XXIX.Stockholm.Voor eenige jaren was er in de “Schans”, den grooten tuin buiten Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht, een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar ’t was ’t meest ’s middags, dat hij als speelman moest optreden; ’s morgens zat hij gewoonlijk op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken van het land naar de Schans waren overgebracht.Klement meende in ’t begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder ’t wacht houden. ’t Ging nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk, dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden, hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen, en Klement had hem vaak ontmoet.De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.“Je mag zien, wat ik heb, Klement,” antwoordde de visscher toen, “als je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan.”Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog eens, en ging toen snel een stap achteruit.“Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken gekregen?” vroeg hij.Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren spreken van ’t kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht niet schreeuwen en niet stout zijn, om ’t kleine volkje niet boos te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van ’t kleine volkje.Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de zaak heel ernstig op.“Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?” vroeg hij.“Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken,” zei Asbjörn. “Hij is bij mij gekomen. Ik wasvanmorgenvroeg uitgezeild, en had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, toen ik een troep wilde ganzen in ’t oog kreeg, die met vervaarlijk geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, en viel in ’t water,zóódicht bij de boot, dat ik maar de hand had uit te steken om hem te pakken.”“Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?”“O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was.”Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles wat hij als kind had gehoord van ’t kleine volkje, van hun wraakzucht tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam weer bij hem boven. ’t Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een van hen gevangen had willen houden.“Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn,” zei hij.“Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen,” zei de visscher. “Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, maar ’t heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, die geen schot kruit waard zijn, kwamenneerstrijkenop de klippen en bliezen; en als ikuitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten, maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster, stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten zeker, dat hij daar in ’t venster stond, want ze lieten me heengaan zonder me te vervolgen.”“Zegt hij niets?” vroeg Klement.“Ja, in ’t begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht.”“Maar Asbjörn,” zei Klement. “Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?”“Ik weet niet, wat hij is,” zei Asbjörn kalm. “Dat moeten anderen maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem zou willen geven.”Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst geraakt ter wille van dat dwergje. ’t Was hem precies, alsof zijn moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor ’t kleine volkje wezen moest.“Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn,” zei hij. “Maar als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven.”Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem had, en zoo’n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod van Klement aan.De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken, liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen, waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in den mond.“Luister nu naar wat ik zeg,” zei Klement. “Ik weet wel, dat volkje als jij ’t niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan.Wil je dat, knik dandrie keermet je hoofd.”Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde zich niet.“Je zult het goed hebben,” zei Klement. “Ik zal elken dag eten voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doenzult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan.”Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar hij bewoog zich niet.“Ja, dan zit er niets anders op,” zei Klement, “dan dat ik je aan mijn baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje, en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken.”Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.“Zie zoo, nu is ’t in orde,” zei Klement, nam zijn mes, en sneed het touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging hij haastig naar de deur.De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om Klement Larsson te danken, was die al weg.Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde, want hij bleef staan, en sprak hem aan.“Goeden dag Klement,” zei hij. “Hoe gaat het? Jebenttoch niet ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben.”Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer, dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met zijn verlangen naar huis.“Wat?” zei de oude heer. “Verlang je naar huis, als je in Stockholm ben? Dat is toch niet mogelijk.”En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.“Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist, zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê, naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen.”Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen, hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waarnu de stad op eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed in ’t water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar kwam, er graag wilde blijven.Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met de hand, en de andere bleef op een afstand staan.De deftige oude heer zei nu tegen Klement:“Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm, en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de bekoring komen.”Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot, rood boek en een brief aan Klement.Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij moest absoluut naar huis, zei hij.“Waarom? Kun je hier niet wennen?” zei de directeur.“Ja, ik heb het hier best,” zei Klement. “Ik heb nu geen heimwee meer. Maar ik moet toch naar huis!”Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem, een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn heimwee te genezen.’t Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het thuis te vertellen?Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij zou heel anders geacht en geëerd worden.En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.XXX.Gorgo, de arend.In het rotsdal.Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras, dat uitstak uit een steilen bergwand. ’t Was van dennetakken gemaakt, die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter breed en bijna even hoog als een Lappenhut.De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot dal, dat ’s zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. ’t Lag zoo tusschen de bergen verborgen, dat er niet velen waren, die ’t kenden, niet eens onder de Laplanders. Midden in ’t dal lag een klein rond meertje, waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar begeeren kon.Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen, maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een afstand.Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in ’t dal had doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht, om te zien of ze in’t dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over ’t broeden en over ’t verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag zag zij de arenden niet terugkomen.“Ik word zeker oud en suf,” dacht ze, toen ze een poos op hen had gewacht. “De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn.”Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen ’s avonds in ’t oog te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, en die uit het arendsnest scheen te komen.“Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het arendsnest?” dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, dat ze in het arendsnest kon zien.Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In ’t heele nest lag alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was een griezelig oord om te komen. ’t Was te zien wat voor roovervolk daar thuis hoorde. In ’t nest en op het rotsterras lagen verbleekte beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen als takken van uitstaken.Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den randvan het nest zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want zeverwachtteieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.“Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt,” riep het arendsjong. “Breng me dadelijk eten!”“Nu, nu, maak niet zoo’n haast,” zei Akka. “Vertel me eerst, waar je vader en moeder zijn.”“Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. ’t Is schande, dat moeder me zoo’n honger laat lijden.”Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood lieten hongeren, misschien voor goed ’t heele roovervolk kwijt zou zijn. Maar toch ging het haar aan ’t hart een verlaten jong niet te helpen, zoo goed ’t haar mogelijk was.“Waar zit je zoo naar te turen?” zei de jonge arend. “Hoor je niet, dat ik eten wil hebben?”Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden in ’t dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in ’t arendsnest, met een jonge zalm in den bek.De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.“Meen je, dat ik zooiets eten kan!” zei hij, schoof den visch op zij, en probeerde Akka te pikken. “Breng me een hoen of een muis, hoor je!”Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken pik in den nek.“Ik zal je eens wat zeggen,” zei de oude gans. “Als ik je eten zal geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht, dan zal ik je dat niet beletten.”Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten, en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk op, hoewel ’t aan hem te zien was, dat hij ’t allerakeligst vond.Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde hem een goede opvoedingte geven, en hem zijn wildheid en overmoed af te leeren.Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou moeten verhongeren.“Gorgo,” zei Akka op een dag tegen hem. “Nu kan ik niet meer bij je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in ’t dal kunt komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in ’t dal. Maar ook dàt kan je het leven kosten.”Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd op den grond kwam.Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, en als ze in ’t meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.“Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?” vroeg hij.“Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je daar boven op de rotsen lag,” zei Akka. “Maar wees daar maar niet bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden.”Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch allerlei op,dathem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.“Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op de rotsen zien?” vroeg hij. “Ze zijn niet zoo bang voor de andere jonge ganzen.”“Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde,” zei Akka. “Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden.”Toen de arend goed kon vliegen, leerde hijzichzelfvisschen en kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.“Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?” zei hij. “Dat doen de andere jonge ganzen niet.”“Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je boven op de rotsen woonde,” zei Akka. “Maar wees er maar niet bedroefd om, je zult toch wel een flinke vogel worden.”Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken, en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde, met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk zóóveel rappe tongen te binden.“Waarom noemen ze mij toch een arend?” vroeg Gorgo onophoudelijk, en werd meer en meer geprikkeld. “Zien ze dan niet, dat ik een wilde gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe durven ze mij zoo’n leelijken naam geven?”Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den mesthoop liepen te pikken.“Een arend, een arend!” riepen ze, en begonnen hard weg te loopen, om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op ’t veld, en sloeg zijn klauwen in een van de kippen.“Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!” riep hij boos en pikte naar haar met den snavel.Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht, en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe, en begon hem te tuchtigen.“Wat doe je daar,” riep ze, en pikte naar hem. “Was je misschien van plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?”Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken, en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde ganzen.“Nu weet ik wie ik ben,” zei hij tegen Akka. “Omdat ikeen arend ben, moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik nooit aanvallen.”Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken, een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden, en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.“Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een vogelverslinder?” vroeg ze. “Leef, zooals ik het je heb geleerd. En dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan.”Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd, en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende, dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjesspeelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat hij nooit een wilde gans had aangedurfd.In gevangenschap.Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht, een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht, en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig, maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht voor zich uit zonder iets te zien,en had er geen besef meer van, hoe de dagen voorbijgingen.Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.“Wie roept me daar?” vroeg hij.“Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde ganzen rondvloog.”“Is Akka ook gevangen?” vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.“Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker behouden en wel in Lapland op hetoogenblik,” zei de jongen. “Ik alleen zit hier gevangen.”Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.“Koningsarend!” riep de jongen. “Ikbennog niet vergeten, dat je me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een of andere manier kan helpen!”Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.“Stoor me niet, Duimelot!” zei hij. “Ik zat te droomen, dat ik vrij rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen.”“Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,” vermaande de jongen. “Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, als de andere arenden.”“Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, dat niets hen meer kan storen,” zei de arend.Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, maar Gorgo werd wakker.“Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?” vroeg hij.“’t Is Duimelot, Gorgo,” antwoordde de jongen. “Ik zit hier het staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen.”De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid weer de overhand.“Ik ben een groote vogel, Duimelot,” zei hij. “Hoe zou je zooveel draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. ’t Is beter, dat je met dat werk ophoudt, en me met rust laat.”“Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij,” antwoordde de jongen. “Ik kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben.”Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.“Probeer het nu, Gorgo,” zei hij.De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig naar buiten in de vrije lucht.Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, en dat ’t hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, den ganzerik, en de andere reisgenooten.“Was ik maar niet door mijn belofte gebonden,” dacht hij, “dan zou ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou.”’t Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen Laplander om hulp te vragen.“Een van ’t kleine volkje woont hier op de Schans,” had hij gezegd, “en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit Bollnäs te zetten?”De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te verklaren, want hij moest naar den trein.De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, omeen schotel te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen—ja, alle mogelijke vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.“Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn,” dacht de jongen. “Ik zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo’n mooien morgen. ’t Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en getooid met groen gras en mooie bloemen.”Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.“Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,” zei Gorgo. “Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je reisgenooten terugbrengen.”“Neen, dat is onmogelijk!” zei de jongen. “Ik heb mijn woord gegeven, dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan.”“Wat vertel je toch voor onzin,” zei Gorgo. “Eerst hebben ze je tegen je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo’n belofte niet hoeft na te komen.”“Ja, dat moet ik toch,” zei de jongen. “Ik dank je wel, want je meent het goed, maar je kunt me niet helpen.”“Zoo, kan ik dat niet?” zei Gorgo. “Dat zul je eens zien.” En meteen pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting van het noorden.XXXI.Over Gästrikland.De kostbare gordel.De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in ’t bosch, en liet den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.“Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?” vroeg hij.“Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je hebt niets over mij te zeggen,” zei de jongen, en probeerde weg te komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op, en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland, en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.De jongen zag dadelijk, dat ’t hier niet mogelijk was, den arend te ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten, en om hem heen bruiste wild ’t water van den stroom. Hij was er verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet, vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder had gehad.“En nu begrijp je misschien, Duimelot,” zei hij eindelijk, “waarom ik je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van planje te vragen, of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden.”Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. “Ik zou je heel graag helpen met wat je me vraagt,” zei hij, “maar ik ben door mijn belofte gebonden.”En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem zijn vrijheid te geven.Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. “Luister nu, Duimelot!” zei hij. “Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je de vrijheid teruggeeft.”Dat vond de jongen een goed voorstel.“Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo’n wijzen vogel als Akka tot pleegmoeder hebt gehad,” zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.“We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer, van den grooten berg tot Hornsland,” zei de arend. “En morgen zal je met den man kunnen spreken.”“Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden,” zei de jongen.“Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,” antwoordde Gorgo.Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen de jongen op ’t veld was neergesprongen, zei de arend: “Hier is wild in ’t bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Jebenttoch niet bang, als ik je alleen laat?”“O neen,” zei de jongen.“Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang terug ben,” zei de arend, en vloog weg.De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een heelen optocht van menschenwerd uit gedragen, maar het duurde lang, eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen oogenblik verveelde.De dag van ’t bosch.Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten weer met groen begroeid, dat grensde aan ’t frissche bosch. Maar het grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong kreupelhout kwam er op.De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte, zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht, en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.Maar op een dag in ’t begin van den zomer kwamen alle kinderen van de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en sparrezaad trok.De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die ’t dichtst bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen, en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd, en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch binnendrongen.Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen, vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven, lagendaar zonderwormen, zonder boschsterren,zonder witbloeiend wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van ’t bosch bekleedt.Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging, toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets, wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten stumper weer aan een beetje leven helpen.Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten, de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en ’t water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.“Ja, ’t was maar goed, dat we kwamen,” zeiden de kinderen. “’t Was hoog tijd!”En ze voelden zich verbazend gewichtig.Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden zouden. ’t Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een bosch zouden planten, maar ’t zou toch wel aardig wezen te zien, hoe ’t ging.En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar ’t bosch. Toen ze op den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.“Gaan jelui naar de brandplaats?”“Ja.”“Om naar de kinderen te kijken?”“Ja, om te zien hoe ze zich redden.”“Dat wordt toch maar een spelletje.”“Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen.”“We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen.”Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid uit te trekken. Maar zoo’n beetje voor de grap. De kinderen waren de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.En nu ging ’t zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar de kinderen te kijken, aan ’t werk gingen meêdoen. Toen werd het natuurlijk veel prettiger, dan ’t eerst was geweest. En na een poosje kregen de kinderen nog meer hulp.Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: “Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?”“O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan ’t boomen planten!”Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in ’t voorjaar te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, maar dit was nog uitlokkender.’t Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. ’t Was niet alleen te doen om ’t gewas van een zomer, maar om den groei van vele jaren. ’t Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en ’t spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste bergvlakte. En dan ook ’t was als een gedenkteeken, dat men voor ’t komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een prachtig bosch krijgen.En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen, dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest, en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.
