XXXV.Bij de Laplanders.De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven, en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter.“Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb,” snikte zij.’t Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad, zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar hoofd neerlegde. En ’t was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat, waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads springlevend bij haar in de kamer kwam.“Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken,” zei hij.“Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is,” antwoordde ze.“Wees daar maar niet ongerust over!” zei kleine Mads vlug en vroolijk, zooals gewoonlijk. “Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal.”Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze: “Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen.”Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was, was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het ’t zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet, terwijl ze door ’t land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan.“Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen zou, om me te helpen Vader te vinden,” dacht ze.En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen om bij hem te komen.Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand, die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen.Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies, wat hij had geraden.Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen, van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd, een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan den gang was. ’t Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes, diegebouwd werd in een streek, zóó ver naar ’t noorden gelegen, dat de kleine verschrompelde berkjes, die ’t veld bedekten, hun bladen niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer.Ten westen van het meer lag ’t veld vrij en open, en daar hadden een paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich eerst maar een droge en prettige plaats bij ’t meer uitgezocht, en toen hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om ’t dak te leggen en te dekken, of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen, om hun huis in te richten of te meubileeren. ’t Voornaamste was, dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden, en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken, aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen werd vastgemaakt.De kolonisten aan den oostkant van ’t meer, die zoo ijverig werkten om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen, verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in ’t hooge noorden al veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken, dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten, die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven.Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure, en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren, kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten koffiedrinken.Terwijl de Laplanders druk aan ’t praten waren onder de koffie, kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen de dertien en veertien jaar.De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. ’t Was een goede vriend van de Laplanders,een vriendelijk en spraakzaam man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij in de tent moest kruipen.“Je komt als geroepen, Söderberg!” zei hij. “De koffiepot staat op ’t vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel ons wat nieuws.”De arbeider kroop naar binnen, en met veel moeite en onder veel gelach werd er plaats gemaakt voor hem en het meisje in de kleine tent, die al te voren vol menschen was. De man begon al gauw Lapsch met zijn gastheeren te praten. Het meisje, dat bij hem was, verstond niets van het gesprek. Ze zat stil en verwonderd naar alles om haar heen te zien; naar de pan en de koffietafel, naar ’t vuur en den rook, naar de Laplandsche mannen en vrouwen, naar de kinderen en de honden, naar de wanden en den vloer, naar de koffiekoppen en de tabakspijpen, naar de bonte kleeren en uitgesneden werktuigen. ’t Was alles nieuw voor haar. Niets was, zooals zij het gewend was.Op eens moest ze ophouden met rondkijken, en sloeg de oogen neer, want ze merkte, dat allen in de tent haar aankeken. Söderberg moest iets van haar verteld hebben, want nu namen de Laplandsche mannen en vrouwen de korte pijp uit den mond, en keken naar de plaats, waar zij zat. De Laplander, die naast haar zat, klopte haar op den schouder, knikte en zei in ’t Zweedsch: “Goed, goed.” Een Laplandsche vrouw schonk een grooten kop koffie in, die haar met veel moeite werd toegereikt, en een Laplandsche jongen, die ongeveer even oud was als zij, kroop tusschen de anderen door, tot hij bij haar kwam. En daar lag hij haar maar aan te kijken.’t Meisje begreep, dat Söderberg aan de Laplanders vertelde, hoe ze een groote begrafenis had gehouden voor haar broer, de kleine Mads; maar zij had liever gehad, dat hij niet zooveel over haar had gesproken, maar in plaats daarvan aan de Laplanders had gevraagd, of ze wisten waar haar vader was. De dwerg had gezegd, dat hij bij de Laplanders moest wezen, die ten westen van Luossajaure hun kamp hadden opgeslagen, en ze had gevraagd, of ze daarheen mocht rijden met een grinttrein (want gewone treinen liepen nog niet op die baan) om hem te zoeken. Allen, de arbeiders en de chef hadden haar zoo goed mogelijk geholpen, en een ingenieur van Kiruna had Söderberg, die Lapsch kon spreken, met haar over ’t meer gestuurd, om naar haar vader te vragen. Ze had gehoopt hem te ontmoeten, zoodra ze in ’t kamp kwam. Ze had van den een naar den ander gekeken in de tent, maar allen waren ’t Laplanders. Haar vader was daar niet.Ze zag, dat de Laplanders en Söderberg al ernstiger werden, hoe langer zij samen praatten, en dat de Laplanders het hoofd schudden en zich op ’t voorhoofd klopten, alsof ze over iemand spraken,die niet bij zijn volle verstand was. Toen werd ze zoo ongerust dat ze het niet langer kon uithouden, zoo stil te zitten wachten, maar Söderberg vroeg, wat de Laplanders van haar vader wisten.“Ze zeggen, dat hij uit visschen is gegaan,” zei de arbeider. “Ze weten niet, of hij nogvanavondhier in ’t kamp terug kan zijn, maar zoodra ’t weer beter is, zal een van hen hem gaan zoeken.”Daarop wendde hij zich weer tot de Laplanders, en bleef druk met hen praten. Hij wilde niet, dat Asa gelegenheid zou hebben hem nog meer over Jon Assarsson te vragen.’t Was morgen, en mooi weer. Ola Serka zelf, de voornaamste onder de Laplanders, had gezegd, dat hij Asa’s vader zou gaan zoeken, maar hij maakte geen haast. Hij zat voor de tent op den grond gehurkt, en dacht aan Jon Assarsson, en vroeg zich af, hoe hij hem de boodschap zou brengen, dat zijn dochter was gekomen om hem te zoeken. ’t Moest zóó gebeuren, dat Jon Assarsson niet bang werd, en wegliep, want hij was een zonderling man, en bang om kinderen te ontmoeten. Hij zei altijd, dat hij zulke sombere gedachten kreeg, als hij ze zag, dat hij ’t niet verdragen kon.Terwijl Ola Serka zoo zat te peinzen, zaten Asa en Aslak, de Laplandsche jongen, die haar den vorigen avond zoo had zitten aankijken, op de plaats voor de tent samen te praten. Aslak was op school geweest en kon Zweedsch spreken. Hij vertelde Asa van ’t leven in Sameland, en verzekerde haar, dat de menschen ’t daar beter hadden dan ergens anders. Asa vond, dat ze het verschrikkelijk hadden, en dat zei ze ook.“Je weet niet, wat je zegt,” zei Aslak. “Blijf maar een week bij ons, en dan zul je zien, dat wij het gelukkigste volk op de wereld zijn.”“Als ik hier een week bleef, zou ik zeker gestikt zijn van den rook in de tent,” zei Asa.“Zeg dat niet,” zei de Laplandsche jongen. “Je weet niets van ons. Ik zal je wat vertellen, waaruit je misschien begrijpen kunt, dat hoe langer je hier bleef, hoe beter je je bij ons thuis zou voelen.”Daarop begon Aslak Asa te vertellen, hoe ’t hier was in den tijd toen een ziekte, die ze “de zwarte dood” noemden, door ’t land was gegaan. Hij wist niet, of die ook in ’t echte Sameland was geweest, waar ze nu waren, maar in Jämtland was ’t zoo vreeselijk geweest, dat van de Samelanders, die daar in bosschen en op de rotsen woonden, allen waren gestorven, behalve een jongen van vijftien jaar, en van de Zweden, die in de rivierdalenwoonden, niemand was overgebleven dan een meisje, dat ook vijftien jaar oud was.“De jongen en ’t meisje hadden een heelen winter door ’t eenzame land gezworven om menschen te zoeken, en tegen de lente hadden ze eindelijk elkaar ontmoet,” vertelde Aslak verder. “Toen vroeg het Zweedsche meisje den Laplandsche jongen, of hij met haar meê naar ’t zuiden wou trekken, zoodat ze bij menschen van haar eigen stam kon komen. Ze wilde niet langer in Jämtland blijven, waar niets dan verlaten hoeven te vinden waren.“Ik wil je brengen, waarheen je maar wilt,” zei de jongen. “Maar niet vóór den winter. Nu is ’t lente, mijn rendieren trekken naar ’t westen over de rotsen, en je weet, dat wij, die in Sameland thuis hooren, moeten gaan, waar de rendieren ons leiden.”’t Zweedsche meisje was een kind van rijke ouders. Ze was gewend onder een dak te wonen, en in een bed te slapen, en aan een tafel te eten. Ze had altijd arme menschen veracht, en vond, dat zij, die onder den blooten hemel moesten wonen, heel ongelukkig waren. Maar ze was er bang voor naar haar landgoed terug te gaan, waar niemand was, dan de dooden.“Laat me dan ten minste met je naar boven op de rotsen trekken,” zei ze tegen den jongen, “zoodat ik hier niet alleen hoef rond te loopen, zonder ooit een menschenstem te hooren.”Daar zei de jongen graag “ja” op, en zoo mocht het meisje met de rendieren meêgaan op hun tocht over de rotsen. De kudde verlangde naar de goede rotsweiden, en liep elken dag groote afstanden. Er was geen tijd om een hut op te slaan. Ze moesten maar in de sneeuw gaan liggen slapen in de uren, dat de rendieren stilstonden, om te grazen. De dieren voelden den zuidenwind door hun pels gaan, en wisten, dat die over een paar dagen de sneeuw van de rotshellingen zou vegen. De jongen en ’t meisje moesten ze hard naloopen door de sneeuw, die aan ’t smelten was, en over het barstend ijs.Toen ze zoo hoog op den berg gekomen waren, dat het naaldbosch ophield, en de verschrompelende berkjes zich vertoonden, rustten ze een paar weken uit, en wachtten, of de sneeuw op de andere bergvlakten zou smelten. Daarna trokken ze die op. ’t Meisje klaagde en hijgde, en zei vaak, dat ze zóó moe was, dat ze naar de rivierdalen terug moest, maar ze ging toch meê; liever deed ze dat, dan alleen gelaten te worden, zonder een levend mensch in haar nabijheid.Toen ze op de rotsvlakten waren gekomen, sloeg de jongen een tent op voor ’t meisje, op een mooie, groene plek, die bij een rotsbeek lag. Toen het avond was, ving hij de rendieren met de lijn, melkte ze, en gaf haar melk te drinken. Hij zocht droog rendiervleesch en rendierkaas, dat zijn volk boven op de hoogte hadverborgen, toen ze daar den vorigen zomer waren. ’t Meisje klaagde altijd, en was nooit tevreden. Ze wou geen gedroogd rendiervleesch eten en geen rendierkaas, en geen rendiermelk drinken. Ze kon er niet aan wennen neergebukt onder de tent te zitten, of op ’t veld te liggen, met niets dan een rendierhuid en wat takjes als bed. Maar de zoon van de rotsbewoners lachte wat om haar verdriet, en bleef altijd even goed voor haar.Na een paar dagen kwam het meisje bij den jongen, terwijl hij bezig was rendieren te melken, en vroeg of ze hem helpen mocht. Ze begon ook ’t vuur aan te maken onder de pan, waarin ’t rendiervleesch zou gekookt worden, water te dragen, en kaas te maken. ’t Was nu een goede tijd. ’t Weer was warm, en ’t was makkelijk om aan eten te komen. Ze gingen samen strikken zetten voor de vogels, hengelden forellen uit den waterval, en plukten wilde frambozen op ’t moeras.Toen de zomer voorbij was, verhuisden ze zoover naar beneden op de rotsen, dat ze de grens tusschen ’t naaldbosch en de loofboomen bereikten, en daar sloegen ze weer hun kamp op.’t Was nu slachttijd, en ze hadden hard werk alle dagen, maar ’t was ook een goede tijd, met nog grooter overvloed van voedsel dan in den zomer. Toen de sneeuw kwam, en ijs op de meren lag, trokken ze verder naar het oosten in ’t dichte dennenbosch. Zoodra ze de tent hadden opgeslagen, begonnen ze met het winterwerk. De jongen leerde het meisje draden van rendierpeezen maken, huiden bereiden, kleeren naaien en schoenen van rendiervel, op sneeuwschoenen loopen, en rijden in de slee met rendieren bespannen. Toen ze het donkere gedeelte van den winter door waren gekomen, en de zon bijna den heelen dag scheen, zei de jongen tegen ’t meisje, dat hij haar nu naar het zuiden kon brengen, zoodat ze menschen van haar stam kon vinden. Maar toen zag het meisje hem verwonderd aan.“Waarom wil je me wegsturen?” zei ze. “Verlang je om alleen met je rendieren te wezen?”“Ik dacht, dat jij verlangde,” zei de jongen.“Ik heb nu bijna een jaar het leven van de menschen in Sameland geleid,” zei het meisje. “Nu kan ik niet meer naar mijn volk teruggaan, en in kleine huizen leven; nu ik zoolang vrij op de rotsen en in ’t bosch heb rondgezworven. Jaag me niet weg, maar laat me hier blijven. Jelui manier van leven is beter dan de onze.”“’t Meisje bleef haar heele leven bij den jongen, en verlangde nooit meer terug naar de rivierdalen. En als jij, Asa, hier maar een maand bleef, zou je nooit meer van ons weg kunnen gaan.”Met die woorden eindigde Aslak, de Laplandsche jongen, zijn verhaal, en op datzelfde oogenblik nam zijn vader, Ola Serka, de pijp uit den mond, en stond op. De oude Ola verstond meer Zweedschdan hij wel wilde laten merken, en hij had de woorden van zijn zoon begrepen. En terwijl hij luisterde, was het hem op eens duidelijk geworden, hoe hij doen moest, om aan Jon Assarsson te vertellen, dat zijn dochter was gekomen om hem op te zoeken.Ola Serka ging naar Luossajaure, en volgde den oever een poos, tot hij bij een man kwam, die op een steen zat te visschen. De visscher had grijs haar, en zijn rug was gebogen, de oogen zagen moe rond, en er was iets slaps en hulpeloos over hem. Hij zag er uit als iemand, die had geprobeerd iets te dragen, dat hem te zwaar was geworden, of iets uit te denken, dat hem te moeilijk was, en die gebroken en moedeloos was geworden, doordat het hem niet gelukte.“Je hebt zeker nog al wat gevangen, Jon, nu je zoo den heelen nacht hebt zitten visschen?” zei de rotsbewoner in ’t Lapsch, toen hij bij hem kwam.De andere kreeg een schok, en zag op. ’t Aas van zijn hengel was weg, en geen enkele visch lag naast hem. Hij stak gauw een nieuw aas aan den haak, en legde in. Intusschen ging de rotsbewoner naast hem in het gras liggen.“Ik wou je wat vertellen,” zei Ola.“Je weet, dat ik een dochter had, die verleden jaar is gestorven, en haar hebben we altijd in onze tent gemist.”“Ja, dat weet ik,” zei de visscher kortaf, en er gleed een schaduw over zijn gezicht, alsof hij liever niet aan een dood kindje herinnerd had willen worden. Hij sprak goed Lapsch.“Maar ’t geeft niets, of je je leven met treuren bederft,” zei de Laplander.“Neen, dat doet het ook niet.”“En nu heb ik er over gedacht om een ander kind aan te nemen. Zou je dat niet verstandig vinden?”“Dat hangt er van af, wat voor kind het is, Ola!”“Ik zal je vertellen, wat ik van het meisje weet, Jon,” zei Ola en vertelde den visscher nu, dat midden in den zomer een paar kinderen, een jongen en een meisje, naar den Malmberg waren komen wandelen, om hun vader te zoeken, en dat ze, omdat hun vader weg was, daar waren gebleven om hem op te wachten. Maar terwijl ze daar waren, was de jongen gestorven, door dat hij bij ’t springen van een rots door een steenblok was getroffen, en toen had het meisje hem een groote begrafenis willen geven. Daarop beschreef Ola heel mooi, hoe dat kleine meisje allen had overgehaald om haar te helpen, en dat ze zoo moedig was geweest, dat ze zelf naar den onderdirecteur was gegaan, om hem te spreken.“Is dat het meisje, dat je bij je in de tent wilt nemen?” vroeg de visscher.“Ja,” zei de Laplander. “Toen we dit hoorden, konden geen van ons zijn tranen inhouden, en we zeiden tegen elkaar, dat zoo’n goede zuster ook een goede dochter worden zou, en we hopen, dat ze bij ons zal blijven.”De andere bleef een poos zwijgend zitten. Men kon wel merken, dat hij het gesprek alleen voortzette, om zijn vriend, den Laplander, pleizier te doen.“Ze hoort zeker tot je stam, dat meisje.”“Neen,” zei Ola, “ze behoort niet tot de Samelanders.”“Misschien is ze de dochter van een kolonist, zoodat ze gewoon is aan ’t leven hier in ’t noorden?”“Neen, ze komt ver uit het zuiden,” zei Ola, en keek, alsof dit niets met de zaak te maken had. Maar nu begon de visscher belang in de zaak te stellen.“Dan denk ik niet, dat je haar kunt aannemen,” zei de visscher. “Ze kan er zeker niet aan wennen in een tent te wonen, als ze er niet bij is opgevoed.”“Ze krijgt goede ouders en goede broers en zusters,” zei Ola Serka koppig. “’t Is erger om alleen te zijn, dan ’t koud te hebben.”Maar de visscher scheen steeds meer besloten te zijn die zaak te verhinderen. Het was alsof hij de gedachte niet kon verdragen, dat een kind van Zweedsche ouders bij de Laplanders zou worden opgevoed.“Je zei immers, dat ze een vader heeft, die bij den Malmberg woont.”“Hij is dood,” zei de Laplander knorrig.“Heb je daar wel goed naar onderzocht, Ola?”“Daar hoef je toch niet naar te vragen,” zei de Laplander verachtelijk. “Dat kun je toch wel begrijpen. Zou dat meisje met haar broer alleen door ’t heele land gezworven hebben, als ze een vader in leven hadden gehad? Zouden twee kinderenzichzelfhebben moeten verzorgen, als ze een vader hadden? Zou dat kleine meisje alleen naar den onderdirecteur hebben hoeven te gaan, als haar vader nog leefde? Zou ze nu nog maar een oogenblik alleen zijn, nu heel Sameland er over spreekt, wat ze voor een flink meisje is, als haar vader niet al dood was? ’t Meisje zelf meent, dat haar vader nog leeft, maar ik zeg, dat hij dood moet wezen.”De man met de vermoeide oogen keerde zich naar Ola.“Hoe heet het meisje, Ola,” zei hij.De rotsbewoner dacht na.“Dat herinner ik me niet. Ik zal ’t haar vragen.”“Zal je ’t haar vragen? Is ze er dan al?”“Ja, ze is bij ons in de tent.”“Maar Ola! Heb je haar dan al bij je genomen, vóór je weet, of haar vader ’t hebben wil?”“Ik hoef me toch aan haar vader niet te storen. Als hij niet dood is, hoort hij toch tot die menschen, die niets van hun kinderen willen weten. Hij mag blij zijn, dat een ander zich om haar bekommert.”De visscher wierp zijn hengel neer, en stond op. Er kwam beweging in hem, alsof er een nieuw leven over hem was gekomen.“Ik denk, dat haar vader niet is als andere menschen,” zei de rotsbewoner weer. “Misschien is hij iemand, die door sombere gedachten wordt vervolgd, zoodat hij ’t niet bij zijn werk kan uithouden. Wat heeft ze nu aan zoo’n vader?”Terwijl Ola dat zei, was de visscher het strand verder opgegaan.“Waar wil je heen?” vroeg de Laplander.“Ik ga eens naar je pleegdochter kijken, Ola.”“Dat is goed,” zei de Laplander. “Kom jij maar eens naar haar kijken. Ik denk wel, dat je vinden zult, dat ik een goede dochter krijg.”De Zweed liep zoo haastig voort, dat de Laplander hem nauwelijks kon volgen. Na een poos zei Ola:“Nu herinner ik me, dat het meisje, dat ik aannemen wil, Asa Jonsdochter heet.”De andere begon nog harder te loopen, en de oude Ola Serka was zoo blij, dat hij wel hardop had willen lachen. Toen ze zoover geloopen hadden, dat ze de tenten in ’t zicht kregen, zei Ola nog:“Ze is hier in Sameland gekomen om haar vader te zoeken, en niet om mijn pleegdochter te worden, maar als ze haar vader niet vindt, wil ik haar graag bij mij in de tent houden.”De andere liep nog harder.