IV.

IV.Nietzsche stelt zich echter in zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen” niet tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest; hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken „Die Welt als Wille und Vorstellung” kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk leerde kennen.26Later zeide hij: „Ik behoor tot die lezers van Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is het onveranderd gebleven.”27Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris, Schopenhauers voornaamste hypothesen.Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in „Die Geburt der Tragödie” tot basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den Wil als „een op zichzelfstaand iets,” over de wereld als voorstelling, over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd is om de „socratische” cultuur van den modernen tijd te vervangen en wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: „In plaats van de Wetenschap wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel—de Wijsheid, die zich niet laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen, maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als haar eigen leed.”28In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een klein artikel overhet verband tusschen Schopenhauer’s philosophie en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der eerste drie „Unzeitgemäsze Betrachtungen” neerlegt.29In 1874, in zijn derde „Unzeitgemäsze”, „Schopenhauer als Erzieher” spreekt Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche ziel kunnen uitoefenen.De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne wareikheidis, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot dieikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. „Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil menhem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis.”30In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: „Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi’sRe Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart dernirwana.”31Nietzschemeende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe, een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.Nietzsche’s bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de, volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch met Wagner’s werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering over in geestdrift toen hij „Tristan en Isolde” leerde kennen.In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij, zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij dikwijls opzocht op zijne buitenplaats „Tribschen”.„Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als voor alle kleine dingen,” schreef Nietzsche in 1888, „van weerskanten bestond een onbegrensd vertrouwen.”32Ongeveer 1872, toen „Die Geburt der Tragödie” werd uitgegeven, bereikte de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: „Ik heb een verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen.”33En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden, maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk.Wagners vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest, dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming, die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde nommer der „Unzeitgemäszen”, getiteld: „Richard Wagner te Bayreuth”, waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was, liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de „tragische” wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden, concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem zag hij een „Dionysisch” genie, dat niet enkel in woorden de wereld van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom „een dithyrambisch dramaturg” was geworden, en door zijne bijzondere samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. „Het dramaturgisch genie,” schreef Nietzsche, „dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont.” Wagners groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche beschaving heeten,want hij stelde zich niets minder voor dan de Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven, en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en politiek te bewerken.Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw tijdperk in de menschheid.Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had, verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling vervlogen—zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die groote omwenteling?

IV.Nietzsche stelt zich echter in zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen” niet tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest; hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken „Die Welt als Wille und Vorstellung” kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk leerde kennen.26Later zeide hij: „Ik behoor tot die lezers van Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is het onveranderd gebleven.”27Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris, Schopenhauers voornaamste hypothesen.Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in „Die Geburt der Tragödie” tot basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den Wil als „een op zichzelfstaand iets,” over de wereld als voorstelling, over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd is om de „socratische” cultuur van den modernen tijd te vervangen en wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: „In plaats van de Wetenschap wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel—de Wijsheid, die zich niet laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen, maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als haar eigen leed.”28In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een klein artikel overhet verband tusschen Schopenhauer’s philosophie en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der eerste drie „Unzeitgemäsze Betrachtungen” neerlegt.29In 1874, in zijn derde „Unzeitgemäsze”, „Schopenhauer als Erzieher” spreekt Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche ziel kunnen uitoefenen.De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne wareikheidis, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot dieikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. „Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil menhem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis.”30In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: „Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi’sRe Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart dernirwana.”31Nietzschemeende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe, een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.Nietzsche’s bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de, volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch met Wagner’s werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering over in geestdrift toen hij „Tristan en Isolde” leerde kennen.In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij, zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij dikwijls opzocht op zijne buitenplaats „Tribschen”.„Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als voor alle kleine dingen,” schreef Nietzsche in 1888, „van weerskanten bestond een onbegrensd vertrouwen.”32Ongeveer 1872, toen „Die Geburt der Tragödie” werd uitgegeven, bereikte de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: „Ik heb een verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen.”33En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden, maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk.Wagners vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest, dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming, die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde nommer der „Unzeitgemäszen”, getiteld: „Richard Wagner te Bayreuth”, waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was, liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de „tragische” wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden, concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem zag hij een „Dionysisch” genie, dat niet enkel in woorden de wereld van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom „een dithyrambisch dramaturg” was geworden, en door zijne bijzondere samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. „Het dramaturgisch genie,” schreef Nietzsche, „dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont.” Wagners groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche beschaving heeten,want hij stelde zich niets minder voor dan de Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven, en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en politiek te bewerken.Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw tijdperk in de menschheid.Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had, verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling vervlogen—zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die groote omwenteling?

