HOOFDSTUKXIII.

[Inhoud]HOOFDSTUKXIII.Nauwelijks is Dr. Kegel vertrokken, of Marta komt weer in de studeerkamer. Haar koonen gloeien, ondanks de verfrissching, die ze in een koele wassching gezocht heeft. Ze heeft nu een donkerbruin reform-pakje met groote witkanten kraag aan, dat haar lenige maar ranke, haast tengere bouw goed doet uitkomen. Ze kijkt vroolijk uit haar donkere groote fluweel-oogen, doet ook opgewekt in stem en gebaar. Toch zou een fijn opmerker zekere onrust bespeurd hebben, zich openbarend in iets overdrevens en gewilds in haar vroolijkheid. Frans ontvangt haar met een glimlach, nog staande bij de kast.«Is ’t al zoo laat?»zegt ze.«Wat dunkt je? Die tafel maar weer hier in ’t midden zetten, niet?»«Best.»En beiden dragen het meubel naar een ander deel van het vertrek. Ze wisselen een blik, als steelsgewijs.[188]«En je voorzittershamer. Zeg, Frans …»Zwijgend haalt de jonge man het voorwerp uit de boekenkast, waar het boven op de boeken gelegen heeft, en legt het bedaard op de tafel. Onder ’t neerleggen vertrekt hij zijn mond even in een onmerkbaar lachplooitje. In al zijn bewegingen is trouwens iets mats en onverschilligs.Marta neemt hem telkens op, schuw en vluchtig.«Nog een stoel, niet?» zegt Frans. «Deze.»«Ja, zie zoo, nu zijn er zes stoelen.»Man en vrouw schikken de stoelen om de tafel. Daarbij raken hun handen elkaar eens en Marta’s blik zoekt de zijne; maar hij kijkt stroef naar de grond. Bij iedere andere gelegenheid zou hij haar hand gestreeld hebben. Waarom deed hij het nu niet?«De president hier», zegt zij onverstoord,«daar de onder-voorzitter—schrijver—penningmeester—en nog twee leden … Net als de vorige keer, he?..»Frans knikt. Marta kijkt rond.«Dat’s dus in orde. Nu nog? Wat nu nog?»«Heb je nog wat … voor de inwendige mensch? Keel-lafenis?»«Bier en thee, vin’ je niet? De thee heb ik gezet. Ik zal even bellen.» Bedrijvig loopt ze naar de schelknop naast de deur, en drukt er zeker tweemaal zoo lang op als ze anders gewoon is.[189]«O heb je daar al voor gezorgd?» vraagt Frans met een streeling in zijn stem.Haar hart springt hem tegemoet in warme teederheid.«Kom» zegt ze op hem toetredend, «nu opgewekt zijn, hoor. Je moet je nu ’s van je beste kant toonen.»«O ja zeker, zeker», antwoordt Frans.Ze kijkt hem aan: och, hij meent ’t zoo goed!Toch blijft er iets hangen tusschen hen, iets dat hun zielsgemeenschap verstoort. ’t Zelfde onzeggelijke van vroeger, van die enkele malen, dat er woorden gevallen zijn tusschen hen beiden … O ze kan ze tellen, al die keeren, dat hun vrede verstoord werd! Eens had het zeker drie uur geduurd—van ’s avonds acht ongeveer tot over elf … Nog zoo lang niet geleden, een groote maand. En hij had schuld bekend met een kus … En met die in-droeve uitdrukking in zijn oogen. Net als nu, o ja, nu herinnerde ze zich alles precies. Maar dat nare, dat akelig koude, was dat er toen ook? Was er toen die weifeling, die angst voor haar geluk, voor ’t zijne, die haar bekroop als een nachtmerrie? Zoo dat ze ’t zou willen uitschreeuwen van ellende, maar niet kon, niet kon … O nee … dat was anders, heel anders. Ze was toen gerust … En nu …[190]

