glad, maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen, maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de buurt vanVinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. ’t Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel prettig. Ze deden om ’t hardst hun best om uit te vinden, waar het ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe moeilijkheden kwamen.Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd over, dat het meer zoo breed was.“’t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt,” zei de kleine Mads.Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, was, dat die wind zoo’n leven maakte. ’t Was alsof die ’t lawaai van een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust begonnen te worden.Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over ’t ijs liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het ijs sloegen.Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in ’t westen was open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig naar ’t oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd,juist op de plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door het ijs zien schieten.Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.“Asa,” zei kleine Mads, “dit is zeker het kruien van ’t ijs.”“Ja Mads, dat is het,” antwoordde Asa, “maar we kunnen nog aan land komen. Loop maar flink door.”De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote gave velden vormde.Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de kinderen onder al ’t gekakel door de woorden hoorden: “Jelui moet rechts loopen, rechts, rechts, rechts!”Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet wat ze doen moesten.Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in ’t gekakel onderscheidden ze de woorden: “Blijf stil staan, waar jebent, blijf stil staan, waar jebent!”De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer een stem, die tot hen doordrong: “Recht door! Recht door!” zei de stem.Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, maar ze liepen hard door.Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens staan.“Wacht hier even, Mads,” zei ze. “Ik heb wat vergeten.” En Asa, het ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van ’t meer terug. Daar ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in ’t oog viel. Daarna ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om te kijken.Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.
In Närke was er vroeger iets, zooals ze nergens anders hadden, en dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.
Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden, en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.
Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heelNärkekon men zeker wezen haar niet tegen te komen.
Ze was geen akelige, sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en waar ze ’t allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.
Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.
Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en ’t land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de stormlandsheuvels door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan rent hij voort over de vlakte, maar vlak in ’t westen bonst hij tegen den hoogen wand van den Kilsberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar daar staat weer een andere berg, en geeft hem een stoot, zoodat hij naar ’t oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar ’t noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden over de vlakte vlogen, had Ysätters-Kajsa pleizier. Dan stondze midden in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in ’t rond op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.
’s Morgens zat Ysätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of anderen hoogen spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite ’s avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer, zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren, en dan kwam ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag een eind aan het werk maakten.
’t Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht, dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Kilsbergen durfden nauwlijks een dutje te doen, want, zoodra ze een onbewaakte kolenmijn zag, sloop ze er heen, en blies die aan, zoodat ze met hooge vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå ’s avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen, en de zware sleden in poelen en moerassen reden.
Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel, wie er weer aan ’t grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in Örebro van ’t hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook ’s avonds de kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was ’t niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan ’t pret maken was.
Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel merken, dat ze ’t meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen, dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond, Ysätters-Kajsa kwam aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek, en ’t gevaar afweerde.
In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätters-Kajsadikwijls hartelijk moe. Maar zij werd nooit moe, hen met allerlei lawaai te plagen. Als ze op den kant van een wolk zat, en op Närke neerkeek, dat vriendelijk en welvarend tevreden daar lag, met prachtige boerenhoeven op de vlakte, en rijke mijnen en fabrieken tegen de bergen op, met de langzaam stroomendeSvartåen de ondiepe vischrijke meren in de vlakte, met de goede stad Örebro, die zich uitstrekte om het ernstige, oude kasteel met den statigen hoektoren, dan moet ze zeker gedacht hebben: “Hier zouden de menschen het veel te goed hebben, als ik er niet was. Ze zouden maar slaperig en vervelend worden. Hier moet iemand zijn als ik, die ze wakker schudt, en ze in hun humeur houdt.”
En dan lachte ze luid en spottend, als een ekster, en stormde weg, dansend en rondzwaaiend van den eenen hoek van de vlakte naar den anderen. En als de bewoners van Närke zagen, hoe ze haar stofsleep over de vlakte liet gaan, konden ze niet laten te lachen. Want lastig en vervelend was ze, maar ze had een goed humeur. ’t Was even verfrisschend voor de boeren met Ysätters-Kajsa te doen te hebben, als voor ’t veld door den stormwind te worden gezweept.
Tegenwoordig beweert men, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, zij, even goed als alle andere heksen. Maar dat is bijna niet te gelooven. Dat klinkt, alsof iemand ons kwam vertellen, dat de lucht van nu af aan stil zal staan boven de vlakte, en de wind er nooit meer over heen zal dansen met ruischen en bruisen, en frissche lucht en stortregens.
Zij, die meenen, dat Ysätters-Kajsa dood en weg is, moeten toch maar hooren, hoe het in Närke ging in het jaar, toen Niels Holgersson over het landschap vloog, dan kunnen zij zelf zien, wat zij gelooven moeten.
De avond voor den marktdag.’t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende, dat het goot.’t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen uit de wolken, en menigeen dacht: “’t Is precies, als in den tijd van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de marktdagen. ’t Zou juist iets voor haar zijn, zoo’n stortregen te brengen op den avond vóór de groote markt.”Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen inÖrebrote zijn, hadden het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers, en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.’t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen en schuren.Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te laten staan. ’t Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder dak konden komen.’t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten, waar ze voor zorgen moesten.De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge voeten over kon komen, als het laag water was.Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. ’t Was een oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel, droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. ’t Was duidelijk, dat ’t hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.’t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.“Waar moet je heen? Kijk toch uit!” riep hij.“Zoo, ben jij daar,” zei het paard, en kwam op den jongen af. “Ik heb bijna een uur geloopen om je te vinden.”“Heb je over mij hooren spreken?” vroeg de jongen verbaasd.“Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel over je gesproken.”Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en een zachten fijnen neus had.“Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, op zijn ouden dag, akelig aan toe,” dacht hij.“Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen,” zei het paard. De jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.“Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit,” zei het paard. “Maar je durftmisschienniet met zoo’n schooier van een knol meê, als ik ben.”“O ja, dat durf ik wel,” zei de jongen.“Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je morgen zullen komen halen,” zei het paard.Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, zonder eenige beschutting voor den regen, en in ’t midden van de plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, varkens en hoenders opgesloten zaten. ’t Paard ging naar het hek, en bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.“Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?” vroeg hij.“Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen.”De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept neerviel, was met sneeuw vermengd. ’t Was niet moeilijk te begrijpen, wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.“Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?” vroeg het paard.“Ja,” zei de jongen, “die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar misschien ook al vol?”“Neen, daar zijn geen gasten,” zei het paard. “Zij, die daar wonen, zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt, als ze daar om huisvesting vragen.”“O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent.”“Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed,” zei het paard. “Ik weet, dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken, dat we daar binnen kwamen.”“Ik geloof niet, dat ik dat durf,” zei de jongen. Maar toen had hij toch zoo’n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde probeeren.Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant, van waar hij die niet verwacht had. ’t Was een windvlaag, die kwam aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak voor hem opengooide.De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.“’t Is niet mogelijk in de stallen te komen,” zei hij, “maar er is een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten, en daar kan ik jelui in brengen.”