IV.Nietzsche stelt zich echter in zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen” niet tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest; hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken „Die Welt als Wille und Vorstellung” kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk leerde kennen.26Later zeide hij: „Ik behoor tot die lezers van Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is het onveranderd gebleven.”27Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris, Schopenhauers voornaamste hypothesen.Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in „Die Geburt der Tragödie” tot basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den Wil als „een op zichzelfstaand iets,” over de wereld als voorstelling, over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd is om de „socratische” cultuur van den modernen tijd te vervangen en wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: „In plaats van de Wetenschap wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel—de Wijsheid, die zich niet laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen, maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als haar eigen leed.”28In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een klein artikel overhet verband tusschen Schopenhauer’s philosophie en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der eerste drie „Unzeitgemäsze Betrachtungen” neerlegt.29In 1874, in zijn derde „Unzeitgemäsze”, „Schopenhauer als Erzieher” spreekt Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche ziel kunnen uitoefenen.De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne wareikheidis, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot dieikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. „Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil menhem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis.”30In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: „Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi’sRe Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart dernirwana.”31Nietzschemeende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe, een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.Nietzsche’s bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de, volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch met Wagner’s werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering over in geestdrift toen hij „Tristan en Isolde” leerde kennen.In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij, zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij dikwijls opzocht op zijne buitenplaats „Tribschen”.„Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als voor alle kleine dingen,” schreef Nietzsche in 1888, „van weerskanten bestond een onbegrensd vertrouwen.”32Ongeveer 1872, toen „Die Geburt der Tragödie” werd uitgegeven, bereikte de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: „Ik heb een verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen.”33En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden, maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk.Wagners vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest, dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming, die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde nommer der „Unzeitgemäszen”, getiteld: „Richard Wagner te Bayreuth”, waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was, liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de „tragische” wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden, concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem zag hij een „Dionysisch” genie, dat niet enkel in woorden de wereld van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom „een dithyrambisch dramaturg” was geworden, en door zijne bijzondere samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. „Het dramaturgisch genie,” schreef Nietzsche, „dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont.” Wagners groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche beschaving heeten,want hij stelde zich niets minder voor dan de Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven, en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en politiek te bewerken.Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw tijdperk in de menschheid.Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had, verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling vervlogen—zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die groote omwenteling?