[Inhoud]HOOFDSTUKXIII.Nauwelijks is Dr. Kegel vertrokken, of Marta komt weer in de studeerkamer. Haar koonen gloeien, ondanks de verfrissching, die ze in een koele wassching gezocht heeft. Ze heeft nu een donkerbruin reform-pakje met groote witkanten kraag aan, dat haar lenige maar ranke, haast tengere bouw goed doet uitkomen. Ze kijkt vroolijk uit haar donkere groote fluweel-oogen, doet ook opgewekt in stem en gebaar. Toch zou een fijn opmerker zekere onrust bespeurd hebben, zich openbarend in iets overdrevens en gewilds in haar vroolijkheid. Frans ontvangt haar met een glimlach, nog staande bij de kast.«Is ’t al zoo laat?»zegt ze.«Wat dunkt je? Die tafel maar weer hier in ’t midden zetten, niet?»«Best.»En beiden dragen het meubel naar een ander deel van het vertrek. Ze wisselen een blik, als steelsgewijs.[188]«En je voorzittershamer. Zeg, Frans …»Zwijgend haalt de jonge man het voorwerp uit de boekenkast, waar het boven op de boeken gelegen heeft, en legt het bedaard op de tafel. Onder ’t neerleggen vertrekt hij zijn mond even in een onmerkbaar lachplooitje. In al zijn bewegingen is trouwens iets mats en onverschilligs.Marta neemt hem telkens op, schuw en vluchtig.«Nog een stoel, niet?» zegt Frans. «Deze.»«Ja, zie zoo, nu zijn er zes stoelen.»Man en vrouw schikken de stoelen om de tafel. Daarbij raken hun handen elkaar eens en Marta’s blik zoekt de zijne; maar hij kijkt stroef naar de grond. Bij iedere andere gelegenheid zou hij haar hand gestreeld hebben. Waarom deed hij het nu niet?«De president hier», zegt zij onverstoord,«daar de onder-voorzitter—schrijver—penningmeester—en nog twee leden … Net als de vorige keer, he?..»Frans knikt. Marta kijkt rond.«Dat’s dus in orde. Nu nog? Wat nu nog?»«Heb je nog wat … voor de inwendige mensch? Keel-lafenis?»«Bier en thee, vin’ je niet? De thee heb ik gezet. Ik zal even bellen.» Bedrijvig loopt ze naar de schelknop naast de deur, en drukt er zeker tweemaal zoo lang op als ze anders gewoon is.[189]«O heb je daar al voor gezorgd?» vraagt Frans met een streeling in zijn stem.Haar hart springt hem tegemoet in warme teederheid.«Kom» zegt ze op hem toetredend, «nu opgewekt zijn, hoor. Je moet je nu ’s van je beste kant toonen.»«O ja zeker, zeker», antwoordt Frans.Ze kijkt hem aan: och, hij meent ’t zoo goed!Toch blijft er iets hangen tusschen hen, iets dat hun zielsgemeenschap verstoort. ’t Zelfde onzeggelijke van vroeger, van die enkele malen, dat er woorden gevallen zijn tusschen hen beiden … O ze kan ze tellen, al die keeren, dat hun vrede verstoord werd! Eens had het zeker drie uur geduurd—van ’s avonds acht ongeveer tot over elf … Nog zoo lang niet geleden, een groote maand. En hij had schuld bekend met een kus … En met die in-droeve uitdrukking in zijn oogen. Net als nu, o ja, nu herinnerde ze zich alles precies. Maar dat nare, dat akelig koude, was dat er toen ook? Was er toen die weifeling, die angst voor haar geluk, voor ’t zijne, die haar bekroop als een nachtmerrie? Zoo dat ze ’t zou willen uitschreeuwen van ellende, maar niet kon, niet kon … O nee … dat was anders, heel anders. Ze was toen gerust … En nu …[190]

HOOFDSTUKXIII.

Nauwelijks is Dr. Kegel vertrokken, of Marta komt weer in de studeerkamer. Haar koonen gloeien, ondanks de verfrissching, die ze in een koele wassching gezocht heeft. Ze heeft nu een donkerbruin reform-pakje met groote witkanten kraag aan, dat haar lenige maar ranke, haast tengere bouw goed doet uitkomen. Ze kijkt vroolijk uit haar donkere groote fluweel-oogen, doet ook opgewekt in stem en gebaar. Toch zou een fijn opmerker zekere onrust bespeurd hebben, zich openbarend in iets overdrevens en gewilds in haar vroolijkheid. Frans ontvangt haar met een glimlach, nog staande bij de kast.«Is ’t al zoo laat?»zegt ze.«Wat dunkt je? Die tafel maar weer hier in ’t midden zetten, niet?»«Best.»En beiden dragen het meubel naar een ander deel van het vertrek. Ze wisselen een blik, als steelsgewijs.[188]«En je voorzittershamer. Zeg, Frans …»Zwijgend haalt de jonge man het voorwerp uit de boekenkast, waar het boven op de boeken gelegen heeft, en legt het bedaard op de tafel. Onder ’t neerleggen vertrekt hij zijn mond even in een onmerkbaar lachplooitje. In al zijn bewegingen is trouwens iets mats en onverschilligs.Marta neemt hem telkens op, schuw en vluchtig.«Nog een stoel, niet?» zegt Frans. «Deze.»«Ja, zie zoo, nu zijn er zes stoelen.»Man en vrouw schikken de stoelen om de tafel. Daarbij raken hun handen elkaar eens en Marta’s blik zoekt de zijne; maar hij kijkt stroef naar de grond. Bij iedere andere gelegenheid zou hij haar hand gestreeld hebben. Waarom deed hij het nu niet?«De president hier», zegt zij onverstoord,«daar de onder-voorzitter—schrijver—penningmeester—en nog twee leden … Net als de vorige keer, he?..»Frans knikt. Marta kijkt rond.«Dat’s dus in orde. Nu nog? Wat nu nog?»«Heb je nog wat … voor de inwendige mensch? Keel-lafenis?»«Bier en thee, vin’ je niet? De thee heb ik gezet. Ik zal even bellen.» Bedrijvig loopt ze naar de schelknop naast de deur, en drukt er zeker tweemaal zoo lang op als ze anders gewoon is.[189]«O heb je daar al voor gezorgd?» vraagt Frans met een streeling in zijn stem.Haar hart springt hem tegemoet in warme teederheid.«Kom» zegt ze op hem toetredend, «nu opgewekt zijn, hoor. Je moet je nu ’s van je beste kant toonen.»«O ja zeker, zeker», antwoordt Frans.Ze kijkt hem aan: och, hij meent ’t zoo goed!Toch blijft er iets hangen tusschen hen, iets dat hun zielsgemeenschap verstoort. ’t Zelfde onzeggelijke van vroeger, van die enkele malen, dat er woorden gevallen zijn tusschen hen beiden … O ze kan ze tellen, al die keeren, dat hun vrede verstoord werd! Eens had het zeker drie uur geduurd—van ’s avonds acht ongeveer tot over elf … Nog zoo lang niet geleden, een groote maand. En hij had schuld bekend met een kus … En met die in-droeve uitdrukking in zijn oogen. Net als nu, o ja, nu herinnerde ze zich alles precies. Maar dat nare, dat akelig koude, was dat er toen ook? Was er toen die weifeling, die angst voor haar geluk, voor ’t zijne, die haar bekroop als een nachtmerrie? Zoo dat ze ’t zou willen uitschreeuwen van ellende, maar niet kon, niet kon … O nee … dat was anders, heel anders. Ze was toen gerust … En nu …[190]

