Dat is de gedachte, dieSankt-Hans Festbeheerscht. Kielland laat hier de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op: Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uitGiftenFortuna, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van schipper Worse, de jonge Garman, die aanGarman og Worse, de familie With, die aanElseherinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren. De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd, zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden georganiseerd heeft.
InSanct-Hans Festis als het ware eene essentie van Kielland's sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is hetmene tekelover eene leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan vreugde verloren heeft.
InJacobwordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar het platteland. Maarin den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is, ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.
Jacobis de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom, en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal. Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te zuigen. Hij maakt zich meester van al,wat in de stad te verdienen valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien. Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder gekomen was—neen voorwaar, dat was hij niet!—hij was niet verder gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."
Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.
Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres. In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest. Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over. En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle wijsheid van de wereld woog niet op tegen denkleinen katechismus, en dien kende hij—ha! ha! ha!—hij moest om zich zelf lachen.
Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen, die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren, en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."
Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte. Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn lans, en hij weet te treffen.
Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de groep Lie—Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk heetFarlige Folk(Gevaarlijke Menschen) (1881).
Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wijConstance Ring(1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen, samen eene familiegeschiedenis uitmakende:Sjur Gabriel(1887),To Venner(Twee Vrienden) (1887),S.G. Myre(1890),Afkom(Nakomelingschap) (1898).
In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans Jæger opzicht met zijn romanFra Kristiania Bohemen. Men kan dit boek rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt, is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt, en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indrukmaakte van schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was, daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur. Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband metFra Kristiania Bohemen. Hier is Jæger'sroman misschien minder een voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het aankomend individualisme.
Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben. Over geslachtelijke afdwalingen handelt ookSyk Kjærlighet(Zieke Liefde) van 1893. Zijn laatste boekAnarkismens Bibelis van 1910. Hij behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om hemelstormers te worden.
Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven, ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden. Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.
Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk van zijn romanFred(Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest. Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken, maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid verschaft had, weder tot zich trokken.
De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot deel van des dichters latere productie.
Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een vroege en uitgebreidelectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's 'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer, maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf. Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later ontving, van zijn pen geleefd.
Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af, zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende, welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen wilde maken.
De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heetEin Fritenkjar(Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het religieuze denken,een der dingen, die in die jaren op het programma der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend predikant, die daarop bij zijne groeve—want de man overleeft dit weerzien niet—eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had schuldig gemaakt.
In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef, was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die hij 13 jaar later inTrætte Mændtweemaal maakt, waar hij twijfel oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden. Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der andere partij.
Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg:Bondestudentar(Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.
Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut,een boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen, door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden, in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het zorgen voor den dag van morgen, immers:
"God geeft den zijnen kleeren en brood,terwijl zij zachtelijk slapen."
"God geeft den zijnen kleeren en brood,terwijl zij zachtelijk slapen."
Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt, mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, datde ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de zijnen". "De zijnen",—dat zijn de burgemeester en de commissaris van politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.
In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten. Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek' bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de dubbele beteekenis der figuur—als schepping van Garborg en tevens als den tijdelijken geestelijken helper vanzoovele mannen, die in Noorwegen beteekenis gehad hebben—deelen wij een paar staaltjes uit een schooluur mee.
"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij. 'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?—och ja. Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen moesten klaarspelen—de oude zat maar te 'accompagneeren'—dan ging het mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep zich met twee vingers vast in den neus en lasamomet een stem en een gezicht, dat de jongens het uitbrulden."
Er wordt vertaald.
"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder kwamen—er stond:nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta regna reges defendant—, toen zat hij vast, hij namtantabijregna. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student, en dan een varken, en jevond vlak daarop een mooie zijden parasol op den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol verloren?—Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het varken, neemttantabijregna, omdatregnahet naast bij staat. Maartantahoort bijvi; quanta vi, tanta vi, Halvor Mosebø!"—De jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen' niet licht.
Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland'sJacobeen boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet. Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt. Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn natuurlijken kring had gelaten.
In een paar volgende werken keert Garborgtot de problemenlitteratuur terug. Maar wat inBondestudentargewonnen was, is niet verloren; het probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost, maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische schildering van een reeks levende personen.
Mannfolk(1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak tendentiedramaEn Hanske(Een Handschoen), gevolgd door de brochureEngifte og Mangegifte(Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen verscheen Hans Jæger's hierboven (blz.184) besproken boek en werd geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van Kristian KroghAlbertine; ook hiervan werden de exemplaren door de overheid opgehaald.
Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke korte vertellingUngdom(Jeugd) (1885); dan volgtMannfolk, waarin de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.
Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan noch van de eene, nochvan de andere afzien,—en zoo blijft hem dan niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".
Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.
Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver vanMannfolkschieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.
Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te meer.
Het verblijf op Kolbotten—zoo heet Garborg's woning in het Østerdal—heeft hij beschreven in een idyllisch boek,Kolbottenbrev(Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in het voorbijgaanHjaa ho Mor(Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger vanMannfolk. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, dan toen het voor het eerst het licht zag.
Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstukUforsonlige(Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de 'onverzoenlijken'vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en slaan dan om.
Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man geworden.
FOOTNOTES:
[17]
Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van 27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, 264).
Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van 27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, 264).
[18]
Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal voor zijn ideale figuur Dr. Stockman (zie blz.135). Dit toont, dat Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds levende voorbeelden gebruikte.
Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal voor zijn ideale figuur Dr. Stockman (zie blz.135). Dit toont, dat Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds levende voorbeelden gebruikte.
[19]
De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.
De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.
[20]
Van zijn romans is er maar één (Jacob) geschreven na zijn werkzaamheid als redacteur.
Van zijn romans is er maar één (Jacob) geschreven na zijn werkzaamheid als redacteur.
JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.
Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad. Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen, zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor 'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te meenen, dat zij dennieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden, begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890 debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was, blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.
Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het, van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijnuitgegaan, die nieuwe bezieling gebracht hebben.
Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium, dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle maatschappelijke ontwikkeling.
Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element; zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is. Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering, stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere naturalismeplaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn. Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt, om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken; anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook, wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar deschatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.
Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds inVildanden(zie blz.138) is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,—een diep pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft, want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, dieEn Folkefiendekenmerkt; de leer vanVildandenis, dat het niet loont, voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plantgeworden inRosmersholm(1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn; slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven kost, is bijzaak, of liever—daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is andere taal dan die, welke Relling inVildandenvoert. Het is de taal van den man met den paardenhoef inPeer Gynt, die zielen, welke zich verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.
In een gansch andere sfeer verplaatst onsFruen fra Havet(De Vrouw van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een ideaal, maarook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik, wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt, en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.
Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang inLille Eyolf(1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet, nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven, door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smarten het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te worden'.
Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie. Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven, en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den dienst opzeide, en het isde hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd, dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is, stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.
Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek inNaar vi døde vaagner(Als wij dooden ontwaken) (1899). Integenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te laten behouden, doen—te laat—een poging, om het verzuimde in te halen. Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien bestijgen, gaan zij samen onder.
Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen ook hier weer een voorganger geweest is.
Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zichaan te ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze. Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen leeftijd.
Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt, het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de titel van zijn eersten bundel verhalen,Unge Syndere(Jonge Zondaars), toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem nietmee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood heeft hem verhinderd, dien te vinden. De romanRachel, waarin de nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.
Finne's belangrijkste werken zijn:Filosofen(1889),Unge Syndere(1890),Doktor Wangs Børn(1890),To Damer(1891),Uglen(De Uil) (1893),Konny(een tooneelstuk) (1895),Rachel(1895).
Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.
Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft; deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze 'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke ofuiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit; Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig voorbeeld leeren wij inKorset(Het Kruis) kennen. Obstfelder toont zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name Dostojewski.
In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien. Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet oud geworden is.
Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ookin het portret met den weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert.
In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse—zelfanalyse—daalt veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht der periode, die achter hem ligt.
De belangrijkste werken van Obstfelder zijn:Digte(1893),To Novelletter, Korset, De røde Draaber(De roode Droppelen),En Præsts Dagbog. Van deze heeftKorsethet meest de aandacht getrokken.
Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie,Blandt Anarkister, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Vande drie verhalen, die de beide volgende boeken (IraenTo Noveller) bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (En Ensom); naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis. Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.
Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt, eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener oude leer tot een gehoorzaamnaprater eener nieuwe leer was geworden; het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte, de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die beschreven wordt inTrætte Mænd(Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.
Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk,maar voor hem zelf isTrætte Mændeen bad, waarin hij afwascht het negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en gelijk hij inTrætte Mændzegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van redenen.
Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op, van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte, omdat hij geen vrede had met God.Nubegrijpt hij hem; nu kan hij met liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar naTrætte Mænd, verscheenFred(Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm van een roman wordt verteld.Fredis een overweldigend boek. Nergens bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier. Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukkingte geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de razernij van den godsdienstwaanzin.
Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd, dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,—maar telkens komt de duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt; dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor; de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren luisteren,—en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in den geest, en,—twijfelt men, danmoet men slechts dat doen, wat het vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden. Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.
Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn. Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,—niet aan Gods woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och, kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat hetniet erger kon worden!—De aanvallen van angst en twijfel nemen toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,—en toch niet alleen, want ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong, en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."
Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij.dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel, maar gaf hun geen levend geloof.
Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die opFredvolgen. Twee daarvan sluiten onmiddellijk bijFredaan. Zij verhalen de geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.
Læraren(De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders zedelijk en verstandelijk,maar wordt uitgestooten, omdat hij de waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal, dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin, bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.
"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!—En noemen dan die leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidongemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.
"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen komen, moeten met macht naar binnen dringen,—met heel hun heetsten wil. Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch stelt, geeft ook de kracht."
Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert haar naar buiten. Zij is van zich zelf."—Daarmee valt het gordijn van dit bedrijf.
Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die vrienden van zonde en berouw,die hem een huichelaar noemen, en nu blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden. De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen, ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.
Een tweede stuk alsLærarenis zeker vroeger noch later ten tooneele gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling. Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge gedachten houden het ver boven hetniveau ook der goede tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarinLærarenspeelt, is den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.
Het andere werk, dat direct bijFredaansluit, is een boekje vol poëzie en vol wijsheid.Den burtkomne Faderen(De verloren Vader). Het is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij heeft vrede gevonden met het leven—en met den dood.
Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden." Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid. En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."
Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te begrijpen.
Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.
Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee dichtwerken,Haugtussa, en de voortzetting daarvanI Helheim. Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar in densteek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze vrouw, die alsvolva(profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.
InI Helheim(In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur, maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad, dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten. Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen einde komt: