[14]
Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven,Fjeldeventyret, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt thans nog wel met succes gespeeld.
Bjerregaard is thans bijna alleen nog bekend door een vroolijk stukje, dat hij eenige jaren vroeger (in 1824) had geschreven,Fjeldeventyret, het eerste Noorsche tooneelwerk, wat librettoachtig en zonder diepte, maar frisch en vrij van litteraire dogma's. Het wordt thans nog wel met succes gespeeld.
[15]
Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van 1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13eeeuw Snorri Sturlason.
Geschiedenis van Olaf den Heiligen (Noorweegsch koning van 1015-1030) door den IJslandschen geschiedschrijver der 13eeeuw Snorri Sturlason.
[16]
De Unges Forbundis van 1869, dus drie jaar ouder danKejser og Galilæer. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de historische studien voor zijn groot drama bezig.
De Unges Forbundis van 1869, dus drie jaar ouder danKejser og Galilæer. Maar reeds sedert 1864 was de dichter met de historische studien voor zijn groot drama bezig.
In 1834 had Welhaven gevraagd, wat de herinnering aan een groot voorgeslacht baat, wanneer zij niet tot eigen daden aanspoort. In de jaren 1860-70 zouden dergelijke tonen klinken, maar nog scherper en nog meer op den man af. Een bijzonder geluid zouden zij krijgen door politieke gebeurtenissen, die de tegenstelling tusschen droom en werkelijkheid in een pijnlijk licht zouden stellen.
De romantiek had de poëzie ver van de werkelijkheid weggevoerd. Den helden uit de oudheid kon men de eigenschappen toedichten, die men wilde. Men kon hen laten bezield zijn door groote hartstochten en groote gedachten; zelfs hun misdaden konden het gevolg zijn van gebreken, die nu eenmaal met groote karakters onafscheidelijk verbonden waren. Ook de maatschappij, waarin zij geleefd hebben, behoorde tot het verleden; de dichters konden die vormen,zooals zij wilden. Maar voor dichters, die niet geheel in eene fantastische wereld leefden, lag de vergelijking met de werkelijkheid voor de hand. En wanneer men daartoe overging, waren verder twee dingen mogelijk. Of men bracht het oude type korter bij dat van den eigen tijd en dempte zoodoende de kloof. Zóó deden eigenlijk van den beginne af die poëten, voor wie de oudheid slechts costuum leverde. Op deze wijze was het mogelijk, de romantiek voort te zetten. Maar dan was het ook niet veel meer dan een spelletje. Of men legde den maatstaf der geïdealiseerde helden aan den eigen tijd aan, en men kwam tot een veroordeeling van dezen. Dezen weg is Ibsen gegaan.Dathij hem ging, ligt in zijn aanleg en in de natuurlijke ontwikkeling van het geestesleven; de romantiek moest haar tegenstelling voortbrengen. De wijze, waarop hij hem gegaan is, is in hoofdzaak door de gebeurtenissen van 1864 bepaald.
Een gewichtige stap in de nieuwe richting heeft Ibsen echter reeds in 1862 gedaan; reedsKærlighedens Komedietoont de beginnende reactie tegen de romantiek, die inBrandenPeer Gyntwordt voortgezet.
'Reactie' is slechts tot op zekere hoogte het juiste woord. De kritiek geldt niet de schildering van ideale personen, maar het goede geloof, dat de werkelijkheid aan die schildering beantwoordt. Idealist, als Ibsen is, houdt hij nog de geïdealiseerde personen voor de normale, maar hij plaatst hen in het milieu van zijn tijd en toont in het conflict, dat hierdoor ontstaat, wat de tijd te kort schiet. Falk en Svanhild, Brand zijn romantische figuren in hoogste potentie, maar geplaatst in een nieuw daglicht,—dat van heden. Van des dichters standpunt is het begrijpelijk, dat Brand op het verwijt, dat hij ziek is, antwoordt: "Neen, gezond en frisch, als de pijnboom op de hoogte, als de jeneverstruik op den heuvel; maar het is het zieke geslacht van den tijd, dat behoefte heeft, om genezen te worden." Pas inPeer Gyntlaat Ibsen de ideale figuur los en stelt daarvoor den met volksromantiek gevulden droomer in de plaats. Deze drie stukken vormen zoodoende een overgang van het historisch-romantisch drama naar het metDe Unges Forbundbeginnende realistische drama. Van ééne zijde vertegenwoordigen zij het uiterste standpunt der romantiek, van de andere zijde, door den achtergrond, dien de werkelijkheid vormt, het begin van het realisme.
