HOOFDSTUKXIV.

[Inhoud]HOOFDSTUKXIV.«Zet maar daar neer», zegt Marta tot de dienstbode—een blonde vleezige deern met helroode landelijke wangen, netjes gekleed in ’t zwart met wit schortje—. «Genoeg kopjes? Ja, goed. Ziezoo, dank je, Aennchen. O ja. Nu ’t bier.»De dienstbode lacht met een dom lachje, en verdwijnt weer; komt na eenige oogenblikken terug met een paar flesschen en eenige glazen, die ze op een zijtafeltje zet, waar reeds de theeboel klaar staat.«’t Is goed zoo, Aennchen, ga maar open doen: ik hoor daar menschen vóor.»Met iets gewild langzaams, zwijgend, beweegt zich de dienstbode naar de deur, om het bevel op te volgen.Een paar minuten later treden Dr. Kegel en zijn vrouw de kamer binnen. De laatste een levendige brunette, klein en kittig, ’t tegenbeeld van haar[191]stoere wederhelft. Met zorg, maar weinig smaak gekleed. Hij in een kort zwart jasje, ruime broek en groote stroohoed op.«Zoo luitjes! Daar zijn we», zegt de arts, en zwaait zijn hoed af. «Niet precies op tijd? Juist zeven uur.» Hij wijst op de klok op de schoorsteenmantel.«Mooi zoo, dat noem ik hart voor de zaak hebben», antwoordt de gastvrouw.Een hartelijke begroeting volgt. De beide mannen drukken elkaar de hand, de vrouwen kussen elkaar.«Mag ik u verzoeken? Mevrouw Kegel?», zegt Frans daarna. Meteen wijst hij op een stoel voor een der bestuursleden.«En u, Secretaris … of Schrijver, wat wil u? U daar op uw gewone plaats, nie’waar?»Het echtpaar zet zich op de aangewezen stoelen, hij ernstig, zij vroolijk.«Jij een kop thee, niet, Dora?»«Ja, ja, ik drink tegenwoordig ook thee, dat weet je!» En ’t levendige vrouwtje kijkt Marta met een stralend snuitje aan, waarbij haar glanzend witte tanden tot aan ’t tandvleesch zichtbaar worden. Marta glimlacht vluchtig terug en wendt zich tot een andere gast.«En u bier, Dokter Kegel? U is zoo’n echte Germaansche bierliefhebber.»[192]«Zonder twijfel, Mevrouw. Maar met mate, met mate.»In de oogen van Frans flitst een spotglansje, ondanks zijn gedrukte stemming.Marta bedient zelf, overdreven bedrijvig.«Wat dacht u, Dokter, dat ik er hier literglazen op nahield? ’t Wordt ook geen bierfuif vanavond.»«Mevrouwtje, u is ondeugend … Nu, prosit.» In éen teug is het vocht verorberd.Frans staat onderwijl te staren met de eene hand op de rugleuning van een stoel bij de tafel; hoort niet, dat er geklopt wordt.«Daar heb je de dames Finke!» roept Marta. «Binnen.»Emilie en Lotte Finke zweven naar binnen, beiden statig en geruischloos, als gegoten in gladde reform, grauw en volmaakt sierloos. Sluik plat hel blond haar. Ze zijn droog spits en spichtig in de heele verschijning.«Goeden avond», zegt Lotte nadrukkelijk.«Ik hoop, dat we niet te laat zijn», valt de andere in, even nadrukkelijk.«O nee», antwoordt Frans, terwijl hij van beiden een hand krijgt, evenals de anderen van ’t gezelschap.«Gaat u zitten, Juffrouw Emilie, en u Juffrouw Lotte. Hier, we zullen maar dadelijk beginnen, vindt u niet?»[193]«De beide dames eerst een kopje thee, nie’waar?»zegt Marta, nog bij de theetafel.«Zonder suiker, als ’t u belieft.»«Mij zonder melk, als u er niet tegen heeft.»Beide dames zetten zich. Marta bedient ze, vriendelijk gastvrouwelijk, dan geeft ze Frans een kopje, neemt er haastig zelf een, en zet zich neder links van haar man.«Ziezoo,» zegt ze met een zuchtje. Gezeten neemt ze Frans even op, met groote aandacht: hij heeft de voorzittershamer opgenomen, en kijkt strak rond, hoog-ernstig.En zijn stem klinkt koel, articuleert de woorden onverschillig, als gingen ze hem niet aan, en als doolden zijn gedachten ver weg.«Ik open deze vergadering. Schrijver, mag ik u verzoeken de notulen van de vorige te lezen?»Dr. Kegel schraapt even zijn keel, en legt het notulenboek, dat hij uit zijn binnenzak opdiept, open vóor zich neer. Dan leest hij op, met zware bas en zonder eenige toon afwisseling, beide armen over de tafel: «Notulen van de vergadering gehouden op 14 Juli 1897 ten huize van Dr. Jensen. Lezing der notulen van de vorige vergadering. Overlegging van ingekomen stukken, waaronder toezegging van een gift van 1000 Mark van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden.»[194]Juffrouw Emilie Finke meesmuilt. «Verder verzoeken om toetreding tot de Vereeniging van verschillende werklieden, waarvan aanteekening gehouden. Verslag van ’t bestuurslid, MejuffrouwLotte Finke, omtrent haar huisbezoek bij leden der Vereeniging, voorstel van Dr. Kegel, om een verzoekschrift in te dienen, teneinde een subsidie te erlangen van het gemeentebestuur. Aangenomen. De Schrijver belast zich met de opstelling van het desbetreffende … van het desbetreffende verzoekschrift, dat daarna door Voorzitter en Schrijver namens het bestuur zal geteekend worden. Niets meer aan de orde zijnde …»Frans valt in voordat de laatste woorden uitgesproken worden: «Jawel, dank u. Heeft iemand iets op te merken omtrent de voorgelezen notulen? Niemand?» De voorzitter kijkt onrustig naar de vijf gezichten om hem. «Zoo, dan zijn ze hiermee goedgekeurd. Ik verzoek Dokter Kegel voorlezing te doen van de thans ingekomen stukken.»De genoemde glimlacht met breede mondvertrekking: «Er is maar één, zeggeééntoetredingsaanvraag. Ik had er veel meer verwacht. Er is zoo voor geijverd! Er konden nog zooveel werkmansgezinnen toetreden.»«Mag ik even ’t woord?»[195]«Juffrouw Lotte Finke?»«Ik heb bij acht families een minder aangename ontvangst gehad. De menschen spraken van godsdienst-bezwaren. Noemden onzevereenigingeen «vermomdevrijmetselarij».»Allen lachen, behalve de gezusters Finke.«Mooi zoo!» roept de voorzitter bitter-ironisch.«Ja, een werkman had het over «de duivel»,»verklaart Lotte Finke, zonder een spier te vertrekken.«Een Vereeniging als de onze!» valt de voorzitter uit. «Wat heeft de godsdienst daar nu mee te maken?» Dr. Kegel vraagt met een blik het woord.«Ja, u, Dr. Kegel.»«Ha, ha, ha! En toch … Jawel, ik woû zeggen dat onze vereeniging zoo niet vooruitgaat. Van ’t gemeentebestuur ook nog geen antwoord … Vreemd …» Dr. Kegel’s massieve vingers krommen zich om een zilver potlood, waarmee hij al mompelend aanteekeningen maakt.«Veroorloof mij», hervat de president, kalm-ernstig en met strakke trekken rechts en links blikkend, «deze ingekomen stukken—brieven—over te leggen»—Frans haalt de drie brieven uit zijn zak-portefeuille—«en u, Dr. Kegel, te verzoeken, ze wel te willen voorlezen.» Hij reikt ze aan genoemde.[196]Deze ziet ze in en al lezende verandert zijn gezicht. Dan houdt hij de eene een halve meter van zich af, en begint: «Een brief van onze donateurAugust Lercher, waarbij hij mededeelt, voor ’t komende vereenigings-jaar zijn jaarlijksche gift niet meer te kunnen geven. Geen vermelding van redenen. Hier», en met een rukbeweging gaat het tweede geschrift een eind van hem af:«een schrijven van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden, waarbij ze verklaart,bij-nader-inzien, aan een vereeniging, aan wier hoofd een man als Dr. Jensen staat, de donatie te moeten onthouden, die ze voornemens was te schenken. Hm. Verder niets geen verklaring … Derde brief. Hm.» Weer een ruk naar voren: het papier kromt zich in zijn greep. En hij leest erin: «Opzegging van de beloofde jaarlijksche som … Hm, jawel, ze zijn er gauw bij: ’t vereenigingsjaar is net half om!»Even deze opmerking van de derde brief, gericht aan ’t adres van onze voorzitter: «die eigentümlichen Verhaltnisse worin Sie leben können schwerlich guten Arbeiterfamilien zum vorbild dienen.»Sic!De schrijver zucht met zwaar geruisch, en heft de rechterhand op met een komisch wrange verplooing van mond,neus en wenkbrauwen. Dan: «verlangt iemand nog inzage van de brieven?» Kijkt rond met zeer wijdgeopende[197]oogen. «Nee? Dan gaan ze in ’t archief.Fini.Da’s eenvoudig krankzinnig, Voorzitter.»Frans haalt moedeloos de schouders op. «Wat zal ik ervan zeggen?»«Wat ’n zottepraat!» zegt Dr. Kegels vrouw Dora met hoog sopraan-geluid.«Mag ik even ’t woord, Mijnheer de Voorzitter?» zegt Lotte Finke.Frans knikt. Zij brengt een opgevouwen papier voor den dag, dat na viermaal openslaan uitdijt tot het formaat van een krant.