XXIX.Stockholm.Voor eenige jaren was er in de “Schans”, den grooten tuin buiten Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht, een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar ’t was ’t meest ’s middags, dat hij als speelman moest optreden; ’s morgens zat hij gewoonlijk op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken van het land naar de Schans waren overgebracht.Klement meende in ’t begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder ’t wacht houden. ’t Ging nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk, dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden, hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen, en Klement had hem vaak ontmoet.De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.“Je mag zien, wat ik heb, Klement,” antwoordde de visscher toen, “als je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan.”Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog eens, en ging toen snel een stap achteruit.“Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken gekregen?” vroeg hij.Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren spreken van ’t kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht niet schreeuwen en niet stout zijn, om ’t kleine volkje niet boos te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van ’t kleine volkje.Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de zaak heel ernstig op.“Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?” vroeg hij.“Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken,” zei Asbjörn. “Hij is bij mij gekomen. Ik wasvanmorgenvroeg uitgezeild, en had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, toen ik een troep wilde ganzen in ’t oog kreeg, die met vervaarlijk geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, en viel in ’t water,zóódicht bij de boot, dat ik maar de hand had uit te steken om hem te pakken.”“Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?”“O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was.”Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles wat hij als kind had gehoord van ’t kleine volkje, van hun wraakzucht tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam weer bij hem boven. ’t Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een van hen gevangen had willen houden.“Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn,” zei hij.“Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen,” zei de visscher. “Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, maar ’t heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, die geen schot kruit waard zijn, kwamenneerstrijkenop de klippen en bliezen; en als ikuitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten, maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster, stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten zeker, dat hij daar in ’t venster stond, want ze lieten me heengaan zonder me te vervolgen.”“Zegt hij niets?” vroeg Klement.“Ja, in ’t begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht.”“Maar Asbjörn,” zei Klement. “Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?”“Ik weet niet, wat hij is,” zei Asbjörn kalm. “Dat moeten anderen maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem zou willen geven.”Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst geraakt ter wille van dat dwergje. ’t Was hem precies, alsof zijn moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor ’t kleine volkje wezen moest.“Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn,” zei hij. “Maar als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven.”Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem had, en zoo’n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod van Klement aan.De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken, liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen, waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in den mond.“Luister nu naar wat ik zeg,” zei Klement. “Ik weet wel, dat volkje als jij ’t niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan.Wil je dat, knik dandrie keermet je hoofd.”Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde zich niet.“Je zult het goed hebben,” zei Klement. “Ik zal elken dag eten voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doenzult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan.”Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar hij bewoog zich niet.“Ja, dan zit er niets anders op,” zei Klement, “dan dat ik je aan mijn baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje, en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken.”Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.“Zie zoo, nu is ’t in orde,” zei Klement, nam zijn mes, en sneed het touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging hij haastig naar de deur.De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om Klement Larsson te danken, was die al weg.Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde, want hij bleef staan, en sprak hem aan.“Goeden dag Klement,” zei hij. “Hoe gaat het? Jebenttoch niet ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben.”Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer, dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met zijn verlangen naar huis.“Wat?” zei de oude heer. “Verlang je naar huis, als je in Stockholm ben? Dat is toch niet mogelijk.”En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.“Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist, zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê, naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen.”Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen, hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waarnu de stad op eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed in ’t water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar kwam, er graag wilde blijven.Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met de hand, en de andere bleef op een afstand staan.De deftige oude heer zei nu tegen Klement:“Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm, en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de bekoring komen.”Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot, rood boek en een brief aan Klement.Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij moest absoluut naar huis, zei hij.“Waarom? Kun je hier niet wennen?” zei de directeur.“Ja, ik heb het hier best,” zei Klement. “Ik heb nu geen heimwee meer. Maar ik moet toch naar huis!”Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem, een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn heimwee te genezen.’t Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het thuis te vertellen?Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij zou heel anders geacht en geëerd worden.En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.
Voor eenige jaren was er in de “Schans”, den grooten tuin buiten Stockholm, waar men zooveel merkwaardigs heeft bijeengebracht, een klein oud mannetje, die Klement Larsson heette. Hij was van Hälsingland, en was naar de Schans gekomen om volksdansen en andere oude liedjes op zijn viool te spelen. Maar ’t was ’t meest ’s middags, dat hij als speelman moest optreden; ’s morgens zat hij gewoonlijk op wacht in een van de prachtige boerenhutten, die uit alle streken van het land naar de Schans waren overgebracht.
Klement meende in ’t begin, dat hij het op zijn ouden dag beter had gekregen dan hij ooit had durven droomen, maar langzamerhand begon hij zich verschrikkelijk te vervelen, vooral onder ’t wacht houden. ’t Ging nog, als er menschen in de hut kwamen, om die te bekijken, maar soms zat Klement uren heelemaal alleen. Dan verlangde hij zoo vreeselijk, dat hij bang was, dat hij zijn betrekking zou moeten opzeggen. Hij was heel arm en wist, dat hij in zijn dorp ten laste van de gemeente zou komen. Daarom probeerde hij het zoo lang mogelijk uit te houden, hoewel hij zich met den dag ongelukkiger voelde.
Op een mooien namiddag in Mei had Klement een paar uur vrij, en was op weg naar den steilen heuvel, die van de Schans naar beneden loopt, toen hij een visscher ontmoette, die met een kistje op den rug aankwam. Het was een flinke jonge man, die vaak naar de Schans kwam, en zeevogels te koop aanbood, die hij levend had kunnen vangen, en Klement had hem vaak ontmoet.
De visscher hield Klement staande, om hem te vragen, of de directeur van de Schans thuis was, en toen Klement hem geantwoord had, vroeg hij wat hij nu voor zeldzaams in zijn kistje had.
“Je mag zien, wat ik heb, Klement,” antwoordde de visscher toen, “als je mij uit dankbaarheid wilt vertellen, wat ik er voor vragen kan.”
Hij reikte het kistje aan Klement over. Hij keek er in, en toen nog eens, en ging toen snel een stap achteruit.
“Wat ter wereld is dat, Asbjörn. Hoe heb je die daar te pakken gekregen?” vroeg hij.
Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was, had hooren spreken van ’t kleine volkje, dat onder de hut woonde. Hij mocht niet schreeuwen en niet stout zijn, om ’t kleine volkje niet boos te maken. Sinds hij volwassen was, had hij gedacht, dat Moeder die verhaaltjes van de kleintjes maar had verzonnen, om hem onder den duim te houden. Maar het moesten toch niet enkel verzinsels van Moeder geweest zijn, want daar in Asbjörns kistje lag een van ’t kleine volkje.
Er zat nog iets van den kinderangst in Klement, want hij voelde een rilling over zijn rug gaan, toen hij in het kistje keek. Asbjörn merkte, dat hij bang was, en begon te lachen, maar Klement nam de zaak heel ernstig op.
“Vertel me eens, Asbjörn, waar heb je hem gevonden?” vroeg hij.
“Ik heb niet op hem geloerd, dat moet je niet denken,” zei Asbjörn. “Hij is bij mij gekomen. Ik wasvanmorgenvroeg uitgezeild, en had mijn geweer meê in de boot genomen. Ik was pas van land gestoken, toen ik een troep wilde ganzen in ’t oog kreeg, die met vervaarlijk geschreeuw uit het oosten kwamen aanvliegen. Ik deed een schot, maar trof geen van hen. In plaats daarvan kwam deze hier naar beneden, en viel in ’t water,zóódicht bij de boot, dat ik maar de hand had uit te steken om hem te pakken.”
“Je hebt hem toch niet geschoten, Asbjörn?”
“O neen, hij is gezond en wel. Maar toen hij naar beneden kwam, wist hij eerst niet, hoe hij het had, en toen nam ik de kans waar, en bond een paar eindjes touw om zijn handen en voeten, zoodat hij niet kon wegloopen. Zie je, ik dacht dadelijk, dat dit iets voor de Schans was.”
Klement werd wonderlijk bang, toen de visscher dat vertelde. Alles wat hij als kind had gehoord van ’t kleine volkje, van hun wraakzucht tegenover vijanden en hun behulpzaamheid tegenover vrienden, kwam weer bij hem boven. ’t Was nooit goed afgeloopen met iemand, die een van hen gevangen had willen houden.
“Je hadt hem dadelijk los moeten laten, Asbjörn,” zei hij.
