Chapter 7

Obs. punt B. (3200 meter).Obs. punt B. (3200 meter).De begroeiing bestaat uit lage struikjes; ik heb hier een prachtig uitzicht. Het bivak maken gaat er door gebrek aan hout moeilijk. Morgen heb ik nog 7 dagen vivres over; door nu een gedeelte der dragers terug te zenden naar Prauwbivak houd ik minstens 14 dagen levensmiddelen over om van Hoofdbivak weg te blijven. De Dajaks verzoeken om te mogen blijven, ten einde den hoogen top mede te beklimmen.Het uitzicht is hier schitterend; in het Noorden zien wij duidelijk de samenvloeiing van Idenburg- en Van der Willigenrivier (Kalongeiland), zoodat de lengtebepaling weder zeer nauwkeurig wordt. De breedtebepaling is onafhankelijk van de tijdmeters, zooals te voren reeds is medegedeeld.In het kort was de werkwijze als volgt:Magnetische peiling met boussole-tranche-montagne op Kalongeiland; breedtebepaling op sterren. Dit geeft een voorloopige plaats op breedte en lengte. Met deze plaats een standbepaling op de zon ter verifiëering der tijdmeters. Deze nieuwe stand wordt gebruikt om een astronomische peiling te nemen, ter bepaling van één zuivereastron.richting en dermagn.variatie; dus tevens wordt hiermede de ware astronomische richting van Kalongeiland bepaald. De juiste ware plaats van observatiepunt B wordt nu opnieuw uitgerekend. Deze geheele verbetering kan men, indien men groote verschillen vindt tusschen voorloopige en ware plaats, nogmaals herhalen.Vanaf observatiepunt B. was de Wilhelminatop (sneeuw) te peilen, in ongeveer Z. ¼ O. richting. De hoogte van den Wilhelminatop klopte precies, doch de peilingslijn liep er iets langs.17 November. Transport 1 fus. + 12 dwangarbeiders terug naar Hoofdbivak; vandaar met de dekking door naar Prauwbivak, dus 4 inl. fus. + 12 dwangarbeiders.Door 5 Dajaks laat ik het pad verder kappen; de weg wijst zich vanzelf en de verkenner en ik hebben het te druk met peilingswerk.Onze colonne is nu nog sterk: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur.sergeant, 10 Dajaks en 3 dwangarbeiders. Totaal 16 man.De geheele etappenlijn is nu zonder bezetting, in alle bivaks ligt echter ruim voldoende eten voor den terugtocht.’s Nachts wordt in een fellen, kouden wind een astronomische plaatsbepaling genomen.18 November. Astronomische peiling. Standbepaling tijdmeters. De Dajaks kappen het pad verder. Peilingswerk.19 November. De geheele Centrale keten is nu te zien: Wilhelminatop, Rhumphius keten, enz.Vandaag kom ik met het peilingswerk gereed.20 November. Vertrek naar den hoogen top. (Observatiepunt C.)’t Is een steile klim en ’t valt den verkenner en mij bijzonder moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door, op meer of minder zware patrouilles.Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig water in de buurt.Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden steilen top.21 November, ’s Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste punt, 3810 M. hoog.Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had, is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting wordt verkregen.Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking; een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker dalen wij weder naar ons bivak af.± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).22 November. ’s Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten, tot de dag weer aanbreekt.Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals: Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte.In het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een bergrivier naar de meervlakte stroomt.De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte) in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen nemen.23 November. Terug naar observatiepunt B. Peilingen.24 November. Peilingen.25 November. Terug naar Hoofdbivak.26 November. In vivresdepôt B.27/28 November. In depôt A.29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak, zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres had weggezonden.’t Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen, kon