«Mag ik u even dit artikeltje laten lezen?» hervat ze droogbeleefd tot de voorzitter.Frans neemt het aan, werpt er een vluchtige blik in, knikt met een zuur lachje en reikt het blad aan de Secretaris.«Ik ken ’t ding» zegt hij met verknepen lippen. «Wilu’t eens voorlezen, Schrijver?»Deze ziet het in, leest het met klimmende aandacht. Zijn borstelige wenkbrauwen fronzen zich tot een prop boven zijn stompe neus. Dan laat hij de hand, waarin hij ’t papier houdt, met een hoorbare smak op de tafel vallen. Daarna barst hij uit:«Dat is onwaardig! Onwaardig! Ik zal ’t de overige leden maar zelf laten lezen: ’t is toch kort.» En hij reikt het aan zijn vrouw over. «’t Isindigne.…»[198]«Wat ’n laster» roept deze na de lezing.«Nee maar! Kijk u ’s, Juffrouw Emilie.»«O ik ken ’t, dank u», zegt de toegesprokene stijf en stroef. «De zaak is hoogst onaangenaam. Mevrouw Jensen, heeftu’t gelezen?»«Nee waarlijk niet!» En met bevende aandacht, zich nauw tijd gunnend om iedere volzin behoorlijk te lezen, vliegen Marta’s oogen over de booze woorden. Frans kijkt somber vóor zich en plukt zenuwachtig aan zijn eene snorpunt.Marta schreit bijna.«Dat’s beneden alles!» brengt ze met moeite uit.«Maar we kunnen die redactie vervolgen,» merkt Dr. Kegel op. «Of de schrijver: wegens laster.»«Ik vrees, dat dàt niet gaan zal», vindt Lotte Finke. En losjesweg-weg, zoo langs haar neus, vervolgt ze: «’t Is geen laster ten minste.»«Geen laster!!» valt Kegel uit. Allen kijken op, verschuiven hun stoelen, behalve Frans, die schijnbaar kalm aan zijn thee sipt.«Wat is ’t dàn?» hervat de medicus, als allen zwijgen, terwijl hij met groote verbaasde oogen de uitster der laatste bewering opneemt, als wilde hij haar schrale beeld voorgoed in zijn netvlies prenten. «Wat is ’t dàn? Wou u beweren …?» Juffrouw Lotte voelt zich zeer ongemakkelijk.«Ikbeweer niets …», tracht ze vastberaden te[199]antwoorden. «Er wordt hier gesproken vanconcubinaat. We geven ondersteuning en raad aan een paar gezinnen, waar man en vrouw «in concubinaat» leven. Maar wat er volgt: Waarlijk geen wonder, dat de vereeniging op die wijze optreedt, waar haarvoorzitterzelf het voorbeeld van zulke onzedelijke verbintenissen geeft. Het is bekend, dat deze niet gehuwd is.Nu?»Dr. Kegel is ten toppunt van ergernis.«Maar dat is immers klinkklare laster? Onze president niet getrouwd!!»Frans kijkt bedaard op.«Mag ik even deze vergadering sluiten?» zegt hij, en heft devoorzittershamerop. «’t Komt me voor, dat ons onderwerp van gesprek een particulier karakter heeft aangenomen, en dus wel buiten behandeling kan blijven.»«Nee, dat vind ik niet», meent Lotte. «Deze zaak raakt de eer van onze vereeniging.»«Zeker, zonder twijfel», vindt Dora, die bleek ziet van schrik. «Een stuk inzenden, om te antwoorden op die lage insinuaties, en in alle bladen laten opnemen.» Ze kijkt met eenige zelfvoldoening rond.«Ik leg mijn mandaat neer», zegt de voorzitter.Maar Dokter Kegel wil er niet van hooren:«Waarachtig niet,» roept hij uit.«Morbleu, dat[200]gaat maar zoo niet! Ik heb veel te veel hoogachting voor u en uw vrouw, om zoo iets …»«Vrouw!» valt Lotte hem verontwaardigd en met bevende stem in de rede. «Ik vind het … niet in den haak … niet behoorlijk, dat Meneer Jensen ons nooit gezegd heeft, dat … hij niet getrouwd was.»Onder ’t uitbrengen dezer gewichtige woorden is de spreekster beurtelings verbleekt en hoog-rood geworden. Zenuwachtig plukt haar eene hand aan een knoop van haar kleed vlak onder haar spitse kin, op de plaats waar een broche zou kunnen zitten.«Een mooi ding!» hervat de arts streng, en weer stralen zijn heldere oogen fel op de bevende Lotte. «Wijwisten, hoe de zaak stond, maar we vonden dàt van te weinig beteekenis. Trouwens de samenleving van … waar hier sprake van is …iseen huwelijk, Juffrouw Finke.»«Dat vind ik ook!» roept zijn ega met een hooge interval in haar stem.Frans en Marta zijn onderwijl opgestaan.«Veroorloof me», zegt eerstgenoemde, «een eind aan dit pijnlijke gesprek te maken. Ik wensch niet meer in ’t bestuur te zitten. Mijnvrouwevenmin.»De oudste juffrouw Finke verrijst echter plechtig-strak van haar stoel en zegt afgemeten:[201]«Ikzal me wel terugtrekken.» Haar stem is niet geheel vast en haar heele gezicht ziet rood, ondanks al haar plechtigheid. «Ik bedank bij deze voor mijn lidmaatschap, ook van de vereeniging.»«Ik evenzoo», valt haar zuster in, en ook zij verrijst statig en strak.«Dat is kleinzielig», roept de oprechte arts toornig, «maar laat het zijn: leden als u beiden hooren niet onder verlichte menschen!»«Nee, wij hooren niet in dit gezelschap» antwoordt Lotte.Marta treedt zenuwachtig op Dr. Kegel toe, om te beletten, dat hij van repliek dient, iets wat hij maar te gaarne toont te willen doen:«Och, Dr. Kegel, geef u geen moeite … ik bid u …»De stoere medicus kijkt zijn gastvrouw even vreemd aan, en houdt zich in.«Ik heb de eer het gezelschap te groeten», zegt Emilie Finke met krakend-stroeve uitgeknepen stem. En ze buigt als een automaat, reeds bij de deur.Lotte buigt zonder een woord, onhandig potsierlijk, te vol van zichzelf, om de onberispelijkheid van haar jongere zuster te kunnen navolgen.Beiden schuifelen naar buiten.Frans drukt op een schelknop:[202]«Aennchen, wil je even de dames uitlaten?», zegt hij tot het dienstmeisje, zeker tien sekonden te laat.«Daar heb je ’t nu al, Frans», roept Marta, als de jonge rechtsgeleerde weer bij haar staat.Frans, doodsbleek, maar overigens met een onverschillig gezicht, haalt de schouders op, en wendt zich tot de arts:«Wat zeg jij nu, amice Kegel? Kon ik nu zonder eenige aanleiding die dames eens haarfijn verteld hebben, hoe de verhouding tot mijn vrouw eigenlijk was?»«Och onzin! Dat wij ’t weten, is toevallig. Wij zijn oudere kennissen en ons gesprek is er immers eens vanzelf op gekomen.»«’t Is of wij ’t verborgen willen houden!» Marta’s stem heeft een sterker toon van ergernis dan zij er bedoelt in te leggen. Ze merkt het zelf op, en dit verhoogt nog haar ontstemming en zenuwachtigheid.«Nee, Marta, dat hebben wij nooit gedacht, hoor», klinkt het melodieus uit Dora Kegel’s kleine mond. «Nooit, hoor, volstrekt niet. Heusch, we kenden jullie drie maanden, toen we op de hoogte kwamen door jullie zelf. Wat ’n nesten! Had je dat nu ooit gedacht, zeg Kegel? Voorvechters van de vrouwenbeweging, dat zie je nu ’s, he? ’t Is meer dan ergerlijk. Bah!»[203]«Kom», antwoordt Dr. Kegel, die na ’t vertrek der voorwerpen zijner verontwaardiging merkbaar bekoeld en bedaard is, «laten we er onze avond maar niet om vergallen.»Een blik op Frans doet hem van toon veranderen. «Maar kerel, wat zie jij er uit! Trek je je dat zoo aan?»«Ja, ik vind het een ellendige geschiedenis. Onze vereeniging loopt spaak zoo. En dan …»«Ik begrijp u volkomen», zegt Kegel’s kleine wederhelft met haar meewarigste stembuiging, «Kom, Hans, we zullen onze vrienden maar verder alleen laten, vin’je niet?»Marta, die ziet, dat de Kegels aanstalten maken, om dadelijk heen te gaan, weet nauwelijks, wat ze zeggen moet:«Gaan jelui nu werkelijk? Moeten jullie niet nog wat gebruiken?… Kom, blijf nog wat zitten, Dora.»De kleine dame met het stralende ronde gezicht, dat zelfs na het donderbuitje nog een-en-al opgewektheid vertoont, kijkt haar vriendin even lachend aan: kom, ze begreep immers heel best, dat die twee verlangden zoo spoedig mogelijk alleen te zijn.«Nee, hoor, Mevrouwtje», valt Dr. Kegel in, met een hartelijke streeling in zijn zware bastoon,[204]en haar weer opnemend met iets in zijn blik, dat haar nu vreemd aandoet. «U heeft rust noodig. We komen morgen nog wel’s over ’t geval praten. Goeden avond verder:ça passera, ça passera, dat gaat voorbij. Maarkalmzijn, Mevrouwtje. En, Frans, je kunt op ons rekenen. Steeds.»De stevigheid van ’s dokters handdruk is deze keer zoodanig, dat de jonge man zijn vingers voelt tintelen.«Kom, laat die zotte wijven praten», zegt Dora nog, die zijn thans ontspannen, neerslachtige trekken en Marta’s zenuwachtigheid heel naar vindt, «u heeft nog vrienden, dokter. Dag! Dag, Marta. Hoû je kranig, hoor.» En ze kust haar vriendin op voorhoofd en wang, terwijl ze haar iets iets in ’t oor fluistert. Als ze dan Frans haar handje toesteekt, heeft Marta een kleur als bloed.«Tot ziens!» zegt Frans.De gastvrouw knikt verbijsterd, starend.[205]