“Het had niet veel gescheeld, of ik was er wel toe gedwongen,” zei de visscher. “Want je moet weten, dat de wilde ganzen me navlogen tot aan mijn huis toe, en later kruisten ze den heelen morgen over de klippen, en schreeuwden, alsof ze hem terug wilden hebben. En dat niet alleen, maar ’t heele gezelschap daar buiten: meeuwen en allerlei zeevogels, die geen schot kruit waard zijn, kwamenneerstrijkenop de klippen en bliezen; en als ikuitging, fladderden ze om me heen, zoodat ik weer terug moest keeren. Mijn vrouw smeekte me, hem vrij te laten, maar ik had me in mijn hoofd gezet, dat hij naar de Schans moest. En toen zette ik een van de poppen van de kinderen voor het venster, stopte het ventje onder in de kist, en ging heen. En de vogels dachten zeker, dat hij daar in ’t venster stond, want ze lieten me heengaan zonder me te vervolgen.”
“Zegt hij niets?” vroeg Klement.
“Ja, in ’t begin probeerde hij de vogels te roepen, maar daar moest ik niets van hebben, en ik bond hem den mond dicht.”
“Maar Asbjörn,” zei Klement. “Hoe kun je zoo met hem doen? Begrijp je niet, dat hij iets bovennatuurlijks is?”
“Ik weet niet, wat hij is,” zei Asbjörn kalm. “Dat moeten anderen maar uitmaken. Ik ben tevreden, als ik hem goed betaald krijg. Zeg me nu liever, wat je denkt, dat de dokter op de Schans me voor hem zou willen geven.”
Klement wachtte lang met zijn antwoord. Maar hij was zóó in angst geraakt ter wille van dat dwergje. ’t Was hem precies, alsof zijn moeder bij hem stond, en hem zei, dat hij toch altijd goed voor ’t kleine volkje wezen moest.
“Ik weet niet, wat de dokter je betalen wil, Asbjörn,” zei hij. “Maar als je hem mij laten wilt, zal ik je twintig gulden voor hem geven.”
Asbjörn zag den speelman met groote verbazing aan, toen hij die groote som noemde. Hij dacht, dat Klement meende, dat het dwergje een geheimzinnige macht bezat, en hem van dienst kon wezen. Hij was er niet zeker van, dat de dokter zulke groote verwachtingen van hem had, en zoo’n hoogen prijs zou betalen. En dus nam hij het aanbod van Klement aan.
De speelman stopte zijn nieuwen aankoop in een van zijn groote zakken, liep naar de Schans terug, en ging een van de zomerweidehutten binnen, waar geen bezoekers en geen wachters waren. Hij trok de deur achter zich dicht, haalde het dwergje voor den dag, en legde het voorzichtig op een bank. Het had de handen en voeten nog gebonden en een prop in den mond.
“Luister nu naar wat ik zeg,” zei Klement. “Ik weet wel, dat volkje als jij ’t niet prettig vindt, als menschen ze zien, en dat je liever op je eigen houtje rondloopt, en je eigen gang gaat. Daarom was ik van plan je vrij te laten, maar alleen, als je me belooft hier in den tuin te blijven, tot ik je permissie geef om heen te gaan.Wil je dat, knik dandrie keermet je hoofd.”
Klement keek vol verwachting naar den dwerg, maar die verroerde zich niet.
“Je zult het goed hebben,” zei Klement. “Ik zal elken dag eten voor je buiten zetten, en ik denk, dat je hier zooveel te doenzult krijgen, dat de tijd je niet lang vallen zal. Maar je moogt nergens anders heengaan, vóór ik je dat toesta. We zullen een teeken afspreken. Zoolang ik je eten buiten zet in een wit bakje, moet je blijven. Als ik het in een blauw bakje doe, mag je heengaan.”
Klement zweeg weer, en wachtte, dat de dwerg het teeken zou geven. Maar hij bewoog zich niet.
“Ja, dan zit er niets anders op,” zei Klement, “dan dat ik je aan mijn baas laat zien, die hier woont. En dan kom je in een glazen kastje, en alle menschen in Stockholm komen dan naar je kijken.”
Maar dat scheen den dwerg schrik aan te jagen, want nauwelijks had hij dat gehoord, of hij gaf het gevraagde teeken.
“Zie zoo, nu is ’t in orde,” zei Klement, nam zijn mes, en sneed het touwtje, dat de handen van den dwerg gebonden hield, door. Toen ging hij haastig naar de deur.
De jongen maakte het touw van zijn voeten los, en nam de prop uit den mond, eer hij aan iets anders dacht. Toen hij zich omkeerde om Klement Larsson te danken, was die al weg.
Nauwelijks was Klement de deur uitgekomen, of een deftig, mooi oud heer kwam hem tegen. Hij scheen op weg te zijn naar het heerlijke uitzicht, dat men op een heuvel in de buurt had. Klement kon zich niet herinneren, dat hij dien deftigen ouden heer ooit had gezien. Maar die scheen hem opgemerkt te hebben, toen hij op de viool speelde, want hij bleef staan, en sprak hem aan.
“Goeden dag Klement,” zei hij. “Hoe gaat het? Jebenttoch niet ziek? Ik vind, dat je den laatsten tijd afgevallen ben.”
Er was zooiets onbeschrijfelijk vriendelijks over den ouden heer, dat Klement moed vatte, en hem vertelde, hoeveel moeite hij had met zijn verlangen naar huis.
“Wat?” zei de oude heer. “Verlang je naar huis, als je in Stockholm ben? Dat is toch niet mogelijk.”
En hij zag er bijna beleedigd uit, toen hij dat zei. Maar toen dacht hij er zeker aan, dat hij maar met een ouden, onwetenden speelman sprak, en hij hernam zijn vriendelijken toon.
“Je weet zeker nog te weinig van Stockholm, Klement. Als je alles wist, zou je niet meer verlangen van hier weg te gaan. Ga nu eens met me meê, naar die bank daar, dan zal ik je van Stockholm vertellen.”
Toen nu de oude heer op de bank zat, keek hij eerst een poos op Stockholm neer, dat in al zijn pracht daar beneden lag.
Toen wendde hij zich weer naar den speelman, en begon te vertellen, hoe een visscher in den ouden tijd, op de plaats, waarnu de stad op eilanden gebouwd lag, eens een meermin had geschoten, en dat haar bloed in ’t water gekomen was. En hoe van dat oogenblik af alles, wat met dat water in aanraking kwam, onbeschrijfelijk mooi was geworden. En hoe daarom de stad Stockholm ook zóó mooi werd, dat ieder, die daar kwam, er graag wilde blijven.
Terwijl hij nog sprak, kwam er een andere heer aan, en liep haastig op hen toe. Maar hij, die met Klement sprak, maakte een beweging met de hand, en de andere bleef op een afstand staan.
De deftige oude heer zei nu tegen Klement:
“Nu moet je me een genoegen doen, Klement. Ik heb geen tijd om langer met je te praten, maar ik zal je een boek sturen over Stockholm, en dat moet je heelemaal doorlezen, maar dan moet je op deze bank gaan zitten. Dan zul je zien hoe vroolijk de golven glinsteren, en hoe het strand van schoonheid straalt. En dan zul je ook onder de bekoring komen.”
Den volgenden dag kwam er een lakei van den koning met een groot, rood boek en een brief aan Klement.
Daarna was de kleine oude man dagen lang als bedwelmd, en het was haast niet mogelijk een verstandig woord uit hem te krijgen. Toen een week voorbij was, ging hij naar den directeur en nam zijn ontslag. Hij moest absoluut naar huis, zei hij.
“Waarom? Kun je hier niet wennen?” zei de directeur.
“Ja, ik heb het hier best,” zei Klement. “Ik heb nu geen heimwee meer. Maar ik moet toch naar huis!”
Klement was in een vreeselijken tweestrijd geweest. Want de koning had gezegd, dat hij over Stockholm moest lezen, en leeren daar tevreden te zijn, maar Klement had nu geen rust, eer hij er thuis over had gesproken, dat de koning dat tegen hem had gezegd. Hij moest op het Kerkplein staan, en aan allen, arm en rijk, vertellen, dat de koning zoo vriendelijk voor hem was geweest, dat hij naast hem op dezelfde bank had gezeten, en hem een boek gestuurd, en dat hij met hem, een ouden, armen speelman, een heel uur had gepraat, om hem van zijn heimwee te genezen.
’t Was heerlijk daarover hier op de Schans met de Laplanders en de Dalecarliërs te spreken, maar wat was dat, in vergelijking van het thuis te vertellen?
Al zou Klement ook in het armhuis terecht komen, toch zou dat nu zoo akelig niet meer zijn. Hij was nu een heel ander man dan vroeger. Hij zou heel anders geacht en geëerd worden.
En dat nieuwe verlangen werd Klement te machtig. Hij kon niet laten naar den directeur te gaan en te zeggen, dat hij naar huis moest.
