III.

III.Wil men Nietzsche’s aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen, dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden, kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener socratische beschaving leeft.Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem „ruw en zinneloos” voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niettoegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat „verkeerd” is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. „Ik veronderstel,” zoo schreef hij, „eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uitéénstuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van „vernietigers” zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren.”14Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is „de mensch naar Schopenhauers begrip,” de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven.15Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: „Hetpessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen.”16Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar hetNirvànamoet verlangen, maar vindt hij alles „goed” wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer’s idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, „dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander.”17De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. „Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: „Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijnswezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn.”18Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. „Zoo is het mogelijk,” zegt Nietzsche, „om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus—dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!”19Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. „De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving,” zegt hij, „en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen.”20Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXdeeeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria’s van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijkervijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: „Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee—derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend.”21Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden door de „waardigheid van den arbeid” op te hemelen; hij zou den bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatievan den tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond „socratisch”; hij, die de „moderne begrippen” deelt, is van zelf een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische neigingen en „tragische” overtuigingen volkomen oneens met zijn tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet: „God met ons!” de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij „barbaren” waren en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken, het ongeluk der overwinnaars konden worden „en den Duitschen geest konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk.”En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding; toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder de wallen van Metz, bleef hetleven der Grieken zijne hoofdgedachte; en eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet weten te verheffen: „Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn, denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden, omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan, nu de heerschende in hare omgeving is!”22Nietzsche zag duidelijk in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss), zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals b.v. Richard Wagner’s grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was de oorsprong van zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen.”23De eerste dier „Unzeitgemässen” is tegen den beroemden criticus David Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn oordeel over godsdienst en beschaving geeft: „Der Alte und der Neue Glaube” en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister—niet den Philister, die zich schaamt het te zijn of den goedigen,gemüthlichenPhilister, maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den „Bildungsphilister”, zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar, militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen, dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de „noodzakelijkheid,m.a.w.oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is”—wat dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en „zichzelf” te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal weer onderschrijft, n.l.: „Vergeetnooit, dat alle anderen ook menschen zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij.” En wat Nietzsche bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der „Philister” ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles „ongezond” wat buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen, die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is, is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent; hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid, de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.In het tweede deel der „Unzeitgemäszen” valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De „monumentale” geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De „traditioneele” geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaadvoor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De „critische” geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: „Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus „objectief”, die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en „subjectief” noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus „onpartijdig” blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; „slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter enverhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de „zieners” van het tegenwoordige behoort.”24Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de „universeele evolutie” het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden—om kort te gaan, naarmate hijzichzelfis geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: „Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de „universeele evolutie” of van de „geschiedenis der menschheid” zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa’s rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheidligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”25

III.Wil men Nietzsche’s aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen, dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden, kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener socratische beschaving leeft.Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem „ruw en zinneloos” voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niettoegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat „verkeerd” is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. „Ik veronderstel,” zoo schreef hij, „eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uitéénstuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van „vernietigers” zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren.”14Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is „de mensch naar Schopenhauers begrip,” de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven.15Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: „Hetpessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen.”16Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar hetNirvànamoet verlangen, maar vindt hij alles „goed” wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer’s idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, „dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander.”17De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. „Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: „Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijnswezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn.”18Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. „Zoo is het mogelijk,” zegt Nietzsche, „om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus—dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!”19Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. „De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving,” zegt hij, „en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen.”20Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXdeeeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria’s van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijkervijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: „Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee—derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend.”21Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden door de „waardigheid van den arbeid” op te hemelen; hij zou den bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatievan den tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond „socratisch”; hij, die de „moderne begrippen” deelt, is van zelf een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische neigingen en „tragische” overtuigingen volkomen oneens met zijn tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet: „God met ons!” de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij „barbaren” waren en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken, het ongeluk der overwinnaars konden worden „en den Duitschen geest konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk.”En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding; toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder de wallen van Metz, bleef hetleven der Grieken zijne hoofdgedachte; en eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet weten te verheffen: „Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn, denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden, omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan, nu de heerschende in hare omgeving is!”22Nietzsche zag duidelijk in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss), zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals b.v. Richard Wagner’s grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was de oorsprong van zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen.”23De eerste dier „Unzeitgemässen” is tegen den beroemden criticus David Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn oordeel over godsdienst en beschaving geeft: „Der Alte und der Neue Glaube” en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister—niet den Philister, die zich schaamt het te zijn of den goedigen,gemüthlichenPhilister, maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den „Bildungsphilister”, zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar, militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen, dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de „noodzakelijkheid,m.a.w.oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is”—wat dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en „zichzelf” te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal weer onderschrijft, n.l.: „Vergeetnooit, dat alle anderen ook menschen zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij.” En wat Nietzsche bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der „Philister” ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles „ongezond” wat buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen, die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is, is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent; hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid, de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.In het tweede deel der „Unzeitgemäszen” valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De „monumentale” geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De „traditioneele” geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaadvoor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De „critische” geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: „Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus „objectief”, die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en „subjectief” noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus „onpartijdig” blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; „slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter enverhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de „zieners” van het tegenwoordige behoort.”24Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de „universeele evolutie” het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden—om kort te gaan, naarmate hijzichzelfis geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: „Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de „universeele evolutie” of van de „geschiedenis der menschheid” zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa’s rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheidligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”25