“Ja, graag,” zei het paard. “’t Zal prettig zijn nog eens op de oude plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van ’t leven verwachten kan.”In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang, en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in ’t vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder een beweging te maken, dan alleen om nu endan een stuk brandhout op den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon, die daar bij ’t vuur stond, en niet naar bed ging.“’t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger,” zei hij.De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien, dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was, dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.“Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen, want dien heeft het wel noodig,” had de paardenkooper geantwoord.Toen had hij ’t paard bekeken en het herkend. ’t Was een dier, dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet in den zin zoo’n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen, zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker, dat hij niet naar bed kon gaan.Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem heelemaal laten oppassen. Hij had hem ’t eerst gereden, en hij hield meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd, dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte haver gegeven.Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard had; hij had altijd gereden. ’t Was alleen om met dat jonge paard te pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren, en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het mooiste, dat op ’t kerkplein kwam.Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan ’t verstand te brengen, dat hij, als hij zoo’n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch ook een beetje knap uit moest zien.Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.Dat was hard! Maar ’t was duidelijk, dat Vader bang was geweest, dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu, zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vadergelijk had gehad. Zoo’n paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in ’t begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan, en ’t paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te sluipen met een klontje suiker.“Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg,” had hij gedacht, “koop ik allereerst mijn paard weer terug.”Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had in lang niet aan het dier gedacht, voor nu,vanavond.’t Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil, en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen, dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen, als Vader zou gedaan hebben.Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men niet door nalatigheid verwaarloozen. ’t Was beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat hij iets vreemds hoorde. ’t Was alsof een schelle, spottende stem precies herhaalde wat hij dacht:“’t Is ’t beste je beurs stijf toe te houden. ’t Is beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars.”’t Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was op ’t punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing was. ’t Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor werkelijk spreken gehouden had.Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware slagen. ’t Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.“’t Wordt tijd, dat je naar bed gaat,” dacht hij. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht waren, en alle lichten uit.Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten in den storm.Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuurdoor den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit, en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar begon in de kamer heen en weer te loopen. ’t Was vreeslijk weer buiten, met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in de buurt gekomen was.Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen; maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was, toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen, hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den sleutel zien te bemachtigen.“Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel te halen,” zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar hulp zou kunnen krijgen.“Zie zoo Brita Maja,” zei de eene, “nu moet je niet meer schreien! Nu zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen.”Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe: “Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen gasten. Daar moet jelui heengaan.”De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien, wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk:“We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen, zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den weg moeten loopen bedelen.”“Dat kan wel wezen,” zei de jongen, “maar jelui moet daar in ieder geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat.”“Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens binnengelaten,” zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe, en klopten aan.Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken, en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.’t Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige, vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen, even groot als zijzelf.“Watzijnjelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten rondzwerft?” vroeg de boer onvriendelijk.De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te begroeten. “Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!” zei de oudste, “en we wilden om nachtverblijf vragen.”Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem opkwam. Engärde,—was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen, had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste waren ten laste van de gemeente gekomen.Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld hadopgeëischt, dat toch zijn rechtmatig eigendom was.“Wat voeren jelui tegenwoordig uit?” vroeg hij de kinderen op strengen toon. “Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui nu te bedelen?”“Dat kunnen wij niet helpen,” zei het oudste meisje. “De menschen, waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen.”“Nu, jelui hebt de zakken vol,” zei de boer, “je hebt dus niette klagen. Nu is ’t maar ’t beste, dat je er uit neemt, wat je bij je hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan liggen, danhebbenjelui ’t ten minste niet koud.”Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde, en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in den schoorsteen.Maar dat was het wonderlijke:—als de wind zoo zijn gedachten herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.“Wil jelui wel eens stil wezen!” zei hij. Hij was zoo prikkelbaar, dat hij ze wel had willen slaan.Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat ze moesten zwijgen.“Toen Moeder van ons wegging,” antwoordde daarop een helder stemmetje, “heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben opgezegd van: “Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt” zullen we stil zijn.”De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te loopen,—heen en weer,—en hij wrong de handen, alsof hij in grooten angst was.Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was ’t werk van zijn vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles, wat hij deed.Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter hem, alsof ze verwachtte, dat hijiets tegen haar zou zeggen. Toen dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. “Zeg eens, Lars,” zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide, “je moet mij die twee kinderen laten.”“Wat, Moeder?” zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.“Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af, dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook.”“Ja, maar...”“Ik wil ze hier houden en flinkemenschenvan hen maken. Ze zijn te goed om te loopen bedelen.”Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde die.Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.“Wat zou Vader hiervan zeggen?”“Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw tijd gekomen,” zei de moeder. “Zoolang Vader leefde, moesten we hem gehoorzamen. Nu moet jij je toonen,zooalsjebent.”De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met schreien.“Ik toon me toch, zooals ik ben,” zei hij.“Neen,” antwoordde zijn moeder. “Dat doe je niet. Je probeert aldoor op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig hebt, en ’t zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht.”Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in ’t oog kreeg, die uit den jaszak stak. “Als nu de boer de kinderen de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg,” dacht hij.Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo’n goede uitdrukkingop zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde hij die oude gerimpelde hand.“Ja, nu moeten we toch naar bed,” zei de oude vrouw, toen ze zag, dat hij weer kalm was.“Neen,” zei hij, en stond snel op.“Ik kan nog niet naar bed gaan. Er is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag.”Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, en ’t was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.”Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid,” dacht hij, en ging er heen om die te sluiten.Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en hen onder dak gebracht, maar ’t was het geluid, dat de jongen maakte, toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.En de boer begon hem te streelen. “Mijn best paard,” zei hij. “Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte hoef te doen. Jebentook nog niet heelemaal op. Jezult nog eens het mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest.”
’t Was de dag voor de groote veemarkt in Örebro, en het regende, dat het goot.
’t Was een regen, die niet uit te houden was. Er vielen heele stroomen uit de wolken, en menigeen dacht: “’t Is precies, als in den tijd van Ysätters-Kajsa. Nooit maakte ze zooveel spektakel, als tegen de marktdagen. ’t Zou juist iets voor haar zijn, zoo’n stortregen te brengen op den avond vóór de groote markt.”
Hoe langer hoe erger werd de regen. Tegen den avond kwamen echte wolkbreuken, de wegen werden als rivieren, en de menschen, die met hun vee op weg waren, om vroeg in den morgen inÖrebrote zijn, hadden het kwaad. Koeien en ossen werden zoo uitgeput, dat ze geen stap meer wilden doen, en veel van die arme dieren gingen midden op den weg liggen om te toonen, dat ze niet verder konden loopen. Allen, die aan den weg woonden, moesten de deuren openzetten voor de marktgangers, en ze zoo goed en kwaad, als ze konden, huisvesting geven.
