—Neen, neen, ging zij voort, door haar opstrevenden trots gesterkt in haar idee fixe. Ik weet het wel: jullie tellen dat niet; "dat is een verleden, dat is altijd zoo!" zeggen jullie, en daarom noemen jullienietswat ik welietsnoem. En daarom zeg ik ook: er is iets, iets, dat je me verbergt, me verbergt, Frank ...
—Maar Eve, ik zweer je ...
—Zweer het niet, Frank, want dat zoû slecht zijn! krijschte zij, zich, als ondanks zichzelve, opwindend tot een paroxisme van ziekelijke overtuigdheid omtrent iets, waarvan zij niets zekers wist. Want ik voel het, dat het er is! Ik voel het, hier, in me, om me, overal!
Woest greep hij hare polsen, overspannen van woede, omdat zij zijne verzekering verwierp, gekrenkt in den hoogmoed op zijne deugden van eerlijkheid en waarheid, en blind voor de diepte van haar gesuggereerd mystiek wantrouwen.
—Je gelooft me niet, verdomd, je gelooft me niet! siste hij.
Ten tweeden male, mishaagde, kwetste haar zijn toon. En de twee openbaringen hunner temperamenten, met hunne passies en ziekelijkheden, bonsden tegen elkander in.
—Wel nu dan! Neen! gilde zij en zij wrong zich zoo ruw rukkend uit zijn forschen klem, dat hare tengere polsgewrichten kraakten. Nu weet je het dan: ik vertrouw je niet, daar. Je verbergt me iets en er is iets, er is iets met die vrouw. Ik voel dat, en wat ik voel is mij niet mogelijk te loochenen! Dat mensch, dat je heeft durven aanspreken, ze is in mijne verbeelding vastgegroeid: ik voel haar naast me, ik ruik haar en ik voel het zoo intens, zóo intens, dat er nog iets is tusschen jou en haar, dat ik het je durf zeggen: je liegt, je liegt, je liegt om haar, en mij bedrieg je, daar!
Met een, uit zijne borst opbrieschend, stemgeknars, met gebalde vuisten liep hij op haar toe en werktuigelijk deinsde zij achteruit. Maar hij greep haar weêr, nu hare polsen zoo vast omkluisterend in zijne sterke handen, dat zij zijne kracht in haar vleesch tot op haar gebeente voelde indringen:
—Oh! brulde hij. Je hebt geen hart, je hebt niets, dat je dat tegen me zeggen kan. Je bent laag, dat je dát bedenken kan! "Je voelt, je voelt!" Ja, je voelt uit bekrompenheid, uit armzieligheid ... Je bent niets, je hebt niets in je dan je vuil en klein getwijfel! Je heele gemoedsleven bestaat uit vuiligheid, daar! Er is niets meer tusschen ons: ik ken je niet meer, ik word misselijk van je ...
Hij smeet haar van zich af, op een divan. Daar viel zij in een, met hare groote verschrikte oogen naar het plafond, wijd open. In dit oogenblik was zij meer ontsteld, dan rampzalig en begreep zij niet juist. Het schemerde haar in heur overprikkelde hersenen: ze wist niet wat er eigenlijk gebeurde.
Een oogenblik zag hij op haar neêr. Om zijn mond krulde eene minachting en zijn oog dwaalde half gesloten, verachtelijk ook, over haar heen. Toen zag hij, dat zij zeer mooi was, dat hare, op Turksche kussens neergesmeten, bekoorlijkheid zich in lenige lijnen van jong maagdelijk mooi modelleerde, zich afrondend in de trekkende plooien van soupele Nijlgroene stof, dat heur losse haar als de rossig gouden vacht van een mooi wild dier tot op het tapijt slierde, dat een golvend geadem hare borst zenuwachtig snel verhief. Zij lag daar als eene, door een woesteling geschaakte, bruid, in een woesten hartstocht neergesmakt ... Hij zag al dat weggeworpen mooi: een groot verdriet bliksemde in hem op, een dol verlangen naar het geluk van vroeger, maar zijn gekwetste waarheidstrots drukte verdriet en verlangen neer; hij wendde zich af en ging ...
Zij bleef liggen, in die zelfde houding. Het was in haar eene duisterende verwondering, een nacht, die neêrdaalde, als was zij, na met leugens omvangen, geblinddoekt door twijfel, in een labyrinth te zijn rondgevoerd, eensklaps,—bevrijd!—met open oogen, losgelaten in een zwarte ruimte. En zij voelde wel hare ziel leêgbloeden, maar peilde toch nog niet de diepte harer zielewond, en ze dacht, trots hare ontzettende smart, alléen aan al dat donker om haar heen.
—Hoe vreemd! fluisterde ze. Waarom? Waarom dan toch?
XIII.
Na dat alles eene maand van rust. Eene plotseling neêrgevallen kalmte voor beiden, voor beiden gevuld met een stil, zwaar verdriet. En daarboven de onverschilligheid, de banaliteit van het leven met altijd het zelfde, terugkomende, eentonige, dag aan dag ...
Ook Bertie ademde thans in zulk eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer verwonderde hij zich over wat er gebeurd was. Hoe eenvoudig en gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets bewerkt, niets kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten: het had zoomoetenzijn. En het verschiet van zorgeloosheid deinde zich weêr voor hem uit: eene eeuwigheid van rustig rijk leven naast Frank, in wien hij weêr de oude vriendschap voelde herleven, bijna opvlammend tot eene ziekelijke passie, nu dat Frank, gescheiden van Eve, zichzelven wel veel verweet, maar toch behoefte gevoelde aan medegevoel en troost, en troost en medegevoel putte uit Bertie's zacht smeltende stem. O, die blanke zwaarmoedigheid der eerste dagen, die ontzachelijke melancholie des twijfels, nu, bekoeld van drift, Frank het zich afvroeg, evenals zij het zich had afgevraagd: Waarom? Waarom dat alles? Wat heb ik gedaan? Hoe is dat gekomen? En hij doorzag het niet, begreep het niet, als was het een boek, waaruit bladen gescheurd zijn en dat niet te volgen is. En hij begreep noch zichzelven om zijne drift, noch Eve om haren twijfel. Het geheele leven scheen hem een raadsel. Uren lang zat hij stil voor een venster uit te turen, uit te turen in de melkachtige vaagheid der Londensche misten, met dat levensraadsel voor zijn oog. Weinig ging hij uit, steeds versufte hij zich daar in White-Rose, eenzaam en stil gelegen in hare buitenwijk; eene ontzenuwende slapheid vloeide door zijn groot, sterk lichaam en voor het eerst zag hij zichzelven in een waar licht en bespeurde hij zijne weifelachtige zwakte diep, diep in zich opborrelen, als een lymfatische stroom door zijne sanguinische kracht. Hij zag zich als een kind zoo nietig onder de overheersching zijner orkanische driften, woedende vlagen, die zijn geluk hadden weggewaaid. En zijn leed was zoo ontzettend groot, dat hij het niet geheel en al voelen kon, omdat het te veel omvattend scheen, voor zijne menschenziel.
Het waren dagen vol van eene grijze lusteloosheid, die zij daar samen sleten, Frank te rampzalig om uit te gaan, Bertie zachtjes aan komende onder den druk van een vagen angst, eene, niet te formuleeren, onvoldaanheid. Hij voelde Franks vriendschap herleven, voelde in zichzelven, gestreeld door die herleving een medelijden, bijna sympathie, poogde Frank op te wekken, praatte van eens een souper te geven, met dametjes, zooals vroeger. Hij maakte plan, om voor een paar dagen hier naar toe te gaan, daar naar toe te gaan. Hij poogde zelfs Frank aan het werk te zetten, sprak van een paar beroemde ingenieurs, die zij in Londen kenden. Maar alles stuitte af op Franks koppige treurigheid, alles verdween, versmolt in den nevel zijner blanke zwaarmoedigheid, waarin slechts éene gedachte bleef, éen zelfverwijt, éen leed. En de eenige zoetheid in hun leven was hun steeds samenzijn geworden: eene innigere toenadering, waartoe Bertie zelfs gedreven werd, nu het doel van zijn egoïsme bereikt was, hij zich om geene toekomstige armoede meer te bekommeren had en vlak in zijne nabijheid een groot verdriet zag. Had hij niet verworpen, uit gemis aan helder doorzicht, dathijalles gedaan had? En was hij niet in zijn laatste ledig lui leven zoo geaffineerd van gedachten geworden, dat hij behoefte gevoelde aan vage genietingen van sympathie, vaag sympathetisch slechts, omdat eene groote royale liefde, eene breede forsche vriendschap nooit in de complicaties zijner ziel zouden kunnen ademen, uit gebrek aan ruimte, aan vrije lucht, aan atmosfeer in die, met abnormaliteiten opgepropte, nauwte, omdat zulk eene liefde, eene vriendschap, er kwijnen en sterven zou als een leeuw in een boudoir ...
En zoo was het, dat hij toch voor Frank voelde, dat hij Frank de handen op de schouders legde en hem poogde te troosten, dat hij klanken vond van genegenheid, nieuwe woorden op zijne tong, frisch en ongewoon, verzachtend en balsemenend. De vrouwen, ze waren klein van ziel, zeide hij. Ze waren niets, en liefde was niets, was een hersenschim; geen man moest zich daarom het leven treurig maken. Maar er was vriendschap, loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen zelfs niet begrepen en nooit gevoelden voor elkaâr: eene passie van sympathie, een edel geluk van samenstemming ... En hij geloofde zijne eigene woorden, zich koesterend in dat platonisme met de zelfde poesenbehagelijkheid, waarmede hij zich koesterde in materiëel bien-être: hij genoot van zijne vriendschapsextaze, en bewonderde zich, omdat hij zoo hoog dacht.