III.Wil men Nietzsche’s aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen, dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden, kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener socratische beschaving leeft.Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem „ruw en zinneloos” voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niettoegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat „verkeerd” is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. „Ik veronderstel,” zoo schreef hij, „eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uitéénstuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van „vernietigers” zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren.”14Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is „de mensch naar Schopenhauers begrip,” de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven.15Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: „Hetpessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen.”16Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar hetNirvànamoet verlangen, maar vindt hij alles „goed” wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer’s idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, „dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander.”17De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. „Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: „Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijnswezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn.”18Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. „Zoo is het mogelijk,” zegt Nietzsche, „om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus—dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!”19Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. „De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving,” zegt hij, „en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen.”20Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXdeeeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria’s van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijkervijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: „Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee—derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend.”21Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden door de „waardigheid van den arbeid” op te hemelen; hij zou den bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatievan den tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond „socratisch”; hij, die de „moderne begrippen” deelt, is van zelf een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische neigingen en „tragische” overtuigingen volkomen oneens met zijn tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet: „God met ons!” de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij „barbaren” waren en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken, het ongeluk der overwinnaars konden worden „en den Duitschen geest konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk.”En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding; toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder de wallen van Metz, bleef hetleven der Grieken zijne hoofdgedachte; en eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet weten te verheffen: „Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn, denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden, omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan, nu de heerschende in hare omgeving is!”22Nietzsche zag duidelijk in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss), zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals b.v. Richard Wagner’s grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was de oorsprong van zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen.”23De eerste dier „Unzeitgemässen” is tegen den beroemden criticus David Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn oordeel over godsdienst en beschaving geeft: „Der Alte und der Neue Glaube” en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister—niet den Philister, die zich schaamt het te zijn of den goedigen,gemüthlichenPhilister, maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den „Bildungsphilister”, zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar, militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen, dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de „noodzakelijkheid,m.a.w.oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is”—wat dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en „zichzelf” te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal weer onderschrijft, n.l.: „Vergeetnooit, dat alle anderen ook menschen zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij.” En wat Nietzsche bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der „Philister” ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles „ongezond” wat buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen, die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is, is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent; hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid, de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.In het tweede deel der „Unzeitgemäszen” valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De „monumentale” geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De „traditioneele” geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaadvoor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De „critische” geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: „Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus „objectief”, die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en „subjectief” noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus „onpartijdig” blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; „slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter enverhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de „zieners” van het tegenwoordige behoort.”24Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de „universeele evolutie” het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden—om kort te gaan, naarmate hijzichzelfis geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: „Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de „universeele evolutie” of van de „geschiedenis der menschheid” zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa’s rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheidligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”25

III.Wil men Nietzsche’s aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen, dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden, kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener socratische beschaving leeft.Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem „ruw en zinneloos” voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niettoegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat „verkeerd” is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. „Ik veronderstel,” zoo schreef hij, „eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uitéénstuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van „vernietigers” zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren.”14Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is „de mensch naar Schopenhauers begrip,” de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven.15Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: „Hetpessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen.”16Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar hetNirvànamoet verlangen, maar vindt hij alles „goed” wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer’s idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, „dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander.”17De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. „Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: „Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijnswezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn.”18Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. „Zoo is het mogelijk,” zegt Nietzsche, „om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus—dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!”19Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. „De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving,” zegt hij, „en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen.”20Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXdeeeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria’s van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijkervijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: „Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee—derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend.”21Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden door de „waardigheid van den arbeid” op te hemelen; hij zou den bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatievan den tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond „socratisch”; hij, die de „moderne begrippen” deelt, is van zelf een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische neigingen en „tragische” overtuigingen volkomen oneens met zijn tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet: „God met ons!” de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij „barbaren” waren en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken, het ongeluk der overwinnaars konden worden „en den Duitschen geest konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk.”En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding; toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder de wallen van Metz, bleef hetleven der Grieken zijne hoofdgedachte; en eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet weten te verheffen: „Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn, denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden, omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan, nu de heerschende in hare omgeving is!”22Nietzsche zag duidelijk in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss), zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals b.v. Richard Wagner’s grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was de oorsprong van zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen.”23De eerste dier „Unzeitgemässen” is tegen den beroemden criticus David Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn oordeel over godsdienst en beschaving geeft: „Der Alte und der Neue Glaube” en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister—niet den Philister, die zich schaamt het te zijn of den goedigen,gemüthlichenPhilister, maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den „Bildungsphilister”, zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar, militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen, dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de „noodzakelijkheid,m.a.w.oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is”—wat dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en „zichzelf” te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal weer onderschrijft, n.l.: „Vergeetnooit, dat alle anderen ook menschen zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij.” En wat Nietzsche bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der „Philister” ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles „ongezond” wat buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen, die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is, is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent; hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid, de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.In het tweede deel der „Unzeitgemäszen” valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De „monumentale” geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De „traditioneele” geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaadvoor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De „critische” geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: „Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus „objectief”, die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en „subjectief” noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus „onpartijdig” blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; „slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter enverhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de „zieners” van het tegenwoordige behoort.”24Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de „universeele evolutie” het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden—om kort te gaan, naarmate hijzichzelfis geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: „Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de „universeele evolutie” of van de „geschiedenis der menschheid” zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa’s rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheidligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”25