In de ontwikkeling van Ibsen, als geheel beschouwd, vormen de drie genoemde stukken een overgangslid. Maar door hun monumentale beteekenis vormen zij een zelfstandige groep. Zij hebben ook gemeenschappelijke kenteekenen in gedachteninhoud en in vorm. Hun gemeenschappelijke gedachte ligt in de vraag: "wat wordt er van het ideaal in eene maatschappij vanhalve menschen?" In het realistisch drama draait de dichter later de vraag om en laat haar luiden: "wat wordt er van menschen zonder ideaal?" Wat den vorm betreft, hebben de drie drama's gemeen, dat zij in overeenstemming met de verheven stemming in verzen geschreven zijn. Met den overgang naar het realistisch drama gaat Ibsen tot de taal van het gewone leven, het proza, over.
Omtrent de directe aanleiding tot het schrijven vanKærlighedens Komedie(De Comedie der Liefde) weten wij niet veel. Er wordt een zeker verband aangenomen met den romanAmtmandens Døtrevan Camilla Collett (1855). Deze begaafde vrouw was opgekomen tegen het conventie-huwelijk vóór het huwelijk uit liefde. Ook op eene andere wijze bestaat er, naar het schijnt, een samenhang tusschen Camilla Collett enKærlighedens Komedie. In de jaren, toen de vijandschap tusschen haar broeder (Wergeland) en Welhaven het heftigst woedde, bestond er een innige vriendschap tusschen haar en Welhaven. Deze vriendschap, die niet tot een verbinding geleid heeft, schijnt Ibsen bekend te zijn geweest, en Camilla uit zich ook over Ibsen's drama op eene wijze, waaruit blijkt, dat zij daarbij aan haar jeugdgevoelens denkt. (Zie hierover Mathilde Schjøtt in haar opstel over Camilla Collett).
Bij Ibsen is niet alleen de conclusie, maar ookde vraag, die gesteld wordt, eene andere. De vraag is niet, hoe een huwelijk het best terecht zal komen, door liefde of door een ander middel, maar hoe er van de liefde wat terecht zal komen. En het antwoord luidt: niet door het huwelijk. En wanneer men goed toeziet, dan zijn hier de maatschappelijke conventies, die als moordenaars der liefde worden aangevoerd, nog niet eens haar ergste vijanden. Tegen dezen zouden Falk en Svanhild het nog opgenomen hebben. Maar het is de begeerte, het is het eeuwige samenzijn, het zijn de eischen, die de partijen onherroepelijk op den duur aan elkaar gaan stellen, waarop ten slotte het sterke gevoel schipbreuk moet lijden. Door deze gezichtspunten isKærlighedens Komedieniet uitsluitend een maatschappelijke satyre, maar een diep menschelijk gedicht. Falk en Svanhild worden zich bewust, dat ook hun gevoel, hoe sterk ook, toch tegen het leven niet bestand zal zijn; maar hun liefde langzaam te zien sterven, daarvoor huiveren zij. Liever moet zij jong en frisch sterven en daardoor naar een hoogere sfeer worden overgebracht. Zij kiezen den eenigen uitweg, die hun van hun ideaal standpunt overblijft,—zij besluiten, van elkander te gaan en elkander in de herinnering te bewaren—'voor de eeuwigheid te winnen', heet het hier,—liever dan hun liefde in het leven te zien ondergaan. Zij doen dit echter niet klagend, maardankend: "Nu kan ik jeblijmissen voor dit leven", is de afscheidsgroet.
