Chapter 6

Motorbivak (Rouffaerrivier).Motorbivak (Rouffaerrivier).21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen, teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea’s en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref; tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen en de toekomstplannen bespreken.Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40 KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30 KM. hemelsbreed verwijderd.Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot dezen tocht besloten werd.De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen laatsten tocht medemaken.22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen en keurig in orde gebracht.Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen, een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook boven het water.Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte zaden deden al dienst.Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden van Pionier bivak weg waren.24 Juli. ’s Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren ’s middags in Splitsingsbivak.25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en Juli, het eerste Prauwbivak.Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen, waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer 1 KM. verder dan het eerste.30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders ingericht. De Papoea’s varen in drie prauwen transport tusschen beide Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus niet met een leegen maag op marsch te gaan.Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt ’s middags bivak gemaakt op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen, dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne aanwezigheid duiden kan.10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om de Zuid te gaan loopen.14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men door mosspelonken loopt.17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb, om ze elken middag te verbinden.20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch den eindtocht kunnen beginnen.23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26enAugustus ten 8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de andere van den Centralen keten.Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz- en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en hetVanReesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top; in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte; combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend, onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers, welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak, zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen foto is dit duidelijk waar te nemen.De dagen gingen langzaam voorbij; ’s morgens bij het lichtworden om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud; dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren van sterren was door de koude ook geen sinecure.De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook was, het uitzicht ’s morgens vergoedde ruimschoots alles.Den 1enSeptember was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij plotseling op de helling van den bergketen bezuiden ons bivak rook en zagen wij duidelijk eenige huizen in het midden van lichtgroene plekken, ladangs.25Hier wonen dus weder menschen; vanuit de vlakte tot dezen top hadden wij nergens sporen van bewoning ontdekt, zoodat wij hier zonder twijfel met bergbewoners te doen hebben. De huizen stonden ongeveer op een 1500 M. hoogte.De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van 1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.Den 5enSeptember zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden; twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen wordt ’s morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk van een oogenbliken met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen, is reeds om den hoek verdwenen.De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen, was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1ePrauwbivak komen, waar de kapt. Schultz, die ’s morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen, op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.Bij aankomst in 1ePrauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in het Oude Splitsingsbivak.Den 6enSeptember kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog communicatie?Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste tochten achter den rug waren.Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200 M. schitterend geslaagd was26; dat hij om de N.W. de Wapoga had verkend en teruggegaan was om levensmiddelen te halen, teneinde een doorsteek te maken naar deze rivier (Wapoga), en zoodoende uit te komen aan de Geelvinckbaai. Teruggaande, was hij den 1en luitenant Ilgen27tegengekomen, die zich bij hem aansloot, zoodat Ilgen en Stroeve dezen tocht met een kleine colonne zouden aanvangen. Nu, wij hadden goede hoop, dat zij zouden slagen. Hierna zouden zij beiden weder den Mamberamo op naar Motorbivak komen, teneinde met ons hier het werk af te maken.Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was, om er een paar dagen te zijn.Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914 braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moetenworden. Toch wilde ik haar medenemen en liet de Papoea’s lange riemen maken, zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.’s Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea’s, die weder naar hunne kampongs zullen terugkeeren.Onze tent in het hooggebergte.Onze tent in het hooggebergte.Den 10en September ’14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel ongeschonden.De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in Motorbivak blijven.Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam be-Z.W. observatiepunt 428beklommen worden.15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder 11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts ½ K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel eind benedenstrooms van Motor bivak.9 October. ’s Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten bezuiden Kalongeiland beginnen.Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen ons allen speet, omdat het zoo’n buitengewoon gunstig gelegen bivak was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende Papoea’s, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door een Dajakschen mandau te stelen. ’t Werd gelukkiggezien en er werd krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd hier als volgt bepaald: ’s morgens een standbepaling in Motorbivak; ’s middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep: “prauwen in aantocht.” En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens 7 prauwen.Boven-Rouffaerrivier (even boven 2e Prauwbivak).Boven-Rouffaerrivier (even boven 2ePrauwbivak).Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van het Exploratiedetachement medemaakte.Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift van hetKon. Ned. Aard. Gen.verschenen en ontleend aan het journaal van Ilgen:29Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak, zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200 M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen wezen en verzocht den Detachementscommandant in het Pionierbivak, om op dien dag een Gouvernements-stoomer bij die monding te doen zijn, ten einde de colonne te doen afhalen. Men heeft zich echtermisrekend en deze verkenningstocht is een der zwaarste geworden van die, welke voor de exploratie van Nieuw-Guinee zijn gedaan en heeft daarbij het leven gekost van een onzer meest verdienstelijke verkenners. Ten einde diens nagedachtenis te eeren en aan onze lezers een goed denkbeeld te geven van de groote moeilijkheden en gevaren, welke bij zulke tochten door onze brave pioniers moeten worden overwonnen, zal ik30de beschrijving van de lotgevallen der colonne gedurende de laatste dagen hieronder woordelijk overnemen uit het journaal van Ilgen.Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving; dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk hulp verleenden,—schrijft Ilgen in zijn journaal verder:5 September. “Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken (die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne, nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we spoedig bereiken; doch als ten 12 uur ’s middags deze rivier nog niet is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij, die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is, zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te voeren en onsvlugnaar den riviermond te brengen. Het prauwtje zal ook ’s nachts doorroeien.Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van den mond verwijderd.Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting aangetroffen.6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de patrouille ’s avonds aan boord zijn.Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting moeten hebben.Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak moeten gaan.Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder zout toebereide eten bijna niet te genieten is.Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat het vlugger.Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet, gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer der Papoea’sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk, dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg geheel verbruikt.Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee drijven te voorkomen. Van den Europeeschen sergeant Van der Valk, die den tocht met den luitenant ter zee Doorman had meegemaakt31, hadden wij bij den aanvang derpatrouille vernomen, dat op den linker rivieroever een strook strand beplant met tjemara’s was, en dat vroeger het “Strandbivak” daar was opgeslagen. De luit. ter zee Stroeve en ik hadden toen afgesproken om, voor het geval er op het schip moest worden gewacht, ook op dit punt een bivak in te richten.Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk, dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd, maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende, een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen, daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht, waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te kunnen verstrekken.Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst, wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin, die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den 7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting, en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8 uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug, maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin, ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken vijand in. Daar de Papoea’s uit deze streken niet voorzien zijn van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes, althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne, eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden en in al dien tijd niets genuttigd.Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen fuselier medegedeeld.Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselieren een dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen, zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.Mijn dagelijksch ziekenrapport.Mijn dagelijksch ziekenrapport.De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep, doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe zoutgehalte van het water.Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk worden. De stemming onder de menschen is down.9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van “kapal” (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas, een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van het schip.Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met het schip niet in orde is. Maar wat?± 4000 meter hoog (obs. punt C).± 4000 meter hoog (obs. punt C).10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen zien te krijgen.12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn; nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de reden der vertraging kan zijn.Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen, niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken echter geen aanstalten om over te steken.Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in aantocht is.Een gejuich van “sekarang hidoep”32gaat er op onder de leden van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel het zeker nog wel 2 à 3 uren duren zal, vóór we zoover zijn. Een veel-rook-gevend vuurtje wordt er aan het strand ontstoken en een roode deken als vlag opgestoken. De bevolking aan de overzijde is bij het in zicht komen van het schip snel verdwenen.Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der “Albatros”, wordt op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht naarAmbon.”Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden tijd voor den boeg.Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan (monding op 138° 35′ OL. en 3° 15′ ZBr.) zoover mogelijk, en daar een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en besloten decolonne te splitsen. ’s Morgens 6 uur vertrok de kapitein Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.Sterkte der colonne: 1Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier koortsgevallen.21 October. ’s Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier koortsgevallen.22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30 min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.23 October. Als gisteren. ’s Avonds passeert op weg naar Bataviabivak een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid vivres ook ’s nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet, zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. ’t Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten op weg.Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en krijg ik mooi helder zicht.In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de Zuid liggen.Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen, worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn “Prauwbivak” in te richten en dan maar wat verder te marcheeren. ’t Was jammer, want de Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren, terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een flink vivresmagazijn wordt gebouwd.Als alles klaar is, laat ik ’s middags de colonne indeelen voor het vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting, aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5½ KM. in 9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.27 October. ’s Nachts harde regen.7 Uur vertrek; kappen in Z.Z.W-richting; af en toe stukken diep moeras, dan weer stukken boschterrein zonder ondergroei. Even na eetrust, ten 12 uur 30 min. gaan wij den eersten heuvel op en komen na een zware klimpartij op den kam ± 400 meter hoog. Op den kam een goed beloopen Papoea-pad. Dalen in de voorgenomen marschrichting den heuvel weder aan de andere zijde af en maken ten 3 uur bivak aan een helder beekje.28 October. 6 uur 30. Op marsch. Kappen het pad verder in ZZW. richting; passeeren vele riviertjes, die alle om de West (!!) stroomen. Ten 11 uur zijn wij aan de uitloopers van het gebergte; stijgen zeer steil, om drie uur bereik ik den ± 1100 meter hoogen, zeer smallen bergrug, waar bivak gemaakt wordt. De staart der colonne komt pas om 5 uur aan.Aangezien deze kam Oost-West loopt en maar 1½ meter breed is, kan hier een prachtig uitzicht om de Zuid worden verkregen, zoodat hier het eerste vivresdepôt A wordt ingericht.Het transport dragers gaat onder dekking van 1 inl. korp. en 3 karabijnen terug naar Prauwbivak.Met den eur. serg., 1 karabijn, den inl. verkenner en eenige Dajaks blijf ik achter om hier observaties te doen.Dezen dag komt uit Bataviabivak aan in Prauwbivak een transport vivres en kleeding, sterk 29 man, zoodat mijn geheele troep nu bestaat uit: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 3 eur. sergeants, 2 inl. korporaals, 15 inl. fuseliers, 1 ziekenverpleger, 10 Dajaks en 56 dwangarbeiders, totaal 89 man.30 October. Kappen uitzicht en maken een boomstelling, ’s Middags helder uitzicht, dus een begin gemaakt met het peilingswerk. Dit bivak heeft eenbezwaar; er is geen water, zelfs niet tot ver in den omtrek. Gelukkig regent het elken nacht en vangen wij dan het water van de tenten op, zoodat wij geen gebrek hebben; het is hier na zonsondergang al vrij koud en wij kunnen onzen deken best velen.31 October. Peilingswerk; astronomische plaatsbepaling van het bivak.1 November. Regenachtig; slecht bergenzicht. Laat op den middag komen de Dajaks van het transport aan; deze taaie kerels zijn de verdere colonne een heel eind vooruit.2 November. Het transport komt aan; 1 europ. serg., 3 fuseliers en 47 dwangarbeiders. Tevens ontvang ik bericht, dat de exploratie tot ultimo Februari kan duren, zoodat kalm doorgewerkt kan worden.3 November. Transport van 26 dwangarbeiders onder dekking van 1 inl. korp. + 1 fuselier terug naar Prauwbivak.Mijn peilingswerk is hier nog niet gereed, zoodat ik een colonne laat doorkappen onder leiding van den inl. verkenner, met 1 eur. serg., 2 karabijnen, 10 Dajaks en 22 dwangarbeiders.Naar Prauwbivak wordt bericht gezonden aan den sergeant-bivakcommandant, om nog een transport van 20 dwangarbeiders naar depôt A te zenden. Daarna, na terugkomst van dit loop-transport, met 4 prauwen transport te gaan varen tusschen Bataviabivak en Prauwbivak, zoodat ik na terugkomst van dezen tocht levensmiddelen genoeg heb om dadelijk weer een nieuwen tocht te beginnen.Vanaf depôt A houd ik alleen als dragers 10 Dajaks en 25 uitgezochte dwangarbeiders; de rest der 56 dwangarbeiders is door de loop-transporten van Prauwbivak—Depôt A dusdanig in slechte conditie, dat zij verder in dit zware bergterrein niet meer goed bruikbaar zijn. De ziekenverpleger heeft het ook afgelegd, zoodat ik de gewonden verder weer zelf kan behandelen; enfin, dit deed ik al van 3 Juni af.4 November. Met eenige menschen in depôt A. Geen uitzicht. Mistig en koud.5 November. Geen uitzicht.6 November. Er komt een transport van depôt B aan, dat op den bergkam is gemaakt, ± 5 KM. verder om de Zuid; sterk 1 inl. fuselier, 10 Dajaks + 20 dwangarbeiders.’s Avonds krijg ik om de Zuid mooi uitzicht. Op ± 15 KM. ZZW. van dit punt is een kale hooge top, naar meting ongeveer 4000 M. hoog; duidelijk kan ik waarnemen, dat de kam, dien wij volgden, daarheen voert. Dien top zal ik derhalve beklimmen; het uitzicht vandaar zal loonend zijn, hoop ik.Hoewel nog niet geheel gereed met het peilingswerk, wordt besloten morgen door te gaan. Transport van Prauwbivak is nog niet aangekomen.7 November. Onder harden regen op weg: 1 luit.-t./zee, 1 karabijn,3310 Dajaks + 16 dwangarbeiders; ten 1 uur 30 min. in depôt B, een goed bivak met water in de nabijheid.Wij liggen een beetje in duigen: ik zelf en de Eur. sergeant hebben een flinken malaria-aanval, mijn verkenner heeft het in den buik.8 November. Transport loopen tusschen A en B.9 November. Met een kleine colonne, waaronder 10 Dajaks en 10 dwangarbeiders, kappen wij den weg verder; het is zeer zwaar begroeid bergterrein en wij schieten per dag niet meer dan 1½ KM. hemelsbreed op. Tegelijkertijd wordt tusschendepôtsA en B transport geloopen.10 November. Kappen door in zuidelijke richting, 1½ KM. zeer zwaar bergterrein met steile hellingen.11 November. Kappen verder; ten 11 uur komt een transport van 15 dwangarbeiders onder een Eur. serg. mij achterop. Het transport-loopen van A naar B is gereed gekomen. In depôt A is alleen eten achtergelaten, onbewaakt, voor den terugtocht.Ten 2 uur zijn wij na een stijve klim op een plateau aangekomen, waar een helder stroompje doorloopt. Daar ik volgens mijn kookthermometer hier op 2430 M. hoogte ben aangekomen, besluit ik hier mijn Hoofdbivak te maken en dan van dit bivak uit een tocht naar de 4000 meter, zonder verdere depôts aan te leggen.12 November. Transport terug naar depôt B: 1 inl. fuselier, 5 Dajaks, 19 dwangarbeiders.Nacht en dag zware regen.13 November. Kappen met den inl. verkenner en 5 Dajaks den weg verder.Ten 2 uur komt onder leiding van een Eur. serg. het transport van depôt B aan. In depôt B heeft hij achtergelaten 3 zieken (1 inl. fus. + 2 dwangarb.).14 November. ’s Morgens stuur ik 1 Eur. serg., 1 fuselier en 10 dwangarbeiders terug naar Prauwbivak. Zij zijn niet meer noodig en mijn aantal dagen rantsoen wordt hierdoor niet onbelangrijk uitgebreid; de zieken uit depôt B worden tevens medegenomen.Met 1 inl. verkenner, 1 Eur. serg., 1 fuselier, 10 Dajaks en 15 dwangarbeiders op marsch naar boven. 3 Inl. fuseliers worden achtergelaten als dekking van Hoofdbivak. Na een steilen klim bereiken wij een kam van 3000 meter hoogte.Legden vandaag ± 2 KM. af.15 November. Volgen, voortdurend een pad kappende, den kam, die weinig stijgt. Regen en windvlagen.Onze tenten zijn slecht geworden door het reeds langdurig gebruik, zoodat wij bij regen ’s nachts weinig slapen. En gaat het er niet doorheen, dan waait het wel onder onze afdakjes door.16 November. ’s Nachts zeer koud; ondanks denwollen deken, slaapt niemand; hout om een flink vuur te maken is niet meer te krijgen.’s Morgens weer met frisschen moed op marsch en reeds spoedig wordt een 3200 M. hooge top bereikt, die zich uitmuntend leent voor observatie’s. (Observatiepunt B, 3200 M.) Zoo goed mogelijk wordt hier bivak gemaakt.