III.

Wil men Nietzsche’s aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen, dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden, kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener socratische beschaving leeft.Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem „ruw en zinneloos” voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niettoegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat „verkeerd” is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. „Ik veronderstel,” zoo schreef hij, „eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uitéénstuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van „vernietigers” zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren.”14Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is „de mensch naar Schopenhauers begrip,” de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven.15Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: „Hetpessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen.”16Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar hetNirvànamoet verlangen, maar vindt hij alles „goed” wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer’s idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, „dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander.”17De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. „Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: „Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijnswezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn.”18Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. „Zoo is het mogelijk,” zegt Nietzsche, „om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus—dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!”19Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. „De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving,” zegt hij, „en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen.”20Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXdeeeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria’s van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijkervijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: „Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee—derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend.”21Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden door de „waardigheid van den arbeid” op te hemelen; hij zou den bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatievan den tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond „socratisch”; hij, die de „moderne begrippen” deelt, is van zelf een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische neigingen en „tragische” overtuigingen volkomen oneens met zijn tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet: „God met ons!” de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij „barbaren” waren en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken, het ongeluk der overwinnaars konden worden „en den Duitschen geest konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk.”En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding; toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder de wallen van Metz, bleef hetleven der Grieken zijne hoofdgedachte; en eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet weten te verheffen: „Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn, denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden, omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan, nu de heerschende in hare omgeving is!”22Nietzsche zag duidelijk in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss), zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals b.v. Richard Wagner’s grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was de oorsprong van zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen.”23De eerste dier „Unzeitgemässen” is tegen den beroemden criticus David Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn oordeel over godsdienst en beschaving geeft: „Der Alte und der Neue Glaube” en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister—niet den Philister, die zich schaamt het te zijn of den goedigen,gemüthlichenPhilister, maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den „Bildungsphilister”, zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar, militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen, dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de „noodzakelijkheid,m.a.w.oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is”—wat dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en „zichzelf” te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal weer onderschrijft, n.l.: „Vergeetnooit, dat alle anderen ook menschen zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij.” En wat Nietzsche bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der „Philister” ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles „ongezond” wat buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen, die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is, is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent; hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid, de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.In het tweede deel der „Unzeitgemäszen” valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De „monumentale” geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De „traditioneele” geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaadvoor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De „critische” geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: „Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus „objectief”, die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en „subjectief” noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus „onpartijdig” blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; „slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter enverhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de „zieners” van het tegenwoordige behoort.”24Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de „universeele evolutie” het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden—om kort te gaan, naarmate hijzichzelfis geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: „Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de „universeele evolutie” of van de „geschiedenis der menschheid” zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa’s rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheidligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”25

Wil men Nietzsche’s aangenomen standpunt gedurende den eersten tijd van zijn denkersleven tegenover de hedendaagsche beschaving bepalen, dan zou men hem volgens de gegevens ons hierboven duidelijk geworden, kunnen beschouwen als den tragischen philosoof, die te midden eener socratische beschaving leeft.