“Ik dacht wel, dat hij bang zou worden, als ik hem dreigde zijn dochter onder de Samelanders op te nemen,” dacht Ola.Toen de man uit Kiruna, die Asa, ’t ganzenhoedstertje naar ’t Lappenkamp had gebracht in zijn roeiboot, in den loop van dien dag terugkwam, had hij twee menschen bij zich in de boot, die dicht naast elkaar zaten, en elkaar trouw bij de hand hielden, alsof ze nooit meer wilden scheiden. ’t Waren Jon Assarsson en zijn dochter. Beiden waren heel anders dan een paar uur geleden. Jon Assarsson zag er minder gedrukt en moe uit, en zijn oogen zagen helder en zacht rond, alsof hij nu antwoord had gekregen op wat hem zoo lang angstig had gemaakt, en Asa keek niet meer zoo wijs en waakzaam rond, als ze vroeger deed. Ze had nu een groot mensch om op te steunen en op te vertrouwen, en ’t was, alsof ze nu weer een kind werd.XXXVI.Naar ’t zuiden, naar ’t zuiden.De jongen zat op den rug van den wilden ganzerik, en reed voort hoog in de wolken. Dertien wilde ganzen vlogen in een goed geordenden troep snel naar ’t zuiden. Hun veeren bruisten, en de vele vleugels sloegen door de lucht met zoo’n sterk geluid, dat men nauwelijks zijn eigen stem kon hooren. Akka van Kebnekaise vloog vooruit, en achter haar kwamen IJksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, Maarten de ganzerik en Donsje. De zes jonge ganzen, die den troep den vorigen herfst vergezelden, hadden dien nu verlaten, en reddenzichzelf. In hun plaats nam de oude gans nu tweeëntwintig jonge ganzen meê, die dezen zomer in het rotsdal waren opgegroeid. Elf vlogen links en elf rechts, en ze deden hun best om op gelijken afstand van elkaar te blijven, zooals ook de groote deden.Die arme jonge dingen hadden nog nooit een lange reis gedaan, en in ’t begin hadden ze moeite om meê te komen in die snelle vaart.“Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!” riepen ze jammerend.“Wat is er?” vroeg de leidstergans.“Onze vleugels zijn te moe, onze vleugels zijn te moe!” schreeuwden de jongen.“Dat wordt beter, als je maar volhoudt!” antwoordde de leidstergans, en vloog heelemaal niet zachter, maar ging door als te voren. En ’t was wezenlijk, alsof ze gelijk had, want toen de gansjes een paar uur gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over vermoeidheid. Maar in het rotsdal waren ze gewend geweest den heelen dag door te eten, en het duurde niet lang, voor ze naar eten begonnen te verlangen.“Akka, Akka, Akka van Kebnekaise,” riepen de jongen klagend.“Wat is er nu?” vroeg de leidstergans.“We hebben zoo’n honger, dat we niet langer vliegen kunnen,” schreeuwden de jonge ganzen.“Wilde ganzen moeten leeren lucht te eten en wind te drinken,” antwoordde de leidstergans, en hield niet op, maar vloog door als te voren.En ’t scheen wel, alsof de jonge ganzen geleerd hadden van lucht en wind te leven. Want toen ze een poos gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over honger.De troep wilde ganzen was nog boven de rotsen, en de oude ganzen riepen de namen op van alle bergtoppen, die ze voorbij kwamen, opdat de jongen zouden leeren, hoe ze heetten. Maar toen ze een poos geroepen hadden: “Dit is Porsotjokko, dat is Sarjektjokko, dat is Sulitelma....!” werden de jongen weer ongeduldig. “Akka, Akka, Akka!” riepen ze met hartverscheurende stem.“Wat is er?” vroeg de leidstergans.“We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd,” schreeuwden de jongen. “We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd!”“Hoe meer er in een hoofd komt, hoe meer plaats er komt,” antwoordde de leidstergans, en ging voort met de merkwaardigste namen op te roepen als te voren.De jongen dacht, dat het wel tijd was, dat de wilde ganzen op weg naar ’t zuiden gingen, want nu lag er zooveel sneeuw, dat het veld wit was, zoover hij zien kon.’t Was ook niet te ontkennen, dat zij ’t stormachtig hadden gehad den laatsten tijd in ’t rotsdal. Regen en storm en mist hadden elkaar zonder ophouden opgevolgd, en als ’t eens helderder werd, was het dadelijk koud geworden tegen ’t vriespunt aan. Bessen en paddenstoelen, waar de jongen den zomer door van had geleefd, waren bevroren en gerot, zoodat hij eindelijk visch had moeten eten, en daar hield hij in ’t geheel niet van. De dagen werden kort, en ’t was saai en vervelend geweest met die lange avonden en late morgens, voor hen, die niet in staat waren precies even lang te slapen, als de zon beneden den horizont was.Nu waren eindelijk de vleugels van de jonge ganzen volwassen, zoodat de reis naar het zuiden had kunnen beginnen, en de jongen was zoo blij, dat hij lachte en zong, terwijl hij daar op den ganzenrug reed. Zie, ’t was niet alleen om de kou en de duisternis en ’t weinige eten, dat hij verlangde uit Lapland, maar ook nog ergens anders om.In de eerste weken, die hij daar had doorgebracht, had hij wezenlijk niet verlangd. Hij vond, dat hij nog nooit in zoo’n heerlijk mooi land was geweest, en hij had geen andere zorgen gehad, dan om te beletten, dat de muggen hem zouden opeten. De jongen had niet veel gezelligheid aan Maarten den ganzerik gehad, want de groote witte vogel dacht alleen aan het bewakenvan Donsje, en week geen stap van haar weg. Maar daarentegen had hij zich aan de oude Akka en aan Gorgo den arend gehouden, en die drie hadden met elkaar veel prettige uren gehad. De vogels hadden hem meegenomen op groote tochten. De jongen had op den top van de besneeuwde Kebnekaise gestaan en op gletschers neergezien, die zich beneden den steilen witten kegel uitbreidde, en hij had veel andere hooge rotsen bezocht, die niet dikwijls door menschenvoeten betreden werden. Akka had hem verborgen dalen tusschen de bergen gewezen, en hem in rotskloven laten neerzien, waar de wolvinnen hun jongen grootbrengen. Natuurlijk had hij kennis gemaakt met de tamme rendieren, die in groote troepen grazen aan de oevers van het mooie Torne-moeras, en was hij beneden bij den grooten meerwaterval geweest en had den beren, die daar in de buurt wonen, de groeten van hun familie in de mijndistricten gebracht. Waar hij kwam, had hij een mooi, grootsch land gevonden. Hij was heel blij, dat hij ’t had mogen zien, maar hij had er niet graag willen wonen. Hij moest toegeven, dat Akka gelijk had, toen ze zei, dat de Zweedsche kolonisten dit land maar met rust moesten laten, en ’t overlaten aan de beren en wolven, en rendieren en wilde ganzen en rotsuilen en aardmuizen, en Laplanders, die geschapen waren om daar te leven.Op een dag had Akka hem bij een van de groote mijnsteden gebracht, en daar had hij kleinen Mads, door een rotsblok getroffen, vinden liggen voor een mijnschacht. En de volgende dagen had de jongen aan niets anders gedacht, dan om de arme Asa te helpen, maar toen zij haar vader had teruggevonden, zoodat hij niets meer voor haar hoefde te doen, was hij ’t liefste thuisgebleven in het rotsdal. En van dien dag af had hij loopen verlangen naar den dag, dat hij met Maarten den ganzerik naar huis zou gaan, en een mensch zou worden. Hij wou graag weer zoo worden, dat Asa met hem zou durven praten, en niet de deur voor zijn neus dichtslaan.Ja, hij was heel gelukkig, nu hij op weg was naar ’t zuiden. Hij zwaaide met zijn muts en riep hoera, toen hij ’t eerste dennenbosch zag, en op dezelfde manier begroette hij de eerste grijze kolonistenhuizen, de eerste geit, de eerste kat, de eerste kip. Hij vloog over prachtige watervallen, en rechts zag hij mooie rotsen, maar aan zooiets was hij zoo gewend, dat hij haast niet de moeite nam er naar te kijken.Iets anders was het, toen hij ten oosten van de rots de kapel van Kvickjock zag, met de kleine pastorie, en het dorpje; dat vond hij zoo mooi, dat hij tranen in de oogen kreeg. Onophoudelijk kwamen ze trekvogels tegen, die nu in veel grooter troepen vlogen dan in de lente.“Waar ga jelui heen, wilde ganzen?” riepen de trekvogels. “Waar ga je heen?”“We gaan naar ’t buitenland, net als jelui,” antwoordden de wilde ganzen. “We gaan naar ’t buitenland.”“Jelui jongen kunnen nog niet vliegen,” riepen de anderen. “Ze komen nooit over de zee met hun zwakke vleugels.”Laplanders en rendieren waren ook bezig van de rotsen naar beneden te komen. Ze liepen in goede orde: een Laplander liep vooraan in den stoet, en dan kwam de kudde met de groote stieren in de eerste rijen, dan een rij lastrendieren, die de tent en de overige bagage droegen, en eindelijk een zeven, acht menschen. Toen de wilde ganzen de rendieren zagen, daalden ze neer en riepen: “We danken je voor dezen zomer!”“Goeie reis en tot weerziens!” antwoordden de rendieren. Toen de beren de wilde ganzen zagen, wezen ze die aan hun jongen en bromden: “Kijk zij eens! Ze zijn zoo bang voor een beetje kou, dat ze in den winter niet thuis durven blijven.”En de oude wilde ganzen bleven hun geen antwoord schuldig, maar ze riepen tegen de jonge gansjes: “Kijk zij eens, ze liggen liever een half jaar te slapen, dan dat ze de moeite nemen naar ’t zuiden te verhuizen.”Beneden in de dennenbosschen zaten de jonge korhoenders ineengedoken, ruig en koud, en keken naar al die groote troepen vogels, die met vreugde en gejuich naar ’t zuiden vlogen.“Wanneer mogen wij gaan?” vroegen de korhoendertjes. “Wanneer mogen wij gaan?”“Jelui mogen thuis blijven bij Vader en Moeder,” antwoordde de korhen. “Jelui moogt thuisblijven bij Vader en Moeder.”Ieder, die op de rotsen geweest is, weet wel hoe lastig de mist wezen kan, die nevels, die komen aanrollen, en het uitzicht wegnemen, zoodat je heelemaal niets ziet van al die mooie rotsen, die om je heen zijn. Je kunt mist hebben midden in den zomer, maar in den herfst kun je hem bijna niet vermijden. Wat Niels Holgersson betreft, hij had vrij mooi weer, zoolang hij in Lapland was, maar de wilde ganzen hadden nauwelijks geroepen, dat ze in Jämtland waren, of de nevels kwamen dicht om hem heen, zoodat hij niets van het land zag. Hij vloog er een heelen dag over, zonder te weten of ’t een bergland of een vlakte was, waar ze over heen vlogen.Tegen den avond streken de wilde ganzen neer op een groene plaats, die naar alle zijden afhelde, zoodat hij begreep, dat hij op den top van een heuvel stond, maar of die groot of kleinwas, kon hij niet met zekerheid zeggen. Hij meende, dat ze in een bewoonde streek moesten wezen, maar hij was bang, dat hij in den mist zou verdwalen, en durfde niets anders doen dan bij de wilde ganzen blijven. Alles was vochtig en druipend nat. Er hingen droppeltjes aan elken grashalm en aan ieder klein plantje, zoodat hij een flink regenstortbad kreeg, als hij zich maar bewoog.“’t Is hier niet veel beter dan in het rotsdal,” dacht hij.Maar een paar stappen waagde hij toch te doen, en nu onderscheidde hij flauw een gebouw dicht bij hem. ’t Was niet heel groot, maar verscheiden verdiepingen hoog. Hij kon er den top niet van zien. De deur was gesloten en het huis scheen onbewoond. Hij begreep, dat dit niet anders dan een Belvédère was, en dat hij daar geen warmte of eten zou vinden. Maar hij liep toch, zoo hard hij kon, naar de wilde ganzen terug.“Lieve Maarten,” zei hij tegen den ganzerik, “neem me op je rug, en draag me naar den top van dien toren daar. Hier is alles zoo nat, dat ik niet slapen kan, maar daar vind ik wel een droog plaatsje om te rusten.”Maarten, de ganzerik, wilde hem heel graag helpen. Hij bracht hem naar ’t balkon op den toren van de Belvédère, en daar ging de jongen rustig liggen slapen, tot de morgenzon hem wekte.Maar toen hij nu de oogen opsloeg, wist hij niet waar hij was. Hij was zoo gewend aan woeste velden, dat hij, wat hij nu zag: een sterk bebouwde streek, eerst bijna voor een schilderij hield. Maar daar was ook nog een andere reden voor. Niets van al, wat hij zag, had een gewone kleur. Het gebouw, waar hij was, stond op een berg, die op een eiland lag, en ’t eiland lag bij den oostelijken oever van een meer. Maar dat meer was niet grijs, zooals meren meestal zijn, maar even helder als de morgenhemel, en in de diepe inhammen was het bijna glanzend zwart. De oevers om het meer heen waren niet groen, maar lichtgeel, door al de afgemaaide akkers en de herfstkleurige bosschen, die ze bedekten. Om dat gele heen liep een breede streep zwart naaldbosch. ’t Kwam misschien, omdat de loofboomen zoo licht van kleur waren, maar de jongen dacht, dat hij nog nooit de naaldbosschen zóó zwart had gezien, als dien morgen. Achter dat zwarte zag hij in ’t oosten lichtblauwe heuvels, maar langs den heelen wester horizont liep een lange schitterende boog van puntige rotsen van allerlei vormen, die zoo’n mooie kleur hadden, dat hij ze niet rood, of wit of blauw kon noemen. Hij kon er geen naam aan geven.Terwijl hij daar naar stond te kijken, schrikte hij op eens en keek om. Hij was zoo verdiept geweest in wat hij zag, dat hij niet gemerkt had, dat er menschen op ’t balkon gekomen waren. Hij kon zich nog juist bijtijds verstoppen. ’t Waren jonge menschen,die een voetreis deden. Ze bewonderden het prachtige uitzicht en bleven lang staan praten.De jongen werd onrustig, omdat die reizigers zoo lang bleven. Maarten, de ganzerik, kon hem niet komen halen, terwijl zij er waren, en hij wist, dat de wilde ganzen haast hadden. Hij meende ganzengekakel te hooren en sterke vleugelslagen, alsof de wilde ganzen wegvlogen. Maar hij durfde niet te voorschijn komen om te zien wat er gebeurde.Toen de voetreizigers eindelijk weg waren, en de jongen uit zijn schuilhoek durfde kruipen, zag hij geen wilde gans meer op het veld, en geen Maarten de ganzerik kwam hem halen.Hij riep: “Waar ben je? Hier ben ik!” zoo hard hij kon, maar zijn reisgenooten vertoonden zich niet. Hij dacht geen oogenblik, dat ze hem in den steek zouden laten, maar hij was bang, dat ze een ongeluk hadden gekregen, en zat er over te denken, hoe hij dat zou kunnen onderzoeken, toen Bataki, de raaf, naast hem neerstreek.De jongen had nooit gedacht, dat hij er toe zou komen Bataki zoo hartelijk welkom te heeten, als hij nu deed.“Lieve Bataki,” zei hij, “dat is heerlijk, dat je hier komt. Je weet misschien, wat er van Maarten den ganzerik en de wilde ganzen geworden is.”“Ik kom je juist hun groeten brengen,” antwoordde de raaf. “Akka merkte, dat hier een jager op den berg rondzwierf, en daarom durfde ze niet hier blijven en op je wachten, maar is vast vooruitgegaan. Ga nu op mijn rug zitten, dan ben je in een uurtje bij je vrienden.”De jongen sprong vliegensvlug op den rug van den raaf, en Bataki zou de wilde ganzen wel gauw hebben ingehaald, als de mist het hem niet had belet. Maar ’t was, alsof de morgenzon de nevelsopnieuwten leven wekte. Kleine lichte dampsluiertjes kwamen opeens uit het meer, van de akkers en uit de bosschen. Ze werden dichter, en spreidden zich verwonderlijk snel uit, en al gauw was de aarde verscholen achter witte golvende nevelen.Bataki vloog boven den mist in heldere lucht en stralenden zonneschijn, maar de wilde ganzen vlogen zeker onder de nevelmassa’s. ’t Was onmogelijk hen in ’t oog te krijgen. De jongen riep, en de raaf kraste, maar ze kregen geen antwoord.“Dat is toch een leelijke tegenval,” zei Bataki eindelijk.“Maar we weten immers, dat ze naar ’t zuiden trekken en zoodra het helder wordt, zal ik ze wel vinden!”De jongen was heel bedroefd, dat hij juist nu van Maarten den ganzerikweg was geraakt, terwijl zij op reis waren, en de groote witte vogel in allerlei gevaar kon komen. Maar toen hij daar een paar uur over in angst gezeten had, zei hij totzichzelf,dat er immers nog geen ongeluk was gebeurd, en dat het niet hielp, of hij den moed al verloor.Juist toen hoorde hij een haan kraaien beneden op de aarde, en dadelijk boog hij zich over den rug van den raaf, en riep:“Hoe heet dit land?”“Dit land heet Härjedal, Härjedal, Härjedal!” kraaide de haan.“Hoe ziet het er daar bij jou uit?” vroeg de jongen.“Rotsen in ’t westen, bosschen in ’t oosten, en een breed rivierdal midden door ’t heele land,” antwoordde de haan.“Dank je wel! Je antwoordt flink!” riep de jongen.Toen hij een eind verder was, hoorde hij een kraai krassen, beneden in den mist.“Wat zijn ’t voor menschen hier in ’t land?” riep hij.“Flinke, brave boeren!” antwoordde de kraai. “Flinke en brave boeren!”“Wat doen ze?” vroeg de jongen. “Wat doen ze?”“Ze verzorgen hun vee en hakken hout!” kraste de kraai.“Dank je wel. Je antwoordt flink!” riep de jongen.Een eind verder hoorde hij een mensch zingen en neuriën beneden in den mist.“Is hier ook een stad in dit land?” vroeg de jongen.“Wat... Wat? Wie roept daar?” antwoordde de mensch.“Is hier ook een stad in dit land?” herhaalde de jongen.“Ik wil weten, wie me roept!” schreeuwde de mensch terug.“Ik dacht wel, dat ik geen goed antwoord zou krijgen, als ik een mensch wat vroeg,” riep de jongen.Het duurde niet lang, of de mist verdween, even gauw als hij gekomen was, en de jongen zag nu, dat Bataki over een breed rivierdal vloog. ’t Was een mooi landschap met hooge rotsen, maar er lag geen groote en vruchtbare, bebouwde streek onder aan den berg. De dorpen lagen ver van elkaar, en de akkers waren klein. Bataki volgde de rivier naar ’t zuiden, tot ze in de buurt van een dorp kwamen. Daar streek hij neer op een stoppelveld, en liet den jongen afstappen.“Op dit veld groeide koren van den zomer,” zei Bataki. “Kijk eens of je niet iets eetbaars kunt vinden.”De jongen volgde zijn raad, en het duurde niet lang, voor hij een korenaar vond. Terwijl hij de korrels eruit haalde, en ze opat, begon Bataki met hem te praten.“Zie je die mooie rots daar, vlak in ’t zuiden?” vroeg hij.“Ja, die zie ik altijd door,” zei de jongen.“Die heet de Sonrots,” ging de raaf voort. “Je kunt er van op aan, dat hier heel wat wolven waren vroeger.”“Dat was een beste schuilplaats voor hen,” zei de jongen.“De menschen, die hier beneden in ’t rivierdal woonden,hadden ’t vaak heel moeielijk door hun schuld,” zei Bataki.“Kun je misschien een paar mooie wolvengeschiedenissen vertellen?” zei de jongen.“Ik heb gehoord, dat lang geleden de wolven van de Sonrots een man moeten hebben overvallen, die er op uit was gegaan om hout voor duigen te verkoopen,” zei Bataki. “Hij kwam van Hede, een dorp, dat hier in ’t rivierdal ligt, een paar mijlen hooger, dan we zijn. ’t Was winter, en de wolven vervolgden hem, toen hij over ’t ijs van Ljusnan reed. ’t Waren wel een negen of tien stuks, en de man uit Hede had geen best paard, zoodat hij niet veel hoop had om weg te komen.Toen de man de wolven hoorde huilen, en zag, hoeveel er waren, die achter hem aankwamen, verloor hij heelemaal zijn kalmte, en dacht er niet aan, dat hij zijn vaten en tobben van de kar moest gooien om de lading lichter te maken. Hij sloeg zijn paard maar, en dat liep al zoo hard, als het kon, maar de man merkte toch, dat de wolven dichter bij kwamen. De oevers van ’t meer waren eenzaam, en de dichtstbijzijnde hoeve lag nog een paar mijlen ver. Hij verwachtte niet anders, dan dat zijn laatste ure zou komen, en voelde, dat hij van angst verstijfde. Terwijl hij daar als verlamd neerzat, zag hij, dat zich iets bewoog tusschen de dennetakken, die op ’t ijs waren neergezet om den weg aan te wijzen. En toen hij zag wie het was, die daar liep, werd hij nog véél angstiger, dan hij eerst was. ’t Waren geen wolven, die hem te gemoet kwamen, maar een arme, oude vrouw. Ze heette Finn Malin, en placht vaak op paden en wegen rond te zwerven. Ze was wat mank en gebocheld, zoodat men haar al van verre kon herkennen.De oude vrouw liep regelrecht de wolven te gemoet, en de man uit Hede begreep dadelijk, dat als hij haar voorbij reed zonder haar te waarschuwen, ze vlak in den muil van de wilde dieren zou loopen, enterwijlze haar verscheurden, zou hij kunnen ontkomen.Ze liep langzaam, over een stok gebogen. ’t Was duidelijk, dat ze verloren was, als hij haar niet hielp. Maar ook al hield hij stil, en liet haar in de slee stappen, dan was ’t nog niet gezegd, dat ze gered zou zijn. Nam hij haar op in de slee, dan was ’t waarschijnlijk, dat de wolven hen zouden inhalen, en dat én zij én hij én het paard gedood zouden worden. En hij dacht er over, of ’t niet het beste was één leven op te offeren om twee anderen te redden.Dat alles ging hem op ’t oogenblik door ’t hoofd, toen hij de oude vrouw zag. En bovendien dacht hij er ook aan, hoe hij het later hebben zou, of hij er berouw van zou krijgen, dat hij de oude vrouw niet had geholpen, of dat de menschen zouden weten, dat hij haar had ontmoet, en haar niet had bijgestaan.’t Was een vreeselijke verzoeking, waar hij in was!