nu niet meer doorgaan.1–3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar Bataviabivak.4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman), hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle voorwerpen, ’s Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere, groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak en komen op eigen kracht aan.7–8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt, bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals wordt proefgestoomd.9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige dagen later verschijnt ook plotseling de groote.In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6½ maand achtereen vandaan was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem achternagestuurd, om hemterugte roepen.De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.Den 25en December brengt het G. ss. “Albatros” ons met mijne laatste colonne naar Manokwari.Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier D der Van Daalenrivier.Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor; in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken; in den aard der lieden echter wel.Bevolking. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd, hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.Kleeding en versierselen. De mannen dragen om het middel eenige dunne gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is; echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking, alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi; tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd, nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en bruine vruchtenpitjes.Op het voorhoofd een versiering van gepolijste varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het neustusschenschot een horizontaal stukje hout.Door den oorlel, eenige tot een △ gebogen casuarispennen, de △ wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in het dikke te steken.Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met koppen en pooten van vogels.Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort, zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is, met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als bij de mannen.Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.Wapens. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden niet gezien.Voedingsmiddelen. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten boombast.Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier, werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.Vaartuigen. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water, zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den platten overhangenden boeg is een rondgat, waardoor een boomstok wordt gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm, terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als pagaai dienst doet.Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvan zij gebruik maken om bovenstrooms te komen. Zij zakken dan af op vlotjes, zooals ik reeds uitvoerig beschreef.34Jacht. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën, is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van strikken maken.Pionierbivak.Pionierbivak.Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.Vischvangst. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan of van doorntakjes vervaardigd.Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt kleine schuttingen (een soort sero’s) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero’s gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in den bandjirtijd.Werktuigen. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea’s fel waren op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.Huizen. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed; dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën, en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet waarschijnlijk voor.Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.