Nietzsche vat het menschelijk bestaan op als een heldhaftigen strijd tegen alle dwaling en illusie. Hij aanschouwt de wereld met den blik van den pessimist: de natuur is in zijne oogen een te duchten en dikwijls kwaadwillige kracht en de geschiedenis komt hem „ruw en zinneloos” voor. Hij weerstaat met de grootste wilskracht de verleiding van het alledaagsch optimisme, wil niettoegeven aan de illusie, waardoor de mensch zichzelf tracht wijs te maken dat alles even goed en schoon is in de wereld en gelooft evenmin dat het leven ons ooit een enkel oogenblik van ware vreugde kan schenken; hij laat zich niet misleiden door den gelukschijn, die den gewonen mensch bedriegt. Volgens hem is dus het doel van den hoogstaanden mensch, zonder genade alles te bestrijden wat „verkeerd” is, alle dwaling te verdrijven, alle valsche of overschatte waarde aan te toonen en onmeedoogend te zijn voor alle zwakheden, laagheden en leugens der beschaving. „Ik veronderstel,” zoo schreef hij, „eene vereeniging van menschen, die alle even besloten en uitéénstuk zouden zijn, die geen omzichtigheid zouden kennen en den naam van „vernietigers” zouden aannemen; die menschen zouden alles aan hun oordeel onderwerpen en zich opofferen voor de waarheid. Al wat slecht en onwaar is, moet aan het licht komen. Wij willen niet voor den tijd samenstellen want wij weten niet of wij ooit zullen kunnen opbouwen en of het zelfs niet beter ware nooit op te bouwen. Er zijn luie pessimisten, die zich schikken in het leven, maar tot die categorie zullen wij nooit behooren.”14Het ideaal, dat hij ons ter bewondering en ten voorbeeld geeft, is „de mensch naar Schopenhauers begrip,” de mensch, die weet, dat het ware geluk onmogelijk is, die het materialistisch en grof welzijn, dat de algemeene menschheid behaagt, verfoeit en veracht en die alles vernietigt wat vernietigd moet worden zonder zich aan eigen leed of aan dat van anderen, zij het ook door hemzelve berokkend, te storen; de mensch, die op zijn droeven gang gesteund wordt door zijnen onomstootelijken wil om tot elken prijs waar en oprecht te blijven.15Maar in plaats van evenals Schopenhauer daaruit tot de ontkenning van het willen leven te besluiten, bewondert en eerbiedigt Nietzsche met den Dionysischen Griek dien Wil, die eeuwig het leven verlangt en het steeds weet te rechtvaardigen. Hij is weliswaar een pessimist, maar zijn pessimisme brengt hem niet tot de overtuiging dat gelatenheid noodzakelijk is, wel daarentegen heldenmoed, en het ascetisme beschouwt hij niet als een ideaal, maar als een teeken van vermoeidheid en ontaarding. Van dien tijd af zegt hij: „Hetpessimisme is praktisch onmogelijk en kan niet logisch zijn. Het nietzijn kan het doel niet wezen.”16Dientengevolge predikte hij niet zooals de pessimist, dat de mensch zich los moet maken van het leven en alleen naar hetNirvànamoet verlangen, maar vindt hij alles „goed” wat in den mensch den wil tot leven helpt versterken en een doel of een belang te meer geeft aan het bestaan, kortom alles, wat het leven meer waarde geeft. Evenals de Grieken uit den tragischen tijd was Nietzsche in den grond individualist en aristocraat: hij bewonderde de Helleensche beschaving vooral, omdat zij zoovele superieure menschen heeft voortgebracht, want daarin was immers voor hem het eigenlijk doel van het leven gelegen. De tragische held, de mensch naar Schopenhauer’s idee, is niet alleen de hoogste en schoonste vorm van het bestaan, neen, hij is tevens het doel van dat bestaan. Evenals Flaubert of Renan beweert Nietzsche dat een volk slechts als hulpmiddel dient aan de natuur om een dozijn groote mannen voort te brengen en stelt hij als beginsel vast, „dat de menschheid verplicht is hare krachten steeds te wijden aan het scheppen van geniale individuën; dat is haar doel en geen ander.”17De opvoeding der jeugd zal dus moeten strekken tot het aankweeken van het genie en men zal haar slechts op één enkel doel moeten wijzen: dat is het ontstaan en de ontwikkeling van den wijsgeer, den kunstenaar en den heilige te bevorderen en zoodoende mee te werken aan de hoogste volmaking der natuur. „Men moet den jongeling leeren zichzelf als een gebrekkig voortbrengsel der natuur te beschouwen, maar tevens achting te gevoelen voor het kunstgenie en het schoone doel van die onvermoeidbare arbeidster en haar met al zijne macht te helpen een volgend maal haar doel nader te komen. Hij zal dan begrijpen, dat de kennis van zijne eigen persoonlijkheid met de daaruitvolgende onvoldaanheid de basis vormt van alle cultuur, en hij zal zeggen: „Boven mij zie ik iets verheveners, iets menschelijkers dan ik zelve ben; helpt mij allen dit ideaal bereiken zooals ik hèm zal helpen, die denkt en lijdt evenals ik, opdat éénmaal de mensch geboren worde, die volkomen en oneindig zal zijn in kennis en liefde door bespiegeling en scheppingsmacht; de mensch, die in de volheid zijnswezens leeft te midden der natuur en die de rechter en de maatstaf aller dingen zal zijn.”18Niet langer mag aan het toeval de zorg worden overgelaten om uit de middelmatige menigte het geniaal individu te verwekken; de menschheid moet daarentegen in hare volle zelfbewustheid door keuze en juiste opvoeding een heldengeslacht kweeken. „Zoo is het mogelijk,” zegt Nietzsche, „om door eene gelukkige vinding geheel andere en veel machtiger typen van groote mannen te verwekken dan dìe, welke tot nog toe door toevallige omstandigheden ontstonden. De redelijke aankweeking van den hoogstaanden mensch dus—dat is het veelbelovend wereldvooruitzicht!”19

