HOOFDSTUK V.

HOOFDSTUK V.NIETZSCHE’S SYSTEEM (VERVOLG).Positief gedeelte: De „Uebermensch”.I.Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernenmensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de „pessimistische profeet”, die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: „Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!” Voorts de „twee koningen”, die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de „nauwgezette van geest”, de „objectieve geleerde”, die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de „oude toovenaar”, de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de „laatste Paus”, die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de „afzichtelijkste mensch”, de moordenaar Gods,—want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de „vrijwillige bedelaar”, die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de „schaduw”, de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het „volk” en al wat het volk „geluk” noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van „God”, „Waarheid”, „Plicht” vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: „men moet steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het vervaldoordringen”.1Maar evenals de bladeren in den herfst geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven, kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de woorden „verval”, „ontbinding,” „verderf” wellicht beschouwen als onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld, lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra’s doel niet het lijden der „hoogstaande menschen” te verzachten, want hij weet, dat de mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen, en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,—en meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt.…Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn—en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche’s beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geendoel, maar eenbrug, eendoorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.„Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willenzijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen: „Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij.”2II.Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waardenscheppeninplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het „blonde beest” dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie (Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij de evolutie, die volgens Schopenhauer,den asceet voortbrengt. In de oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven over hetalgemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In Nietzsche’s ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats om hetgeen hij isals individu; hij kent den hevigen, smartelijken afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de „hoogere menschen,” die Zarathustra in zijn hol verzamelt. „Maar, zegt de profeet, gij lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt, maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is,ihr leidet an euch, ihr littet noch nicht am Menschen.”3Eerst wanneer hij dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte van den Uebermensch.Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uitde mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel „geëxploiteerden”, want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. „Aan u behoort geloof en slavernij!” dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en „scheppers van waarden” zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneelemoraal door hare qualiteit van aristocratische wet „for the happy few”, maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne „zelfzuchtige” neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een „schepper van waarden” en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om „de wereld, waarin de menschen belang stellen”4te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een „overpeinzer”, maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.„Gij zult uwen vijand opzoeken,” zegt Zarathustra, „gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!”„Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is totnieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!.…„Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt.…„Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden, dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!”5De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste deugd is: „Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:Wordt hard!”6De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het grootste aller gevaren; de „laatste zonde” van Zarathustra, de ergste aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten van de „hoogere menschen” weerklinken;smeekend roepen zij hem toe: „Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!”7Zoo hij deernis voor hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen, dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat dal „de slangendood.” In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een stervende of als het water, dat ’s nachts in eene verstopte leiding opborrelt: „Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek!Wat is de wraak tegen den getuige?.… Zeg mij nu wie ik ben!”—En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst hij en zijn gelaat teekent hardheid:„Ik herken u,” zegt hij met ijzeren stem: „Gij zijtde moordenaar Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden, die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken.”8Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen bezoedeling der menschheid; zijn medelijdenkende geen kieschheid: hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend, maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen, want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, „eerbiedigd”; hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch, die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de „hardheid” van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan.9De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart, rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording verkeert en dat het leven iets is, „dat zichzelf steeds opnieuw moet overtreffen”10; en daarom weet hij ook, dat het individu zich nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede voor hem „het middel tot een nieuwen strijd” is en zijn leven een onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: „Speel ik niet met valsche dobbelsteenen?” Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan; wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum, want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De„schepper van waarden”, die in het leven gelooft en het leven zoo vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel naar zege als naar vernietiging verlangen.11Zarathustra sterft als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel de hoogste overwinning als het einde van den mensch.Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. „Overal,” zegt Zarathustra, „weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo men wil het „eeuwige leven”, mits zij maar spoedig verdwijnen.”12Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal verkondigen: „Het leven is slechts lijden,” moet de wijze zeggen: „Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig een einde maakt! Dat uwe moraal zij: „Gij moet uzelve dooden! Gij moet spontaan uit het leven treden!”13Want de wereld moet geen gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch uit walging en medelijden sterft.Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen, niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid eischt. „Wie,” zegt Nietzsche, „zal ooit iets groots bereiken, zoo hij de krachten den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor alle grootheid.”14Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de „Drei Metamorphosen des Geistes” leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.Daarna moet zij worden als de leeuw, die „Ik wil” zegt en al wie zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in vlammende letters heeft staan: „Gij moet” en zich gewelddadig losmaken van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden als het spelend kind: „Het is al onschuld en vergetelheid; het is een steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait, eene eerste impulsie, een heilig „ja”.15Zoo moet ook de ziel, die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden, den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: „Wee hen, die lachen!” zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen, maar al „dansend” en „vliegend”, want als hij lachen kan, zal hij zich over zijne nederlagentroosten en als hij dansen en vliegen kan, zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras der melancholie heenstrijken. De mensch moet „buiten zichzelf leeren dansen” en „buiten zichzelf leeren lachen,” m.a.w. hij moet zich boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra’s wijsheid ons geeft:„Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.„Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert lachen!”16III.„Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophoudenda caporoept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.Welnu, zou dat niet zijncirculus vitiosus deus?”17Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche’s brein als een bliksemflits de hypothese van het „Eeuwig Wederkeeren” ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leervan den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:De som der krachten, die het heelal vormen, blijktvast en bepaaldte zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie—die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt—ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig velemalen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.„Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het„Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt—dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur.”Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche, van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer, hetEeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme vanDie fröhliche Wissenschaftsprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker komt fluisteren. „Zoudt gij u niet ter aarde werpen,” zoo besluit hij, „zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd, waarin gij hem antwoorden kondt: „Gij zijt een god en nooit vernam ik goddelijker woord!” Zoodie gedachte zich meester maakte van u, zooals gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: „wilt gij dat nog eens en eeuwig?” op elk oogenblik van uw leven gesteld, zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!”18Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk was zijne leer van het „Eeuwig Wederkeeren” volgens de atomische theorie te verklaren;19maar zijne onverklaarde en onverklaarbare hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche’s ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malenjuist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het nieta prioriverworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het teverwezenlijkenen de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen „leefde” zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn „hardheid” voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt,waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.„En zij stonden stilzwijgend bij elkander—allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen—en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.„O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.„Is dàt het Leven?” zal ik aan den Dood vragen. „Welnu—dan nog eens!”Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den Dood zeggen: „Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra—nog eens!”20Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft „ja” gezegd tot het bestaan.Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert.En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:Eins!O Mensch! GiebAcht!Zwei!Was spricht die tiefe Mitternacht!Drei!„Ich schlief, ich schlief,—Vier!„Aus tiefem Traum bin ich erwacht:—Fünf!„Die Welt ist tief,Sechs!„Und tiefer als der Tag gedacht.Sieben!„Tief ist ihr Weh—,Acht!„Lust—tiefer noch als Herzeleid:Neun!„Weh spricht: Vergeh!Zehn!„Doch alle Lust will Ewigkeit—Elf!„—Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”Zwölf!211D. VIII, 155.↑2D. VI, 13.↑3D. VI, 421.↑4D. V, 231.↑5D. VI, 67.↑6D. VI, 312.↑7D. VI, 351.↑8D. VI, 384.↑9D. VI, 382; D. V, 260.↑10D. VI, 167.↑11D. V, 204.↑12D. VI, 65.↑13D. VI, 64.↑14D. V, 245.↑15D. VI, 35.↑16D. VI, 428, 430.↑17D. VII, 80.↑18D. V, 265.↑19Mevr. Lou Andreas-Salomé, F. Nietzsche in seinen Werken, p. 224.↑20D. VI, 461.↑21D. VI, 332, 471.↑

