XXXII.

XXXII.Een dag in Hälsingland.Een groot groen blad.Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de akkers. ’t Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.“Dit land lijkt wel een blad,” dacht de jongen. “Want het is zoo groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier, als de nerven over een blad.”’t Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal naar hem uitkeek.Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier van den rechten weg afweek. ’t Allerlaatste kwam de boer en zijn knecht. Ze liepen naast de kar, om tezorgen, dat die niet omviel, want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in ’t bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen, en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken takken heen, en hoe ’t dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in ’t bosch, waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk, alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van ’t groene, sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om een platten steen buiten, en begonnen te eten.Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar ’t eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij hem vond.Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters melkten de koeien.“Zie daar eens heen,” zei Gorgo. “Nu geloof ik, dat we hem hebben.”Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson brandhout te hakken op de zomerweide.Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.“Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb,” zei hij, en boog fier den kop achteruit. “Nu moet je probeeren met denman te spreken. Ik zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten.”De nieuwjaarsnacht van de dieren.’t Werk op de zomerwei was afgeloopen en ’t avondeten gebruikt, maar de menschen zaten nog te praten. ’t Was lang geleden, dat ze op een zomernacht in het bosch waren geweest, en ’t scheen, dat ze er niet toe konden komen te gaan slapen. ’t Was helder dag, en de veehoedsters waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze ’t hoofd op, zagen ’t bosch in, en lachten in zichzelf.“Ja, nu zijn we hier weer,” zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar gedachten, en ’t bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze, dat ze hier toch haar besten tijd hadden.Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan, en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op voor bekenden in ’t dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:“We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier naast me, en de andere Bernhard van ’t Sunnanmeer, die naar den Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons ’t meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien.”Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde, dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen, en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren, scheen het hem ’t verstandigste om iets dergelijks te kiezen.“Honderden jaren geleden,” begon hij, “gebeurde het, dat een proost hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op, en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker, zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in een dorp in ’t bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te zijn. ’t Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht, al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld was. ’t Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in den grauwen nacht in ’t wilde bosch, met de teugels los neerhangende, en zijn gedachten ver weg.De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang, eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het bosch nog even dicht om hem heen stond als aan ’t begin van de reis, was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan ’t bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.’t Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote hoeven en dorpen lagen in ’t noorden van de gemeente om de Dellen heen, en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag, dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus, dat hij nog in ’t zuiden van de gemeente was, en dat hij naar ’t noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten, maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar ’t zuiden, en niet naar het noorden reed. ’t Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk tekeeren, maar hij bedacht zich. ’t Paard was vroeger nooit verdwaald, en dat was het ook nu zeker niet. ’t Was waarschijnlijker, dat hij zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest, en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij, dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed, waar nog geen vastgetrapt pad was. ’t Paard liep toch door, en toonde geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg, en liep opnieuw regelrecht het bosch in.De proost was er zoo zeker van, als ’t maar kon, dat het paard verkeerd liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.’t Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven, zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.“Als hij maar thuiskomt voor kerktijd,” dacht de proost.“Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam.”Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel gauw op een plaats, die hij herkende. ’t Was een klein boschmeertje, waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek, en ’t paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de pastorie te brengen, als ’t maar mogelijk was.De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot hij te voet te gaan, en ’t paard te leiden, tot ze weêr op bekende wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.Dat was geen kleinigheid, door ’t bosch te loopen met een zwaren pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor inspanning.’t Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep van het dier weg.“We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan,” zei hij.Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, die smeekend en verwijtend was.“Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde,” scheen het te zeggen. “Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?”De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. ’t Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, om weer op te kunnen stijgen.“Ga je gang maar,” zei hij. “Ik zal je niet alleen laten, nu je me meê wilt hebben. Niemand zal van den proost inDelsbokunnen zeggen, dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was.”Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. ’t Werd een gevaarlijke en moeilijke tocht, en ’t ging bijna den heelen tijd naar boven. ’t Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo’n terrein te laten loopen.“Jebenttoch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te gaan,” zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.Onder ’t rijden begon de proost te merken, dat hij en ’t paard niet de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dierenzich een weg baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met de wilde dieren zou brengen.Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner het bosch werd.Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was met sombere bosschen. ’t Was zóó donker, dat hij moeite had het te onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.“Ja ja! ’t Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben,” dacht hij. “Dit kan geen andere berg zijn. Daar in ’t westen zie ik den heuvel van ’t Järomeer, en in ’t oosten glanst de zee om ’t Ag-eiland heen. In ’t noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat is toch een avontuur!”Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg, zoodat hij vrij kon uitzien.De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort Ting te houden.’t Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen, en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten, die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten, en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over de geheeleplaats, heel tot den zoom van ’t bosch speelden vossen, wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen dan de groote dieren.Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree, en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in ’t bosch, en had een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in ’t haar. Ze stond doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, dat hij er zich als ’t ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen oogen niet kon gelooven.“Dit is immers volkomen onmogelijk!” dacht hij. “Ik heb zeker te lang in ’t donkere bosch gereden. ’t Is mijn verbeelding, die me de baas is geworden.”Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij ’t gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte dieren door een woest veld baan braken.’t Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, daarachter de andere koeien en daarna ’t jonge vee en de kalven. De schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en ’t laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.’t Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van angst. ’t Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree,die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de wilde dieren voorbij.Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was, dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in ’t vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in klagen uit.Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme dieren aanwijst, die in ’t volgend jaar een prooi van de roofdieren zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten, die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar de boschree, die daar streng en ernstig stond, en ’t eene dier na het andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere, zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar geiten. ’t Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen, maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun huisdieren houden.“Ze moesten ’t maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo gebeuren,” dacht hij. “Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen, dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten veroordeelen door de boschree.”De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. ’t Begon over alle leden te beven, en baadde in ’t zweet.“O zoo, nu is ’t jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en geoordeeld te worden,” zei de proost tegen ’t paard. “Maar wees jij maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht, en ik zal je niet in den steek laten.”De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet zich door het dier naar de boschree dragen.Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, nu hij in den strijd met dat booze ging.In ’t begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, als om dat aan te wijzen voor den dood.Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand op den grond.De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem heen heerschte dezelfde diepe stilte, die ’s winters gewoonlijk op ’t woeste veld rust.Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar licht over ’t veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie, wist hij niet meer of ’t een droom, een visioen of werkelijkheid was geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen te zijn teruggekomen, nadat hij weg was.”Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest hebben. De meesten vonden ’t bijna jammer voor Klement, dat hij met hem om den prijs dingen moest.Maar Klement begon onvervaard te vertellen. “Op een dag liep ik op de Schans, en verlangde naar huis,” zei hij. En toen vertelde hij van het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat hetniet in een kooi zou komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken lakei en ’t mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, dat hij den halsdoek krijgen zou: “Bernhard heeft maar iets verteld, dat een ander is overkomen,” zei ze. “Maar Klement heeft zelf een echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik.”Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, wat hij met het dwergje had gedaan.“Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten,” zei Klement. “Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet.”Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en geen van de menschen had hem gegooid. ’t Was onmogelijk te begrijpen, waar dievandaankwam.“O wee! Klement!” zeide de veehoedster, “’t lijkt wel, of ’t kleine volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten.”XXXIII.Een morgen in Angermanland.Het brood.Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn wit brood uit, en begon te eten.“Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd,” dacht hij. “’t Is zeker, omdat ik het op zoo’n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel van houd.”Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, of de jongen had een rivierdal in ’t oog gekregen, zóó statig, dat het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er over geklaagd, dat hij zoo’n honger had. Hij had in twee dagen al niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk zijn vaart vertraagd.“Waarom heb je dat niet eerder gezegd?” had hij gevraagd. “Je kunt zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, als je een arend tot reisgenoot hebt.”Dadelijk daarop had de arend een boer in ’t oog gekregen, die een akker liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg koren in een mand, die hij voor de borst hadhangen, en telkens als die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de mand neergedaald.Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk leven om hen heen ontstaan. ’t Waren kraaien, musschen en zwaluwen, die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de arend van plan was op een vogel neer te schieten.“Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!” riepen ze.En ze hadden zoo’n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de jongen had geen korrel gekregen.’t Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo’s. En de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op ’t veld had willen neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in de hoogte gevlogen.Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.“Wat deed die vreemd,” had ze gezegd. “Ik geloof, dat hij een van mijn weitebroodjes wilde hebben.”’t Was zoo’n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat genomen en ’t boven haar hoofd gehouden.“Kom ’t maar halen, als je ’t hebben wilt,” riep ze.De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. Invliegende vaart was hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de lucht ingevlogen.Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te lijden, maar ’t had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan den wilden roofvogel had gegeven.En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood omhoog hield. Zij had ’t zeker wel geweten, dat de groote vogel een koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht, wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze haar goed brood met hen gedeeld.“Als ik ooit weer een mensch word,” had de jongen gedacht, “zal ik die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat ze zoo goed voor ons was.”De boschbrand.Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste bosch, maar ’t kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.’t Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze bosschen waren. Maar dat was toch zeker ’t meest in den herfst en in den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen bergrug. ’t Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo’n grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid, die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men een roode vlam in den rook zien. ’t Was wel een geweldige brand, die daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar kon toch ook geen groote boerderij in ’t bosch verborgen liggen!’t Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo’n brand te doen ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa’s op. Er was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? ’t Was niet waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. ’t Zou toch zeker ’t beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.’t Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die ’t dichtste bij hem lag. Daar stond op ’t hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in ’t morgenlicht gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó mooi was hij nog nooit geweest, maar ’t was ook voor ’t laatst, dat hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de vlakte, die vuur vatte, en ’t was onbegrijpelijk hoe de brand hem had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de bergvlakte. ’t Vuur in ’t bosch was zeker allebei: vogel en slang. ’t Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. ’t Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog ook boven in den top vanden den, ging op de punt van een tak zitten, en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand de bergvlakte op.Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar beneden uit den boom. ’t Zou zeker niet lang meer duren, voor ’t vuur in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. ’t Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. ’t Vuur sloeg als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, en trokken het heikruid uit,opdat het vuur niet in de kleine takjes zou kunnen voortkruipen.Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze stonden met groote dennetakken, die ze in ’t water hadden gedoopt, en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren niet zoo heel veel menschen. ’t Was merkwaardig hen daar te zien staan, klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken, zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, alsof ze ’t niet uit konden houden. Maar ’t werd geen lange vlucht; ze keerden weer om.De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen.Waar het vuur door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand verder vooruit zou dringen.Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van ’t vuur, en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het vuur gebluscht werd. Maar nu ’t bosch gered was, begon ’t gevaar voor hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de koningsarend, suisde neer door ’t bosch. En spoedig zweefde de jongen boven in de wolken, ver van alle gevaar.XXXIV.In Lapland.Alleen al weer veilig op Gorgo’s rug te zitten, na al den angst, dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm, dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.“Nu komen we in Lapland,” had Gorgo gezegd, en de jongen had zich voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van had gehoord.Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar af. De groote eentonigheid had hem op ’t laatst zóó slaperig gemaakt, dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon zitten, en dat hij een poos slapen moest.Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in ’t mos neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwenom hem heen geslagen, en was weer met hem de lucht ingevlogen.“Slaap jij maar, Duimelot,” riep hij. “De zonneschijn houdt me wakker, en ik wil de reis voortzetten.”En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten; appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen kwamen vol uitgegroeidebooneranken, groote witte margrieten, en een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende boomen, tamme en wilde dieren liepen om ’t hardst, en daartusschen door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van vroolijkheid en goedheid glansde.“Vooruit,” riep ze onophoudelijk. “Niemand hoeft bang te wezen, als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!”“Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen,” zei de jongen inzichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden gehoord, en antwoordde dadelijk: “Ze wil ons naar Lapland brengen, naar den grooten versteener.”De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes en de patrijzen.Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, en stond toen heelemaal stil.“Waarom gaat de eik niet verder meê?” vroeg de jongen.“Hij is bang voor den grooten versteener,” zei een jonge lichte berk, die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds voor den stoet uit, lachte, en riep: “Vooruit, vooruit! niemand hoeft bang te wezen, zoolang ik er bij ben!”De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.De jongen keerde zich naar de achterblijvers.“Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den steek?” vroeg hij.“We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in Lapmarken woont,” antwoordden ze.Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken, de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen, rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. ’t Waren allerlei stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.“Waarom hebben ze zoo’n haast?” vroeg hij.“Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen woont,” antwoordde een sneeuwhoen.Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn, en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.“Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!” riep de zon, en rolde de steile wanden van de bergen op.Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk, de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier, de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed, en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven, die opstonden, en den bek opensperden,toen de zon zich vertoonde. En uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.“Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn,” dacht de jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten, maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer zoo erg. Maar op eens riep de zon: “Nu is mijn tijd uit!” en rolde achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los, en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof, en begonnen achter de zon aan te vliegen.“Jaag ze weg! Drijf ze voort,” riep de toovenaar. “Jaag ze zoover weg, dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!”Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker werd. En toen hij totzichzelfgekomen was, had hij gemerkt, dat hij op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe zou hij er achterkomen, waar hij was?Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.“Dat is zeker zoo’n arendsnest, als Gorgo...”Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van ’t hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: “Hoera!” Hij begreep, waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en alle reisgenooten weerzien.De aankomst.De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. ’t Was heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat de wilde ganzen nog niet wakkerwaren. Hij had nog niet lang geloopen, of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. ’t Was een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar ’t was duidelijk, dat hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in geval van nood.De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, ’t waren vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, alleen omdat hij wilde ganzen zag.Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn,die daar lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.Hij had zoo’n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, en liep verder.In ’t volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, zonder ze wakker te maken.Toen hij bij ’t volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij ging verder.Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.“Goeden morgen, Moeder Akka!” zei de jongen. “Dat is heerlijk, dat u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te maken, want ik wou u graag alleen spreken.”De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar gevangen gehouden.“Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, gevangen zat in het vossenhol op de Schans,” zei de jongen. “En hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, en zei tegen hem: “Morgen komen hier menschen om een paar vossen te halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen wordt, dan krijg je je vrijheid terug.”En hij volgde mijn raad, en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?”“Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan,” zei de leidstergans.“Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is,” zei de jongen. “Nu is er nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist niet, of ik goed deed met zoo’n misdadiger los te laten, en ik meende, dat het misschien ’t beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?”“Neen, dat was niet goed,” zei Akka. “Men mag zeggen wat men wil van de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra jebentuitgerust, een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden.”“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka,” zei de jongen. “Er zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden.”Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads.In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje, die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt, en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen, die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar een bed op den grond gemaakt. ’s Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en ’s morgens was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als ’t hun maar mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden, ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt, dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen, had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat ’t zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen, als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden ’t niet gedaan. Misschien waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo, dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de kleinekinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hijver wegin vreemde landen geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon ’t toch niet geweest zijn, maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk was het stil en treurig in de hut geworden. ’t Was of daar elken dag een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het hoofd in de handen te peinzen. Op een keer—dat was na de derde begrafenis—was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, waarom er zoo’n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers een goede daad gedaan door de zieke te helpen!Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.Een paar dagenlaterwas het uit met Vader. Maar hij was niet gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek geworden, en van haar had Vader altijd ’t meest gehouden. En toen hij zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder had niet anders gezegd, dan dat het ’t beste was voor Vader, dat hij weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij tobde er over, zoodat hij op ’t punt was zijn verstand te verliezen, hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In ’t begin had hij hun geld gestuurd, maar daarna was ’t hem zeker slecht gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest, en wasopgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich had, zei ze alleen: “Zij zullen ook gauw sterven.”Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in plaats daarvan over haarzelf gekomen. ’t Was gauw gegaan met Moeder, nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in ’t begin van den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de kinderen alleen gelaten.Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven, had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je ’t er na maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor zichzelf zorgen, dat wist ze.De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had gezegd: ze zorgden voorzichzelf. ’t Meisje kon balletjes maken, en de jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon toevertrouwen. ’t Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was, kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster zei van hem, dat hij om ’t hardst kakelde met de ganzen op ’t veld.Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen, en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van die vreeslijke ziekte, die iederjaar zooveel menschen in Zweden deed sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken, en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen, als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel vriendelijk naar hen geluisterd.De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een andere ziekte wezen.Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden, omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte ’t heele land over werd aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem, en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.Waar moesten ze dan naar toe?Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord.En nu was het hun plicht dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over loopen tobben.De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden, dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een bijzonder mooien tocht.Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.“Neen maar! Neen maar!” zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette, en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.“Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen is,” zei de boerin.Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als ze van een boerderij weggingen, zei men: “Als jelui daar en daar komen, moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen.”In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een borstlijder. En zonder dat ze ’t zelf wisten, gingen die twee kinderen door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de spons en den borstel, de groene zeepen de witte gebruiken. Binnen en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.De dood van kleine Mads.Kleine Mads was dood. ’t Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.“Ga niemand anders roepen,” had hij gezegd, toen het einde naderde, en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.“Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa,” had hij gezegd. “Jij ook niet?”En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: “Ik vind het niet erg om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien.”Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer, kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden, dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot mensch.’t Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat ongewoon was.Asa zat er aan te denken hoe ’t hun was gegaan, toen ze naar den Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die wenkbrauwen waren ’t merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar wekenzou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren, konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden, den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.