Motorbivak (Rouffaerrivier).Motorbivak (Rouffaerrivier).21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen, teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea’s en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref; tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen en de toekomstplannen bespreken.Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40 KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30 KM. hemelsbreed verwijderd.Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot dezen tocht besloten werd.De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen laatsten tocht medemaken.22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen en keurig in orde gebracht.Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen, een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook boven het water.Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte zaden deden al dienst.Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden van Pionier bivak weg waren.24 Juli. ’s Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren ’s middags in Splitsingsbivak.25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en Juli, het eerste Prauwbivak.Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen, waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer 1 KM. verder dan het eerste.30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders ingericht. De Papoea’s varen in drie prauwen transport tusschen beide Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus niet met een leegen maag op marsch te gaan.Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt ’s middags bivak gemaakt op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen, dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne aanwezigheid duiden kan.10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om de Zuid te gaan loopen.14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men door mosspelonken loopt.17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb, om ze elken middag te verbinden.20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch den eindtocht kunnen beginnen.23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26enAugustus ten 8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de andere van den Centralen keten.Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz- en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en hetVanReesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top; in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte; combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend, onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers, welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak, zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen foto is dit duidelijk waar te nemen.De dagen gingen langzaam voorbij; ’s morgens bij het lichtworden om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud; dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren van sterren was door de koude ook geen sinecure.De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook was, het uitzicht ’s morgens vergoedde ruimschoots alles.Den 1enSeptember was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij plotseling op de helling van den bergketen bezuiden ons bivak rook en zagen wij duidelijk eenige huizen in het midden van lichtgroene plekken, ladangs.25Hier wonen dus weder menschen; vanuit de vlakte tot dezen top hadden wij nergens sporen van bewoning ontdekt, zoodat wij hier zonder twijfel met bergbewoners te doen hebben. De huizen stonden ongeveer op een 1500 M. hoogte.De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van 1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.Den 5enSeptember zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden; twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen wordt ’s morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk van een oogenbliken met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen, is reeds om den hoek verdwenen.De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen, was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1ePrauwbivak komen, waar de kapt. Schultz, die ’s morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen, op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.Bij aankomst in 1ePrauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in het Oude Splitsingsbivak.Den 6enSeptember kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog communicatie?Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste tochten achter den rug waren.Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200 M. schitterend geslaagd was26; dat hij om de N.W. de Wapoga had verkend en teruggegaan was om levensmiddelen te halen, teneinde een doorsteek te maken naar deze rivier (Wapoga), en zoodoende uit te komen aan de Geelvinckbaai. Teruggaande, was hij den 1en luitenant Ilgen27tegengekomen, die zich bij hem aansloot, zoodat Ilgen en Stroeve dezen tocht met een kleine colonne zouden aanvangen. Nu, wij hadden goede hoop, dat zij zouden slagen. Hierna zouden zij beiden weder den Mamberamo op naar Motorbivak komen, teneinde met ons hier het werk af te maken.Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was, om er een paar dagen te zijn.Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914 braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moetenworden. Toch wilde ik haar medenemen en liet de Papoea’s lange riemen maken, zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.’s Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea’s, die weder naar hunne kampongs zullen terugkeeren.Onze tent in het hooggebergte.Onze tent in het hooggebergte.Den 10en September ’14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel ongeschonden.De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in Motorbivak blijven.Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam be-Z.W. observatiepunt 428beklommen worden.15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder 11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts ½ K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel eind benedenstrooms van Motor bivak.9 October. ’s Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten bezuiden Kalongeiland beginnen.Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen ons allen speet, omdat het zoo’n buitengewoon gunstig gelegen bivak was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende Papoea’s, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door een Dajakschen mandau te stelen. ’t Werd gelukkiggezien en er werd krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd hier als volgt bepaald: ’s morgens een standbepaling in Motorbivak; ’s middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep: “prauwen in aantocht.” En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens 7 prauwen.Boven-Rouffaerrivier (even boven 2e Prauwbivak).Boven-Rouffaerrivier (even boven 2ePrauwbivak).Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van het Exploratiedetachement medemaakte.Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift van hetKon. Ned. Aard. Gen.verschenen en ontleend aan het journaal van Ilgen:29Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak, zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200 M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen wezen en verzocht den Detachementscommandant in het Pionierbivak, om op dien dag een Gouvernements-stoomer bij die monding te doen zijn, ten einde de colonne te doen afhalen. Men heeft zich echtermisrekend en deze verkenningstocht is een der zwaarste geworden van die, welke voor de exploratie van Nieuw-Guinee zijn gedaan en heeft daarbij het leven gekost van een onzer meest verdienstelijke verkenners. Ten einde diens nagedachtenis te eeren en aan onze lezers een goed denkbeeld te geven van de groote moeilijkheden en gevaren, welke bij zulke tochten door onze brave pioniers moeten worden overwonnen, zal ik30de beschrijving van de lotgevallen der colonne gedurende de laatste dagen hieronder woordelijk overnemen uit het journaal van Ilgen.Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving; dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk hulp verleenden,—schrijft Ilgen in zijn journaal verder:5 September. “Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken (die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne, nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we spoedig bereiken; doch als ten 12 uur ’s middags deze rivier nog niet is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij, die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is, zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te voeren en onsvlugnaar den riviermond te brengen. Het prauwtje zal ook ’s nachts doorroeien.Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van den mond verwijderd.Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting aangetroffen.6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de patrouille ’s avonds aan boord zijn.Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting moeten hebben.Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak moeten gaan.Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder zout toebereide eten bijna niet te genieten is.Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat het vlugger.Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet, gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer der Papoea’sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk, dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg geheel verbruikt.Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee drijven te voorkomen. Van den Europeeschen sergeant Van der Valk, die den tocht met den luitenant ter zee Doorman had meegemaakt31, hadden wij bij den aanvang derpatrouille vernomen, dat op den linker rivieroever een strook strand beplant met tjemara’s was, en dat vroeger het “Strandbivak” daar was opgeslagen. De luit. ter zee Stroeve en ik hadden toen afgesproken om, voor het geval er op het schip moest worden gewacht, ook op dit punt een bivak in te richten.Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk, dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd, maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende, een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen, daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht, waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te kunnen verstrekken.Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst, wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin, die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den 7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting, en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8 uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug, maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin, ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken vijand in. Daar de Papoea’s uit deze streken niet voorzien zijn van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes, althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne, eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden en in al dien tijd niets genuttigd.Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen fuselier medegedeeld.Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselieren een dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen, zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.Mijn dagelijksch ziekenrapport.Mijn dagelijksch ziekenrapport.De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep, doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe zoutgehalte van het water.Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk worden. De stemming onder de menschen is down.9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van “kapal” (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas, een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van het schip.Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met het schip niet in orde is. Maar wat?± 4000 meter hoog (obs. punt C).± 4000 meter hoog (obs. punt C).10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen zien te krijgen.12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn; nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de reden der vertraging kan zijn.Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen, niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken echter geen aanstalten om over te steken.Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in aantocht is.Een gejuich van “sekarang hidoep”32gaat er op onder de leden van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel het zeker nog wel 2 à 3 uren duren zal, vóór we zoover zijn. Een veel-rook-gevend vuurtje wordt er aan het strand ontstoken en een roode deken als vlag opgestoken. De bevolking aan de overzijde is bij het in zicht komen van het schip snel verdwenen.Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der “Albatros”, wordt op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht naarAmbon.”Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden tijd voor den boeg.Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan (monding op 138° 35′ OL. en 3° 15′ ZBr.) zoover mogelijk, en daar een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en besloten decolonne te splitsen. ’s Morgens 6 uur vertrok de kapitein Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.Sterkte der colonne: 1Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier koortsgevallen.21 October. ’s Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier koortsgevallen.22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30 min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.23 October. Als gisteren. ’s Avonds passeert op weg naar Bataviabivak een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid vivres ook ’s nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet, zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. ’t Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten op weg.Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en krijg ik mooi helder zicht.In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de Zuid liggen.Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen, worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn “Prauwbivak” in te richten en dan maar wat verder te marcheeren. ’t Was jammer, want de Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren, terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een flink vivresmagazijn wordt gebouwd.Als alles klaar is, laat ik ’s middags de colonne indeelen voor het vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting, aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5½ KM. in 9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.27 October. ’s Nachts harde regen.7 Uur vertrek; kappen in Z.Z.W-richting; af en toe stukken diep moeras, dan weer stukken boschterrein zonder ondergroei. Even na eetrust, ten 12 uur 30 min. gaan wij den eersten heuvel op en komen na een zware klimpartij op den kam ± 400 meter hoog. Op den kam een goed beloopen Papoea-pad. Dalen in de voorgenomen marschrichting den heuvel weder aan de andere zijde af en maken ten 3 uur bivak aan een helder beekje.28 October. 6 uur 30. Op marsch. Kappen het pad verder in ZZW. richting; passeeren vele riviertjes, die alle om de West (!!) stroomen. Ten 11 uur zijn wij aan de uitloopers van het gebergte; stijgen zeer steil, om drie uur bereik ik den ± 1100 meter hoogen, zeer smallen bergrug, waar bivak gemaakt wordt. De staart der colonne komt pas om 5 uur aan.Aangezien deze kam Oost-West loopt en maar 1½ meter breed is, kan hier een prachtig uitzicht om de Zuid worden verkregen, zoodat hier het eerste vivresdepôt A wordt ingericht.Het transport dragers gaat onder dekking van 1 inl. korp. en 3 karabijnen terug naar Prauwbivak.Met den eur. serg., 1 karabijn, den inl. verkenner en eenige Dajaks blijf ik achter om hier observaties te doen.Dezen dag komt uit Bataviabivak aan in Prauwbivak een transport vivres en kleeding, sterk 29 man, zoodat mijn geheele troep nu bestaat uit: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 3 eur. sergeants, 2 inl. korporaals, 15 inl. fuseliers, 1 ziekenverpleger, 10 Dajaks en 56 dwangarbeiders, totaal 89 man.30 October. Kappen uitzicht en maken een boomstelling, ’s Middags helder uitzicht, dus een begin gemaakt met het peilingswerk. Dit bivak heeft eenbezwaar; er is geen water, zelfs niet tot ver in den omtrek. Gelukkig regent het elken nacht en vangen wij dan het water van de tenten op, zoodat wij geen gebrek hebben; het is hier na zonsondergang al vrij koud en wij kunnen onzen deken best velen.31 October. Peilingswerk; astronomische plaatsbepaling van het bivak.1 November. Regenachtig; slecht bergenzicht. Laat op den middag komen de Dajaks van het transport aan; deze taaie kerels zijn de verdere colonne een heel eind vooruit.2 November. Het transport komt aan; 1 europ. serg., 3 fuseliers en 47 dwangarbeiders. Tevens ontvang ik bericht, dat de exploratie tot ultimo Februari kan duren, zoodat kalm doorgewerkt kan worden.3 November. Transport van 26 dwangarbeiders onder dekking van 1 inl. korp. + 1 fuselier terug naar Prauwbivak.Mijn peilingswerk is hier nog niet gereed, zoodat ik een colonne laat doorkappen onder leiding van den inl. verkenner, met 1 eur. serg., 2 karabijnen, 10 Dajaks en 22 dwangarbeiders.Naar Prauwbivak wordt bericht gezonden aan den sergeant-bivakcommandant, om nog een transport van 20 dwangarbeiders naar depôt A te zenden. Daarna, na terugkomst van dit loop-transport, met 4 prauwen transport te gaan varen tusschen Bataviabivak en Prauwbivak, zoodat ik na terugkomst van dezen tocht levensmiddelen genoeg heb om dadelijk weer een nieuwen tocht te beginnen.Vanaf depôt A houd ik alleen als dragers 10 Dajaks en 25 uitgezochte dwangarbeiders; de rest der 56 dwangarbeiders is door de loop-transporten van Prauwbivak—Depôt A dusdanig in slechte conditie, dat zij verder in dit zware bergterrein niet meer goed bruikbaar zijn. De ziekenverpleger heeft het ook afgelegd, zoodat ik de gewonden verder weer zelf kan behandelen; enfin, dit deed ik al van 3 Juni af.4 November. Met eenige menschen in depôt A. Geen uitzicht. Mistig en koud.5 November. Geen uitzicht.6 November. Er komt een transport van depôt B aan, dat op den bergkam is gemaakt, ± 5 KM. verder om de Zuid; sterk 1 inl. fuselier, 10 Dajaks + 20 dwangarbeiders.’s Avonds krijg ik om de Zuid mooi uitzicht. Op ± 15 KM. ZZW. van dit punt is een kale hooge top, naar meting ongeveer 4000 M. hoog; duidelijk kan ik waarnemen, dat de kam, dien wij volgden, daarheen voert. Dien top zal ik derhalve beklimmen; het uitzicht vandaar zal loonend zijn, hoop ik.Hoewel nog niet geheel gereed met het peilingswerk, wordt besloten morgen door te gaan. Transport van Prauwbivak is nog niet aangekomen.7 November. Onder harden regen op weg: 1 luit.-t./zee, 1 karabijn,3310 Dajaks + 16 dwangarbeiders; ten 1 uur 30 min. in depôt B, een goed bivak met water in de nabijheid.Wij liggen een beetje in duigen: ik zelf en de Eur. sergeant hebben een flinken malaria-aanval, mijn verkenner heeft het in den buik.8 November. Transport loopen tusschen A en B.9 November. Met een kleine colonne, waaronder 10 Dajaks en 10 dwangarbeiders, kappen wij den weg verder; het is zeer zwaar begroeid bergterrein en wij schieten per dag niet meer dan 1½ KM. hemelsbreed op. Tegelijkertijd wordt tusschendepôtsA en B transport geloopen.10 November. Kappen door in zuidelijke richting, 1½ KM. zeer zwaar bergterrein met steile hellingen.11 November. Kappen verder; ten 11 uur komt een transport van 15 dwangarbeiders onder een Eur. serg. mij achterop. Het transport-loopen van A naar B is gereed gekomen. In depôt A is alleen eten achtergelaten, onbewaakt, voor den terugtocht.Ten 2 uur zijn wij na een stijve klim op een plateau aangekomen, waar een helder stroompje doorloopt. Daar ik volgens mijn kookthermometer hier op 2430 M. hoogte ben aangekomen, besluit ik hier mijn Hoofdbivak te maken en dan van dit bivak uit een tocht naar de 4000 meter, zonder verdere depôts aan te leggen.12 November. Transport terug naar depôt B: 1 inl. fuselier, 5 Dajaks, 19 dwangarbeiders.Nacht en dag zware regen.13 November. Kappen met den inl. verkenner en 5 Dajaks den weg verder.Ten 2 uur komt onder leiding van een Eur. serg. het transport van depôt B aan. In depôt B heeft hij achtergelaten 3 zieken (1 inl. fus. + 2 dwangarb.).14 November. ’s Morgens stuur ik 1 Eur. serg., 1 fuselier en 10 dwangarbeiders terug naar Prauwbivak. Zij zijn niet meer noodig en mijn aantal dagen rantsoen wordt hierdoor niet onbelangrijk uitgebreid; de zieken uit depôt B worden tevens medegenomen.Met 1 inl. verkenner, 1 Eur. serg., 1 fuselier, 10 Dajaks en 15 dwangarbeiders op marsch naar boven. 3 Inl. fuseliers worden achtergelaten als dekking van Hoofdbivak. Na een steilen klim bereiken wij een kam van 3000 meter hoogte.Legden vandaag ± 2 KM. af.15 November. Volgen, voortdurend een pad kappende, den kam, die weinig stijgt. Regen en windvlagen.Onze tenten zijn slecht geworden door het reeds langdurig gebruik, zoodat wij bij regen ’s nachts weinig slapen. En gaat het er niet doorheen, dan waait het wel onder onze afdakjes door.16 November. ’s Nachts zeer koud; ondanks denwollen deken, slaapt niemand; hout om een flink vuur te maken is niet meer te krijgen.’s Morgens weer met frisschen moed op marsch en reeds spoedig wordt een 3200 M. hooge top bereikt, die zich uitmuntend leent voor observatie’s. (Observatiepunt B, 3200 M.) Zoo goed mogelijk wordt hier bivak gemaakt.

