Chapter 2

Het was in Eve eene zachte zusterlijkheid, een zachte geur van sympathie voor den vriend van haar aanstaande, iets romantisch teeders voor het mysterie van Bertie's diepzwarte oogen en smeekende stem, een medegevoel voor al het interessante, Byroniaansche leed, dat zij hem toedichtte: iets als de aesthetische ontferming van eene gevoelige lezeres over een, door geheime zielepijn gemartelden, romanheld. Het was eene poëtische vriendschap, die in hare ziel zeer harmonisch opwoog tegen hare liefde voor Frank: eene liefde, als zij in hare jonge-meisjes-dweperijen nooit had vermoed te bestaan, en, zoo zij ze had kunnen vermoeden, zeker nooit had gedacht te zullen opnemen in háár: eene liefde, kalm, rustig, groot, bijna practisch en huiselijk, zonder de minste romantiek; eene liefde, niet blind voor Franks gebreken, maar hem liefhebbend òm die fouten, zooals eene moeder haar ondeugend kind bemint. Zij zag zijne indolentie bij elke wilsinspanning, zijne vage weifeling bij elk besluit, zijn slingeren tusschen dit en tusschen dat, en zij verheelde zich niet die zwakte, maar juist die zwakte was haar een lief contrast met het koel practische, nuchter vriendelijke van papa, papa, die haar wel bedierf, maar toch nooit zoo ver als zijzelve wel wilde. Dan was er nog een contrast, en dit behaagde haar het meeste, dit deed haar het meeste liefhebben, dit had haar geheele hart gevuld met eene bekoring, die passie was geworden: een contrast in Frank zelven, het contrast van de zwakke weifeling zijns karakters en den forschen bouw zijner gestalte. Zij vond er, vrouw die ze was, iets aanbiddelijks in, dat die mooie sterke jongen, met zijne breede borst en breede schouders, met zijn krachtigen donkerblonden kop op den stevigen nek, die man, wiens lichtheid en beslistheid van gebaren, van iets te verzetten of aan te raken, eene zeer geoefende lichaamskracht verrieden, dat die zelfde man zoo zwak was in zijne wilsuitingen en flauw in zijne handelingen. Was zij alleen en dacht zij er over na, dan moest zij er om glimlachen en de tranen kwamen er haar van in de oogen, tranen van zacht geluk, want zij was er zacht gelukkig om, om dat contrast. Het was wel vreemd, dacht ze. En ze begreep het niet; het was een raadsel voor haar, maar ze zocht het niet op te lossen, want het was haar een lief raadsel en als zij er aan dacht, met haar glimlach en hare vochte oogen, verlangde zij alleen hem in hare armen te omhelzen, haar Frank ...

En zij verheerlijkte hem niet, zij dacht niet meer aan platonische tweelingzielen en hemelsche zielsverrukkingen; zij nam hem aan, zooals hij was, mensch en man, en omdat hij zoo was, aanbad ze hem, kalm en rustig in die aanbidding. En ze wist, dat al werd het romaneske in haar ook later niet meer voldaan—zooals het nu voldaan werd door hare zusterlijke vriendschap voor Bertie—zij er niet om zoû treuren, in hare volle liefde voor Frank. Maar omdàt op dit oogenblik geheel haar wezen voldaan werd, was zij geheel en al tevreden en voelde zij die zonnige lichtheid in zich en om zich, die men geluk mag noemen.

Zoo was het haar ook nu, terwijl zij die platen zag met Bertie, en Frank daar zat te praten met haar vader. Haar lieve man daar, haar broêr hier! Zoo was het goed; nooit zoû ze iets anders verlangen dan zoo in hare liefde en in hare vriendschap gelukkig te zijn. Glimlachend zag zij op Bertie neêr, beschermend en medelijdend, en toch met een tikje kleinachting en spot om zijne tengere, jongensachtige gestalte, zijne witte handen en brillanten ring, zijne smalle voeten in verlakte schoentjes, nauwelijks iets grooter dan de hare; wat was hij toch een net, klein mannetje, altijd onberispelijk in zijn uiterlijk en zijne manieren, en dan met dat waas van weemoed over geheel zijn wezen!

Raad gevend omtrent een ameubelement en van eene plaat naar haar opziende, zag Bertie dien glimlach om Eve's lippen, dat beschermend spotachtige en tegelijk zusterlijk lief hebbende en daar hij wist, dat zij hem gaarne mocht, begreep hij er iets van; toch vroeg hij:

—Waarom lach je zoo?

—Om niets, antwoordde zij en zij vervolgde, hem koesterende in haar glimlach:

—Waarom ben je toch geen artist geworden, Bertie?

—Artist? vroeg hij verwonderd. Wat dan?

—Schilder bijvoorbeeld, of schrijver. Je hebt veel artistieken smaak....

—Ik? vroeg hij, nogmaals zeer verwonderd, want hij wist volstrekt niet, dat er iets zeer curieus aesthetisch in hem was: eene verfijndheid van smaak slechts aan eene vrouw of een kunstenaar eigen, en hare woorden deden hem zijn eigen karakter in een nieuw licht zien: kende een mensch dan nooit zichzelven, en was dàt waarlijk in hem!

—Ik zoû niets kunnen! sprak hij, een beetje gevleid door Eve's woorden en in zijne verbazing, ondanks zichzelven, eensklaps zeer oprecht, voegde hij er bij:

—En ik zoû er te lui toe zijn....

Hij schrikte van zijne eigen woorden, als had hij zich bloot gegeven en instinctmatig zag hij op naar Frank, of die hem ook gehoord had.... Geërgerd op zichzelven bloosde hij en lachte om zijne verlegenheid te verbergen, terwijl zij, verwijtend en steeds met haar glimlach, heur hoofdje schudde.

IV.

Toen Frank en Eve later even alleen waren en Eve de modellen toonde, die Bertie had aangeraden, begon Frank:

—Eve....

Zij zag hem vragend aan, stralend van haar rustig geluk.

Het woelde in zijn hoofd; hij had veel met haar willen spreken, over Bertie. Maar eensklaps herinnerde hij zich zijne belofte aan zijn vriend: nooit het ware over hem te zullen openbaren ... Frank was iemand, die een gegeven woord naïfweg onschendbaar achtte en hij zag eensklaps in, dat hij niet zeggen mocht, wat hij had willen zeggen ... En toch: hij herinnerde zich zijne huivering, op Moldehoï, toen Eve zoo vertrouwelijk hare, ten gunste van Bertie veranderde, meening had geuit ... Had hij niet iets gevoeld alsof de zwarte wolken een symbool schenen van onheil, dat haar boven het hoofd hing? En had hij, terwijl zij daar op dien divan gezeten waren, niet die, zelfde huivering, als eene slang, over zijne huid voelen sluipen? Het was een instinctieve angst geweest, onverwachts opschietend, zonder inleidende gedachten. Moest hij spreken, haar zeggen hoe Bertie was? Hij had Bertie toch beloofd ... En het was eene dwaze bijgeloovigheid zulke ongemotiveerde angsten over zich te laten heerschen. Bertie was wat anders dan gewone menschen, Bertie was zeer lui en leefde te gemakkelijk op kosten van anderen—iets, dat Frank niet begreep en waarover hij in zijne goedigheid slechts glimlachend het hoofd schudde, als over eene onverklaarbare curioziteit—maar Bertie was niet slecht ... Eigenlijk verborg hij, Frank, dus Eve niets dan dat Bertie geen geld had.... Wat had hij dan willen zeggen en wàt woelde er eigenlijk in zijn hoofd....

Eve zag hem echter aan met groote oogen, en hij moest spreken. Toen begon hij, gedwongen ondanks zichzelven, gedwongen door eene vreemde macht, die hem zijne woorden als voorzeide:

—Ik woû je zeggen.... je zal me misschien dwaas vinden ... maar ik vind het niet aangenaam.. ik vind het niet goed....

Zij zag hem steeds met groote oogen aan, verwonderd glimlachend om zijn stamelen. Het was dat onbesliste, in haar oog zoo lief afstekend tegen zijne lichamelijke forschheid ... En zij zette zich op zijne knie, leunend tegen hem aan en hare stem klonk als een rythme van liefde:

—Wat dan toch, Frank? Mijn beste Frank, wat toch?

Hare oogen lachten in de zijne, ze boog hare armen los om zijn hals, hare vingers strengelend, en nogmaals vroeg ze:

—Maar zeg het dan, gekke jongen, wat is er dan?

—Ik hoû er niet van, dat je ... dat je altijd zoo met Bertie zit ...

Zijne woorden wrongen zich uit zijne keel, zonder dat hij ze wilde uiten, en nu ze gesproken waren scheen het hem toe, dat hij iets anders had willen zeggen. Eve was zeer verbaasd.

—Zoo met Bertie zit! herhaalde ze. Hoe zit ik dan met Bertie? Heb ik iets gedaan, dat niet goed was? Of ... zeg, Frank, ben je zoo verschrikkelijk jaloersch?

Hij trok haar vast tegen zich aan, kuste haar en hij mompelde:

—Ja ... ja ... ik ben jaloersch ...

—Maar op Bertie, je besten vriend, waarmeê je samen woont! Op dien ben je toch niet jaloersch!

—Ja ... jawel ... op hem ...