XXX.Gorgo, de arend.In het rotsdal.Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras, dat uitstak uit een steilen bergwand. ’t Was van dennetakken gemaakt, die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter breed en bijna even hoog als een Lappenhut.De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot dal, dat ’s zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. ’t Lag zoo tusschen de bergen verborgen, dat er niet velen waren, die ’t kenden, niet eens onder de Laplanders. Midden in ’t dal lag een klein rond meertje, waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar begeeren kon.Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen, maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een afstand.Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in ’t dal had doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht, om te zien of ze in’t dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over ’t broeden en over ’t verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag zag zij de arenden niet terugkomen.“Ik word zeker oud en suf,” dacht ze, toen ze een poos op hen had gewacht. “De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn.”Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen ’s avonds in ’t oog te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, en die uit het arendsnest scheen te komen.“Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het arendsnest?” dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, dat ze in het arendsnest kon zien.Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In ’t heele nest lag alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was een griezelig oord om te komen. ’t Was te zien wat voor roovervolk daar thuis hoorde. In ’t nest en op het rotsterras lagen verbleekte beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen als takken van uitstaken.Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den randvan het nest zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want zeverwachtteieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.“Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt,” riep het arendsjong. “Breng me dadelijk eten!”“Nu, nu, maak niet zoo’n haast,” zei Akka. “Vertel me eerst, waar je vader en moeder zijn.”“Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. ’t Is schande, dat moeder me zoo’n honger laat lijden.”Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood lieten hongeren, misschien voor goed ’t heele roovervolk kwijt zou zijn. Maar toch ging het haar aan ’t hart een verlaten jong niet te helpen, zoo goed ’t haar mogelijk was.“Waar zit je zoo naar te turen?” zei de jonge arend. “Hoor je niet, dat ik eten wil hebben?”Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden in ’t dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in ’t arendsnest, met een jonge zalm in den bek.De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.“Meen je, dat ik zooiets eten kan!” zei hij, schoof den visch op zij, en probeerde Akka te pikken. “Breng me een hoen of een muis, hoor je!”Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken pik in den nek.“Ik zal je eens wat zeggen,” zei de oude gans. “Als ik je eten zal geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht, dan zal ik je dat niet beletten.”Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten, en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk op, hoewel ’t aan hem te zien was, dat hij ’t allerakeligst vond.Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde hem een goede opvoedingte geven, en hem zijn wildheid en overmoed af te leeren.Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou moeten verhongeren.“Gorgo,” zei Akka op een dag tegen hem. “Nu kan ik niet meer bij je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in ’t dal kunt komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in ’t dal. Maar ook dàt kan je het leven kosten.”Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd op den grond kwam.Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, en als ze in ’t meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.“Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?” vroeg hij.“Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je daar boven op de rotsen lag,” zei Akka. “Maar wees daar maar niet bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden.”Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch allerlei op,dathem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.“Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op de rotsen zien?” vroeg hij. “Ze zijn niet zoo bang voor de andere jonge ganzen.”“Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde,” zei Akka. “Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden.”Toen de arend goed kon vliegen, leerde hijzichzelfvisschen en kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.“Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?” zei hij. “Dat doen de andere jonge ganzen niet.”“Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je boven op de rotsen woonde,” zei Akka. “Maar wees er maar niet bedroefd om, je zult toch wel een flinke vogel worden.”Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken, en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde, met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk zóóveel rappe tongen te binden.“Waarom noemen ze mij toch een arend?” vroeg Gorgo onophoudelijk, en werd meer en meer geprikkeld. “Zien ze dan niet, dat ik een wilde gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe durven ze mij zoo’n leelijken naam geven?”Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den mesthoop liepen te pikken.“Een arend, een arend!” riepen ze, en begonnen hard weg te loopen, om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op ’t veld, en sloeg zijn klauwen in een van de kippen.“Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!” riep hij boos en pikte naar haar met den snavel.Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht, en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe, en begon hem te tuchtigen.“Wat doe je daar,” riep ze, en pikte naar hem. “Was je misschien van plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?”Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken, en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde ganzen.“Nu weet ik wie ik ben,” zei hij tegen Akka. “Omdat ikeen arend ben, moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik nooit aanvallen.”Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken, een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden, en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.“Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een vogelverslinder?” vroeg ze. “Leef, zooals ik het je heb geleerd. En dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan.”Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd, en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende, dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjesspeelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat hij nooit een wilde gans had aangedurfd.In gevangenschap.Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht, een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht, en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig, maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht voor zich uit zonder iets te zien,en had er geen besef meer van, hoe de dagen voorbijgingen.Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.“Wie roept me daar?” vroeg hij.“Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde ganzen rondvloog.”“Is Akka ook gevangen?” vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.“Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker behouden en wel in Lapland op hetoogenblik,” zei de jongen. “Ik alleen zit hier gevangen.”Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.“Koningsarend!” riep de jongen. “Ikbennog niet vergeten, dat je me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een of andere manier kan helpen!”Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.“Stoor me niet, Duimelot!” zei hij. “Ik zat te droomen, dat ik vrij rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen.”“Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,” vermaande de jongen. “Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, als de andere arenden.”“Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, dat niets hen meer kan storen,” zei de arend.Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, maar Gorgo werd wakker.“Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?” vroeg hij.“’t Is Duimelot, Gorgo,” antwoordde de jongen. “Ik zit hier het staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen.”De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid weer de overhand.“Ik ben een groote vogel, Duimelot,” zei hij. “Hoe zou je zooveel draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. ’t Is beter, dat je met dat werk ophoudt, en me met rust laat.”“Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij,” antwoordde de jongen. “Ik kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben.”Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.“Probeer het nu, Gorgo,” zei hij.De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig naar buiten in de vrije lucht.Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, en dat ’t hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, den ganzerik, en de andere reisgenooten.“Was ik maar niet door mijn belofte gebonden,” dacht hij, “dan zou ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou.”’t Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen Laplander om hulp te vragen.“Een van ’t kleine volkje woont hier op de Schans,” had hij gezegd, “en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit Bollnäs te zetten?”De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te verklaren, want hij moest naar den trein.De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, omeen schotel te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen—ja, alle mogelijke vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.“Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn,” dacht de jongen. “Ik zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo’n mooien morgen. ’t Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en getooid met groen gras en mooie bloemen.”Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.“Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,” zei Gorgo. “Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je reisgenooten terugbrengen.”“Neen, dat is onmogelijk!” zei de jongen. “Ik heb mijn woord gegeven, dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan.”“Wat vertel je toch voor onzin,” zei Gorgo. “Eerst hebben ze je tegen je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo’n belofte niet hoeft na te komen.”“Ja, dat moet ik toch,” zei de jongen. “Ik dank je wel, want je meent het goed, maar je kunt me niet helpen.”“Zoo, kan ik dat niet?” zei Gorgo. “Dat zul je eens zien.” En meteen pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting van het noorden.
In het rotsdal.Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras, dat uitstak uit een steilen bergwand. ’t Was van dennetakken gemaakt, die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter breed en bijna even hoog als een Lappenhut.De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot dal, dat ’s zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. ’t Lag zoo tusschen de bergen verborgen, dat er niet velen waren, die ’t kenden, niet eens onder de Laplanders. Midden in ’t dal lag een klein rond meertje, waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar begeeren kon.Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen, maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een afstand.Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in ’t dal had doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht, om te zien of ze in’t dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over ’t broeden en over ’t verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag zag zij de arenden niet terugkomen.“Ik word zeker oud en suf,” dacht ze, toen ze een poos op hen had gewacht. “De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn.”Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen ’s avonds in ’t oog te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, en die uit het arendsnest scheen te komen.“Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het arendsnest?” dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, dat ze in het arendsnest kon zien.Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In ’t heele nest lag alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was een griezelig oord om te komen. ’t Was te zien wat voor roovervolk daar thuis hoorde. In ’t nest en op het rotsterras lagen verbleekte beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen als takken van uitstaken.Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den randvan het nest zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want zeverwachtteieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.“Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt,” riep het arendsjong. “Breng me dadelijk eten!”“Nu, nu, maak niet zoo’n haast,” zei Akka. “Vertel me eerst, waar je vader en moeder zijn.”“Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. ’t Is schande, dat moeder me zoo’n honger laat lijden.”Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood lieten hongeren, misschien voor goed ’t heele roovervolk kwijt zou zijn. Maar toch ging het haar aan ’t hart een verlaten jong niet te helpen, zoo goed ’t haar mogelijk was.“Waar zit je zoo naar te turen?” zei de jonge arend. “Hoor je niet, dat ik eten wil hebben?”Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden in ’t dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in ’t arendsnest, met een jonge zalm in den bek.De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.“Meen je, dat ik zooiets eten kan!” zei hij, schoof den visch op zij, en probeerde Akka te pikken. “Breng me een hoen of een muis, hoor je!”Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken pik in den nek.“Ik zal je eens wat zeggen,” zei de oude gans. “Als ik je eten zal geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht, dan zal ik je dat niet beletten.”Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten, en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk op, hoewel ’t aan hem te zien was, dat hij ’t allerakeligst vond.Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde hem een goede opvoedingte geven, en hem zijn wildheid en overmoed af te leeren.Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou moeten verhongeren.“Gorgo,” zei Akka op een dag tegen hem. “Nu kan ik niet meer bij je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in ’t dal kunt komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in ’t dal. Maar ook dàt kan je het leven kosten.”Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd op den grond kwam.Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, en als ze in ’t meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.“Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?” vroeg hij.“Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je daar boven op de rotsen lag,” zei Akka. “Maar wees daar maar niet bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden.”Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch allerlei op,dathem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.“Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op de rotsen zien?” vroeg hij. “Ze zijn niet zoo bang voor de andere jonge ganzen.”“Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde,” zei Akka. “Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden.”Toen de arend goed kon vliegen, leerde hijzichzelfvisschen en kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.“Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?” zei hij. “Dat doen de andere jonge ganzen niet.”“Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je boven op de rotsen woonde,” zei Akka. “Maar wees er maar niet bedroefd om, je zult toch wel een flinke vogel worden.”Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken, en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde, met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk zóóveel rappe tongen te binden.“Waarom noemen ze mij toch een arend?” vroeg Gorgo onophoudelijk, en werd meer en meer geprikkeld. “Zien ze dan niet, dat ik een wilde gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe durven ze mij zoo’n leelijken naam geven?”Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den mesthoop liepen te pikken.“Een arend, een arend!” riepen ze, en begonnen hard weg te loopen, om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op ’t veld, en sloeg zijn klauwen in een van de kippen.“Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!” riep hij boos en pikte naar haar met den snavel.Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht, en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe, en begon hem te tuchtigen.“Wat doe je daar,” riep ze, en pikte naar hem. “Was je misschien van plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?”Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken, en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde ganzen.“Nu weet ik wie ik ben,” zei hij tegen Akka. “Omdat ikeen arend ben, moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik nooit aanvallen.”Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken, een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden, en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.“Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een vogelverslinder?” vroeg ze. “Leef, zooals ik het je heb geleerd. En dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan.”Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd, en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende, dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjesspeelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat hij nooit een wilde gans had aangedurfd.
Hoog op de rotsen in Lapland lag een oud arendsnest op een terras, dat uitstak uit een steilen bergwand. ’t Was van dennetakken gemaakt, die in lagen over elkaar waren gelegd. Jarenlang was het versterkt en bijgebouwd geworden, en nu lag het op de rotsen, een paar meter breed en bijna even hoog als een Lappenhut.
De rotswand, waar het arendsnest lag, verhief zich boven een vrij groot dal, dat ’s zomers door een troep wilde ganzen werd bewoond. Dat dal was voor hen een voortreffelijk toevluchtsoord. ’t Lag zoo tusschen de bergen verborgen, dat er niet velen waren, die ’t kenden, niet eens onder de Laplanders. Midden in ’t dal lag een klein rond meertje, waarop volop voedsel was voor de jonge gansjes, en op de met gras begroeide meeroevers, die met wilgenstruiken en kleine verschrompelde berkjes waren bedekt, lagen de beste broedplaatsen, die een gans maar begeeren kon.
Ten allen tijde hadden er arenden boven op de rotsen, en wilde ganzen in het dal gewoond. Ieder jaar roofden de arenden eenige van hen, maar ze wachtten er zich wel voor zóóveel te rooven, dat de wilde ganzen niet meer in het dal zouden durven wonen.
Op hun beurt hadden de wilde ganzen niet weinig dienst van de arenden. Roovers waren ze, maar ze hielden andere roovers op een afstand.
Een paar jaar voor dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondtrok, stond de oude leidstergans Akka van Kebnekaise op een morgen beneden in het rotsdal naar het arendsnest te kijken. De arenden gingen gewoonlijk even voor zonsopgang op jacht, en alle zomers, die Akka in ’t dal had doorgebracht, had ze elken morgen zoo staan wachten op hun uittocht, om te zien of ze in’t dal zouden blijven om daar te jagen, of dat ze weg zouden vliegen naar een ander jachtgebied. Ze behoefde niet lang te wachten, voor de beide statige vogels het rotsterras verlieten. Schoon, maar vreeselijk, zweefden ze voort door de lucht. Ze namen de richting naar de vlakte, en Akka slaakte een zucht van verlichting.
De oude leidstergans had opgehouden met eieren te leggen, en jongen groot te brengen, en placht in den zomer den tijd te verdrijven met van het eene ganzennest naar het andere te gaan, en raad te geven over ’t broeden en over ’t verzorgen van de jongen. Bovendien keek zij uit, niet alleen naar de arenden, maar ook naar rotsvossen, uilen en alle andere vijanden, die de wilde ganzen en hun jongen konden bedreigen.
Tegen den middag begon Akka opnieuw naar de arenden uit te zien. Zoo had ze iederen dag gedaan, alle zomers, dat zij in het dal had gewoond. Ze zag dadelijk aan hun vlucht of ze een goede jacht hadden gehad, en ze voelde zich dan veilig voor haar troep. Maar dien dag zag zij de arenden niet terugkomen.
“Ik word zeker oud en suf,” dacht ze, toen ze een poos op hen had gewacht. “De arenden moeten nu toch al lang thuis zijn.”
Ze keek dien middag naar den bergwand op, en verwachtte de arenden te zien op de scherpen vooruitspringende punt, waar ze gewoonlijk zaten om hun middagslaapje te doen, en ze probeerde hen ’s avonds in ’t oog te krijgen, als ze in het rotsmeer baadden, maar ze miste ze weer. Ze was zoo gewoon, dat de arenden op dien berg daar boven woonden, dat ze zich niet kon voorstellen, dat ze niet teruggekomen zouden zijn.
Den volgenden morgen was Akka vroeg wakker om naar de arenden te turen. Maar ook nu zag zij ze niet. Daarentegen hoorde ze in de stilte van den morgen een kreet, die boos en klagend tegelijk klonk, en die uit het arendsnest scheen te komen.
“Zou er werkelijk iets in de war zijn, daar boven in het arendsnest?” dacht ze. Ze sloeg met de vleugels uit, en steeg zoo hoog, dat ze in het arendsnest kon zien.
Daar zag ze geen van de beide oude arenden. In ’t heele nest lag alleen een half naakt jong, dat om voedsel schreeuwde.
Akka daalde langzaam en aarzelend neer naar het arendsnest. Dat was een griezelig oord om te komen. ’t Was te zien wat voor roovervolk daar thuis hoorde. In ’t nest en op het rotsterras lagen verbleekte beenderen, bloedige veeren, lappen vel, hazekoppen, vogelsnavels en gevederde hoenderpooten. Ook de jonge arend, die daar midden in lag, was terugstootend om te zien met zijn grooten gapenden bek, zijn lomp, donzig lichaam en zijn halfklare vleugels, waar de aangroeiende pennen als takken van uitstaken.
Eindelijk overwon Akka haar tegenzin, en ging op den randvan het nest zitten; maar ze keek onderwijl onrustig naar alle kanten uit, want zeverwachtteieder oogenblik, dat de oude arenden zouden thuiskomen.
“Dat is goed, dat er ten minste eindelijk iemand komt,” riep het arendsjong. “Breng me dadelijk eten!”
“Nu, nu, maak niet zoo’n haast,” zei Akka. “Vertel me eerst, waar je vader en moeder zijn.”
“Ja, als ik dat maar wist! Ze vlogen gisteren morgen weg, en lieten me een rotsmuis achter, om van te leven, terwijl ze weg waren. Je kunt wel begrijpen, dat die al lang op is. ’t Is schande, dat moeder me zoo’n honger laat lijden.”
Akka begon nu te gelooven, dat de oude arenden wezenlijk waren geschoten, en ze dacht er aan, dat ze, als ze dezen jongen arend dood lieten hongeren, misschien voor goed ’t heele roovervolk kwijt zou zijn. Maar toch ging het haar aan ’t hart een verlaten jong niet te helpen, zoo goed ’t haar mogelijk was.
“Waar zit je zoo naar te turen?” zei de jonge arend. “Hoor je niet, dat ik eten wil hebben?”
Akka sloeg de vleugels uit, en daalde neer op het meertje, beneden in ’t dal. Een poos later kwam ze weer naar boven in ’t arendsnest, met een jonge zalm in den bek.
De jonge arend werd geweldig boos, toen zij den visch voor hem neerlei.
“Meen je, dat ik zooiets eten kan!” zei hij, schoof den visch op zij, en probeerde Akka te pikken. “Breng me een hoen of een muis, hoor je!”
Nu stak Akka den kop vooruit, en gaf den jongen arend een flinken pik in den nek.
“Ik zal je eens wat zeggen,” zei de oude gans. “Als ik je eten zal geven, moet jij tevreden zijn, met wat ik je geven kan. Je vader en moeder zijn dood, zoodat zij je niet meer helpen kunnen, maar wil je hier liggen doodhongeren, terwijl je op hoenders en muizen wacht, dan zal ik je dat niet beletten.”
Toen Akka dit gezegd had, vloog ze weg, en vertoonde zich pas een heele poos later weer bij het nest. De jonge arend had den visch opgegeten, en toen ze er weer een voor hem neerlegde, slokte hij dien dadelijk op, hoewel ’t aan hem te zien was, dat hij ’t allerakeligst vond.
Akka had een zwaar werk op zich genomen. De oude arenden vertoonden zich nooit weer, en zij moest alleen het arendsjong al het eten bezorgen, wat hij noodig had. Ze gaf hem visch en kikvorschen en die kost scheen hem goed te bekomen, want hij werd groot en sterk. Hij vergat al gauw zijn ouders, en meende, dat Akka zijn echte moeder was. Akka had hem lief, alsof hij haar eigen kind was. Ze probeerde hem een goede opvoedingte geven, en hem zijn wildheid en overmoed af te leeren.
Na een paar weken begon Akka te voelen, dat de tijd naderde, dat ze zou ruiën, en niet in staat zijn te vliegen. Een heele maand lang zou ze geen voedsel voor den jongen arend kunnen halen, en hij zou moeten verhongeren.
“Gorgo,” zei Akka op een dag tegen hem. “Nu kan ik niet meer bij je komen met visch. Nu moeten we zien, of je beneden in ’t dal kunt komen, zoodat ik je eten kan blijven geven. Je moet kiezen tusschen hier boven te verhongeren, of naar beneden te springen in ’t dal. Maar ook dàt kan je het leven kosten.”
Zonder zich een oogenblik te bedenken, klom de jonge arend op den rand van het nest, verwaardigde zich nauwelijks om den afstand van daar naar het dal te meten met zijn oogen, sloeg zijn vleugeltjes uit, en begaf zich op weg. Hij tuimelde een paar maal rond in de lucht, maar gebruikte zijn vleugels toch zooveel, dat hij tamelijk ongedeerd op den grond kwam.
Daar beneden bracht Gorgo den zomer door met de jonge gansjes, en werd een goede kameraad voor hen. Daar hij zich als een jonge gans beschouwde, probeerde hij op dezelfde manier te leven als zij, en als ze in ’t meer gingen zwemmen, ging hij mee, totdat hij bijna verdronken was. Hij voelde er zich erg door vernederd, dat hij geen zwemmen kon leeren, en ging er zich bij Akka over beklagen.
“Waarom kan ik toch niet zwemmen, als de anderen?” vroeg hij.
“Je hebt te kromme klauwen en te groote teenen gekregen, terwijl je daar boven op de rotsen lag,” zei Akka. “Maar wees daar maar niet bedroefd om. Je zult nog best een flinke vogel worden.”
Al gauw waren de vleugels van den jongen arend zoo groot, dat ze hem konden dragen, maar niet vóór den herfst, toen de jonge gansjes leerden vliegen, kwam het in hem op, dat hij ze kon gebruiken om te vliegen. En nu kwam er een heerlijke tijd voor hem, want in dit spel was hij de eerste. Zijn kameraden bleven nooit langer in de lucht, dan ze moesten, maar hij was daar bijna den heelen dag, en oefende zich in de vliegkunst. Nog was hij er niet achter gekomen, dat hij tot een ander geslacht dan de ganzen hoorde, maar hij merkte toch allerlei op,dathem verbaasde, en hij deed Akka voortdurend vragen.
“Waarom loopen hoenders en muizen hard weg, als ze mijn schaduw op de rotsen zien?” vroeg hij. “Ze zijn niet zoo bang voor de andere jonge ganzen.”
“Je vleugels zijn vergroeid, terwijl je op de rotsen woonde,” zei Akka. “Daar schrikken die kleine dieren van. Maar wees jij daar maar niet bedroefd om. Je zult toch wel een flinke vogel worden.”
Toen de arend goed kon vliegen, leerde hijzichzelfvisschen en kikvorschen vangen, maar al gauw begon hij daar ook over na te denken.
“Hoe komt het toch, dat ik van visschen en kikvorschen leef?” zei hij. “Dat doen de andere jonge ganzen niet.”
“Dat komt, omdat ik geen ander eten had om je te geven, terwijl je boven op de rotsen woonde,” zei Akka. “Maar wees er maar niet bedroefd om, je zult toch wel een flinke vogel worden.”
Toen de wilde ganzen in den herfst gingen verhuizen, vloog Gorgo midden in den troep. Nog altijd beschouwde hij zich als een van hen. Maar de lucht was vol vogels, die naar het zuiden trokken, en die geraakten in groote opschudding, toen Akka zich vertoonde, met een arend in haar gevolg. De troep wilde ganzen was aanhoudend door zwermen nieuwsgierigen omringd, die luide hun verwondering te kennen gaven. Akka verzocht hun te zwijgen, maar het was niet mogelijk zóóveel rappe tongen te binden.
“Waarom noemen ze mij toch een arend?” vroeg Gorgo onophoudelijk, en werd meer en meer geprikkeld. “Zien ze dan niet, dat ik een wilde gans ben? Ik ben geen vogelverslinder, die zijnsgelijken opeet. Hoe durven ze mij zoo’n leelijken naam geven?”
Op een dag vlogen ze over een boerderij, waar veel kippen op den mesthoop liepen te pikken.
“Een arend, een arend!” riepen ze, en begonnen hard weg te loopen, om een schuilplaats te vinden. Maar Gorgo, die altijd arenden had hooren noemen als wilde boosdoeners, schoot neer op ’t veld, en sloeg zijn klauwen in een van de kippen.
“Ik zal je leeren, dat ik geen arend ben!” riep hij boos en pikte naar haar met den snavel.
Op hetzelfde oogenblik hoorde hij, hoe Akka hem riep hoog in de lucht, en hij kwam gehoorzaam naar boven. De wilde gans vloog op hem toe, en begon hem te tuchtigen.
“Wat doe je daar,” riep ze, en pikte naar hem. “Was je misschien van plan die arme kip te verscheuren? Schaam je je niet?”
Maar toen de arend zonder verweer de bestraffing van de wilde gans aannam, steeg er een storm van gelach en spottende woorden op uit de groote vogelscharen, die hen omringden. De arend hoorde dat, en keerde zich naar Akka met boozen blik, alsof hij haar wilde aanvallen. Maar hij veranderde snel van voornemen, steeg met sterken wiekslag hoog in de lucht, steeg zoo hoog, dat geen geroep hem meer kon bereiken, en dreef daar boven rond, zoolang de wilde ganzen hem konden zien.
Drie dagen later vertoonde hij zich weer in den troep van de wilde ganzen.
“Nu weet ik wie ik ben,” zei hij tegen Akka. “Omdat ikeen arend ben, moet ik leven, zooals het een arend betaamt, maar mij dunkt, dat we toch wel goede vrienden kunnen blijven. U of een van de uwen zal ik nooit aanvallen.”
Maar Akka had er haar eer in gesteld, dat het haar zou gelukken, een arend tot een zachten en ongevaarlijken vogel op te voeden, en ze kon niet verdragen, dat hij naar zijn eigen goedvinden zou leven.
