VII.

VII.De Exploratie der B-rivier.Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal, dat den 16en der maand per “Albatros” werd aangebracht.In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote “gebouwen” verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis en het Dajak-huis. Mooie foto’s waren door onzen dokter gemaakt om het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag, ook fotografisch vast te leggen.Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten, doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof van den eenigen “sierboom”, dien men in het bivak had laten staan, de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein “zootje” oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede idem (•) thans onder-officiersverblijf.Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2efoto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien; als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij gefotografeerd. (ethnografica!)De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (= modder)tijd. Hier sprong lustig een geelharige jonge hond rond, een vroolijke gladdakker35of street-terrier en zijn kameraad, een klein gestreept varken. Zij waren goede vrienden en namen wat van elkanders eigenschappen over: het varken kreeg iets van de wildheid van den hond en de hond heel veel van de vuilheid van het varken; beiden kenden geen grooter genoegen dan rond te tollen in de modderige waterloopjes door het bivak.Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten, sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich aan eenigekippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de boomen en overal. Als het “kip” was, trok de oudste der bedienden er met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder, vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden, zal het meestal wel “bij toeval” door dwangarbeiders geweest zijn.Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad, met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam (Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan; men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde varken worden gevonden.De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor, het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea’s, de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo’n haast om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt, gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport, bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II, vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea’s gevonden en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.Een dergelijk geval strekt wel tot leering.De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.’s en mandikamers was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen van hier tot Bataviabivak.De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip, naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen, nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn, niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt; de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch dit was gebeurd eenige maanden geleden.Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman haar misschien op dit moment gebruikte.Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:Indekking. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie- vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.Vivres. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en precies naar het aantal menschen in kilo’s nauwkeurig berekend; hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele “schatting” alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt; de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede; ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.Geneesmiddelen.Veel “buikdrank”,36kinine en asperine; voldoende verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na Canobivak in één. Voor ziekenkost alleen gecondenseerde melk; een vivresblik vol bevatte ongeveer 20 blikjes van ½ liter.Diversen. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak, tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000 rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ± 7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema’s.Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man, waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor, één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.Officiershuis in Pionierbivak.Officiershuis in Pionierbivak.Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1onderofficier, 1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea’s onder Oscar, den “onderkoning.”Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model, 5 chronomètres-torpilleur.Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.V.l.n.r. Dr. v. Steenis, luit.-t.-z. Langeler, kapt. Schultz, kapt. Oppermann (zittend), dr. Thomsen.Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen “kait” genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een twintigtal exemplaren van de “Petite Illustration”; immers, wanneer men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de verveling en dat mag niet.Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal 1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende dat ik geen zieken zou krijgen.Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3 te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt, de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3½ dag was ik in Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het ook niet anders dan voor den wind gaan.Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller, waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.Nadat ook alle Papoea’s voor het transport definitief waren aangewezen, werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg., de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea’s.Toen werd den 26en October de tocht begonnen.Laag water voor Pionierbivak.Laag water voor Pionierbivak.Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten, overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim, doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar ze tegen hun zin werden vastgehouden.Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.Tusschen Dajaks en Papoea’s was de eerste dagen een wedijver, wie het meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals hier op de vlakterivier, waren de Papoea’s in hun element en bij het vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea’s in; de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren steeds de twee, met Dajaks bemand.Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in, dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer, een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.Achteraan kwam gewoonlijk een stelletje Papoea’s de kleinste en minst sterke van den troep, die ik dan weer door verspreiding over verschillende andere prauwen in een wat gunstiger conditie bracht; dikwijls ook was er ruzie in een Papoeaprauw en waren dan allen “boos”, en wilden een tijdje niet roeien, tot de andere prauwen uit het zicht raakten en dan werd er weer verder getrokken. Hoe dikwijls kwam Oscar bij me, sloeg de hand tegen het voorhoofd bij wijze van groet en vroeg me, een van hun kleine geschillen te berechten.Meestal vreeselijke beuzelingen, een scheldwoord vaak, doch door met een ernstig gezicht uitspraak te doen, hield ik er het vertrouwen in en legde de verongelijkte zich bij het geval neer; gewoonlijk had een grapje het gewenschte resultaat.Welk kinderlijk volkje, die Papoea’s! Pleizier om de minste kleinigheid, gelukkig met een heel klein pluimpje. Dikwijls kwamen zij ook op ziekenrapport. Als ik hun dan vroeg wat er eigenlijk aan scheelde, kreeg ik een lang verhaal over weeën hier en weeën daar, doch dat alles ging graag over als ze maar een kleinen “obat” kregen, onverschillig welken. Als het periodiek kinineslikken was, de Papoea’s mankeerden nooit; zij vonden het allen even lekker. Dol waren zij op wonderolie, doch ik was er zuinig op. Hoesten leerden ze vlug aan en ach, ze konden zoo met een ongelukkig gezicht, al kuchend, van hun kwalen vertellen. Doch de grofste wonden aan voeten of beenen lieten hen koel; niet waar, dat zat maar van buiten, dat gaf geen lekkeren obat.Ik was zeer tevreden over hen en ze waren over ’t algemeen bijzonder gewillig; alleen ruw met de prauwen en menigmaal moest er een hard woord vallen als ze hun vaartuig weer tegen een ander lieten oploopen, dat kop of boorden scheuren kregen.Eens in de vier dagen was het fourageeren. De prauwen werden zooveel mogelijk gelijkelijk verlicht; op zulk een dag vlaste elk stel van zes roeiers er op, dat hun prauw met een of meer blikken ontlast zou worden. Dan werden de blikken opengeslagen, de heele bende zat er omheen en ik was het beste voldaan als er geen vivres bedorven werden bevonden. Overigens werd daar nog zooveel mogelijk uit gehaald; een blik rijst, b.v.b. dat van onderen wat nat was en duf rook, werd op een zeil uitgestort, in de zon gedroogd en met de andere opgefourageerd; natuurlijk, er waren grenzen, doch tweede kwaliteit is ook goed.Streng moest ook gelet worden op het loopen over de blikken, die in de prauwen lagen; vooral de Dajaks hadden daar een handje van en hoe gemakkelijk konden scheurtjes ontstaan!De oever voor Pionierbivak bij laag water.De oever voor Pionierbivak bij laag water.De fuseliers, ik had er tot Prauwenbivak 8, hadden den schildwachtdienst, 1½ uur lang van 6 uur af tot 5 uur ’s morgens. Ik verzuimde nooit het bivak geheel schoon te laten kappen en er een omrastering van struikgewas en doornen om heen te laten maken.Met circa 80 parangs was het een moeite van geringen duur, die het gevoel van veiligheid vermeerderde. Alle fuseliers sliepen met het geladen geweer naast zich; ikzelf had ook steeds den revolver onder mijn hoofdkussen. Na den dood van Stroeve was ik dubbel voorzichtig en wantrouwend geworden.De dwangarbeiders deden den dienst van prauwenwacht; met hun negenen, telkens 2 tegelijk, gaf dat elken nacht twee uren wacht, van 8 uur ’s avonds tot 5 uur ’s morgens. Dit was wel een onrechtvaardige bezwaring tegenover de andere “rassen”, doch ik wist er niets beters op. De Dajaks toch en evenzoo de Papoea’s vatten zoo’n dienst als een grapje op en straf zou hier niet veel geholpen hebben, had hen in elk geval niet betrouwbaar gemaakt.Zoo vond de opmarsch geregeld plaats; jacht en vischvangst leverden een en ander op, de laatste zelfs veel, doch ik kon er weinig van profiteeren: een paar dagen eerst van Bataviabivak vertrokken,kreeg ik weer een ingewandsziekte die een dag of tien duurde, die mij eenigszins bezorgd maakte voor het “in-elkaar-vallen” van den leider, doch die ik ten slotte met een melkdiëet er onder kreeg.Wij hadden twee ontmoetingen met Papoea’s: den 27en met de Tori Aikwakai, die ons ijzer afbedelden; ik gaf echter niets, kon mijn parangs beter voor boven gebruiken; ik zag weder een kampong op een plaats, waar vier maanden geleden niets te zien was, doch vond er overigens geen bijzonders. Bivak werd gemaakt op den tegenoverliggenden oever. Dien nacht was er zeker feest in de kampong; tot in den vroegen morgen hoorden wij muziek als van het slaan op groote trommels, begeleid door menschengeroep en hondengejank; ik drukte den schildwachten waakzaamheid op het hart, kreeg echter eerst in den ochtend bezoek van een 15-tal mannen in zes prauwen, die met groote vrijmoedigheid ons bivak binnenstapten en zeer vrijpostig waren. Ik liet hen wegjagen, ik moest niets van hen hebben.De tweede ontmoeting was den 2en November, halverwege Prauwenbivak. Hier was een kleine stam van een twintigtal menschen, blijkbaar doortrekkende langs den oever der rivier. Daar ik met de motorboot stopte om de plaats voor bivak te bekijken, kregen wij contact met de voorloopers van deze kleine bende. Wij wisselden vriendschappelijke handdrukken en gaven hun sigaretten. Een oude man was in een soort vervoering bij de motorboot komen zitten, die nog rustig lag te snorren; hij knikte voortdurend met het hoofd en murmelde zonder ophouden; heeft ons waarschijnlijk voor goden of geesten aangezien. Weldra kwam het gros van den stam: kinderen en zwaar beladen vrouwen; zij trokken schielijk voorbij, daarna gingen ook de mannen verder.Den dag, hierop volgende, kreeg ik het eerste belangrijke motordefect en wel op de volgende wijze. Door de lange droogte was het rivierniveau geweldig gezakt. Groote stammen kwamen bloot, niet alleen op de binnenbochten, de glagahbanken: maar ook in de buitenbochten en in de gestrekte riviergedeelten aan beide zijden. Het was steeds met groote voorzichtigheid uitwijken; gelukkig was de schroef der motorboot beschermd door een koperen raam, dat aan den onderkant, om schroef en schroefas gebogen, aan de huid was bevestigd. Op 3 November, om een uur of elf liep de motorboot volle kracht op een boom onder water. Wij kwamen onmiddellijk vlot, doch er was geen stuur meer; onderzoek wees uit dat de stang, die het roer droeg, totaal was kromgebogen; het roer stak boven water uit. Ik liet mij aandrijven, wij maakten vast, maakten de roerbeweging los. Inmiddels kwamen de prauwen aan; ik liet meteen bivak maken, begrijpend dat de reparatie wel zijn tijd nemen zou. Pogingen om den stang gloeiend te maken en recht te hameren mislukten; de stang knapte in tweeën, er bleek een oude breuk te zitten; blijkbaar had zich het grapje vroeger ook al eens voorgedaan.De Dajaks gaven redding. Zij maakten een houten roer. Niet ver behoefden wij te zoeken of wij vonden een stam, die aan zijn voeteinde platte, wijduitstaande, driehoekige wortelsteunen heeft; als het ware planken van eene bijzonder taaie samenstelling. Hiermee was het ongeluk bezworen; een houtblad werd uitgekapt, ik teekende het model en in een half uur hadden wij een prachtroer met groot oppervlak. Gelukkig was in den voorraad van de motorboot een eind staaldraad; hiervan werden twee stropjes gemaakt en het roer er mee opgehangen aan de oude haken; de stuurstok (z.g.n. helmstok) werd er stevig aan gebindseld en wij hadden een roer dat mocht gezien worden.Het voldeed den volgenden dag bijzonder goed. Maar op 4 November: boem! weer op een boom. Oogenschijnlijk geen bijzonders, doch, nauw aangezet, rammelde de schroef als een bezetene. Laten duiken; het bleek dat het schroefraam voor de helft reeds was weggestooten, de andere helft zwierde los onder de boot en hierin ratelde de schroef. Die andere helft werd er dus ook maar afgetrokken. Nu echter was het bestaan der schroef elk oogenblik bedreigd en ik bepeinsde al, hoeveel dagen de motorboot nog mee zou sukkelen.Doch ziet, het viel mee. Tot 7 November hield de machine het vol. Toen waren wij op slechts een paar kilometers van de gevaarlijke passage, die mij nog van mijn ongeval van 23 Juni goed in het geheugen lag. Ik was van plan, de motorboot bij die passage af te danken, daar ik er niet mee tusschen die boomstamversnellingen door dorst. Doch de motorboot dankte zich zelf af. In den morgen van 7 Novemder konden wij na een half uur tobben geen water meer uit de koelpomp krijgen. Ik besloot kort en goed hier het tijdelijk vivresdepôt op te slaan. De prauwen legden aan; een kleine goedang en een hutje voor twee man werden met zorg in elkaar gezet, daarna de vivres uit de motorboot gehaald en in de goedang geborgen.Ondertusschen werd de machine nagezien, doch niets hielp. Ik liet dus dajongs en lange roeiriemen maken, gaf den menschen der motorboot voor 8 dagen eten mee; een karabijn en nog een oud beaumontgeweer waren de bewapening, een oude fuselier was commandant.De bezetting van “Vivresbivak” was twee man. Die konden om de beurt wacht doen met de order, zich tegen elke aanranding met scherp te verzetten.Hierna gingen wij voort en de motorboot werd middenstrooms geroeid. Op het moment van het afscheid snorde de motor nog eenmaal en ziet, de pomp gaf water. Ik denk wel, dat de machinist op de pomp zijn uiterste best zal hebben gedaan; ik hoorde later, dat de motorboot in 4 dagen Batavia-bivak had bereikt, wat voor de inzittenden zeker een opluchting moet zijn geweest.In den ochtend van den vierden dag na dezen, op 11 November, passeerden wij Motorbivak. Daar was het verval reeds leelijk ingetreden; geen wonder bij een bivak, dat sinds ruim twee maanden verlaten was. Nu door de eerste kloof. Zij was vrij moeilijk, er was blijkbaar druk van boven, doch alles marcheerde zonder ongelukken.De lange versnelling in het bevaarbare deel tusschen de kloven, halverwege Prauwenbivak, gaf meer zorg. De rivier heeft daar een verhang van 1½ M. en steile afbrokkelende grintoevers. Er is een oversteekmet niet minder stroom dan in den Edi-val en met evenveel kans op ongevallen. De prauwen kwamen na twee uur werken behouden over en een uur later waren wij in Prauwenbivak.Hier werden wij met groote vreugde ontvangen. Men zal zich herinneren, dat wij op 28 September van daar waren vertrokken, er een bezetting latende met ruim een maand vivres. De Europeesche sergeant-bivakcommandant ontving mij met de mededeeling dat hij alles had ingepakt en klaar was om den volgenden morgen te vertrekken: de vivres waren op.Welk een toeval, dat ons zoo juist op tijd bracht!De menschen waren in-blij, ons te zien komen. Zij moeten zich dan ook wel vergeten hebben gevoeld. De gezondheidstoestand was goed op één uitzondering na: dat betrof een dwangarbeider die in een ver stadium van beri-beri was. Wat was dat kereltje uitgeteerd; een geraamte gelijk! Loopen kon hij niet meer. Een dag of veertien later was hij in Pioniersbivak onder handen van Dokter Thomsen, ik vond er hem terug welgedaan en gezond, doch hij had een narrow escape gehad.Was tot hiertoe alles prachtig voor den wind gegaan en de rivier nog rustig, lang kon het niet meer duren.Dat de kentering ophanden was, bewezen zware onweersluchten, die zich elken avond in het Oosten samentrokken en af en toe tot uitbarsting kwamen. Maar het was nog geen ernst geworden, de drift der wolken was nog van Oost naar West.Daarom werd in Prauwenbivak geen rust genomen. Den volgenden morgen, 12 November, vertrok de Inlandsche korporaal Kadir met zes der grootste prauwen en 37 roeiers, van wie acht Dajaks, 8 dwangarbeiders en de 20 beste Papoea’s, een keurbende alzoo; om te probeeren den voorraad van “Vivresbivak” nog te halen voor het doorkomen van de groote bandjirs, die de Eerste Kloof onbevaarbaar maakten en dus een oponthoud van weken zouden geven.Vijf dagen was ik in hoop en vreeze; een bandjir kwam op, doch verflauwde weer. In den middag van den vijfden dag werd de eerste prauw gesignaleerd, weldra nummer zes. Een uur later stond Kadir voor mij; geen ongelukken, geen verliezen, de twee man bezetting van “Vivresbivak” waren meegekomen. De brave jongen had evenveel voldoening over den vluggen voortgang als ikzelf.Intusschen hadden wij in Prauwenbivak niet stil gezeten. Twee keer was reeds een draagtransport heen en weer tot Canobivak geweest, elken keer circa 50 man; tevens was dat bivak opnieuw bewoonbaar gemaakt; ik had er den waterstand niet hoog gevonden, evenwel was het “bekken” gevuld.Een derde draagtransport, thans 80 man, liep op 17 en 18 November en bracht datgene, wat Canobivak nog behoefde. Negentien November zag den afmarsch van den sergeant-bivakcommandant met een 80 man in 10 prauwen, hierbij alle Papoea’s, dat deze menschen in de wolken waren, behoeft wel geen betoog; ook het “geraamte” verheugde zich, hij zag het leven weer gloren!Ik vertrok dien dag met mijn heelen eindtroep en alle patrouille-benoodigdheden naar Canobivak, latende in Prauwenbivak 6 man bezetting en 6 goede prauwen, hoog op den wal en extra vastgebonden.Mijn terugtocht was dus gedekt en voor vivresnood behoefden wij niet bang te zijn; het wegvarend leeg transport toch droeg een nabestelling van circa 2000 rantsoenen, eerst na een maand in 9 prauwen te ontvangen, een opdracht, die met kalmte kon worden uitgevoerd.Een groote damarboom, dicht bij Canobivak opgemerkt door mijn Dajaks, gaf ons een blik vol hars; dit was alweer een welkome aanvulling van den pekvoorraad.Toen ik me dien avond van 19 November in Canobivak onder het kleine tentje ter ruste legde, had ik een tevreden gevoel; de aanvang was goed en vlot geweest; de groote voorraad rondom mij en het puike menschenmateriëel beloofden ook voor de komende dagen succes. Juist 30 dagen geleden was ik van Pionierbivak weggegaan.Thans was alleen het wachten op de prauwen. Van de drie der vorige patrouille, die hier hoog en goed bezorgd op den oever lagen, keurde ik de kleinste af en liet er twee prauwen bijmaken. Hiertoe had ik mijn 8 Dajaks, die reeds vanaf 16 November in Canobivak aan het werk waren geweest; thans kwamen mijn 9 Palembangers helpen; deze verstaan het prauwenwerk goed, doch werken veel langzamer dan de Dajaks. Twee mooie lange prauwlichamen kwamen den 20enklaar, benevens twee stel breede planken, wit en soepel, voor de boorden. Den volgenden dag stond alles in elkaar; pek, werk, damar en spijkers waren ruim voldoende; op 22 November zouden wij inschepen en stroomop gaan.Doch Nieuw-Guinee wilde het anders.Reeds heb ik verteld, hoe elken achtermiddag zware stapelwolken zich in het Oosten verzamelden. Tegen zonsondergang, dik en koperkleurig, kwam de wolkmassa opzetten, een uur later bedekt ze den hemel, bliksemflitsen en dondergerommel waren de uitingen van deze voorboden van de komende kentering, doch het bleef nog droog. Eerst 21 November kwam de eerste losbarsting.—Wat ik nog niet vertelde, was dat naast Canobivak een zijstroompje zich in de groote rivier stortte, een frisch, helder watertje met vlak onder het bivak een breeden waterval, die de heerlijkste douches gaf. Met het rijzen van het water verdween de waterval, want ook de benedenloop van den zijtak vulde zich dan met het bruine water der Idenburgrivier. Doch dezer dagen was de waterval er weer en even daar beneden, op vlakke steenoevers, lagen de prauwen vastgemeerd met dikke touwen aan een boom van den oever.De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde: “orang kaloewar, orang kaloewar!”37en in een drom gingen wij naar beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen, nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg: het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen, raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.Wij klommen naar boven. Een Dajak moest gedragen worden, had het been tusschen de prauwen bekneld gekregen; een Dajak was weg. Wij gingen slapen, er was niets meer om voor te zorgen. Wat moest ik doen? Nieuwe prauwen maken natuurlijk, doch het kostte twee weken en waar haalde ik pek en spijkers vandaan? Het zou een kruk-expeditie worden, het resultaat van den tocht die zoo mooi begonnen was.In den nanacht hoorden wij geroep aan den overkant en weldra herkenden de Dajaks hun makker. Die was dus gered gelukkig; nog een uur en hij was overgezwommen, bij ons. Dat was een vertroosting, daarna sliepen wij weer door.Vroeg in den morgen kwam Noer, de jongen, mij vertellen, dat er van de prauwen overblijfselen gezien werden in de Idenburgrivier op steenachtige banken een eindje benedenstrooms. Dat was de moeite; het gaf weer een straaltje hoop. En ja, het viel mee. Dank zij den boom, die met zijn takken aan de steenen was blijven zitten, waren drie van mijn vier prauwen daar gestrand. Doch wat was er van over? De planken waren gescheurd, twee der onderlichamen gaaf. Alles werd bij elkaar gehaald, de planken losgemaakt, spijkers recht geslagen, pek zuinig afgeschraapt en in een blik verzameld. Toen werden uit drie gebroken prauwen weer twee heele gemaakt, wel met een euvel hier en daar, doch best bruikbaar.Thans werd de oude, afgedankte Papoea-prauw der vorige patrouille in eere hersteld, opgelapt, scheuren met blik beslagen en met pek en werk gedicht en ziet, in den avond van 22 November was de expeditie op nieuw klaar voor vertrek; alleen haar omvang was ingekrompen; ik besloot te gaan met 18 man in 3 vaartuigen en 40 dagen vivres. Dat de prauwen dien nacht hoog waren geborgen, laat zich begrijpen; niet voor niets had Nieuw-Guinee mij weer eens voorzichtigheid geleerd.Thans kwam nog een oogenblik strubbeling van den kant der Dajaks. Zij wilden hun zieken kameraad niet verlaten. Overreden hielp niet, zij waren nu ver genoeg geweest, bovendien hadden droombeelden hun een ongunstigen afloop voorspeld. Mijn ultimatum was: niet eten of mee. Zij kozen het laatste en waren weer opgewekt als te voren. Kinderen, die Dajaks; zij zeuren, tot men hun een hard woord geeft, denken daarna aan iets anders.Zoo werden dan ’s morgens op 23 November de prauwen te water gelaten en volgeladen; het ging net aan, doch, evenals den vorigen keer, wij zouden er ons wel doorheen eten. Ik gaf 5 dagen vivres “bij den man”; zoo konden wij het 45 dagen uithouden.Zes Dajaks gingen mede; twee bleven achter: de gewonde en een om hem op te passen. Verder zes dwangarbeiders, vier fuseliers en de verkenner Makatipu. Noer; mijn jongen, werd mandoer over zijn kameraden; hij was zoo ijverig en handig en had toch steeds de leiding.Canobivak bleef onder bewaking van een korporaal en acht man; zij haalden telkens hun eten uit Prauwenbivak; dat hield de menschen levendig, een goede marsch van tijd tot tijd. In den goedang lag juist zooveel voorraad, dat, als ik na 1½ maand terugkwam, ik mijn prauwen maar had vol te laden om er opnieuw voor 1½ maand op uit te kunnen gaan. Dit was dus wel gemakkelijk geregeld. De bezetting had verder in opdracht, ten spoedigste een goedang met barakje te bouwen op den heuveltop, ± 40 M. boven het huidige bivak; zooals men weet, kon immers het rivierniveau tot aan het tegenwoordige Canobivak stijgen, wij moesten dus daarop voorbereid zijn.De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.Den 26en November waren wij in “Splitsingsbivak”, d.i. aan de monding der