Obs. punt B. (3200 meter).Obs. punt B. (3200 meter).De begroeiing bestaat uit lage struikjes; ik heb hier een prachtig uitzicht. Het bivak maken gaat er door gebrek aan hout moeilijk. Morgen heb ik nog 7 dagen vivres over; door nu een gedeelte der dragers terug te zenden naar Prauwbivak houd ik minstens 14 dagen levensmiddelen over om van Hoofdbivak weg te blijven. De Dajaks verzoeken om te mogen blijven, ten einde den hoogen top mede te beklimmen.Het uitzicht is hier schitterend; in het Noorden zien wij duidelijk de samenvloeiing van Idenburg- en Van der Willigenrivier (Kalongeiland), zoodat de lengtebepaling weder zeer nauwkeurig wordt. De breedtebepaling is onafhankelijk van de tijdmeters, zooals te voren reeds is medegedeeld.In het kort was de werkwijze als volgt:Magnetische peiling met boussole-tranche-montagne op Kalongeiland; breedtebepaling op sterren. Dit geeft een voorloopige plaats op breedte en lengte. Met deze plaats een standbepaling op de zon ter verifiëering der tijdmeters. Deze nieuwe stand wordt gebruikt om een astronomische peiling te nemen, ter bepaling van één zuivereastron.richting en dermagn.variatie; dus tevens wordt hiermede de ware astronomische richting van Kalongeiland bepaald. De juiste ware plaats van observatiepunt B wordt nu opnieuw uitgerekend. Deze geheele verbetering kan men, indien men groote verschillen vindt tusschen voorloopige en ware plaats, nogmaals herhalen.Vanaf observatiepunt B. was de Wilhelminatop (sneeuw) te peilen, in ongeveer Z. ¼ O. richting. De hoogte van den Wilhelminatop klopte precies, doch de peilingslijn liep er iets langs.17 November. Transport 1 fus. + 12 dwangarbeiders terug naar Hoofdbivak; vandaar met de dekking door naar Prauwbivak, dus 4 inl. fus. + 12 dwangarbeiders.Door 5 Dajaks laat ik het pad verder kappen; de weg wijst zich vanzelf en de verkenner en ik hebben het te druk met peilingswerk.Onze colonne is nu nog sterk: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur.sergeant, 10 Dajaks en 3 dwangarbeiders. Totaal 16 man.De geheele etappenlijn is nu zonder bezetting, in alle bivaks ligt echter ruim voldoende eten voor den terugtocht.’s Nachts wordt in een fellen, kouden wind een astronomische plaatsbepaling genomen.18 November. Astronomische peiling. Standbepaling tijdmeters. De Dajaks kappen het pad verder. Peilingswerk.19 November. De geheele Centrale keten is nu te zien: Wilhelminatop, Rhumphius keten, enz.Vandaag kom ik met het peilingswerk gereed.20 November. Vertrek naar den hoogen top. (Observatiepunt C.)’t Is een steile klim en ’t valt den verkenner en mij bijzonder moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door, op meer of minder zware patrouilles.Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig water in de buurt.Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden steilen top.21 November, ’s Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste punt, 3810 M. hoog.Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had, is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting wordt verkregen.Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking; een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker dalen wij weder naar ons bivak af.± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).22 November. ’s Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten, tot de dag weer aanbreekt.Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals: Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte.In het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een bergrivier naar de meervlakte stroomt.De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte) in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen nemen.23 November. Terug naar observatiepunt B. Peilingen.24 November. Peilingen.25 November. Terug naar Hoofdbivak.26 November. In vivresdepôt B.27/28 November. In depôt A.29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak, zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres had weggezonden.’t Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen, kon nu niet meer doorgaan.1–3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar Bataviabivak.4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman), hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle voorwerpen, ’s Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere, groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak en komen op eigen kracht aan.7–8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt, bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals wordt proefgestoomd.9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige dagen later verschijnt ook plotseling de groote.In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6½ maand achtereen vandaan was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem achternagestuurd, om hemterugte roepen.De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.Den 25en December brengt het G. ss. “Albatros” ons met mijne laatste colonne naar Manokwari.Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier D der Van Daalenrivier.Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor; in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken; in den aard der lieden echter wel.Bevolking. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd, hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.Kleeding en versierselen. De mannen dragen om het middel eenige dunne gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is; echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking, alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi; tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd, nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en bruine vruchtenpitjes.Op het voorhoofd een versiering van gepolijste varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het neustusschenschot een horizontaal stukje hout.Door den oorlel, eenige tot een △ gebogen casuarispennen, de △ wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in het dikke te steken.Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met koppen en pooten van vogels.Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort, zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is, met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als bij de mannen.Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.Wapens. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden niet gezien.Voedingsmiddelen. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten boombast.Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier, werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.Vaartuigen. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water, zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den platten overhangenden boeg is een rondgat, waardoor een boomstok wordt gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm, terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als pagaai dienst doet.Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvan zij gebruik maken om bovenstrooms te komen. Zij zakken dan af op vlotjes, zooals ik reeds uitvoerig beschreef.34Jacht. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën, is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van strikken maken.Pionierbivak.Pionierbivak.Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.Vischvangst. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan of van doorntakjes vervaardigd.Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt kleine schuttingen (een soort sero’s) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero’s gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in den bandjirtijd.Werktuigen. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea’s fel waren op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.Huizen. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed; dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën, en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet waarschijnlijk voor.Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.