XXXII.Een dag in Hälsingland.Een groot groen blad.Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de akkers. ’t Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.“Dit land lijkt wel een blad,” dacht de jongen. “Want het is zoo groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier, als de nerven over een blad.”’t Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal naar hem uitkeek.Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier van den rechten weg afweek. ’t Allerlaatste kwam de boer en zijn knecht. Ze liepen naast de kar, om tezorgen, dat die niet omviel, want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in ’t bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen, en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken takken heen, en hoe ’t dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in ’t bosch, waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk, alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van ’t groene, sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om een platten steen buiten, en begonnen te eten.Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar ’t eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij hem vond.Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters melkten de koeien.“Zie daar eens heen,” zei Gorgo. “Nu geloof ik, dat we hem hebben.”Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson brandhout te hakken op de zomerweide.Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.“Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb,” zei hij, en boog fier den kop achteruit. “Nu moet je probeeren met denman te spreken. Ik zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten.”De nieuwjaarsnacht van de dieren.’t Werk op de zomerwei was afgeloopen en ’t avondeten gebruikt, maar de menschen zaten nog te praten. ’t Was lang geleden, dat ze op een zomernacht in het bosch waren geweest, en ’t scheen, dat ze er niet toe konden komen te gaan slapen. ’t Was helder dag, en de veehoedsters waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze ’t hoofd op, zagen ’t bosch in, en lachten in zichzelf.“Ja, nu zijn we hier weer,” zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar gedachten, en ’t bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze, dat ze hier toch haar besten tijd hadden.Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan, en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op voor bekenden in ’t dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:“We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier naast me, en de andere Bernhard van ’t Sunnanmeer, die naar den Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons ’t meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien.”Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde, dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen, en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren, scheen het hem ’t verstandigste om iets dergelijks te kiezen.“Honderden jaren geleden,” begon hij, “gebeurde het, dat een proost hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op, en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker, zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in een dorp in ’t bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te zijn. ’t Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht, al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld was. ’t Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in den grauwen nacht in ’t wilde bosch, met de teugels los neerhangende, en zijn gedachten ver weg.De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang, eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het bosch nog even dicht om hem heen stond als aan ’t begin van de reis, was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan ’t bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.’t Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote hoeven en dorpen lagen in ’t noorden van de gemeente om de Dellen heen, en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag, dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus, dat hij nog in ’t zuiden van de gemeente was, en dat hij naar ’t noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten, maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar ’t zuiden, en niet naar het noorden reed. ’t Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk tekeeren, maar hij bedacht zich. ’t Paard was vroeger nooit verdwaald, en dat was het ook nu zeker niet. ’t Was waarschijnlijker, dat hij zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest, en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij, dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed, waar nog geen vastgetrapt pad was. ’t Paard liep toch door, en toonde geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg, en liep opnieuw regelrecht het bosch in.De proost was er zoo zeker van, als ’t maar kon, dat het paard verkeerd liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.’t Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven, zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.“Als hij maar thuiskomt voor kerktijd,” dacht de proost.“Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam.”Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel gauw op een plaats, die hij herkende. ’t Was een klein boschmeertje, waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek, en ’t paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de pastorie te brengen, als ’t maar mogelijk was.De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot hij te voet te gaan, en ’t paard te leiden, tot ze weêr op bekende wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.Dat was geen kleinigheid, door ’t bosch te loopen met een zwaren pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor inspanning.’t Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep van het dier weg.“We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan,” zei hij.Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, die smeekend en verwijtend was.“Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde,” scheen het te zeggen. “Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?”De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. ’t Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, om weer op te kunnen stijgen.“Ga je gang maar,” zei hij. “Ik zal je niet alleen laten, nu je me meê wilt hebben. Niemand zal van den proost inDelsbokunnen zeggen, dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was.”Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. ’t Werd een gevaarlijke en moeilijke tocht, en ’t ging bijna den heelen tijd naar boven. ’t Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo’n terrein te laten loopen.“Jebenttoch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te gaan,” zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.Onder ’t rijden begon de proost te merken, dat hij en ’t paard niet de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dierenzich een weg baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met de wilde dieren zou brengen.Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner het bosch werd.Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was met sombere bosschen. ’t Was zóó donker, dat hij moeite had het te onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.“Ja ja! ’t Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben,” dacht hij. “Dit kan geen andere berg zijn. Daar in ’t westen zie ik den heuvel van ’t Järomeer, en in ’t oosten glanst de zee om ’t Ag-eiland heen. In ’t noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat is toch een avontuur!”Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg, zoodat hij vrij kon uitzien.De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort Ting te houden.’t Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen, en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten, die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten, en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over de geheeleplaats, heel tot den zoom van ’t bosch speelden vossen, wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen dan de groote dieren.Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree, en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in ’t bosch, en had een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in ’t haar. Ze stond doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, dat hij er zich als ’t ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen oogen niet kon gelooven.“Dit is immers volkomen onmogelijk!” dacht hij. “Ik heb zeker te lang in ’t donkere bosch gereden. ’t Is mijn verbeelding, die me de baas is geworden.”Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij ’t gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte dieren door een woest veld baan braken.’t Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, daarachter de andere koeien en daarna ’t jonge vee en de kalven. De schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en ’t laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.’t Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van angst. ’t Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree,die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de wilde dieren voorbij.Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was, dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in ’t vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in klagen uit.Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme dieren aanwijst, die in ’t volgend jaar een prooi van de roofdieren zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten, die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar de boschree, die daar streng en ernstig stond, en ’t eene dier na het andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere, zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar geiten. ’t Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen, maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun huisdieren houden.“Ze moesten ’t maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo gebeuren,” dacht hij. “Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen, dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten veroordeelen door de boschree.”De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. ’t Begon over alle leden te beven, en baadde in ’t zweet.“O zoo, nu is ’t jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en geoordeeld te worden,” zei de proost tegen ’t paard. “Maar wees jij maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht, en ik zal je niet in den steek laten.”De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet zich door het dier naar de boschree dragen.Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, nu hij in den strijd met dat booze ging.In ’t begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, als om dat aan te wijzen voor den dood.Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand op den grond.De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem heen heerschte dezelfde diepe stilte, die ’s winters gewoonlijk op ’t woeste veld rust.Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar licht over ’t veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie, wist hij niet meer of ’t een droom, een visioen of werkelijkheid was geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen te zijn teruggekomen, nadat hij weg was.”Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest hebben. De meesten vonden ’t bijna jammer voor Klement, dat hij met hem om den prijs dingen moest.Maar Klement begon onvervaard te vertellen. “Op een dag liep ik op de Schans, en verlangde naar huis,” zei hij. En toen vertelde hij van het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat hetniet in een kooi zou komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken lakei en ’t mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, dat hij den halsdoek krijgen zou: “Bernhard heeft maar iets verteld, dat een ander is overkomen,” zei ze. “Maar Klement heeft zelf een echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik.”Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, wat hij met het dwergje had gedaan.“Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten,” zei Klement. “Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet.”Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en geen van de menschen had hem gegooid. ’t Was onmogelijk te begrijpen, waar dievandaankwam.“O wee! Klement!” zeide de veehoedster, “’t lijkt wel, of ’t kleine volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten.”

Een groot groen blad.Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de akkers. ’t Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.“Dit land lijkt wel een blad,” dacht de jongen. “Want het is zoo groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier, als de nerven over een blad.”’t Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal naar hem uitkeek.Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier van den rechten weg afweek. ’t Allerlaatste kwam de boer en zijn knecht. Ze liepen naast de kar, om tezorgen, dat die niet omviel, want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in ’t bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen, en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken takken heen, en hoe ’t dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in ’t bosch, waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk, alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van ’t groene, sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om een platten steen buiten, en begonnen te eten.Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar ’t eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij hem vond.Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters melkten de koeien.“Zie daar eens heen,” zei Gorgo. “Nu geloof ik, dat we hem hebben.”Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson brandhout te hakken op de zomerweide.Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.“Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb,” zei hij, en boog fier den kop achteruit. “Nu moet je probeeren met denman te spreken. Ik zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten.”