Het spreekt wel van zelf, datKærlighedens Komedieniet verstaan, en dus ook niet vriendelijk ontvangen werd, en dat over de moraal van het stuk heel wat dwaze oordeelvellingen zijn uitgesproken. Als recept voor de practijk is het ook zeker niet van algemeene bruikbaarheid, maar dat was ook ongetwijfeld niet de bedoeling van het drama, en de moralisten behoeven niet te vreezen, dat Falk en Svanhild veel navolgers zullen vinden. Het is niet alleen door idealisme gedragen, de gedachte is ook volkomen consequent doorgevoerd, en eene machtige poëzie maakt hier natuurlijk, wat in het leven althans zelden voorkomt. In macht van poëtische uitdrukking is hier een hoogtepunt bereikt.
Kærlighedens Komedieis echter niet alleen een hoog-romantisch gedicht, het is ook eene scherpe satyre. Tegenover Falk en Svanhild, wier liefde als een vuurpijl de lucht in gaat en in scheiding haar hoogtepunt bereikt, worden een aantal andere paren geplaatst, van verschillenden leeftijd: jong-verloofden, lang verloofden, lang gehuwden, eene weduwe. In deze menschen wordt de liefde, zooals zij zich in de maatschappij openbaart, bespot. Nuchterheid, bezorgdheid voor het dagelijksch brood, gebrek aan moed, aan vreugde, aan poëzie,—ziedaarde verwijten, die allen treffen. Falk onttrekt zich aan dit gild der vrijenden en huwenden, en hier valt hij aan het einde met zijn dichter samen. Een studentenquartet komt, om Lind op te halen, die met hen de bergen in zou gaan. Maar Lind is nu verloofd, wat een tante aanleiding geeft, om te zeggen: "zoodat jullie begrijpen kunt, dat hij in het groen niets te zoeken heeft." In plaats van Lind gaat Falk mee. Als de studenten klagen, dat zij nu hun tenor missen, verschijnt Falk en zegt: "dien zing ik in het koor van Noorwegens jeugd."
De tenor uit het quartet is de dichter, naar wien het jonge Noorwegen reeds luistert. Hij bezit een instrument met dubbelen klankbodem, "één hoog, voor de vreugde van het leven, en één, die beneden trilt, diep en lang."
Gansch anders is de stemming inBrand. Maar tusschenKærlighedens KomedieenBrandligt het jaar 1864, dat op eene heel andere wijze de werkelijkheid naar voren bracht dan de waarneming, dat de liefde niet altijd tot den jongsten snik bewaard blijft, dat doet.