Motorbivak (Rouffaerrivier).Motorbivak (Rouffaerrivier).21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen, teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea’s en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref; tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen en de toekomstplannen bespreken.Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40 KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30 KM. hemelsbreed verwijderd.Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot dezen tocht besloten werd.De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen laatsten tocht medemaken.22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen en keurig in orde gebracht.Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen, een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook boven het water.Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte zaden deden al dienst.Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden van Pionier bivak weg waren.24 Juli. ’s Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren ’s middags in Splitsingsbivak.25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en Juli, het eerste Prauwbivak.Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen, waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer 1 KM. verder dan het eerste.30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders ingericht. De Papoea’s varen in drie prauwen transport tusschen beide Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus niet met een leegen maag op marsch te gaan.Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt ’s middags bivak gemaakt op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen, dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne aanwezigheid duiden kan.10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om de Zuid te gaan loopen.14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men door mosspelonken loopt.17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb, om ze elken middag te verbinden.20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch den eindtocht kunnen beginnen.23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26enAugustus ten 8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de andere van den Centralen keten.Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz- en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en hetVanReesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top; in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte; combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend, onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers, welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak, zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen foto is dit duidelijk waar te nemen.De dagen gingen langzaam voorbij; ’s morgens bij het lichtworden om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud; dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren van sterren was door de koude ook geen sinecure.De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook was, het uitzicht ’s morgens vergoedde ruimschoots alles.Den 1enSeptember was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij plotseling op de helling van den bergketen bezuiden ons bivak rook en zagen wij duidelijk eenige huizen in het midden van lichtgroene plekken, ladangs.25Hier wonen dus weder menschen; vanuit de vlakte tot dezen top hadden wij nergens sporen van bewoning ontdekt, zoodat wij hier zonder twijfel met bergbewoners te doen hebben. De huizen stonden ongeveer op een 1500 M. hoogte.De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van 1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.Den 5enSeptember zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden; twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen wordt ’s morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk van een oogenbliken met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen, is reeds om den hoek verdwenen.De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen, was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1ePrauwbivak komen, waar de kapt. Schultz, die ’s morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen, op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.Bij aankomst in 1ePrauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in het Oude Splitsingsbivak.Den 6enSeptember kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog communicatie?Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste tochten achter den rug waren.Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200 M. schitterend geslaagd was26; dat hij om de N.W. de Wapoga had verkend en teruggegaan was om levensmiddelen te halen, teneinde een doorsteek te maken naar deze rivier (Wapoga), en zoodoende uit te komen aan de Geelvinckbaai. Teruggaande, was hij den 1en luitenant Ilgen27tegengekomen, die zich bij hem aansloot, zoodat Ilgen en Stroeve dezen tocht met een kleine colonne zouden aanvangen. Nu, wij hadden goede hoop, dat zij zouden slagen. Hierna zouden zij beiden weder den Mamberamo op naar Motorbivak komen, teneinde met ons hier het werk af te maken.Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was, om er een paar dagen te zijn.Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914 braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moetenworden. Toch wilde ik haar medenemen en liet de Papoea’s lange riemen maken, zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.’s Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea’s, die weder naar hunne kampongs zullen terugkeeren.Onze tent in het hooggebergte.Onze tent in het hooggebergte.Den 10en September ’14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel ongeschonden.De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in Motorbivak blijven.Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam be-Z.W. observatiepunt 428beklommen worden.15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder 11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts ½ K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel eind benedenstrooms van Motor bivak.9 October. ’s Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten bezuiden Kalongeiland beginnen.Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen ons allen speet, omdat het zoo’n buitengewoon gunstig gelegen bivak was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende Papoea’s, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door een Dajakschen mandau te stelen. ’t Werd gelukkiggezien en er werd krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd hier als volgt bepaald: ’s morgens een standbepaling in Motorbivak; ’s middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep: “prauwen in aantocht.” En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens 7 prauwen.Boven-Rouffaerrivier (even boven 2e Prauwbivak).Boven-Rouffaerrivier (even boven 2ePrauwbivak).Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van het Exploratiedetachement medemaakte.Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift van hetKon. Ned. Aard. Gen.verschenen en ontleend aan het journaal van Ilgen:29Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak, zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200 M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen wezen en verzocht den Detachementscommandant in het Pionierbivak, om op dien dag een Gouvernements-stoomer bij die monding te doen zijn, ten einde de colonne te doen afhalen. Men heeft zich echtermisrekend en deze verkenningstocht is een der zwaarste geworden van die, welke voor de exploratie van Nieuw-Guinee zijn gedaan en heeft daarbij het leven gekost van een onzer meest verdienstelijke verkenners. Ten einde diens nagedachtenis te eeren en aan onze lezers een goed denkbeeld te geven van de groote moeilijkheden en gevaren, welke bij zulke tochten door onze brave pioniers moeten worden overwonnen, zal ik30de beschrijving van de lotgevallen der colonne gedurende de laatste dagen hieronder woordelijk overnemen uit het journaal van Ilgen.Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving; dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk hulp verleenden,—schrijft Ilgen in zijn journaal verder:5 September. “Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken (die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne, nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we spoedig bereiken; doch als ten 12 uur ’s middags deze rivier nog niet is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij, die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is, zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te voeren en onsvlugnaar den riviermond te brengen. Het prauwtje zal ook ’s nachts doorroeien.Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van den mond verwijderd.Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting aangetroffen.6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de patrouille ’s avonds aan boord zijn.Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting moeten hebben.Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak moeten gaan.Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder zout toebereide eten bijna niet te genieten is.Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat het vlugger.Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet, gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer der Papoea’sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk, dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg geheel verbruikt.Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee drijven te voorkomen. Van den Europeeschen sergeant Van der Valk, die den tocht met den luitenant ter zee Doorman had meegemaakt31, hadden wij bij den aanvang derpatrouille vernomen, dat op den linker rivieroever een strook strand beplant met tjemara’s was, en dat vroeger het “Strandbivak” daar was opgeslagen. De luit. ter zee Stroeve en ik hadden toen afgesproken om, voor het geval er op het schip moest worden gewacht, ook op dit punt een bivak in te richten.Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk, dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd, maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende, een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen, daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht, waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te kunnen verstrekken.Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst, wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin, die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den 7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting, en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8 uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug, maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin, ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken vijand in. Daar de Papoea’s uit deze streken niet voorzien zijn van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes, althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne, eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden en in al dien tijd niets genuttigd.Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen fuselier medegedeeld.Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselieren een dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen, zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.Mijn dagelijksch ziekenrapport.Mijn dagelijksch ziekenrapport.De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep, doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe zoutgehalte van het water.Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk worden. De stemming onder de menschen is down.9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van “kapal” (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas, een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van het schip.Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met het schip niet in orde is. Maar wat?± 4000 meter hoog (obs. punt C).± 4000 meter hoog (obs. punt C).10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen zien te krijgen.12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn; nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de reden der vertraging kan zijn.Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen, niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken echter geen aanstalten om over te steken.Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in aantocht is.Een gejuich van “sekarang hidoep”32gaat er op onder de leden van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel het zeker nog wel 2 à 3 uren duren zal, vóór we zoover zijn. Een veel-rook-gevend vuurtje wordt er aan het strand ontstoken en een roode deken als vlag opgestoken. De bevolking aan de overzijde is bij het in zicht komen van het schip snel verdwenen.Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der “Albatros”, wordt op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht naarAmbon.”Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden tijd voor den boeg.Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan (monding op 138° 35′ OL. en 3° 15′ ZBr.) zoover mogelijk, en daar een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en besloten decolonne te splitsen. ’s Morgens 6 uur vertrok de kapitein Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.Sterkte der colonne: 1Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier koortsgevallen.21 October. ’s Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier koortsgevallen.22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30 min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.23 October. Als gisteren. ’s Avonds passeert op weg naar Bataviabivak een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid vivres ook ’s nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet, zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. ’t Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten op weg.Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en krijg ik mooi helder zicht.In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de Zuid liggen.Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen, worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn “Prauwbivak” in te richten en dan maar wat verder te marcheeren. ’t Was jammer, want de Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren, terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een flink vivresmagazijn wordt gebouwd.Als alles klaar is, laat ik ’s middags de colonne indeelen voor het vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting, aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5½ KM. in 9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.27 October. ’s Nachts harde regen.7 Uur vertrek; kappen in Z.Z.W-richting; af en toe stukken diep moeras, dan weer stukken boschterrein zonder ondergroei. Even na eetrust, ten 12 uur 30 min. gaan wij den eersten heuvel op en komen na een zware klimpartij op den kam ± 400 meter hoog. Op den kam een goed beloopen Papoea-pad. Dalen in de voorgenomen marschrichting den heuvel weder aan de andere zijde af en maken ten 3 uur bivak aan een helder beekje.28 October. 6 uur 30. Op marsch. Kappen het pad verder in ZZW. richting; passeeren vele riviertjes, die alle om de West (!!) stroomen. Ten 11 uur zijn wij aan de uitloopers van het gebergte; stijgen zeer steil, om drie uur bereik ik den ± 1100 meter hoogen, zeer smallen bergrug, waar bivak gemaakt wordt. De staart der colonne komt pas om 5 uur aan.Aangezien deze kam Oost-West loopt en maar 1½ meter breed is, kan hier een prachtig uitzicht om de Zuid worden verkregen, zoodat hier het eerste vivresdepôt A wordt ingericht.Het transport dragers gaat onder dekking van 1 inl. korp. en 3 karabijnen terug naar Prauwbivak.Met den eur. serg., 1 karabijn, den inl. verkenner en eenige Dajaks blijf ik achter om hier observaties te doen.Dezen dag komt uit Bataviabivak aan in Prauwbivak een transport vivres en kleeding, sterk 29 man, zoodat mijn geheele troep nu bestaat uit: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 3 eur. sergeants, 2 inl. korporaals, 15 inl. fuseliers, 1 ziekenverpleger, 10 Dajaks en 56 dwangarbeiders, totaal 89 man.30 October. Kappen uitzicht en maken een boomstelling, ’s Middags helder uitzicht, dus een begin gemaakt met het peilingswerk. Dit bivak heeft eenbezwaar; er is geen water, zelfs niet tot ver in den omtrek. Gelukkig regent het elken nacht en vangen wij dan het water van de tenten op, zoodat wij geen gebrek hebben; het is hier na zonsondergang al vrij koud en wij kunnen onzen deken best velen.31 October. Peilingswerk; astronomische plaatsbepaling van het bivak.1 November. Regenachtig; slecht bergenzicht. Laat op den middag komen de Dajaks van het transport aan; deze taaie kerels zijn de verdere colonne een heel eind vooruit.2 November. Het transport komt aan; 1 europ. serg., 3 fuseliers en 47 dwangarbeiders. Tevens ontvang ik bericht, dat de exploratie tot ultimo Februari kan duren, zoodat kalm doorgewerkt kan worden.3 November. Transport van 26 dwangarbeiders onder dekking van 1 inl. korp. + 1 fuselier terug naar Prauwbivak.Mijn peilingswerk is hier nog niet gereed, zoodat ik een colonne laat doorkappen onder leiding van den inl. verkenner, met 1 eur. serg., 2 karabijnen, 10 Dajaks en 22 dwangarbeiders.Naar Prauwbivak wordt bericht gezonden aan den sergeant-bivakcommandant, om nog een transport van 20 dwangarbeiders naar depôt A te zenden. Daarna, na terugkomst van dit loop-transport, met 4 prauwen transport te gaan varen tusschen Bataviabivak en Prauwbivak, zoodat ik na terugkomst van dezen tocht levensmiddelen genoeg heb om dadelijk weer een nieuwen tocht te beginnen.Vanaf depôt A houd ik alleen als dragers 10 Dajaks en 25 uitgezochte dwangarbeiders; de rest der 56 dwangarbeiders is door de loop-transporten van Prauwbivak—Depôt A dusdanig in slechte conditie, dat zij verder in dit zware bergterrein niet meer goed bruikbaar zijn. De ziekenverpleger heeft het ook afgelegd, zoodat ik de gewonden verder weer zelf kan behandelen; enfin, dit deed ik al van 3 Juni af.4 November. Met eenige menschen in depôt A. Geen uitzicht. Mistig en koud.5 November. Geen uitzicht.6 November. Er komt een transport van depôt B aan, dat op den bergkam is gemaakt, ± 5 KM. verder om de Zuid; sterk 1 inl. fuselier, 10 Dajaks + 20 dwangarbeiders.’s Avonds krijg ik om de Zuid mooi uitzicht. Op ± 15 KM. ZZW. van dit punt is een kale hooge top, naar meting ongeveer 4000 M. hoog; duidelijk kan ik waarnemen, dat de kam, dien wij volgden, daarheen voert. Dien top zal ik derhalve beklimmen; het uitzicht vandaar zal loonend zijn, hoop ik.Hoewel nog niet geheel gereed met het peilingswerk, wordt besloten morgen door te gaan. Transport van Prauwbivak is nog niet aangekomen.7 November. Onder harden regen op weg: 1 luit.-t./zee, 1 karabijn,3310 Dajaks + 16 dwangarbeiders; ten 1 uur 30 min. in depôt B, een goed bivak met water in de nabijheid.Wij liggen een beetje in duigen: ik zelf en de Eur. sergeant hebben een flinken malaria-aanval, mijn verkenner heeft het in den buik.8 November. Transport loopen tusschen A en B.9 November. Met een kleine colonne, waaronder 10 Dajaks en 10 dwangarbeiders, kappen wij den weg verder; het is zeer zwaar begroeid bergterrein en wij schieten per dag niet meer dan 1½ KM. hemelsbreed op. Tegelijkertijd wordt tusschendepôtsA en B transport geloopen.10 November. Kappen door in zuidelijke richting, 1½ KM. zeer zwaar bergterrein met steile hellingen.11 November. Kappen verder; ten 11 uur komt een transport van 15 dwangarbeiders onder een Eur. serg. mij achterop. Het transport-loopen van A naar B is gereed gekomen. In depôt A is alleen eten achtergelaten, onbewaakt, voor den terugtocht.Ten 2 uur zijn wij na een stijve klim op een plateau aangekomen, waar een helder stroompje doorloopt. Daar ik volgens mijn kookthermometer hier op 2430 M. hoogte ben aangekomen, besluit ik hier mijn Hoofdbivak te maken en dan van dit bivak uit een tocht naar de 4000 meter, zonder verdere depôts aan te leggen.12 November. Transport terug naar depôt B: 1 inl. fuselier, 5 Dajaks, 19 dwangarbeiders.Nacht en dag zware regen.13 November. Kappen met den inl. verkenner en 5 Dajaks den weg verder.Ten 2 uur komt onder leiding van een Eur. serg. het transport van depôt B aan. In depôt B heeft hij achtergelaten 3 zieken (1 inl. fus. + 2 dwangarb.).14 November. ’s Morgens stuur ik 1 Eur. serg., 1 fuselier en 10 dwangarbeiders terug naar Prauwbivak. Zij zijn niet meer noodig en mijn aantal dagen rantsoen wordt hierdoor niet onbelangrijk uitgebreid; de zieken uit depôt B worden tevens medegenomen.Met 1 inl. verkenner, 1 Eur. serg., 1 fuselier, 10 Dajaks en 15 dwangarbeiders op marsch naar boven. 3 Inl. fuseliers worden achtergelaten als dekking van Hoofdbivak. Na een steilen klim bereiken wij een kam van 3000 meter hoogte.Legden vandaag ± 2 KM. af.15 November. Volgen, voortdurend een pad kappende, den kam, die weinig stijgt. Regen en windvlagen.Onze tenten zijn slecht geworden door het reeds langdurig gebruik, zoodat wij bij regen ’s nachts weinig slapen. En gaat het er niet doorheen, dan waait het wel onder onze afdakjes door.16 November. ’s Nachts zeer koud; ondanks denwollen deken, slaapt niemand; hout om een flink vuur te maken is niet meer te krijgen.’s Morgens weer met frisschen moed op marsch en reeds spoedig wordt een 3200 M. hooge top bereikt, die zich uitmuntend leent voor observatie’s. (Observatiepunt B, 3200 M.) Zoo goed mogelijk wordt hier bivak gemaakt.