Maar Franks liefde voor Eve was zoo zielsomvattend geweest, was het nu nog, dat hij na korten tijd de ziekelijkheid, het decadentisme van dit dwepen inzag, en er toen geen troost meer uit putte. Grijzer hing zijne neêrslachtigheid om hem heen. Hij dwong zich goed te herinneren wat er gebeurd was, wat Eve gezegd had, wat hij gezegd had ... En hij gaf zichzelven ongelijk, hij verontschuldigde Eve om haar getwijfel, hij vloekte zijne drift, zijne barbaarsche ruwheid tegenover eene vrouw, haar! Wat te doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was hem eene ontzettende gedachte, dat hij haar nimmer meer zien zoû dat zij nooit meer iets zoû zijn in zijn leven! Kon het dan niet weêr anders worden? Was alles verloren? Onherroepelijk? Neen, neen, neen, bruisde het wanhopig in hem: hij wilde de omstandigheden beteugelen, hij wilde zijn geluk terug! Zij? Hoe was ze? Leed ze zeer? Twijfelde ze nu nog, of had zijne ruwheid haar, trots alle barbaarschheid, toch zijne oprechtheid onloochenbaar gemaakt?
Maar àls dit zoo was, als ze niet meer twijfelde—en hoe kon ze het nog langer!—God, wat moest ze dan lijden! Lijden om haar wangeloof, in een zelfverwijt, nog ontzettender dan het zijne, daar zijne woede ten minste rechtmatig was geweest en haar twijfel niet! Was ze zoo? Of was ze anders, zieledoodelijk gekwetst wellicht door zijne gramschap, vol minachting om zijn gemis aan kracht tot het betoomen zijner driften, die waren als woedende wilde beesten ... Maar hoe, hoe was ze? En een snijdend verlangen te weten doorvlijmde hem, telkens en telkens, als met de houwen van een zwaard. Naar haar toe gaan, bidden om genade, om het vroegere geluk, dat hij versmeten had, te gelijk dat hij haar had gesmeten, op eene bank? Zij zoû hem nooit willen ontvangen, na zoo grove beleedigingen ... Maar schrijven, schrijven! O, het jubelde in hem op: een brief! De zaligheid zich op het papier te verlagen tot een stof aan hare voeten, zich te vernietigen in eene boetedoening van gratie bedelende en aanbiddende woorden, zich slechts éven verheffend in den trots zijner waarheid, zijns martelaarschaps van haar twijfel! Zij zou hem verhooren als eene madonna een zondaar; hij zijn geluk terugvinden! En hij poogde zijn brief te stellen, trillende van aandoening bij het zoeken zijner woorden, die hem maar niet innig, niet nederig genoeg toeklonken.
Een geheelen dag bleef hij er op werken, zijne zinnen ciseleerend, zooals een dichter zijn sonnet. En toen hij eindelijk gereed was, was het in hem eene frischheid van gevoelen, eene verademing van hoop, eene resurrectie. Hij was overtuigd, dat zijn brief alle misverstand tusschen hen zoû oplossen.
Stralende zocht hij Bertie op, deelde zijn vriend meê wat hij gedaan had, wat hij nu hoopte. Hij sprak opgewekt, als met eene nieuwe stem. Bertie bleef wat mat en bleef in zijn stoel hangen, maar hij deed zich geweld aan terug te glimlachen, met den glimlach van Frank, en hij beaâmde diens verwachtingen, met woorden, die hij te vergeefs klankrijk overtuigend trachtte te maken.
—Zeker, zeker: zoo zal het alles weêr als vroeger worden, fluisterde hij trillend en het parelde op zijn voorhoofd, onder zijn lichtbruin, neêrkrullend haar.
XIV.
Maar een uur later, alleen in zijne kamer, des avonds, liep hij heen en weêr, ziedende van een hartstocht, die zijn zwak lichaam in alle zenuwen trillen deed, zooals een storm een tengeren berk schudt. Zijn mooi gezicht was in eene bittere woede over zijne machteloosheid verwrongen tot een leelijk masker van slechtheid en met gebalde vuisten liep hij heen en weêr, heen en weêr, als een dier in zijn hok. Daarvoor had hij dus al de fijnheid zijner hersens geraffineerd, al de genialiteit zijner gedachte gespitst en geslepen, al den invloed zijner zielsvermogens als met batterijen van een geheimzinnig fluïde gericht op het inwendigste liefdeleven eener vrouw! Een enkele brief, een paar bladzijden vol lieve woordjes zoû zijn geheele werk te niet doen! Want, in zijne woede, nu op eens, zag hij het, ten deele met zekeren trots: zag hij het, dat hij, wel degelijkhij, de omstandigheden had geleid om Frank en Eve te scheiden! Hoe had hij er nog een oogenblik aan kunnen twijfelen.
Alles zoû te vergeefs zijn? Zoo mócht het niet zijn! Neen, duizendmaal neen! Ontzettend wijd, als zonder horizont, golfde in éene seconde het perspectief van angst voor hem uit, het verschiet van armoede, eene naakte woestijn, waarin hij verdwalen zoû, van honger omkomen ... En in zijne wanhoop om dat verschiet te ontloopen, voelde hij voor het oogenblik al de veeren zijner verslapte wilskracht zich spannen, tot springens toe ...
Van dat oogenblik moest hij partij trekken. Eene gedachte flitste door zijn brein, als de zig-zag van een bliksem ... Ja, ja, zóó moest hij handelen! Een eenvoudig doeltreffend middel, eene eenvoudige schurkenstreek, zooals conventioneele menschen dat noemen ... Geen geraffineerd psychologisch geharrewar meer: dat bracht tot niets, dat verwarde zich in zijn eigen complicaties. Eenvoudig weg een theatertruc ...
Hij greep zijn hoed en ging zacht het huis uit, even minachtend lachend, zichzelven bespottend, dat hij daartoe gekomen was. Het was half elf. Hij hield een cab aan, en weêr lachte hij even, omdat de stem, waarmede hij den koetsier het adres van Sir Archibald noemde, een melodramatischen klank had: dien van den traitre ... En hij dook terug in den hoek van het rijtuig, de schouders opgetrokken, de oogen klein en slim voor zich uitturende in de mistige twijfeling van den nacht. Diep in zijne ziel lag eene ontzettende treurigheid.
Dicht bij Sir Archibald steeg hij uit, liep toen de enkele passen naar de deur toe, belde ... En de oogenblikken wachtens, in den nacht, voor die gesloten deur, waren eeuwigheden van troosteloozen weedom, van afschuw, walging, misselijkheid over zichzelven. Een vieze trek vertrok zijn mond scheef.
Een lakei opende, met eene lichte verbazing in zijne oogen om dit late bezoek, eene verbazing, die in iets van eene impertinente onbeschaamdheid overging, toen hij zag, dat Bertie alleen was, zonder Frank. Hij boog met eene ironieke beleefdheid, hield de deur wijd open, met overdreven hoffelijkheid Bertie binnennoodend ...
—Ik moet je dadelijk spreken, sprak Bertie kalm, met gedempte stem. Nu dadelijk, onder ons ...
De lakei zag hem strak aan en zweeg.
—Je kan me van dienst zijn: ik heb je zeer, zeer noodig. Kàn ik je even spreken, zonder dat iemand ons ziet?
—Nu? vroeg de lakei.
—Nu, zonder uitstel ...
—Wil je dan binnenkomen, in de bediendenkamer? klonk het antwoord plomp en luid.
—Neen, neen ... Loop even met me op. En spreek zachter ...
—Nu kan ik niet: De oude gaat zoowat over een uur naar bed, daarna kan ik wel even op straat komen ...
—Dan zal ik je wachten, daar bij het park ... Kom je zeker? Ik zal je goed betalen ...
De knecht lachte spottend, en zijn lach klonk metaalhelder, Bertie beangstigend, door de vestibule heen.
—Je bent een meneer nu, hè? En je zit er goed in ...
—Ja, antwoordde Bertie klankloos. Kom je dus?
—Ja, ja, over een uur, een groot uur. Wacht maar. Maar als ik wat voor je doen kan, moet je opdokken, hoor! Dan moet je goed opdokken, hoor!
—Goed, goed! sprak Bertie. Maar ik vertrouw dat je komt ... Je kómt, nietwaar?
De deur kwakte brutaal dicht. Lang bleef hij daar op en neêr loopen, in den vochtigen nacht, terwijl de kilte hem tot in het merg drong en uitkleumde, terwijl de bleeke gaslichten, als droevige oogen, hier en daar door den valen mist hem aanstaarden. En hij wachtte, op en neêr loopend, een uur, anderhalf uur lang, lijdende van koû en vermoeienis, als een bedelaar zonder dak. Zoo wachtte hij, rillende, de handen in de zakken, de oogen, troebel van zelfminachting, puilend uit zijn doodsbleek gelaat en stijf gericht naar de donkere vlak der deur, die nog dicht bleef ...
XV.
Toen Frank na enkele dagen van spanning geen antwoord van Eve kreeg, schreef hij ten tweeden male en hoewel de eerste frischheid van zijne hoop reeds verwelkt was, schrikte hij toch op bij elke bel, die er klonk, liep hij telkens naar de brievenbus der voordeur, was zijne gedachte steeds bezig met den besteller, die langs de straten liep en zijn geluk, in eene enveloppe, met zich voerde ... En hij stelde zich Eve's antwoord voor: slechts enkele, wellicht koele regelen, geschreven met hare groote, royale Engelsche hand, op het geurige ivoorachtige papier, dat zij steeds gebruikte, met hare initialen, zilver en roze, door elkaâr geslingerd, in den hoek. Wat duurde het lang, eer zij antwoordde! Was zij zóó boos? Of wist ze nog niet, hoe ze hare vergeving zoû styleeren, werkte zij nog op haren brief, zooals hij op den zijne gedaan had? Zijne dagen gingen voorbij met het wachten op dien brief. Was hij thuis, dan stelde hij zich voor, dat de besteller naderde, naderde, nu nog slechts vier, nu drie, nu twee huizen ver was, nu ... nu bellen zoû ... En hij luisterde of de bel niet zoû overgaan, maar er klonk niets, en als er wat later gebeld werd, was het niet dàt ... Was hij uit, dan electrizeerde hem eensklaps de gedachte, dat de brief er liggen zoû, thuis, en hij rende naar White-Rose terug, zag in de bus, ijlde de achterkamer binnen ... Maar nooit lag er dàt, en de tergende leêgheid van de plek, waar hij het verwachtte, deed hem vloeken en woest stampvoeten ...