[Inhoud]HOOFDSTUKXIV.«Zet maar daar neer», zegt Marta tot de dienstbode—een blonde vleezige deern met helroode landelijke wangen, netjes gekleed in ’t zwart met wit schortje—. «Genoeg kopjes? Ja, goed. Ziezoo, dank je, Aennchen. O ja. Nu ’t bier.»De dienstbode lacht met een dom lachje, en verdwijnt weer; komt na eenige oogenblikken terug met een paar flesschen en eenige glazen, die ze op een zijtafeltje zet, waar reeds de theeboel klaar staat.«’t Is goed zoo, Aennchen, ga maar open doen: ik hoor daar menschen vóor.»Met iets gewild langzaams, zwijgend, beweegt zich de dienstbode naar de deur, om het bevel op te volgen.Een paar minuten later treden Dr. Kegel en zijn vrouw de kamer binnen. De laatste een levendige brunette, klein en kittig, ’t tegenbeeld van haar[191]stoere wederhelft. Met zorg, maar weinig smaak gekleed. Hij in een kort zwart jasje, ruime broek en groote stroohoed op.«Zoo luitjes! Daar zijn we», zegt de arts, en zwaait zijn hoed af. «Niet precies op tijd? Juist zeven uur.» Hij wijst op de klok op de schoorsteenmantel.«Mooi zoo, dat noem ik hart voor de zaak hebben», antwoordt de gastvrouw.Een hartelijke begroeting volgt. De beide mannen drukken elkaar de hand, de vrouwen kussen elkaar.«Mag ik u verzoeken? Mevrouw Kegel?», zegt Frans daarna. Meteen wijst hij op een stoel voor een der bestuursleden.«En u, Secretaris … of Schrijver, wat wil u? U daar op uw gewone plaats, nie’waar?»Het echtpaar zet zich op de aangewezen stoelen, hij ernstig, zij vroolijk.«Jij een kop thee, niet, Dora?»«Ja, ja, ik drink tegenwoordig ook thee, dat weet je!» En ’t levendige vrouwtje kijkt Marta met een stralend snuitje aan, waarbij haar glanzend witte tanden tot aan ’t tandvleesch zichtbaar worden. Marta glimlacht vluchtig terug en wendt zich tot een andere gast.«En u bier, Dokter Kegel? U is zoo’n echte Germaansche bierliefhebber.»[192]«Zonder twijfel, Mevrouw. Maar met mate, met mate.»In de oogen van Frans flitst een spotglansje, ondanks zijn gedrukte stemming.Marta bedient zelf, overdreven bedrijvig.«Wat dacht u, Dokter, dat ik er hier literglazen op nahield? ’t Wordt ook geen bierfuif vanavond.»«Mevrouwtje, u is ondeugend … Nu, prosit.» In éen teug is het vocht verorberd.Frans staat onderwijl te staren met de eene hand op de rugleuning van een stoel bij de tafel; hoort niet, dat er geklopt wordt.«Daar heb je de dames Finke!» roept Marta. «Binnen.»Emilie en Lotte Finke zweven naar binnen, beiden statig en geruischloos, als gegoten in gladde reform, grauw en volmaakt sierloos. Sluik plat hel blond haar. Ze zijn droog spits en spichtig in de heele verschijning.«Goeden avond», zegt Lotte nadrukkelijk.«Ik hoop, dat we niet te laat zijn», valt de andere in, even nadrukkelijk.«O nee», antwoordt Frans, terwijl hij van beiden een hand krijgt, evenals de anderen van ’t gezelschap.«Gaat u zitten, Juffrouw Emilie, en u Juffrouw Lotte. Hier, we zullen maar dadelijk beginnen, vindt u niet?»[193]«De beide dames eerst een kopje thee, nie’waar?»zegt Marta, nog bij de theetafel.«Zonder suiker, als ’t u belieft.»«Mij zonder melk, als u er niet tegen heeft.»Beide dames zetten zich. Marta bedient ze, vriendelijk gastvrouwelijk, dan geeft ze Frans een kopje, neemt er haastig zelf een, en zet zich neder links van haar man.«Ziezoo,» zegt ze met een zuchtje. Gezeten neemt ze Frans even op, met groote aandacht: hij heeft de voorzittershamer opgenomen, en kijkt strak rond, hoog-ernstig.En zijn stem klinkt koel, articuleert de woorden onverschillig, als gingen ze hem niet aan, en als doolden zijn gedachten ver weg.«Ik open deze vergadering. Schrijver, mag ik u verzoeken de notulen van de vorige te lezen?»Dr. Kegel schraapt even zijn keel, en legt het notulenboek, dat hij uit zijn binnenzak opdiept, open vóor zich neer. Dan leest hij op, met zware bas en zonder eenige toon afwisseling, beide armen over de tafel: «Notulen van de vergadering gehouden op 14 Juli 1897 ten huize van Dr. Jensen. Lezing der notulen van de vorige vergadering. Overlegging van ingekomen stukken, waaronder toezegging van een gift van 1000 Mark van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden.»[194]Juffrouw Emilie Finke meesmuilt. «Verder verzoeken om toetreding tot de Vereeniging van verschillende werklieden, waarvan aanteekening gehouden. Verslag van ’t bestuurslid, MejuffrouwLotte Finke, omtrent haar huisbezoek bij leden der Vereeniging, voorstel van Dr. Kegel, om een verzoekschrift in te dienen, teneinde een subsidie te erlangen van het gemeentebestuur. Aangenomen. De Schrijver belast zich met de opstelling van het desbetreffende … van het desbetreffende verzoekschrift, dat daarna door Voorzitter en Schrijver namens het bestuur zal geteekend worden. Niets meer aan de orde zijnde …»Frans valt in voordat de laatste woorden uitgesproken worden: «Jawel, dank u. Heeft iemand iets op te merken omtrent de voorgelezen notulen? Niemand?» De voorzitter kijkt onrustig naar de vijf gezichten om hem. «Zoo, dan zijn ze hiermee goedgekeurd. Ik verzoek Dokter Kegel voorlezing te doen van de thans ingekomen stukken.»De genoemde glimlacht met breede mondvertrekking: «Er is maar één, zeggeééntoetredingsaanvraag. Ik had er veel meer verwacht. Er is zoo voor geijverd! Er konden nog zooveel werkmansgezinnen toetreden.»«Mag ik even ’t woord?»[195]«Juffrouw Lotte Finke?»«Ik heb bij acht families een minder aangename ontvangst gehad. De menschen spraken van godsdienst-bezwaren. Noemden onzevereenigingeen «vermomdevrijmetselarij».»Allen lachen, behalve de gezusters Finke.«Mooi zoo!» roept de voorzitter bitter-ironisch.«Ja, een werkman had het over «de duivel»,»verklaart Lotte Finke, zonder een spier te vertrekken.«Een Vereeniging als de onze!» valt de voorzitter uit. «Wat heeft de godsdienst daar nu mee te maken?» Dr. Kegel vraagt met een blik het woord.«Ja, u, Dr. Kegel.»«Ha, ha, ha! En toch … Jawel, ik woû zeggen dat onze vereeniging zoo niet vooruitgaat. Van ’t gemeentebestuur ook nog geen antwoord … Vreemd …» Dr. Kegel’s massieve vingers krommen zich om een zilver potlood, waarmee hij al mompelend aanteekeningen maakt.«Veroorloof mij», hervat de president, kalm-ernstig en met strakke trekken rechts en links blikkend, «deze ingekomen stukken—brieven—over te leggen»—Frans haalt de drie brieven uit zijn zak-portefeuille—«en u, Dr. Kegel, te verzoeken, ze wel te willen voorlezen.» Hij reikt ze aan genoemde.[196]Deze ziet ze in en al lezende verandert zijn gezicht. Dan houdt hij de eene een halve meter van zich af, en begint: «Een brief van onze donateurAugust Lercher, waarbij hij mededeelt, voor ’t komende vereenigings-jaar zijn jaarlijksche gift niet meer te kunnen geven. Geen vermelding van redenen. Hier», en met een rukbeweging gaat het tweede geschrift een eind van hem af:«een schrijven van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden, waarbij ze verklaart,bij-nader-inzien, aan een vereeniging, aan wier hoofd een man als Dr. Jensen staat, de donatie te moeten onthouden, die ze voornemens was te schenken. Hm. Verder niets geen verklaring … Derde brief. Hm.» Weer een ruk naar voren: het papier kromt zich in zijn greep. En hij leest erin: «Opzegging van de beloofde jaarlijksche som … Hm, jawel, ze zijn er gauw bij: ’t vereenigingsjaar is net half om!»Even deze opmerking van de derde brief, gericht aan ’t adres van onze voorzitter: «die eigentümlichen Verhaltnisse worin Sie leben können schwerlich guten Arbeiterfamilien zum vorbild dienen.»Sic!De schrijver zucht met zwaar geruisch, en heft de rechterhand op met een komisch wrange verplooing van mond,neus en wenkbrauwen. Dan: «verlangt iemand nog inzage van de brieven?» Kijkt rond met zeer wijdgeopende[197]oogen. «Nee? Dan gaan ze in ’t archief.Fini.Da’s eenvoudig krankzinnig, Voorzitter.»Frans haalt moedeloos de schouders op. «Wat zal ik ervan zeggen?»«Wat ’n zottepraat!» zegt Dr. Kegels vrouw Dora met hoog sopraan-geluid.«Mag ik even ’t woord, Mijnheer de Voorzitter?» zegt Lotte Finke.Frans knikt. Zij brengt een opgevouwen papier voor den dag, dat na viermaal openslaan uitdijt tot het formaat van een krant.«Mag ik u even dit artikeltje laten lezen?» hervat ze droogbeleefd tot de voorzitter.Frans neemt het aan, werpt er een vluchtige blik in, knikt met een zuur lachje en reikt het blad aan de Secretaris.