Bergkloof bij Mycene.Bergkloof bij Mycene.Een tweede zaal, kleiner en lager, eenvoudig in de rots uitgehouwen en totaal donker, diende als grafkamer, terwijl de groote, die rijk versierd was, de offeranden bevatte, alsook de wapens en de sieraden van den doode. Juist dezelfde schikking vindt men terug in een ander van die koepelgraven, op enkele minuten afstands van het zooeven beschrevene en dat gewoonlijk het graf van Clytemnestra wordt genoemd, veel minder goed bewaard dan het eerste, en waar men slechts vrij onbeduidende voorwerpen in heeft aangetroffen.Ik ben nu aan het einde van het bezoek aan deze in nevelen gehulde en prehistorische stad; nog eenmaal omvat ik met den blik alle steile rotsen met hun vergeeld gras. Overal vertoont het zaaisel zijn kracht in enkele donkergroene plekken; groote uitgestrektheden katoenboomen en korenvelden, die al goudkleurig zijn, wisselen af met tabaksvelden; de citadel van Argos steekt in de vlakte vooruit op haar rotskaap; de cyclopische massa van Tirrhyns springt alleen naar voren uit de gele velden, en heel in de verte ziet men Nauplia en zijn witte huizen, met schaduw overtogen door de rots van Palamedes, die, van hier uit gezien, door de steile helling gelijkt op de rots van Gibraltar, en eindelijk in de verte de blauwe golf, waar lichte zeilen zich op vertoonen.De weg is stoffig, en de hagen aan de zijden zijn geheel wit; op de velden is het druk, want het oogenblik is reeds gekomen, waarop haver en rogge moeten geoogst. Boerinnen gaan voorbij met de kruik van roode aarde op den schouder; de sierlijke beweging van den arm, die lichtelijk is gebogen, doet de vormen van haar lichaam onder de lichte bedekking goed uitkomen. Met haar korte rokjes en op de bloote voeten, gaan ze drinken brengen aan de arbeiders op het land, lachend om het stof, dat ze opjagen en om den wind, die in de laatste oogenblikken heviger is geworden en die haar loop vertraagt en haar in het gezicht striemt. “Wees welkom onderons”, zoo roept mij een der vrouwen toe met haar helderen blik, “en kom eens kijken naar het werk der boeren van Argos!”Er is daar juist een groep mannen bezig niet ver van den weg; het is nog niet laat genoeg op den namiddag, om te weigeren aan die onverwachte uitnoodiging te voldoen. Men komt om het rijtuig heen staan, er worden mij warme en vochtige handen toegestoken en daar ben ik onder de boeren verzeild, die vertrouwelijk en goedig zijn te midden van de rijpe aren op den grond. Ze hebben hier een eigenaardige manier van dorschen; ik had reeds opgemerkt, dat er langs den weg op geregelde afstanden ronde, ruw geplaveide plekken waren, en ik vroeg mijzelven af, waar die wel voor mochten dienen. Ik kreeg spoedig een antwoord, toen ik mijn vrienden aan het werk zag.Zoodra de halmen zijn afgesneden, gewoonlijk met de sikkel, brengen kinderen ze naar den dorschvloer, waar ze worden uitgespreid. Twee paarden, gespannen voor een soort van houten kist vol steenen, waarop, ten einde het gewicht te vermeerderen en ook voor amusement, jongens en meisjes zijn gezeten, loopen aanhoudend in een kring rond en dorschen het graan. Als die bewerking is afgeloopen moet men, eer een nieuwe voorraad koren op den vloer wordt gebracht, het graan zuiveren van de onreinheden. Om dat te doen werpen vrouwen, voorzien van een soort van houten schoppen, het koren omhoog in den wind, en weldra zijn er twee hoopen gevormd, de eene van het kaf, dat eraf is gevlogen en een andere van het zwaardere, in de buurt gevallen graan. Het is een bewerking, die te verdedigen is, als de wind niet te hevig is, maar als er een frissche bries waait zooals nu, bespeur ik, dat een aanzienlijke hoeveelheid wegvliegt en dat de menschen op die wijze een goed deel van hun oogst verliezen. Als men bedenkt, dat ondanks de uitstekende hoedanigheid van sommige gronden in Griekenland de opbrengst lang niet is, wat ze moest wezen, door de zorgeloosheid en de weinige geldelijke hulpmiddelen, waardoor de boeren er niet toe komen hun gronden te verbeteren, dan kan men nagaan, wat ervan terechtkomt na zulk een weinig rationeele behandeling.Wat er over is van het paleis van Agamemnon.Wat er over is van het paleis van Agamemnon.Maar de tijd is gevorderd onder deze overdenkingen; Argos is thans vlakbij. Daar verrijst de kegelvormige berg van Larissa; de wind doet van het witte klooster Panaghia op de helling klokketonen tot mij overkomen, aankondigend, dat Christus is opgestaan, terwijl hooger op den berg een frankisch kasteel in puin zijn vervallen kanteelen toont. Aarden muren, gelijk aan die uit de oasen van Soedan, dragen platte daken of terrassen. De café’s uit de hoofdstraat zijn vol menschen; boeren uit de vlakte en zelfs uit het binnenland van den Peloponnesus doen er zaken, en daar ze allen nog al heftig zijn, gaat het er luidruchtig toe. Maar het is gelukkig veel geraas en weinig wol, en de vuile politieagent, die in zijn blauwe uniform rondwandelt, kijkt zelfs niet om, als er aan zijn oor scherpe woorden klinken. Hij weet wel, dat ze naar alle waarschijnlijkheid geen gevolgen zullen hebben en dat er altijd nog wel tijd zal wezen, om, als het noodig wordt, een mooi verzoeningsspeechje te houden.Het graf van Klytemnestra.Het graf van Klytemnestra.De eerbied van den Griek voor woorden is slechts te vergelijken met zijn liefde voor de mooie geste; dezinnen van het gewoonste gesprek gaan bij hem altijd gepaard met betoogingen door handen of armen; maar als hij in een twistgesprek is of zijn belang moet verdedigen, stijgt die hartstocht voor bewegingen tot het hoogste; het lichaam wordt voorover gebogen, de oogen puilen uit hun kassen, en men gaat meenen, dat er een vuistgevecht ophanden is, terwijl een seconde later alles tot de grootste kalmte is teruggekeerd. De opwinding heeft een gewonen uitweg gevonden.Veel van die vermakelijke tooneelen doen zich voor terwijl ik door Argos loop, dat nu wel zeer vervallen is van zijn vroegere grootheid. Een alleenstaand gebouw, de schouwburg, die aan de stad door de Romeinen werd geschonken, is het eenig overblijfsel, dat herinnert aan de rol, die de stad heeft gespeeld. Op de halfvergane treden van dien schouwburg werd indertijd de eerste vergadering gehouden, toen in den vrijheidsoorlog het nieuwe koninkrijk gesticht was. Verschanst in de acropolis, hield Ypsilanti roemrijk stand tegen het turksche leger, en dat verscheiden dagen achtereen. Argos bewaart die kostbare herinneringen uit het mooiste gedeelte van de moderne grieksche geschiedenis als iets kostbaars, en de ligging der stad te midden van een vruchtbare streek in de nabijheid der zee moet haar een waarborg zijn, dat er weer tijden van voorspoed zullen volgen.De bergen werpen reeds groote schaduwen over de vlakte, die ik nu in de volle breedte moet oversteken, om van Argos naar Tirrhyns te gaan. Twee vermolmde houten bruggen zijn over de bedding der Charadros geslagen en over die van de Inachos, waar nog een weinig water in is om dezen tijd van het jaar. Dan passeeren we windmolens, die luidruchtig draaien met hun groote wieken en gescheurde zeilen. Die bouwsels schijnen dan toch te zeggen, dat de boeren hun oogst niet naar de vier windstreken laten vliegen! Weldra houdt het rijtuig stil onder het afdak van een kleine khani; ik ben aan den voet van de acropolis van Tirrhyns.Deze hoogte, alleen staand te midden van de velden en zich niet hoog boven de vlakte verheffend, ziet er niet zeer indrukwekkend uit. En toch was het volgens, de legende hier, dat Menelaus al zijn huiselijk leed ervoer. Terwijl ik door de bouwvallen dwaal, door de ruimten, waar het huisaltaar stond, waar de slaven en bedienden woonden in dat oude tijdperk van primitieve grootheid, moet ik mijzelven afvragen, hoe de menschen zulke kolossale steenen omhoog hebben kunnen krijgen, door welke hulpmiddelen zij ze op elkander hebben kunnen stapelen, en ik ben verstomd van bewondering en verbazing.De wind blaast door de spleten van de steenen en schudt de boompjes, die met hun groene takken de resten overdekken van een voor altijd ondergegane beschaving. Mycene rechts van mij is in den nevel bijna niet te onderscheiden; de citadel van Argos vóór mij, die van Nauplia links zullen alleen worden verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon, die achter de bergen verdwijnt; een gevoel van onbestemde somberheid en melancholie vervult mijn gemoed; het is of het gehuil van den wind een klaagtoon is van al, wat hier gestorven is in den loop der eeuwen. Het is mij, of de grootsche stem der natuur protesteert tegen de tegenwoordigheid van den vreemde hier in deze doodenstad van reuzen, wier eeuwigen slaap men niet moet storen. Ik haast mij om uit dit neerdrukkende groote verleden weer voeling te krijgen met mijn tijdgenooten, en met een echt kinderlijke vreugde hervind ik in de khani den trouwen amaxa, die mij terug zal brengen naar Nauplia.Een officiëele landbouwschool, gesticht door Capo d’Istria, die hier goed ter plaatse is te midden van de vruchtbare alluviale landerijen, ligt aan onzen weg. Ik wenschte voor Griekenland, dat men erin slagen mocht, geslachten van kundige boeren er te kweeken, die voor goed zouden breken met de verouderde methoden, waar ik staaltjes van heb gezien. Maar ik durf het niet vast te gelooven; de school bestaat al meer dan zeventig jaren en ik vraag mij af, welk onderwijs de leerlingen, die er zijn opgeleid hebben genoten en hoe ze het in practijk hebben gebracht.Nu komen de moerassige terreinen, grenzend aan de diepte van de Golf; de weg, omzoomd met mooie platanen, loopt langs de zee; Nauplia, in verdiepingen opgestapeld op de rotsen van den heuvel Itsch-Kalé, kijkt in de vlakte van Argos; hoorngeschal klinkt uit het fort Palamedes, dat, half gevangenis, half kazerne, als een zwaar blok boven ons hangt. Wij gaan door den ringmuur der stad en dan door een doolhof van straatjes, vol modderpoelen, waar mijn rijtuig met totalen ondergang wordt bedreigd en bereiken eindelijk de haven en het vreemdelingenhotel. Uit de vensters van de eetzaal bespeur ik de Golf, welker water nu paars is, terwijl een lichtrose tintje nog op de bergen hangt van Arcadië. De wind is bijna geheel gaan liggen, en de laatste booten met witte en roode zeilen van verschillenden vorm, komen de eene na de andere aanleggen aan de kade, waar reeds, in afwachting van den nachtdienst van Paschen, de heele wereld van Nauplia tusschen de blauwe uniformen der officieren van het garnizoen heen en weer wandelt.En terwijl ik mij vermaak met de gezellige drukte, merk ik op, dat de mannen in het algemeen, voor zoo ver ze tot het volk behooren, de roode fez dragen en de lage muilen. Er zitten er ook naast mij, die kalm de narghilé rooken, die hun wordt gebracht geheel klaar, zooals men in Europa de vertering brengt; anderen laten met de oogen in het vage de grove kralen van den rozenkrans door de vingers glijden, die in het Oosten zoo algemeen is, en welke machinale beweging meer een tijdverdrijf schijnt dan een werkelijk gebed.De nacht is warm en helder; de klok van een kerk begint te luiden met versnelden pas; daar antwoorden andere met scherper of doffer klanken, en het is een vreemde cacophonie, waarin zich zoo nu en dan de zware tonen mengen van het carillon der kathedraal. Christus is opgestaan, en de menigte vult de kerken. Ik ging binnen in die van den Heiligen Geest, waar Capo d’Istria verraderlijk werd vermoord en maakte, als iedereen, het teeken des kruises met de aaneengesloten drie voorste vingers van de rechterhand, achtereenvolgens gebracht naar het voorhoofd en naar de borst ter rechter en ter linker zijde. Het heilige is als in alle byzantijnsche kerken gescheiden van het overige gebouw door een wand, bedekt met vrome platen, die door de geloovigen worden gekustonder aanhoudend maken van het teeken des kruises; in het midden staat het altaar, overgoten van licht en zichtbaar door een getraliede poort. De koorzangers zingen psalmen zonder begeleiding; ze zijn als de priesters in een lang zwart gewaad gekleed met hoog opgestoken haren onder de hooge cylindrische muts.Maar daar komt de priester in zijn met goud geborduurd misgewaad; zijn lange baard en zijn spierwitte haren omringen het patriarchengelaat met de zachte en toch mannelijke trekken; hij zingt langzaam enkele woorden, en de menigte knielt met het gelaat tot den grond gebogen. Toen, terwijl het koor een litanie begint, die mij treft door haar grootschheid, worden de kaarsen aangestoken in de handen der geloovigen; daarboven in den toren worden de klokken heftig bewogen; dit is het plechtige oogenblik; de deur van het koor wordt geopend, de pope verschijnt in al zijn waardigheid met een gevolg van geestelijken op den drempel: “Broeders,” zegt hij met bevende stem, “Christus is opgestaan, Christos anesti!” Dadelijk vallen de geloovigen elkander in de armen en kussen elkaar op het voorhoofd, terwijl ze met het koor meezingen het Paaschhalleluja. Buiten maken de voetzoekers lawaai, vensters worden met bengaalsch vuur verlicht, en de vreugde zal den ganschen nacht duren.Die kreet van “Christos anesti”, die door heel Griekenland vandaag weerklinkt, wekt mij vroolijk te Nauplia, zoodra deze mooie Paaschmorgen is aangebroken. De kellner van het hotel heeft terstond behoefte, zijn geestdrift te uiten. De menschen omhelzen elkaar allen onder de begroeting met dezelfde formule.Een officier uit Athene had mij een brief van aanbeveling meegegeven voor een van zijn kameraden te Nauplia, opdat ik toegang zou kunnen krijgen tot de kazerne en de traditioneele Paaschfeestelijkheden zou kunnen bijwonen. Eer ik mij naar hem toe begaf, werp ik een blik op den obelisk aan de haven, opgericht ter herinnering aan den daadwerkelijken steun, dien Frankrijk aan Griekenland verleende in de epische tijden van den vrijheidsoorlog. Het moge waar wezen, dat de Grieken babbelachtig en oppervlakig zijn, ik merk toch met genoegen op, dat ze niet vergeten, en dat ze in hun geheugen de namen bewaren van een Fabvier en een Maison. En nadat ik dan door de breede, goed geplaveide straat heb geloopen met de rijen mooie platanen, kom ik in een labyrinth van nauwe straten, waar uithangborden met gevleugelde leeuwen aan de venetiaansche overheersching herinneren, terwijl een huis met een door sierlijk traliewerk afgesloten balkon de turksche regeering voor den geest roept.Het fort Palamedes, dat ik natuurlijk moest bestijgen, is alleen toegankelijk van den kant der stad. Een duizendtal treden, in de rots gehouwen tusschen cactusstruiken door, voeren naar de wallen der citadel. Van een torentje uit, dat letterlijk over de huizen van Nauplia heen hangt, bewonder ik een oogenblik het prachtig panorama aan mijn voeten. Op het binnenplein der kazerne dansen de soldaten, en het feestrumoer der stad klinkt tot hier door. Daarachter het schiereilandItsch-Kalé, dat de haven beschermt tegen den zeewind. Door de plechtigheid van het Paaschfeest ben ik verhinderd geworden, om de noodige stappen te doen ter verkrijging van de machtiging tot een bezoek aan de citadel; niet, dat ze zoo ingewikkeld zijn, maar de plaatsbureau’s waren dezen morgen verlaten, en ik heb den dienstdoenden officier niet te spreken kunnen krijgen. Ik bekijk het kasteel dus van den buitenkant. Het is door de Franken gebouwd, versterkt door de Venetianen en voorzien van zeven redoutes, waarvan twee de onverwachte namen dragen van Miltiades en Themistocles. Mijn blikken bleven lang hangen aan de duizelingwekkende steilten, afdalend naar de zee, waar in de diepte het eiland Spezzia lag, terwijl tegenover mij Arcadië gloeide in de zon en rechts de groene vlakte van Argos zich ontrolde naar de dorre eenzaamheid van Mycene.Eindelijk begaf ik mij naar beneden en vond in de kazerne de officieren en de soldaten nog bezig met de toebereidselen van het Paaschmaal. Er brandden op het plein groote vuren, waar lammeren in hun geheel op werden gebraden. Een groote stok, door hun lichaam gestoken, rustte op twee kruiselings staande stokken, geplant in de aarde aan weerszijden van het vuur, en een soldaat deelde aan het primitieve toestel een zacht draaiende beweging mee, terwijl de anderen hem aanmoedigden met gezang, en met welbehagen onderwijl de geuren opsnoven van het gebraad. De tafels zijn klaargezet onder groene priëelen, waar aanstonds de maaltijd zal beginnen. Behalve het lamsvleesch, het hoofdgerecht, bestaat het menu uit harde eieren, brood en sinaasappelen, alles besproeid met den harsachtigen wijn, waarvan ik zonder smaak een glas drink op de gezondheid der soldaten. De officieren meenen zeker, dat ik dien drank afschuwelijk moet vinden, maar ze kunnen op mijn gezicht geen enkel teeken van afkeuring lezen, en ze lachen er om op een manier, die mij niet weinig amuseert.Den volgenden morgen werd ik door een telegram naar Athene en mijn werk teruggeroepen; maar eenige maanden later was een gelukkige samenloop van omstandigheden de oorzaak, dat ik een week verlof kon krijgen voor een nieuwen tocht naar het Zuiden van den Peloponnesus. Het seizoen is gunstig, om een reis van dien aard te ondernemen; niets wijst er nog op, dat de herfst nabij is, maar de drukkende warmte van Juli heeft plaats gemaakt voor prachtige Septemberdagen, zonnig en helder en op deze breedte nog lang en warm, zoodat men zich in den vollen zomer kan denken. Ik was enthoesiast over het vooruitzicht, niet langer voor eenige dagen het scherpe stof van Athene in te ademen; ik droom van groene wouden, waar beekjes murmelen, ik verlang naar de koelte, naar de zuivere lucht, die ik in vier maanden niet heb genoten en die ik hoop te vinden eerst op de zee en dan in het eenzame bergland.Mijn licht bundeltje is dan ook spoedig gesnoerd; verscheiden blikjes, die vernuftig ter plaatse kunnen worden warm gemaakt, insectenpoeder, een paar geneesmiddelen, die men moeilijk ontberen kan in warme landen, zijn met het strict noodige, een deken en de getrouwe kodak, de lijst van mijn hebben en houden.Ik kom aan den Piraeus, waar de “Aphrodite”,een boot van de Panhelleensche Maatschappij, naar Marathonisi gaat vertrekken. In de buurt van de eetzaal aan boord heerscht evenals op de “HaghiosNikolaos”, die mij vroeger naar Korinthe bracht, een walgelijke geur, en, de kooien zien er al even weinig aanlokkelijk uit. Het zou wel kunnen zijn, dat ik mij van nacht aan lastige gevechten zal moeten wijden. Het is hier zoo vuil, dat ik mij afvraag, of het dek wel ooit wordt schoongemaakt, terwijl een blik in de keuken genoeg is, om iemand allen eetlust te benemen.En ik zal hier achttien uren moeten blijven! Wij zouden om elf uur in den morgen van den Piraeus vertrekken, maar het werd twaalf uur. De kapitein verzekerde mij, dat we een prachtigen overtocht zouden hebben. Trouwens de zeeziekte verontrust mij niet erg.Daar roept de bel de passagiers naar de eetzaal. Ik moet mee aan tafel, hoe weinig animeerend ook de keuken hier is door het gebruik van schapevet. Na verloop van een half uur kan ik eindelijk op dek gaan, om daar den namiddag door te brengen. Reeds wordt Aegina kleiner door den afstand en laat ons van dezen kant zijn steile wanden zien, bedekt met een donkeren plantengroei. Boeren zijn op het voorschip geïnstalleerd, sommigen zittend op veelkleurige koffers, anderen op ruwe dekens van roode wol; een van hen zingt onder begeleiding van een rustieke luit volksliedjes; en de anderen praten over de kleine gebeurtenissen van hun leven, steeds onder het aflezen van hun rozenkrans.Een byzantijnsch kerkje.Een byzantijnsch kerkje.Bij het vulkanisch schiereiland Methana dringt de “Aphrodite” binnen in de nauwe doorgang, die Poros van Argos scheidt, waar de oranje- en citroenboomen beschut zijn door het prachtige scherm van de bergen. Er worden toebereidselen gemaakt voor een landing in het stadje, dat schilderachtig op de rotsen is gelegen en waar het eerste maritieme arsenaal van het jonge koninkrijk werd gevestigd. Booten, overvol met menschen, komen naar ons schip in groote wanorde. Pas zijn de passagiers en de goederen overhaast aan boord gebracht, of de schroef zet zich weer in beweging, terwijl ieder een plaatsje zoekt, door de vertrekkenden open gelaten. Het zal intusschen niet voor lang zijn, want deze menschen gaan naar het eiland Hyera, dat zich al gauw vertoont, als we om kaap Skyli zijn gevaren, die aan den oostkant de uiterste punt van den Peloponnesus vormt.Nauplia en kaap Itsch-Kalé.Nauplia en kaap Itsch-Kalé.Een uur later gaan we Spezzia in open zee voorbij aan den ingang van de golf van Nauplia; die haven is met Salamis de voornaamste oorlogshaven, maar ze kunnen beide niet wedijveren met de groote oorlogshavens. Het was een heerlijke avond aan boord, en het gezang van de eenvoudige lieden uit het volk wiegde mijn gedachten aangenaam in zoete rust. Een poging om beneden slaap te vinden liep op niets uit, en al spoedig was ik weer aan dek, om daar den morgen af te wachten.Ruïnen van het oude Misthra.Ruïnen van het oude Misthra.De dag brak aan, toen we de golf van Marathonisi voorbijvoeren en den steven naar het Noorden wendden, om tegen acht uur aan de moderne kade van de gelijknamige stad te landen. Daar word ik aan wal gezet en wandel dadelijk de stad uit naar een weg over de rotsen langs de zee, waar ik de “Aphrodite” een laatsten groet kan brengen, zooals ze daar voor anker ligt achter in de baai; de hoeven van het muildier slaan luide op de steenen, terwijl de schoenen van den agoyaat en van den gendarme, van voren opgewipt als een voorsteven van een schip, zacht voorschuiven. De brave militair ziet er niet bar uit in zijn vuilblauwe uniform, en ik moet onderweg meermalen denken, dat, als ons iets overkomt, zijn tegenwoordigheid mij van weinig nut zal zijn. Er worden mij, sinds ik in Griekenland ben, zooveel verhalen verteld van den moed der inwoners van