“Ik wou veel liever, dat ik haar niet had ontmoet,” dacht hij.Op ’t zelfde oogenblik hieven de wolven een wild gehuil aan, ’t paard nam een sprong, en vloog voorbij de oude vrouw. Ook zij had het wolvengehuil gehoord, en toen de man uit Hede haar voorbij reed, zag hij, dat ze wist wat haar wachtte. Ze stond stil, den mond open als om te schreeuwen, de armen uitgestrekt, naar hulp grijpend, maar ze had niet geroepen, en ook niet geprobeerd op de slee te komen. Er moest iets geweest zijn, dat haar versteende.“Dat zal ik wel geweest zijn. Ik zal er wel hebben uitgezien als een spook, toen ik haar voorbij rende,” dacht hij.Hij probeerde er blij om te zijn, dat hij nu zeker zou ontkomen. Maar tegelijk begon het te branden en te trekken in zijn borst. Hij had nog nooit iets onteerends gedaan, en nu meende hij, dat zijn heele leven was verwoest.“Neen, ’t mag gaan, zooals het wil,”zeihij, en hield de teugels in, “maar ik kan haar niet alleen laten met de wolven.”Met de grootste moeite bracht hij zijn paard tot staan; maar eindelijk gelukte het hem toch, en hij reed in vliegende vaart naar de oude vrouw toe.“Kom gauw in de sleê!” zei hij hard, want hij was boos opzichzelf, omdat hij de vrouw aan haar lot had overgelaten! “Je kon toch een enkelen keer wel eens thuis blijven, ouwe heks,” zei hij. “Nu moeten zwartje en ik er aan gelooven om jou.”De oude vrouw antwoordde niets, maar de man uit Hede was niet in een bui om haar te sparen, “Zwartje heeft vandaag al vijf mijl geloopen,” zei hij, “zoodat je wel begrijpen kunt, dat hij gauw moe zal worden, en de lading is niet lichter, sinds jij er bijbentgekomen.”De ijzers onder de slee knarsten over ’t ijs, maar toch hoorde hij de wolven blazen, en hij begreep, dat de dieren hem nu hadden ingehaald.“Nu is ’t uit met ons,” zei hij. “’t Is noch voor mij, noch voor jou een geluk geweest, dat ik geprobeerd heb je te redden, Finn Malin.”Tot nu toe had de oude vrouw gezwegen, als iemand, die aan onheuschheid was gewend. Nu zei ze een paar woorden: “Ik begrijp niet, dat je je duigenhout niet uit de sleê gooit, om de lading te verlichten. Je kunt immers morgen terugkomen en het ophalen.”De man uit Hede begreep, dat het een goede raad was, en was er verbaasd over, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Hij liet de oude vrouw de teugels houden, maakte het touw los, dat hetduigenhoutbijeenhield, en gooide het van de sleê af. De wolven waren vlak achter hen. Maar nu hielden ze stil, om teonderzoeken wat daar over ’t ijs gleed, en de reizigers kwamen zeopnieuween eindje vooruit.“Als dit niet helpt, begrijp je wel, dat ik me zelf aan de wolven geef,” zei de oude vrouw, “zoodat je kunt wegkomen.”Toen ze dat zei, was de man bezig een groot zwaar biervat van de sleê te schuiven. Terwijl hijdaarmeêaan ’t werk was, hield hij op, alsof hij er niet toe kon besluiten ’t vat weg te gooien. Maar eigenlijk waren zijn gedachten met heel wat anders bezig.“Een man en een paard, waar niets aan mankeert, hoeven toch om hunnentwil een oude vrouw niet door de wolven te laten opeten,” dacht hij. “Er moet toch een andere manier zijn om ons te redden. Ja, natuurlijk is er die. ’t Is maar, dat ik er niet op kan komen.”Hij begon weer aan dat biervat te schuiven, maar op eens hield hij weer op, en barstte in lachen uit.De oude vrouw keek hem verschrikt aan, en meende, dat hij krankzinnig geworden was, maar de man uit Hede lachte omzichzelf, omdat hij aldoor zoo dom was geweest. ’t Was ’t eenvoudigste wat je maar bedenken kon, om alle drie te redden, hij kon niet begrijpen, dat hij daar niet eerder aan had gedacht.“Luister nu goed, Malin,” zei hij. “’t Was flink van je, dat je jezelf aan de wolven wou geven. Maar dat hoef je niet te doen, want ik weet nu hoe we alle drie gered zullen worden, zonder iemands leven in gevaar te brengen. Onthoud nu goed, dat—wat ik ook doe—jij stil op de sleê blijft zitten en naar ’t dorp Linsäll rijdt. Daar maak je de menschen wakker, en zegt, dat ik hier alleen op het ijs lig met tien wolven om me heen, en vraagt hun, of ze me willen komen helpen.”Nu wachtte de man, tot de wolven heel dicht bij de sleê waren. Toen gooide hij het groote vat op het ijs, sprong zelf van de sleê en kroop onder het vat.’t Was een geweldige ton. Die was zoo groot gemaakt, dat al het kerstbier er in kon. De wolven sprongen er tegen op, beten in de banden, en probeerden het vat om te gooien, maar het was te zwaar en stond te vast. Ze konden niet bij hem komen, die er onder lag.De man uit Hede wist, dat hij veilig lag, en hij lachte om de wolven. Maar na een poos werd hij ernstig.“Zoodra ik in ’t vervolg in een of andere moeilijkheid kom,” zei hij in zichzelf, “zal ik aan deze ton denken. Ik zal er aan denken, dat ik mezelf geen kwaad hoef te doen, noch een ander. Er is altijd een derde uitweg, als je dien maar vinden kunt.”Daarmeê eindigde Bataki zijn verhaal. Maar de jongen had al lang gemerkt, dat de raaf nooit iets zei, zonder dat hij er eenbepaalde bedoeling meê had, en hoe langer hij naar hem luisterde, hoe meer hij nadacht.“Ik zou wel eens willen weten, waarom je me dat verhaal vertelt,” zei de jongen.“Och, dat kwam me zoo maar weer voor den geest, terwijl ik hier naar de Sonrots stond te kijken,” zei de raaf.Ze reden nu verder langs Ljusna, en een poos later kwamen ze aan ’t dorp Kolsätt, dat vlak bij de grens van Helsingland ligt. Hier streek de raaf neer bij een klein hutje. ’t Had geen venster, enkel maar een luik. Uit den schoorsteen steeg rook op, met vonken vermengd, en sterke hamerslagen klonken uit het huis.“Als ik die smidse daar zie,” zei de raaf, “moet ik er aan denken, dat er vroeger zulke goede smeden inHärjedalenwaren, en vooral in deze stad hier, dat ze hunsgelijken niet hadden in ’t heele land.”“Misschien weet je daar ook wel een verhaal over, dat je me wilt vertellen,” zei de jongen.“Ja, ik weet er wel een van dien smid in Härjedalen,” zei Bataki, “die twee andere meestersmeden, een van Dalecarlië en een van Wermeland, uitnoodigde tot een wedstrijd in ’t spijkers maken. De uitnoodiging werd aangenomen, en de drie smeden kwamen hier in Kolsätt bij elkaar. DeDalecarliërbegon. Hij smeedde een dozijn spijkers, zoo glad en scherp en gelijk, dat niemand ze beter maken kon. Na hem kwam de Wermelander. Ook hij maakte een dozijn spijkers, die voortreffelijk waren, en daar kwam bij, dat hij ze in de helft van den tijd maakte, dien de Dalecarliër noodig had. Toen zij, die ’t werk moesten beoordeelen dat zagen, zeiden ze tegen den smid uit Härjedalen, dat het niet de moeite waard was voor hem om meê te dingen; want beter dan de Dalecarliër en vlugger dan de Wermelander kon hij toch niet smeden.“Ik geef het niet op. Er zal nog wel een andere manier zijn om zich te onderscheiden,” zei de man.Hij legde het ijzer op het aanbeeld, zonder het eerst in ’t vuur te houden, hamerde het warm, en smeedde den eenen spijker na den anderen, zonder kolen of blaasbalg noodig te hebben. Niemand had ooit een smid meesterlijker den hamer zien hanteeren, en de smid uit Härjedalen werd verklaard de eerste in ’t land te zijn.”Na deze woorden zweeg Bataki, maar de jongen werd nog nadenkender.“Ik zou wel willen weten, wat voor bedoeling je met dat verhaal hebt,” zei hij.“Die geschiedenis kwam me in den zin, toen ik de oude smidse zag,” zei Bataki heel onverschillig.De beide reizigers verhieven zich weer in de lucht, en de raaf bracht den jongen naar ’t zuiden, naar de gemeente Lillhärdal,die aan Dalecarlië grenst. Daar streek hij neer op een heuvel, met boomen begroeid, die op den hoogsten top van een bergvlakte lag.“Weet je wel wat dat is voor een hoogte, waar je nu op staat?” zei Bataki.Neen, de jongen moest erkennen, dat hij dat niet wist.“Dat is een grafheuvel,” zei Bataki. “Die is opgehoogd over een man, die Kärjulf heette, en de eerste was, die zich in Härjedalen vestigde en het land ging ontginnen.”“Weet je misschien ook een verhaal van hem?” vroeg de jongen.“Ik heb niet veel van hem gehoord, maar ik geloof, dat hij een Noorman was. Eerst was hij in dienst bij een Noorschen koning, maar daar kreeg hij twist meê, en nu moest hij uit het land vluchten. Hij begaf zich naar den Zweedschen koning, die in Uppsala woonde, en ging in dienst bij hem. Maar na een poosje begeerde hij de zuster van den koning tot vrouw, en toen de koning hem zoo’n voorname bruid niet wou geven, vluchtte hij met haar.Hij had ’t nu zoo gemaakt, dat hij niet in Noorwegen en niet in Zweden kon wonen, en naar het buitenland wilde hij niet gaan.“Maar er moet nog wel een uitweg zijn,” dacht hij, en trok met zijn knechten en schatten naar ’t noorden door Dalecarlië, tot hij de groote, woeste bosschen daar aan de grens bereikte. Daar zette hij zich neer, bouwde een huis, ontgon de streek, en werd zoodoende de eerste, die zich in deze streken vestigde.Toen de jongen dat laatste verhaal hoorde, werd hij nog nadenkender dan vroeger.“Ik zou wel eens willen weten, met welke bedoeling je me dat alles verteld hebt,” zei hij nog eens. Bataki antwoordde een tijdlang niets, maar draaide den kop heen en weer, en kneep de oogen dicht.“Nu we hier toch alleen zijn,” zei hij eindelijk, “moet ik toch de gelegenheid waarnemen, om je iets te vragen. Heb je ooit goed onderzocht, welke voorwaarden de kabouter, die je heeft betooverd, heeft gesteld, om je weer een mensch te laten worden?”“Ik heb niet van andere voorwaarden gehoord, dan dat ik den witten ganzerik ongedeerd naar Lapland en weer terug naar Skaane zou brengen.”“Ik dacht het wel,” zei Bataki, “want toen we elkaar het laatst ontmoetten, sprak je er zoo trotsch over, dat er niets zoo leelijk was, als een vriend ontrouw te worden, die op je vertrouwt. Je moest Akka eens naar de voorwaarden vragen. Je weet, dat ze bij je thuis geweest is, en den kabouter heeft gesproken.”“Daar heeft Akka me niets van verteld,” zei de jongen.“Ze heeft zeker gevonden, dat ’t beter voor je was niet te weten,wat de kabouter precies gezegd had. Ze wou natuurlijk liever jou helpen dan den ganzerik.”“’t Is vreemd, Bataki, dat je er altijd slag van hebt me uit mijn humeur en ongerust te maken,” zei de jongen.“Dat kan wel zoo schijnen,” zei de raaf, “maar dezen keer geloof ik, dat je er me dankbaar voor zult wezen, dat ik je zeg, dat de kabouter het zoo heeft bepaald: dat je een mensch zoudt worden, als je Maarten, den ganzerik, weer thuis bracht, zoodat je moeder hem op de slachtbank kon leggen.”De jongen stoof op.“Dat is niets anders dan een ellendig bedenksel van jou!” riep hij.“Je kunt het Akka zelf vragen,” zei de raaf,“ik zie haar aankomen met haar heelen troep. Vergeet nu niet, wat ik je vandaag heb verteld. Er is een uitweg uit alle moeilijkheden; de vraag is of je dien kunt vinden. Ik verheug er me op, te zien, hoe jou dat zal gelukken.”
XXXV.Bij de Laplanders.De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven, en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter.“Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb,” snikte zij.’t Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad, zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar hoofd neerlegde. En ’t was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat, waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads springlevend bij haar in de kamer kwam.“Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken,” zei hij.“Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is,” antwoordde ze.“Wees daar maar niet ongerust over!” zei kleine Mads vlug en vroolijk, zooals gewoonlijk. “Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal.”Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze: “Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen.”Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was, was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het ’t zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet, terwijl ze door ’t land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan.“Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen zou, om me te helpen Vader te vinden,” dacht ze.En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen om bij hem te komen.Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand, die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen.Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies, wat hij had geraden.Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen, van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd, een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan den gang was. ’t Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes, diegebouwd werd in een streek, zóó ver naar ’t noorden gelegen, dat de kleine verschrompelde berkjes, die ’t veld bedekten, hun bladen niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer.Ten westen van het meer lag ’t veld vrij en open, en daar hadden een paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich eerst maar een droge en prettige plaats bij ’t meer uitgezocht, en toen hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om ’t dak te leggen en te dekken, of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen, om hun huis in te richten of te meubileeren. ’t Voornaamste was, dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden, en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken, aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen werd vastgemaakt.De kolonisten aan den oostkant van ’t meer, die zoo ijverig werkten om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen, verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in ’t hooge noorden al veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken, dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten, die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven.Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure, en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren, kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten koffiedrinken.Terwijl de Laplanders druk aan ’t praten waren onder de koffie, kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen de dertien en veertien jaar.De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. ’t Was een goede vriend van de Laplanders,een vriendelijk en spraakzaam man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij in de tent moest kruipen.“Je komt als geroepen, Söderberg!” zei hij. “De koffiepot staat op ’t vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel ons wat nieuws.”De arbeider kroop naar binnen, en met veel moeite en onder veel gelach werd er plaats gemaakt voor hem en het meisje in de kleine tent, die al te voren vol menschen was. De man begon al gauw Lapsch met zijn gastheeren te praten. Het meisje, dat bij hem was, verstond niets van het gesprek. Ze zat stil en verwonderd naar alles om haar heen te zien; naar de pan en de koffietafel, naar ’t vuur en den rook, naar de Laplandsche mannen en vrouwen, naar de kinderen en de honden, naar de wanden en den vloer, naar de koffiekoppen en de tabakspijpen, naar de bonte kleeren en uitgesneden werktuigen. ’t Was alles nieuw voor haar. Niets was, zooals zij het gewend was.Op eens moest ze ophouden met rondkijken, en sloeg de oogen neer, want ze merkte, dat allen in de tent haar aankeken. Söderberg moest iets van haar verteld hebben, want nu namen de Laplandsche mannen en vrouwen de korte pijp uit den mond, en keken naar de plaats, waar zij zat. De Laplander, die naast haar zat, klopte haar op den schouder, knikte en zei in ’t Zweedsch: “Goed, goed.” Een Laplandsche vrouw schonk een grooten kop koffie in, die haar met veel moeite werd toegereikt, en een Laplandsche jongen, die ongeveer even oud was als zij, kroop tusschen de anderen door, tot hij bij haar kwam. En daar lag hij haar maar aan te kijken.’t Meisje begreep, dat Söderberg aan de Laplanders vertelde, hoe ze een groote begrafenis had gehouden voor haar broer, de kleine Mads; maar zij had liever gehad, dat hij niet zooveel over haar had gesproken, maar in plaats daarvan aan de Laplanders had gevraagd, of ze wisten waar haar vader was. De dwerg had gezegd, dat hij bij de Laplanders moest wezen, die ten westen van Luossajaure hun kamp hadden opgeslagen, en ze had gevraagd, of ze daarheen mocht rijden met een grinttrein (want gewone treinen liepen nog niet op die baan) om hem te zoeken. Allen, de arbeiders en de chef hadden haar zoo goed mogelijk geholpen, en een ingenieur van Kiruna had Söderberg, die Lapsch kon spreken, met haar over ’t meer gestuurd, om naar haar vader te vragen. Ze had gehoopt hem te ontmoeten, zoodra ze in ’t kamp kwam. Ze had van den een naar den ander gekeken in de tent, maar allen waren ’t Laplanders. Haar vader was daar niet.Ze zag, dat de Laplanders en Söderberg al ernstiger werden, hoe langer zij samen praatten, en dat de Laplanders het hoofd schudden en zich op ’t voorhoofd klopten, alsof ze over iemand spraken,die niet bij zijn volle verstand was. Toen werd ze zoo ongerust dat ze het niet langer kon uithouden, zoo stil te zitten wachten, maar Söderberg vroeg, wat de Laplanders van haar vader wisten.“Ze zeggen, dat hij uit visschen is gegaan,” zei de arbeider. “Ze weten niet, of hij nogvanavondhier in ’t kamp terug kan zijn, maar zoodra ’t weer beter is, zal een van hen hem gaan zoeken.”Daarop wendde hij zich weer tot de Laplanders, en bleef druk met hen praten. Hij wilde niet, dat Asa gelegenheid zou hebben hem nog meer over Jon Assarsson te vragen.’t Was morgen, en mooi weer. Ola Serka zelf, de voornaamste onder de Laplanders, had gezegd, dat hij Asa’s vader zou gaan zoeken, maar hij maakte geen haast. Hij zat voor de tent op den grond gehurkt, en dacht aan Jon Assarsson, en vroeg zich af, hoe hij hem de boodschap zou brengen, dat zijn dochter was gekomen om hem te zoeken. ’t Moest zóó gebeuren, dat Jon Assarsson niet bang werd, en wegliep, want hij was een zonderling man, en bang om kinderen te ontmoeten. Hij zei altijd, dat hij zulke sombere gedachten kreeg, als hij ze zag, dat hij ’t niet verdragen kon.Terwijl Ola Serka zoo zat te peinzen, zaten Asa en Aslak, de Laplandsche jongen, die haar den vorigen avond zoo had zitten aankijken, op de plaats voor de tent samen te praten. Aslak was op school geweest en kon Zweedsch spreken. Hij vertelde Asa van ’t leven in Sameland, en verzekerde haar, dat de menschen ’t daar beter hadden dan ergens anders. Asa vond, dat ze het verschrikkelijk hadden, en dat zei ze ook.“Je weet niet, wat je zegt,” zei Aslak. “Blijf maar een week bij ons, en dan zul je zien, dat wij het gelukkigste volk op de wereld zijn.”“Als ik hier een week bleef, zou ik zeker gestikt zijn van den rook in de tent,” zei Asa.“Zeg dat niet,” zei de Laplandsche jongen. “Je weet niets van ons. Ik zal je wat vertellen, waaruit je misschien begrijpen kunt, dat hoe langer je hier bleef, hoe beter je je bij ons thuis zou voelen.”Daarop begon Aslak Asa te vertellen, hoe ’t hier was in den tijd toen een ziekte, die ze “de zwarte dood” noemden, door ’t land was gegaan. Hij wist niet, of die ook in ’t echte Sameland was geweest, waar ze nu waren, maar in Jämtland was ’t zoo vreeselijk geweest, dat van de Samelanders, die daar in bosschen en op de rotsen woonden, allen waren gestorven, behalve een jongen van vijftien jaar, en van de Zweden, die in de rivierdalenwoonden, niemand was overgebleven dan een meisje, dat ook vijftien jaar oud was.“De jongen en ’t meisje hadden een heelen winter door ’t eenzame land gezworven om menschen te zoeken, en tegen de lente hadden ze eindelijk elkaar ontmoet,” vertelde Aslak verder. “Toen vroeg het Zweedsche meisje den Laplandsche jongen, of hij met haar meê naar ’t zuiden wou trekken, zoodat ze bij menschen van haar eigen stam kon komen. Ze wilde niet langer in Jämtland blijven, waar niets dan verlaten hoeven te vinden waren.“Ik wil je brengen, waarheen je maar wilt,” zei de jongen. “Maar niet vóór den winter. Nu is ’t lente, mijn rendieren trekken naar ’t westen over de rotsen, en je weet, dat wij, die in Sameland thuis hooren, moeten gaan, waar de rendieren ons leiden.”’t Zweedsche meisje was een kind van rijke ouders. Ze was gewend onder een dak te wonen, en in een bed te slapen, en aan een tafel te eten. Ze had altijd arme menschen veracht, en vond, dat zij, die onder den blooten hemel moesten wonen, heel ongelukkig waren. Maar ze was er bang voor naar haar landgoed terug te gaan, waar niemand was, dan de dooden.