A-rivier. Hier werd geobserveerd en alle vivres geïnspecteerd. Wij hadden nog al met bandjir te kampen gehad; de goede tijd was absoluut voorbij, steeds kwamen nu de wolken opzetten uit het Westen. Doch de voortgang was goed. Werd de bandjir al te bar, dreef hij ons onder en tusschen de overhangende oevertakken, dan maakten wij bivak; want dan werd het afjakkeren om een enkelen kilometer met het grootste gevaar van omslaan; vroeg braken wij dan op om de schade in te halen. Van het grootste nut bleken nu de “Kaits”; wat hadden wij daar een plezier van!Onderweg waren groote vluchten kalongs of vleermuizen (vliegende honden) gezien. Als groote zwarte dorre bladeren hingen zij in de takken van sommige hooge boomen. Kwamen wij voorbij, dan werd er geschreeuwd en op blikken geslagen, tot de beesten een voor een opvlogen; in groote kringen zweefden ze piepend over onze prauwen en kwamen eerst weer tot rust als we lang voorbij waren. Een enkele maal heb ik ze geschoten, doch ik vond het vleesch niet smakelijk; het was bloederig en taai, wellicht komt hier suggestie bij. Misschien ook was het slecht klaar gemaakt, want meermalen heb ik later hooren beweren, dat kalong-vleesch zich zeer wel laat eten.In Splitsingsbivak maakte ik een merk; ik had afgesproken met Kapitein Oppermann, dat, als ik de A-rivier zou exploreeren, ik eén, voor de B-rivier twee blikken op een stok zou vastzetten. Hier werden thans twee blikken gezet op een langen gallah en rottankoord stevig tusschen de boomen bevestigd.Op 28 November kwam ik aan de B-rivier; deze liep hier tusschen schilderachtige hooge rotswanden, het was een fraaie dag en de rivier merkwaardig kalm. Wij maakten dus dienzelfden dag een grooten voortgang en bovendien, het vlaktekarakter kwam weer op. Dit laatste is echter slechts tijdelijk gebleken; de B-rivier bleef versnellingrivier; een blikop de kaart van het door haar doorstroomende heuvelland maakt zulks begrijpelijk. Het water was, vergeleken met dat der Idenburg-rivier, verbazend helder; ook dit wees er op, dat de B-rivier geen vlakte kende.Kaart van het Centraal-Gebergte.Sporen van menschen werden spoedig gezien en wel in den vorm van ladangs; menschen zelf heb ik aan dezen grooten zijtak vier malen ontmoet. De ladangs leverden ketella in groote hoeveelheid, evenzoo pisang; verder tabak en kloewé. Wij namen steeds uit een geschikte ladang, waar veel groeide, ons bescheiden deel, legden tabak en een enkelen parang er voor in de plaats. Deze verandering van voedsel was den troep bij zonder welkom en mijzelf niet minder. De wilde pisang toch, gekookt, is een geweldig stevig voedsel en evenzoo de ketella. Als ik mijn avondmaal van rijst voor pisangs ruilde, had ik aan vijf stuks meer dan genoeg. Ik at ze steeds met gecondenseerde melk, zoo ook de ketella; men zal zich afvragen, hoe zoo iets in ’s hemelsnaam mogelijk is en inderdaad zou ik het thans ook een vreemde combinatie vinden. Toentertijd echter vond ik het heerlijk.Zoo reisden wij steeds langs ladangs, zagen hier en daar een hut. Deze hadden alle een puntig dak van atap over een gabah-gabahwand van 4 × 4 M. lengte en breedte; de baleh-baleh lag meestal 1½ M. boven den grond; slechts één keer zag ik een huis op palen van 4 M.Sago werd weinig gezien; “op het land leven”, zooals tijdens de vorige patrouille gelukt was, zou hier een onmogelijkheid geweest zijn.Niet alle dagen was de rivier ons zoo ter wille als dien eersten dag; den volgenden morgen liep reeds een zware bandjir en later werden wij ook menigmaal onder de oeverboomen gedrukt. In het geheel voeren we haar 12 dagen op en hadden toen 130 K.M. langs de oevers afgelegd.Zelfs aan het eindpunt, waar toch telkens een versnelling den kalmen loop van het water onderbrak, werden nog krokodillen gezien; zij verdwenen steeds schielijk bij onze nadering. Aan visch was de rivier weer bijzonder rijk. Aan jagen werd niet veel gedaan! Wij hadden voedsel in overvloed, dus de prikkel om na een dag van aanpakken nog weer het woud in te gaan, was niet bijzonder groot; bovendien, ik hield liever den troep bij elkaar, want wij hadden niet velen te verliezen.Een dier, dat ik tot nu toe nog nooit gezien had, werd door twee Dajaks meegebracht; het was een boschkangoeroe of koeskoes, dien zij geschoten hadden. Een mooi dier met een donkerbruine huid, hoog ongeveer een halven meter. Merkwaardig dat mijn fuseliers en dwangarbeiders, allen Mohammedanen, het vleesch niet wilden eten. Noer, de jongen, verklaarde mij, dat zij in dat opzicht een koeskoes gelijkwaardig met een varken vonden; nu, mij smaakte de bout des te beter. Wel eigenaardig, dat deze dwangarbeiders (die heusch niet allen voor een liefdesmoord in den boei zijn geraakt, doch ook wel heel andere dingen op hun kerfstok hebben) zoo streng aan het verbod van den Koran vasthielden. Zelfs op de vorige patrouille met Kapitein Oppermann, in den tijd toen de sago ons er boven op hield, aten de dwangarbeiders geen varkensvleesch; de fuseliers wèl. Thans, terwijl er overvloed was, namen geen van allen het.Toen wij de rivier 8 dagen waren opgeroeid en een dag te voren in Zuidelijke richting en niet ver af bergland hadden gezien, besloot ik het hoofd eens boven de boomen uit te steken; wij maakten observatiepunt I, hoog 325 M. Een loonend, een schitterend uitzicht! In nevenstaande schets zijn schematisch de drie gebergten geteekend, die ik van hieruit zag; (1) was de Zuidrand van het bergland, dat van af de Poeveh en Pauwasi was gekaarteerd, gaf dus aansluiting aan de vorige patrouille! (2) was de (vermoedelijke) waterscheiding tusschen A- en B-rivier, hoog tot 2500 M. en in het Zuiden overgaande in het Centrale Gebergte; (3) was het bergland aan de Oostzijde van de Kaiserin Augusta-rivier, wat mijn kaart aanstonds uitstrekte tot over de Duitsche grens; tusschen (2) en (3) bergland in Zuid-Oostelijke richting, behoorend tot het Centrale Gebergte, doch niet veel boven 4000 M. en met lagere complexen er tusschen.Dat ik mijn kaart niet alleen uit dit ééne observatiepunt kreeg, behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; bovenstaande terreinbeschrijving in groote lijnen is het resultaat van de gezamelijke metingen; behalve Observatiepunt I waren er nog drie andere.Ik zag wel, dat ik de rivier nog niet voldoende ver was opgevaren om het bergland in den uitersten zuidoosthoek te kunnen “grijpen”. Daarom gingen wij nog vier dagen verder stroomop, een tegenvaller voor velen, die gedacht hadden, dat het eindpunt reeds was bereikt.Observatiepunt II lag 35 KM. verder; op dat traject zagen wij tweemaal menschen. Den eersten keer twee mannen bij een kleine prauw voor een ladang met een groot huis. Zij waren zeer verbaasd, doch niet vreesachtig, toonden belangstelling in al wat hun vreemd was. Ik verkreeg eenige woorden van hun taal, pijlen, enz. Er valt niets bijzonders over hen te zeggen na de uitvoerige beschrijving der stammen in mijn vorige hoofdstuk, waar zij (Pauwasi) geheel mee overeenkwamen. Een stuk uit Europa was hier nochtans verdwaald geraakt; het was de bovenhelft van een parang, zoo oud en in ’t gebruik zoo afgesleten, dat die hier wellicht al vijftig jaar was geweest; wij gaven de beide menschen thans elk een nieuw exemplaar.Dat men overigens niet al te hard op ons gesteld was, bemerkten wij een dag later. Wij voeren rustig in kalm water, toen het “pana, pana!”38in eens achter mij klonk. Ik liet mijn prauw vlug oversteken naar den veiligen oever en nam onmiddellijk den vijandelijken wal onder vuur. Doch geen vijand was meer te zien, een tiental schoten hadden indruk genoeg gemaakt. De bepijlde prauw intusschen was niet ver gevlucht. Dat had zijn oorzaak: de beide Dajaks, voor- en achterman in die prauw, waren onmiddellijk in de rivier gedoken en hielden zich met een hand vast aan de prauw, achter het boord, den neus boven water. Dat was nu wel erg slim, doch zoo was er van zich-bergen voor de anderen geen sprake; hier kreeg ik dus een minder gunstigen kijk op den moed der Dajaks, zooals ik reeds vroeger heb aangeduid; om het eigen lijf te bergen, stelden zij hun tochtgenooten zonder bezwaren bloot.Dat er intusschen met reden geschreeuwd was, bewezen twee pijlen, die in het prauwboord zaten, gebroken bij de trilling van het treffen; of ze ook met kracht aangekomen waren! Ik was blij, dat we er zonder gewonden waren afgekomen.Dienzelfden dag kwamen wij voorbij een kampong met twee groote huizen. Model als vroeger. Twee menschen bleven een korten tijd bij ons, weldra vluchtten zij het bosch in. Ik wil alleen vermelden, dat wij in de woningen talrijke (gesnelde) koppen vonden, met roode strepen versierd; als “verf” dient hiertoe een roode krijtsoort, die ook in de rivier werd gevonden. Eenige exemplaren werden meegenomen.Daar het reeds laat was, maakten wij bivak dichtbij op den tegenovergestelden oever; weldra verschenen menschen aan den overkant. Een tiental mannen wenkten mij uitnoodigend over te komen in een van onze prauwen; toen ik met meer menschen wilde gaan, liepen zij weg; nu, ik ging niet alleen; ik weet wel, dat er dan spoedig ook roode strepen over mijn hoofd hadden geloopen. Echter probeerde ik het met drie man, doch zette fuseliers achter de struiken, klaar om te schieten als het noodig was; maar de menschen liepen weg.In deze kampong was niemand meer, toen wij later stroomaf voeren.Den volgenden morgen roeiden wij reeds een uur boven ons bivak, toen mannen ons inhaalden langs den oever. Zij riepen en wij zwaaiden vriendelijk. Er gebeurde het volgende: aan een klein open plekje legden zij eenige voorwerpen neer, werkten daarna met armen en handen in de meening van: “ga in ’s hemelsnaam van ons weg!” en verdwenen. Ik naderde zeer behoedzaam, bekeek daarna de vredesgeschenken. Het waren twee draagzakjes van geknoopten boombast, met veeren van papagaaien en paradijsvogels versierd; er waren eenige kleine ingrediënten in, o.a. een stukje van het roode krijt.Hoe merkwaardig, deze menschen, die aan de bepijling wel niet vreemd zullen zijn geweest en die het thans het veiligst vonden om vrede aan te bieden! Ik zou er echter niet gaarne op vertrouwd hebben.Op dezen vredesdag bereikten wij tevens ons eindpunt aan den voet van een heuvel, 550 M. hoog, op het oog fraai voor uitzicht; hier kwam Observatiepunt II. Ik was thans 675 KM. van Pionierbivak, ruim 900 KM. van de zee. De verste opvaart van den Digoel was 700 KM., van de Kaiserin-Augusta-rivier 1000 KM. en van de Fly-rivier 1100 KM.39Van Observatiepunt II kreeg ik gelijksoortig uitzicht als in I; in oostelijke richting, over een 15 KM. heuvelland heen, deed zich de uitgestrekte vlakte der Kaiserin-Augusta-rivier aan het oog voor; eenige glinsterende strepen beduidden groote moerasplekken of meren als de vroeger besproken Rombébai. Daarachter, scherp van lijn, het onbekende bergland op Duitsch gebied, 2000 M. hoog, dat aan zijn buitenrand zoo zuiver omtrokken wordt door den grooten bocht der Kaiserin-Augusta-rivier.Welk een voldoening geeft het, na langen marsch en inspanning een onbekend bergland te ontdekken en in kaart te brengen! Hoe duidelijk kwam thans de vlakte uit der groote rivier met haar randgebergten in het oosten en in het westen; zoo ontsprong dus onze zijtak van de Idenburg-rivier dicht nabij den Duitschen “Mamberamo”.Wat mij echter verdriette, was, dat ik het Sneeuwgebergte niet te pakken kon krijgen. Vijf dagen lang heb ik er op gewacht, of de Juliana-top of omliggende zich niet wilde bevrijden van zijn sluier van wolken of waterdamp, doch het mocht niet zijn; ik kwam niet verder dan den keten 3700–3800 op 20 KM. van die sneeuwtoppen. Maar het gaf dan toch aansluiting en toen de vijfde morgen weer niets opleverde, besloot ik tot terugkeer.Mijn prauwen en vivres waren in een klein bivakaan den voet van den heuvel, de bewaking bestond uit twee fuseliers. Den derden dag had een klein vivrestransport van zes man geloopen met twee karabijnen. Dat was wel de gevaarlijke zijde van deze Exploratie in klein formaat, het werken met kleine verbanden, die dan, zooals in dit geval, nog in drieën werden gesplitst. Doch wat wil men? Het rendement was in elk geval prachtig.De zwaarste versnelling in de “Kloof”.De zwaarste versnelling in de “Kloof”.Ook het systeem “geen onderofficier, geen verpleger” beviel mij best. De verveling van het lange zitten in de prauw werd er door verminderd: bivakbouw, fourageeren, vivresrekening, zij vulden weer den langen vrijen tijd en zóó deed ook het verbinden. Het laatste, het “dokteren” i.a., had trouwens het groote voordeel, dat men het vermogen van elken man, zoowel als van den heelen troep, tot op een haar kende.Aan kinine-prophylaxe werd streng de hand gehouden, katjang idjoe regelmatig opgefourageerd. Op deze heele patrouille had ik niet eenen zieke, niet eenmaal ging de flesch met “buikdrank” open. Maar de menschen waren met zorg uitgerust, hadden allen wollen ondergoed en nieuwe kleeren, een deken en goed tentmaterieel; bovendien ruime voeding en volmaakte rust in de observatiepunten, zoodra de boomstelling stond.Zoo geeft het dan een groote voldoening, die patrouilles in de puntjes te regelen en wordt de moeite elken noodigen kilogram berekend te hebben, volkomen beloond.Van diefstal, zooals vroeger wel was voorgekomen, was geen sprake; eenmaal hadden twee dwangarbeiders een blik rijst opengemaakt en, na zich ruim te hebben ingespannen, het blik in de rivier geworpen; zoo iets scheelde mij 30 rantsoen rijst, dus 1½ dag eten! Op toevallige wijze ontdekte ik de daders, eerst drie dagen later; een zware straf heeft toen herhaling van dit ernstige feit ten eenenmale voorkomen. Maar er moet ook een strenge tucht heerschen in een troepje, waarmee men zich in het hartje van Nieuw-Guinee bevindt, op 600 KM. van het hoofdbivak!Mijn verkenner Makatipu, menadonees van geboorte, was een aardige jongen, die vrij goed hollandsch sprak; vol ijver en een vaardig teekenaar. Hoe zaten wij heele dagen op de baleh-baleh boven in den boom en maten of wachtten. Hoe werden we geërgerd door het zachte westenwindje, dat het meten onmogelijk maakte; door de paardenvliegen, die ons staken als wij er niet op verdacht waren, door de “geduldvliegjes” die behagelijk over onze huiden heen en weer wandelden. Hoe konden we vreugde scheppen in elke nieuwe bijzonderheid, die ons opviel van onze hooge stellage! Ja mijn verrukking over het vrije uitzicht was nog steeds even groot; die vlakte, die bergketenen, door geen mensch nog gezien. Wat voelt men zich daar onafhankelijk, vrij!Een stroomversnelling.Een stroomversnelling.Mijn observatiepunt III had ik van af dit voorgaande reeds gekozen; het was het hoogste punt van een langen heuvelrug in Noordelijke richting, dien ik langs een zijrivier dacht te bereiken. Het gelukte mij in een dag of drie en na een landmarsch van éénen dag met zes dagen vivres. Allereerst werd twee dagen de zijrivier opgevaren en bivak gemaakt. Die rivier bandjirde zoodanig, dat het bivak zoowat klaar was, toen het onder water raakte; hierna zochten wij het een tien meter hoogerop en maakten een tweede bivak. Hier bleven de prauwen achter, vivres, drie fuseliers en éen Dajak. Dezen man had een klein malheur getroffen. Bij het kappen had een van zijn stamgenooten hem even met het puntje van zijn mandau in de kuit geraakt en toevallig een ader opengesneden. De man bloedde als een rund, doch ik had een gummislang en stelpte vlug het bloeden, tot groote bewondering van de bezorgde kameraden. Die hadden zoo iets nog nooit gezien! Toen een stevig verband en daar lag mijn kostbare riviermensch; doch wij behoefden niet meer stroomop, het kon wel lijden.Met dertien man marcheerde ik eenen dag door een vrij zwaar terrein, doch gelukkig nog geen Van Rees-Gebergte. De weg tegen den kam op was zeer steil en smal, op ’t laatst klommen wij als katten. Doch wij waren ’s avonds in bivak op een mooi plekje van den top (480 M. hoog), met frisch water in de buurt. Dichtbij moesten menschen zijn, want op geen 200 M. van ons af was een huis met puntdak, gaaf en dus bewoond of pas verlaten.Trouwens, waar wonen geen menschen in dit deel van Nieuw-Guinee? Behalve de talrijke sporen langs de rivier en onze vluchtige ontmoetingen, zagen wij over het heele land verspreid in vlakte en over de heuvels de meest onmiskenbare teekenen van het verblijf van Papoea’s: opstijgende kolommetjes dunnen blauwen rook, die vooral in den avond menigvuldig werden.In Observatiepunt III werden de metingen gecompleteerd, de kaart uitgebreid. Er moest veel gekapt worden. Een keer viel een boom vlak langs mijn observatiestelling; doch de Dajaks waren zeker van de richting geweest, waarin die boom zou vallen. Toch was de suizing vrij sterk; een van de zware takken van den vallenden boom greep langs den stam, waarin wij zaten en zwiepte ons eenige malen heen en weer; wel interessant, maar toch wat angstig!Wij bleven hier drie dagen.Op den terugmarsch, dicht bij het bivak der prauwen, bij het afdalen van een steilen rug, hoorde ik eensklaps dat we “aanraking” hadden. En niet vriendschappelijk!Mijn troepje haastte zich verder, ik snelde met de fuseliers naar boven, de wapens in de hand. Hier stonden wij voor een tiental gewapende en gevechtsklare Papoea’s. Toen ze ons ongewapend (!) zagen, zakten de pijlen; men kwam nader, tabak baarde vriendschap. Het waren brave kerels; zij begeleidden ons den verderen terugweg en onderzochten met groote nieuwsgierigheid al onze “bullen”, tot zelfs mijn kleeding, waarvan ze de strekking niet schenen te vatten. Toen ik mijn blouse een oogenblik uittrok, vervulde die “losse huid” hen met de grootste verbazing; ook mijn hoed viel zeer in hun smaak, een enkele probeerde hem. Ik verzamelde hier weer verschillende woorden, o.a. den naam der zijrivier: Abo; wel bijkans onnoodig te zeggen, dat deze woorden niet leken op die uit eenige vroeger gehoorde taal; het merkwaardige is, dat namen voor gelijke voorwerpen, b.v.b. pijl of boog, bij de verschillende stammen ook zelfs geen vage klankverwantschap met elkaar hebben. Typisch ook dat Papoea’s altijd op het oorlogspad zijn. Nooit zag ik er zonder pijl en boog. Hoeveel levensonzekerheid is daar in hun zwerversbestaan; doch wellicht zijn de onderlingeverhoudingenmilder dan wij ons voorstellen.Het opschrijven der woorden maakte onze vrienden angstig; daarna dorsten zij ook niet in het bivak te komen, doch bleven loeren aan den buitenkant. Toen wij een half uur later vertrokken, begeleidden zij ons echter juichend een eindje langs de rivier, spoedig waren wij uit zicht.Een welwillende bandjir bracht ons dicht bij Observatiepunt IV. Daar liepen wij den volgenden morgen tegen op; het was een heuvel van 420 M., waar geen bijzonders meer van te vertellen valt.En nu was het afgeloopen. Op 29 December ’s morgens vroeg, verliet ik dit laatste observatiepunt. Ik ontmoette nog één keer menschen, verzamelde woorden, doopte hier de B-rivier definitief Sobgèrtoerin40, vond de hierboven vermelde taalconclusie weer bevestigd, merkte overigens geen bijzonders op. Vermeldenswaardig is alleen, hoe een moedertje een heel klein pasgeboren kindje in een netje op den rug droeg; een huisvarkentje marcheerde er genoegelijk naast.Dus thans waren we klaar. Ik rekende: 1 Januari in Canobivak, de patrouille gemaakt in 39 dagen. Ik had dus de vivres wel noodig gehad, maar toch nog vrij veel overgehouden, daar ik meermalen half of geen rantsoen had gegeven als wij overvloed van ketella of pisang en visch hadden gehad.De terugtocht ging vlug en ongestoord. Verrukkelijk op den snellen stroom zonder veel moeite voort te varen. Ik was wel tevreden; de helft van mijn opdracht was vlug en met prachtresultaat uitgevoerd.Tegen elf uur deden wij een merkwaardige ontdekking. Op een eilandje in de rivier een Dajak-bivak! Mijn Dajaks hadden het onmiddellijk in de gaten; behalve het hutje was hier een merkteeken gemaakt, eenige armdikke stammetjes van den bast ontdaan en ingekapt met den scherpen mandau. Het leed geen twijfel of men was mij achterop geweest en toen wij de andere bivakjes van het troepje stuk voor stuk voorbij voeren, was het mij geheel duidelijk, dat ik teruggeroepen en de exploratie beëindigd was.Den volgenden dag in Splitsingsbivak gekomen, betrok ik het oude Bivak nog voor een of twee dagen. Aan den overkant was een heuvel, die mij, naar ik hoopte, uitzicht zou geven over het stroomgebied der A-rivier. Een dag hard werken gaf echter een matig succes; een breede rug, waarachter de A-rivier na een paar bochten schuil ging, onttrok het achterland aan ons oog; slechts kon ik nog met eenige peilingen het scheidingsgebergte tusschen A- en B-rivier aanvullen. En van de A-rivier vaststellen, dat ze aanvankelijk uit het Zuid-Westen kwam.Met gemengde gevoelens zat ik daar boven in den boom. Met een baloorig gevoel wegens het “onontdekt” blijven van den tegenover mij liggenden grooten zijtak der Idenburg-rivier; ja, dezen tak vergelijkende met de B-rivier of met de afwatering van Botbotna of Mokkofiang, moest ik eerlijk bekennen, dat mijns inziens de grootste waterader van deze drie de A-rivier was; een meening, die ik ook reeds bij vroegere opvaarten heb gehad. De A-rivier dus de eigenlijke Idenburg-rivier, die dan toch komt van het Sneeuwgebergte, van den Julianatop; en deze was niet geëxploreerd! Het was wel jammer.En dan ook: zoo vlot was alles verloopen, de vivres lagen in Canobivak klaar, het was zoo zonde die ongebruikt te moeten laten.Laat mij ook ronduit bekennen dat een gevoel van opluchting, van vrijheid na goed volbrachte taak, zich van mij meester maakte. Over eenige dagen zou ik in Pionierbivak zijn en vandaar weer de beschaving langzamerhand bereiken. Het streelde mij, het trok mij aan, ik kan het niet ontkennen.2 Januari van Splitsingsbivak vertrokken, kwamen wij den 3en in Canobivak aan. De waterstand was zeer hoog, het bivak was niet meer dan 10 M. boven water. Alles was verlaten. Een klim naar boven bracht mij voor het bovenbivak, waar ik inderdaad een nette kleine goedang vond, doch alle vivres waren weg.Een groot gevoel van verlatenheid beving den heelen troep. Geen spoor, geen teeken, een groote vlucht. Men vergete niet dat ik in 2½ maand geen oorlogsnieuws had gehad! Was Prauwenbivak, was Pionierbivak nog bewoond?Ik fourageerde zeven dagen vivres, bovendien kreeg ieder zijn aandeel van mijn eigendommen, instrumenten en ethnografica. Zwaar beladen ging men op marsch. Halverwege Prauwenbivak viel het nachtbivak.4 Januari in den middag konden wij onze vrees, de eenige in Nieuw-Guinee te zijn, op zijde zetten: wij zagen rook, er waren menschen in Prauwenbivak.Korporaal Kadir meldde zich bij mij, bivakcommandant; hij was hier met ± 12 man, er lagen 5 goede prauwen. Ten spoedigste werd alles voor vertrek gereed gemaakt.Ik vond er brieven en daaronder het bevel tot terugkeer met alle vivres en voorraden. Een schrijven van Dokter Thomsen las ik met groote belangstelling; hij toch was het, die mij met negen Dajaks achterop was geweest op last van kapitein Oppermann, die den 16en November het bevel, om de exploratie te staken, ontvangen had. Doch zijn brief was geen opwekkend reisverhaal; het was een aaneenschakeling van moeilijkheden en misère. Met twee prauwen vertrokken, een groote en een kleine, hadden zij zich moeizaam tegen de bandjirs opgewerkt, mijn merk in Splitsingsbivak gevonden. Op een avond aan de B-rivier hadden de Dajaks vrij van wacht gevraagd, zij waren moe na een heelen dag tobben; de dokter had hun dat toegestaan, onvoorzichtig. Den volgenden morgen was de groote prauw weg! Drie dagen had Thomsen nog langs den oever gemarcheerd, was toen ziek geworden. Hij besloot tot terugkeer, begreep mij toch niet te zullen krijgen. Een vlot werd gemaakt en hierop en in de kleine prauw werd teruggevaren; het vlot was eenige malen over den kop gegaan tegen steenen en rotshoeken; allen waren echter behouden aangekomen. Thomsen schreef, hoe blij hij zijn zou, mij behouden terug te zien. Nu, die vreugde zou hem spoedig te beurt vallen.Op 5 Januari was de afvaart. De waterstand was hoog, doch er was geen bandjir. Ik zag geen reden om de Eerste Kloof niet door te gaan, was echter zoo voorzichtig om de prauwen slechts matig te beladen, een maatregel die ons waarschijnlijk van verdrinken heeft gered.Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op, de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog, en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen: “saja hidoep!”41Doch voorloopig was het stil in de prauwen.Drie dagen deden we over de terugvaart tot Bataviabivak, op den 8en passeerden we de versnellingen in het Van Reesgebergte. Den 8en Januari kwam ik in Pionierbivak.Die afvaart langs de Idenburg-rivier ging ’s nachts door; mijn menschen berustten gaarne; de oevers zaten thans zoo stikvol muskieten, dat bivakmaken hier een kwelling was. Tegen donker hielden wij stil, kookten eten en roeiden weer voort. Ik behoefde heusch niet aan te sporen, de muskieten zaten er wel achterheen. De eerste nacht was goed, de tweede regenachtig en ellendig. De muskieten waren toen zelfs op het water; zij staken in het donker, men kon ze niet zien. Mijn menschen waren stijf van kou; gelukkig had ik nog cognac, zoo bracht de flesch allen een kleine verwarming. In den avond van 7 Januari werd Batavia-bivak bereikt; met welk een vreugde werd de lantaarn, die ons daar van verre tegenstraalde, begroet!Over de Idenburg-rivier viel niets te vertellen; wij waren allen blij, toen het lange traject achter den rug was. Of er dien nacht in Batavia-bivak geslapen werd!En toen den 8en door het Van Reesgebergte. Het was een mooie dag, de Dajaks gilden vroolijk; de anderen eerst, nadat de Marinevallen gepasseerd waren. Toen zongen zij tot de avond viel en de lichten van Pionierbivak om den hoek verschenen. Nu, ook mij sloeg het hart van vreugde; het was weer ruim 2½ maand sinds ik het comfort van het hoofdbivak miste en ik was er gansch niet ongevoelig voor.Ik vond een hartelijke ontvangst; wij hadden een opgewekten avond. En aan het vertellen kwam geen einde.