HOOFDSTUK V.NIETZSCHE’S SYSTEEM (VERVOLG).Positief gedeelte: De „Uebermensch”.I.Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernenmensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de „pessimistische profeet”, die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: „Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!” Voorts de „twee koningen”, die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de „nauwgezette van geest”, de „objectieve geleerde”, die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de „oude toovenaar”, de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de „laatste Paus”, die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de „afzichtelijkste mensch”, de moordenaar Gods,—want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de „vrijwillige bedelaar”, die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de „schaduw”, de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het „volk” en al wat het volk „geluk” noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van „God”, „Waarheid”, „Plicht” vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: „men moet steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het vervaldoordringen”.1Maar evenals de bladeren in den herfst geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven, kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de woorden „verval”, „ontbinding,” „verderf” wellicht beschouwen als onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld, lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra’s doel niet het lijden der „hoogstaande menschen” te verzachten, want hij weet, dat de mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen, en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,—en meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt.…Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn—en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche’s beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geendoel, maar eenbrug, eendoorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.„Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willenzijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen: „Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij.”2II.Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waardenscheppeninplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het „blonde beest” dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie (Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij de evolutie, die volgens Schopenhauer,den asceet voortbrengt. In de oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven over hetalgemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In Nietzsche’s ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats om hetgeen hij isals individu; hij kent den hevigen, smartelijken afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de „hoogere menschen,” die Zarathustra in zijn hol verzamelt. „Maar, zegt de profeet, gij lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt, maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is,ihr leidet an euch, ihr littet noch nicht am Menschen.”3Eerst wanneer hij dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte van den Uebermensch.Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uitde mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel „geëxploiteerden”, want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. „Aan u behoort geloof en slavernij!” dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en „scheppers van waarden” zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneelemoraal door hare qualiteit van aristocratische wet „for the happy few”, maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne „zelfzuchtige” neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een „schepper van waarden” en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om „de wereld, waarin de menschen belang stellen”4te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een „overpeinzer”, maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.„Gij zult uwen vijand opzoeken,” zegt Zarathustra, „gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!”„Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is totnieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!.…„Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt.…„Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden, dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!”5De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste deugd is: „Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:Wordt hard!”6De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het grootste aller gevaren; de „laatste zonde” van Zarathustra, de ergste aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten van de „hoogere menschen” weerklinken;smeekend roepen zij hem toe: „Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!”7Zoo hij deernis voor hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen, dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat dal „de slangendood.” In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een stervende of als het water, dat ’s nachts in eene verstopte leiding opborrelt: „Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek!Wat is de wraak tegen den getuige?.… Zeg mij nu wie ik ben!”—En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst hij en zijn gelaat teekent hardheid:„Ik herken u,” zegt hij met ijzeren stem: „Gij zijtde moordenaar Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden, die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken.”8Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen bezoedeling der menschheid; zijn medelijdenkende geen kieschheid: hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend, maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen, want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, „eerbiedigd”; hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch, die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de „hardheid” van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan.9De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart, rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording verkeert en dat het leven iets is, „dat zichzelf steeds opnieuw moet overtreffen”10; en daarom weet hij ook, dat het individu zich nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede voor hem „het middel tot een nieuwen strijd” is en zijn leven een onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: „Speel ik niet met valsche dobbelsteenen?” Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan; wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum, want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De„schepper van waarden”, die in het leven gelooft en het leven zoo vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel naar zege als naar vernietiging verlangen.11Zarathustra sterft als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel de hoogste overwinning als het einde van den mensch.Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. „Overal,” zegt Zarathustra, „weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo men wil het „eeuwige leven”, mits zij maar spoedig verdwijnen.”12Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal verkondigen: „Het leven is slechts lijden,” moet de wijze zeggen: „Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig een einde maakt! Dat uwe moraal zij: „Gij moet uzelve dooden! Gij moet spontaan uit het leven treden!”13Want de wereld moet geen gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch uit walging en medelijden sterft.Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen, niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid eischt. „Wie,” zegt Nietzsche, „zal ooit iets groots bereiken, zoo hij de krachten den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor alle grootheid.”14Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de „Drei Metamorphosen des Geistes” leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.Daarna moet zij worden als de leeuw, die „Ik wil” zegt en al wie zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in vlammende letters heeft staan: „Gij moet” en zich gewelddadig losmaken van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden als het spelend kind: „Het is al onschuld en vergetelheid; het is een steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait, eene eerste impulsie, een heilig „ja”.15Zoo moet ook de ziel, die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden, den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: „Wee hen, die lachen!” zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen, maar al „dansend” en „vliegend”, want als hij lachen kan, zal hij zich over zijne nederlagentroosten en als hij dansen en vliegen kan, zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras der melancholie heenstrijken. De mensch moet „buiten zichzelf leeren dansen” en „buiten zichzelf leeren lachen,” m.a.w. hij moet zich boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra’s wijsheid ons geeft:„Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.„Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert lachen!”16III.„Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophoudenda caporoept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.Welnu, zou dat niet zijncirculus vitiosus deus?”17Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche’s brein als een bliksemflits de hypothese van het „Eeuwig Wederkeeren” ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leervan den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:De som der krachten, die het heelal vormen, blijktvast en bepaaldte zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie—die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt—ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig velemalen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.„Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het„Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt—dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur.”Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche, van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer, hetEeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme vanDie fröhliche Wissenschaftsprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker komt fluisteren. „Zoudt gij u niet ter aarde werpen,” zoo besluit hij, „zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd, waarin gij hem antwoorden kondt: „Gij zijt een god en nooit vernam ik goddelijker woord!” Zoodie gedachte zich meester maakte van u, zooals gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: „wilt gij dat nog eens en eeuwig?” op elk oogenblik van uw leven gesteld, zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!”18Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk was zijne leer van het „Eeuwig Wederkeeren” volgens de atomische theorie te verklaren;19maar zijne onverklaarde en onverklaarbare hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche’s ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malenjuist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het nieta prioriverworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het teverwezenlijkenen de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen „leefde” zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn „hardheid” voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt,waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.„En zij stonden stilzwijgend bij elkander—allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen—en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.„O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.„Is dàt het Leven?” zal ik aan den Dood vragen. „Welnu—dan nog eens!”Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den Dood zeggen: „Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra—nog eens!”20Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft „ja” gezegd tot het bestaan.Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert.En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:Eins!O Mensch! GiebAcht!Zwei!Was spricht die tiefe Mitternacht!Drei!„Ich schlief, ich schlief,—Vier!„Aus tiefem Traum bin ich erwacht:—Fünf!„Die Welt ist tief,Sechs!„Und tiefer als der Tag gedacht.Sieben!„Tief ist ihr Weh—,Acht!„Lust—tiefer noch als Herzeleid:Neun!„Weh spricht: Vergeh!Zehn!„Doch alle Lust will Ewigkeit—Elf!„—Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”Zwölf!211D. VIII, 155.↑2D. VI, 13.↑3D. VI, 421.↑4D. V, 231.↑5D. VI, 67.↑6D. VI, 312.↑7D. VI, 351.↑8D. VI, 384.↑9D. VI, 382; D. V, 260.↑10D. VI, 167.↑11D. V, 204.↑12D. VI, 65.↑13D. VI, 64.↑14D. V, 245.↑15D. VI, 35.↑16D. VI, 428, 430.↑17D. VII, 80.↑18D. V, 265.↑19Mevr. Lou Andreas-Salomé, F. Nietzsche in seinen Werken, p. 224.↑20D. VI, 461.↑21D. VI, 332, 471.↑

HOOFDSTUK V.NIETZSCHE’S SYSTEEM (VERVOLG).Positief gedeelte: De „Uebermensch”.

I.Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernenmensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de „pessimistische profeet”, die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: „Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!” Voorts de „twee koningen”, die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de „nauwgezette van geest”, de „objectieve geleerde”, die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de „oude toovenaar”, de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de „laatste Paus”, die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de „afzichtelijkste mensch”, de moordenaar Gods,—want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de „vrijwillige bedelaar”, die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de „schaduw”, de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het „volk” en al wat het volk „geluk” noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van „God”, „Waarheid”, „Plicht” vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: „men moet steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het vervaldoordringen”.1Maar evenals de bladeren in den herfst geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven, kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de woorden „verval”, „ontbinding,” „verderf” wellicht beschouwen als onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld, lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra’s doel niet het lijden der „hoogstaande menschen” te verzachten, want hij weet, dat de mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen, en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,—en meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt.…Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn—en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche’s beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geendoel, maar eenbrug, eendoorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.„Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willenzijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen: „Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij.”2II.Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waardenscheppeninplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het „blonde beest” dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie (Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij de evolutie, die volgens Schopenhauer,den asceet voortbrengt. In de oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven over hetalgemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In Nietzsche’s ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats om hetgeen hij isals individu; hij kent den hevigen, smartelijken afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de „hoogere menschen,” die Zarathustra in zijn hol verzamelt. „Maar, zegt de profeet, gij lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt, maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is,ihr leidet an euch, ihr littet noch nicht am Menschen.”3Eerst wanneer hij dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte van den Uebermensch.Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uitde mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel „geëxploiteerden”, want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. „Aan u behoort geloof en slavernij!” dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en „scheppers van waarden” zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneelemoraal door hare qualiteit van aristocratische wet „for the happy few”, maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne „zelfzuchtige” neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een „schepper van waarden” en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om „de wereld, waarin de menschen belang stellen”4te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een „overpeinzer”, maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.„Gij zult uwen vijand opzoeken,” zegt Zarathustra, „gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!”„Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is totnieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!.…„Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt.…„Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden, dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!”5De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste deugd is: „Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:Wordt hard!”6De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het grootste aller gevaren; de „laatste zonde” van Zarathustra, de ergste aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten van de „hoogere menschen” weerklinken;smeekend roepen zij hem toe: „Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!”7Zoo hij deernis voor hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen, dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat dal „de slangendood.” In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een stervende of als het water, dat ’s nachts in eene verstopte leiding opborrelt: „Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek!Wat is de wraak tegen den getuige?.… Zeg mij nu wie ik ben!”—En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst hij en zijn gelaat teekent hardheid:„Ik herken u,” zegt hij met ijzeren stem: „Gij zijtde moordenaar Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden, die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken.”8Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen bezoedeling der menschheid; zijn medelijdenkende geen kieschheid: hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend, maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen, want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, „eerbiedigd”; hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch, die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de „hardheid” van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan.9De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart, rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording verkeert en dat het leven iets is, „dat zichzelf steeds opnieuw moet overtreffen”10; en daarom weet hij ook, dat het individu zich nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede voor hem „het middel tot een nieuwen strijd” is en zijn leven een onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: „Speel ik niet met valsche dobbelsteenen?” Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan; wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum, want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De„schepper van waarden”, die in het leven gelooft en het leven zoo vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel naar zege als naar vernietiging verlangen.11Zarathustra sterft als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel de hoogste overwinning als het einde van den mensch.Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. „Overal,” zegt Zarathustra, „weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo men wil het „eeuwige leven”, mits zij maar spoedig verdwijnen.”12Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal verkondigen: „Het leven is slechts lijden,” moet de wijze zeggen: „Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig een einde maakt! Dat uwe moraal zij: „Gij moet uzelve dooden! Gij moet spontaan uit het leven treden!”13Want de wereld moet geen gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch uit walging en medelijden sterft.Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen, niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid eischt. „Wie,” zegt Nietzsche, „zal ooit iets groots bereiken, zoo hij de krachten den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor alle grootheid.”14Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de „Drei Metamorphosen des Geistes” leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.Daarna moet zij worden als de leeuw, die „Ik wil” zegt en al wie zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in vlammende letters heeft staan: „Gij moet” en zich gewelddadig losmaken van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden als het spelend kind: „Het is al onschuld en vergetelheid; het is een steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait, eene eerste impulsie, een heilig „ja”.15Zoo moet ook de ziel, die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden, den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: „Wee hen, die lachen!” zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen, maar al „dansend” en „vliegend”, want als hij lachen kan, zal hij zich over zijne nederlagentroosten en als hij dansen en vliegen kan, zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras der melancholie heenstrijken. De mensch moet „buiten zichzelf leeren dansen” en „buiten zichzelf leeren lachen,” m.a.w. hij moet zich boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra’s wijsheid ons geeft:„Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.„Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert lachen!”16III.„Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophoudenda caporoept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.Welnu, zou dat niet zijncirculus vitiosus deus?”17Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche’s brein als een bliksemflits de hypothese van het „Eeuwig Wederkeeren” ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leervan den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:De som der krachten, die het heelal vormen, blijktvast en bepaaldte zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie—die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt—ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig velemalen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.„Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het„Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt—dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur.”Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche, van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer, hetEeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme vanDie fröhliche Wissenschaftsprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker komt fluisteren. „Zoudt gij u niet ter aarde werpen,” zoo besluit hij, „zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd, waarin gij hem antwoorden kondt: „Gij zijt een god en nooit vernam ik goddelijker woord!” Zoodie gedachte zich meester maakte van u, zooals gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: „wilt gij dat nog eens en eeuwig?” op elk oogenblik van uw leven gesteld, zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!”18Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk was zijne leer van het „Eeuwig Wederkeeren” volgens de atomische theorie te verklaren;19maar zijne onverklaarde en onverklaarbare hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche’s ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malenjuist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het nieta prioriverworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het teverwezenlijkenen de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen „leefde” zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn „hardheid” voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt,waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.„En zij stonden stilzwijgend bij elkander—allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen—en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.„O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.„Is dàt het Leven?” zal ik aan den Dood vragen. „Welnu—dan nog eens!”Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den Dood zeggen: „Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra—nog eens!”20Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft „ja” gezegd tot het bestaan.Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert.En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:Eins!O Mensch! GiebAcht!Zwei!Was spricht die tiefe Mitternacht!Drei!„Ich schlief, ich schlief,—Vier!„Aus tiefem Traum bin ich erwacht:—Fünf!„Die Welt ist tief,Sechs!„Und tiefer als der Tag gedacht.Sieben!„Tief ist ihr Weh—,Acht!„Lust—tiefer noch als Herzeleid:Neun!„Weh spricht: Vergeh!Zehn!„Doch alle Lust will Ewigkeit—Elf!„—Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”Zwölf!21