Wij moeten ons de stemmingen voor den geest brengen, die sedert ca. 1850 ten opzichte van Denemarken heerschten. De tegenstelling tusschen de ultra-patriotten en de vrienden van Denemarken, die omstreeks 1830 in den strijd tusschen Wergeland en Welhaven tot uitingwas gekomen, was van karakter veranderd. De volksromantiek had de Denenvrienden tot een bij uitstek nationale partij gemaakt, en van de andere zijde hadden vele patriotten van de oude soort hun vaderlandsch gevoel onder zekere reserves tot de broedervolken uitgestrekt, en zoo was dan het Skandinavisme geboren. Anti-Deensch was men nog, waar het er op aankwam, een overwegenden invloed van Deensche instellingen tegen te gaan. In de zaken, bij voorbeeld, die het theater betroffen, hebben Ibsen en Bjørnson, beide anders groote vrienden van Denemarken, heftig gestreden voor het bevorderen van Noorsche kunst en het weren van Deensche tooneelspelers. Op gelijke wijze was men op bepaalde punten—al zulke, die het bestuur van het land aangingen—anti-Zweedsch. Maar deze dingen beschouwde men bij voorkeur als interne geschilpunten, die niet meetelden, wanneer de familie der 'broedervolken' tegenover vreemden kwam te staan. Hier trok men één lijn en stelde men zich ook voor, als één man te staan. Naast het bijzonder-Noorweegsch patriottisme ontwikkelde zich dus zeer sterk een Skandinavisch patriottisme; slechts eene kleine minderheid, die in die jaren niet zeer luid sprak en waarnaar nog minder geluisterd werd, wees de toenadering tot Denemarken en Zweden van de hand. In de beide andere landen ontwikkelden zich in die jarengelijksoortige gevoelens, en deze werden versterkt door de gebeurtenissen in naburige landen, met name de sterke machtsontwikkeling van Pruisen, waarvan men gemeenschappelijke gevaren duchtte. Met het ideaal van Noorwegens zelfstandigheid lieten deze gevoelens zich vereenigen in de voorstelling van drie zelfstandige staten, die elkander naar buiten zouden steunen, terwijl zij hun onderlinge betrekkingen in vrijheid zouden regelen. Het enthousiasme voor het Skandinavisme uitte zich in feestelijke bijeenkomsten zooals de hierboven (p. 40) genoemde studentensamenkomst te Upsala in 1856, waarbij Bjørnson tegenwoordig was.
Toen kwam het jaar, waarin de broederlijke gevoelens de vuurproef zouden doorstaan. In 1864 begon Pruisen den oorlog tegen Denemarken. Ofschoon Karel XV den wensch koesterde, het aangevallen land te hulp te komen, werd door de regeeringen in Stockholm en in Kristiania anders besloten, en het Noorsche Storting hield zich rustig. In het Studentenverbond echter besloot men, een adres aan de Deensche studenten te zenden, ten einde uitdrukking te geven aan meegevoel.
Deze houding van Noorwegen heeft op Ibsen een diepen indruk gemaakt en de pessimistische stemming doen rijpen, die inBrandtot uiting komt.
Wij kunnen in Ibsen's werken, vooral in gedichten, de stemmingen nagaan, waarmee hij degebeurtenissen gevolgd heeft. Reeds werd er hierboven op gewezen, dat inKongsemnernede gedachte aan een in broederschap vereenigd Skandinavië herkend kan worden in Hakons groote koningsgedachte. Maar er bestaan ook veel directer aanduidingen. Reeds in 1849 schreef Ibsen naar aanleiding van den eersten Sleeswijkschen oorlog een 'oproep aan de Noorsche en Zweedsche broeders' onder den titelVaagner, Skandinaver!, waarin onder anderen gewezen wordt op het gevaar, dat ook hen bedreigt (Efterladte Skrifter I, 31). In 1851 bracht hij Denemarken hulde in een gedicht ter gelegenheid van een Deensch-Noorsch studentencongres (For Danmark, Efterladte Skr. I, 87). In 1863 riep hij in een welsprekend gedicht,En Broder i Nød, zijn landgenooten op, om de zijde van Denemarken te kiezen, voor het te laat is. Dan valt de slag, en Ibsen verlaat Noorwegen. Een gedicht van 1864 uit Rome:Troens Grund(De Grond van het Geloof) bericht op sarcastische wijze van een ervaring op die reis. De dichter had, zoo zegt hij, zijn oproep (d.i.En Broder i Nød) over zijn volk geslingerd; hij ging op reis. In de kajuit converseerden de passagiers over den val van Dybbøl, over de jonge Noorsche vrijwilligers. Inderdaad, van één was een neef weggeloopen, een ander miste zijn handelsbediende; men had dus belang bij de zaak. Op de sofazat een oude dame, flink en ferm; velen troostten haar of spraken bezorgdheid uit over haar eenigen zoon. Maar vol vertrouwen knikt zij; overhemis zij gerust. De dichter bewondert haar en vindt, dat zijn volk toch nog leeft in het geloof der vrouw. Tot het blijkt, wat de grond van haar zekerheid is. Haar zoon was krijgsman in het Noorsche leger.