Op twee brieven, op twée brieven, antwoordde zij niet! En hij kon er geen oorzaak voor vinden, in zijne heete verwachting, waarin het natuurlijkste, het meest logische hem toescheen, dat zij dádelijk zoû hebben geantwoord! Toen leefde hij slechts van wachten. Het moest komen; het kón niet anders of het moest komen! In zijne hersens was alleen dit: nu komt het, vandaag komt het ... Verder was zijn leven éene groote leêgte, en toch, geheel en al te vullen door een brief. Zoo was het iederen dag het zelfde.
—Ik heb nog geen antwoord van Eve, sprak hij dan deêmoedig tot Bertie, als voelde hij zich vernederd, beschaamd om haar stilzwijgen, bespot door zijne teleurgestelde hoop.
—Niet? vroeg Bertie zacht en over den fluweelen nacht zijner oogen trok een vocht glanzig waas van weemoed. Zwaar lag hem een gewicht op de borst; diep hijgend haalde, regelmatig, zijn adem. Troosteloos ongelukkig voelde hij zich. Het was zoo vuil wat hij gedaan had. Maar het was de schuld van Frank: waarom had die zijne liefde niet kunnen vergeten na de scheiding, waarom vond die niet genoeg troost in de zoetheid hunner herleefde vriendschap? Wat ware het heerlijk geweest innig gelukkig als vrienden steeds samen te zijn, steeds samen te leven in een kalm kuisch blauw van broederlijkheid, in de gouden extaze hunner sympathie, zonder vrouwen ... Zoo dweepte hij, willens en wetens zijn vriendschappelijk, meêlijdend gevoel voor Frank opzweepend tot den zwier van eene verheven vlucht, om zichzelven een beetje te troosten, zichzelven zijne vuile daad te doen vergeten, zichzelven wijs te maken, dat hij hoog dacht; toch, ondanks dat beetje zelfbedrog, juist nu, nu dat hij zich in de modder voelde, werkelijk verlangend naar veel ideaals ... O, het was de schuld van Frank! Maar ... was het waarlijk de schuld van Frank, dat hij Eve niet vergeten kon? Neen, neen, dat was alleen de schuld van het Noodlot; niemand had eenige schuld aan wat ook: alles was de schuld van het Noodlot ...
—Ja, zoo is het! dacht hij, maar waarom hebben we dan hersens gekregen, waarmeê we denken, en waarom lijden we om iets, als we er toch niets aan kunnen doen? Waarom zijn we dan geen planten of steenen? Waarom dan dat alles, dat heele onnoodige heelal? Waarom is er maar niet Niets! Wat zoû dat rustig zijn, zalig rustig ...
En hij stond voor de onontsluitbare poorten van het Raadsel, eensklaps in eene ontzettende verbazing om zichzelven. Mijn God, hoe was dat alles in hem gekomen, hoe dacht hij tegenwoordig toch altijd aan zulke dingen! Had hij in Amerika, in zijn gesjouw en gescharrel, in zijn dienstbaar geslaaf van iederen dag, ooit aan zulke dingen gedacht? Meende hij toen niet, dat hij een grof materialist was, slechts verlangend naar genoeg goed eten en veel rust? En nu, dat hij dit materialisme làngen tijd genoten had, nu voelde hij zich of zijne zenuwen als tot zijden draden zich hadden fijn gesponnen, van rillingen trillend in emotie na emotie, zoo trillend als van onzichtbare luchtrillingen, die met muzikaal gesuis onophoudelijk glijden langs telefoondraden, boven een huis ... Hoe was hij gekomen aan al die filozofie, bloem zijner ledige uren? En in zijne verwondering poogde hij zich zijne jeugd te herinneren, of hij toen reeds aanleg had gehad tot peinzen, of hij toen boeken gelezen had, die hem met een indruk hadden gestempeld; poogde hij zich zijne ouders te herdenken, of dat alles iets van overerving kon zijn ... En in New-York had hij koffie en borrels aangebracht! Was hij toen eigenlijk niet gelukkiger, zorgeloozer? Of scheen dat zoo om dien afstand van den tijd ... verte van een paar jaren?
XVI.
Toen Frank, na eenige dagen van een niet-leven wachtens, nog geen antwoord ontvangen had, schreef hij aan Sir Archibald. En het was steeds het zelfde stilzwijgen. Toen klaagde hij bitter bij Bertie zijne smart uit, niet deêmoedig meer, maar woedend, als een getergd beest en toch nog half weemoedig omdat ze zoo waren, zoo kwalijknemend. Eve en haar vader. Was het dan niet genoeg, dat hij driemalen om vergeving gesmeekt had? Had Eve dan zoo weinig van hem gehouden, dat ze, nu hij zich verpletterde aan hare voeten, geen woord voor hem over had, zelfs niet om hem te zeggen, dat het gedaan was ...
—Ik herinner me niet meer alles wat ik gezegd heb! sprak hij tot Bertie, terwijl hij op en neêr, op en neêr liep met een grooten, gelijkmatig zenuwachtigen stap. Maar ik moet wel bar geweest zijn ... God, dat ik dan ook nooit mijne woorden in bedwang heb! En ik heb haar ook beetgepakt, zóó, bij haar armen. Ik heb haar toen van me afgegooid, ik was zoo woedend. Ik had het niet moeten doen, maar ik kàn dan niet kalm zijn, ik kàn het dan niet ...
—Frank, ik woû, dat je je er over heen kon zetten, sprak Bertie zeer zacht, uit zijn diepen stoel; als er nu toch niets aan te doen is ... Het is treurig, dat het zoo geworden is, maar gooi het van je af ...
—Gooi het van je af! Heb jij ooit van eene vrouw gehouden?
—Jawel ...
—Het zal me wat geweest zijn! Je kunt niet veel van iemand houden, dat is niet iets voor je: je houdt te veel van jezelven.
—Dat is wel mogelijk, maar in alle geval hoû ik veel van jou en ik kan je zoo niet zien, Frank. Zet er je over heen. Ze schijnen het je nu zoo kwalijk genomen te hebben, dat er niets meer aan te doen is. Ik woû, dat je dat inzag en je in het onvermijdelijke schikte. Zoek naar iets anders om voor te leven. Zoû er dan alleen dàt eene voor je zijn? Misschien is er iets anders. Een man verliest zich zoo niet in zijne liefde. Je bent zoo net eene vrouw: die doen dat ...
Zijne oogen zagen Frank zoo magnetisch zacht aan, dat het Frank werd alsof elk dier woorden eene zuivere waarheid bevatte en Bertie's laatste verwijt herinnerde Frank weêr zijne flauwheid, zijne weifelachtige zwakte, die lag onder al het mannelijk vertoon van zijne kracht als een week fondament. Maar toch klampte hij zich aan zijn hevig verlangen vast, zijn hevig verlangen naar het vroegere geluk.
—Ach kom, jij kunt daar nu eenmaal niet over oordeelen! antwoordde hij ongeduldig. Bertie's blik als van zich afschuddend; jijhebtnooit van eene vrouw gehouden, al beweer je het. Waarom zoû alles niet weêr in orde kunnen komen? Wat is er dan gebeurd? Wat heb ik dan gedaan? Ik heb me onhebbelijk driftig gemaakt, nu ja ... Is dat dan zoo iets onvergeeflijks als je van elkaâr houdt? Misschien ... zeg, zouden de brieven niet terecht zijn?...
Er hing gedurende enkele seconden eene afwachtende stilte in het vertrek, een atmosfeer van lood. Toen sprak Bertie en zijne stem smolt van teedere vergoêlijking:
—Als je er nu één hadt gezonden, zoû je het kunnen denken ... Maar drie brieven aan het zelfde adres. Het is niet waarschijnlijk ...
—Ik zal er zelf eens naar toe gaan, hernam Frank. Ja, ja, ik zal er zelf maar eens naar toe gaan ...
—Wat zeg je? vroeg Bertie dof.
Nog onder den druk der looden atmosfeer van zooeven, had hij niet goed verstaan, niet recht begrepen ... Ze waren over hem heen gegaan als eene suizende dreiging, die woorden ...
—Wat zei je daar? herhaalde hij.
—Ik zal er zelf maar eens naar toe gaan, hernam Frank.
—Waar naar toe?
—Wel, naar de Rhodes', naar Eve ... Suf je?
Maar Bertie rees op en in de vaalte van zijn gelaat schitterden zijne oogen als zwarte diamanten, met vele facetten.
—Wat wil je daar doen? vroeg hij, in een keelschrap om zijne stem te verzuiveren.
—Met ze praten en den boêl in orde brengen ... Ik hoû het niet uit, het duurt me te lang.
—Je bent gek, zei Bertie stroefkort.
—Waarom gek?
—Waarom je gek bent? Je hebt voor geen cent eigenwaarde. Denk je in ernst naar ze toe te gaan?
—Ja, natuurlijk.
—Ik vind het misselijk, zei Bertie.
—Nu goed, sprak Frank; vind het misselijk. Ik vind het zelf ook flauw van me. Maar God, ik kàn het niet langer uithouden. Ik hoû zooveel van haar, het was vroeger zoo goed, zoo mooi ... En nu, nu, door mijn eigen schuld ...! Het kan me niet schelen: vind het misselijk, maar ik ga, ik ga toch.
Hij had zich in zijn getwijfel neêrgegooid op een stoel en elke spier aan zijn gelaat trilde reeds van strijd. Maar toch ging hij voort.