“Laat me dan ten minste met je naar boven op de rotsen trekken,” zei ze tegen den jongen, “zoodat ik hier niet alleen hoef rond te loopen, zonder ooit een menschenstem te hooren.”Daar zei de jongen graag “ja” op, en zoo mocht het meisje met de rendieren meêgaan op hun tocht over de rotsen. De kudde verlangde naar de goede rotsweiden, en liep elken dag groote afstanden. Er was geen tijd om een hut op te slaan. Ze moesten maar in de sneeuw gaan liggen slapen in de uren, dat de rendieren stilstonden, om te grazen. De dieren voelden den zuidenwind door hun pels gaan, en wisten, dat die over een paar dagen de sneeuw van de rotshellingen zou vegen. De jongen en ’t meisje moesten ze hard naloopen door de sneeuw, die aan ’t smelten was, en over het barstend ijs.Toen ze zoo hoog op den berg gekomen waren, dat het naaldbosch ophield, en de verschrompelende berkjes zich vertoonden, rustten ze een paar weken uit, en wachtten, of de sneeuw op de andere bergvlakten zou smelten. Daarna trokken ze die op. ’t Meisje klaagde en hijgde, en zei vaak, dat ze zóó moe was, dat ze naar de rivierdalen terug moest, maar ze ging toch meê; liever deed ze dat, dan alleen gelaten te worden, zonder een levend mensch in haar nabijheid.Toen ze op de rotsvlakten waren gekomen, sloeg de jongen een tent op voor ’t meisje, op een mooie, groene plek, die bij een rotsbeek lag. Toen het avond was, ving hij de rendieren met de lijn, melkte ze, en gaf haar melk te drinken. Hij zocht droog rendiervleesch en rendierkaas, dat zijn volk boven op de hoogte hadverborgen, toen ze daar den vorigen zomer waren. ’t Meisje klaagde altijd, en was nooit tevreden. Ze wou geen gedroogd rendiervleesch eten en geen rendierkaas, en geen rendiermelk drinken. Ze kon er niet aan wennen neergebukt onder de tent te zitten, of op ’t veld te liggen, met niets dan een rendierhuid en wat takjes als bed. Maar de zoon van de rotsbewoners lachte wat om haar verdriet, en bleef altijd even goed voor haar.Na een paar dagen kwam het meisje bij den jongen, terwijl hij bezig was rendieren te melken, en vroeg of ze hem helpen mocht. Ze begon ook ’t vuur aan te maken onder de pan, waarin ’t rendiervleesch zou gekookt worden, water te dragen, en kaas te maken. ’t Was nu een goede tijd. ’t Weer was warm, en ’t was makkelijk om aan eten te komen. Ze gingen samen strikken zetten voor de vogels, hengelden forellen uit den waterval, en plukten wilde frambozen op ’t moeras.Toen de zomer voorbij was, verhuisden ze zoover naar beneden op de rotsen, dat ze de grens tusschen ’t naaldbosch en de loofboomen bereikten, en daar sloegen ze weer hun kamp op.’t Was nu slachttijd, en ze hadden hard werk alle dagen, maar ’t was ook een goede tijd, met nog grooter overvloed van voedsel dan in den zomer. Toen de sneeuw kwam, en ijs op de meren lag, trokken ze verder naar het oosten in ’t dichte dennenbosch. Zoodra ze de tent hadden opgeslagen, begonnen ze met het winterwerk. De jongen leerde het meisje draden van rendierpeezen maken, huiden bereiden, kleeren naaien en schoenen van rendiervel, op sneeuwschoenen loopen, en rijden in de slee met rendieren bespannen. Toen ze het donkere gedeelte van den winter door waren gekomen, en de zon bijna den heelen dag scheen, zei de jongen tegen ’t meisje, dat hij haar nu naar het zuiden kon brengen, zoodat ze menschen van haar stam kon vinden. Maar toen zag het meisje hem verwonderd aan.“Waarom wil je me wegsturen?” zei ze. “Verlang je om alleen met je rendieren te wezen?”“Ik dacht, dat jij verlangde,” zei de jongen.“Ik heb nu bijna een jaar het leven van de menschen in Sameland geleid,” zei het meisje. “Nu kan ik niet meer naar mijn volk teruggaan, en in kleine huizen leven; nu ik zoolang vrij op de rotsen en in ’t bosch heb rondgezworven. Jaag me niet weg, maar laat me hier blijven. Jelui manier van leven is beter dan de onze.”“’t Meisje bleef haar heele leven bij den jongen, en verlangde nooit meer terug naar de rivierdalen. En als jij, Asa, hier maar een maand bleef, zou je nooit meer van ons weg kunnen gaan.”Met die woorden eindigde Aslak, de Laplandsche jongen, zijn verhaal, en op datzelfde oogenblik nam zijn vader, Ola Serka, de pijp uit den mond, en stond op. De oude Ola verstond meer Zweedschdan hij wel wilde laten merken, en hij had de woorden van zijn zoon begrepen. En terwijl hij luisterde, was het hem op eens duidelijk geworden, hoe hij doen moest, om aan Jon Assarsson te vertellen, dat zijn dochter was gekomen om hem op te zoeken.Ola Serka ging naar Luossajaure, en volgde den oever een poos, tot hij bij een man kwam, die op een steen zat te visschen. De visscher had grijs haar, en zijn rug was gebogen, de oogen zagen moe rond, en er was iets slaps en hulpeloos over hem. Hij zag er uit als iemand, die had geprobeerd iets te dragen, dat hem te zwaar was geworden, of iets uit te denken, dat hem te moeilijk was, en die gebroken en moedeloos was geworden, doordat het hem niet gelukte.“Je hebt zeker nog al wat gevangen, Jon, nu je zoo den heelen nacht hebt zitten visschen?” zei de rotsbewoner in ’t Lapsch, toen hij bij hem kwam.De andere kreeg een schok, en zag op. ’t Aas van zijn hengel was weg, en geen enkele visch lag naast hem. Hij stak gauw een nieuw aas aan den haak, en legde in. Intusschen ging de rotsbewoner naast hem in het gras liggen.“Ik wou je wat vertellen,” zei Ola.“Je weet, dat ik een dochter had, die verleden jaar is gestorven, en haar hebben we altijd in onze tent gemist.”“Ja, dat weet ik,” zei de visscher kortaf, en er gleed een schaduw over zijn gezicht, alsof hij liever niet aan een dood kindje herinnerd had willen worden. Hij sprak goed Lapsch.“Maar ’t geeft niets, of je je leven met treuren bederft,” zei de Laplander.“Neen, dat doet het ook niet.”“En nu heb ik er over gedacht om een ander kind aan te nemen. Zou je dat niet verstandig vinden?”“Dat hangt er van af, wat voor kind het is, Ola!”“Ik zal je vertellen, wat ik van het meisje weet, Jon,” zei Ola en vertelde den visscher nu, dat midden in den zomer een paar kinderen, een jongen en een meisje, naar den Malmberg waren komen wandelen, om hun vader te zoeken, en dat ze, omdat hun vader weg was, daar waren gebleven om hem op te wachten. Maar terwijl ze daar waren, was de jongen gestorven, door dat hij bij ’t springen van een rots door een steenblok was getroffen, en toen had het meisje hem een groote begrafenis willen geven. Daarop beschreef Ola heel mooi, hoe dat kleine meisje allen had overgehaald om haar te helpen, en dat ze zoo moedig was geweest, dat ze zelf naar den onderdirecteur was gegaan, om hem te spreken.“Is dat het meisje, dat je bij je in de tent wilt nemen?” vroeg de visscher.“Ja,” zei de Laplander. “Toen we dit hoorden, konden geen van ons zijn tranen inhouden, en we zeiden tegen elkaar, dat zoo’n goede zuster ook een goede dochter worden zou, en we hopen, dat ze bij ons zal blijven.”De andere bleef een poos zwijgend zitten. Men kon wel merken, dat hij het gesprek alleen voortzette, om zijn vriend, den Laplander, pleizier te doen.“Ze hoort zeker tot je stam, dat meisje.”“Neen,” zei Ola, “ze behoort niet tot de Samelanders.”“Misschien is ze de dochter van een kolonist, zoodat ze gewoon is aan ’t leven hier in ’t noorden?”“Neen, ze komt ver uit het zuiden,” zei Ola, en keek, alsof dit niets met de zaak te maken had. Maar nu begon de visscher belang in de zaak te stellen.“Dan denk ik niet, dat je haar kunt aannemen,” zei de visscher. “Ze kan er zeker niet aan wennen in een tent te wonen, als ze er niet bij is opgevoed.”“Ze krijgt goede ouders en goede broers en zusters,” zei Ola Serka koppig. “’t Is erger om alleen te zijn, dan ’t koud te hebben.”Maar de visscher scheen steeds meer besloten te zijn die zaak te verhinderen. Het was alsof hij de gedachte niet kon verdragen, dat een kind van Zweedsche ouders bij de Laplanders zou worden opgevoed.“Je zei immers, dat ze een vader heeft, die bij den Malmberg woont.”“Hij is dood,” zei de Laplander knorrig.“Heb je daar wel goed naar onderzocht, Ola?”“Daar hoef je toch niet naar te vragen,” zei de Laplander verachtelijk. “Dat kun je toch wel begrijpen. Zou dat meisje met haar broer alleen door ’t heele land gezworven hebben, als ze een vader in leven hadden gehad? Zouden twee kinderenzichzelfhebben moeten verzorgen, als ze een vader hadden? Zou dat kleine meisje alleen naar den onderdirecteur hebben hoeven te gaan, als haar vader nog leefde? Zou ze nu nog maar een oogenblik alleen zijn, nu heel Sameland er over spreekt, wat ze voor een flink meisje is, als haar vader niet al dood was? ’t Meisje zelf meent, dat haar vader nog leeft, maar ik zeg, dat hij dood moet wezen.”De man met de vermoeide oogen keerde zich naar Ola.“Hoe heet het meisje, Ola,” zei hij.De rotsbewoner dacht na.“Dat herinner ik me niet. Ik zal ’t haar vragen.”“Zal je ’t haar vragen? Is ze er dan al?”“Ja, ze is bij ons in de tent.”“Maar Ola! Heb je haar dan al bij je genomen, vóór je weet, of haar vader ’t hebben wil?”“Ik hoef me toch aan haar vader niet te storen. Als hij niet dood is, hoort hij toch tot die menschen, die niets van hun kinderen willen weten. Hij mag blij zijn, dat een ander zich om haar bekommert.”De visscher wierp zijn hengel neer, en stond op. Er kwam beweging in hem, alsof er een nieuw leven over hem was gekomen.“Ik denk, dat haar vader niet is als andere menschen,” zei de rotsbewoner weer. “Misschien is hij iemand, die door sombere gedachten wordt vervolgd, zoodat hij ’t niet bij zijn werk kan uithouden. Wat heeft ze nu aan zoo’n vader?”Terwijl Ola dat zei, was de visscher het strand verder opgegaan.“Waar wil je heen?” vroeg de Laplander.“Ik ga eens naar je pleegdochter kijken, Ola.”“Dat is goed,” zei de Laplander. “Kom jij maar eens naar haar kijken. Ik denk wel, dat je vinden zult, dat ik een goede dochter krijg.”De Zweed liep zoo haastig voort, dat de Laplander hem nauwelijks kon volgen. Na een poos zei Ola:“Nu herinner ik me, dat het meisje, dat ik aannemen wil, Asa Jonsdochter heet.”De andere begon nog harder te loopen, en de oude Ola Serka was zoo blij, dat hij wel hardop had willen lachen. Toen ze zoover geloopen hadden, dat ze de tenten in ’t zicht kregen, zei Ola nog:“Ze is hier in Sameland gekomen om haar vader te zoeken, en niet om mijn pleegdochter te worden, maar als ze haar vader niet vindt, wil ik haar graag bij mij in de tent houden.”De andere liep nog harder.“Ik dacht wel, dat hij bang zou worden, als ik hem dreigde zijn dochter onder de Samelanders op te nemen,” dacht Ola.Toen de man uit Kiruna, die Asa, ’t ganzenhoedstertje naar ’t Lappenkamp had gebracht in zijn roeiboot, in den loop van dien dag terugkwam, had hij twee menschen bij zich in de boot, die dicht naast elkaar zaten, en elkaar trouw bij de hand hielden, alsof ze nooit meer wilden scheiden. ’t Waren Jon Assarsson en zijn dochter. Beiden waren heel anders dan een paar uur geleden. Jon Assarsson zag er minder gedrukt en moe uit, en zijn oogen zagen helder en zacht rond, alsof hij nu antwoord had gekregen op wat hem zoo lang angstig had gemaakt, en Asa keek niet meer zoo wijs en waakzaam rond, als ze vroeger deed. Ze had nu een groot mensch om op te steunen en op te vertrouwen, en ’t was, alsof ze nu weer een kind werd.
De begrafenis was voorbij. Alle gasten waren vertrokken, en Asa was alleen in de kleine hut, die aan haar Vader toebehoorde. Ze had de deur gesloten, om ongestoord aan haar broer te kunnen denken. Ze herinnerde zich alles, wat kleine Mads had gezegd en gedaan, het eene na het andere, en dat was zóóveel, dat ze er niet toe kwam om naar bed te gaan, maar den heelen avond en nog een groot gedeelte van den nacht opbleef. Hoe meer ze aan haar broer dacht, hoe beter ze begreep, hoe moeilijk het voor haar zou zijn zonder hem te leven, en eindelijk legde zij het hoofd op de tafel, en schreide bitter.
“Wat zal ik beginnen, nu ik kleinen Mads niet meer heb,” snikte zij.
’t Was al laat in den nacht, en Asa had een vermoeienden dag gehad, zoodat het geen wonder was, dat ze in slaap viel, zoodra ze haar hoofd neerlegde. En ’t was ook geen wonder, dat ze droomde, van dat, waar ze juist over had zitten denken. Ze droomde, dat kleine Mads springlevend bij haar in de kamer kwam.
“Nu, Asa, nu moet je Vader gaan zoeken,” zei hij.
“Hoe kan ik dat doen, als ik heelemaal niet weet waar hij is,” antwoordde ze.
“Wees daar maar niet ongerust over!” zei kleine Mads vlug en vroolijk, zooals gewoonlijk. “Ik zal je iemand sturen, die je helpen zal.”
Juist op dat oogenblik, toen Asa droomde, dat kleine Mads dat tegen haar zei, werd er op de deur van haar kamer geklopt. Dat was echt kloppen, en geen droom. Maar ze was nog zóó vol van wat ze gedroomd had, dat ze niet uit elkaar kon houden, wat werkelijkheid en wat verbeelding was, en toen ze opstond om de deur open te doen, dacht ze: “Dat is zeker iemand, die Mads beloofd heeft me te sturen.”
Als het nu zuster Helma, de pleegzuster, die in de buurt woonde, was geweest, of een ander gewoon mensch, die op den drempel stond, toen ze opendeed, zou Asa wel begrepen hebben, dat haar droom nu uit was. Maar dat was zoo niet. Er had niemand anders geklopt, dan een dwergje, niet meer dan een handbreed groot. Hoewel het zoo laat in den nacht was, was het buiten even licht als overdag, en Asa zag dadelijk, dat het ’t zelfde dwergje was, dat Mads en zij, een paar keer hadden ontmoet, terwijl ze door ’t land zwierven. Toen was ze bang voor hem geweest, en dat zou ze ook nu geworden zijn, als ze goed wakker was geweest. Maar ze meende, dat ze nog altijd droomde, en daarom bleef ze kalm staan.
“Ik dacht wel, dat hij het juist zou zijn, die kleine Mads me sturen zou, om me te helpen Vader te vinden,” dacht ze.
En ze had gelijk. Want het dwergje kwam juist, om met haar over haar vader te spreken. Toen hij zag, dat ze niet bang voor hem was, zei hij haar kort, waar haar vader te vinden was, en hoe ze moest doen om bij hem te komen.
Terwijl hij sprak, kwam Asa zoo langzamerhand tot haar volle bewustheid, en toen hij zweeg, was ze volkomen wakker. En toen schrikte ze er zóó van, dat ze daar stond te praten met iemand, die in een heel andere wereld thuishoorde dan zij, dat ze hem niet kon danken of iets anders tegen hem zeggen, maar naar binnen vloog en de deur hard toesloeg. Ze meende te zien, dat de dwerg een heel bedroefde uitdrukking in zijn gezicht kreeg, toen ze dat deed, maar ze kon het niet laten. Ze was buiten zichzelf van schrik; ze kroop dadelijk in bed, en trok de dekens over de oogen.
Maar hoewel ze zoo bang voor den dwerg was, begreep ze toch, dat hij het goed met haar meende, en den dag daarop deed ze gauw precies, wat hij had geraden.
Aan den westelijken oever van Luossajaure, een meertje, dat veel mijlen ten noorden van den Malmberg lag, was een klein Lappenkamp. Ten zuiden van het meer verhief zich een geweldige berg, die Kirunavara heette en, zooals men zei, bijna uitsluitend uit ijzererts bestond. Ten noordoosten lag een andere berg, de Luossavara, die ook veel ijzererts bevatte. Tegen die bergen op begon men een spoorweg aan te leggen, van af Gellivare, en bij de Kirunavara werd een station gebouwd, een hôtel voor reizigers, en een massa woningen voor alle arbeiders en ingenieurs, die hier moesten wonen, als het ertsbreken goed aan den gang was. ’t Was een heele stad met vroolijke, gezellige huisjes, diegebouwd werd in een streek, zóó ver naar ’t noorden gelegen, dat de kleine verschrompelde berkjes, die ’t veld bedekten, hun bladen niet uit de knoppen konden krijgen voor midden in den zomer.
Ten westen van het meer lag ’t veld vrij en open, en daar hadden een paar Laplandsche families zich gevestigd. Zij waren daar een paar maanden geleden gekomen, en hadden niet veel tijd noodig gehad, om hun woning in orde te maken. Ze hadden geen rotsen laten springen en niet gemetseld, om goeden en effen bouwgrond te krijgen. Ze hadden zich eerst maar een droge en prettige plaats bij ’t meer uitgezocht, en toen hadden ze alleen een paar wilgestruiken weggehakt en een paar bosjes gras weggesneden, om hun bouwterrein in orde te maken. Ze hadden ook geen dagenlang getimmerd en hout gehakt, om flinke houten wanden op te trekken, ze hadden geen zorgen gehad, om ’t dak te leggen en te dekken, of om balken en vensterkozijnen te maken, of om deuren en sloten in te zetten. Ze hadden alleen maar een paar tentstangen stevig in den grond te slaan en het tentzeil er over te hangen, om hun huis zoo goed als klaar te hebben. En ook hadden ze niet veel moeite genomen, om hun huis in te richten of te meubileeren. ’t Voornaamste was, dat ze wat dennetakken en een paar huiden op den grond spreidden, en de groote pan, waarin ze hun rendiervleesch plachten te koken, aan een ketting ophingen, die boven aan den top van de tentstangen werd vastgemaakt.
De kolonisten aan den oostkant van ’t meer, die zoo ijverig werkten om hun huizen klaar te krijgen vóór de strenge winter zou invallen, verbaasden zich over de Laplanders, die nu hier in ’t hooge noorden al veel honderden jaren hadden rondgezworven, zonder er aan te denken, dat er beter bescherming tegen de kou en den storm noodig was, dan dunne tentmuren. En de Laplanders verbaasden zich over de kolonisten, die zooveel zwaar werk deden, terwijl er toch niet meer noodig was dan een paar rendieren en een tent om te kunnen leven.
Op een middag in Juli regende het ontzettend bij Luossajaure, en de Laplanders, die anders in den zomer niet veel binnen waren, kropen allemaal in een van de tenten, en gingen om het vuur zitten koffiedrinken.
Terwijl de Laplanders druk aan ’t praten waren onder de koffie, kwam er een roeiboot van den kant van Kiruna, en legde aan bij het Laplanderskamp. Uit de boot stapten een arbeider en een meisje tusschen de dertien en veertien jaar.
De honden van de Laplanders vlogen hun te gemoet met luid en schel geblaf, en een van de Laplanders stak het hoofd buiten de tent om te zien, wat er gaande was. Hij was blij, toen hij den arbeider zag. ’t Was een goede vriend van de Laplanders,een vriendelijk en spraakzaam man, die Lapsch kon spreken, en de Laplander riep hem toe, dat hij in de tent moest kruipen.
“Je komt als geroepen, Söderberg!” zei hij. “De koffiepot staat op ’t vuur. Niemand kan wat uitvoeren in den regen. Kom binnen, en vertel ons wat nieuws.”
De arbeider kroop naar binnen, en met veel moeite en onder veel gelach werd er plaats gemaakt voor hem en het meisje in de kleine tent, die al te voren vol menschen was. De man begon al gauw Lapsch met zijn gastheeren te praten. Het meisje, dat bij hem was, verstond niets van het gesprek. Ze zat stil en verwonderd naar alles om haar heen te zien; naar de pan en de koffietafel, naar ’t vuur en den rook, naar de Laplandsche mannen en vrouwen, naar de kinderen en de honden, naar de wanden en den vloer, naar de koffiekoppen en de tabakspijpen, naar de bonte kleeren en uitgesneden werktuigen. ’t Was alles nieuw voor haar. Niets was, zooals zij het gewend was.
Op eens moest ze ophouden met rondkijken, en sloeg de oogen neer, want ze merkte, dat allen in de tent haar aankeken. Söderberg moest iets van haar verteld hebben, want nu namen de Laplandsche mannen en vrouwen de korte pijp uit den mond, en keken naar de plaats, waar zij zat. De Laplander, die naast haar zat, klopte haar op den schouder, knikte en zei in ’t Zweedsch: “Goed, goed.” Een Laplandsche vrouw schonk een grooten kop koffie in, die haar met veel moeite werd toegereikt, en een Laplandsche jongen, die ongeveer even oud was als zij, kroop tusschen de anderen door, tot hij bij haar kwam. En daar lag hij haar maar aan te kijken.
’t Meisje begreep, dat Söderberg aan de Laplanders vertelde, hoe ze een groote begrafenis had gehouden voor haar broer, de kleine Mads; maar zij had liever gehad, dat hij niet zooveel over haar had gesproken, maar in plaats daarvan aan de Laplanders had gevraagd, of ze wisten waar haar vader was. De dwerg had gezegd, dat hij bij de Laplanders moest wezen, die ten westen van Luossajaure hun kamp hadden opgeslagen, en ze had gevraagd, of ze daarheen mocht rijden met een grinttrein (want gewone treinen liepen nog niet op die baan) om hem te zoeken. Allen, de arbeiders en de chef hadden haar zoo goed mogelijk geholpen, en een ingenieur van Kiruna had Söderberg, die Lapsch kon spreken, met haar over ’t meer gestuurd, om naar haar vader te vragen. Ze had gehoopt hem te ontmoeten, zoodra ze in ’t kamp kwam. Ze had van den een naar den ander gekeken in de tent, maar allen waren ’t Laplanders. Haar vader was daar niet.