Nauwelijks is Dr. Kegel vertrokken, of Marta komt weer in de studeerkamer. Haar koonen gloeien, ondanks de verfrissching, die ze in een koele wassching gezocht heeft. Ze heeft nu een donkerbruin reform-pakje met groote witkanten kraag aan, dat haar lenige maar ranke, haast tengere bouw goed doet uitkomen. Ze kijkt vroolijk uit haar donkere groote fluweel-oogen, doet ook opgewekt in stem en gebaar. Toch zou een fijn opmerker zekere onrust bespeurd hebben, zich openbarend in iets overdrevens en gewilds in haar vroolijkheid. Frans ontvangt haar met een glimlach, nog staande bij de kast.

«Is ’t al zoo laat?»zegt ze.«Wat dunkt je? Die tafel maar weer hier in ’t midden zetten, niet?»

«Best.»

En beiden dragen het meubel naar een ander deel van het vertrek. Ze wisselen een blik, als steelsgewijs.[188]

«En je voorzittershamer. Zeg, Frans …»

Zwijgend haalt de jonge man het voorwerp uit de boekenkast, waar het boven op de boeken gelegen heeft, en legt het bedaard op de tafel. Onder ’t neerleggen vertrekt hij zijn mond even in een onmerkbaar lachplooitje. In al zijn bewegingen is trouwens iets mats en onverschilligs.

Marta neemt hem telkens op, schuw en vluchtig.

«Nog een stoel, niet?» zegt Frans. «Deze.»

«Ja, zie zoo, nu zijn er zes stoelen.»Man en vrouw schikken de stoelen om de tafel. Daarbij raken hun handen elkaar eens en Marta’s blik zoekt de zijne; maar hij kijkt stroef naar de grond. Bij iedere andere gelegenheid zou hij haar hand gestreeld hebben. Waarom deed hij het nu niet?

«De president hier», zegt zij onverstoord,«daar de onder-voorzitter—schrijver—penningmeester—en nog twee leden … Net als de vorige keer, he?..»

Frans knikt. Marta kijkt rond.

«Dat’s dus in orde. Nu nog? Wat nu nog?»

«Heb je nog wat … voor de inwendige mensch? Keel-lafenis?»

«Bier en thee, vin’ je niet? De thee heb ik gezet. Ik zal even bellen.» Bedrijvig loopt ze naar de schelknop naast de deur, en drukt er zeker tweemaal zoo lang op als ze anders gewoon is.[189]

«O heb je daar al voor gezorgd?» vraagt Frans met een streeling in zijn stem.

Haar hart springt hem tegemoet in warme teederheid.

«Kom» zegt ze op hem toetredend, «nu opgewekt zijn, hoor. Je moet je nu ’s van je beste kant toonen.»

«O ja zeker, zeker», antwoordt Frans.

Ze kijkt hem aan: och, hij meent ’t zoo goed!

Toch blijft er iets hangen tusschen hen, iets dat hun zielsgemeenschap verstoort. ’t Zelfde onzeggelijke van vroeger, van die enkele malen, dat er woorden gevallen zijn tusschen hen beiden … O ze kan ze tellen, al die keeren, dat hun vrede verstoord werd! Eens had het zeker drie uur geduurd—van ’s avonds acht ongeveer tot over elf … Nog zoo lang niet geleden, een groote maand. En hij had schuld bekend met een kus … En met die in-droeve uitdrukking in zijn oogen. Net als nu, o ja, nu herinnerde ze zich alles precies. Maar dat nare, dat akelig koude, was dat er toen ook? Was er toen die weifeling, die angst voor haar geluk, voor ’t zijne, die haar bekroop als een nachtmerrie? Zoo dat ze ’t zou willen uitschreeuwen van ellende, maar niet kon, niet kon … O nee … dat was anders, heel anders. Ze was toen gerust … En nu …[190]


Back to IndexNext