Nietzsche houdt stand tegenover alle gevolgtrekkingen uit zijne leer, zelfs tegenover de hardste en wreedste. Hij weet dat het voortbrengen van éen aristocraat een geheel leger van slaven meesleept en zonder eenige aarzeling beaamt hij dat. „De slavernij behoort onvermijdelijk tot alle hooge beschaving,” zegt hij, „en dat is zeer zeker eene waarheid, die alle verdere illusie omtrent de absolute waarde van het leven uitsluit; het is als de gier, die aan den lever van den hedendaagschen Prometheus, den kampioen der beschaving knaagt. De middelmatige, gewoon voortgroeiende menschheid zal nog veel meer moeten lijden om het enkelen olympischen genieën mogelijk te maken groote kunstwerken voort te brengen.”20Zoo kan dus de cultuurvooruitgang niet in het minst het lot van den minderen man verzachten. De werklieden, die tot de XIXdeeeuw behooren, zijn niet gelukkiger dan de slaven uit den tijd van Pericles en wanneer op onze wetenschappelijke en optimistische beschaving een tijd van tragische cultuur volgde zooals Nietzsche die eigenlijk verlangt, zou het lot der werklieden en der misdeelden er niets beter om worden. In plaats van uitgezogen te worden door eene categorie van kapitalisten, die geen grootheid of zielenadel kennen, zouden zij een roemrijk keur van genieën doen leven, maar zij zouden er niettemin slaven om blijven. De tragische mensch heeft dus niet alleen de wraak en den haat der onderdrukten, der paria’s van de beschaving te duchten, maar hij moet een veel gevaarlijkervijand overwinnen, hij moet zich losmaken van het medelijden, dat zijn eigen hart verscheurt en dat hem wanneer hij daaraan gehoor gaf, aan het stoffelijk welzijn der menschheid zijne cultuur zou doen opofferen. Hij stuit dus tegen de onverbiddelijke wet, die het heelal beheerscht en hem, die leven wil, of beter nog, gedoemd is tot leven in deze wereld vol lijden en dood, er toe dwingt in zich die innige en smartelijke tegenstrijdige waarheid te gevoelen, die het eigenlijk wezen van alle leven en alle wording is: „Elk oogenblik verslindt het voorgaande; elke geboorte sleept den dood van eene ontelbare hoeveelheid wezens mee—derhalve zijn voortbrengen, leven en vermoorden slechts één. Men zou dus de cultuur, die zegeviert, kunnen vergelijken bij den overwinnaar, die terugkeert van zijne zegetochten, druipend van bloed en eene bende overwonnenen en slaven achter aan zijne zegekar meeslepend.”21

Wij moeten dus, zoo besluit Nietzsche, indien wij oprecht jegens onszelven willen zijn, op dat punt afstand doen van alle optimistische illusie. De hedendaagsche Europeaan, die zich in zijn naief rationalisme verbeeldt, dat de wetenschap tot geluk leidt en die het geluk van alle menschen beschouwt als het doeleinde van alle beschaving, tracht de ellende van het groote slavenvolk, die ontegenzeggelijk de voorwaarde der hedendaagsche maatschappij is, te ontkennen; hij zou de slachtoffers van den arbeid willen misleiden door de „waardigheid van den arbeid” op te hemelen; hij zou den bankroet der wetenschap willen verbergen door te verkondigen dat het edeler is zijn brood in het zweet zijns aanschijns te verdienen dan in werkeloosheid voort te leven. Welk een treurig sophisme, waaraan trouwens niemand tegenwoordig meer gelooft, noch de proletariër, die socialist werd, noch de rijke, die de overtuiging van zijn recht op genot verloren heeft. Men moet dus wel onvoorwaardelijk toegeven dat slavernij de beschamende en treurige keerzijde van alle beschaving is; men kan haar alleen verzachten en minder smartelijk maken en den slaaf daardoor zijn lot gemakkelijker doen dragen, en op dat punt won de tijd der middeleeuwen het met zijne féodale organisatievan den tegenwoordige. Toch, zoolang de maatschappij zal bestaan, zullen er machtigen en bevoorrechten zijn, die hunne grootheid op de ellende der verdrukte menigte bouwen en daarvan te haren koste gebruik maken.