Zij lachte eensklaps helder en meêgesleept door haar eigen lach, schaterde zij het uit, steeds op zijne knie, met haar hoofd op zijn schouder.

—Op Bertie! lachte zij. Hoe is het mogelijk! O, o, op Bertie! Maar ik beschouw hem zoo als een aardig jongetje, bijna als een meisje ... Hij is zoo klein en hij heeft zulke mooie handjes! O, o! Ben je jaloersch op Bertie?!

—Lach zoo niet! mompelde hij, zijne wenkbrauwen fronsend; waarlijk, ik meen het, je bent zoo intiem met hem....

—Maar hij is je beste vriend!

—Ja, dat kan wel zijn, maar toch ... toch ...

Zij begon weer te lachen, ze vond hem allervermakelijkst en tevens had ze er hem zeer lief voor, dat hij zoo mopperde en zoo jaloersch was.

—Gekke jongen! lachte zij en hare vingers speelden met zijne blonde, goudschitterende snor. Wat ben je dwaas, o wat ben je toch dwaas!

—Maar beloof je me ... hernam hij.

—O zeker, als ik je daarmeê gerust stel ... Ik zal meer op een afstand zijn ... Maar het zal me wel een heele moeite kosten, want ik ben zoo gewend aan Bertie ... En Bertie mag het toch ook niet merken, dus blijf ik heel vriendelijk tegen hem ... Neen, neen hoor, vriendelijk blijf ik tegen hem! Gekke jongen, die je bent! Ik heb nooit geweten, dat je zoo dwaas kon zijn!

En zij schaterde helderder dan ooit, terwijl zij, in hare verliefde vroolijkheid, zijn hoofd heen en weêr schudde, hare beide kleine handen warrend in zijn dik haar.

V.

Frank was Bertie in den laatsten tijd als een lastpost gaan beschouwen. Hoewel hijzelf niet begreep waarom, zag hij zijn vriend ongaarne met Eve samen en door hunne intimiteit kwam dit bijna dagelijks voor. Daarbij had Eve het goed voorzien, dat zij zeer moeilijk zich tegen Bertie anders kon gedragen dan zij tot nog toe gewoon was geweest te doen. Intusschen, Bertie moest het dulden, dat Frank zeer koel tegen hem werd. Na eene escapade van drie dagen was deze koelheid duidelijk gebleken: Frank, die gewoonlijk na zulk eene geheimzinnige vlucht nieuwsgierig uitvroeg, waar Bertie toch gezeten had, vroeg ditmaal ... niets. En Bertie beloofde zichzelven, datdezeescapade de laatste zoû geweest zijn.

Daarna was het gesprek gekomen, waarvoor Bertie zoo gevreesd had; op een vertrouwelijk oogenblik had Frank gesproken over zijn aanstaand huwelijk en zijn vriend gevraagd wat hij van plan was hierna te doen.

—Je begrijpt, beste jongen! waren Franks zachte woorden geweest; dat ik je met alle pleizier aan iets helpen zal: eene betrekking hier of in Holland. Ik heb wel eenige connecties ... En, zoolang je nog niets hebt, zal ik je natuurlijk niet zonder bijstand laten, daar kan je op rekenen. Maar ik huur White-Rose niet meer in: Eve vindt het hier wat ver-afwonen en geeft de voorkeur aan Kensington, zooals je weet ... We hebben intusschen een gezelligen tijd samen gehad, niet waar?

En hij had Bertie op den schouder geklopt, dankbaar voor het kameraadschappelijk leven, dat zij tusschen deze muren genoten hadden en zelfs met een klein beetje medelijden voor dien armen jongen, die zich de genietingen der weelde zoo aangenaam liet welgevallen en die, helaas! geen weelde had. Verder drong hij echter niet in Bertie's gemoedstoestand door: Bertie was immers gewend aan een vie de bohême: na ellende had hij weelde gekend; nu zou het leven weêr een beetje minder gemakkelijk voor hem worden: dat was alles.

Bertie zelf, walgend van de harteloosheid zijner eerste overpeinzingen, liet zich doelloos meêsleepen van dag op dag, zonder meer aan zijne intriges te denken. Daarbij had hij soms het naïeve geloof, dat het lot hem in het laatste oogenblik toch gunstig zou blijken te zijn: zijn fatalisme was als een godsdienst, die hem sterkte en hoop gaf.

VI.

Eens echter dacht hij, dat alle hoop hem begeven zoû: het gevaar dreigde onmiddellijk.

—Bertie! sprak Frank, die thuis kwam, zeer opgewonden. Je zoû morgen met den dag kunnen geholpen zijn. Een van onze clubvrienden, Tayle, je weet wel, zocht, naar hij mij zeide, iemand als particulier secretaris bij zijn vader, Lord Tayle. De oude man woont op zijn kasteel in Northumberland, is altijd ziek en is wel wat lastig, naar zijn zoon me verteld heeft, maar toch schijnt het mij toe, dat je niet gauw zoo iets terug zal vinden ... Je zoû een toelage van tachtig pond krijgen, en natuurlijk op het kasteel wonen. Ik had er al dadelijk met Tayle over gesproken, als je me niet vroeger verzocht had ...

—Heb je mijn naam genoemd? vroeg Bertie, haastig en bijna beleedigd.

—Neen, antwoordde Frank, verwonderd over zijn toon. Ik heb niets willen voorstellen, voordat ik je gesproken had. Maar beslis nu gauw, want Tayle had reeds twee anderen op het oog. Als je echter nu nog niet beslissen kan, zal ik dadelijk naar Tayle toerijden: mijn rijtuig wacht ...

En hij greep reeds zijn hoed.

Tachtig pond, eene betrekking als secretaris met vrij wonen op een kasteel, wat zoû het Bertie vroeger als met glans verblind hebben, vroeger in Amerika. En nu ...

—Beste Frank! sprak hij koel. Ik ben je dankbaar voor je goede bedoelingen, maar doe geen moeite voor mij. Ik kan zoo iets niet accepteeren. Zend je rijtuig maar weg....

—Wat! riep Frank, ontzet van verbazing. Wil je er niet eens over denken!

—Dank je hartelijk. Als je me niets beters hebt aan te bieden dan eene dienstbare betrekking bij den vader van iemand, waarmeê je mij als gelijke hebt laten omgaan, dan bedank ik je er voor! Om een bagatel van tachtig pond 'sjaars ga ik me niet opsluiten als schrijfknecht bij een ouden, zieken, brommigen man. Daarbij, wat zoû Tayle van me denken! Hij heeft me gekend als jouw vriend en heeft als zoodanig met me omgegaan. En nu zoû hij me terugvinden als loontrekkende van zijn vader. Ik kan niet zeggen, dat je veel fijn gevoel hebt, Frank.

Het duizelde hem, terwijl hij zoo sprak; nog nooit had hij zulk een toon van hoogmoed tegen Frank aangeslagen, maar het waren als kreten van wanhoop, geslaakt in de zwijmeling van zijn valschen trots.

—Maar, mijn God, wat wil je dan! riep Frank. Je kent al mijne kennissen, en door mijne kennissen moet ik je toch aan iets helpen.

—Ik wil niet geholpen worden door iemand, wie ook, van onze clubgenooten, ook niet door iemand van de personen bij wie je mij gepresenteerd hebt.

—Dat maakt het geval moeilijk! sprak Frank, schamper lachend, terwijl eene groote woede in hem begon op te borrelen. Dus je wilt niet?

—Neen, ik wil niet.

—Maar wat wil je dan? vroeg Frank kort.

—Op het oogenblik: niets.

—Ja, op het oogenblik, goed. Maar later?

—Dat zal ik wel eens zien. En als jij niet kiescher kan zijn ...

Hij hield op, schrikkende van zijn eigen toon, schijnbaar meesterachtig hoog, en inderdaad zoo opzwellend door de wanhoop van luiheid en trots. Zij zagen elkander eene pooze aan, en het werd hun eensklaps alsof zij beiden vele stille grieven tegen elkaâr koesterden, grieven, die zich hadden opgestapeld onder de vriendschappelijkheid van hun samenzijn, grieven, die zij op het punt waren elkaâr in het gezicht te smijten als lage beleedigingen.

Toen werd Bertie meester van zichzelven. Hij bedacht zich of hij zich niet vergeten had. En hij glimlachte en stak zijne handen uit:

—Vergeef me, Frank! smeekte hij met zijne stem als gedempt goud, met zijn lieven glimlach. Ik weet, dat je het goed met me bedoelt. Ik zal je nooit, neen nooit kunnen vergelden wat je voor mij gedaan hebt. Maarditkan ik heusch niet aannemen. Liever word ik weêr kellner of conducteur op een tram. Vergeef me, als ik je ondankbaar schijn.

Zij verzoenden zich. Maar Frank vond dien trots van Bertie belachelijk en leed er onder, dat dit alles een geheim voor Eve moest blijven; hij had zoo gaarne Eve hierin geraadpleegd. En meer en meer zag hij met fronsende wenkbrauwen en knippende oogen naar henbeiden. Eve en Bertie, als zij des avonds in het zachte, blauw omkapte licht der lampen naast elkander zaten, pratend als broêr en zuster. Het was als eene geheime onreinheid. Dan moest hij zich geweld aandoen niet uit te schreeuwen, dat Bertie een klaplooper, een gemeen sujet was, zich geweld aandoen hen niet te scheiden van elkander, hen niet te rukken uit de rustig glimlachende en schuldelooze intimiteit van hun gesprek over meubels en draperieën.