Den volgenden dag reed de jongen over Hälsingland. Het lag daar beneden hem met nieuwe, lichtgroene loten aan de denneboomen, nieuw berkeloof aan de hagen, nieuw graan op de velden en pas opgekomen koren op de akkers. ’t Was een hoog en bergachtig land, maar er midden door ging een breed en licht dal, en van daar uit liepen naar alle zijden andere dalen, sommige nauw en kort, andere breed en lang.

“Dit land lijkt wel een blad,” dacht de jongen. “Want het is zoo groen, en de dalen loopen er over, ongeveer op dezelfde manier, als de nerven over een blad.”

’t Was een mooi land om te zien. De jongen zag er ook veel van, omdat de arend den ouden speelman Klement Larsson zocht, en in ieder dal naar hem uitkeek.

Toen het tegen den morgen liep, kwam er leven en beweging op de boerenplaatsen. Een paar jonge meisjes, met ransels op den rug, liepen rond onder het vee. Een jongen met een langen stok in de hand, hield de schapen bij elkaar. Een kleine hond draafde rond tusschen de koeien door, en blafte tegen hen, die stooten wilden. De boer spande een paard voor een kar, en laadde die vol met botervaten, kaasvormen en allerlei levensmiddelen. De menschen lachten en neurieden. Zij en de dieren waren vroolijk, alsof zij een recht prettigen dag verwachtten.

Een poos later waren ze alle op weg naar de bosschen. Een van de meisjes ging vooraan, en lokte het vee met mooi helder roepen. De dieren liepen in een lange rij achter haar aan. De herdersjongen en zijn hond liepen heen en weer, om toe te zien, dat geen enkel dier van den rechten weg afweek. ’t Allerlaatste kwam de boer en zijn knecht. Ze liepen naast de kar, om tezorgen, dat die niet omviel, want de weg, dien ze volgden, was maar een smal, steenig boschpad.

De boeren in Hälsingland moesten de gewoonte hebben al hun vee op denzelfden dag naar de bosschen te zenden, of het kwam toevallig dit jaar zoo uit. Want de jongen zag de vroolijke optochten van menschen en vee uit ieder dal en uit iedere hoeve komen, het stille bosch intrekken en dat met leven vullen. Van uit de donkere diepten in ’t bosch hoorde hij den heelen dag de herderinnen zingen, en het gebel van de koeklokjes. De meesten moesten lange en moeielijke wegen afleggen, en de jongen zag, hoe ze met groote moeite voorttrokken over de weeke moerassen, hoe ze omwegen moesten maken, om de door den wind afgebroken takken heen, en hoe ’t dikwijls gebeurde, dat de karren tegen steenen stootten, en omvielen met alles, wat er op lag. Maar de menschen namen al die moeielijkheden op met luid gelach en vroolijkheid.

Tegen den middag bereikten de wandelaars open plekken in ’t bosch, waar een lage veestal en een paar grijze huisjes waren gebouwd. Toen de koeien op de plaats tusschen de huisjes kwamen, loeiden ze vroolijk, alsof ze die herkenden, en begonnen dadelijk te grazen van ’t groene, sappige gras. De menschen droegen onder schertsen en juichen water en brandhout, en alles, wat op de kar geladen was, in het grootste huis, en spoedig kwam er rook uit den schoorsteen. En toen zetten de veehoedsters, de herdersjongen en de volwassen knechts zich neer om een platten steen buiten, en begonnen te eten.

Gorgo, de arend, geloofde vast, dat hij Klement Larsson zou vinden onder de menschen, die naar het bosch trokken. Zoodra hij een groep menschen zag, die naar de zomerweide trokken, daalde hij neer, en monsterde die met zijn scherpe oogen. Maar ’t eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij hem vond.

Na veel rondzwerven kwam de arend tegen den avond aan een bergachtige en woeste streek, die ten oosten van het hoofddal lag. Weer zag hij een zomerweide beneden zich. De menschen en het vee waren al aangekomen. De knechts stonden brandhout te hakken, en de veehoedsters melkten de koeien.

“Zie daar eens heen,” zei Gorgo. “Nu geloof ik, dat we hem hebben.”

Hij daalde neer, en tot zijn groote verbazing zag de jongen, dat de arend gelijk had. Daar stond werkelijk de kleine Klement Larsson brandhout te hakken op de zomerweide.

Gorgo daalde neer in het dichte bosch, niet ver van het huis.

“Nu heb ik gedaan, wat ik op me genomen heb,” zei hij, en boog fier den kop achteruit. “Nu moet je probeeren met denman te spreken. Ik zal daar in dien dichten dennetop gaan zitten, en op je wachten.”

De nieuwjaarsnacht van de dieren.’t Werk op de zomerwei was afgeloopen en ’t avondeten gebruikt, maar de menschen zaten nog te praten. ’t Was lang geleden, dat ze op een zomernacht in het bosch waren geweest, en ’t scheen, dat ze er niet toe konden komen te gaan slapen. ’t Was helder dag, en de veehoedsters waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze ’t hoofd op, zagen ’t bosch in, en lachten in zichzelf.“Ja, nu zijn we hier weer,” zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar gedachten, en ’t bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze, dat ze hier toch haar besten tijd hadden.Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan, en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op voor bekenden in ’t dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:“We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier naast me, en de andere Bernhard van ’t Sunnanmeer, die naar den Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons ’t meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien.”Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde, dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen, en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren, scheen het hem ’t verstandigste om iets dergelijks te kiezen.“Honderden jaren geleden,” begon hij, “gebeurde het, dat een proost hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op, en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker, zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in een dorp in ’t bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te zijn. ’t Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht, al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld was. ’t Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in den grauwen nacht in ’t wilde bosch, met de teugels los neerhangende, en zijn gedachten ver weg.De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang, eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het bosch nog even dicht om hem heen stond als aan ’t begin van de reis, was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan ’t bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.’t Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote hoeven en dorpen lagen in ’t noorden van de gemeente om de Dellen heen, en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag, dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus, dat hij nog in ’t zuiden van de gemeente was, en dat hij naar ’t noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten, maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar ’t zuiden, en niet naar het noorden reed. ’t Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk tekeeren, maar hij bedacht zich. ’t Paard was vroeger nooit verdwaald, en dat was het ook nu zeker niet. ’t Was waarschijnlijker, dat hij zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest, en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij, dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed, waar nog geen vastgetrapt pad was. ’t Paard liep toch door, en toonde geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg, en liep opnieuw regelrecht het bosch in.De proost was er zoo zeker van, als ’t maar kon, dat het paard verkeerd liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.’t Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven, zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.“Als hij maar thuiskomt voor kerktijd,” dacht de proost.“Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam.”Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel gauw op een plaats, die hij herkende. ’t Was een klein boschmeertje, waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek, en ’t paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de pastorie te brengen, als ’t maar mogelijk was.De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot hij te voet te gaan, en ’t paard te leiden, tot ze weêr op bekende wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.Dat was geen kleinigheid, door ’t bosch te loopen met een zwaren pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor inspanning.’t Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep van het dier weg.“We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan,” zei hij.Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, die smeekend en verwijtend was.“Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde,” scheen het te zeggen. “Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?”De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. ’t Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, om weer op te kunnen stijgen.“Ga je gang maar,” zei hij. “Ik zal je niet alleen laten, nu je me meê wilt hebben. Niemand zal van den proost inDelsbokunnen zeggen, dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was.”Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. ’t Werd een gevaarlijke en moeilijke tocht, en ’t ging bijna den heelen tijd naar boven. ’t Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo’n terrein te laten loopen.“Jebenttoch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te gaan,” zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.Onder ’t rijden begon de proost te merken, dat hij en ’t paard niet de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dierenzich een weg baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met de wilde dieren zou brengen.Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner het bosch werd.Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was met sombere bosschen. ’t Was zóó donker, dat hij moeite had het te onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.“Ja ja! ’t Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben,” dacht hij. “Dit kan geen andere berg zijn. Daar in ’t westen zie ik den heuvel van ’t Järomeer, en in ’t oosten glanst de zee om ’t Ag-eiland heen. In ’t noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat is toch een avontuur!”Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg, zoodat hij vrij kon uitzien.De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort Ting te houden.’t Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen, en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten, die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten, en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over de geheeleplaats, heel tot den zoom van ’t bosch speelden vossen, wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen dan de groote dieren.Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree, en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in ’t bosch, en had een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in ’t haar. Ze stond doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, dat hij er zich als ’t ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen oogen niet kon gelooven.“Dit is immers volkomen onmogelijk!” dacht hij. “Ik heb zeker te lang in ’t donkere bosch gereden. ’t Is mijn verbeelding, die me de baas is geworden.”Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij ’t gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte dieren door een woest veld baan braken.’t Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, daarachter de andere koeien en daarna ’t jonge vee en de kalven. De schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en ’t laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.’t Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van angst. ’t Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree,die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de wilde dieren voorbij.Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was, dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in ’t vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in klagen uit.Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme dieren aanwijst, die in ’t volgend jaar een prooi van de roofdieren zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten, die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar de boschree, die daar streng en ernstig stond, en ’t eene dier na het andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere, zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar geiten. ’t Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen, maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun huisdieren houden.“Ze moesten ’t maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo gebeuren,” dacht hij. “Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen, dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten veroordeelen door de boschree.”De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. ’t Begon over alle leden te beven, en baadde in ’t zweet.“O zoo, nu is ’t jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en geoordeeld te worden,” zei de proost tegen ’t paard. “Maar wees jij maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht, en ik zal je niet in den steek laten.”De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet zich door het dier naar de boschree dragen.Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, nu hij in den strijd met dat booze ging.In ’t begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, als om dat aan te wijzen voor den dood.Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand op den grond.De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem heen heerschte dezelfde diepe stilte, die ’s winters gewoonlijk op ’t woeste veld rust.Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar licht over ’t veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie, wist hij niet meer of ’t een droom, een visioen of werkelijkheid was geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen te zijn teruggekomen, nadat hij weg was.”Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest hebben. De meesten vonden ’t bijna jammer voor Klement, dat hij met hem om den prijs dingen moest.Maar Klement begon onvervaard te vertellen. “Op een dag liep ik op de Schans, en verlangde naar huis,” zei hij. En toen vertelde hij van het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat hetniet in een kooi zou komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken lakei en ’t mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, dat hij den halsdoek krijgen zou: “Bernhard heeft maar iets verteld, dat een ander is overkomen,” zei ze. “Maar Klement heeft zelf een echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik.”Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, wat hij met het dwergje had gedaan.“Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten,” zei Klement. “Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet.”Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en geen van de menschen had hem gegooid. ’t Was onmogelijk te begrijpen, waar dievandaankwam.“O wee! Klement!” zeide de veehoedster, “’t lijkt wel, of ’t kleine volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten.”

’t Werk op de zomerwei was afgeloopen en ’t avondeten gebruikt, maar de menschen zaten nog te praten. ’t Was lang geleden, dat ze op een zomernacht in het bosch waren geweest, en ’t scheen, dat ze er niet toe konden komen te gaan slapen. ’t Was helder dag, en de veehoedsters waren vlijtig bezig met haar handwerkjes, maar nu en dan hieven ze ’t hoofd op, zagen ’t bosch in, en lachten in zichzelf.

“Ja, nu zijn we hier weer,” zeiden ze, en het dorp zonk weg uit haar gedachten, en ’t bosch omringde haar met zijn stillen vrede. Als ze er thuis op de hoeve aan dachten, dat ze den heelen zomer alleen in het bosch moesten wezen, konden ze bijna niet begrijpen, hoe ze dat uit moesten houden, maar zoodra ze op de zomerweide waren, voelden ze, dat ze hier toch haar besten tijd hadden.

Van een paar zomerweiden in de nabijheid waren jonge meisjes en mannen gekomen, om hen te bezoeken, zoodat er vrij veel menschen waren, die in het gras voor de kamers waren gaan zitten, maar het gesprek wilde niet recht vlotten. De knechts zouden den volgenden dag weer naar huis gaan, en de meisjes gaven hun boodschappen mee, en droegen hun groeten op voor bekenden in ’t dorp. Dat was ongeveer alles, wat er gezegd werd.

Toen keek de oudste van de meisjes van haar werk op, en zei opgewekt:

“We hoeven niet zoo stil te zijn hier op de zomerwei, want we hebben hier twee, die graag wat vertellen. De eene is Klement Larsson hier naast me, en de andere Bernhard van ’t Sunnanmeer, die naar den Blacksberg staat te kijken. Nu dacht ik, dat we hun moesten vragen ons een geschiedenis te vertellen, en ik beloof aan hem, die ons ’t meeste boeit, den halsdoek, dien ik hier bezig ben te naaien.”