dit land, dat ik geëindigd ben met er niet veel van te gelooven en te denken, dat er weinig durf onder hen is en dat in het bijzonder degenen, die mij vergezellen, wel in staat zouden zijn, om in geval van gevaar met den vijand te heulen. Voor het oogenblik stellen ze zich tevreden met het zingen van een lied; om beurten heffen ze een couplet aan, en dat zal zeker wel duren tot bij kaap Matapan. Dus heb ik alle gelegenheid, zwijgend het prachtige land te bewonderen, dat we zijn binnengaan.Een afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging, de Mavromichalis, die reeds meermalen minister is geweest en die te Athene een geziene staatkundige positie bekleedt, had mij dikwijls aangeraden deze reis te doen; hij zei mij, dat de bewoners van dit smalle schiereiland vreemde gewoonten hadden behouden in hun woeste schuilhoeken en dat ze verdienden, dat men hen beter leerde kennen. Toen ik dan ook besloten was, te gaan, zocht ik den heer Mavromichalis op, toen minister van Binnenlandsche Zaken, en hij kondigde mijn reis niet enkel aan de autoriteiten aan, maar moedigde zijn partijgenooten aan, mij vriendelijk te ontvangen. Ik stelde die daad te meer op prijs, omdat de gesprekken, die ik met den staatsman had gehad, mij voldoende op de hoogte hadden gebracht van de sociale toestanden in het zonderlinge land.De Mainoten, die zich de rechtstreeksche afstammelingen noemen van de Spartanen die voor de barbaren vluchtten, hebben van die vermeende voorvaderen het onbuigzame karakter en de strenge zeden. Ze hebben krachtig weerstand geboden aan de Turken, die hen nooit hebben kunnen onderwerpen. Al den tijd van de ottomaansche overheersching was er een aristocratie van familiehoofden, zooals de Mavromichalissen, die tegenwoordig in hun salons te Athene de reeks hunner voorvaderen in de kleeding der Palikaren vertoonen, en betwistten elkander het bergland in een onophoudelijken strijd, bestaande in vendetta’s, roof- en moordpartijen. Toen we door het kleine dorpje Mavrovoeni reden, merkte ik op, datenkele huizen van schietgaten zijn voorzien. De mannen kijken mij aan met een trotsch en vijandig voorkomen.Al spoedig hebben we het riviertje de Vardoenia achter ons gelaten, en op den Passaheuvel bespeur ik de overblijfselen van een kasteel, dat oudtijds bestemd was, de aanhoudende opstanden in het land te beteugelen, dan een ander, waar niemand zich vertoont, en we verlaten de nabijheid der zee, om aan zijn voet het voorgebergte af te snijden, dat in kaap Pagania uitloopt. Tusschen kleine eiken en wat heidekruid loopt de weg, en aan alles is te merken, dat de streek weer armer wordt.In de schaduw van een niet uitgegroeiden den houden we stil en ik gebruik een vluchtig ontbijt, terwijl mijn oog rust op de ingesneden toppen van den Taygetos, wijkend naar het Zuiden nu onder den naam van Kako Voeni, dat is “slechten berg”. En inderdaad dit is een somber land, een opeenhooping van steile rotsen onder de brandende zon, met hier en daar kloven en afgronden, waarboven arenden en gieren zweven. Den geheelen namiddag volgden we de hellingen van dit reusachtige en woeste bergland, waarbij we slechts twee of drie dorpen passeerden, arme gehuchtjes eigenlijk, en door afgelegen kloven gingen met een dicht struikgewas en vele donkere grotten. Het gevoel van eenzaamheid komt over mij; ook mijn metgezellen loopen zonder spreken voort. Het begint duister te worden, als we Lagia passeeren, en aan de zee is het volkomen nacht. Zij schittert, waar ze tegen de rotsen slaat in het koude licht der maan, en met een gevoel van echte verlichting bereik ik tegen zeven uur in den avond de eerste huizen van Porto-Quaglio.Terwijl de agoyaat bezig is een onderkomen te zoeken voor het muildier, en de gendarme naar zijn collega’s is gegaan, stap ik de zaal binnen van de herberg, waar het lekker ruikt naar gebraden kwartels. We waren juist in den tijd van den vogeltrek, waarbij dit geurige wild, dat hier overvloedig is, komt uitrusten op de uiterste punt van Europa, eer het zijn vlucht neemt naar Egypte. Ik profiteer dankbaar van de gelegenheid; eenige harde eieren en de onvermijdelijke harswijn, waaraan ik trouwens reeds gewoon raak, voltooien het geurige maal, en dan ga ik opzoeken wat met een stoutmoedig euphemisme mijn bed zou kunnen worden genoemd, een eenvoudige houten krib, goed voorzien van stroo. Maar het kan mij weinig schelen, de vermoeienissen der beide laatste dagen zijn zoo groot geweest, dat een diepe slaap, niet door eenig onaangenaam gesteek afgebroken, dadelijk mijn oogleden sluit.Om zes uur in den morgen wacht mijn muildier mij reeds, geheel gezadeld, aan de deur van de eenvoudige herberg te Porto-Quaglio, waar ik den nacht heb doorgebracht. Ik haast mij, het zadel te bestijgen. En terwijl de schuine stralen der zon reeds de ontmantelde kanteelen van het kasteel vergulden, dat de stad beheerscht, rijd ik den chaos binnen van de granietbergen aan kaap Matapan; omgevallen menhirs, grotten en holen, waar de zee bruisend binnen dringt, en een sterke reuk van wier en zeegras in de holten tusschen de zwarte rotsen. Het rijden is moeilijker geworden door de hevigheid van den wind, die den voet der gesteenten met schuim omzoomt; daar is eindelijk het uiteinde van het donkere voorgebergte, waar de zeemeeuwen met groote, witte vleugels hun doordringend geschreeuw doen hooren.De verlaten zee heeft overal witte koppen, en het kleine kapelletje “ton hagion Asomaton”, dat tegenwoordig op de plek staat van het beroemde heiligdom, gewijd aan Neptunus, schijnt te hangen boven een donkeren afgrond. En als ik mij verwijder, geheel onder den indruk van de grootsche doodschheid van deze plaatsen, die getuigen waren van zooveel zeerampen, maakt mijn agoyaat, wiens gevoelens met de mijne schijnen samen te stemmen, devotelijk een kruis, met oogen vol afschuw.Een uur later is opnieuw de voet van de landengte bereikt, en langs een verschrikkelijk moeilijk voetpad stijgen we weer langs de westkust omhoog, en gaan in de richting van kaap Grosso, die den horizon afsluit met haar hoogen marmeren muur. Deze strook lands, ingesloten tusschen de zee en de gekanteelde toppen van den Taygetos, is het merkwaardigste deel van het land der Mainoten, een streek, bedekt met lage struiken en myrten, waar het strand overal kleine kreken vertoont en veel rotsachtige kapen vol holen, plaatsen, waar de zeeschuimers hun buit verborgen. Het zijn door de zon geroosterde bergen, met veel woeste kloven, waar zich, hangend boven afgronden, verborgen in de groeven tusschen het gesteente, arme dorpjes verschuilen, echte arendsnesten, schuilplaatsen van roovers, het tooneel van vendetta’s met bloed en tranen, en geboorteplaatsen van helden.Overal ziet men versterkte kasteelen en torens met kanteelen, pyrgoi geheeten, voorzien van schietgaten. Het verbaast mij nu niet langer, dat het een dergelijk land is gelukt, door de eeuwen zijn volkomen onafhankelijkheid te bewaren, en dat men er thans nog de oorspronkelijke woestheid van land en bewoners aantreft. Alles verraadt die bij de Mainoten, vanaf den trotschen trek van hun magere gezichten, omlijst door wapperende haren en met een langen knevel, waarboven de oogen fonkelen, tot de plechtige manier van loopen, de groote physieke kracht en de wijze, waarop ze de wapens dragen, die ze nooit afleggen. Te Kyparisso, te Alika, in alle dorpen die ik doorreis, kijkt men mij vast aan, zonder nieuwsgierigheid, zooals een man zijns gelijke aanziet, en dat is iets, waar mijn reizen mij niet aan aan hebben gewend, sedert ik in Griekenland ben.Wij houden stil om te ontbijten aan den rand van die groote hoogvlakte, die zich uitstrekt van de kaap tot den voet der bergen, en terwijl ik mijn blik laat weiden over het azuur van de golf van Koroni, in de verte eindigend in kaap Gallo, die met haar zusters, kaap Matapan en kaap Malée de laatste vormt van de drie vingerspitsen dier grove hand, die de Peloponnesus is, herinner ik mij alles, wat de heer Mavromichalis mij heeft verteld van zijn woeste kiezers. Ze zijn dapper en trouw en hebben opgehouden, onder elkander, zooals ze eertijds deden, bloedige gevechten te leveren; maar de politieke strijd neemt nog onder hen een zoo heftigen vorm aan, dat men zich midden in een barbaarsch land waant, zoodra de tijd der verkiezingen is genaderd. In hun wezen rebellisch,wars van alle gezag, verdragen ze slechts met moeite het stelsel van den verplichten militairen dienst, en de afstammelingen van die helden uit den vrijheidsoorlog hebben de grootste moeite, zich te schikken naar de tucht, hoe weldadig die ook zij, van het regiment. Met den geest nog vol van het heidensch bijgeloof, gelooven ze aan de godheden van de zee, aan die Nereïden, die hun holen en grotten bewonen, aan de orakelspreuken, door de rookende ingewanden van dieren gegeven, en als er een der hunnen sterft, laten ze nooit na, onder in zijn doodkist, met proviand voor de sombere reis, ook het kleine geldstukje te leggen, dat Charon van hen zal eischen aan den oever van de Styx.Hun zeden hebben de oude zuiverheid behouden, en de deugd der vrouwen is enkel te vergelijken bij haar strenge schoonheid. De overspelige vrouw wordt gedood door haar man, en haar medeplichtige wordt door het volk met den dood gestraft. Wee dengene, die de vrouwen hier te nadrukkelijk aanziet, wee hem, die een jong meisje compromitteert! Hij moet haar onmiddellijk trouwen en als hij verdwijnt, zonder de zaak in het reine te brengen aan het eind van de enkele weken, die de gewoonte hem toestaat, is het met het ongelukkige kind gedaan, dat door de ouders koelbloedig wordt gedood, liever dan dat ze haar schande haar laten overleven. En zou men zich hier niet in de tijden van het oude Sparta terugdenken, als men de moeders gevoelloos en met wilde gebaren ziet in de tegenwoordigheid van de lijken van haar bij de vendetta’s gedoode zoons, als die laatste niet in de borst zijn getroffen?Als ik dan ook, na Pyrgos te zijn voorbij gereisd, in den laten namiddag aan de poorten van Areopolis kom, waar de geheele bevolking met den burgemeester aan het hoofd is samengeloopen, om mij welkom te heeten, en die brave lieden meen te moeten doen begrijpen, dat ik als een goed Franschman hun edel en trotsch karakter bewonder, dat ik een vijand ben van list en leugen, eindig ik mijn toespraakje, dat ik met behulp van het woordenboek zorgvuldig had voorbereid, met de geheiligde formule: “Evcharisto, adelphoi, zito Areopolis! Dank, broeders, en leve Areopolis!” Toen weerklonken er eindelooze kreten en toejuichingen, roode mutsen vlogen in de lucht, er werd geestdriftig in de handen geklapt, het kruit liet zich hooren, en de scherper stemmen van de vrouwen, die ik op mijn woord slechts tersluiks heb aangekeken, mengen zich onder die der mannen, en duizendmaal herhaald klinkt het vol enthousiasme: “Zito o Gallos, zito i Gallia! Leve de Franschman, leve Frankrijk!”Men ziet, dat de afgevaardigde uit de streek, meer nog dan de minister van Binnenlandsche Zaken, het is geweest, die mijn doortocht heeft aangekondigd, want ik kan geen voet verzetten, zonder dat oogenblikkelijk een sympathiek gestemde menigte op mij toesnelt; men ziet mij nieuwsgierig aan; in de herberg, waar ik ben binnengegaan, om een glas ouzo, nationalen brandewijn, te drinken en eenige olijven te gebruiken, zie ik de kinderen lachen en elkander aanstooten, toen ik in uitstekend Grieksch om kafé kai loucoumia vraag, de geparfumeerde olijven, die lang niet zoo lekker zijn als die uit Konstantinopel.Het is overal ongewoon druk; groepjes in feestkleedij verzamelen zich aan de deuren; de vrouwen hebben haar beste kleeding aangetrokken, haar boezelaars, met schitterende kleuren geborduurd, haar witte tunica’s of de lange mantels zonder mouwen, die de armen laten zien en een gedeelte van de borst; ze hebben het hoofd bedekt met mutsjes, waar gouden versierselen op zijn aangebracht, meestal in penningen bestaande, op de borst dragen ze allerlei zilveren en koperen sieraden, en om den hals is een lange gazen sluier geslagen.De mannen in de fustanella, schitterend van witheid, hebben hun crêmekleurig buis aangehouden en de pantoffels met de rozetten van blauwe wol, de vesten vol bonte arabesken en de gordels, waar degens en patroontasschen aan hangen; of wel ze hebben gele laarzen van leder aangedaan, met gouden figuren bestikt, die passen bij de versierselen van hun overkleed. Er wordt mij verteld, dat een notabele gisteren zijn dochter heeft uitgehuwelijkt; naar grieksche gewoonte is de pope laat in den avond aan het huis der bruid gekomen, waar een voorloopig altaar is opgericht; driemaal is de trouwring van de hand des bruidegoms aan die van het jonge meisje gestoken; ze hebben van hetzelfde brood gegeten en uit hetzelfde glas gedronken, om aan te duiden, dat voortaan alles voor hen gemeenschappelijk moet zijn, en, gekroond met oranjebloesem, zijn ze om het altaar heengegaan, gevolgd door de bruidsmeisjes en de bruidsjonkers, terwijl de priesters en de ouders, geknield in een kring, over de jonggehuwden de zegeningen des hemels hebben afgesmeekt. En de bevolking heeft aan het feest deelgenomen; ze is naar het hoogste deel der stad gegaan, waar er schapen voor hen geslacht zijn geworden en waar wijn en confituren zijn uitgedeeld; er is toen den geheelen nacht gedanst op de tonen van allerlei liederen.Een rijstsoep, die nog al lekker is, olijven in pekel en een stuk rhalva, soort van honingkoek met saffraan en anijs, vormen het menu van het uitstekende maal, dat mij op een hoekje van een wankele tafel wordt voorgezet door een zeer mooi meisje van het land, wier haren, sierlijk in het midden gescheiden, op de schouders hangen. En dan word ik naar mijn kamer gebracht, ditmaal in het geheel niet van een bed voorzien, en waar dit meubel, dat men voor onontbeerlijk zou houden, is vervangen door wat stroo, op den grond uitgespreid. In mijn deken gewikkeld en doodop door de afschuwelijke duwen en stooten, waarop mijn muildier mij zoo ruimschoots had getracteerd op de plaatsen waar de wegen slecht waren, denk ik er slechts aan, nieuwe krachten in te zamelen, om even dapper als vandaag de groote vermoeienissen van morgen te verdragen.Reeds om vier uur opgestaan, want ik moet ten einde des avonds in Sparta te zijn, vijftien uren per muildier rijden, verlaat ik het gastvrije plaatsje Areopolis, en terstond aan de zee den rug toekeerend, begin ik de hellingen van den Taygetos te bestijgen, waar een diepe insnijding mij een weg door zal banen naar Marathonisi. Voor de laatste maal groet ik het schoone land, dat mij zulke nieuwe en schoone indrukken heeft gegeven en verdwijn in de woeste kloof, waar ik afwisselend eikenboschjes tref, hooge rotsenaan steile afgronden, voetpaden, die nauwelijks te onderscheiden zijn in het rotspuin, en bergwanden, die wonderlijk mooi verlicht zijn en in trotsche majesteit verrijzen. Zoo bereik ik het dorp Karyopolis en zijn ellendige hutten, in het bergland verloren. De menschen hier loopen in lompen, en ik vraag mijzelven af, waar ze van leven op dezen grond, waar de bebouwbare lagen ver te zoeken zijn. Maar ik heb geen tijd, een economisch probleem te doorgronden; nog een paar inzinkingen en daar is de zee weer, daar is het dal van de Vardoenia en spoedig daarna Marathonisi.Misthra met de oude cypressen.Misthra met de oude cypressen.Het is tien uur; ik neem, niet zonder eenige ontroering, afscheid van mijn braven gaïdoeri en mijn beide metgezellen, die natuurlijk bij de gewisselde handdrukken een toespraakje houden. En op een anderen muilezel, geleid door een nieuwen agoyaat, begeef ik mij enkele oogenblikken later weer op weg naar Sparta en het dal der Eurotas.Gytheion vertoont op twee tweelingheuvels zijn wankelende stukken muur tot aan den rand van den weg, die nauw wordt ingesloten tusschen de zee en de bergen. Niet ver van daar springt een bron, waarvan het gemurmel over de steenen mij heerlijk toeschijnt. Het is in Griekenland zulk een zeldzaam schouwspel, dat ik er mij een poosje ophoud, om mijn door de heete middagzon gloeiend hoofd af te koelen, terwijl de agoyaat een rietstengel afsnijdt, om er een fluitje van te maken. Dan volgt het in puin liggende fort Khaki-Skala, en dan begint de weg de hellingen van den Taygetos te bestijgen, namelijk het voorgebergte Vardoeno Khoria, waar de Eurotas, die uit de vlakte van Sparta komt, zich een weg doorheen moet banen.Weldra onttrekt een eerste pas Marathonisi aan ons oog en we gaan verder met stijgen door boschrijk bergland, van waar de vlakte van Helos te overzien is en waar Cytherae zich aan den zuidelijken horizon vertoont. Nog een laatste stijging, en bij het dorp Levetzova begint de daling naar de vlakte van Sparta, die daar voor mij ligt in een goudgeel waas van rieten daken. Een rij laurieren en platanen wijst den loop van deEurotasaan, die hier en daar fonkelend straalt langs den prachtigen muur van den Parnon, terwijl de hooge keten van den Taygetos zijn reeks van indrukwekkende toppen tegen de lucht afteekent.Hoewel de zon snel begint te dalen, is het in de diepte van de kom ondragelijk warm; de bleeke olijven, de vijgeboomen en de moerbeiboomen met hun donker groen, dat ongelukkig onder een laag stof schuil gaat, de oranje- en citroenboomen, met gouden vruchten beladen, omringen de velden, waar reeds het zaaisel voor het volgend jaar is uitgestrooid. Dit is Laconië, een mooie en rijke provincie met veel landbouw, waar sierlijke dorpen zich in het groen verbergen en op den achtergrond waarvan zich in den vallenden avond achter de acropolis van Amyclae de heuvels van Sparta in flauwe omtrekken vertoonen, waar ik eindelijk om acht uur in den avond aankom, uitgeput van warmte en vermoeienis.Sparta’s stille straten en de Taygetos.Sparta’s stille straten en de Taygetos.Door tuinen omringd, liggen de witte, lage huizen van de moderne stad, die door koning Otto in den loop van zijn kortstondige regeering werd gesticht,tegen een heuvel aan, waar broodboomen en heide den grond bedekken. Ze waren reeds verdroogd door de zon, wat ik opmerkte toen ik den volgenden morgen een tocht ondernam door de breede, rechte en eentonige straten aan den voet van den kolossalen Taygetos. Groote zwarte cypressen, ook al weer onder een laag stof, rezen er ten hemel. Onder luifels etaleerden de winkels van den bazar op gevlochten rietmatten de mooie vruchten van Laconië, meloenen en fluweelige vijgen, en boeren, gekleed in een lang, rood gewaad, met een koord om het midden, loopen af en aan onder het gehinnik van hun paarden, de sandalen door touwen vastgebonden aan hun gebronsde enkels. Ik ontmoet vrouwen in ruime hemden, met mooi, laag voorhoofd, energieke kin, en terwijl ik moet erkennen, dat ze waard zouden wezen door haar physiek de afstammelingen te zijn der oude Spartanen, kom ik over een grasvlakte bij de plek, waar enkele overblijfselen de plaats der antieke stad aanduiden; resten van graven, fondamenten van muren, ruïnen van een schouwburg, die naar de strenge wetten van Lycurgus alleen bestemd was voor lichaamsoefeningen. Hier, beweert men, is het overblijfsel van Leonidas’ graf, het stadion, waar de jongelieden zich in wedloopen oefenden, en wat verderop, een door de Eurotas gevormd eilandje, waar de rivier zich splitst, een boomgroep, waar de moderne Lacedemoniërs hun openbare wandelplaats hebben aangelegd. Het is de Platanistas, waar men onder het oog der grijsaards oudtijds de kinderen sloeg, om ze aan pijn te gewennen, waar de jongelieden elkander geregelde gevechten leverden en zonder een klacht in den dood gingen. En ik bereik weer de nieuwe stad door moerbeiboschjes en denk aan al die ruwheid uit het verleden, aan de woeste geestkracht, die hier aan den dag werd gelegd, aan die ruwe zeden, die aan de Spartanen, met de verachting van den rijkdom, tevens een diepe minachting inboezemden voor de onsterfelijke kunstwerken.Op een eilandje in de Eurotas.Op een eilandje in de Eurotas.Tegen tien uur moet ik op het oogenblik, dat de warmte verstikkend wordt, door het dal trekken, om mij eerst naar Misthra te begeven en dan door den Taygetos naar Messenië te dalen. Daar de wegen over de bergen, naar het schijnt, niet volkomen veilig zijn, hebben de autoriteiten mij nog een gendarme meegegeven, wiens nietig uiterlijk niet geschikt is om mijn gevoel van veiligheid te vergrooten; daarentegen is mijn agoyaat een stevige vent en tevens door onze “symphonie” ook een goede verdediger. Hij heet Christo, zooals zoovele van zijn mannelijke landgenooten, die, als ze dezen voornaam niet dragen, stellig antwoorden op dien van Georgi, Janni of Panayotti. En al pratend met twee metgezellen, die zonder gewetensbezwaar en dat nog wel voor een vertegenwoordiger van het gezag, de boomen van hun vruchten berooven, komen we in een uur aan den voet van de majestueuse keten bij het tegenwoordige dorpMisthra, gekroond door de indrukwekkende ruïnen van de middeleeuwsche stad.Mooie plantengroei aan de Eurotas.Mooie plantengroei aan de Eurotas.Een catastrofe schijnt den berg over zijn geheele lengte te hebben gescheurd, en de diepe kloof, die de Grieken “langada” noemen, daalt in een chaos van rotsen van schitterende kleuren. Vrouwen zitten voor haar armoedige huisjes, het hoofd bedekt met een zwarten sluier, die ze op religieuses doet gelijken; ze spinnen in stilte, en heffen slechts even de oogen op om ons te zien voorbijgaan. De helling van Meso-Khori is weldra bestegen, en we houden stil in de schaduw van prachtige platanen, waar een van die kleine turksche fonteinen onder springt, die zoo dichterlijk zijn en waar het water te midden van arabesken te voorschijn komt, om zachtjes neer te vallen in een steenen bekken, dat geheel vochtig is van iriseerende droppels. Ik kan een kreet van bewondering niet weerhouden; vóór mij, zeer hoog op