VII.

Na deze mislukte poging om Bertie te helpen; deed Frank geene moeite meer, rekenend, dat, als de nood drong, Bertie zelf wel weêr om zijn voorspraak smeeken zou. Maar na Bertie's weigering scheen het, dat Frank voor het eerst de scheeve verhouding inzag, waarin hij Bertie geplaatst had tegenover zichzelven en de maatschappij; zijne goedigheid om een armen vriend een jaar lang te hebben laten leven als een vermogend jongmensch, scheen hem nu, verlicht in de klaarte zijner mooie liefde, die geheel zijn innerlijk wezen had gelouterd, vernieuwd, herschapen, eene ontzettende onzedelijkheid toe; een trappen op alle wetten der eerlijkheid en waarheid, eene immoreele spotdrijverij met het goed vertrouwen der wereld. Vroeger had dit alles hem vermaakt, maar nu achtte hij zich klein, laag, óoit zulk vermaak te hebben kunnen genieten ... En hij begreep, dat hijzelf Bertie's valschen trots om niets van hunne gezamenlijke champagne-vrienden aan te nemen, als eene giftige woekerplant had aangekweekt.

De dagen schakelden zich aan elkaâr en Frank kon zich niet schudden uit de zelfontevredenheid, die hem iederen dag meer en meer omknelde. Bertie sloeg eene schaduw over het geluk zijner liefde. Eve zag, dat een dof leed hem stilzwijgend maakte, hem lang peinzend deed neêrzitten met gefronste wenkbrauwen en een breeden rimpel, dwars over zijn voorhoofd heen.

—Wat is er, Frank? vroeg ze.

—Niets, lieveling ...

—Ben je nog jaloersch?

—Neen, ik zal me verbeteren ...

—Zie je, het is je eigen schuld. Wanneer je me Bertie vroeger niet altijd zoo geprezen hadt als je beste vriend, zoû ik nooit zoo intiem met hem geworden zijn ...

Ja, het was wel zijne eigen schuld: hij zag dat klaar in.

—En ben je nu meer over me tevreden? vroeg zij lachend.

Hij lachte terug; het was waar: zij had tegenwoordig, terwille van Frank, bruske veranderingen tegenover Bertie, verliet in eens, terwijl hij nog sprak, den divan, waarop zij samen zaten, gaf hem telkens ongelijk, verweet hem zijne fatterigheid, hield hem voor den gek met zijne kleine handjes. Hij zag haar dan verbaasd aan, meende, dat ze met hem coquetteerde, maar begreep er niet het rechte van. Zoo had zij ook eens, gedurende een uur achtereen, hem overladen met kleine hatelijkheden, speldeprikken, die ze meende, dat Frank zouden geruststellen en Bertie niet te zeer zouden kwetsen. Sir Archibald, in een gesprek over heraldiek, wilde kort daarna den beiden vrienden de genealogische platen van zijn familieboom laten zien; Frank stond reeds op, om hem naar zijn kabinet te volgen, Bertie ook. Eve had een beetje medelijden met Bertie, wien zij meende dezen keer al te zeer geplaagd te hebben; zij wist, dat Sir Archibalds genealogische gesprekken hem niet interesseerden en zei:

—Laat Bertie maar hier, papa; Bertie weet toch niets van heraldiek.

En om Frank, die zijn ijverzucht niet dorst te doen blijken, tegelijk te troosten, voegde zij er schertsend bij, met een geruststellend trillen harer lange wimpers:

—Frank vertrouwt ons wel samen, nietwaar?

Hare stem was zoo eenvoudig, haar blik zoo lief, dat Frank haar toelachte, gerustgesteld, maar toch heimlijk geërgerd, dat Bertie weêr was gaan zitten. En toen zij alleen waren, begon Bertie:

—Foei, foei, wat plaag je me toch tegenwoordig, Eve.

Zij lachte en bloosde, voor zichzelve verlegen, dat zij hem zoo plaagde, om Frank. Maar Bertie's gelaat was ernstig geworden en met een lief gebaar vouwde hij zijne handen samen en smeekte hij:

—Beloof me, dat je het niet meer doen zal....

Zij zag hem aan, verbaasd om zijn ernst.

—Het is immers maar gekheid! sprak ze.

—Maar eene gekheid, die me pijn doet! murmelde hij terug.

Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neerkrulde, scheen te plakken aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zou uitloopen, maar hij gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne levensketen vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden die van zijn tong zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zooals eene spin eene vlieg omwindt in den draad, dien zij uitweeft.

—Zie je, ging hij langzaam voort; ik kàn het niet van je velen, dat je me plaagt ... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger ... Ik kan het toch niet helpen, dat ik kleine handen heb ...

Zij moest glimlachen om het gewild kinderlijke, gewild coquette van zijn toon: dat beetje aanstellerij van behaagzieke kinderachtigheid, die zij doorzag, maar zij sprak toch:

—Nu, ik vraag je vergiffenis voor mijn plagen! Ik zal het niet meer doen ...

—Hij was echter opgestaan, doende of hij hare uitgestrekte hand niet zag en stil ging hij voor het raam staan, ziende naar het, in mist uitgevaagde, parklandschap van Kensington Gardens. Zij bleef zitten, wachtende tot hij iets zeggen zoû. Maar hij zweeg.

—Ben je boos, Bertie? Langzaam keerde hij zich om. Schuin viel het bleeke daglicht langs de meubelgordijnen op hem en het gaf eene lijdende tint, eene matheid van dof porselein aan zijn fijn gelaat. Zeer zachtjes, met een diep smartelijken glimlach, schudde hij ontkennend het hoofd. En voor de romantiek harer ziel gaf de smart van dien glimlach hem de poëzie van een jongen god of een gevallen engel: het hemelsch zachte van een mythologisch wezen zonder sekse, zooals zij in hare geïllustreerde dichters gezien had: mannelijk van gestalte, vrouwelijk van gelaat. Zij wilde hem smeeken haar die smart uit te storten, en het zoû haar in dit oogenblik nauwelijks verwonderd hebben, zoo het geklonken hadde als een gerythmeerde monoloog, als eene lange klacht in blankverzen ...

—Bertie, mijn beste jongen, wat is er? vroeg zij.

Hij bleef daar staan, zwijgend, in het schuine, bleeke licht, wetend, dat het hem bijna theatraal bescheen. En zij, gezeten in het halfduister, zag, dat hij, in dat licht, vochtige oogen kreeg. Zij ging naar hem toe, geroerd; zij vatte zijne hand, zij dwong hem te zitten, naast haar.

—Zeg het dan, Bertie: heb je verdriet? Kan je het mij niet vertellen?

Weêr schudde hij, zachtjes, smartelijker glimlachend, het hoofd. En hij sprak ten laatste met eene klanklooze stem:

—Neen, Eve, ik heb geen verdriet. Ik kan geen verdriet meer hebben: geen verdriet méér. Maar ik ben alleen maar treurig, omdat we zoo gauw zullen scheiden en omdat ik zooveel van je hoû ...

—Scheiden? Waarom, waar ga je dan naar toe?

—Ach, dat weet ik niet, beste meid. Ik blijf, tot je getrouwd bent en dan ga ik weg: hier en daar zwerven, heel alleen ... Zal je nu en dan eens aan me denken?

—Maar Bertie, waarom blijf je dan niet in Londen?

Hij zag haar aan. Eerst had hij gesproken zonder te weten, waarop hij doelde, zich latende slingeren door het toeval. Maar nu, met dien blik, dien zij beantwoordde, ontvonkte het in hem, in eens, als een klein duivelsch vlammetje. Hij wist het nu, waarop hij doelde; hij overwoog nu ook zijne woorden, als was ieder woord een korreltje goud; hij gevoelde zich zeer helder worden, zeer logisch en kalm, zonder de angstige, vage ontroering van zoo-even ... En hij sprak zeer langzaam, met die treurige, klanklooze stem, als van een zieke:

—In Londen! Neen Eve, hier kan ik niet blijven.

—Waarom niet?

—Dat kan ik niet, lieve meid ... Dat kàn ik niet ... heusch niet, onmogelijk.

En het gehuichel van zijn blik, het geteem van zijne stem, de comedie zijner troostelooze treurigheid druppelden, als een ontzenuwend vocht, een vermoeden in haar: het vermoeden, dat hij niet in Londen kon blijven, om haar, omdat hij haar zien zoû als de vrouw van Frank. Het was als eene suggestie: hij deed het haar vermoeden door de stille wanhoop, die van hem uitstraalde.

Maar hare gedachte verzette er zich tegen: het was immers maar een vermoeden, zonder grond ... Langzaam ging hij echter door, berekenend ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid.

—En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd ... zal je dan gelukkig zijn, Eve?

—Maar Bertie ...

Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn van geluk, tegenover zijne smart.

—Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig.

Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud.

—Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve.

—Niets ... Beloof het me ... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was ...

—Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen.

—Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds wringend zijn handen ...

Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij:

—Arm kind!

—Wie, arm kind? vroeg zij ontzet.

Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers ... —O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon zien ... Als je ... O, ik heb zoo een medelijden, zoo een innig, groot medelijden met je en ik zoû er, ik weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je ... Arm, arm kind!!!