«Ik ken ’t ding» zegt hij met verknepen lippen. «Wilu’t eens voorlezen, Schrijver?»Deze ziet het in, leest het met klimmende aandacht. Zijn borstelige wenkbrauwen fronzen zich tot een prop boven zijn stompe neus. Dan laat hij de hand, waarin hij ’t papier houdt, met een hoorbare smak op de tafel vallen. Daarna barst hij uit:«Dat is onwaardig! Onwaardig! Ik zal ’t de overige leden maar zelf laten lezen: ’t is toch kort.» En hij reikt het aan zijn vrouw over. «’t Isindigne.…»[198]«Wat ’n laster» roept deze na de lezing.«Nee maar! Kijk u ’s, Juffrouw Emilie.»«O ik ken ’t, dank u», zegt de toegesprokene stijf en stroef. «De zaak is hoogst onaangenaam. Mevrouw Jensen, heeftu’t gelezen?»«Nee waarlijk niet!» En met bevende aandacht, zich nauw tijd gunnend om iedere volzin behoorlijk te lezen, vliegen Marta’s oogen over de booze woorden. Frans kijkt somber vóor zich en plukt zenuwachtig aan zijn eene snorpunt.Marta schreit bijna.«Dat’s beneden alles!» brengt ze met moeite uit.«Maar we kunnen die redactie vervolgen,» merkt Dr. Kegel op. «Of de schrijver: wegens laster.»«Ik vrees, dat dàt niet gaan zal», vindt Lotte Finke. En losjesweg-weg, zoo langs haar neus, vervolgt ze: «’t Is geen laster ten minste.»«Geen laster!!» valt Kegel uit. Allen kijken op, verschuiven hun stoelen, behalve Frans, die schijnbaar kalm aan zijn thee sipt.«Wat is ’t dàn?» hervat de medicus, als allen zwijgen, terwijl hij met groote verbaasde oogen de uitster der laatste bewering opneemt, als wilde hij haar schrale beeld voorgoed in zijn netvlies prenten. «Wat is ’t dàn? Wou u beweren …?» Juffrouw Lotte voelt zich zeer ongemakkelijk.«Ikbeweer niets …», tracht ze vastberaden te[199]antwoorden. «Er wordt hier gesproken vanconcubinaat. We geven ondersteuning en raad aan een paar gezinnen, waar man en vrouw «in concubinaat» leven. Maar wat er volgt: Waarlijk geen wonder, dat de vereeniging op die wijze optreedt, waar haarvoorzitterzelf het voorbeeld van zulke onzedelijke verbintenissen geeft. Het is bekend, dat deze niet gehuwd is.Nu?»Dr. Kegel is ten toppunt van ergernis.«Maar dat is immers klinkklare laster? Onze president niet getrouwd!!»Frans kijkt bedaard op.«Mag ik even deze vergadering sluiten?» zegt hij, en heft devoorzittershamerop. «’t Komt me voor, dat ons onderwerp van gesprek een particulier karakter heeft aangenomen, en dus wel buiten behandeling kan blijven.»«Nee, dat vind ik niet», meent Lotte. «Deze zaak raakt de eer van onze vereeniging.»«Zeker, zonder twijfel», vindt Dora, die bleek ziet van schrik. «Een stuk inzenden, om te antwoorden op die lage insinuaties, en in alle bladen laten opnemen.» Ze kijkt met eenige zelfvoldoening rond.«Ik leg mijn mandaat neer», zegt de voorzitter.Maar Dokter Kegel wil er niet van hooren:«Waarachtig niet,» roept hij uit.«Morbleu, dat[200]gaat maar zoo niet! Ik heb veel te veel hoogachting voor u en uw vrouw, om zoo iets …»«Vrouw!» valt Lotte hem verontwaardigd en met bevende stem in de rede. «Ik vind het … niet in den haak … niet behoorlijk, dat Meneer Jensen ons nooit gezegd heeft, dat … hij niet getrouwd was.»Onder ’t uitbrengen dezer gewichtige woorden is de spreekster beurtelings verbleekt en hoog-rood geworden. Zenuwachtig plukt haar eene hand aan een knoop van haar kleed vlak onder haar spitse kin, op de plaats waar een broche zou kunnen zitten.«Een mooi ding!» hervat de arts streng, en weer stralen zijn heldere oogen fel op de bevende Lotte. «Wijwisten, hoe de zaak stond, maar we vonden dàt van te weinig beteekenis. Trouwens de samenleving van … waar hier sprake van is …iseen huwelijk, Juffrouw Finke.»«Dat vind ik ook!» roept zijn ega met een hooge interval in haar stem.Frans en Marta zijn onderwijl opgestaan.«Veroorloof me», zegt eerstgenoemde, «een eind aan dit pijnlijke gesprek te maken. Ik wensch niet meer in ’t bestuur te zitten. Mijnvrouwevenmin.»De oudste juffrouw Finke verrijst echter plechtig-strak van haar stoel en zegt afgemeten:[201]«Ikzal me wel terugtrekken.» Haar stem is niet geheel vast en haar heele gezicht ziet rood, ondanks al haar plechtigheid. «Ik bedank bij deze voor mijn lidmaatschap, ook van de vereeniging.»«Ik evenzoo», valt haar zuster in, en ook zij verrijst statig en strak.«Dat is kleinzielig», roept de oprechte arts toornig, «maar laat het zijn: leden als u beiden hooren niet onder verlichte menschen!»«Nee, wij hooren niet in dit gezelschap» antwoordt Lotte.Marta treedt zenuwachtig op Dr. Kegel toe, om te beletten, dat hij van repliek dient, iets wat hij maar te gaarne toont te willen doen:«Och, Dr. Kegel, geef u geen moeite … ik bid u …»De stoere medicus kijkt zijn gastvrouw even vreemd aan, en houdt zich in.«Ik heb de eer het gezelschap te groeten», zegt Emilie Finke met krakend-stroeve uitgeknepen stem. En ze buigt als een automaat, reeds bij de deur.Lotte buigt zonder een woord, onhandig potsierlijk, te vol van zichzelf, om de onberispelijkheid van haar jongere zuster te kunnen navolgen.Beiden schuifelen naar buiten.Frans drukt op een schelknop:[202]«Aennchen, wil je even de dames uitlaten?», zegt hij tot het dienstmeisje, zeker tien sekonden te laat.«Daar heb je ’t nu al, Frans», roept Marta, als de jonge rechtsgeleerde weer bij haar staat.Frans, doodsbleek, maar overigens met een onverschillig gezicht, haalt de schouders op, en wendt zich tot de arts:«Wat zeg jij nu, amice Kegel? Kon ik nu zonder eenige aanleiding die dames eens haarfijn verteld hebben, hoe de verhouding tot mijn vrouw eigenlijk was?»«Och onzin! Dat wij ’t weten, is toevallig. Wij zijn oudere kennissen en ons gesprek is er immers eens vanzelf op gekomen.»«’t Is of wij ’t verborgen willen houden!» Marta’s stem heeft een sterker toon van ergernis dan zij er bedoelt in te leggen. Ze merkt het zelf op, en dit verhoogt nog haar ontstemming en zenuwachtigheid.«Nee, Marta, dat hebben wij nooit gedacht, hoor», klinkt het melodieus uit Dora Kegel’s kleine mond. «Nooit, hoor, volstrekt niet. Heusch, we kenden jullie drie maanden, toen we op de hoogte kwamen door jullie zelf. Wat ’n nesten! Had je dat nu ooit gedacht, zeg Kegel? Voorvechters van de vrouwenbeweging, dat zie je nu ’s, he? ’t Is meer dan ergerlijk. Bah!»[203]«Kom», antwoordt Dr. Kegel, die na ’t vertrek der voorwerpen zijner verontwaardiging merkbaar bekoeld en bedaard is, «laten we er onze avond maar niet om vergallen.»Een blik op Frans doet hem van toon veranderen. «Maar kerel, wat zie jij er uit! Trek je je dat zoo aan?»«Ja, ik vind het een ellendige geschiedenis. Onze vereeniging loopt spaak zoo. En dan …»«Ik begrijp u volkomen», zegt Kegel’s kleine wederhelft met haar meewarigste stembuiging, «Kom, Hans, we zullen onze vrienden maar verder alleen laten, vin’je niet?»Marta, die ziet, dat de Kegels aanstalten maken, om dadelijk heen te gaan, weet nauwelijks, wat ze zeggen moet:«Gaan jelui nu werkelijk? Moeten jullie niet nog wat gebruiken?… Kom, blijf nog wat zitten, Dora.»De kleine dame met het stralende ronde gezicht, dat zelfs na het donderbuitje nog een-en-al opgewektheid vertoont, kijkt haar vriendin even lachend aan: kom, ze begreep immers heel best, dat die twee verlangden zoo spoedig mogelijk alleen te zijn.«Nee, hoor, Mevrouwtje», valt Dr. Kegel in, met een hartelijke streeling in zijn zware bastoon,[204]en haar weer opnemend met iets in zijn blik, dat haar nu vreemd aandoet. «U heeft rust noodig. We komen morgen nog wel’s over ’t geval praten. Goeden avond verder:ça passera, ça passera, dat gaat voorbij. Maarkalmzijn, Mevrouwtje. En, Frans, je kunt op ons rekenen. Steeds.»De stevigheid van ’s dokters handdruk is deze keer zoodanig, dat de jonge man zijn vingers voelt tintelen.«Kom, laat die zotte wijven praten», zegt Dora nog, die zijn thans ontspannen, neerslachtige trekken en Marta’s zenuwachtigheid heel naar vindt, «u heeft nog vrienden, dokter. Dag! Dag, Marta. Hoû je kranig, hoor.» En ze kust haar vriendin op voorhoofd en wang, terwijl ze haar iets iets in ’t oor fluistert. Als ze dan Frans haar handje toesteekt, heeft Marta een kleur als bloed.«Tot ziens!» zegt Frans.De gastvrouw knikt verbijsterd, starend.[205]