Nietzsche kwam door zijne gevoelens, zijne theorieën en zijne verwachtingen dus in vollen opstand tegen de heerschende strekking van zijn tijd. De hedendaagsche beschaving is in den grond „socratisch”; hij, die de „moderne begrippen” deelt, is van zelf een beslist rationalist; hij gelooft in de wetenschap en aan haar beschavenden invloed, is overtuigd, dat zij den mensch tot het geluk moet voeren en beschouwt het algemeen geluk te midden eener goed georganiseerde maatschappij als het ideaal, dat de menschheid voor oogen staat. Nietzsche echter was het door zijne aristocratische neigingen en „tragische” overtuigingen volkomen oneens met zijn tijdgenooten en bovenal met de Duitsche. Bij de wording van het Duitsche keizerrijk, toen de Duitsche legerscharen onder den kreet: „God met ons!” de overwinning hadden behaald, schreeuwde hij zijn diepen afkeer van het Christendom uit. Toen geheel Duitschland met Hegel meende, dat de Staat alleen reden van bestaan aan het individu gaf, verheerlijkte hij juist het individu en geloofde hij niet, dat de Staat ten opzichte der beschaving eene groote rol speelde. Toen een ieder beweerde, dat de overwinningen van Sadowa en Sedan te danken waren aan de Duitsche schoolmeesters en dat de Duitsche beschaving de Fransche had overwonnen, zeide hij, dat er geen Duitsche beschaving bestond en dat de Franschen daarentegen werkelijk eene nationale beschaving bezaten; dat de Duitschers, terwijl zij „barbaren” waren en bleven, het recht niet hadden in eigen beschaving te gelooven, en dat de overwinningen van 1870 door hen in hunnen waan te versterken, het ongeluk der overwinnaars konden worden „en den Duitschen geest konden doen opofferen aan het Duitsche keizerrijk.”

En toen het Germaansche chauvinisme zijn toppunt had bereikt, bleef hij in den grond onverschillig voor alle vaderlandslievende opwinding; toen de slag van Wörth gansch Europa deed dreunen, peinsde hij in een stil Alpendal over den Griekschen geest, en eenigen tijd later, onder de wallen van Metz, bleef hetleven der Grieken zijne hoofdgedachte; en eindelijk, toen de vrede gesloten was, uitte hij zijne overtuiging, dat de eeuw der nationaliteiten ten einde liep, dat wij aan den vooravond van eene Europeesche beschavingsperiode stonden en dat een vrije geest zich boven de toevallige antipathieën, die de volken verdeelden, moet weten te verheffen: „Het is zoo klein-steedsch zich aan te sluiten bij zienswijzen, die eenige duizenden mijlen verder reeds niet meer bestaan. Het Oosten en het Westen zijn krijtstrepen, die getrokken zijn om ons schrik aan te jagen. Ik wil trachten vrij te zijn, denkt eene jeugdige ziel, en zij zou zich moeten laten weerhouden, omdat twee volken elkander toevallig haten en er oorlog tusschen hen wordt gevoerd, omdat eene oceaan twee werelddeelen scheidt, of omdat een nieuwe godsdienst, die tweeduizend jaren lang niet heeft bestaan, nu de heerschende in hare omgeving is!”22Nietzsche zag duidelijk in hoe zijne gevoelens en denkwijze de vooroordeelen van zijn tijd voor het hoofd stootten; hij gevoelde zich inactueel (unzeitgemäss), zooals hij het zelf uitdrukte; het was hem niet mogelijk iets te gevoelen voor wat zijne tijdgenooten opwond, en daarentegen stelden zij niet het minste belang in de vele grootsche ondernemingen, die in zijne oogen de Europeesche beschaving moesten bevorderen, zooals b.v. Richard Wagner’s grootsche idee om te Bayreuth een modeltheater te scheppen. Vandaar ook, dat hij in het voorjaar van 1873, toen hij met Wagner en diens vrienden vreesde, dat het groote Bayreuthsche werk zou vallen door de apathie van het publiek, de onbedwingbare behoefte gevoelde om openlijk met zijne tijdgenooten te breken en hun ronduit zijn weerzin en verachting te kennen te geven. Dat was de oorsprong van zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen.”23