—Je weet het niet, hoe ik me voel: je kùnt het niet begrijpen. Ik ben zoo ellendig, zoo diep, diep ongelukkig. Ik heb me nooit in mijn leven zoo heerlijk, zoo harmonisch, zoo geëquilibreerd gevoeld als toen ik met Eve was, ten minste ... nu lijkt me dat zoo. En nu is dat alles weg en alles schijnt me doelloos. Ik weet niet meer waarom ik loop en eet en ademhaal en leef! Waarom zoû ik al die moeite doen en dan, op den koop toe, al dat verdriet hebben? Ik zoû net zoo goed dood kunnen zijn ... Zie je: daarom wil ik naar ze toe gaan. En als het dan niet weêr in orde komt, dan maak ik me van kant ... ja, ja, dan maak ik me maar van kant ...
Verpletterd onder den last van het leven hing hij in zijn stoel, met zijn zenuwtrekkend gelaat, zijne groote ledematen uitgestrekt in hunne nuttelooze spierkracht, ondermijnd door de geheimzinnige zwakte, die er onder knaagde, als met wormen. Maar Bertie was voor hem gaan staan, opgeschroefd in zijne wanhoop-energie; zijne oogen, vol facetten, wisselflitsend op Frank. En hij legde zijne trillende handen op Franks schouders, die hij er breed en massief onder voelde, zwaar van kracht. Eene reactie electrizeerde hem met iets als fierheid: hij voelde minachting voor dien sterken man met zijne jongensliefdesmart. Maar vooral, o vooral, voelde hij zich trekken naar beneden, naar een afgrond toe, en het scheen hem als klampte hij zich met de omkronkelingen van eene woekerplant nu vast aan Frank, aan Franks schouders.
—Frank, begon hij, bijna heesch. Hoor eens goed naar me. Je maakt je eigen ziek, je praat als een gek, je huilt tegenwoordig net als een kind. Het is om er weê van te worden. God, wees toch wat flinker. Verknies je leven toch niet zoo met dat misselijk gejammer. En waarom, waarom dat alles?! Omdat eene vrouw niet meer van je houdt. Stel je in zóó iets dan je hoogste geluk? Het zijn wezens zonder hersens, zonder harten: wat oppervlakkigheid en ijdelheid door elkaâr geklutst, schuim, flut, niets! En daarom wil je je van kant maken? Jasses, hoe is het mogelijk.Ikweet niet wat houden van eene vrouw is, hè? Maarjijweet niet wat verdriet en ellende is. Je denkt, dat je het nu al heel erg te pakken hebt, hè? En je hebt niets, niets dan een beetje malaise, wat gekrenkte pedanterie misschien: het zal wel niet veel anders zijn. Alsikme van kant had gemaakt, iederen keer, datikellende had gehad, dan was ik nu wel duizendmaal dood. Neen, dan heb ik heel wat anders doorgemaakt, hoor! Hoe kan je zoo laf zijn. Eve toont je duidelijk, dat ze niets meer van je weten wil. En je wilt weêr naar haar toe gaan. En als ze je de deur wijst? Wat dan? Als je het doet, als je naar ze toegaat, dan vind ik je zoo klein, zoo flauw, zoo laf, zoo kinderachtig, zoo misselijk, zoo verdomd misselijk, dat je voor mijn part naar den duivel mag loopen.
Hij maakte een keelgeluid alsof hij phyziek weê werd en wendde zich af, wat duizelig en vreemd licht in het hoofd. Frank zweeg, in zich heen en weêr geslingerd door twee machten. Hij was zich niet meer bewust wat hij dacht, geheel in de war, vol valsche geluiden in zijn oor en in zijne verbeelding. In Bertie's woorden klonk iets onzuivers, eene detonatie, die hij niet kon aanwijzen, maar zich toch bewust was en ook klonk de stem van zijn eigen verlangen valsch, met vreemde, onoplosbare accoorden, die onharmonisch in elkaâr bleven voorttjingelen. En hij verloor zich geheel en al, hij bleef lang zwijgen tot, koppig, halsstarrig, hij het herhaalde:
—Goed, het kan me niet schelen, ik ga toch, ik ga toch ...
Maar balsemzacht ging Bertie voort, terwijl hij, volgens zijne gewoonte, als hij zich zeer ongelukkig gevoelde, op den grond ging zitten, op de vacht voor het vuur, zijn bonzend hoofd gesteund tegen een stoel:
—Kom Frank, zet er je overheen. Je meent het niet, dat je er naar toe wilt. Daar ben je in je binnenste veel te fier en flink voor, om dàt te willen. Herinner je je toch. Ben je dan alles vergeten? Heeft Eve je niet gezegd, dat ze je niet vertrouwde, dat je haar bedroog, dat je nog met die vrouw was en dat ze dat wist? Ik had het trouwens al lang gemerkt, dat ze zoo wantrouwig was: ik vond zoo iets al niet mooi in een jong meisje; ik vond er iets ... niet kuisch' in ... Het is waar, dien avond van het Lyceum ... het scheen toen wel zoo wat. Maar je hadt Eve toch verzekerd, dat het uit was ... Ik vind het dus allesbehalve mooi in haar, dat ze je toen nog niet vertrouwd heeft ... Je kan het dus niet meenen, als je zegt, dat je er naar toe wilt gaan. Het kan mij natuurlijk niet schelen: ga er naar toe voor mijn part, maar ik zoû het zoo misselijk van je vinden, zóó misselijk ...
En Frank steeds zwijgende, verloren, en door de kamer steeds dat getjingel van valsche geluiden ...
—En het kan niet anders of je vindt dat ook als je nadenkt. Denk er eens over na, Frank ...
—Ach ja, mompelde Frank dof.
Bertie vleide zijne mannelijkheid en het klonk in Franks ooren als met klokken: fier, flink, fier, flink ... Maar de klokken waren toch gebarsten ... Tóch stilde de muziek hem. Hield hij op dit oogenblik nog van Eve? Of was het uit, had zij zijne liefde gedood onder haren twijfel? Fier, flink, fier, flink ... O, het niet meer te weten, niets meer te weten ...
Met eene beweging als eene liefkoozing sloop Bertie toen nader, legde zijn hoofd op de armleuning van Franks stoel en, de handen gevouwen om de knieën, geleek hij in den halfschemer, in den vuurgloed, een lenige panter, flikkerden zijne oogen als zwart gouden panteroogen.
—Zeg Frank, ik kan je zoo niet zien. Ik hoû zooveel van je, al zie je dat misschien niet zoo in, en al doe ik het op mijn manier ... O, ik weet het wel: je vindt me soms bijna ondankbaar. Maar je kent me niet; ik hoû zielsveel van je, ik heb van mijn vader, van eene vrouw, van mezelven, van wat ook, nooit zóo gehouden als ik van jou hoû. Ik zoû iets voor je over kunnen hebben, en dat is veel gezegd voor mij. Zeg Frank, ik kan je zoo niet meer zien. Laten we weggaan van Londen, laten we gaan reizen of ergens anders gaan wonen, in Parijs, of in Weenen. Ja, laten we naar Weenen gaan. Dat is ver van hier. Of naar Amerika, naar San Francisco. Of naar Australië. Waar je maar wilt. De wereld is zoo groot, je kan zooveel zien, dat je andere ideeën geeft. Of laten we een tocht meêmaken in het binnenland van Afrika: ik zoû wel lust hebben in zoo iets woeste, en ik ben sterker dan ik er uitzie: ik ben taai. Laten we veel beweging maken, veel doorstaan, veel lichamelijke vermoeienis. Vindt je het niet prachtig dwars door een ondoordringbaar bosch je een weg te kappen? O ja, laten we ons baden in de natuur, in veel lucht en ruimte en gezondheid ...
—Ja, ja, mompelde Frank; goed, we zullen weg gaan, we zullen gaan reizen. Maar eigenlijk kan ik het niet: ik heb weinig geld, ik heb het vorige jaar zooveel verteerd.
—O, maar we zullen zuinig zijn: wat hebben we luxe noodig! Het kan mij ten minste niets schelen ...
—Ja, ja goed, mompelde Frank weêr; we zullen het zuinig doen.
Zij zwegen eene pooze. In het halfduister stiet Frank bij eene beweging even Bertie's hand aan. En hij drukte die eensklaps, tot brekens toe, vast in de zijne en stamelde:
—Goede jongen, goede beste jongen!
XVII.
Zoû hij er heen gaan? dacht Bertie, toen hij den volgenden avond alleen thuis bleef en niet wist met welke plannen Frank was uitgegaan. Nu, Bertie zoû afwachten. Er was niets meer aan te doen. Een paar dagen om zaken te regelen en daarna weg, weg van Londen. O, wat voelde hij zich ongelukkig! En al die vuiligheid alleen om een materieel gemak, eene luie weelde, die hem—hij was het nu langzamerhand gaan gevoelen—geheel en al onverschillig was geworden. O, de bohemien-vrijheid van zijn zwervend scharrelaarsleven in Amerika, dat losse, dat ongegeneerde, nu zijn vestjeszak vol geld, dan niets, totaal niets! Hij had er heimwee naar: het geleek hem een benijdenswaardig leven van onbezorgde bandeloosheid, bij zijn tegenwoordig bestaan van rijk suffen en laagheid. Wat was hij veranderd! Vroeger was hij alleen maar los van conventie geweest, zonder veel nadenkens, en nu ... zijne ziel was verfijnd geworden, en ploeterde toch in de grofste vuiligheid. En waarom? Om iets te behouden, dat geen waarde meer voor hem had. Geen waarde meer?! Maar waarom dan zich niet los te scheuren uit zijne eigen netten, weg te gaan, alleen, in armoede; een enkel woord te schrijven aan Frank en Eve om ze weêr tot elkaâr te brengen? Hij had immers vrijheid dat te doen?