I.Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernenmensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de „pessimistische profeet”, die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: „Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!” Voorts de „twee koningen”, die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de „nauwgezette van geest”, de „objectieve geleerde”, die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de „oude toovenaar”, de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de „laatste Paus”, die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de „afzichtelijkste mensch”, de moordenaar Gods,—want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de „vrijwillige bedelaar”, die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de „schaduw”, de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het „volk” en al wat het volk „geluk” noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van „God”, „Waarheid”, „Plicht” vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: „men moet steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het vervaldoordringen”.1Maar evenals de bladeren in den herfst geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven, kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de woorden „verval”, „ontbinding,” „verderf” wellicht beschouwen als onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld, lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra’s doel niet het lijden der „hoogstaande menschen” te verzachten, want hij weet, dat de mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen, en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,—en meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt.…Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn—en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche’s beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geendoel, maar eenbrug, eendoorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.„Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willenzijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen: „Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij.”2

I.

Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernenmensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de „pessimistische profeet”, die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: „Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!” Voorts de „twee koningen”, die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de „nauwgezette van geest”, de „objectieve geleerde”, die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de „oude toovenaar”, de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de „laatste Paus”, die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de „afzichtelijkste mensch”, de moordenaar Gods,—want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de „vrijwillige bedelaar”, die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de „schaduw”, de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het „volk” en al wat het volk „geluk” noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van „God”, „Waarheid”, „Plicht” vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: „men moet steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het vervaldoordringen”.1Maar evenals de bladeren in den herfst geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven, kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de woorden „verval”, „ontbinding,” „verderf” wellicht beschouwen als onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld, lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra’s doel niet het lijden der „hoogstaande menschen” te verzachten, want hij weet, dat de mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen, en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,—en meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt.…Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn—en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche’s beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geendoel, maar eenbrug, eendoorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.„Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willenzijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen: „Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij.”2

Ons modern Europa is, volgens Nietzsche, zeer ziek; overal doen zich teekenen van een niet te ontkennen verval voor; het is alsof eene drukkende moeheid zich van den hedendaagschen mensch heeft meester gemaakt en hij, na den langen weg, die van den aardworm tot den aap en van den aap tot den mensch voert, te hebben afgelegd, in den tegenwoordigen tijd bestendigheid en rust zoekt, hetzij in verachtelijke middelmatigheid of in den dood. Hier wil de gelijkheidlievende democraat hem tot het leelijk en verachtelijk dier der kudde maken; daar willen de Christelijke priester, de wijsgeer, de moralist hem van de aarde losmaken door hem een denkbeeldig hiernamaals voor te houden, waaraan hij zijn leven offeren moet. De democratische staat is een ontaarde vorm van den staat; de godsdienst van het lijden is eene ziekenmoraal en de Wagneriaansche kunst, die in onze dagen zegeviert, eene kunst van verval. Verdorvenheid en pessimisme komen op alle sporten, zelfs op de hoogste, der moderne beschaving voor en de exemplaren der hoogere menschheid, wien Zarathustra in zijne grot gastvrijheid verleent, zijn alle, zonder uitzondering, decadenten, onwelkome wezens, die om hun eigen bestaan lijden, verregaande walging gevoelen bij het zien van den modernenmensch, en zich zelve verachten. Zoo b.v. de „pessimistische profeet”, die overal verschijnselen van dood ziet en zegt: „Alles is ijdelheid, niets dient tot iets meer, het is overbodig te zoeken, er zijn geen gelukzalige eilanden meer!” Voorts de „twee koningen”, die hun koninkrijk verlaten hebben, omdat zij, waar zij niet de eerste onder de menschen waren, niet langer anderen wilden regeeren. Dan de „nauwgezette van geest”, de „objectieve geleerde”, die zijn leven offert aan de studie van de hersens van den bloedzuiger; en de „oude toovenaar”, de eeuwige komediant, die alle rollen speelt en alle menschen bedriegt, maar zichzelf niet meer misleiden kan, die, het hart vol walging en droefheid, een echt genie zoekt; of de „laatste Paus”, die zich niet troosten kan over Gods dood; voorts de „afzichtelijkste mensch”, de moordenaar Gods,—want God is gestorven, van het diepste medelijden vervuld, toen hij de afzichtelijkheid en ellende der menschheid zag; dan de „vrijwillige bedelaar”, die, van den overdreven beschaafden mensch walgende, het geluk zocht bij de koeien, die vreedzaam in hunne weide liggen te herkauwen; en eindelijk de „schaduw”, de scepticus, die op zijn tocht door alle rijken der gedachten, zichzelf verloren heeft en voortaan doelloos door het heelal zwerft. Al die vertegenwoordigers der hoogste Europeesche beschaving lijden aan eene vreeselijke kwaal en kruipen onrustig, somber en ontdaan door het leven als een tijger, die zijn sprong gemist heeft of een dobbelaar, die een slechten worp gedaan heeft. Het „volk” en al wat het volk „geluk” noemt, staat hun tegen en aan den anderen kant bestaan al de hoogste waarden, die de menschheid vroeger onder den naam van „God”, „Waarheid”, „Plicht” vereerde, voor hen niet meer; materiëele voldoening bevredigt hen niet langer en zij gelooven aan geen ideaal meer. Zal dus de menschheid haren loop moeten staken, zich van het leven losmaken en tot het niet overhellen?

Neen, zegt Nietzsche, verval leidt niet noodzakelijk tot nietzijn; het kan ook de toestand zijn, die aan een nieuw leven en een hoogeren graad van gezondheid voorafgaat.

Het is natuurlijk onmogelijk terug te gaan en de menschheid terug te voeren tot hetgeen zij in vroegere tijden was: „men moet steeds vooruitgaan, d.w.z. stap voor stap verder in het vervaldoordringen”.1Maar evenals de bladeren in den herfst geel worden en afvallen om in de lente nieuw groen te geven, kan ook het hedendaagsch verval het voorspel zijn van herleving en kan de menschheid door haren dood een hoogeren levensvorm doen ontstaan. Uit dat oogpunt kan men, volgens Nietzsche, de woorden „verval”, „ontbinding,” „verderf” wellicht beschouwen als onverdiend verachtelijke termen om den herfst der beschaving aan te duiden; de menschheid, die zwanger gaat van een nieuwe wereld, lijdt barenssmarten en daarom ook is het Zarathustra’s doel niet het lijden der „hoogstaande menschen” te verzachten, want hij weet, dat de mensch steeds meer lijden moet, wil hij de hoogste toppen beklimmen, en dat de innerlijke droefheid van den verheven mensch en zijn afkeer van de menigte en van zichzelf noodig zijn om hem aan te sporen en hem hooger op te drijven. Dat hijzelf een gebrekkig voortbrengsel der menschheid is, doet er niet toe, want hoe kostbaarder van gehalte een voorwerp is, hoe zeldzamer het is en hoeveel te meer waardeverlies er noodig zal wezen om er een volkomen geslaagd exemplaar van te verkrijgen. De hoogere mensch is als eene vaas, waarin de toekomst der menschheid wordt bereid, waarin alle kiemen, die eenmaal in het volle daglicht zullen ontluiken, stil gisten, koken en werken,—en meer dan één van die kostbare vazen barst of breekt.…

Maar dat zegt niets, want zoo die mensch mislukt is, behoeft de menschheid het nog niet te zijn—en wat nog, wanneer ook de menschheid mislukt is! De mensch is, volgens Nietzsche’s beroemde vergelijking, een koord, dat tusschen het dier en den Uebermensch gespannen is; hij is geendoel, maar eenbrug, eendoorgang. Dat de mensch dus verga, opdat de Uebermensch leve.

„Ik onderwijs u den Uebermensch, zegt Zarathustra tot het verzamelde volk. De mensch is iets, dat overtroffen moet worden. Wat hebt gij gedaan om het te overtreffen?

Alle wezens hebben tot nog toe iets hoogers geschapen dan zijzelve waren, en gij zoudt de ebbe van dat reusachtig getij willenzijn en liever tot het dier teruggaan dan den mensch overtreffen.

Wat is de aap voor den mensch? Een voorwerp van spot of van schaamte en smart. En zoo moet de mensch voor den Uebermensch een voorwerp van spot, schaamte en smart worden.

Ziet, ik leer u den Uebermensch kennen.