Zij was huiverend, doodsbleek opgestaan; hare handen grepen het tafelkleed, dat, door haar ruk, een weinig afgleed, terwijl een kristallen vaas, waarin eenige bleeke kasrozen verwelkten, omstortte en het water er uit zich met bolle, zilverachtige plekken over het fluweel verspreidde. Zij liet het water loopen, hem aanziende met hare groote, verschrikte oogen, terwijl hij zijn gelaat met de handen bedekte.

—Bertie! riep zij. O, Bertie, waarom spreek je zoo, wat is er dan ... Neen, neen, zeg het, je moet het zeggen ... ik wil het ... O, ik bid je, spreek dan toch!!

Hij maakte een gebaar: een uitstekend gebaar, vol natuurlijkheid, zonder de minste gemaaktheid of theatraliteit, een gebaar, als wilde hij zich herstellen, als had hij iets gezegd, dat hij had moeten verzwijgen; hij stond op en zijn gelaat was ook veranderd, niet smartelijk meer, niet medelijdend meer, maar koel beslist!

—Neen, neen, Eve, er is niets ...

—Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn God, waarom, wat is er dan, wat dreigt me dan ...??

Zij had Franks naam op de lippen, zonder dien te durven uiten en hij voelde dat.

—Niets, waarlijk niets, lieve Eve, ik verzeker het je, er is niets. Ik heb soms van die dwaze gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die vaas is omgevallen ...

—Maar wat dacht je dan, welke hersenschim ...?

Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de rozen weêr in de vaas ...

—Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen.

Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees.

—Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen zou komen ...

Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze zacht drukkend.

—Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie, ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje ... Ik hoû zooveel van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve ... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds, want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb ... Zie je ikzelf, ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand dan vertrouwen op het leven en vol illusies, dan krijg ik die vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr ... Daarom, ik bid je: vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig, wat grillig in zijne gevoelens ... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en ... al slaat hij met zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet ... Hij is zoo open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt ... Daarom Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen, begrijp elkaâr altijd ... nietwaar kind, o mijn arme Eve!!

En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als woekerkruiden en giftplanten.

—Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen.

—Neen, lieve Eve, er is niets! Ik ben alleen maar tobberig, zie je, net een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie ... Dus als ik ver weg ben, ver uit Londen weg, zal je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zal je dan gelukkig zijn? Zweer je het me?

Zij knikte zachtjes, weêr snikkend, wanhopig, dat hij weg moest uit Londen, wanhopig om wat hij vermoedde, 't wanhopigst om wat hij niet had willen zeggen: dat mysterieuze, dat ontzettende ...!

Maar hij was opgestaan, had haar beide handen gereikt en, hoofdschuddend, als over de dwaasheid van den mensch, sprak hij thans, met zijn smartelijksten glimlach:

—Hoe gek om zoo te tobben, nietwaar, te tobben om niets? Ik had het niet moeten doen: ik heb je er misschien wat treurig meê gemaakt ... heb ik?

—Neen, sprak zij, zacht glimlachend, haar hoofdje schuddend. Neen, heusch niet ...

Hij liet zich in een stoel vallen, zuchtend.

—Ach ja, zoo is het leven! mompelde hij met groote starende oogen, vol nachtelijk mysterie.

Zij antwoordde niet, vol, overvol. Het werd donker en hij nam afscheid: Frank alleen zou blijven dineeren.

—Vergeef je het me? sprak hij deemoedig, met al de bekoring zijner dichterlijkheid, in het laatste licht, over zijn gelaat verspreid als een etherisch waas.

—Wat? vroeg zij, zacht weenend.

—Dat ik je een oogenblik heb angstig gemaakt? Zij knikte, wankelend opstaande, doodmoê, huiverend.

—O ja, je hebt me wel even laten ontstellen ... Je moet het nooit meer doen, nietwaar ...

—Neen, murmelde hij. Hij kuste hare hand: eene liefkoozing, waaraan zij gewoon was, een geur van hoffelijkheid als van een achttiend'eeuwschen markies, en hij ging.

Zij bleef alleen. En toen zij alleen was, staande in het midden van het vertrek, sloot zij de oogen en het was of er een nevel om haar neêrdaalde. En in dien nevel dacht zij aan Moldehoï en zag zij het spectrale fjord opschemeren tusschen zijne schermen van bergen in den mist, en zag zij de drie lijntjes goud in het westen ... En zij voelde zich op eens geheel en al verlaten en eenzaam, zooals zij zich gevoeld had, in dien mist, zelfs zonder gedachte aan Sir Archibald en Frank, slechts denkend aan hare doode moeder. Eene zwaarte rustte op haar schedel als de reuzenpalm van eene ijzeren hand, eene vale duisternis wolkte om haar op en zij voelde al hare levenswarmte eensklaps verkillen tot eene ijzigheid van dood. Eene groote ruimte ruischte om haar heen en in die ruimte gevoelde zij, onzichtbaar, ontastbaar, en toch duidelijk en onloochenbaar intens, de spookachtige nadering van een onheil aan rollen, áanrollen als een vage donder ... Zij reikte, met de handen trillend, rond, als naar een steun ...

Maar zij viel niet flauw, zij kwam tot zichzelve en toen zag ze, dat ze juist in het midden van het duisterende vertrek stond, een beetje huiverend, met een wankelachtig geknik in hare knieën ...

En ze dacht, dat er toch iets was, iets, dat Bertie niet gezegd had.

VIII.

Dagen dacht zij daarover na. Wat was het, wàt was het? Zou Bertie haar beklaagd hebben, als er waarlijk niets was dan zijne eigen pessimistische vrees voor haar geluk? Of school er inderdaad een geheim? Was er iets met Frank ...

En zij zag Frank komen en dikwijls stil zitten, zwijgend en met gefronste wenkbrauwen. En zij vroeg:

—Wat is er, Frank? en hij antwoordde:

—Niets, lieveling! zoo als hij altijd antwoordde. Dan spraken zij samen, eerst wat gedwongen, dan beiden weêr gelukkig wordend in hunne plannen en illuzies, beiden weer vergetend wat hun ieder op het hart drukte. Eve lachte helder en zij zette zich op Franks knie en speelde met zijne snor en alles was zoo mooi om hem heen. Kwam Bertie dan binnen, zoo scheen het dadelijk alsof er iets tusschen hen gleed: eene schim, die hen scheidde. Maar vooral als zij alleen waren, gevoelden zij zich nameloos ongelukkig. Dan bekroop Frank den lust Bertie de deur uit te smijten, in eens, zonder de minste aanleidende oorzaak, als een schurftigen hond. En hij zag Bertie in zijn geest terug zooals hij had staan bibberen in dien kouden sneeuwnacht, in zijne armzalige plunje. En nu was hij zoo netjes en hij deed niets slechts: hij was onberispelijk, hij ging zelfs niet meer gedurende eenige dagen op den loop, als eene kat. Hij was steeds belangwekkend, met zijn waas van weemoed en zelfs had hij vaak nu, na de scène over Tayle, een zweem van verwijt in zijne stem en zijn blik tegenover Frank.

Maar Eve, alleen, gevoelde zich het ongelukkigst. Ontzenuwende twijfelingen woekerden in hare ziel, twijfelingen, die zij wel voor een oogenblik uitroeide, maar die toch dadelijk weêr opschoten, zoodra zij dacht aan dien smartelijken glimlach van Bertie, aan die medelijdende stem, aan die vreemde erbarming ... Wat was het, wat wàs het? Zij had er vaak met Frank over willen spreken, maar als zij op het punt was te beginnen, wist zij niet wat te zeggen ... Dat Bertie haar beklaagd had? Het was immers niets dan zijn eigen pessimisme, dat, in eene algemeene menschenliefde, de geheele wereld beklaagde, omdat die wereld voor smart geschapen scheen. Frank vragen of hij een stil verdriet had, Frank vragen of hijietshad? Ze deed het immers zoo dikwijls en het was altijd hetzelfde antwoord:

—Niets, lieveling!

Wat dan, o wat dan? Helaas, zij kon niet verder, zij stond als geblinddoekt in een toovercirkel, dien zij niet overschrijden kon, en hare handen tastten om zich heen zonder iets te vatten. Joeg zij ook met energie hare gedachten heen, zij kwamen weer terug, halsstarrig. Zij overweldigden haar opnieuw, zij stapelden zich opnieuw in haar brein op elkaâr, twijfelingen ontspinnend, en het was dan altijd, o altijd, die zelfde vraag welke ten laatste uit al deze ellende des denkens oprees:

—Wat? Wat is er? Is er iets?

En nooit een antwoord. Eens had zij er nogmaals Bertie naar gevraagd en Bertie had slechts geglimlacht, met dien verschrikkelijken glimlach, vol smart, en haar gesmeekt toch niet te blijven mijmeren over iets, dat hij, zoo terloops, uiting gevende aan de natuurlijke treurigheid van zijn gemoed, gezegd had. Anders zoû hij voortaan huiverig zijn iets meer tegen haar te zeggen, zich oprecht te geven; anders zoû hij zijne woorden moeten wegen en zij zouden niet meer zoo vertrouwelijk kunnen zijn, als broêr en zuster ... En het werd in haar eene stemming vol fijne halftinten, waarin niets omtrek, niets zelfs bepaalde kleur had: een geweifel van schaduwachtig grijs, dat de schaduwlooze helderheid harer liefde invloot, meer en meer invloot en haar afmattende door zijne onbestemdheid, door zijn niet-zijn in het reëele leven en door zijn schijnbestaan, als van iets ontastbaars,—een droom,—in haren geest.