“Meen je, dat ik goede vrienden wil zijn met een vogelverslinder?” vroeg ze. “Leef, zooals ik het je heb geleerd. En dan mag je als vroeger in mijn gevolg meê gaan.”
Beiden waren ze trotsch en onbuigzaam, en geen van hen wilde toegeven. Dit eindigde hiermee, dat Akka den arend verbood zich in haar nabijheid te vertoonen, en ze was zóó boos op hem, dat niemand zijn naam in haar tegenwoordigheid durfde noemen.
Sinds dien tijd trok Gorgo door het land, alleen en door iedereen verafschuwd, zooals alle groote roovers. Hij was vaak somber gestemd, en zeker verlangde hij vaak terug naar den tijd, toen hij meende, dat hij een wilde gans was, en met de vroolijke jonge gansjesspeelde. Onder de dieren was hij heel beroemd om zijn dapperheid. Zij zeiden gewoonlijk, dat hij voor niets en niemand bang was, behalve voor zijn pleegmoeder Akka. Ze plachten ook van hem te zeggen, dat hij nooit een wilde gans had aangedurfd.
In gevangenschap.Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht, een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht, en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig, maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht voor zich uit zonder iets te zien,en had er geen besef meer van, hoe de dagen voorbijgingen.Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.“Wie roept me daar?” vroeg hij.“Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde ganzen rondvloog.”“Is Akka ook gevangen?” vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.“Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker behouden en wel in Lapland op hetoogenblik,” zei de jongen. “Ik alleen zit hier gevangen.”Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.“Koningsarend!” riep de jongen. “Ikbennog niet vergeten, dat je me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een of andere manier kan helpen!”Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.“Stoor me niet, Duimelot!” zei hij. “Ik zat te droomen, dat ik vrij rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen.”“Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,” vermaande de jongen. “Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, als de andere arenden.”“Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, dat niets hen meer kan storen,” zei de arend.Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, maar Gorgo werd wakker.“Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?” vroeg hij.“’t Is Duimelot, Gorgo,” antwoordde de jongen. “Ik zit hier het staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen.”De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid weer de overhand.“Ik ben een groote vogel, Duimelot,” zei hij. “Hoe zou je zooveel draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. ’t Is beter, dat je met dat werk ophoudt, en me met rust laat.”“Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij,” antwoordde de jongen. “Ik kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben.”Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.“Probeer het nu, Gorgo,” zei hij.De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig naar buiten in de vrije lucht.Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, en dat ’t hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, den ganzerik, en de andere reisgenooten.“Was ik maar niet door mijn belofte gebonden,” dacht hij, “dan zou ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou.”’t Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen Laplander om hulp te vragen.“Een van ’t kleine volkje woont hier op de Schans,” had hij gezegd, “en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit Bollnäs te zetten?”De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te verklaren, want hij moest naar den trein.De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, omeen schotel te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen—ja, alle mogelijke vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.“Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn,” dacht de jongen. “Ik zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo’n mooien morgen. ’t Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en getooid met groen gras en mooie bloemen.”Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.“Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,” zei Gorgo. “Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je reisgenooten terugbrengen.”“Neen, dat is onmogelijk!” zei de jongen. “Ik heb mijn woord gegeven, dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan.”“Wat vertel je toch voor onzin,” zei Gorgo. “Eerst hebben ze je tegen je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo’n belofte niet hoeft na te komen.”“Ja, dat moet ik toch,” zei de jongen. “Ik dank je wel, want je meent het goed, maar je kunt me niet helpen.”“Zoo, kan ik dat niet?” zei Gorgo. “Dat zul je eens zien.” En meteen pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting van het noorden.
Gorgo was nog maar drie jaar oud, en had er nog niet aan gedacht, een vrouw te zoeken en zich ergens te vestigen, toen hij op een dag werd gevangen door een jager en aan de Schans verkocht. Daar waren al een paar andere arenden. Die werden gevangen gehouden in een kooi, van ijzer en staaldraad gemaakt. De kooi stond buiten in de vrije lucht, en was zoo groot, dat men er een paar boomen had kunnen planten, en een vrij groot hunnenbed bouwen, opdat de arenden er zich thuis zouden voelen. Maar toch tierden de vogels niet. Ze zaten bijna den heelen dag op een en dezelfde plaats. Hun mooie, donkere veeren werden ruig en dof, en hun oogen staarden met hopeloos verlangen in de lucht omhoog.
De eerste week, dat Gorgo gevangen zat, was hij nog wakker en levendig, maar toen begon een zware droomerigheid over hem te komen. Hij bleef stil op dezelfde plaats zitten, als de andere arenden, staarde recht voor zich uit zonder iets te zien,en had er geen besef meer van, hoe de dagen voorbijgingen.
Op een morgen, toen Gorgo in zijn gewone dofheid verzonken zat, hoorde hij, hoe iemand hem riep beneden op den grond. Hij was zoo soezig, dat hij nauwelijks in staat was zijn oogen naar beneden te richten.
“Wie roept me daar?” vroeg hij.
“Maar Gorgo, herken je me niet? Ik ben Duimelot, die met de wilde ganzen rondvloog.”
“Is Akka ook gevangen?” vroeg Gorgo op een toon, alsof hij zijn gedachten trachtte te ordenen na een langen slaap.
“Neen, Akka en de witte ganzerik en de heele troep zitten zeker behouden en wel in Lapland op hetoogenblik,” zei de jongen. “Ik alleen zit hier gevangen.”
Terwijl de jongen sprak, zag hij, dat Gorgo de oogen afwendde, en rechtuit in de lucht ging staren, zooals vroeger.
“Koningsarend!” riep de jongen. “Ikbennog niet vergeten, dat je me eens naar de wilde ganzen hebt teruggebracht, en dat je het leven van den witten ganzerik hebt gespaard. Zeg me, of ik je niet op een of andere manier kan helpen!”
Gorgo hief nauwelijks het hoofd op.
“Stoor me niet, Duimelot!” zei hij. “Ik zat te droomen, dat ik vrij rondzwierf, hoog in de lucht. Ik wil niet wakker wezen.”
“Je moet je wat bewegen, en opletten, wat er om je heen gebeurt,” vermaande de jongen. “Anders zul je er gauw even ellendig uitzien, als de andere arenden.”
“Ik wou, dat ik al was als zij. Zij zijn zoo ver weg in hun droomen, dat niets hen meer kan storen,” zei de arend.
Toen de nacht kwam, en alle arenden sliepen, klonk een zacht schrapen langs het net van staaldraad, dat hun kooi van boven bedekte. De twee oude en suffe gevangenen lieten zich door dat gedruisch niet storen, maar Gorgo werd wakker.
“Wie daar? Wie beweegt zich daar op het dak?” vroeg hij.
“’t Is Duimelot, Gorgo,” antwoordde de jongen. “Ik zit hier het staaldraad door te vijlen, dan kun je wegvliegen.”
De arend hief den kop op, en zag in den lichten nacht, hoe de jongen aan het staaldraadnet zat te vijlen, dat over de kooi gespannen was. Hij voelde een oogenblik hoop, maar toen nam de moedeloosheid weer de overhand.
“Ik ben een groote vogel, Duimelot,” zei hij. “Hoe zou je zooveel draden kunnen losvijlen, dat ik er uit kon komen. ’t Is beter, dat je met dat werk ophoudt, en me met rust laat.”
“Slaap jij maar, en stoor je niet aan mij,” antwoordde de jongen. “Ik kom van nacht niet klaar en ook morgen niet; maar ik wil toch probeeren je vrij te maken, eer je heelemaal voor goed ongelukkig ben.”
Gorgo verzonk weer in diepen slaap, maar toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij toch, dat er al een heeleboel draden waren doorgevijld. Dien dag voelde hij zich niet zoo dof als den vorigen. Hij sloeg met de vleugels, en sprong op de boomen heen en weer, om de stijfheid uit de leden te krijgen.
Op een morgen, juist toen het eerste krieken van den dag aan den hemel was te zien, wekte Duimelot den arend.
“Probeer het nu, Gorgo,” zei hij.
De arend zag op. De jongen had werkelijk zooveel draden doorgevijld, dat er nu een groot gat in het staaldraadnet was. Gorgo bewoog de vleugels, en zette af van den steen naar boven. Een paar maal mislukte het, en hij viel terug in de kooi. Maar eindelijk kwam hij gelukkig naar buiten in de vrije lucht.
Hij steeg met fiere vlucht tot dicht bij de wolken. De kleine Duimelot zat hem met een weemoedig gezicht na te zien, en wenschte, dat er ook eens iemand zou komen, om hem de vrijheid te geven.
De jongen was nu al thuis op de Schans. Hij had met alle dieren, die daar waren, kennis gemaakt, en met vele van hen vriendschap gesloten. En hij moest erkennen, dat er veel te zien en te leeren was, en dat ’t hem niet moeilijk viel den tijd om te krijgen. Maar wel gingen zijn gedachten alle dagen met groot verlangen naar Maarten, den ganzerik, en de andere reisgenooten.
“Was ik maar niet door mijn belofte gebonden,” dacht hij, “dan zou ik wel een vogel vinden, die me bij hen brengen wou.”
’t Kan wel vreemd lijken, dat Klement Larsson den jongen de vrijheid niet had teruggegeven, maar men moet wel bedenken, hoe de kleine speelman in de war was, toen hij de Schans verliet. Den morgen toen hij heenging, had hij er wel aan gedacht het eten voor het dwergje in een blauwen schotel buiten te zetten, maar ongelukkig had hij er geen kunnen vinden. Toen waren alle menschen van Skaane, de Laplanders, de Dalecarliërs, de arbeiders van de gebouwen en de tuinbazen gekomen, om hem goeden dag te zeggen, en hij had geen tijd meer gehad om den blauwen schotel te halen. De tijd van vertrekken was gekomen, en eindelijk had hij geen anderen uitweg gezien, dan een jongen Laplander om hulp te vragen.
“Een van ’t kleine volkje woont hier op de Schans,” had hij gezegd, “en ik geef hem elken morgen wat eten. Wil je mij het genoegen doen, die restjes hier te nemen, een blauwen schotel er voor te koopen, en die morgen met wat pap en melk onder de stoep van het hutje uit Bollnäs te zetten?”
De jongen keek verbaasd, maar Klement had geen tijd de zaak nader te verklaren, want hij moest naar den trein.
De Laplander was dan ook werkelijk naar de stad gegaan, omeen schotel te koopen, maar toen hij geen geschikten blauwen vond, kocht hij een witten. En in dien witten zette hij trouw elken morgen eten buiten. Zoo was de jongen niet van zijn belofte ontheven geworden. Hij wist, dat Klement weg was, maar zelf mocht hij niet heengaan.
Dien nacht verlangde de jongen meer dan anders naar zijn vrijheid, en dat kwam, doordat het nu echt lente en bijna zomer was geworden. Hij had het wel moeilijk gehad met kou en ruw weer op reis, en toen hij eerst op de Schans kwam, had hij gedacht, dat het misschien wel goed was, dat hij de reis moest afbreken, want hij was zeker doodgevroren, als hij in Mei in Lapland gekomen was. Maar nu was het warm geworden, het veld stond groen, berken en populieren waren met bladen als van zij, met weerschijn getooid, de kerseboomen—ja, alle mogelijke vruchtboomen stonden vol bloesems, de bessestruiken hadden al kleine vruchtjes aan de takken, de eiken wikkelden heel voorzichtig hun bladen los; erwten, kool en boonen groeiden op de tuinbedden op de Schans.
