[Inhoud]HOOFDSTUKXII.Een stevige klop aan de deur doet de jonge advokaat opschrikken uit zijn mijmering. Hij strijkt haastig met de eene hand door zijn haar, verschikt zijn dasje.«Binnen!» roept hij.«Stoor ik?» zegt een forsche zware stem. «Ik ben maar zoo boven gekomen … Zoo, zit je hier nog te schemeren?»Frans staat verward op en stamelt verlegen:«Och ja.» Hij kan nauwelijks zijn woorden vinden, nu hij Duitsch moet spreken. «Dat is niets, hoor … Je bent alleen wat vroeg voor onze vergadering … Komt je vrouw niet? Maar ga zitten.»«Zeker, stellig … ik ga weer weg: ik kom alleen ’s kijken. Ik kom zoo regelrecht van een patiënt. Ik dacht: ik zal onderweg even aanloopen. Ik moest toch langs je huis, en ik wou weten, of onze vergadering nog doorging.»[177]«Doorging? Waarom niet? Je hadt toch kennis gekregen?»«Jawel, maar …»Frans heeft intusschen de lamp aangestoken, en in haar licht neemt de stoere bezoeker—een veertiger, met een mooie volle goudblonde baard, echt type van de krachtige openhartige Germaan—de jonge man nauwkeurig op.«Je bent niet normaal, kerel», vervolgt hij. «Dat merkte ikeergisterenal, toen ik je tegenkwam in ’t park.»Kwazie vroolijk antwoordt de ander:«Och jullie doktoren!… Ik slaap wat slecht, dat’s alles.»De ander schudt het hoofd. Zijn sympathieke trouwe oogen kijken meewarig en ernstig.«Mijn beste Jensen, dat is een kwaad teeken», hervat hij.Frans antwoordt niet dadelijk, maar draait verlegen aan zijn snor. «Och», zegt hij eindelijk, met schouderschok en afgewende oogen. «Wat kan ik eraan doen?»«Alles, als je maar wilt.»En de stoere Dr. Kegel legt zijn groote hand op Frans’ schouder: «Kom, kerel», zegt hij gemoedelijk. «Jij trekt je de wereldsche zaken veel te veel aan. Ik zag ’t immers zooeven weer.»[178]«Wat keek je moedeloos! Mag ik ronduit spreken?»«Ga je gang» klinkt het somber terug.Dr Kegel werpt een vluchtige blik naar de deur, die naar binnen leidt.«Je vrouw is zich misschien gaan kleeden?»Frans knikt.«Nu dan, je stoort je te veel aan de menschen, mijn waarde heer. Je maakt je ellendig over nietigheden. Ik zeg:fais ce que dois advienne que pourra.»De brave medicus had in zijn jonge jaren de Fransche veldtocht meegemaakt, en haalde graag zijn kennis van Fransche spreekwijzen voor den dag, vooral in ’t bijzijn van menschen, die evenals deze vriend, er verstand van konden hebben. Maar ’t was of hij besefte, dat zijn uitspraak het goed verstaan min of meer in de weg zat; want hij gaf er de vertaling in zijn moederspraak steeds bij:«Doe je plicht en laat de menschen leuteren! Je hebt immers niets op je geweten.»«Ik zou meenen van niet …» antwoordt de jonge man nog steeds somber.«Welnou!»«Och, Kerel, je weet lang niet alles.»«’t Is natuurlijk weer de oude historie: je huwelijk.[179]Maar dacht je nou, dat de menschen hier … och, verbeelding, verbeelding, zeg ik je.»Frans staat driftig op.«Nu ik zeg je dat het geen verbeelding is, om de donder geen verbeelding!»«Hoû je maar kalm, hoû je maar kalm. Vertel me nu ’s geregeld. We hebben nog de tijd. Lucht jehart ’s»De bezadigde gemoedelijke toon van de dokter doet Frans wonder kalmeerend aan. Hij zet zich weer neer, en, op gedempte toon sprekend, en telkens afbrekend, antwoordt hij: «Laat Marta ons niet hooren: ze is daar in haar kamer. ’t Is zoo’n lamme geschiedenis—’t Hindert me al zoo lang—al heel, heel lang.—Ons geluk wordt erdoor bedreigd—En ik heb Marta nog niet van alles op de hoogte gesteld—Arme lieveling!—Ze is zoo weinig kwaaddenkend: ze houdt iedereen voor even waarheidlievend en recht-door-zee als ze zelf is!»Dr. Kegel knikt goedig, geheel aandacht.«Je weet, sinds mijn promotie—nu voor anderhalf jaar—heb ik telkens getracht, mijn weg te banen in de journalistiek. Maar wat ’n resultaat!»«Ik heb toch wel wat van je gelezen! Wat goeds …»«Nou ja, een enkel artikel … Dat hebben ze[180]genomen, omdat het goed was,.. wat dondersteen. Maar wat zou dat nóg? Aan een redactie woûen ze me niet hebben. Bij ons ééne liberale blad hier was ’t eerst gelukt. Ik was al aangenomen, maar ik had het voor Marta geheim gehouden … Jawel, hoor! toen ik me kwam aanmelden—bezwaren. Op mijn aandringen kwam eindelijk de aap uit de mouw: mijn huiselijke verhouding—wie daar gestookt had, is mij een raadsel …»Frans kijkt na zijn verhaal zwijgend vóor zich, en trommelt kwazie onverschillig op de tafel.«Wel, kerel, daar heb je me nooit iets van verteld.»«Och!» En de jonge advokaat heft beide handen op, met een bitter lachje, hij heeft wel meer en ergers voor zich gehouden, voor Marta zelfs …«En wat zei de vent ook wel … die hoofdredacteur?»«Zijn heele toon was anders dan te voren. Dat noemt zich «freisinnig». De zinnen van die kerel zijn al even vrij als zijn kop in zijn hooge boord!»«Hò, hò, hò!» klinkt het hol en goedig deelnemend uit Kuno Kegel’s stoere borstkas.«Hij wees me onuitstaanbaar kalm en deftig op een artikeltje in een ander blad, waarin onze vereeniging besproken werd: allerlei hatelijke toespelingen.—Op de oprichters,—op Marta en[181]mij, dat vat je … Ik had de knul wel kunnen vermorzelen …»Frans kon weer niet stoelvast blijven. Met gebalde vuisten stapt hij driftig op en neer.«Joa, joa», bromt de ander met volkomen instemming.«En zoo gaat het telkens.—Met allerlei dingen. Allerlei kleinigheden—Menschen willen me niet meer kennen …»«Nee, maar dat is toch stellig verbeelding, ik moet je eerlijk zeggen, dat ik daar nog nooit wat van gemerkt heb.»«Jij niet … nou ja! Wat zou jij daarvan zien! Ze weten wel dat je een vriend van me bent.’tIszoo, ik verbeeld me niets, geloof me. Ze doen, alsof ze me niet zien, wanneer ik ze tegenkom.»«Och kom.. wie bij voorbeeld?»«De vrouw van Förster onlangs.»Dr. Kegels rechterhand, evenals zijn linker op zijn schoot rustend, wipt even op en geeft een tikje met de volle breedte op zijn dij, en een achterwaartsche ruk van zijn hoofd maakt een deel van zijn stierenhals zichtbaar onder de boord.«Ja, ik mocht haar zoo graag. En Marta ook. Ze komt niet meer sinds een paar maanden. Marta gelooft, dat ze ’t druk heeft, ff..»[182]«Ongelooflijk», mompelt de medicus. «Ongehoord.»«Ja», hervat Frans zuchtend en even stilstaand om een lange liniaal van zijn schrijftafel op te nemen, waarmee hij zijn woorden onderstreepen kan: zoo leidt hij meteen wat van zijn heftigheid en drift af. «En dat is nu een verlichte hoogbeschaafde vrouw.… Doet aan vrouwenbeweging. God beter ’t! Bij haar ook al pure beweging, anders niet!—Van mijn vrienden in Amsterdam hoor ik ook niets meer.… Dat alles zou nog zoo erg niet wezen—als ik wist, dat ons geluk—’t mijne en dat van Marta er niet door bedreigd werd.»Hij zwijgt enkele oogenblikken, staat stil en strijkt eens met de linkerhand door zijn haar en langs zijn eene wang. Dan hervat hij op dezelfde doffe neerslachtige toon, en alsof hij hardop denkt:«Geluk zonder stoffelijke welvaart.… is dat op den duur wel mogelijk? En dan ’t besef, dat ik bijna heelemaal afhankelijk ben van ’t beetje inkomen, dat Marta van haar praktijk en van haar zelve heeft! Ik verdien zoo weinig.…»Beiden zwijgen nu, de bezoeker omdat hij kalm den ander wil laten uitspreken, hem wil waarnemen ook in de uiting van zijn leed, Frans omdat de bekentenis van zijn onmacht en afhankelijkheid hem neerdrukt. Doch met een ruk van zijn[183]hoofd opwaarts, als een zwemmer die een golf over zich heen laat gaan, en een schokzwaaitje met zijn liniaal onttrekt de jonge man zich plotseling aan zijn staat van gedruktheid.«Maar wat ’n onzin, dat ik me zoo laat ontmoedigen, vin’ je niet? Ze moesten het eens zien, mijn vijanden in ’t lieve vaderland en hier mijn preutsche beoordeelaars: wat zouden ze in hun vuistje lachen!» En op temerige toon vervolgt Frans: «Zie je, Gods zegen kan niet rusten op zulk een verbintenis. Nu, ik zal hun toonen, dat een andere zegen niet uitblijft—die van mijn arbeid—van mijn wil tot het goede.»«Dat mag ik hooren!» valt Dr.Kegel in. «Je hebt immers een heldere kop—eenpracht stelhersens. Ja, ja, dat meen ik—En je hebt een hart als goud—fijn gevoel. En een lieve beste vrouw—niet te vergeten, Jensen!—een vrouw, die je begrijpt en die je waardeert. We hebben van die heldere koppen en zulke rijke gemoederen noodig voor de maatschappij, beste kerel. Om voor ’t gros te denken en te voelen. Je droom om deze oude maatschappij ’s wat te helpen verjongen door je geschrijf.… je artikelen.…enfinje woord, je denkbeelden, kan nog eenmaal werkelijkheid worden. Geloof daar toch in, beste kerel.»[184]Dr. Kegel’s gezicht straalt van kameraadschappelijke hartelijkheid, en van voldoening over zijn toespraakje.«Och, daar geloof ik ook wel in», antwoordt de jonge advokaat, onwillekeurig glimlachend om de welsprekendheid van zijn vriend. Dan hervat hij zijn onrustig gedraai om en bij hem, heftig gesticuleerend onder ’t spreken:«Studies over de toestand van de vrouw—’t huwelijk, de liefde—eeuwig belangwekkende vraagstukken voor ’t menschdom, niet?—ik zal ze de wereld inslingeren als bliksemstralen, die de duffe bedompte atmosfeer zullen reinigen. Strijd tegen domheid en bijgeloof! En ’t veroverde zal ook ons ten goede komen. Ik zàl niet ondergaan in die strijd: ik zal zegevieren trots alles. Trots de God der dommen, die in fatsoen en bekrompenheid wil gediend worden! Tegenover hem stel ik de God, die in mij leeft, de God der Martelaren van de gedachte, van het Genie: de God die de denkers voorlicht en de kunstenaars bezielt.—Dezelfde die glansde in de stralenkrans om Christus’ hoofd. Christus! O wat is er ’n onrecht in zijn naam gepleegd! Wat ’n miskenning van ’t goddelijke in hem door hem te vereeren als een onbegrepen bombastische tooneelgod. Door hem uit te dossen in een goddelijkheid[185]van klatergoud! Verlossing door de Liefde: hoe eenvoudig, en toch hoe zot verduisterd en vermoeilijkt door onze theologen!«Onze Farizeeërs en schriftgeleerden … O wat zouden ze hem honen, omdat hij niet «christelijk» zou handelen, als hij weer’s op aarde kwam, Christus zelf! Omdat hij niet rechtzinnig zou wezen, niet fatsoenlijk …» En, op-eens een andere toon aannemend, vervolgt Frans met een zucht: «Kom, ’t zal tijd worden voor onze vergadering.» Meteen raadpleegt hij zijn horloge, gaat naar de deur, die naar de kamer ernaast leidt, en roept daar zacht: «Marta, ben je haast klaar?»«Ja, ja, ik kom, hoor», klinkt het van de andere kant der deur terug.«Ik ben benieuwd wat het geven zal, straks als die brieven overgelegd worden … Marta is zoo gerust.»Dr. Kegel, die hem stil heeft laten begaan, staat nu van zijn stoel op.«Zeg, Jensen», zegt hij ernstig. «Je bent veel te opgewonden. Ik ga mijn vrouw zeggen, dat er geen vergadering is vanavond. Jij komt straks met jouw vrouw bij ons, hoor. We zullen je wel opkalefateren.C’est confenu, eh?Afgesproken?»Maar Frans wil er niet van hooren.«Geen kwestie van. Ik ben kalm. Blijf jij nu[186]maar hier. Je vrouw komt wel alleen: ’t is immers vlak bij. Heusch, mijn waarde, ik kan daar niet meer af: je zult straks wel merken waarom.»«Nu, in vredesnaam dan … Maar ik ga toch maar even Dora halen. Tot straks.»De deur sluit zich achter hem; doch een oogenblik later verschijnt ’s dokters mooie Germanen-kop weer:«Vertel maar niks aan je vrouw, zeg Jensen.»De ander schudt het hoofd, met een uitdrukking op zijn gezicht, als wilde hij zeggen: «Wat zou dat nòg?» Dan gaat hij naar eenhangkast, en verwisselt haastig zijn huisjasje tegen een oude «gekleede.»[187]
[Inhoud]HOOFDSTUKXII.Een stevige klop aan de deur doet de jonge advokaat opschrikken uit zijn mijmering. Hij strijkt haastig met de eene hand door zijn haar, verschikt zijn dasje.«Binnen!» roept hij.«Stoor ik?» zegt een forsche zware stem. «Ik ben maar zoo boven gekomen … Zoo, zit je hier nog te schemeren?»Frans staat verward op en stamelt verlegen:«Och ja.» Hij kan nauwelijks zijn woorden vinden, nu hij Duitsch moet spreken. «Dat is niets, hoor … Je bent alleen wat vroeg voor onze vergadering … Komt je vrouw niet? Maar ga zitten.»«Zeker, stellig … ik ga weer weg: ik kom alleen ’s kijken. Ik kom zoo regelrecht van een patiënt. Ik dacht: ik zal onderweg even aanloopen. Ik moest toch langs je huis, en ik wou weten, of onze vergadering nog doorging.»[177]«Doorging? Waarom niet? Je hadt toch kennis gekregen?»«Jawel, maar …»Frans heeft intusschen de lamp aangestoken, en in haar licht neemt de stoere bezoeker—een veertiger, met een mooie volle goudblonde baard, echt type van de krachtige openhartige Germaan—de jonge man nauwkeurig op.«Je bent niet normaal, kerel», vervolgt hij. «Dat merkte ikeergisterenal, toen ik je tegenkwam in ’t park.»Kwazie vroolijk antwoordt de ander:«Och jullie doktoren!… Ik slaap wat slecht, dat’s alles.»De ander schudt het hoofd. Zijn sympathieke trouwe oogen kijken meewarig en ernstig.«Mijn beste Jensen, dat is een kwaad teeken», hervat hij.Frans antwoordt niet dadelijk, maar draait verlegen aan zijn snor. «Och», zegt hij eindelijk, met schouderschok en afgewende oogen. «Wat kan ik eraan doen?»«Alles, als je maar wilt.»En de stoere Dr. Kegel legt zijn groote hand op Frans’ schouder: «Kom, kerel», zegt hij gemoedelijk. «Jij trekt je de wereldsche zaken veel te veel aan. Ik zag ’t immers zooeven weer.»[178]«Wat keek je moedeloos! Mag ik ronduit spreken?»«Ga je gang» klinkt het somber terug.Dr Kegel werpt een vluchtige blik naar de deur, die naar binnen leidt.«Je vrouw is zich misschien gaan kleeden?»Frans knikt.«Nu dan, je stoort je te veel aan de menschen, mijn waarde heer. Je maakt je ellendig over nietigheden. Ik zeg:fais ce que dois advienne que pourra.»De brave medicus had in zijn jonge jaren de Fransche veldtocht meegemaakt, en haalde graag zijn kennis van Fransche spreekwijzen voor den dag, vooral in ’t bijzijn van menschen, die evenals deze vriend, er verstand van konden hebben. Maar ’t was of hij besefte, dat zijn uitspraak het goed verstaan min of meer in de weg zat; want hij gaf er de vertaling in zijn moederspraak steeds bij:«Doe je plicht en laat de menschen leuteren! Je hebt immers niets op je geweten.»«Ik zou meenen van niet …» antwoordt de jonge man nog steeds somber.«Welnou!»«Och, Kerel, je weet lang niet alles.»«’t Is natuurlijk weer de oude historie: je huwelijk.[179]Maar dacht je nou, dat de menschen hier … och, verbeelding, verbeelding, zeg ik je.»Frans staat driftig op.«Nu ik zeg je dat het geen verbeelding is, om de donder geen verbeelding!»«Hoû je maar kalm, hoû je maar kalm. Vertel me nu ’s geregeld. We hebben nog de tijd. Lucht jehart ’s»De bezadigde gemoedelijke toon van de dokter doet Frans wonder kalmeerend aan. Hij zet zich weer neer, en, op gedempte toon sprekend, en telkens afbrekend, antwoordt hij: «Laat Marta ons niet hooren: ze is daar in haar kamer. ’t Is zoo’n lamme geschiedenis—’t Hindert me al zoo lang—al heel, heel lang.—Ons geluk wordt erdoor bedreigd—En ik heb Marta nog niet van alles op de hoogte gesteld—Arme lieveling!—Ze is zoo weinig kwaaddenkend: ze houdt iedereen voor even waarheidlievend en recht-door-zee als ze zelf is!»Dr. Kegel knikt goedig, geheel aandacht.«Je weet, sinds mijn promotie—nu voor anderhalf jaar—heb ik telkens getracht, mijn weg te banen in de journalistiek. Maar wat ’n resultaat!»«Ik heb toch wel wat van je gelezen! Wat goeds …»«Nou ja, een enkel artikel … Dat hebben ze[180]genomen, omdat het goed was,.. wat dondersteen. Maar wat zou dat nóg? Aan een redactie woûen ze me niet hebben. Bij ons ééne liberale blad hier was ’t eerst gelukt. Ik was al aangenomen, maar ik had het voor Marta geheim gehouden … Jawel, hoor! toen ik me kwam aanmelden—bezwaren. Op mijn aandringen kwam eindelijk de aap uit de mouw: mijn huiselijke verhouding—wie daar gestookt had, is mij een raadsel …»Frans kijkt na zijn verhaal zwijgend vóor zich, en trommelt kwazie onverschillig op de tafel.«Wel, kerel, daar heb je me nooit iets van verteld.»«Och!» En de jonge advokaat heft beide handen op, met een bitter lachje, hij heeft wel meer en ergers voor zich gehouden, voor Marta zelfs …«En wat zei de vent ook wel … die hoofdredacteur?»«Zijn heele toon was anders dan te voren. Dat noemt zich «freisinnig». De zinnen van die kerel zijn al even vrij als zijn kop in zijn hooge boord!»«Hò, hò, hò!» klinkt het hol en goedig deelnemend uit Kuno Kegel’s stoere borstkas.«Hij wees me onuitstaanbaar kalm en deftig op een artikeltje in een ander blad, waarin onze vereeniging besproken werd: allerlei hatelijke toespelingen.—Op de oprichters,—op Marta en[181]mij, dat vat je … Ik had de knul wel kunnen vermorzelen …»Frans kon weer niet stoelvast blijven. Met gebalde vuisten stapt hij driftig op en neer.«Joa, joa», bromt de ander met volkomen instemming.«En zoo gaat het telkens.—Met allerlei dingen. Allerlei kleinigheden—Menschen willen me niet meer kennen …»«Nee, maar dat is toch stellig verbeelding, ik moet je eerlijk zeggen, dat ik daar nog nooit wat van gemerkt heb.»«Jij niet … nou ja! Wat zou jij daarvan zien! Ze weten wel dat je een vriend van me bent.’tIszoo, ik verbeeld me niets, geloof me. Ze doen, alsof ze me niet zien, wanneer ik ze tegenkom.»«Och kom.. wie bij voorbeeld?»«De vrouw van Förster onlangs.»Dr. Kegels rechterhand, evenals zijn linker op zijn schoot rustend, wipt even op en geeft een tikje met de volle breedte op zijn dij, en een achterwaartsche ruk van zijn hoofd maakt een deel van zijn stierenhals zichtbaar onder de boord.«Ja, ik mocht haar zoo graag. En Marta ook. Ze komt niet meer sinds een paar maanden. Marta gelooft, dat ze ’t druk heeft, ff..»[182]«Ongelooflijk», mompelt de medicus. «Ongehoord.»«Ja», hervat Frans zuchtend en even stilstaand om een lange liniaal van zijn schrijftafel op te nemen, waarmee hij zijn woorden onderstreepen kan: zoo leidt hij meteen wat van zijn heftigheid en drift af. «En dat is nu een verlichte hoogbeschaafde vrouw.… Doet aan vrouwenbeweging. God beter ’t! Bij haar ook al pure beweging, anders niet!—Van mijn vrienden in Amsterdam hoor ik ook niets meer.… Dat alles zou nog zoo erg niet wezen—als ik wist, dat ons geluk—’t mijne en dat van Marta er niet door bedreigd werd.»Hij zwijgt enkele oogenblikken, staat stil en strijkt eens met de linkerhand door zijn haar en langs zijn eene wang. Dan hervat hij op dezelfde doffe neerslachtige toon, en alsof hij hardop denkt:«Geluk zonder stoffelijke welvaart.… is dat op den duur wel mogelijk? En dan ’t besef, dat ik bijna heelemaal afhankelijk ben van ’t beetje inkomen, dat Marta van haar praktijk en van haar zelve heeft! Ik verdien zoo weinig.…»Beiden zwijgen nu, de bezoeker omdat hij kalm den ander wil laten uitspreken, hem wil waarnemen ook in de uiting van zijn leed, Frans omdat de bekentenis van zijn onmacht en afhankelijkheid hem neerdrukt. Doch met een ruk van zijn[183]hoofd opwaarts, als een zwemmer die een golf over zich heen laat gaan, en een schokzwaaitje met zijn liniaal onttrekt de jonge man zich plotseling aan zijn staat van gedruktheid.«Maar wat ’n onzin, dat ik me zoo laat ontmoedigen, vin’ je niet? Ze moesten het eens zien, mijn vijanden in ’t lieve vaderland en hier mijn preutsche beoordeelaars: wat zouden ze in hun vuistje lachen!» En op temerige toon vervolgt Frans: «Zie je, Gods zegen kan niet rusten op zulk een verbintenis. Nu, ik zal hun toonen, dat een andere zegen niet uitblijft—die van mijn arbeid—van mijn wil tot het goede.»«Dat mag ik hooren!» valt Dr.Kegel in. «Je hebt immers een heldere kop—eenpracht stelhersens. Ja, ja, dat meen ik—En je hebt een hart als goud—fijn gevoel. En een lieve beste vrouw—niet te vergeten, Jensen!—een vrouw, die je begrijpt en die je waardeert. We hebben van die heldere koppen en zulke rijke gemoederen noodig voor de maatschappij, beste kerel. Om voor ’t gros te denken en te voelen. Je droom om deze oude maatschappij ’s wat te helpen verjongen door je geschrijf.… je artikelen.…enfinje woord, je denkbeelden, kan nog eenmaal werkelijkheid worden. Geloof daar toch in, beste kerel.»[184]Dr. Kegel’s gezicht straalt van kameraadschappelijke hartelijkheid, en van voldoening over zijn toespraakje.«Och, daar geloof ik ook wel in», antwoordt de jonge advokaat, onwillekeurig glimlachend om de welsprekendheid van zijn vriend. Dan hervat hij zijn onrustig gedraai om en bij hem, heftig gesticuleerend onder ’t spreken:«Studies over de toestand van de vrouw—’t huwelijk, de liefde—eeuwig belangwekkende vraagstukken voor ’t menschdom, niet?—ik zal ze de wereld inslingeren als bliksemstralen, die de duffe bedompte atmosfeer zullen reinigen. Strijd tegen domheid en bijgeloof! En ’t veroverde zal ook ons ten goede komen. Ik zàl niet ondergaan in die strijd: ik zal zegevieren trots alles. Trots de God der dommen, die in fatsoen en bekrompenheid wil gediend worden! Tegenover hem stel ik de God, die in mij leeft, de God der Martelaren van de gedachte, van het Genie: de God die de denkers voorlicht en de kunstenaars bezielt.—Dezelfde die glansde in de stralenkrans om Christus’ hoofd. Christus! O wat is er ’n onrecht in zijn naam gepleegd! Wat ’n miskenning van ’t goddelijke in hem door hem te vereeren als een onbegrepen bombastische tooneelgod. Door hem uit te dossen in een goddelijkheid[185]van klatergoud! Verlossing door de Liefde: hoe eenvoudig, en toch hoe zot verduisterd en vermoeilijkt door onze theologen!«Onze Farizeeërs en schriftgeleerden … O wat zouden ze hem honen, omdat hij niet «christelijk» zou handelen, als hij weer’s op aarde kwam, Christus zelf! Omdat hij niet rechtzinnig zou wezen, niet fatsoenlijk …» En, op-eens een andere toon aannemend, vervolgt Frans met een zucht: «Kom, ’t zal tijd worden voor onze vergadering.» Meteen raadpleegt hij zijn horloge, gaat naar de deur, die naar de kamer ernaast leidt, en roept daar zacht: «Marta, ben je haast klaar?»«Ja, ja, ik kom, hoor», klinkt het van de andere kant der deur terug.«Ik ben benieuwd wat het geven zal, straks als die brieven overgelegd worden … Marta is zoo gerust.»Dr. Kegel, die hem stil heeft laten begaan, staat nu van zijn stoel op.«Zeg, Jensen», zegt hij ernstig. «Je bent veel te opgewonden. Ik ga mijn vrouw zeggen, dat er geen vergadering is vanavond. Jij komt straks met jouw vrouw bij ons, hoor. We zullen je wel opkalefateren.C’est confenu, eh?Afgesproken?»Maar Frans wil er niet van hooren.«Geen kwestie van. Ik ben kalm. Blijf jij nu[186]maar hier. Je vrouw komt wel alleen: ’t is immers vlak bij. Heusch, mijn waarde, ik kan daar niet meer af: je zult straks wel merken waarom.»«Nu, in vredesnaam dan … Maar ik ga toch maar even Dora halen. Tot straks.»De deur sluit zich achter hem; doch een oogenblik later verschijnt ’s dokters mooie Germanen-kop weer:«Vertel maar niks aan je vrouw, zeg Jensen.»De ander schudt het hoofd, met een uitdrukking op zijn gezicht, als wilde hij zeggen: «Wat zou dat nòg?» Dan gaat hij naar eenhangkast, en verwisselt haastig zijn huisjasje tegen een oude «gekleede.»[187]
HOOFDSTUKXII.
Een stevige klop aan de deur doet de jonge advokaat opschrikken uit zijn mijmering. Hij strijkt haastig met de eene hand door zijn haar, verschikt zijn dasje.«Binnen!» roept hij.«Stoor ik?» zegt een forsche zware stem. «Ik ben maar zoo boven gekomen … Zoo, zit je hier nog te schemeren?»Frans staat verward op en stamelt verlegen:«Och ja.» Hij kan nauwelijks zijn woorden vinden, nu hij Duitsch moet spreken. «Dat is niets, hoor … Je bent alleen wat vroeg voor onze vergadering … Komt je vrouw niet? Maar ga zitten.»«Zeker, stellig … ik ga weer weg: ik kom alleen ’s kijken. Ik kom zoo regelrecht van een patiënt. Ik dacht: ik zal onderweg even aanloopen. Ik moest toch langs je huis, en ik wou weten, of onze vergadering nog doorging.»[177]«Doorging? Waarom niet? Je hadt toch kennis gekregen?»«Jawel, maar …»Frans heeft intusschen de lamp aangestoken, en in haar licht neemt de stoere bezoeker—een veertiger, met een mooie volle goudblonde baard, echt type van de krachtige openhartige Germaan—de jonge man nauwkeurig op.«Je bent niet normaal, kerel», vervolgt hij. «Dat merkte ikeergisterenal, toen ik je tegenkwam in ’t park.»Kwazie vroolijk antwoordt de ander:«Och jullie doktoren!… Ik slaap wat slecht, dat’s alles.»De ander schudt het hoofd. Zijn sympathieke trouwe oogen kijken meewarig en ernstig.«Mijn beste Jensen, dat is een kwaad teeken», hervat hij.Frans antwoordt niet dadelijk, maar draait verlegen aan zijn snor. «Och», zegt hij eindelijk, met schouderschok en afgewende oogen. «Wat kan ik eraan doen?»«Alles, als je maar wilt.»En de stoere Dr. Kegel legt zijn groote hand op Frans’ schouder: «Kom, kerel», zegt hij gemoedelijk. «Jij trekt je de wereldsche zaken veel te veel aan. Ik zag ’t immers zooeven weer.»[178]«Wat keek je moedeloos! Mag ik ronduit spreken?»«Ga je gang» klinkt het somber terug.Dr Kegel werpt een vluchtige blik naar de deur, die naar binnen leidt.«Je vrouw is zich misschien gaan kleeden?»Frans knikt.«Nu dan, je stoort je te veel aan de menschen, mijn waarde heer. Je maakt je ellendig over nietigheden. Ik zeg:fais ce que dois advienne que pourra.»De brave medicus had in zijn jonge jaren de Fransche veldtocht meegemaakt, en haalde graag zijn kennis van Fransche spreekwijzen voor den dag, vooral in ’t bijzijn van menschen, die evenals deze vriend, er verstand van konden hebben. Maar ’t was of hij besefte, dat zijn uitspraak het goed verstaan min of meer in de weg zat; want hij gaf er de vertaling in zijn moederspraak steeds bij:«Doe je plicht en laat de menschen leuteren! Je hebt immers niets op je geweten.»«Ik zou meenen van niet …» antwoordt de jonge man nog steeds somber.«Welnou!»«Och, Kerel, je weet lang niet alles.»«’t Is natuurlijk weer de oude historie: je huwelijk.[179]Maar dacht je nou, dat de menschen hier … och, verbeelding, verbeelding, zeg ik je.»Frans staat driftig op.«Nu ik zeg je dat het geen verbeelding is, om de donder geen verbeelding!»«Hoû je maar kalm, hoû je maar kalm. Vertel me nu ’s geregeld. We hebben nog de tijd. Lucht jehart ’s»De bezadigde gemoedelijke toon van de dokter doet Frans wonder kalmeerend aan. Hij zet zich weer neer, en, op gedempte toon sprekend, en telkens afbrekend, antwoordt hij: «Laat Marta ons niet hooren: ze is daar in haar kamer. ’t Is zoo’n lamme geschiedenis—’t Hindert me al zoo lang—al heel, heel lang.—Ons geluk wordt erdoor bedreigd—En ik heb Marta nog niet van alles op de hoogte gesteld—Arme lieveling!—Ze is zoo weinig kwaaddenkend: ze houdt iedereen voor even waarheidlievend en recht-door-zee als ze zelf is!»Dr. Kegel knikt goedig, geheel aandacht.«Je weet, sinds mijn promotie—nu voor anderhalf jaar—heb ik telkens getracht, mijn weg te banen in de journalistiek. Maar wat ’n resultaat!»«Ik heb toch wel wat van je gelezen! Wat goeds …»«Nou ja, een enkel artikel … Dat hebben ze[180]genomen, omdat het goed was,.. wat dondersteen. Maar wat zou dat nóg? Aan een redactie woûen ze me niet hebben. Bij ons ééne liberale blad hier was ’t eerst gelukt. Ik was al aangenomen, maar ik had het voor Marta geheim gehouden … Jawel, hoor! toen ik me kwam aanmelden—bezwaren. Op mijn aandringen kwam eindelijk de aap uit de mouw: mijn huiselijke verhouding—wie daar gestookt had, is mij een raadsel …»Frans kijkt na zijn verhaal zwijgend vóor zich, en trommelt kwazie onverschillig op de tafel.«Wel, kerel, daar heb je me nooit iets van verteld.»«Och!» En de jonge advokaat heft beide handen op, met een bitter lachje, hij heeft wel meer en ergers voor zich gehouden, voor Marta zelfs …«En wat zei de vent ook wel … die hoofdredacteur?»«Zijn heele toon was anders dan te voren. Dat noemt zich «freisinnig». De zinnen van die kerel zijn al even vrij als zijn kop in zijn hooge boord!»«Hò, hò, hò!» klinkt het hol en goedig deelnemend uit Kuno Kegel’s stoere borstkas.«Hij wees me onuitstaanbaar kalm en deftig op een artikeltje in een ander blad, waarin onze vereeniging besproken werd: allerlei hatelijke toespelingen.—Op de oprichters,—op Marta en[181]mij, dat vat je … Ik had de knul wel kunnen vermorzelen …»Frans kon weer niet stoelvast blijven. Met gebalde vuisten stapt hij driftig op en neer.«Joa, joa», bromt de ander met volkomen instemming.«En zoo gaat het telkens.—Met allerlei dingen. Allerlei kleinigheden—Menschen willen me niet meer kennen …»«Nee, maar dat is toch stellig verbeelding, ik moet je eerlijk zeggen, dat ik daar nog nooit wat van gemerkt heb.»«Jij niet … nou ja! Wat zou jij daarvan zien! Ze weten wel dat je een vriend van me bent.’tIszoo, ik verbeeld me niets, geloof me. Ze doen, alsof ze me niet zien, wanneer ik ze tegenkom.»«Och kom.. wie bij voorbeeld?»«De vrouw van Förster onlangs.»Dr. Kegels rechterhand, evenals zijn linker op zijn schoot rustend, wipt even op en geeft een tikje met de volle breedte op zijn dij, en een achterwaartsche ruk van zijn hoofd maakt een deel van zijn stierenhals zichtbaar onder de boord.«Ja, ik mocht haar zoo graag. En Marta ook. Ze komt niet meer sinds een paar maanden. Marta gelooft, dat ze ’t druk heeft, ff..»[182]«Ongelooflijk», mompelt de medicus. «Ongehoord.»«Ja», hervat Frans zuchtend en even stilstaand om een lange liniaal van zijn schrijftafel op te nemen, waarmee hij zijn woorden onderstreepen kan: zoo leidt hij meteen wat van zijn heftigheid en drift af. «En dat is nu een verlichte hoogbeschaafde vrouw.… Doet aan vrouwenbeweging. God beter ’t! Bij haar ook al pure beweging, anders niet!—Van mijn vrienden in Amsterdam hoor ik ook niets meer.… Dat alles zou nog zoo erg niet wezen—als ik wist, dat ons geluk—’t mijne en dat van Marta er niet door bedreigd werd.»Hij zwijgt enkele oogenblikken, staat stil en strijkt eens met de linkerhand door zijn haar en langs zijn eene wang. Dan hervat hij op dezelfde doffe neerslachtige toon, en alsof hij hardop denkt:«Geluk zonder stoffelijke welvaart.… is dat op den duur wel mogelijk? En dan ’t besef, dat ik bijna heelemaal afhankelijk ben van ’t beetje inkomen, dat Marta van haar praktijk en van haar zelve heeft! Ik verdien zoo weinig.…»Beiden zwijgen nu, de bezoeker omdat hij kalm den ander wil laten uitspreken, hem wil waarnemen ook in de uiting van zijn leed, Frans omdat de bekentenis van zijn onmacht en afhankelijkheid hem neerdrukt. Doch met een ruk van zijn[183]hoofd opwaarts, als een zwemmer die een golf over zich heen laat gaan, en een schokzwaaitje met zijn liniaal onttrekt de jonge man zich plotseling aan zijn staat van gedruktheid.«Maar wat ’n onzin, dat ik me zoo laat ontmoedigen, vin’ je niet? Ze moesten het eens zien, mijn vijanden in ’t lieve vaderland en hier mijn preutsche beoordeelaars: wat zouden ze in hun vuistje lachen!» En op temerige toon vervolgt Frans: «Zie je, Gods zegen kan niet rusten op zulk een verbintenis. Nu, ik zal hun toonen, dat een andere zegen niet uitblijft—die van mijn arbeid—van mijn wil tot het goede.»«Dat mag ik hooren!» valt Dr.Kegel in. «Je hebt immers een heldere kop—eenpracht stelhersens. Ja, ja, dat meen ik—En je hebt een hart als goud—fijn gevoel. En een lieve beste vrouw—niet te vergeten, Jensen!—een vrouw, die je begrijpt en die je waardeert. We hebben van die heldere koppen en zulke rijke gemoederen noodig voor de maatschappij, beste kerel. Om voor ’t gros te denken en te voelen. Je droom om deze oude maatschappij ’s wat te helpen verjongen door je geschrijf.… je artikelen.…enfinje woord, je denkbeelden, kan nog eenmaal werkelijkheid worden. Geloof daar toch in, beste kerel.»[184]Dr. Kegel’s gezicht straalt van kameraadschappelijke hartelijkheid, en van voldoening over zijn toespraakje.«Och, daar geloof ik ook wel in», antwoordt de jonge advokaat, onwillekeurig glimlachend om de welsprekendheid van zijn vriend. Dan hervat hij zijn onrustig gedraai om en bij hem, heftig gesticuleerend onder ’t spreken:«Studies over de toestand van de vrouw—’t huwelijk, de liefde—eeuwig belangwekkende vraagstukken voor ’t menschdom, niet?—ik zal ze de wereld inslingeren als bliksemstralen, die de duffe bedompte atmosfeer zullen reinigen. Strijd tegen domheid en bijgeloof! En ’t veroverde zal ook ons ten goede komen. Ik zàl niet ondergaan in die strijd: ik zal zegevieren trots alles. Trots de God der dommen, die in fatsoen en bekrompenheid wil gediend worden! Tegenover hem stel ik de God, die in mij leeft, de God der Martelaren van de gedachte, van het Genie: de God die de denkers voorlicht en de kunstenaars bezielt.—Dezelfde die glansde in de stralenkrans om Christus’ hoofd. Christus! O wat is er ’n onrecht in zijn naam gepleegd! Wat ’n miskenning van ’t goddelijke in hem door hem te vereeren als een onbegrepen bombastische tooneelgod. Door hem uit te dossen in een goddelijkheid[185]van klatergoud! Verlossing door de Liefde: hoe eenvoudig, en toch hoe zot verduisterd en vermoeilijkt door onze theologen!«Onze Farizeeërs en schriftgeleerden … O wat zouden ze hem honen, omdat hij niet «christelijk» zou handelen, als hij weer’s op aarde kwam, Christus zelf! Omdat hij niet rechtzinnig zou wezen, niet fatsoenlijk …» En, op-eens een andere toon aannemend, vervolgt Frans met een zucht: «Kom, ’t zal tijd worden voor onze vergadering.» Meteen raadpleegt hij zijn horloge, gaat naar de deur, die naar de kamer ernaast leidt, en roept daar zacht: «Marta, ben je haast klaar?»«Ja, ja, ik kom, hoor», klinkt het van de andere kant der deur terug.«Ik ben benieuwd wat het geven zal, straks als die brieven overgelegd worden … Marta is zoo gerust.»Dr. Kegel, die hem stil heeft laten begaan, staat nu van zijn stoel op.«Zeg, Jensen», zegt hij ernstig. «Je bent veel te opgewonden. Ik ga mijn vrouw zeggen, dat er geen vergadering is vanavond. Jij komt straks met jouw vrouw bij ons, hoor. We zullen je wel opkalefateren.C’est confenu, eh?Afgesproken?»Maar Frans wil er niet van hooren.«Geen kwestie van. Ik ben kalm. Blijf jij nu[186]maar hier. Je vrouw komt wel alleen: ’t is immers vlak bij. Heusch, mijn waarde, ik kan daar niet meer af: je zult straks wel merken waarom.»«Nu, in vredesnaam dan … Maar ik ga toch maar even Dora halen. Tot straks.»De deur sluit zich achter hem; doch een oogenblik later verschijnt ’s dokters mooie Germanen-kop weer:«Vertel maar niks aan je vrouw, zeg Jensen.»De ander schudt het hoofd, met een uitdrukking op zijn gezicht, als wilde hij zeggen: «Wat zou dat nòg?» Dan gaat hij naar eenhangkast, en verwisselt haastig zijn huisjasje tegen een oude «gekleede.»[187]
Een stevige klop aan de deur doet de jonge advokaat opschrikken uit zijn mijmering. Hij strijkt haastig met de eene hand door zijn haar, verschikt zijn dasje.
«Binnen!» roept hij.
«Stoor ik?» zegt een forsche zware stem. «Ik ben maar zoo boven gekomen … Zoo, zit je hier nog te schemeren?»
Frans staat verward op en stamelt verlegen:
«Och ja.» Hij kan nauwelijks zijn woorden vinden, nu hij Duitsch moet spreken. «Dat is niets, hoor … Je bent alleen wat vroeg voor onze vergadering … Komt je vrouw niet? Maar ga zitten.»
«Zeker, stellig … ik ga weer weg: ik kom alleen ’s kijken. Ik kom zoo regelrecht van een patiënt. Ik dacht: ik zal onderweg even aanloopen. Ik moest toch langs je huis, en ik wou weten, of onze vergadering nog doorging.»[177]
«Doorging? Waarom niet? Je hadt toch kennis gekregen?»
«Jawel, maar …»
Frans heeft intusschen de lamp aangestoken, en in haar licht neemt de stoere bezoeker—een veertiger, met een mooie volle goudblonde baard, echt type van de krachtige openhartige Germaan—de jonge man nauwkeurig op.
«Je bent niet normaal, kerel», vervolgt hij. «Dat merkte ikeergisterenal, toen ik je tegenkwam in ’t park.»
Kwazie vroolijk antwoordt de ander:
«Och jullie doktoren!… Ik slaap wat slecht, dat’s alles.»
De ander schudt het hoofd. Zijn sympathieke trouwe oogen kijken meewarig en ernstig.
«Mijn beste Jensen, dat is een kwaad teeken», hervat hij.
Frans antwoordt niet dadelijk, maar draait verlegen aan zijn snor. «Och», zegt hij eindelijk, met schouderschok en afgewende oogen. «Wat kan ik eraan doen?»
«Alles, als je maar wilt.»
En de stoere Dr. Kegel legt zijn groote hand op Frans’ schouder: «Kom, kerel», zegt hij gemoedelijk. «Jij trekt je de wereldsche zaken veel te veel aan. Ik zag ’t immers zooeven weer.»[178]
«Wat keek je moedeloos! Mag ik ronduit spreken?»
«Ga je gang» klinkt het somber terug.
Dr Kegel werpt een vluchtige blik naar de deur, die naar binnen leidt.
«Je vrouw is zich misschien gaan kleeden?»
Frans knikt.
«Nu dan, je stoort je te veel aan de menschen, mijn waarde heer. Je maakt je ellendig over nietigheden. Ik zeg:fais ce que dois advienne que pourra.»
De brave medicus had in zijn jonge jaren de Fransche veldtocht meegemaakt, en haalde graag zijn kennis van Fransche spreekwijzen voor den dag, vooral in ’t bijzijn van menschen, die evenals deze vriend, er verstand van konden hebben. Maar ’t was of hij besefte, dat zijn uitspraak het goed verstaan min of meer in de weg zat; want hij gaf er de vertaling in zijn moederspraak steeds bij:
«Doe je plicht en laat de menschen leuteren! Je hebt immers niets op je geweten.»
«Ik zou meenen van niet …» antwoordt de jonge man nog steeds somber.
«Welnou!»
«Och, Kerel, je weet lang niet alles.»
«’t Is natuurlijk weer de oude historie: je huwelijk.[179]Maar dacht je nou, dat de menschen hier … och, verbeelding, verbeelding, zeg ik je.»
Frans staat driftig op.
«Nu ik zeg je dat het geen verbeelding is, om de donder geen verbeelding!»
«Hoû je maar kalm, hoû je maar kalm. Vertel me nu ’s geregeld. We hebben nog de tijd. Lucht jehart ’s»
De bezadigde gemoedelijke toon van de dokter doet Frans wonder kalmeerend aan. Hij zet zich weer neer, en, op gedempte toon sprekend, en telkens afbrekend, antwoordt hij: «Laat Marta ons niet hooren: ze is daar in haar kamer. ’t Is zoo’n lamme geschiedenis—’t Hindert me al zoo lang—al heel, heel lang.—Ons geluk wordt erdoor bedreigd—En ik heb Marta nog niet van alles op de hoogte gesteld—Arme lieveling!—Ze is zoo weinig kwaaddenkend: ze houdt iedereen voor even waarheidlievend en recht-door-zee als ze zelf is!»
Dr. Kegel knikt goedig, geheel aandacht.
«Je weet, sinds mijn promotie—nu voor anderhalf jaar—heb ik telkens getracht, mijn weg te banen in de journalistiek. Maar wat ’n resultaat!»
«Ik heb toch wel wat van je gelezen! Wat goeds …»
«Nou ja, een enkel artikel … Dat hebben ze[180]genomen, omdat het goed was,.. wat dondersteen. Maar wat zou dat nóg? Aan een redactie woûen ze me niet hebben. Bij ons ééne liberale blad hier was ’t eerst gelukt. Ik was al aangenomen, maar ik had het voor Marta geheim gehouden … Jawel, hoor! toen ik me kwam aanmelden—bezwaren. Op mijn aandringen kwam eindelijk de aap uit de mouw: mijn huiselijke verhouding—wie daar gestookt had, is mij een raadsel …»
Frans kijkt na zijn verhaal zwijgend vóor zich, en trommelt kwazie onverschillig op de tafel.
«Wel, kerel, daar heb je me nooit iets van verteld.»
«Och!» En de jonge advokaat heft beide handen op, met een bitter lachje, hij heeft wel meer en ergers voor zich gehouden, voor Marta zelfs …
«En wat zei de vent ook wel … die hoofdredacteur?»
«Zijn heele toon was anders dan te voren. Dat noemt zich «freisinnig». De zinnen van die kerel zijn al even vrij als zijn kop in zijn hooge boord!»
«Hò, hò, hò!» klinkt het hol en goedig deelnemend uit Kuno Kegel’s stoere borstkas.
«Hij wees me onuitstaanbaar kalm en deftig op een artikeltje in een ander blad, waarin onze vereeniging besproken werd: allerlei hatelijke toespelingen.—Op de oprichters,—op Marta en[181]mij, dat vat je … Ik had de knul wel kunnen vermorzelen …»
Frans kon weer niet stoelvast blijven. Met gebalde vuisten stapt hij driftig op en neer.
«Joa, joa», bromt de ander met volkomen instemming.
«En zoo gaat het telkens.—Met allerlei dingen. Allerlei kleinigheden—Menschen willen me niet meer kennen …»
«Nee, maar dat is toch stellig verbeelding, ik moet je eerlijk zeggen, dat ik daar nog nooit wat van gemerkt heb.»
«Jij niet … nou ja! Wat zou jij daarvan zien! Ze weten wel dat je een vriend van me bent.’tIszoo, ik verbeeld me niets, geloof me. Ze doen, alsof ze me niet zien, wanneer ik ze tegenkom.»
«Och kom.. wie bij voorbeeld?»
«De vrouw van Förster onlangs.»
Dr. Kegels rechterhand, evenals zijn linker op zijn schoot rustend, wipt even op en geeft een tikje met de volle breedte op zijn dij, en een achterwaartsche ruk van zijn hoofd maakt een deel van zijn stierenhals zichtbaar onder de boord.
«Ja, ik mocht haar zoo graag. En Marta ook. Ze komt niet meer sinds een paar maanden. Marta gelooft, dat ze ’t druk heeft, ff..»[182]
«Ongelooflijk», mompelt de medicus. «Ongehoord.»
«Ja», hervat Frans zuchtend en even stilstaand om een lange liniaal van zijn schrijftafel op te nemen, waarmee hij zijn woorden onderstreepen kan: zoo leidt hij meteen wat van zijn heftigheid en drift af. «En dat is nu een verlichte hoogbeschaafde vrouw.… Doet aan vrouwenbeweging. God beter ’t! Bij haar ook al pure beweging, anders niet!—Van mijn vrienden in Amsterdam hoor ik ook niets meer.… Dat alles zou nog zoo erg niet wezen—als ik wist, dat ons geluk—’t mijne en dat van Marta er niet door bedreigd werd.»
Hij zwijgt enkele oogenblikken, staat stil en strijkt eens met de linkerhand door zijn haar en langs zijn eene wang. Dan hervat hij op dezelfde doffe neerslachtige toon, en alsof hij hardop denkt:
«Geluk zonder stoffelijke welvaart.… is dat op den duur wel mogelijk? En dan ’t besef, dat ik bijna heelemaal afhankelijk ben van ’t beetje inkomen, dat Marta van haar praktijk en van haar zelve heeft! Ik verdien zoo weinig.…»
Beiden zwijgen nu, de bezoeker omdat hij kalm den ander wil laten uitspreken, hem wil waarnemen ook in de uiting van zijn leed, Frans omdat de bekentenis van zijn onmacht en afhankelijkheid hem neerdrukt. Doch met een ruk van zijn[183]hoofd opwaarts, als een zwemmer die een golf over zich heen laat gaan, en een schokzwaaitje met zijn liniaal onttrekt de jonge man zich plotseling aan zijn staat van gedruktheid.
«Maar wat ’n onzin, dat ik me zoo laat ontmoedigen, vin’ je niet? Ze moesten het eens zien, mijn vijanden in ’t lieve vaderland en hier mijn preutsche beoordeelaars: wat zouden ze in hun vuistje lachen!» En op temerige toon vervolgt Frans: «Zie je, Gods zegen kan niet rusten op zulk een verbintenis. Nu, ik zal hun toonen, dat een andere zegen niet uitblijft—die van mijn arbeid—van mijn wil tot het goede.»
«Dat mag ik hooren!» valt Dr.Kegel in. «Je hebt immers een heldere kop—eenpracht stelhersens. Ja, ja, dat meen ik—En je hebt een hart als goud—fijn gevoel. En een lieve beste vrouw—niet te vergeten, Jensen!—een vrouw, die je begrijpt en die je waardeert. We hebben van die heldere koppen en zulke rijke gemoederen noodig voor de maatschappij, beste kerel. Om voor ’t gros te denken en te voelen. Je droom om deze oude maatschappij ’s wat te helpen verjongen door je geschrijf.… je artikelen.…enfinje woord, je denkbeelden, kan nog eenmaal werkelijkheid worden. Geloof daar toch in, beste kerel.»[184]
Dr. Kegel’s gezicht straalt van kameraadschappelijke hartelijkheid, en van voldoening over zijn toespraakje.
«Och, daar geloof ik ook wel in», antwoordt de jonge advokaat, onwillekeurig glimlachend om de welsprekendheid van zijn vriend. Dan hervat hij zijn onrustig gedraai om en bij hem, heftig gesticuleerend onder ’t spreken:
«Studies over de toestand van de vrouw—’t huwelijk, de liefde—eeuwig belangwekkende vraagstukken voor ’t menschdom, niet?—ik zal ze de wereld inslingeren als bliksemstralen, die de duffe bedompte atmosfeer zullen reinigen. Strijd tegen domheid en bijgeloof! En ’t veroverde zal ook ons ten goede komen. Ik zàl niet ondergaan in die strijd: ik zal zegevieren trots alles. Trots de God der dommen, die in fatsoen en bekrompenheid wil gediend worden! Tegenover hem stel ik de God, die in mij leeft, de God der Martelaren van de gedachte, van het Genie: de God die de denkers voorlicht en de kunstenaars bezielt.—Dezelfde die glansde in de stralenkrans om Christus’ hoofd. Christus! O wat is er ’n onrecht in zijn naam gepleegd! Wat ’n miskenning van ’t goddelijke in hem door hem te vereeren als een onbegrepen bombastische tooneelgod. Door hem uit te dossen in een goddelijkheid[185]van klatergoud! Verlossing door de Liefde: hoe eenvoudig, en toch hoe zot verduisterd en vermoeilijkt door onze theologen!
«Onze Farizeeërs en schriftgeleerden … O wat zouden ze hem honen, omdat hij niet «christelijk» zou handelen, als hij weer’s op aarde kwam, Christus zelf! Omdat hij niet rechtzinnig zou wezen, niet fatsoenlijk …» En, op-eens een andere toon aannemend, vervolgt Frans met een zucht: «Kom, ’t zal tijd worden voor onze vergadering.» Meteen raadpleegt hij zijn horloge, gaat naar de deur, die naar de kamer ernaast leidt, en roept daar zacht: «Marta, ben je haast klaar?»
«Ja, ja, ik kom, hoor», klinkt het van de andere kant der deur terug.
«Ik ben benieuwd wat het geven zal, straks als die brieven overgelegd worden … Marta is zoo gerust.»
Dr. Kegel, die hem stil heeft laten begaan, staat nu van zijn stoel op.
«Zeg, Jensen», zegt hij ernstig. «Je bent veel te opgewonden. Ik ga mijn vrouw zeggen, dat er geen vergadering is vanavond. Jij komt straks met jouw vrouw bij ons, hoor. We zullen je wel opkalefateren.C’est confenu, eh?Afgesproken?»
Maar Frans wil er niet van hooren.
«Geen kwestie van. Ik ben kalm. Blijf jij nu[186]maar hier. Je vrouw komt wel alleen: ’t is immers vlak bij. Heusch, mijn waarde, ik kan daar niet meer af: je zult straks wel merken waarom.»
«Nu, in vredesnaam dan … Maar ik ga toch maar even Dora halen. Tot straks.»
De deur sluit zich achter hem; doch een oogenblik later verschijnt ’s dokters mooie Germanen-kop weer:
«Vertel maar niks aan je vrouw, zeg Jensen.»
De ander schudt het hoofd, met een uitdrukking op zijn gezicht, als wilde hij zeggen: «Wat zou dat nòg?» Dan gaat hij naar eenhangkast, en verwisselt haastig zijn huisjasje tegen een oude «gekleede.»[187]