Dat voorstel werd zeer toegejuicht. De twee, die tot dien wedstrijd werden opgeroepen, maakten natuurlijk eerst wat bezwaren, maar ze gaven gauw toe. Klement stelde voor, dat Bernhard beginnen zou, en die had er niets tegen. Hij kende Klement Larsson niet goed, maar hij vermoedde, dat die met een of ander oud verhaal van spoken en heksen zou aankomen, en daar hij wist, dat de menschen graag naar zooiets luisteren, scheen het hem ’t verstandigste om iets dergelijks te kiezen.

“Honderden jaren geleden,” begon hij, “gebeurde het, dat een proost hier in Delsbo op een oudejaarsavond midden door het dichte bosch reed. Hij was te paard met zijn pelsjas aan, en een bonten muts op, en op zijn zadelknop lag een zak, waarin hij den avondmaalsbeker, zijn boek en zijn toga had. Hij was bij een zieke gehaald, ver weg in een dorp in ’t bosch, en had daar zitten praten, tot het laat op den avond was geworden. Nu was hij eindelijk op weg naar huis, maar hij dacht niet, dat hij voor lang na middernacht aan de pastorie zou komen.

Toen hij nu op zijn paard moest rondzwerven, en niet rustig in bed mocht liggen, was hij blij, dat de nacht zoo goed was om buiten te zijn. ’t Was zacht weer, de lucht was stil en de hemel betrokken. De volle maan gleed rond en groot achter de wolken voort, en gaf licht, al kon men haar zelf niet zien. Als dat beetje maneschijn er niet geweest was, zou hij moeite hebben gehad het pad te onderscheiden, want het was een strenge winter, en alles had dezelfde bruingrauwe tint.

Dien nacht bereed de proost een paard, waar hij bizonder op gesteld was. ’t Was sterk, volhardend, en bijna zoo verstandig als een mensch. Onder anderen verstond het de kunst naar huis te komen van alle mogelijke plaatsen in de gemeente. Dat had de proost dikwijls opgemerkt, en hij vertrouwde daar zoo zeker op, dat hij nooit aan den weg dacht, als hij dat paard bereed. Zoo kwam hij ook nu aanrijden, in den grauwen nacht in ’t wilde bosch, met de teugels los neerhangende, en zijn gedachten ver weg.

De proost zat aan de preek te denken, die hij den volgenden dag zou houden, en aan nog veel anders bovendien, en het duurde vrij lang, eer hij op de gedachte kwam er eens op te letten, hoe ver hij al op den weg naar huis was. Toen hij eindelijk opkeek, en zag, dat het bosch nog even dicht om hem heen stond als aan ’t begin van de reis, was hij heel verwonderd. Hij had nu al zoo lang gereden, dat hij aan ’t bebouwde gedeelte van de gemeente moest zijn gekomen.

’t Was in Delsbo zooals nu. De kerk en de pastorie, en alle groote hoeven en dorpen lagen in ’t noorden van de gemeente om de Dellen heen, en in het zuiden waren alleen bosschen en bergen. Toen de proost zag, dat hij zich nog in het onbebouwde gedeelte bevond, wist hij dus, dat hij nog in ’t zuiden van de gemeente was, en dat hij naar ’t noorden moest om thuis te komen. Maar dat was juist wat hij vond, dat hij niet deed. Hij zag geen maan of sterren om zich naar te richten, maar hij hoorde tot de menschen, die de windstreken in het hoofd hebben, en hij had een sterk gevoel, dat hij naar ’t zuiden, en niet naar het noorden reed. ’t Was zijn bedoeling zijn paard dadelijk tekeeren, maar hij bedacht zich. ’t Paard was vroeger nooit verdwaald, en dat was het ook nu zeker niet. ’t Was waarschijnlijker, dat hij zelf zich vergiste. Hij was met zijn gedachten ver weg geweest, en had niet op den weg gelet. En dus liet hij het paard in dezelfde richting voortgaan, en verzonk opnieuw in gepeins.

Maar onmiddellijk daarna sloeg een groote tak zoo heftig tegen hem aan, dat hij bijna van zijn paard was gevallen. Toen begreep hij, dat hij opletten moest, waar hij gekomen was.

Hij zag naar den grond, en merkte, dat hij over zacht mos reed, waar nog geen vastgetrapt pad was. ’t Paard liep toch door, en toonde geen onzekerheid. Maar weer juist als te voren voelde de proost zich overtuigd, dat hij den verkeerden kant uitging.

Toen aarzelde hij niet in te grijpen. Hij nam de teugels, dwong het paard om te keeren, en het gelukte hem ook, het naar het pad terug te brengen. Maar nauwelijks was het daar, of het maakte een omweg, en liep opnieuw regelrecht het bosch in.

De proost was er zoo zeker van, als ’t maar kon, dat het paard verkeerd liep, maar nu het zoo hardnekkig was, dacht hij, dat het misschien een beter weg wilde zoeken, en dus liet hij het begaan.

’t Paard redde zich best, al had het ook geen pad, dat het volgen kon. Als er een rotswand in den weg stond, klauterde hij naar boven, zoo lenig als een geit, en als hij er later weer af moest, zette hij de pooten bij elkaar, en sprong van de steile hellingen af.

“Als hij maar thuiskomt voor kerktijd,” dacht de proost.

“Ik zou wel eens willen weten, wat mijn Delsbo-menschen wel zouden zeggen, als ik niet op tijd in de kerk kwam.”

Hij kreeg geen tijd om hier lang over te denken, want hij kwam al heel gauw op een plaats, die hij herkende. ’t Was een klein boschmeertje, waar hij den vorigen zomer had liggen visschen. En nu zag hij, dat het was, zooals hij gevreesd had. Hij was diep in de boschstreek, en ’t paard worstelde zich voort naar het zuidoosten. Het scheen zich werkelijk te hebben voorgenomen, hem zoo ver van de kerk en de pastorie te brengen, als ’t maar mogelijk was.

De proost sprong snel uit het zadel, hij kon zich toch niet op die manier door zijn paard de wildernis in laten brengen. Hij moest naar huis, en nu het paard hardnekkig den verkeerden kant uitliep, besloot hij te voet te gaan, en ’t paard te leiden, tot ze weêr op bekende wegen waren. Hij wond den teugel om den arm, en begon zijn wandeling.

Dat was geen kleinigheid, door ’t bosch te loopen met een zwaren pels, maar de proost was een sterk en gehard man, en niet bang voor inspanning.

’t Paard gaf hem intusschen nieuwe zorgen. Het wilde niet meer, het zette de hoeven vast op den grond, en spartelde tegen.

Toen werd de proost eindelijk boos. Hij sloeg dat paard nooit, en hij wilde dat ook nu niet doen. Hij wierp de teugels neer, en liep van het dier weg.

“We moeten hier wel van elkaar gaan, nu jij je eigen weg wilt gaan,” zei hij.

Nauwlijks had hij een paar stappen gedaan, of het paard liep hem na, pakte hem voorzichtig bij de mouw van zijn jas, en trachtte hem tegen te houden. De proost keerde zich toen om, en zag het paard in de oogen, als om uit te vorschen, waarom het zich zoo wonderlijk gedroeg.

Later kon de proost het niet best begrijpen, hoe het mogelijk geweest was, maar zeker is het, dat hij, hoe donker het ook was, het gezicht van het paard heel duidelijk zag, en er op kon lezen, alsof het dat van een mensch was. Hij begreep, dat het dier in vreeselijken angst en onrust was. Het sloeg een blik naar hem op, die smeekend en verwijtend was.

“Ik heb je gediend, en dag aan dag gedaan, wat je wilde,” scheen het te zeggen. “Zou je nu dezen éénen nacht niet met me meê kunnen gaan?”

De proost werd aangedaan door dat smeeken in de oogen van het dier. ’t Was duidelijk, dat het paard zijn hulp noodig had op een of andere manier, en daar hij een dapper man was, besloot hij dadelijk meê te gaan. Zonder verder aarzelen leidde hij het dier naar een steen, om weer op te kunnen stijgen.

“Ga je gang maar,” zei hij. “Ik zal je niet alleen laten, nu je me meê wilt hebben. Niemand zal van den proost inDelsbokunnen zeggen, dat hij weigerde iemand te volgen, die in nood was.”

Van nu af liet hij het paard gaan, waarheen het wilde, en dacht er alleen aan, hoe hij in het zadel zou blijven zitten. ’t Werd een gevaarlijke en moeilijke tocht, en ’t ging bijna den heelen tijd naar boven. ’t Bosch stond zoo dicht om hem heen, dat hij geen twee stappen voor zich uit kon zien, maar het kwam hem voor, dat ze een hoogen berg beklommen. Het paard werkte zich op langs steile hellingen. Als de predikant zelf de teugels had bestuurd, zou hij het nooit in de gedachten hebben gekregen, een paard over zoo’n terrein te laten loopen.

“Jebenttoch zeker niet van plan, naar de Blacksbergvlakte te gaan,” zei de proost, en lachte daarbij zoowat, want hij wist, dat de Blacksbergvlakte een van de hoogste punten van Hälsingland was.

Onder ’t rijden begon de proost te merken, dat hij en ’t paard niet de eenigen waren, die in den nacht op reis waren. Hij hoorde steenen rollen en takken kraken. Het klonk, alsof groote dierenzich een weg baanden door het bosch. Hij wist, dat er veel wolven waren daar in de buurt, en hij vroeg zich af, of het paard hem in een strijd met de wilde dieren zou brengen.

Aldoor ging de tocht naar boven, en hoe hooger ze kwamen, hoe dunner het bosch werd.

Eindelijk reden ze over een bijna kalen bergrug, waar de proost naar alle kanten kon uitzien. Hij keek uit over onmetelijke uitgestrektheden land, dat op en neer liep in bergen en dalen, en overal bedekt was met sombere bosschen. ’t Was zóó donker, dat hij moeite had het te onderscheiden, maar al gauw werd het hem duidelijk, waar hij was.

“Ja ja! ’t Is dan toch de Blacksbergvlakte, die ik opgereden ben,” dacht hij. “Dit kan geen andere berg zijn. Daar in ’t westen zie ik den heuvel van ’t Järomeer, en in ’t oosten glanst de zee om ’t Ag-eiland heen. In ’t noorden zie ik ook iets glinsteren. Dat zijn zeker de Dellen. En daar in de diepte beneden zie ik den damp van den Nian-waterval. Ja, dit is de Blacksbergvlakte, waar ik nu ben. Dat is toch een avontuur!”

Toen ze op den hoogsten top van den berg waren gekomen, bleef het paard achter een dikken den staan, alsof het zich daar verborgen wilde houden. De proost boog zich voorover, en duwde de takken weg, zoodat hij vrij kon uitzien.

De kale top van den berg lag voor hem, maar die was niet leeg en verlaten, zooals hij verwacht had. Midden op de open plaats lag een groot rotsblok, en daarom heen waren veel wilde dieren bijeen. Het leek wel, vond de proost, alsof ze daar gekomen waren, om een soort Ting te houden.

’t Dichtst bij den grooten steen zag de proost de beren, zoo zwaar en vast gebouwd, alsof ze met pels bekleede rotsblokken waren. Ze waren gaan liggen, en knipten ongeduldig met hun kleine oogjes. Men kon merken, dat ze uit hun winterslaap waren opgestaan om naar het Ting te komen, en dat ze moeite hadden wakker te blijven. Achter hen zaten een paar honderd wolven in dichte rijen. Ze waren niet slaperig, maar opgewekter in het donker van den winter, dan ooit in den zomer. Ze zaten op de achterpooten als honden, zwiepten den grond met hun staarten, en hijgden heftig, met de tongen ver uit den bek hangende. Achter de wolven slopen de lossen rond, met stijve beenen, en lomp als groote, misvormde katten. Ze schenen schuw te zijn, en zich niet graag aan de andere dieren te vertoonen, en bliezen, als iemand hen naderde. De rij achter de lossen werd ingenomen door de veelvraten, die gezichten als honden, en pelzen als beren hadden. Zij tierden niet op het veld, maar stampten ongeduldig met hun breede pooten, en verlangden in de boomen te kunnen klimmen. En achter hen over de geheeleplaats, heel tot den zoom van ’t bosch speelden vossen, wezels en boschmarters, die allen klein en bijzonder sierlijk van gestalte waren, maar die er nog wilder en bloeddorstiger uitzagen dan de groote dieren.

Dit alles zag de proost heel goed, omdat de heele plaats verlicht was. Op den hoogen steen in het midden stond namelijk de boschree, en hield een dennefakkel in de hand, die met een groote, roode vlam brandde. De ree was zoo groot als de hoogste boom in ’t bosch, en had een mantel van sparretakken aan en sparrenappels in ’t haar. Ze stond doodstil met het gezicht naar het bosch. Ze keek uit, en luisterde.