IV.Nietzsche stelt zich echter in zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen” niet tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest; hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken „Die Welt als Wille und Vorstellung” kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk leerde kennen.26Later zeide hij: „Ik behoor tot die lezers van Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is het onveranderd gebleven.”27Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris, Schopenhauers voornaamste hypothesen.Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in „Die Geburt der Tragödie” tot basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den Wil als „een op zichzelfstaand iets,” over de wereld als voorstelling, over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd is om de „socratische” cultuur van den modernen tijd te vervangen en wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: „In plaats van de Wetenschap wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel—de Wijsheid, die zich niet laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen, maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als haar eigen leed.”28In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een klein artikel overhet verband tusschen Schopenhauer’s philosophie en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der eerste drie „Unzeitgemäsze Betrachtungen” neerlegt.29In 1874, in zijn derde „Unzeitgemäsze”, „Schopenhauer als Erzieher” spreekt Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche ziel kunnen uitoefenen.De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne wareikheidis, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot dieikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. „Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil menhem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis.”30In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: „Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi’sRe Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart dernirwana.”31Nietzschemeende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe, een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.Nietzsche’s bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de, volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch met Wagner’s werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering over in geestdrift toen hij „Tristan en Isolde” leerde kennen.In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij, zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij dikwijls opzocht op zijne buitenplaats „Tribschen”.„Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als voor alle kleine dingen,” schreef Nietzsche in 1888, „van weerskanten bestond een onbegrensd vertrouwen.”32Ongeveer 1872, toen „Die Geburt der Tragödie” werd uitgegeven, bereikte de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: „Ik heb een verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen.”33En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden, maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk.Wagners vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest, dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming, die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde nommer der „Unzeitgemäszen”, getiteld: „Richard Wagner te Bayreuth”, waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was, liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de „tragische” wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden, concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem zag hij een „Dionysisch” genie, dat niet enkel in woorden de wereld van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom „een dithyrambisch dramaturg” was geworden, en door zijne bijzondere samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. „Het dramaturgisch genie,” schreef Nietzsche, „dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont.” Wagners groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche beschaving heeten,want hij stelde zich niets minder voor dan de Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven, en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en politiek te bewerken.Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw tijdperk in de menschheid.Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had, verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling vervlogen—zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die groote omwenteling?

IV.

Nietzsche stelt zich echter in zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen” niet tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest; hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken „Die Welt als Wille und Vorstellung” kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk leerde kennen.26Later zeide hij: „Ik behoor tot die lezers van Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is het onveranderd gebleven.”27Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris, Schopenhauers voornaamste hypothesen.Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in „Die Geburt der Tragödie” tot basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den Wil als „een op zichzelfstaand iets,” over de wereld als voorstelling, over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd is om de „socratische” cultuur van den modernen tijd te vervangen en wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: „In plaats van de Wetenschap wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel—de Wijsheid, die zich niet laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen, maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als haar eigen leed.”28In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een klein artikel overhet verband tusschen Schopenhauer’s philosophie en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der eerste drie „Unzeitgemäsze Betrachtungen” neerlegt.29In 1874, in zijn derde „Unzeitgemäsze”, „Schopenhauer als Erzieher” spreekt Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche ziel kunnen uitoefenen.De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne wareikheidis, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot dieikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. „Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil menhem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis.”30In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: „Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi’sRe Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart dernirwana.”31Nietzschemeende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe, een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.Nietzsche’s bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de, volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch met Wagner’s werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering over in geestdrift toen hij „Tristan en Isolde” leerde kennen.In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij, zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij dikwijls opzocht op zijne buitenplaats „Tribschen”.„Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als voor alle kleine dingen,” schreef Nietzsche in 1888, „van weerskanten bestond een onbegrensd vertrouwen.”32Ongeveer 1872, toen „Die Geburt der Tragödie” werd uitgegeven, bereikte de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: „Ik heb een verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen.”33En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden, maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk.Wagners vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest, dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming, die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde nommer der „Unzeitgemäszen”, getiteld: „Richard Wagner te Bayreuth”, waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was, liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de „tragische” wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden, concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem zag hij een „Dionysisch” genie, dat niet enkel in woorden de wereld van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom „een dithyrambisch dramaturg” was geworden, en door zijne bijzondere samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. „Het dramaturgisch genie,” schreef Nietzsche, „dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont.” Wagners groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche beschaving heeten,want hij stelde zich niets minder voor dan de Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven, en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en politiek te bewerken.Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw tijdperk in de menschheid.Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had, verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling vervlogen—zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die groote omwenteling?

Nietzsche stelt zich echter in zijne „Unzeitgemäsze Betrachtungen” niet tevreden met den strijd tegen de hedendaagsche strekkingen, die hij te veroordeelen en gevaarlijk acht, maar hij begint tegelijkertijd aan het gebouw der toekomst te arbeiden. In de beschaving van onzen tijd zoekt hij de voorboden van eene nieuwe richting, van eene hervorming van den publieken geest en eene herleving van den Dionysischen geest; hij zoekt moderne genieën, die in staat zijn de jeugd naar een nieuw doel te leiden en haar te onttrekken aan het ontzenuwend optimisme en den neerdrukkenden cultus van het stoffelijk welzijn; en voor zich zoekt hij opvoeders, die hem helpen zichzelf begrijpen en hem openbaren wie hij is en waarheen hij gaat. In de eerste plaats meende Nietzsche die meesters gevonden te hebben in Schopenhauer en Wagner.

