HET REALISME.
Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk, waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat, godsdienst. In Denemarkendoet de nieuwe richting haar intocht in de epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.
Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken, is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt is, dit doel te bereiken. De leus kontrouwens gepaard gaan met andere leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin, dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is. Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,—en dat hebben alle dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee richtingen ontwikkelen. Òf men gaat den eisch van het realisme steeds strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid nabij te komen,—het zoogenaamde naturalisme,—òf men laat het realisme als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel, dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat. Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.
Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813 is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.
Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd, waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde,heeft zij sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.
Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad (den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in 1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in 1855 haar hoofdwerkAmtmandens Døtre, het eerste der talrijke Noorsche boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven:Fortællinger(1861),I de lange Nætter, Sidste Blade(3 verzamelingen 1868-73),Fra de stummes Leir(1878),Mod Strømmen(1879). Op den duur neemt zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar eerste roman opkwam voor de liefde—in plaats van conventie—als grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek in het potsierlijke; mannen als Goethe enByron vinden weinig genade in haar oogen.
Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boekMod Strømmen(Tegen den Stroom) mocht eerderMed Strømmenheeten; toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor modern wilden doorgaan.
Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870, als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een probleem debatteert'.
Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig realistisch waren. Nu zou het anders worden.
Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist. Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn, en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn 'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner enbezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen, zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere werken. Kritiek op de maatschappij—een der hoofdpunten van het jonge programma—komt bij hem reeds in 1862 voor inKærlighedens Komedie.Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later. Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het maatschappelijk leven. InKærlighedens Komedieis het nog een bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn Falk en Svanhild een utopie. InEn Folkefiendedaarentegen is de held een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,—wat alle anderen ook zeggen te willen,—en die met zijn omgeving in strijd raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch leven, het proza,gekozen wordt, en dat de personen meer geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een enkele repliek kent.
Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' isDe Unges Forbundvan 1869. Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijkwas. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd[17]. En hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18].
Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant, staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen; tegen dit verbond—het ware verbond der jongeren.—is de vooze demagogie niet bestand.
Men heeft Ibsen verweten, dat hij inDe Unges Forbundzich tegen 'de partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld Vetle Vislie in zijn boek over Vinje.Ibsen zou in dit stuk de woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk. Geen ding toont misschien duidelijker danDe Unges Forbund, hoe ver de dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter verwachtingen had van de oude aristocratie—mits deze zich vernieuwde. Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.
TusschenDe Unges ForbundenSamfundets Støtterliggen acht jaar (1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig metKejser og Galilæer, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken is.
MetSamfundets Støtter(1877) begint een ononderbroken reeks moderne drama's. Weldra volgenEt Dukkehjem(1879),Gengangere(1881),En Folkefiende(1882),Vildanden(1884). In al deze stukken wordt de werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedtook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste pessimisme.
InSamfundets Støttergeldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken; Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om Bernick's geweten wakker te schudden. Zóógroot is het geloof van den dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de geesten van waarheid en vrijheid.
Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",—abstracter kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw, die alleen naar de stem van haar hart luisterten zich aan geen enkele consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in dezen zin zijn reeds Aurelia inCatilina, later Solvejg inPeer Gynt. En Ella Renthejm inJohn Gabriel Borkmanbehoort tot dezelfde categorie.
Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak, die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde.Et Dukkehjemis een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap terug te houden.
InGengangereis de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die aanEt Dukkehjemten deel viel, wordt beantwoord door een scherper stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardighuwelijk leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar huwelijk uit te blusschen.
Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin zich zulk een frissche strijdlust openbaart alsEn Folkefiende. De ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar. Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op, maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden, maar alle partijen, conservatief en radicaal,—anders elkanders gezworen vijanden,—vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen. Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de oppositiepers werken broederlijksamen, om Stockman onmogelijk te maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk. Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld hij is, die het meest alleen staat.
De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend, als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing, de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en wiens originaliteit hierin bestaat, dathij er een 'gud døde mig' aan toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet, Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood, als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet, welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien, dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel der echtheid.
En dan komtVildanden(De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht, waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt. De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt: "mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens,"en die verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen moet de dichter vanBrandgehad hebben, voor hij zóó iets schrijven kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat hij de dertiende man aan tafel is.
En toch—het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene vrouw, die zit te wachten op het wonder,—dat een ander verrichten zal,—maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook inDe wilde Eendeen ideale figuur, die aan één zaak alles offert, tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven inphrases is ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal; in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop vanVildandenhet geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.
Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest. Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de 'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuurvan den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen reflecteert zich het menschelijke.
In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land, en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken, novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke werkkracht.Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook zijn kunst ondergeschikt.
Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' isDe Nygifte(De pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren:RedaktørenenEn Fallit(1875),Kongen(1877),Leonarda(1879),Det ny System(1879),En Hanske(1883),Over Ævne, I (1885), II (1895),Geografi og Kærlighed(1885),Paul Lange og Tora Parsberg(1899),Laboremus(1901),Paa Storhove(1902),Daglannet(1904),Naar den ny vin blomstrer(1909). Vertellingen uit dezelfde periode zijn:Magnhild(1877),Kaptejn Mansana(1879),Stöv(1882),Det flager i Byen og paa Havnen(1884),Paa Guds Veje(1889),Nye Fortællinger(1899),Mary(1906).
In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of andere meening of waarheid,—dikwijls eene zeer juiste,—die, naar hij meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de noodzakelijkheid van opvoeding inDet flager, van verdraagzaamheid inPaa Guds Veje Kongenis een preek over het thema, dat de republiek de eenig juiste regeeringsvorm is.En Hanskehandelt over de geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet, kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het schellinkje, zeer gewaardeerd.
Maar wanneer men het eerste gedeelte vanDet flagerleest, waarin Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven hiernamaals, terwijl dat plotseling anderswordt, zoodra Bjørnson ca. 1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het oordeel speelt de liefde eene rol,—en de liefde is naijverig.
Jonas Lie (1833—1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is, wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo stamt Lie in drieleden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur, die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden, in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om deze te objectiveeren.
Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen een goedevrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.
Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.
Toen Lie zijne eerste vertellingDen Fremsynte eller Billeder fra Nordland(De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland) uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelthoofdzakelijk in den vorm van een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke, zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst; zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft geput, om het leven vol te houden.
Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst belangrijk is, maar toch als eenzieke, niet als een wezen van hooger orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk leven te kort schiet.
De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met mythische wezens alsnøkken, draugen, tomtegubben, en hoe zij meer mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken. Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.
Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op. Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf. Misschien heeft hij inDen Fremsyntevoor goed of voor langen tijd afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te wetenDyre Rein(1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is. Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.
MetDen Fremsyntehad Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt. Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker—niet in ieder—opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken.Den Fremsyntewas een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte hij nog niet geheel, en vooral—hij had zich nog niet dien bijzonderen stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hijschreef, zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren, waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft ingenomen.
De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij metFamilien paa Giljezijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn vooreerst zijn schipperromansTremasteren Fremtiden(1872),Lodsen og hans Hustru(1874),Rutland(1880),Gaa Paa(1882). Deze sluiten in zooverre bijDen Fremsynteaan, als zij schilderingen bevatten uit het leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze boeken een gebeurtenis in de Noorschelitteratuur; er wordt een nieuw gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen. Hij kent hen van kind af aan.
Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken, waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd worden:Thomas Ross(1878),Adam Schrader(1879),Livsslaven(1883). Een eerste dramatische proeve isGrabows Kat(1880). Een afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedichtFaustina Strozzi(1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet van groote beteekenis.
Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens:Familien paa Gilje(1883),En Malstrøm(1884),Otte Fortællinger(1885),Kommandørens Døtre(1886),Et Samliv(1887),Majsa Jons(1888),Onde Magter(1890),Trold(2 verzamelingen novellen 1891-2),Niobe(1893),Lystige Koner(1894),Naar Sol gaat ned(1895),Dyre Rein(1896),Lindelin(1897),Faste Forland(1899),Wulffie & Comp(1900),Naar Jernteppet falder(1901),Ulfulgerne(1904).
Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.
Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen(Lodsen og hans Hustru, Gaa paa) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een positie weet te verschaffen. InGaa paais het een jonge man, die in armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in den beginne en het besluit, het niet op te geven.
Thomas Rossvertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan het schrijven, maar het eene fiasco volgt op hetandere. Hij geraakt in bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten. Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te houden.
Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw inFaste Forland, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde. Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden, maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een badplaats om tescheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te gemoet, en nu wordt Faste dichter.
Het klinkt als een sprookje—en toch is het werkelijkheid. Ook de mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den bijstand van Thomasine.
Het hoofdmotief vanFaste Forlandis de mislukte onderneming en het faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het hoofdmotief inEn Malstrøm, en het neemt een gewichtige plaats in inEt Samliven inNiobe. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van zeer verschillende zijden. InFaste Forlandis de slechte zakenman toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf niet gekend heeft; inEn MalstrømenNiobeontmoeten wij twee variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur), inEt Samlivis het de familievader, die op het punt is, in den ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen inde litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze. Voor Kielland (inFortuna) is het faillissement de onverantwoordelijke daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen, valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets dan gemeenheid en laagheid. Er komen inFortunaprachtige bladzijden voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk, dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen. Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is, maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den man, noch de daad,maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft, kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als het is gegaan.
Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw. Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden, vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities zijn onder anderen Susanne inDen Fremsynte, Bera inFaste Forland, Ely Falk inAdam Schrader, Ellen inNaar Jernteppet falder. Op het juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij, die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken.
De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (Livsslaven, waar de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.
InLodsen og hans Hustrubestaat voor de verdenking eenige aanleiding, en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn.gebrek aan vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man, die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal vallen, voortaan met parlement te regeeren. InAdam Schraderis het conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch, maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hijAdam Schraderschreef. Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling inNaar Sol gaar ned.Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man, een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie. Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.
Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood. Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.
Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werkenNaar Jernteppet falderin een der talrijke parallel loopende vertellingen van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis van het gemoed zijner vrouw. Watgaat er in haar om? Wat verbergt zij voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is; wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt, gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag, wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent, zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij bij haar was,—thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij tegenover haar uit, datzijhet is, aan wie hij getwijfeld heeft. De twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt. De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte in een geheel modern kleed.
Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts één tooneelstuk,Lystige Koner, is op dit motief opgebouwd. De behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.
Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt. Zulke zijn: de Kaptein inFamilien paar Gilje, Mads Foss inEn Malstrøm, de directeur inOnde Magter. In zulke families vinden wij huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' inFamilien paa Gilje, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.
Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren, wanneer zij zwak zijn en toegeven. InRutlandwil de jongen naar zee. De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en verzoent zich later met den vader. Dit ishet gunstigste verloop. InFamilien paa Giljemoeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit de eenige wijze is, om hen te verzorgen; inEn Malstrømis het nog erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; inKommandørens Døtre, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend, waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.
Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een gezin is dat van Dr. Baarwig inNiobe.
De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij zelf behoort tot de hoogere klasse, maarsedert zijn kindsheid heeft hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is. Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide, gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te wetenLivsslaven, uit de eerste periode, enMajsa Jons, een van zijn rijpste werken.Livsslavenis de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode, die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer een—nog eenigszins sentimenteele—poging, om meegevoel met den onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der standen. Veel belangrijker is de historie vanMajsa Jons, het naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid, die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.
Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden, ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel, waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.
Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is. Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uitDen Fremsynte. Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast elkaar staan stukken alsMoskenæsstrømmen, waarin natuurkrachten gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt,BylgjaenKværnkallen,die de mystieke indrukken schilderen, welke de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke alsHauk og Hadding, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch, onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort besproken romanDyre Rein. Interessant is in dit licht ook de kortenovelleØstenfor Sol og vestenfor Maane, waar tusschen de hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid—en moraal—proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.
Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn overige productie. Zijn tooneelstukkenGrabows Kat, Lystige Koner, Lindelin, Wulffie & Cie, ofschoon niet van belang ontbloot, staan verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen,Faustina Strozzien twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie, maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leverenechter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters persoon.
Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest, zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen, als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student, nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken,Novelletter, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele tooneelstukken):Garman og Worse(1880),Nye Novelletter(1880),Arbeidsfolk(1881),Else(1881),Skipper Worse(1882),To Novelletter fra Danmark(1882),Gift(1883),Fortuna(1884),Sne(1886),Tre Par(blijspel1886),Bettys Formynder(blijspel 1887),Sanct-Hansfest(1887),Professoren(blijspel 1888),Jacob(1891), eindelijk een bundel kleinere opstellenMennesker og Dyr(1892), een overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.
Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig. Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen. Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij. Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon. Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het publiek.
Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wateen modern dichter in 1880 te zeggen had,—kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen. En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger. Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen, en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.
En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.
In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten. In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook nietsdan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889) redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen neer.
Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt. Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, inGarman og Worseeen der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschilin de verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij inSkipper Worsediep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten, dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal, suggestieve kracht,—en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in hooge mate. Boeken alsEn Sankt-HansaftenenJacobkan men beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten. En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds in vollen gang.
In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een verkorte weergave van hetgeen ikhierover in 'De Gids' van Mei 1897 schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De intrigue vanGarman og Worseberust op de tegenstelling tusschen de deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end". Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug inArbeidsfolk, maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?
Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad voert, werd inGarman og Worsereedsaangeduid. InElsezien wij het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking grooter wordt.
Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere generatie, en hij schrijftSkipper Worse. De vergelijking voert tot het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd? Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld. Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het zijn zij,wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt, verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden, wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog maar in hardheid tegenover den arme.
Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wijGift(Vergif) te danken.Giftis Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft, de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het zelfstandigoordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.
De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de oorzaak, dat hij opGifttwee vervolgen geschreven heeft. Het eerste heetFortuna. De schooljongen uitGift, Abraham Løvdal, die bij zijn confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken, zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer. Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.
Eene voortzetting vanFortunaisSankt-Hans Fest. Maar daartusschen ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt.Naast de school werd inGiftde kerk geschetst als een der machten, die de zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, opGiftenFortunavolgtSne.
Sneis een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der heiligen—de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en bescheiden; stil gaat de vrouw door huis;zijnehooge gedachten kan zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te zorgen valt. Daar zit hij—en wordt weerstaan door een jong meisje, dat van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij—Johannes, die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der spotters niet is opgewassen,maar evenmin tegen den sterken wil van zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal. Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche stilheid, een rust als die des grafs.