Interessant is het gedichtTil de Medskyldige(Aan de Medeschuldigen), een inleidende groep strofen bij de fragmenten van den epischenBrand,—een voorstudie voor het drama, dat denzelfden titel voert,—die na Ibsen's dood het licht zagen. Hier ontmoeten wij een positieve breuk met de nationale romantiek. 'Medeschuldig' noemt hij zijn landgenooten; de ware schuldigen echter zijn de dichters, is hij zelf ook. Het volk was dood, maar de dichters hebben het lijk met bloemen getooid en gedaan, of het levend was. In den nacht van het heden hebben zij gezongen over den dag van het verleden, maar zij hebben verzuimd, deze vraag te stellen:
"Kan den med Rette tage Arvens Skat,som fattes Haanden, der skal Arven løfte?"
"Kan den med Rette tage Arvens Skat,som fattes Haanden, der skal Arven løfte?"
(Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?)
(Kan hij met recht den schat van het erfgoed zich toe-eigenen, die de hand mist, welk het erfgoed moet opnemen?)
Niet alleen de gedachte is van Welhaven; ook de woorden herinneren direct aan deze verzen uit Norges Dæmring:
"Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder,kan ei fortabes, er en hellig arv,der falder renterig til Folkets Tarv,naar det kan hæve den med voxne Hænder!"
"Ti Glandsen, der i Ahne-Hallen brænder,kan ei fortabes, er en hellig arv,der falder renterig til Folkets Tarv,naar det kan hæve den med voxne Hænder!"
(Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen).
(Want de glans, die brandt in de hal der voorvaderen, kan niet verloren gaan, is een heilig erfgoed, dat rentegevend het volk ten goede komt, wanneer dit het met volwassen handen kan opnemen).
In de situatie en in de stemming bestaat echter dit verschil, dat Welhaven in 1834 zich ergerde over leege blufferij, terwijl de daden nog op zich laten wachten, maar de hoop uitspreekt, dat het eenmaal anders zal worden. In 1864 is het Noorweegsche volk werkeloos gebleven, waar handeling vereischt werd. Ibsen verklaart het volk voor dood. Het zou lang duren, voor Ibsen de indrukken van 1864 kon vergeten. Pruisen blijft voor hem het land van bruut geweld. In 1870 laat hij zich daarover scherp uit in zijnBallonbrev til en svensk dame, waaruit ik alleen deze twee verzen citeer:
"Thi mod skønhed hungrer tiden,Men det ved ei Bismarck's viden."
"Thi mod skønhed hungrer tiden,Men det ved ei Bismarck's viden."
(Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's wijsheid niet).
(Want naar schoonheid hunkert de tijd; maar dat weet Bismarck's wijsheid niet).
En nog eenmaal geeft hij zeer scherp lucht aan zijn gevoelens in 1872 naar aanleiding van eene rede van Bjørnson. Ook deze dichter hadde gebeurtenissen van 1864 met spanning gevolgd. Ook hij had aansporingen uitgezonden, om Denemarken te hulp te komen, en na den val van Dybbøl klaagde hij:Da Norge ikke vilde hjælpe. In 1870 was men in Skandinavië zeer gespannen. Men wachtte van eene Fransche overwinning herstel voor Denemarken. De eerste berichten omtrent Duitsche overwinningen wilde men niet gelooven. Maar toen Frankrijk verslagen was, kwam Bjørnson tot de overtuiging, dat men 'de signalen moest veranderen'. En hij werd Pangermanist. Pangermanisme was slechts een verbreed Skandinavisme, datgene, waarop men af moest sturen, was een zelfstandig Noorwegen in Skandinavië en een zelfstandig Skandinavië in een groot Germanië. Hij ging zoover, daarover in Kopenhagen voordrachten te houden. Deze omslag van Bjørnson, door hem zeker eerlijk bedoeld, maar van weinig inzicht getuigend, veroorzaakte een levendigen pennestrijd. Ibsen nam daaraan tegen zijn gewoonte deel en schreefNordens Signaler(later opnieuw uitgegeven in Samlede Værker X, 567), een gedicht vol vlijmenden spot:
"Der er omslag ivente! klem paa med talerne!Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne."