Hoewel de proost alles heel duidelijk zag, was hij zoo verbaasd, dat hij er zich als ’t ware tegen wilde verzetten, en zijn eigen oogen niet kon gelooven.

“Dit is immers volkomen onmogelijk!” dacht hij. “Ik heb zeker te lang in ’t donkere bosch gereden. ’t Is mijn verbeelding, die me de baas is geworden.”

Maar toch lette hij met de grootste belangstelling op alles, en hij was benieuwd, wat hij te zien zou krijgen, en wat er gebeuren zou.

Hij hoefde niet lang te wachten, voor er beneden uit het bosch een klein bengelend belletje klonk. En dadelijk daarop hoorde hij ’t gedruisch van stappen en van brekende takken, alsof een menigte dieren door een woest veld baan braken.

’t Was een groote schare huisdieren, die den berg opkwamen. Ze trokken voort uit het bosch in dezelfde volgorde, alsof ze op weg naar de zomerwei waren. Vooraan liep de koe met de klok om, dan de stier, daarachter de andere koeien en daarna ’t jonge vee en de kalven. De schapen volgden dan in een dichte kudde; dan kwamen de geiten, en ’t laatst een paar paarden en een veulen. De herdershond liep naast de kudde, maar noch de veehoedster, noch de herdersjongen waren er bij. De proost vond, dat het hartverscheurend was, al die tamme dieren regelrecht op de wilde beesten te zien aanloopen. Hij had wel voor hen willen gaan staan, en roepen, dat ze moesten stilstaan, maar hij begreep wel, dat het niet in de macht van eenig mensch stond, den optocht van het vee dien nacht tegen te houden. En hij hield zich stil.

’t Was duidelijk te zien, dat de tamme dieren leden onder wat zij te gemoet gingen. Ze zagen er ellendig en angstig uit. Zelfs de koe, die de klok droeg, liep voort met aarzelende stappen en hangenden kop. De geiten hadden geen lust te stooten of te spelen. De paarden probeerden zich flink te houden, maar hun heele lichaam beefde van angst. ’t Allerakeligst zag de herdershond er uit. Die hield den staart tusschen de pooten, en sleepte het lichaam bijna over den grond.

De koe met de klok leidde den optocht tot heel bij de boschree,die op den steen op den bergtop stond. Ze ging om den steen heen en dan naar het bosch terug, zonder dat één van de wilde dieren haar aanraakte. En op dezelfde manier liep de heele kudde ongedeerd de wilde dieren voorbij.

Terwijl het vee voorbij trok, zag de proost, dat de boschree haar dennefakkel boven eenige van hen liet neerdalen, en die dan omkeerde.

Zoo vaak dat gebeurde, barstten de roofdieren in luid en blij gebrul uit, vooral als het boven een koe of een ander groot dier was, dat de fakkel neerdaalde, maar het dier, dat de fakkel over zich zag neerkomen, schreeuwde luid en schel, alsof het een messteek in ’t vleesch voelde, en de heele kudde, waarbij het hoorde, barstte in klagen uit.

Nu begon de proost te begrijpen wat hij zag. Hij had er vroeger al van hooren spreken, dat de dieren in Delsbo in den oudejaarsnacht bijeen komen op de Blacksbergvlakte, en dat de boschree dan de tamme dieren aanwijst, die in ’t volgend jaar een prooi van de roofdieren zullen worden. Hij voelde een diep medelijden met die arme beesten, die in de macht van de wilde dieren waren, hoewel ze eigenlijk geen andere meesters boven zich mogen hebben dan de menschen.

Nauwlijks was de eerste kudde verdwenen, of weer werd het luiden van de koeklok uit het bosch gehoord, en van een tweede hoeve kwam de kudde den bergtop op. Die ging in dezelfde orde, als de vorige, en liep naar de boschree, die daar streng en ernstig stond, en ’t eene dier na het andere teekende ten doode. En na die kudde kwam de een na de andere, zonder ophouden. Sommige kudden waren zóó klein, dat er alleen één koe en een paar schapen waren. Andere bestonden enkel uit een paar geiten. ’t Was duidelijk, dat die van kleine armoedige huisjes kwamen, maar ze moesten naar de boschree, en geen van hen werd gespaard.

De proost dacht aan de boeren van Delsbo, die zooveel van hun huisdieren houden.

“Ze moesten ’t maar weten, dan lieten ze dit hier niet maar zoo gebeuren,” dacht hij. “Ze zouden zeker liever hun eigen leven wagen, dan hun kudde hier laten loopen tusschen beren en wolven, en ze laten veroordeelen door de boschree.”

De laatste kudde, die aankwam, was die uit de pastorie. De proost herkende de koeklok al van verre, en dat deed zeker het paard ook. ’t Begon over alle leden te beven, en baadde in ’t zweet.

“O zoo, nu is ’t jouw beurt om voorbij de boschree te gaan en geoordeeld te worden,” zei de proost tegen ’t paard. “Maar wees jij maar niet bang! Ik begrijp wel, waarom je me hierheen hebt gebracht, en ik zal je niet in den steek laten.”

De prachtige kudde uit de pastorie kwam in een langen optocht uit het bosch en ging op de boschree en de wilde dieren toe. De laatste in de rij was het paard, dat zijn meester naar de Blacksbergvlakte had gebracht. De proost was niet afgestegen, maar bleef zitten, en liet zich door het dier naar de boschree dragen.

Hij had geen geweer of mes om zich mee te verdedigen, maar hij had zijn misboek voor den dag gehaald, en hield dat tegen zijn borst gedrukt, nu hij in den strijd met dat booze ging.

In ’t begin was het, alsof niemand hem opmerkte. De kudde uit de pastorie liep voorbij de boschree op dezelfde manier als alle andere troepen. De boschree liet haar fakkel niet dalen over een van de dieren. Eerst toen het schrandere paard kwam, maakte ze een beweging, als om dat aan te wijzen voor den dood.

Maar op dat zelfde oogenblik hield de proost het misboek vooruit. En de schijn van de fakkel viel op het kruis op den band. De boschree gaf een luiden, doordringenden gil, en de fakkel viel uit haar hand op den grond.

De vlam ging dadelijk uit, en in den plotselingen overgang van licht naar donker kon de proost niets zien. Hij hoorde ook niets. Om hem heen heerschte dezelfde diepe stilte, die ’s winters gewoonlijk op ’t woeste veld rust.

Toen gleden de zware wolken, die den hemel bedekten, plotseling van elkaar, en in de spleet trad de volle maan te voorschijn, en wierp haar licht over ’t veld. En nu zag de proost, dat hij met zijn paard alleen op den top van de Blacksbergvlakte stond. Geen enkele van de wilde dieren was er meer. De grond was niet vastgetrapt door alle kudden, die erover geloopen hadden. Maar zelf zat hij met zijn misboek voor zich uit, en zijn paard stond te beven, en was met zweet bedekt.

Toen de proost den berg was afgereden en thuis kwam in de pastorie, wist hij niet meer of ’t een droom, een visioen of werkelijkheid was geweest, wat hij dien nacht had gezien. Maar dat het een vermaning voor hem was om aan de arme dieren te denken, die in de macht van de wilde beesten waren, dàt had hij begrepen. En hij preekte zoo krachtig voor de boeren in Delsbo, dat in zijn tijd alle beren en wolven in zijn gemeente werden uitgeroeid, hoewel ze toch schijnen te zijn teruggekomen, nadat hij weg was.”

Hier eindigde Bernhard zijn verhaal. Hij werd van alle kanten zeer geprezen, en het scheen al uitgemaakt, dat hij den prijs moest hebben. De meesten vonden ’t bijna jammer voor Klement, dat hij met hem om den prijs dingen moest.

Maar Klement begon onvervaard te vertellen. “Op een dag liep ik op de Schans, en verlangde naar huis,” zei hij. En toen vertelde hij van het dwergje, dat hij had vrijgekocht, opdat hetniet in een kooi zou komen, en door de menschen worden aangegaapt. En hij sprak er verder over, dat hij nauwlijks die goede daad had gedaan, of hij werd er voor beloond. Hij sprak door, en de verbazing van zijn toehoorders werd steeds grooter. En toen hij eindelijk kwam aan den koninklijken lakei en ’t mooie boek, hadden alle veehoedsters haar handwerk op haar schoot laten glijden, en zaten onbewegelijk naar Klement te kijken, die zulke merkwaardige gebeurtenissen had beleefd.

Zoodra Klement zijn verhaal had geëindigd, zei de oudste veehoedster, dat hij den halsdoek krijgen zou: “Bernhard heeft maar iets verteld, dat een ander is overkomen,” zei ze. “Maar Klement heeft zelf een echt verhaal beleefd, en dat is nog meer waard, vind ik.”

Dat waren allen met haar eens. Zij zagen Klement met heel andere oogen aan dan vroeger, nu ze gehoord hadden, hoe hij met den koning had gesproken, en de kleine speelman durfde niet toonen, hoe trotsch hij daarop was. Maar midden in dit groote geluk vroeg een van hen, wat hij met het dwergje had gedaan.

“Ik heb niet zelf een blauwen schotel voor hem kunnen neerzetten,” zei Klement. “Maar ik heb aan den Laplandschen jongen gevraagd het te doen. Waar hij gebleven is, weet ik niet.”

Nauwelijks had Klement dat gezegd, of een kleine dennenappel kwam aanvliegen, precies op zijn neus. Die kwam niet uit de boomen, en geen van de menschen had hem gegooid. ’t Was onmogelijk te begrijpen, waar dievandaankwam.

“O wee! Klement!” zeide de veehoedster, “’t lijkt wel, of ’t kleine volkje hooren kan, wat we hier zeggen. Je hadt toch niet aan een ander moeten overlaten den blauwen schotel buiten te zetten.”

XXXIII.Een morgen in Angermanland.Het brood.Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn wit brood uit, en begon te eten.“Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd,” dacht hij. “’t Is zeker, omdat ik het op zoo’n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel van houd.”Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, of de jongen had een rivierdal in ’t oog gekregen, zóó statig, dat het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er over geklaagd, dat hij zoo’n honger had. Hij had in twee dagen al niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk zijn vaart vertraagd.“Waarom heb je dat niet eerder gezegd?” had hij gevraagd. “Je kunt zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, als je een arend tot reisgenoot hebt.”Dadelijk daarop had de arend een boer in ’t oog gekregen, die een akker liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg koren in een mand, die hij voor de borst hadhangen, en telkens als die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de mand neergedaald.Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk leven om hen heen ontstaan. ’t Waren kraaien, musschen en zwaluwen, die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de arend van plan was op een vogel neer te schieten.“Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!” riepen ze.En ze hadden zoo’n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de jongen had geen korrel gekregen.’t Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo’s. En de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op ’t veld had willen neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in de hoogte gevlogen.Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.“Wat deed die vreemd,” had ze gezegd. “Ik geloof, dat hij een van mijn weitebroodjes wilde hebben.”’t Was zoo’n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat genomen en ’t boven haar hoofd gehouden.“Kom ’t maar halen, als je ’t hebben wilt,” riep ze.De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. Invliegende vaart was hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de lucht ingevlogen.Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te lijden, maar ’t had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan den wilden roofvogel had gegeven.En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood omhoog hield. Zij had ’t zeker wel geweten, dat de groote vogel een koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht, wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze haar goed brood met hen gedeeld.“Als ik ooit weer een mensch word,” had de jongen gedacht, “zal ik die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat ze zoo goed voor ons was.”De boschbrand.Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste bosch, maar ’t kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.’t Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze bosschen waren. Maar dat was toch zeker ’t meest in den herfst en in den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen bergrug. ’t Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo’n grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid, die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men een roode vlam in den rook zien. ’t Was wel een geweldige brand, die daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar kon toch ook geen groote boerderij in ’t bosch verborgen liggen!’t Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo’n brand te doen ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa’s op. Er was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? ’t Was niet waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. ’t Zou toch zeker ’t beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.’t Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die ’t dichtste bij hem lag. Daar stond op ’t hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in ’t morgenlicht gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó mooi was hij nog nooit geweest, maar ’t was ook voor ’t laatst, dat hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de vlakte, die vuur vatte, en ’t was onbegrijpelijk hoe de brand hem had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de bergvlakte. ’t Vuur in ’t bosch was zeker allebei: vogel en slang. ’t Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. ’t Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog ook boven in den top vanden den, ging op de punt van een tak zitten, en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand de bergvlakte op.Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar beneden uit den boom. ’t Zou zeker niet lang meer duren, voor ’t vuur in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. ’t Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. ’t Vuur sloeg als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, en trokken het heikruid uit,opdat het vuur niet in de kleine takjes zou kunnen voortkruipen.Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze stonden met groote dennetakken, die ze in ’t water hadden gedoopt, en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren niet zoo heel veel menschen. ’t Was merkwaardig hen daar te zien staan, klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken, zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, alsof ze ’t niet uit konden houden. Maar ’t werd geen lange vlucht; ze keerden weer om.De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen.Waar het vuur door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand verder vooruit zou dringen.Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van ’t vuur, en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het vuur gebluscht werd. Maar nu ’t bosch gered was, begon ’t gevaar voor hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de koningsarend, suisde neer door ’t bosch. En spoedig zweefde de jongen boven in de wolken, ver van alle gevaar.