de bergen, liggen trapsgewijze en in een driehoek de ruïnen van het oude Misthra, het frankische, door Villehardouin gesticht, die vorst van Morea, de plaats, die om beurten daarna turksch of venetiaansch is geweest en eeuwen lang de hoofdstad van Laconië was. Die stad der kruisvaarders, die sedert de schepping van het koninkrijk verlaten werd voor het moderne Sparta, maakt nu een droefgeestigen indruk van verval onder het weemoedig toezien van haar drie oude cypressen, die reeds de getuigen waren van haar oude grootheid.En door nauwe straatjes, die als trappen zich door tuintjes kronkelen, tusschen boogvormige arcaden door en binnenpleinen, waar in het natte gras schildpadden slapen, klim ik omhoog tot de oude kerk van Pantanassia, met de sierlijke zuilengalerij en met in het inwendige een nis, waar de fransche leliën boven zijn gehouwen. Daar zijn kleine gothische gebouwtjes en een grooter bouwwerk met hoogen gevel, door den tijd verweerd en voorzien van talrijke vensters. Dat is het paleis van Villehardouin met zijn gekanteelde torens en struikgewas aan den voet, waar reptielen zich ophouden. Ik blijf nog stijgen, tot ik eindelijk de citadel bereik, omgeven door versterkte muren, waarbinnen veel puin ligt en waar waterreservoirs zijn aangebracht. Alles is thans in de stad uitgestorven, die daar aan mijn voeten ligt in de ruïnen, en alleen de wilde duiven, die in de verlaten ruimten rondvliegen, zetten leven bij aan de indrukwekkende eenzaamheid.Op een sarcophaag gezeten, van waar ik de groene vlakte van Sparta kan overzien, die door de groote schaduw van den Taygetos wordt getroffen, denk ik terug aan de verre tijden, toen onze voorvaderen over het land regeerden; ik roep de herinnering aan onze beschaving op, die ik hier, ver van het vaderland, terugvind in de bogen, de latijnsche kruisen, de leliën; ik vergeet de byzantijnsche wereld, om door tijd en ruimte te gaan tot den tijd van onze Middeleeuwen, welker heroïsme vol edelmoedigheid geschreven staat op alle steenen van de ineenstortende stad. Daar op eens begint de klok van de oude metropool, overblijfsel van de grieksche stad, die ook al vervallen is, nadat ze gebouwd was op het oudere puin van het kasteel onzer voorvaderen, te klinken; een priester treedt uit het aartsbisschoppelijk paleis en achter hem verdwijnen eenige vrouwen in de kerk, gelijkende op groote, zwarte vogels, dwalend tusschen de graven.Nu haast ik mij naar beneden, telkens struikelend over verbrokkelde wapenschilden, waar de hagedissen hun zonnebad nemen, en ik treed de kerk binnen, terwijl het gebed bijna is afgeloopen. Ik bezie een oogenblik den groenen koepel, de ruwe fresco’s aan de wanden en de oude grieksche opschriften, die uit de veertiende eeuw afkomstig zijn, en toen ik opnieuw den drempel overschrijd, verblind door de felle helderheid van het licht, voegt de geestelijke zich bij mij en zegt: “Sto kalo, wees gezegend!” en wenkt mij, want het kost mij moeite zijn dialect te begrijpen. Hij voert mij mee tot aan het oude aartsbisschoppelijk paleis, dat dicht in de buurt is, en waarvan de muren de sporen dragen van de turksche verovering.Die lagere grieksche geestelijken, die maar zoo weinig onderwijs hebben genoten ondanks de pogingen en de milde giften van den rijken Rhizaris, ontzeggen zich door te trouwen den toegang tot het episcopaat. De niet gehuwde monnikken worden dus tot bisschoppen en aartsbisschoppen benoemd, en de arme pappa’s leven daar te midden van hun onbeteekenende schaapjes in voortdurende onwetendheid. Nauwelijks hun godsdienst kennend, niet in staat de dogma’s er van te verklaren, onopgemerkt door den staat, die hen niet betaalt, zijn ze wel genoodzaakt om, ten einde in de behoeften van hun gezin te voorzien, uit alles geld te slaan. Sommigen drijven handel, andere doen aan landbouw, allen speculeeren op de lichtgeloovigheid van het publiek of laten zich hun diensten zoo duur mogelijk betalen. En zoo ontmoet men dikwijls de bleeke broeders met hun donker cylindervormig hoofddeksel, hun lang zwart kleed en de haren in den nek tot een wrong opgestoken, wandelend zonder eenig prestige onder groote parapluies, die hen tegen de zonnehitte beschutten.Mijn pappa uit Misthra maakt geen uitzondering op den regel, in geen enkel opzicht. Zijn vrouw, een grove boerin, zeker nog onwetender dan hij, gaat opstaan bij ons binnentreden, kust haar man de handen en trekt zich bescheiden terug, alsof het niet bij haar rang zou passen, bij ons plaats te nemen. Maar ze treedt een oogenblik later weer binnen met een pot bessengelei, waarin wij ieder op zijn beurt ons houten lepeltje moeten steken, om dan een glas te vullen met helder water, dat mij wel zoo gepast lijkt bij deze temperatuur dan het gesuikerde hapje, dat eraan voorafging.Na enkele oogenblikken van een nog al traag vloeiend gesprek, wil ik mijn gastheer voor zijn gastvrijheid bedanken en, de gewoonten van het land kennend, laat ik een cadeau van enkele drachmen in zijn hand glijden. Men moet aannemen, dat de offerande hem niet onwelgevallig is, want ik begrijp uit de woorden, die onder een stroom van dankbetuigingen schuilgaan, dat hij mij nog wel eens weer tot gids wil dienen. Het helpt niet, of ik hem al zeg, of liever hem toeschreeuw, want hij praat veel en luistert slecht, dat mijn bezoek is afgeloopen en dat ik mijn muildier weer ga opzoeken, om mijn weg te vervolgen, wat ik reeds op het punt waste doen toen ik hem ontmoette, hij wil niet hooren, en, mij bij den arm nemend, sleurt hij mij naar buiten en herhaalt onophoudelijk: “Pantanassia, Pantanassia!” Ik moet er mij wel in schikken, hem te volgen naar het kerkje, dat ik zooeven al heb gezien en waarvan hij mij in bijzonderheden de merkwaardigheden verklaart; daarna treden we het naburige klooster binnen, waar mij het graf van keizerin Theodora wordt getoond, de vrouw van Constantijn Palaeologus, den laatsten byzantijnschen keizer. Maar dat alles wekt veel minder mijn belangstelling dan het voorkomen van de oude frankische stad, waar ik de herinnering aan onze voorvaderen terugvind; de spraakzame pappa vindt die beleefd ook interessant en laat mij eindelijk vertrekken, mij overladend met zijn zegeningen.En nu begint de bestijging van de Taygetostoppen; in plaats van dien avond in Trypi te slapen, waar we in een uur marcheerens kunnen wezen, heb ik besloten, op raad van mijn agoyaat en na een verzoek te hebben gericht tot den demarch of burgemeester van Sparta, die mij volkomen veiligheid heeft gewaarborgd, den nacht in de bergen door te brengen te midden van de herders. Weldra verdwijnt de heuvel van Misthra, en we bereiken tegen drie uur de huizen van het dorp, die hun roode daken verbergen onder prachtig, donker cypressenloof. Aan alle zijden borrelen bronnen in de rotsen, en ik geniet een heerlijk welbehagen na de hitte van de vlakte, nu ik de koele frischheid mag voelen. Vrouwen wasschen haar linnen aan den rand der beken, en ik denk aan de echtgenooten der homerische helden, handig in de huishoudelijke plichten, maar met wie deze dames slechts heel in de verte verwant zijn.Maar daar gaapt aan een voetpad onder meidoorns in den berg een wonderlijk hol. Dat is de langada van Trypi, in welker nabijheid men de plaats heeft meenen te herkennen van de kloof van Caeadas, waar de oude Spartanen de misdadigers in wierpen evenals de krijgsgevangenen. En inderdaad van een voorgebergte boven den afgrond, kijk ik neer in een spleet tusschen de rotsen, en de bodem schijnt er niet anders te zijn dan een opeenhooping van menschenbeenderen en stof. Een heftige indruk van afschuw doet mij die lugubere plek ontvluchten, en langs een steenachtigen weg, die den loop van de Trypiotiko volgt, daal ik af in het aangrenzend ravijn.Plotseling verdwijnt de zon en de koude wind der hoogten slaat mij onaangenaam in het gezicht. Ik moet een warmer jas aantrekken daar tusschen de kale, roode rotsen, die er dreigend uitzien. Van Trypi af was de weg steeds gestegen; nu hadden we het hoogste punt bereikt, om dan weer tot de oppervlakte van het water te dalen. Christo waarschuwt mij, dat ik moet afstijgen, want dat het pad gevaarlijk begint te worden. Inderdaad lagen er groote marmeren steenen, glibberig en vuil, waar men licht zou kunnen uitglijden en in den afgrond storten. Terwijl ik langzaam voortloop, houdt de agoyaat den teugel van het muildier vast, terwijl de gendarme den staart pakt, en het arme dier, zoo opgehouden, loopt met moeite, dikwijls uitglijdend en een massa steenen in de diepte werpend.Ik heb werkelijk het gevoel, dat de dood van nabij dreigt, en met een gevoel van groote verlichting bereik ik eindelijk de bedding van de rivier, waar de weg overheen leidt, om aan den rechteroever weer te stijgen. Maar de kalmte zou niet lang duren. Terwijl de Trypiotiko hoe langer hoe meer onder ons wegzinkt, gaan we steil omhoog langs de rots, die ten laatste zoo ver over de kloof heen hangt, dat wij het geluid van den onstuimigen stroom zelfs niet meer hooren. Nu eens stijgend, dan dalend langs dien gevaarlijken weg, gaat het verder, tot tegen zes uur toen de schemering valt, we de rivier terugvinden, die nu kalmer vloeit tusschen mooie platanen. De kale toppen boven ons, roodgekleurd door de ondergaande zon, komen mij voor als een booze droom. Daar klinkt een woedend geblaf niet ver van ons, en twee groote, zwarte honden storten zich op onze karavaan. Christo en de gendarme maken een beweging, alsof ze met steenen willen gooien, en dat is voor het oogenblik voldoende, om die wilde beesten in bedwang te houden, die verbazend woest kunnen zijn en die ik wel heb zien bijten in de steenen, naar hen toegeworpen, of ze van woede met hun bek weer in de lucht heb zien opgooien. Op hun achterpooten zittend en gereed om op ons aan te vliegen, als we naderbij komen, maken die honden een geluid, dat in het oneindige door de rotsen wordt weerkaatst. De aandacht der herders, die in de buurt zijn, wordt eindelijk getrokken en daar verschijnen eenige bergbewoners; op hun bevel houdt het geblaf op, en Christo treedt alleen naar voren, om te onderhandelen.Waarlijk, die menschen zien er niet aantrekkelijk uit. De groote bruine mantel, dien ze over hun schouders dragen, hangt tot op de vroeger witte slobkousen, die met een zwarten kouseband worden opgehouden. Hun gebruind gezicht verdwijnt onder een ruwen baard; enkelen van hen hadden lange haren, die rondom hun mutsen en petten uitstonden; allen leunden op den langen, gebogen stok als een bisschopsstaf, dien ze altijd bij zich hebben, en keken mij dreigend aan. Eindelijk was er een overeenstemming getroffen en we begaven ons op weg naar het kamp, ditmaal geëscorteerd door de honden, die schijnen te begrijpen, dat wij nu burgerrecht hebben verkregen. Al spoedig wordt het schijnsel van een vuur onder de boomen zichtbaar; we gaan een landelijke omheinde ruimte voorbij, waar de schapekaas, die er wordt bereid in vaten van geiteleer, een afschuwelijken stank verspreidt, en komen eindelijk tegenover een reeks verblijven, die van een vlechtwerk van bladeren zijn opgetrokken en waar de vloeren met dennetakken zijn belegd.Die herders zijn een ware plaag voor de boomen in Griekenland, die ze brutaal exploiteeren en waarvan hun schapen de jonge spruitjes nuttigen. De bijl en het vuur doen geleidelijk heele bosschen verdwijnen, die mogelijk door een nauwlettender toezicht gespaard hadden kunnen blijven. Hier is de eerste oorzaak van de ontwouding, die de droogte en de dorheid veroorzaakt, waar het land zoozeer onder lijdt. Men moest die lieden doen begrijpen, dat hun eigen belang meebrengt, dat ze de boomen eerbiedigen, dat het onvoorzichtig is, ze te vroeg te vellen, hun zonder noodzaakde takken te ontnemen of altijd maar weer onder de bescherming van hun stammen vuren aan te leggen, die ze langzaam sloopen. Maar dat is een moeilijk uit te voeren werk, want dit volk is totaal onwetend; men heeft wel getracht, op sommige plaatsen nieuw bosch aan te leggen; maar de plantjes, die ondanks de brandende zon en de droogte juist wat op streek begonnen te komen, hebben al gauw gediend tot voedsel voor de geiten, en de overige zijn van watergebrek omgekomen. En zoo gaat het van kwaad tot erger, terwijl de openbare macht er nog niet in is geslaagd, een middel tegen de kwaal te vinden.Intusschen is het geheel donker geworden. Ik heb mij in mijn hut geïnstalleerd, waarvoor een groot vuur brandt; Christo en de gendarme hebben zich bij hun nieuwe vrienden gevoegd op eenige schreden afstands en geven hun inlichtingen over mijn persoon en mijn reis; de oogen der nu gekalmeerde honden schitteren in de duisternis. Er is vóór mijn hut een flinke hoeveelheid hout opgestapeld, opdat ik het vuur zal kunnen onderhouden, dat mij verwarmt, en bij het schijnsel waarvan ik thans mijn maal gereed maak. Nu of nooit moet ik een paar van die blikjes nuttigen, die met wat spiritus dadelijk gereed zijn te maken. En terwijl ik op mijn kleine verwarmings-toestelletjes een heerlijke portie kalfsvleesch met worteltjes klaar maak, en een niet minder smakelijken ragoût van schapevleesch, komen de herders naderbij, gaan in een kring om mijn vuur zitten, en een onuitsprekelijke verbazing teekent zich op hun ruwe gelaatstrekken. Voor deze halfwilde menschen is het gezicht van mijn vernuftige keuken iets geheel nieuws; ze doen uitroepen, vragen, stooten elkaar met den elleboog aan en lachen. Geen enkele mijner bewegingen ontgaat hun en altijd worden er lange besprekingen over geopend. Voor mij is die omgeving ook iets vreemds en nieuws, daar zoo in de bergen te zijn, ver van alle beschavingsmiddelpunten, met deze roovers, wier oogen op mij gericht zijn door den rook en het schijnsel van het vuur heen.Zoodra mijn maaltijd is afgeloopen, gaan de leege blikjes van hand tot hand; ik bied een sigaret aan, waarvan allen gretig profiteeren en er begint een gesprek, waaraan ik maar gebrekkig kan deel nemen, zoodat ik allen tijd heb, mijn zonderlinge makkers op te nemen, wier gelaat en handen met een dikke laag vuil zijn bedekt. Nu herinnerde ik mij, dat toen ik eens den Pentelicon beklom met een atheenschen vriend, wij op den top een herder ontmoetten van het slag van deze lieden, en dat hij ons had bekend, dat in zeven jaren, dat hij in de bergen leefde, hij zich nooit gewasschen had. Die man had nog eenige verontschuldiging, want het water is schaarsch in de omstreken van Athene; maar wat te zeggen van zijn kameraden van den Taygetos, die, terwijl er bronnen in de nabijheid zijn, evenmin als hij de behoefte voelen met het verfrisschende water kennis te maken?
Bergkloof bij Mycene.Bergkloof bij Mycene.Een tweede zaal, kleiner en lager, eenvoudig in de rots uitgehouwen en totaal donker, diende als grafkamer, terwijl de groote, die rijk versierd was, de offeranden bevatte, alsook de wapens en de sieraden van den doode. Juist dezelfde schikking vindt men terug in een ander van die koepelgraven, op enkele minuten afstands van het zooeven beschrevene en dat gewoonlijk het graf van Clytemnestra wordt genoemd, veel minder goed bewaard dan het eerste, en waar men slechts vrij onbeduidende voorwerpen in heeft aangetroffen.Ik ben nu aan het einde van het bezoek aan deze in nevelen gehulde en prehistorische stad; nog eenmaal omvat ik met den blik alle steile rotsen met hun vergeeld gras. Overal vertoont het zaaisel zijn kracht in enkele donkergroene plekken; groote uitgestrektheden katoenboomen en korenvelden, die al goudkleurig zijn, wisselen af met tabaksvelden; de citadel van Argos steekt in de vlakte vooruit op haar rotskaap; de cyclopische massa van Tirrhyns springt alleen naar voren uit de gele velden, en heel in de verte ziet men Nauplia en zijn witte huizen, met schaduw overtogen door de rots van Palamedes, die, van hier uit gezien, door de steile helling gelijkt op de rots van Gibraltar, en eindelijk in de verte de blauwe golf, waar lichte zeilen zich op vertoonen.De weg is stoffig, en de hagen aan de zijden zijn geheel wit; op de velden is het druk, want het oogenblik is reeds gekomen, waarop haver en rogge moeten geoogst. Boerinnen gaan voorbij met de kruik van roode aarde op den schouder; de sierlijke beweging van den arm, die lichtelijk is gebogen, doet de vormen van haar lichaam onder de lichte bedekking goed uitkomen. Met haar korte rokjes en op de bloote voeten, gaan ze drinken brengen aan de arbeiders op het land, lachend om het stof, dat ze opjagen en om den wind, die in de laatste oogenblikken heviger is geworden en die haar loop vertraagt en haar in het gezicht striemt. “Wees welkom onderons”, zoo roept mij een der vrouwen toe met haar helderen blik, “en kom eens kijken naar het werk der boeren van Argos!”Er is daar juist een groep mannen bezig niet ver van den weg; het is nog niet laat genoeg op den namiddag, om te weigeren aan die onverwachte uitnoodiging te voldoen. Men komt om het rijtuig heen staan, er worden mij warme en vochtige handen toegestoken en daar ben ik onder de boeren verzeild, die vertrouwelijk en goedig zijn te midden van de rijpe aren op den grond. Ze hebben hier een eigenaardige manier van dorschen; ik had reeds opgemerkt, dat er langs den weg op geregelde afstanden ronde, ruw geplaveide plekken waren, en ik vroeg mijzelven af, waar die wel voor mochten dienen. Ik kreeg spoedig een antwoord, toen ik mijn vrienden aan het werk zag.Zoodra de halmen zijn afgesneden, gewoonlijk met de sikkel, brengen kinderen ze naar den dorschvloer, waar ze worden uitgespreid. Twee paarden, gespannen voor een soort van houten kist vol steenen, waarop, ten einde het gewicht te vermeerderen en ook voor amusement, jongens en meisjes zijn gezeten, loopen aanhoudend in een kring rond en dorschen het graan. Als die bewerking is afgeloopen moet men, eer een nieuwe voorraad koren op den vloer wordt gebracht, het graan zuiveren van de onreinheden. Om dat te doen werpen vrouwen, voorzien van een soort van houten schoppen, het koren omhoog in den wind, en weldra zijn er twee hoopen gevormd, de eene van het kaf, dat eraf is gevlogen en een andere van het zwaardere, in de buurt gevallen graan. Het is een bewerking, die te verdedigen is, als de wind niet te hevig is, maar als er een frissche bries waait zooals nu, bespeur ik, dat een aanzienlijke hoeveelheid wegvliegt en dat de menschen op die wijze een goed deel van hun oogst verliezen. Als men bedenkt, dat ondanks de uitstekende hoedanigheid van sommige gronden in Griekenland de opbrengst lang niet is, wat ze moest wezen, door de zorgeloosheid en de weinige geldelijke hulpmiddelen, waardoor de boeren er niet toe komen hun gronden te verbeteren, dan kan men nagaan, wat ervan terechtkomt na zulk een weinig rationeele behandeling.Wat er over is van het paleis van Agamemnon.Wat er over is van het paleis van Agamemnon.Maar de tijd is gevorderd onder deze overdenkingen; Argos is thans vlakbij. Daar verrijst de kegelvormige berg van Larissa; de wind doet van het witte klooster Panaghia op de helling klokketonen tot mij overkomen, aankondigend, dat Christus is opgestaan, terwijl hooger op den berg een frankisch kasteel in puin zijn vervallen kanteelen toont. Aarden muren, gelijk aan die uit de oasen van Soedan, dragen platte daken of terrassen. De café’s uit de hoofdstraat zijn vol menschen; boeren uit de vlakte en zelfs uit het binnenland van den Peloponnesus doen er zaken, en daar ze allen nog al heftig zijn, gaat het er luidruchtig toe. Maar het is gelukkig veel geraas en weinig wol, en de vuile politieagent, die in zijn blauwe uniform rondwandelt, kijkt zelfs niet om, als er aan zijn oor scherpe woorden klinken. Hij weet wel, dat ze naar alle waarschijnlijkheid geen gevolgen zullen hebben en dat er altijd nog wel tijd zal wezen, om, als het noodig wordt, een mooi verzoeningsspeechje te houden.Het graf van Klytemnestra.Het graf van Klytemnestra.De eerbied van den Griek voor woorden is slechts te vergelijken met zijn liefde voor de mooie geste; dezinnen van het gewoonste gesprek gaan bij hem altijd gepaard met betoogingen door handen of armen; maar als hij in een twistgesprek is of zijn belang moet verdedigen, stijgt die hartstocht voor bewegingen tot het hoogste; het lichaam wordt voorover gebogen, de oogen puilen uit hun kassen, en men gaat meenen, dat er een vuistgevecht ophanden is, terwijl een seconde later alles tot de grootste kalmte is teruggekeerd. De opwinding heeft een gewonen uitweg gevonden.Veel van die vermakelijke tooneelen doen zich voor terwijl ik door Argos loop, dat nu wel zeer vervallen is van zijn vroegere grootheid. Een alleenstaand gebouw, de schouwburg, die aan de stad door de Romeinen werd geschonken, is het eenig overblijfsel, dat herinnert aan de rol, die de stad heeft gespeeld. Op de halfvergane treden van dien schouwburg werd indertijd de eerste vergadering gehouden, toen in den vrijheidsoorlog het nieuwe koninkrijk gesticht was. Verschanst in de acropolis, hield Ypsilanti roemrijk stand tegen het turksche leger, en dat verscheiden dagen achtereen. Argos bewaart die kostbare herinneringen uit het mooiste gedeelte van de moderne grieksche geschiedenis als iets kostbaars, en de ligging der stad te midden van een vruchtbare streek in de nabijheid der zee moet haar een waarborg zijn, dat er weer tijden van voorspoed zullen volgen.De bergen werpen reeds groote schaduwen over de vlakte, die ik nu in de volle breedte moet oversteken, om van Argos naar Tirrhyns te gaan. Twee vermolmde houten bruggen zijn over de bedding der Charadros geslagen en over die van de Inachos, waar nog een weinig water in is om dezen tijd van het jaar. Dan passeeren we windmolens, die luidruchtig draaien met hun groote wieken en gescheurde zeilen. Die bouwsels schijnen dan toch te zeggen, dat de boeren hun oogst niet naar de vier windstreken laten vliegen! Weldra houdt het rijtuig stil onder