Motorbivak (Rouffaerrivier).Motorbivak (Rouffaerrivier).

Motorbivak (Rouffaerrivier).

21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen, teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea’s en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.

Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.

4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref; tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen en de toekomstplannen bespreken.

Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40 KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30 KM. hemelsbreed verwijderd.

Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot dezen tocht besloten werd.

De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen laatsten tocht medemaken.

22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen en keurig in orde gebracht.

Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen, een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook boven het water.

Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte zaden deden al dienst.

Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.

Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.

De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden van Pionier bivak weg waren.

24 Juli. ’s Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren ’s middags in Splitsingsbivak.

25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.

Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en Juli, het eerste Prauwbivak.

Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.

Op 2650 Meter, Links schrijver dezes (luitenant-ter-zee Doorman), rechts de Inl. verkenner.

28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.

29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen, waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer 1 KM. verder dan het eerste.

30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders ingericht. De Papoea’s varen in drie prauwen transport tusschen beide Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.

Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.

1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus niet met een leegen maag op marsch te gaan.

Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt ’s middags bivak gemaakt op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.

3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.

De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.

7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen, dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.

Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne aanwezigheid duiden kan.

10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om de Zuid te gaan loopen.

14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men door mosspelonken loopt.

17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.

19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb, om ze elken middag te verbinden.

20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)

22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch den eindtocht kunnen beginnen.

23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26enAugustus ten 8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de andere van den Centralen keten.

Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz- en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en hetVanReesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.

Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.

Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.

Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top; in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte; combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend, onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers, welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak, zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.

Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen foto is dit duidelijk waar te nemen.

De dagen gingen langzaam voorbij; ’s morgens bij het lichtworden om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud; dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren van sterren was door de koude ook geen sinecure.

De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook was, het uitzicht ’s morgens vergoedde ruimschoots alles.

Den 1enSeptember was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij plotseling op de helling van den bergketen bezuiden ons bivak rook en zagen wij duidelijk eenige huizen in het midden van lichtgroene plekken, ladangs.25Hier wonen dus weder menschen; vanuit de vlakte tot dezen top hadden wij nergens sporen van bewoning ontdekt, zoodat wij hier zonder twijfel met bergbewoners te doen hebben. De huizen stonden ongeveer op een 1500 M. hoogte.

De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van 1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.

Den 5enSeptember zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden; twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen wordt ’s morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk van een oogenbliken met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen, is reeds om den hoek verdwenen.

De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen, was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1ePrauwbivak komen, waar de kapt. Schultz, die ’s morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen, op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.

Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.

Dwangarbeidersbivak op 2650 meter.

Bij aankomst in 1ePrauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.

Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in het Oude Splitsingsbivak.

Den 6enSeptember kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog communicatie?

Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste tochten achter den rug waren.

Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200 M. schitterend geslaagd was26; dat hij om de N.W. de Wapoga had verkend en teruggegaan was om levensmiddelen te halen, teneinde een doorsteek te maken naar deze rivier (Wapoga), en zoodoende uit te komen aan de Geelvinckbaai. Teruggaande, was hij den 1en luitenant Ilgen27tegengekomen, die zich bij hem aansloot, zoodat Ilgen en Stroeve dezen tocht met een kleine colonne zouden aanvangen. Nu, wij hadden goede hoop, dat zij zouden slagen. Hierna zouden zij beiden weder den Mamberamo op naar Motorbivak komen, teneinde met ons hier het werk af te maken.

Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was, om er een paar dagen te zijn.

Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914 braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moetenworden. Toch wilde ik haar medenemen en liet de Papoea’s lange riemen maken, zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.

’s Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.

De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea’s, die weder naar hunne kampongs zullen terugkeeren.

Onze tent in het hooggebergte.Onze tent in het hooggebergte.

Onze tent in het hooggebergte.

Den 10en September ’14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel ongeschonden.

De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in Motorbivak blijven.

Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.

Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam be-Z.W. observatiepunt 428beklommen worden.

15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder 11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts ½ K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel eind benedenstrooms van Motor bivak.

9 October. ’s Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten bezuiden Kalongeiland beginnen.

Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen ons allen speet, omdat het zoo’n buitengewoon gunstig gelegen bivak was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende Papoea’s, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door een Dajakschen mandau te stelen. ’t Werd gelukkiggezien en er werd krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.

Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd hier als volgt bepaald: ’s morgens een standbepaling in Motorbivak; ’s middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.

In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.

Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep: “prauwen in aantocht.” En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens 7 prauwen.

Boven-Rouffaerrivier (even boven 2e Prauwbivak).Boven-Rouffaerrivier (even boven 2ePrauwbivak).

Boven-Rouffaerrivier (even boven 2ePrauwbivak).

Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van het Exploratiedetachement medemaakte.

Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.

Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.

Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift van hetKon. Ned. Aard. Gen.verschenen en ontleend aan het journaal van Ilgen:29

Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak, zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.

Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200 M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.

De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen wezen en verzocht den Detachementscommandant in het Pionierbivak, om op dien dag een Gouvernements-stoomer bij die monding te doen zijn, ten einde de colonne te doen afhalen. Men heeft zich echtermisrekend en deze verkenningstocht is een der zwaarste geworden van die, welke voor de exploratie van Nieuw-Guinee zijn gedaan en heeft daarbij het leven gekost van een onzer meest verdienstelijke verkenners. Ten einde diens nagedachtenis te eeren en aan onze lezers een goed denkbeeld te geven van de groote moeilijkheden en gevaren, welke bij zulke tochten door onze brave pioniers moeten worden overwonnen, zal ik30de beschrijving van de lotgevallen der colonne gedurende de laatste dagen hieronder woordelijk overnemen uit het journaal van Ilgen.

Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving; dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk hulp verleenden,—schrijft Ilgen in zijn journaal verder:

5 September. “Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken (die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne, nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.

De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we spoedig bereiken; doch als ten 12 uur ’s middags deze rivier nog niet is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij, die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is, zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te voeren en onsvlugnaar den riviermond te brengen. Het prauwtje zal ook ’s nachts doorroeien.

Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.

Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van den mond verwijderd.

Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.

Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting aangetroffen.

6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de patrouille ’s avonds aan boord zijn.

Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting moeten hebben.

Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak moeten gaan.

Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder zout toebereide eten bijna niet te genieten is.

Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.

7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat het vlugger.

Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet, gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer der Papoea’sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk, dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg geheel verbruikt.

Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee drijven te voorkomen. Van den Europeeschen sergeant Van der Valk, die den tocht met den luitenant ter zee Doorman had meegemaakt31, hadden wij bij den aanvang derpatrouille vernomen, dat op den linker rivieroever een strook strand beplant met tjemara’s was, en dat vroeger het “Strandbivak” daar was opgeslagen. De luit. ter zee Stroeve en ik hadden toen afgesproken om, voor het geval er op het schip moest worden gewacht, ook op dit punt een bivak in te richten.

Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk, dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd, maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende, een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen, daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.

8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht, waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te kunnen verstrekken.

Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst, wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.

Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin, die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den 7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.

Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting, en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8 uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug, maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.

Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin, ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken vijand in. Daar de Papoea’s uit deze streken niet voorzien zijn van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes, althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.

Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne, eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden en in al dien tijd niets genuttigd.

Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen fuselier medegedeeld.

Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselieren een dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen, zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.

Mijn dagelijksch ziekenrapport.Mijn dagelijksch ziekenrapport.

Mijn dagelijksch ziekenrapport.

De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep, doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe zoutgehalte van het water.

Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk worden. De stemming onder de menschen is down.

9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van “kapal” (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas, een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van het schip.

Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met het schip niet in orde is. Maar wat?

± 4000 meter hoog (obs. punt C).± 4000 meter hoog (obs. punt C).

± 4000 meter hoog (obs. punt C).

10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen zien te krijgen.

12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn; nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de reden der vertraging kan zijn.

Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen, niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken echter geen aanstalten om over te steken.

Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in aantocht is.

Een gejuich van “sekarang hidoep”32gaat er op onder de leden van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel het zeker nog wel 2 à 3 uren duren zal, vóór we zoover zijn. Een veel-rook-gevend vuurtje wordt er aan het strand ontstoken en een roode deken als vlag opgestoken. De bevolking aan de overzijde is bij het in zicht komen van het schip snel verdwenen.

Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der “Albatros”, wordt op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht naarAmbon.”

Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.

Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden tijd voor den boeg.

Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.

Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan (monding op 138° 35′ OL. en 3° 15′ ZBr.) zoover mogelijk, en daar een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.

Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en besloten decolonne te splitsen. ’s Morgens 6 uur vertrok de kapitein Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.

Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.

Sterkte der colonne: 1Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.

Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier koortsgevallen.

21 October. ’s Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.

Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier koortsgevallen.

22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30 min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.

23 October. Als gisteren. ’s Avonds passeert op weg naar Bataviabivak een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid vivres ook ’s nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet, zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. ’t Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten op weg.

Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en krijg ik mooi helder zicht.

In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de Zuid liggen.

Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen, worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn “Prauwbivak” in te richten en dan maar wat verder te marcheeren. ’t Was jammer, want de Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren, terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.

Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een flink vivresmagazijn wordt gebouwd.