VII.De Exploratie der B-rivier.Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal, dat den 16en der maand per “Albatros” werd aangebracht.In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote “gebouwen” verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis en het Dajak-huis. Mooie foto’s waren door onzen dokter gemaakt om het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag, ook fotografisch vast te leggen.Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten, doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof van den eenigen “sierboom”, dien men in het bivak had laten staan, de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein “zootje” oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede idem (•) thans onder-officiersverblijf.Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2efoto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien; als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij gefotografeerd. (ethnografica!)De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (= modder)tijd. Hier sprong lustig een geelharige jonge hond rond, een vroolijke gladdakker35of street-terrier en zijn kameraad, een klein gestreept varken. Zij waren goede vrienden en namen wat van elkanders eigenschappen over: het varken kreeg iets van de wildheid van den hond en de hond heel veel van de vuilheid van het varken; beiden kenden geen grooter genoegen dan rond te tollen in de modderige waterloopjes door het bivak.Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten, sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich aan eenigekippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de boomen en overal. Als het “kip” was, trok de oudste der bedienden er met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder, vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden, zal het meestal wel “bij toeval” door dwangarbeiders geweest zijn.Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad, met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam (Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan; men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde varken worden gevonden.De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor, het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea’s, de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo’n haast om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt, gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport, bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II, vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea’s gevonden en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.Een dergelijk geval strekt wel tot leering.De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.’s en mandikamers was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen van hier tot Bataviabivak.De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip, naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen, nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn, niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt; de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch dit was gebeurd eenige maanden geleden.Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman haar misschien op dit moment gebruikte.Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:Indekking. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie- vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.Vivres. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en precies naar het aantal menschen in kilo’s nauwkeurig berekend; hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele “schatting” alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt; de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede; ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.Geneesmiddelen.Veel “buikdrank”,36kinine en asperine; voldoende verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na Canobivak in één. Voor ziekenkost alleen gecondenseerde melk; een vivresblik vol bevatte ongeveer 20 blikjes van ½ liter.Diversen. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak, tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000 rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ± 7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema’s.Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man, waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor, één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.Officiershuis in Pionierbivak.Officiershuis in Pionierbivak.Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1onderofficier, 1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea’s onder Oscar, den “onderkoning.”Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model, 5 chronomètres-torpilleur.Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.V.l.n.r. Dr. v. Steenis, luit.-t.-z. Langeler, kapt. Schultz, kapt. Oppermann (zittend), dr. Thomsen.Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen “kait” genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een twintigtal exemplaren van de “Petite Illustration”; immers, wanneer men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de verveling en dat mag niet.Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal 1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende dat ik geen zieken zou krijgen.Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3 te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt, de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3½ dag was ik in Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het ook niet anders dan voor den wind gaan.Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller, waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.Nadat ook alle Papoea’s voor het transport definitief waren aangewezen, werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg., de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea’s.Toen werd den 26en October de tocht begonnen.Laag water voor Pionierbivak.Laag water voor Pionierbivak.Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten, overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim, doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar ze tegen hun zin werden vastgehouden.Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.Tusschen Dajaks en Papoea’s was de eerste dagen een wedijver, wie het meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals hier op de vlakterivier, waren de Papoea’s in hun element en bij het vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea’s in; de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren steeds de twee, met Dajaks bemand.Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in, dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer, een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.Achteraan kwam gewoonlijk een stelletje Papoea’s de kleinste en minst sterke van den troep, die ik dan weer door verspreiding over verschillende andere prauwen in een wat gunstiger conditie bracht; dikwijls ook was er ruzie in een Papoeaprauw en waren dan allen “boos”, en wilden een tijdje niet roeien, tot de andere prauwen uit het zicht raakten en dan werd er weer verder getrokken. Hoe dikwijls kwam Oscar bij me, sloeg de hand tegen het voorhoofd bij wijze van groet en vroeg me, een van hun kleine geschillen te berechten.Meestal vreeselijke beuzelingen, een scheldwoord vaak, doch door met een ernstig gezicht uitspraak te doen, hield ik er het vertrouwen in en legde de verongelijkte zich bij het geval neer; gewoonlijk had een grapje het gewenschte resultaat.Welk kinderlijk volkje, die Papoea’s! Pleizier om de minste kleinigheid, gelukkig met een heel klein pluimpje. Dikwijls kwamen zij ook op ziekenrapport. Als ik hun dan vroeg wat er eigenlijk aan scheelde, kreeg ik een lang verhaal over weeën hier en weeën daar, doch dat alles ging graag over als ze maar een kleinen “obat” kregen, onverschillig welken. Als het periodiek kinineslikken was, de Papoea’s mankeerden nooit; zij vonden het allen even lekker. Dol waren zij op wonderolie, doch ik was er zuinig op. Hoesten leerden ze vlug aan en ach, ze konden zoo met een ongelukkig gezicht, al kuchend, van hun kwalen vertellen. Doch de grofste wonden aan voeten of beenen lieten hen koel; niet waar, dat zat maar van buiten, dat gaf geen lekkeren obat.Ik was zeer tevreden over hen en ze waren over ’t algemeen bijzonder gewillig; alleen ruw met de prauwen en menigmaal moest er een hard woord vallen als ze hun vaartuig weer tegen een ander lieten oploopen, dat kop of boorden scheuren kregen.Eens in de vier dagen was het fourageeren. De prauwen werden zooveel mogelijk gelijkelijk verlicht; op zulk een dag vlaste elk stel van zes roeiers er op, dat hun prauw met een of meer blikken ontlast zou worden. Dan werden de blikken opengeslagen, de heele bende zat er omheen en ik was het beste voldaan als er geen vivres bedorven werden bevonden. Overigens werd daar nog zooveel mogelijk uit gehaald; een blik rijst, b.v.b. dat van onderen wat nat was en duf rook, werd op een zeil uitgestort, in de zon gedroogd en met de andere opgefourageerd; natuurlijk, er waren grenzen, doch tweede kwaliteit is ook goed.Streng moest ook gelet worden op het loopen over de blikken, die in de prauwen lagen; vooral de Dajaks hadden daar een handje van en hoe gemakkelijk konden scheurtjes ontstaan!De oever voor Pionierbivak bij laag water.De oever voor Pionierbivak bij laag water.De fuseliers, ik had er tot Prauwenbivak 8, hadden den schildwachtdienst, 1½ uur lang van 6 uur af tot 5 uur ’s morgens. Ik verzuimde nooit het bivak geheel schoon te laten kappen en er een omrastering van struikgewas en doornen om heen te laten maken.Met circa 80 parangs was het een moeite van geringen duur, die het gevoel van veiligheid vermeerderde. Alle fuseliers sliepen met het geladen geweer naast zich; ikzelf had ook steeds den revolver onder mijn hoofdkussen. Na den dood van Stroeve was ik dubbel voorzichtig en wantrouwend geworden.De dwangarbeiders deden den dienst van prauwenwacht; met hun negenen, telkens 2 tegelijk, gaf dat elken nacht twee uren wacht, van 8 uur ’s avonds tot 5 uur ’s morgens. Dit was wel een onrechtvaardige bezwaring tegenover de andere “rassen”, doch ik wist er niets beters op. De Dajaks toch en evenzoo de Papoea’s vatten zoo’n dienst als een grapje op en straf zou hier niet veel geholpen hebben, had hen in elk geval niet betrouwbaar gemaakt.Zoo vond de opmarsch geregeld plaats; jacht en vischvangst leverden een en ander op, de laatste zelfs veel, doch ik kon er weinig van profiteeren: een paar dagen eerst van Bataviabivak vertrokken,kreeg ik weer een ingewandsziekte die een dag of tien duurde, die mij eenigszins bezorgd maakte voor het “in-elkaar-vallen” van den leider, doch die ik ten slotte met een melkdiëet er onder kreeg.Wij hadden twee ontmoetingen met Papoea’s: den 27en met de Tori Aikwakai, die ons ijzer afbedelden; ik gaf echter niets, kon mijn parangs beter voor boven gebruiken; ik zag weder een kampong op een plaats, waar vier maanden geleden niets te zien was, doch vond er overigens geen bijzonders. Bivak werd gemaakt op den tegenoverliggenden oever. Dien nacht was er zeker feest in de kampong; tot in den vroegen morgen hoorden wij muziek als van het slaan op groote trommels, begeleid door menschengeroep en hondengejank; ik drukte den schildwachten waakzaamheid op het hart, kreeg echter eerst in den ochtend bezoek van een 15-tal mannen in zes prauwen, die met groote vrijmoedigheid ons bivak binnenstapten en zeer vrijpostig waren. Ik liet hen wegjagen, ik moest niets van hen hebben.De tweede ontmoeting was den 2en November, halverwege Prauwenbivak. Hier was een kleine stam van een twintigtal menschen, blijkbaar doortrekkende langs den oever der rivier. Daar ik met de motorboot stopte om de plaats voor bivak te bekijken, kregen wij contact met de voorloopers van deze kleine bende. Wij wisselden vriendschappelijke handdrukken en gaven hun sigaretten. Een oude man was in een soort vervoering bij de motorboot komen zitten, die nog rustig lag te snorren; hij knikte voortdurend met het hoofd en murmelde zonder ophouden; heeft ons waarschijnlijk voor goden of geesten aangezien. Weldra kwam het gros van den stam: kinderen en zwaar beladen vrouwen; zij trokken schielijk voorbij, daarna gingen ook de mannen verder.Den dag, hierop volgende, kreeg ik het eerste belangrijke motordefect en wel op de volgende wijze. Door de lange droogte was het rivierniveau geweldig gezakt. Groote stammen kwamen bloot, niet alleen op de binnenbochten, de glagahbanken: maar ook in de buitenbochten en in de gestrekte riviergedeelten aan beide zijden. Het was steeds met groote voorzichtigheid uitwijken; gelukkig was de schroef der motorboot beschermd door een koperen raam, dat aan den onderkant, om schroef en schroefas gebogen, aan de huid was bevestigd. Op 3 November, om een uur of elf liep de motorboot volle kracht op een boom onder water. Wij kwamen onmiddellijk vlot, doch er was geen stuur meer; onderzoek wees uit dat de stang, die het roer droeg, totaal was kromgebogen; het roer stak boven water uit. Ik liet mij aandrijven, wij maakten vast, maakten de roerbeweging los. Inmiddels kwamen de prauwen aan; ik liet meteen bivak maken, begrijpend dat de reparatie wel zijn tijd nemen zou. Pogingen om den stang gloeiend te maken en recht te hameren mislukten; de stang knapte in tweeën, er bleek een oude breuk te zitten; blijkbaar had zich het grapje vroeger ook al eens voorgedaan.De Dajaks gaven redding. Zij maakten een houten roer. Niet ver behoefden wij te zoeken of wij vonden een stam, die aan zijn voeteinde platte, wijduitstaande, driehoekige wortelsteunen heeft; als het ware planken van eene bijzonder taaie samenstelling. Hiermee was het ongeluk bezworen; een houtblad werd uitgekapt, ik teekende het model en in een half uur hadden wij een prachtroer met groot oppervlak. Gelukkig was in den voorraad van de motorboot een eind staaldraad; hiervan werden twee stropjes gemaakt en het roer er mee opgehangen aan de oude haken; de stuurstok (z.g.n. helmstok) werd er stevig aan gebindseld en wij hadden een roer dat mocht gezien worden.Het voldeed den volgenden dag bijzonder goed. Maar op 4 November: boem! weer op een boom. Oogenschijnlijk geen bijzonders, doch, nauw aangezet, rammelde de schroef als een bezetene. Laten duiken; het bleek dat het schroefraam voor de helft reeds was weggestooten, de andere helft zwierde los onder de boot en hierin ratelde de schroef. Die andere helft werd er dus ook maar afgetrokken. Nu echter was het bestaan der schroef elk oogenblik bedreigd en ik bepeinsde al, hoeveel dagen de motorboot nog mee zou sukkelen.Doch ziet, het viel mee. Tot 7 November hield de machine het vol. Toen waren wij op slechts een paar kilometers van de gevaarlijke passage, die mij nog van mijn ongeval van 23 Juni goed in het geheugen lag. Ik was van plan, de motorboot bij die passage af te danken, daar ik er niet mee tusschen die boomstamversnellingen door dorst. Doch de motorboot dankte zich zelf af. In den morgen van 7 Novemder konden wij na een half uur tobben geen water meer uit de koelpomp krijgen. Ik besloot kort en goed hier het tijdelijk vivresdepôt op te slaan. De prauwen legden aan; een kleine goedang en een hutje voor twee man werden met zorg in elkaar gezet, daarna de vivres uit de motorboot gehaald en in de goedang geborgen.Ondertusschen werd de machine nagezien, doch niets hielp. Ik liet dus dajongs en lange roeiriemen maken, gaf den menschen der motorboot voor 8 dagen eten mee; een karabijn en nog een oud beaumontgeweer waren de bewapening, een oude fuselier was commandant.De bezetting van “Vivresbivak” was twee man. Die konden om de beurt wacht doen met de order, zich tegen elke aanranding met scherp te verzetten.Hierna gingen wij voort en de motorboot werd middenstrooms geroeid. Op het moment van het afscheid snorde de motor nog eenmaal en ziet, de pomp gaf water. Ik denk wel, dat de machinist op de pomp zijn uiterste best zal hebben gedaan; ik hoorde later, dat de motorboot in 4 dagen Batavia-bivak had bereikt, wat voor de inzittenden zeker een opluchting moet zijn geweest.In den ochtend van den vierden dag na dezen, op 11 November, passeerden wij Motorbivak. Daar was het verval reeds leelijk ingetreden; geen wonder bij een bivak, dat sinds ruim twee maanden verlaten was. Nu door de eerste kloof. Zij was vrij moeilijk, er was blijkbaar druk van boven, doch alles marcheerde zonder ongelukken.De lange versnelling in het bevaarbare deel tusschen de kloven, halverwege Prauwenbivak, gaf meer zorg. De rivier heeft daar een verhang van 1½ M. en steile afbrokkelende grintoevers. Er is een oversteekmet niet minder stroom dan in den Edi-val en met evenveel kans op ongevallen. De prauwen kwamen na twee uur werken behouden over en een uur later waren wij in Prauwenbivak.Hier werden wij met groote vreugde ontvangen. Men zal zich herinneren, dat wij op 28 September van daar waren vertrokken, er een bezetting latende met ruim een maand vivres. De Europeesche sergeant-bivakcommandant ontving mij met de mededeeling dat hij alles had ingepakt en klaar was om den volgenden morgen te vertrekken: de vivres waren op.Welk een toeval, dat ons zoo juist op tijd bracht!De menschen waren in-blij, ons te zien komen. Zij moeten zich dan ook wel vergeten hebben gevoeld. De gezondheidstoestand was goed op één uitzondering na: dat betrof een dwangarbeider die in een ver stadium van beri-beri was. Wat was dat kereltje uitgeteerd; een geraamte gelijk! Loopen kon hij niet meer. Een dag of veertien later was hij in Pioniersbivak onder handen van Dokter Thomsen, ik vond er hem terug welgedaan en gezond, doch hij had een narrow escape gehad.Was tot hiertoe alles prachtig voor den wind gegaan en de rivier nog rustig, lang kon het niet meer duren.Dat de kentering ophanden was, bewezen zware onweersluchten, die zich elken avond in het Oosten samentrokken en af en toe tot uitbarsting kwamen. Maar het was nog geen ernst geworden, de drift der wolken was nog van Oost naar West.Daarom werd in Prauwenbivak geen rust genomen. Den volgenden morgen, 12 November, vertrok de Inlandsche korporaal Kadir met zes der grootste prauwen en 37 roeiers, van wie acht Dajaks, 8 dwangarbeiders en de 20 beste Papoea’s, een keurbende alzoo; om te probeeren den voorraad van “Vivresbivak” nog te halen voor het doorkomen van de groote bandjirs, die de Eerste Kloof onbevaarbaar maakten en dus een oponthoud van weken zouden geven.Vijf dagen was ik in hoop en vreeze; een bandjir kwam op, doch verflauwde weer. In den middag van den vijfden dag werd de eerste prauw gesignaleerd, weldra nummer zes. Een uur later stond Kadir voor mij; geen ongelukken, geen verliezen, de twee man bezetting van “Vivresbivak” waren meegekomen. De brave jongen had evenveel voldoening over den vluggen voortgang als ikzelf.Intusschen hadden wij in Prauwenbivak niet stil gezeten. Twee keer was reeds een draagtransport heen en weer tot Canobivak geweest, elken keer circa 50 man; tevens was dat bivak opnieuw bewoonbaar gemaakt; ik had er den waterstand niet hoog gevonden, evenwel was het “bekken” gevuld.Een derde draagtransport, thans 80 man, liep op 17 en 18 November en bracht datgene, wat Canobivak nog behoefde. Negentien November zag den afmarsch van den sergeant-bivakcommandant met een 80 man in 10 prauwen, hierbij alle Papoea’s, dat deze menschen in de wolken waren, behoeft wel geen betoog; ook het “geraamte” verheugde zich, hij zag het leven weer gloren!Ik vertrok dien dag met mijn heelen eindtroep en alle patrouille-benoodigdheden naar Canobivak, latende in Prauwenbivak 6 man bezetting en 6 goede prauwen, hoog op den wal en extra vastgebonden.Mijn terugtocht was dus gedekt en voor vivresnood behoefden wij niet bang te zijn; het wegvarend leeg transport toch droeg een nabestelling van circa 2000 rantsoenen, eerst na een maand in 9 prauwen te ontvangen, een opdracht, die met kalmte kon worden uitgevoerd.Een groote damarboom, dicht bij Canobivak opgemerkt door mijn Dajaks, gaf ons een blik vol hars; dit was alweer een welkome aanvulling van den pekvoorraad.Toen ik me dien avond van 19 November in Canobivak onder het kleine tentje ter ruste legde, had ik een tevreden gevoel; de aanvang was goed en vlot geweest; de groote voorraad rondom mij en het puike menschenmateriëel beloofden ook voor de komende dagen succes. Juist 30 dagen geleden was ik van Pionierbivak weggegaan.Thans was alleen het wachten op de prauwen. Van de drie der vorige patrouille, die hier hoog en goed bezorgd op den oever lagen, keurde ik de kleinste af en liet er twee prauwen bijmaken. Hiertoe had ik mijn 8 Dajaks, die reeds vanaf 16 November in Canobivak aan het werk waren geweest; thans kwamen mijn 9 Palembangers helpen; deze verstaan het prauwenwerk goed, doch werken veel langzamer dan de Dajaks. Twee mooie lange prauwlichamen kwamen den 20enklaar, benevens twee stel breede planken, wit en soepel, voor de boorden. Den volgenden dag stond alles in elkaar; pek, werk, damar en spijkers waren ruim voldoende; op 22 November zouden wij inschepen en stroomop gaan.Doch Nieuw-Guinee wilde het anders.Reeds heb ik verteld, hoe elken achtermiddag zware stapelwolken zich in het Oosten verzamelden. Tegen zonsondergang, dik en koperkleurig, kwam de wolkmassa opzetten, een uur later bedekt ze den hemel, bliksemflitsen en dondergerommel waren de uitingen van deze voorboden van de komende kentering, doch het bleef nog droog. Eerst 21 November kwam de eerste losbarsting.—Wat ik nog niet vertelde, was dat naast Canobivak een zijstroompje zich in de groote rivier stortte, een frisch, helder watertje met vlak onder het bivak een breeden waterval, die de heerlijkste douches gaf. Met het rijzen van het water verdween de waterval, want ook de benedenloop van den zijtak vulde zich dan met het bruine water der Idenburgrivier. Doch dezer dagen was de waterval er weer en even daar beneden, op vlakke steenoevers, lagen de prauwen vastgemeerd met dikke touwen aan een boom van den oever.De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde: “orang kaloewar, orang kaloewar!”37en in een drom gingen wij naar beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen, nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg: het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen, raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.Wij klommen naar boven. Een Dajak moest gedragen worden, had het been tusschen de prauwen bekneld gekregen; een Dajak was weg. Wij gingen slapen, er was niets meer om voor te zorgen. Wat moest ik doen? Nieuwe prauwen maken natuurlijk, doch het kostte twee weken en waar haalde ik pek en spijkers vandaan? Het zou een kruk-expeditie worden, het resultaat van den tocht die zoo mooi begonnen was.In den nanacht hoorden wij geroep aan den overkant en weldra herkenden de Dajaks hun makker. Die was dus gered gelukkig; nog een uur en hij was overgezwommen, bij ons. Dat was een vertroosting, daarna sliepen wij weer door.Vroeg in den morgen kwam Noer, de jongen, mij vertellen, dat er van de prauwen overblijfselen gezien werden in de Idenburgrivier op steenachtige banken een eindje benedenstrooms. Dat was de moeite; het gaf weer een straaltje hoop. En ja, het viel mee. Dank zij den boom, die met zijn takken aan de steenen was blijven zitten, waren drie van mijn vier prauwen daar gestrand. Doch wat was er van over? De planken waren gescheurd, twee der onderlichamen gaaf. Alles werd bij elkaar gehaald, de planken losgemaakt, spijkers recht geslagen, pek zuinig afgeschraapt en in een blik verzameld. Toen werden uit drie gebroken prauwen weer twee heele gemaakt, wel met een euvel hier en daar, doch best bruikbaar.Thans werd de oude, afgedankte Papoea-prauw der vorige patrouille in eere hersteld, opgelapt, scheuren met blik beslagen en met pek en werk gedicht en ziet, in den avond van 22 November was de expeditie op nieuw klaar voor vertrek; alleen haar omvang was ingekrompen; ik besloot te gaan met 18 man in 3 vaartuigen en 40 dagen vivres. Dat de prauwen dien nacht hoog waren geborgen, laat zich begrijpen; niet voor niets had Nieuw-Guinee mij weer eens voorzichtigheid geleerd.Thans kwam nog een oogenblik strubbeling van den kant der Dajaks. Zij wilden hun zieken kameraad niet verlaten. Overreden hielp niet, zij waren nu ver genoeg geweest, bovendien hadden droombeelden hun een ongunstigen afloop voorspeld. Mijn ultimatum was: niet eten of mee. Zij kozen het laatste en waren weer opgewekt als te voren. Kinderen, die Dajaks; zij zeuren, tot men hun een hard woord geeft, denken daarna aan iets anders.Zoo werden dan ’s morgens op 23 November de prauwen te water gelaten en volgeladen; het ging net aan, doch, evenals den vorigen keer, wij zouden er ons wel doorheen eten. Ik gaf 5 dagen vivres “bij den man”; zoo konden wij het 45 dagen uithouden.Zes Dajaks gingen mede; twee bleven achter: de gewonde en een om hem op te passen. Verder zes dwangarbeiders, vier fuseliers en de verkenner Makatipu. Noer; mijn jongen, werd mandoer over zijn kameraden; hij was zoo ijverig en handig en had toch steeds de leiding.Canobivak bleef onder bewaking van een korporaal en acht man; zij haalden telkens hun eten uit Prauwenbivak; dat hield de menschen levendig, een goede marsch van tijd tot tijd. In den goedang lag juist zooveel voorraad, dat, als ik na 1½ maand terugkwam, ik mijn prauwen maar had vol te laden om er opnieuw voor 1½ maand op uit te kunnen gaan. Dit was dus wel gemakkelijk geregeld. De bezetting had verder in opdracht, ten spoedigste een goedang met barakje te bouwen op den heuveltop, ± 40 M. boven het huidige bivak; zooals men weet, kon immers het rivierniveau tot aan het tegenwoordige Canobivak stijgen, wij moesten dus daarop voorbereid zijn.De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.Den 26en November waren wij in “Splitsingsbivak”, d.i. aan de monding der A-rivier. Hier