De Uebermensch is de reden van bestaan der aarde. Uw wil moet zeggen: „Dat de Uebermensch de reden van bestaan der aarde zij.”2

II.Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waardenscheppeninplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het „blonde beest” dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie (Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij de evolutie, die volgens Schopenhauer,den asceet voortbrengt. In de oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven over hetalgemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In Nietzsche’s ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats om hetgeen hij isals individu; hij kent den hevigen, smartelijken afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de „hoogere menschen,” die Zarathustra in zijn hol verzamelt. „Maar, zegt de profeet, gij lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt, maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is,ihr leidet an euch, ihr littet noch nicht am Menschen.”3Eerst wanneer hij dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte van den Uebermensch.Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uitde mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel „geëxploiteerden”, want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. „Aan u behoort geloof en slavernij!” dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en „scheppers van waarden” zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneelemoraal door hare qualiteit van aristocratische wet „for the happy few”, maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne „zelfzuchtige” neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een „schepper van waarden” en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om „de wereld, waarin de menschen belang stellen”4te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een „overpeinzer”, maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.„Gij zult uwen vijand opzoeken,” zegt Zarathustra, „gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!”„Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is totnieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!.…„Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt.…„Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden, dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!”5De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste deugd is: „Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:Wordt hard!”6De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het grootste aller gevaren; de „laatste zonde” van Zarathustra, de ergste aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten van de „hoogere menschen” weerklinken;smeekend roepen zij hem toe: „Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!”7Zoo hij deernis voor hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen, dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat dal „de slangendood.” In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een stervende of als het water, dat ’s nachts in eene verstopte leiding opborrelt: „Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek!Wat is de wraak tegen den getuige?.… Zeg mij nu wie ik ben!”—En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst hij en zijn gelaat teekent hardheid:„Ik herken u,” zegt hij met ijzeren stem: „Gij zijtde moordenaar Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden, die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken.”8Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen bezoedeling der menschheid; zijn medelijdenkende geen kieschheid: hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend, maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen, want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, „eerbiedigd”; hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch, die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de „hardheid” van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan.9De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart, rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording verkeert en dat het leven iets is, „dat zichzelf steeds opnieuw moet overtreffen”10; en daarom weet hij ook, dat het individu zich nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede voor hem „het middel tot een nieuwen strijd” is en zijn leven een onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: „Speel ik niet met valsche dobbelsteenen?” Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan; wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum, want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De„schepper van waarden”, die in het leven gelooft en het leven zoo vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel naar zege als naar vernietiging verlangen.11Zarathustra sterft als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel de hoogste overwinning als het einde van den mensch.Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. „Overal,” zegt Zarathustra, „weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo men wil het „eeuwige leven”, mits zij maar spoedig verdwijnen.”12Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal verkondigen: „Het leven is slechts lijden,” moet de wijze zeggen: „Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig een einde maakt! Dat uwe moraal zij: „Gij moet uzelve dooden! Gij moet spontaan uit het leven treden!”13Want de wereld moet geen gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch uit walging en medelijden sterft.Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen, niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid eischt. „Wie,” zegt Nietzsche, „zal ooit iets groots bereiken, zoo hij de krachten den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor alle grootheid.”14Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de „Drei Metamorphosen des Geistes” leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.Daarna moet zij worden als de leeuw, die „Ik wil” zegt en al wie zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in vlammende letters heeft staan: „Gij moet” en zich gewelddadig losmaken van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden als het spelend kind: „Het is al onschuld en vergetelheid; het is een steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait, eene eerste impulsie, een heilig „ja”.15Zoo moet ook de ziel, die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden, den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: „Wee hen, die lachen!” zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen, maar al „dansend” en „vliegend”, want als hij lachen kan, zal hij zich over zijne nederlagentroosten en als hij dansen en vliegen kan, zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras der melancholie heenstrijken. De mensch moet „buiten zichzelf leeren dansen” en „buiten zichzelf leeren lachen,” m.a.w. hij moet zich boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra’s wijsheid ons geeft:„Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.„Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert lachen!”16

II.

Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waardenscheppeninplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het „blonde beest” dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie (Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij de evolutie, die volgens Schopenhauer,den asceet voortbrengt. In de oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven over hetalgemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In Nietzsche’s ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats om hetgeen hij isals individu; hij kent den hevigen, smartelijken afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de „hoogere menschen,” die Zarathustra in zijn hol verzamelt. „Maar, zegt de profeet, gij lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt, maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is,ihr leidet an euch, ihr littet noch nicht am Menschen.”3Eerst wanneer hij dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte van den Uebermensch.Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uitde mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel „geëxploiteerden”, want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. „Aan u behoort geloof en slavernij!” dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en „scheppers van waarden” zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneelemoraal door hare qualiteit van aristocratische wet „for the happy few”, maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne „zelfzuchtige” neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een „schepper van waarden” en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om „de wereld, waarin de menschen belang stellen”4te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een „overpeinzer”, maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.„Gij zult uwen vijand opzoeken,” zegt Zarathustra, „gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!”„Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is totnieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!.…„Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt.…„Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden, dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!”5De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste deugd is: „Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:Wordt hard!”6De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het grootste aller gevaren; de „laatste zonde” van Zarathustra, de ergste aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten van de „hoogere menschen” weerklinken;smeekend roepen zij hem toe: „Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!”7Zoo hij deernis voor hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen, dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat dal „de slangendood.” In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een stervende of als het water, dat ’s nachts in eene verstopte leiding opborrelt: „Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek!Wat is de wraak tegen den getuige?.… Zeg mij nu wie ik ben!”—En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst hij en zijn gelaat teekent hardheid:„Ik herken u,” zegt hij met ijzeren stem: „Gij zijtde moordenaar Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden, die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken.”8Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen bezoedeling der menschheid; zijn medelijdenkende geen kieschheid: hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend, maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen, want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, „eerbiedigd”; hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch, die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de „hardheid” van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan.9De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart, rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording verkeert en dat het leven iets is, „dat zichzelf steeds opnieuw moet overtreffen”10; en daarom weet hij ook, dat het individu zich nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede voor hem „het middel tot een nieuwen strijd” is en zijn leven een onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: „Speel ik niet met valsche dobbelsteenen?” Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan; wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum, want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De„schepper van waarden”, die in het leven gelooft en het leven zoo vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel naar zege als naar vernietiging verlangen.11Zarathustra sterft als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel de hoogste overwinning als het einde van den mensch.Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. „Overal,” zegt Zarathustra, „weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo men wil het „eeuwige leven”, mits zij maar spoedig verdwijnen.”12Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal verkondigen: „Het leven is slechts lijden,” moet de wijze zeggen: „Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig een einde maakt! Dat uwe moraal zij: „Gij moet uzelve dooden! Gij moet spontaan uit het leven treden!”13Want de wereld moet geen gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch uit walging en medelijden sterft.Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen, niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid eischt. „Wie,” zegt Nietzsche, „zal ooit iets groots bereiken, zoo hij de krachten den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor alle grootheid.”14Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de „Drei Metamorphosen des Geistes” leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.Daarna moet zij worden als de leeuw, die „Ik wil” zegt en al wie zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in vlammende letters heeft staan: „Gij moet” en zich gewelddadig losmaken van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden als het spelend kind: „Het is al onschuld en vergetelheid; het is een steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait, eene eerste impulsie, een heilig „ja”.15Zoo moet ook de ziel, die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden, den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: „Wee hen, die lachen!” zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen, maar al „dansend” en „vliegend”, want als hij lachen kan, zal hij zich over zijne nederlagentroosten en als hij dansen en vliegen kan, zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras der melancholie heenstrijken. De mensch moet „buiten zichzelf leeren dansen” en „buiten zichzelf leeren lachen,” m.a.w. hij moet zich boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra’s wijsheid ons geeft:„Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.„Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert lachen!”16

Wat is de Uebermensch en hoe zal de mensch hem kunnen verwekken?

Men kan den Uebermensch als volgt bepalen: als den staat, dien de mensch bereiken zal, wanneer hij van de tegenwoordige heerschappij der waarden, van het Christelijk, democratisch of het ascetisch ideaal, dat in geheel modern Europa gangbaar is, afstand gedaan zal hebben om tot die waardetafel terug te keeren, die door de edele rassen, de meesters, die zelve hunne waardenscheppeninplaats van haar van buiten af te ontvangen, erkend worden.

Dat wil zeggen, de bedoeling is niet achteruitgaan en na eene eeuwenlange beschaving het „blonde beest” dier oorspronkelijke tijden doen herleven; de mensch moet niets van de nieuwe kennis, aanleg en krachten, die hij in den loop zijner smartelijke ondervindingen verkregen heeft, verliezen, maar hij moet de oude waardetafels, die hem in zijn tegenwoordigen gang naar hooger belemmeren, te niet doen en er nieuwe geboden voor in de plaats stellen.

De mensch zal den Uebermensch doen ontstaan door auto-suppressie (Selbstaufhebung) zooals Nietzsche het meermalen uitdrukt. Die overgang van mensch tot Uebermensch kan in zekeren zin vergeleken worden bij de evolutie, die volgens Schopenhauer,den asceet voortbrengt. In de oogen van den grooten pessimist kan de smart den mensch ten eerste er toe brengen van zijn individueelen wil afstand te doen en bijgevolg tot zelfmoord voeren; maar dat is niet genoeg, want om gered te worden moet hij niet alleen van den individueelen levensvorm, die hem ten deel viel, afstand doen, maar tevens van het willen leven over hetalgemeen: alleen op die voorwaarde kan hij vrede vinden. In Nietzsche’s ideeën nu is ook de smart de machtige prikkel, die den mensch tot gelukzaligheid voert: de mensch lijdt in de eerste plaats om hetgeen hij isals individu; hij kent den hevigen, smartelijken afkeer van zijn eigen ik en die afkeer drijft hem tot ascetisme en pessimisme; in dien zielstoestand verkeeren de „hoogere menschen,” die Zarathustra in zijn hol verzamelt. „Maar, zegt de profeet, gij lijdt nog niet genoeg naar mijnen zin! Want gij lijdt om wat gij zijt, maar gij hebt nog niet geleden om wat de mensch is,ihr leidet an euch, ihr littet noch nicht am Menschen.”3Eerst wanneer hij dien hoogsten graad van smart en afkeer bereikt heeft, zal de mensch in de overmaat zelve van zijne smart de noodige geestkracht vinden om den laatsten stap te doen en zichzelf op te offeren voor de geboorte van den Uebermensch.

Als het pessimisme zijn toppunt bereikt heeft, zal het het zegevierend optimisme voortbrengen.

Wij zullen verder zien, waarin volgens Nietzsche, de Uebermensch van den bestaanden mensch verschillen zal.