Hij dacht er over na en glimlachte toen, het iets onmogelijks vindend en toch niet inziende, waarin het onmogelijke er van lag. Maar het wàs onmogelijk, het wàs iets wat niet volbracht kon worden. Het was iets onlogisch', iets vol duistere moeielijkheden, iets dat nooit gebeuren kon, om geheimzinnige noodlotsredenen, die hij wel niet inzag, maar toch onloochenbaar voelde ...
Zoo mijmerde hij, alleen, dien avond, toen Annie, de meid-huishoudster, hem zeggen kwam, dat er iemand was, om hem te spreken.
—Wie is dat dan?
Zij wist het niet en hij ging in het spreekkamertje en vond den lakei van Sir Archibald, met zijn grooten neus en zijne brutaal bewegelijke, grijze vogeloogen, vroolijk glinsterend in zijn blauw geschoren, terracottakleurig gelaat. Hij was niet in liverei, maar gekleed als een heer met een licht gekleurd overjasje, een ronden hoed, een stok en handschoenen.
—Wat moet je hier? vroeg Bertie brusk, zijne wenkbrauwen fronsend. Ik heb je immers gezegd, dat ik niet woû, dat je hier ooit kwam! Je hebt immers niet over me te klagen, meen ik ...
Neen, neen, hij had niet te klagen, maar hij kwam zijn ouden vriend maar eens opzoeken, zijn ouden Swell. Bertie wist het immers wel, vroeger, in New-York. Ze waren toen zoo kameraadschappelijk in het zelfde hôtel kellner geweest. Toevallig, hè? zoo een wederzien in Londen. Ach ja, de wereld was klein; je ontmoette elkaâr overal en altijd. Je kon elkaâr niet ontloopen; als de hemel wilde, dat je elkaâr ontmoeten zoû, dan kòn je elkaar niet ontloopen; nu, en als je elkaâr ontmoette, dan kòn je elkaàr ook nog eens van dienst zijn ... Er werden soms lastige brieven geschreven; hm, hm!... Zestig pond voor twee brieven aan de juffrouw, dat was een koopje! Het leven was duur; in Londen nu en dan eens vroolijk te zijn, kostte duur. Er was nu een derde brief van de zelfde hand—wel, wel, van wien zoû die hand toch zijn? Geadresseerd aan den oude. O, een oud kameraad zoû nooit lastig vallen, maar hij kwam maar eens vragen: was die brief ook wat waard? Hij had hem bij zich.
—Geef hem dan hier! stotterde Bertie doodsbleek, zijne hand reeds uitstekend.
Ja maar, dertig was zoo weinig, een bagatel. De brief was nu toch geadresseerd aan den oude en dus wel meer waard. Een oud-kameraad was daarbij, eerlijk gebiecht, in een beetje geldverlegenheid. En Bertie was een meneer en in goeien doen, en hij had een edel hart. Hij zoû een oud-kameraad niet in den steek laten. Wat drommel, je hielp elkaâr in de wereld! Honderd pond?
—Je bent een ellendeling! stotterde Bertie. We hadden afgesproken dertig pond. Ik heb geen honderd pond; ik ben niet rijk ...
Nou ja, dat wist hij wel, maar meneer Westhòve gaf zijn vriend toch nu en dan wel eens een sixpence, en meneer Westhòve zat er zoo goed in. Kom, kom, Swell moest er maar eens over nadenken: waarachtig, hij zoû er een oud kameraad meê helpen; honderd pond was toch ook de wereld niet!
—Ik heb op het oogenblik geen honderd pond, ik verzeker het je, krijschte Bertie zacht, rillend als van koorts, met eene keel, die droog geschroeid scheen.
Nu, een oud kameraad zoû dan wel eens terugkomen, later. Den brief zoû hij zorgvuldig bewaren.
—Geef den brief dan: ik zal je later honderd pond geven!
Maar een oud kameraad lachte vroolijk: nu, geven is geven: je vertrouwt elkaâr wel, je bent nette lui, onder elkaâr, maar je steekt toch over, te gelijk, zoo den brief en zoo de honderd pond.
—Maar ik wil niet hebben, dat je hier terugkomt: ikwilhet niet, zeg ik je ...
Nu, dat was goed, dat was niet vermoeiend, Swell kwam dus zelf de honderd pond brengen. Morgen?
—Ja morgen. Morgen avond vast. En ga nu weg, in Godsnaam, ga weg ...
Hij duwde zijn demon dringend de deur uit, het belovende: morgen, morgen avond. Toen zocht hij Annie op, in een hevig verlangen te weten of zij den lakei van Sir Archibald kende.
—Wie was die man? vroeg hij haar brutaal, als een speler, die eene hooge troef op een gevaarlijk oogenblik uitspeelt.
Zij wist het echter niet en was verbaasd, dat meneer hem niet kende. Had hij meneer lastig gevallen?
—Ja, een bedelaar, zoo een fatsoenlijke bedelaar.
Hij zag er toch zoo netjes uit, als een heer.
—Wees voortaan wat voorzichtiger, sprak Bertie en laat niet iedereen binnen ...
XVIII.
Dien avond bleef hij wachten tot Frank zoû thuis komen. In zijne eenzaamheid snikte hij, uren, uren lang, snikte hij heftig, bang, dat Annie en haar man het hooren zouden, in het licht gebouwde villa-tje, zijn snikken opkroppend, tot eene nijpende hersenpijn zijn hoofd scheen te zullen doen uiteen barsten, als een bom. Hij snikte in eene ontzachlijke rampzaligheid en zijn gesnik doorschokte zijn geheele lichaam als met een rythme van smart. O, hoe kon hij daaruit komen, uit dien poel? Zich doodmaken? waarom nog te leven in zulke ellende? En om en om zag hij naar een wapen. En zijne handen sloten zich als eene schroef om zijn hals ... Maar hij had er geen moed toe, ten minste niet in dat oogenblik, want toen zijne handen zoo schroefden, gevoelde hij eene duldelooze pijn van congestie opstijgen naar zijne, reeds zoo gemartelde, hersens. En harder snikte hij, daar hij te week was om het te doen.
Het was één uur. Frank zoû weldra thuis komen. Hij zag in den spiegel. Een vaal masker van violet, met groote, nat vlammende oogen, met dikke, blauwe aderen aan de slapen, zichtbaar kloppend onder het fijne floers van de huid ... Zoo mocht Frank hem niet zien. Maar toch moest hij het vragen. O God, tòch moest hij vragen!
Hij ging naar zijne kamer, kleedde zich uit, legde zich rillend te bed, maar hij sliep niet en luisterde of de voordeur open zoû gaan. Tien minuten over half twee kwam Frank thuis. Was ... God ... was hij misschien naar de Rhodes' gegaan! Neen, neen, hij was zeker in de club geweest; hij ging dadelijk naar boven, naar bed. Annie en haar man sloten het huis; geluiden van opgelichte bouten klonken met een licht gerammel van metaal.
Na een half uur stond Bertie op. O, als het in Franks kamer maar donker was, anders zoû die het zien, dat violette masker! Door de gang. Een klop.
—Frank.
—Ja, kom binnen.
Toen binnen. Frank lag al in bed. Alleen een nachtlichtje. Bertie met den rug tegen het schijnsel. Zoû Frank spreken van de Rhodes'? Neen, Frank vroeg wat er was. En Bertie begon.
Hij moest zijn vriend dringend iets vragen. Hij had zich eenige oude schulden herinnerd, die hij toch betalen wilde, voor zij weg zouden gaan. Het speet hem zoo: hij maakte zoo een misbruik van Franks goedheid. Kon Frank hem ook geld geven ...
—Beste jongen, ik heb alles precies uitgerekend. Ik heb net wat we noodig hebben om naar Buenos Ayres te komen. Hoeveel moet je hebben?
Hij had honderd pond noodig.
—Honderd pond?! Maar kereltje, ik weet heusch niet waar ik ze van daan moet halen. Heb je ze bepaald noodig? Kan je het niet uitstellen? Of kan ik niet een cheque voor je teekenen?
Neen, hij moest ze in handen hebben, in handen.
—Nu ... wacht dan ... misschien weet ik er wel wat op ... Ja, ja, ik zal er wel wat op weten. Morgen zal ik wel eens zien ...
—Morgen ochtend?
—Heb je ze dan noodig? Nou goed, hoor, ik zal wel eens zien, maar ga nu naar bed, want ik heb slaap: we hebben gefuifd. Morgen zal ik je wel helpen. Ik laat je in allen geval niet in den steek, dat is natuurlijk. Maar je bent een lastige jongen, hoor, dat ben je! Verleden hadt je ook al dertig pond noodig en toen nog eens dertig pond!
Een oogenblik bleef Bertie staan, eene donkere schim tegen het stille schijnsel der lamp. Toen trad hij nader en hij viel voor Franks bed neêr en legde zijn hoofd op het dek en snikte, snikte.
—Zeg, ben je dol? Ben je gek geworden? Bertie! Wat overkomt je?
Neen, hij was niet gek, maar hij had zoo een verdriet; dat hij zoo een misbruik maakte van Franks goedheid, vooral nu Frank in geldverlegenheid zat. Het waren zulke vuile schulden. Hij wou liever niet zeggen, wat het was. Schulden uit den tijd, toen hij wel eens voor een paar dagen er van door ging; Frank wist het nog wel, nietwaar?
—Oude zonden, jongentje! Nou, verbeter je maar in het vervolg. Morgen zullen we je wel helpen. Balk nu niet meer en ga naar bed. Ik slaap al: we hebben nog al wat gedronken ... Kom, hoû nu op, zeg.
Bertie stond op, greep Franks hand, wilde hem bedanken.
—Jawel, jawel, toe, ga nu slapen, zeg ...
En hij ging. In zijne kamer hoorde hij weldra door het beschot heen, Frank snorken. Hijzelf bleef zitten op den rand van zijn ledekant. Nog eens sloten zijne handen zich schroevend om zijn hals ... Maar het deed te veel pijn, in de hersens.