het afdak van een kleine khani; ik ben aan den voet van de acropolis van Tirrhyns.Deze hoogte, alleen staand te midden van de velden en zich niet hoog boven de vlakte verheffend, ziet er niet zeer indrukwekkend uit. En toch was het volgens, de legende hier, dat Menelaus al zijn huiselijk leed ervoer. Terwijl ik door de bouwvallen dwaal, door de ruimten, waar het huisaltaar stond, waar de slaven en bedienden woonden in dat oude tijdperk van primitieve grootheid, moet ik mijzelven afvragen, hoe de menschen zulke kolossale steenen omhoog hebben kunnen krijgen, door welke hulpmiddelen zij ze op elkander hebben kunnen stapelen, en ik ben verstomd van bewondering en verbazing.De wind blaast door de spleten van de steenen en schudt de boompjes, die met hun groene takken de resten overdekken van een voor altijd ondergegane beschaving. Mycene rechts van mij is in den nevel bijna niet te onderscheiden; de citadel van Argos vóór mij, die van Nauplia links zullen alleen worden verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon, die achter de bergen verdwijnt; een gevoel van onbestemde somberheid en melancholie vervult mijn gemoed; het is of het gehuil van den wind een klaagtoon is van al, wat hier gestorven is in den loop der eeuwen. Het is mij, of de grootsche stem der natuur protesteert tegen de tegenwoordigheid van den vreemde hier in deze doodenstad van reuzen, wier eeuwigen slaap men niet moet storen. Ik haast mij om uit dit neerdrukkende groote verleden weer voeling te krijgen met mijn tijdgenooten, en met een echt kinderlijke vreugde hervind ik in de khani den trouwen amaxa, die mij terug zal brengen naar Nauplia.Een officiëele landbouwschool, gesticht door Capo d’Istria, die hier goed ter plaatse is te midden van de vruchtbare alluviale landerijen, ligt aan onzen weg. Ik wenschte voor Griekenland, dat men erin slagen mocht, geslachten van kundige boeren er te kweeken, die voor goed zouden breken met de verouderde methoden, waar ik staaltjes van heb gezien. Maar ik durf het niet vast te gelooven; de school bestaat al meer dan zeventig jaren en ik vraag mij af, welk onderwijs de leerlingen, die er zijn opgeleid hebben genoten en hoe ze het in practijk hebben gebracht.Nu komen de moerassige terreinen, grenzend aan de diepte van de Golf; de weg, omzoomd met mooie platanen, loopt langs de zee; Nauplia, in verdiepingen opgestapeld op de rotsen van den heuvel Itsch-Kalé, kijkt in de vlakte van Argos; hoorngeschal klinkt uit het fort Palamedes, dat, half gevangenis, half kazerne, als een zwaar blok boven ons hangt. Wij gaan door den ringmuur der stad en dan door een doolhof van straatjes, vol modderpoelen, waar mijn rijtuig met totalen ondergang wordt bedreigd en bereiken eindelijk de haven en het vreemdelingenhotel. Uit de vensters van de eetzaal bespeur ik de Golf, welker water nu paars is, terwijl een lichtrose tintje nog op de bergen hangt van Arcadië. De wind is bijna geheel gaan liggen, en de laatste booten met witte en roode zeilen van verschillenden vorm, komen de eene na de andere aanleggen aan de kade, waar reeds, in afwachting van den nachtdienst van Paschen, de heele wereld van Nauplia tusschen de blauwe uniformen der officieren van het garnizoen heen en weer wandelt.En terwijl ik mij vermaak met de gezellige drukte, merk ik op, dat de mannen in het algemeen, voor zoo ver ze tot het volk behooren, de roode fez dragen en de lage muilen. Er zitten er ook naast mij, die kalm de narghilé rooken, die hun wordt gebracht geheel klaar, zooals men in Europa de vertering brengt; anderen laten met de oogen in het vage de grove kralen van den rozenkrans door de vingers glijden, die in het Oosten zoo algemeen is, en welke machinale beweging meer een tijdverdrijf schijnt dan een werkelijk gebed.De nacht is warm en helder; de klok van een kerk begint te luiden met versnelden pas; daar antwoorden andere met scherper of doffer klanken, en het is een vreemde cacophonie, waarin zich zoo nu en dan de zware tonen mengen van het carillon der kathedraal. Christus is opgestaan, en de menigte vult de kerken. Ik ging binnen in die van den Heiligen Geest, waar Capo d’Istria verraderlijk werd vermoord en maakte, als iedereen, het teeken des kruises met de aaneengesloten drie voorste vingers van de rechterhand, achtereenvolgens gebracht naar het voorhoofd en naar de borst ter rechter en ter linker zijde. Het heilige is als in alle byzantijnsche kerken gescheiden van het overige gebouw door een wand, bedekt met vrome platen, die door de geloovigen worden gekustonder aanhoudend maken van het teeken des kruises; in het midden staat het altaar, overgoten van licht en zichtbaar door een getraliede poort. De koorzangers zingen psalmen zonder begeleiding; ze zijn als de priesters in een lang zwart gewaad gekleed met hoog opgestoken haren onder de hooge cylindrische muts.Maar daar komt de priester in zijn met goud geborduurd misgewaad; zijn lange baard en zijn spierwitte haren omringen het patriarchengelaat met de zachte en toch mannelijke trekken; hij zingt langzaam enkele woorden, en de menigte knielt met het gelaat tot den grond gebogen. Toen, terwijl het koor een litanie begint, die mij treft door haar grootschheid, worden de kaarsen aangestoken in de handen der geloovigen; daarboven in den toren worden de klokken heftig bewogen; dit is het plechtige oogenblik; de deur van het koor wordt geopend, de pope verschijnt in al zijn waardigheid met een gevolg van geestelijken op den drempel: “Broeders,” zegt hij met bevende stem, “Christus is opgestaan, Christos anesti!” Dadelijk vallen de geloovigen elkander in de armen en kussen elkaar op het voorhoofd, terwijl ze met het koor meezingen het Paaschhalleluja. Buiten maken de voetzoekers lawaai, vensters worden met bengaalsch vuur verlicht, en de vreugde zal den ganschen nacht duren.Die kreet van “Christos anesti”, die door heel Griekenland vandaag weerklinkt, wekt mij vroolijk te Nauplia, zoodra deze mooie Paaschmorgen is aangebroken. De kellner van het hotel heeft terstond behoefte, zijn geestdrift te uiten. De menschen omhelzen elkaar allen onder de begroeting met dezelfde formule.Een officier uit Athene had mij een brief van aanbeveling meegegeven voor een van zijn kameraden te Nauplia, opdat ik toegang zou kunnen krijgen tot de kazerne en de traditioneele Paaschfeestelijkheden zou kunnen bijwonen. Eer ik mij naar hem toe begaf, werp ik een blik op den obelisk aan de haven, opgericht ter herinnering aan den daadwerkelijken steun, dien Frankrijk aan Griekenland verleende in de epische tijden van den vrijheidsoorlog. Het moge waar wezen, dat de Grieken babbelachtig en oppervlakig zijn, ik merk toch met genoegen op, dat ze niet vergeten, en dat ze in hun geheugen de namen bewaren van een Fabvier en een Maison. En nadat ik dan door de breede, goed geplaveide straat heb geloopen met de rijen mooie platanen, kom ik in een labyrinth van nauwe straten, waar uithangborden met gevleugelde leeuwen aan de venetiaansche overheersching herinneren, terwijl een huis met een door sierlijk traliewerk afgesloten balkon de turksche regeering voor den geest roept.Het fort Palamedes, dat ik natuurlijk moest bestijgen, is alleen toegankelijk van den kant der stad. Een duizendtal treden, in de rots gehouwen tusschen cactusstruiken door, voeren naar de wallen der citadel. Van een torentje uit, dat letterlijk over de huizen van Nauplia heen hangt, bewonder ik een oogenblik het prachtig panorama aan mijn voeten. Op het binnenplein der kazerne dansen de soldaten, en het feestrumoer der stad klinkt tot hier door. Daarachter het schiereilandItsch-Kalé, dat de haven beschermt tegen den zeewind. Door de plechtigheid van het Paaschfeest ben ik verhinderd geworden, om de noodige stappen te doen ter verkrijging van de machtiging tot een bezoek aan de citadel; niet, dat ze zoo ingewikkeld zijn, maar de plaatsbureau’s waren dezen morgen verlaten, en ik heb den dienstdoenden officier niet te spreken kunnen krijgen. Ik bekijk het kasteel dus van den buitenkant. Het is door de Franken gebouwd, versterkt door de Venetianen en voorzien van zeven redoutes, waarvan twee de onverwachte namen dragen van Miltiades en Themistocles. Mijn blikken bleven lang hangen aan de duizelingwekkende steilten, afdalend naar de zee, waar in de diepte het eiland Spezzia lag, terwijl tegenover mij Arcadië gloeide in de zon en rechts de groene vlakte van Argos zich ontrolde naar de dorre eenzaamheid van Mycene.Eindelijk begaf ik mij naar beneden en vond in de kazerne de officieren en de soldaten nog bezig met de toebereidselen van het Paaschmaal. Er brandden op het plein groote vuren, waar lammeren in hun geheel op werden gebraden. Een groote stok, door hun lichaam gestoken, rustte op twee kruiselings staande stokken, geplant in de aarde aan weerszijden van het vuur, en een soldaat deelde aan het primitieve toestel een zacht draaiende beweging mee, terwijl de anderen hem aanmoedigden met gezang, en met welbehagen onderwijl de geuren opsnoven van het gebraad. De tafels zijn klaargezet onder groene priëelen, waar aanstonds de maaltijd zal beginnen. Behalve het lamsvleesch, het hoofdgerecht, bestaat het menu uit harde eieren, brood en sinaasappelen, alles besproeid met den harsachtigen wijn, waarvan ik zonder smaak een glas drink op de gezondheid der soldaten. De officieren meenen zeker, dat ik dien drank afschuwelijk moet vinden, maar ze kunnen op mijn gezicht geen enkel teeken van afkeuring lezen, en ze lachen er om op een manier, die mij niet weinig amuseert.Den volgenden morgen werd ik door een telegram naar Athene en mijn werk teruggeroepen; maar eenige maanden later was een gelukkige samenloop van omstandigheden de oorzaak, dat ik een week verlof kon krijgen voor een nieuwen tocht naar het Zuiden van den Peloponnesus. Het seizoen is gunstig, om een reis van dien aard te ondernemen; niets wijst er nog op, dat de herfst nabij is, maar de drukkende warmte van Juli heeft plaats gemaakt voor prachtige Septemberdagen, zonnig en helder en op deze breedte nog lang en warm, zoodat men zich in den vollen zomer kan denken. Ik was enthoesiast over het vooruitzicht, niet langer voor eenige dagen het scherpe stof van Athene in te ademen; ik droom van groene wouden, waar beekjes murmelen, ik verlang naar de koelte, naar de zuivere lucht, die ik in vier maanden niet heb genoten en die ik hoop te vinden eerst op de zee en dan in het eenzame bergland.Mijn licht bundeltje is dan ook spoedig gesnoerd; verscheiden blikjes, die vernuftig ter plaatse kunnen worden warm gemaakt, insectenpoeder, een paar geneesmiddelen, die men moeilijk ontberen kan in warme landen, zijn met het strict noodige, een deken en de getrouwe kodak, de lijst van mijn hebben en houden.Ik kom aan den Piraeus, waar de “Aphrodite”,een boot van de Panhelleensche Maatschappij, naar Marathonisi gaat vertrekken. In de buurt van de eetzaal aan boord heerscht evenals op de “HaghiosNikolaos”, die mij vroeger naar Korinthe bracht, een walgelijke geur, en, de kooien zien er al even weinig aanlokkelijk uit. Het zou wel kunnen zijn, dat ik mij van nacht aan lastige gevechten zal moeten wijden. Het is hier zoo vuil, dat ik mij afvraag, of het dek wel ooit wordt schoongemaakt, terwijl een blik in de keuken genoeg is, om iemand allen eetlust te benemen.En ik zal hier achttien uren moeten blijven! Wij zouden om elf uur in den morgen van den Piraeus vertrekken, maar het werd twaalf uur. De kapitein verzekerde mij, dat we een prachtigen overtocht zouden hebben. Trouwens de zeeziekte verontrust mij niet erg.Daar roept de bel de passagiers naar de eetzaal. Ik moet mee aan tafel, hoe weinig animeerend ook de keuken hier is door het gebruik van schapevet. Na verloop van een half uur kan ik eindelijk op dek gaan, om daar den namiddag door te brengen. Reeds wordt Aegina kleiner door den afstand en laat ons van dezen kant zijn steile wanden zien, bedekt met een donkeren plantengroei. Boeren zijn op het voorschip geïnstalleerd, sommigen zittend op veelkleurige koffers, anderen op ruwe dekens van roode wol; een van hen zingt onder begeleiding van een rustieke luit volksliedjes; en de anderen praten over de kleine gebeurtenissen van hun leven, steeds onder het aflezen van hun rozenkrans.Een byzantijnsch kerkje.Een byzantijnsch kerkje.Bij het vulkanisch schiereiland Methana dringt de “Aphrodite” binnen in de nauwe doorgang, die Poros van Argos scheidt, waar de oranje- en citroenboomen beschut zijn door het prachtige scherm van de bergen. Er worden toebereidselen gemaakt voor een landing in het stadje, dat schilderachtig op de rotsen is gelegen en waar het eerste maritieme arsenaal van het jonge koninkrijk werd gevestigd. Booten, overvol met menschen, komen naar ons schip in groote wanorde. Pas zijn de passagiers en de goederen overhaast aan boord gebracht, of de schroef zet zich weer in beweging, terwijl ieder een plaatsje zoekt, door de vertrekkenden open gelaten. Het zal intusschen niet voor lang zijn, want deze menschen gaan naar het eiland Hyera, dat zich al gauw vertoont, als we om kaap Skyli zijn gevaren, die aan den oostkant de uiterste punt van den Peloponnesus vormt.Nauplia en kaap Itsch-Kalé.Nauplia en kaap Itsch-Kalé.Een uur later gaan we Spezzia in open zee voorbij aan den ingang van de golf van Nauplia; die haven is met Salamis de voornaamste oorlogshaven, maar ze kunnen beide niet wedijveren met de groote oorlogshavens. Het was een heerlijke avond aan boord, en het gezang van de eenvoudige lieden uit het volk wiegde mijn gedachten aangenaam in zoete rust. Een poging om beneden slaap te vinden liep op niets uit, en al spoedig was ik weer aan dek, om daar den morgen af te wachten.Ruïnen van het oude Misthra.Ruïnen van het oude Misthra.De dag brak aan, toen we de golf van Marathonisi voorbijvoeren en den steven naar het Noorden wendden, om tegen acht uur aan de moderne kade van de gelijknamige stad te landen. Daar word ik aan wal gezet en wandel dadelijk de stad uit naar een weg over de rotsen langs de zee, waar ik de “Aphrodite” een laatsten groet kan brengen, zooals ze daar voor anker ligt achter in de baai; de hoeven van het muildier slaan luide op de steenen, terwijl de schoenen van den agoyaat en van den gendarme, van voren opgewipt als een voorsteven van een schip, zacht voorschuiven. De brave militair ziet er niet bar uit in zijn vuilblauwe uniform, en ik moet onderweg meermalen denken, dat, als ons iets overkomt, zijn tegenwoordigheid mij van weinig nut zal zijn. Er worden mij, sinds ik in Griekenland ben, zooveel verhalen verteld van den moed der inwoners van dit land, dat ik geëindigd ben met er niet veel van te gelooven en te denken, dat er weinig durf onder hen is en dat in het bijzonder degenen, die mij vergezellen, wel in staat zouden zijn, om in geval van gevaar met den vijand te heulen. Voor het oogenblik stellen ze zich tevreden met het zingen van een lied; om beurten heffen ze een couplet aan, en dat zal zeker wel duren tot bij kaap Matapan. Dus heb ik alle gelegenheid, zwijgend het prachtige land te bewonderen, dat we zijn binnengaan.Een afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging, de Mavromichalis, die reeds meermalen minister is geweest en die te Athene een geziene staatkundige positie bekleedt, had mij dikwijls aangeraden deze reis te doen; hij zei mij, dat de bewoners van dit smalle schiereiland vreemde gewoonten hadden behouden in hun woeste schuilhoeken en dat ze verdienden, dat men hen beter leerde kennen. Toen ik dan ook besloten was, te gaan, zocht ik den heer Mavromichalis op, toen minister van Binnenlandsche Zaken, en hij kondigde mijn reis niet enkel aan de autoriteiten aan, maar moedigde zijn partijgenooten aan, mij vriendelijk te ontvangen. Ik stelde die daad te meer op prijs, omdat de gesprekken, die ik met den staatsman had gehad, mij voldoende op de hoogte hadden gebracht van de sociale toestanden in het zonderlinge land.De Mainoten, die zich de rechtstreeksche afstammelingen noemen van de Spartanen die voor de barbaren vluchtten, hebben van die vermeende voorvaderen het onbuigzame karakter en de strenge zeden. Ze hebben krachtig weerstand geboden aan de Turken, die hen nooit hebben kunnen onderwerpen. Al den tijd van de ottomaansche overheersching was er een aristocratie van familiehoofden, zooals de Mavromichalissen, die tegenwoordig in hun salons te Athene de reeks hunner voorvaderen in de kleeding der Palikaren vertoonen, en betwistten elkander het bergland in een onophoudelijken strijd, bestaande in vendetta’s, roof- en moordpartijen. Toen we door het kleine dorpje Mavrovoeni reden, merkte ik op, datenkele huizen van schietgaten zijn voorzien. De mannen kijken mij aan met een trotsch en vijandig voorkomen.Al spoedig hebben we het riviertje de Vardoenia achter ons gelaten, en op den Passaheuvel bespeur ik de overblijfselen van een kasteel, dat oudtijds bestemd was, de aanhoudende opstanden in het land te beteugelen, dan een ander, waar niemand zich vertoont, en we verlaten de nabijheid der zee, om aan zijn voet het voorgebergte af te snijden, dat in kaap Pagania uitloopt. Tusschen kleine eiken en wat heidekruid loopt de weg, en aan alles is te merken, dat de streek weer armer wordt.In de schaduw van een niet uitgegroeiden den houden we stil en ik gebruik een vluchtig ontbijt, terwijl mijn oog rust op de ingesneden toppen van den Taygetos, wijkend naar het Zuiden nu onder den naam van Kako Voeni, dat is “slechten berg”. En inderdaad dit is een somber land, een opeenhooping van steile rotsen onder de brandende zon, met hier en daar kloven en afgronden, waarboven arenden en gieren zweven. Den geheelen namiddag volgden we de hellingen van dit reusachtige en woeste bergland, waarbij we slechts twee of drie dorpen passeerden, arme gehuchtjes eigenlijk, en door afgelegen kloven gingen met een dicht struikgewas en vele donkere grotten. Het gevoel van eenzaamheid komt over mij; ook mijn metgezellen loopen zonder spreken voort. Het begint duister te worden, als we Lagia passeeren, en aan de zee is het volkomen nacht. Zij schittert, waar ze tegen de rotsen slaat in het koude licht der maan, en met een gevoel van echte verlichting bereik ik tegen zeven uur in den avond de eerste huizen van Porto-Quaglio.Terwijl de agoyaat bezig is een onderkomen te zoeken voor het muildier, en de gendarme naar zijn collega’s is gegaan, stap ik de zaal binnen van de herberg, waar het lekker ruikt naar gebraden kwartels. We waren juist in den tijd van den vogeltrek, waarbij dit geurige wild, dat hier overvloedig is, komt uitrusten op de uiterste punt van Europa, eer het zijn vlucht neemt naar Egypte. Ik profiteer dankbaar van de gelegenheid; eenige harde eieren en de onvermijdelijke harswijn, waaraan ik trouwens reeds gewoon raak, voltooien het geurige maal, en dan ga ik opzoeken wat met een stoutmoedig euphemisme mijn bed zou kunnen worden genoemd, een eenvoudige houten krib, goed voorzien van stroo. Maar het kan mij weinig schelen, de vermoeienissen der beide laatste dagen zijn zoo groot geweest, dat een diepe slaap, niet door eenig onaangenaam gesteek afgebroken, dadelijk mijn oogleden sluit.Om zes uur in den morgen wacht mijn muildier mij reeds, geheel gezadeld, aan de deur van de eenvoudige herberg te Porto-Quaglio, waar ik den nacht heb doorgebracht. Ik haast mij, het zadel te bestijgen. En terwijl de schuine stralen der zon reeds de ontmantelde kanteelen van het kasteel vergulden, dat de stad beheerscht, rijd ik den chaos binnen van de granietbergen aan kaap Matapan; omgevallen menhirs, grotten en holen, waar de zee bruisend binnen dringt, en een sterke reuk van wier en zeegras in de holten tusschen de zwarte rotsen. Het rijden is moeilijker geworden door de hevigheid van den wind, die den voet der gesteenten met schuim omzoomt; daar is eindelijk het uiteinde van het donkere voorgebergte, waar de zeemeeuwen met groote, witte vleugels hun doordringend geschreeuw doen hooren.De verlaten zee heeft overal witte koppen, en het kleine kapelletje “ton hagion Asomaton”, dat tegenwoordig op de plek staat van het beroemde heiligdom, gewijd aan Neptunus, schijnt te hangen boven een donkeren afgrond. En als ik mij verwijder, geheel onder den indruk van de grootsche doodschheid van deze plaatsen, die getuigen waren van zooveel zeerampen, maakt mijn agoyaat, wiens gevoelens met de mijne schijnen samen te stemmen, devotelijk een kruis, met oogen vol afschuw.Een uur later is opnieuw de voet van de landengte bereikt, en langs een verschrikkelijk moeilijk voetpad stijgen we weer langs de westkust omhoog, en gaan in de richting van kaap Grosso, die den horizon afsluit met haar hoogen marmeren muur. Deze strook lands, ingesloten tusschen de zee en de gekanteelde toppen van den Taygetos, is het merkwaardigste deel van het land der Mainoten, een streek, bedekt met lage struiken en myrten, waar het strand overal kleine kreken vertoont en veel rotsachtige kapen vol holen, plaatsen, waar de zeeschuimers hun buit verborgen. Het zijn door de zon geroosterde bergen, met veel woeste kloven, waar zich, hangend boven afgronden, verborgen in de groeven tusschen het gesteente, arme dorpjes verschuilen, echte arendsnesten, schuilplaatsen van roovers, het tooneel van vendetta’s met bloed en tranen, en geboorteplaatsen van helden.Overal ziet men versterkte kasteelen en torens met kanteelen, pyrgoi geheeten, voorzien van schietgaten. Het verbaast mij nu niet langer, dat het een dergelijk land is gelukt, door de eeuwen zijn volkomen onafhankelijkheid te bewaren, en dat men er thans nog de oorspronkelijke woestheid van land en bewoners aantreft. Alles verraadt die bij de Mainoten, vanaf den trotschen trek van hun magere gezichten, omlijst door wapperende haren en met een langen knevel, waarboven de oogen fonkelen, tot de plechtige manier van