Een der meest kenmerkende verschillen tusschen de moraal van den Uebermensch en de algemeen erkende moraal van onzen tijd, is wel, dat de laatste alle menschen zonder onderscheid geldt, terwijl de eerste juist door haar hoogeren inhoud voor slechts enkele verheven geesten kan weggelegd zijn.

Het hedendaagsch Europa is, zooals wij hebben opgemerkt, beslist democraat en gelooft aan de natuurlijke gelijkheid der menschen; Nietzsche daarentegen gelooft aan de natuurlijke ongelijkheid der menschen en wil eene aristocratische maatschappij, verdeeld in bepaalde klassen, die elk afzonderlijk hunne voorrechten en hunne plichten hebben. De lagere kaste bestaat uitde mindere soort, de middelmatige menschen, uit hen, die uit natuurlijke roeping tot het raderwerk van de groote sociale machine behooren, want niet alleen landbouw, handel en nijverheid, maar ook wetenschap en kunst eischen werklieden, die voldoening vinden in het nauwkeurig volbrengen van eene bijzondere taak, waartoe zij de noodige geschiktheid bezitten, en die zich bescheiden tevreden stellen met gehoorzaam en gedwee aan den gezamenlijken arbeid mee te werken. Dat zijn blijkbaar slaven ofwel „geëxploiteerden”, want zij onderhouden de hoogere kasten ten koste van zichzelve en zijn hun gehoorzaamheid verschuldigd; ontberingen en lijden kunnen hun dan ook niet bespaard worden, want de werkelijkheid is hard en slecht. In een goed geregelden staat evenwel moeten juist die middelmatigen een betrekkelijk veiliger, rustiger en vooral gelukkiger bestaan hebben dan hunne meerderen, daar zij geen verantwoording dragen en zich maar behoeven te laten leven. Voor hen is het godsdienstig geloof een onschatbare weldaad, want het werpt een gouden zonnestraal op de ellende van hun half dierlijk bestaan en leert hen in alle nederigheid tevreden over zichzelve zijn, het geeft hun zielevrede en veredelt in hunne oogen de harde noodzakelijkheid van een anders wil te moeten dulden; het schenkt hun de weldadige illusie, dat er eene wereldorde voor alle dingen heerscht en dat ook zij hunne aangewezen plaats, hun nuttigen werkkring in die wereldorde hebben gekregen. „Aan u behoort geloof en slavernij!” dat is het deel, dat Zarathustra hun in zijne ideale maatschappij toedenkt. Boven hen staat de kaste der leiders, der beschermers van de orde en der krijgslieden en aan hun hoofd staat de koning, hun aller chef. Zij oefenen in zekeren zin het materieel gedeelte van de macht uit en vormen het tusschenliggend raderwerk, dat den wil der werkelijke heerschers aan de menigte overbrengt. En de hoogste kaste, die der meesters, der wijzen en „scheppers van waarden” zet ten slotte het geheele sociale organisme in beweging en moet op aarde en onder de menschen dezelfde rol spelen als God volgens het Christelijk idee in het heelal doet. Het is dus voor de meesters en voor hen uitsluitend, dat de moraal van den Uebermensch geschapen is.

Die moraal onderscheidt zich niet alleen van de traditionneelemoraal door hare qualiteit van aristocratische wet „for the happy few”, maar zij wederlegt haar volkomen, omdat zij anti-idealist is. Volgens de Christelijke of ascetische moraal is die mensch deugdzaam, die zijn leven naar een ideaal vormt en zijne „zelfzuchtige” neigingen aan den dienst van Waarheid en Goed opoffert. De wijze daarentegen is, volgens Nietzsche, boven alles een „schepper van waarden” en ziet daarin zijn levenstaak. Niets heeft in werkelijkheid op zich zelf eenige waarde, want de wereld is eene onverschillige materie, die geen ander belang heeft dan dat, wat wij haar geven; de ware wijsgeer is dus de mensch, die in zijne persoonlijkheid macht genoeg bezit om „de wereld, waarin de menschen belang stellen”4te scheppen; hij is de geniale dichter, in wiens ziel de waardetafel ontstaat, waarin de menschen, die tot een gegeven tijd behooren, gelooven, en die bijgevolg al hunne daden bepaalt. Hij is een „overpeinzer”, maar zijn visioen is niet anders dan de hoogste wet, die geheele geslachten in beweging brengt en alle groote daden der menschheid zijn slechts de zichtbare en concreete uiting van zijn denken. Hij schept volkomen vrij en onafhankelijk zonder acht te slaan op goed of kwaad, op waarheid of dwaling; hij schept zijne waarheid, zijne moraal. Hij is een onversaagd beproever (Versucher), die voortdurend nieuwe levensvormen zoekt en in den loop van zijne gevaarlijke proeven, onbevreesd zoowel zijn eigen leven en geluk als die van alle mindere schepselen, die hij achter zich aan sleept, in de waagschaal stelt. Hij is een vermetel en grootsch speler, die met het noodlot eene reusachtige partij speelt, om leven of dood.

Volgens Nietzsche heeft dus de wijze geen vreedzame natuur; hij belooft den menschen geen vrede en rustig genot van de vruchten van hunnen arbeid, maar spoort hen aan tot den krijg en spiegelt hun hoop op zege voor.

„Gij zult uwen vijand opzoeken,” zegt Zarathustra, „gij zult uwen strijd strijden, gij zult voor uw denkbeeld vechten! En zoo uw denkbeeld valt, moet uwe rechtschapenheid zich over zijn val verheugen!”

„Gij zult den vrede liefhebben, omdat hij een middel is totnieuwen strijd; en korte vrede zal u liever zijn dan lange. Ik raad u niet aan te werken; ik raad u geen vrede aan, maar overwinning. Dat uw arbeid strijd en uw vrede overwinning zij!.…

„Gij zegt, dat eene goede zaak zelfs den oorlog heiligt, maar ik zeg u, dat de goede strijd elke zaak heiligt.…

„Tot vijand moet gij slechts te haten, maar niet te verachten tegenstanders hebben, want gij moet trotsch zijn op uwe vijanden, dan zal het succes van uw vijand ook uw succes zijn!”5

De oorlog, de openlijke strijd tusschen mededingende en tegenstrijdige krachten is, volgens Nietzsche dan ook het machtigst instrument van vooruitgang; hij toont aan, waar kracht en waar zwakheid, waar physieke en moreele gezondheid en waar ziekte zich bevinden; hij is een van die gevaarlijke proeven, die de wijze onderneemt om het leven te bevorderen en de waarde van een denkbeeld of eene gedachte met het oog op de ontwikkeling van het leven, te beproeven. Oorlog is dus weldadig en goed op zichzelf en Nietzsche voorspelt dan ook zonder de minste spijt of aandoening, dat Europa een tijd van groote oorlogen tegemoet gaat, een tijd, waarin de volken onderling zullen vechten om de opperheerschappij der wereld.

Waar de oude waardetafel het medelijden onder de eerste waarden rangschikte, leert Zarathustra daarentegen, dat de wil de hoogste deugd is: „Dit, mijne broeders, is de nieuwe wet, die ik u verkondig:Wordt hard!”6

De schepper moet inderdaad hard zijn als de diamant of als de schaar van den beeldhouwer om het vormloos blok van het toeval naar zijn zin te modelleeren, om nieuwe waarden in te voeren, op gansche geslachten zijn indruk na te laten, den wil van de toekomstmaatschappij zelfs te kneden en er als in ijzeren tafels zijn eigen wil in te griften.

Voor hem is medelijden geen deugd, maar eene sterke verzoeking en het grootste aller gevaren; de „laatste zonde” van Zarathustra, de ergste aanval, dien hij te doorstaan heeft, is die van het medelijden. Van uit zijn eenzaam hol hoort hij in de diepte van zijn dal de wanhoopskreten van de „hoogere menschen” weerklinken;smeekend roepen zij hem toe: „Kom! kom! kom! het is tijd, hoog tijd!”7Zoo hij deernis voor hunne ellende voelt en hem het hart week wordt bij het zien van hun lijden, is het met hem gedaan; dan is hij overwonnen. Zarathustra heeft al zijne geestkracht noodig om de verzoeking te weerstaan. Terwijl hij door zijn rijk trekt om de wanhopenden te zoeken, die hem aanroepen, dringt hij door in een zoo verlaten oord, dat het aan het rijk des doods doet denken. Daar staken zwarte en roode rotspunten uit; geen grasje, geen ster, geen vogelenzang. Het was een dal, dat alle dieren ontvluchtten en waar alleen afschuwelijke, dikke, groene slangen kwamen sterven als zij oud waren geworden; daarom noemden de herders dat dal „de slangendood.” In dat dal stuit hij plotseling tegen eene aan den weg liggende, onnoembare, afschuwelijke, nauwelijks menschelijke gedaante en op het oogenblik dat hij, overmand door schaamte bij het zien van zooveel afzichtelijkheid, dat vervloekte oord zoo spoedig mogelijk wil verlaten, dringt een stem tot hem door als de hik van een stervende of als het water, dat ’s nachts in eene verstopte leiding opborrelt: „Zarathustra! Zarathustra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek!Wat is de wraak tegen den getuige?.… Zeg mij nu wie ik ben!”—En op eenmaal, door diepe deernis getroffen, zakt Zarathustra ineen als een eik, die, na lang den bijl des houthakkers te hebben weerstaan, plotseling zwaar ter aarde stort en door zijn val juist hem doet schrikken, die hem neer wilde vellen. Maar weldra herrijst hij en zijn gelaat teekent hardheid:

„Ik herken u,” zegt hij met ijzeren stem: „Gij zijtde moordenaar Gods! Laat mij mijn weg vervolgen. Gij hebt hem niet kunnen dulden, die u voortdurend en in al uw leelijkheid zag, gij afschuwelijkste aller menschen! En gij hebt u op dien getuige gewroken.”8

