[Inhoud]HOOFDSTUKXV.«Daar, nu zet jij een gezicht, alsof je boos op mij bent! Dat moest er nog maar bijkomen. ’t Is net alsof ik het met opzet gedaan heb … Alsof ik die heele geschiedenis aan de gang gemaakt had.»«Och, Frans …»«Ziezoo, nu schreien … Ik ken je niet meer. Wat scheelt je toch? Begrijp je dan niet, dat…dat, als ik … zoo iets verteld had—zoo maar zonder eenige aanleiding—dat dat gelijk zou staan met een verklaringin optima forma, dat…dat onze verhouding een heel bizondere was …! Dat mag ze in de oogen vandewereld wezen, bijons, inonzewereld is ze dat niet. Of woû jij soms ’t omgekeerde beweren? Nou, zeg nou wat! Waarom antwoord je niet?»Marta was op de sofa gaan zitten en schreide zacht. Langs haar neergeslagen donkere wimpers[206]dropten de tranen haar op wang en lippen, en krampachtig korte snikjes deden de linkerhand, waarop ze haar kin steunde, telkens trillen,Frans kon zijn oogen niet gelooven: zijn Marta, de sterke flinke moedige Marta, die daar schreide als een wanhopige! Hij dacht aan een andere keer, dat hij haar ook zoo bedroefd had gezien: ’t was drie jaar geleden, de eenige keer dat hij haar ooit meer had zien schreien. En zijn drift bedaarde. Verwonderd staarde hij het zoo ongewone schouwspel daar vóor hem aan. Wat had ze toch? Was dat nu alleen om die narigheid van zooeven? Een vage ongerustheid bekroop hem. Maar zijn ergernis woelde nog in hem, en er was nog stuurschheid in zijn toon, toen hij, vlak bij haar staande, bleef aandringen:«Wat is er dan toch, Marta? Wat mankeer je?»«Och, Frans, ik weet het niet … ik weet het niet. Ik voel me zoo … ellendig … Mijn hoofd barst …»Meteen stond ze op: «Ik ga maar naar bed, Frans …»Hij begreep er niets van, woû maar niets meer vragen. Zelf voelde hij zich òp, verlangde naar rust.«Ik ga ook», zei hij alleen maar.Tien minuten later lagen ze beiden te bed. Hij had haar goeden nacht gekust, zonder een woord.[207]Zij had hem stil aangekeken, even met vochtige blik, en, nog snikkend nu en dan, was zij in ’t eene, hij in ’t andere bed gegaan. Ze sliepen in tweeling-bedden, vlak naast elkaar, nu reeds drie jaar, hier evenals vroeger in de stad, waar ze nog in hun studietijd woonden. En vóor ’t inslapen werd menig lief gesprek gevoerd, ja zelden ging er een avond om, dat er niet een kwartier verliep—minstens—tusschen hun nachtkus en hun eigenlijk afscheid, om te gaan slapen; want soms was een tweede «nou, goeie nacht, hoor» of «slaap lekker» van een van beiden noodig, om ’t afscheid beslissend te doen zijn.Dien avond wisselden ze geen enkel woord, drie kwartier lang. Marta hoorde de klok beneden in de huiskamer elf heldere slaagjes tiengen. Ze kon niet slapen. In ’t donker—ze sliepen nooit met licht op—kon ze van de gestalte in ’t bed naast haar slechts vage omtrekken zien: een zwarte massa. Zou Frans slapen? Zou ze … Ze kon zich eindelijk niet langer inhouden:«Frans!» riep ze op gedempte toon, klagelijk.«Ja», klonk het helder-wakker en ietwat onvriendelijk verwonderd terug.«Ben je boos, Frans?»«Welnee, ook niet geweest, hoor.»Stilte, behalve een flauw geritsel van laken of[208]kussensloop, geschuifel van een been, van hoofd of arm, die even van plaats veranderden. Zeker vijf minuten.«Zeg, Frans», zei Marta weer.«Ja?»«Zou je ’t … erg naar vinden … als ik zwanger was?»Wat klonk dat moedeloos en droef!«Naar vinden? Hoe kom je daarbij? Maar … denk je dan …?»«Ja, Frans … Ik denk ’t …»Nu was er weer geritsel en geschuifel. De jonge man tastte naar Marta’s hand, toen naar haar hoofd. Hij had zijn hart voelen opspringen, en van ontroering vermocht hij eerst niets uit te brengen. Hij kuste haar op haar wang bij haar oor, lang en innig. Dan fluisterde hij:«Liefste lieveling!… Slaap nu … Slaap nu.»Nu begreep hij plotseling haar groote gevoeligheid en zenuwachtigheid van dien avond. Hij bleef, nadat hij zijn hoofd weer op zijn eigen kussen gelegd had, nog aandachtig luisteren naar Marta’s ademhalen … Hij voelde zich zonderling te moede: een machtig medelijden kwam over hem; een weedom en een weelde mengden zich in hem.Zoo bleef hij nog een heele poos, roerloos luisterend.[209]