werd geobserveerd en alle vivres geïnspecteerd. Wij hadden nog al met bandjir te kampen gehad; de goede tijd was absoluut voorbij, steeds kwamen nu de wolken opzetten uit het Westen. Doch de voortgang was goed. Werd de bandjir al te bar, dreef hij ons onder en tusschen de overhangende oevertakken, dan maakten wij bivak; want dan werd het afjakkeren om een enkelen kilometer met het grootste gevaar van omslaan; vroeg braken wij dan op om de schade in te halen. Van het grootste nut bleken nu de “Kaits”; wat hadden wij daar een plezier van!Onderweg waren groote vluchten kalongs of vleermuizen (vliegende honden) gezien. Als groote zwarte dorre bladeren hingen zij in de takken van sommige hooge boomen. Kwamen wij voorbij, dan werd er geschreeuwd en op blikken geslagen, tot de beesten een voor een opvlogen; in groote kringen zweefden ze piepend over onze prauwen en kwamen eerst weer tot rust als we lang voorbij waren. Een enkele maal heb ik ze geschoten, doch ik vond het vleesch niet smakelijk; het was bloederig en taai, wellicht komt hier suggestie bij. Misschien ook was het slecht klaar gemaakt, want meermalen heb ik later hooren beweren, dat kalong-vleesch zich zeer wel laat eten.In Splitsingsbivak maakte ik een merk; ik had afgesproken met Kapitein Oppermann, dat, als ik de A-rivier zou exploreeren, ik eén, voor de B-rivier twee blikken op een stok zou vastzetten. Hier werden thans twee blikken gezet op een langen gallah en rottankoord stevig tusschen de boomen bevestigd.Op 28 November kwam ik aan de B-rivier; deze liep hier tusschen schilderachtige hooge rotswanden, het was een fraaie dag en de rivier merkwaardig kalm. Wij maakten dus dienzelfden dag een grooten voortgang en bovendien, het vlaktekarakter kwam weer op. Dit laatste is echter slechts tijdelijk gebleken; de B-rivier bleef versnellingrivier; een blikop de kaart van het door haar doorstroomende heuvelland maakt zulks begrijpelijk. Het water was, vergeleken met dat der Idenburg-rivier, verbazend helder; ook dit wees er op, dat de B-rivier geen vlakte kende.Kaart van het Centraal-Gebergte.Sporen van menschen werden spoedig gezien en wel in den vorm van ladangs; menschen zelf heb ik aan dezen grooten zijtak vier malen ontmoet. De ladangs leverden ketella in groote hoeveelheid, evenzoo pisang; verder tabak en kloewé. Wij namen steeds uit een geschikte ladang, waar veel groeide, ons bescheiden deel, legden tabak en een enkelen parang er voor in de plaats. Deze verandering van voedsel was den troep bij zonder welkom en mijzelf niet minder. De wilde pisang toch, gekookt, is een geweldig stevig voedsel en evenzoo de ketella. Als ik mijn avondmaal van rijst voor pisangs ruilde, had ik aan vijf stuks meer dan genoeg. Ik at ze steeds met gecondenseerde melk, zoo ook de ketella; men zal zich afvragen, hoe zoo iets in ’s hemelsnaam mogelijk is en inderdaad zou ik het thans ook een vreemde combinatie vinden. Toentertijd echter vond ik het heerlijk.Zoo reisden wij steeds langs ladangs, zagen hier en daar een hut. Deze hadden alle een puntig dak van atap over een gabah-gabahwand van 4 × 4 M. lengte en breedte; de baleh-baleh lag meestal 1½ M. boven den grond; slechts één keer zag ik een huis op palen van 4 M.Sago werd weinig gezien; “op het land leven”, zooals tijdens de vorige patrouille gelukt was, zou hier een onmogelijkheid geweest zijn.Niet alle dagen was de rivier ons zoo ter wille als dien eersten dag; den volgenden morgen liep reeds een zware bandjir en later werden wij ook menigmaal onder de oeverboomen gedrukt. In het geheel voeren we haar 12 dagen op en hadden toen 130 K.M. langs de oevers afgelegd.Zelfs aan het eindpunt, waar toch telkens een versnelling den kalmen loop van het water onderbrak, werden nog krokodillen gezien; zij verdwenen steeds schielijk bij onze nadering. Aan visch was de rivier weer bijzonder rijk. Aan jagen werd niet veel gedaan! Wij hadden voedsel in overvloed, dus de prikkel om na een dag van aanpakken nog weer het woud in te gaan, was niet bijzonder groot; bovendien, ik hield liever den troep bij elkaar, want wij hadden niet velen te verliezen.Een dier, dat ik tot nu toe nog nooit gezien had, werd door twee Dajaks meegebracht; het was een boschkangoeroe of koeskoes, dien zij geschoten hadden. Een mooi dier met een donkerbruine huid, hoog ongeveer een halven meter. Merkwaardig dat mijn fuseliers en dwangarbeiders, allen Mohammedanen, het vleesch niet wilden eten. Noer, de jongen, verklaarde mij, dat zij in dat opzicht een koeskoes gelijkwaardig met een varken vonden; nu, mij smaakte de bout des te beter. Wel eigenaardig, dat deze dwangarbeiders (die heusch niet allen voor een liefdesmoord in den boei zijn geraakt, doch ook wel heel andere dingen op hun kerfstok hebben) zoo streng aan het verbod van den Koran vasthielden. Zelfs op de vorige patrouille met Kapitein Oppermann, in den tijd toen de sago ons er boven op hield, aten de dwangarbeiders geen varkensvleesch; de fuseliers wèl. Thans, terwijl er overvloed was, namen geen van allen het.Toen wij de rivier 8 dagen waren opgeroeid en een dag te voren in Zuidelijke richting en niet ver af bergland hadden gezien, besloot ik het hoofd eens boven de boomen uit te steken; wij maakten observatiepunt I, hoog 325 M. Een loonend, een schitterend uitzicht! In nevenstaande schets zijn schematisch de drie gebergten geteekend, die ik van hieruit zag; (1) was de Zuidrand van het bergland, dat van af de Poeveh en Pauwasi was gekaarteerd, gaf dus aansluiting aan de vorige patrouille! (2) was de (vermoedelijke) waterscheiding tusschen A- en B-rivier, hoog tot 2500 M. en in het Zuiden overgaande in het Centrale Gebergte; (3) was het bergland aan de Oostzijde van de Kaiserin Augusta-rivier, wat mijn kaart aanstonds uitstrekte tot over de Duitsche grens; tusschen (2) en (3) bergland in Zuid-Oostelijke richting, behoorend tot het Centrale Gebergte, doch niet veel boven 4000 M. en met lagere complexen er tusschen.Dat ik mijn kaart niet alleen uit dit ééne observatiepunt kreeg, behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; bovenstaande terreinbeschrijving in groote lijnen is het resultaat van de gezamelijke metingen; behalve Observatiepunt I waren er nog drie andere.Ik zag wel, dat ik de rivier nog niet voldoende ver was opgevaren om het bergland in den uitersten zuidoosthoek te kunnen “grijpen”. Daarom gingen wij nog vier dagen verder stroomop, een tegenvaller voor velen, die gedacht hadden, dat het eindpunt reeds was bereikt.Observatiepunt II lag 35 KM. verder; op dat traject zagen wij tweemaal menschen. Den eersten keer twee mannen bij een kleine prauw voor een ladang met een groot huis. Zij waren zeer verbaasd, doch niet vreesachtig, toonden belangstelling in al wat hun vreemd was. Ik verkreeg eenige woorden van hun taal, pijlen, enz. Er valt niets bijzonders over hen te zeggen na de uitvoerige beschrijving der stammen in mijn vorige hoofdstuk, waar zij (Pauwasi) geheel mee overeenkwamen. Een stuk uit Europa was hier nochtans verdwaald geraakt; het was de bovenhelft van een parang, zoo oud en in ’t gebruik zoo afgesleten, dat die hier wellicht al vijftig jaar was geweest; wij gaven de beide menschen thans elk een nieuw exemplaar.Dat men overigens niet al te hard op ons gesteld was, bemerkten wij een dag later. Wij voeren rustig in kalm water, toen het “pana, pana!”38in eens achter mij klonk. Ik liet mijn prauw vlug oversteken naar den veiligen oever en nam onmiddellijk den vijandelijken wal onder vuur. Doch geen vijand was meer te zien, een tiental schoten hadden indruk genoeg gemaakt. De bepijlde prauw intusschen was niet ver gevlucht. Dat had zijn oorzaak: de beide Dajaks, voor- en achterman in die prauw, waren onmiddellijk in de rivier gedoken en hielden zich met een hand vast aan de prauw, achter het boord, den neus boven water. Dat was nu wel erg slim, doch zoo was er van zich-bergen voor de anderen geen sprake; hier kreeg ik dus een minder gunstigen kijk op den moed der Dajaks, zooals ik reeds vroeger heb aangeduid; om het eigen lijf te bergen, stelden zij hun tochtgenooten zonder bezwaren bloot.Dat er intusschen met reden geschreeuwd was, bewezen twee pijlen, die in het prauwboord zaten, gebroken bij de trilling van het treffen; of ze ook met kracht aangekomen waren! Ik was blij, dat we er zonder gewonden waren afgekomen.Dienzelfden dag kwamen wij voorbij een kampong met twee groote huizen. Model als vroeger. Twee menschen bleven een korten tijd bij ons, weldra vluchtten zij het bosch in. Ik wil alleen vermelden, dat wij in de woningen talrijke (gesnelde) koppen vonden, met roode strepen versierd; als “verf” dient hiertoe een roode krijtsoort, die ook in de rivier werd gevonden. Eenige exemplaren werden meegenomen.Daar het reeds laat was, maakten wij bivak dichtbij op den tegenovergestelden oever; weldra verschenen menschen aan den overkant. Een tiental mannen wenkten mij uitnoodigend over te komen in een van onze prauwen; toen ik met meer menschen wilde gaan, liepen zij weg; nu, ik ging niet alleen; ik weet wel, dat er dan spoedig ook roode strepen over mijn hoofd hadden geloopen. Echter probeerde ik het met drie man, doch zette fuseliers achter de struiken, klaar om te schieten als het noodig was; maar de menschen liepen weg.In deze kampong was niemand meer, toen wij later stroomaf voeren.Den volgenden morgen roeiden wij reeds een uur boven ons bivak, toen mannen ons inhaalden langs den oever. Zij riepen en wij zwaaiden vriendelijk. Er gebeurde het volgende: aan een klein open plekje legden zij eenige voorwerpen neer, werkten daarna met armen en handen in de meening van: “ga in ’s hemelsnaam van ons weg!” en verdwenen. Ik naderde zeer behoedzaam, bekeek daarna de vredesgeschenken. Het waren twee draagzakjes van geknoopten boombast, met veeren van papagaaien en paradijsvogels versierd; er waren eenige kleine ingrediënten in, o.a. een stukje van het roode krijt.Hoe merkwaardig, deze menschen, die aan de bepijling wel niet vreemd zullen zijn geweest en die het thans het veiligst vonden om vrede aan te bieden! Ik zou er echter niet gaarne op vertrouwd hebben.Op dezen vredesdag bereikten wij tevens ons eindpunt aan den voet van een heuvel, 550 M. hoog, op het oog fraai voor uitzicht; hier kwam Observatiepunt II. Ik was thans 675 KM. van Pionierbivak, ruim 900 KM. van de zee. De verste opvaart van den Digoel was 700 KM., van de Kaiserin-Augusta-rivier 1000 KM. en van de Fly-rivier 1100 KM.39Van Observatiepunt II kreeg ik gelijksoortig uitzicht als in I; in oostelijke richting, over een 15 KM. heuvelland heen, deed zich de uitgestrekte vlakte der Kaiserin-Augusta-rivier aan het oog voor; eenige glinsterende strepen beduidden groote moerasplekken of meren als de vroeger besproken Rombébai. Daarachter, scherp van lijn, het onbekende bergland op Duitsch gebied, 2000 M. hoog, dat aan zijn buitenrand zoo zuiver omtrokken wordt door den grooten bocht der Kaiserin-Augusta-rivier.Welk een voldoening geeft het, na langen marsch en inspanning een onbekend bergland te ontdekken en in kaart te brengen! Hoe duidelijk kwam thans de vlakte uit der groote rivier met haar randgebergten in het oosten en in het westen; zoo ontsprong dus onze zijtak van de Idenburg-rivier dicht nabij den Duitschen “Mamberamo”.Wat mij echter verdriette, was, dat ik het Sneeuwgebergte niet te pakken kon krijgen. Vijf dagen lang heb ik er op gewacht, of de Juliana-top of omliggende zich niet wilde bevrijden van zijn sluier van wolken of waterdamp, doch het mocht niet zijn; ik kwam niet verder dan den keten 3700–3800 op 20 KM. van die sneeuwtoppen. Maar het gaf dan toch aansluiting en toen de vijfde morgen weer niets opleverde, besloot ik tot terugkeer.Mijn prauwen en vivres waren in een klein bivakaan den voet van den heuvel, de bewaking bestond uit twee fuseliers. Den derden dag had een klein vivrestransport van zes man geloopen met twee karabijnen. Dat was wel de gevaarlijke zijde van deze Exploratie in klein formaat, het werken met kleine verbanden, die dan, zooals in dit geval, nog in drieën werden gesplitst. Doch wat wil men? Het rendement was in elk geval prachtig.De zwaarste versnelling in de “Kloof”.De zwaarste versnelling in de “Kloof”.Ook het systeem “geen onderofficier, geen verpleger” beviel mij best. De verveling van het lange zitten in de prauw werd er door verminderd: bivakbouw, fourageeren, vivresrekening, zij vulden weer den langen vrijen tijd en zóó deed ook het verbinden. Het laatste, het “dokteren” i.a., had trouwens het groote voordeel, dat men het vermogen van elken man, zoowel als van den heelen troep, tot op een haar kende.Aan kinine-prophylaxe werd streng de hand gehouden, katjang idjoe regelmatig opgefourageerd. Op deze heele patrouille had ik niet eenen zieke, niet eenmaal ging de flesch met “buikdrank” open. Maar de menschen waren met zorg uitgerust, hadden allen wollen ondergoed en nieuwe kleeren, een deken en goed tentmaterieel; bovendien ruime voeding en volmaakte rust in de observatiepunten, zoodra de boomstelling stond.Zoo geeft het dan een groote voldoening, die patrouilles in de puntjes te regelen en wordt de moeite elken noodigen kilogram berekend te hebben, volkomen beloond.Van diefstal, zooals vroeger wel was voorgekomen, was geen sprake; eenmaal hadden twee dwangarbeiders een blik rijst opengemaakt en, na zich ruim te hebben ingespannen, het blik in de rivier geworpen; zoo iets scheelde mij 30 rantsoen rijst, dus 1½ dag eten! Op toevallige wijze ontdekte ik de daders, eerst drie dagen later; een zware straf heeft toen herhaling van dit ernstige feit ten eenenmale voorkomen. Maar er moet ook een strenge tucht heerschen in een troepje, waarmee men zich in het hartje van Nieuw-Guinee bevindt, op 600 KM. van het hoofdbivak!Mijn verkenner Makatipu, menadonees van geboorte, was een aardige jongen, die vrij goed hollandsch sprak; vol ijver en een vaardig teekenaar. Hoe zaten wij heele dagen op de baleh-baleh boven in den boom en maten of wachtten. Hoe werden we geërgerd door het zachte westenwindje, dat het meten onmogelijk maakte; door de paardenvliegen, die ons staken als wij er niet op verdacht waren, door de “geduldvliegjes” die behagelijk over onze huiden heen en weer wandelden. Hoe konden we vreugde scheppen in elke nieuwe bijzonderheid, die ons opviel van onze hooge stellage! Ja mijn verrukking over het vrije uitzicht was nog steeds even groot; die vlakte, die bergketenen, door geen mensch nog gezien. Wat voelt men zich daar onafhankelijk, vrij!Een stroomversnelling.Een stroomversnelling.Mijn observatiepunt III had ik van af dit voorgaande reeds gekozen; het was het hoogste punt van een langen heuvelrug in Noordelijke richting, dien ik langs een zijrivier dacht te bereiken. Het gelukte mij in een dag of drie en na een landmarsch van éénen dag met zes dagen vivres. Allereerst werd twee dagen de zijrivier opgevaren en bivak gemaakt. Die rivier bandjirde zoodanig, dat het bivak zoowat klaar was, toen het onder water raakte; hierna zochten wij het een tien meter hoogerop en maakten een tweede bivak. Hier bleven de prauwen achter, vivres, drie fuseliers en éen Dajak. Dezen man had een klein malheur getroffen. Bij het kappen had een van zijn stamgenooten hem even met het puntje van zijn mandau in de kuit geraakt en toevallig een ader opengesneden. De man bloedde als een rund, doch ik had een gummislang en stelpte vlug het bloeden, tot groote bewondering van de bezorgde kameraden. Die hadden zoo iets nog nooit gezien! Toen een stevig verband en daar lag mijn kostbare riviermensch; doch wij behoefden niet meer stroomop, het kon wel lijden.Met dertien man marcheerde ik eenen dag door een vrij zwaar terrein, doch gelukkig nog geen Van Rees-Gebergte. De weg tegen den kam op was zeer steil en smal, op ’t laatst klommen wij als katten. Doch wij waren ’s avonds in bivak op een mooi plekje van den top (480 M. hoog), met frisch water in de buurt. Dichtbij moesten menschen zijn, want op geen 200 M. van ons af was een huis met puntdak, gaaf en dus bewoond of pas verlaten.Trouwens, waar wonen geen menschen in dit deel van Nieuw-Guinee? Behalve de talrijke sporen langs de rivier en onze vluchtige ontmoetingen, zagen wij over het heele land verspreid in vlakte en over de heuvels de meest onmiskenbare teekenen van het verblijf van Papoea’s: opstijgende kolommetjes dunnen blauwen rook, die vooral in den avond menigvuldig werden.In Observatiepunt III werden de metingen gecompleteerd, de kaart uitgebreid. Er moest veel gekapt worden. Een keer viel een boom vlak langs mijn observatiestelling; doch de Dajaks waren zeker van de richting geweest, waarin die boom zou vallen. Toch was de suizing vrij sterk; een van de zware takken van den vallenden boom greep langs den stam, waarin wij zaten en zwiepte ons eenige malen heen en weer; wel interessant, maar toch wat angstig!Wij bleven hier drie dagen.Op den terugmarsch, dicht bij het bivak der prauwen, bij het afdalen van een steilen rug, hoorde ik eensklaps dat we “aanraking” hadden. En niet vriendschappelijk!Mijn troepje haastte zich verder, ik snelde met de fuseliers naar boven, de wapens in de hand. Hier stonden wij voor een tiental gewapende en gevechtsklare Papoea’s. Toen ze ons ongewapend (!) zagen, zakten de pijlen; men kwam nader, tabak baarde vriendschap. Het waren brave kerels; zij begeleidden ons den verderen terugweg en onderzochten met groote nieuwsgierigheid al onze “bullen”, tot zelfs mijn kleeding, waarvan ze de strekking niet schenen te vatten. Toen ik mijn blouse een oogenblik uittrok, vervulde die “losse huid” hen met de grootste verbazing; ook mijn hoed viel zeer in hun smaak, een enkele probeerde hem. Ik verzamelde hier weer verschillende woorden, o.a. den naam der zijrivier: Abo; wel bijkans onnoodig te zeggen, dat deze woorden niet leken op die uit eenige vroeger gehoorde taal; het merkwaardige is, dat namen voor gelijke voorwerpen, b.v.b. pijl of boog, bij de verschillende stammen ook zelfs geen vage klankverwantschap met elkaar hebben. Typisch ook dat Papoea’s altijd op het oorlogspad zijn. Nooit zag ik er zonder pijl en boog. Hoeveel levensonzekerheid is daar in hun zwerversbestaan; doch wellicht zijn de onderlingeverhoudingenmilder dan wij ons voorstellen.Het opschrijven der woorden maakte onze vrienden angstig; daarna dorsten zij ook niet in het bivak te komen, doch bleven loeren aan den buitenkant. Toen wij een half uur later vertrokken, begeleidden zij ons echter juichend een eindje langs de rivier, spoedig waren wij uit zicht.Een welwillende bandjir bracht ons dicht bij Observatiepunt IV. Daar liepen wij den volgenden morgen tegen op; het was een heuvel van 420 M., waar geen bijzonders meer van te vertellen valt.En nu was het afgeloopen. Op 29 December ’s morgens vroeg, verliet ik dit laatste observatiepunt. Ik ontmoette nog één keer menschen, verzamelde woorden, doopte hier de B-rivier definitief Sobgèrtoerin40, vond de hierboven vermelde taalconclusie weer bevestigd, merkte overigens geen bijzonders op. Vermeldenswaardig is alleen, hoe een moedertje een heel klein pasgeboren kindje in een netje op den rug droeg; een huisvarkentje marcheerde er genoegelijk naast.Dus thans waren we klaar. Ik rekende: 1 Januari in Canobivak, de patrouille gemaakt in 39 dagen. Ik had dus de vivres wel noodig gehad, maar toch nog vrij veel overgehouden, daar ik meermalen half of geen rantsoen had gegeven als wij overvloed van ketella of pisang en visch hadden gehad.De terugtocht ging vlug en ongestoord. Verrukkelijk op den snellen stroom zonder veel moeite voort te varen. Ik was wel tevreden; de helft van mijn opdracht was vlug en met prachtresultaat uitgevoerd.Tegen elf uur deden wij een merkwaardige ontdekking. Op een eilandje in de rivier een Dajak-bivak! Mijn Dajaks hadden het onmiddellijk in de gaten; behalve het hutje was hier een merkteeken gemaakt, eenige armdikke stammetjes van den bast ontdaan en ingekapt met den scherpen mandau. Het leed geen twijfel of men was mij achterop geweest en toen wij de andere bivakjes van het troepje stuk voor stuk voorbij voeren, was het mij geheel duidelijk, dat ik teruggeroepen en de exploratie beëindigd was.Den volgenden dag in Splitsingsbivak gekomen, betrok ik het oude Bivak nog voor een of twee dagen. Aan den overkant was een heuvel, die mij, naar ik hoopte, uitzicht zou geven over het stroomgebied der A-rivier. Een dag hard werken gaf echter een matig succes; een breede rug, waarachter de A-rivier na een paar bochten schuil ging, onttrok het achterland aan ons oog; slechts kon ik nog met eenige peilingen het scheidingsgebergte tusschen A- en B-rivier aanvullen. En van de A-rivier vaststellen, dat ze aanvankelijk uit het Zuid-Westen kwam.Met gemengde gevoelens zat ik daar boven in den boom. Met een baloorig gevoel wegens het “onontdekt” blijven van den tegenover mij liggenden grooten zijtak der Idenburg-rivier; ja, dezen tak vergelijkende met de B-rivier of met de afwatering van Botbotna of Mokkofiang, moest ik eerlijk bekennen, dat mijns inziens de grootste waterader van deze drie de A-rivier was; een meening, die ik ook reeds bij vroegere opvaarten heb gehad. De A-rivier dus de eigenlijke Idenburg-rivier, die dan toch komt van het Sneeuwgebergte, van den Julianatop; en deze was niet geëxploreerd! Het was wel jammer.En dan ook: zoo vlot was alles verloopen, de vivres lagen in Canobivak klaar, het was zoo zonde die ongebruikt te moeten laten.Laat mij ook ronduit bekennen dat een gevoel van opluchting, van vrijheid na goed volbrachte taak, zich van mij meester maakte. Over eenige dagen zou ik in Pionierbivak zijn en vandaar weer de beschaving langzamerhand bereiken. Het streelde mij, het trok mij aan, ik kan het niet ontkennen.2 Januari van Splitsingsbivak vertrokken, kwamen wij den 3en in Canobivak aan. De waterstand was zeer hoog, het bivak was niet meer dan 10 M. boven water. Alles was verlaten. Een klim naar boven bracht mij voor het bovenbivak, waar ik inderdaad een nette kleine goedang vond, doch alle vivres waren weg.Een groot gevoel van verlatenheid beving den heelen troep. Geen spoor, geen teeken, een groote vlucht. Men vergete niet dat ik in 2½ maand geen oorlogsnieuws had gehad! Was Prauwenbivak, was Pionierbivak nog bewoond?Ik fourageerde zeven dagen vivres, bovendien kreeg ieder zijn aandeel van mijn eigendommen, instrumenten en ethnografica. Zwaar beladen ging men op marsch. Halverwege Prauwenbivak viel het nachtbivak.4 Januari in den middag konden wij onze vrees, de eenige in Nieuw-Guinee te zijn, op zijde zetten: wij zagen rook, er waren menschen in Prauwenbivak.Korporaal Kadir meldde zich bij mij, bivakcommandant; hij was hier met ± 12 man, er lagen 5 goede prauwen. Ten spoedigste werd alles voor vertrek gereed gemaakt.Ik vond er brieven en daaronder het bevel tot terugkeer met alle vivres en voorraden. Een schrijven van Dokter Thomsen las ik met groote belangstelling; hij toch was het, die mij met negen Dajaks achterop was geweest op last van kapitein Oppermann, die den 16en November het bevel, om de exploratie te staken, ontvangen had. Doch zijn brief was geen opwekkend reisverhaal; het was een aaneenschakeling van moeilijkheden en misère. Met twee prauwen vertrokken, een groote en een kleine, hadden zij zich moeizaam tegen de bandjirs opgewerkt, mijn merk in Splitsingsbivak gevonden. Op een avond aan de B-rivier hadden de Dajaks vrij van wacht gevraagd, zij waren moe na een heelen dag tobben; de dokter had hun dat toegestaan, onvoorzichtig. Den volgenden morgen was de groote prauw weg! Drie dagen had Thomsen nog langs den oever gemarcheerd, was toen ziek geworden. Hij besloot tot terugkeer, begreep mij toch niet te zullen krijgen. Een vlot werd gemaakt en hierop en in de kleine prauw werd teruggevaren; het vlot was eenige malen over den kop gegaan tegen steenen en rotshoeken; allen waren echter behouden aangekomen. Thomsen schreef, hoe blij hij zijn zou, mij behouden terug te zien. Nu, die vreugde zou hem spoedig te beurt vallen.Op 5 Januari was de afvaart. De waterstand was hoog, doch er was geen bandjir. Ik zag geen reden om de Eerste Kloof niet door te gaan, was echter zoo voorzichtig om de prauwen slechts matig te beladen, een maatregel die ons waarschijnlijk van verdrinken heeft gered.Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op, de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog, en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen: “saja hidoep!”41Doch voorloopig was het stil in de prauwen.Drie dagen deden we over de terugvaart tot Bataviabivak, op den 8en passeerden we de versnellingen in het Van Reesgebergte. Den 8en Januari kwam ik in Pionierbivak.Die afvaart langs de Idenburg-rivier ging ’s nachts door; mijn menschen berustten gaarne; de oevers zaten thans zoo stikvol muskieten, dat bivakmaken hier een kwelling was. Tegen donker hielden wij stil, kookten eten en roeiden weer voort. Ik behoefde heusch niet aan te sporen, de muskieten zaten er wel achterheen. De eerste nacht was goed, de tweede regenachtig en ellendig. De muskieten waren toen zelfs op het water; zij staken in het donker, men kon ze niet zien. Mijn menschen waren stijf van kou; gelukkig had ik nog cognac, zoo bracht de flesch allen een kleine verwarming. In den avond van 7 Januari werd Batavia-bivak bereikt; met welk een vreugde werd de lantaarn, die ons daar van verre tegenstraalde, begroet!Over de Idenburg-rivier viel niets te vertellen; wij waren allen blij, toen het lange traject achter den rug was. Of er dien nacht in Batavia-bivak geslapen werd!En toen den 8en door het Van Reesgebergte. Het was een mooie dag, de Dajaks gilden vroolijk; de anderen eerst, nadat de Marinevallen gepasseerd waren. Toen zongen zij tot de avond viel en de lichten van Pionierbivak om den hoek verschenen. Nu, ook mij sloeg het hart van vreugde; het was weer ruim 2½ maand sinds ik het comfort van het hoofdbivak miste en ik was er gansch niet ongevoelig voor.Ik vond een hartelijke ontvangst; wij hadden een opgewekten avond. En aan het vertellen kwam geen einde.