O God, hoe is het mogelijk, dat ik ben, als ik ben! dacht hij.
I.
Een leven zwervens van twee volle jaren lang, een leven zwalkens van Amerika naar Australië, van Australië terug naar Europa, in eene smartelijke rusteloosheid, zonder nieuwe levensdoeleinden te vinden, zonder het waarom te vinden van hun beider bestaan, zonder het waarom te vinden van al de oorden, die zij doorkruisten, en al de luchten, die zij inademden. Een leven, eerst zonder levensstrijd, dat zij voortsleepten, bezwaard met hunne tweelingsrampzaligheid, slechts levende hun leed en onbezorgd voor de materiëele lasten des levens. Maar toen: de stijgende vrees voor die materiëele lasten, de onaangename gewaarwording, dat er geen geld meer gezonden was uit Europa, in geen maanden, geen maanden ... Vervelende zaken met bankiers daar ginds, heen en weêr geschrijf, klap op klap, het bijna geheel in rook vervliegen van een fortuin, dat reeds lang te veel gouden wierook had gewalmd. En zij zagen de noodzakelijkheid in om òm te zien naar middelen van bestaan, en zij hadden op fabrieken, in assurantie-maatschappijen, aan couranten, bij wat niet al, gevochten om niet onder te gaan in dat zelfde leven, dat hun doelloos en smartelijk was.
Zij hadden uren van angst gekend, opeenvolgende lange dagen van armoede, zonder uitkomst, met de herinnering aan White-Rose ... Maar toch hadden zij geen weêrverlangen naar White-Rose gehad, zachtjes aan onverschillig en verdoofd, meer uit instinct angstig voor de toekomst, uit instinct vechtende voor het bestaan, uit aangeborenheid en iets van overerving, dan uit waarachtigen aandrang en eigen behoefte.
En in die onverschillige verdooving had Bertie een zacht gevoel gekend, eene teedere blijdschap, iets lieflijk heerlijks, dwars door zijne zelfminachting heen: eene blijdschap, dat, nu Frank klappen had gekregen, nu zij moesten werken voor hun brood, hij niet de gedachte in zich had voelen opkomen Frank aan zijn lot over te laten en weg te loopen, omdat de boêl op was. Hij had die gedachte: Frank te verlaten, niet spontaan voelen opkomen, en was er gelukkig om, dàt hij ze niet spontaan had voelen opkomen, dat hij ze later uitdenkende, haar bewust was als eene gedachte, die hem niet aanging en eigenlijk niet in hem was. Neen, hij had bij Frank willen blijven, misschien wel om zijne poesennatuur, en omdat hij gehecht was aan zijn plekje bij Frank, maar toch ook om iets anders, iets ideëels, eene lichte dweperij. Het deed hem zoo heerlijk aan bij Frank te blijven, terwijl Frank geen cent meer had. En zij hadden samen gewerkt, gezwoeg en verdienste deelende in de broederlijkheid van hun samenzijn.
Twee volle jaren! En zij waren nu terug in Europa, Engeland vermijdende, teruggekeerd in hun geboorteland, Holland, Amsterdam, Den Haag. Het was in beiden een vreemd verlangen, die plaatsen, welke zij vroeger, beu van het overbekende, hadden verlaten, om hun weg door de wereld te vinden, nu terug te zien, er hunne gebroken levens naar toe sleepend, alsof zij er eene genezing hoopte te vinden, een wonderbalsem, een troost voor het bestaan. Zij hadden een duitje overgespaard en zij konden enkele zomermaanden blijven rusten, hun handjevol geld zuinigjes opmakend in eene korte zomerverpoozing. Zoo hadden zij in een villa te Scheveningen—eene, links van het Oranje-Hôtel, ziende op de zee—een optrekje gehuurd van een paar kamers, en de zee was het wisselzieke verschiet geworden, waarop hun droomerig zomergesoes uittuurde, weinig als zij zich linksaf bewogen, naar het gewoel van Kurhaus en strand. Uren bleef Frank daar voor zitten, op het uitstek, in een rieten stoel, de beenen op de balustrade, de blauwe kronkelingen van zijn sigaarrook even om hem heen drijvend; hij voelde zich versuffen, zonder veel leed meer, zich schikkende in zijne nutteloosheid, met nu en dan wat herinnering aan vroeger: eene droevigheid, die niet meer smartte. Dan, stijf wordend van het niets doen, werkte hij aan ringen of rekstok, werkte met halters of schermde wat met Bertie, wien hij het geleerd had. Hij zag er goed gezond uit, nog wat zwaarder geworden, eene bloedrijke kleur onder zijne licht verbruinde huid, eene zachte somberheid in zijne lichtgrijze oogen en nauwlijks iets bitters onder zijne goud schitterende snor.
Maar meer nog leed Bertie als hij over den halfcirkel van de zee uittuurde, en die zee naar hem toe zag deinen met haar eindeloos uitgerol van groen en blauw en grijs en violet en zachte parelkleur,—den hoogronden hemel er boven, vol eindelooze wolkenmetamorfozes, in-en uitkrullende massa's dik grauw en wit, zilverige windveêren, ijle pluimen, dons, luchtschuim,—dan werd het hem of met de zee zijn noodlot naar hem toekwam. Het scheen als eene onvermijdelijke nadering. En hij wachtte tot het komen zoû, het zoo intens voelende naderen, dat soms zijn geheele zijn één wachten werd, roerloos in zijn rieten stoel, met de oogen over de wijdte van het water.
II.
Zoo was het gekomen, dat hij, zoo zittende, eens, beneden op het strand, tusschen de bosschen helm der zandgele duinhelling door, twee silhouetten zich had zien voortbewegen, een man en eene vrouw, beiden donker fijn als inktteekeningen zich afprentend tegen het vaalzilver der zee. Een angst bruiste eensklaps in zijn lichaam, door zijn hart òp naar zijn keel, naar zijne slapen. Maar een zoute zeegeur woei van beneden omhoog en prikkelde zijn reuk met eene frischheid, die tot zijne hersens doordrong, zoodat het er, trots dien angst, zeer klaar werd, als vol van eene zuivere atmosfeer. En tot in de fijnste fijnheden van tint en lijn zag hij het: het zilvergrijze, half ovale zeeverschiet, als een glinsterend liquide wereldei, vol spelingen van parelmoêr tusschen de opkuivende schuimkammen der deiningen, nauwelijks somber onder eene gedekte lucht van uitrafelende, scheurende wolken, verschoten grauw, wollig fluweel; rechts, een stuk façade van het Kurhaus, dom trotsch kijkende naar de zee, met zijne starre vensteroogen; verderop, aan het water, de pinken, als groote notendoppen, met, aan den mast uitgehangen, zwarte tulle netwerk, elke pink met een wimpeltje, zoetjes kinderachtig uitgekronkeld in de lucht; op het terras, ook op het strand, tusschen eene warreling van gele stoelen, een aquarelachtig gevlak van zomermenschen, teêr kleurig, zacht bont. Duidelijk zag hij hiér eene scheur openwaaien in een rood pinkezeil, dàar een lint fladderen uit een mandstoel, verderop eene zeemeeuw, even pikkende met de sneb iets uit het schuim. Zoo zag hij er vele kleinigheden, kleurige, fijn geteekende nietsjes, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht, hel zichtbaar in het zacht gedekte, zonlooze daglicht. En de twee silhouetten, de man en de vrouw, werden grooter en naderden, langs de zee, tot recht onder den blik van zijn oog.
Hij herkende ze aan den vorm hunner gestalten, aan eene beweging, den man aan een afnemen van den hoed en wisschen over het voorhoofd, de vrouw aan heur houding met de parasol, den stok geleund op den schouder en de hand bevallig vasthoudende een punt van het scherm. En toen hij ze herkende, scheen het hem als werd hij lichter en lichter van hoofd, als zoû hij duizelend opzweven uit zijn stoel, ergens weg drijven, de zee over ... Maar mat viel hij terug, zeer mat, en lichttintelingen, als dansende vraagteekens trilden voor zijne knippende oogen, door het staren. Wat was er te doen? Zich in te spannen tot fijne list, Frank zoeken weg te lokken hier van daan, vluchten? O, wat was de wereld klein! Waren zij daarom die wereld omgezwalkt, rusteloos, rusteloos door, om bij de eerste verpoozing dàt te ontmoeten, waar hij het meest voor vreesde! Toeval of Noodlot? Neen, Noodlot ... Maar dan ... vreesde hij wel?
En, in zijne matheid, zag hij het heel duidelijk, dat hij nièt vreesde, dat eene groote onverschilligheid in hem was, eene onstrijdbare vermoeidheid van zelfsmart. O, hij was te moê om bang te zijn; hij zoû afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren; het was niet te ontloopen, Noodlot, Noodlot ... O, de matte rust, te blijven zitten, roerloos, energieloos, willoos, met dat wijde water van grijs zilver vóor zich, en te wachten tot het komen zoû ... Niet meer te strijden om zichzelven, en bang te zijn om zichzelven, maar geduldig te wachten, en zoo altijd te wachten! Komen zoû het, als de vloed van die zee, over hem heen gaan zoû het, als het schuim over dat zand en dan weêr wijken zoû het, en dan wellicht zoû het uit zijn met hem, verdronken, vergaan ... Een golfje van den tijd zoû hem overspoelen en hem zijn adem benemen, en daarna zoû die tijd verder golven ... met zijne eindeloosheid. Dwaze tijd, nuttelooze eeuwigheid ...
—Ik woû, dat ik het niet zóo intens voelde! dacht hij pijnlijk. Het is zoo dwaas, dat ik het zóo voel! Misschien komt er niets en word ik honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit is onloochenbaar: dit is een feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar ... als hetmoestkomen, zoû ik het juistnietvoelen: het komt altijd onverwachts. Het is niets dan ziekelijkheid van me, zenuwachtigheid, overspanning ... Eigenlijk kan het me ook niet schelen, niets schelen. De lucht is mooi en zacht gedekt, en daar drijft een wolkje ... En ik wil zoo zitten, zonder angst, en rustig ... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over het water. En ik wil wachten, wachten ... En kijk, die jongens spelen met een scheepje: het is een klomp. Zoû het niet omkantelen?