Het brood.Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn wit brood uit, en begon te eten.“Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd,” dacht hij. “’t Is zeker, omdat ik het op zoo’n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel van houd.”Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, of de jongen had een rivierdal in ’t oog gekregen, zóó statig, dat het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er over geklaagd, dat hij zoo’n honger had. Hij had in twee dagen al niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk zijn vaart vertraagd.“Waarom heb je dat niet eerder gezegd?” had hij gevraagd. “Je kunt zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, als je een arend tot reisgenoot hebt.”Dadelijk daarop had de arend een boer in ’t oog gekregen, die een akker liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg koren in een mand, die hij voor de borst hadhangen, en telkens als die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de mand neergedaald.Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk leven om hen heen ontstaan. ’t Waren kraaien, musschen en zwaluwen, die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de arend van plan was op een vogel neer te schieten.“Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!” riepen ze.En ze hadden zoo’n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de jongen had geen korrel gekregen.’t Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo’s. En de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op ’t veld had willen neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in de hoogte gevlogen.Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.“Wat deed die vreemd,” had ze gezegd. “Ik geloof, dat hij een van mijn weitebroodjes wilde hebben.”’t Was zoo’n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat genomen en ’t boven haar hoofd gehouden.“Kom ’t maar halen, als je ’t hebben wilt,” riep ze.De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. Invliegende vaart was hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de lucht ingevlogen.Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te lijden, maar ’t had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan den wilden roofvogel had gegeven.En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood omhoog hield. Zij had ’t zeker wel geweten, dat de groote vogel een koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht, wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze haar goed brood met hen gedeeld.“Als ik ooit weer een mensch word,” had de jongen gedacht, “zal ik die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat ze zoo goed voor ons was.”

Toen de arend den volgenden dag over een gedeelte van Angermanland vloog, zei hij, dat hij honger had en wat te eten moest zien te krijgen. Hij zette den jongen neer in een geweldigen den, die op een hooge bergvlakte stond, en vloog toen weg.

Toen de jongen genoeg naar het prachtige landschap om zich heen had gekeken, maakte hij den ransel van zijn rug los, nam er een stuk fijn wit brood uit, en begon te eten.

“Ik geloof, dat ik nooit zulk goed brood heb geproefd,” dacht hij. “’t Is zeker, omdat ik het op zoo’n mooie manier kreeg, dat ik er zooveel van houd.”

Hij herinnerde zich hoe de koningsarend den vorigen dag Angermanland was binnengevlogen, en nauwelijks was hij over de grens gekomen, of de jongen had een rivierdal in ’t oog gekregen, zóó statig, dat het alles te boven ging, wat hij nog te voren had gezien.

Toen de jongen dat prachtige dal in al zijn rijkdom zag, had hij er over geklaagd, dat hij zoo’n honger had. Hij had in twee dagen al niets te eten gehad, zeide hij, en nu was hij heelemaal uitgerammeld.

Gorgo wilde niet, dat men zou zeggen, dat de jongen het bij hem minder goed had, dan toen hij met de wilde ganzen reisde, en hij had dadelijk zijn vaart vertraagd.

“Waarom heb je dat niet eerder gezegd?” had hij gevraagd. “Je kunt zooveel eten krijgen, als je maar wilt. Honger hoef je niet te lijden, als je een arend tot reisgenoot hebt.”

Dadelijk daarop had de arend een boer in ’t oog gekregen, die een akker liep te bezaaien, dicht aan den oever van de rivier. De man droeg koren in een mand, die hij voor de borst hadhangen, en telkens als die leeg was, haalde hij nieuw zaad uit een zak, die bij de greppel stond. De arend had er op gerekend, dat die zak daar vol was met het beste voedsel, dat de jongen maar wenschen kon, en hij was boven de mand neergedaald.

Maar eer nog de arend den grond had bereikt, was er een vreeselijk leven om hen heen ontstaan. ’t Waren kraaien, musschen en zwaluwen, die onder heftig geschreeuw waren komen toeloopen, denkende, dat de arend van plan was op een vogel neer te schieten.

“Weg, weg, roover! Weg, vogeldooder!” riepen ze.

En ze hadden zoo’n spektakel gemaakt, dat de boer er opmerkzaam op werd, en kwam toeloopen. Toen had de arend moeten vluchten, en de jongen had geen korrel gekregen.

’t Was wonderlijk geweest met die kleine vogels. Zij hadden niet alleen den arend gedwongen te vluchten, maar ze vervolgden hem nog een heel eind door het dal, en overal hadden de menschen hun geroep gehoord. De vrouwen waren naar buiten op de plaats gekomen, en hadden in de handen geklapt, zoodat het had geklonken als geweersalvo’s. En de mannen waren naar buiten gerend met hun geweer in de hand.

En zoo was het telkens gegaan, wanneer de arend op ’t veld had willen neerdalen. De jongen had de hoop opgegeven, dat de arend hem iets te eten zou kunnen bezorgen. Hij had vroeger nooit vermoed, dat Gorgo zoo gehaat en verafschuwd was. Hij had bijna medelijden met hem gekregen.

Een poos later waren ze over een groote boerderij gekomen, waar de huismoeder juist gebakken had. Ze had nu een plaat met pas gebakken broodjes op de plaats gezet om af te koelen, en stond er bij om op te passen, dat de hond of de kat er niet van stelen zou.

De arend was neergedaald boven de boerderij, maar hij had niet voor de oogen van de boerin durven neerstrijken. Hij was heen en weer gevlogen, en wist niet hoe te doen. Een paar maal was hij zoo laag gekomen, dat hij bij de schoorsteenen was, maar toen was hij weer in de hoogte gevlogen.

Maar nu had de huismoeder den arend opgemerkt. Ze had het hoofd opgeheven, en hem met de oogen gevolgd.

“Wat deed die vreemd,” had ze gezegd. “Ik geloof, dat hij een van mijn weitebroodjes wilde hebben.”

’t Was zoo’n mooie vrouw, lang en blond, met een vroolijk, open gezicht. Ze had heel hartelijk gelachen, had een broodje van de plaat genomen en ’t boven haar hoofd gehouden.

“Kom ’t maar halen, als je ’t hebben wilt,” riep ze.

De arend had haar woorden wel niet verstaan, maar hij had toch dadelijk begrepen, dat ze hem het broodje wilde geven. Invliegende vaart was hij op het broodje neergeschoten, had het gegrepen, en was er mee de lucht ingevlogen.

Toen de jongen zag hoe de arend het broodje naar zich toe rukte, had hij de tranen in de oogen gekregen. Hij had niet geschreid van blijdschap, omdat hij nu een paar dagen geen gevaar liep honger te lijden, maar ’t had hem ontroerd, dat de boerenvrouw haar brood aan den wilden roofvogel had gegeven.

En toen hij nu in den dennetop zat, zag hij nog die groote, blonde vrouw voor zich, zooals ze daar op de plaats stond, en het brood omhoog hield. Zij had ’t zeker wel geweten, dat de groote vogel een koningsarend was, een roofvogel, die de menschen gewoonlijk met scherpe schoten begroeten, en ze had zeker ook wel den wonderlijken dwerg gezien, dien hij op den rug had; maar ze had er niet over gedacht, wie ze waren. Zoodra ze had begrepen, dat ze hongerig waren, had ze haar goed brood met hen gedeeld.

“Als ik ooit weer een mensch word,” had de jongen gedacht, “zal ik die mooie vrouw bij de rivier gaan opzoeken, en haar bedanken, omdat ze zoo goed voor ons was.”

De boschbrand.Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste bosch, maar ’t kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.’t Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze bosschen waren. Maar dat was toch zeker ’t meest in den herfst en in den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen bergrug. ’t Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo’n grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid, die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men een roode vlam in den rook zien. ’t Was wel een geweldige brand, die daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar kon toch ook geen groote boerderij in ’t bosch verborgen liggen!’t Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo’n brand te doen ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa’s op. Er was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? ’t Was niet waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. ’t Zou toch zeker ’t beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.’t Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die ’t dichtste bij hem lag. Daar stond op ’t hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in ’t morgenlicht gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó mooi was hij nog nooit geweest, maar ’t was ook voor ’t laatst, dat hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de vlakte, die vuur vatte, en ’t was onbegrijpelijk hoe de brand hem had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de bergvlakte. ’t Vuur in ’t bosch was zeker allebei: vogel en slang. ’t Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. ’t Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog ook boven in den top vanden den, ging op de punt van een tak zitten, en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand de bergvlakte op.Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar beneden uit den boom. ’t Zou zeker niet lang meer duren, voor ’t vuur in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. ’t Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. ’t Vuur sloeg als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, en trokken het heikruid uit,opdat het vuur niet in de kleine takjes zou kunnen voortkruipen.Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze stonden met groote dennetakken, die ze in ’t water hadden gedoopt, en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren niet zoo heel veel menschen. ’t Was merkwaardig hen daar te zien staan, klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken, zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, alsof ze ’t niet uit konden houden. Maar ’t werd geen lange vlucht; ze keerden weer om.De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen.Waar het vuur door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand verder vooruit zou dringen.Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van ’t vuur, en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het vuur gebluscht werd. Maar nu ’t bosch gered was, begon ’t gevaar voor hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de koningsarend, suisde neer door ’t bosch. En spoedig zweefde de jongen boven in de wolken, ver van alle gevaar.

Terwijl de jongen nog met zijn ontbijt bezig was, merkte hij een flauwe rooklucht uit het noorden. Hij keerde zich dadelijk om naar dien kant, en zag een kleine rookzuil, wit als damp, uit een boschvlakte opstijgen; niet uit de naastbij liggende, maar uit de daarop volgende. Dat was zonderling, die rook midden in het woeste bosch, maar ’t kon wel wezen, dat daar een zomerwei lag, en dat de meisjes bezig waren hun morgenkoffie te koken.

’t Was vreemd, zooals die rook toenam en zich verspreidde. Dit kon toch niet van een zomerwei komen, maar misschien waren er kolenbranders in het bosch. Op de Schans had hij een kolenbrandershut en een kolenmijt gezien, en hij had gehoord, dat er ook zulke hutten hier in deze bosschen waren. Maar dat was toch zeker ’t meest in den herfst en in den winter, dat de kolenbranders met de kolenhoop bezig waren.

De rook werd steeds dichter. Nu golfde ze voort over den heelen bergrug. ’t Was toch niet mogelijk, dat er zooveel rook uit een kolenhoop kon komen. Er moest iets van een brand zijn, want een massa vogels vlogen op, en verhuisden naar de volgende bergvlakte. Gieren en andere vogels, die zoo klein waren, dat men ze onmogelijk op zoo’n grooten afstand kon herkennen, vluchtten voor den brand.

De kleine witte rookzuil was tot een dichte witte wolk aangegroeid, die over den kant van de bergvlakte golfde, en neerzonk in het dal. En er vlogen vonken en roetvlokken uit die wolk, en nu en dan kon men een roode vlam in den rook zien. ’t Was wel een geweldige brand, die daar aangekomen was. Maar wat ter wereld zou er toch wel branden? Daar kon toch ook geen groote boerderij in ’t bosch verborgen liggen!

’t Zou ook meer dan een hoeve moeten zijn, om zoo’n brand te doen ontstaan. Nu kwam de rook niet alleen meer van de bergvlakte; maar ook uit het dal daar beneden, dat hij niet kon zien, omdat het achter de dichtstbij zijnde hoogte verborgen lag, stegen de rookmassa’s op. Er was niets anders mogelijk, dan dat het bosch zelf brandde.

Hij had moeite te begrijpen, dat het frissche, groene bosch kon branden, maar het was toch zeker zoo. En als het werkelijk het bosch was, dat brandde, kon dan het vuur ook hem niet bereiken? ’t Was niet waarschijnlijk, maar hij wou toch, dat de arend maar terugkwam. ’t Zou toch zeker ’t beste zijn uit dit dal weg te komen. Alleen al de brandlucht, die hij bij iedere ademhaling binnenkreeg, was een plaag.