HOOFDSTUKXIV.

«Zet maar daar neer», zegt Marta tot de dienstbode—een blonde vleezige deern met helroode landelijke wangen, netjes gekleed in ’t zwart met wit schortje—. «Genoeg kopjes? Ja, goed. Ziezoo, dank je, Aennchen. O ja. Nu ’t bier.»De dienstbode lacht met een dom lachje, en verdwijnt weer; komt na eenige oogenblikken terug met een paar flesschen en eenige glazen, die ze op een zijtafeltje zet, waar reeds de theeboel klaar staat.«’t Is goed zoo, Aennchen, ga maar open doen: ik hoor daar menschen vóor.»Met iets gewild langzaams, zwijgend, beweegt zich de dienstbode naar de deur, om het bevel op te volgen.Een paar minuten later treden Dr. Kegel en zijn vrouw de kamer binnen. De laatste een levendige brunette, klein en kittig, ’t tegenbeeld van haar[191]stoere wederhelft. Met zorg, maar weinig smaak gekleed. Hij in een kort zwart jasje, ruime broek en groote stroohoed op.«Zoo luitjes! Daar zijn we», zegt de arts, en zwaait zijn hoed af. «Niet precies op tijd? Juist zeven uur.» Hij wijst op de klok op de schoorsteenmantel.«Mooi zoo, dat noem ik hart voor de zaak hebben», antwoordt de gastvrouw.Een hartelijke begroeting volgt. De beide mannen drukken elkaar de hand, de vrouwen kussen elkaar.«Mag ik u verzoeken? Mevrouw Kegel?», zegt Frans daarna. Meteen wijst hij op een stoel voor een der bestuursleden.«En u, Secretaris … of Schrijver, wat wil u? U daar op uw gewone plaats, nie’waar?»Het echtpaar zet zich op de aangewezen stoelen, hij ernstig, zij vroolijk.«Jij een kop thee, niet, Dora?»«Ja, ja, ik drink tegenwoordig ook thee, dat weet je!» En ’t levendige vrouwtje kijkt Marta met een stralend snuitje aan, waarbij haar glanzend witte tanden tot aan ’t tandvleesch zichtbaar worden. Marta glimlacht vluchtig terug en wendt zich tot een andere gast.«En u bier, Dokter Kegel? U is zoo’n echte Germaansche bierliefhebber.»[192]«Zonder twijfel, Mevrouw. Maar met mate, met mate.»In de oogen van Frans flitst een spotglansje, ondanks zijn gedrukte stemming.Marta bedient zelf, overdreven bedrijvig.«Wat dacht u, Dokter, dat ik er hier literglazen op nahield? ’t Wordt ook geen bierfuif vanavond.»«Mevrouwtje, u is ondeugend … Nu, prosit.» In éen teug is het vocht verorberd.Frans staat onderwijl te staren met de eene hand op de rugleuning van een stoel bij de tafel; hoort niet, dat er geklopt wordt.«Daar heb je de dames Finke!» roept Marta. «Binnen.»Emilie en Lotte Finke zweven naar binnen, beiden statig en geruischloos, als gegoten in gladde reform, grauw en volmaakt sierloos. Sluik plat hel blond haar. Ze zijn droog spits en spichtig in de heele verschijning.«Goeden avond», zegt Lotte nadrukkelijk.«Ik hoop, dat we niet te laat zijn», valt de andere in, even nadrukkelijk.«O nee», antwoordt Frans, terwijl hij van beiden een hand krijgt, evenals de anderen van ’t gezelschap.«Gaat u zitten, Juffrouw Emilie, en u Juffrouw Lotte. Hier, we zullen maar dadelijk beginnen, vindt u niet?»[193]«De beide dames eerst een kopje thee, nie’waar?»zegt Marta, nog bij de theetafel.«Zonder suiker, als ’t u belieft.»«Mij zonder melk, als u er niet tegen heeft.»Beide dames zetten zich. Marta bedient ze, vriendelijk gastvrouwelijk, dan geeft ze Frans een kopje, neemt er haastig zelf een, en zet zich neder links van haar man.«Ziezoo,» zegt ze met een zuchtje. Gezeten neemt ze Frans even op, met groote aandacht: hij heeft de voorzittershamer opgenomen, en kijkt strak rond, hoog-ernstig.En zijn stem klinkt koel, articuleert de woorden onverschillig, als gingen ze hem niet aan, en als doolden zijn gedachten ver weg.«Ik open deze vergadering. Schrijver, mag ik u verzoeken de notulen van de vorige te lezen?»Dr. Kegel schraapt even zijn keel, en legt het notulenboek, dat hij uit zijn binnenzak opdiept, open vóor zich neer. Dan leest hij op, met zware bas en zonder eenige toon afwisseling, beide armen over de tafel: «Notulen van de vergadering gehouden op 14 Juli 1897 ten huize van Dr. Jensen. Lezing der notulen van de vorige vergadering. Overlegging van ingekomen stukken, waaronder toezegging van een gift van 1000 Mark van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden.»[194]Juffrouw Emilie Finke meesmuilt. «Verder verzoeken om toetreding tot de Vereeniging van verschillende werklieden, waarvan aanteekening gehouden. Verslag van ’t bestuurslid, MejuffrouwLotte Finke, omtrent haar huisbezoek bij leden der Vereeniging, voorstel van Dr. Kegel, om een verzoekschrift in te dienen, teneinde een subsidie te erlangen van het gemeentebestuur. Aangenomen. De Schrijver belast zich met de opstelling van het desbetreffende … van het desbetreffende verzoekschrift, dat daarna door Voorzitter en Schrijver namens het bestuur zal geteekend worden. Niets meer aan de orde zijnde …»Frans valt in voordat de laatste woorden uitgesproken worden: «Jawel, dank u. Heeft iemand iets op te merken omtrent de voorgelezen notulen? Niemand?» De voorzitter kijkt onrustig naar de vijf gezichten om hem. «Zoo, dan zijn ze hiermee goedgekeurd. Ik verzoek Dokter Kegel voorlezing te doen van de thans ingekomen stukken.»De genoemde glimlacht met breede mondvertrekking: «Er is maar één, zeggeééntoetredingsaanvraag. Ik had er veel meer verwacht. Er is zoo voor geijverd! Er konden nog zooveel werkmansgezinnen toetreden.»«Mag ik even ’t woord?»[195]«Juffrouw Lotte Finke?»«Ik heb bij acht families een minder aangename ontvangst gehad. De menschen spraken van godsdienst-bezwaren. Noemden onzevereenigingeen «vermomdevrijmetselarij».»Allen lachen, behalve de gezusters Finke.«Mooi zoo!» roept de voorzitter bitter-ironisch.«Ja, een werkman had het over «de duivel»,»verklaart Lotte Finke, zonder een spier te vertrekken.«Een Vereeniging als de onze!» valt de voorzitter uit. «Wat heeft de godsdienst daar nu mee te maken?» Dr. Kegel vraagt met een blik het woord.«Ja, u, Dr. Kegel.»«Ha, ha, ha! En toch … Jawel, ik woû zeggen dat onze vereeniging zoo niet vooruitgaat. Van ’t gemeentebestuur ook nog geen antwoord … Vreemd …» Dr. Kegel’s massieve vingers krommen zich om een zilver potlood, waarmee hij al mompelend aanteekeningen maakt.«Veroorloof mij», hervat de president, kalm-ernstig en met strakke trekken rechts en links blikkend, «deze ingekomen stukken—brieven—over te leggen»—Frans haalt de drie brieven uit zijn zak-portefeuille—«en u, Dr. Kegel, te verzoeken, ze wel te willen voorlezen.» Hij reikt ze aan genoemde.[196]Deze ziet ze in en al lezende verandert zijn gezicht. Dan houdt hij de eene een halve meter van zich af, en begint: «Een brief van onze donateurAugust Lercher, waarbij hij mededeelt, voor ’t komende vereenigings-jaar zijn jaarlijksche gift niet meer te kunnen geven. Geen vermelding van redenen. Hier», en met een rukbeweging gaat het tweede geschrift een eind van hem af:«een schrijven van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden, waarbij ze verklaart,bij-nader-inzien, aan een vereeniging, aan wier hoofd een man als Dr. Jensen staat, de donatie te moeten onthouden, die ze voornemens was te schenken. Hm. Verder niets geen verklaring … Derde brief. Hm.» Weer een ruk naar voren: het papier kromt zich in zijn greep. En hij leest erin: «Opzegging van de beloofde jaarlijksche som … Hm, jawel, ze zijn er gauw bij: ’t vereenigingsjaar is net half om!»Even deze opmerking van de derde brief, gericht aan ’t adres van onze voorzitter: «die eigentümlichen Verhaltnisse worin Sie leben können schwerlich guten Arbeiterfamilien zum vorbild dienen.»Sic!De schrijver zucht met zwaar geruisch, en heft de rechterhand op met een komisch wrange verplooing van mond,neus en wenkbrauwen. Dan: «verlangt iemand nog inzage van de brieven?» Kijkt rond met zeer wijdgeopende[197]oogen. «Nee? Dan gaan ze in ’t archief.Fini.Da’s eenvoudig krankzinnig, Voorzitter.»Frans haalt moedeloos de schouders op. «Wat zal ik ervan zeggen?»«Wat ’n zottepraat!» zegt Dr. Kegels vrouw Dora met hoog sopraan-geluid.«Mag ik even ’t woord, Mijnheer de Voorzitter?» zegt Lotte Finke.Frans knikt. Zij brengt een opgevouwen papier voor den dag, dat na viermaal openslaan uitdijt tot het formaat van een krant.«Mag ik u even dit artikeltje laten lezen?» hervat ze droogbeleefd tot de voorzitter.Frans neemt het aan, werpt er een vluchtige blik in, knikt met een zuur lachje en reikt het blad aan de Secretaris.