De eerste dier „Unzeitgemässen” is tegen den beroemden criticus David Strausz gericht en tevens tegen het boek, waarin die schrijver zijn oordeel over godsdienst en beschaving geeft: „Der Alte und der Neue Glaube” en voornamelijk tegen het tweede deel van dat werk, waarin Strausz naar zijne opvatting het ideaal van de toekomstmaatschappij beschrijft. Maar eigenlijk valt Nietzsche minder Strausz zelf en zijn boek aan dan zijne vele bewonderaars, die in de geloofsbelijdenis van den verouderden grooten man het doel van den vooruitstrevenden geest zagen. En vooral bestrijdt hij den Philister—niet den Philister, die zich schaamt het te zijn of den goedigen,gemüthlichenPhilister, maar wel hem, die in zelfvoldoening op beschaving pocht, den „Bildungsphilister”, zooals hij hem noemt, en wiens best geslaagd type Strausz voor hem vertegenwoordigt. Die soort Philister beoefent op eerbare wijze een of ander nuttig beroep, hetzij dat van ambtenaar, militair of koopman, maar toch vindt hij het noodig in alle groote vragen van den tijd belang te stellen, op de hoogte te blijven van de laatste vorderingen der wetenschap, de geschiedenis van het verleden te leeren kennen, zich op te winden voor de herleving van het Duitsch keizerrijk en stichting te zoeken in het lezen der beste Duitsche schrijvers en het hooren der beste Duitsche muziek. Strausz gelooft niet aan het paradijs der Christenen en evenmin aan het bestaan van God, maar geen nood: ondanks zijn atheïsme is hij een uitstekend mensch. Hij wacht er zich wel voor aan zijne leerlingen te verkondigen, dat de wereld een onverbiddelijk mechanisme is en dat des menschen doel alleen daarin bestaat zich niet door de raderen der machine te laten grijpen; maar daarentegen leert hij, dat de „noodzakelijkheid,m.a.w.oorzaak en gevolg in het heelal de eigenlijke Rede is”—wat dus neerkomt op vergoding der werkelijkheid en bewondering van het succes. Zoo ook geeft hij zedelijk geen enkel nieuw gevaarlijk standpunt aan; hij zou b.v. den individu niet ronduit durven aanraden al zijne vermogens zoo vrij mogelijk te ontwikkelen en „zichzelf” te zijn zonder eenig voorbehoud of berouw, maar na de natuurlijke ongelijkheid der menschen te hebben aangetoond, laat hij er dadelijk een gezegde op volgen, dat alle voorschriften der traditioneele moraal weer onderschrijft, n.l.: „Vergeetnooit, dat alle anderen ook menschen zijn en bijgevolg, ondanks de individueele verscheidenheid, zijn zij gelijk aan u en stellen zij dezelfde eischen als gij.” En wat Nietzsche bovenal ergert, is dat Strausz deelt in het wantrouwen der „Philister” ten opzichte van geniale naturen; hij noemt alles „ongezond” wat buiten de bescheiden sfeer van zijn begrip ligt; zoo kan volgens hem de IXe symphonie van Beethoven alleen in den smaak vallen van hen, die het zonderlinge voor mooi en het wanstaltige voor verheven houden en hij meent Schopenhauer, dien hij verfoeit, te kunnen weerleggen met de volgende aardige woordenscherts: Zoo de wereld slecht is, is de gedachte, die dat denkt, ook slecht; de pessimist is dus een slecht denker, waaruit volgt, dat de wereld goed is!

Voor Nietzsche is Strausz dus het type van de verwaande middelmatigheid, die zichzelf een hooger recht op het bestaan toekent; hij is een vreesachtig denker, die altijd halverwege staan blijft en zijne gedachten niet durft uitdenken; hij is de optimist, die lafhartig de oogen sluit voor het noodzakelijk lijden der menschheid, de Philister, die verkondigt, dat het de plicht van allen is als Philister te leven en die, in plaats van de ontwikkeling der geniale individuen te bevorderen, hun het recht tot bestaan ontzegt, zoodra zij zich boven de algemeene middelmatigheid verheffen.