’t Was vreeselijk zulk een geknap en geknetter, als hij nu op eens hoorde. Dat kwam van de bergvlakte, die ’t dichtste bij hem lag. Daar stond op ’t hoogste punt een groote den, even groot als die, waar hij zelf op zat. Die was zoo hoog opgegroeid, dat hij boven alle andere boomen uitstak. Nog pas had hij prachtig rood in ’t morgenlicht gestaan. Nu glommen alle naalden op eens, en ze vatten vuur. Zóó mooi was hij nog nooit geweest, maar ’t was ook voor ’t laatst, dat hij zijn schoonheid kon vertoonen. De den was de eerste boom op de vlakte, die vuur vatte, en ’t was onbegrijpelijk hoe de brand hem had bereikt. Was die er op roode vleugels heengevlogen? of had die langs den grond gekropen als een slang? Ja, dat kon niemand zeggen. De brand was er. De heele den vlamde als een stapel takken.

Zie daar! Nu steeg de rook op uit verscheidene plaatsen op de bergvlakte. ’t Vuur in ’t bosch was zeker allebei: vogel en slang. ’t Kon verre einden door de lucht vliegen en langs den grond sluipen. ’t Zette de heele bergvlakte op eens in vlammen.

De vogels sloegen in allerijl op de vlucht. Ze fladderden op uit den rook als groote roetvlokken, vlogen dwars over het dal, en kwamen op de bergvlakte, waar de jongen zat. Hij kreeg een berguil naast zich op den den, en vlak boven hem streek een havik neer op een tak. Dat zouden anders gevaarlijke buren zijn geweest, maar nu keken ze niet eens naar hem. Ze staarden maar naar het vuur, ze konden zeker niet begrijpen, wat er toch in het bosch gekomen was. Een marter vloog ook boven in den top vanden den, ging op de punt van een tak zitten, en keek naar de brandende boschheuvels met zijn glanzende oogen. Vlak naast hem zat een eekhoorn, maar ze schenen elkaar niet te zien.

Nu stroomde het vuur het dal in. Het siste en dreunde als een bruisende storm. Door den rook heen was het te zien, hoe de vlammen van den eenen boom op den anderen sloegen. Eer een de vlam vatte, werd hij eerst in een dunnen rooksluier gewikkeld, dan werden alle naalden tegelijk rood, en dan begon hij te knetteren en te branden.

Beneden in het dal, dat onder hen lag, liep een kleine beek, met elzen en kleine berkjes omzoomd. Daar scheen het, dat de brand ophouden zou. De loofboomen vatten niet zoo snel vuur als de naaldboomen. De boschbrand stond voor een muur, en kon niet verder komen. Hij gloeide en spatte vonken, probeerde over te springen op het sparrenbosch aan de andere zijde van de beek, maar bereikte dat niet.

Voor een poos was het vuur gestuit, maar toen wierp zich een lange vlam op een dorre spar, die wat hooger op de helling stond, en dadelijk stond die in lichte laaie. En toen was het vuur over de beek gekomen. De warmte was al zoo sterk geweest, dat iedere boom op de heele helling klaar was om vuur te vatten. Bruisend en dreunend als de sterkste storm en de meest woeste waterval vloog de boschbrand de bergvlakte op.

Toen vluchtten de havik en de berguil, en de marter snelde naar beneden uit den boom. ’t Zou zeker niet lang meer duren, voor ’t vuur in de dennetop kwam. De jongen moest ook maken, dat hij wegkwam. ’t Was niet gemakkelijk van den hoogen rechten stam van den denneboom weg te komen. Hij hield er zich aan vast, zoo goed hij kon, gleed heele einden neer tusschen de takken door, en rolde eindelijk op den grond. Maar hij had geen tijd om te voelen, of hij zich ook had bezeerd. Hij moest zich haasten om weg te komen. ’t Vuur sloeg als een sissend onweer neer in den boom, de grond onder zijn voeten was warm en begon te rooken. Aan zijn eene zij liep een los; aan de andere schoof een lange adder voort, en vlak naast de slang kakelde een korhoen, dat voortliep met haar kleine donzige jongen.

Toen de vluchtelingen van de helling af en beneden in het dal waren gekomen, ontmoetten ze menschen, die waren uitgegaan om den brand te blusschen. Zij waren daar zeker al een heele poos geweest, maar de jongen had zoo hardnekkig naar den anderen kant gekeken, van waar de brand kwam, dat hij ze niet had opgemerkt. Er was ook een beek en een breede rand loofboomen aan dezen kant, en daarachter werkten de menschen. Ze velden de naaldboomen, die het dichtst naast de elzen stonden, haalden water uit de beek, en goten het over den grond, en trokken het heikruid uit,opdat het vuur niet in de kleine takjes zou kunnen voortkruipen.

Ook zij dachten alleen aan den boschbrand, die nu op hen aan kwam stormen. De vluchtende dieren sprongen tusschen hun voeten door, zonder dat zij ze zagen. Ze sloegen niet naar de adders, ze trachtten niet de korhoenders te vangen, terwijl ze heen en weer liepen langs de beek met haar piepende jongen, ze letten niet eens op Duimelot. Ze stonden met groote dennetakken, die ze in ’t water hadden gedoopt, en daarmeê gewapend schenen ze op het vuur te willen afgaan. Er waren niet zoo heel veel menschen. ’t Was merkwaardig hen daar te zien staan, klaar voor den strijd, terwijl alles vluchtte.

Toen het vuur langs de helling kwam, met gedreun en gedruisch en ondragelijke hitte en verstikkende rook, klaar om over de beek en den muur van loofboomen te springen, om den anderen oever te bereiken, zonder een oogenblik stil te staan, weken de menschen eerst achteruit, alsof ze ’t niet uit konden houden. Maar ’t werd geen lange vlucht; ze keerden weer om.

De boschbrand liep storm met vreeselijke kracht. De vonken stoven als een vuurregen over de loofboomen, de lange vlammen vlogen sissend uit den rook, alsof het bosch aan den anderen kant ze naar zich toe zoog.

Maar de loofboomen hielden het vuur tegen, en daar achter werkten de menschen. Waar het veld begon te rooken, haalden ze water, en doofden het. Als een boom in rook werd gewikkeld, vielen ze hem aan met snelle bijlslagen, gooiden hem om en bluschten de vlammen.Waar het vuur door het heikruid sloop, sloegen ze het neer met natte dennetakken, en smoorden het. De rook werd zóó dicht, dat hij alles omhulde. Het was niet meer te zien, hoe de strijd ging, maar wel was het te begrijpen, dat die zwaar was, en dat het vaak bijna zoover kwam, dat de brand verder vooruit zou dringen.

Maar zie, na een poos verminderde het sterke dreunen van ’t vuur, en de rook werd dunner. Toen hadden de loofboomen al hun blaren verloren, de grond onder hen was zwart geschroeid, de menschen waren zwart van den rook, en dropen van zweet, maar de boschbrand was teruggeslagen. Hij vlamde niet meer. De rook kroop wit en zacht over den grond, en daaruit schoten een massa zwarte staken op. Dat was alles wat van het mooie bosch was overgebleven.

De jongen was op een steen geklauterd, en had daar gezien hoe het vuur gebluscht werd. Maar nu ’t bosch gered was, begon ’t gevaar voor hem. De uil en de havik keerden op eens de oogen naar hem.

Daar hoorde hij, hoe een welbekende stem hem riep. Gorgo, de koningsarend, suisde neer door ’t bosch. En spoedig zweefde de jongen boven in de wolken, ver van alle gevaar.

XXXIV.In Lapland.Alleen al weer veilig op Gorgo’s rug te zitten, na al den angst, dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm, dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.“Nu komen we in Lapland,” had Gorgo gezegd, en de jongen had zich voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van had gehoord.Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar af. De groote eentonigheid had hem op ’t laatst zóó slaperig gemaakt, dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon zitten, en dat hij een poos slapen moest.Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in ’t mos neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwenom hem heen geslagen, en was weer met hem de lucht ingevlogen.“Slaap jij maar, Duimelot,” riep hij. “De zonneschijn houdt me wakker, en ik wil de reis voortzetten.”En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten; appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen kwamen vol uitgegroeidebooneranken, groote witte margrieten, en een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende boomen, tamme en wilde dieren liepen om ’t hardst, en daartusschen door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van vroolijkheid en goedheid glansde.“Vooruit,” riep ze onophoudelijk. “Niemand hoeft bang te wezen, als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!”“Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen,” zei de jongen inzichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden gehoord, en antwoordde dadelijk: “Ze wil ons naar Lapland brengen, naar den grooten versteener.”De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes en de patrijzen.Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, en stond toen heelemaal stil.“Waarom gaat de eik niet verder meê?” vroeg de jongen.“Hij is bang voor den grooten versteener,” zei een jonge lichte berk, die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds voor den stoet uit, lachte, en riep: “Vooruit, vooruit! niemand hoeft bang te wezen, zoolang ik er bij ben!”De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.De jongen keerde zich naar de achterblijvers.“Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den steek?” vroeg hij.“We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in Lapmarken woont,” antwoordden ze.Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken, de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen, rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. ’t Waren allerlei stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.“Waarom hebben ze zoo’n haast?” vroeg hij.“Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen woont,” antwoordde een sneeuwhoen.Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn, en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.“Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!” riep de zon, en rolde de steile wanden van de bergen op.Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk, de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier, de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed, en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven, die opstonden, en den bek opensperden,toen de zon zich vertoonde. En uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.“Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn,” dacht de jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten, maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer zoo erg. Maar op eens riep de zon: “Nu is mijn tijd uit!” en rolde achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los, en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof, en begonnen achter de zon aan te vliegen.“Jaag ze weg! Drijf ze voort,” riep de toovenaar. “Jaag ze zoover weg, dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!”Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker werd. En toen hij totzichzelfgekomen was, had hij gemerkt, dat hij op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe zou hij er achterkomen, waar hij was?Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.“Dat is zeker zoo’n arendsnest, als Gorgo...”Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van ’t hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: “Hoera!” Hij begreep, waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en alle reisgenooten weerzien.De aankomst.De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. ’t Was heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat de wilde ganzen nog niet wakkerwaren. Hij had nog niet lang geloopen, of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. ’t Was een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar ’t was duidelijk, dat hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in geval van nood.De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, ’t waren vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, alleen omdat hij wilde ganzen zag.Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn,die daar lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.Hij had zoo’n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, en liep verder.In ’t volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, zonder ze wakker te maken.Toen hij bij ’t volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij ging verder.Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.“Goeden morgen, Moeder Akka!” zei de jongen. “Dat is heerlijk, dat u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te maken, want ik wou u graag alleen spreken.”De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar gevangen gehouden.“Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, gevangen zat in het vossenhol op de Schans,” zei de jongen. “En hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, en zei tegen hem: “Morgen komen hier menschen om een paar vossen te halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen wordt, dan krijg je je vrijheid terug.”En hij volgde mijn raad, en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?”“Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan,” zei de leidstergans.“Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is,” zei de jongen. “Nu is er nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist niet, of ik goed deed met zoo’n misdadiger los te laten, en ik meende, dat het misschien ’t beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?”“Neen, dat was niet goed,” zei Akka. “Men mag zeggen wat men wil van de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra jebentuitgerust, een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden.”“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka,” zei de jongen. “Er zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden.”Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads.In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje, die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt, en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen, die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar een bed op den grond gemaakt. ’s Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en ’s morgens was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als ’t hun maar mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden, ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt, dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen, had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat ’t zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen, als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden ’t niet gedaan. Misschien waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo, dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de kleinekinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hijver wegin vreemde landen geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon ’t toch niet geweest zijn, maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk was het stil en treurig in de hut geworden. ’t Was of daar elken dag een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het hoofd in de handen te peinzen. Op een keer—dat was na de derde begrafenis—was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, waarom er zoo’n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers een goede daad gedaan door de zieke te helpen!Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.Een paar dagenlaterwas het uit met Vader. Maar hij was niet gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek geworden, en van haar had Vader altijd ’t meest gehouden. En toen hij zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder had niet anders gezegd, dan dat het ’t beste was voor Vader, dat hij weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij tobde er over, zoodat hij op ’t punt was zijn verstand te verliezen, hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In ’t begin had hij hun geld gestuurd, maar daarna was ’t hem zeker slecht gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest, en wasopgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich had, zei ze alleen: “Zij zullen ook gauw sterven.”Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in plaats daarvan over haarzelf gekomen. ’t Was gauw gegaan met Moeder, nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in ’t begin van den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de kinderen alleen gelaten.Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven, had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je ’t er na maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor zichzelf zorgen, dat wist ze.De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had gezegd: ze zorgden voorzichzelf. ’t Meisje kon balletjes maken, en de jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon toevertrouwen. ’t Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was, kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster zei van hem, dat hij om ’t hardst kakelde met de ganzen op ’t veld.Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen, en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van die vreeslijke ziekte, die iederjaar zooveel menschen in Zweden deed sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken, en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen, als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel vriendelijk naar hen geluisterd.De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een andere ziekte wezen.Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden, omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte ’t heele land over werd aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem, en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.Waar moesten ze dan naar toe?Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord.En nu was het hun plicht dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over loopen tobben.De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden, dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een bijzonder mooien tocht.Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.“Neen maar! Neen maar!” zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette, en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.“Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen is,” zei de boerin.Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als ze van een boerderij weggingen, zei men: “Als jelui daar en daar komen, moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen.”In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een borstlijder. En zonder dat ze ’t zelf wisten, gingen die twee kinderen door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de spons en den borstel, de groene zeepen de witte gebruiken. Binnen en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.De dood van kleine Mads.Kleine Mads was dood. ’t Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.“Ga niemand anders roepen,” had hij gezegd, toen het einde naderde, en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.“Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa,” had hij gezegd. “Jij ook niet?”En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: “Ik vind het niet erg om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien.”Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer, kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden, dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot mensch.’t Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat ongewoon was.Asa zat er aan te denken hoe ’t hun was gegaan, toen ze naar den Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die wenkbrauwen waren ’t merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar wekenzou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren, konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden, den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.