’t Werd overvol, niet alleen in de woonkamers, maar ook in stallen en schuren.
Zij, die dat konden, probeerden intusschen voort te komen naar de herberg, maar toen ze daar kwamen, hadden ze bijna spijt, dat ze niet in een of andere kamer aan den weg gebleven waren. Alle hokken in de schuur, en alle vakken in den paardenstal waren al bezet. Er bleef niets anders over dan de paarden en koeien buiten in den regen te laten staan. ’t Was nog maar juist mogelijk, dat de eigenaars onder dak konden komen.
’t Was op de plaats een natte, vuile boel, en een gedrang, dat het verschrikkelijk was. Sommige dieren stonden in heele plassen, en konden niet gaan liggen. Er waren wel boeren, die hun dieren stroo gaven om op te liggen, en ze met dekken toedekten, maar er waren er ook, die in de herberg zaten te drinken en te spelen, en heelemaal vergaten, waar ze voor zorgen moesten.
De jongen en de wilde ganzen waren dien avond op een eilandje in den Hjälmar aangekomen. Dat was maar door een smal, ondiep watertje van het land gescheiden, en men kon wel begrijpen, dat men daar met droge voeten over kon komen, als het laag water was.
Op het eilandje regende het even erg als overal elders. De jongen kon niet slapen door de droppels, die aanhoudend op hem neervielen. Eindelijk begon hij op het eilandje rond te loopen. Hij vond, dat hij den regen minder voelde, als hij zich bewoog.
Nauwlijks was hij een keer rond geweest, of hij hoorde een geplas in het water, dat het eiland van het land scheidde, en dadelijk daarop zag hij een eenzaam paard tusschen de struiken aankomen. ’t Was een oude knol, zóó mager en ellendig, als de jongen nog nooit gezien had. Hij was als gebroken, had stijve pooten, en was zoo mager, dat alle botten onder het vel te zien waren. Hij was zonder toom of zadel, droeg een oud halster, waarvan een half verrot stuk touw afhing. ’t Was duidelijk, dat ’t hem niet moeilijk was gevallen om los te komen.
’t Paard liep regelrecht naar de plaats, waar de wilde ganzen stonden te slapen; en de jongen werd bang, dat hij op hen zou trappen.
“Waar moet je heen? Kijk toch uit!” riep hij.
“Zoo, ben jij daar,” zei het paard, en kwam op den jongen af. “Ik heb bijna een uur geloopen om je te vinden.”
“Heb je over mij hooren spreken?” vroeg de jongen verbaasd.
“Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel over je gesproken.”
Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en een zachten fijnen neus had.
“Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, op zijn ouden dag, akelig aan toe,” dacht hij.
“Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen,” zei het paard. De jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.
“Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit,” zei het paard. “Maar je durftmisschienniet met zoo’n schooier van een knol meê, als ik ben.”
“O ja, dat durf ik wel,” zei de jongen.
“Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je morgen zullen komen halen,” zei het paard.
Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, beter, dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, zonder eenige beschutting voor den regen, en in ’t midden van de plaats stonden karren, met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, varkens en hoenders opgesloten zaten. ’t Paard ging naar het hek, en bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.
“Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?” vroeg hij.
“Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen.”
De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was nog erger geworden, dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept neerviel, was met sneeuw vermengd. ’t Was niet moeilijk te begrijpen, wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.
“Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?” vroeg het paard.
“Ja,” zei de jongen, “die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar misschien ook al vol?”
“Neen, daar zijn geen gasten,” zei het paard. “Zij, die daar wonen, zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt, als ze daar om huisvesting vragen.”
“O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent.”
“Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed,” zei het paard. “Ik weet, dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken, dat we daar binnen kwamen.”
“Ik geloof niet, dat ik dat durf,” zei de jongen. Maar toen had hij toch zoo’n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde probeeren.
Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij stond daar radeloos en hulpeloos, maar hij kreeg hulp van een kant, van waar hij die niet verwacht had. ’t Was een windvlaag, die kwam aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak voor hem opengooide.
De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.
“’t Is niet mogelijk in de stallen te komen,” zei hij, “maar er is een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten, en daar kan ik jelui in brengen.”
“Ja, graag,” zei het paard. “’t Zal prettig zijn nog eens op de oude plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van ’t leven verwachten kan.”
In die rijke boerenhoeve, die over de herberg lag, waren ze intusschen dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.
De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang, en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in ’t vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan, zonder een beweging te maken, dan alleen om nu endan een stuk brandhout op den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon, die daar bij ’t vuur stond, en niet naar bed ging.
“’t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger,” zei hij.
De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kwam, een paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien, dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was, dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.
“Och neen, maar ik dacht, dat je, omdat je het paard vroeger gehad hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen, want dien heeft het wel noodig,” had de paardenkooper geantwoord.
Toen had hij ’t paard bekeken en het herkend. ’t Was een dier, dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet in den zin zoo’n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen, zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker, dat hij niet naar bed kon gaan.
Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem heelemaal laten oppassen. Hij had hem ’t eerst gereden, en hij hield meer van dat paard, dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd, dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte haver gegeven.
Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard had; hij had altijd gereden. ’t Was alleen om met dat jonge paard te pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren, en de wagen was eenvoudig en ongeschilderd, maar het paard was het mooiste, dat op ’t kerkplein kwam.
Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan ’t verstand te brengen, dat hij, als hij zoo’n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch ook een beetje knap uit moest zien.
Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.
Dat was hard! Maar ’t was duidelijk, dat Vader bang was geweest, dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu, zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vadergelijk had gehad. Zoo’n paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in ’t begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan, en ’t paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te sluipen met een klontje suiker.
“Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg,” had hij gedacht, “koop ik allereerst mijn paard weer terug.”
Nu was Vader dood, en hij zelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had in lang niet aan het dier gedacht, voor nu,vanavond.
’t Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil, en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen, dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hij zelf de hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen, als Vader zou gedaan hebben.
Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld onnoodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men niet door nalatigheid verwaarloozen. ’t Was beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.
Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat hij iets vreemds hoorde. ’t Was alsof een schelle, spottende stem precies herhaalde wat hij dacht:
“’t Is ’t beste je beurs stijf toe te houden. ’t Is beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars.”
’t Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was op ’t punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing was. ’t Was begonnen te waaien, en hij had hier gestaan, tot hij zoo slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor werkelijk spreken gehouden had.
Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware slagen. ’t Was vreeselijk, zoo laat als het was geworden.