Einde 1865, toen hij te Leipzig in de philologie studeerde, werd hij in Schopenhauers philosophie ingewijd. Het toeval wilde, dat hij bij Rohn, den opkooper van oude boeken „Die Welt als Wille und Vorstellung” kocht en van het eerste oogenblik af werd hij ingepalmd door de grootsche vooruitzichten, die dat boek hem openbaarde en meer nog door de persoonlijkheid van den philosoof, die hij uit het werk leerde kennen.26Later zeide hij: „Ik behoor tot die lezers van Schopenhauer, die nadat zij eene enkele bladzijde van hem gelezen hebben, met vaste zekerheid weten, dat zij eiken regel door hem geschreven, van den eerste tot den laatste zullen lezen en naar elk woord zullen luisteren, dat van zijne lippen vloeit. Mijn vertrouwen in hem was dadelijk onbegrensd en na het verloop van negen jaren is het onveranderd gebleven.”27

Hij erkende, zij het ook voorloopig en onder benefice van inventaris, Schopenhauers voornaamste hypothesen.

Hierboven is gezegd, dat Nietzsche in „Die Geburt der Tragödie” tot basis van zijne uiteenzetting Schopenhauers theorieën aanneemt over den Wil als „een op zichzelfstaand iets,” over de wereld als voorstelling, over de indivíduatie als oorzaak van alle lijden en over de muziek als de directe uiting van den wil. In dat zelfde werk begroet hij Schopenhauer als den Messias van eene tragische cultuur, die bestemd is om de „socratische” cultuur van den modernen tijd te vervangen en wier hoofdtrek als volgt wordt geteekend: „In plaats van de Wetenschap wordt voortaan de Wijsheid het hoogste doel—de Wijsheid, die zich niet laat misleiden door de bedriegelijke hersenschimmen der Wetenschappen, maar den blik vestigt op het gansche wereldbeeld en in eene opwelling van sympathie en liefde het universeel lijden tracht te beseffen als haar eigen leed.”28In 1872 geeft hij hetzelfde idee weer in een klein artikel overhet verband tusschen Schopenhauer’s philosophie en de Duitsche cultuur, waarin hij in beginsel de hoofdgedachten der eerste drie „Unzeitgemäsze Betrachtungen” neerlegt.29In 1874, in zijn derde „Unzeitgemäsze”, „Schopenhauer als Erzieher” spreekt Nietzsche zijne innige dankbaarheid uit tot den denker, die hem in de wereld van den geest heeft ingewijd en verklaart hij den heilzamen invloed, dien de ideeën van den grooten pessimist op de hedendaagsche ziel kunnen uitoefenen.