Zoo is Zarathustra overwinnaar gebleven in de beproeving, die Gods dood was. De God der liefde is dood, verstikt door het medelijden, dat hij gevoelde bij het zien van al de onreinheid, van de diepst verborgen bezoedeling der menschheid; zijn medelijdenkende geen kieschheid: hij heeft de duisterste, de onreinste hoeken der menschelijke ziel doorzocht en daarom is hij gestorven, want de mensch kon zulk een getuige van zijne laagheid niet dulden. Zarathustra daarentegen is vervuld van diepe schaamte; hij heeft den blik neergeslagen voor het afschuwelijk gezicht van menschelijke ellende en zijns weegs willen gaan, omdat hij besefte, dat het edeler en waarlijk grootscher is zijnen weg te vervolgen dan zijn leven te verspillen en zichzelf te verliezen door hulp te verleenen bij een ongeluk, dat door niemand meer goed te maken is. En zoodoende heeft hij niet alleen den dood afgewend, maar hij heeft ook de liefde van den afzichtelijksten mensch gewonnen, want door zijn stilzwijgen en zijne onthouding heeft hij de diepe ellende, de groote leelijkheid, die hem voor oogen kwam, „eerbiedigd”; hij heeft hem zijn medelijden bespaard. De monsterachtigste mensch, die God en de barmhartigen haatte, buigt vrijwillig het hoofd voor de „hardheid” van Zarathustra en neemt zijne gastvrijheid aan.9

De wijze moet, volgens Nietzsche, dus hard zijn voor zichzelf en voor anderen. Hij doet, wat hemzelf betreft, afstand van alle welvaart, rust en vrede, want hij weet, dat de menschheid zich niet tot een bepaald doel ontwikkelt, maar dat alles in eene voortdurende wording verkeert en dat het leven iets is, „dat zichzelf steeds opnieuw moet overtreffen”10; en daarom weet hij ook, dat het individu zich nooit vleien kan de haven bereikt te hebben, maar dat alle vrede voor hem „het middel tot een nieuwen strijd” is en zijn leven een onafgebroken reeks van gevaarlijke avonturen moet zijn. Hij zoekt dus geen geluk, maar alleen de opwinding van het spel en zoo hij een mooien worp doet, vraagt hij zich dadelijk af: „Speel ik niet met valsche dobbelsteenen?” Ook weet hij, dat vreugde en smart steeds samengaan; wel kan de mensch zonder groote vreugde of diepe smart door het leven gaan, maar daarmee brengt hij zijne levenskracht tot het minimum, want hij, die groote vreugde wil kennen, moet ook noodzakelijk diepe smart ondervinden en elke slingering naar eene zijde wordt onmiddellijk vereffend door eene tegenovergestelde slingering. De„schepper van waarden”, die in het leven gelooft en het leven zoo vol en krachtig mogelijk wil, verlangt dus ook de grootst mogelijke slingeringen om het evenwichtspunt: hij wil zoowel het hoogste toppunt der vreugde als dat der smart, de meest bedwelmende overwinningen en de vreeselijkste nederlagen leeren kennen; hij moet zijne diepste smart en zijne hoogste verwachting tegelijk tegemoet gaan en zoowel naar zege als naar vernietiging verlangen.11Zarathustra sterft als hij het toppunt van zijn bestaan bereikt. De Uebermensch is zoowel de hoogste overwinning als het einde van den mensch.

Evenals de wijze hard voor zichzelf moet zijn, moet hij het ook voor anderen zijn, want er zijn ellenden, waarvoor verlichting onmenschelijk is en er zijn mislukten, wier dood men niet moet voorkomen. „Overal,” zegt Zarathustra, „weerklinkt de stem van hen, die den dood prediken en de aarde is vol menschen, wien de dood gepredikt moet worden, of zoo men wil het „eeuwige leven”, mits zij maar spoedig verdwijnen.”12

Tot de pessimisten, de ontmoedigden, de melancholieken, de barmhartigen, kortom tot alle soorten van asceten, die overal verkondigen: „Het leven is slechts lijden,” moet de wijze zeggen: „Zorgt dan, dat gij aan een leven dat slechts lijden is, spoedig een einde maakt! Dat uwe moraal zij: „Gij moet uzelve dooden! Gij moet spontaan uit het leven treden!”13Want de wereld moet geen gasthuis vol zieken en moedeloozen worden, waarin de gezonde mensch uit walging en medelijden sterft.

Om aan de geslachten der toekomst het neerdrukkend schouwspel van ellende en afzichtelijkheid te besparen, moeten wij hen, die rijp voor den dood zijn, dood laten gaan en den moed bezitten om hen, die vallen, niet tegen te houden, maar hun val te bevorderen. De wijze moet dus het lijden van anderen dulden en zelfs moet hij doen lijden zonder aan medelijden toe te geven, evenals de chirurg met vaste en zekere hand zijn insnijmes hanteert zonder zich aan de martelingen van den patiënt te storen. Dat alleen is wat de meeste ware zielegrootheid eischt. „Wie,” zegt Nietzsche, „zal ooit iets groots bereiken, zoo hij de krachten den wil mist om groote smarten te veroorzaken? Smart kunnen dragen zegt niet veel; zwakke vrouwen en zelfs slaven zijn meesters in die kunst; maar niet toegeven aan innerlijke wanhoop en verscheurenden twijfel als men een groote smart veroorzaakt en de kreten dier smart hoort, dat is groot, dat is eene voorwaarde voor alle grootheid.”14

Eindelijk moet ook de wijze onder alle levensomstandigheden de kalmte van den goeden speler, de vroolijke onschuld van het dartelend kind, de blijde bevalligheid van den danser toonen. In de parabel van de „Drei Metamorphosen des Geistes” leert Zarathustra, dat de menschelijke ziel eerst gelijk de kameel moet zijn, die gedwee de zwaarste lasten draagt: zij doorstaat geduldig de ergste beproevingen en onderwerpt zich vrijwillig aan de ruwste tucht om eene zware last van ondervinding op te doen.

Daarna moet zij worden als de leeuw, die „Ik wil” zegt en al wie zijne vrijheid bedreigt, met zijne klauwen neervelt; zij moet den grooten draak der Wet overwinnen, die op elk zijner gouden schubben in vlammende letters heeft staan: „Gij moet” en zich gewelddadig losmaken van het juk van het ideaal, van waarheid en goed, dat hem vroeger zulk een lieve last was. En wil zij ten slotte vruchten dragen en nieuwe waarden scheppen na de oude vernietigd te hebben, zoo moet zij worden als het spelend kind: „Het is al onschuld en vergetelheid; het is een steeds opnieuw beginnen, een spel, een rad, dat uit zichzelf draait, eene eerste impulsie, een heilig „ja”.15Zoo moet ook de ziel, die zich tot de hoogste toppen verheffen wil, leeren spelen en zich in alle onschuld vroolijk vermaken; zij moet luchtig en zorgeloos worden, den demon der traagheid in welken vorm ook, overwinnen en afzien van pessimisme en melancholie, van deftige manieren en tragische standen, van stuursche ernst en onverdraagzame stijfheid: „Wee hen, die lachen!” zei de oude Wet en dat is volgens Zarathustra de grootste godslastering. De wijze moet juist het goddelijke lachen leeren: hij moet zijn doel niet met loome schreden en als met weerzin naderen, maar al „dansend” en „vliegend”, want als hij lachen kan, zal hij zich over zijne nederlagentroosten en als hij dansen en vliegen kan, zal hij vroolijk en lustig als de onweerswindvlagen over de moeras der melancholie heenstrijken. De mensch moet „buiten zichzelf leeren dansen” en „buiten zichzelf leeren lachen,” m.a.w. hij moet zich boven zijn eigen ik verheffen en zichzelf overvleugelen op de wieken van den lach en den dans. Dat is de hoogste raad, dien Zarathustra’s wijsheid ons geeft:

„Dien krans van lachen, dien krans van rozen heb ik mijzelf op het hoofd gezet; zelf heb ik mijn vroolijk lachen geheiligd.

„Dien krans van lachen, dien krans van rozen werp ik u, mijne broeders, toe. Ik heb het lachen geheiligd: verheven menschen, leert lachen!”16

III.„Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophoudenda caporoept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.Welnu, zou dat niet zijncirculus vitiosus deus?”17Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche’s brein als een bliksemflits de hypothese van het „Eeuwig Wederkeeren” ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leervan den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:De som der krachten, die het heelal vormen, blijktvast en bepaaldte zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie—die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt—ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig velemalen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.„Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het„Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt—dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur.”Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche, van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer, hetEeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme vanDie fröhliche Wissenschaftsprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker komt fluisteren. „Zoudt gij u niet ter aarde werpen,” zoo besluit hij, „zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd, waarin gij hem antwoorden kondt: „Gij zijt een god en nooit vernam ik goddelijker woord!” Zoodie gedachte zich meester maakte van u, zooals gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: „wilt gij dat nog eens en eeuwig?” op elk oogenblik van uw leven gesteld, zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!”18Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk was zijne leer van het „Eeuwig Wederkeeren” volgens de atomische theorie te verklaren;19maar zijne onverklaarde en onverklaarbare hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche’s ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malenjuist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het nieta prioriverworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het teverwezenlijkenen de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen „leefde” zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn „hardheid” voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt,waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.„En zij stonden stilzwijgend bij elkander—allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen—en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.„O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.„Is dàt het Leven?” zal ik aan den Dood vragen. „Welnu—dan nog eens!”Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den Dood zeggen: „Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra—nog eens!”20Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft „ja” gezegd tot het bestaan.Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert.En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:Eins!O Mensch! GiebAcht!Zwei!Was spricht die tiefe Mitternacht!Drei!„Ich schlief, ich schlief,—Vier!„Aus tiefem Traum bin ich erwacht:—Fünf!„Die Welt ist tief,Sechs!„Und tiefer als der Tag gedacht.Sieben!„Tief ist ihr Weh—,Acht!„Lust—tiefer noch als Herzeleid:Neun!„Weh spricht: Vergeh!Zehn!„Doch alle Lust will Ewigkeit—Elf!„—Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”Zwölf!21

III.

„Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophoudenda caporoept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.Welnu, zou dat niet zijncirculus vitiosus deus?”17Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche’s brein als een bliksemflits de hypothese van het „Eeuwig Wederkeeren” ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leervan den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:De som der krachten, die het heelal vormen, blijktvast en bepaaldte zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie—die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt—ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig velemalen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.„Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het„Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt—dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur.”Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche, van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer, hetEeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme vanDie fröhliche Wissenschaftsprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker komt fluisteren. „Zoudt gij u niet ter aarde werpen,” zoo besluit hij, „zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd, waarin gij hem antwoorden kondt: „Gij zijt een god en nooit vernam ik goddelijker woord!” Zoodie gedachte zich meester maakte van u, zooals gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: „wilt gij dat nog eens en eeuwig?” op elk oogenblik van uw leven gesteld, zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!”18Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk was zijne leer van het „Eeuwig Wederkeeren” volgens de atomische theorie te verklaren;19maar zijne onverklaarde en onverklaarbare hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche’s ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malenjuist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het nieta prioriverworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het teverwezenlijkenen de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen „leefde” zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn „hardheid” voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt,waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.„En zij stonden stilzwijgend bij elkander—allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen—en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.„O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.„Is dàt het Leven?” zal ik aan den Dood vragen. „Welnu—dan nog eens!”Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den Dood zeggen: „Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra—nog eens!”20Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft „ja” gezegd tot het bestaan.Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert.En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:Eins!O Mensch! GiebAcht!Zwei!Was spricht die tiefe Mitternacht!Drei!„Ich schlief, ich schlief,—Vier!„Aus tiefem Traum bin ich erwacht:—Fünf!„Die Welt ist tief,Sechs!„Und tiefer als der Tag gedacht.Sieben!„Tief ist ihr Weh—,Acht!„Lust—tiefer noch als Herzeleid:Neun!„Weh spricht: Vergeh!Zehn!„Doch alle Lust will Ewigkeit—Elf!„—Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”Zwölf!21

„Hij, die evenals ik, door eene of andere raadselachtige nieuwsgierigheid gedrongen, getracht heeft de hypothese van het pessimisme tot in zijne uiterste gevolgen uit te denken, heeft zichzelf wellicht meteen de oogen geopend voor het tegenovergesteld ideaal, dat n.l. van den vroolijken, levendigen mensch, die zich gelukkig gevoelt te leven, die niet alleen geleerd heeft zich te onderwerpen en het verleden en het tegenwoordige te dulden, maar opnieuw het verleden en het tegenwoordige, zooals het was en zooals het is, wil doorleven tot in de eeuwigheid toe, die zonder ophoudenda caporoept, niet alleen tot zijn eigen leven, maar tot de geheele wereldcomedie, en dat niet alleen tot die comedie, maar in waarheid tot het Wezen, dat die comedie verlangt en haar noodzakelijk maakt, omdat het zichzelf steeds opnieuw wil en zichzelf zoodoende noodzakelijk maakt.

Welnu, zou dat niet zijncirculus vitiosus deus?”17

Het was in Augustus 1881 te Sils Maria, dat in Nietzsche’s brein als een bliksemflits de hypothese van het „Eeuwig Wederkeeren” ontsproot, die de basis en tevens de bekroning der leervan den Uebermensch is. Men kan haar als volgt samenvatten:

De som der krachten, die het heelal vormen, blijktvast en bepaaldte zijn. Het is ten minste niet denkbaar, dat zij afneemt, want in dat geval, hoe gering de afname ook zij, zou zij zijn verzonken in den oneindigen tijd, die den tegenwoordige is voorafgegaan; evenmin kunnen wij ons voorstellen, dat zij onbepaald toeneemt, want om als organisme voort te groeien zou zij gevoed moeten worden en wel zoodanig, dat zij een overschot van krachten verkreeg; vanwaar dan zou dat voedsel, die groeistof voortkomen? Een onbepaald toenemen van de krachten van het heelal veronderstellen is dus zooveel als in een voortdurend wonder gelooven. Er rest dus niets dan de hypothese der vaste en bepaalde som van krachten, van eene niet oneindige som dus. Stellen wij ons nu die krachten voor als volkomen bij toeval op elkander reageerende, een zuiver combinatiespel, waarin de eene combinatie noodzakelijk de volgende doet ontstaan; wat zal er dan in de eeuwigheid der tijden gebeuren? In de eerste plaats moeten wij aannemen, dat die krachten nooit den evenwichtstoestand hebben bereikt en dien ook nooit zullen bereiken, want zoo die combinatie—die op zichzelf ons niet onmogelijk toeschijnt—ooit voorkwam, zou zij er reeds geweest zijn in den oneindigen tijd, die den onzen is voorafgegaan en de wereld zou voor goed stil staan, daar het onmogelijk is zich voor te stellen, dat het eenmaal verkregen evenwicht ooit weer verbroken zou worden. Wij staan dus voor het feit, dat eene vaste som van krachten eene onafgebroken reeks van combinaties voortbrengt. Daar nu de tijd oneindig en de som van krachten bepaald is, moet er een oogenblik komen, dat, hoe groot men ook de som dier krachten stelle en hoe reusachtig men zich het getal combinaties ook denke, de natuurlijke en onberekenende kansrekening eene reeds voorgekomen combinatie zal doen ontstaan, maar die combinatie zal tengevolge van het algemeen determinisme de geheele serie der reeds voorgekomen combinaties meeslepen, zoodat de wereldevolutie tot in het oneindige dezelfde phasen terugbrengt en eeuwig een reusachtigen cirkel doorloopt.

Elk afzonderlijk leven is slechts een onmerkbaar fragment van den geheelen cirkel en elk individu heeft dus reeds oneindig velemalen hetzelfde leven doorleefd en zal het eeuwig opnieuw herleven.

„Alle toestanden, waarin de menschheid verkeeren kan, heeft zij reeds doorgemaakt en niet éénmaal maar ontelbare malen. Zoo ook dit oogenblik: het was al eens en al vele malen en zoo zal het ook terugkomen zoodra alle krachten weer verdeeld zijn evenals nu; en evenzoo gaat het met het oogenblik, dat het tegenwoordige voortbracht en met het oogenblik, dat het tegenwoordige zal voortbrengen. Mensch! uw geheele leven zal als een zandlooper steeds omgekeerd worden en zal steeds opnieuw verloopen, daar elk een dier levens van het andere slechts gescheiden wordt door de groote minuut, die noodig is om al de toestanden, die u deden ontstaan, in den wereldcirkel weer te doen voorkomen. Dan zult gij elke smart en elke vreugde, elken vriend en elken vijand, elke verwachting en elke dwaling, elken grashalm en elken zonnestraal en de geheele regeling aller dingen terugvinden. Die cyclus, waarvan gij een korrel zijt, schittert opnieuw en in elken cyclus van het menschelijk bestaan komt altijd een uur, waarin eerst bij een individu, vervolgens bij velen en eindelijk bij allen de machtigste gedachte, die van het„Eeuwige Wederkeeren van alle dingen ontwaakt—dat is voor de menschheid telkens weer het middaguur.”

Die hypothese omtrent de wereldevolutie vervulde tegelijk Nietzsche, van af het oogenblik, dat zij aan zijn denkershorizon verscheen, van groot enthousiasme en onbeschrijfelijken afschuw. Eerst hield hij die gedachte voor zich en een algemeen overzicht van zijn nieuwe leer, hetEeuwig Wederkeeren, dat hij in den zomer van 1881 reeds geschetst had, bleef onafgemaakt. In een aphorisme vanDie fröhliche Wissenschaftsprak Nietzsche voor het eerst het denkbeeld van een Eeuwig Wederkeeren uit als eene soort verontrustend paradox. Hij veronderstelt daarin, dat een demon in een eenzaam uur die hypothese in het oor van den denker komt fluisteren. „Zoudt gij u niet ter aarde werpen,” zoo besluit hij, „zoudt gij niet tandenknarsend den demon vervloeken, die zoo tot u gesproken had? Of hebt gij het onbeschrijfelijk oogenblik doorleefd, waarin gij hem antwoorden kondt: „Gij zijt een god en nooit vernam ik goddelijker woord!” Zoodie gedachte zich meester maakte van u, zooals gij zijt, zou zij u vervormen en wellicht verpletteren. De vraag: „wilt gij dat nog eens en eeuwig?” op elk oogenblik van uw leven gesteld, zou als een loodzware last op geheel uw werkvermogen drukken, tenzij gij uzelf en het leven zoozeer liefhadt, dat gij niets anders meer dan die hooge en eeuwige wijding en bevestiging verlangdet!”18Nietzsche dacht er in dien tijd aan tien jaar van zijn leven te wijden aan de studie der natuurlijke historie te Weenen of Parijs om voor zijn hypothese een wetenschappelijke basis te vormen en na een jarenlang stilzwijgen als de profeet van het Eeuwig Wederkeeren weer ten tooneele te verschijnen. Al heel spoedig echter besloot hij dat plan op te geven om verschillende redenen, waaronder voornamelijk deze, dat een oppervlakkig onderzoek van het vraagstuk van uit een wetenschappelijk oogpunt hem dadelijk deed inzien, dat het onmogelijk was zijne leer van het „Eeuwig Wederkeeren” volgens de atomische theorie te verklaren;19maar zijne onverklaarde en onverklaarbare hypothese bleef toch het middenpunt van zijn denken en het Eeuwig Wederkeeren is het grootsche denkbeeld, dat Zarathustra in bedekte termen en met eene soort heiligen afschuw aan de menschheid verkondigt.