“’t Wordt tijd, dat je naar bed gaat,” dacht hij. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht waren, en alle lichten uit.
Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten in den storm.
Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuurdoor den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te halen, sloot de schuur, en stopte den sleutel in den zak van zijn jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit, en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar begon in de kamer heen en weer te loopen. ’t Was vreeslijk weer buiten, met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in de buurt gekomen was.
Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.
Het nam heel wat tijd om hen wakker en gerangschikt te krijgen; maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.
Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was, toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen, hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den sleutel zien te bemachtigen.
“Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel te halen,” zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.
Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.
De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar hulp zou kunnen krijgen.
“Zie zoo Brita Maja,” zei de eene, “nu moet je niet meer schreien! Nu zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen.”
Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe: “Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen gasten. Daar moet jelui heengaan.”
De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien, wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk:
“We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen, zijn boos en gierig. Het is hun schuld, dat wij beiden hier op den weg moeten loopen bedelen.”
“Dat kan wel wezen,” zei de jongen, “maar jelui moet daar in ieder geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat.”
“Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens binnengelaten,” zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe, en klopten aan.
Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen den muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken, en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.
’t Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige, vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen, even groot als zijzelf.
“Watzijnjelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten rondzwerft?” vroeg de boer onvriendelijk.
De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te begroeten. “Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!” zei de oudste, “en we wilden om nachtverblijf vragen.”
Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem opkwam. Engärde,—was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen, had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland gegaan met de oudste kinderen, om werk te zoeken, en de twee jongste waren ten laste van de gemeente gekomen.
Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld hadopgeëischt, dat toch zijn rechtmatig eigendom was.
“Wat voeren jelui tegenwoordig uit?” vroeg hij de kinderen op strengen toon. “Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui nu te bedelen?”
“Dat kunnen wij niet helpen,” zei het oudste meisje. “De menschen, waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen.”
“Nu, jelui hebt de zakken vol,” zei de boer, “je hebt dus niette klagen. Nu is ’t maar ’t beste, dat je er uit neemt, wat je bij je hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan liggen, danhebbenjelui ’t ten minste niet koud.”
Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde, en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest immers blij zijn, dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.
Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij luisterde en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in den schoorsteen.
Maar dat was het wonderlijke:—als de wind zoo zijn gedachten herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.
De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.
“Wil jelui wel eens stil wezen!” zei hij. Hij was zoo prikkelbaar, dat hij ze wel had willen slaan.
Maar dat gemompel bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat ze moesten zwijgen.
“Toen Moeder van ons wegging,” antwoordde daarop een helder stemmetje, “heeft ze me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben opgezegd van: “Onzen lieve Heer, die de kinderen liefhebt” zullen we stil zijn.”
De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te loopen,—heen en weer,—en hij wrong de handen, alsof hij in grooten angst was.
Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was ’t werk van zijn vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles, wat hij deed.
Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.
Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter hem, alsof ze verwachtte, dat hijiets tegen haar zou zeggen. Toen dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.
Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. “Zeg eens, Lars,” zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide, “je moet mij die twee kinderen laten.”
“Wat, Moeder?” zei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.
“Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af, dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook.”
“Ja, maar...”
“Ik wil ze hier houden en flinkemenschenvan hen maken. Ze zijn te goed om te loopen bedelen.”
Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde die.
Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.
“Wat zou Vader hiervan zeggen?”
“Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw tijd gekomen,” zei de moeder. “Zoolang Vader leefde, moesten we hem gehoorzamen. Nu moet jij je toonen,zooalsjebent.”
De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met schreien.
“Ik toon me toch, zooals ik ben,” zei hij.
“Neen,” antwoordde zijn moeder. “Dat doe je niet. Je probeert aldoor op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig hebt, en ’t zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht.”
Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in ’t oog kreeg, die uit den jaszak stak. “Als nu de boer de kinderen de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg,” dacht hij.
Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.
De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo’n goede uitdrukkingop zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde hij die oude gerimpelde hand.
“Ja, nu moeten we toch naar bed,” zei de oude vrouw, toen ze zag, dat hij weer kalm was.
“Neen,” zei hij, en stond snel op.“Ik kan nog niet naar bed gaan. Er is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag.”
Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, en ’t was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.
Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.
”Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid,” dacht hij, en ging er heen om die te sluiten.
Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.
Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in den regen. Een sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten, en hen onder dak gebracht, maar ’t was het geluid, dat de jongen maakte, toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.
Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.
En de boer begon hem te streelen. “Mijn best paard,” zei hij. “Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte hoef te doen. Jebentook nog niet heelemaal op. Jezult nog eens het mooiste paard op het Kerkplein worden, dat zul je! Mijn best beest.”
Het kruien van het ijs.Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens van den vorigen dag.Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet anders dan het prachtige ijs.Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden, en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoodichtbij, dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.“Kom, laten we het probeeren,” zei kleine Mads. “Als we maar goed voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel.”En zoo gingen ze op weg over het meer. ’t IJs was niet heel glad, maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen, maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de buurt vanVinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. ’t Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel prettig. Ze deden om ’t hardst hun best om uit te vinden, waar het ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe moeilijkheden kwamen.Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd over, dat het meer zoo breed was.“’t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt,” zei de kleine Mads.Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, was, dat die wind zoo’n leven maakte. ’t Was alsof die ’t lawaai van een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust begonnen te worden.Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over ’t ijs liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het ijs sloegen.Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in ’t westen was open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig naar ’t oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd,juist op de plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door het ijs zien schieten.Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.“Asa,” zei kleine Mads, “dit is zeker het kruien van ’t ijs.”“Ja Mads, dat is het,” antwoordde Asa, “maar we kunnen nog aan land komen. Loop maar flink door.”De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote gave velden vormde.Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de kinderen onder al ’t gekakel door de woorden hoorden: “Jelui moet rechts loopen, rechts, rechts, rechts!”Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet wat ze doen moesten.Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in ’t gekakel onderscheidden ze de woorden: “Blijf stil staan, waar jebent, blijf stil staan, waar jebent!”De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer een stem, die tot hen doordrong: “Recht door! Recht door!” zei de stem.Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, maar ze liepen hard door.Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens staan.“Wacht hier even, Mads,” zei ze. “Ik heb wat vergeten.” En Asa, het ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van ’t meer terug. Daar ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in ’t oog viel. Daarna ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om te kijken.Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.
Den volgenden dag was het mooi helder weer. Wel woei er nog een sterke wind uit het westen, maar daar waren de menschen blij om. Want nu droogden de wegen, die heelemaal geweekt waren door de hevige regens van den vorigen dag.