Ze zag, dat de Laplanders en Söderberg al ernstiger werden, hoe langer zij samen praatten, en dat de Laplanders het hoofd schudden en zich op ’t voorhoofd klopten, alsof ze over iemand spraken,die niet bij zijn volle verstand was. Toen werd ze zoo ongerust dat ze het niet langer kon uithouden, zoo stil te zitten wachten, maar Söderberg vroeg, wat de Laplanders van haar vader wisten.
“Ze zeggen, dat hij uit visschen is gegaan,” zei de arbeider. “Ze weten niet, of hij nogvanavondhier in ’t kamp terug kan zijn, maar zoodra ’t weer beter is, zal een van hen hem gaan zoeken.”
Daarop wendde hij zich weer tot de Laplanders, en bleef druk met hen praten. Hij wilde niet, dat Asa gelegenheid zou hebben hem nog meer over Jon Assarsson te vragen.
’t Was morgen, en mooi weer. Ola Serka zelf, de voornaamste onder de Laplanders, had gezegd, dat hij Asa’s vader zou gaan zoeken, maar hij maakte geen haast. Hij zat voor de tent op den grond gehurkt, en dacht aan Jon Assarsson, en vroeg zich af, hoe hij hem de boodschap zou brengen, dat zijn dochter was gekomen om hem te zoeken. ’t Moest zóó gebeuren, dat Jon Assarsson niet bang werd, en wegliep, want hij was een zonderling man, en bang om kinderen te ontmoeten. Hij zei altijd, dat hij zulke sombere gedachten kreeg, als hij ze zag, dat hij ’t niet verdragen kon.
Terwijl Ola Serka zoo zat te peinzen, zaten Asa en Aslak, de Laplandsche jongen, die haar den vorigen avond zoo had zitten aankijken, op de plaats voor de tent samen te praten. Aslak was op school geweest en kon Zweedsch spreken. Hij vertelde Asa van ’t leven in Sameland, en verzekerde haar, dat de menschen ’t daar beter hadden dan ergens anders. Asa vond, dat ze het verschrikkelijk hadden, en dat zei ze ook.
“Je weet niet, wat je zegt,” zei Aslak. “Blijf maar een week bij ons, en dan zul je zien, dat wij het gelukkigste volk op de wereld zijn.”
“Als ik hier een week bleef, zou ik zeker gestikt zijn van den rook in de tent,” zei Asa.
“Zeg dat niet,” zei de Laplandsche jongen. “Je weet niets van ons. Ik zal je wat vertellen, waaruit je misschien begrijpen kunt, dat hoe langer je hier bleef, hoe beter je je bij ons thuis zou voelen.”
Daarop begon Aslak Asa te vertellen, hoe ’t hier was in den tijd toen een ziekte, die ze “de zwarte dood” noemden, door ’t land was gegaan. Hij wist niet, of die ook in ’t echte Sameland was geweest, waar ze nu waren, maar in Jämtland was ’t zoo vreeselijk geweest, dat van de Samelanders, die daar in bosschen en op de rotsen woonden, allen waren gestorven, behalve een jongen van vijftien jaar, en van de Zweden, die in de rivierdalenwoonden, niemand was overgebleven dan een meisje, dat ook vijftien jaar oud was.
“De jongen en ’t meisje hadden een heelen winter door ’t eenzame land gezworven om menschen te zoeken, en tegen de lente hadden ze eindelijk elkaar ontmoet,” vertelde Aslak verder. “Toen vroeg het Zweedsche meisje den Laplandsche jongen, of hij met haar meê naar ’t zuiden wou trekken, zoodat ze bij menschen van haar eigen stam kon komen. Ze wilde niet langer in Jämtland blijven, waar niets dan verlaten hoeven te vinden waren.
“Ik wil je brengen, waarheen je maar wilt,” zei de jongen. “Maar niet vóór den winter. Nu is ’t lente, mijn rendieren trekken naar ’t westen over de rotsen, en je weet, dat wij, die in Sameland thuis hooren, moeten gaan, waar de rendieren ons leiden.”
’t Zweedsche meisje was een kind van rijke ouders. Ze was gewend onder een dak te wonen, en in een bed te slapen, en aan een tafel te eten. Ze had altijd arme menschen veracht, en vond, dat zij, die onder den blooten hemel moesten wonen, heel ongelukkig waren. Maar ze was er bang voor naar haar landgoed terug te gaan, waar niemand was, dan de dooden.
“Laat me dan ten minste met je naar boven op de rotsen trekken,” zei ze tegen den jongen, “zoodat ik hier niet alleen hoef rond te loopen, zonder ooit een menschenstem te hooren.”
Daar zei de jongen graag “ja” op, en zoo mocht het meisje met de rendieren meêgaan op hun tocht over de rotsen. De kudde verlangde naar de goede rotsweiden, en liep elken dag groote afstanden. Er was geen tijd om een hut op te slaan. Ze moesten maar in de sneeuw gaan liggen slapen in de uren, dat de rendieren stilstonden, om te grazen. De dieren voelden den zuidenwind door hun pels gaan, en wisten, dat die over een paar dagen de sneeuw van de rotshellingen zou vegen. De jongen en ’t meisje moesten ze hard naloopen door de sneeuw, die aan ’t smelten was, en over het barstend ijs.
Toen ze zoo hoog op den berg gekomen waren, dat het naaldbosch ophield, en de verschrompelende berkjes zich vertoonden, rustten ze een paar weken uit, en wachtten, of de sneeuw op de andere bergvlakten zou smelten. Daarna trokken ze die op. ’t Meisje klaagde en hijgde, en zei vaak, dat ze zóó moe was, dat ze naar de rivierdalen terug moest, maar ze ging toch meê; liever deed ze dat, dan alleen gelaten te worden, zonder een levend mensch in haar nabijheid.
Toen ze op de rotsvlakten waren gekomen, sloeg de jongen een tent op voor ’t meisje, op een mooie, groene plek, die bij een rotsbeek lag. Toen het avond was, ving hij de rendieren met de lijn, melkte ze, en gaf haar melk te drinken. Hij zocht droog rendiervleesch en rendierkaas, dat zijn volk boven op de hoogte hadverborgen, toen ze daar den vorigen zomer waren. ’t Meisje klaagde altijd, en was nooit tevreden. Ze wou geen gedroogd rendiervleesch eten en geen rendierkaas, en geen rendiermelk drinken. Ze kon er niet aan wennen neergebukt onder de tent te zitten, of op ’t veld te liggen, met niets dan een rendierhuid en wat takjes als bed. Maar de zoon van de rotsbewoners lachte wat om haar verdriet, en bleef altijd even goed voor haar.
Na een paar dagen kwam het meisje bij den jongen, terwijl hij bezig was rendieren te melken, en vroeg of ze hem helpen mocht. Ze begon ook ’t vuur aan te maken onder de pan, waarin ’t rendiervleesch zou gekookt worden, water te dragen, en kaas te maken. ’t Was nu een goede tijd. ’t Weer was warm, en ’t was makkelijk om aan eten te komen. Ze gingen samen strikken zetten voor de vogels, hengelden forellen uit den waterval, en plukten wilde frambozen op ’t moeras.
Toen de zomer voorbij was, verhuisden ze zoover naar beneden op de rotsen, dat ze de grens tusschen ’t naaldbosch en de loofboomen bereikten, en daar sloegen ze weer hun kamp op.
’t Was nu slachttijd, en ze hadden hard werk alle dagen, maar ’t was ook een goede tijd, met nog grooter overvloed van voedsel dan in den zomer. Toen de sneeuw kwam, en ijs op de meren lag, trokken ze verder naar het oosten in ’t dichte dennenbosch. Zoodra ze de tent hadden opgeslagen, begonnen ze met het winterwerk. De jongen leerde het meisje draden van rendierpeezen maken, huiden bereiden, kleeren naaien en schoenen van rendiervel, op sneeuwschoenen loopen, en rijden in de slee met rendieren bespannen. Toen ze het donkere gedeelte van den winter door waren gekomen, en de zon bijna den heelen dag scheen, zei de jongen tegen ’t meisje, dat hij haar nu naar het zuiden kon brengen, zoodat ze menschen van haar stam kon vinden. Maar toen zag het meisje hem verwonderd aan.
“Waarom wil je me wegsturen?” zei ze. “Verlang je om alleen met je rendieren te wezen?”
“Ik dacht, dat jij verlangde,” zei de jongen.
“Ik heb nu bijna een jaar het leven van de menschen in Sameland geleid,” zei het meisje. “Nu kan ik niet meer naar mijn volk teruggaan, en in kleine huizen leven; nu ik zoolang vrij op de rotsen en in ’t bosch heb rondgezworven. Jaag me niet weg, maar laat me hier blijven. Jelui manier van leven is beter dan de onze.”
“’t Meisje bleef haar heele leven bij den jongen, en verlangde nooit meer terug naar de rivierdalen. En als jij, Asa, hier maar een maand bleef, zou je nooit meer van ons weg kunnen gaan.”
Met die woorden eindigde Aslak, de Laplandsche jongen, zijn verhaal, en op datzelfde oogenblik nam zijn vader, Ola Serka, de pijp uit den mond, en stond op. De oude Ola verstond meer Zweedschdan hij wel wilde laten merken, en hij had de woorden van zijn zoon begrepen. En terwijl hij luisterde, was het hem op eens duidelijk geworden, hoe hij doen moest, om aan Jon Assarsson te vertellen, dat zijn dochter was gekomen om hem op te zoeken.
Ola Serka ging naar Luossajaure, en volgde den oever een poos, tot hij bij een man kwam, die op een steen zat te visschen. De visscher had grijs haar, en zijn rug was gebogen, de oogen zagen moe rond, en er was iets slaps en hulpeloos over hem. Hij zag er uit als iemand, die had geprobeerd iets te dragen, dat hem te zwaar was geworden, of iets uit te denken, dat hem te moeilijk was, en die gebroken en moedeloos was geworden, doordat het hem niet gelukte.
“Je hebt zeker nog al wat gevangen, Jon, nu je zoo den heelen nacht hebt zitten visschen?” zei de rotsbewoner in ’t Lapsch, toen hij bij hem kwam.
De andere kreeg een schok, en zag op. ’t Aas van zijn hengel was weg, en geen enkele visch lag naast hem. Hij stak gauw een nieuw aas aan den haak, en legde in. Intusschen ging de rotsbewoner naast hem in het gras liggen.
“Ik wou je wat vertellen,” zei Ola.“Je weet, dat ik een dochter had, die verleden jaar is gestorven, en haar hebben we altijd in onze tent gemist.”
“Ja, dat weet ik,” zei de visscher kortaf, en er gleed een schaduw over zijn gezicht, alsof hij liever niet aan een dood kindje herinnerd had willen worden. Hij sprak goed Lapsch.
“Maar ’t geeft niets, of je je leven met treuren bederft,” zei de Laplander.
“Neen, dat doet het ook niet.”
“En nu heb ik er over gedacht om een ander kind aan te nemen. Zou je dat niet verstandig vinden?”
“Dat hangt er van af, wat voor kind het is, Ola!”
“Ik zal je vertellen, wat ik van het meisje weet, Jon,” zei Ola en vertelde den visscher nu, dat midden in den zomer een paar kinderen, een jongen en een meisje, naar den Malmberg waren komen wandelen, om hun vader te zoeken, en dat ze, omdat hun vader weg was, daar waren gebleven om hem op te wachten. Maar terwijl ze daar waren, was de jongen gestorven, door dat hij bij ’t springen van een rots door een steenblok was getroffen, en toen had het meisje hem een groote begrafenis willen geven. Daarop beschreef Ola heel mooi, hoe dat kleine meisje allen had overgehaald om haar te helpen, en dat ze zoo moedig was geweest, dat ze zelf naar den onderdirecteur was gegaan, om hem te spreken.
“Is dat het meisje, dat je bij je in de tent wilt nemen?” vroeg de visscher.
“Ja,” zei de Laplander. “Toen we dit hoorden, konden geen van ons zijn tranen inhouden, en we zeiden tegen elkaar, dat zoo’n goede zuster ook een goede dochter worden zou, en we hopen, dat ze bij ons zal blijven.”
De andere bleef een poos zwijgend zitten. Men kon wel merken, dat hij het gesprek alleen voortzette, om zijn vriend, den Laplander, pleizier te doen.
“Ze hoort zeker tot je stam, dat meisje.”
“Neen,” zei Ola, “ze behoort niet tot de Samelanders.”
“Misschien is ze de dochter van een kolonist, zoodat ze gewoon is aan ’t leven hier in ’t noorden?”
“Neen, ze komt ver uit het zuiden,” zei Ola, en keek, alsof dit niets met de zaak te maken had. Maar nu begon de visscher belang in de zaak te stellen.
“Dan denk ik niet, dat je haar kunt aannemen,” zei de visscher. “Ze kan er zeker niet aan wennen in een tent te wonen, als ze er niet bij is opgevoed.”
“Ze krijgt goede ouders en goede broers en zusters,” zei Ola Serka koppig. “’t Is erger om alleen te zijn, dan ’t koud te hebben.”
Maar de visscher scheen steeds meer besloten te zijn die zaak te verhinderen. Het was alsof hij de gedachte niet kon verdragen, dat een kind van Zweedsche ouders bij de Laplanders zou worden opgevoed.
“Je zei immers, dat ze een vader heeft, die bij den Malmberg woont.”
“Hij is dood,” zei de Laplander knorrig.
“Heb je daar wel goed naar onderzocht, Ola?”
“Daar hoef je toch niet naar te vragen,” zei de Laplander verachtelijk. “Dat kun je toch wel begrijpen. Zou dat meisje met haar broer alleen door ’t heele land gezworven hebben, als ze een vader in leven hadden gehad? Zouden twee kinderenzichzelfhebben moeten verzorgen, als ze een vader hadden? Zou dat kleine meisje alleen naar den onderdirecteur hebben hoeven te gaan, als haar vader nog leefde? Zou ze nu nog maar een oogenblik alleen zijn, nu heel Sameland er over spreekt, wat ze voor een flink meisje is, als haar vader niet al dood was? ’t Meisje zelf meent, dat haar vader nog leeft, maar ik zeg, dat hij dood moet wezen.”
De man met de vermoeide oogen keerde zich naar Ola.
“Hoe heet het meisje, Ola,” zei hij.
De rotsbewoner dacht na.
“Dat herinner ik me niet. Ik zal ’t haar vragen.”
“Zal je ’t haar vragen? Is ze er dan al?”
“Ja, ze is bij ons in de tent.”
“Maar Ola! Heb je haar dan al bij je genomen, vóór je weet, of haar vader ’t hebben wil?”
“Ik hoef me toch aan haar vader niet te storen. Als hij niet dood is, hoort hij toch tot die menschen, die niets van hun kinderen willen weten. Hij mag blij zijn, dat een ander zich om haar bekommert.”
De visscher wierp zijn hengel neer, en stond op. Er kwam beweging in hem, alsof er een nieuw leven over hem was gekomen.
“Ik denk, dat haar vader niet is als andere menschen,” zei de rotsbewoner weer. “Misschien is hij iemand, die door sombere gedachten wordt vervolgd, zoodat hij ’t niet bij zijn werk kan uithouden. Wat heeft ze nu aan zoo’n vader?”
Terwijl Ola dat zei, was de visscher het strand verder opgegaan.
“Waar wil je heen?” vroeg de Laplander.
“Ik ga eens naar je pleegdochter kijken, Ola.”
“Dat is goed,” zei de Laplander. “Kom jij maar eens naar haar kijken. Ik denk wel, dat je vinden zult, dat ik een goede dochter krijg.”
De Zweed liep zoo haastig voort, dat de Laplander hem nauwelijks kon volgen. Na een poos zei Ola:
“Nu herinner ik me, dat het meisje, dat ik aannemen wil, Asa Jonsdochter heet.”
De andere begon nog harder te loopen, en de oude Ola Serka was zoo blij, dat hij wel hardop had willen lachen. Toen ze zoover geloopen hadden, dat ze de tenten in ’t zicht kregen, zei Ola nog:
“Ze is hier in Sameland gekomen om haar vader te zoeken, en niet om mijn pleegdochter te worden, maar als ze haar vader niet vindt, wil ik haar graag bij mij in de tent houden.”
De andere liep nog harder.
“Ik dacht wel, dat hij bang zou worden, als ik hem dreigde zijn dochter onder de Samelanders op te nemen,” dacht Ola.
Toen de man uit Kiruna, die Asa, ’t ganzenhoedstertje naar ’t Lappenkamp had gebracht in zijn roeiboot, in den loop van dien dag terugkwam, had hij twee menschen bij zich in de boot, die dicht naast elkaar zaten, en elkaar trouw bij de hand hielden, alsof ze nooit meer wilden scheiden. ’t Waren Jon Assarsson en zijn dochter. Beiden waren heel anders dan een paar uur geleden. Jon Assarsson zag er minder gedrukt en moe uit, en zijn oogen zagen helder en zacht rond, alsof hij nu antwoord had gekregen op wat hem zoo lang angstig had gemaakt, en Asa keek niet meer zoo wijs en waakzaam rond, als ze vroeger deed. Ze had nu een groot mensch om op te steunen en op te vertrouwen, en ’t was, alsof ze nu weer een kind werd.