Als alles klaar is, laat ik ’s middags de colonne indeelen voor het vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.

26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting, aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers, 1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.

Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.

Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5½ KM. in 9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.

27 October. ’s Nachts harde regen.

7 Uur vertrek; kappen in Z.Z.W-richting; af en toe stukken diep moeras, dan weer stukken boschterrein zonder ondergroei. Even na eetrust, ten 12 uur 30 min. gaan wij den eersten heuvel op en komen na een zware klimpartij op den kam ± 400 meter hoog. Op den kam een goed beloopen Papoea-pad. Dalen in de voorgenomen marschrichting den heuvel weder aan de andere zijde af en maken ten 3 uur bivak aan een helder beekje.

28 October. 6 uur 30. Op marsch. Kappen het pad verder in ZZW. richting; passeeren vele riviertjes, die alle om de West (!!) stroomen. Ten 11 uur zijn wij aan de uitloopers van het gebergte; stijgen zeer steil, om drie uur bereik ik den ± 1100 meter hoogen, zeer smallen bergrug, waar bivak gemaakt wordt. De staart der colonne komt pas om 5 uur aan.

Aangezien deze kam Oost-West loopt en maar 1½ meter breed is, kan hier een prachtig uitzicht om de Zuid worden verkregen, zoodat hier het eerste vivresdepôt A wordt ingericht.

Het transport dragers gaat onder dekking van 1 inl. korp. en 3 karabijnen terug naar Prauwbivak.

Met den eur. serg., 1 karabijn, den inl. verkenner en eenige Dajaks blijf ik achter om hier observaties te doen.

Dezen dag komt uit Bataviabivak aan in Prauwbivak een transport vivres en kleeding, sterk 29 man, zoodat mijn geheele troep nu bestaat uit: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 3 eur. sergeants, 2 inl. korporaals, 15 inl. fuseliers, 1 ziekenverpleger, 10 Dajaks en 56 dwangarbeiders, totaal 89 man.

30 October. Kappen uitzicht en maken een boomstelling, ’s Middags helder uitzicht, dus een begin gemaakt met het peilingswerk. Dit bivak heeft eenbezwaar; er is geen water, zelfs niet tot ver in den omtrek. Gelukkig regent het elken nacht en vangen wij dan het water van de tenten op, zoodat wij geen gebrek hebben; het is hier na zonsondergang al vrij koud en wij kunnen onzen deken best velen.

31 October. Peilingswerk; astronomische plaatsbepaling van het bivak.

1 November. Regenachtig; slecht bergenzicht. Laat op den middag komen de Dajaks van het transport aan; deze taaie kerels zijn de verdere colonne een heel eind vooruit.

2 November. Het transport komt aan; 1 europ. serg., 3 fuseliers en 47 dwangarbeiders. Tevens ontvang ik bericht, dat de exploratie tot ultimo Februari kan duren, zoodat kalm doorgewerkt kan worden.

3 November. Transport van 26 dwangarbeiders onder dekking van 1 inl. korp. + 1 fuselier terug naar Prauwbivak.

Mijn peilingswerk is hier nog niet gereed, zoodat ik een colonne laat doorkappen onder leiding van den inl. verkenner, met 1 eur. serg., 2 karabijnen, 10 Dajaks en 22 dwangarbeiders.

Naar Prauwbivak wordt bericht gezonden aan den sergeant-bivakcommandant, om nog een transport van 20 dwangarbeiders naar depôt A te zenden. Daarna, na terugkomst van dit loop-transport, met 4 prauwen transport te gaan varen tusschen Bataviabivak en Prauwbivak, zoodat ik na terugkomst van dezen tocht levensmiddelen genoeg heb om dadelijk weer een nieuwen tocht te beginnen.

Vanaf depôt A houd ik alleen als dragers 10 Dajaks en 25 uitgezochte dwangarbeiders; de rest der 56 dwangarbeiders is door de loop-transporten van Prauwbivak—Depôt A dusdanig in slechte conditie, dat zij verder in dit zware bergterrein niet meer goed bruikbaar zijn. De ziekenverpleger heeft het ook afgelegd, zoodat ik de gewonden verder weer zelf kan behandelen; enfin, dit deed ik al van 3 Juni af.

4 November. Met eenige menschen in depôt A. Geen uitzicht. Mistig en koud.

5 November. Geen uitzicht.

6 November. Er komt een transport van depôt B aan, dat op den bergkam is gemaakt, ± 5 KM. verder om de Zuid; sterk 1 inl. fuselier, 10 Dajaks + 20 dwangarbeiders.

’s Avonds krijg ik om de Zuid mooi uitzicht. Op ± 15 KM. ZZW. van dit punt is een kale hooge top, naar meting ongeveer 4000 M. hoog; duidelijk kan ik waarnemen, dat de kam, dien wij volgden, daarheen voert. Dien top zal ik derhalve beklimmen; het uitzicht vandaar zal loonend zijn, hoop ik.

Hoewel nog niet geheel gereed met het peilingswerk, wordt besloten morgen door te gaan. Transport van Prauwbivak is nog niet aangekomen.

7 November. Onder harden regen op weg: 1 luit.-t./zee, 1 karabijn,3310 Dajaks + 16 dwangarbeiders; ten 1 uur 30 min. in depôt B, een goed bivak met water in de nabijheid.

Wij liggen een beetje in duigen: ik zelf en de Eur. sergeant hebben een flinken malaria-aanval, mijn verkenner heeft het in den buik.

8 November. Transport loopen tusschen A en B.

9 November. Met een kleine colonne, waaronder 10 Dajaks en 10 dwangarbeiders, kappen wij den weg verder; het is zeer zwaar begroeid bergterrein en wij schieten per dag niet meer dan 1½ KM. hemelsbreed op. Tegelijkertijd wordt tusschendepôtsA en B transport geloopen.

10 November. Kappen door in zuidelijke richting, 1½ KM. zeer zwaar bergterrein met steile hellingen.

11 November. Kappen verder; ten 11 uur komt een transport van 15 dwangarbeiders onder een Eur. serg. mij achterop. Het transport-loopen van A naar B is gereed gekomen. In depôt A is alleen eten achtergelaten, onbewaakt, voor den terugtocht.

Ten 2 uur zijn wij na een stijve klim op een plateau aangekomen, waar een helder stroompje doorloopt. Daar ik volgens mijn kookthermometer hier op 2430 M. hoogte ben aangekomen, besluit ik hier mijn Hoofdbivak te maken en dan van dit bivak uit een tocht naar de 4000 meter, zonder verdere depôts aan te leggen.

12 November. Transport terug naar depôt B: 1 inl. fuselier, 5 Dajaks, 19 dwangarbeiders.

Nacht en dag zware regen.

13 November. Kappen met den inl. verkenner en 5 Dajaks den weg verder.

Ten 2 uur komt onder leiding van een Eur. serg. het transport van depôt B aan. In depôt B heeft hij achtergelaten 3 zieken (1 inl. fus. + 2 dwangarb.).

14 November. ’s Morgens stuur ik 1 Eur. serg., 1 fuselier en 10 dwangarbeiders terug naar Prauwbivak. Zij zijn niet meer noodig en mijn aantal dagen rantsoen wordt hierdoor niet onbelangrijk uitgebreid; de zieken uit depôt B worden tevens medegenomen.

Met 1 inl. verkenner, 1 Eur. serg., 1 fuselier, 10 Dajaks en 15 dwangarbeiders op marsch naar boven. 3 Inl. fuseliers worden achtergelaten als dekking van Hoofdbivak. Na een steilen klim bereiken wij een kam van 3000 meter hoogte.

Legden vandaag ± 2 KM. af.

15 November. Volgen, voortdurend een pad kappende, den kam, die weinig stijgt. Regen en windvlagen.

Onze tenten zijn slecht geworden door het reeds langdurig gebruik, zoodat wij bij regen ’s nachts weinig slapen. En gaat het er niet doorheen, dan waait het wel onder onze afdakjes door.

16 November. ’s Nachts zeer koud; ondanks denwollen deken, slaapt niemand; hout om een flink vuur te maken is niet meer te krijgen.

’s Morgens weer met frisschen moed op marsch en reeds spoedig wordt een 3200 M. hooge top bereikt, die zich uitmuntend leent voor observatie’s. (Observatiepunt B, 3200 M.) Zoo goed mogelijk wordt hier bivak gemaakt.


Back to IndexNext