In het tweede deel der „Unzeitgemäszen” valt Nietzsche niet één enkel mensch of eene klasse menschen aan, maar hij verzet zich daarin tegen eene volgens hem gevaarlijke dwaling in de moderne beschaving, tegen het misbruik der historische studie. De geschiedenis is een weldoende factor in alle beschaving zoolang zij ten dienste van het leven strekt en leert of helpt beter leven. De „monumentale” geschiedenis plaatst den werkzamen mensch voor de onsterfelijke werken van het verleden en spoort zijne scheppende werkkracht aan door in hem het verlangen op te wekken de groote mannen van het verleden waardig te worden, de overlevering hunner glorie voort te zetten en niet slechts voor het alledaagsch en middelmatig genot van het tegenwoordige te leven, maar het ideaal der menschheid steeds verder en hooger te voeren. De „traditioneele” geschiedenis, die achting en liefde voor het doode, verre leven inboezemt, is een onwaardeerbare weldaadvoor alle menschen en volken, die door de omstandigheden tot de weinig begunstigden behooren of aan een onbarmhartig bestaan onderworpen zijn, want voor hen verfraait zij het tegenwoordige door op het verleden te wijzen en over hun bescheiden of moeilijk, hun donker of gevaarlijk bestaan verspreidt zij een zacht troostend licht van poëzie. De „critische” geschiedenis, die het verleden voor de rechtbank der rede roept, het nauwkeurig onderzoekt en het ten slotte veroordeelt, omdat al wat is, waard is te verdwijnen en dientengevolge te veroordeelen is, die soort geschiedenis is een sterk wapen voor hen, die door den zwaren last van het verleden verdrukt worden en zich daarvan moeten bevrijden, willen zij voortleven. De geschiedenis wordt echter eene misdadige en te duchten macht, zoodra zij zich voordoet als eene wetenschap, die onafhankelijk van het leven is, die zich vermeet in zichzelve eene absolute waarde te zien en tot leus aanneemt: fiat veritas, pereat vita. Dan wordt zij een stervensbeginsel in plaats van een levensbeginsel; dan vult zij den mensch met eene hoeveelheid onvruchtbare kennis, die hem tot een encyclopedisch woordenboek maakt in plaats van hem tot het daadwerkelijke te voeren en daarenboven houdt zij de ontwikkeling zijner persoonlijkheid tegen, want zij verwekt in hem het neerdrukkend gevoel, dat hij een epigoon, een nakomer is, die de geschiedenis wel leeren kan, maar die zelf geen geschiedenis kan maken. Toch, zoo zeggen de voorstanders der historische cultuur, heeft de geschiedenis, zij haar ook alle andere waarde ontzegd, deze verdienste, dat zij ons menschen en zaken met objectieve billijkheid leert beoordeelen. Maar Nietzsche antwoordt: „Dat is niet zoo. In werkelijkheid noemt men dien historicus „objectief”, die het verleden waardeert naarmate de vooroordeelen van zijn tijd het hem doen begrijpen en „subjectief” noemt men hem, die van de heerschende denkbeelden afwijkt; zoo ook heeft het geen nut, dat de historicus „onpartijdig” blijft of wel als belangeloos toeschouwer voor het probleem staat, dat hij bestudeert, maar integendeel: hij alleen is waard de geschiedenis te schrijven, die het best meewerkt aan den opbouw van het tegenwoordige; „slechts de mensch van ervaring, de hoogstaande mensch kan geschiedenis schrijven. Hij, die in zijn bestaan geen momenten telt, waarin hij grooter enverhevener is geweest dan alle anderen, zal nooit de grootheid en de verhevenheid van het verleden begrijpen. De geest der vervlogen eeuwen blijft steeds een orakelspreuk en gij zult die nooit leeren kennen, zoo gij niet tot de bouwmeesters van de toekomst, tot de „zieners” van het tegenwoordige behoort.”24

Dit overdreven opvoeren van de beteekenis der geschiedenis sleept daarenboven nog een noodlottig gevolg mee: het begunstigt den ergerlijksten vorm van het optimisme, den eerbied voor de ruwe daad, de bewondering van het succes. De historicus meent in de „universeele evolutie” het spoor van een of andere hoogere rede te vinden en zoekt tot hoofdbrekens toe, hoe die evolutie ontstaan is en waarheen zij leiden moet. Maar de mensch is alleen groot geweest naarmate hij de noodzakelijkheid heeft weten te weerstaan en tegen het blind en dom toeval heeft gestreden—om kort te gaan, naarmate hijzichzelfis geweest en zoo is dan ook de ware geschiedenis niet de geschiedenis der menigten, maar die der geniale individuen: „Er zal een tijd komen, zoo besluit Nietzsche, dat men wijselijk niet langer een plan van de „universeele evolutie” of van de „geschiedenis der menschheid” zal schetsen; een dag waarop men niet meer uit een algemeen gezichtspunt met de massa’s rekening zal houden, maar daarentegen met de alleenstaande individuen, wier serie als het ware een brug vormt over de woeste wateren der wording. Zij volgen elkander niet op volgens eene wet van historischen voortgang, maar zij leven buiten den tijd en zijn tijdgenooten dank zij de geschiedenis, die dat samenbestaan mogelijk maakt; zij leven zooals die republiek van genieën, eenmaal door Schopenhauer beschreven: de eene reus roept den anderen aan door de verlaten tusschenruimten der eeuwen heen en boven de hoofden der woelige en luidruchtige dwergen, die overal om hen heen dwarrelen, vervolgen die hoogverheven geesten hun edel onderhoud. Het doel der geschiedenis is tot verbindingsteeken tusschen hen te dienen en zoodoende steeds opnieuw de geboorte van het genie voor te bereiden en te bewerken. Neen! het doel der menschheidligt niet in het eindpunt van haren loop—het ligt in de meest volmaakte exemplaren, die zij heeft voortgebracht.”25


Back to IndexNext