Hij zag even met onwillekeurig belang naar het spel, toen weêr naar dien man en die vrouw. Zij waren zeer duidelijk geworden, recht onder zijn blik, en zij gingen voorbij, zonder iets te weten, emotieloos, als marionetten.
—Jawel, maarikweet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt het misschien. Maar ... met hen gaat het misschien ook weêr weg, zoo maar, als eene dreiging. En zoo zal ik wachten, want het kan me niets schelen. Als het uit moet zijn, zal het uit zijn.
Ze verdwenen nu uit zijn oog. Ook de jongens waren verder gegaan met hun scheepje: het strand voor Bertie was leêg geworden, zeer wijd, als eene woestijn. En eensklaps overrilde hem eene hevige trilling, eene koorts. Sidderend stond hij op, zijn gelaat zeer wit, zijne beenen wankelend. De angst had hem eensklaps geheel overheerscht en zweette op zijn voorhoofd uit in groote druppels.
—O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. Ik heb het verschrikkelijk gemaakt. Het leven is ijzingwekkend. Ik ben bang. Wat zal ik doen. Wegloopen ... Ach neen, ik zal maar wachten. Kan het me dan iets schelen? Neen, niets! Niets, Niets! Daar waren ze beiden, zij, en de vader ... Ik ben wel bang. O, als het komen moet, God, o God, laat het dan maar gauw komen ...
Toen werd het hem alsof zijne oogen zich vergist hadden en ze het niet waren geweest. Onmogelijk! Maar tochwisthij, dat ze het wèl waren geweest. De angst tokkelde hem steeds in zijne borst, gelijkmatig, met hooge hartslagen. En hij verwonderde zich nu zeer, dat hij nog oogen voor het scheepje van die jongens had kunnen hebben, terwijl daar beneden Eve liep met Sir Archibald. Zoû het niet omkantelen? zoo had hij ervan gedacht, van dat scheepje.
III.
Er sleepten zich twee weken vol heet geschroeide zomerdagen voort, dat hij wachtte, steeds te moê, de minste poging te doen Frank over te halen heen te gaan van hier. Misschien had het hem slechts een enkel woord gekost. Maar hij sprak dat woord niet, wachtende, en langzamerhand als onder de bekoring van dat wachten komende, als hoopte hij op het mysterie van eene belangwekkende toekomst. Hadden zij elkaâr nog niet ontmoet? Zouden zij elkaâr ontmoeten? Ontmoetten zij elkaâr, zoû er dan iets gebeuren? Het een schakelt zich onherroepelijk aan het ander, dacht hij: aan niets is iets te doen!
Het was Franks gewoonte veel thuis te blijven, stil levend tusschen zijn somber gedroom en zijn gymnastiek, zonder zich te bemoeien met het zomergewoel daar buiten, op strand en terras. Zoo waren er twee weken voorbij kunnen gaan, zonder dat hij de onmiddellijke tegenwoordigheid van haar bewust was geworden, voor wie Bertie vreesde! En zelfs niet de zweem van een voorgevoelen had Frank doen trillen in zijne zachte somberheid; onberoerd was hij blijven voortademen in de zelfde zeelucht, die zij ademde, zonder te voelen, dat er een geur van haar dreef in die atmosfeer. Hij zag niet den stap van haar schoentje op het strand vlak onder zijne villa, de kant niet van hare parasol, fladderend in het bereik van zijn blik, terwijl hij rustig rookte, de beenen op de balustrade. En zij moesten dikwijls samen op den zelfden stoomer getuurd hebben, fijn voortglijdend bijna aan den einder, als een uitgeknipt prentje, met zijn zeiltjes en zijn kolommetje rook, zonder dat hunne blikken elkaâr bewust werden, hoewel ze zich toch zeker kruisten, ergens over de zee.
Het was na die heet geschroeide weken een vuil grauwe dag, zonder zon, met regen boven in de lucht drijvend in gezwollen wolken, als in bolle waterzakken.
Langs het strand was Frank gegaan, langs de zenuwachtig woelende zee; hooger stonden de mandstoelen nog, dicht bij elkaâr, bijna opgenomen; weinig menschen waren daar. Een desolate windroep klaagde over het water; het was een herfstdag vol verlatenheid en wegsterven van zomervreugde. En terwijl hij langzaam, met het luchtgeween om zijne ooren, was voortgewandeld, had hij haar zien naderen in het uitwaaien harer rokken en het wegfladderen van haar linten, hem tegemoet, en had hij ... o God! haar herkend!
Het was hem of eene rotsmassa op zijne borst was gesmeten, in eens, met een reuzenworp en of hij vermorzeld er onder lag, zonder adem. En het ziedde in hem met pijn en blijheid tegelijk, rillend door zijn bloed en zijne zenuwen, opduizelend naar zijn hoofd. Zonder zoo te willen, stond hij stil en zonder zoo te willen, zeide hij het, een klank, onhoorbaar nog door wat afstand, verloren ook in het gehuil van den wind:
—Eve, mijn God, Eve!!
Maar de afstand bestond niet meer; nu was zij vlak bij hem, schijnbaar zoo kalm, omdat zij hem reeds dien morgen gezien had, zonder dat hij háar had gezien, omdat zij al haar eerste emoties geleden had, omdat zij daar lang geloopen had, in den wind, dicht bij de villa, waar zij hem in had zien gaan, in de hoop hem nog te zullen ontmoeten. Het ging door zijn hoofd of hij haar met den hoed groeten zoû, als een vreemde, of dat hij dit niet zoû doen, schijnbaar onverschillig, er over heen, niet geroerd om eene toevallige ontmoeting, zonder eenige herinnering aan wat was geweest. En in zijne trillende ontroering verwonderde hij zich toch nog, dat zij zoo recht op hem afkwam, zonder aarzeling, beslist, als op een doel. In eene seconde prentte haar bleek, ernstig gelaat met de donkere oogen een, als van leven sidderenden, afdruk in hem af: hij zag haar geheel en al, nam haar geheel en al in zich op, als verslond hij haren aanblik in zijne ziel.
—Frank! sprak zij zacht, vóór hem.
Hij antwoordde haar niet, rillende van aandoening, nauwelijks kunnende zien door den glans van vocht, die over zijne oogen trok. Zij glimlachte weemoedig.
—Herken je me niet meer? sprak zij, met hare stem van gedempt zilver.
Hij knikte, onhandig iets mompelend, onhandig zijne hand uitstekend.
Zij drukte die even zacht en ging voort, steeds met haar zacht geluid, dat was als een echo:
—Neem me niet kwalijk, dat ik je zoo aanspreek, maar ik zoû je gaarne iets willen zeggen. Ik ben blij je hier te ontmoeten, hier in Scheveningen, toevallig, misschien niet toevallig ... Er heeft een misverstand tusschen ons geheerscht, Frank, en er zijn leelijke woorden tusschen ons gevallen. Wij zijn nu wel gescheiden, maar toch zoû ik met je willen spreken en je vergiffenis vragen, voor wat ik eens gezegd heb ...
De tranen hokten in hare keel, zij kon zich bijna niet meer bedwingen, maar zij dwòng hare ontroering terug en rustig bleef zij voor hem staan, dapper als eene vrouw zijn kan, dapper met haren zachten glimlach, waarin eene hopelooze berusting was, zonder aanstellerij, flink en eenvoudig.
—Neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik je aanspreek en laat me je vragen, of je me vergeven wilt, als ik je eens gekrenkt heb, en of je voortaan eene zachtere herinnering aan me wilt bewaren.
—Eve, Eve! stamelde hij. Jij mij vergeving vragen? Ik was het,ikwas het, die ...
—O neen! hernam zij zeer zacht. Je bent het vergeten. Het wasik... Vergeef je het me?
Zij stak nu zelve haar hand eenvoudig uit en hij drukte die, met een grooten snik, die klokte in zijne keel.
—Dank je; zoo is het goed, ging zij voort. Ik heb ongelijk gehad, waarom zoû ik het niet bekennen? Ik beken het gulweg. Wil je papa niet eens komen opzoeken: wij logeeren in het Hôtel Garni. Heb je nu plannen? Ga anders met me meê. Het zal papa plezier doen.
—Goed, goed, stamelde hij, nu oploopend naast haar.
—Maar ontroof ik je aan niemand? Misschien wacht iemand je. Je bent misschien in dien tijd ... getrouwd.
Zij dwong zich hem geheel en al aan te zien, met haar zachten glimlach: eene bleeke lieftalligheid, die droef-liefjes om hare lippen zweemde, en hare stem was zacht blank, zonder veel belangstelling. Maar hij schrikte van hare woorden, omdat ze iets bevatteden, dat nooit in hem was geweest: eene exotische gedachte, en die zij overplantte in hem, zonder dat ze er wortel schoot, er dadelijk verleppend.
—Getrouwd?! O Eve, neen, neen, nooit, stotterde hij smeekend.
—Nu, het had immers kunnen zijn, zeide zij zacht effen.
Zij gingen een pooze zwijgend door, maar na een paar passen, gebroken door den toon zijner laatste woorden, wist zij hare aandoening niet meer in te toomen en zij begon zachtjes te snikken, als een zenuwachtig kind, met regelmatige snikjes, terwijl zij bleven doorloopen en hare tranen heur witte voile doorweekten.
Even voor het hôtel bleef zij stilstaan en zij zeide, zich beheerschende gedurende dien oogenblik:
—Frank, zeg het me oprecht: vindt je het niet verkeerd van me, dat ik je heb aangesproken? Ik was het niet met mezelve eens of ik het doen zoû, maar ik woû zoo graag mijn ongelijk bekennen en je om vergeving vragen. Zeg, veracht je me, omdat ik gedaan heb, wat een ander meisje misschien niet gedaan had?