“Nu zal het ook wel mooi en warm in Lapland zijn,” dacht de jongen. “Ik zou graag op den rug van Maarten, den ganzerik, zitten op zoo’n mooien morgen. ’t Zou heerlijk zijn in de warme, stille lucht rond te rijden, en neer te zien op de velden, zooals die daar nu liggen, versierd en getooid met groen gras en mooie bloemen.”
Daar zat hij aan te denken, toen de arend op eens schuin uit de lucht neerschoot, en naast hem kwam zitten op het dak van de kooi.
“Ik wilde mijn vleugels probeeren, om te zien of ze nog goed waren,” zei Gorgo. “Je dacht toch niet, dat ik je hier in gevangenschap achter zou laten? Ga nu op mijn rug zitten, dan zal ik je bij je reisgenooten terugbrengen.”
“Neen, dat is onmogelijk!” zei de jongen. “Ik heb mijn woord gegeven, dat ik hier blijven zou, tot ik verlof kreeg om heen te gaan.”
“Wat vertel je toch voor onzin,” zei Gorgo. “Eerst hebben ze je tegen je zin hierheen gebracht, en toen hebben ze je laten beloven hier te blijven! Je kunt toch wel begrijpen, dat je zoo’n belofte niet hoeft na te komen.”
“Ja, dat moet ik toch,” zei de jongen. “Ik dank je wel, want je meent het goed, maar je kunt me niet helpen.”
“Zoo, kan ik dat niet?” zei Gorgo. “Dat zul je eens zien.” En meteen pakte hij Niels Holgersson beet met zijn groote klauwen, vloog met hem hoog op naar de wolken des hemels, en verdween toen in de richting van het noorden.
XXXI.Over Gästrikland.De kostbare gordel.De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in ’t bosch, en liet den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.“Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?” vroeg hij.“Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je hebt niets over mij te zeggen,” zei de jongen, en probeerde weg te komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op, en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland, en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.De jongen zag dadelijk, dat ’t hier niet mogelijk was, den arend te ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten, en om hem heen bruiste wild ’t water van den stroom. Hij was er verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet, vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder had gehad.“En nu begrijp je misschien, Duimelot,” zei hij eindelijk, “waarom ik je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van planje te vragen, of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden.”Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. “Ik zou je heel graag helpen met wat je me vraagt,” zei hij, “maar ik ben door mijn belofte gebonden.”En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem zijn vrijheid te geven.Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. “Luister nu, Duimelot!” zei hij. “Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je de vrijheid teruggeeft.”Dat vond de jongen een goed voorstel.“Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo’n wijzen vogel als Akka tot pleegmoeder hebt gehad,” zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.“We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer, van den grooten berg tot Hornsland,” zei de arend. “En morgen zal je met den man kunnen spreken.”“Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden,” zei de jongen.“Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,” antwoordde Gorgo.Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen de jongen op ’t veld was neergesprongen, zei de arend: “Hier is wild in ’t bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Jebenttoch niet bang, als ik je alleen laat?”“O neen,” zei de jongen.“Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang terug ben,” zei de arend, en vloog weg.De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een heelen optocht van menschenwerd uit gedragen, maar het duurde lang, eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen oogenblik verveelde.De dag van ’t bosch.Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten weer met groen begroeid, dat grensde aan ’t frissche bosch. Maar het grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong kreupelhout kwam er op.De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte, zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht, en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.Maar op een dag in ’t begin van den zomer kwamen alle kinderen van de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en sparrezaad trok.De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die ’t dichtst bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen, en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd, en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch binnendrongen.Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen, vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven, lagendaar zonderwormen, zonder boschsterren,zonder witbloeiend wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van ’t bosch bekleedt.Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging, toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets, wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten stumper weer aan een beetje leven helpen.Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten, de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en ’t water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.“Ja, ’t was maar goed, dat we kwamen,” zeiden de kinderen. “’t Was hoog tijd!”En ze voelden zich verbazend gewichtig.Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden zouden. ’t Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een bosch zouden planten, maar ’t zou toch wel aardig wezen te zien, hoe ’t ging.En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar ’t bosch. Toen ze op den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.“Gaan jelui naar de brandplaats?”“Ja.”“Om naar de kinderen te kijken?”“Ja, om te zien hoe ze zich redden.”“Dat wordt toch maar een spelletje.”“Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen.”“We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen.”Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid uit te trekken. Maar zoo’n beetje voor de grap. De kinderen waren de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.En nu ging ’t zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar de kinderen te kijken, aan ’t werk gingen meêdoen. Toen werd het natuurlijk veel prettiger, dan ’t eerst was geweest. En na een poosje kregen de kinderen nog meer hulp.Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: “Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?”“O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan ’t boomen planten!”Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in ’t voorjaar te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, maar dit was nog uitlokkender.’t Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. ’t Was niet alleen te doen om ’t gewas van een zomer, maar om den groei van vele jaren. ’t Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en ’t spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste bergvlakte. En dan ook ’t was als een gedenkteeken, dat men voor ’t komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een prachtig bosch krijgen.En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen, dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest, en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.
De kostbare gordel.De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in ’t bosch, en liet den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.“Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?” vroeg hij.“Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je hebt niets over mij te zeggen,” zei de jongen, en probeerde weg te komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op, en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland, en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.De jongen zag dadelijk, dat ’t hier niet mogelijk was, den arend te ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten, en om hem heen bruiste wild ’t water van den stroom. Hij was er verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet, vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder had gehad.“En nu begrijp je misschien, Duimelot,” zei hij eindelijk, “waarom ik je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van planje te vragen, of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden.”Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. “Ik zou je heel graag helpen met wat je me vraagt,” zei hij, “maar ik ben door mijn belofte gebonden.”En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem zijn vrijheid te geven.Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. “Luister nu, Duimelot!” zei hij. “Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je de vrijheid teruggeeft.”Dat vond de jongen een goed voorstel.“Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo’n wijzen vogel als Akka tot pleegmoeder hebt gehad,” zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.“We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer, van den grooten berg tot Hornsland,” zei de arend. “En morgen zal je met den man kunnen spreken.”“Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden,” zei de jongen.“Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,” antwoordde Gorgo.Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen de jongen op ’t veld was neergesprongen, zei de arend: “Hier is wild in ’t bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Jebenttoch niet bang, als ik je alleen laat?”“O neen,” zei de jongen.“Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang terug ben,” zei de arend, en vloog weg.De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een heelen optocht van menschenwerd uit gedragen, maar het duurde lang, eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen oogenblik verveelde.
De arend vloog door, tot hij een heel eind ten noorden van Stockholm gekomen was. Daar daalde hij neer op een heuvel in ’t bosch, en liet den greep los, waarmeê hij den jongen vasthield.
Maar nauwelijks voelde deze zich vrij, of hij begon zoo hard, als hij maar kon, naar de stad terug te loopen. De arend nam een grooten sprong, hij haalde den jongen in, en legde een poot over hem heen.
“Ben je van plan naar je gevangenis terug te gaan?” vroeg hij.
“Wat heb je met mij te maken? Ik mag toch gaan, waar ik wil. Je hebt niets over mij te zeggen,” zei de jongen, en probeerde weg te komen. Toen pakte de arend hem weer met zijn sterke pooten, vloog op, en zette weer koers naar het noorden met den jongen over heel Uppland, en hield niet stil, vóór hij aan den grooten waterval van Elvkarleby kwam. Hij streek neer op een steen, die midden in de beek lag, vlak onder den bruisenden waterval, en liet opnieuw zijn gevangene los.
De jongen zag dadelijk, dat ’t hier niet mogelijk was, den arend te ontkomen. Boven hen kwam de witte schuimwand van het water neerstorten, en om hem heen bruiste wild ’t water van den stroom. Hij was er verbitterd over, dat hij op die manier tot een woordbreker was gemaakt. Hij keerde den arend den rug toe, en wilde geen woord met hem spreken. Maar nu de vogel den jongen op een plaats had gezet, vanwaar hij niet weg kon loopen, vertelde hij hem, dat hij door Akka van Kebnekaise was opgevoed, en dat hij ongenoegen met zijn pleegmoeder had gehad.
“En nu begrijp je misschien, Duimelot,” zei hij eindelijk, “waarom ik je naar de wilde ganzen terug wou brengen. Ik heb gehoord, dat je bij Akka hoog staat aangeschreven, en nu was ik van planje te vragen, of je niet zoudt kunnen maken, dat we weer goede vrienden werden.”
Zoodra de jongen begreep, dat de arend hem niet alleen uit koppigheid had meêgenomen, werd hij vriendelijk tegen hem. “Ik zou je heel graag helpen met wat je me vraagt,” zei hij, “maar ik ben door mijn belofte gebonden.”
En nu vertelde hij op zijn beurt aan den arend, hoe hij gevangen was geweest, en dat Klement Larsson de Schans had verlaten, zonder hem zijn vrijheid te geven.
Maar de arend wilde in geen geval zijn plannen opgeven. “Luister nu, Duimelot!” zei hij. “Mijn vleugels kunnen je brengen, waar je ook wezen wilt, en mijn oogen kunnen vinden, wat je ook zoekt. Vertel me hoe de man er uitziet, die je die belofte afnam, en ik zal hem zoeken, en je bij hem brengen! Dan moet jij maar zorgen, dat hij je de vrijheid teruggeeft.”
Dat vond de jongen een goed voorstel.
“Ik kan wel merken, Gorgo, dat je zoo’n wijzen vogel als Akka tot pleegmoeder hebt gehad,” zei hij. Hij beschreef toen Klement Larsson heel nauwkeurig, en voegde er bij, dat hij op de Schans had hooren zeggen, dat de kleine speelman in Hälsingland thuishoorde.
“We zullen heel Hälsingland doorzoeken, van Lingbo tot Mellammeer, van den grooten berg tot Hornsland,” zei de arend. “En morgen zal je met den man kunnen spreken.”
“Nu beloof je zeker meer, dan je kunt houden,” zei de jongen.
“Ik zou toch een prul van een arend zijn, als ik dat niet eens kon,” antwoordde Gorgo.
Toen Gorgo en Duimelot van Elvkarleby weggingen, waren ze goede vrienden, en de jongen reed op den rug van den arend.
Toen nu de reizigers over een boschrijke streek in Gästrikland hadden gereisd, sloeg Gorgo neer op den top van een kalen bergtop, en toen de jongen op ’t veld was neergesprongen, zei de arend: “Hier is wild in ’t bosch en ik denk, dat ik mijn gevangenschap niet kan vergeten, en me niet recht vrij voelen, eer ik op de jacht ben geweest. Jebenttoch niet bang, als ik je alleen laat?”
“O neen,” zei de jongen.
“Je kunt heengaan, waar je wilt, als je maar tegen zonsondergang terug ben,” zei de arend, en vloog weg.