«Ik ken ’t ding» zegt hij met verknepen lippen. «Wilu’t eens voorlezen, Schrijver?»Deze ziet het in, leest het met klimmende aandacht. Zijn borstelige wenkbrauwen fronzen zich tot een prop boven zijn stompe neus. Dan laat hij de hand, waarin hij ’t papier houdt, met een hoorbare smak op de tafel vallen. Daarna barst hij uit:«Dat is onwaardig! Onwaardig! Ik zal ’t de overige leden maar zelf laten lezen: ’t is toch kort.» En hij reikt het aan zijn vrouw over. «’t Isindigne.…»[198]«Wat ’n laster» roept deze na de lezing.«Nee maar! Kijk u ’s, Juffrouw Emilie.»«O ik ken ’t, dank u», zegt de toegesprokene stijf en stroef. «De zaak is hoogst onaangenaam. Mevrouw Jensen, heeftu’t gelezen?»«Nee waarlijk niet!» En met bevende aandacht, zich nauw tijd gunnend om iedere volzin behoorlijk te lezen, vliegen Marta’s oogen over de booze woorden. Frans kijkt somber vóor zich en plukt zenuwachtig aan zijn eene snorpunt.Marta schreit bijna.«Dat’s beneden alles!» brengt ze met moeite uit.«Maar we kunnen die redactie vervolgen,» merkt Dr. Kegel op. «Of de schrijver: wegens laster.»«Ik vrees, dat dàt niet gaan zal», vindt Lotte Finke. En losjesweg-weg, zoo langs haar neus, vervolgt ze: «’t Is geen laster ten minste.»«Geen laster!!» valt Kegel uit. Allen kijken op, verschuiven hun stoelen, behalve Frans, die schijnbaar kalm aan zijn thee sipt.«Wat is ’t dàn?» hervat de medicus, als allen zwijgen, terwijl hij met groote verbaasde oogen de uitster der laatste bewering opneemt, als wilde hij haar schrale beeld voorgoed in zijn netvlies prenten. «Wat is ’t dàn? Wou u beweren …?» Juffrouw Lotte voelt zich zeer ongemakkelijk.«Ikbeweer niets …», tracht ze vastberaden te[199]antwoorden. «Er wordt hier gesproken vanconcubinaat. We geven ondersteuning en raad aan een paar gezinnen, waar man en vrouw «in concubinaat» leven. Maar wat er volgt: Waarlijk geen wonder, dat de vereeniging op die wijze optreedt, waar haarvoorzitterzelf het voorbeeld van zulke onzedelijke verbintenissen geeft. Het is bekend, dat deze niet gehuwd is.Nu?»Dr. Kegel is ten toppunt van ergernis.«Maar dat is immers klinkklare laster? Onze president niet getrouwd!!»Frans kijkt bedaard op.«Mag ik even deze vergadering sluiten?» zegt hij, en heft devoorzittershamerop. «’t Komt me voor, dat ons onderwerp van gesprek een particulier karakter heeft aangenomen, en dus wel buiten behandeling kan blijven.»«Nee, dat vind ik niet», meent Lotte. «Deze zaak raakt de eer van onze vereeniging.»«Zeker, zonder twijfel», vindt Dora, die bleek ziet van schrik. «Een stuk inzenden, om te antwoorden op die lage insinuaties, en in alle bladen laten opnemen.» Ze kijkt met eenige zelfvoldoening rond.«Ik leg mijn mandaat neer», zegt de voorzitter.Maar Dokter Kegel wil er niet van hooren:«Waarachtig niet,» roept hij uit.«Morbleu, dat[200]gaat maar zoo niet! Ik heb veel te veel hoogachting voor u en uw vrouw, om zoo iets …»«Vrouw!» valt Lotte hem verontwaardigd en met bevende stem in de rede. «Ik vind het … niet in den haak … niet behoorlijk, dat Meneer Jensen ons nooit gezegd heeft, dat … hij niet getrouwd was.»Onder ’t uitbrengen dezer gewichtige woorden is de spreekster beurtelings verbleekt en hoog-rood geworden. Zenuwachtig plukt haar eene hand aan een knoop van haar kleed vlak onder haar spitse kin, op de plaats waar een broche zou kunnen zitten.«Een mooi ding!» hervat de arts streng, en weer stralen zijn heldere oogen fel op de bevende Lotte. «Wijwisten, hoe de zaak stond, maar we vonden dàt van te weinig beteekenis. Trouwens de samenleving van … waar hier sprake van is …iseen huwelijk, Juffrouw Finke.»«Dat vind ik ook!» roept zijn ega met een hooge interval in haar stem.Frans en Marta zijn onderwijl opgestaan.«Veroorloof me», zegt eerstgenoemde, «een eind aan dit pijnlijke gesprek te maken. Ik wensch niet meer in ’t bestuur te zitten. Mijnvrouwevenmin.»De oudste juffrouw Finke verrijst echter plechtig-strak van haar stoel en zegt afgemeten:[201]«Ikzal me wel terugtrekken.» Haar stem is niet geheel vast en haar heele gezicht ziet rood, ondanks al haar plechtigheid. «Ik bedank bij deze voor mijn lidmaatschap, ook van de vereeniging.»«Ik evenzoo», valt haar zuster in, en ook zij verrijst statig en strak.«Dat is kleinzielig», roept de oprechte arts toornig, «maar laat het zijn: leden als u beiden hooren niet onder verlichte menschen!»«Nee, wij hooren niet in dit gezelschap» antwoordt Lotte.Marta treedt zenuwachtig op Dr. Kegel toe, om te beletten, dat hij van repliek dient, iets wat hij maar te gaarne toont te willen doen:«Och, Dr. Kegel, geef u geen moeite … ik bid u …»De stoere medicus kijkt zijn gastvrouw even vreemd aan, en houdt zich in.«Ik heb de eer het gezelschap te groeten», zegt Emilie Finke met krakend-stroeve uitgeknepen stem. En ze buigt als een automaat, reeds bij de deur.Lotte buigt zonder een woord, onhandig potsierlijk, te vol van zichzelf, om de onberispelijkheid van haar jongere zuster te kunnen navolgen.Beiden schuifelen naar buiten.Frans drukt op een schelknop:[202]«Aennchen, wil je even de dames uitlaten?», zegt hij tot het dienstmeisje, zeker tien sekonden te laat.«Daar heb je ’t nu al, Frans», roept Marta, als de jonge rechtsgeleerde weer bij haar staat.Frans, doodsbleek, maar overigens met een onverschillig gezicht, haalt de schouders op, en wendt zich tot de arts:«Wat zeg jij nu, amice Kegel? Kon ik nu zonder eenige aanleiding die dames eens haarfijn verteld hebben, hoe de verhouding tot mijn vrouw eigenlijk was?»«Och onzin! Dat wij ’t weten, is toevallig. Wij zijn oudere kennissen en ons gesprek is er immers eens vanzelf op gekomen.»«’t Is of wij ’t verborgen willen houden!» Marta’s stem heeft een sterker toon van ergernis dan zij er bedoelt in te leggen. Ze merkt het zelf op, en dit verhoogt nog haar ontstemming en zenuwachtigheid.«Nee, Marta, dat hebben wij nooit gedacht, hoor», klinkt het melodieus uit Dora Kegel’s kleine mond. «Nooit, hoor, volstrekt niet. Heusch, we kenden jullie drie maanden, toen we op de hoogte kwamen door jullie zelf. Wat ’n nesten! Had je dat nu ooit gedacht, zeg Kegel? Voorvechters van de vrouwenbeweging, dat zie je nu ’s, he? ’t Is meer dan ergerlijk. Bah!»[203]«Kom», antwoordt Dr. Kegel, die na ’t vertrek der voorwerpen zijner verontwaardiging merkbaar bekoeld en bedaard is, «laten we er onze avond maar niet om vergallen.»Een blik op Frans doet hem van toon veranderen. «Maar kerel, wat zie jij er uit! Trek je je dat zoo aan?»«Ja, ik vind het een ellendige geschiedenis. Onze vereeniging loopt spaak zoo. En dan …»«Ik begrijp u volkomen», zegt Kegel’s kleine wederhelft met haar meewarigste stembuiging, «Kom, Hans, we zullen onze vrienden maar verder alleen laten, vin’je niet?»Marta, die ziet, dat de Kegels aanstalten maken, om dadelijk heen te gaan, weet nauwelijks, wat ze zeggen moet:«Gaan jelui nu werkelijk? Moeten jullie niet nog wat gebruiken?… Kom, blijf nog wat zitten, Dora.»De kleine dame met het stralende ronde gezicht, dat zelfs na het donderbuitje nog een-en-al opgewektheid vertoont, kijkt haar vriendin even lachend aan: kom, ze begreep immers heel best, dat die twee verlangden zoo spoedig mogelijk alleen te zijn.«Nee, hoor, Mevrouwtje», valt Dr. Kegel in, met een hartelijke streeling in zijn zware bastoon,[204]en haar weer opnemend met iets in zijn blik, dat haar nu vreemd aandoet. «U heeft rust noodig. We komen morgen nog wel’s over ’t geval praten. Goeden avond verder:ça passera, ça passera, dat gaat voorbij. Maarkalmzijn, Mevrouwtje. En, Frans, je kunt op ons rekenen. Steeds.»De stevigheid van ’s dokters handdruk is deze keer zoodanig, dat de jonge man zijn vingers voelt tintelen.«Kom, laat die zotte wijven praten», zegt Dora nog, die zijn thans ontspannen, neerslachtige trekken en Marta’s zenuwachtigheid heel naar vindt, «u heeft nog vrienden, dokter. Dag! Dag, Marta. Hoû je kranig, hoor.» En ze kust haar vriendin op voorhoofd en wang, terwijl ze haar iets iets in ’t oor fluistert. Als ze dan Frans haar handje toesteekt, heeft Marta een kleur als bloed.«Tot ziens!» zegt Frans.De gastvrouw knikt verbijsterd, starend.[205]