IX.

Eens echter werd de droom als eene realiteit, eens tastte zij iets, zag zij iets, hoorde zij iets. Maar, was het dat ...

Het was aan den uitgang van het Lyceum ... De menigte stroomde naar buiten, langzaam, schuifelend, hier en daar een beetje ongeduldig duwend, schouder aan schouder ... En in dat dringen, naast haar, zag zij eensklaps de vuurroode peluche sortie van eene groote, zware vrouw vlammen; een gelaat, rood, wit en zwart van verf, popachtig lachende onder een kinderachtigen Cherry-ripe-hoed; den luifelrand als vol gepropt met eene hoop blonde kurketrekkertjes, boog eensklaps over haar in een parfum van gemusceerden poudre de riz, en óver haar heen, naar Frank toe, als een slag in haar eigen gelaat, weêrklonk het:

—Zoo, dag Frank, dag lieve vent ...

Zij schrikte ademloos terug, snel beurtelings ziende naar dat poppengelaat en naar Frank; zij zag zijn woedenden blik en zelfs ontging haar de ontsteltenis der groote vrouw niet,—een der skatingrinkjes—, terug als deze deinsde toen zij aan Franks arm het meisje bespeurde, dat zij eerst in het gedrang over het hoofd had gezien, ontzet als zij zich wegmaakte, omdat ze zoo onfatsoenlijk was geweest een vriend aan te spreken, die met eene dame liep!

Maar ze verdween toch met een verwonderden omblik naar Bertie, die achter hen kwam: daarvoor had Bertie dan toch wel kunnen waarschuwen ... Want Bertie had drie woorden gewisseld met den Cherry-ripe-hoed, en zelfs naar voren geknikt, zeggende:

—Daar loopt Frank ...

Het speet haar, maar ze had heusch de dame niet gezien!

Thuis gekomen, wilde Sir Archibald, die niets gemerkt had, aan de deur afscheid nemen, maar Frank sprak:

—Ik bid u, ik moet even Eve spreken, ik bid u ...

Het was wel laat, maar Sir Archibald was geen man van etiquette ...

Zij waren alleen en zij bleef zwijgen, hem aanziende met vreemde oogen. Maar hij sprak, haastig, struikelend over zijne woorden, als wilde hij ten snelste elk boos vermoeden in haar bestrijden.

—Eve, Eve, geloof me ... je moet me gelooven: er is niets ... Je mag niets denken, van wat er zoo even gebeurd is ...

En hij vertelde haar in enkele koortsachtige zinnen van vroeger, hun jongelui's-leven, de skating rinkjes ... Nu bestond dat alles niet meer, het was het verleden en, ze wist het, ieder jongmensch had een verleden: ze wist dat nietwaar?

—Een verleden ... fluisterde zij koud. O, ieder jongmensch heeft een verleden ... Maar wij, wij hebben geen verleden, wel?

—Eve, o Eve! kreet hij, want door de ironie harer doffe stem schemerde zulk eene smart heen, dat hij ontzette, radeloos, niet wetend, hoe hij haar troosten zoû.

—Zeg me alleen dit! vroeg zij, hem naderend, met haren vreemden blik in den zijne. Zij legde hare handen op zijne schouders, zij poogde zijne innerste ziel door zijne oogen heen te peilen ... En langzaam vroeg ze, haar vonnis willende lezen uit het eerste woord, dat hij slaken zoû:

—Nu niet meer ...?

Hij knielde voor haar neêr, waar zij stijfrecht, als bevrozen, op een stoel was neêrgezonken; hij verwarmde hare wederstrevende handen in de zijne, hij zwoer van neen ... Zijn eed klonk oprecht, eene waarheid blonk open op zijn gelaat, en zij geloofde hem ... Hij vroeg vergiffenis, zeide, dat zij er niet meer over denken moest, dat dat altijd zoo was ...

—O, zoo, knikte zij hem zonderling toe; ach ja, jawel, ik begrijp dat wel; papa heeft me een beetje liberaal opgevoed ...

Hij herinnerde zich dat gezegde: zij had het nog éens gezegd ... Toen, beiden, dachten zij aan Moldehoï, aan de zwarte wolken ... Eve rilde ...

—Heb je het koud, lieveling?

Zij schudde van neen, steeds met dien vreemden blik in haar oog. Hij wilde haar omhelzen, maar zij trok zich langzaam terug, en hij gevoelde zich onhandig, bijna verlegen. Hij begreep haar niet. Waarom geen kus, waarom geen geheele verzoening, als ze het begreep, als ze een beetje liberaal was opgevoed? Maar ze was misschien nog wat ontsteld. Hij wilde niet aandringen. Het zoû wel slijten ...

Toen hij heen was, in hare kamer, rilde zij, klappertande zij, als in koorts.

Hartstochtelijk begon zij te snikken, diep, diep rampzalig, wanhopig, dat zij leefde, dat zij mensch, dat zij vrouw was, dat zij liefhad, vooràl dat zij liefhad; dat de wereld bestond, dat alles zoo laag en vuil was, als slijk ... zij walgde van dat alles. En het was haar of ze nooit iets begrepen had van hare boeken, noch van Spencer, noch van "Gespenster", vooràl niet van "Gespenster", of ze nooit iets begrepen had van haar vaders opvoeding: een beetje liberaal; het was haar of het blanke vleugeldons harer illuzies om haar heen stoof, of eene ruwe hand een druivenwaas van haar innigste geheimenis, van de ziel harer ziel had weggevaagd, of het heilige leliënmysterie harer maagdelijkheid dwars door een riool was gesleurd.

En voor het eerst bonsde de rust harer groote, practische liefde voor Frank in tegen al de romantiek harer jongemeisjesdroomen, verbrak zich het evenwicht tusschen hare twee gemoederen, haar practisch en haar romantisch gemoed.

X.

Na zijn gesprek met Eve, scheen het Bertie toe, dat hij in eene subtiele sfeer leefde, in een labyrinth omdwaalde, vol geheimzinnige paden van list en sluwheid, waarin hij zeer moest opletten, wilde hijzelf niet verdwalen. Hij wist zeer goed, wat hij in dat gesprek beoogd had: twijfelingen wekken in Eve omtrent Franks standvastigheid ... Kende Eve zelve Frank niet als weifelend, bijna grillig ...? Waren dus zijne woorden goed gekozen geweest? Had hij twijfel gezaaid?

Hij wist er niets van, hij zag er niets van in de, telkens terugkomende, eentonigheden en banaliteiten van het dagelijksch leven, waarin nuances zoo vaak zelfs aan den allerfijnsten opmerker verloren gaan. Eve had hem nog wel eens gevraagd naar datiets, maar daarna werden hunne gesprekken weder geworden als vroeger, ten minste uiterlijk. Hij zag niets aan Eve, ook niets aan Frank: Eve had dus ook niets aan Frank gezegd of gevraagd ...

Vóor dit gesprek had Bertie aarzelingen gekend, walgingen van zijne eigen harteloosheid, zelfs ontzettingen over de reusachtigheid van zijn eigen egoïsme. Maar dit gesprek met Eve was geweest als de eerste stap op een hellend vlak, waarop men zich niet meer kan omwenden ... Eene helderheid van denken klaarde er na in zijn brein op, als waren zijne hersenen spiegels of kristal, waarin zijne denkbeelden zich als in veel hel licht weerkaatsten. Nog nooit had hij zich zoo gespitst gevoeld, zoo zuiver logisch, zoo, met de nauwkeurigheid van eene naald, gericht op één doel. En die helderheid van denken was zóó intens, dat hij, in eene naïve lacune zijner slechtheid, in een naïve juistheid van zelfkennis, het eens, gedurende eene seconde, bevreemdend in zich vond, dat hij zooveel talent, zooveel genialiteit der gedachte niet aan een doel besteedde, edeler dan het zijne was ...

—Waarom ben je geen artist geworden? hoorde hij Eve nogmaals vragen.

Maar hij glimlachte, de practische moeilijkheden van het leven doemden voor hem op; hij gevoelde de indolentie, de poesenluiheid van zijn lichaam ... neen, neen, het kon niet anders, het moest zoo zijn: de eerste stap was genomen, het was het Lot ...

Toen, bij het uitgaan der comedie, die vrouw uit hun vroeger leven, zijn knikje naar voren: daar loopt Frank! Was dat ook niet het Lot? Strooide het Lot op het pad dergenen, die het bewierookten als eene godheid, die het dienden met een eeredienst, niet zulke oneindig-kleine gebeurtenisjes, als weldaden, die men moest gebruiken: schakeltjes, die—het Lot wilde het zoo—men zelf voegen zoû aan den ketting? Gaf het Lot zelf niet zoo de illuzie van een eigen wil, een zweem van waarheid aan den leugen, dat men door zichzelven—energie—iets kan wijzigen aan den loop der omstandigheden? Niets dan een knikje, niets dan een woordje: daar loopt Frank! en dan rekenen op het toeval—toeval, wàt is toeval?!—dat het fatsoenlijke skatingrinkje, in het gedrang, Eve—zoo klein, zoo fijn, zoo verloren—niet zien zoû!