Obs. punt B. (3200 meter).Obs. punt B. (3200 meter).De begroeiing bestaat uit lage struikjes; ik heb hier een prachtig uitzicht. Het bivak maken gaat er door gebrek aan hout moeilijk. Morgen heb ik nog 7 dagen vivres over; door nu een gedeelte der dragers terug te zenden naar Prauwbivak houd ik minstens 14 dagen levensmiddelen over om van Hoofdbivak weg te blijven. De Dajaks verzoeken om te mogen blijven, ten einde den hoogen top mede te beklimmen.Het uitzicht is hier schitterend; in het Noorden zien wij duidelijk de samenvloeiing van Idenburg- en Van der Willigenrivier (Kalongeiland), zoodat de lengtebepaling weder zeer nauwkeurig wordt. De breedtebepaling is onafhankelijk van de tijdmeters, zooals te voren reeds is medegedeeld.In het kort was de werkwijze als volgt:Magnetische peiling met boussole-tranche-montagne op Kalongeiland; breedtebepaling op sterren. Dit geeft een voorloopige plaats op breedte en lengte. Met deze plaats een standbepaling op de zon ter verifiëering der tijdmeters. Deze nieuwe stand wordt gebruikt om een astronomische peiling te nemen, ter bepaling van één zuivereastron.richting en dermagn.variatie; dus tevens wordt hiermede de ware astronomische richting van Kalongeiland bepaald. De juiste ware plaats van observatiepunt B wordt nu opnieuw uitgerekend. Deze geheele verbetering kan men, indien men groote verschillen vindt tusschen voorloopige en ware plaats, nogmaals herhalen.Vanaf observatiepunt B. was de Wilhelminatop (sneeuw) te peilen, in ongeveer Z. ¼ O. richting. De hoogte van den Wilhelminatop klopte precies, doch de peilingslijn liep er iets langs.17 November. Transport 1 fus. + 12 dwangarbeiders terug naar Hoofdbivak; vandaar met de dekking door naar Prauwbivak, dus 4 inl. fus. + 12 dwangarbeiders.Door 5 Dajaks laat ik het pad verder kappen; de weg wijst zich vanzelf en de verkenner en ik hebben het te druk met peilingswerk.Onze colonne is nu nog sterk: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur.sergeant, 10 Dajaks en 3 dwangarbeiders. Totaal 16 man.De geheele etappenlijn is nu zonder bezetting, in alle bivaks ligt echter ruim voldoende eten voor den terugtocht.’s Nachts wordt in een fellen, kouden wind een astronomische plaatsbepaling genomen.18 November. Astronomische peiling. Standbepaling tijdmeters. De Dajaks kappen het pad verder. Peilingswerk.19 November. De geheele Centrale keten is nu te zien: Wilhelminatop, Rhumphius keten, enz.Vandaag kom ik met het peilingswerk gereed.20 November. Vertrek naar den hoogen top. (Observatiepunt C.)’t Is een steile klim en ’t valt den verkenner en mij bijzonder moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door, op meer of minder zware patrouilles.Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig water in de buurt.Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden steilen top.21 November, ’s Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste punt, 3810 M. hoog.Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had, is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting wordt verkregen.Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking; een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker dalen wij weder naar ons bivak af.± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).22 November. ’s Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten, tot de dag weer aanbreekt.Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals: Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte.In het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een bergrivier naar de meervlakte stroomt.De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte) in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen nemen.23 November. Terug naar observatiepunt B. Peilingen.24 November. Peilingen.25 November. Terug naar Hoofdbivak.26 November. In vivresdepôt B.27/28 November. In depôt A.29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak, zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres had weggezonden.’t Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen, kon nu niet meer doorgaan.1–3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar Bataviabivak.4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman), hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle voorwerpen, ’s Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere, groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak en komen op eigen kracht aan.7–8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt, bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals wordt proefgestoomd.9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige dagen later verschijnt ook plotseling de groote.In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6½ maand achtereen vandaan was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem achternagestuurd, om hemterugte roepen.De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.Den 25en December brengt het G. ss. “Albatros” ons met mijne laatste colonne naar Manokwari.Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier D der Van Daalenrivier.Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor; in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken; in den aard der lieden echter wel.Bevolking. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd, hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.Kleeding en versierselen. De mannen dragen om het middel eenige dunne gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is; echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking, alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi; tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd, nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en bruine vruchtenpitjes.Op het voorhoofd een versiering van gepolijste varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het neustusschenschot een horizontaal stukje hout.Door den oorlel, eenige tot een △ gebogen casuarispennen, de △ wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in het dikke te steken.Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met koppen en pooten van vogels.Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort, zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is, met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als bij de mannen.Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.Wapens. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden niet gezien.Voedingsmiddelen. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten boombast.Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier, werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.Vaartuigen. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water, zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den platten overhangenden boeg is een rondgat, waardoor een boomstok wordt gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm, terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als pagaai dienst doet.Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvan zij gebruik maken om bovenstrooms te komen. Zij zakken dan af op vlotjes, zooals ik reeds uitvoerig beschreef.34Jacht. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën, is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van strikken maken.Pionierbivak.Pionierbivak.Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.Vischvangst. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan of van doorntakjes vervaardigd.Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt kleine schuttingen (een soort sero’s) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero’s gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in den bandjirtijd.Werktuigen. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea’s fel waren op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.Huizen. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed; dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën, en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet waarschijnlijk voor.Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.