XXXVI.Naar ’t zuiden, naar ’t zuiden.De jongen zat op den rug van den wilden ganzerik, en reed voort hoog in de wolken. Dertien wilde ganzen vlogen in een goed geordenden troep snel naar ’t zuiden. Hun veeren bruisten, en de vele vleugels sloegen door de lucht met zoo’n sterk geluid, dat men nauwelijks zijn eigen stem kon hooren. Akka van Kebnekaise vloog vooruit, en achter haar kwamen IJksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, Maarten de ganzerik en Donsje. De zes jonge ganzen, die den troep den vorigen herfst vergezelden, hadden dien nu verlaten, en reddenzichzelf. In hun plaats nam de oude gans nu tweeëntwintig jonge ganzen meê, die dezen zomer in het rotsdal waren opgegroeid. Elf vlogen links en elf rechts, en ze deden hun best om op gelijken afstand van elkaar te blijven, zooals ook de groote deden.Die arme jonge dingen hadden nog nooit een lange reis gedaan, en in ’t begin hadden ze moeite om meê te komen in die snelle vaart.“Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!” riepen ze jammerend.“Wat is er?” vroeg de leidstergans.“Onze vleugels zijn te moe, onze vleugels zijn te moe!” schreeuwden de jongen.“Dat wordt beter, als je maar volhoudt!” antwoordde de leidstergans, en vloog heelemaal niet zachter, maar ging door als te voren. En ’t was wezenlijk, alsof ze gelijk had, want toen de gansjes een paar uur gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over vermoeidheid. Maar in het rotsdal waren ze gewend geweest den heelen dag door te eten, en het duurde niet lang, voor ze naar eten begonnen te verlangen.“Akka, Akka, Akka van Kebnekaise,” riepen de jongen klagend.“Wat is er nu?” vroeg de leidstergans.“We hebben zoo’n honger, dat we niet langer vliegen kunnen,” schreeuwden de jonge ganzen.“Wilde ganzen moeten leeren lucht te eten en wind te drinken,” antwoordde de leidstergans, en hield niet op, maar vloog door als te voren.En ’t scheen wel, alsof de jonge ganzen geleerd hadden van lucht en wind te leven. Want toen ze een poos gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over honger.De troep wilde ganzen was nog boven de rotsen, en de oude ganzen riepen de namen op van alle bergtoppen, die ze voorbij kwamen, opdat de jongen zouden leeren, hoe ze heetten. Maar toen ze een poos geroepen hadden: “Dit is Porsotjokko, dat is Sarjektjokko, dat is Sulitelma....!” werden de jongen weer ongeduldig. “Akka, Akka, Akka!” riepen ze met hartverscheurende stem.“Wat is er?” vroeg de leidstergans.“We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd,” schreeuwden de jongen. “We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd!”“Hoe meer er in een hoofd komt, hoe meer plaats er komt,” antwoordde de leidstergans, en ging voort met de merkwaardigste namen op te roepen als te voren.De jongen dacht, dat het wel tijd was, dat de wilde ganzen op weg naar ’t zuiden gingen, want nu lag er zooveel sneeuw, dat het veld wit was, zoover hij zien kon.’t Was ook niet te ontkennen, dat zij ’t stormachtig hadden gehad den laatsten tijd in ’t rotsdal. Regen en storm en mist hadden elkaar zonder ophouden opgevolgd, en als ’t eens helderder werd, was het dadelijk koud geworden tegen ’t vriespunt aan. Bessen en paddenstoelen, waar de jongen den zomer door van had geleefd, waren bevroren en gerot, zoodat hij eindelijk visch had moeten eten, en daar hield hij in ’t geheel niet van. De dagen werden kort, en ’t was saai en vervelend geweest met die lange avonden en late morgens, voor hen, die niet in staat waren precies even lang te slapen, als de zon beneden den horizont was.Nu waren eindelijk de vleugels van de jonge ganzen volwassen, zoodat de reis naar het zuiden had kunnen beginnen, en de jongen was zoo blij, dat hij lachte en zong, terwijl hij daar op den ganzenrug reed. Zie, ’t was niet alleen om de kou en de duisternis en ’t weinige eten, dat hij verlangde uit Lapland, maar ook nog ergens anders om.In de eerste weken, die hij daar had doorgebracht, had hij wezenlijk niet verlangd. Hij vond, dat hij nog nooit in zoo’n heerlijk mooi land was geweest, en hij had geen andere zorgen gehad, dan om te beletten, dat de muggen hem zouden opeten. De jongen had niet veel gezelligheid aan Maarten den ganzerik gehad, want de groote witte vogel dacht alleen aan het bewakenvan Donsje, en week geen stap van haar weg. Maar daarentegen had hij zich aan de oude Akka en aan Gorgo den arend gehouden, en die drie hadden met elkaar veel prettige uren gehad. De vogels hadden hem meegenomen op groote tochten. De jongen had op den top van de besneeuwde Kebnekaise gestaan en op gletschers neergezien, die zich beneden den steilen witten kegel uitbreidde, en hij had veel andere hooge rotsen bezocht, die niet dikwijls door menschenvoeten betreden werden. Akka had hem verborgen dalen tusschen de bergen gewezen, en hem in rotskloven laten neerzien, waar de wolvinnen hun jongen grootbrengen. Natuurlijk had hij kennis gemaakt met de tamme rendieren, die in groote troepen grazen aan de oevers van het mooie Torne-moeras, en was hij beneden bij den grooten meerwaterval geweest en had den beren, die daar in de buurt wonen, de groeten van hun familie in de mijndistricten gebracht. Waar hij kwam, had hij een mooi, grootsch land gevonden. Hij was heel blij, dat hij ’t had mogen zien, maar hij had er niet graag willen wonen. Hij moest toegeven, dat Akka gelijk had, toen ze zei, dat de Zweedsche kolonisten dit land maar met rust moesten laten, en ’t overlaten aan de beren en wolven, en rendieren en wilde ganzen en rotsuilen en aardmuizen, en Laplanders, die geschapen waren om daar te leven.Op een dag had Akka hem bij een van de groote mijnsteden gebracht, en daar had hij kleinen Mads, door een rotsblok getroffen, vinden liggen voor een mijnschacht. En de volgende dagen had de jongen aan niets anders gedacht, dan om de arme Asa te helpen, maar toen zij haar vader had teruggevonden, zoodat hij niets meer voor haar hoefde te doen, was hij ’t liefste thuisgebleven in het rotsdal. En van dien dag af had hij loopen verlangen naar den dag, dat hij met Maarten den ganzerik naar huis zou gaan, en een mensch zou worden. Hij wou graag weer zoo worden, dat Asa met hem zou durven praten, en niet de deur voor zijn neus dichtslaan.Ja, hij was heel gelukkig, nu hij op weg was naar ’t zuiden. Hij zwaaide met zijn muts en riep hoera, toen hij ’t eerste dennenbosch zag, en op dezelfde manier begroette hij de eerste grijze kolonistenhuizen, de eerste geit, de eerste kat, de eerste kip. Hij vloog over prachtige watervallen, en rechts zag hij mooie rotsen, maar aan zooiets was hij zoo gewend, dat hij haast niet de moeite nam er naar te kijken.Iets anders was het, toen hij ten oosten van de rots de kapel van Kvickjock zag, met de kleine pastorie, en het dorpje; dat vond hij zoo mooi, dat hij tranen in de oogen kreeg. Onophoudelijk kwamen ze trekvogels tegen, die nu in veel grooter troepen vlogen dan in de lente.“Waar ga jelui heen, wilde ganzen?” riepen de trekvogels. “Waar ga je heen?”“We gaan naar ’t buitenland, net als jelui,” antwoordden de wilde ganzen. “We gaan naar ’t buitenland.”“Jelui jongen kunnen nog niet vliegen,” riepen de anderen. “Ze komen nooit over de zee met hun zwakke vleugels.”Laplanders en rendieren waren ook bezig van de rotsen naar beneden te komen. Ze liepen in goede orde: een Laplander liep vooraan in den stoet, en dan kwam de kudde met de groote stieren in de eerste rijen, dan een rij lastrendieren, die de tent en de overige bagage droegen, en eindelijk een zeven, acht menschen. Toen de wilde ganzen de rendieren zagen, daalden ze neer en riepen: “We danken je voor dezen zomer!”“Goeie reis en tot weerziens!” antwoordden de rendieren. Toen de beren de wilde ganzen zagen, wezen ze die aan hun jongen en bromden: “Kijk zij eens! Ze zijn zoo bang voor een beetje kou, dat ze in den winter niet thuis durven blijven.”En de oude wilde ganzen bleven hun geen antwoord schuldig, maar ze riepen tegen de jonge gansjes: “Kijk zij eens, ze liggen liever een half jaar te slapen, dan dat ze de moeite nemen naar ’t zuiden te verhuizen.”Beneden in de dennenbosschen zaten de jonge korhoenders ineengedoken, ruig en koud, en keken naar al die groote troepen vogels, die met vreugde en gejuich naar ’t zuiden vlogen.“Wanneer mogen wij gaan?” vroegen de korhoendertjes. “Wanneer mogen wij gaan?”“Jelui mogen thuis blijven bij Vader en Moeder,” antwoordde de korhen. “Jelui moogt thuisblijven bij Vader en Moeder.”Ieder, die op de rotsen geweest is, weet wel hoe lastig de mist wezen kan, die nevels, die komen aanrollen, en het uitzicht wegnemen, zoodat je heelemaal niets ziet van al die mooie rotsen, die om je heen zijn. Je kunt mist hebben midden in den zomer, maar in den herfst kun je hem bijna niet vermijden. Wat Niels Holgersson betreft, hij had vrij mooi weer, zoolang hij in Lapland was, maar de wilde ganzen hadden nauwelijks geroepen, dat ze in Jämtland waren, of de nevels kwamen dicht om hem heen, zoodat hij niets van het land zag. Hij vloog er een heelen dag over, zonder te weten of ’t een bergland of een vlakte was, waar ze over heen vlogen.Tegen den avond streken de wilde ganzen neer op een groene plaats, die naar alle zijden afhelde, zoodat hij begreep, dat hij op den top van een heuvel stond, maar of die groot of kleinwas, kon hij niet met zekerheid zeggen. Hij meende, dat ze in een bewoonde streek moesten wezen, maar hij was bang, dat hij in den mist zou verdwalen, en durfde niets anders doen dan bij de wilde ganzen blijven. Alles was vochtig en druipend nat. Er hingen droppeltjes aan elken grashalm en aan ieder klein plantje, zoodat hij een flink regenstortbad kreeg, als hij zich maar bewoog.“’t Is hier niet veel beter dan in het rotsdal,” dacht hij.Maar een paar stappen waagde hij toch te doen, en nu onderscheidde hij flauw een gebouw dicht bij hem. ’t Was niet heel groot, maar verscheiden verdiepingen hoog. Hij kon er den top niet van zien. De deur was gesloten en het huis scheen onbewoond. Hij begreep, dat dit niet anders dan een Belvédère was, en dat hij daar geen warmte of eten zou vinden. Maar hij liep toch, zoo hard hij kon, naar de wilde ganzen terug.“Lieve Maarten,” zei hij tegen den ganzerik, “neem me op je rug, en draag me naar den top van dien toren daar. Hier is alles zoo nat, dat ik niet slapen kan, maar daar vind ik wel een droog plaatsje om te rusten.”Maarten, de ganzerik, wilde hem heel graag helpen. Hij bracht hem naar ’t balkon op den toren van de Belvédère, en daar ging de jongen rustig liggen slapen, tot de morgenzon hem wekte.Maar toen hij nu de oogen opsloeg, wist hij niet waar hij was. Hij was zoo gewend aan woeste velden, dat hij, wat hij nu zag: een sterk bebouwde streek, eerst bijna voor een schilderij hield. Maar daar was ook nog een andere reden voor. Niets van al, wat hij zag, had een gewone kleur. Het gebouw, waar hij was, stond op een berg, die op een eiland lag, en ’t eiland lag bij den oostelijken oever van een meer. Maar dat meer was niet grijs, zooals meren meestal zijn, maar even helder als de morgenhemel, en in de diepe inhammen was het bijna glanzend zwart. De oevers om het meer heen waren niet groen, maar lichtgeel, door al de afgemaaide akkers en de herfstkleurige bosschen, die ze bedekten. Om dat gele heen liep een breede streep zwart naaldbosch. ’t Kwam misschien, omdat de loofboomen zoo licht van kleur waren, maar de jongen dacht, dat hij nog nooit de naaldbosschen zóó zwart had gezien, als dien morgen. Achter dat zwarte zag hij in ’t oosten lichtblauwe heuvels, maar langs den heelen wester horizont liep een lange schitterende boog van puntige rotsen van allerlei vormen, die zoo’n mooie kleur hadden, dat hij ze niet rood, of wit of blauw kon noemen. Hij kon er geen naam aan geven.Terwijl hij daar naar stond te kijken, schrikte hij op eens en keek om. Hij was zoo verdiept geweest in wat hij zag, dat hij niet gemerkt had, dat er menschen op ’t balkon gekomen waren. Hij kon zich nog juist bijtijds verstoppen. ’t Waren jonge menschen,die een voetreis deden. Ze bewonderden het prachtige uitzicht en bleven lang staan praten.De jongen werd onrustig, omdat die reizigers zoo lang bleven. Maarten, de ganzerik, kon hem niet komen halen, terwijl zij er waren, en hij wist, dat de wilde ganzen haast hadden. Hij meende ganzengekakel te hooren en sterke vleugelslagen, alsof de wilde ganzen wegvlogen. Maar hij durfde niet te voorschijn komen om te zien wat er gebeurde.Toen de voetreizigers eindelijk weg waren, en de jongen uit zijn schuilhoek durfde kruipen, zag hij geen wilde gans meer op het veld, en geen Maarten de ganzerik kwam hem halen.Hij riep: “Waar ben je? Hier ben ik!” zoo hard hij kon, maar zijn reisgenooten vertoonden zich niet. Hij dacht geen oogenblik, dat ze hem in den steek zouden laten, maar hij was bang, dat ze een ongeluk hadden gekregen, en zat er over te denken, hoe hij dat zou kunnen onderzoeken, toen Bataki, de raaf, naast hem neerstreek.De jongen had nooit gedacht, dat hij er toe zou komen Bataki zoo hartelijk welkom te heeten, als hij nu deed.“Lieve Bataki,” zei hij, “dat is heerlijk, dat je hier komt. Je weet misschien, wat er van Maarten den ganzerik en de wilde ganzen geworden is.”“Ik kom je juist hun groeten brengen,” antwoordde de raaf. “Akka merkte, dat hier een jager op den berg rondzwierf, en daarom durfde ze niet hier blijven en op je wachten, maar is vast vooruitgegaan. Ga nu op mijn rug zitten, dan ben je in een uurtje bij je vrienden.”De jongen sprong vliegensvlug op den rug van den raaf, en Bataki zou de wilde ganzen wel gauw hebben ingehaald, als de mist het hem niet had belet. Maar ’t was, alsof de morgenzon de nevelsopnieuwten leven wekte. Kleine lichte dampsluiertjes kwamen opeens uit het meer, van de akkers en uit de bosschen. Ze werden dichter, en spreidden zich verwonderlijk snel uit, en al gauw was de aarde verscholen achter witte golvende nevelen.Bataki vloog boven den mist in heldere lucht en stralenden zonneschijn, maar de wilde ganzen vlogen zeker onder de nevelmassa’s. ’t Was onmogelijk hen in ’t oog te krijgen. De jongen riep, en de raaf kraste, maar ze kregen geen antwoord.“Dat is toch een leelijke tegenval,” zei Bataki eindelijk.“Maar we weten immers, dat ze naar ’t zuiden trekken en zoodra het helder wordt, zal ik ze wel vinden!”De jongen was heel bedroefd, dat hij juist nu van Maarten den ganzerikweg was geraakt, terwijl zij op reis waren, en de groote witte vogel in allerlei gevaar kon komen. Maar toen hij daar een paar uur over in angst gezeten had, zei hij totzichzelf,dat er immers nog geen ongeluk was gebeurd, en dat het niet hielp, of hij den moed al verloor.Juist toen hoorde hij een haan kraaien beneden op de aarde, en dadelijk boog hij zich over den rug van den raaf, en riep:“Hoe heet dit land?”“Dit land heet Härjedal, Härjedal, Härjedal!” kraaide de haan.“Hoe ziet het er daar bij jou uit?” vroeg de jongen.“Rotsen in ’t westen, bosschen in ’t oosten, en een breed rivierdal midden door ’t heele land,” antwoordde de haan.“Dank je wel! Je antwoordt flink!” riep de jongen.Toen hij een eind verder was, hoorde hij een kraai krassen, beneden in den mist.“Wat zijn ’t voor menschen hier in ’t land?” riep hij.“Flinke, brave boeren!” antwoordde de kraai. “Flinke en brave boeren!”“Wat doen ze?” vroeg de jongen. “Wat doen ze?”“Ze verzorgen hun vee en hakken hout!” kraste de kraai.“Dank je wel. Je antwoordt flink!” riep de jongen.Een eind verder hoorde hij een mensch zingen en neuriën beneden in den mist.“Is hier ook een stad in dit land?” vroeg de jongen.“Wat... Wat? Wie roept daar?” antwoordde de mensch.“Is hier ook een stad in dit land?” herhaalde de jongen.“Ik wil weten, wie me roept!” schreeuwde de mensch terug.“Ik dacht wel, dat ik geen goed antwoord zou krijgen, als ik een mensch wat vroeg,” riep de jongen.Het duurde niet lang, of de mist verdween, even gauw als hij gekomen was, en de jongen zag nu, dat Bataki over een breed rivierdal vloog. ’t Was een mooi landschap met hooge rotsen, maar er lag geen groote en vruchtbare, bebouwde streek onder aan den berg. De dorpen lagen ver van elkaar, en de akkers waren klein. Bataki volgde de rivier naar ’t zuiden, tot ze in de buurt van een dorp kwamen. Daar streek hij neer op een stoppelveld, en liet den jongen afstappen.“Op dit veld groeide koren van den zomer,” zei Bataki. “Kijk eens of je niet iets eetbaars kunt vinden.”De jongen volgde zijn raad, en het duurde niet lang, voor hij een korenaar vond. Terwijl hij de korrels eruit haalde, en ze opat, begon Bataki met hem te praten.“Zie je die mooie rots daar, vlak in ’t zuiden?” vroeg hij.“Ja, die zie ik altijd door,” zei de jongen.“Die heet de Sonrots,” ging de raaf voort. “Je kunt er van op aan, dat hier heel wat wolven waren vroeger.”“Dat was een beste schuilplaats voor hen,” zei de jongen.“De menschen, die hier beneden in ’t rivierdal woonden,hadden ’t vaak heel moeielijk door hun schuld,” zei Bataki.“Kun je misschien een paar mooie wolvengeschiedenissen vertellen?” zei de jongen.“Ik heb gehoord, dat lang geleden de wolven van de Sonrots een man moeten hebben overvallen, die er op uit was gegaan om hout voor duigen te verkoopen,” zei Bataki. “Hij kwam van Hede, een dorp, dat hier in ’t rivierdal ligt, een paar mijlen hooger, dan we zijn. ’t Was winter, en de wolven vervolgden hem, toen hij over ’t ijs van Ljusnan reed. ’t Waren wel een negen of tien stuks, en de man uit Hede had geen best paard, zoodat hij niet veel hoop had om weg te komen.Toen de man de wolven hoorde huilen, en zag, hoeveel er waren, die achter hem aankwamen, verloor hij heelemaal zijn kalmte, en dacht er niet aan, dat hij zijn vaten en tobben van de kar moest gooien om de lading lichter te maken. Hij sloeg zijn paard maar, en dat liep al zoo hard, als het kon, maar de man merkte toch, dat de wolven dichter bij kwamen. De oevers van ’t meer waren eenzaam, en de dichtstbijzijnde hoeve lag nog een paar mijlen ver. Hij verwachtte niet anders, dan dat zijn laatste ure zou komen, en voelde, dat hij van angst verstijfde. Terwijl hij daar als verlamd neerzat, zag hij, dat zich iets bewoog tusschen de dennetakken, die op ’t ijs waren neergezet om den weg aan te wijzen. En toen hij zag wie het was, die daar liep, werd hij nog véél angstiger, dan hij eerst was. ’t Waren geen wolven, die hem te gemoet kwamen, maar een arme, oude vrouw. Ze heette Finn Malin, en placht vaak op paden en wegen rond te zwerven. Ze was wat mank en gebocheld, zoodat men haar al van verre kon herkennen.De oude vrouw liep regelrecht de wolven te gemoet, en de man uit Hede begreep dadelijk, dat als hij haar voorbij reed zonder haar te waarschuwen, ze vlak in den muil van de wilde dieren zou loopen, enterwijlze haar verscheurden, zou hij kunnen ontkomen.Ze liep langzaam, over een stok gebogen. ’t Was duidelijk, dat ze verloren was, als hij haar niet hielp. Maar ook al hield hij stil, en liet haar in de slee stappen, dan was ’t nog niet gezegd, dat ze gered zou zijn. Nam hij haar op in de slee, dan was ’t waarschijnlijk, dat de wolven hen zouden inhalen, en dat én zij én hij én het paard gedood zouden worden. En hij dacht er over, of ’t niet het beste was één leven op te offeren om twee anderen te redden.Dat alles ging hem op ’t oogenblik door ’t hoofd, toen hij de oude vrouw zag. En bovendien dacht hij er ook aan, hoe hij het later hebben zou, of hij er berouw van zou krijgen, dat hij de oude vrouw niet had geholpen, of dat de menschen zouden weten, dat hij haar had ontmoet, en haar niet had bijgestaan.’t Was een vreeselijke verzoeking, waar hij in was!“Ik wou veel liever, dat ik haar niet had ontmoet,” dacht hij.Op ’t zelfde oogenblik hieven de wolven een wild gehuil aan, ’t paard nam een sprong, en vloog voorbij de oude vrouw. Ook zij had het wolvengehuil gehoord, en toen de man uit Hede haar voorbij reed, zag hij, dat ze wist wat haar wachtte. Ze stond stil, den mond open als om te schreeuwen, de armen uitgestrekt, naar hulp grijpend, maar ze had niet geroepen, en ook niet geprobeerd op de slee te komen. Er moest iets geweest zijn, dat haar versteende.“Dat zal ik wel geweest zijn. Ik zal er wel hebben uitgezien als een spook, toen ik haar voorbij rende,” dacht hij.Hij probeerde er blij om te zijn, dat hij nu zeker zou ontkomen. Maar tegelijk begon het te branden en te trekken in zijn borst. Hij had nog nooit iets onteerends gedaan, en nu meende hij, dat zijn heele leven was verwoest.“Neen, ’t mag gaan, zooals het wil,”zeihij, en hield de teugels in, “maar ik kan haar niet alleen laten met de wolven.”Met de grootste moeite bracht hij zijn paard tot staan; maar eindelijk gelukte het hem toch, en hij reed in vliegende vaart naar de oude vrouw toe.“Kom gauw in de sleê!” zei hij hard, want hij was boos opzichzelf, omdat hij de vrouw aan haar lot had overgelaten! “Je kon toch een enkelen keer wel eens thuis blijven, ouwe heks,” zei hij. “Nu moeten zwartje en ik er aan gelooven om jou.”De oude vrouw antwoordde niets, maar de man uit Hede was niet in een bui om haar te sparen, “Zwartje heeft vandaag al vijf mijl geloopen,” zei hij, “zoodat je wel begrijpen kunt, dat hij gauw moe zal worden, en de lading is niet lichter, sinds jij er bijbentgekomen.”De ijzers onder de slee knarsten over ’t ijs, maar toch hoorde hij de wolven blazen, en hij begreep, dat de dieren hem nu hadden ingehaald.