«Zet maar daar neer», zegt Marta tot de dienstbode—een blonde vleezige deern met helroode landelijke wangen, netjes gekleed in ’t zwart met wit schortje—. «Genoeg kopjes? Ja, goed. Ziezoo, dank je, Aennchen. O ja. Nu ’t bier.»

De dienstbode lacht met een dom lachje, en verdwijnt weer; komt na eenige oogenblikken terug met een paar flesschen en eenige glazen, die ze op een zijtafeltje zet, waar reeds de theeboel klaar staat.

«’t Is goed zoo, Aennchen, ga maar open doen: ik hoor daar menschen vóor.»

Met iets gewild langzaams, zwijgend, beweegt zich de dienstbode naar de deur, om het bevel op te volgen.

Een paar minuten later treden Dr. Kegel en zijn vrouw de kamer binnen. De laatste een levendige brunette, klein en kittig, ’t tegenbeeld van haar[191]stoere wederhelft. Met zorg, maar weinig smaak gekleed. Hij in een kort zwart jasje, ruime broek en groote stroohoed op.

«Zoo luitjes! Daar zijn we», zegt de arts, en zwaait zijn hoed af. «Niet precies op tijd? Juist zeven uur.» Hij wijst op de klok op de schoorsteenmantel.

«Mooi zoo, dat noem ik hart voor de zaak hebben», antwoordt de gastvrouw.

Een hartelijke begroeting volgt. De beide mannen drukken elkaar de hand, de vrouwen kussen elkaar.

«Mag ik u verzoeken? Mevrouw Kegel?», zegt Frans daarna. Meteen wijst hij op een stoel voor een der bestuursleden.

«En u, Secretaris … of Schrijver, wat wil u? U daar op uw gewone plaats, nie’waar?»

Het echtpaar zet zich op de aangewezen stoelen, hij ernstig, zij vroolijk.

«Jij een kop thee, niet, Dora?»

«Ja, ja, ik drink tegenwoordig ook thee, dat weet je!» En ’t levendige vrouwtje kijkt Marta met een stralend snuitje aan, waarbij haar glanzend witte tanden tot aan ’t tandvleesch zichtbaar worden. Marta glimlacht vluchtig terug en wendt zich tot een andere gast.

«En u bier, Dokter Kegel? U is zoo’n echte Germaansche bierliefhebber.»[192]

«Zonder twijfel, Mevrouw. Maar met mate, met mate.»

In de oogen van Frans flitst een spotglansje, ondanks zijn gedrukte stemming.

Marta bedient zelf, overdreven bedrijvig.

«Wat dacht u, Dokter, dat ik er hier literglazen op nahield? ’t Wordt ook geen bierfuif vanavond.»

«Mevrouwtje, u is ondeugend … Nu, prosit.» In éen teug is het vocht verorberd.

Frans staat onderwijl te staren met de eene hand op de rugleuning van een stoel bij de tafel; hoort niet, dat er geklopt wordt.

«Daar heb je de dames Finke!» roept Marta. «Binnen.»

Emilie en Lotte Finke zweven naar binnen, beiden statig en geruischloos, als gegoten in gladde reform, grauw en volmaakt sierloos. Sluik plat hel blond haar. Ze zijn droog spits en spichtig in de heele verschijning.

«Goeden avond», zegt Lotte nadrukkelijk.

«Ik hoop, dat we niet te laat zijn», valt de andere in, even nadrukkelijk.

«O nee», antwoordt Frans, terwijl hij van beiden een hand krijgt, evenals de anderen van ’t gezelschap.«Gaat u zitten, Juffrouw Emilie, en u Juffrouw Lotte. Hier, we zullen maar dadelijk beginnen, vindt u niet?»[193]

«De beide dames eerst een kopje thee, nie’waar?»zegt Marta, nog bij de theetafel.

«Zonder suiker, als ’t u belieft.»

«Mij zonder melk, als u er niet tegen heeft.»

Beide dames zetten zich. Marta bedient ze, vriendelijk gastvrouwelijk, dan geeft ze Frans een kopje, neemt er haastig zelf een, en zet zich neder links van haar man.

«Ziezoo,» zegt ze met een zuchtje. Gezeten neemt ze Frans even op, met groote aandacht: hij heeft de voorzittershamer opgenomen, en kijkt strak rond, hoog-ernstig.

En zijn stem klinkt koel, articuleert de woorden onverschillig, als gingen ze hem niet aan, en als doolden zijn gedachten ver weg.

«Ik open deze vergadering. Schrijver, mag ik u verzoeken de notulen van de vorige te lezen?»

Dr. Kegel schraapt even zijn keel, en legt het notulenboek, dat hij uit zijn binnenzak opdiept, open vóor zich neer. Dan leest hij op, met zware bas en zonder eenige toon afwisseling, beide armen over de tafel: «Notulen van de vergadering gehouden op 14 Juli 1897 ten huize van Dr. Jensen. Lezing der notulen van de vorige vergadering. Overlegging van ingekomen stukken, waaronder toezegging van een gift van 1000 Mark van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden.»[194]Juffrouw Emilie Finke meesmuilt. «Verder verzoeken om toetreding tot de Vereeniging van verschillende werklieden, waarvan aanteekening gehouden. Verslag van ’t bestuurslid, MejuffrouwLotte Finke, omtrent haar huisbezoek bij leden der Vereeniging, voorstel van Dr. Kegel, om een verzoekschrift in te dienen, teneinde een subsidie te erlangen van het gemeentebestuur. Aangenomen. De Schrijver belast zich met de opstelling van het desbetreffende … van het desbetreffende verzoekschrift, dat daarna door Voorzitter en Schrijver namens het bestuur zal geteekend worden. Niets meer aan de orde zijnde …»

Frans valt in voordat de laatste woorden uitgesproken worden: «Jawel, dank u. Heeft iemand iets op te merken omtrent de voorgelezen notulen? Niemand?» De voorzitter kijkt onrustig naar de vijf gezichten om hem. «Zoo, dan zijn ze hiermee goedgekeurd. Ik verzoek Dokter Kegel voorlezing te doen van de thans ingekomen stukken.»

De genoemde glimlacht met breede mondvertrekking: «Er is maar één, zeggeééntoetredingsaanvraag. Ik had er veel meer verwacht. Er is zoo voor geijverd! Er konden nog zooveel werkmansgezinnen toetreden.»

«Mag ik even ’t woord?»[195]

«Juffrouw Lotte Finke?»

«Ik heb bij acht families een minder aangename ontvangst gehad. De menschen spraken van godsdienst-bezwaren. Noemden onzevereenigingeen «vermomdevrijmetselarij».»

Allen lachen, behalve de gezusters Finke.

«Mooi zoo!» roept de voorzitter bitter-ironisch.

«Ja, een werkman had het over «de duivel»,»verklaart Lotte Finke, zonder een spier te vertrekken.

«Een Vereeniging als de onze!» valt de voorzitter uit. «Wat heeft de godsdienst daar nu mee te maken?» Dr. Kegel vraagt met een blik het woord.«Ja, u, Dr. Kegel.»

«Ha, ha, ha! En toch … Jawel, ik woû zeggen dat onze vereeniging zoo niet vooruitgaat. Van ’t gemeentebestuur ook nog geen antwoord … Vreemd …» Dr. Kegel’s massieve vingers krommen zich om een zilver potlood, waarmee hij al mompelend aanteekeningen maakt.

«Veroorloof mij», hervat de president, kalm-ernstig en met strakke trekken rechts en links blikkend, «deze ingekomen stukken—brieven—over te leggen»—Frans haalt de drie brieven uit zijn zak-portefeuille—«en u, Dr. Kegel, te verzoeken, ze wel te willen voorlezen.» Hij reikt ze aan genoemde.[196]

Deze ziet ze in en al lezende verandert zijn gezicht. Dan houdt hij de eene een halve meter van zich af, en begint: «Een brief van onze donateurAugust Lercher, waarbij hij mededeelt, voor ’t komende vereenigings-jaar zijn jaarlijksche gift niet meer te kunnen geven. Geen vermelding van redenen. Hier», en met een rukbeweging gaat het tweede geschrift een eind van hem af:«een schrijven van Mevrouw de Gravin Weduwe von Linden, waarbij ze verklaart,bij-nader-inzien, aan een vereeniging, aan wier hoofd een man als Dr. Jensen staat, de donatie te moeten onthouden, die ze voornemens was te schenken. Hm. Verder niets geen verklaring … Derde brief. Hm.» Weer een ruk naar voren: het papier kromt zich in zijn greep. En hij leest erin: «Opzegging van de beloofde jaarlijksche som … Hm, jawel, ze zijn er gauw bij: ’t vereenigingsjaar is net half om!»Even deze opmerking van de derde brief, gericht aan ’t adres van onze voorzitter: «die eigentümlichen Verhaltnisse worin Sie leben können schwerlich guten Arbeiterfamilien zum vorbild dienen.»Sic!De schrijver zucht met zwaar geruisch, en heft de rechterhand op met een komisch wrange verplooing van mond,neus en wenkbrauwen. Dan: «verlangt iemand nog inzage van de brieven?» Kijkt rond met zeer wijdgeopende[197]oogen. «Nee? Dan gaan ze in ’t archief.Fini.Da’s eenvoudig krankzinnig, Voorzitter.»

Frans haalt moedeloos de schouders op. «Wat zal ik ervan zeggen?»

«Wat ’n zottepraat!» zegt Dr. Kegels vrouw Dora met hoog sopraan-geluid.

«Mag ik even ’t woord, Mijnheer de Voorzitter?» zegt Lotte Finke.

Frans knikt. Zij brengt een opgevouwen papier voor den dag, dat na viermaal openslaan uitdijt tot het formaat van een krant.

«Mag ik u even dit artikeltje laten lezen?» hervat ze droogbeleefd tot de voorzitter.

Frans neemt het aan, werpt er een vluchtige blik in, knikt met een zuur lachje en reikt het blad aan de Secretaris.

«Ik ken ’t ding» zegt hij met verknepen lippen. «Wilu’t eens voorlezen, Schrijver?»