loopen, de groote physieke kracht en de wijze, waarop ze de wapens dragen, die ze nooit afleggen. Te Kyparisso, te Alika, in alle dorpen die ik doorreis, kijkt men mij vast aan, zonder nieuwsgierigheid, zooals een man zijns gelijke aanziet, en dat is iets, waar mijn reizen mij niet aan aan hebben gewend, sedert ik in Griekenland ben.Wij houden stil om te ontbijten aan den rand van die groote hoogvlakte, die zich uitstrekt van de kaap tot den voet der bergen, en terwijl ik mijn blik laat weiden over het azuur van de golf van Koroni, in de verte eindigend in kaap Gallo, die met haar zusters, kaap Matapan en kaap Malée de laatste vormt van de drie vingerspitsen dier grove hand, die de Peloponnesus is, herinner ik mij alles, wat de heer Mavromichalis mij heeft verteld van zijn woeste kiezers. Ze zijn dapper en trouw en hebben opgehouden, onder elkander, zooals ze eertijds deden, bloedige gevechten te leveren; maar de politieke strijd neemt nog onder hen een zoo heftigen vorm aan, dat men zich midden in een barbaarsch land waant, zoodra de tijd der verkiezingen is genaderd. In hun wezen rebellisch,wars van alle gezag, verdragen ze slechts met moeite het stelsel van den verplichten militairen dienst, en de afstammelingen van die helden uit den vrijheidsoorlog hebben de grootste moeite, zich te schikken naar de tucht, hoe weldadig die ook zij, van het regiment. Met den geest nog vol van het heidensch bijgeloof, gelooven ze aan de godheden van de zee, aan die Nereïden, die hun holen en grotten bewonen, aan de orakelspreuken, door de rookende ingewanden van dieren gegeven, en als er een der hunnen sterft, laten ze nooit na, onder in zijn doodkist, met proviand voor de sombere reis, ook het kleine geldstukje te leggen, dat Charon van hen zal eischen aan den oever van de Styx.Hun zeden hebben de oude zuiverheid behouden, en de deugd der vrouwen is enkel te vergelijken bij haar strenge schoonheid. De overspelige vrouw wordt gedood door haar man, en haar medeplichtige wordt door het volk met den dood gestraft. Wee dengene, die de vrouwen hier te nadrukkelijk aanziet, wee hem, die een jong meisje compromitteert! Hij moet haar onmiddellijk trouwen en als hij verdwijnt, zonder de zaak in het reine te brengen aan het eind van de enkele weken, die de gewoonte hem toestaat, is het met het ongelukkige kind gedaan, dat door de ouders koelbloedig wordt gedood, liever dan dat ze haar schande haar laten overleven. En zou men zich hier niet in de tijden van het oude Sparta terugdenken, als men de moeders gevoelloos en met wilde gebaren ziet in de tegenwoordigheid van de lijken van haar bij de vendetta’s gedoode zoons, als die laatste niet in de borst zijn getroffen?Als ik dan ook, na Pyrgos te zijn voorbij gereisd, in den laten namiddag aan de poorten van Areopolis kom, waar de geheele bevolking met den burgemeester aan het hoofd is samengeloopen, om mij welkom te heeten, en die brave lieden meen te moeten doen begrijpen, dat ik als een goed Franschman hun edel en trotsch karakter bewonder, dat ik een vijand ben van list en leugen, eindig ik mijn toespraakje, dat ik met behulp van het woordenboek zorgvuldig had voorbereid, met de geheiligde formule: “Evcharisto, adelphoi, zito Areopolis! Dank, broeders, en leve Areopolis!” Toen weerklonken er eindelooze kreten en toejuichingen, roode mutsen vlogen in de lucht, er werd geestdriftig in de handen geklapt, het kruit liet zich hooren, en de scherper stemmen van de vrouwen, die ik op mijn woord slechts tersluiks heb aangekeken, mengen zich onder die der mannen, en duizendmaal herhaald klinkt het vol enthousiasme: “Zito o Gallos, zito i Gallia! Leve de Franschman, leve Frankrijk!”Men ziet, dat de afgevaardigde uit de streek, meer nog dan de minister van Binnenlandsche Zaken, het is geweest, die mijn doortocht heeft aangekondigd, want ik kan geen voet verzetten, zonder dat oogenblikkelijk een sympathiek gestemde menigte op mij toesnelt; men ziet mij nieuwsgierig aan; in de herberg, waar ik ben binnengegaan, om een glas ouzo, nationalen brandewijn, te drinken en eenige olijven te gebruiken, zie ik de kinderen lachen en elkander aanstooten, toen ik in uitstekend Grieksch om kafé kai loucoumia vraag, de geparfumeerde olijven, die lang niet zoo lekker zijn als die uit Konstantinopel.Het is overal ongewoon druk; groepjes in feestkleedij verzamelen zich aan de deuren; de vrouwen hebben haar beste kleeding aangetrokken, haar boezelaars, met schitterende kleuren geborduurd, haar witte tunica’s of de lange mantels zonder mouwen, die de armen laten zien en een gedeelte van de borst; ze hebben het hoofd bedekt met mutsjes, waar gouden versierselen op zijn aangebracht, meestal in penningen bestaande, op de borst dragen ze allerlei zilveren en koperen sieraden, en om den hals is een lange gazen sluier geslagen.De mannen in de fustanella, schitterend van witheid, hebben hun crêmekleurig buis aangehouden en de pantoffels met de rozetten van blauwe wol, de vesten vol bonte arabesken en de gordels, waar degens en patroontasschen aan hangen; of wel ze hebben gele laarzen van leder aangedaan, met gouden figuren bestikt, die passen bij de versierselen van hun overkleed. Er wordt mij verteld, dat een notabele gisteren zijn dochter heeft uitgehuwelijkt; naar grieksche gewoonte is de pope laat in den avond aan het huis der bruid gekomen, waar een voorloopig altaar is opgericht; driemaal is de trouwring van de hand des bruidegoms aan die van het jonge meisje gestoken; ze hebben van hetzelfde brood gegeten en uit hetzelfde glas gedronken, om aan te duiden, dat voortaan alles voor hen gemeenschappelijk moet zijn, en, gekroond met oranjebloesem, zijn ze om het altaar heengegaan, gevolgd door de bruidsmeisjes en de bruidsjonkers, terwijl de priesters en de ouders, geknield in een kring, over de jonggehuwden de zegeningen des hemels hebben afgesmeekt. En de bevolking heeft aan het feest deelgenomen; ze is naar het hoogste deel der stad gegaan, waar er schapen voor hen geslacht zijn geworden en waar wijn en confituren zijn uitgedeeld; er is toen den geheelen nacht gedanst op de tonen van allerlei liederen.Een rijstsoep, die nog al lekker is, olijven in pekel en een stuk rhalva, soort van honingkoek met saffraan en anijs, vormen het menu van het uitstekende maal, dat mij op een hoekje van een wankele tafel wordt voorgezet door een zeer mooi meisje van het land, wier haren, sierlijk in het midden gescheiden, op de schouders hangen. En dan word ik naar mijn kamer gebracht, ditmaal in het geheel niet van een bed voorzien, en waar dit meubel, dat men voor onontbeerlijk zou houden, is vervangen door wat stroo, op den grond uitgespreid. In mijn deken gewikkeld en doodop door de afschuwelijke duwen en stooten, waarop mijn muildier mij zoo ruimschoots had getracteerd op de plaatsen waar de wegen slecht waren, denk ik er slechts aan, nieuwe krachten in te zamelen, om even dapper als vandaag de groote vermoeienissen van morgen te verdragen.Reeds om vier uur opgestaan, want ik moet ten einde des avonds in Sparta te zijn, vijftien uren per muildier rijden, verlaat ik het gastvrije plaatsje Areopolis, en terstond aan de zee den rug toekeerend, begin ik de hellingen van den Taygetos te bestijgen, waar een diepe insnijding mij een weg door zal banen naar Marathonisi. Voor de laatste maal groet ik het schoone land, dat mij zulke nieuwe en schoone indrukken heeft gegeven en verdwijn in de woeste kloof, waar ik afwisselend eikenboschjes tref, hooge rotsenaan steile afgronden, voetpaden, die nauwelijks te onderscheiden zijn in het rotspuin, en bergwanden, die wonderlijk mooi verlicht zijn en in trotsche majesteit verrijzen. Zoo bereik ik het dorp Karyopolis en zijn ellendige hutten, in het bergland verloren. De menschen hier loopen in lompen, en ik vraag mijzelven af, waar ze van leven op dezen grond, waar de bebouwbare lagen ver te zoeken zijn. Maar ik heb geen tijd, een economisch probleem te doorgronden; nog een paar inzinkingen en daar is de zee weer, daar is het dal van de Vardoenia en spoedig daarna Marathonisi.Misthra met de oude cypressen.Misthra met de oude cypressen.Het is tien uur; ik neem, niet zonder eenige ontroering, afscheid van mijn braven gaïdoeri en mijn beide metgezellen, die natuurlijk bij de gewisselde handdrukken een toespraakje houden. En op een anderen muilezel, geleid door een nieuwen agoyaat, begeef ik mij enkele oogenblikken later weer op weg naar Sparta en het dal der Eurotas.Gytheion vertoont op twee tweelingheuvels zijn wankelende stukken muur tot aan den rand van den weg, die nauw wordt ingesloten tusschen de zee en de bergen. Niet ver van daar springt een bron, waarvan het gemurmel over de steenen mij heerlijk toeschijnt. Het is in Griekenland zulk een zeldzaam schouwspel, dat ik er mij een poosje ophoud, om mijn door de heete middagzon gloeiend hoofd af te koelen, terwijl de agoyaat een rietstengel afsnijdt, om er een fluitje van te maken. Dan volgt het in puin liggende fort Khaki-Skala, en dan begint de weg de hellingen van den Taygetos te bestijgen, namelijk het voorgebergte Vardoeno Khoria, waar de Eurotas, die uit de vlakte van Sparta komt, zich een weg doorheen moet banen.Weldra onttrekt een eerste pas Marathonisi aan ons oog en we gaan verder met stijgen door boschrijk bergland, van waar de vlakte van Helos te overzien is en waar Cytherae zich aan den zuidelijken horizon vertoont. Nog een laatste stijging, en bij het dorp Levetzova begint de daling naar de vlakte van Sparta, die daar voor mij ligt in een goudgeel waas van rieten daken. Een rij laurieren en platanen wijst den loop van deEurotasaan, die hier en daar fonkelend straalt langs den prachtigen muur van den Parnon, terwijl de hooge keten van den Taygetos zijn reeks van indrukwekkende toppen tegen de lucht afteekent.Hoewel de zon snel begint te dalen, is het in de diepte van de kom ondragelijk warm; de bleeke olijven, de vijgeboomen en de moerbeiboomen met hun donker groen, dat ongelukkig onder een laag stof schuil gaat, de oranje- en citroenboomen, met gouden vruchten beladen, omringen de velden, waar reeds het zaaisel voor het volgend jaar is uitgestrooid. Dit is Laconië, een mooie en rijke provincie met veel landbouw, waar sierlijke dorpen zich in het groen verbergen en op den achtergrond waarvan zich in den vallenden avond achter de acropolis van Amyclae de heuvels van Sparta in flauwe omtrekken vertoonen, waar ik eindelijk om acht uur in den avond aankom, uitgeput van warmte en vermoeienis.Sparta’s stille straten en de Taygetos.Sparta’s stille straten en de Taygetos.Door tuinen omringd, liggen de witte, lage huizen van de moderne stad, die door koning Otto in den loop van zijn kortstondige regeering werd gesticht,tegen een heuvel aan, waar broodboomen en heide den grond bedekken. Ze waren reeds verdroogd door de zon, wat ik opmerkte toen ik den volgenden morgen een tocht ondernam door de breede, rechte en eentonige straten aan den voet van den kolossalen Taygetos. Groote zwarte cypressen, ook al weer onder een laag stof, rezen er ten hemel. Onder luifels etaleerden de winkels van den bazar op gevlochten rietmatten de mooie vruchten van Laconië, meloenen en fluweelige vijgen, en boeren, gekleed in een lang, rood gewaad, met een koord om het midden, loopen af en aan onder het gehinnik van hun paarden, de sandalen door touwen vastgebonden aan hun gebronsde enkels. Ik ontmoet vrouwen in ruime hemden, met mooi, laag voorhoofd, energieke kin, en terwijl ik moet erkennen, dat ze waard zouden wezen door haar physiek de afstammelingen te zijn der oude Spartanen, kom ik over een grasvlakte bij de plek, waar enkele overblijfselen de plaats der antieke stad aanduiden; resten van graven, fondamenten van muren, ruïnen van een schouwburg, die naar de strenge wetten van Lycurgus alleen bestemd was voor lichaamsoefeningen. Hier, beweert men, is het overblijfsel van Leonidas’ graf, het stadion, waar de jongelieden zich in wedloopen oefenden, en wat verderop, een door de Eurotas gevormd eilandje, waar de rivier zich splitst, een boomgroep, waar de moderne Lacedemoniërs hun openbare wandelplaats hebben aangelegd. Het is de Platanistas, waar men onder het oog der grijsaards oudtijds de kinderen sloeg, om ze aan pijn te gewennen, waar de jongelieden elkander geregelde gevechten leverden en zonder een klacht in den dood gingen. En ik bereik weer de nieuwe stad door moerbeiboschjes en denk aan al die ruwheid uit het verleden, aan de woeste geestkracht, die hier aan den dag werd gelegd, aan die ruwe zeden, die aan de Spartanen, met de verachting van den rijkdom, tevens een diepe minachting inboezemden voor de onsterfelijke kunstwerken.Op een eilandje in de Eurotas.Op een eilandje in de Eurotas.Tegen tien uur moet ik op het oogenblik, dat de warmte verstikkend wordt, door het dal trekken, om mij eerst naar Misthra te begeven en dan door den Taygetos naar Messenië te dalen. Daar de wegen over de bergen, naar het schijnt, niet volkomen veilig zijn, hebben de autoriteiten mij nog een gendarme meegegeven, wiens nietig uiterlijk niet geschikt is om mijn gevoel van veiligheid te vergrooten; daarentegen is mijn agoyaat een stevige vent en tevens door onze “symphonie” ook een goede verdediger. Hij heet Christo, zooals zoovele van zijn mannelijke landgenooten, die, als ze dezen voornaam niet dragen, stellig antwoorden op dien van Georgi, Janni of Panayotti. En al pratend met twee metgezellen, die zonder gewetensbezwaar en dat nog wel voor een vertegenwoordiger van het gezag, de boomen van hun vruchten berooven, komen we in een uur aan den voet van de majestueuse keten bij het tegenwoordige dorpMisthra, gekroond door de indrukwekkende ruïnen van de middeleeuwsche stad.Mooie plantengroei aan de Eurotas.Mooie plantengroei aan de Eurotas.Een catastrofe schijnt den berg over zijn geheele lengte te hebben gescheurd, en de diepe kloof, die de Grieken “langada” noemen, daalt in een chaos van rotsen van schitterende kleuren. Vrouwen zitten voor haar armoedige huisjes, het hoofd bedekt met een zwarten sluier, die ze op religieuses doet gelijken; ze spinnen in stilte, en heffen slechts even de oogen op om ons te zien voorbijgaan. De helling van Meso-Khori is weldra bestegen, en we houden stil in de schaduw van prachtige platanen, waar een van die kleine turksche fonteinen onder springt, die zoo dichterlijk zijn en waar het water te midden van arabesken te voorschijn komt, om zachtjes neer te vallen in een steenen bekken, dat geheel vochtig is van iriseerende droppels. Ik kan een kreet van bewondering niet weerhouden; vóór mij, zeer hoog op de bergen, liggen trapsgewijze en in een driehoek de ruïnen van het oude Misthra, het frankische, door Villehardouin gesticht, die vorst van Morea, de plaats, die om beurten daarna turksch of venetiaansch is geweest en eeuwen lang de hoofdstad van Laconië was. Die stad der kruisvaarders, die sedert de schepping van het koninkrijk verlaten werd voor het moderne Sparta, maakt nu een droefgeestigen indruk van verval onder het weemoedig toezien van haar drie oude cypressen, die reeds de getuigen waren van haar oude grootheid.En door nauwe straatjes, die als trappen zich door tuintjes kronkelen, tusschen boogvormige arcaden door en binnenpleinen, waar in het natte gras schildpadden slapen, klim ik omhoog tot de oude kerk van Pantanassia, met de sierlijke zuilengalerij en met in het inwendige een nis, waar de fransche leliën boven zijn gehouwen. Daar zijn kleine gothische gebouwtjes en een grooter bouwwerk met hoogen gevel, door den tijd verweerd en voorzien van talrijke vensters. Dat is het paleis van Villehardouin met zijn gekanteelde torens en struikgewas aan den voet, waar reptielen zich ophouden. Ik blijf nog stijgen, tot ik eindelijk de citadel bereik, omgeven door versterkte muren, waarbinnen veel puin ligt en waar waterreservoirs zijn aangebracht. Alles is thans in de stad uitgestorven, die daar aan mijn voeten ligt in de ruïnen, en alleen de wilde duiven, die in de verlaten ruimten rondvliegen, zetten leven bij aan de indrukwekkende eenzaamheid.Op een sarcophaag gezeten, van waar ik de groene vlakte van Sparta kan overzien, die door de groote schaduw van den Taygetos wordt getroffen, denk ik terug aan de verre tijden, toen onze voorvaderen over het land regeerden; ik roep de herinnering aan onze beschaving op, die ik hier, ver van het vaderland, terugvind in de bogen, de latijnsche kruisen, de leliën; ik vergeet de byzantijnsche wereld, om door tijd en ruimte te gaan tot den tijd van onze Middeleeuwen, welker heroïsme vol edelmoedigheid geschreven staat op alle steenen van de ineenstortende stad. Daar op eens begint de klok van de oude metropool, overblijfsel van de grieksche stad, die ook al vervallen is, nadat ze gebouwd was op het oudere puin van het kasteel onzer voorvaderen, te klinken; een priester treedt uit het aartsbisschoppelijk paleis en achter hem verdwijnen eenige vrouwen in de kerk, gelijkende op groote, zwarte vogels, dwalend tusschen de graven.Nu haast ik mij naar beneden, telkens struikelend over verbrokkelde wapenschilden, waar de hagedissen hun zonnebad nemen, en ik treed de kerk binnen, terwijl het gebed bijna is afgeloopen. Ik bezie een oogenblik den groenen koepel, de ruwe fresco’s aan de wanden en de oude grieksche opschriften, die uit de veertiende eeuw afkomstig zijn, en toen ik opnieuw den drempel overschrijd, verblind door de felle helderheid van het licht, voegt de geestelijke zich bij mij en zegt: “Sto kalo, wees gezegend!” en wenkt mij, want het kost mij moeite zijn dialect te begrijpen. Hij voert mij mee tot aan het oude aartsbisschoppelijk paleis, dat dicht in de buurt is, en waarvan de muren de sporen dragen van de turksche verovering.Die lagere grieksche geestelijken, die maar zoo weinig onderwijs hebben genoten ondanks de pogingen en de milde giften van den rijken Rhizaris, ontzeggen zich door te trouwen den toegang tot het episcopaat. De niet gehuwde monnikken worden dus tot bisschoppen en aartsbisschoppen benoemd, en de arme pappa’s leven daar te midden van hun onbeteekenende schaapjes in voortdurende onwetendheid. Nauwelijks hun godsdienst kennend, niet in staat de dogma’s er van te verklaren, onopgemerkt door den staat, die hen niet betaalt, zijn ze wel genoodzaakt om, ten einde in de behoeften van hun gezin te voorzien, uit alles geld te slaan. Sommigen drijven handel, andere doen aan landbouw, allen speculeeren op de lichtgeloovigheid van het publiek of laten zich hun diensten zoo duur mogelijk betalen. En zoo ontmoet men dikwijls de bleeke broeders met hun donker cylindervormig hoofddeksel, hun lang zwart kleed en de haren in den nek tot een wrong opgestoken, wandelend zonder eenig prestige onder groote parapluies, die hen tegen de zonnehitte beschutten.Mijn pappa uit Misthra maakt geen uitzondering op den regel, in geen enkel opzicht. Zijn vrouw, een grove boerin, zeker nog onwetender dan hij, gaat opstaan bij ons binnentreden, kust haar man de handen en trekt zich bescheiden terug, alsof het niet bij haar rang zou passen, bij ons plaats te nemen. Maar ze treedt een oogenblik later weer binnen met een pot bessengelei, waarin wij ieder op zijn beurt ons houten lepeltje moeten steken, om dan een glas te vullen met helder water, dat mij wel zoo gepast lijkt bij deze temperatuur dan het gesuikerde hapje, dat eraan voorafging.Na enkele oogenblikken van een nog al traag vloeiend gesprek, wil ik mijn gastheer voor zijn gastvrijheid bedanken en, de gewoonten van het land kennend, laat ik een cadeau van enkele drachmen in zijn hand glijden. Men moet aannemen, dat de offerande hem niet onwelgevallig is, want ik begrijp uit de woorden, die onder een stroom van dankbetuigingen schuilgaan, dat hij mij nog wel eens weer tot gids wil dienen. Het helpt niet, of ik hem al zeg, of liever hem toeschreeuw, want hij praat veel en luistert slecht, dat mijn bezoek is afgeloopen en dat ik mijn muildier weer ga opzoeken, om mijn weg te vervolgen, wat ik reeds op het punt waste doen toen ik hem ontmoette, hij wil niet hooren, en, mij bij den arm nemend, sleurt hij mij naar buiten en herhaalt onophoudelijk: “Pantanassia, Pantanassia!” Ik moet er mij wel in schikken, hem te volgen naar het kerkje, dat ik zooeven al heb gezien en waarvan hij mij in bijzonderheden de merkwaardigheden verklaart; daarna treden we het naburige klooster binnen, waar mij het graf van keizerin Theodora wordt getoond, de vrouw van Constantijn Palaeologus, den laatsten byzantijnschen keizer. Maar dat alles wekt veel minder mijn belangstelling dan het voorkomen van de oude frankische stad, waar ik de herinnering aan onze voorvaderen terugvind; de spraakzame pappa vindt die beleefd ook interessant en laat mij eindelijk vertrekken, mij overladend met zijn zegeningen.En nu begint de bestijging van de Taygetostoppen; in plaats van dien avond in Trypi te slapen, waar we in een uur marcheerens kunnen wezen, heb ik besloten, op raad van mijn agoyaat en na een verzoek te hebben gericht tot den demarch of burgemeester van Sparta, die mij volkomen veiligheid heeft gewaarborgd, den nacht in de bergen door te brengen te midden van de herders. Weldra verdwijnt de heuvel van Misthra, en we bereiken tegen drie uur de huizen van het dorp, die hun roode daken verbergen onder prachtig, donker cypressenloof. Aan alle zijden borrelen bronnen in de rotsen, en ik geniet een heerlijk welbehagen na de hitte van de vlakte, nu ik de koele frischheid mag voelen. Vrouwen wasschen haar linnen aan den rand der beken, en ik denk aan de echtgenooten der homerische helden, handig in de huishoudelijke plichten, maar met wie deze dames slechts heel in de verte verwant zijn.Maar daar gaapt aan een voetpad onder meidoorns in den berg een wonderlijk hol. Dat is de langada van Trypi, in welker nabijheid men de plaats heeft