Vroeg in den morgen kwamen de twee kinderen uit Smaland: Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads langs den grintweg, die van Sörmland naar Närke leidde. De weg liep langs den zuidelijken oever van den Hjälmar, en de kinderen liepen naar het ijs te kijken, dat het grootste gedeelte van het meer nog bedekte.
De morgenzon goot haar helder schijnsel over het ijs, dat er niet donker en ongeredderd uitzag, zooals lente-ijs gewoonlijk doet; maar het lag daar blank en uitlokkend. Zoover ze het konden zien, was het vast en droog; het regenwater was al weer weggeloopen in gaten en spleten, of ook was het opgezogen door het ijs zelf. Ze zagen niet anders dan het prachtige ijs.
Asa, het ganzenmeisje en kleine Mads waren op weg naar het noorden, en ze konden niet laten er over te denken, hoeveel stappen zij zich konden besparen, als ze dwars over dat groote meer gingen, in plaats van er omheen te loopen. Ze wisten wel, dat voorjaarsijs gevaarlijk is, maar dit scheen nog zoo veilig. Ze konden zien, dat het aan den kant verscheiden duim dik was. Ze zagen ook, dat er een weg over heen liep, dien ze konden volgen, en de andere oever leek zoodichtbij, dat ze dien in een uur moesten kunnen bereiken.
“Kom, laten we het probeeren,” zei kleine Mads. “Als we maar goed voor ons uit kijken, dat we niet in een wak loopen, dan gaat het wel.”
En zoo gingen ze op weg over het meer. ’t IJs was niet heel glad, maar prettig om op te loopen. Er stond wel meer water op, dan ze dachten, en hier en daar was het ijs poreus, zoodat het water er door op en neer borrelde. Voor zulke plaatsen moest je oppassen, maar dat was gemakkelijk te doen midden op den dag, in den helderen zonneschijn. De kinderen kwamen snel en gemakkelijk vooruit, en ze spraken er over, hoe verstandig ze hadden gedaan, door over het ijs te gaan, in plaats van de wandeling over den verregenden weg voort te zetten. Toen ze een tijd lang geloopen hadden, kwamen zij in de buurt vanVinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. ’t Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.
Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel prettig. Ze deden om ’t hardst hun best om uit te vinden, waar het ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe moeilijkheden kwamen.
Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd over, dat het meer zoo breed was.
“’t Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt,” zei de kleine Mads.
Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, was, dat die wind zoo’n leven maakte. ’t Was alsof die ’t lawaai van een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust begonnen te worden.
Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.
Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, bij Björnön en Göksholmland een witten muur, die dwars over ’t ijs liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het ijs sloegen.
Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in ’t westen was open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig naar ’t oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.
Op eens kwam het hun voor, alsof het ijs opgeheven werd,juist op de plaats, waar ze liepen: opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door het ijs zien schieten.
Het bleef een poosje stil, maar toen voelden ze weer dat op en neer gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdeelen.
“Asa,” zei kleine Mads, “dit is zeker het kruien van ’t ijs.”
“Ja Mads, dat is het,” antwoordde Asa, “maar we kunnen nog aan land komen. Loop maar flink door.”
De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stukken moesten op nieuw verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote gave velden vormde.
Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.
Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de kinderen onder al ’t gekakel door de woorden hoorden: “Jelui moet rechts loopen, rechts, rechts, rechts!”
Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet wat ze doen moesten.
Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in ’t gekakel onderscheidden ze de woorden: “Blijf stil staan, waar jebent, blijf stil staan, waar jebent!”
De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer naar elkaar toe, zoodat zij over de spleet konden komen. Toen namen ze elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp, die ze kregen.
Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer een stem, die tot hen doordrong: “Recht door! Recht door!” zei de stem.
Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar land waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, maar ze liepen hard door.
Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens staan.
“Wacht hier even, Mads,” zei ze. “Ik heb wat vergeten.” En Asa, het ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van ’t meer terug. Daar ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in ’t oog viel. Daarna ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om te kijken.
Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.
XXIV.De ijzerfabriek.Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar Akka meende, dat Smirre de vos, in ’t oosten van ’t land rondzwierf. Ze wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw, en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren dien middag nog in demijndistrictenvan Westmanland. Tegen den avond ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat, en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik gelicht, en in de lucht geslingerd.Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo’n hevigen wind niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als een blad van een boom valt.“Nu, dat loopt wel goed af,” dacht de jongen nog onder het vallen. “Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen.”Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien, waar hij was.“Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?” riep hij. En hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast hem stond.Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos verdwenen.Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen, om hem te halen.Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar in een breede bergspleet, of iets dergelijks. ’t Was een ruimte, zoo groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken, en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen.De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan, doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.“Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren,” dacht hij, “want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden.”Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde brommen:“Wat ben jij er voor een?”De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep:“Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje voor jelui.”Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden.“Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?” riepen ze.“O zoo! ben ik bij de beren gekomen,” dacht de jongen. “Dan ben ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij te jagen.”De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door, want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken, vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en sloegen elkaar, en bromden.Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na, klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het mos als een bal.“Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van een kat is gevallen,” dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem, waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem weer te vangen.Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond bleef liggen.“Loop nu weg, anders eten we je op,” bromden de beertjes.“Ja, doe dat maar,” zei de jongen. “Ik kan niet meer wegloopen.”Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.“Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!” klaagden ze.“Dan moet jelui hem samen deelen,” zei de berin. Maar toen de jongen dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo’n pleizier gehad, dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe, dat hij ook insliep.Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den beer kon zien. ’t Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden boschkoning zag.“’t Ruikt hier naar menschen,” zei de beer, zoodra hij bij de berin kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.“Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?” zei de berin, en bleef rustig liggen. “We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten, dat jij hem kon ruiken.”De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in ’t rond te snuffen.“Schei nu uit met dat gesnuffel!” zei de berin. “Je kent me toch genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele week niet gezien.”“Ik heb naar een nieuwe woning omgezien,” zei de beer. “Eerst ben ik naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol meer in ’t heele bosch.”“Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn,” zei de berin. “Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in ’t bosch blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten verhuizen om rust te hebben.”“Hier in de groeve hebben we ’t immers jaren lang best gehad,” zei de beer. “Maar ik kan ’t hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik ’t laatst ten oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten...”Op ’t zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde om zich heen.“’t Is vreemd,—maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht weer,” zei hij.“Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft,” zei de berin. “Ik zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou kunnen zijn.”De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.“Zei ik ’t niet?” zei de berin. “Maar jij gelooft natuurlijk, dat niemand, behalve jij, neus en ooren heeft.”“Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier hebben,” zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht gelegd, zoodat de stakker niet konademhalen, maar begon te snuiven. Nu kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen rechts en links, en kreeg Duimelot in ’t oog, vóór hij op kon staan.Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet tusschen hen in geworpen had.“Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!” riep ze. “Ze hebben den heelen avond zoo’n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten, maar hem voor morgen bewaren.”Maar de beer duwde haar op zij.“Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt,” schreeuwde hij. “Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch ruikt? Ik zal hemdirectopeten, anders speelt hij ons nog eens een leelijke poets.”Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in den bek van den beer.De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en—uit was de vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar—wonderlijk genoeg—de beer deed geen aanval.“Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?” vroeg de beer.“Ik kan er zooveel aansteken, dat ze ’t heele bosch kunnen vernielen,” antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer bang kon maken.“Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?” vroeg de beer.“Dat zou voor mij in ’t minst geen kunst zijn,” blufte de jongen, en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.“Dat is best,” zei de beer. “Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb.”Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van ’t bosch kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen, zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten vast. “Kijk nu naar die groote lawaaifabriek,” zei hij tegen den jongen.De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden, en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo’n kracht, dat de lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen, stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa’s, scholen, vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht en rook uit, en vuur en vonken. ’t Was het meest overweldigende, wat hij ooit had gezien.“Je zult toch niet beweren, dat je zoo’n groote fabriek ook in brand kunt steken,” zei de beer.De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende, dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken indruk van zijn macht en kracht kreeg.“Dat is me ’t zelfde, of het groot of klein is,” zei hij. “Ik kan dat best laten afbranden.”“Dan zal ik je wat zeggen,” zei de beer. “Mijn voorouders hebben in deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in ’t land groeiden, en ik heb het jachtgebied en ’t veld om te grazen, het nest en alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijnleven langgewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht.”De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch, dat ze dichter bij de fabriek kwamen.De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was, dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag.Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond, en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog, en zei: “Probeer eens,of je in dat huis kunt zien.”Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer.In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong, sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten, in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen gevangen zat.De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven, en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder, die het nog langer en smaller maakte.Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange, roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer, als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders staken. ’t Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan.“Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is,” dacht de jongen.De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij, en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de smeden met ijzer en vuur omgingen.“Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen,” dacht hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen leken, en daarom konden ze zeker ’t ijzer buigen en vervormen naar welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren, die zulk een macht hadden.“Kijk! Zoo gaan ze nu maar door—dag aan dag, nacht op nacht!” zei de beer, en ging op den grond liggen. “Je kunt wel begrijpen, dat zooiets je verveelt. ’t Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan.”“Zoo, kun je dat?” vroeg de jongen. “Hoe wil je dat doen?”“Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken,” zei de beer. “Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen.”De jongen werd ijskoud van schrik. ’t Was dus daarom, dat de beer hem hierheen had gebracht.“Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag blijven leven,” zei de beer. “Maar als je niet doet, wat ik wil, is ’t gauw met je gedaan.”De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht, dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die toch niet zou kunnen uitvoeren.Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden barsten door de hitte, en de machines vernield worden.“Nu, wil je—of wil je niet?” zei de beer.De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:“Ik mag me zeker nog wel even bedenken.”“Nu ja, dat mag je wel,” zei de beer, “maar ik moet je zeggen, dat het juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren, geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden.”De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang,dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg, die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd, in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde, aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: ’t geweer, dat de wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar, waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd gekookt. ’t Groote en ’t kleine, al het nuttige en onontbeerlijke, van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.“Nu, wil je, of wil je niet?” vroeg de beer.De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden om zich te redden.“Je moet niet zoo ongeduldig wezen,” zei hij. “Dat is een zaak van gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken.”“Nu, bedenk je dan nog een poosje,” zei de beer. “Maar ik wil je wel zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier weg hebben.”Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken, hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. ’t Was misschien, omdat ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen, dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.“Nu, hoe is het?” zei de beer. “Wil je, of wil je niet?”Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest om weg te komen.“’t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt,” zei hij. “Je moet me bedenktijd geven.”“Ik kan nog wel een poos wachten,” zei de beer. “Maar dan krijg je geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen, dat ik die fabriek hier weg wil hebben.”De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was, zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten had gezien. ’t Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging, zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van ’t oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden hadden meegebracht, die...”“Nu, hoe is het?” vroeg de beer. “Wil je—of wil je niet?”De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had hij bedacht, maar zooveel wist hij—dat hij niets tegen het ijzer wou doen, dat zoo’n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel menschen in dit land brood gaf.“Ik wil niet,” zei hij.De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.“Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen,” zei de jongen. “Want het ijzer is zoo’n groote zegen, dat het niet aangaat daar kwaad aan te doen.”“Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven,” zei de beer.“Neen, dat verwacht ik niet,” zei de jongen, en keek den beer vlak in de oogen.De beer kneep nog harder. Dat deed zoo’n pijn, dat de jongen tranen in de oogen kreeg, maar hij zei niets.“Nu dan!” zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.“Beer!” riep de jongen. “Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak, dat je weg komt, of ze schieten op je!”De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen meete nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het deed, zonder er over te denken.Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan, en zette den jongen op den grond.“Ik dank je wel, klein ventje,” zei hij. “Die kogels zouden wel beter hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet je hem zeggen, wat ik je nu influister,—dan raakt hij je niet aan.”Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor, en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en jagers hem vervolgden.En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen, gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde, dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in ’t bosch lag, waar ze hem niet konden vinden.Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd, en hen in hun verwondering hoorde kakelen.Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.“Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel,” zei hij.“Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!”“Dat is vreemd,” zei de jongen. “Toen de beer weg was, klom ik in een den, en viel in slaap. Maar bij ’t eerste aanbreken van den dag werd ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met me gedaan was. Maar hijdeed me niets; hij vloog regelrecht hierheen, en gooide me neer midden tusschen jelui in.”“Zei hij niet, wie hij was?” vroeg de groote witte ganzerik.“Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder Akka hem had gezonden om me te halen.”“Dat was wonderlijk,” zei de witte ganzerik. “Ben je er zeker van, dat het een arend was?”“Ik heb nog nooit een arend gezien,” zei de jongen. “Maar hij was zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven.”Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten.“We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten,” zei Akka, en vloog haastig op.
Een felle westenwind blies bijna den heelen volgenden dag, toen de wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra ze probeerden naar het noorden te vliegen, werden zij naar het oosten gedreven, maar Akka meende, dat Smirre de vos, in ’t oosten van ’t land rondzwierf. Ze wilde daarom niet dien kant uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw, en werkte zich met moeite vooruit in de richting naar het westen. Op die manier kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren dien middag nog in demijndistrictenvan Westmanland. Tegen den avond ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers begonnen te hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen doorvliegen vóór zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige windvlaag. Die wierp de ganzen als ballen voor zich uit, en de jongen, die zorgeloos neerzat, en niet op gevaar bedacht was, werd van den rug van den ganzerik gelicht, en in de lucht geslingerd.
Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo’n hevigen wind niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zoo als een blad van een boom valt.
“Nu, dat loopt wel goed af,” dacht de jongen nog onder het vallen. “Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje papier was. Maarten, de ganzerik, zal wel gauw komen en me oprapen.”
Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien, waar hij was.
“Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik, waar ben jij?” riep hij. En hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast hem stond.
Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos verdwenen.
Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen, om hem te halen.
Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar in een breede bergspleet, of iets dergelijks. ’t Was een ruimte, zoo groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote steenblokken, en daartusschen groeiden mos en roode boschbessestruiken en kleine lage berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden, en vandaar hingen oude verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de eene zijde was de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te loopen.
De jongen had niet voor niet een heelen dag over de mijndistricten gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan, doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.
“Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren,” dacht hij, “want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden.”
Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde brommen:
“Wat ben jij er voor een?”
De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.
Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep:“Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje voor jelui.”
Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jonge honden.
“Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?” riepen ze.
“O zoo! ben ik bij de beren gekomen,” dacht de jongen. “Dan ben ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij te jagen.”
De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door, want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken, vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en sloegen elkaar, en bromden.
Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na, klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het mos als een bal.
“Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van een kat is gevallen,” dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem, waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem weer te vangen.
Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond bleef liggen.
“Loop nu weg, anders eten we je op,” bromden de beertjes.
“Ja, doe dat maar,” zei de jongen. “Ik kan niet meer wegloopen.”
Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.
“Moeder, Moeder, hij wil niet meer spelen!” klaagden ze.
“Dan moet jelui hem samen deelen,” zei de berin. Maar toen de jongen dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.
Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo’n pleizier gehad, dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk in, en de jongen dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe, dat hij ook insliep.
Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den beer kon zien. ’t Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden boschkoning zag.
“’t Ruikt hier naar menschen,” zei de beer, zoodra hij bij de berin kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.
“Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?” zei de berin, en bleef rustig liggen. “We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten, dat jij hem kon ruiken.”
De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in ’t rond te snuffen.
“Schei nu uit met dat gesnuffel!” zei de berin. “Je kent me toch genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele week niet gezien.”
“Ik heb naar een nieuwe woning omgezien,” zei de beer. “Eerst ben ik naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol meer in ’t heele bosch.”
“Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn,” zei de berin. “Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in ’t bosch blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten verhuizen om rust te hebben.”
“Hier in de groeve hebben we ’t immers jaren lang best gehad,” zei de beer. “Maar ik kan ’t hier niet uithouden, nu die groote lawaaiige fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik ’t laatst ten oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten...”
Op ’t zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde om zich heen.
“’t Is vreemd,—maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht weer,” zei hij.
“Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft,” zei de berin. “Ik zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou kunnen zijn.”
De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.
“Zei ik ’t niet?” zei de berin. “Maar jij gelooft natuurlijk, dat niemand, behalve jij, neus en ooren heeft.”
“Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier hebben,” zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgerssons gezicht gelegd, zoodat de stakker niet konademhalen, maar begon te snuiven. Nu kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen rechts en links, en kreeg Duimelot in ’t oog, vóór hij op kon staan.
Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet tusschen hen in geworpen had.
“Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!” riep ze. “Ze hebben den heelen avond zoo’n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten, maar hem voor morgen bewaren.”
Maar de beer duwde haar op zij.
“Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt,” schreeuwde hij. “Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch ruikt? Ik zal hemdirectopeten, anders speelt hij ons nog eens een leelijke poets.”
Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in den bek van den beer.
De beer snoof en proeste, toen hij de zwavellucht rook en—uit was de vlam. De jongen hield een tweede zwavelstok klaar, maar—wonderlijk genoeg—de beer deed geen aanval.
“Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?” vroeg de beer.
“Ik kan er zooveel aansteken, dat ze ’t heele bosch kunnen vernielen,” antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer bang kon maken.
“Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?” vroeg de beer.
“Dat zou voor mij in ’t minst geen kunst zijn,” blufte de jongen, en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.
“Dat is best,” zei de beer. “Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb.”
Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.
De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van ’t bosch kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen, zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten vast. “Kijk nu naar die groote lawaaifabriek,” zei hij tegen den jongen.
De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden, en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo’n kracht, dat de lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen, stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa’s, scholen, vergaderlokalen en winkels. Maar al dat andere was stil, en scheen te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht en rook uit, en vuur en vonken. ’t Was het meest overweldigende, wat hij ooit had gezien.
“Je zult toch niet beweren, dat je zoo’n groote fabriek ook in brand kunt steken,” zei de beer.
De jongen stond daar tusschen de berenpooten geklemd, en hij meende, dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken indruk van zijn macht en kracht kreeg.
“Dat is me ’t zelfde, of het groot of klein is,” zei hij. “Ik kan dat best laten afbranden.”
“Dan zal ik je wat zeggen,” zei de beer. “Mijn voorouders hebben in deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in ’t land groeiden, en ik heb het jachtgebied en ’t veld om te grazen, het nest en alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijnleven langgewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo vol menschen, dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht.”
De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch, dat ze dichter bij de fabriek kwamen.
De beer kende die heele fabriek goed. Hij had daar veel donkere nachten omheen geloopen, opgemerkt wat daar binnen gebeurde, en er over gedacht, of dat werk daar nooit eens zou ophouden. Hij had de muren met de voorpooten betast, en gewenscht, dat hij zóó sterk was, dat hij het heele gebouw naar den grond zou kunnen slaan met één slag.
Hij was niet gemakkelijk te onderscheiden tegen den zwarten grond, en als hij bovendien in de schaduw van de muren bleef, liep hij geen gevaar ontdekt te worden. Nu liep hij onbevreesd tusschen de werkplaatsen door, en klauterde op een hoop slakken. Daar ging hij op de achterpooten staan, hield den jongen tusschen de voorpooten omhoog, en zei: “Probeer eens,of je in dat huis kunt zien.”
Binnen in de fabriek waren ze bezig met het smelten van Bessemer-ijzer.
In een grooten, zwarten, ronden kogel, die aan den zolder hing, en met gesmolten ijzer gevuld was, persten zij een sterken luchtstroom. En als de lucht met een vreeselijk gedreun in de ijzermassa drong, sprongen daar groote zwermen vonken uit. De vonken kwamen in kwasten, in bundels, in lange trossen. Ze hadden allerlei kleuren, waren groot en klein, stoven tegen den muur en door de geheele groote ruimte. De beer liet den jongen naar dat prachtig tooneel kijken, tot het blazen voorbij was, en het roode, vloeibare, mooi lichtende staal uit den ronden kogel neerstroomde in een paar emmers. De jongen vond, wat hij daar zag, zóó overweldigend, dat hij er heelemaal van onder den indruk kwam, en bijna vergat, dat hij tusschen een paar berenklauwen gevangen zat.