"Der er omslag ivente! klem paa med talerne!Vejrhanen paa fløjen har forandret signalerne."
(Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan op den vleugel heeft de signalen veranderd).
(Er is omslag te wachten! Zet door met de toespraken! De weerhaan op den vleugel heeft de signalen veranderd).
Brandverscheen in 1866. Wie dit gedicht leest, zonder de invloeden te kennen, waaronder het ontstaan is, zal niet terstond bemerken, dat de Sleeswijksche oorlog daarvoor een zoo overwegende beteekenis gehad heeft. Wel bevat 'Brand' nog een aantal directe toespelingen; vooral de monoloog in het vijfde bedrijf is hier en daar tamelijk doorzichtig. Maar het drama zou niet de beteekenis voor de wereldlitteratuur hebben, die het heeft, indien de dichter het niet boven de gebeurtenissen van den dag verheven had. Het stuk speelt in Noorwegen, en de menschen, waarmee Brand te doen heeft, zijn Noorweegsche menschen, maar gelijke ervaringen had Brand overal kunnen opdoen. Brand is een idealist pur-sang, en hij wil de menschen in zijne omgeving tot idealisten maken, die als hij alles offeren aan een denkbeeld. Hij geraakt met allen in conflict en wordt uitgestooten. Dat het conflict van religieuzen aard is, is in zeker opzicht bijkomstig; immers het is niet de keuze van het ideaal, maar de trouw daaraan, waarover het stuk loopt. Er zijn personen, die trekken geleverd hebben voor de figuur van Brand. Maar dit betreft toch het uitwendige. Toevallige gebeurtenissen als deze, dat de predikant Lammers de staatskerk verliet, zijn niet de diepere grond voor het ontstaan van Brand. Evenmin als Agnes haar ontstaan er aan tedanken heeft, dat Ibsen eens in werkelijkheid getroffen is door een repliek, die hij later aan Agnes in den mond legt. Een reden, om Brand tot een religieuzen held te maken, is zeker wel geweest, dat het religieuze leven in Noorwegen zulk een rol speelde, dat men uit zoo vele monden de phrases kon hooren, waarmee Brand ernst maakt. Er was zeker geen gebied, waar de tegenstelling tusschen woord en handeling met meer klem kon worden duidelijk gemaakt, dan het religieuze.
Brand is een heele persoonlijkheid, en hij maakt op echt Ibsensche wijze zijn ideaal tot werkelijkheid. Niet door ook maar één proseliet te maken, maar door voor dat ideaal te leven en zijn leer met zijn dood te bezegelen. Wat hij zoekt, is Gods genade, maar hij is overtuigd, dat deze alleen door offers te verkrijgen is. Brand's laatste verzoeking, nadat de menigte hem met steenen verdreven heeft, bestaat in het visioen van Agnes, die hij verloren heeft. De verschijning wil hem overtuigen, dat zijn strijd vergeefsch is, dat hij haar terug zal krijgen, wanneer hij afziet van zijn eisch: 'alles of niets'. Maar hij erkent in het visioen een list van Satan, en hij wijst het terug. Nu eerst kan hij weenen en juichen; nu klinkt, wanneer de lawine hem bedekt, de mystieke stem: 'Hij is deus caritatis'.