meenen te herkennen van de kloof van Caeadas, waar de oude Spartanen de misdadigers in wierpen evenals de krijgsgevangenen. En inderdaad van een voorgebergte boven den afgrond, kijk ik neer in een spleet tusschen de rotsen, en de bodem schijnt er niet anders te zijn dan een opeenhooping van menschenbeenderen en stof. Een heftige indruk van afschuw doet mij die lugubere plek ontvluchten, en langs een steenachtigen weg, die den loop van de Trypiotiko volgt, daal ik af in het aangrenzend ravijn.Plotseling verdwijnt de zon en de koude wind der hoogten slaat mij onaangenaam in het gezicht. Ik moet een warmer jas aantrekken daar tusschen de kale, roode rotsen, die er dreigend uitzien. Van Trypi af was de weg steeds gestegen; nu hadden we het hoogste punt bereikt, om dan weer tot de oppervlakte van het water te dalen. Christo waarschuwt mij, dat ik moet afstijgen, want dat het pad gevaarlijk begint te worden. Inderdaad lagen er groote marmeren steenen, glibberig en vuil, waar men licht zou kunnen uitglijden en in den afgrond storten. Terwijl ik langzaam voortloop, houdt de agoyaat den teugel van het muildier vast, terwijl de gendarme den staart pakt, en het arme dier, zoo opgehouden, loopt met moeite, dikwijls uitglijdend en een massa steenen in de diepte werpend.Ik heb werkelijk het gevoel, dat de dood van nabij dreigt, en met een gevoel van groote verlichting bereik ik eindelijk de bedding van de rivier, waar de weg overheen leidt, om aan den rechteroever weer te stijgen. Maar de kalmte zou niet lang duren. Terwijl de Trypiotiko hoe langer hoe meer onder ons wegzinkt, gaan we steil omhoog langs de rots, die ten laatste zoo ver over de kloof heen hangt, dat wij het geluid van den onstuimigen stroom zelfs niet meer hooren. Nu eens stijgend, dan dalend langs dien gevaarlijken weg, gaat het verder, tot tegen zes uur toen de schemering valt, we de rivier terugvinden, die nu kalmer vloeit tusschen mooie platanen. De kale toppen boven ons, roodgekleurd door de ondergaande zon, komen mij voor als een booze droom. Daar klinkt een woedend geblaf niet ver van ons, en twee groote, zwarte honden storten zich op onze karavaan. Christo en de gendarme maken een beweging, alsof ze met steenen willen gooien, en dat is voor het oogenblik voldoende, om die wilde beesten in bedwang te houden, die verbazend woest kunnen zijn en die ik wel heb zien bijten in de steenen, naar hen toegeworpen, of ze van woede met hun bek weer in de lucht heb zien opgooien. Op hun achterpooten zittend en gereed om op ons aan te vliegen, als we naderbij komen, maken die honden een geluid, dat in het oneindige door de rotsen wordt weerkaatst. De aandacht der herders, die in de buurt zijn, wordt eindelijk getrokken en daar verschijnen eenige bergbewoners; op hun bevel houdt het geblaf op, en Christo treedt alleen naar voren, om te onderhandelen.Waarlijk, die menschen zien er niet aantrekkelijk uit. De groote bruine mantel, dien ze over hun schouders dragen, hangt tot op de vroeger witte slobkousen, die met een zwarten kouseband worden opgehouden. Hun gebruind gezicht verdwijnt onder een ruwen baard; enkelen van hen hadden lange haren, die rondom hun mutsen en petten uitstonden; allen leunden op den langen, gebogen stok als een bisschopsstaf, dien ze altijd bij zich hebben, en keken mij dreigend aan. Eindelijk was er een overeenstemming getroffen en we begaven ons op weg naar het kamp, ditmaal geëscorteerd door de honden, die schijnen te begrijpen, dat wij nu burgerrecht hebben verkregen. Al spoedig wordt het schijnsel van een vuur onder de boomen zichtbaar; we gaan een landelijke omheinde ruimte voorbij, waar de schapekaas, die er wordt bereid in vaten van geiteleer, een afschuwelijken stank verspreidt, en komen eindelijk tegenover een reeks verblijven, die van een vlechtwerk van bladeren zijn opgetrokken en waar de vloeren met dennetakken zijn belegd.Die herders zijn een ware plaag voor de boomen in Griekenland, die ze brutaal exploiteeren en waarvan hun schapen de jonge spruitjes nuttigen. De bijl en het vuur doen geleidelijk heele bosschen verdwijnen, die mogelijk door een nauwlettender toezicht gespaard hadden kunnen blijven. Hier is de eerste oorzaak van de ontwouding, die de droogte en de dorheid veroorzaakt, waar het land zoozeer onder lijdt. Men moest die lieden doen begrijpen, dat hun eigen belang meebrengt, dat ze de boomen eerbiedigen, dat het onvoorzichtig is, ze te vroeg te vellen, hun zonder noodzaakde takken te ontnemen of altijd maar weer onder de bescherming van hun stammen vuren aan te leggen, die ze langzaam sloopen. Maar dat is een moeilijk uit te voeren werk, want dit volk is totaal onwetend; men heeft wel getracht, op sommige plaatsen nieuw bosch aan te leggen; maar de plantjes, die ondanks de brandende zon en de droogte juist wat op streek begonnen te komen, hebben al gauw gediend tot voedsel voor de geiten, en de overige zijn van watergebrek omgekomen. En zoo gaat het van kwaad tot erger, terwijl de openbare macht er nog niet in is geslaagd, een middel tegen de kwaal te vinden.Intusschen is het geheel donker geworden. Ik heb mij in mijn hut geïnstalleerd, waarvoor een groot vuur brandt; Christo en de gendarme hebben zich bij hun nieuwe vrienden gevoegd op eenige schreden afstands en geven hun inlichtingen over mijn persoon en mijn reis; de oogen der nu gekalmeerde honden schitteren in de duisternis. Er is vóór mijn hut een flinke hoeveelheid hout opgestapeld, opdat ik het vuur zal kunnen onderhouden, dat mij verwarmt, en bij het schijnsel waarvan ik thans mijn maal gereed maak. Nu of nooit moet ik een paar van die blikjes nuttigen, die met wat spiritus dadelijk gereed zijn te maken. En terwijl ik op mijn kleine verwarmings-toestelletjes een heerlijke portie kalfsvleesch met worteltjes klaar maak, en een niet minder smakelijken ragoût van schapevleesch, komen de herders naderbij, gaan in een kring om mijn vuur zitten, en een onuitsprekelijke verbazing teekent zich op hun ruwe gelaatstrekken. Voor deze halfwilde menschen is het gezicht van mijn vernuftige keuken iets geheel nieuws; ze doen uitroepen, vragen, stooten elkaar met den elleboog aan en lachen. Geen enkele mijner bewegingen ontgaat hun en altijd worden er lange besprekingen over geopend. Voor mij is die omgeving ook iets vreemds en nieuws, daar zoo in de bergen te zijn, ver van alle beschavingsmiddelpunten, met deze roovers, wier oogen op mij gericht zijn door den rook en het schijnsel van het vuur heen.Zoodra mijn maaltijd is afgeloopen, gaan de leege blikjes van hand tot hand; ik bied een sigaret aan, waarvan allen gretig profiteeren en er begint een gesprek, waaraan ik maar gebrekkig kan deel nemen, zoodat ik allen tijd heb, mijn zonderlinge makkers op te nemen, wier gelaat en handen met een dikke laag vuil zijn bedekt. Nu herinnerde ik mij, dat toen ik eens den Pentelicon beklom met een atheenschen vriend, wij op den top een herder ontmoetten van het slag van deze lieden, en dat hij ons had bekend, dat in zeven jaren, dat hij in de bergen leefde, hij zich nooit gewasschen had. Die man had nog eenige verontschuldiging, want het water is schaarsch in de omstreken van Athene; maar wat te zeggen van zijn kameraden van den Taygetos, die, terwijl er bronnen in de nabijheid zijn, evenmin als hij de behoefte voelen met het verfrisschende water kennis te maken?
Bergkloof bij Mycene.Bergkloof bij Mycene.
Bergkloof bij Mycene.
Een tweede zaal, kleiner en lager, eenvoudig in de rots uitgehouwen en totaal donker, diende als grafkamer, terwijl de groote, die rijk versierd was, de offeranden bevatte, alsook de wapens en de sieraden van den doode. Juist dezelfde schikking vindt men terug in een ander van die koepelgraven, op enkele minuten afstands van het zooeven beschrevene en dat gewoonlijk het graf van Clytemnestra wordt genoemd, veel minder goed bewaard dan het eerste, en waar men slechts vrij onbeduidende voorwerpen in heeft aangetroffen.
Ik ben nu aan het einde van het bezoek aan deze in nevelen gehulde en prehistorische stad; nog eenmaal omvat ik met den blik alle steile rotsen met hun vergeeld gras. Overal vertoont het zaaisel zijn kracht in enkele donkergroene plekken; groote uitgestrektheden katoenboomen en korenvelden, die al goudkleurig zijn, wisselen af met tabaksvelden; de citadel van Argos steekt in de vlakte vooruit op haar rotskaap; de cyclopische massa van Tirrhyns springt alleen naar voren uit de gele velden, en heel in de verte ziet men Nauplia en zijn witte huizen, met schaduw overtogen door de rots van Palamedes, die, van hier uit gezien, door de steile helling gelijkt op de rots van Gibraltar, en eindelijk in de verte de blauwe golf, waar lichte zeilen zich op vertoonen.
De weg is stoffig, en de hagen aan de zijden zijn geheel wit; op de velden is het druk, want het oogenblik is reeds gekomen, waarop haver en rogge moeten geoogst. Boerinnen gaan voorbij met de kruik van roode aarde op den schouder; de sierlijke beweging van den arm, die lichtelijk is gebogen, doet de vormen van haar lichaam onder de lichte bedekking goed uitkomen. Met haar korte rokjes en op de bloote voeten, gaan ze drinken brengen aan de arbeiders op het land, lachend om het stof, dat ze opjagen en om den wind, die in de laatste oogenblikken heviger is geworden en die haar loop vertraagt en haar in het gezicht striemt. “Wees welkom onderons”, zoo roept mij een der vrouwen toe met haar helderen blik, “en kom eens kijken naar het werk der boeren van Argos!”
Er is daar juist een groep mannen bezig niet ver van den weg; het is nog niet laat genoeg op den namiddag, om te weigeren aan die onverwachte uitnoodiging te voldoen. Men komt om het rijtuig heen staan, er worden mij warme en vochtige handen toegestoken en daar ben ik onder de boeren verzeild, die vertrouwelijk en goedig zijn te midden van de rijpe aren op den grond. Ze hebben hier een eigenaardige manier van dorschen; ik had reeds opgemerkt, dat er langs den weg op geregelde afstanden ronde, ruw geplaveide plekken waren, en ik vroeg mijzelven af, waar die wel voor mochten dienen. Ik kreeg spoedig een antwoord, toen ik mijn vrienden aan het werk zag.
Zoodra de halmen zijn afgesneden, gewoonlijk met de sikkel, brengen kinderen ze naar den dorschvloer, waar ze worden uitgespreid. Twee paarden, gespannen voor een soort van houten kist vol steenen, waarop, ten einde het gewicht te vermeerderen en ook voor amusement, jongens en meisjes zijn gezeten, loopen aanhoudend in een kring rond en dorschen het graan. Als die bewerking is afgeloopen moet men, eer een nieuwe voorraad koren op den vloer wordt gebracht, het graan zuiveren van de onreinheden. Om dat te doen werpen vrouwen, voorzien van een soort van houten schoppen, het koren omhoog in den wind, en weldra zijn er twee hoopen gevormd, de eene van het kaf, dat eraf is gevlogen en een andere van het zwaardere, in de buurt gevallen graan. Het is een bewerking, die te verdedigen is, als de wind niet te hevig is, maar als er een frissche bries waait zooals nu, bespeur ik, dat een aanzienlijke hoeveelheid wegvliegt en dat de menschen op die wijze een goed deel van hun oogst verliezen. Als men bedenkt, dat ondanks de uitstekende hoedanigheid van sommige gronden in Griekenland de opbrengst lang niet is, wat ze moest wezen, door de zorgeloosheid en de weinige geldelijke hulpmiddelen, waardoor de boeren er niet toe komen hun gronden te verbeteren, dan kan men nagaan, wat ervan terechtkomt na zulk een weinig rationeele behandeling.
Wat er over is van het paleis van Agamemnon.Wat er over is van het paleis van Agamemnon.
Wat er over is van het paleis van Agamemnon.
Maar de tijd is gevorderd onder deze overdenkingen; Argos is thans vlakbij. Daar verrijst de kegelvormige berg van Larissa; de wind doet van het witte klooster Panaghia op de helling klokketonen tot mij overkomen, aankondigend, dat Christus is opgestaan, terwijl hooger op den berg een frankisch kasteel in puin zijn vervallen kanteelen toont. Aarden muren, gelijk aan die uit de oasen van Soedan, dragen platte daken of terrassen. De café’s uit de hoofdstraat zijn vol menschen; boeren uit de vlakte en zelfs uit het binnenland van den Peloponnesus doen er zaken, en daar ze allen nog al heftig zijn, gaat het er luidruchtig toe. Maar het is gelukkig veel geraas en weinig wol, en de vuile politieagent, die in zijn blauwe uniform rondwandelt, kijkt zelfs niet om, als er aan zijn oor scherpe woorden klinken. Hij weet wel, dat ze naar alle waarschijnlijkheid geen gevolgen zullen hebben en dat er altijd nog wel tijd zal wezen, om, als het noodig wordt, een mooi verzoeningsspeechje te houden.
Het graf van Klytemnestra.Het graf van Klytemnestra.
Het graf van Klytemnestra.
De eerbied van den Griek voor woorden is slechts te vergelijken met zijn liefde voor de mooie geste; dezinnen van het gewoonste gesprek gaan bij hem altijd gepaard met betoogingen door handen of armen; maar als hij in een twistgesprek is of zijn belang moet verdedigen, stijgt die hartstocht voor bewegingen tot het hoogste; het lichaam wordt voorover gebogen, de oogen puilen uit hun kassen, en men gaat meenen, dat er een vuistgevecht ophanden is, terwijl een seconde later alles tot de grootste kalmte is teruggekeerd. De opwinding heeft een gewonen uitweg gevonden.
Veel van die vermakelijke tooneelen doen zich voor terwijl ik door Argos loop, dat nu wel zeer vervallen is van zijn vroegere grootheid. Een alleenstaand gebouw, de schouwburg, die aan de stad door de Romeinen werd geschonken, is het eenig overblijfsel, dat herinnert aan de rol, die de stad heeft gespeeld. Op de halfvergane treden van dien schouwburg werd indertijd de eerste vergadering gehouden, toen in den vrijheidsoorlog het nieuwe koninkrijk gesticht was. Verschanst in de acropolis, hield Ypsilanti roemrijk stand tegen het turksche leger, en dat verscheiden dagen achtereen. Argos bewaart die kostbare herinneringen uit het mooiste gedeelte van de moderne grieksche geschiedenis als iets kostbaars, en de ligging der stad te midden van een vruchtbare streek in de nabijheid der zee moet haar een waarborg zijn, dat er weer tijden van voorspoed zullen volgen.
De bergen werpen reeds groote schaduwen over de vlakte, die ik nu in de volle breedte moet oversteken, om van Argos naar Tirrhyns te gaan. Twee vermolmde houten bruggen zijn over de bedding der Charadros geslagen en over die van de Inachos, waar nog een weinig water in is om dezen tijd van het jaar. Dan passeeren we windmolens, die luidruchtig draaien met hun groote wieken en gescheurde zeilen. Die bouwsels schijnen dan toch te zeggen, dat de boeren hun oogst niet naar de vier windstreken laten vliegen! Weldra houdt het rijtuig stil onder het afdak van een kleine khani; ik ben aan den voet van de acropolis van Tirrhyns.
Deze hoogte, alleen staand te midden van de velden en zich niet hoog boven de vlakte verheffend, ziet er niet zeer indrukwekkend uit. En toch was het volgens, de legende hier, dat Menelaus al zijn huiselijk leed ervoer. Terwijl ik door de bouwvallen dwaal, door de ruimten, waar het huisaltaar stond, waar de slaven en bedienden woonden in dat oude tijdperk van primitieve grootheid, moet ik mijzelven afvragen, hoe de menschen zulke kolossale steenen omhoog hebben kunnen krijgen, door welke hulpmiddelen zij ze op elkander hebben kunnen stapelen, en ik ben verstomd van bewondering en verbazing.
De wind blaast door de spleten van de steenen en schudt de boompjes, die met hun groene takken de resten overdekken van een voor altijd ondergegane beschaving. Mycene rechts van mij is in den nevel bijna niet te onderscheiden; de citadel van Argos vóór mij, die van Nauplia links zullen alleen worden verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon, die achter de bergen verdwijnt; een gevoel van onbestemde somberheid en melancholie vervult mijn gemoed; het is of het gehuil van den wind een klaagtoon is van al, wat hier gestorven is in den loop der eeuwen. Het is mij, of de grootsche stem der natuur protesteert tegen de tegenwoordigheid van den vreemde hier in deze doodenstad van reuzen, wier eeuwigen slaap men niet moet storen. Ik haast mij om uit dit neerdrukkende groote verleden weer voeling te krijgen met mijn tijdgenooten, en met een echt kinderlijke vreugde hervind ik in de khani den trouwen amaxa, die mij terug zal brengen naar Nauplia.
Een officiëele landbouwschool, gesticht door Capo d’Istria, die hier goed ter plaatse is te midden van de vruchtbare alluviale landerijen, ligt aan onzen weg. Ik wenschte voor Griekenland, dat men erin slagen mocht, geslachten van kundige boeren er te kweeken, die voor goed zouden breken met de verouderde methoden, waar ik staaltjes van heb gezien. Maar ik durf het niet vast te gelooven; de school bestaat al meer dan zeventig jaren en ik vraag mij af, welk onderwijs de leerlingen, die er zijn opgeleid hebben genoten en hoe ze het in practijk hebben gebracht.
Nu komen de moerassige terreinen, grenzend aan de diepte van de Golf; de weg, omzoomd met mooie platanen, loopt langs de zee; Nauplia, in verdiepingen opgestapeld op de rotsen van den heuvel Itsch-Kalé, kijkt in de vlakte van Argos; hoorngeschal klinkt uit het fort Palamedes, dat, half gevangenis, half kazerne, als een zwaar blok boven ons hangt. Wij gaan door den ringmuur der stad en dan door een doolhof van straatjes, vol modderpoelen, waar mijn rijtuig met totalen ondergang wordt bedreigd en bereiken eindelijk de haven en het vreemdelingenhotel. Uit de vensters van de eetzaal bespeur ik de Golf, welker water nu paars is, terwijl een lichtrose tintje nog op de bergen hangt van Arcadië. De wind is bijna geheel gaan liggen, en de laatste booten met witte en roode zeilen van verschillenden vorm, komen de eene na de andere aanleggen aan de kade, waar reeds, in afwachting van den nachtdienst van Paschen, de heele wereld van Nauplia tusschen de blauwe uniformen der officieren van het garnizoen heen en weer wandelt.
En terwijl ik mij vermaak met de gezellige drukte, merk ik op, dat de mannen in het algemeen, voor zoo ver ze tot het volk behooren, de roode fez dragen en de lage muilen. Er zitten er ook naast mij, die kalm de narghilé rooken, die hun wordt gebracht geheel klaar, zooals men in Europa de vertering brengt; anderen laten met de oogen in het vage de grove kralen van den rozenkrans door de vingers glijden, die in het Oosten zoo algemeen is, en welke machinale beweging meer een tijdverdrijf schijnt dan een werkelijk gebed.
De nacht is warm en helder; de klok van een kerk begint te luiden met versnelden pas; daar antwoorden andere met scherper of doffer klanken, en het is een vreemde cacophonie, waarin zich zoo nu en dan de zware tonen mengen van het carillon der kathedraal. Christus is opgestaan, en de menigte vult de kerken. Ik ging binnen in die van den Heiligen Geest, waar Capo d’Istria verraderlijk werd vermoord en maakte, als iedereen, het teeken des kruises met de aaneengesloten drie voorste vingers van de rechterhand, achtereenvolgens gebracht naar het voorhoofd en naar de borst ter rechter en ter linker zijde. Het heilige is als in alle byzantijnsche kerken gescheiden van het overige gebouw door een wand, bedekt met vrome platen, die door de geloovigen worden gekustonder aanhoudend maken van het teeken des kruises; in het midden staat het altaar, overgoten van licht en zichtbaar door een getraliede poort. De koorzangers zingen psalmen zonder begeleiding; ze zijn als de priesters in een lang zwart gewaad gekleed met hoog opgestoken haren onder de hooge cylindrische muts.
Maar daar komt de priester in zijn met goud geborduurd misgewaad; zijn lange baard en zijn spierwitte haren omringen het patriarchengelaat met de zachte en toch mannelijke trekken; hij zingt langzaam enkele woorden, en de menigte knielt met het gelaat tot den grond gebogen. Toen, terwijl het koor een litanie begint, die mij treft door haar grootschheid, worden de kaarsen aangestoken in de handen der geloovigen; daarboven in den toren worden de klokken heftig bewogen; dit is het plechtige oogenblik; de deur van het koor wordt geopend, de pope verschijnt in al zijn waardigheid met een gevolg van geestelijken op den drempel: “Broeders,” zegt hij met bevende stem, “Christus is opgestaan, Christos anesti!” Dadelijk vallen de geloovigen elkander in de armen en kussen elkaar op het voorhoofd, terwijl ze met het koor meezingen het Paaschhalleluja. Buiten maken de voetzoekers lawaai, vensters worden met bengaalsch vuur verlicht, en de vreugde zal den ganschen nacht duren.
Die kreet van “Christos anesti”, die door heel Griekenland vandaag weerklinkt, wekt mij vroolijk te Nauplia, zoodra deze mooie Paaschmorgen is aangebroken. De kellner van het hotel heeft terstond behoefte, zijn geestdrift te uiten. De menschen omhelzen elkaar allen onder de begroeting met dezelfde formule.
Een officier uit Athene had mij een brief van aanbeveling meegegeven voor een van zijn kameraden te Nauplia, opdat ik toegang zou kunnen krijgen tot de kazerne en de traditioneele Paaschfeestelijkheden zou kunnen bijwonen. Eer ik mij naar hem toe begaf, werp ik een blik op den obelisk aan de haven, opgericht ter herinnering aan den daadwerkelijken steun, dien Frankrijk aan Griekenland verleende in de epische tijden van den vrijheidsoorlog. Het moge waar wezen, dat de Grieken babbelachtig en oppervlakig zijn, ik merk toch met genoegen op, dat ze niet vergeten, en dat ze in hun geheugen de namen bewaren van een Fabvier en een Maison. En nadat ik dan door de breede, goed geplaveide straat heb geloopen met de rijen mooie platanen, kom ik in een labyrinth van nauwe straten, waar uithangborden met gevleugelde leeuwen aan de venetiaansche overheersching herinneren, terwijl een huis met een door sierlijk traliewerk afgesloten balkon de turksche regeering voor den geest roept.