De beer liet den jongen ook in de cylinderwerkplaats zien. Daar nam een arbeider een kort, dik, wit gloeiend stuk ijzer uit een oven, en stopte het onder een cylinder. Als het stuk ijzer daaronder uit kwam, was het samengedrukt en uitgetrokken. Dadelijk nam een andere arbeider het over, en stopte het onder een nog zwaarder cylinder, die het nog langer en smaller maakte.
Zoo ging het van de eene naar de andere, en werd steeds weer uitgetrokken en geperst, tot het eindelijk als een vele meters lange, roode glinsterende draad over den vloer kronkelde. Maar terwijl het eerste stuk ijzer geperst werd, was er al weer een nieuw uit den oven gehaald, en als dat een eind op weg was, kwam er een derde. En onophoudelijk slingerden zich nieuwe roode draden over den vloer, als sissende slangen. De jongen vond, dat het prachtig was het ijzer te zien, maar nog prachtiger vond hij de arbeiders, die vlug en handig de gloeiende slangen met hun tangen aanpakten, en ze onder de cylinders staken. ’t Scheen voor hen een spel, met dat sissende ijzer om te gaan.
“Ik moet zeggen, dat dit hier echt mannenwerk is,” dacht de jongen.
De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij, en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de smeden met ijzer en vuur omgingen.
“Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen,” dacht hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen leken, en daarom konden ze zeker ’t ijzer buigen en vervormen naar welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren, die zulk een macht hadden.
“Kijk! Zoo gaan ze nu maar door—dag aan dag, nacht op nacht!” zei de beer, en ging op den grond liggen. “Je kunt wel begrijpen, dat zooiets je verveelt. ’t Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan.”
“Zoo, kun je dat?” vroeg de jongen. “Hoe wil je dat doen?”
“Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken,” zei de beer. “Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen.”
De jongen werd ijskoud van schrik. ’t Was dus daarom, dat de beer hem hierheen had gebracht.
“Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag blijven leven,” zei de beer. “Maar als je niet doet, wat ik wil, is ’t gauw met je gedaan.”
De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht, dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die toch niet zou kunnen uitvoeren.
Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden barsten door de hitte, en de machines vernield worden.
“Nu, wil je—of wil je niet?” zei de beer.
De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de berenklauwen, die hem vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:
“Ik mag me zeker nog wel even bedenken.”
“Nu ja, dat mag je wel,” zei de beer, “maar ik moet je zeggen, dat het juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren, geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden.”
De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang,dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in den ploeg, die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd, in de zeis, die het koren maaide, in het mes, dat voor alles te gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde, aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: ’t geweer, dat de wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona had gezien, op ijzeren rails rolde de locomotief door het land, van ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar, waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd gekookt. ’t Groote en ’t kleine, al het nuttige en onontbeerlijke, van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.
“Nu, wil je, of wil je niet?” vroeg de beer.
De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden om zich te redden.
“Je moet niet zoo ongeduldig wezen,” zei hij. “Dat is een zaak van gewicht, en ik moet tijd hebben om mij te bedenken.”
“Nu, bedenk je dan nog een poosje,” zei de beer. “Maar ik wil je wel zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier weg hebben.”
Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken, hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. ’t Was misschien, omdat ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen, dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.
“Nu, hoe is het?” zei de beer. “Wil je, of wil je niet?”
Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest om weg te komen.
“’t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt,” zei hij. “Je moet me bedenktijd geven.”
“Ik kan nog wel een poos wachten,” zei de beer. “Maar dan krijg je geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen, dat ik die fabriek hier weg wil hebben.”
De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was, zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten had gezien. ’t Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging, zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven, al van ’t oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden hadden meegebracht, die...”
“Nu, hoe is het?” vroeg de beer. “Wil je—of wil je niet?”
De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had hij bedacht, maar zooveel wist hij—dat hij niets tegen het ijzer wou doen, dat zoo’n steun voor arm en rijk was, en dat aan zooveel menschen in dit land brood gaf.
“Ik wil niet,” zei hij.
De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.
“Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen,” zei de jongen. “Want het ijzer is zoo’n groote zegen, dat het niet aangaat daar kwaad aan te doen.”
“Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven,” zei de beer.
“Neen, dat verwacht ik niet,” zei de jongen, en keek den beer vlak in de oogen.
De beer kneep nog harder. Dat deed zoo’n pijn, dat de jongen tranen in de oogen kreeg, maar hij zei niets.
“Nu dan!” zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.
Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en de beer waren zóó in gedachten verdiept geweest, dat ze niet gemerkt hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.
“Beer!” riep de jongen. “Hoor je die geweerhaan niet overgaan? Maak, dat je weg komt, of ze schieten op je!”
De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen meete nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.
Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat hij zeker nooit zoo dom was geweest, als dien nacht. Als hij maar had gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het deed, zonder er over te denken.
Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan, en zette den jongen op den grond.
“Ik dank je wel, klein ventje,” zei hij. “Die kogels zouden wel beter hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet je hem zeggen, wat ik je nu influister,—dan raakt hij je niet aan.”
Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor, en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en jagers hem vervolgden.
En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.
De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen, gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde, dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in ’t bosch lag, waar ze hem niet konden vinden.
Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd, en hen in hun verwondering hoorde kakelen.
Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij hun zijn heele geschiedenis had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.
“Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker wel,” zei hij.
“Neen, we weten niets; we dachten, dat je dood gevallen was!”
“Dat is vreemd,” zei de jongen. “Toen de beer weg was, klom ik in een den, en viel in slaap. Maar bij ’t eerste aanbreken van den dag werd ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met me gedaan was. Maar hijdeed me niets; hij vloog regelrecht hierheen, en gooide me neer midden tusschen jelui in.”
“Zei hij niet, wie hij was?” vroeg de groote witte ganzerik.
“Hij was weg, voor ik hem nog bedanken kon. Ik meende, dat Moeder Akka hem had gezonden om me te halen.”
“Dat was wonderlijk,” zei de witte ganzerik. “Ben je er zeker van, dat het een arend was?”
“Ik heb nog nooit een arend gezien,” zei de jongen. “Maar hij was zóó groot, dat ik hem geen andere naam kan geven.”
Maarten, de ganzerik, keerde zich om naar de wilde ganzen, om te hooren, wat ze daarvan zeggen zouden. Maar ze stonden in de lucht te kijken, alsof ze aan heel andere dingen dachten.
“We moeten toch niet heelemaal ons ontbijt vergeten,” zei Akka, en vloog haastig op.