Ibsen zegt in een zijner brieven (Breve I, 254), datKærlighedens Komedieeen voorloopervanBrandis. Hij heeft op deze plaats het oog op de kritische zijde van beide stukken en zegt, dat hij in het eerste geschilderd heeft 'de in onze sociale verhoudingen heerschende tegenstelling tusschen de werkelijkheid en den idealen eisch in alles, wat liefde en huwelijk aangaat'. Uit den samenhang blijkt, dat in 'Brand' dezelfde tegenstelling op religieus gebied wordt aangetoond,—natuurlijk niet in de hoofdpersoon, maar in de overigen. Maar de samenhang bestaat ook in de levensopvatting en karakterontwikkeling der helden. Brand's 'eeuwig bezit men slechts het verlorene' herhaalt Falk's 'nu heb ik je voor dit leven verloren, maar ik heb je gewonnen voor de eeuwigheid'. Slechts is de uitdrukking nog praegnanter geworden. De kristalliseering der gedachte tot woorddiamant heeft plaats gehad.
OpBrandvolgt in 1867Peer Gynt. Nog heeft Ibsen met zijn volk niet afgerekend. Ditmaal echter zendt hij niet een boetepredikant onder hen, maar hij voert het volk zelf ten tooneele in één typischen representant. Peer Gynt is niet een Noorweger, maar het Noorweegsche volk, zooals de dichter het ziet. Zijn voornaamste eigenschappen zijn neiging tot grootspraak en karakterloosheid. Hij redeneert veel over het begrip, 'zich zelf te zijn', maar in zijn devies heeft hij, zonder het te bemerken,achter het woord 'zelf' het woord 'genoeg' geschreven. Hij is zich zelf genoeg, een egoïst in plaats van een persoonlijkheid. Zijn levenswandel getuigt daarvan, en daarom wordt ook aan het einde verklaard, dat hij zich zelf heeft uitgewischt. De hoofdoorzaak van zijne geestelijke lamheid is gebrek aan gevoel voor de werkelijkheid. Hij is een fantast, die leugen en waarheid niet onderscheiden kan. Dit komt van zijne opvoeding; zijne moeder heeft hem opgevoed met sprookjes, die gebruikt werden met hetzelfde doel, waarmee een ander brandewijn gebruikt,—om de zorgen te vergeten. Hier wordt de romantiek rechtstreeks veroordeeld als de geestesrichting, die het Noorweegsche volk in een droomwereld heeft doen verdwalen. (Men vergelijke het hierboven geciteerde gedicht: 'Aan de Medeschuldigen').
In gelijke mate als vanBrandgeldt vanPeer Gynt, dat de dichter de stof boven den strijd van den dag verheven heeft. Het nationale geeft de toonsoort aan, waarin het stuk gestemd is, maar het menschelijke overweegt; inPeer Gyntkan ieder zich zelf terugvinden. De grootere afstand in den tijd van de dingen, die den dichter ontstemd hadden, heeft ook zekere verzachting meegebracht. De spot is scherp, maar het beteekent toch al een verandering, dat er gespot en niet gevloekt wordt. Naast den spot treedt ook—in tegenstelling metBrandeenelement van meegevoel op. Daaraan hebben wij te danken, dat Peer Gynt een levend individu is geworden. Misschien is dit wel de hoofdverdienste van het dichtwerk. Hierover zou veel te zeggen zijn; ik moet mij echter beperken en verwijs daarom naar hetgeen ik hierover in 1919 in het tijdschrift Neophilologus geschreven heb.
Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en allegorie.
DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.
Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen geheel-Noorsche taal.
De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat verouderd was of daarvoor werd aangezien,—integendeel, zij gaf uiting aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering. Wanneer men tot dusverre schreeflade, rige, løbe, dan sprak menlate, rike, løpe, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend had. Men begint nu opdeze wijze te schrijven en brengt door deze archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in andere gevallen.
De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. Knudsen, die schreefHaandbok i dansk-norsk Sproglære(1856). Tevens werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het belangrijkste werk, van denzelfden schrijverUnorsk og Norsk(1879-81).
De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.
De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.
Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van kunstmatige talen mag zeggen—deze kunstmatige taal is eene levende geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de eenheid der Noorweegsche dialecten.
Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht hebben. Maar niet alleen hun energie,—niet minder hun genie. Want het verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor het grootstedeel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner gedachten gemaakt hebben.
De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen, een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesprokenen geschrevenwerd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van de Noorweegsche volkstaal:Det norske Folkesprogs Grammatik(1848, in tweede uitgave van 1864 betiteldNorsk Grammatik), waarop een woordenboek volgde:Ordbog over det norske Folkesprogs(1850; laterNorsk Ordbog1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uitandere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen voor 'maalstræv' (stræv, het streven, werken voor iets), en het doel werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.
Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan opnieuw. De taal, die de meeste concessiesdoet, is het bymaal; de laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt.
De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens een eerstepoging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal ontstaan. Zelf schreef hij in zijn bladFram(1871-73) een dialect uit Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske (de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is echter in het landsmaal nog niet bereikt.
Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen. Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden wetsvoorstellen in beide talen ingediend.
Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van eenhusmand, d.i. een kleinen boer, die op eenplads(kleine boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg. Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man, die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft. Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren, is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft, tot de bekwaamstemannen van het land behoort. Die kennis echter vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven. Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden. Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dathij geen aanstoot geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen deed hij een heftigen aanval op de regeering—en werd ontslagen.
Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven, die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een humorist.
Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven. Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.
Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870 verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen gevuld heeft,Dølen('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen, van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.
Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het zijn die gevoelsinhouden, diestijl, die eigenaardige combinaties, die humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door kende.Dølenwerd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan. Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige maanden, wanneer men hem dood waande, stakDølendan plotseling weer het hoofd op.
Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken staat hier bovenaanFerdaminni(Reisherinneringen), een boek, dat eerst stuksgewijze inDølenis verschenen.Ferdaminniis de beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860 maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelthier op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd werd.
Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson'sArne(de tweede dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en eenhusmand, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormende boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd billijk beoordeeld, maar wanneer hij inFerdaminnien elders hun zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen romantiek.
Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen'sBrand. In de dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat eerst naar eene vignetteekening den naamManden(De Man) kreeg en later omgedoopt is totAndhrimnir(de naam van den kok in Valholl).Dit blad was een navolging van het Deensche bladCorsaren, dat door Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen. Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche waardeering was er ook niet. InPeer Gyntontmoeten wij Vinje als Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der orangoetangs te spreken. ToenBrandverscheen, heeft Vinje dit dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan. "Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel; Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden hebben niet nagelaten, in zijn kritieken opArneen opBranduitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel, is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren, dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten, kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch' schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair succes.
Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is het wel, dat iemand zijn leven geeft vooreen denkbeeld, dat in de practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte is hem te abstract.
Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat, wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt samen met zijn beter inzicht in de realiteit.
Vinje's belangrijkste levenswerk—men moge het prijzen of laken—is dat, wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor geijverd,—dat is één ding, maar vooral—hij heeft het gebruikt, en hij heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.
Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden, die opgenomen is in zijn gedichtencyclusStoregut.
Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is. Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naastFerdaminni, Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclusStoregut. Wat de compositie betreft, kan menStoregutvergelijken metArnljot Gellineof met Runeberg'sFänrik Staals Sägner: het is een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn ware meesterstukken onder.
Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoeook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo subjectief als Vinje, dieBrandvoor een farce aanziet, geen psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama geschreven,Olav digre, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.
Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is. De stukken, die gereed waren, heeft hij inDølenuitgegeven.Staaleheet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een onafhankelijk man, die zijneigen weg gaat, in de maatschappij mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort schiet.Staaleis dan ook veel minder gelukt danStoregut.
Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland in:Bretland og Breterne. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden, waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten—de Times liet zich zeer onvriendelijk uit—, en daarmee was zijn uitzicht op succes in den vreemde afgesneden.
Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht: men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft. Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij geschreven heeft, maarhoehij geschreven heeft, eerst in bymaal, daarna—het meeste en het best—inlandsmaal. Die beteekenis zal pas algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen, dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen, want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.