Het fort Palamedes, dat ik natuurlijk moest bestijgen, is alleen toegankelijk van den kant der stad. Een duizendtal treden, in de rots gehouwen tusschen cactusstruiken door, voeren naar de wallen der citadel. Van een torentje uit, dat letterlijk over de huizen van Nauplia heen hangt, bewonder ik een oogenblik het prachtig panorama aan mijn voeten. Op het binnenplein der kazerne dansen de soldaten, en het feestrumoer der stad klinkt tot hier door. Daarachter het schiereilandItsch-Kalé, dat de haven beschermt tegen den zeewind. Door de plechtigheid van het Paaschfeest ben ik verhinderd geworden, om de noodige stappen te doen ter verkrijging van de machtiging tot een bezoek aan de citadel; niet, dat ze zoo ingewikkeld zijn, maar de plaatsbureau’s waren dezen morgen verlaten, en ik heb den dienstdoenden officier niet te spreken kunnen krijgen. Ik bekijk het kasteel dus van den buitenkant. Het is door de Franken gebouwd, versterkt door de Venetianen en voorzien van zeven redoutes, waarvan twee de onverwachte namen dragen van Miltiades en Themistocles. Mijn blikken bleven lang hangen aan de duizelingwekkende steilten, afdalend naar de zee, waar in de diepte het eiland Spezzia lag, terwijl tegenover mij Arcadië gloeide in de zon en rechts de groene vlakte van Argos zich ontrolde naar de dorre eenzaamheid van Mycene.
Eindelijk begaf ik mij naar beneden en vond in de kazerne de officieren en de soldaten nog bezig met de toebereidselen van het Paaschmaal. Er brandden op het plein groote vuren, waar lammeren in hun geheel op werden gebraden. Een groote stok, door hun lichaam gestoken, rustte op twee kruiselings staande stokken, geplant in de aarde aan weerszijden van het vuur, en een soldaat deelde aan het primitieve toestel een zacht draaiende beweging mee, terwijl de anderen hem aanmoedigden met gezang, en met welbehagen onderwijl de geuren opsnoven van het gebraad. De tafels zijn klaargezet onder groene priëelen, waar aanstonds de maaltijd zal beginnen. Behalve het lamsvleesch, het hoofdgerecht, bestaat het menu uit harde eieren, brood en sinaasappelen, alles besproeid met den harsachtigen wijn, waarvan ik zonder smaak een glas drink op de gezondheid der soldaten. De officieren meenen zeker, dat ik dien drank afschuwelijk moet vinden, maar ze kunnen op mijn gezicht geen enkel teeken van afkeuring lezen, en ze lachen er om op een manier, die mij niet weinig amuseert.
Den volgenden morgen werd ik door een telegram naar Athene en mijn werk teruggeroepen; maar eenige maanden later was een gelukkige samenloop van omstandigheden de oorzaak, dat ik een week verlof kon krijgen voor een nieuwen tocht naar het Zuiden van den Peloponnesus. Het seizoen is gunstig, om een reis van dien aard te ondernemen; niets wijst er nog op, dat de herfst nabij is, maar de drukkende warmte van Juli heeft plaats gemaakt voor prachtige Septemberdagen, zonnig en helder en op deze breedte nog lang en warm, zoodat men zich in den vollen zomer kan denken. Ik was enthoesiast over het vooruitzicht, niet langer voor eenige dagen het scherpe stof van Athene in te ademen; ik droom van groene wouden, waar beekjes murmelen, ik verlang naar de koelte, naar de zuivere lucht, die ik in vier maanden niet heb genoten en die ik hoop te vinden eerst op de zee en dan in het eenzame bergland.
Mijn licht bundeltje is dan ook spoedig gesnoerd; verscheiden blikjes, die vernuftig ter plaatse kunnen worden warm gemaakt, insectenpoeder, een paar geneesmiddelen, die men moeilijk ontberen kan in warme landen, zijn met het strict noodige, een deken en de getrouwe kodak, de lijst van mijn hebben en houden.
Ik kom aan den Piraeus, waar de “Aphrodite”,een boot van de Panhelleensche Maatschappij, naar Marathonisi gaat vertrekken. In de buurt van de eetzaal aan boord heerscht evenals op de “HaghiosNikolaos”, die mij vroeger naar Korinthe bracht, een walgelijke geur, en, de kooien zien er al even weinig aanlokkelijk uit. Het zou wel kunnen zijn, dat ik mij van nacht aan lastige gevechten zal moeten wijden. Het is hier zoo vuil, dat ik mij afvraag, of het dek wel ooit wordt schoongemaakt, terwijl een blik in de keuken genoeg is, om iemand allen eetlust te benemen.
En ik zal hier achttien uren moeten blijven! Wij zouden om elf uur in den morgen van den Piraeus vertrekken, maar het werd twaalf uur. De kapitein verzekerde mij, dat we een prachtigen overtocht zouden hebben. Trouwens de zeeziekte verontrust mij niet erg.
Daar roept de bel de passagiers naar de eetzaal. Ik moet mee aan tafel, hoe weinig animeerend ook de keuken hier is door het gebruik van schapevet. Na verloop van een half uur kan ik eindelijk op dek gaan, om daar den namiddag door te brengen. Reeds wordt Aegina kleiner door den afstand en laat ons van dezen kant zijn steile wanden zien, bedekt met een donkeren plantengroei. Boeren zijn op het voorschip geïnstalleerd, sommigen zittend op veelkleurige koffers, anderen op ruwe dekens van roode wol; een van hen zingt onder begeleiding van een rustieke luit volksliedjes; en de anderen praten over de kleine gebeurtenissen van hun leven, steeds onder het aflezen van hun rozenkrans.
Een byzantijnsch kerkje.Een byzantijnsch kerkje.
Een byzantijnsch kerkje.
Bij het vulkanisch schiereiland Methana dringt de “Aphrodite” binnen in de nauwe doorgang, die Poros van Argos scheidt, waar de oranje- en citroenboomen beschut zijn door het prachtige scherm van de bergen. Er worden toebereidselen gemaakt voor een landing in het stadje, dat schilderachtig op de rotsen is gelegen en waar het eerste maritieme arsenaal van het jonge koninkrijk werd gevestigd. Booten, overvol met menschen, komen naar ons schip in groote wanorde. Pas zijn de passagiers en de goederen overhaast aan boord gebracht, of de schroef zet zich weer in beweging, terwijl ieder een plaatsje zoekt, door de vertrekkenden open gelaten. Het zal intusschen niet voor lang zijn, want deze menschen gaan naar het eiland Hyera, dat zich al gauw vertoont, als we om kaap Skyli zijn gevaren, die aan den oostkant de uiterste punt van den Peloponnesus vormt.
Nauplia en kaap Itsch-Kalé.Nauplia en kaap Itsch-Kalé.
Nauplia en kaap Itsch-Kalé.
Een uur later gaan we Spezzia in open zee voorbij aan den ingang van de golf van Nauplia; die haven is met Salamis de voornaamste oorlogshaven, maar ze kunnen beide niet wedijveren met de groote oorlogshavens. Het was een heerlijke avond aan boord, en het gezang van de eenvoudige lieden uit het volk wiegde mijn gedachten aangenaam in zoete rust. Een poging om beneden slaap te vinden liep op niets uit, en al spoedig was ik weer aan dek, om daar den morgen af te wachten.
Ruïnen van het oude Misthra.Ruïnen van het oude Misthra.
Ruïnen van het oude Misthra.
De dag brak aan, toen we de golf van Marathonisi voorbijvoeren en den steven naar het Noorden wendden, om tegen acht uur aan de moderne kade van de gelijknamige stad te landen. Daar word ik aan wal gezet en wandel dadelijk de stad uit naar een weg over de rotsen langs de zee, waar ik de “Aphrodite” een laatsten groet kan brengen, zooals ze daar voor anker ligt achter in de baai; de hoeven van het muildier slaan luide op de steenen, terwijl de schoenen van den agoyaat en van den gendarme, van voren opgewipt als een voorsteven van een schip, zacht voorschuiven. De brave militair ziet er niet bar uit in zijn vuilblauwe uniform, en ik moet onderweg meermalen denken, dat, als ons iets overkomt, zijn tegenwoordigheid mij van weinig nut zal zijn. Er worden mij, sinds ik in Griekenland ben, zooveel verhalen verteld van den moed der inwoners van dit land, dat ik geëindigd ben met er niet veel van te gelooven en te denken, dat er weinig durf onder hen is en dat in het bijzonder degenen, die mij vergezellen, wel in staat zouden zijn, om in geval van gevaar met den vijand te heulen. Voor het oogenblik stellen ze zich tevreden met het zingen van een lied; om beurten heffen ze een couplet aan, en dat zal zeker wel duren tot bij kaap Matapan. Dus heb ik alle gelegenheid, zwijgend het prachtige land te bewonderen, dat we zijn binnengaan.
Een afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging, de Mavromichalis, die reeds meermalen minister is geweest en die te Athene een geziene staatkundige positie bekleedt, had mij dikwijls aangeraden deze reis te doen; hij zei mij, dat de bewoners van dit smalle schiereiland vreemde gewoonten hadden behouden in hun woeste schuilhoeken en dat ze verdienden, dat men hen beter leerde kennen. Toen ik dan ook besloten was, te gaan, zocht ik den heer Mavromichalis op, toen minister van Binnenlandsche Zaken, en hij kondigde mijn reis niet enkel aan de autoriteiten aan, maar moedigde zijn partijgenooten aan, mij vriendelijk te ontvangen. Ik stelde die daad te meer op prijs, omdat de gesprekken, die ik met den staatsman had gehad, mij voldoende op de hoogte hadden gebracht van de sociale toestanden in het zonderlinge land.
De Mainoten, die zich de rechtstreeksche afstammelingen noemen van de Spartanen die voor de barbaren vluchtten, hebben van die vermeende voorvaderen het onbuigzame karakter en de strenge zeden. Ze hebben krachtig weerstand geboden aan de Turken, die hen nooit hebben kunnen onderwerpen. Al den tijd van de ottomaansche overheersching was er een aristocratie van familiehoofden, zooals de Mavromichalissen, die tegenwoordig in hun salons te Athene de reeks hunner voorvaderen in de kleeding der Palikaren vertoonen, en betwistten elkander het bergland in een onophoudelijken strijd, bestaande in vendetta’s, roof- en moordpartijen. Toen we door het kleine dorpje Mavrovoeni reden, merkte ik op, datenkele huizen van schietgaten zijn voorzien. De mannen kijken mij aan met een trotsch en vijandig voorkomen.
Al spoedig hebben we het riviertje de Vardoenia achter ons gelaten, en op den Passaheuvel bespeur ik de overblijfselen van een kasteel, dat oudtijds bestemd was, de aanhoudende opstanden in het land te beteugelen, dan een ander, waar niemand zich vertoont, en we verlaten de nabijheid der zee, om aan zijn voet het voorgebergte af te snijden, dat in kaap Pagania uitloopt. Tusschen kleine eiken en wat heidekruid loopt de weg, en aan alles is te merken, dat de streek weer armer wordt.
In de schaduw van een niet uitgegroeiden den houden we stil en ik gebruik een vluchtig ontbijt, terwijl mijn oog rust op de ingesneden toppen van den Taygetos, wijkend naar het Zuiden nu onder den naam van Kako Voeni, dat is “slechten berg”. En inderdaad dit is een somber land, een opeenhooping van steile rotsen onder de brandende zon, met hier en daar kloven en afgronden, waarboven arenden en gieren zweven. Den geheelen namiddag volgden we de hellingen van dit reusachtige en woeste bergland, waarbij we slechts twee of drie dorpen passeerden, arme gehuchtjes eigenlijk, en door afgelegen kloven gingen met een dicht struikgewas en vele donkere grotten. Het gevoel van eenzaamheid komt over mij; ook mijn metgezellen loopen zonder spreken voort. Het begint duister te worden, als we Lagia passeeren, en aan de zee is het volkomen nacht. Zij schittert, waar ze tegen de rotsen slaat in het koude licht der maan, en met een gevoel van echte verlichting bereik ik tegen zeven uur in den avond de eerste huizen van Porto-Quaglio.
Terwijl de agoyaat bezig is een onderkomen te zoeken voor het muildier, en de gendarme naar zijn collega’s is gegaan, stap ik de zaal binnen van de herberg, waar het lekker ruikt naar gebraden kwartels. We waren juist in den tijd van den vogeltrek, waarbij dit geurige wild, dat hier overvloedig is, komt uitrusten op de uiterste punt van Europa, eer het zijn vlucht neemt naar Egypte. Ik profiteer dankbaar van de gelegenheid; eenige harde eieren en de onvermijdelijke harswijn, waaraan ik trouwens reeds gewoon raak, voltooien het geurige maal, en dan ga ik opzoeken wat met een stoutmoedig euphemisme mijn bed zou kunnen worden genoemd, een eenvoudige houten krib, goed voorzien van stroo. Maar het kan mij weinig schelen, de vermoeienissen der beide laatste dagen zijn zoo groot geweest, dat een diepe slaap, niet door eenig onaangenaam gesteek afgebroken, dadelijk mijn oogleden sluit.
Om zes uur in den morgen wacht mijn muildier mij reeds, geheel gezadeld, aan de deur van de eenvoudige herberg te Porto-Quaglio, waar ik den nacht heb doorgebracht. Ik haast mij, het zadel te bestijgen. En terwijl de schuine stralen der zon reeds de ontmantelde kanteelen van het kasteel vergulden, dat de stad beheerscht, rijd ik den chaos binnen van de granietbergen aan kaap Matapan; omgevallen menhirs, grotten en holen, waar de zee bruisend binnen dringt, en een sterke reuk van wier en zeegras in de holten tusschen de zwarte rotsen. Het rijden is moeilijker geworden door de hevigheid van den wind, die den voet der gesteenten met schuim omzoomt; daar is eindelijk het uiteinde van het donkere voorgebergte, waar de zeemeeuwen met groote, witte vleugels hun doordringend geschreeuw doen hooren.
De verlaten zee heeft overal witte koppen, en het kleine kapelletje “ton hagion Asomaton”, dat tegenwoordig op de plek staat van het beroemde heiligdom, gewijd aan Neptunus, schijnt te hangen boven een donkeren afgrond. En als ik mij verwijder, geheel onder den indruk van de grootsche doodschheid van deze plaatsen, die getuigen waren van zooveel zeerampen, maakt mijn agoyaat, wiens gevoelens met de mijne schijnen samen te stemmen, devotelijk een kruis, met oogen vol afschuw.
Een uur later is opnieuw de voet van de landengte bereikt, en langs een verschrikkelijk moeilijk voetpad stijgen we weer langs de westkust omhoog, en gaan in de richting van kaap Grosso, die den horizon afsluit met haar hoogen marmeren muur. Deze strook lands, ingesloten tusschen de zee en de gekanteelde toppen van den Taygetos, is het merkwaardigste deel van het land der Mainoten, een streek, bedekt met lage struiken en myrten, waar het strand overal kleine kreken vertoont en veel rotsachtige kapen vol holen, plaatsen, waar de zeeschuimers hun buit verborgen. Het zijn door de zon geroosterde bergen, met veel woeste kloven, waar zich, hangend boven afgronden, verborgen in de groeven tusschen het gesteente, arme dorpjes verschuilen, echte arendsnesten, schuilplaatsen van roovers, het tooneel van vendetta’s met bloed en tranen, en geboorteplaatsen van helden.
Overal ziet men versterkte kasteelen en torens met kanteelen, pyrgoi geheeten, voorzien van schietgaten. Het verbaast mij nu niet langer, dat het een dergelijk land is gelukt, door de eeuwen zijn volkomen onafhankelijkheid te bewaren, en dat men er thans nog de oorspronkelijke woestheid van land en bewoners aantreft. Alles verraadt die bij de Mainoten, vanaf den trotschen trek van hun magere gezichten, omlijst door wapperende haren en met een langen knevel, waarboven de oogen fonkelen, tot de plechtige manier van loopen, de groote physieke kracht en de wijze, waarop ze de wapens dragen, die ze nooit afleggen. Te Kyparisso, te Alika, in alle dorpen die ik doorreis, kijkt men mij vast aan, zonder nieuwsgierigheid, zooals een man zijns gelijke aanziet, en dat is iets, waar mijn reizen mij niet aan aan hebben gewend, sedert ik in Griekenland ben.
Wij houden stil om te ontbijten aan den rand van die groote hoogvlakte, die zich uitstrekt van de kaap tot den voet der bergen, en terwijl ik mijn blik laat weiden over het azuur van de golf van Koroni, in de verte eindigend in kaap Gallo, die met haar zusters, kaap Matapan en kaap Malée de laatste vormt van de drie vingerspitsen dier grove hand, die de Peloponnesus is, herinner ik mij alles, wat de heer Mavromichalis mij heeft verteld van zijn woeste kiezers. Ze zijn dapper en trouw en hebben opgehouden, onder elkander, zooals ze eertijds deden, bloedige gevechten te leveren; maar de politieke strijd neemt nog onder hen een zoo heftigen vorm aan, dat men zich midden in een barbaarsch land waant, zoodra de tijd der verkiezingen is genaderd. In hun wezen rebellisch,wars van alle gezag, verdragen ze slechts met moeite het stelsel van den verplichten militairen dienst, en de afstammelingen van die helden uit den vrijheidsoorlog hebben de grootste moeite, zich te schikken naar de tucht, hoe weldadig die ook zij, van het regiment. Met den geest nog vol van het heidensch bijgeloof, gelooven ze aan de godheden van de zee, aan die Nereïden, die hun holen en grotten bewonen, aan de orakelspreuken, door de rookende ingewanden van dieren gegeven, en als er een der hunnen sterft, laten ze nooit na, onder in zijn doodkist, met proviand voor de sombere reis, ook het kleine geldstukje te leggen, dat Charon van hen zal eischen aan den oever van de Styx.
Hun zeden hebben de oude zuiverheid behouden, en de deugd der vrouwen is enkel te vergelijken bij haar strenge schoonheid. De overspelige vrouw wordt gedood door haar man, en haar medeplichtige wordt door het volk met den dood gestraft. Wee dengene, die de vrouwen hier te nadrukkelijk aanziet, wee hem, die een jong meisje compromitteert! Hij moet haar onmiddellijk trouwen en als hij verdwijnt, zonder de zaak in het reine te brengen aan het eind van de enkele weken, die de gewoonte hem toestaat, is het met het ongelukkige kind gedaan, dat door de ouders koelbloedig wordt gedood, liever dan dat ze haar schande haar laten overleven. En zou men zich hier niet in de tijden van het oude Sparta terugdenken, als men de moeders gevoelloos en met wilde gebaren ziet in de tegenwoordigheid van de lijken van haar bij de vendetta’s gedoode zoons, als die laatste niet in de borst zijn getroffen?
Als ik dan ook, na Pyrgos te zijn voorbij gereisd, in den laten namiddag aan de poorten van Areopolis kom, waar de geheele bevolking met den burgemeester aan het hoofd is samengeloopen, om mij welkom te heeten, en die brave lieden meen te moeten doen begrijpen, dat ik als een goed Franschman hun edel en trotsch karakter bewonder, dat ik een vijand ben van list en leugen, eindig ik mijn toespraakje, dat ik met behulp van het woordenboek zorgvuldig had voorbereid, met de geheiligde formule: “Evcharisto, adelphoi, zito Areopolis! Dank, broeders, en leve Areopolis!” Toen weerklonken er eindelooze kreten en toejuichingen, roode mutsen vlogen in de lucht, er werd geestdriftig in de handen geklapt, het kruit liet zich hooren, en de scherper stemmen van de vrouwen, die ik op mijn woord slechts tersluiks heb aangekeken, mengen zich onder die der mannen, en duizendmaal herhaald klinkt het vol enthousiasme: “Zito o Gallos, zito i Gallia! Leve de Franschman, leve Frankrijk!”
Men ziet, dat de afgevaardigde uit de streek, meer nog dan de minister van Binnenlandsche Zaken, het is geweest, die mijn doortocht heeft aangekondigd, want ik kan geen voet verzetten, zonder dat oogenblikkelijk een sympathiek gestemde menigte op mij toesnelt; men ziet mij nieuwsgierig aan; in de herberg, waar ik ben binnengegaan, om een glas ouzo, nationalen brandewijn, te drinken en eenige olijven te gebruiken, zie ik de kinderen lachen en elkander aanstooten, toen ik in uitstekend Grieksch om kafé kai loucoumia vraag, de geparfumeerde olijven, die lang niet zoo lekker zijn als die uit Konstantinopel.
Het is overal ongewoon druk; groepjes in feestkleedij verzamelen zich aan de deuren; de vrouwen hebben haar beste kleeding aangetrokken, haar boezelaars, met schitterende kleuren geborduurd, haar witte tunica’s of de lange mantels zonder mouwen, die de armen laten zien en een gedeelte van de borst; ze hebben het hoofd bedekt met mutsjes, waar gouden versierselen op zijn aangebracht, meestal in penningen bestaande, op de borst dragen ze allerlei zilveren en koperen sieraden, en om den hals is een lange gazen sluier geslagen.
De mannen in de fustanella, schitterend van witheid, hebben hun crêmekleurig buis aangehouden en de pantoffels met de rozetten van blauwe wol, de vesten vol bonte arabesken en de gordels, waar degens en patroontasschen aan hangen; of wel ze hebben gele laarzen van leder aangedaan, met gouden figuren bestikt, die passen bij de versierselen van hun overkleed. Er wordt mij verteld, dat een notabele gisteren zijn dochter heeft uitgehuwelijkt; naar grieksche gewoonte is de pope laat in den avond aan het huis der bruid gekomen, waar een voorloopig altaar is opgericht; driemaal is de trouwring van de hand des bruidegoms aan die van het jonge meisje gestoken; ze hebben van hetzelfde brood gegeten en uit hetzelfde glas gedronken, om aan te duiden, dat voortaan alles voor hen gemeenschappelijk moet zijn, en, gekroond met oranjebloesem, zijn ze om het altaar heengegaan, gevolgd door de bruidsmeisjes en de bruidsjonkers, terwijl de priesters en de ouders, geknield in een kring, over de jonggehuwden de zegeningen des hemels hebben afgesmeekt. En de bevolking heeft aan het feest deelgenomen; ze is naar het hoogste deel der stad gegaan, waar er schapen voor hen geslacht zijn geworden en waar wijn en confituren zijn uitgedeeld; er is toen den geheelen nacht gedanst op de tonen van allerlei liederen.
Een rijstsoep, die nog al lekker is, olijven in pekel en een stuk rhalva, soort van honingkoek met saffraan en anijs, vormen het menu van het uitstekende maal, dat mij op een hoekje van een wankele tafel wordt voorgezet door een zeer mooi meisje van het land, wier haren, sierlijk in het midden gescheiden, op de schouders hangen. En dan word ik naar mijn kamer gebracht, ditmaal in het geheel niet van een bed voorzien, en waar dit meubel, dat men voor onontbeerlijk zou houden, is vervangen door wat stroo, op den grond uitgespreid. In mijn deken gewikkeld en doodop door de afschuwelijke duwen en stooten, waarop mijn muildier mij zoo ruimschoots had getracteerd op de plaatsen waar de wegen slecht waren, denk ik er slechts aan, nieuwe krachten in te zamelen, om even dapper als vandaag de groote vermoeienissen van morgen te verdragen.
Reeds om vier uur opgestaan, want ik moet ten einde des avonds in Sparta te zijn, vijftien uren per muildier rijden, verlaat ik het gastvrije plaatsje Areopolis, en terstond aan de zee den rug toekeerend, begin ik de hellingen van den Taygetos te bestijgen, waar een diepe insnijding mij een weg door zal banen naar Marathonisi. Voor de laatste maal groet ik het schoone land, dat mij zulke nieuwe en schoone indrukken heeft gegeven en verdwijn in de woeste kloof, waar ik afwisselend eikenboschjes tref, hooge rotsenaan steile afgronden, voetpaden, die nauwelijks te onderscheiden zijn in het rotspuin, en bergwanden, die wonderlijk mooi verlicht zijn en in trotsche majesteit verrijzen. Zoo bereik ik het dorp Karyopolis en zijn ellendige hutten, in het bergland verloren. De menschen hier loopen in lompen, en ik vraag mijzelven af, waar ze van leven op dezen grond, waar de bebouwbare lagen ver te zoeken zijn. Maar ik heb geen tijd, een economisch probleem te doorgronden; nog een paar inzinkingen en daar is de zee weer, daar is het dal van de Vardoenia en spoedig daarna Marathonisi.