Was het geschied, zooals het was voorbereid? Had hij den wensch van het Lot geraden? Hij dacht wel: zoo een klein beetje; waarom anders dat smeeken van Frank om een gesprek, zoo laat, bijna in den nacht ...

En in zijne subtiele sfeer van fijn uitgesponnen list, in zijn labyrinth van sluwheid, vond hij zich niet slecht, niet harteloos, niet egoïst meer. Conventie, woorden ... Eene ijdelheid, dat hij zoo fijn dacht, verving alle scrupules, en schemerden zij soms nog op, dan dacht hij maar: wie weet, waar het goed voor was, dat Frank niet trouwde: Frank was niet iemand om te trouwen: neen waarlijk, hij wàs grillig en onstandvastig: hij zoû nooit zijne vrouw gelukkig maken.

Maar Bertie zag ook aanstonds in, dat dit zelfbedrog was en dan lachte hij weêr en schudde het hoofd, omdat hij zichzelven zoo comiek, zoo vreemd vond. Het leven was niets, niet de moeite waard zich er om te vermoeien, maar zoo in zichzelven door te dringen, zichzelven te bestudeeren, zoo te blikken in zijn denken, zoo te goochelen met zijne gedachten, dàt was belangwekkend, dàt was eene interessante bezigheid, terwijl men lui op een zachten divan lag ...

En toch genoot hij slechts zelden eenige hersenrust, want de spinsels zijner sluwheid weefden, haar afmattend, zich voort in zijne gedachte. Ook zijne uitingen tegen Eve—soms lange gesprekken, soms halve zinnen—matteden hem af door het telkens en telkens nauwkeurig afwegen der woorden. Maar niets van deze afmatting was aan zijn uiterlijk te bespeuren en die woorden, ze rolden zoo schijnbaar ondoordacht van zijne lippen, dat zij schenen te leven van natuurlijkheid. Inderdaad waren zij de frases van een comediespelend, vooruit ingestudeerd pessimisme; zij treurden over het leven, zij beklaagden Eve met eene mysterieuze ontferming, en, tusschen die smart heen, beschuldigden zij Frank—eventjes, ter loops, met niets, bijna alleen met hun accent—beschuldigden zij hem van grilligheid, onstandvastigheid, wuftheid, weifelmoedigheid. Bij den minsten uitroep van Eve echter spraken zij zichzelven weêr tegen, kunstig schermend nu met zichzelven, dan met Eve, als met de feintes van fijne floretten, terugtrekkende schijnsteken, een prikje hier, een prikje daar, een druppeltje bloed stortend, telken keer ...

En Eve zelve scheen het, dat hare ziel, na eerst door een riool gesleurd te zijn, uitbloedde onder die prikjes. Het was eene smart, zeer duidelijk, als zij in wanhoop de werkelijkheid vergeleek met hare illuzies, vager wordend, zich uitwisschend, als zij wat koel verstand had om er over te redeneeren en zich af te vragen: waarom voel ik mij zoo rampzalig? Omdat Frank is zoo als alle jongelui schijnen te zijn? Omdat Bertie pessimist is en wanhoopt, dat ik gelukkig zal worden?... Dan haalde zij hare schouders op, hare smart was niet te begrijpen, was een nevel geworden, was weg ... Zij was immers zeer gelukkig gewèest; Bertie's wanhoop was ziekelijk; zij wilde wéêr gelukkig worden. Maar niettegenstaande die logica de smart even verdreef, kwam ze aanstonds weêr terug, trots redeneering en verstand, zeer halsstarrig, als iets, dat een golf aanspoelt, dat komt en wijkt, wijkt en komt.

Zij kòn dat niet langer uithouden en eens, toen zij goed in zichzelve dorst te zien, zag zij, dat zij twijfelde aan Frank, aan de waarheid zijner verzekeringen omtrent die vrouw ... En zij vroeg, smachtende naar zekerheid, aan Bertie, hun vriend:

—Bertie, zeg het me: datiets, waarover je verleden sprak, dat geheimzinnige, wat is het?

—Ach, niets, beste meid, heusch niets ...

Doordringend zag zij hem aan en zij vervolgde met eene vreemde, koude stem:

—Jawel, ik weet het, ik heb het geraden ...

Bertie schrikte op: wat dacht zij, wat woelde haar door het hoofd ...?

—Ik heb het geraden, herhaalde ze. Frank houdt niet van me: hij houdt ... hij houdt van die vrouw, dat mensch van het Lyceum ... Hij heeft altijd van haar gehouden ... Is het zoo?

Bertie zweeg en zag strak voor zich uit: dat was het gemakkelijkst en het verstandigst.

—Bertie, zeg: is het zoo?

—Ach, wel neen! antwoordde hij mat. Wat een dwaasheid haal je je toch in het hoofd. Hoe kom je daar nu aan ...

Er was geen klank van overtuiging in zijne stem: hij sprak blankweg, als was hij er niet bij, als overwoog hij iets in zichzelven.

—Ziet hij haar nog wel eens? vroeg zij weêr en het scheen haar, dat ze zich bezoedelde met haar eigen woorden, dat haar mond modder spuwde.

—Maar wel neen ... Wat denk je toch wel?

Zij leunde zuchtend achteruit, met groote vochtige oogen. Hij zweeg nog eene pooze, haar van ter zijde bestudeerend. Toen, om zijne te flauwe tegenwerpingen te temperen:

—Eve, Eve, sprak hij verwijtend. Je mag zulke dingen niet denken van Frank. Dat is niet mooi ... Je moet vertrouwen stellen in je aanstaanden man ...

—Het is dus niet waar?

—Heusch niet: hij ziet haar niet meer ...

—Maar geeft hij niet meer om haar?

Lang, diep, raadselachtig blikte hij haar toe. Zijn oog was een fluweelzwarte nacht: zij kon er niets in vinden.

—Foei! sprak hij, het hoofd schuddend, verwijtend.

—Je antwoordt me niet! bad ze.

Weêr die zelfde blik, vol duisternis.

—O God! Antwoord me dan toch! smeekte ze, rampzalig tot in de ziel van hare ziel.

—Wat wil je, dat ik weet van Franks gevoelens? waagde hij te sissen. Ik weet het niet, daar!

—Het is dus zoo? kermde ze, zijne handen grijpend.

—Ik weet het niet, herhaalde hij, zich los wringend, zich afwendend, opstaande.

—Hij houdt van haar, hij kan niet buiten haar leven, hij is verslaafd aan dat mensch, zooals jullie soms verslaven aan zulke wezens en hij ziet haar nu wel niet meer, uit eerbied voor mij, maar toch denkt hij en spreekt hij over haar met je ... en daarom is hij stil en somber als hij hier is ... Is het zoo?

—Ach, God, ik weet het niet! steunde hij met een zacht ongeduld. Wat weet ik?

—Maar waarom doet hij dan of hij van mij houdt, waarom heeft hij me gevraagd? Omdat hij een oogenblik, in Noorwegen, heeft gedacht, dat hij buiten haar kon? Omdat hij een nieuw leven wilde beginnen en nu niet meer kan?

Hij sloeg zijn handen in elkaâr.

—O, God, Eve, schei uit, schei uit! Ik weet het niet, zeg ik je, ik weét hèt nièt, daar, daar, daar ...

Hij zonk met een zucht van uitputting in zijn stoel terug. Zij bleef zwijgen, en de tranen vloeiden haar als een regen uit de oogen, onophoudelijk.

XI.

En ze dacht, in hare groote smart, dat ze zeer slim en knap was geweest en dat ze het goed—o God, te goed!—geraden had, terwijl zij integendeel, zoo argeloos als een kind, onder het onbegrijpelijk magnetisme van zijn blik insluimerde als onder eene hypnoze, en slechts woorden uitte, die hij haar wilde doen uiten.

Zij voelde daar niets van: zij bleef hem zwak, lief, lijdend zien, als haar broederlijke vriend, die vreesde haar leed te doen, die de waarheid wilde verbergen om maar niet te kwetsen, en die niet sluw genoeg was òm die waarheid te verbergen, als zij hem in het nauw dreef. Zoo bleef ze hem zien. Geen oogenblik kwam eenig vermoeden bij haar op, dat zij eene vlieg was, die in de ruiten van eene spinneweb rondspartelde. En Bertie zelf zag na deze scène niet duidelijk meer in, dathijalles deed: dathijhet eerste venijn van twijfel in haar vertrouwen had gegoten, dathijde scène aan den uitgang van het Lyceum had geleid, dathijEve dwong den weg uit te gaan, dien hij wilde. Een floers kwam over de helderheid zijner gedachte, als eene verweêring over een spiegel; de crisis zijner hersenhelderheid ging voorbij; het was alles het werk der omstandigheden, dacht hij: een mensch kon dat alles niet gedaan hebben uit vrijen wil ... Want, wat ging alles gemakkelijk, eenvoudig van een leien dakje! Dat was, omdat het Lot het zoo wilde en hem bevoordeelde; hijzelf was er onschuldig aan ...

En dit was geen zelfbedrog: hijmeendedat alles.

Den avond van dit laatste gesprek, zeer laat, zocht Eve haren vader op, die in zijn kabinet zat te lezen, in zijne heraldische boeken. Hij meende, dat zij hem een nachtzoen kwam geven, als naar gewoonte, maar zij zette zich voor hem neêr, stijfrecht, met een gelaat als van eene somnambule.

—Ik moet u spreken, vader ...

Hij zag haar verbaasd aan: in zijne olympische rust van genealogische studie, in zijn kalm, emotieloos bestaan van een gezond, oud man, die zich tusschen zijne boeken een aangenamen ouderdom wist te scheppen, had hij niet bespeurd, dat er om hem heen, tusschen drie menschen, die hij iederen dag te zamen zag, een drama werd gespeeld. En hij verwonderde zich over het bevrozen gelaat zijner dochter, over hare matte stem, vol ingehouden smart.

—Ben je niet wel, kind?

—O ja, ik ben heel wel ... Maar ik woû u iets vragen. Ik woû u vragen of u eens met Frank wilt spreken.

—Met Frank?

—Ja, met Frank. Verleden toen wij uit het Lyceum kwamen ...

En zij vertelde het hem, steeds stijfrecht op haren stoel, steeds met dien vreemden blik, die matte stem; zij vertelde hem van de blonde vrouw, van hare twijfelingen, van haar wantrouwen. Het was slecht in haar, dat zij Frank wantrouwde, maar zij kon er niets aan doen. Zij had ook Bertie als een getuige willen aanhalen, maar Bertie had toch nooit iets bepaalds gezegd; ze wist dus niet hoe ze hem brengen zoû in haar verhaal en zweeg dus over hem.

Sir Archibald hoorde haar ontsteld aan; hij had nooit vermoed, dat er zoo iets in zijne dochter omging; hij had gemeend, dat alles zonneklaar in hare ziel was!

—En ... wat dan? vroeg hij aarzelend.

—En nu wilde ik, dat u met Frank sprak. Dat u hem ronduit vraagt of hij nog die vrouw, die toch in zijn vroeger leven eene plaats heeft gehad, liefheeft, of hij haar niet vergeten kan. Of hij daarom zoo stil en zoo somber is, als hij hier is. Laat hij openhartig met u spreken. Ik hoor liever mijn vonnis, dan in dien twijfel voort te leven. En misschien verklaart hij u alles zoo, dat het goed wordt, weêr zooals vroeger ... Spreek niet van mijn wantrouwen: hij zoû daar, als het niet gerechtvaardigd is, boos over kunnen worden. Het is zoo slecht van me, dat ik zoo wantrouw en ik dwing me altijd tot betere gedachten, maar ik kan niet. Er is iets in me, ik weet niet wat, er zweeft iets om me, ik weet niet wat, en dat fluistert me in: vertrouw hem niet, vertrouw hem niet!... Ik kan niet begrijpen wat het is, maar ik voel het om me heen en in me. Het is als eene stem en soms is het als een oog, dat me aankijkt. Des nachts, als ik niet slapen kan, ziet het me aan en spreekt het tegen me en dan is het of ik gek word ... Het is misschien wel een spook ... Spreek u dus met hem ... Doe dat voor uw kind! Ik ben ... o, ik ben zoo ongelukkig ...

Zij snikte en knielde voor hem neer en legde het hoofd op zijne knieën. Hij streelde werktuigelijk heur haar, geheel van het spoor. Hij hield van zijn meisje, maar zijne liefde was meer eene zoete gewoonte dan eene sympathie des gemoeds. Hij begreep haar niet, hij vond haar dwaas en onverstandig. Had hij haar daarom zelf eene flinke opvoeding gegeven, haar veel laten lezen, haar de wereld leeren kennen, zooals deze was, nuchter, practisch en egoïstisch, een bestaan van strijd, waarin men zijn hoekje van geluk met vastberadenheid en kalmte moest trachten te veroveren. Hij, hij had zijn hoekje, met zijne boeken en zijn heraldiek. Waarom liet zij zich door zenuwachtige spookgedachten beheerschen? Want het waren zenuwen, niets dan zenuwen! Die vervloekte zenuwen! Wat geleek ze toch, niettegenstaande hare liberale opvoeding, op hare moeder, droomerig, dweperig, vol allerlei vage denkbeelden ... En dan ... met Frank spreken? Waarom, waarover? Hij begreep er niets van ... Die vrouw van het Lyceum? De eene of andere meid, die hem had toegeknikt. Dat gebeurde iedereen ... Eve was zeer dwaas, dat niet te voelen ... Een gesprek met Frank daarover? De jongen zoû denken, dat zijn aanstaande schoonvader gek was geworden: er liepen wel duizend cocottes in London ... Welk jongmensch kende er niet ... En het denkbeeld van gestoorde rust, van een moeilijk gesprek, dat hem een uur, misschien wel een dag uit zijne olympische kalmte, uit zijne studies zoû rukken, rees zeer onaangenaam voor hem op, als een schrikbeeld voor zijn naïf egoïsme.

—Kom Eve, dat is allemaal gekheid! mopperde hij vriendelijk. Wat wil je nu, dat ik daaraan doe. Het zijn ziekelijke gedachten van je ...

—Neen, neen, het zijn geen ziekelijke gedachten. Het zijn geen gedachten. Het is iets ... iets anders ... het is iets wat om me is en in me komt ... buiten mijn wil ...

—Maar kind, je praat nonsens ...

—....En als ik er over nadenk, dan gaat het voor een poosje weg. Maar dan komt het weêr terug ...

—Heusch, Eve, praat niet zulke gekkepraat. Wat is dat nu eigenlijk, dat je vertelt, wat beteekent dat nu allemaal. Het komt en het gaat voor een poosje weg, en het komt en het gaat weêr ...

Zij schudde zacht het hoofd, op den grond gezeten, voor den haard, aan zijne voeten.

—Neen, neen, sprak ze halsstarrig. U begrijpt dat niet. U is een man: u begrijpt niet, dat er zoo iets kan zijn in eene vrouw. Wij vrouwen zijn zoo geheel anders ... Maar u zal met hem spreken, nietwaar, en hem alles vragen?

—Neen Eve, dat zal ik gedecideerd niet. Frank zoû met recht kunnen vragen, waarmeê ik me bemoei. Je weet toch ook heel goed, dat ieder jongmensch zulke vrouwen kent of gekend heeft. Daar is niets in. En Frank lijkt me te eerlijk, dan dat hij zoo eene juffrouw, nu dat hij geëngageerd met je is, nog zoû opzoeken. Daarvoor ken ik hem te goed en moest jij hem ook te goed kennen. Het is allemaal heel dwaas van je, hoor, heel dwaas.

Zij begon hevig te snikken, te kermen, in eene overvloeiïng van rampzaligheid. Zij wrong de handen en bewoog langzaam haar bleek hoofdje van links naar rechts, van rechts naar links, als leed zij duldelooze pijnen.

—Ach, vadertje! smeekte zij. Vadertje, doe het! Doe het! Doe het voor je kind, voor je kleine Eve! Toe, toe, spreek met hem ... Ik ben zoo ongelukkig: ik kan niet meer, zoo ongelukkig ben ik! Spreek met hem, vadertje!Ikkan toch niet daarover met hem spreken: ik ben een meisje, en ik vind dat alles zoo vies, zoo vies ... Vadertje, o vadertje, spreek met hem!

Zij wilde weêr liefkoozend zich tegen zijne knieën dringen, maar hij stond op: hare tranen ergerden hem en sterkten zijne koppigheid. Zijne vrouw had ook nooit met tranen iets van hem verkregen, integendeel. En hij vond Eve flauw en kinderachtig: hij herkende niet meer zijne flinke dochter, met wie hij de wereld had doorgereisd—onvermoeid en krachtig—in dit gebroken schepsel, dat van weedom smolt.

—Sta op, Eve! sprak hij hard. Lig daar niet op den grond. Je zal nog eindigen me boos te maken met die dwaasheid. Waarom huil je nu? Om niets, om gekkelijke hersenschimmen. Ik wil dat niet meer in je dulden. Je moet verstandiger worden. Sta op, sta op!

Zij rees langzaam, kermend, op en bleef voor hem staan, als eene martelares, met haar wit gelaat, hare verwrongen handen.

—Ik kan het niet helpen, vadertje! Ik ben nu eenmaal zoo ... Heb je dan geen medelijden met je kind, ook al begrijp je haar niet? Toe, o toe, spreek met hem, enkele woorden maar, ik bid er je om ... ikbider je om!

—Neen, neen, neen! riep hij stampvoetend en zijn gezicht werd rood als door eene congestie van ergernis om al deze nuttelooze, nevelachtige verdrietelijkheid, al deze dwaasheid, al dit huilen en drijven zijner dochter, dat zijne koppigheid tot verzet dwong, in eene behoefte om niet toe te geven. Maar zij, ze richtte zich op, zich vergrootend in hare smart: vreemd drongen hare oogen zich in die haars vaders.

—Dus u wilt niet met Frank daarover spreken? U heeft dat niet voor me over?

—Neen. Het is allemaal onzin, zeg ik je. Zeur er niet meer over.