—Verachten!! Ik je verachten! bracht hij snikkend uit.
Maar hij moest zich in eens bedwingen, want enkele wandelaars, weinige maar op dien dag van wind en dreigend regenweêr, kwamen hen te gemoet. Zij liepen nog enkele passen voort, als misdadigers hunne hoofden buigend onder den blik dier vreemden. Toen gingen zij het hôtel binnen.
IV.
Sir Archibald ontving Frank wat koel, maar beleefd. Toen liet hij hen alleen en dadelijk begon Eve:
—Ga zitten, Frank. Ik moet je iets zeggen.
Verwonderd nam hij plaats; haar toon was zakelijk geweest, hare aandoening was teruggedrongen en zij scheen zich even te bezinnen als wilde zij logisch iets uit elkaâr zetten.
—Frank, sprak zij. Je hebt immers eens een brief aan papa geschreven; is dit zoo?
—Ja, knikte hij treurig.
—Is dit zoo? riep zij heftig.
—Ja! herhaalde hij; eens aan Sir Archibald en tweemaal aan jou.
—Ook nog tweemaal aan mij? kreet zij smartelijk.
—Ja, knikte hij weêr.
—En je kreegt geen antwoord, ging zij kalmer voort. Heb je ooit wel nagedacht, waarom?
—Waarom?... herhaalde hij, verwonderd. Omdat je boos was, omdat ik zoo ruw was geweest ...
—Neen, schudde zij beslist. Eenvoudig hierom: omdat wij die brieven nooit ontvingen.
—Wat? kreet hij uit.
—Omdat wij die brieven nooit ontvingen. Onze knecht William, schijnt er belang bij gehad te hebben ze achterwege te houden.
—Belang? herhaalde Frank, dom verward. Waarom?
—Ik weet het niet, ging Eve door. Ik weet alleen dit: onze meid, Kate, je weet wel, kwam eens huilende bij me en vertelde me, dat ze niet meer bij ons wilde blijven, omdat ze bang was voor William, want hij had gezegd, dat hij haar zoû vermoorden. Ik vroeg haar wat er gebeurd was en toen vertelde ze mij, dat ze eens op het punt was geweest een brief binnen te brengen aan papa, een brief van jouw hand: ze kende je hand. Vlak bij de deur was William haar achterop gekomen en had haar ruw den brief uit de hand gerukt, zeggende, dathijdien wel zoû binnen brengen. In plaats van dat te doen, had hij den brief intusschen in zijn zak gestoken. Zij had hem gevraagd wat dat beteekende; toen hadden zij oneenigheid gekregen en sedert was ze bang voor William. Zij had mij dit al lang willen vertellen, maar het alleen niet gedaan uit angst voor hem. Wij ondervroegen William, die brutaal werd en zich beleedigd achtte, omdat we zijn eerlijkheid verdachten; papa liet daarop zijne kamer onderzoeken om te zien of hij meer brieven of andere dingen had gestolen. Er werd intusschen niets gevonden, noch gestolen voorwerpen, noch brieven. Ook niet de brief aan papa, die dus de laatste schijnt geweest te zijn van de drie, die je ons schreef?
—Ja, knikte Frank verbijsterd.
—Papa joeg William weg. En ... wat woû ik je toch ook nog zeggen? God, ik weet het niet meer ... Dus je hebt ons driemaal geschreven?
—Ja, driemaal, sprak Frank.
—En wat schreef je? vroeg zij, opnieuw regelmatig zacht snikkend in hare keel.
—Of je me vergeven woû, of ... of alles weêr worden kon als het geweest was. Ik bekende ongelijk.
—Je hadt het niet.
—Het is mogelijk. Ik weet het niet meer. Toen voelde ik het zoo. Ik wachtte en wachtte op een enkel woord van jou of van je vader. En ik kreeg niets.
—Neen niets! snikte zij. En toen?
—Wat zoû ik toen gedaan hebben?
—Waarom ben je niet zelf gekomen, o, waarom ben je niet eens zelf naar ons toe gekomen! vleide zij, smartelijk verwijtend.
Hij zweeg een oogenblik, zijne gedachte verzamelend, zich niet meer herinnerend.
—Zeg Frank? smeekte Eve. Waarom ben je zelf niet gekomen?
—Ik weet het niet meer! sprak hij suf.
—Heb je daar dan geen enkel oogenblik over gedacht?
—Ja, jawel! stamelde hij.
—Maar waarom dan niet?
Hij barstte in eene snikkende smart uit, zijne tranen opetend, radeloos.
—Omdat ik gebroken was: omdat ik me zoo ongelukkig voelde, zoo ontzettend ongelukkig. Ik had altijd cynisch gedacht over vrouwen en van ze te houden en dat alles en toen ... toen met jou ...!! Het was zoo nieuw, zoo frisch voor me, ik voelde me als een jongen, ik was verliefd op je en ik hield van je, ook niet alleen omdat je mooi was, maar om alles wat je zei of deê, omdat je was zooals je was, zoo kalm altijd en zoo lief ... o God, ik aanbad je. En toen is dat alles gekomen, dat getwijfel en die akeligheden, ik weet het nu alles niet meer en ik voelde me toen zoo alleen, en zoo gebroken. Ik had toen maar willen doodgaan, o Eve, Eve!
—Je hadt dus berouw! En je kwam niet bij me?
—Neen!
—God, waarom niet?
—Ik heb willen komen!
—Waarom heb je het dan niet gedaan?
Weêr dacht hij even na, weêr suf.
—O ja: nu geloof ik, dat ik het weet! sprak hij langzaam. Ik wou naar je toe gaan en toen zei Bertie ...
—Wàt zei Bertie?
—Dat hij het misselijk van me zoû vinden als ik ging, laf, laag en misselijk.
—Waarom?
—Omdat je me niet vertrouwd hadt.
—En toen?
—Toen ... toen gaf ik hem gelijk en ben ik niet gekomen.
Zij wierp zich woest op eene bank, brekend onder hare smart, die steeds in haar snikte en snikte.
—Dus omdat Bertie zei ...! kreet zij verwijtend.
—Ja, alleen om hem! sprak hij dof! O God, alleen om hem ...
Zij zwegen. Toen richtte Eve zich op en zij rilde. Haar gelaat was wit, als zonder bloed, hare oogen staarden als met krankzinnige blikken van verweerd glas.
—O Frank! riep zij. Frank, ik word zoo bang! Daar komt het!
—Wat is er? vroeg hij, zacht verschrikt ...
—Ik voel het over me heen komen! kermde zij steenend. Het is net een ver geluid van een donder, zoo dreunend in mijne ooren en in mijn hoofd. O God, daar komt het, Frank, o Frank! Daar is het, boven me, boven me!! Het dondert boven me!!!
Zij sloeg, gillend, met haar arm zenuwachtig angstig in de lucht, iets wegwerend, en geheel haar tenger lichaam schudde als met geheimzinnige electrische trillingen. Heur adem stootte met schokken door hare keel. Toen wankelde zij en hij dacht, dat ze flauw zoû vallen en ving haar op in zijne armen.
—Eve, Eve! riep hij.
Zij liet zich door hem meêsleepen naar de bank, zonder weêrstand; trots hare hallucinatie, gelukkig in zijne omhelzing, en zij bleef daar zitten tegen hem aan, in zijn arm, zich dringend tegen zijne borst.
—Eve, toe Eve! smeekte hij. Wat heb je?
—Het dreunt nu weg, fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Ja, nu, nu is het weg ... Dat komt zoo over me in den laatsten tijd, heel dikwijls: het bruist aan, heel langzaam en zachtjes, en dan bruist het daverend boven mijn hoofd en dan weg, ver weg sterft het weg ... En daarna ben ik zoo bang; het is of het een angst is, die over me heen bruist en die me zoo bang maakt. Wat zoû het zijn?
—Ik weet het niet. Overspanning misschien? troostte hij.
—O, hoû me zoo, smeekte ze lief. Hoû me zoo tegen je aan. Anders, als ik alleen ben, en het is over me heen gegaan, dan blijf ik zoo doodsbang achter, maar nu, nu heb ik jou, nu heb ik je weêr: je zal me niet meer van je af gooien, en je zal me beschermen, je arm kind, je Eve, nietwaar? O ja, nu heb ik je weêr! Ik voelde het, dat ik je ééns weêr zoû krijgen en iederen zomer drong ik er bij papa op aan naar Scheveningen te gaan, omdat ik zoo een idee had, dat ook jij weêr eens in Holland zoû komen, in Den Haag, in Scheveningen en dat als we elkaâr moesten ontmoeten, het hier zoû zijn ... En nu is het ook zoo uitgekomen en nu heb ik je weêr ... Hoû me dicht tegen je aan, zoo in beide je armen, in beide ... Dan zal ik niet meer bang zijn ...
Zij vlijde zich dichter en dichter tegen zijne borst, haar hoofd op zijne schouder, en toen, met de stem van een kind:
—Kijk eens! sprak ze en ze toonde hem haar pols.
—Wat? vroeg hij.
—Dat litteeken ... Dat heb jij gedaan.
—Heb ik ...!
—Ja ... Je hadt me zóó aan mijn polsen beet ...
Hij gevoelde zich troosteloos weemoedig, zelfs trots haar weêrbezit, en hij zoende den smallen streep van het litteeken met kleine kusjes. Zij lachte even.
—Het is een armband! schertste zij.
V.
Plotseling schrikte hij echter op.
—Eve ... begon hij, zich bedenkend. Wie? Waarom?
—Wat? vroeg zij, zacht lachend en wat moê, na die hallucinatie van donder.
—Die brieven en William ... Waarom? Wat kon het William schelen? Louter nieuwsgierigheid om ze te lezen?
—Dan had hij toch zoo ruw niet dien eenen brief van Kate weggerukt. Neen, neen ...