Misthra met de oude cypressen.Misthra met de oude cypressen.
Misthra met de oude cypressen.
Het is tien uur; ik neem, niet zonder eenige ontroering, afscheid van mijn braven gaïdoeri en mijn beide metgezellen, die natuurlijk bij de gewisselde handdrukken een toespraakje houden. En op een anderen muilezel, geleid door een nieuwen agoyaat, begeef ik mij enkele oogenblikken later weer op weg naar Sparta en het dal der Eurotas.
Gytheion vertoont op twee tweelingheuvels zijn wankelende stukken muur tot aan den rand van den weg, die nauw wordt ingesloten tusschen de zee en de bergen. Niet ver van daar springt een bron, waarvan het gemurmel over de steenen mij heerlijk toeschijnt. Het is in Griekenland zulk een zeldzaam schouwspel, dat ik er mij een poosje ophoud, om mijn door de heete middagzon gloeiend hoofd af te koelen, terwijl de agoyaat een rietstengel afsnijdt, om er een fluitje van te maken. Dan volgt het in puin liggende fort Khaki-Skala, en dan begint de weg de hellingen van den Taygetos te bestijgen, namelijk het voorgebergte Vardoeno Khoria, waar de Eurotas, die uit de vlakte van Sparta komt, zich een weg doorheen moet banen.
Weldra onttrekt een eerste pas Marathonisi aan ons oog en we gaan verder met stijgen door boschrijk bergland, van waar de vlakte van Helos te overzien is en waar Cytherae zich aan den zuidelijken horizon vertoont. Nog een laatste stijging, en bij het dorp Levetzova begint de daling naar de vlakte van Sparta, die daar voor mij ligt in een goudgeel waas van rieten daken. Een rij laurieren en platanen wijst den loop van deEurotasaan, die hier en daar fonkelend straalt langs den prachtigen muur van den Parnon, terwijl de hooge keten van den Taygetos zijn reeks van indrukwekkende toppen tegen de lucht afteekent.
Hoewel de zon snel begint te dalen, is het in de diepte van de kom ondragelijk warm; de bleeke olijven, de vijgeboomen en de moerbeiboomen met hun donker groen, dat ongelukkig onder een laag stof schuil gaat, de oranje- en citroenboomen, met gouden vruchten beladen, omringen de velden, waar reeds het zaaisel voor het volgend jaar is uitgestrooid. Dit is Laconië, een mooie en rijke provincie met veel landbouw, waar sierlijke dorpen zich in het groen verbergen en op den achtergrond waarvan zich in den vallenden avond achter de acropolis van Amyclae de heuvels van Sparta in flauwe omtrekken vertoonen, waar ik eindelijk om acht uur in den avond aankom, uitgeput van warmte en vermoeienis.
Sparta’s stille straten en de Taygetos.Sparta’s stille straten en de Taygetos.
Sparta’s stille straten en de Taygetos.
Door tuinen omringd, liggen de witte, lage huizen van de moderne stad, die door koning Otto in den loop van zijn kortstondige regeering werd gesticht,tegen een heuvel aan, waar broodboomen en heide den grond bedekken. Ze waren reeds verdroogd door de zon, wat ik opmerkte toen ik den volgenden morgen een tocht ondernam door de breede, rechte en eentonige straten aan den voet van den kolossalen Taygetos. Groote zwarte cypressen, ook al weer onder een laag stof, rezen er ten hemel. Onder luifels etaleerden de winkels van den bazar op gevlochten rietmatten de mooie vruchten van Laconië, meloenen en fluweelige vijgen, en boeren, gekleed in een lang, rood gewaad, met een koord om het midden, loopen af en aan onder het gehinnik van hun paarden, de sandalen door touwen vastgebonden aan hun gebronsde enkels. Ik ontmoet vrouwen in ruime hemden, met mooi, laag voorhoofd, energieke kin, en terwijl ik moet erkennen, dat ze waard zouden wezen door haar physiek de afstammelingen te zijn der oude Spartanen, kom ik over een grasvlakte bij de plek, waar enkele overblijfselen de plaats der antieke stad aanduiden; resten van graven, fondamenten van muren, ruïnen van een schouwburg, die naar de strenge wetten van Lycurgus alleen bestemd was voor lichaamsoefeningen. Hier, beweert men, is het overblijfsel van Leonidas’ graf, het stadion, waar de jongelieden zich in wedloopen oefenden, en wat verderop, een door de Eurotas gevormd eilandje, waar de rivier zich splitst, een boomgroep, waar de moderne Lacedemoniërs hun openbare wandelplaats hebben aangelegd. Het is de Platanistas, waar men onder het oog der grijsaards oudtijds de kinderen sloeg, om ze aan pijn te gewennen, waar de jongelieden elkander geregelde gevechten leverden en zonder een klacht in den dood gingen. En ik bereik weer de nieuwe stad door moerbeiboschjes en denk aan al die ruwheid uit het verleden, aan de woeste geestkracht, die hier aan den dag werd gelegd, aan die ruwe zeden, die aan de Spartanen, met de verachting van den rijkdom, tevens een diepe minachting inboezemden voor de onsterfelijke kunstwerken.
Op een eilandje in de Eurotas.Op een eilandje in de Eurotas.
Op een eilandje in de Eurotas.
Tegen tien uur moet ik op het oogenblik, dat de warmte verstikkend wordt, door het dal trekken, om mij eerst naar Misthra te begeven en dan door den Taygetos naar Messenië te dalen. Daar de wegen over de bergen, naar het schijnt, niet volkomen veilig zijn, hebben de autoriteiten mij nog een gendarme meegegeven, wiens nietig uiterlijk niet geschikt is om mijn gevoel van veiligheid te vergrooten; daarentegen is mijn agoyaat een stevige vent en tevens door onze “symphonie” ook een goede verdediger. Hij heet Christo, zooals zoovele van zijn mannelijke landgenooten, die, als ze dezen voornaam niet dragen, stellig antwoorden op dien van Georgi, Janni of Panayotti. En al pratend met twee metgezellen, die zonder gewetensbezwaar en dat nog wel voor een vertegenwoordiger van het gezag, de boomen van hun vruchten berooven, komen we in een uur aan den voet van de majestueuse keten bij het tegenwoordige dorpMisthra, gekroond door de indrukwekkende ruïnen van de middeleeuwsche stad.
Mooie plantengroei aan de Eurotas.Mooie plantengroei aan de Eurotas.
Mooie plantengroei aan de Eurotas.
Een catastrofe schijnt den berg over zijn geheele lengte te hebben gescheurd, en de diepe kloof, die de Grieken “langada” noemen, daalt in een chaos van rotsen van schitterende kleuren. Vrouwen zitten voor haar armoedige huisjes, het hoofd bedekt met een zwarten sluier, die ze op religieuses doet gelijken; ze spinnen in stilte, en heffen slechts even de oogen op om ons te zien voorbijgaan. De helling van Meso-Khori is weldra bestegen, en we houden stil in de schaduw van prachtige platanen, waar een van die kleine turksche fonteinen onder springt, die zoo dichterlijk zijn en waar het water te midden van arabesken te voorschijn komt, om zachtjes neer te vallen in een steenen bekken, dat geheel vochtig is van iriseerende droppels. Ik kan een kreet van bewondering niet weerhouden; vóór mij, zeer hoog op de bergen, liggen trapsgewijze en in een driehoek de ruïnen van het oude Misthra, het frankische, door Villehardouin gesticht, die vorst van Morea, de plaats, die om beurten daarna turksch of venetiaansch is geweest en eeuwen lang de hoofdstad van Laconië was. Die stad der kruisvaarders, die sedert de schepping van het koninkrijk verlaten werd voor het moderne Sparta, maakt nu een droefgeestigen indruk van verval onder het weemoedig toezien van haar drie oude cypressen, die reeds de getuigen waren van haar oude grootheid.
En door nauwe straatjes, die als trappen zich door tuintjes kronkelen, tusschen boogvormige arcaden door en binnenpleinen, waar in het natte gras schildpadden slapen, klim ik omhoog tot de oude kerk van Pantanassia, met de sierlijke zuilengalerij en met in het inwendige een nis, waar de fransche leliën boven zijn gehouwen. Daar zijn kleine gothische gebouwtjes en een grooter bouwwerk met hoogen gevel, door den tijd verweerd en voorzien van talrijke vensters. Dat is het paleis van Villehardouin met zijn gekanteelde torens en struikgewas aan den voet, waar reptielen zich ophouden. Ik blijf nog stijgen, tot ik eindelijk de citadel bereik, omgeven door versterkte muren, waarbinnen veel puin ligt en waar waterreservoirs zijn aangebracht. Alles is thans in de stad uitgestorven, die daar aan mijn voeten ligt in de ruïnen, en alleen de wilde duiven, die in de verlaten ruimten rondvliegen, zetten leven bij aan de indrukwekkende eenzaamheid.
Op een sarcophaag gezeten, van waar ik de groene vlakte van Sparta kan overzien, die door de groote schaduw van den Taygetos wordt getroffen, denk ik terug aan de verre tijden, toen onze voorvaderen over het land regeerden; ik roep de herinnering aan onze beschaving op, die ik hier, ver van het vaderland, terugvind in de bogen, de latijnsche kruisen, de leliën; ik vergeet de byzantijnsche wereld, om door tijd en ruimte te gaan tot den tijd van onze Middeleeuwen, welker heroïsme vol edelmoedigheid geschreven staat op alle steenen van de ineenstortende stad. Daar op eens begint de klok van de oude metropool, overblijfsel van de grieksche stad, die ook al vervallen is, nadat ze gebouwd was op het oudere puin van het kasteel onzer voorvaderen, te klinken; een priester treedt uit het aartsbisschoppelijk paleis en achter hem verdwijnen eenige vrouwen in de kerk, gelijkende op groote, zwarte vogels, dwalend tusschen de graven.
Nu haast ik mij naar beneden, telkens struikelend over verbrokkelde wapenschilden, waar de hagedissen hun zonnebad nemen, en ik treed de kerk binnen, terwijl het gebed bijna is afgeloopen. Ik bezie een oogenblik den groenen koepel, de ruwe fresco’s aan de wanden en de oude grieksche opschriften, die uit de veertiende eeuw afkomstig zijn, en toen ik opnieuw den drempel overschrijd, verblind door de felle helderheid van het licht, voegt de geestelijke zich bij mij en zegt: “Sto kalo, wees gezegend!” en wenkt mij, want het kost mij moeite zijn dialect te begrijpen. Hij voert mij mee tot aan het oude aartsbisschoppelijk paleis, dat dicht in de buurt is, en waarvan de muren de sporen dragen van de turksche verovering.
Die lagere grieksche geestelijken, die maar zoo weinig onderwijs hebben genoten ondanks de pogingen en de milde giften van den rijken Rhizaris, ontzeggen zich door te trouwen den toegang tot het episcopaat. De niet gehuwde monnikken worden dus tot bisschoppen en aartsbisschoppen benoemd, en de arme pappa’s leven daar te midden van hun onbeteekenende schaapjes in voortdurende onwetendheid. Nauwelijks hun godsdienst kennend, niet in staat de dogma’s er van te verklaren, onopgemerkt door den staat, die hen niet betaalt, zijn ze wel genoodzaakt om, ten einde in de behoeften van hun gezin te voorzien, uit alles geld te slaan. Sommigen drijven handel, andere doen aan landbouw, allen speculeeren op de lichtgeloovigheid van het publiek of laten zich hun diensten zoo duur mogelijk betalen. En zoo ontmoet men dikwijls de bleeke broeders met hun donker cylindervormig hoofddeksel, hun lang zwart kleed en de haren in den nek tot een wrong opgestoken, wandelend zonder eenig prestige onder groote parapluies, die hen tegen de zonnehitte beschutten.
Mijn pappa uit Misthra maakt geen uitzondering op den regel, in geen enkel opzicht. Zijn vrouw, een grove boerin, zeker nog onwetender dan hij, gaat opstaan bij ons binnentreden, kust haar man de handen en trekt zich bescheiden terug, alsof het niet bij haar rang zou passen, bij ons plaats te nemen. Maar ze treedt een oogenblik later weer binnen met een pot bessengelei, waarin wij ieder op zijn beurt ons houten lepeltje moeten steken, om dan een glas te vullen met helder water, dat mij wel zoo gepast lijkt bij deze temperatuur dan het gesuikerde hapje, dat eraan voorafging.
Na enkele oogenblikken van een nog al traag vloeiend gesprek, wil ik mijn gastheer voor zijn gastvrijheid bedanken en, de gewoonten van het land kennend, laat ik een cadeau van enkele drachmen in zijn hand glijden. Men moet aannemen, dat de offerande hem niet onwelgevallig is, want ik begrijp uit de woorden, die onder een stroom van dankbetuigingen schuilgaan, dat hij mij nog wel eens weer tot gids wil dienen. Het helpt niet, of ik hem al zeg, of liever hem toeschreeuw, want hij praat veel en luistert slecht, dat mijn bezoek is afgeloopen en dat ik mijn muildier weer ga opzoeken, om mijn weg te vervolgen, wat ik reeds op het punt waste doen toen ik hem ontmoette, hij wil niet hooren, en, mij bij den arm nemend, sleurt hij mij naar buiten en herhaalt onophoudelijk: “Pantanassia, Pantanassia!” Ik moet er mij wel in schikken, hem te volgen naar het kerkje, dat ik zooeven al heb gezien en waarvan hij mij in bijzonderheden de merkwaardigheden verklaart; daarna treden we het naburige klooster binnen, waar mij het graf van keizerin Theodora wordt getoond, de vrouw van Constantijn Palaeologus, den laatsten byzantijnschen keizer. Maar dat alles wekt veel minder mijn belangstelling dan het voorkomen van de oude frankische stad, waar ik de herinnering aan onze voorvaderen terugvind; de spraakzame pappa vindt die beleefd ook interessant en laat mij eindelijk vertrekken, mij overladend met zijn zegeningen.
En nu begint de bestijging van de Taygetostoppen; in plaats van dien avond in Trypi te slapen, waar we in een uur marcheerens kunnen wezen, heb ik besloten, op raad van mijn agoyaat en na een verzoek te hebben gericht tot den demarch of burgemeester van Sparta, die mij volkomen veiligheid heeft gewaarborgd, den nacht in de bergen door te brengen te midden van de herders. Weldra verdwijnt de heuvel van Misthra, en we bereiken tegen drie uur de huizen van het dorp, die hun roode daken verbergen onder prachtig, donker cypressenloof. Aan alle zijden borrelen bronnen in de rotsen, en ik geniet een heerlijk welbehagen na de hitte van de vlakte, nu ik de koele frischheid mag voelen. Vrouwen wasschen haar linnen aan den rand der beken, en ik denk aan de echtgenooten der homerische helden, handig in de huishoudelijke plichten, maar met wie deze dames slechts heel in de verte verwant zijn.
Maar daar gaapt aan een voetpad onder meidoorns in den berg een wonderlijk hol. Dat is de langada van Trypi, in welker nabijheid men de plaats heeft meenen te herkennen van de kloof van Caeadas, waar de oude Spartanen de misdadigers in wierpen evenals de krijgsgevangenen. En inderdaad van een voorgebergte boven den afgrond, kijk ik neer in een spleet tusschen de rotsen, en de bodem schijnt er niet anders te zijn dan een opeenhooping van menschenbeenderen en stof. Een heftige indruk van afschuw doet mij die lugubere plek ontvluchten, en langs een steenachtigen weg, die den loop van de Trypiotiko volgt, daal ik af in het aangrenzend ravijn.
Plotseling verdwijnt de zon en de koude wind der hoogten slaat mij onaangenaam in het gezicht. Ik moet een warmer jas aantrekken daar tusschen de kale, roode rotsen, die er dreigend uitzien. Van Trypi af was de weg steeds gestegen; nu hadden we het hoogste punt bereikt, om dan weer tot de oppervlakte van het water te dalen. Christo waarschuwt mij, dat ik moet afstijgen, want dat het pad gevaarlijk begint te worden. Inderdaad lagen er groote marmeren steenen, glibberig en vuil, waar men licht zou kunnen uitglijden en in den afgrond storten. Terwijl ik langzaam voortloop, houdt de agoyaat den teugel van het muildier vast, terwijl de gendarme den staart pakt, en het arme dier, zoo opgehouden, loopt met moeite, dikwijls uitglijdend en een massa steenen in de diepte werpend.
Ik heb werkelijk het gevoel, dat de dood van nabij dreigt, en met een gevoel van groote verlichting bereik ik eindelijk de bedding van de rivier, waar de weg overheen leidt, om aan den rechteroever weer te stijgen. Maar de kalmte zou niet lang duren. Terwijl de Trypiotiko hoe langer hoe meer onder ons wegzinkt, gaan we steil omhoog langs de rots, die ten laatste zoo ver over de kloof heen hangt, dat wij het geluid van den onstuimigen stroom zelfs niet meer hooren. Nu eens stijgend, dan dalend langs dien gevaarlijken weg, gaat het verder, tot tegen zes uur toen de schemering valt, we de rivier terugvinden, die nu kalmer vloeit tusschen mooie platanen. De kale toppen boven ons, roodgekleurd door de ondergaande zon, komen mij voor als een booze droom. Daar klinkt een woedend geblaf niet ver van ons, en twee groote, zwarte honden storten zich op onze karavaan. Christo en de gendarme maken een beweging, alsof ze met steenen willen gooien, en dat is voor het oogenblik voldoende, om die wilde beesten in bedwang te houden, die verbazend woest kunnen zijn en die ik wel heb zien bijten in de steenen, naar hen toegeworpen, of ze van woede met hun bek weer in de lucht heb zien opgooien. Op hun achterpooten zittend en gereed om op ons aan te vliegen, als we naderbij komen, maken die honden een geluid, dat in het oneindige door de rotsen wordt weerkaatst. De aandacht der herders, die in de buurt zijn, wordt eindelijk getrokken en daar verschijnen eenige bergbewoners; op hun bevel houdt het geblaf op, en Christo treedt alleen naar voren, om te onderhandelen.
Waarlijk, die menschen zien er niet aantrekkelijk uit. De groote bruine mantel, dien ze over hun schouders dragen, hangt tot op de vroeger witte slobkousen, die met een zwarten kouseband worden opgehouden. Hun gebruind gezicht verdwijnt onder een ruwen baard; enkelen van hen hadden lange haren, die rondom hun mutsen en petten uitstonden; allen leunden op den langen, gebogen stok als een bisschopsstaf, dien ze altijd bij zich hebben, en keken mij dreigend aan. Eindelijk was er een overeenstemming getroffen en we begaven ons op weg naar het kamp, ditmaal geëscorteerd door de honden, die schijnen te begrijpen, dat wij nu burgerrecht hebben verkregen. Al spoedig wordt het schijnsel van een vuur onder de boomen zichtbaar; we gaan een landelijke omheinde ruimte voorbij, waar de schapekaas, die er wordt bereid in vaten van geiteleer, een afschuwelijken stank verspreidt, en komen eindelijk tegenover een reeks verblijven, die van een vlechtwerk van bladeren zijn opgetrokken en waar de vloeren met dennetakken zijn belegd.
Die herders zijn een ware plaag voor de boomen in Griekenland, die ze brutaal exploiteeren en waarvan hun schapen de jonge spruitjes nuttigen. De bijl en het vuur doen geleidelijk heele bosschen verdwijnen, die mogelijk door een nauwlettender toezicht gespaard hadden kunnen blijven. Hier is de eerste oorzaak van de ontwouding, die de droogte en de dorheid veroorzaakt, waar het land zoozeer onder lijdt. Men moest die lieden doen begrijpen, dat hun eigen belang meebrengt, dat ze de boomen eerbiedigen, dat het onvoorzichtig is, ze te vroeg te vellen, hun zonder noodzaakde takken te ontnemen of altijd maar weer onder de bescherming van hun stammen vuren aan te leggen, die ze langzaam sloopen. Maar dat is een moeilijk uit te voeren werk, want dit volk is totaal onwetend; men heeft wel getracht, op sommige plaatsen nieuw bosch aan te leggen; maar de plantjes, die ondanks de brandende zon en de droogte juist wat op streek begonnen te komen, hebben al gauw gediend tot voedsel voor de geiten, en de overige zijn van watergebrek omgekomen. En zoo gaat het van kwaad tot erger, terwijl de openbare macht er nog niet in is geslaagd, een middel tegen de kwaal te vinden.
Intusschen is het geheel donker geworden. Ik heb mij in mijn hut geïnstalleerd, waarvoor een groot vuur brandt; Christo en de gendarme hebben zich bij hun nieuwe vrienden gevoegd op eenige schreden afstands en geven hun inlichtingen over mijn persoon en mijn reis; de oogen der nu gekalmeerde honden schitteren in de duisternis. Er is vóór mijn hut een flinke hoeveelheid hout opgestapeld, opdat ik het vuur zal kunnen onderhouden, dat mij verwarmt, en bij het schijnsel waarvan ik thans mijn maal gereed maak. Nu of nooit moet ik een paar van die blikjes nuttigen, die met wat spiritus dadelijk gereed zijn te maken. En terwijl ik op mijn kleine verwarmings-toestelletjes een heerlijke portie kalfsvleesch met worteltjes klaar maak, en een niet minder smakelijken ragoût van schapevleesch, komen de herders naderbij, gaan in een kring om mijn vuur zitten, en een onuitsprekelijke verbazing teekent zich op hun ruwe gelaatstrekken. Voor deze halfwilde menschen is het gezicht van mijn vernuftige keuken iets geheel nieuws; ze doen uitroepen, vragen, stooten elkaar met den elleboog aan en lachen. Geen enkele mijner bewegingen ontgaat hun en altijd worden er lange besprekingen over geopend. Voor mij is die omgeving ook iets vreemds en nieuws, daar zoo in de bergen te zijn, ver van alle beschavingsmiddelpunten, met deze roovers, wier oogen op mij gericht zijn door den rook en het schijnsel van het vuur heen.
Zoodra mijn maaltijd is afgeloopen, gaan de leege blikjes van hand tot hand; ik bied een sigaret aan, waarvan allen gretig profiteeren en er begint een gesprek, waaraan ik maar gebrekkig kan deel nemen, zoodat ik allen tijd heb, mijn zonderlinge makkers op te nemen, wier gelaat en handen met een dikke laag vuil zijn bedekt. Nu herinnerde ik mij, dat toen ik eens den Pentelicon beklom met een atheenschen vriend, wij op den top een herder ontmoetten van het slag van deze lieden, en dat hij ons had bekend, dat in zeven jaren, dat hij in de bergen leefde, hij zich nooit gewasschen had. Die man had nog eenige verontschuldiging, want het water is schaarsch in de omstreken van Athene; maar wat te zeggen van zijn kameraden van den Taygetos, die, terwijl er bronnen in de nabijheid zijn, evenmin als hij de behoefte voelen met het verfrisschende water kennis te maken?