Obs. punt B. (3200 meter).Obs. punt B. (3200 meter).

Obs. punt B. (3200 meter).

De begroeiing bestaat uit lage struikjes; ik heb hier een prachtig uitzicht. Het bivak maken gaat er door gebrek aan hout moeilijk. Morgen heb ik nog 7 dagen vivres over; door nu een gedeelte der dragers terug te zenden naar Prauwbivak houd ik minstens 14 dagen levensmiddelen over om van Hoofdbivak weg te blijven. De Dajaks verzoeken om te mogen blijven, ten einde den hoogen top mede te beklimmen.

Het uitzicht is hier schitterend; in het Noorden zien wij duidelijk de samenvloeiing van Idenburg- en Van der Willigenrivier (Kalongeiland), zoodat de lengtebepaling weder zeer nauwkeurig wordt. De breedtebepaling is onafhankelijk van de tijdmeters, zooals te voren reeds is medegedeeld.

In het kort was de werkwijze als volgt:

Magnetische peiling met boussole-tranche-montagne op Kalongeiland; breedtebepaling op sterren. Dit geeft een voorloopige plaats op breedte en lengte. Met deze plaats een standbepaling op de zon ter verifiëering der tijdmeters. Deze nieuwe stand wordt gebruikt om een astronomische peiling te nemen, ter bepaling van één zuivereastron.richting en dermagn.variatie; dus tevens wordt hiermede de ware astronomische richting van Kalongeiland bepaald. De juiste ware plaats van observatiepunt B wordt nu opnieuw uitgerekend. Deze geheele verbetering kan men, indien men groote verschillen vindt tusschen voorloopige en ware plaats, nogmaals herhalen.

Vanaf observatiepunt B. was de Wilhelminatop (sneeuw) te peilen, in ongeveer Z. ¼ O. richting. De hoogte van den Wilhelminatop klopte precies, doch de peilingslijn liep er iets langs.

17 November. Transport 1 fus. + 12 dwangarbeiders terug naar Hoofdbivak; vandaar met de dekking door naar Prauwbivak, dus 4 inl. fus. + 12 dwangarbeiders.

Door 5 Dajaks laat ik het pad verder kappen; de weg wijst zich vanzelf en de verkenner en ik hebben het te druk met peilingswerk.

Onze colonne is nu nog sterk: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 1 eur.sergeant, 10 Dajaks en 3 dwangarbeiders. Totaal 16 man.

De geheele etappenlijn is nu zonder bezetting, in alle bivaks ligt echter ruim voldoende eten voor den terugtocht.

’s Nachts wordt in een fellen, kouden wind een astronomische plaatsbepaling genomen.

18 November. Astronomische peiling. Standbepaling tijdmeters. De Dajaks kappen het pad verder. Peilingswerk.

19 November. De geheele Centrale keten is nu te zien: Wilhelminatop, Rhumphius keten, enz.

Vandaag kom ik met het peilingswerk gereed.

20 November. Vertrek naar den hoogen top. (Observatiepunt C.)

’t Is een steile klim en ’t valt den verkenner en mij bijzonder moeilijk; wij zijn dan ook al van 3 Juni af, aan één stuk door, op meer of minder zware patrouilles.

Op den Wilhelminatop is de sneeuw duidelijk te zien; groote vreugde onder de Dajaks, voor het meerendeel jonge kerels! Het zien van de sneeuw is voor hen een heele gebeurtenis.

Op 3500 Meter hoogte wordt bivak gemaakt; er is gelukkig een weinig water in de buurt.

Ons bivak staat aan den voet van een uit groote rotsblokken bestaanden steilen top.

21 November, ’s Morgens voor dag en dauw klim ik met den verkenner naar boven; na ruim een uur steil klimmen bereiken wij het hoogste punt, 3810 M. hoog.

Wij hebben hier rondom prachtig uitzicht; zien Carstensztoppen en den Wilhelminatop met de geheele Centrale keten, die er tusschen ligt. Het hooggebergte, dat ik op mijn vorigen tocht in September bepaald had, is van hier weder duidelijk te herkennen, zoodat volkomen aansluiting wordt verkregen.

Een peiling op den Wilhelminatop geeft mij een zeer groote afwijking; een astronomische peiling wordt daarom genomen en de magn. variatie er uit bepaald; dit geeft nu ongeveer 13° verschil met de normale variatie. Zeer waarschijnlijk is dit hier een plaatselijke afwijking.