Het is inderdaad te begrijpen, dat een vreeselijke angst zich van Nietzsche’s ziel meester maakte, zoodra hij in het Eeuwig Wederkeeren geloofde en de volle beteekenis van die hypothese begreep, want men kan zich geen oplossing van het levensprobleem denken, dat op het eerste gezicht zoo ontmoedigend is. De wereld beteekent niets; zij is het werk van het blinde noodlot en spruit voort uit het mathematisch en zinneloos spel der krachten, die zich onderling combineeren en bij toeval een zeker getal mogelijke groepeeringen vormen; de wereldevolutie leidt tot niets, maar gaat oneindig voort, zich steeds bewegende in denzelfden cirkel, en het leven dat wij thans leiden, zullen wij eeuwig opnieuw beginnen zonder hoop op eenige verandering; elk oogenblik van droefheid, smart of walging zullen wij ontelbare malenjuist zoo opnieuw doorleven. Denkt eens aan welk eene uitwerking die openbaring op ontaarden, zieken, pessimisten, op al diegenen moet hebben, wier smarten werkelijk veel meer zijn dan hunne vreugden? Voor de meeste menschen is weliswaar een denkbeeld als dat van het Eeuwig Wederkeeren, zelfs wanneer het nieta prioriverworpen wordt, volkomen onschuldig, daar het een zuiver abstract en intellectueel iets blijft, omdat onze verbeelding niet sterk genoeg is om het teverwezenlijkenen de begrippen, die ons verstand opneemt ons gevoelsleven over het algemeen weinig of niet aandoen. Nietzsche daarentegen „leefde” zijne theorieën; hij philosopheerde met zijn geheele wezen en dan is het te begrijpen, dat het Eeuwig Wederkeeren hem bij oogenblikken als eene nachtmerrie was, die hem het bloed in de aderen deed stollen en het hart deed stilstaan. En nu ook zien wij zijn „hardheid” voor de ongelukkigen en onterfden van het leven onder een geheel ander daglicht; nu begrijpen wij, dat hij bij de gedachte aan die ongelukkigen uitriep: Mogen zij gauw sterven! mochten zij zich dooden of gauw gedood worden, die ongelukkigen, voordat zij de algeheele diepte van den lijdensafgrond, die hen wacht, gepeild hebben en het monsterachtig lot, dat hen dwingt eeuwig en zonder mogelijke verlossing hun kruis mee te slepen, hebben leeren kennen! En men begrijpt ook, dat hij zich afgevraagd heeft of de menschheid in haar geheel in staat zou zijn zich die leer eigen te maken zonder plotseling in eene duizeling van wanhoop en afschuw ten onder te gaan en dat hij het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren beschouwd heeft als een toetssteen, die door zijne aanraking allen zou vernietigen, wier levenskracht niet sterk genoeg is om de openbaring van zulk eene waarheid te dragen.

Er is inderdaad eene bijzondere mate van zielskracht, eene zeldzame levensenergie noodig om zonder angst het denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren te verdragen en hij alleen heeft daartoe de macht, wiens persoonlijkheid sterk genoeg is om te kunnen zeggen: zoo het leven op zichzelf geen beteekenis heeft, weet ik er een aan te geven. Ik ben een stukje van de natuur, die zichzelve steeds opnieuw wil en zonder ophouden eeuwig denzelfden cirkel doorloopt: ik wil mij dus verheffen tot het punt,waarop ik als kunstenaar van de onvergelijkelijke pracht van het vruchtbare leven genieten kan als van het schoonste aller schouwspelen. Ik wil belang stellen in dat wonderbaar combinatiespel, waaruit reeds zooveel schoone en goede dingen zijn voortgesproten, waaraan de geboorte van den mensch te danken is en dat éénmaal wellicht den Uebermensch zal voortbrengen. Met hart en ziel wil ik wenschen, dat het blind toeval eenmaal moge slagen in de schepping van een of ander wonderbaar, verblindend, boven den mensch staand wezen; in die verwachting wil ik althans leven en mijn geheele bestaan zal door die ééne gedachte geleid worden; ik wil, dat de cirkel, waarin het leven zich eeuwig beweegt, een zoo schitterend en wonderbaar diadeem zij als mogelijk is en zal dus in vreugde en vol bewustzijn mijn leven op het spel zetten, hopende, dat mijn worp eene mooi resultaat moge opleveren en zoo ik verlies, zal ik mij troosten met de gedachte, dat een ander ten minste den mooien worp gooit of zal gooien, dien ik verwachtte en dat zoodoende de pracht van het leven niet verminderen zal. Door dat visioen verblind en koortsig opgewonden door de reusachtige partij, die hij met het toeval speelt, zal de mensch al zijn nederlagen, zijne smart en ellende leeren beschouwen als het noodige losgeld voor zijne overwinningen en zijne vreugde, als den prikkel, die hem dwingt steeds vooruit te streven, zichzelf te overtreffen en de verwezenlijking van hoogere combinaties na te jagen. En wanneer hij dan het totaal van zijn bestaan opmaakt, zal hij zien, dat de som zijner vreugden die zijner smarten overtreft en zal hij de gedachte aan het eeuwig weer doorleven van het reeds doorleefde vol geestdrift aannemen.

Tot die gevolgtrekking komen de verheven menschen, die Zarathustra in zijn hol heeft verzameld. Nadat hij hun zijne nieuwe waardetafel heeft voorgehouden en hun de ware schoonheid en grootheid van het leven heeft aangetoond, nadat hij hen van hun pessimisme genezen heeft en hunne ziel, die onder den last van walging en droefheid dreigde te bezwijken, heeft verlicht, vereenigt hij hen bij het vallen van den avond voor zijne grot onder den schitterenden sterrenhemel.

„En zij stonden stilzwijgend bij elkander—allen waren oud, maar hun hart was getroost en vol moed en elk voor zich was verbaasd, dat het op aarde zoo goed was. En het stilzwijgen van den geheimzinnigen nacht sprak steeds duidelijker tot hun hart. Toen geschiedde het grootste wonder van dien dag zoo rijk aan wonderen; de afzichtelijkste mensch begon nog eens, en nu voor het laatst, te blazen en te borrelen en toen hij eindelijk woorden kon uiten, ontvloeide eene ronde, zuivere, eene juiste, diepe vraag aan zijne lippen—en allen, die haar hoorden, voelden hun hart in den boezem kloppen.

„O gij allen, mijne vrienden, zeide de afzichtelijkste mensch, wat dunkt u er van? Uit liefde voor dezen dag gevoel ik mij voor de eerste maal gelukkig het leven geleefd te hebben.

En het is niet genoeg die getuigenis af te leggen. Het doet goed op aarde te leven; een enkele dag, een enkel feest met Zarathustra heeft mij de aarde leeren liefhebben.

„Is dàt het Leven?” zal ik aan den Dood vragen. „Welnu—dan nog eens!”

Mijne vrienden, wat dunkt u er van? Wilt gij niet met mij tot den Dood zeggen: „Is dat het leven? Dan, uit liefde voor Zarathustra—nog eens!”20

Zarathustra is dus geslaagd; de afzichtelijkste mensch, het afschuwelijk monster, wiens haat God vermoord heeft, de vertegenwoordiger van alle ellenden, van alle nederlagen en afzichtelijkheden der menschheid, heeft de schoonheid van het leven ontdekt, hij heeft begrepen, dat de smart het noodige losgeld is voor alle geluk en heeft „ja” gezegd tot het bestaan.

Terwijl de profeet, door zijne discipelen omringd, het hooge genot van dat uur der overwinning smaakt, slaat een oude klok met zware stem langzaam middernacht; plechtig uur, waarop de scheidende en de aanbrekende dag elkander ontmoeten en de dood het leven de hand reikt; middernacht, uur van diep stilzwijgen, waarin de ernstige ziel zich aan diepe, innerlijke overpeinzingen overgeeft en de meest verborgen geheimen ontcijfert.En terwijl de oude torenklok, de stille vertrouweling van alle smarten en vreugden der menschheid, met hare twaalf slagen het oogenblik verkondigt, waarop opnieuw de geheimzinnige overgang van den dood in het leven plaats vindt, openbaart Zarathustra in raadselachtige verzen als eene soort mystieke psalm, het grootsch denkbeeld van het Eeuwig Wederkeeren aan de hoogere menschen:

Eins!O Mensch! GiebAcht!Zwei!Was spricht die tiefe Mitternacht!Drei!„Ich schlief, ich schlief,—Vier!„Aus tiefem Traum bin ich erwacht:—Fünf!„Die Welt ist tief,Sechs!„Und tiefer als der Tag gedacht.Sieben!„Tief ist ihr Weh—,Acht!„Lust—tiefer noch als Herzeleid:Neun!„Weh spricht: Vergeh!Zehn!„Doch alle Lust will Ewigkeit—Elf!„—Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”Zwölf!21

Eins!

O Mensch! GiebAcht!

Zwei!

Was spricht die tiefe Mitternacht!

Drei!

„Ich schlief, ich schlief,—

Vier!

„Aus tiefem Traum bin ich erwacht:—

Fünf!

„Die Welt ist tief,

Sechs!

„Und tiefer als der Tag gedacht.

Sieben!

„Tief ist ihr Weh—,

Acht!

„Lust—tiefer noch als Herzeleid:

Neun!

„Weh spricht: Vergeh!

Zehn!

„Doch alle Lust will Ewigkeit—

Elf!

„—Will tiefe, tiefe Ewigkeit!”

Zwölf!21

1D. VIII, 155.↑2D. VI, 13.↑3D. VI, 421.↑4D. V, 231.↑5D. VI, 67.↑6D. VI, 312.↑7D. VI, 351.↑8D. VI, 384.↑9D. VI, 382; D. V, 260.↑10D. VI, 167.↑11D. V, 204.↑12D. VI, 65.↑13D. VI, 64.↑14D. V, 245.↑15D. VI, 35.↑16D. VI, 428, 430.↑17D. VII, 80.↑18D. V, 265.↑19Mevr. Lou Andreas-Salomé, F. Nietzsche in seinen Werken, p. 224.↑20D. VI, 461.↑21D. VI, 332, 471.↑

1D. VIII, 155.↑2D. VI, 13.↑3D. VI, 421.↑4D. V, 231.↑5D. VI, 67.↑6D. VI, 312.↑7D. VI, 351.↑8D. VI, 384.↑9D. VI, 382; D. V, 260.↑10D. VI, 167.↑11D. V, 204.↑12D. VI, 65.↑13D. VI, 64.↑14D. V, 245.↑15D. VI, 35.↑16D. VI, 428, 430.↑17D. VII, 80.↑18D. V, 265.↑19Mevr. Lou Andreas-Salomé, F. Nietzsche in seinen Werken, p. 224.↑20D. VI, 461.↑21D. VI, 332, 471.↑

1D. VIII, 155.↑

2D. VI, 13.↑

3D. VI, 421.↑

4D. V, 231.↑

5D. VI, 67.↑

6D. VI, 312.↑

7D. VI, 351.↑

8D. VI, 384.↑

9D. VI, 382; D. V, 260.↑

10D. VI, 167.↑

11D. V, 204.↑

12D. VI, 65.↑

13D. VI, 64.↑

14D. V, 245.↑

15D. VI, 35.↑

16D. VI, 428, 430.↑

17D. VII, 80.↑

18D. V, 265.↑

19Mevr. Lou Andreas-Salomé, F. Nietzsche in seinen Werken, p. 224.↑

20D. VI, 461.↑

21D. VI, 332, 471.↑


Back to IndexNext