De hedendaagsche mensch, zegt hij, zoekt zichzelf, en om nu uit te vinden wat zijne ware natuur, zijne wareikheidis, kan niemand hem beter helpen dan een goede meester, d.w.z. niet een meester, die hem voorschrijft dezen of genen bepaalden weg te volgen of hem meer uitgebreide arbeidsmiddelen ten dienste stelt, maar een opvoeder, die hem van alles bevrijdt, wat hem belemmert in het doordringen tot dieikheid, die diep in ons aller aard verscholen ligt. Dien meester vond Nietzsche in Schopenhauer. In hem zag hij dadelijk den philosoof, die intellectueel volkomen rechtschapen en in al zijne geschriften geheel oprecht was. „Schopenhauer spreekt tot zichzelf, of, wil menhem een toehoorder toedichten, zoo zij het een zoon, die door zijn vader onderwezen wordt. Zijne woorden klinken vrij, flink en welwillend; zij zijn blijkbaar gericht tot een toehoorder, die met liefde naar hem luistert. Zijne redevoeringen, waarin zich een sterke ziel openbaart, eene ziel, die zeker is van zichzelve, boeien ons van af het eerste woord; het is ons alsof wij in een dennenbosch komen; in lange teugen ademen wij de lucht in en een plotseling welzijn doet zich gevoelen. Zoo zijn wij ook bij Schopenhauer als in een oord, waar men steeds dezelfde opwekkende lucht inademt en waar die eenvoud en die onnavolgbare natuurlijkheid heerschen, die het bijzonder voorrecht zijn van hen, die zich meester gevoelen van hun eigen weelderig thuis.”30In Schopenhauers school leerde Nietzsche de werkelijkheid inzien, zooals zij is in al hare leelijkheid en met al het leed, dat zij meesleept; en tevens leerde hij begrijpen, dat het genie tegen zijn tijd moet strijden, wil het tot volle zelfbewustheid komen en dat hij in den strijd tegen de vooroordeelen, de zwakheden en de zonden zijner tijdgenooten in werkelijkheid zijn eigen individualiteit reinigt door alle vreemde elementen en parasieten, die van buiten af tot hem zijn gekomen, te verwijderen en het zuivere goud van zijn genie te ontdoen van alle slakken en alliage. En ten slotte vond Nietzsche in Schopenhauer de verklaring van het tragische leven, zooals ook hij die begreep: „Een gelukkig leven is onmogelijk: het schoonste dat de mensch geven kan is een heroïsch bestaan, een bestaan dus, waarin hij, na zich aan eene zaak gewijd te hebben, die tot eenig algemeen welzijn strekken kan en na ontelbare moeilijkheden te hebben overwonnen, ten slotte overwinnaar blijft, doch slechts ten halve of in het geheel niet beloond wordt. Dan staat hij bij de ontknooping van dat bestaan als de prins in Gozzi’sRe Corvo, versteend, doch in eene edele houding en met een grootsch gebaar. Zijn nagedachtenis blijft leven en als een held wordt hij gevierd en zijn wil, die gedurende zijn geheele leven door beproevingen en zorgen, door miskenning en ondankbaarheid der menschen geteisterd werd, sterft in het hart dernirwana.”31Nietzschemeende dus in Schopenhauer de philosophische en moderne uiting der Dionysische wijsheid, die hij bij de Grieken zoozeer bewonderde, gevonden te hebben.

En evenals het Schopenhauer gegeven werd het genie niet alleen in zichzelf te leeren kennen, maar ook buiten hem, in Goethe, een der schoonste voorbeelden van den vrijen, sterken man te mogen bewonderen, zoo had Nietzsche het voorrecht intiem om te gaan met een der machtigste genieën van den tijd: Richard Wagner.

Nietzsche’s bewondering voor Wagner ontstond reeds in zijne jongelingsjaren; nadat hij tot zijn zestiende jaar een onverzoenlijk classicus, een bewonderaar uitsluitend van Mozart en Haydn, Schubert en Mendelssohn, Beethoven en Bach was geweest en bepaald neerzag op de, volgens hem, toekomstmuziek van Liszt en Berlioz, eindigde hij toch met Wagner’s werken mooi te vinden en ging zelfs zijne bewondering over in geestdrift toen hij „Tristan en Isolde” leerde kennen.

In 1868 werd hij aan Wagner, die toen te Leipzig bij de familie Brockhaus vertoefde, voorgesteld en in het volgend jaar werd hij, zooals reeds gezegd, een der intieme vrienden van Wagner, dien hij dikwijls opzocht op zijne buitenplaats „Tribschen”.