Deze ziet het in, leest het met klimmende aandacht. Zijn borstelige wenkbrauwen fronzen zich tot een prop boven zijn stompe neus. Dan laat hij de hand, waarin hij ’t papier houdt, met een hoorbare smak op de tafel vallen. Daarna barst hij uit:

«Dat is onwaardig! Onwaardig! Ik zal ’t de overige leden maar zelf laten lezen: ’t is toch kort.» En hij reikt het aan zijn vrouw over. «’t Isindigne.…»[198]

«Wat ’n laster» roept deze na de lezing.«Nee maar! Kijk u ’s, Juffrouw Emilie.»

«O ik ken ’t, dank u», zegt de toegesprokene stijf en stroef. «De zaak is hoogst onaangenaam. Mevrouw Jensen, heeftu’t gelezen?»

«Nee waarlijk niet!» En met bevende aandacht, zich nauw tijd gunnend om iedere volzin behoorlijk te lezen, vliegen Marta’s oogen over de booze woorden. Frans kijkt somber vóor zich en plukt zenuwachtig aan zijn eene snorpunt.

Marta schreit bijna.

«Dat’s beneden alles!» brengt ze met moeite uit.

«Maar we kunnen die redactie vervolgen,» merkt Dr. Kegel op. «Of de schrijver: wegens laster.»

«Ik vrees, dat dàt niet gaan zal», vindt Lotte Finke. En losjesweg-weg, zoo langs haar neus, vervolgt ze: «’t Is geen laster ten minste.»

«Geen laster!!» valt Kegel uit. Allen kijken op, verschuiven hun stoelen, behalve Frans, die schijnbaar kalm aan zijn thee sipt.

«Wat is ’t dàn?» hervat de medicus, als allen zwijgen, terwijl hij met groote verbaasde oogen de uitster der laatste bewering opneemt, als wilde hij haar schrale beeld voorgoed in zijn netvlies prenten. «Wat is ’t dàn? Wou u beweren …?» Juffrouw Lotte voelt zich zeer ongemakkelijk.

«Ikbeweer niets …», tracht ze vastberaden te[199]antwoorden. «Er wordt hier gesproken vanconcubinaat. We geven ondersteuning en raad aan een paar gezinnen, waar man en vrouw «in concubinaat» leven. Maar wat er volgt: Waarlijk geen wonder, dat de vereeniging op die wijze optreedt, waar haarvoorzitterzelf het voorbeeld van zulke onzedelijke verbintenissen geeft. Het is bekend, dat deze niet gehuwd is.Nu?»

Dr. Kegel is ten toppunt van ergernis.

«Maar dat is immers klinkklare laster? Onze president niet getrouwd!!»

Frans kijkt bedaard op.

«Mag ik even deze vergadering sluiten?» zegt hij, en heft devoorzittershamerop. «’t Komt me voor, dat ons onderwerp van gesprek een particulier karakter heeft aangenomen, en dus wel buiten behandeling kan blijven.»

«Nee, dat vind ik niet», meent Lotte. «Deze zaak raakt de eer van onze vereeniging.»

«Zeker, zonder twijfel», vindt Dora, die bleek ziet van schrik. «Een stuk inzenden, om te antwoorden op die lage insinuaties, en in alle bladen laten opnemen.» Ze kijkt met eenige zelfvoldoening rond.

«Ik leg mijn mandaat neer», zegt de voorzitter.

Maar Dokter Kegel wil er niet van hooren:

«Waarachtig niet,» roept hij uit.«Morbleu, dat[200]gaat maar zoo niet! Ik heb veel te veel hoogachting voor u en uw vrouw, om zoo iets …»

«Vrouw!» valt Lotte hem verontwaardigd en met bevende stem in de rede. «Ik vind het … niet in den haak … niet behoorlijk, dat Meneer Jensen ons nooit gezegd heeft, dat … hij niet getrouwd was.»

Onder ’t uitbrengen dezer gewichtige woorden is de spreekster beurtelings verbleekt en hoog-rood geworden. Zenuwachtig plukt haar eene hand aan een knoop van haar kleed vlak onder haar spitse kin, op de plaats waar een broche zou kunnen zitten.

«Een mooi ding!» hervat de arts streng, en weer stralen zijn heldere oogen fel op de bevende Lotte. «Wijwisten, hoe de zaak stond, maar we vonden dàt van te weinig beteekenis. Trouwens de samenleving van … waar hier sprake van is …iseen huwelijk, Juffrouw Finke.»

«Dat vind ik ook!» roept zijn ega met een hooge interval in haar stem.

Frans en Marta zijn onderwijl opgestaan.

«Veroorloof me», zegt eerstgenoemde, «een eind aan dit pijnlijke gesprek te maken. Ik wensch niet meer in ’t bestuur te zitten. Mijnvrouwevenmin.»

De oudste juffrouw Finke verrijst echter plechtig-strak van haar stoel en zegt afgemeten:[201]

«Ikzal me wel terugtrekken.» Haar stem is niet geheel vast en haar heele gezicht ziet rood, ondanks al haar plechtigheid. «Ik bedank bij deze voor mijn lidmaatschap, ook van de vereeniging.»

«Ik evenzoo», valt haar zuster in, en ook zij verrijst statig en strak.

«Dat is kleinzielig», roept de oprechte arts toornig, «maar laat het zijn: leden als u beiden hooren niet onder verlichte menschen!»

«Nee, wij hooren niet in dit gezelschap» antwoordt Lotte.

Marta treedt zenuwachtig op Dr. Kegel toe, om te beletten, dat hij van repliek dient, iets wat hij maar te gaarne toont te willen doen:

«Och, Dr. Kegel, geef u geen moeite … ik bid u …»

De stoere medicus kijkt zijn gastvrouw even vreemd aan, en houdt zich in.

«Ik heb de eer het gezelschap te groeten», zegt Emilie Finke met krakend-stroeve uitgeknepen stem. En ze buigt als een automaat, reeds bij de deur.

Lotte buigt zonder een woord, onhandig potsierlijk, te vol van zichzelf, om de onberispelijkheid van haar jongere zuster te kunnen navolgen.Beiden schuifelen naar buiten.

Frans drukt op een schelknop:[202]

«Aennchen, wil je even de dames uitlaten?», zegt hij tot het dienstmeisje, zeker tien sekonden te laat.

«Daar heb je ’t nu al, Frans», roept Marta, als de jonge rechtsgeleerde weer bij haar staat.

Frans, doodsbleek, maar overigens met een onverschillig gezicht, haalt de schouders op, en wendt zich tot de arts:

«Wat zeg jij nu, amice Kegel? Kon ik nu zonder eenige aanleiding die dames eens haarfijn verteld hebben, hoe de verhouding tot mijn vrouw eigenlijk was?»

«Och onzin! Dat wij ’t weten, is toevallig. Wij zijn oudere kennissen en ons gesprek is er immers eens vanzelf op gekomen.»

«’t Is of wij ’t verborgen willen houden!» Marta’s stem heeft een sterker toon van ergernis dan zij er bedoelt in te leggen. Ze merkt het zelf op, en dit verhoogt nog haar ontstemming en zenuwachtigheid.

«Nee, Marta, dat hebben wij nooit gedacht, hoor», klinkt het melodieus uit Dora Kegel’s kleine mond. «Nooit, hoor, volstrekt niet. Heusch, we kenden jullie drie maanden, toen we op de hoogte kwamen door jullie zelf. Wat ’n nesten! Had je dat nu ooit gedacht, zeg Kegel? Voorvechters van de vrouwenbeweging, dat zie je nu ’s, he? ’t Is meer dan ergerlijk. Bah!»[203]

«Kom», antwoordt Dr. Kegel, die na ’t vertrek der voorwerpen zijner verontwaardiging merkbaar bekoeld en bedaard is, «laten we er onze avond maar niet om vergallen.»

Een blik op Frans doet hem van toon veranderen. «Maar kerel, wat zie jij er uit! Trek je je dat zoo aan?»

«Ja, ik vind het een ellendige geschiedenis. Onze vereeniging loopt spaak zoo. En dan …»

«Ik begrijp u volkomen», zegt Kegel’s kleine wederhelft met haar meewarigste stembuiging, «Kom, Hans, we zullen onze vrienden maar verder alleen laten, vin’je niet?»

Marta, die ziet, dat de Kegels aanstalten maken, om dadelijk heen te gaan, weet nauwelijks, wat ze zeggen moet:

«Gaan jelui nu werkelijk? Moeten jullie niet nog wat gebruiken?… Kom, blijf nog wat zitten, Dora.»

De kleine dame met het stralende ronde gezicht, dat zelfs na het donderbuitje nog een-en-al opgewektheid vertoont, kijkt haar vriendin even lachend aan: kom, ze begreep immers heel best, dat die twee verlangden zoo spoedig mogelijk alleen te zijn.

«Nee, hoor, Mevrouwtje», valt Dr. Kegel in, met een hartelijke streeling in zijn zware bastoon,[204]en haar weer opnemend met iets in zijn blik, dat haar nu vreemd aandoet. «U heeft rust noodig. We komen morgen nog wel’s over ’t geval praten. Goeden avond verder:ça passera, ça passera, dat gaat voorbij. Maarkalmzijn, Mevrouwtje. En, Frans, je kunt op ons rekenen. Steeds.»

De stevigheid van ’s dokters handdruk is deze keer zoodanig, dat de jonge man zijn vingers voelt tintelen.

«Kom, laat die zotte wijven praten», zegt Dora nog, die zijn thans ontspannen, neerslachtige trekken en Marta’s zenuwachtigheid heel naar vindt, «u heeft nog vrienden, dokter. Dag! Dag, Marta. Hoû je kranig, hoor.» En ze kust haar vriendin op voorhoofd en wang, terwijl ze haar iets iets in ’t oor fluistert. Als ze dan Frans haar handje toesteekt, heeft Marta een kleur als bloed.

«Tot ziens!» zegt Frans.

De gastvrouw knikt verbijsterd, starend.[205]


Back to IndexNext