VII.De Exploratie der B-rivier.Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal, dat den 16en der maand per “Albatros” werd aangebracht.In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote “gebouwen” verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis en het Dajak-huis. Mooie foto’s waren door onzen dokter gemaakt om het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag, ook fotografisch vast te leggen.Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten, doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof van den eenigen “sierboom”, dien men in het bivak had laten staan, de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein “zootje” oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede idem (•) thans onder-officiersverblijf.Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2efoto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien; als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij gefotografeerd. (ethnografica!)De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (= modder)tijd. Hier sprong lustig een geelharige jonge hond rond, een vroolijke gladdakker35of street-terrier en zijn kameraad, een klein gestreept varken. Zij waren goede vrienden en namen wat van elkanders eigenschappen over: het varken kreeg iets van de wildheid van den hond en de hond heel veel van de vuilheid van het varken; beiden kenden geen grooter genoegen dan rond te tollen in de modderige waterloopjes door het bivak.Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten, sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich aan eenigekippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de boomen en overal. Als het “kip” was, trok de oudste der bedienden er met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder, vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden, zal het meestal wel “bij toeval” door dwangarbeiders geweest zijn.Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad, met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam (Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan; men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde varken worden gevonden.De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor, het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea’s, de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo’n haast om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt, gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport, bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II, vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea’s gevonden en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.Een dergelijk geval strekt wel tot leering.De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.’s en mandikamers was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen van hier tot Bataviabivak.De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip, naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen, nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn, niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt; de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch dit was gebeurd eenige maanden geleden.Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman haar misschien op dit moment gebruikte.Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:Indekking. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie- vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.Vivres. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en precies naar het aantal menschen in kilo’s nauwkeurig berekend; hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele “schatting” alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt; de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede; ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.Geneesmiddelen.Veel “buikdrank”,36kinine en asperine; voldoende verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na Canobivak in één. Voor ziekenkost alleen gecondenseerde melk; een vivresblik vol bevatte ongeveer 20 blikjes van ½ liter.Diversen. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak, tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000 rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ± 7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema’s.Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man, waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor, één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.Officiershuis in Pionierbivak.Officiershuis in Pionierbivak.Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1onderofficier, 1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea’s onder Oscar, den “onderkoning.”Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model, 5 chronomètres-torpilleur.Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.V.l.n.r. Dr. v. Steenis, luit.-t.-z. Langeler, kapt. Schultz, kapt. Oppermann (zittend), dr. Thomsen.Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen “kait” genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een twintigtal exemplaren van de “Petite Illustration”; immers, wanneer men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de verveling en dat mag niet.Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal 1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende dat ik geen zieken zou krijgen.Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3 te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt, de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3½ dag was ik in Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het ook niet anders dan voor den wind gaan.Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller, waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.Nadat ook alle Papoea’s voor het transport definitief waren aangewezen, werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg., de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea’s.Toen werd den 26en October de tocht begonnen.Laag water voor Pionierbivak.Laag water voor Pionierbivak.Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten, overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim, doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar ze tegen hun zin werden vastgehouden.Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.Tusschen Dajaks en Papoea’s was de eerste dagen een wedijver, wie het meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals hier op de vlakterivier, waren de Papoea’s in hun element en bij het vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea’s in; de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren steeds de twee, met Dajaks bemand.Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in, dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer, een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.Achteraan kwam gewoonlijk een stelletje Papoea’s de kleinste en minst sterke van den troep, die ik dan weer door verspreiding over verschillende andere prauwen in een wat gunstiger conditie bracht; dikwijls ook was er ruzie in een Papoeaprauw en waren dan allen “boos”, en wilden een tijdje niet roeien, tot de andere prauwen uit het zicht raakten en dan werd er weer verder getrokken. Hoe dikwijls kwam Oscar bij me, sloeg de hand tegen het voorhoofd bij wijze van groet en vroeg me, een van hun kleine geschillen te berechten.Meestal vreeselijke beuzelingen, een scheldwoord vaak, doch door met een ernstig gezicht uitspraak te doen, hield ik er het vertrouwen in en legde de verongelijkte zich bij het geval neer; gewoonlijk had een grapje het gewenschte resultaat.Welk kinderlijk volkje, die Papoea’s! Pleizier om de minste kleinigheid, gelukkig met een heel klein pluimpje. Dikwijls kwamen zij ook op ziekenrapport. Als ik hun dan vroeg wat er eigenlijk aan scheelde, kreeg ik een lang verhaal over weeën hier en weeën daar, doch dat alles ging graag over als ze maar een kleinen “obat” kregen, onverschillig welken. Als het periodiek kinineslikken was, de Papoea’s mankeerden nooit; zij vonden het allen even lekker. Dol waren zij op wonderolie, doch ik was er zuinig op. Hoesten leerden ze vlug aan en ach, ze konden zoo met een ongelukkig gezicht, al kuchend, van hun kwalen vertellen. Doch de grofste wonden aan voeten of beenen lieten hen koel; niet waar, dat zat maar van buiten, dat gaf geen lekkeren obat.Ik was zeer tevreden over hen en ze waren over ’t algemeen bijzonder gewillig; alleen ruw met de prauwen en menigmaal moest er een hard woord vallen als ze hun vaartuig weer tegen een ander lieten oploopen, dat kop of boorden scheuren kregen.Eens in de vier dagen was het fourageeren. De prauwen werden zooveel mogelijk gelijkelijk verlicht; op zulk een dag vlaste elk stel van zes roeiers er op, dat hun prauw met een of meer blikken ontlast zou worden. Dan werden de blikken opengeslagen, de heele bende zat er omheen en ik was het beste voldaan als er geen vivres bedorven werden bevonden. Overigens werd daar nog zooveel mogelijk uit gehaald; een blik rijst, b.v.b. dat van onderen wat nat was en duf rook, werd op een zeil uitgestort, in de zon gedroogd en met de andere opgefourageerd; natuurlijk, er waren grenzen, doch tweede kwaliteit is ook goed.Streng moest ook gelet worden op het loopen over de blikken, die in de prauwen lagen; vooral de Dajaks hadden daar een handje van en hoe gemakkelijk konden scheurtjes ontstaan!De oever voor Pionierbivak bij laag water.De oever voor Pionierbivak bij laag water.De fuseliers, ik had er tot Prauwenbivak 8, hadden den schildwachtdienst, 1½ uur lang van 6 uur af tot 5 uur ’s morgens. Ik verzuimde nooit het bivak geheel schoon te laten kappen en er een omrastering van struikgewas en doornen om heen te laten maken.Met circa 80 parangs was het een moeite van geringen duur, die het gevoel van veiligheid vermeerderde. Alle fuseliers sliepen met het geladen geweer naast zich; ikzelf had ook steeds den revolver onder mijn hoofdkussen. Na den dood van Stroeve was ik dubbel voorzichtig en wantrouwend geworden.De dwangarbeiders deden den dienst van prauwenwacht; met hun negenen, telkens 2 tegelijk, gaf dat elken nacht twee uren wacht, van 8 uur ’s avonds tot 5 uur ’s morgens. Dit was wel een onrechtvaardige bezwaring tegenover de andere “rassen”, doch ik wist er niets beters op. De Dajaks toch en evenzoo de Papoea’s vatten zoo’n dienst als een grapje op en straf zou hier niet veel geholpen hebben, had hen in elk geval niet betrouwbaar gemaakt.Zoo vond de opmarsch geregeld plaats; jacht en vischvangst leverden een en ander op, de laatste zelfs veel, doch ik kon er weinig van profiteeren: een paar dagen eerst van Bataviabivak vertrokken,kreeg ik weer een ingewandsziekte die een dag of tien duurde, die mij eenigszins bezorgd maakte voor het “in-elkaar-vallen” van den leider, doch die ik ten slotte met een melkdiëet er onder kreeg.Wij hadden twee ontmoetingen met Papoea’s: den 27en met de Tori Aikwakai, die ons ijzer afbedelden; ik gaf echter niets, kon mijn parangs beter voor boven gebruiken; ik zag weder een kampong op een plaats, waar vier maanden geleden niets te zien was, doch vond er overigens geen bijzonders. Bivak werd gemaakt op den tegenoverliggenden oever. Dien nacht was er zeker feest in de kampong; tot in den vroegen morgen hoorden wij muziek als van het slaan op groote trommels, begeleid door menschengeroep en hondengejank; ik drukte den schildwachten waakzaamheid op het hart, kreeg echter eerst in den ochtend bezoek van een 15-tal mannen in zes prauwen, die met groote vrijmoedigheid ons bivak binnenstapten en zeer vrijpostig waren. Ik liet hen wegjagen, ik moest niets van hen hebben.De tweede ontmoeting was den 2en November, halverwege Prauwenbivak. Hier was een kleine stam van een twintigtal menschen, blijkbaar doortrekkende langs den oever der rivier. Daar ik met de motorboot stopte om de plaats voor bivak te bekijken, kregen wij contact met de voorloopers van deze kleine bende. Wij wisselden vriendschappelijke handdrukken en gaven hun sigaretten. Een oude man was in een soort vervoering bij de motorboot komen zitten, die nog rustig lag te snorren; hij knikte voortdurend met het hoofd en murmelde zonder ophouden; heeft ons waarschijnlijk voor goden of geesten aangezien. Weldra kwam het gros van den stam: kinderen en zwaar beladen vrouwen; zij trokken schielijk voorbij, daarna gingen ook de mannen verder.Den dag, hierop volgende, kreeg ik het eerste belangrijke motordefect en wel op de volgende wijze. Door de lange droogte was het rivierniveau geweldig gezakt. Groote stammen kwamen bloot, niet alleen op de binnenbochten, de glagahbanken: maar ook in de buitenbochten en in de gestrekte riviergedeelten aan beide zijden. Het was steeds met groote voorzichtigheid uitwijken; gelukkig was de schroef der motorboot beschermd door een koperen raam, dat aan den onderkant, om schroef en schroefas gebogen, aan de huid was bevestigd. Op 3 November, om een uur of elf liep de motorboot volle kracht op een boom onder water. Wij kwamen onmiddellijk vlot, doch er was geen stuur meer; onderzoek wees uit dat de stang, die het roer droeg, totaal was kromgebogen; het roer stak boven water uit. Ik liet mij aandrijven, wij maakten vast, maakten de roerbeweging los. Inmiddels kwamen de prauwen aan; ik liet meteen bivak maken, begrijpend dat de reparatie wel zijn tijd nemen zou. Pogingen om den stang gloeiend te maken en recht te hameren mislukten; de stang knapte in tweeën, er bleek een oude breuk te zitten; blijkbaar had zich het grapje vroeger ook al eens voorgedaan.De Dajaks gaven redding. Zij maakten een houten roer. Niet ver behoefden wij te zoeken of wij vonden een stam, die aan zijn voeteinde platte, wijduitstaande, driehoekige wortelsteunen heeft; als het ware planken van eene bijzonder taaie samenstelling. Hiermee was het ongeluk bezworen; een houtblad werd uitgekapt, ik teekende het model en in een half uur hadden wij een prachtroer met groot oppervlak. Gelukkig was in den voorraad van de motorboot een eind staaldraad; hiervan werden twee stropjes gemaakt en het roer er mee opgehangen aan de oude haken; de stuurstok (z.g.n. helmstok) werd er stevig aan gebindseld en wij hadden een roer dat mocht gezien worden.Het voldeed den volgenden dag bijzonder goed. Maar op 4 November: boem! weer op een boom. Oogenschijnlijk geen bijzonders, doch, nauw aangezet, rammelde de schroef als een bezetene. Laten duiken; het bleek dat het schroefraam voor de helft reeds was weggestooten, de andere helft zwierde los onder de boot en hierin ratelde de schroef. Die andere helft werd er dus ook maar afgetrokken. Nu echter was het bestaan der schroef elk oogenblik bedreigd en ik bepeinsde al, hoeveel dagen de motorboot nog mee zou sukkelen.Doch ziet, het viel mee. Tot 7 November hield de machine het vol. Toen waren wij op slechts een paar kilometers van de gevaarlijke passage, die mij nog van mijn ongeval van 23 Juni goed in het geheugen lag. Ik was van plan, de motorboot bij die passage af te danken, daar ik er niet mee tusschen die boomstamversnellingen door dorst. Doch de motorboot dankte zich zelf af. In den morgen van 7 Novemder konden wij na een half uur tobben geen water meer uit de koelpomp krijgen. Ik besloot kort en goed hier het tijdelijk vivresdepôt op te slaan. De prauwen legden aan; een kleine goedang en een hutje voor twee man werden met zorg in elkaar gezet, daarna de vivres uit de motorboot gehaald en in de goedang geborgen.Ondertusschen werd de machine nagezien, doch niets hielp. Ik liet dus dajongs en lange roeiriemen maken, gaf den menschen der motorboot voor 8 dagen eten mee; een karabijn en nog een oud beaumontgeweer waren de bewapening, een oude fuselier was commandant.De bezetting van “Vivresbivak” was twee man. Die konden om de beurt wacht doen met de order, zich tegen elke aanranding met scherp te verzetten.Hierna gingen wij voort en de motorboot werd middenstrooms geroeid. Op het moment van het afscheid snorde de motor nog eenmaal en ziet, de pomp gaf water. Ik denk wel, dat de machinist op de pomp zijn uiterste best zal hebben gedaan; ik hoorde later, dat de motorboot in 4 dagen Batavia-bivak had bereikt, wat voor de inzittenden zeker een opluchting moet zijn geweest.In den ochtend van den vierden dag na dezen, op 11 November, passeerden wij Motorbivak. Daar was het verval reeds leelijk ingetreden; geen wonder bij een bivak, dat sinds ruim twee maanden verlaten was. Nu door de eerste kloof. Zij was vrij moeilijk, er was blijkbaar druk van boven, doch alles marcheerde zonder ongelukken.De lange versnelling in het bevaarbare deel tusschen de kloven, halverwege Prauwenbivak, gaf meer zorg. De rivier heeft daar een verhang van 1½ M. en steile afbrokkelende grintoevers. Er is een oversteekmet niet minder stroom dan in den Edi-val en met evenveel kans op ongevallen. De prauwen kwamen na twee uur werken behouden over en een uur later waren wij in Prauwenbivak.Hier werden wij met groote vreugde ontvangen. Men zal zich herinneren, dat wij op 28 September van daar waren vertrokken, er een bezetting latende met ruim een maand vivres. De Europeesche sergeant-bivakcommandant ontving mij met de mededeeling dat hij alles had ingepakt en klaar was om den volgenden morgen te vertrekken: de vivres waren op.Welk een toeval, dat ons zoo juist op tijd bracht!De menschen waren in-blij, ons te zien komen. Zij moeten zich dan ook wel vergeten hebben gevoeld. De gezondheidstoestand was goed op één uitzondering na: dat betrof een dwangarbeider die in een ver stadium van beri-beri was. Wat was dat kereltje uitgeteerd; een geraamte gelijk! Loopen kon hij niet meer. Een dag of veertien later was hij in Pioniersbivak onder handen van Dokter Thomsen, ik vond er hem terug welgedaan en gezond, doch hij had een narrow escape gehad.Was tot hiertoe alles prachtig voor den wind gegaan en de rivier nog rustig, lang kon het niet meer duren.Dat de kentering ophanden was, bewezen zware onweersluchten, die zich elken avond in het Oosten samentrokken en af en toe tot uitbarsting kwamen. Maar het was nog geen ernst geworden, de drift der wolken was nog van Oost naar West.Daarom werd in Prauwenbivak geen rust genomen. Den volgenden morgen, 12 November, vertrok de Inlandsche korporaal Kadir met zes der grootste prauwen en 37 roeiers, van wie acht Dajaks, 8 dwangarbeiders en de 20 beste Papoea’s, een keurbende alzoo; om te probeeren den voorraad van “Vivresbivak” nog te halen voor het doorkomen van de groote bandjirs, die de Eerste Kloof onbevaarbaar maakten en dus een oponthoud van weken zouden geven.Vijf dagen was ik in hoop en vreeze; een bandjir kwam op, doch verflauwde weer. In den middag van den vijfden dag werd de eerste prauw gesignaleerd, weldra nummer zes. Een uur later stond Kadir voor mij; geen ongelukken, geen verliezen, de twee man bezetting van “Vivresbivak” waren meegekomen. De brave jongen had evenveel voldoening over den vluggen voortgang als ikzelf.Intusschen hadden wij in Prauwenbivak niet stil gezeten. Twee keer was reeds een draagtransport heen en weer tot Canobivak geweest, elken keer circa 50 man; tevens was dat bivak opnieuw bewoonbaar gemaakt; ik had er den waterstand niet hoog gevonden, evenwel was het “bekken” gevuld.Een derde draagtransport, thans 80 man, liep op 17 en 18 November en bracht datgene, wat Canobivak nog behoefde. Negentien November zag den afmarsch van den sergeant-bivakcommandant met een 80 man in 10 prauwen, hierbij alle Papoea’s, dat deze menschen in de wolken waren, behoeft wel geen betoog; ook het “geraamte” verheugde zich, hij zag het leven weer gloren!Ik vertrok dien dag met mijn heelen eindtroep en alle patrouille-benoodigdheden naar Canobivak, latende in Prauwenbivak 6 man bezetting en 6 goede prauwen, hoog op den wal en extra vastgebonden.Mijn terugtocht was dus gedekt en voor vivresnood behoefden wij niet bang te zijn; het wegvarend leeg transport toch droeg een nabestelling van circa 2000 rantsoenen, eerst na een maand in 9 prauwen te ontvangen, een opdracht, die met kalmte kon worden uitgevoerd.Een groote damarboom, dicht bij Canobivak opgemerkt door mijn Dajaks, gaf ons een blik vol hars; dit was alweer een welkome aanvulling van den pekvoorraad.Toen ik me dien avond van 19 November in Canobivak onder het kleine tentje ter ruste legde, had ik een tevreden gevoel; de aanvang was goed en vlot geweest; de groote voorraad rondom mij en het puike menschenmateriëel beloofden ook voor de komende dagen succes. Juist 30 dagen geleden was ik van Pionierbivak weggegaan.Thans was alleen het wachten op de prauwen. Van de drie der vorige patrouille, die hier hoog en goed bezorgd op den oever lagen, keurde ik de kleinste af en liet er twee prauwen bijmaken. Hiertoe had ik mijn 8 Dajaks, die reeds vanaf 16 November in Canobivak aan het werk waren geweest; thans kwamen mijn 9 Palembangers helpen; deze verstaan het prauwenwerk goed, doch werken veel langzamer dan de Dajaks. Twee mooie lange prauwlichamen kwamen den 20enklaar, benevens twee stel breede planken, wit en soepel, voor de boorden. Den volgenden dag stond alles in elkaar; pek, werk, damar en spijkers waren ruim voldoende; op 22 November zouden wij inschepen en stroomop gaan.Doch Nieuw-Guinee wilde het anders.Reeds heb ik verteld, hoe elken achtermiddag zware stapelwolken zich in het Oosten verzamelden. Tegen zonsondergang, dik en koperkleurig, kwam de wolkmassa opzetten, een uur later bedekt ze den hemel, bliksemflitsen en dondergerommel waren de uitingen van deze voorboden van de komende kentering, doch het bleef nog droog. Eerst 21 November kwam de eerste losbarsting.—Wat ik nog niet vertelde, was dat naast Canobivak een zijstroompje zich in de groote rivier stortte, een frisch, helder watertje met vlak onder het bivak een breeden waterval, die de heerlijkste douches gaf. Met het rijzen van het water verdween de waterval, want ook de benedenloop van den zijtak vulde zich dan met het bruine water der Idenburgrivier. Doch dezer dagen was de waterval er weer en even daar beneden, op vlakke steenoevers, lagen de prauwen vastgemeerd met dikke touwen aan een boom van den oever.De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde: “orang kaloewar, orang kaloewar!”37en in een drom gingen wij naar beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen, nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg: het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen, raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.Wij klommen naar boven. Een Dajak moest gedragen worden, had het been tusschen de prauwen bekneld gekregen; een Dajak was weg. Wij gingen slapen, er was niets meer om voor te zorgen. Wat moest ik doen? Nieuwe prauwen maken natuurlijk, doch het kostte twee weken en waar haalde ik pek en spijkers vandaan? Het zou een kruk-expeditie worden, het resultaat van den tocht die zoo mooi begonnen was.In den nanacht hoorden wij geroep aan den overkant en weldra herkenden de Dajaks hun makker. Die was dus gered gelukkig; nog een uur en hij was overgezwommen, bij ons. Dat was een vertroosting, daarna sliepen wij weer door.Vroeg in den morgen kwam Noer, de jongen, mij vertellen, dat er van de prauwen overblijfselen gezien werden in de Idenburgrivier op steenachtige banken een eindje benedenstrooms. Dat was de moeite; het gaf weer een straaltje hoop. En ja, het viel mee. Dank zij den boom, die met zijn takken aan de steenen was blijven zitten, waren drie van mijn vier prauwen daar gestrand. Doch wat was er van over? De planken waren gescheurd, twee der onderlichamen gaaf. Alles werd bij elkaar gehaald, de planken losgemaakt, spijkers recht geslagen, pek zuinig afgeschraapt en in een blik verzameld. Toen werden uit drie gebroken prauwen weer twee heele gemaakt, wel met een euvel hier en daar, doch best bruikbaar.Thans werd de oude, afgedankte Papoea-prauw der vorige patrouille in eere hersteld, opgelapt, scheuren met blik beslagen en met pek en werk gedicht en ziet, in den avond van 22 November was de expeditie op nieuw klaar voor vertrek; alleen haar omvang was ingekrompen; ik besloot te gaan met 18 man in 3 vaartuigen en 40 dagen vivres. Dat de prauwen dien nacht hoog waren geborgen, laat zich begrijpen; niet voor niets had Nieuw-Guinee mij weer eens voorzichtigheid geleerd.Thans kwam nog een oogenblik strubbeling van den kant der Dajaks. Zij wilden hun zieken kameraad niet verlaten. Overreden hielp niet, zij waren nu ver genoeg geweest, bovendien hadden droombeelden hun een ongunstigen afloop voorspeld. Mijn ultimatum was: niet eten of mee. Zij kozen het laatste en waren weer opgewekt als te voren. Kinderen, die Dajaks; zij zeuren, tot men hun een hard woord geeft, denken daarna aan iets anders.Zoo werden dan ’s morgens op 23 November de prauwen te water gelaten en volgeladen; het ging net aan, doch, evenals den vorigen keer, wij zouden er ons wel doorheen eten. Ik gaf 5 dagen vivres “bij den man”; zoo konden wij het 45 dagen uithouden.Zes Dajaks gingen mede; twee bleven achter: de gewonde en een om hem op te passen. Verder zes dwangarbeiders, vier fuseliers en de verkenner Makatipu. Noer; mijn jongen, werd mandoer over zijn kameraden; hij was zoo ijverig en handig en had toch steeds de leiding.Canobivak bleef onder bewaking van een korporaal en acht man; zij haalden telkens hun eten uit Prauwenbivak; dat hield de menschen levendig, een goede marsch van tijd tot tijd. In den goedang lag juist zooveel voorraad, dat, als ik na 1½ maand terugkwam, ik mijn prauwen maar had vol te laden om er opnieuw voor 1½ maand op uit te kunnen gaan. Dit was dus wel gemakkelijk geregeld. De bezetting had verder in opdracht, ten spoedigste een goedang met barakje te bouwen op den heuveltop, ± 40 M. boven het huidige bivak; zooals men weet, kon immers het rivierniveau tot aan het tegenwoordige Canobivak stijgen, wij moesten dus daarop voorbereid zijn.De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.Den 26en November waren wij in “Splitsingsbivak”, d.i. aan de monding der A-rivier. Hier