„Gedurende enkele jaren leefden wij samen voor alle groote, zoowel als voor alle kleine dingen,” schreef Nietzsche in 1888, „van weerskanten bestond een onbegrensd vertrouwen.”32

Ongeveer 1872, toen „Die Geburt der Tragödie” werd uitgegeven, bereikte de vriendschap van den jongen philosoof voor den grooten artiest zijn toppunt. Toen schreef hij aan een zijner vrienden: „Ik heb een verbond gesloten met Wagner en gij kunt u nauwelijks voorstellen hoe groot onze intimiteit is en hoezeer onze plannen overeenkomen.”33

En in zijn vriendschapsdrang zijne gehechtheid niet alleen in woorden, maar ook in daden willende toonen, had hij in datzelfde voorjaar bijna zijne professorale loopbaan onderbroken om eene tournée van lezingen te houden ten bate van het Bayreutsch werk.Wagners vertrek naar Bayreuth (April 1872) gaf niet de minste verandering in hunne verhouding: Nietzsche zocht Wagner meermalen op in zijne nieuwe woonplaats en was ook tegenwoordig bij het kunstenaarsfeest, dat op 22 Mei 1872 te Bayreuth gegeven werd ter eere van de eerste steenlegging van Wagners theater. In 1876 woonde hij op dringend verzoek van den componist de repetities van de Tetralogie bij en was hij getuige van den beslisten triomf der groote hervorming, die Wagner in de dramatische kunst had ondernomen. Eenige dagen voor zijne aankomst zond hij zijn vrienden een exemplaar van het vierde nommer der „Unzeitgemäszen”, getiteld: „Richard Wagner te Bayreuth”, waarin hij eene doordringende, schitterende analyse gaf van Wagner als kunstenaar en als moreele persoonlijkheid en daarop eene geestdriftige lofspraak op het groote hervormingswerk, waarin hij geslaagd was, liet volgen. Hij noemde Wagner den modernen Aeschylus, bij wien de „tragische” wijsheid zich niet langer in den philosophischen vorm uitte, zooals bij Schopenhauer, maar daarentegen in den levenden, concreten vorm van onvergelijkelijk grootsche kunstwerken. In hem zag hij een „Dionysisch” genie, dat niet enkel in woorden de wereld van gevoelens, die in hem bruischte, kon weergeven en daarom „een dithyrambisch dramaturg” was geworden, en door zijne bijzondere samenstelling alle kunsten in zich vereenigde: tooneelkunst, muziek en dichtkunst in alle zijne gevoelens uitende. „Het dramaturgisch genie,” schreef Nietzsche, „dat zijne volkomen ontwikkeling, zijne volle rijpheid bereikt heeft, is een afgewerkt geheel zonder eenige onvolkomenheid of leemte; het is de waarlijk vrije kunstenaar, wien het niet mogelijk is anders dan in alle bijzondere takken der kunst tegelijk te denken; het is de verzoenende bemiddelaar tusschen de twee oogenschijnlijk tegenovergestelde werelden van poëzie en muziek; die de éénheid en de integraliteit van onze kunstfaculteit herstelt, die éénheid, die door het verstand niet begrepen en door redeneering uit niets kan worden afgeleid, maar zich alleen in daden toont.” Wagners groote werk, de schepping van een muziekdrama, waarin de Grieksche tragedie herleeft en de uitvoering van dat drama te Bayreuth mag een der meestzeggende gebeurtenissen in de geschiedenis der Europeesche beschaving heeten,want hij stelde zich niets minder voor dan de Grieksche cultuur te midden der moderne wereld te doen herleven, en daar alles samenhangt met het gebouw der beschaving is het niet mogelijk eene ernstige, ware hervorming in de theaterkunst teweeg te brengen zonder tevens groote veranderingen in moreel, opvoeding en politiek te bewerken.

Zoo kon dus de triomf van het Bayreuthsche werk, mocht het beslist en duurzaam blijken, begroet worden als de dageraad van een nieuw tijdperk in de menschheid.

Enkele weken, nadat Nietzsche zijne lofrede op Wagner geschreven had, verliet hij Bayreuth diep ontmoedigd en ten doode toe vermoeid en bedroefd: de schoonste droom zijner jeugd was plotseling vervlogen—zijn geestdrift voor Wagner was verstomd. Vanwaar die groote omwenteling?


Back to IndexNext