“Nu is ’t uit met ons,” zei hij. “’t Is noch voor mij, noch voor jou een geluk geweest, dat ik geprobeerd heb je te redden, Finn Malin.”Tot nu toe had de oude vrouw gezwegen, als iemand, die aan onheuschheid was gewend. Nu zei ze een paar woorden: “Ik begrijp niet, dat je je duigenhout niet uit de sleê gooit, om de lading te verlichten. Je kunt immers morgen terugkomen en het ophalen.”De man uit Hede begreep, dat het een goede raad was, en was er verbaasd over, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Hij liet de oude vrouw de teugels houden, maakte het touw los, dat hetduigenhoutbijeenhield, en gooide het van de sleê af. De wolven waren vlak achter hen. Maar nu hielden ze stil, om teonderzoeken wat daar over ’t ijs gleed, en de reizigers kwamen zeopnieuween eindje vooruit.“Als dit niet helpt, begrijp je wel, dat ik me zelf aan de wolven geef,” zei de oude vrouw, “zoodat je kunt wegkomen.”Toen ze dat zei, was de man bezig een groot zwaar biervat van de sleê te schuiven. Terwijl hijdaarmeêaan ’t werk was, hield hij op, alsof hij er niet toe kon besluiten ’t vat weg te gooien. Maar eigenlijk waren zijn gedachten met heel wat anders bezig.“Een man en een paard, waar niets aan mankeert, hoeven toch om hunnentwil een oude vrouw niet door de wolven te laten opeten,” dacht hij. “Er moet toch een andere manier zijn om ons te redden. Ja, natuurlijk is er die. ’t Is maar, dat ik er niet op kan komen.”Hij begon weer aan dat biervat te schuiven, maar op eens hield hij weer op, en barstte in lachen uit.De oude vrouw keek hem verschrikt aan, en meende, dat hij krankzinnig geworden was, maar de man uit Hede lachte omzichzelf, omdat hij aldoor zoo dom was geweest. ’t Was ’t eenvoudigste wat je maar bedenken kon, om alle drie te redden, hij kon niet begrijpen, dat hij daar niet eerder aan had gedacht.“Luister nu goed, Malin,” zei hij. “’t Was flink van je, dat je jezelf aan de wolven wou geven. Maar dat hoef je niet te doen, want ik weet nu hoe we alle drie gered zullen worden, zonder iemands leven in gevaar te brengen. Onthoud nu goed, dat—wat ik ook doe—jij stil op de sleê blijft zitten en naar ’t dorp Linsäll rijdt. Daar maak je de menschen wakker, en zegt, dat ik hier alleen op het ijs lig met tien wolven om me heen, en vraagt hun, of ze me willen komen helpen.”Nu wachtte de man, tot de wolven heel dicht bij de sleê waren. Toen gooide hij het groote vat op het ijs, sprong zelf van de sleê en kroop onder het vat.’t Was een geweldige ton. Die was zoo groot gemaakt, dat al het kerstbier er in kon. De wolven sprongen er tegen op, beten in de banden, en probeerden het vat om te gooien, maar het was te zwaar en stond te vast. Ze konden niet bij hem komen, die er onder lag.De man uit Hede wist, dat hij veilig lag, en hij lachte om de wolven. Maar na een poos werd hij ernstig.“Zoodra ik in ’t vervolg in een of andere moeilijkheid kom,” zei hij in zichzelf, “zal ik aan deze ton denken. Ik zal er aan denken, dat ik mezelf geen kwaad hoef te doen, noch een ander. Er is altijd een derde uitweg, als je dien maar vinden kunt.”Daarmeê eindigde Bataki zijn verhaal. Maar de jongen had al lang gemerkt, dat de raaf nooit iets zei, zonder dat hij er eenbepaalde bedoeling meê had, en hoe langer hij naar hem luisterde, hoe meer hij nadacht.“Ik zou wel eens willen weten, waarom je me dat verhaal vertelt,” zei de jongen.“Och, dat kwam me zoo maar weer voor den geest, terwijl ik hier naar de Sonrots stond te kijken,” zei de raaf.Ze reden nu verder langs Ljusna, en een poos later kwamen ze aan ’t dorp Kolsätt, dat vlak bij de grens van Helsingland ligt. Hier streek de raaf neer bij een klein hutje. ’t Had geen venster, enkel maar een luik. Uit den schoorsteen steeg rook op, met vonken vermengd, en sterke hamerslagen klonken uit het huis.“Als ik die smidse daar zie,” zei de raaf, “moet ik er aan denken, dat er vroeger zulke goede smeden inHärjedalenwaren, en vooral in deze stad hier, dat ze hunsgelijken niet hadden in ’t heele land.”“Misschien weet je daar ook wel een verhaal over, dat je me wilt vertellen,” zei de jongen.“Ja, ik weet er wel een van dien smid in Härjedalen,” zei Bataki, “die twee andere meestersmeden, een van Dalecarlië en een van Wermeland, uitnoodigde tot een wedstrijd in ’t spijkers maken. De uitnoodiging werd aangenomen, en de drie smeden kwamen hier in Kolsätt bij elkaar. DeDalecarliërbegon. Hij smeedde een dozijn spijkers, zoo glad en scherp en gelijk, dat niemand ze beter maken kon. Na hem kwam de Wermelander. Ook hij maakte een dozijn spijkers, die voortreffelijk waren, en daar kwam bij, dat hij ze in de helft van den tijd maakte, dien de Dalecarliër noodig had. Toen zij, die ’t werk moesten beoordeelen dat zagen, zeiden ze tegen den smid uit Härjedalen, dat het niet de moeite waard was voor hem om meê te dingen; want beter dan de Dalecarliër en vlugger dan de Wermelander kon hij toch niet smeden.“Ik geef het niet op. Er zal nog wel een andere manier zijn om zich te onderscheiden,” zei de man.Hij legde het ijzer op het aanbeeld, zonder het eerst in ’t vuur te houden, hamerde het warm, en smeedde den eenen spijker na den anderen, zonder kolen of blaasbalg noodig te hebben. Niemand had ooit een smid meesterlijker den hamer zien hanteeren, en de smid uit Härjedalen werd verklaard de eerste in ’t land te zijn.”Na deze woorden zweeg Bataki, maar de jongen werd nog nadenkender.“Ik zou wel willen weten, wat voor bedoeling je met dat verhaal hebt,” zei hij.“Die geschiedenis kwam me in den zin, toen ik de oude smidse zag,” zei Bataki heel onverschillig.De beide reizigers verhieven zich weer in de lucht, en de raaf bracht den jongen naar ’t zuiden, naar de gemeente Lillhärdal,die aan Dalecarlië grenst. Daar streek hij neer op een heuvel, met boomen begroeid, die op den hoogsten top van een bergvlakte lag.“Weet je wel wat dat is voor een hoogte, waar je nu op staat?” zei Bataki.Neen, de jongen moest erkennen, dat hij dat niet wist.“Dat is een grafheuvel,” zei Bataki. “Die is opgehoogd over een man, die Kärjulf heette, en de eerste was, die zich in Härjedalen vestigde en het land ging ontginnen.”“Weet je misschien ook een verhaal van hem?” vroeg de jongen.“Ik heb niet veel van hem gehoord, maar ik geloof, dat hij een Noorman was. Eerst was hij in dienst bij een Noorschen koning, maar daar kreeg hij twist meê, en nu moest hij uit het land vluchten. Hij begaf zich naar den Zweedschen koning, die in Uppsala woonde, en ging in dienst bij hem. Maar na een poosje begeerde hij de zuster van den koning tot vrouw, en toen de koning hem zoo’n voorname bruid niet wou geven, vluchtte hij met haar.Hij had ’t nu zoo gemaakt, dat hij niet in Noorwegen en niet in Zweden kon wonen, en naar het buitenland wilde hij niet gaan.“Maar er moet nog wel een uitweg zijn,” dacht hij, en trok met zijn knechten en schatten naar ’t noorden door Dalecarlië, tot hij de groote, woeste bosschen daar aan de grens bereikte. Daar zette hij zich neer, bouwde een huis, ontgon de streek, en werd zoodoende de eerste, die zich in deze streken vestigde.Toen de jongen dat laatste verhaal hoorde, werd hij nog nadenkender dan vroeger.“Ik zou wel eens willen weten, met welke bedoeling je me dat alles verteld hebt,” zei hij nog eens. Bataki antwoordde een tijdlang niets, maar draaide den kop heen en weer, en kneep de oogen dicht.“Nu we hier toch alleen zijn,” zei hij eindelijk, “moet ik toch de gelegenheid waarnemen, om je iets te vragen. Heb je ooit goed onderzocht, welke voorwaarden de kabouter, die je heeft betooverd, heeft gesteld, om je weer een mensch te laten worden?”“Ik heb niet van andere voorwaarden gehoord, dan dat ik den witten ganzerik ongedeerd naar Lapland en weer terug naar Skaane zou brengen.”“Ik dacht het wel,” zei Bataki, “want toen we elkaar het laatst ontmoetten, sprak je er zoo trotsch over, dat er niets zoo leelijk was, als een vriend ontrouw te worden, die op je vertrouwt. Je moest Akka eens naar de voorwaarden vragen. Je weet, dat ze bij je thuis geweest is, en den kabouter heeft gesproken.”“Daar heeft Akka me niets van verteld,” zei de jongen.“Ze heeft zeker gevonden, dat ’t beter voor je was niet te weten,wat de kabouter precies gezegd had. Ze wou natuurlijk liever jou helpen dan den ganzerik.”“’t Is vreemd, Bataki, dat je er altijd slag van hebt me uit mijn humeur en ongerust te maken,” zei de jongen.“Dat kan wel zoo schijnen,” zei de raaf, “maar dezen keer geloof ik, dat je er me dankbaar voor zult wezen, dat ik je zeg, dat de kabouter het zoo heeft bepaald: dat je een mensch zoudt worden, als je Maarten, den ganzerik, weer thuis bracht, zoodat je moeder hem op de slachtbank kon leggen.”De jongen stoof op.“Dat is niets anders dan een ellendig bedenksel van jou!” riep hij.“Je kunt het Akka zelf vragen,” zei de raaf,“ik zie haar aankomen met haar heelen troep. Vergeet nu niet, wat ik je vandaag heb verteld. Er is een uitweg uit alle moeilijkheden; de vraag is of je dien kunt vinden. Ik verheug er me op, te zien, hoe jou dat zal gelukken.”
De jongen zat op den rug van den wilden ganzerik, en reed voort hoog in de wolken. Dertien wilde ganzen vlogen in een goed geordenden troep snel naar ’t zuiden. Hun veeren bruisten, en de vele vleugels sloegen door de lucht met zoo’n sterk geluid, dat men nauwelijks zijn eigen stem kon hooren. Akka van Kebnekaise vloog vooruit, en achter haar kwamen IJksi en Kaksi, Kolme en Neljä, Viisi en Kuusi, Maarten de ganzerik en Donsje. De zes jonge ganzen, die den troep den vorigen herfst vergezelden, hadden dien nu verlaten, en reddenzichzelf. In hun plaats nam de oude gans nu tweeëntwintig jonge ganzen meê, die dezen zomer in het rotsdal waren opgegroeid. Elf vlogen links en elf rechts, en ze deden hun best om op gelijken afstand van elkaar te blijven, zooals ook de groote deden.
Die arme jonge dingen hadden nog nooit een lange reis gedaan, en in ’t begin hadden ze moeite om meê te komen in die snelle vaart.
“Akka van Kebnekaise! Akka van Kebnekaise!” riepen ze jammerend.
“Wat is er?” vroeg de leidstergans.
“Onze vleugels zijn te moe, onze vleugels zijn te moe!” schreeuwden de jongen.
“Dat wordt beter, als je maar volhoudt!” antwoordde de leidstergans, en vloog heelemaal niet zachter, maar ging door als te voren. En ’t was wezenlijk, alsof ze gelijk had, want toen de gansjes een paar uur gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over vermoeidheid. Maar in het rotsdal waren ze gewend geweest den heelen dag door te eten, en het duurde niet lang, voor ze naar eten begonnen te verlangen.
“Akka, Akka, Akka van Kebnekaise,” riepen de jongen klagend.
“Wat is er nu?” vroeg de leidstergans.
“We hebben zoo’n honger, dat we niet langer vliegen kunnen,” schreeuwden de jonge ganzen.
“Wilde ganzen moeten leeren lucht te eten en wind te drinken,” antwoordde de leidstergans, en hield niet op, maar vloog door als te voren.
En ’t scheen wel, alsof de jonge ganzen geleerd hadden van lucht en wind te leven. Want toen ze een poos gevlogen hadden, klaagden ze niet meer over honger.
De troep wilde ganzen was nog boven de rotsen, en de oude ganzen riepen de namen op van alle bergtoppen, die ze voorbij kwamen, opdat de jongen zouden leeren, hoe ze heetten. Maar toen ze een poos geroepen hadden: “Dit is Porsotjokko, dat is Sarjektjokko, dat is Sulitelma....!” werden de jongen weer ongeduldig. “Akka, Akka, Akka!” riepen ze met hartverscheurende stem.
“Wat is er?” vroeg de leidstergans.
“We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd,” schreeuwden de jongen. “We hebben geen plaats voor meer namen in ons hoofd!”
“Hoe meer er in een hoofd komt, hoe meer plaats er komt,” antwoordde de leidstergans, en ging voort met de merkwaardigste namen op te roepen als te voren.
De jongen dacht, dat het wel tijd was, dat de wilde ganzen op weg naar ’t zuiden gingen, want nu lag er zooveel sneeuw, dat het veld wit was, zoover hij zien kon.
’t Was ook niet te ontkennen, dat zij ’t stormachtig hadden gehad den laatsten tijd in ’t rotsdal. Regen en storm en mist hadden elkaar zonder ophouden opgevolgd, en als ’t eens helderder werd, was het dadelijk koud geworden tegen ’t vriespunt aan. Bessen en paddenstoelen, waar de jongen den zomer door van had geleefd, waren bevroren en gerot, zoodat hij eindelijk visch had moeten eten, en daar hield hij in ’t geheel niet van. De dagen werden kort, en ’t was saai en vervelend geweest met die lange avonden en late morgens, voor hen, die niet in staat waren precies even lang te slapen, als de zon beneden den horizont was.
Nu waren eindelijk de vleugels van de jonge ganzen volwassen, zoodat de reis naar het zuiden had kunnen beginnen, en de jongen was zoo blij, dat hij lachte en zong, terwijl hij daar op den ganzenrug reed. Zie, ’t was niet alleen om de kou en de duisternis en ’t weinige eten, dat hij verlangde uit Lapland, maar ook nog ergens anders om.
In de eerste weken, die hij daar had doorgebracht, had hij wezenlijk niet verlangd. Hij vond, dat hij nog nooit in zoo’n heerlijk mooi land was geweest, en hij had geen andere zorgen gehad, dan om te beletten, dat de muggen hem zouden opeten. De jongen had niet veel gezelligheid aan Maarten den ganzerik gehad, want de groote witte vogel dacht alleen aan het bewakenvan Donsje, en week geen stap van haar weg. Maar daarentegen had hij zich aan de oude Akka en aan Gorgo den arend gehouden, en die drie hadden met elkaar veel prettige uren gehad. De vogels hadden hem meegenomen op groote tochten. De jongen had op den top van de besneeuwde Kebnekaise gestaan en op gletschers neergezien, die zich beneden den steilen witten kegel uitbreidde, en hij had veel andere hooge rotsen bezocht, die niet dikwijls door menschenvoeten betreden werden. Akka had hem verborgen dalen tusschen de bergen gewezen, en hem in rotskloven laten neerzien, waar de wolvinnen hun jongen grootbrengen. Natuurlijk had hij kennis gemaakt met de tamme rendieren, die in groote troepen grazen aan de oevers van het mooie Torne-moeras, en was hij beneden bij den grooten meerwaterval geweest en had den beren, die daar in de buurt wonen, de groeten van hun familie in de mijndistricten gebracht. Waar hij kwam, had hij een mooi, grootsch land gevonden. Hij was heel blij, dat hij ’t had mogen zien, maar hij had er niet graag willen wonen. Hij moest toegeven, dat Akka gelijk had, toen ze zei, dat de Zweedsche kolonisten dit land maar met rust moesten laten, en ’t overlaten aan de beren en wolven, en rendieren en wilde ganzen en rotsuilen en aardmuizen, en Laplanders, die geschapen waren om daar te leven.
Op een dag had Akka hem bij een van de groote mijnsteden gebracht, en daar had hij kleinen Mads, door een rotsblok getroffen, vinden liggen voor een mijnschacht. En de volgende dagen had de jongen aan niets anders gedacht, dan om de arme Asa te helpen, maar toen zij haar vader had teruggevonden, zoodat hij niets meer voor haar hoefde te doen, was hij ’t liefste thuisgebleven in het rotsdal. En van dien dag af had hij loopen verlangen naar den dag, dat hij met Maarten den ganzerik naar huis zou gaan, en een mensch zou worden. Hij wou graag weer zoo worden, dat Asa met hem zou durven praten, en niet de deur voor zijn neus dichtslaan.
Ja, hij was heel gelukkig, nu hij op weg was naar ’t zuiden. Hij zwaaide met zijn muts en riep hoera, toen hij ’t eerste dennenbosch zag, en op dezelfde manier begroette hij de eerste grijze kolonistenhuizen, de eerste geit, de eerste kat, de eerste kip. Hij vloog over prachtige watervallen, en rechts zag hij mooie rotsen, maar aan zooiets was hij zoo gewend, dat hij haast niet de moeite nam er naar te kijken.
Iets anders was het, toen hij ten oosten van de rots de kapel van Kvickjock zag, met de kleine pastorie, en het dorpje; dat vond hij zoo mooi, dat hij tranen in de oogen kreeg. Onophoudelijk kwamen ze trekvogels tegen, die nu in veel grooter troepen vlogen dan in de lente.
“Waar ga jelui heen, wilde ganzen?” riepen de trekvogels. “Waar ga je heen?”
“We gaan naar ’t buitenland, net als jelui,” antwoordden de wilde ganzen. “We gaan naar ’t buitenland.”
“Jelui jongen kunnen nog niet vliegen,” riepen de anderen. “Ze komen nooit over de zee met hun zwakke vleugels.”
Laplanders en rendieren waren ook bezig van de rotsen naar beneden te komen. Ze liepen in goede orde: een Laplander liep vooraan in den stoet, en dan kwam de kudde met de groote stieren in de eerste rijen, dan een rij lastrendieren, die de tent en de overige bagage droegen, en eindelijk een zeven, acht menschen. Toen de wilde ganzen de rendieren zagen, daalden ze neer en riepen: “We danken je voor dezen zomer!”
“Goeie reis en tot weerziens!” antwoordden de rendieren. Toen de beren de wilde ganzen zagen, wezen ze die aan hun jongen en bromden: “Kijk zij eens! Ze zijn zoo bang voor een beetje kou, dat ze in den winter niet thuis durven blijven.”
En de oude wilde ganzen bleven hun geen antwoord schuldig, maar ze riepen tegen de jonge gansjes: “Kijk zij eens, ze liggen liever een half jaar te slapen, dan dat ze de moeite nemen naar ’t zuiden te verhuizen.”
Beneden in de dennenbosschen zaten de jonge korhoenders ineengedoken, ruig en koud, en keken naar al die groote troepen vogels, die met vreugde en gejuich naar ’t zuiden vlogen.
“Wanneer mogen wij gaan?” vroegen de korhoendertjes. “Wanneer mogen wij gaan?”
“Jelui mogen thuis blijven bij Vader en Moeder,” antwoordde de korhen. “Jelui moogt thuisblijven bij Vader en Moeder.”
Ieder, die op de rotsen geweest is, weet wel hoe lastig de mist wezen kan, die nevels, die komen aanrollen, en het uitzicht wegnemen, zoodat je heelemaal niets ziet van al die mooie rotsen, die om je heen zijn. Je kunt mist hebben midden in den zomer, maar in den herfst kun je hem bijna niet vermijden. Wat Niels Holgersson betreft, hij had vrij mooi weer, zoolang hij in Lapland was, maar de wilde ganzen hadden nauwelijks geroepen, dat ze in Jämtland waren, of de nevels kwamen dicht om hem heen, zoodat hij niets van het land zag. Hij vloog er een heelen dag over, zonder te weten of ’t een bergland of een vlakte was, waar ze over heen vlogen.
Tegen den avond streken de wilde ganzen neer op een groene plaats, die naar alle zijden afhelde, zoodat hij begreep, dat hij op den top van een heuvel stond, maar of die groot of kleinwas, kon hij niet met zekerheid zeggen. Hij meende, dat ze in een bewoonde streek moesten wezen, maar hij was bang, dat hij in den mist zou verdwalen, en durfde niets anders doen dan bij de wilde ganzen blijven. Alles was vochtig en druipend nat. Er hingen droppeltjes aan elken grashalm en aan ieder klein plantje, zoodat hij een flink regenstortbad kreeg, als hij zich maar bewoog.
“’t Is hier niet veel beter dan in het rotsdal,” dacht hij.
Maar een paar stappen waagde hij toch te doen, en nu onderscheidde hij flauw een gebouw dicht bij hem. ’t Was niet heel groot, maar verscheiden verdiepingen hoog. Hij kon er den top niet van zien. De deur was gesloten en het huis scheen onbewoond. Hij begreep, dat dit niet anders dan een Belvédère was, en dat hij daar geen warmte of eten zou vinden. Maar hij liep toch, zoo hard hij kon, naar de wilde ganzen terug.
“Lieve Maarten,” zei hij tegen den ganzerik, “neem me op je rug, en draag me naar den top van dien toren daar. Hier is alles zoo nat, dat ik niet slapen kan, maar daar vind ik wel een droog plaatsje om te rusten.”
Maarten, de ganzerik, wilde hem heel graag helpen. Hij bracht hem naar ’t balkon op den toren van de Belvédère, en daar ging de jongen rustig liggen slapen, tot de morgenzon hem wekte.
Maar toen hij nu de oogen opsloeg, wist hij niet waar hij was. Hij was zoo gewend aan woeste velden, dat hij, wat hij nu zag: een sterk bebouwde streek, eerst bijna voor een schilderij hield. Maar daar was ook nog een andere reden voor. Niets van al, wat hij zag, had een gewone kleur. Het gebouw, waar hij was, stond op een berg, die op een eiland lag, en ’t eiland lag bij den oostelijken oever van een meer. Maar dat meer was niet grijs, zooals meren meestal zijn, maar even helder als de morgenhemel, en in de diepe inhammen was het bijna glanzend zwart. De oevers om het meer heen waren niet groen, maar lichtgeel, door al de afgemaaide akkers en de herfstkleurige bosschen, die ze bedekten. Om dat gele heen liep een breede streep zwart naaldbosch. ’t Kwam misschien, omdat de loofboomen zoo licht van kleur waren, maar de jongen dacht, dat hij nog nooit de naaldbosschen zóó zwart had gezien, als dien morgen. Achter dat zwarte zag hij in ’t oosten lichtblauwe heuvels, maar langs den heelen wester horizont liep een lange schitterende boog van puntige rotsen van allerlei vormen, die zoo’n mooie kleur hadden, dat hij ze niet rood, of wit of blauw kon noemen. Hij kon er geen naam aan geven.