werd geobserveerd en alle vivres geïnspecteerd. Wij hadden nog al met bandjir te kampen gehad; de goede tijd was absoluut voorbij, steeds kwamen nu de wolken opzetten uit het Westen. Doch de voortgang was goed. Werd de bandjir al te bar, dreef hij ons onder en tusschen de overhangende oevertakken, dan maakten wij bivak; want dan werd het afjakkeren om een enkelen kilometer met het grootste gevaar van omslaan; vroeg braken wij dan op om de schade in te halen. Van het grootste nut bleken nu de “Kaits”; wat hadden wij daar een plezier van!Onderweg waren groote vluchten kalongs of vleermuizen (vliegende honden) gezien. Als groote zwarte dorre bladeren hingen zij in de takken van sommige hooge boomen. Kwamen wij voorbij, dan werd er geschreeuwd en op blikken geslagen, tot de beesten een voor een opvlogen; in groote kringen zweefden ze piepend over onze prauwen en kwamen eerst weer tot rust als we lang voorbij waren. Een enkele maal heb ik ze geschoten, doch ik vond het vleesch niet smakelijk; het was bloederig en taai, wellicht komt hier suggestie bij. Misschien ook was het slecht klaar gemaakt, want meermalen heb ik later hooren beweren, dat kalong-vleesch zich zeer wel laat eten.In Splitsingsbivak maakte ik een merk; ik had afgesproken met Kapitein Oppermann, dat, als ik de A-rivier zou exploreeren, ik eén, voor de B-rivier twee blikken op een stok zou vastzetten. Hier werden thans twee blikken gezet op een langen gallah en rottankoord stevig tusschen de boomen bevestigd.Op 28 November kwam ik aan de B-rivier; deze liep hier tusschen schilderachtige hooge rotswanden, het was een fraaie dag en de rivier merkwaardig kalm. Wij maakten dus dienzelfden dag een grooten voortgang en bovendien, het vlaktekarakter kwam weer op. Dit laatste is echter slechts tijdelijk gebleken; de B-rivier bleef versnellingrivier; een blikop de kaart van het door haar doorstroomende heuvelland maakt zulks begrijpelijk. Het water was, vergeleken met dat der Idenburg-rivier, verbazend helder; ook dit wees er op, dat de B-rivier geen vlakte kende.Kaart van het Centraal-Gebergte.Sporen van menschen werden spoedig gezien en wel in den vorm van ladangs; menschen zelf heb ik aan dezen grooten zijtak vier malen ontmoet. De ladangs leverden ketella in groote hoeveelheid, evenzoo pisang; verder tabak en kloewé. Wij namen steeds uit een geschikte ladang, waar veel groeide, ons bescheiden deel, legden tabak en een enkelen parang er voor in de plaats. Deze verandering van voedsel was den troep bij zonder welkom en mijzelf niet minder. De wilde pisang toch, gekookt, is een geweldig stevig voedsel en evenzoo de ketella. Als ik mijn avondmaal van rijst voor pisangs ruilde, had ik aan vijf stuks meer dan genoeg. Ik at ze steeds met gecondenseerde melk, zoo ook de ketella; men zal zich afvragen, hoe zoo iets in ’s hemelsnaam mogelijk is en inderdaad zou ik het thans ook een vreemde combinatie vinden. Toentertijd echter vond ik het heerlijk.Zoo reisden wij steeds langs ladangs, zagen hier en daar een hut. Deze hadden alle een puntig dak van atap over een gabah-gabahwand van 4 × 4 M. lengte en breedte; de baleh-baleh lag meestal 1½ M. boven den grond; slechts één keer zag ik een huis op palen van 4 M.Sago werd weinig gezien; “op het land leven”, zooals tijdens de vorige patrouille gelukt was, zou hier een onmogelijkheid geweest zijn.Niet alle dagen was de rivier ons zoo ter wille als dien eersten dag; den volgenden morgen liep reeds een zware bandjir en later werden wij ook menigmaal onder de oeverboomen gedrukt. In het geheel voeren we haar 12 dagen op en hadden toen 130 K.M. langs de oevers afgelegd.Zelfs aan het eindpunt, waar toch telkens een versnelling den kalmen loop van het water onderbrak, werden nog krokodillen gezien; zij verdwenen steeds schielijk bij onze nadering. Aan visch was de rivier weer bijzonder rijk. Aan jagen werd niet veel gedaan! Wij hadden voedsel in overvloed, dus de prikkel om na een dag van aanpakken nog weer het woud in te gaan, was niet bijzonder groot; bovendien, ik hield liever den troep bij elkaar, want wij hadden niet velen te verliezen.Een dier, dat ik tot nu toe nog nooit gezien had, werd door twee Dajaks meegebracht; het was een boschkangoeroe of koeskoes, dien zij geschoten hadden. Een mooi dier met een donkerbruine huid, hoog ongeveer een halven meter. Merkwaardig dat mijn fuseliers en dwangarbeiders, allen Mohammedanen, het vleesch niet wilden eten. Noer, de jongen, verklaarde mij, dat zij in dat opzicht een koeskoes gelijkwaardig met een varken vonden; nu, mij smaakte de bout des te beter. Wel eigenaardig, dat deze dwangarbeiders (die heusch niet allen voor een liefdesmoord in den boei zijn geraakt, doch ook wel heel andere dingen op hun kerfstok hebben) zoo streng aan het verbod van den Koran vasthielden. Zelfs op de vorige patrouille met Kapitein Oppermann, in den tijd toen de sago ons er boven op hield, aten de dwangarbeiders geen varkensvleesch; de fuseliers wèl. Thans, terwijl er overvloed was, namen geen van allen het.Toen wij de rivier 8 dagen waren opgeroeid en een dag te voren in Zuidelijke richting en niet ver af bergland hadden gezien, besloot ik het hoofd eens boven de boomen uit te steken; wij maakten observatiepunt I, hoog 325 M. Een loonend, een schitterend uitzicht! In nevenstaande schets zijn schematisch de drie gebergten geteekend, die ik van hieruit zag; (1) was de Zuidrand van het bergland, dat van af de Poeveh en Pauwasi was gekaarteerd, gaf dus aansluiting aan de vorige patrouille! (2) was de (vermoedelijke) waterscheiding tusschen A- en B-rivier, hoog tot 2500 M. en in het Zuiden overgaande in het Centrale Gebergte; (3) was het bergland aan de Oostzijde van de Kaiserin Augusta-rivier, wat mijn kaart aanstonds uitstrekte tot over de Duitsche grens; tusschen (2) en (3) bergland in Zuid-Oostelijke richting, behoorend tot het Centrale Gebergte, doch niet veel boven 4000 M. en met lagere complexen er tusschen.Dat ik mijn kaart niet alleen uit dit ééne observatiepunt kreeg, behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; bovenstaande terreinbeschrijving in groote lijnen is het resultaat van de gezamelijke metingen; behalve Observatiepunt I waren er nog drie andere.Ik zag wel, dat ik de rivier nog niet voldoende ver was opgevaren om het bergland in den uitersten zuidoosthoek te kunnen “grijpen”. Daarom gingen wij nog vier dagen verder stroomop, een tegenvaller voor velen, die gedacht hadden, dat het eindpunt reeds was bereikt.Observatiepunt II lag 35 KM. verder; op dat traject zagen wij tweemaal menschen. Den eersten keer twee mannen bij een kleine prauw voor een ladang met een groot huis. Zij waren zeer verbaasd, doch niet vreesachtig, toonden belangstelling in al wat hun vreemd was. Ik verkreeg eenige woorden van hun taal, pijlen, enz. Er valt niets bijzonders over hen te zeggen na de uitvoerige beschrijving der stammen in mijn vorige hoofdstuk, waar zij (Pauwasi) geheel mee overeenkwamen. Een stuk uit Europa was hier nochtans verdwaald geraakt; het was de bovenhelft van een parang, zoo oud en in ’t gebruik zoo afgesleten, dat die hier wellicht al vijftig jaar was geweest; wij gaven de beide menschen thans elk een nieuw exemplaar.Dat men overigens niet al te hard op ons gesteld was, bemerkten wij een dag later. Wij voeren rustig in kalm water, toen het “pana, pana!”38in eens achter mij klonk. Ik liet mijn prauw vlug oversteken naar den veiligen oever en nam onmiddellijk den vijandelijken wal onder vuur. Doch geen vijand was meer te zien, een tiental schoten hadden indruk genoeg gemaakt. De bepijlde prauw intusschen was niet ver gevlucht. Dat had zijn oorzaak: de beide Dajaks, voor- en achterman in die prauw, waren onmiddellijk in de rivier gedoken en hielden zich met een hand vast aan de prauw, achter het boord, den neus boven water. Dat was nu wel erg slim, doch zoo was er van zich-bergen voor de anderen geen sprake; hier kreeg ik dus een minder gunstigen kijk op den moed der Dajaks, zooals ik reeds vroeger heb aangeduid; om het eigen lijf te bergen, stelden zij hun tochtgenooten zonder bezwaren bloot.Dat er intusschen met reden geschreeuwd was, bewezen twee pijlen, die in het prauwboord zaten, gebroken bij de trilling van het treffen; of ze ook met kracht aangekomen waren! Ik was blij, dat we er zonder gewonden waren afgekomen.Dienzelfden dag kwamen wij voorbij een kampong met twee groote huizen. Model als vroeger. Twee menschen bleven een korten tijd bij ons, weldra vluchtten zij het bosch in. Ik wil alleen vermelden, dat wij in de woningen talrijke (gesnelde) koppen vonden, met roode strepen versierd; als “verf” dient hiertoe een roode krijtsoort, die ook in de rivier werd gevonden. Eenige exemplaren werden meegenomen.Daar het reeds laat was, maakten wij bivak dichtbij op den tegenovergestelden oever; weldra verschenen menschen aan den overkant. Een tiental mannen wenkten mij uitnoodigend over te komen in een van onze prauwen; toen ik met meer menschen wilde gaan, liepen zij weg; nu, ik ging niet alleen; ik weet wel, dat er dan spoedig ook roode strepen over mijn hoofd hadden geloopen. Echter probeerde ik het met drie man, doch zette fuseliers achter de struiken, klaar om te schieten als het noodig was; maar de menschen liepen weg.In deze kampong was niemand meer, toen wij later stroomaf voeren.Den volgenden morgen roeiden wij reeds een uur boven ons bivak, toen mannen ons inhaalden langs den oever. Zij riepen en wij zwaaiden vriendelijk. Er gebeurde het volgende: aan een klein open plekje legden zij eenige voorwerpen neer, werkten daarna met armen en handen in de meening van: “ga in ’s hemelsnaam van ons weg!” en verdwenen. Ik naderde zeer behoedzaam, bekeek daarna de vredesgeschenken. Het waren twee draagzakjes van geknoopten boombast, met veeren van papagaaien en paradijsvogels versierd; er waren eenige kleine ingrediënten in, o.a. een stukje van het roode krijt.Hoe merkwaardig, deze menschen, die aan de bepijling wel niet vreemd zullen zijn geweest en die het thans het veiligst vonden om vrede aan te bieden! Ik zou er echter niet gaarne op vertrouwd hebben.Op dezen vredesdag bereikten wij tevens ons eindpunt aan den voet van een heuvel, 550 M. hoog, op het oog fraai voor uitzicht; hier kwam Observatiepunt II. Ik was thans 675 KM. van Pionierbivak, ruim 900 KM. van de zee. De verste opvaart van den Digoel was 700 KM., van de Kaiserin-Augusta-rivier 1000 KM. en van de Fly-rivier 1100 KM.39Van Observatiepunt II kreeg ik gelijksoortig uitzicht als in I; in oostelijke richting, over een 15 KM. heuvelland heen, deed zich de uitgestrekte vlakte der Kaiserin-Augusta-rivier aan het oog voor; eenige glinsterende strepen beduidden groote moerasplekken of meren als de vroeger besproken Rombébai. Daarachter, scherp van lijn, het onbekende bergland op Duitsch gebied, 2000 M. hoog, dat aan zijn buitenrand zoo zuiver omtrokken wordt door den grooten bocht der Kaiserin-Augusta-rivier.Welk een voldoening geeft het, na langen marsch en inspanning een onbekend bergland te ontdekken en in kaart te brengen! Hoe duidelijk kwam thans de vlakte uit der groote rivier met haar randgebergten in het oosten en in het westen; zoo ontsprong dus onze zijtak van de Idenburg-rivier dicht nabij den Duitschen “Mamberamo”.Wat mij echter verdriette, was, dat ik het Sneeuwgebergte niet te pakken kon krijgen. Vijf dagen lang heb ik er op gewacht, of de Juliana-top of omliggende zich niet wilde bevrijden van zijn sluier van wolken of waterdamp, doch het mocht niet zijn; ik kwam niet verder dan den keten 3700–3800 op 20 KM. van die sneeuwtoppen. Maar het gaf dan toch aansluiting en toen de vijfde morgen weer niets opleverde, besloot ik tot terugkeer.Mijn prauwen en vivres waren in een klein bivakaan den voet van den heuvel, de bewaking bestond uit twee fuseliers. Den derden dag had een klein vivrestransport van zes man geloopen met twee karabijnen. Dat was wel de gevaarlijke zijde van deze Exploratie in klein formaat, het werken met kleine verbanden, die dan, zooals in dit geval, nog in drieën werden gesplitst. Doch wat wil men? Het rendement was in elk geval prachtig.De zwaarste versnelling in de “Kloof”.De zwaarste versnelling in de “Kloof”.Ook het systeem “geen onderofficier, geen verpleger” beviel mij best. De verveling van het lange zitten in de prauw werd er door verminderd: bivakbouw, fourageeren, vivresrekening, zij vulden weer den langen vrijen tijd en zóó deed ook het verbinden. Het laatste, het “dokteren” i.a., had trouwens het groote voordeel, dat men het vermogen van elken man, zoowel als van den heelen troep, tot op een haar kende.Aan kinine-prophylaxe werd streng de hand gehouden, katjang idjoe regelmatig opgefourageerd. Op deze heele patrouille had ik niet eenen zieke, niet eenmaal ging de flesch met “buikdrank” open. Maar de menschen waren met zorg uitgerust, hadden allen wollen ondergoed en nieuwe kleeren, een deken en goed tentmaterieel; bovendien ruime voeding en volmaakte rust in de observatiepunten, zoodra de boomstelling stond.Zoo geeft het dan een groote voldoening, die patrouilles in de puntjes te regelen en wordt de moeite elken noodigen kilogram berekend te hebben, volkomen beloond.Van diefstal, zooals vroeger wel was voorgekomen, was geen sprake; eenmaal hadden twee dwangarbeiders een blik rijst opengemaakt en, na zich ruim te hebben ingespannen, het blik in de rivier geworpen; zoo iets scheelde mij 30 rantsoen rijst, dus 1½ dag eten! Op toevallige wijze ontdekte ik de daders, eerst drie dagen later; een zware straf heeft toen herhaling van dit ernstige feit ten eenenmale voorkomen. Maar er moet ook een strenge tucht heerschen in een troepje, waarmee men zich in het hartje van Nieuw-Guinee bevindt, op 600 KM. van het hoofdbivak!Mijn verkenner Makatipu, menadonees van geboorte, was een aardige jongen, die vrij goed hollandsch sprak; vol ijver en een vaardig teekenaar. Hoe zaten wij heele dagen op de baleh-baleh boven in den boom en maten of wachtten. Hoe werden we geërgerd door het zachte westenwindje, dat het meten onmogelijk maakte; door de paardenvliegen, die ons staken als wij er niet op verdacht waren, door de “geduldvliegjes” die behagelijk over onze huiden heen en weer wandelden. Hoe konden we vreugde scheppen in elke nieuwe bijzonderheid, die ons opviel van onze hooge stellage! Ja mijn verrukking over het vrije uitzicht was nog steeds even groot; die vlakte, die bergketenen, door geen mensch nog gezien. Wat voelt men zich daar onafhankelijk, vrij!Een stroomversnelling.Een stroomversnelling.Mijn observatiepunt III had ik van af dit voorgaande reeds gekozen; het was het hoogste punt van een langen heuvelrug in Noordelijke richting, dien ik langs een zijrivier dacht te bereiken. Het gelukte mij in een dag of drie en na een landmarsch van éénen dag met zes dagen vivres. Allereerst werd twee dagen de zijrivier opgevaren en bivak gemaakt. Die rivier bandjirde zoodanig, dat het bivak zoowat klaar was, toen het onder water raakte; hierna zochten wij het een tien meter hoogerop en maakten een tweede bivak. Hier bleven de prauwen achter, vivres, drie fuseliers en éen Dajak. Dezen man had een klein malheur getroffen. Bij het kappen had een van zijn stamgenooten hem even met het puntje van zijn mandau in de kuit geraakt en toevallig een ader opengesneden. De man bloedde als een rund, doch ik had een gummislang en stelpte vlug het bloeden, tot groote bewondering van de bezorgde kameraden. Die hadden zoo iets nog nooit gezien! Toen een stevig verband en daar lag mijn kostbare riviermensch; doch wij behoefden niet meer stroomop, het kon wel lijden.Met dertien man marcheerde ik eenen dag door een vrij zwaar terrein, doch gelukkig nog geen Van Rees-Gebergte. De weg tegen den kam op was zeer steil en smal, op ’t laatst klommen wij als katten. Doch wij waren ’s avonds in bivak op een mooi plekje van den top (480 M. hoog), met frisch water in de buurt. Dichtbij moesten menschen zijn, want op geen 200 M. van ons af was een huis met puntdak, gaaf en dus bewoond of pas verlaten.Trouwens, waar wonen geen menschen in dit deel van Nieuw-Guinee? Behalve de talrijke sporen langs de rivier en onze vluchtige ontmoetingen, zagen wij over het heele land verspreid in vlakte en over de heuvels de meest onmiskenbare teekenen van het verblijf van Papoea’s: opstijgende kolommetjes dunnen blauwen rook, die vooral in den avond menigvuldig werden.In Observatiepunt III werden de metingen gecompleteerd, de kaart uitgebreid. Er moest veel gekapt worden. Een keer viel een boom vlak langs mijn observatiestelling; doch de Dajaks waren zeker van de richting geweest, waarin die boom zou vallen. Toch was de suizing vrij sterk; een van de zware takken van den vallenden boom greep langs den stam, waarin wij zaten en zwiepte ons eenige malen heen en weer; wel interessant, maar toch wat angstig!Wij bleven hier drie dagen.Op den terugmarsch, dicht bij het bivak der prauwen, bij het afdalen van een steilen rug, hoorde ik eensklaps dat we “aanraking” hadden. En niet vriendschappelijk!Mijn troepje haastte zich verder, ik snelde met de fuseliers naar boven, de wapens in de hand. Hier stonden wij voor een tiental gewapende en gevechtsklare Papoea’s. Toen ze ons ongewapend (!) zagen, zakten de pijlen; men kwam nader, tabak baarde vriendschap. Het waren brave kerels; zij begeleidden ons den verderen terugweg en onderzochten met groote nieuwsgierigheid al onze “bullen”, tot zelfs mijn kleeding, waarvan ze de strekking niet schenen te vatten. Toen ik mijn blouse een oogenblik uittrok, vervulde die “losse huid” hen met de grootste verbazing; ook mijn hoed viel zeer in hun smaak, een enkele probeerde hem. Ik verzamelde hier weer verschillende woorden, o.a. den naam der zijrivier: Abo; wel bijkans onnoodig te zeggen, dat deze woorden niet leken op die uit eenige vroeger gehoorde taal; het merkwaardige is, dat namen voor gelijke voorwerpen, b.v.b. pijl of boog, bij de verschillende stammen ook zelfs geen vage klankverwantschap met elkaar hebben. Typisch ook dat Papoea’s altijd op het oorlogspad zijn. Nooit zag ik er zonder pijl en boog. Hoeveel levensonzekerheid is daar in hun zwerversbestaan; doch wellicht zijn de onderlingeverhoudingenmilder dan wij ons voorstellen.Het opschrijven der woorden maakte onze vrienden angstig; daarna dorsten zij ook niet in het bivak te komen, doch bleven loeren aan den buitenkant. Toen wij een half uur later vertrokken, begeleidden zij ons echter juichend een eindje langs de rivier, spoedig waren wij uit zicht.Een welwillende bandjir bracht ons dicht bij Observatiepunt IV. Daar liepen wij den volgenden morgen tegen op; het was een heuvel van 420 M., waar geen bijzonders meer van te vertellen valt.En nu was het afgeloopen. Op 29 December ’s morgens vroeg, verliet ik dit laatste observatiepunt. Ik ontmoette nog één keer menschen, verzamelde woorden, doopte hier de B-rivier definitief Sobgèrtoerin40, vond de hierboven vermelde taalconclusie weer bevestigd, merkte overigens geen bijzonders op. Vermeldenswaardig is alleen, hoe een moedertje een heel klein pasgeboren kindje in een netje op den rug droeg; een huisvarkentje marcheerde er genoegelijk naast.Dus thans waren we klaar. Ik rekende: 1 Januari in Canobivak, de patrouille gemaakt in 39 dagen. Ik had dus de vivres wel noodig gehad, maar toch nog vrij veel overgehouden, daar ik meermalen half of geen rantsoen had gegeven als wij overvloed van ketella of pisang en visch hadden gehad.De terugtocht ging vlug en ongestoord. Verrukkelijk op den snellen stroom zonder veel moeite voort te varen. Ik was wel tevreden; de helft van mijn opdracht was vlug en met prachtresultaat uitgevoerd.Tegen elf uur deden wij een merkwaardige ontdekking. Op een eilandje in de rivier een Dajak-bivak! Mijn Dajaks hadden het onmiddellijk in de gaten; behalve het hutje was hier een merkteeken gemaakt, eenige armdikke stammetjes van den bast ontdaan en ingekapt met den scherpen mandau. Het leed geen twijfel of men was mij achterop geweest en toen wij de andere bivakjes van het troepje stuk voor stuk voorbij voeren, was het mij geheel duidelijk, dat ik teruggeroepen en de exploratie beëindigd was.Den volgenden dag in Splitsingsbivak gekomen, betrok ik het oude Bivak nog voor een of twee dagen. Aan den overkant was een heuvel, die mij, naar ik hoopte, uitzicht zou geven over het stroomgebied der A-rivier. Een dag hard werken gaf echter een matig succes; een breede rug, waarachter de A-rivier na een paar bochten schuil ging, onttrok het achterland aan ons oog; slechts kon ik nog met eenige peilingen het scheidingsgebergte tusschen A- en B-rivier aanvullen. En van de A-rivier vaststellen, dat ze aanvankelijk uit het Zuid-Westen kwam.Met gemengde gevoelens zat ik daar boven in den boom. Met een baloorig gevoel wegens het “onontdekt” blijven van den tegenover mij liggenden grooten zijtak der Idenburg-rivier; ja, dezen tak vergelijkende met de B-rivier of met de afwatering van Botbotna of Mokkofiang, moest ik eerlijk bekennen, dat mijns inziens de grootste waterader van deze drie de A-rivier was; een meening, die ik ook reeds bij vroegere opvaarten heb gehad. De A-rivier dus de eigenlijke Idenburg-rivier, die dan toch komt van het Sneeuwgebergte, van den Julianatop; en deze was niet geëxploreerd! Het was wel jammer.En dan ook: zoo vlot was alles verloopen, de vivres lagen in Canobivak klaar, het was zoo zonde die ongebruikt te moeten laten.Laat mij ook ronduit bekennen dat een gevoel van opluchting, van vrijheid na goed volbrachte taak, zich van mij meester maakte. Over eenige dagen zou ik in Pionierbivak zijn en vandaar weer de beschaving langzamerhand bereiken. Het streelde mij, het trok mij aan, ik kan het niet ontkennen.2 Januari van Splitsingsbivak vertrokken, kwamen wij den 3en in Canobivak aan. De waterstand was zeer hoog, het bivak was niet meer dan 10 M. boven water. Alles was verlaten. Een klim naar boven bracht mij voor het bovenbivak, waar ik inderdaad een nette kleine goedang vond, doch alle vivres waren weg.Een groot gevoel van verlatenheid beving den heelen troep. Geen spoor, geen teeken, een groote vlucht. Men vergete niet dat ik in 2½ maand geen oorlogsnieuws had gehad! Was Prauwenbivak, was Pionierbivak nog bewoond?Ik fourageerde zeven dagen vivres, bovendien kreeg ieder zijn aandeel van mijn eigendommen, instrumenten en ethnografica. Zwaar beladen ging men op marsch. Halverwege Prauwenbivak viel het nachtbivak.4 Januari in den middag konden wij onze vrees, de eenige in Nieuw-Guinee te zijn, op zijde zetten: wij zagen rook, er waren menschen in Prauwenbivak.Korporaal Kadir meldde zich bij mij, bivakcommandant; hij was hier met ± 12 man, er lagen 5 goede prauwen. Ten spoedigste werd alles voor vertrek gereed gemaakt.Ik vond er brieven en daaronder het bevel tot terugkeer met alle vivres en voorraden. Een schrijven van Dokter Thomsen las ik met groote belangstelling; hij toch was het, die mij met negen Dajaks achterop was geweest op last van kapitein Oppermann, die den 16en November het bevel, om de exploratie te staken, ontvangen had. Doch zijn brief was geen opwekkend reisverhaal; het was een aaneenschakeling van moeilijkheden en misère. Met twee prauwen vertrokken, een groote en een kleine, hadden zij zich moeizaam tegen de bandjirs opgewerkt, mijn merk in Splitsingsbivak gevonden. Op een avond aan de B-rivier hadden de Dajaks vrij van wacht gevraagd, zij waren moe na een heelen dag tobben; de dokter had hun dat toegestaan, onvoorzichtig. Den volgenden morgen was de groote prauw weg! Drie dagen had Thomsen nog langs den oever gemarcheerd, was toen ziek geworden. Hij besloot tot terugkeer, begreep mij toch niet te zullen krijgen. Een vlot werd gemaakt en hierop en in de kleine prauw werd teruggevaren; het vlot was eenige malen over den kop gegaan tegen steenen en rotshoeken; allen waren echter behouden aangekomen. Thomsen schreef, hoe blij hij zijn zou, mij behouden terug te zien. Nu, die vreugde zou hem spoedig te beurt vallen.Op 5 Januari was de afvaart. De waterstand was hoog, doch er was geen bandjir. Ik zag geen reden om de Eerste Kloof niet door te gaan, was echter zoo voorzichtig om de prauwen slechts matig te beladen, een maatregel die ons waarschijnlijk van verdrinken heeft gered.Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op, de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog, en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen: “saja hidoep!”41Doch voorloopig was het stil in de prauwen.Drie dagen deden we over de terugvaart tot Bataviabivak, op den 8en passeerden we de versnellingen in het Van Reesgebergte. Den 8en Januari kwam ik in Pionierbivak.Die afvaart langs de Idenburg-rivier ging ’s nachts door; mijn menschen berustten gaarne; de oevers zaten thans zoo stikvol muskieten, dat bivakmaken hier een kwelling was. Tegen donker hielden wij stil, kookten eten en roeiden weer voort. Ik behoefde heusch niet aan te sporen, de muskieten zaten er wel achterheen. De eerste nacht was goed, de tweede regenachtig en ellendig. De muskieten waren toen zelfs op het water; zij staken in het donker, men kon ze niet zien. Mijn menschen waren stijf van kou; gelukkig had ik nog cognac, zoo bracht de flesch allen een kleine verwarming. In den avond van 7 Januari werd Batavia-bivak bereikt; met welk een vreugde werd de lantaarn, die ons daar van verre tegenstraalde, begroet!Over de Idenburg-rivier viel niets te vertellen; wij waren allen blij, toen het lange traject achter den rug was. Of er dien nacht in Batavia-bivak geslapen werd!En toen den 8en door het Van Reesgebergte. Het was een mooie dag, de Dajaks gilden vroolijk; de anderen eerst, nadat de Marinevallen gepasseerd waren. Toen zongen zij tot de avond viel en de lichten van Pionierbivak om den hoek verschenen. Nu, ook mij sloeg het hart van vreugde; het was weer ruim 2½ maand sinds ik het comfort van het hoofdbivak miste en ik was er gansch niet ongevoelig voor.Ik vond een hartelijke ontvangst; wij hadden een opgewekten avond. En aan het vertellen kwam geen einde.

Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal, dat den 16en der maand per “Albatros” werd aangebracht.

In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.

Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote “gebouwen” verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis en het Dajak-huis. Mooie foto’s waren door onzen dokter gemaakt om het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag, ook fotografisch vast te leggen.

Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten, doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof van den eenigen “sierboom”, dien men in het bivak had laten staan, de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein “zootje” oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede idem (•) thans onder-officiersverblijf.

Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2efoto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien; als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij gefotografeerd. (ethnografica!)

De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (= modder)tijd. Hier sprong lustig een geelharige jonge hond rond, een vroolijke gladdakker35of street-terrier en zijn kameraad, een klein gestreept varken. Zij waren goede vrienden en namen wat van elkanders eigenschappen over: het varken kreeg iets van de wildheid van den hond en de hond heel veel van de vuilheid van het varken; beiden kenden geen grooter genoegen dan rond te tollen in de modderige waterloopjes door het bivak.

Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten, sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich aan eenigekippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de boomen en overal. Als het “kip” was, trok de oudste der bedienden er met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder, vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden, zal het meestal wel “bij toeval” door dwangarbeiders geweest zijn.

Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad, met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam (Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan; men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde varken worden gevonden.

De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor, het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea’s, de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.

Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo’n haast om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt, gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport, bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II, vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea’s gevonden en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.

Een dergelijk geval strekt wel tot leering.

De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.’s en mandikamers was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen van hier tot Bataviabivak.

De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip, naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen, nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn, niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt; de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch dit was gebeurd eenige maanden geleden.

Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman haar misschien op dit moment gebruikte.

Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:

Indekking. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie- vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.

Vivres. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en precies naar het aantal menschen in kilo’s nauwkeurig berekend; hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele “schatting” alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt; de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede; ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.

Geneesmiddelen.Veel “buikdrank”,36kinine en asperine; voldoende verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na Canobivak in één. Voor ziekenkost alleen gecondenseerde melk; een vivresblik vol bevatte ongeveer 20 blikjes van ½ liter.

Diversen. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak, tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000 rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ± 7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema’s.

Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.

Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.

Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man, waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor, één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.

Officiershuis in Pionierbivak.Officiershuis in Pionierbivak.

Officiershuis in Pionierbivak.

Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1onderofficier, 1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea’s onder Oscar, den “onderkoning.”

Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.

Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.

Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model, 5 chronomètres-torpilleur.

Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.

De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.V.l.n.r. Dr. v. Steenis, luit.-t.-z. Langeler, kapt. Schultz, kapt. Oppermann (zittend), dr. Thomsen.

De voorgalerij van het officiershuis in Pionierbivak.

V.l.n.r. Dr. v. Steenis, luit.-t.-z. Langeler, kapt. Schultz, kapt. Oppermann (zittend), dr. Thomsen.

Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen “kait” genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een twintigtal exemplaren van de “Petite Illustration”; immers, wanneer men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de verveling en dat mag niet.

Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal 1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende dat ik geen zieken zou krijgen.

Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.

Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?

Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3 te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt, de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3½ dag was ik in Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het ook niet anders dan voor den wind gaan.

Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.

Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller, waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.

Nadat ook alle Papoea’s voor het transport definitief waren aangewezen, werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg., de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea’s.

Toen werd den 26en October de tocht begonnen.

Laag water voor Pionierbivak.Laag water voor Pionierbivak.

Laag water voor Pionierbivak.

Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten, overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim, doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar ze tegen hun zin werden vastgehouden.

Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.

Tusschen Dajaks en Papoea’s was de eerste dagen een wedijver, wie het meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals hier op de vlakterivier, waren de Papoea’s in hun element en bij het vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea’s in; de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren steeds de twee, met Dajaks bemand.

Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in, dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer, een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.

Achteraan kwam gewoonlijk een stelletje Papoea’s de kleinste en minst sterke van den troep, die ik dan weer door verspreiding over verschillende andere prauwen in een wat gunstiger conditie bracht; dikwijls ook was er ruzie in een Papoeaprauw en waren dan allen “boos”, en wilden een tijdje niet roeien, tot de andere prauwen uit het zicht raakten en dan werd er weer verder getrokken. Hoe dikwijls kwam Oscar bij me, sloeg de hand tegen het voorhoofd bij wijze van groet en vroeg me, een van hun kleine geschillen te berechten.

Meestal vreeselijke beuzelingen, een scheldwoord vaak, doch door met een ernstig gezicht uitspraak te doen, hield ik er het vertrouwen in en legde de verongelijkte zich bij het geval neer; gewoonlijk had een grapje het gewenschte resultaat.

Welk kinderlijk volkje, die Papoea’s! Pleizier om de minste kleinigheid, gelukkig met een heel klein pluimpje. Dikwijls kwamen zij ook op ziekenrapport. Als ik hun dan vroeg wat er eigenlijk aan scheelde, kreeg ik een lang verhaal over weeën hier en weeën daar, doch dat alles ging graag over als ze maar een kleinen “obat” kregen, onverschillig welken. Als het periodiek kinineslikken was, de Papoea’s mankeerden nooit; zij vonden het allen even lekker. Dol waren zij op wonderolie, doch ik was er zuinig op. Hoesten leerden ze vlug aan en ach, ze konden zoo met een ongelukkig gezicht, al kuchend, van hun kwalen vertellen. Doch de grofste wonden aan voeten of beenen lieten hen koel; niet waar, dat zat maar van buiten, dat gaf geen lekkeren obat.

Ik was zeer tevreden over hen en ze waren over ’t algemeen bijzonder gewillig; alleen ruw met de prauwen en menigmaal moest er een hard woord vallen als ze hun vaartuig weer tegen een ander lieten oploopen, dat kop of boorden scheuren kregen.

Eens in de vier dagen was het fourageeren. De prauwen werden zooveel mogelijk gelijkelijk verlicht; op zulk een dag vlaste elk stel van zes roeiers er op, dat hun prauw met een of meer blikken ontlast zou worden. Dan werden de blikken opengeslagen, de heele bende zat er omheen en ik was het beste voldaan als er geen vivres bedorven werden bevonden. Overigens werd daar nog zooveel mogelijk uit gehaald; een blik rijst, b.v.b. dat van onderen wat nat was en duf rook, werd op een zeil uitgestort, in de zon gedroogd en met de andere opgefourageerd; natuurlijk, er waren grenzen, doch tweede kwaliteit is ook goed.

Streng moest ook gelet worden op het loopen over de blikken, die in de prauwen lagen; vooral de Dajaks hadden daar een handje van en hoe gemakkelijk konden scheurtjes ontstaan!

De oever voor Pionierbivak bij laag water.De oever voor Pionierbivak bij laag water.

De oever voor Pionierbivak bij laag water.

De fuseliers, ik had er tot Prauwenbivak 8, hadden den schildwachtdienst, 1½ uur lang van 6 uur af tot 5 uur ’s morgens. Ik verzuimde nooit het bivak geheel schoon te laten kappen en er een omrastering van struikgewas en doornen om heen te laten maken.

Met circa 80 parangs was het een moeite van geringen duur, die het gevoel van veiligheid vermeerderde. Alle fuseliers sliepen met het geladen geweer naast zich; ikzelf had ook steeds den revolver onder mijn hoofdkussen. Na den dood van Stroeve was ik dubbel voorzichtig en wantrouwend geworden.

De dwangarbeiders deden den dienst van prauwenwacht; met hun negenen, telkens 2 tegelijk, gaf dat elken nacht twee uren wacht, van 8 uur ’s avonds tot 5 uur ’s morgens. Dit was wel een onrechtvaardige bezwaring tegenover de andere “rassen”, doch ik wist er niets beters op. De Dajaks toch en evenzoo de Papoea’s vatten zoo’n dienst als een grapje op en straf zou hier niet veel geholpen hebben, had hen in elk geval niet betrouwbaar gemaakt.

Zoo vond de opmarsch geregeld plaats; jacht en vischvangst leverden een en ander op, de laatste zelfs veel, doch ik kon er weinig van profiteeren: een paar dagen eerst van Bataviabivak vertrokken,kreeg ik weer een ingewandsziekte die een dag of tien duurde, die mij eenigszins bezorgd maakte voor het “in-elkaar-vallen” van den leider, doch die ik ten slotte met een melkdiëet er onder kreeg.

Wij hadden twee ontmoetingen met Papoea’s: den 27en met de Tori Aikwakai, die ons ijzer afbedelden; ik gaf echter niets, kon mijn parangs beter voor boven gebruiken; ik zag weder een kampong op een plaats, waar vier maanden geleden niets te zien was, doch vond er overigens geen bijzonders. Bivak werd gemaakt op den tegenoverliggenden oever. Dien nacht was er zeker feest in de kampong; tot in den vroegen morgen hoorden wij muziek als van het slaan op groote trommels, begeleid door menschengeroep en hondengejank; ik drukte den schildwachten waakzaamheid op het hart, kreeg echter eerst in den ochtend bezoek van een 15-tal mannen in zes prauwen, die met groote vrijmoedigheid ons bivak binnenstapten en zeer vrijpostig waren. Ik liet hen wegjagen, ik moest niets van hen hebben.

De tweede ontmoeting was den 2en November, halverwege Prauwenbivak. Hier was een kleine stam van een twintigtal menschen, blijkbaar doortrekkende langs den oever der rivier. Daar ik met de motorboot stopte om de plaats voor bivak te bekijken, kregen wij contact met de voorloopers van deze kleine bende. Wij wisselden vriendschappelijke handdrukken en gaven hun sigaretten. Een oude man was in een soort vervoering bij de motorboot komen zitten, die nog rustig lag te snorren; hij knikte voortdurend met het hoofd en murmelde zonder ophouden; heeft ons waarschijnlijk voor goden of geesten aangezien. Weldra kwam het gros van den stam: kinderen en zwaar beladen vrouwen; zij trokken schielijk voorbij, daarna gingen ook de mannen verder.

Den dag, hierop volgende, kreeg ik het eerste belangrijke motordefect en wel op de volgende wijze. Door de lange droogte was het rivierniveau geweldig gezakt. Groote stammen kwamen bloot, niet alleen op de binnenbochten, de glagahbanken: maar ook in de buitenbochten en in de gestrekte riviergedeelten aan beide zijden. Het was steeds met groote voorzichtigheid uitwijken; gelukkig was de schroef der motorboot beschermd door een koperen raam, dat aan den onderkant, om schroef en schroefas gebogen, aan de huid was bevestigd. Op 3 November, om een uur of elf liep de motorboot volle kracht op een boom onder water. Wij kwamen onmiddellijk vlot, doch er was geen stuur meer; onderzoek wees uit dat de stang, die het roer droeg, totaal was kromgebogen; het roer stak boven water uit. Ik liet mij aandrijven, wij maakten vast, maakten de roerbeweging los. Inmiddels kwamen de prauwen aan; ik liet meteen bivak maken, begrijpend dat de reparatie wel zijn tijd nemen zou. Pogingen om den stang gloeiend te maken en recht te hameren mislukten; de stang knapte in tweeën, er bleek een oude breuk te zitten; blijkbaar had zich het grapje vroeger ook al eens voorgedaan.

De Dajaks gaven redding. Zij maakten een houten roer. Niet ver behoefden wij te zoeken of wij vonden een stam, die aan zijn voeteinde platte, wijduitstaande, driehoekige wortelsteunen heeft; als het ware planken van eene bijzonder taaie samenstelling. Hiermee was het ongeluk bezworen; een houtblad werd uitgekapt, ik teekende het model en in een half uur hadden wij een prachtroer met groot oppervlak. Gelukkig was in den voorraad van de motorboot een eind staaldraad; hiervan werden twee stropjes gemaakt en het roer er mee opgehangen aan de oude haken; de stuurstok (z.g.n. helmstok) werd er stevig aan gebindseld en wij hadden een roer dat mocht gezien worden.

Het voldeed den volgenden dag bijzonder goed. Maar op 4 November: boem! weer op een boom. Oogenschijnlijk geen bijzonders, doch, nauw aangezet, rammelde de schroef als een bezetene. Laten duiken; het bleek dat het schroefraam voor de helft reeds was weggestooten, de andere helft zwierde los onder de boot en hierin ratelde de schroef. Die andere helft werd er dus ook maar afgetrokken. Nu echter was het bestaan der schroef elk oogenblik bedreigd en ik bepeinsde al, hoeveel dagen de motorboot nog mee zou sukkelen.

Doch ziet, het viel mee. Tot 7 November hield de machine het vol. Toen waren wij op slechts een paar kilometers van de gevaarlijke passage, die mij nog van mijn ongeval van 23 Juni goed in het geheugen lag. Ik was van plan, de motorboot bij die passage af te danken, daar ik er niet mee tusschen die boomstamversnellingen door dorst. Doch de motorboot dankte zich zelf af. In den morgen van 7 Novemder konden wij na een half uur tobben geen water meer uit de koelpomp krijgen. Ik besloot kort en goed hier het tijdelijk vivresdepôt op te slaan. De prauwen legden aan; een kleine goedang en een hutje voor twee man werden met zorg in elkaar gezet, daarna de vivres uit de motorboot gehaald en in de goedang geborgen.

Ondertusschen werd de machine nagezien, doch niets hielp. Ik liet dus dajongs en lange roeiriemen maken, gaf den menschen der motorboot voor 8 dagen eten mee; een karabijn en nog een oud beaumontgeweer waren de bewapening, een oude fuselier was commandant.

De bezetting van “Vivresbivak” was twee man. Die konden om de beurt wacht doen met de order, zich tegen elke aanranding met scherp te verzetten.

Hierna gingen wij voort en de motorboot werd middenstrooms geroeid. Op het moment van het afscheid snorde de motor nog eenmaal en ziet, de pomp gaf water. Ik denk wel, dat de machinist op de pomp zijn uiterste best zal hebben gedaan; ik hoorde later, dat de motorboot in 4 dagen Batavia-bivak had bereikt, wat voor de inzittenden zeker een opluchting moet zijn geweest.

In den ochtend van den vierden dag na dezen, op 11 November, passeerden wij Motorbivak. Daar was het verval reeds leelijk ingetreden; geen wonder bij een bivak, dat sinds ruim twee maanden verlaten was. Nu door de eerste kloof. Zij was vrij moeilijk, er was blijkbaar druk van boven, doch alles marcheerde zonder ongelukken.

De lange versnelling in het bevaarbare deel tusschen de kloven, halverwege Prauwenbivak, gaf meer zorg. De rivier heeft daar een verhang van 1½ M. en steile afbrokkelende grintoevers. Er is een oversteekmet niet minder stroom dan in den Edi-val en met evenveel kans op ongevallen. De prauwen kwamen na twee uur werken behouden over en een uur later waren wij in Prauwenbivak.

Hier werden wij met groote vreugde ontvangen. Men zal zich herinneren, dat wij op 28 September van daar waren vertrokken, er een bezetting latende met ruim een maand vivres. De Europeesche sergeant-bivakcommandant ontving mij met de mededeeling dat hij alles had ingepakt en klaar was om den volgenden morgen te vertrekken: de vivres waren op.

Welk een toeval, dat ons zoo juist op tijd bracht!

De menschen waren in-blij, ons te zien komen. Zij moeten zich dan ook wel vergeten hebben gevoeld. De gezondheidstoestand was goed op één uitzondering na: dat betrof een dwangarbeider die in een ver stadium van beri-beri was. Wat was dat kereltje uitgeteerd; een geraamte gelijk! Loopen kon hij niet meer. Een dag of veertien later was hij in Pioniersbivak onder handen van Dokter Thomsen, ik vond er hem terug welgedaan en gezond, doch hij had een narrow escape gehad.

Was tot hiertoe alles prachtig voor den wind gegaan en de rivier nog rustig, lang kon het niet meer duren.Dat de kentering ophanden was, bewezen zware onweersluchten, die zich elken avond in het Oosten samentrokken en af en toe tot uitbarsting kwamen. Maar het was nog geen ernst geworden, de drift der wolken was nog van Oost naar West.

Daarom werd in Prauwenbivak geen rust genomen. Den volgenden morgen, 12 November, vertrok de Inlandsche korporaal Kadir met zes der grootste prauwen en 37 roeiers, van wie acht Dajaks, 8 dwangarbeiders en de 20 beste Papoea’s, een keurbende alzoo; om te probeeren den voorraad van “Vivresbivak” nog te halen voor het doorkomen van de groote bandjirs, die de Eerste Kloof onbevaarbaar maakten en dus een oponthoud van weken zouden geven.

Vijf dagen was ik in hoop en vreeze; een bandjir kwam op, doch verflauwde weer. In den middag van den vijfden dag werd de eerste prauw gesignaleerd, weldra nummer zes. Een uur later stond Kadir voor mij; geen ongelukken, geen verliezen, de twee man bezetting van “Vivresbivak” waren meegekomen. De brave jongen had evenveel voldoening over den vluggen voortgang als ikzelf.

Intusschen hadden wij in Prauwenbivak niet stil gezeten. Twee keer was reeds een draagtransport heen en weer tot Canobivak geweest, elken keer circa 50 man; tevens was dat bivak opnieuw bewoonbaar gemaakt; ik had er den waterstand niet hoog gevonden, evenwel was het “bekken” gevuld.

Een derde draagtransport, thans 80 man, liep op 17 en 18 November en bracht datgene, wat Canobivak nog behoefde. Negentien November zag den afmarsch van den sergeant-bivakcommandant met een 80 man in 10 prauwen, hierbij alle Papoea’s, dat deze menschen in de wolken waren, behoeft wel geen betoog; ook het “geraamte” verheugde zich, hij zag het leven weer gloren!

Ik vertrok dien dag met mijn heelen eindtroep en alle patrouille-benoodigdheden naar Canobivak, latende in Prauwenbivak 6 man bezetting en 6 goede prauwen, hoog op den wal en extra vastgebonden.

Mijn terugtocht was dus gedekt en voor vivresnood behoefden wij niet bang te zijn; het wegvarend leeg transport toch droeg een nabestelling van circa 2000 rantsoenen, eerst na een maand in 9 prauwen te ontvangen, een opdracht, die met kalmte kon worden uitgevoerd.

Een groote damarboom, dicht bij Canobivak opgemerkt door mijn Dajaks, gaf ons een blik vol hars; dit was alweer een welkome aanvulling van den pekvoorraad.

Toen ik me dien avond van 19 November in Canobivak onder het kleine tentje ter ruste legde, had ik een tevreden gevoel; de aanvang was goed en vlot geweest; de groote voorraad rondom mij en het puike menschenmateriëel beloofden ook voor de komende dagen succes. Juist 30 dagen geleden was ik van Pionierbivak weggegaan.

Thans was alleen het wachten op de prauwen. Van de drie der vorige patrouille, die hier hoog en goed bezorgd op den oever lagen, keurde ik de kleinste af en liet er twee prauwen bijmaken. Hiertoe had ik mijn 8 Dajaks, die reeds vanaf 16 November in Canobivak aan het werk waren geweest; thans kwamen mijn 9 Palembangers helpen; deze verstaan het prauwenwerk goed, doch werken veel langzamer dan de Dajaks. Twee mooie lange prauwlichamen kwamen den 20enklaar, benevens twee stel breede planken, wit en soepel, voor de boorden. Den volgenden dag stond alles in elkaar; pek, werk, damar en spijkers waren ruim voldoende; op 22 November zouden wij inschepen en stroomop gaan.

Doch Nieuw-Guinee wilde het anders.

Reeds heb ik verteld, hoe elken achtermiddag zware stapelwolken zich in het Oosten verzamelden. Tegen zonsondergang, dik en koperkleurig, kwam de wolkmassa opzetten, een uur later bedekt ze den hemel, bliksemflitsen en dondergerommel waren de uitingen van deze voorboden van de komende kentering, doch het bleef nog droog. Eerst 21 November kwam de eerste losbarsting.—Wat ik nog niet vertelde, was dat naast Canobivak een zijstroompje zich in de groote rivier stortte, een frisch, helder watertje met vlak onder het bivak een breeden waterval, die de heerlijkste douches gaf. Met het rijzen van het water verdween de waterval, want ook de benedenloop van den zijtak vulde zich dan met het bruine water der Idenburgrivier. Doch dezer dagen was de waterval er weer en even daar beneden, op vlakke steenoevers, lagen de prauwen vastgemeerd met dikke touwen aan een boom van den oever.

De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde: “orang kaloewar, orang kaloewar!”37en in een drom gingen wij naar beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen, nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg: het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen, raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....

Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.

Gezicht op den Mamberamo vanuit een zijrivier.

Wij klommen naar boven. Een Dajak moest gedragen worden, had het been tusschen de prauwen bekneld gekregen; een Dajak was weg. Wij gingen slapen, er was niets meer om voor te zorgen. Wat moest ik doen? Nieuwe prauwen maken natuurlijk, doch het kostte twee weken en waar haalde ik pek en spijkers vandaan? Het zou een kruk-expeditie worden, het resultaat van den tocht die zoo mooi begonnen was.

In den nanacht hoorden wij geroep aan den overkant en weldra herkenden de Dajaks hun makker. Die was dus gered gelukkig; nog een uur en hij was overgezwommen, bij ons. Dat was een vertroosting, daarna sliepen wij weer door.

Vroeg in den morgen kwam Noer, de jongen, mij vertellen, dat er van de prauwen overblijfselen gezien werden in de Idenburgrivier op steenachtige banken een eindje benedenstrooms. Dat was de moeite; het gaf weer een straaltje hoop. En ja, het viel mee. Dank zij den boom, die met zijn takken aan de steenen was blijven zitten, waren drie van mijn vier prauwen daar gestrand. Doch wat was er van over? De planken waren gescheurd, twee der onderlichamen gaaf. Alles werd bij elkaar gehaald, de planken losgemaakt, spijkers recht geslagen, pek zuinig afgeschraapt en in een blik verzameld. Toen werden uit drie gebroken prauwen weer twee heele gemaakt, wel met een euvel hier en daar, doch best bruikbaar.

Thans werd de oude, afgedankte Papoea-prauw der vorige patrouille in eere hersteld, opgelapt, scheuren met blik beslagen en met pek en werk gedicht en ziet, in den avond van 22 November was de expeditie op nieuw klaar voor vertrek; alleen haar omvang was ingekrompen; ik besloot te gaan met 18 man in 3 vaartuigen en 40 dagen vivres. Dat de prauwen dien nacht hoog waren geborgen, laat zich begrijpen; niet voor niets had Nieuw-Guinee mij weer eens voorzichtigheid geleerd.

Thans kwam nog een oogenblik strubbeling van den kant der Dajaks. Zij wilden hun zieken kameraad niet verlaten. Overreden hielp niet, zij waren nu ver genoeg geweest, bovendien hadden droombeelden hun een ongunstigen afloop voorspeld. Mijn ultimatum was: niet eten of mee. Zij kozen het laatste en waren weer opgewekt als te voren. Kinderen, die Dajaks; zij zeuren, tot men hun een hard woord geeft, denken daarna aan iets anders.

Zoo werden dan ’s morgens op 23 November de prauwen te water gelaten en volgeladen; het ging net aan, doch, evenals den vorigen keer, wij zouden er ons wel doorheen eten. Ik gaf 5 dagen vivres “bij den man”; zoo konden wij het 45 dagen uithouden.

Zes Dajaks gingen mede; twee bleven achter: de gewonde en een om hem op te passen. Verder zes dwangarbeiders, vier fuseliers en de verkenner Makatipu. Noer; mijn jongen, werd mandoer over zijn kameraden; hij was zoo ijverig en handig en had toch steeds de leiding.

Canobivak bleef onder bewaking van een korporaal en acht man; zij haalden telkens hun eten uit Prauwenbivak; dat hield de menschen levendig, een goede marsch van tijd tot tijd. In den goedang lag juist zooveel voorraad, dat, als ik na 1½ maand terugkwam, ik mijn prauwen maar had vol te laden om er opnieuw voor 1½ maand op uit te kunnen gaan. Dit was dus wel gemakkelijk geregeld. De bezetting had verder in opdracht, ten spoedigste een goedang met barakje te bouwen op den heuveltop, ± 40 M. boven het huidige bivak; zooals men weet, kon immers het rivierniveau tot aan het tegenwoordige Canobivak stijgen, wij moesten dus daarop voorbereid zijn.

De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.

De beruchte kloof der boven Idenburg-rivier.

Den 26en November waren wij in “Splitsingsbivak”, d.i. aan de monding der A-rivier. Hier werd geobserveerd en alle vivres geïnspecteerd. Wij hadden nog al met bandjir te kampen gehad; de goede tijd was absoluut voorbij, steeds kwamen nu de wolken opzetten uit het Westen. Doch de voortgang was goed. Werd de bandjir al te bar, dreef hij ons onder en tusschen de overhangende oevertakken, dan maakten wij bivak; want dan werd het afjakkeren om een enkelen kilometer met het grootste gevaar van omslaan; vroeg braken wij dan op om de schade in te halen. Van het grootste nut bleken nu de “Kaits”; wat hadden wij daar een plezier van!

Onderweg waren groote vluchten kalongs of vleermuizen (vliegende honden) gezien. Als groote zwarte dorre bladeren hingen zij in de takken van sommige hooge boomen. Kwamen wij voorbij, dan werd er geschreeuwd en op blikken geslagen, tot de beesten een voor een opvlogen; in groote kringen zweefden ze piepend over onze prauwen en kwamen eerst weer tot rust als we lang voorbij waren. Een enkele maal heb ik ze geschoten, doch ik vond het vleesch niet smakelijk; het was bloederig en taai, wellicht komt hier suggestie bij. Misschien ook was het slecht klaar gemaakt, want meermalen heb ik later hooren beweren, dat kalong-vleesch zich zeer wel laat eten.

In Splitsingsbivak maakte ik een merk; ik had afgesproken met Kapitein Oppermann, dat, als ik de A-rivier zou exploreeren, ik eén, voor de B-rivier twee blikken op een stok zou vastzetten. Hier werden thans twee blikken gezet op een langen gallah en rottankoord stevig tusschen de boomen bevestigd.

Op 28 November kwam ik aan de B-rivier; deze liep hier tusschen schilderachtige hooge rotswanden, het was een fraaie dag en de rivier merkwaardig kalm. Wij maakten dus dienzelfden dag een grooten voortgang en bovendien, het vlaktekarakter kwam weer op. Dit laatste is echter slechts tijdelijk gebleken; de B-rivier bleef versnellingrivier; een blikop de kaart van het door haar doorstroomende heuvelland maakt zulks begrijpelijk. Het water was, vergeleken met dat der Idenburg-rivier, verbazend helder; ook dit wees er op, dat de B-rivier geen vlakte kende.

Kaart van het Centraal-Gebergte.