—Goed. Dan ... zal ... ik ... het ... doen! sprak ze langzaam, als nam zij een vast, onwrikbaar besluit. En langzaam ook, zonder om te zien, zonder den gewonen nachtzoen, verliet zij het vertrek. Het was haar of Sir Archibald een vreemde voor haar was geworden, of er niets teeders bestond tusschen dien vader en haar, nooit bestaan had, niets dan de vijandschap van twee tegenstrijdige temperamenten. Neen, zij hadden onder de uiterlijke harmonie nooit voor elkaâr gevoeld, nooit elkander gekend, nooit elkaâr pogen te begrijpen: zij hem niet in zijn ouderdom, hij haar niet in hare jeugd. Mijlen afstands, eene woestijn, eene eindelooze leêgte was tusschen hen; zij waren elk in zichzelve opgesloten als in twee tempels, waarin verschillende eerediensten heerschten.

—Hij is mijn vader! dacht ze, terwijl zij door den corridor ging. En ik ben zijn kind ...

Zij begreep dat niet: het was als een mysterie der natuur, dat een leugen bleek. Hij haar vader, zij zijn kind. En hij voelde niet wat zij leed, voelde niet, dàt zij leed, noemde het dwaasheid en gekkepraat. Een groot verlangen naar hare moeder welde in haar op. Die zoû haar begrepen hebben!

—Mama! snikte zij. Mama! Kom terug! Zeg me wat ik doen moet! Kom terug als geest: ik zal niet bang voor u zijn. Ik voel me zoo alleen, ik lijd zoo, ik lijd zoo ... Spook om me heen, o toe spook om me heen!

In hare kamer, in het donker, wachtte zij op dien geest. Maar er verscheen niets; de duisternis bleef roerloos hangen als een zwart gordijn, waarachter niets was, dan een groot Niets.

XII.

Toen Frank den volgenden middag kwam, zag hij aanstonds aan heur gelaat, dat er eene groote ontroering in haar woelde.

—Wat is er, kind? vroeg hij ontsteld.

Zij gevoelde zich eerst zoo zwak, zóó zwak ... Het was zoo iets vreeselijks ... het was weêr die modder, zoo vies ... Maar zij vermande zich; zij richtte zich op in hare mooie wilskracht, die eene stevigheid gaf aan het kinderlijke dwepende en kuisch vrouwelijke van haar karakter, als een forsch gedanen achtergrond, waartegen veel zachts en teeders uitblinkt. En vooral omdat zij wist, dat zij alleen stond, verlaten door haar vader, wilde zij krachtig zijn.

—Frank, het kan niet anders! begon zij met de wanhoop van hare energie. Ik moet er over met je spreken! Ik ben bijna, al vóór dat je iets geantwoord hebt, overtuigd, dat ik ongelijk heb en zelfs heel slecht denk, maar toch moet ik je er over spreken, want ik lijd er te veel onder, onder dat alles ... Altijd te zwijgen en alles te verkroppen, het doet zoo een pijn ... Ik hoû het niet meer uit, Frank ... Ik vroeg papa het je te zeggen, maar hij wil niet ... Misschien heeft hij gelijk, maar het is toch niet lief van hem, want nu moet ik het zelf doen ...

Zij voelde zich in de opschroeving harer geestkracht even sidderen bij deze bittere gedachte, maar zij deed zich geweld aan en ging voort. —Frank, Frank ... die vrouw ... o, die vrouw ... ik denk er nog altijd aan.

—Maar Eve ...

—Ach toe, laat het me zeggen, ik moet het toch zeggen: ik zie nog altijd dat mensch naast me, ik ruik haar parfum en ik hoor wat ze zegt ... Het gaat me niet uit mijne ooren ...

Zij sidderde meer en meer, en toen kwam het weêr over haar en in haar: dat van dat oog, van die stem, dat vreemde, dat was als eene hypnoze van een geestelijken invloed: dat, wat heur vader niet had kunnen begrijpen. Wat zij nu uitte, scheen haar voorgezegd te worden door de stem, en hare houding en gelaatsuitdrukking schenen een poze te zijn, waartoe de blik van het oog haar noodzaakte. En zeer intens voelde zijzelve: dat die blik donker was, als een nacht.

—O, Frank, Frank! riep zij uit en de tranen ontwelden haar uit zenuwoverspanning, uit vreeze, dat zij het niet zoû durven zeggen, als die stem het wilde: ik moet het je vragen, ik mòet het. Als je hier bij mij komt, waarom ben je dan dikwijls zoo somber, en stil, alsof je niet gelukkig met me bent, waarom ontwijk je elk stellig antwoord, waarom zeg je altijd dat er niets is? Die vrouw, o, die vrouw ... is het om haar, is het, omdat je nog van haar houdt, misschien wel meer dan van mij!... omdat je haar niet vergeten kan, omdat zij nog altijd iets in je leven is, misschien wel veel, wel heel veel? O, het pijnigt me zoo, het woelt zoo in me, altijd, altijd ... En ik ben niet kleingeestig jaloersch, ik ben dat nooit geweest: ik begrijp het wel, dat van die vrouw, dat van vroeger, al vind ik het vreeslijk! Maar je bent altijd zoo vreemd, zoo stil, zoo treurig, en zoodra ik daarover nadenk, twijfel ik, zonder het te willen, Frank, zónder het te willen, dat zweer ik je! Maar het komt in me op en het overweldigt me! O God, waarom moet het zoo zijn? Frank, zeg het: ik ben gek, nietwaar, zoo te denken, en ze is niets meer voor je, nietwaar, niets meer, je ziet haar nooit meer, nietwaar?

De angst, die om hare woorden om haar was, verwrong heur geheele gelaat, bleek als van de matte bleekheid van verwaaide azalea's; eene kramp van pijnlijkheid scheen te zenuwtrekken om haren mond, om hare knippende oogen en meer dan ooit scheen zij eene martelares van heur eigen verbeelden.

Maar op dit oogenblik zag hij deze marteling niet, omdat bij hare woorden eene groote drift in hem zich begon te verheffen, eene drift, zooals hij van kind af enkele malen in zich had voelen opwaaien, als met de stormvlagen van een orkaan, woedende over alles heen, alle gevoelens en gedachten door elkander verstuivend als wolken stof ...! Dat woei zoo bij hem op, als aan zijne oprechtheid, openhartigheid, eerlijkheid, waarheid getwijfeld werd, woei als een wind van rechtmatigen toorn over die onrechtvaardigheid op, want in zichzelven liet hij zich veel voorstaan op zulke deugden en stofte hij dat hij oprecht, openhartig, eerlijk, waar was. Zijne donkergrijze oogen gloeiden onder het gefrons van zijne overhangende wenkbrauwen; de drift zijner woorden siste nijdig tusschen zijne tanden door, die groot en blank onder zijne zware snor opschitterden als vonken ivoor:

—Hoe is het mogelijk, verdomd, hoe is het mogelijk! Ik heb het je ééns gezegd, eens vooral, ik heb je ééns gezegd: neen, neen, neen! en je vraagt het me weêr, je vraagt het me weêr! Denk je, dat ik lieg? Waarom denk je dat! Heb je ooit aan me kunnen merken, dat ik loog? Ik zeg je van neen, en het is dus neen! Maar je twijfelt toch, je blijft er toch over nadenken en tobben als eene oude vrouw ... Waarom neem je de dingen niet zooals ze zijn? Ze zijn nu eenmaal zoo! Waarom geloof je me niet? Ik ben niet treurig, ik ben niet somber, ik ben gelukkig met je, ik hoû van je,iktwijfel niet aan je ...! Maar jij ... jij ... Geloof me: als je daar meê voortgaat, maak je je eigen ongelukkig, en mij ook, mij ook!

Maar zij zag hem vast aan, en hare fierheid verhief zich naast zijne drift, want zijne woorden mishaagden haar.

—Op zoo een toon hoef je niet met me te spreken! antwoordde zij hoog. Als ik je zeg, dat ik zonder het te willen, zónder het te willen, zeg ik je, aan je twijfel, en dat ik daarom ongelukkig ben; hoef je niet zoo met me te spreken! Heb dan medelijden met me, maar spreek zoo niet!

—Maar Eve, als ik je nu verzeker, hernam hij, trillend van zijne woede, die hij beteugelen wilde, dwingend zichzelven tot zachtheid; als ik je nu verzeker ...

—Dat heb je al meer gedaan ...

—En je gelooft me niet?...

—In zoo verre niet, dat ...

—Je gelooft me niet?! brulde hij, zich niet meer machtig.

—In zoo verre niet, dat je me iets verbergt! kreet zij terug.

—Je iets verbergt? wat dan?

De naam van hun vriend, van Bertie, rees haar op de lippen, maar ... zoodra zij aan Bertie dacht, was het eene vaagheid, eene onbeslistheid in haar, als wist ze niet hoe en wat, en nooit herinnerde zij zich duidelijk wat Bertie gezegd had. Het was steeds of Bertie om haar heen een toovercirkel van stilzwijgen had getrokken, waarbinnen het haar onmogelijk was zijn naam te noemen. En ook nu was hun vriend haar eene ongrijpbare schim, zijn naam een onzegbare klank, waren zijne woorden onherhaalbare ijlheden van timbre ...

—Wat? Wat? herhaalde zij zoekend. O, ik weet het niet! Als ik het wist ...! Maar je verbergt me iets, je verbergt me iets! En denkelijk verberg je me iets ... over haar, over die vrouw!

—Maar die vrouw, zeg ik je ...


Back to IndexNext