De jongen voelde zich wel heel alleen en verlaten, toen hij op een steen zat uit te zien over de kale bergvlakte en de groote bosschen, die er om heen lagen. Maar hij had er nog niet lang gezeten, voor hij gezang hoorde, dat beneden uit het dal kwam, en toen hij daarheen keek, zag hij iets lichts, dat zich bewoog tusschen de boomen. Hij zag al gauw, dat het een blauw en gele vlag was, en hij begreep door het gezang en het blij gejuich, dat hij hoorde, dat de vlag voor een heelen optocht van menschenwerd uit gedragen, maar het duurde lang, eer hij goed kon zien, wat het eigenlijk was. De vlag werd gedragen langs slingerende paden, en hij vroeg zich verwonderd af, waar zij en de menschen, die haar droegen, wel heen zouden gaan. Hij kon niet gelooven, dat zij naar de leelijke, woeste bergvlakte zouden komen, waar hij zat. Maar dat deden ze toch. Daar kwam de vlag te voorschijn uit het bosch, en achter haar aan kwamen ze allen, wien zij den weg had gewezen. Er kwam een leven en beweging over de heele vlakte, en dien dag kreeg de jongen zooveel te zien, dat hij zich geen oogenblik verveelde.
De dag van ’t bosch.Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten weer met groen begroeid, dat grensde aan ’t frissche bosch. Maar het grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong kreupelhout kwam er op.De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte, zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht, en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.Maar op een dag in ’t begin van den zomer kwamen alle kinderen van de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en sparrezaad trok.De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die ’t dichtst bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen, en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd, en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch binnendrongen.Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen, vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven, lagendaar zonderwormen, zonder boschsterren,zonder witbloeiend wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van ’t bosch bekleedt.Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging, toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets, wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten stumper weer aan een beetje leven helpen.Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten, de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en ’t water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.“Ja, ’t was maar goed, dat we kwamen,” zeiden de kinderen. “’t Was hoog tijd!”En ze voelden zich verbazend gewichtig.Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden zouden. ’t Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een bosch zouden planten, maar ’t zou toch wel aardig wezen te zien, hoe ’t ging.En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar ’t bosch. Toen ze op den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.“Gaan jelui naar de brandplaats?”“Ja.”“Om naar de kinderen te kijken?”“Ja, om te zien hoe ze zich redden.”“Dat wordt toch maar een spelletje.”“Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen.”“We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen.”Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid uit te trekken. Maar zoo’n beetje voor de grap. De kinderen waren de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.En nu ging ’t zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar de kinderen te kijken, aan ’t werk gingen meêdoen. Toen werd het natuurlijk veel prettiger, dan ’t eerst was geweest. En na een poosje kregen de kinderen nog meer hulp.Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: “Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?”“O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan ’t boomen planten!”Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in ’t voorjaar te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, maar dit was nog uitlokkender.’t Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. ’t Was niet alleen te doen om ’t gewas van een zomer, maar om den groei van vele jaren. ’t Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en ’t spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste bergvlakte. En dan ook ’t was als een gedenkteeken, dat men voor ’t komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een prachtig bosch krijgen.En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen, dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest, en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.
Op den breeden bergrug, waar Gorgo Duimelot had verlaten, was voor tien jaar een hevige boschbrand geweest. De verkoolde boomen waren geveld en weggebracht, en de groote brandplaats was aan de kanten weer met groen begroeid, dat grensde aan ’t frissche bosch. Maar het grootste gedeelte van de hoogte lag daar naakt en akelig woest. De zwarte knoesten stonden er tusschen de steenen, en getuigden er van, dat hier een groot en prachtig bosch had gestaan, maar geen jong kreupelhout kwam er op.
De menschen verbaasden er zich over, dat het zoo lang duurde, eer die berghoogte weer met bosch bedekt werd, maar men dacht er niet aan, dat toen de boschbrand daar uitbrak, het veld na een lange droogte, zonder eenig vocht had gelegen. Daardoor waren niet alleen de boomen verbrand, en alles wat er op het veld groeide; het heikruid en de boschbessen, het mos en de jeneverbes waren ook meê verbrand, en de aarde zelf, die den bergbodem bedekte, was na den brand droog en los asch geworden. Bij elke windvlaag dwarrelde het omhoog in de lucht, en daar de hoogte nog al in den wind lag, was de eene na de andere schoongewasschen. Het regenwater hielp natuurlijk meê om de aarde weg te spoelen, en toen nu de wind en het water tien jaar lang den berg hadden afgespoeld, lag die zoo kaal, dat men bijna zou denken, dat hij woest zou blijven in der eeuwigheid.
Maar op een dag in ’t begin van den zomer kwamen alle kinderen van de gemeente, waar de afgebrande berg lag, bijeen voor een van de scholen. Ieder van de kinderen had een schoffel en een spade en een zakje in de hand. Zoodra alle er waren, trokken ze in een langen stoet het bosch in. De vlag werd vooruit gedragen, onderwijzers en onderwijzeressen liepen naast den stoet, en achteraan kwamen een paar boschwachters en een paard, dat een lading denneplanten en sparrezaad trok.
De optocht bleef niet staan bij een van de beukenhagen, die ’t dichtst bij het dorp lagen, neen, ze gingen ver het bosch in. Die volgde oude weidenpaden, en de vossen staken verwonderd hun koppen uit hun holen, en vroegen wat dat voor zomerherders waren. Ze trokken voorbij oude kolenbrandersvelden, waar de houtmijnen in den herfst werden gebouwd, en de strandloopers draaiden hun hoekige snavels heen en weer, en vroegen elkaar, wat dat voor mijnwerkers waren, die nu het bosch binnendrongen.
Zoo kwam de optocht dan eindelijk op de groote, afgebrande bergvlakte. Daar lagen de steenen naakt, zonder de fijne vlasplantenranken, die ze eens hadden bekleed; de steenen hadden hun mooie zilvermos en het witte prettige rendiermos verloren.
Om het zwarte water, dat in spleten en gaten was bij elkaar geloopen, vond men geen wilde zuring en geen wilde Aaronskelk. De kleine brokjes grond, die nog in kloven en tusschen steenen waren overgebleven, lagendaar zonderwormen, zonder boschsterren,zonder witbloeiend wintergroen, zonder al dat groene, roode, en lichte, en zachte en sierlijke, dat gewoonlijk den bodem van ’t bosch bekleedt.
Het was, alsof er een lichtglans over den grauwen bergheuvel ging, toen alle kinderen uit de gemeente zich er over verspreidden. Dat was weer iets zachts en fijns, iets frisch en rooskleurigs. Dat was iets, wat jong was, en groeide. Misschien zouden zij den armen verlaten stumper weer aan een beetje leven helpen.
Toen de kinderen uitgerust waren, en wat gegeten hadden, grepen ze naar hun schoffels en spaden, en begonnen te werken. De boschwachters wezen hun, hoe ze doen moesten, en ze zetten de eene plant na de andere op alle kleine plekjes aarde, die ze konden vinden.
Terwijl de kinderen aan het planten waren, liepen ze er heel verstandig over te praten, hoe de kleine stekjes, die ze in den grond zetten, de aarde bijeen zouden houden, zoodat ze niet weg kon waaien. En hoe er behalve dat, nieuwe aarde onder de boomen zou worden gevormd. En hoe er zaadjes neer zouden vallen, en over een paar jaar zouden ze frambozen en blauwbessen hier kunnen plukken, waar nu enkel kale steenen waren. En de plantjes, die ze nu uitzetten, zouden langzamerhand hooge boomen worden. Misschien zouden van hun hout groote huizen en mooie schepen worden gebouwd.
Maar als de kinderen hier niet waren komen planten, terwijl er nog wat aarde in de spleten was, dan zou alles zijn weggeveegd door den wind en ’t water, en de berg zou nooit meer bosschen hebben kunnen dragen.
“Ja, ’t was maar goed, dat we kwamen,” zeiden de kinderen. “’t Was hoog tijd!”
En ze voelden zich verbazend gewichtig.
Toen de kinderen boven op den berg werkten, waren Vader en Moeder thuis. En eindelijk werden ze benieuwd hoe de kinderen zich wel redden zouden. ’t Was natuurlijk maar een grapje, dat zulke kleintjes een bosch zouden planten, maar ’t zou toch wel aardig wezen te zien, hoe ’t ging.
En al gauw waren Vader en Moeder op weg naar ’t bosch. Toen ze op den weg naar de zomerwei kwamen, ontmoetten ze verscheiden buren.
“Gaan jelui naar de brandplaats?”
“Ja.”
“Om naar de kinderen te kijken?”
“Ja, om te zien hoe ze zich redden.”
“Dat wordt toch maar een spelletje.”
“Ja, veel echte boschboomen zullen er wel niet van komen.”
“We hebben de koffiekan meêgenomen, zoodat ze wat warms kunnen krijgen, want ze hebben eten voor den heelen dag meêgenomen.”
Zoo kwamen Vader en Moeder op den berg, en eerst dachten ze er alleen aan, hoe mooi dat stond, al die rose gezichtjes, die over de grauwe steenen verspreid waren. Maar toen zagen ze, hoe de kinderen werkten, hoe sommige planten uitzetten, en andere voren maakten en zaaiden, en weer andere heikruid uitrukten, opdat het de kleine boompjes niet zou verstikken. En ze zagen, dat de kinderen het werk ernstig opnamen, en zóó vlijtig waren, dat ze nauwelijks tijd hadden om op te kijken.
Vader stond een poosje te kijken, en toen begon hij ook heikruid uit te trekken. Maar zoo’n beetje voor de grap. De kinderen waren de leermeesters, want zij waren al geoefend in de kunst. En ze wezen Vader en Moeder, hoe ze moesten doen.
En nu ging ’t zoo, dat alle volwassenen, die gekomen waren om naar de kinderen te kijken, aan ’t werk gingen meêdoen. Toen werd het natuurlijk veel prettiger, dan ’t eerst was geweest. En na een poosje kregen de kinderen nog meer hulp.
Er waren meer werktuigen noodig. En een paar jongens met lange beenen werden naar het dorp gestuurd om schoffels en spaden. Toen zij voorbij de huizen liepen, kwamen zij, die thuis waren, naar buiten, en vroegen: “Wat is er? Is er een ongeluk gebeurd?”
“O, neen! Maar de heele gemeente is boven op de brandplaats aan ’t boomen planten!”
Toen kwamen de meesten aanstroomen naar den afgebranden berg. Eerst stonden ze een poosje te kijken, maar toen konden zij niet laten meê te doen. Want het is wel prettig om zijn akker in ’t voorjaar te bezaaien, en aan het koren te denken, dat er uit zal opkomen, maar dit was nog uitlokkender.
’t Waren niet alleen dunne halmpjes, die uit dit zaad hier zouden opkomen, maar sterke boomen, met hooge stammen en geweldige takken. ’t Was niet alleen te doen om ’t gewas van een zomer, maar om den groei van vele jaren. ’t Was de gonzende insecten wekken, en lijsterzang, en ’t spelen van woudhoenders en allerlei soort van leven op de woeste bergvlakte. En dan ook ’t was als een gedenkteeken, dat men voor ’t komende geslacht oprichtte. Men had hun een kale, naakte hoogte als erfenis kunnen nalaten, en nu zouden ze in plaats daarvan een prachtig bosch krijgen.
En als de nakomelingen daar aan dachten, zouden ze ook begrijpen, dat hun voorvaderen goede en verstandige menschen waren geweest, en ze zouden met eerbied en dankbaarheid aan hen denken.