Sporen van menschen werden spoedig gezien en wel in den vorm van ladangs; menschen zelf heb ik aan dezen grooten zijtak vier malen ontmoet. De ladangs leverden ketella in groote hoeveelheid, evenzoo pisang; verder tabak en kloewé. Wij namen steeds uit een geschikte ladang, waar veel groeide, ons bescheiden deel, legden tabak en een enkelen parang er voor in de plaats. Deze verandering van voedsel was den troep bij zonder welkom en mijzelf niet minder. De wilde pisang toch, gekookt, is een geweldig stevig voedsel en evenzoo de ketella. Als ik mijn avondmaal van rijst voor pisangs ruilde, had ik aan vijf stuks meer dan genoeg. Ik at ze steeds met gecondenseerde melk, zoo ook de ketella; men zal zich afvragen, hoe zoo iets in ’s hemelsnaam mogelijk is en inderdaad zou ik het thans ook een vreemde combinatie vinden. Toentertijd echter vond ik het heerlijk.

Zoo reisden wij steeds langs ladangs, zagen hier en daar een hut. Deze hadden alle een puntig dak van atap over een gabah-gabahwand van 4 × 4 M. lengte en breedte; de baleh-baleh lag meestal 1½ M. boven den grond; slechts één keer zag ik een huis op palen van 4 M.

Sago werd weinig gezien; “op het land leven”, zooals tijdens de vorige patrouille gelukt was, zou hier een onmogelijkheid geweest zijn.

Niet alle dagen was de rivier ons zoo ter wille als dien eersten dag; den volgenden morgen liep reeds een zware bandjir en later werden wij ook menigmaal onder de oeverboomen gedrukt. In het geheel voeren we haar 12 dagen op en hadden toen 130 K.M. langs de oevers afgelegd.

Zelfs aan het eindpunt, waar toch telkens een versnelling den kalmen loop van het water onderbrak, werden nog krokodillen gezien; zij verdwenen steeds schielijk bij onze nadering. Aan visch was de rivier weer bijzonder rijk. Aan jagen werd niet veel gedaan! Wij hadden voedsel in overvloed, dus de prikkel om na een dag van aanpakken nog weer het woud in te gaan, was niet bijzonder groot; bovendien, ik hield liever den troep bij elkaar, want wij hadden niet velen te verliezen.

Een dier, dat ik tot nu toe nog nooit gezien had, werd door twee Dajaks meegebracht; het was een boschkangoeroe of koeskoes, dien zij geschoten hadden. Een mooi dier met een donkerbruine huid, hoog ongeveer een halven meter. Merkwaardig dat mijn fuseliers en dwangarbeiders, allen Mohammedanen, het vleesch niet wilden eten. Noer, de jongen, verklaarde mij, dat zij in dat opzicht een koeskoes gelijkwaardig met een varken vonden; nu, mij smaakte de bout des te beter. Wel eigenaardig, dat deze dwangarbeiders (die heusch niet allen voor een liefdesmoord in den boei zijn geraakt, doch ook wel heel andere dingen op hun kerfstok hebben) zoo streng aan het verbod van den Koran vasthielden. Zelfs op de vorige patrouille met Kapitein Oppermann, in den tijd toen de sago ons er boven op hield, aten de dwangarbeiders geen varkensvleesch; de fuseliers wèl. Thans, terwijl er overvloed was, namen geen van allen het.

Toen wij de rivier 8 dagen waren opgeroeid en een dag te voren in Zuidelijke richting en niet ver af bergland hadden gezien, besloot ik het hoofd eens boven de boomen uit te steken; wij maakten observatiepunt I, hoog 325 M. Een loonend, een schitterend uitzicht! In nevenstaande schets zijn schematisch de drie gebergten geteekend, die ik van hieruit zag; (1) was de Zuidrand van het bergland, dat van af de Poeveh en Pauwasi was gekaarteerd, gaf dus aansluiting aan de vorige patrouille! (2) was de (vermoedelijke) waterscheiding tusschen A- en B-rivier, hoog tot 2500 M. en in het Zuiden overgaande in het Centrale Gebergte; (3) was het bergland aan de Oostzijde van de Kaiserin Augusta-rivier, wat mijn kaart aanstonds uitstrekte tot over de Duitsche grens; tusschen (2) en (3) bergland in Zuid-Oostelijke richting, behoorend tot het Centrale Gebergte, doch niet veel boven 4000 M. en met lagere complexen er tusschen.

Dat ik mijn kaart niet alleen uit dit ééne observatiepunt kreeg, behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; bovenstaande terreinbeschrijving in groote lijnen is het resultaat van de gezamelijke metingen; behalve Observatiepunt I waren er nog drie andere.

Ik zag wel, dat ik de rivier nog niet voldoende ver was opgevaren om het bergland in den uitersten zuidoosthoek te kunnen “grijpen”. Daarom gingen wij nog vier dagen verder stroomop, een tegenvaller voor velen, die gedacht hadden, dat het eindpunt reeds was bereikt.

Observatiepunt II lag 35 KM. verder; op dat traject zagen wij tweemaal menschen. Den eersten keer twee mannen bij een kleine prauw voor een ladang met een groot huis. Zij waren zeer verbaasd, doch niet vreesachtig, toonden belangstelling in al wat hun vreemd was. Ik verkreeg eenige woorden van hun taal, pijlen, enz. Er valt niets bijzonders over hen te zeggen na de uitvoerige beschrijving der stammen in mijn vorige hoofdstuk, waar zij (Pauwasi) geheel mee overeenkwamen. Een stuk uit Europa was hier nochtans verdwaald geraakt; het was de bovenhelft van een parang, zoo oud en in ’t gebruik zoo afgesleten, dat die hier wellicht al vijftig jaar was geweest; wij gaven de beide menschen thans elk een nieuw exemplaar.

Dat men overigens niet al te hard op ons gesteld was, bemerkten wij een dag later. Wij voeren rustig in kalm water, toen het “pana, pana!”38in eens achter mij klonk. Ik liet mijn prauw vlug oversteken naar den veiligen oever en nam onmiddellijk den vijandelijken wal onder vuur. Doch geen vijand was meer te zien, een tiental schoten hadden indruk genoeg gemaakt. De bepijlde prauw intusschen was niet ver gevlucht. Dat had zijn oorzaak: de beide Dajaks, voor- en achterman in die prauw, waren onmiddellijk in de rivier gedoken en hielden zich met een hand vast aan de prauw, achter het boord, den neus boven water. Dat was nu wel erg slim, doch zoo was er van zich-bergen voor de anderen geen sprake; hier kreeg ik dus een minder gunstigen kijk op den moed der Dajaks, zooals ik reeds vroeger heb aangeduid; om het eigen lijf te bergen, stelden zij hun tochtgenooten zonder bezwaren bloot.

Dat er intusschen met reden geschreeuwd was, bewezen twee pijlen, die in het prauwboord zaten, gebroken bij de trilling van het treffen; of ze ook met kracht aangekomen waren! Ik was blij, dat we er zonder gewonden waren afgekomen.

Dienzelfden dag kwamen wij voorbij een kampong met twee groote huizen. Model als vroeger. Twee menschen bleven een korten tijd bij ons, weldra vluchtten zij het bosch in. Ik wil alleen vermelden, dat wij in de woningen talrijke (gesnelde) koppen vonden, met roode strepen versierd; als “verf” dient hiertoe een roode krijtsoort, die ook in de rivier werd gevonden. Eenige exemplaren werden meegenomen.

Daar het reeds laat was, maakten wij bivak dichtbij op den tegenovergestelden oever; weldra verschenen menschen aan den overkant. Een tiental mannen wenkten mij uitnoodigend over te komen in een van onze prauwen; toen ik met meer menschen wilde gaan, liepen zij weg; nu, ik ging niet alleen; ik weet wel, dat er dan spoedig ook roode strepen over mijn hoofd hadden geloopen. Echter probeerde ik het met drie man, doch zette fuseliers achter de struiken, klaar om te schieten als het noodig was; maar de menschen liepen weg.

In deze kampong was niemand meer, toen wij later stroomaf voeren.

Den volgenden morgen roeiden wij reeds een uur boven ons bivak, toen mannen ons inhaalden langs den oever. Zij riepen en wij zwaaiden vriendelijk. Er gebeurde het volgende: aan een klein open plekje legden zij eenige voorwerpen neer, werkten daarna met armen en handen in de meening van: “ga in ’s hemelsnaam van ons weg!” en verdwenen. Ik naderde zeer behoedzaam, bekeek daarna de vredesgeschenken. Het waren twee draagzakjes van geknoopten boombast, met veeren van papagaaien en paradijsvogels versierd; er waren eenige kleine ingrediënten in, o.a. een stukje van het roode krijt.

Hoe merkwaardig, deze menschen, die aan de bepijling wel niet vreemd zullen zijn geweest en die het thans het veiligst vonden om vrede aan te bieden! Ik zou er echter niet gaarne op vertrouwd hebben.

Op dezen vredesdag bereikten wij tevens ons eindpunt aan den voet van een heuvel, 550 M. hoog, op het oog fraai voor uitzicht; hier kwam Observatiepunt II. Ik was thans 675 KM. van Pionierbivak, ruim 900 KM. van de zee. De verste opvaart van den Digoel was 700 KM., van de Kaiserin-Augusta-rivier 1000 KM. en van de Fly-rivier 1100 KM.39

Van Observatiepunt II kreeg ik gelijksoortig uitzicht als in I; in oostelijke richting, over een 15 KM. heuvelland heen, deed zich de uitgestrekte vlakte der Kaiserin-Augusta-rivier aan het oog voor; eenige glinsterende strepen beduidden groote moerasplekken of meren als de vroeger besproken Rombébai. Daarachter, scherp van lijn, het onbekende bergland op Duitsch gebied, 2000 M. hoog, dat aan zijn buitenrand zoo zuiver omtrokken wordt door den grooten bocht der Kaiserin-Augusta-rivier.

Welk een voldoening geeft het, na langen marsch en inspanning een onbekend bergland te ontdekken en in kaart te brengen! Hoe duidelijk kwam thans de vlakte uit der groote rivier met haar randgebergten in het oosten en in het westen; zoo ontsprong dus onze zijtak van de Idenburg-rivier dicht nabij den Duitschen “Mamberamo”.

Wat mij echter verdriette, was, dat ik het Sneeuwgebergte niet te pakken kon krijgen. Vijf dagen lang heb ik er op gewacht, of de Juliana-top of omliggende zich niet wilde bevrijden van zijn sluier van wolken of waterdamp, doch het mocht niet zijn; ik kwam niet verder dan den keten 3700–3800 op 20 KM. van die sneeuwtoppen. Maar het gaf dan toch aansluiting en toen de vijfde morgen weer niets opleverde, besloot ik tot terugkeer.

Mijn prauwen en vivres waren in een klein bivakaan den voet van den heuvel, de bewaking bestond uit twee fuseliers. Den derden dag had een klein vivrestransport van zes man geloopen met twee karabijnen. Dat was wel de gevaarlijke zijde van deze Exploratie in klein formaat, het werken met kleine verbanden, die dan, zooals in dit geval, nog in drieën werden gesplitst. Doch wat wil men? Het rendement was in elk geval prachtig.

De zwaarste versnelling in de “Kloof”.De zwaarste versnelling in de “Kloof”.

De zwaarste versnelling in de “Kloof”.

Ook het systeem “geen onderofficier, geen verpleger” beviel mij best. De verveling van het lange zitten in de prauw werd er door verminderd: bivakbouw, fourageeren, vivresrekening, zij vulden weer den langen vrijen tijd en zóó deed ook het verbinden. Het laatste, het “dokteren” i.a., had trouwens het groote voordeel, dat men het vermogen van elken man, zoowel als van den heelen troep, tot op een haar kende.

Aan kinine-prophylaxe werd streng de hand gehouden, katjang idjoe regelmatig opgefourageerd. Op deze heele patrouille had ik niet eenen zieke, niet eenmaal ging de flesch met “buikdrank” open. Maar de menschen waren met zorg uitgerust, hadden allen wollen ondergoed en nieuwe kleeren, een deken en goed tentmaterieel; bovendien ruime voeding en volmaakte rust in de observatiepunten, zoodra de boomstelling stond.

Zoo geeft het dan een groote voldoening, die patrouilles in de puntjes te regelen en wordt de moeite elken noodigen kilogram berekend te hebben, volkomen beloond.

Van diefstal, zooals vroeger wel was voorgekomen, was geen sprake; eenmaal hadden twee dwangarbeiders een blik rijst opengemaakt en, na zich ruim te hebben ingespannen, het blik in de rivier geworpen; zoo iets scheelde mij 30 rantsoen rijst, dus 1½ dag eten! Op toevallige wijze ontdekte ik de daders, eerst drie dagen later; een zware straf heeft toen herhaling van dit ernstige feit ten eenenmale voorkomen. Maar er moet ook een strenge tucht heerschen in een troepje, waarmee men zich in het hartje van Nieuw-Guinee bevindt, op 600 KM. van het hoofdbivak!

Mijn verkenner Makatipu, menadonees van geboorte, was een aardige jongen, die vrij goed hollandsch sprak; vol ijver en een vaardig teekenaar. Hoe zaten wij heele dagen op de baleh-baleh boven in den boom en maten of wachtten. Hoe werden we geërgerd door het zachte westenwindje, dat het meten onmogelijk maakte; door de paardenvliegen, die ons staken als wij er niet op verdacht waren, door de “geduldvliegjes” die behagelijk over onze huiden heen en weer wandelden. Hoe konden we vreugde scheppen in elke nieuwe bijzonderheid, die ons opviel van onze hooge stellage! Ja mijn verrukking over het vrije uitzicht was nog steeds even groot; die vlakte, die bergketenen, door geen mensch nog gezien. Wat voelt men zich daar onafhankelijk, vrij!

Een stroomversnelling.Een stroomversnelling.

Een stroomversnelling.

Mijn observatiepunt III had ik van af dit voorgaande reeds gekozen; het was het hoogste punt van een langen heuvelrug in Noordelijke richting, dien ik langs een zijrivier dacht te bereiken. Het gelukte mij in een dag of drie en na een landmarsch van éénen dag met zes dagen vivres. Allereerst werd twee dagen de zijrivier opgevaren en bivak gemaakt. Die rivier bandjirde zoodanig, dat het bivak zoowat klaar was, toen het onder water raakte; hierna zochten wij het een tien meter hoogerop en maakten een tweede bivak. Hier bleven de prauwen achter, vivres, drie fuseliers en éen Dajak. Dezen man had een klein malheur getroffen. Bij het kappen had een van zijn stamgenooten hem even met het puntje van zijn mandau in de kuit geraakt en toevallig een ader opengesneden. De man bloedde als een rund, doch ik had een gummislang en stelpte vlug het bloeden, tot groote bewondering van de bezorgde kameraden. Die hadden zoo iets nog nooit gezien! Toen een stevig verband en daar lag mijn kostbare riviermensch; doch wij behoefden niet meer stroomop, het kon wel lijden.

Met dertien man marcheerde ik eenen dag door een vrij zwaar terrein, doch gelukkig nog geen Van Rees-Gebergte. De weg tegen den kam op was zeer steil en smal, op ’t laatst klommen wij als katten. Doch wij waren ’s avonds in bivak op een mooi plekje van den top (480 M. hoog), met frisch water in de buurt. Dichtbij moesten menschen zijn, want op geen 200 M. van ons af was een huis met puntdak, gaaf en dus bewoond of pas verlaten.

Trouwens, waar wonen geen menschen in dit deel van Nieuw-Guinee? Behalve de talrijke sporen langs de rivier en onze vluchtige ontmoetingen, zagen wij over het heele land verspreid in vlakte en over de heuvels de meest onmiskenbare teekenen van het verblijf van Papoea’s: opstijgende kolommetjes dunnen blauwen rook, die vooral in den avond menigvuldig werden.

In Observatiepunt III werden de metingen gecompleteerd, de kaart uitgebreid. Er moest veel gekapt worden. Een keer viel een boom vlak langs mijn observatiestelling; doch de Dajaks waren zeker van de richting geweest, waarin die boom zou vallen. Toch was de suizing vrij sterk; een van de zware takken van den vallenden boom greep langs den stam, waarin wij zaten en zwiepte ons eenige malen heen en weer; wel interessant, maar toch wat angstig!

Wij bleven hier drie dagen.

Op den terugmarsch, dicht bij het bivak der prauwen, bij het afdalen van een steilen rug, hoorde ik eensklaps dat we “aanraking” hadden. En niet vriendschappelijk!Mijn troepje haastte zich verder, ik snelde met de fuseliers naar boven, de wapens in de hand. Hier stonden wij voor een tiental gewapende en gevechtsklare Papoea’s. Toen ze ons ongewapend (!) zagen, zakten de pijlen; men kwam nader, tabak baarde vriendschap. Het waren brave kerels; zij begeleidden ons den verderen terugweg en onderzochten met groote nieuwsgierigheid al onze “bullen”, tot zelfs mijn kleeding, waarvan ze de strekking niet schenen te vatten. Toen ik mijn blouse een oogenblik uittrok, vervulde die “losse huid” hen met de grootste verbazing; ook mijn hoed viel zeer in hun smaak, een enkele probeerde hem. Ik verzamelde hier weer verschillende woorden, o.a. den naam der zijrivier: Abo; wel bijkans onnoodig te zeggen, dat deze woorden niet leken op die uit eenige vroeger gehoorde taal; het merkwaardige is, dat namen voor gelijke voorwerpen, b.v.b. pijl of boog, bij de verschillende stammen ook zelfs geen vage klankverwantschap met elkaar hebben. Typisch ook dat Papoea’s altijd op het oorlogspad zijn. Nooit zag ik er zonder pijl en boog. Hoeveel levensonzekerheid is daar in hun zwerversbestaan; doch wellicht zijn de onderlingeverhoudingenmilder dan wij ons voorstellen.

Het opschrijven der woorden maakte onze vrienden angstig; daarna dorsten zij ook niet in het bivak te komen, doch bleven loeren aan den buitenkant. Toen wij een half uur later vertrokken, begeleidden zij ons echter juichend een eindje langs de rivier, spoedig waren wij uit zicht.

Een welwillende bandjir bracht ons dicht bij Observatiepunt IV. Daar liepen wij den volgenden morgen tegen op; het was een heuvel van 420 M., waar geen bijzonders meer van te vertellen valt.

En nu was het afgeloopen. Op 29 December ’s morgens vroeg, verliet ik dit laatste observatiepunt. Ik ontmoette nog één keer menschen, verzamelde woorden, doopte hier de B-rivier definitief Sobgèrtoerin40, vond de hierboven vermelde taalconclusie weer bevestigd, merkte overigens geen bijzonders op. Vermeldenswaardig is alleen, hoe een moedertje een heel klein pasgeboren kindje in een netje op den rug droeg; een huisvarkentje marcheerde er genoegelijk naast.

Dus thans waren we klaar. Ik rekende: 1 Januari in Canobivak, de patrouille gemaakt in 39 dagen. Ik had dus de vivres wel noodig gehad, maar toch nog vrij veel overgehouden, daar ik meermalen half of geen rantsoen had gegeven als wij overvloed van ketella of pisang en visch hadden gehad.

De terugtocht ging vlug en ongestoord. Verrukkelijk op den snellen stroom zonder veel moeite voort te varen. Ik was wel tevreden; de helft van mijn opdracht was vlug en met prachtresultaat uitgevoerd.

Tegen elf uur deden wij een merkwaardige ontdekking. Op een eilandje in de rivier een Dajak-bivak! Mijn Dajaks hadden het onmiddellijk in de gaten; behalve het hutje was hier een merkteeken gemaakt, eenige armdikke stammetjes van den bast ontdaan en ingekapt met den scherpen mandau. Het leed geen twijfel of men was mij achterop geweest en toen wij de andere bivakjes van het troepje stuk voor stuk voorbij voeren, was het mij geheel duidelijk, dat ik teruggeroepen en de exploratie beëindigd was.

Den volgenden dag in Splitsingsbivak gekomen, betrok ik het oude Bivak nog voor een of twee dagen. Aan den overkant was een heuvel, die mij, naar ik hoopte, uitzicht zou geven over het stroomgebied der A-rivier. Een dag hard werken gaf echter een matig succes; een breede rug, waarachter de A-rivier na een paar bochten schuil ging, onttrok het achterland aan ons oog; slechts kon ik nog met eenige peilingen het scheidingsgebergte tusschen A- en B-rivier aanvullen. En van de A-rivier vaststellen, dat ze aanvankelijk uit het Zuid-Westen kwam.

Met gemengde gevoelens zat ik daar boven in den boom. Met een baloorig gevoel wegens het “onontdekt” blijven van den tegenover mij liggenden grooten zijtak der Idenburg-rivier; ja, dezen tak vergelijkende met de B-rivier of met de afwatering van Botbotna of Mokkofiang, moest ik eerlijk bekennen, dat mijns inziens de grootste waterader van deze drie de A-rivier was; een meening, die ik ook reeds bij vroegere opvaarten heb gehad. De A-rivier dus de eigenlijke Idenburg-rivier, die dan toch komt van het Sneeuwgebergte, van den Julianatop; en deze was niet geëxploreerd! Het was wel jammer.

En dan ook: zoo vlot was alles verloopen, de vivres lagen in Canobivak klaar, het was zoo zonde die ongebruikt te moeten laten.

Laat mij ook ronduit bekennen dat een gevoel van opluchting, van vrijheid na goed volbrachte taak, zich van mij meester maakte. Over eenige dagen zou ik in Pionierbivak zijn en vandaar weer de beschaving langzamerhand bereiken. Het streelde mij, het trok mij aan, ik kan het niet ontkennen.

2 Januari van Splitsingsbivak vertrokken, kwamen wij den 3en in Canobivak aan. De waterstand was zeer hoog, het bivak was niet meer dan 10 M. boven water. Alles was verlaten. Een klim naar boven bracht mij voor het bovenbivak, waar ik inderdaad een nette kleine goedang vond, doch alle vivres waren weg.

Een groot gevoel van verlatenheid beving den heelen troep. Geen spoor, geen teeken, een groote vlucht. Men vergete niet dat ik in 2½ maand geen oorlogsnieuws had gehad! Was Prauwenbivak, was Pionierbivak nog bewoond?

Ik fourageerde zeven dagen vivres, bovendien kreeg ieder zijn aandeel van mijn eigendommen, instrumenten en ethnografica. Zwaar beladen ging men op marsch. Halverwege Prauwenbivak viel het nachtbivak.

4 Januari in den middag konden wij onze vrees, de eenige in Nieuw-Guinee te zijn, op zijde zetten: wij zagen rook, er waren menschen in Prauwenbivak.

Korporaal Kadir meldde zich bij mij, bivakcommandant; hij was hier met ± 12 man, er lagen 5 goede prauwen. Ten spoedigste werd alles voor vertrek gereed gemaakt.

Ik vond er brieven en daaronder het bevel tot terugkeer met alle vivres en voorraden. Een schrijven van Dokter Thomsen las ik met groote belangstelling; hij toch was het, die mij met negen Dajaks achterop was geweest op last van kapitein Oppermann, die den 16en November het bevel, om de exploratie te staken, ontvangen had. Doch zijn brief was geen opwekkend reisverhaal; het was een aaneenschakeling van moeilijkheden en misère. Met twee prauwen vertrokken, een groote en een kleine, hadden zij zich moeizaam tegen de bandjirs opgewerkt, mijn merk in Splitsingsbivak gevonden. Op een avond aan de B-rivier hadden de Dajaks vrij van wacht gevraagd, zij waren moe na een heelen dag tobben; de dokter had hun dat toegestaan, onvoorzichtig. Den volgenden morgen was de groote prauw weg! Drie dagen had Thomsen nog langs den oever gemarcheerd, was toen ziek geworden. Hij besloot tot terugkeer, begreep mij toch niet te zullen krijgen. Een vlot werd gemaakt en hierop en in de kleine prauw werd teruggevaren; het vlot was eenige malen over den kop gegaan tegen steenen en rotshoeken; allen waren echter behouden aangekomen. Thomsen schreef, hoe blij hij zijn zou, mij behouden terug te zien. Nu, die vreugde zou hem spoedig te beurt vallen.

Op 5 Januari was de afvaart. De waterstand was hoog, doch er was geen bandjir. Ik zag geen reden om de Eerste Kloof niet door te gaan, was echter zoo voorzichtig om de prauwen slechts matig te beladen, een maatregel die ons waarschijnlijk van verdrinken heeft gered.

Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op, de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog, en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen: “saja hidoep!”41Doch voorloopig was het stil in de prauwen.

Drie dagen deden we over de terugvaart tot Bataviabivak, op den 8en passeerden we de versnellingen in het Van Reesgebergte. Den 8en Januari kwam ik in Pionierbivak.

Die afvaart langs de Idenburg-rivier ging ’s nachts door; mijn menschen berustten gaarne; de oevers zaten thans zoo stikvol muskieten, dat bivakmaken hier een kwelling was. Tegen donker hielden wij stil, kookten eten en roeiden weer voort. Ik behoefde heusch niet aan te sporen, de muskieten zaten er wel achterheen. De eerste nacht was goed, de tweede regenachtig en ellendig. De muskieten waren toen zelfs op het water; zij staken in het donker, men kon ze niet zien. Mijn menschen waren stijf van kou; gelukkig had ik nog cognac, zoo bracht de flesch allen een kleine verwarming. In den avond van 7 Januari werd Batavia-bivak bereikt; met welk een vreugde werd de lantaarn, die ons daar van verre tegenstraalde, begroet!

Over de Idenburg-rivier viel niets te vertellen; wij waren allen blij, toen het lange traject achter den rug was. Of er dien nacht in Batavia-bivak geslapen werd!

En toen den 8en door het Van Reesgebergte. Het was een mooie dag, de Dajaks gilden vroolijk; de anderen eerst, nadat de Marinevallen gepasseerd waren. Toen zongen zij tot de avond viel en de lichten van Pionierbivak om den hoek verschenen. Nu, ook mij sloeg het hart van vreugde; het was weer ruim 2½ maand sinds ik het comfort van het hoofdbivak miste en ik was er gansch niet ongevoelig voor.

Ik vond een hartelijke ontvangst; wij hadden een opgewekten avond. En aan het vertellen kwam geen einde.


Back to IndexNext