Terwijl hij daar naar stond te kijken, schrikte hij op eens en keek om. Hij was zoo verdiept geweest in wat hij zag, dat hij niet gemerkt had, dat er menschen op ’t balkon gekomen waren. Hij kon zich nog juist bijtijds verstoppen. ’t Waren jonge menschen,die een voetreis deden. Ze bewonderden het prachtige uitzicht en bleven lang staan praten.
De jongen werd onrustig, omdat die reizigers zoo lang bleven. Maarten, de ganzerik, kon hem niet komen halen, terwijl zij er waren, en hij wist, dat de wilde ganzen haast hadden. Hij meende ganzengekakel te hooren en sterke vleugelslagen, alsof de wilde ganzen wegvlogen. Maar hij durfde niet te voorschijn komen om te zien wat er gebeurde.
Toen de voetreizigers eindelijk weg waren, en de jongen uit zijn schuilhoek durfde kruipen, zag hij geen wilde gans meer op het veld, en geen Maarten de ganzerik kwam hem halen.
Hij riep: “Waar ben je? Hier ben ik!” zoo hard hij kon, maar zijn reisgenooten vertoonden zich niet. Hij dacht geen oogenblik, dat ze hem in den steek zouden laten, maar hij was bang, dat ze een ongeluk hadden gekregen, en zat er over te denken, hoe hij dat zou kunnen onderzoeken, toen Bataki, de raaf, naast hem neerstreek.
De jongen had nooit gedacht, dat hij er toe zou komen Bataki zoo hartelijk welkom te heeten, als hij nu deed.
“Lieve Bataki,” zei hij, “dat is heerlijk, dat je hier komt. Je weet misschien, wat er van Maarten den ganzerik en de wilde ganzen geworden is.”
“Ik kom je juist hun groeten brengen,” antwoordde de raaf. “Akka merkte, dat hier een jager op den berg rondzwierf, en daarom durfde ze niet hier blijven en op je wachten, maar is vast vooruitgegaan. Ga nu op mijn rug zitten, dan ben je in een uurtje bij je vrienden.”
De jongen sprong vliegensvlug op den rug van den raaf, en Bataki zou de wilde ganzen wel gauw hebben ingehaald, als de mist het hem niet had belet. Maar ’t was, alsof de morgenzon de nevelsopnieuwten leven wekte. Kleine lichte dampsluiertjes kwamen opeens uit het meer, van de akkers en uit de bosschen. Ze werden dichter, en spreidden zich verwonderlijk snel uit, en al gauw was de aarde verscholen achter witte golvende nevelen.
Bataki vloog boven den mist in heldere lucht en stralenden zonneschijn, maar de wilde ganzen vlogen zeker onder de nevelmassa’s. ’t Was onmogelijk hen in ’t oog te krijgen. De jongen riep, en de raaf kraste, maar ze kregen geen antwoord.
“Dat is toch een leelijke tegenval,” zei Bataki eindelijk.
“Maar we weten immers, dat ze naar ’t zuiden trekken en zoodra het helder wordt, zal ik ze wel vinden!”
De jongen was heel bedroefd, dat hij juist nu van Maarten den ganzerikweg was geraakt, terwijl zij op reis waren, en de groote witte vogel in allerlei gevaar kon komen. Maar toen hij daar een paar uur over in angst gezeten had, zei hij totzichzelf,dat er immers nog geen ongeluk was gebeurd, en dat het niet hielp, of hij den moed al verloor.
Juist toen hoorde hij een haan kraaien beneden op de aarde, en dadelijk boog hij zich over den rug van den raaf, en riep:
“Hoe heet dit land?”
“Dit land heet Härjedal, Härjedal, Härjedal!” kraaide de haan.
“Hoe ziet het er daar bij jou uit?” vroeg de jongen.
“Rotsen in ’t westen, bosschen in ’t oosten, en een breed rivierdal midden door ’t heele land,” antwoordde de haan.
“Dank je wel! Je antwoordt flink!” riep de jongen.
Toen hij een eind verder was, hoorde hij een kraai krassen, beneden in den mist.
“Wat zijn ’t voor menschen hier in ’t land?” riep hij.
“Flinke, brave boeren!” antwoordde de kraai. “Flinke en brave boeren!”
“Wat doen ze?” vroeg de jongen. “Wat doen ze?”
“Ze verzorgen hun vee en hakken hout!” kraste de kraai.
“Dank je wel. Je antwoordt flink!” riep de jongen.
Een eind verder hoorde hij een mensch zingen en neuriën beneden in den mist.
“Is hier ook een stad in dit land?” vroeg de jongen.
“Wat... Wat? Wie roept daar?” antwoordde de mensch.
“Is hier ook een stad in dit land?” herhaalde de jongen.
“Ik wil weten, wie me roept!” schreeuwde de mensch terug.
“Ik dacht wel, dat ik geen goed antwoord zou krijgen, als ik een mensch wat vroeg,” riep de jongen.
Het duurde niet lang, of de mist verdween, even gauw als hij gekomen was, en de jongen zag nu, dat Bataki over een breed rivierdal vloog. ’t Was een mooi landschap met hooge rotsen, maar er lag geen groote en vruchtbare, bebouwde streek onder aan den berg. De dorpen lagen ver van elkaar, en de akkers waren klein. Bataki volgde de rivier naar ’t zuiden, tot ze in de buurt van een dorp kwamen. Daar streek hij neer op een stoppelveld, en liet den jongen afstappen.
“Op dit veld groeide koren van den zomer,” zei Bataki. “Kijk eens of je niet iets eetbaars kunt vinden.”
De jongen volgde zijn raad, en het duurde niet lang, voor hij een korenaar vond. Terwijl hij de korrels eruit haalde, en ze opat, begon Bataki met hem te praten.
“Zie je die mooie rots daar, vlak in ’t zuiden?” vroeg hij.
“Ja, die zie ik altijd door,” zei de jongen.
“Die heet de Sonrots,” ging de raaf voort. “Je kunt er van op aan, dat hier heel wat wolven waren vroeger.”
“Dat was een beste schuilplaats voor hen,” zei de jongen.
“De menschen, die hier beneden in ’t rivierdal woonden,hadden ’t vaak heel moeielijk door hun schuld,” zei Bataki.
“Kun je misschien een paar mooie wolvengeschiedenissen vertellen?” zei de jongen.
“Ik heb gehoord, dat lang geleden de wolven van de Sonrots een man moeten hebben overvallen, die er op uit was gegaan om hout voor duigen te verkoopen,” zei Bataki. “Hij kwam van Hede, een dorp, dat hier in ’t rivierdal ligt, een paar mijlen hooger, dan we zijn. ’t Was winter, en de wolven vervolgden hem, toen hij over ’t ijs van Ljusnan reed. ’t Waren wel een negen of tien stuks, en de man uit Hede had geen best paard, zoodat hij niet veel hoop had om weg te komen.
Toen de man de wolven hoorde huilen, en zag, hoeveel er waren, die achter hem aankwamen, verloor hij heelemaal zijn kalmte, en dacht er niet aan, dat hij zijn vaten en tobben van de kar moest gooien om de lading lichter te maken. Hij sloeg zijn paard maar, en dat liep al zoo hard, als het kon, maar de man merkte toch, dat de wolven dichter bij kwamen. De oevers van ’t meer waren eenzaam, en de dichtstbijzijnde hoeve lag nog een paar mijlen ver. Hij verwachtte niet anders, dan dat zijn laatste ure zou komen, en voelde, dat hij van angst verstijfde. Terwijl hij daar als verlamd neerzat, zag hij, dat zich iets bewoog tusschen de dennetakken, die op ’t ijs waren neergezet om den weg aan te wijzen. En toen hij zag wie het was, die daar liep, werd hij nog véél angstiger, dan hij eerst was. ’t Waren geen wolven, die hem te gemoet kwamen, maar een arme, oude vrouw. Ze heette Finn Malin, en placht vaak op paden en wegen rond te zwerven. Ze was wat mank en gebocheld, zoodat men haar al van verre kon herkennen.
De oude vrouw liep regelrecht de wolven te gemoet, en de man uit Hede begreep dadelijk, dat als hij haar voorbij reed zonder haar te waarschuwen, ze vlak in den muil van de wilde dieren zou loopen, enterwijlze haar verscheurden, zou hij kunnen ontkomen.
Ze liep langzaam, over een stok gebogen. ’t Was duidelijk, dat ze verloren was, als hij haar niet hielp. Maar ook al hield hij stil, en liet haar in de slee stappen, dan was ’t nog niet gezegd, dat ze gered zou zijn. Nam hij haar op in de slee, dan was ’t waarschijnlijk, dat de wolven hen zouden inhalen, en dat én zij én hij én het paard gedood zouden worden. En hij dacht er over, of ’t niet het beste was één leven op te offeren om twee anderen te redden.
Dat alles ging hem op ’t oogenblik door ’t hoofd, toen hij de oude vrouw zag. En bovendien dacht hij er ook aan, hoe hij het later hebben zou, of hij er berouw van zou krijgen, dat hij de oude vrouw niet had geholpen, of dat de menschen zouden weten, dat hij haar had ontmoet, en haar niet had bijgestaan.
’t Was een vreeselijke verzoeking, waar hij in was!
“Ik wou veel liever, dat ik haar niet had ontmoet,” dacht hij.
Op ’t zelfde oogenblik hieven de wolven een wild gehuil aan, ’t paard nam een sprong, en vloog voorbij de oude vrouw. Ook zij had het wolvengehuil gehoord, en toen de man uit Hede haar voorbij reed, zag hij, dat ze wist wat haar wachtte. Ze stond stil, den mond open als om te schreeuwen, de armen uitgestrekt, naar hulp grijpend, maar ze had niet geroepen, en ook niet geprobeerd op de slee te komen. Er moest iets geweest zijn, dat haar versteende.
“Dat zal ik wel geweest zijn. Ik zal er wel hebben uitgezien als een spook, toen ik haar voorbij rende,” dacht hij.
Hij probeerde er blij om te zijn, dat hij nu zeker zou ontkomen. Maar tegelijk begon het te branden en te trekken in zijn borst. Hij had nog nooit iets onteerends gedaan, en nu meende hij, dat zijn heele leven was verwoest.
“Neen, ’t mag gaan, zooals het wil,”zeihij, en hield de teugels in, “maar ik kan haar niet alleen laten met de wolven.”
Met de grootste moeite bracht hij zijn paard tot staan; maar eindelijk gelukte het hem toch, en hij reed in vliegende vaart naar de oude vrouw toe.
“Kom gauw in de sleê!” zei hij hard, want hij was boos opzichzelf, omdat hij de vrouw aan haar lot had overgelaten! “Je kon toch een enkelen keer wel eens thuis blijven, ouwe heks,” zei hij. “Nu moeten zwartje en ik er aan gelooven om jou.”
De oude vrouw antwoordde niets, maar de man uit Hede was niet in een bui om haar te sparen, “Zwartje heeft vandaag al vijf mijl geloopen,” zei hij, “zoodat je wel begrijpen kunt, dat hij gauw moe zal worden, en de lading is niet lichter, sinds jij er bijbentgekomen.”
De ijzers onder de slee knarsten over ’t ijs, maar toch hoorde hij de wolven blazen, en hij begreep, dat de dieren hem nu hadden ingehaald.
“Nu is ’t uit met ons,” zei hij. “’t Is noch voor mij, noch voor jou een geluk geweest, dat ik geprobeerd heb je te redden, Finn Malin.”
Tot nu toe had de oude vrouw gezwegen, als iemand, die aan onheuschheid was gewend. Nu zei ze een paar woorden: “Ik begrijp niet, dat je je duigenhout niet uit de sleê gooit, om de lading te verlichten. Je kunt immers morgen terugkomen en het ophalen.”
De man uit Hede begreep, dat het een goede raad was, en was er verbaasd over, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Hij liet de oude vrouw de teugels houden, maakte het touw los, dat hetduigenhoutbijeenhield, en gooide het van de sleê af. De wolven waren vlak achter hen. Maar nu hielden ze stil, om teonderzoeken wat daar over ’t ijs gleed, en de reizigers kwamen zeopnieuween eindje vooruit.
“Als dit niet helpt, begrijp je wel, dat ik me zelf aan de wolven geef,” zei de oude vrouw, “zoodat je kunt wegkomen.”
Toen ze dat zei, was de man bezig een groot zwaar biervat van de sleê te schuiven. Terwijl hijdaarmeêaan ’t werk was, hield hij op, alsof hij er niet toe kon besluiten ’t vat weg te gooien. Maar eigenlijk waren zijn gedachten met heel wat anders bezig.
“Een man en een paard, waar niets aan mankeert, hoeven toch om hunnentwil een oude vrouw niet door de wolven te laten opeten,” dacht hij. “Er moet toch een andere manier zijn om ons te redden. Ja, natuurlijk is er die. ’t Is maar, dat ik er niet op kan komen.”
Hij begon weer aan dat biervat te schuiven, maar op eens hield hij weer op, en barstte in lachen uit.
De oude vrouw keek hem verschrikt aan, en meende, dat hij krankzinnig geworden was, maar de man uit Hede lachte omzichzelf, omdat hij aldoor zoo dom was geweest. ’t Was ’t eenvoudigste wat je maar bedenken kon, om alle drie te redden, hij kon niet begrijpen, dat hij daar niet eerder aan had gedacht.
“Luister nu goed, Malin,” zei hij. “’t Was flink van je, dat je jezelf aan de wolven wou geven. Maar dat hoef je niet te doen, want ik weet nu hoe we alle drie gered zullen worden, zonder iemands leven in gevaar te brengen. Onthoud nu goed, dat—wat ik ook doe—jij stil op de sleê blijft zitten en naar ’t dorp Linsäll rijdt. Daar maak je de menschen wakker, en zegt, dat ik hier alleen op het ijs lig met tien wolven om me heen, en vraagt hun, of ze me willen komen helpen.”
Nu wachtte de man, tot de wolven heel dicht bij de sleê waren. Toen gooide hij het groote vat op het ijs, sprong zelf van de sleê en kroop onder het vat.
’t Was een geweldige ton. Die was zoo groot gemaakt, dat al het kerstbier er in kon. De wolven sprongen er tegen op, beten in de banden, en probeerden het vat om te gooien, maar het was te zwaar en stond te vast. Ze konden niet bij hem komen, die er onder lag.
De man uit Hede wist, dat hij veilig lag, en hij lachte om de wolven. Maar na een poos werd hij ernstig.
“Zoodra ik in ’t vervolg in een of andere moeilijkheid kom,” zei hij in zichzelf, “zal ik aan deze ton denken. Ik zal er aan denken, dat ik mezelf geen kwaad hoef te doen, noch een ander. Er is altijd een derde uitweg, als je dien maar vinden kunt.”
Daarmeê eindigde Bataki zijn verhaal. Maar de jongen had al lang gemerkt, dat de raaf nooit iets zei, zonder dat hij er eenbepaalde bedoeling meê had, en hoe langer hij naar hem luisterde, hoe meer hij nadacht.
“Ik zou wel eens willen weten, waarom je me dat verhaal vertelt,” zei de jongen.
“Och, dat kwam me zoo maar weer voor den geest, terwijl ik hier naar de Sonrots stond te kijken,” zei de raaf.
Ze reden nu verder langs Ljusna, en een poos later kwamen ze aan ’t dorp Kolsätt, dat vlak bij de grens van Helsingland ligt. Hier streek de raaf neer bij een klein hutje. ’t Had geen venster, enkel maar een luik. Uit den schoorsteen steeg rook op, met vonken vermengd, en sterke hamerslagen klonken uit het huis.
“Als ik die smidse daar zie,” zei de raaf, “moet ik er aan denken, dat er vroeger zulke goede smeden inHärjedalenwaren, en vooral in deze stad hier, dat ze hunsgelijken niet hadden in ’t heele land.”
“Misschien weet je daar ook wel een verhaal over, dat je me wilt vertellen,” zei de jongen.
“Ja, ik weet er wel een van dien smid in Härjedalen,” zei Bataki, “die twee andere meestersmeden, een van Dalecarlië en een van Wermeland, uitnoodigde tot een wedstrijd in ’t spijkers maken. De uitnoodiging werd aangenomen, en de drie smeden kwamen hier in Kolsätt bij elkaar. DeDalecarliërbegon. Hij smeedde een dozijn spijkers, zoo glad en scherp en gelijk, dat niemand ze beter maken kon. Na hem kwam de Wermelander. Ook hij maakte een dozijn spijkers, die voortreffelijk waren, en daar kwam bij, dat hij ze in de helft van den tijd maakte, dien de Dalecarliër noodig had. Toen zij, die ’t werk moesten beoordeelen dat zagen, zeiden ze tegen den smid uit Härjedalen, dat het niet de moeite waard was voor hem om meê te dingen; want beter dan de Dalecarliër en vlugger dan de Wermelander kon hij toch niet smeden.
“Ik geef het niet op. Er zal nog wel een andere manier zijn om zich te onderscheiden,” zei de man.
Hij legde het ijzer op het aanbeeld, zonder het eerst in ’t vuur te houden, hamerde het warm, en smeedde den eenen spijker na den anderen, zonder kolen of blaasbalg noodig te hebben. Niemand had ooit een smid meesterlijker den hamer zien hanteeren, en de smid uit Härjedalen werd verklaard de eerste in ’t land te zijn.”
Na deze woorden zweeg Bataki, maar de jongen werd nog nadenkender.
“Ik zou wel willen weten, wat voor bedoeling je met dat verhaal hebt,” zei hij.
“Die geschiedenis kwam me in den zin, toen ik de oude smidse zag,” zei Bataki heel onverschillig.
De beide reizigers verhieven zich weer in de lucht, en de raaf bracht den jongen naar ’t zuiden, naar de gemeente Lillhärdal,die aan Dalecarlië grenst. Daar streek hij neer op een heuvel, met boomen begroeid, die op den hoogsten top van een bergvlakte lag.
“Weet je wel wat dat is voor een hoogte, waar je nu op staat?” zei Bataki.
Neen, de jongen moest erkennen, dat hij dat niet wist.
“Dat is een grafheuvel,” zei Bataki. “Die is opgehoogd over een man, die Kärjulf heette, en de eerste was, die zich in Härjedalen vestigde en het land ging ontginnen.”
“Weet je misschien ook een verhaal van hem?” vroeg de jongen.
“Ik heb niet veel van hem gehoord, maar ik geloof, dat hij een Noorman was. Eerst was hij in dienst bij een Noorschen koning, maar daar kreeg hij twist meê, en nu moest hij uit het land vluchten. Hij begaf zich naar den Zweedschen koning, die in Uppsala woonde, en ging in dienst bij hem. Maar na een poosje begeerde hij de zuster van den koning tot vrouw, en toen de koning hem zoo’n voorname bruid niet wou geven, vluchtte hij met haar.
Hij had ’t nu zoo gemaakt, dat hij niet in Noorwegen en niet in Zweden kon wonen, en naar het buitenland wilde hij niet gaan.
“Maar er moet nog wel een uitweg zijn,” dacht hij, en trok met zijn knechten en schatten naar ’t noorden door Dalecarlië, tot hij de groote, woeste bosschen daar aan de grens bereikte. Daar zette hij zich neer, bouwde een huis, ontgon de streek, en werd zoodoende de eerste, die zich in deze streken vestigde.
Toen de jongen dat laatste verhaal hoorde, werd hij nog nadenkender dan vroeger.
“Ik zou wel eens willen weten, met welke bedoeling je me dat alles verteld hebt,” zei hij nog eens. Bataki antwoordde een tijdlang niets, maar draaide den kop heen en weer, en kneep de oogen dicht.
“Nu we hier toch alleen zijn,” zei hij eindelijk, “moet ik toch de gelegenheid waarnemen, om je iets te vragen. Heb je ooit goed onderzocht, welke voorwaarden de kabouter, die je heeft betooverd, heeft gesteld, om je weer een mensch te laten worden?”
“Ik heb niet van andere voorwaarden gehoord, dan dat ik den witten ganzerik ongedeerd naar Lapland en weer terug naar Skaane zou brengen.”
“Ik dacht het wel,” zei Bataki, “want toen we elkaar het laatst ontmoetten, sprak je er zoo trotsch over, dat er niets zoo leelijk was, als een vriend ontrouw te worden, die op je vertrouwt. Je moest Akka eens naar de voorwaarden vragen. Je weet, dat ze bij je thuis geweest is, en den kabouter heeft gesproken.”
“Daar heeft Akka me niets van verteld,” zei de jongen.
“Ze heeft zeker gevonden, dat ’t beter voor je was niet te weten,wat de kabouter precies gezegd had. Ze wou natuurlijk liever jou helpen dan den ganzerik.”
“’t Is vreemd, Bataki, dat je er altijd slag van hebt me uit mijn humeur en ongerust te maken,” zei de jongen.
“Dat kan wel zoo schijnen,” zei de raaf, “maar dezen keer geloof ik, dat je er me dankbaar voor zult wezen, dat ik je zeg, dat de kabouter het zoo heeft bepaald: dat je een mensch zoudt worden, als je Maarten, den ganzerik, weer thuis bracht, zoodat je moeder hem op de slachtbank kon leggen.”
De jongen stoof op.
“Dat is niets anders dan een ellendig bedenksel van jou!” riep hij.
“Je kunt het Akka zelf vragen,” zei de raaf,“ik zie haar aankomen met haar heelen troep. Vergeet nu niet, wat ik je vandaag heb verteld. Er is een uitweg uit alle moeilijkheden; de vraag is of je dien kunt vinden. Ik verheug er me op, te zien, hoe jou dat zal gelukken.”