Alleen al weer veilig op Gorgo’s rug te zitten, na al den angst, dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm, dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.

“Nu komen we in Lapland,” had Gorgo gezegd, en de jongen had zich voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van had gehoord.

Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar af. De groote eentonigheid had hem op ’t laatst zóó slaperig gemaakt, dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.

Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon zitten, en dat hij een poos slapen moest.

Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in ’t mos neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwenom hem heen geslagen, en was weer met hem de lucht ingevlogen.

“Slaap jij maar, Duimelot,” riep hij. “De zonneschijn houdt me wakker, en ik wil de reis voortzetten.”

En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten; appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen kwamen vol uitgegroeidebooneranken, groote witte margrieten, en een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken, eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg, fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien, witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.

Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende boomen, tamme en wilde dieren liepen om ’t hardst, en daartusschen door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen, weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.

De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet, nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van vroolijkheid en goedheid glansde.

“Vooruit,” riep ze onophoudelijk. “Niemand hoeft bang te wezen, als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!”

“Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen,” zei de jongen inzichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden gehoord, en antwoordde dadelijk: “Ze wil ons naar Lapland brengen, naar den grooten versteener.”

De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden, langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen, en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes en de patrijzen.

Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was, maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.

Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen, en stond toen heelemaal stil.

“Waarom gaat de eik niet verder meê?” vroeg de jongen.

“Hij is bang voor den grooten versteener,” zei een jonge lichte berk, die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.

Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds voor den stoet uit, lachte, en riep: “Vooruit, vooruit! niemand hoeft bang te wezen, zoolang ik er bij ben!”

De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.

De jongen keerde zich naar de achterblijvers.

“Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den steek?” vroeg hij.

“We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in Lapmarken woont,” antwoordden ze.

Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken, de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen, rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.

Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. ’t Waren allerlei stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.

“Waarom hebben ze zoo’n haast?” vroeg hij.

“Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen woont,” antwoordde een sneeuwhoen.

Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn, en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.

“Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!” riep de zon, en rolde de steile wanden van de bergen op.

Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk, de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier, de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.

De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed, en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven, die opstonden, en den bek opensperden,toen de zon zich vertoonde. En uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.

“Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn,” dacht de jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten, maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.

De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer zoo erg. Maar op eens riep de zon: “Nu is mijn tijd uit!” en rolde achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los, en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof, en begonnen achter de zon aan te vliegen.

“Jaag ze weg! Drijf ze voort,” riep de toovenaar. “Jaag ze zoover weg, dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!”

Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker werd. En toen hij totzichzelfgekomen was, had hij gemerkt, dat hij op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe zou hij er achterkomen, waar hij was?

Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.

“Dat is zeker zoo’n arendsnest, als Gorgo...”

Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van ’t hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: “Hoera!” Hij begreep, waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en alle reisgenooten weerzien.

De aankomst.De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. ’t Was heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat de wilde ganzen nog niet wakkerwaren. Hij had nog niet lang geloopen, of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. ’t Was een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar ’t was duidelijk, dat hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in geval van nood.De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, ’t waren vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, alleen omdat hij wilde ganzen zag.Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn,die daar lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.Hij had zoo’n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, en liep verder.In ’t volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, zonder ze wakker te maken.Toen hij bij ’t volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij ging verder.Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.“Goeden morgen, Moeder Akka!” zei de jongen. “Dat is heerlijk, dat u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te maken, want ik wou u graag alleen spreken.”De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar gevangen gehouden.“Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, gevangen zat in het vossenhol op de Schans,” zei de jongen. “En hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, en zei tegen hem: “Morgen komen hier menschen om een paar vossen te halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen wordt, dan krijg je je vrijheid terug.”En hij volgde mijn raad, en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?”“Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan,” zei de leidstergans.“Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is,” zei de jongen. “Nu is er nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist niet, of ik goed deed met zoo’n misdadiger los te laten, en ik meende, dat het misschien ’t beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?”“Neen, dat was niet goed,” zei Akka. “Men mag zeggen wat men wil van de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra jebentuitgerust, een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden.”“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka,” zei de jongen. “Er zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden.”

De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. ’t Was heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen, en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat de wilde ganzen nog niet wakkerwaren. Hij had nog niet lang geloopen, of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. ’t Was een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar ’t was duidelijk, dat hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in geval van nood.

De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, ’t waren vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën, alleen omdat hij wilde ganzen zag.

Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn,die daar lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.

Hij had zoo’n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen, en liep verder.

In ’t volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij, zonder ze wakker te maken.

Toen hij bij ’t volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja, het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden, en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.

Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij ging verder.

Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.

“Goeden morgen, Moeder Akka!” zei de jongen. “Dat is heerlijk, dat u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te maken, want ik wou u graag alleen spreken.”

De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.

Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar gevangen gehouden.

“Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor, gevangen zat in het vossenhol op de Schans,” zei de jongen. “En hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond, dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid, maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre, en zei tegen hem: “Morgen komen hier menschen om een paar vossen te halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen wordt, dan krijg je je vrijheid terug.”En hij volgde mijn raad, en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?”

“Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan,” zei de leidstergans.

“Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is,” zei de jongen. “Nu is er nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend, dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist niet, of ik goed deed met zoo’n misdadiger los te laten, en ik meende, dat het misschien ’t beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?”

“Neen, dat was niet goed,” zei Akka. “Men mag zeggen wat men wil van de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je, wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra jebentuitgerust, een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden.”

“Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka,” zei de jongen. “Er zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden.”

Asa, het ganzenhoedstertje en de kleine Mads.In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje, die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt, en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen, die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar een bed op den grond gemaakt. ’s Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en ’s morgens was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als ’t hun maar mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden, ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt, dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen, had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat ’t zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen, als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden ’t niet gedaan. Misschien waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo, dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de kleinekinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hijver wegin vreemde landen geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon ’t toch niet geweest zijn, maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk was het stil en treurig in de hut geworden. ’t Was of daar elken dag een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het hoofd in de handen te peinzen. Op een keer—dat was na de derde begrafenis—was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, waarom er zoo’n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers een goede daad gedaan door de zieke te helpen!Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.Een paar dagenlaterwas het uit met Vader. Maar hij was niet gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek geworden, en van haar had Vader altijd ’t meest gehouden. En toen hij zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder had niet anders gezegd, dan dat het ’t beste was voor Vader, dat hij weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij tobde er over, zoodat hij op ’t punt was zijn verstand te verliezen, hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In ’t begin had hij hun geld gestuurd, maar daarna was ’t hem zeker slecht gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest, en wasopgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich had, zei ze alleen: “Zij zullen ook gauw sterven.”Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in plaats daarvan over haarzelf gekomen. ’t Was gauw gegaan met Moeder, nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in ’t begin van den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de kinderen alleen gelaten.Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven, had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je ’t er na maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor zichzelf zorgen, dat wist ze.De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had gezegd: ze zorgden voorzichzelf. ’t Meisje kon balletjes maken, en de jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon toevertrouwen. ’t Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was, kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster zei van hem, dat hij om ’t hardst kakelde met de ganzen op ’t veld.Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen, en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van die vreeslijke ziekte, die iederjaar zooveel menschen in Zweden deed sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken, en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen, als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel vriendelijk naar hen geluisterd.De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een andere ziekte wezen.Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden, omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte ’t heele land over werd aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem, en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.Waar moesten ze dan naar toe?Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord.En nu was het hun plicht dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over loopen tobben.De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden, dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een bijzonder mooien tocht.Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.“Neen maar! Neen maar!” zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette, en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.“Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen is,” zei de boerin.Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als ze van een boerderij weggingen, zei men: “Als jelui daar en daar komen, moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen.”In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een borstlijder. En zonder dat ze ’t zelf wisten, gingen die twee kinderen door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de spons en den borstel, de groene zeepen de witte gebruiken. Binnen en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.

In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje, die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt, en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen, die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar een bed op den grond gemaakt. ’s Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en ’s morgens was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.

Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als ’t hun maar mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden, ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt, dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen, had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat ’t zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen, als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden ’t niet gedaan. Misschien waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo, dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.

Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de kleinekinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hijver wegin vreemde landen geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt, dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.

De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon ’t toch niet geweest zijn, maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk was het stil en treurig in de hut geworden. ’t Was of daar elken dag een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden, maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken, en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het hoofd in de handen te peinzen. Op een keer—dat was na de derde begrafenis—was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij, waarom er zoo’n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers een goede daad gedaan door de zieke te helpen!

Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.

Een paar dagenlaterwas het uit met Vader. Maar hij was niet gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek geworden, en van haar had Vader altijd ’t meest gehouden. En toen hij zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder had niet anders gezegd, dan dat het ’t beste was voor Vader, dat hij weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij tobde er over, zoodat hij op ’t punt was zijn verstand te verliezen, hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.

Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In ’t begin had hij hun geld gestuurd, maar daarna was ’t hem zeker slecht gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest, en wasopgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich had, zei ze alleen: “Zij zullen ook gauw sterven.”

Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.

Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in plaats daarvan over haarzelf gekomen. ’t Was gauw gegaan met Moeder, nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in ’t begin van den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de kinderen alleen gelaten.

Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven, had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je ’t er na maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.

Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor zichzelf zorgen, dat wist ze.

De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had gezegd: ze zorgden voorzichzelf. ’t Meisje kon balletjes maken, en de jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon toevertrouwen. ’t Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was, kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster zei van hem, dat hij om ’t hardst kakelde met de ganzen op ’t veld.

Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen, en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van die vreeslijke ziekte, die iederjaar zooveel menschen in Zweden deed sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken, en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.

Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.

De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen, als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel vriendelijk naar hen geluisterd.

De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.

Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een andere ziekte wezen.

Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.

Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden, omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?

Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte ’t heele land over werd aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem, en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.

Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.

Waar moesten ze dan naar toe?

Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord.En nu was het hun plicht dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over loopen tobben.

De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden, dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.

Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een bijzonder mooien tocht.

Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.

“Neen maar! Neen maar!” zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette, en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.

“Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen is,” zei de boerin.

Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als ze van een boerderij weggingen, zei men: “Als jelui daar en daar komen, moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen.”

In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een borstlijder. En zonder dat ze ’t zelf wisten, gingen die twee kinderen door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de spons en den borstel, de groene zeepen de witte gebruiken. Binnen en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.

De dood van kleine Mads.Kleine Mads was dood. ’t Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.“Ga niemand anders roepen,” had hij gezegd, toen het einde naderde, en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.“Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa,” had hij gezegd. “Jij ook niet?”En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: “Ik vind het niet erg om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien.”Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer, kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden, dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot mensch.’t Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat ongewoon was.Asa zat er aan te denken hoe ’t hun was gegaan, toen ze naar den Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die wenkbrauwen waren ’t merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar wekenzou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren, konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden, den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.

Kleine Mads was dood. ’t Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.

Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.

“Ga niemand anders roepen,” had hij gezegd, toen het einde naderde, en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.

“Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa,” had hij gezegd. “Jij ook niet?”

En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: “Ik vind het niet erg om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien.”

Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer, kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden, dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot mensch.

’t Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat ongewoon was.

Asa zat er aan te denken hoe ’t hun was gegaan, toen ze naar den Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die wenkbrauwen waren ’t merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar wekenzou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren, konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.

Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden, den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.


Back to IndexNext