Den geheelen dag blijf ik met den verkenner boven en pas tegen donker dalen wij weder naar ons bivak af.

± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).

± 4000 meter boog. (Boven de Meervlakte hangen wolken).

22 November. ’s Nachts zwaar onweder en hevige regen; onze lekke tenten laten ons in den steek en de nattigheid gepaard aan de koude belet ons te slapen. In onze dekens gewikkeld, zitten wij maar te wachten, tot de dag weer aanbreekt.

Dadelijk weer naar boven; wij treffen een schitterend uitzicht; in het Noorden zie ik de meervlakte met de rivieren en zelfs duidelijk de randgebergten, die de meervlakte aan de Noordzijde begrenzen, zooals: Van Reesgebergte, Gauthier-, Foja-, Karamoor- en Cycloopgebergte.In het Zuiden en Westen bevindt zich een diep ravijn, waarin een bergrivier naar de meervlakte stroomt.

De hellingen van dit ravijn zijn als bezaaid met huizen en ladangs. Overal zien wij rook uit de huizen komen, zoodat er een vrij groote bergbevolking moet zitten. Typisch is weer hetzelfde verschijnsel, dat zich ook bij de Boven-Rouffaerrivier voordeed: in de meervlakte bevolking; diep in de bergen eveneens; op de uitloopers der bergen naar de vlakte geen spoor van verkeer. Op onzen tocht in het hooggebergte bezuiden de Geelvinckbaai (West-Weilandgebergte) in 1913 daarentegen vonden wij aldaar jachtpaden, strikken, enz. en bleek er ook werkelijk wèl aansluiting plaats te hebben.

Vandaag kom ik gereed met de bergpeilingen, zoodat wij morgen kunnen afmarcheeren. Echter wil ik van observatiepunt B nog enkele bergen nemen.

23 November. Terug naar observatiepunt B. Peilingen.

24 November. Peilingen.

25 November. Terug naar Hoofdbivak.

26 November. In vivresdepôt B.

27/28 November. In depôt A.

29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak, zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres had weggezonden.

’t Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen, kon nu niet meer doorgaan.

1–3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar Bataviabivak.

4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman), hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.

5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.

6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle voorwerpen, ’s Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere, groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak en komen op eigen kracht aan.

7–8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt, bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals wordt proefgestoomd.

9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.

10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige dagen later verschijnt ook plotseling de groote.

In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6½ maand achtereen vandaan was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem achternagestuurd, om hemterugte roepen.

De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.

Den 25en December brengt het G. ss. “Albatros” ons met mijne laatste colonne naar Manokwari.

Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.

De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier D der Van Daalenrivier.

Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor; in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken; in den aard der lieden echter wel.

Bevolking. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd, hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.

De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.

Kleeding en versierselen. De mannen dragen om het middel eenige dunne gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is; echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking, alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.

De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi; tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd, nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en bruine vruchtenpitjes.Op het voorhoofd een versiering van gepolijste varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het neustusschenschot een horizontaal stukje hout.

Door den oorlel, eenige tot een △ gebogen casuarispennen, de △ wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in het dikke te steken.

Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met koppen en pooten van vogels.

Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.

Papoeahuis aan de Rouffaerrivier.

De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort, zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is, met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als bij de mannen.

Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.

Wapens. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden niet gezien.

Voedingsmiddelen. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten boombast.

Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.

De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.

Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier, werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.

Vaartuigen. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water, zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den platten overhangenden boeg is een rondgat, waardoor een boomstok wordt gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.

Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm, terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als pagaai dienst doet.

Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvan zij gebruik maken om bovenstrooms te komen. Zij zakken dan af op vlotjes, zooals ik reeds uitvoerig beschreef.34

Jacht. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën, is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van strikken maken.

Pionierbivak.Pionierbivak.

Pionierbivak.

Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.

Vischvangst. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan of van doorntakjes vervaardigd.

Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt kleine schuttingen (een soort sero’s) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero’s gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in den bandjirtijd.

Werktuigen. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea’s fel waren op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.

Huizen. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed; dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.

In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën, en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet waarschijnlijk voor.

Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.

Pionierbivak met uitzicht op den Mamberamo.


Back to IndexNext