[Inhoud]HOOFDSTUKXV.«Daar, nu zet jij een gezicht, alsof je boos op mij bent! Dat moest er nog maar bijkomen. ’t Is net alsof ik het met opzet gedaan heb … Alsof ik die heele geschiedenis aan de gang gemaakt had.»«Och, Frans …»«Ziezoo, nu schreien … Ik ken je niet meer. Wat scheelt je toch? Begrijp je dan niet, dat…dat, als ik … zoo iets verteld had—zoo maar zonder eenige aanleiding—dat dat gelijk zou staan met een verklaringin optima forma, dat…dat onze verhouding een heel bizondere was …! Dat mag ze in de oogen vandewereld wezen, bijons, inonzewereld is ze dat niet. Of woû jij soms ’t omgekeerde beweren? Nou, zeg nou wat! Waarom antwoord je niet?»Marta was op de sofa gaan zitten en schreide zacht. Langs haar neergeslagen donkere wimpers[206]dropten de tranen haar op wang en lippen, en krampachtig korte snikjes deden de linkerhand, waarop ze haar kin steunde, telkens trillen,Frans kon zijn oogen niet gelooven: zijn Marta, de sterke flinke moedige Marta, die daar schreide als een wanhopige! Hij dacht aan een andere keer, dat hij haar ook zoo bedroefd had gezien: ’t was drie jaar geleden, de eenige keer dat hij haar ooit meer had zien schreien. En zijn drift bedaarde. Verwonderd staarde hij het zoo ongewone schouwspel daar vóor hem aan. Wat had ze toch? Was dat nu alleen om die narigheid van zooeven? Een vage ongerustheid bekroop hem. Maar zijn ergernis woelde nog in hem, en er was nog stuurschheid in zijn toon, toen hij, vlak bij haar staande, bleef aandringen:«Wat is er dan toch, Marta? Wat mankeer je?»«Och, Frans, ik weet het niet … ik weet het niet. Ik voel me zoo … ellendig … Mijn hoofd barst …»Meteen stond ze op: «Ik ga maar naar bed, Frans …»Hij begreep er niets van, woû maar niets meer vragen. Zelf voelde hij zich òp, verlangde naar rust.«Ik ga ook», zei hij alleen maar.Tien minuten later lagen ze beiden te bed. Hij had haar goeden nacht gekust, zonder een woord.[207]Zij had hem stil aangekeken, even met vochtige blik, en, nog snikkend nu en dan, was zij in ’t eene, hij in ’t andere bed gegaan. Ze sliepen in tweeling-bedden, vlak naast elkaar, nu reeds drie jaar, hier evenals vroeger in de stad, waar ze nog in hun studietijd woonden. En vóor ’t inslapen werd menig lief gesprek gevoerd, ja zelden ging er een avond om, dat er niet een kwartier verliep—minstens—tusschen hun nachtkus en hun eigenlijk afscheid, om te gaan slapen; want soms was een tweede «nou, goeie nacht, hoor» of «slaap lekker» van een van beiden noodig, om ’t afscheid beslissend te doen zijn.Dien avond wisselden ze geen enkel woord, drie kwartier lang. Marta hoorde de klok beneden in de huiskamer elf heldere slaagjes tiengen. Ze kon niet slapen. In ’t donker—ze sliepen nooit met licht op—kon ze van de gestalte in ’t bed naast haar slechts vage omtrekken zien: een zwarte massa. Zou Frans slapen? Zou ze … Ze kon zich eindelijk niet langer inhouden:«Frans!» riep ze op gedempte toon, klagelijk.«Ja», klonk het helder-wakker en ietwat onvriendelijk verwonderd terug.«Ben je boos, Frans?»«Welnee, ook niet geweest, hoor.»Stilte, behalve een flauw geritsel van laken of[208]kussensloop, geschuifel van een been, van hoofd of arm, die even van plaats veranderden. Zeker vijf minuten.«Zeg, Frans», zei Marta weer.«Ja?»«Zou je ’t … erg naar vinden … als ik zwanger was?»Wat klonk dat moedeloos en droef!«Naar vinden? Hoe kom je daarbij? Maar … denk je dan …?»«Ja, Frans … Ik denk ’t …»Nu was er weer geritsel en geschuifel. De jonge man tastte naar Marta’s hand, toen naar haar hoofd. Hij had zijn hart voelen opspringen, en van ontroering vermocht hij eerst niets uit te brengen. Hij kuste haar op haar wang bij haar oor, lang en innig. Dan fluisterde hij:«Liefste lieveling!… Slaap nu … Slaap nu.»Nu begreep hij plotseling haar groote gevoeligheid en zenuwachtigheid van dien avond. Hij bleef, nadat hij zijn hoofd weer op zijn eigen kussen gelegd had, nog aandachtig luisteren naar Marta’s ademhalen … Hij voelde zich zonderling te moede: een machtig medelijden kwam over hem; een weedom en een weelde mengden zich in hem.Zoo bleef hij nog een heele poos, roerloos luisterend.[209]
HOOFDSTUKXV.
«Daar, nu zet jij een gezicht, alsof je boos op mij bent! Dat moest er nog maar bijkomen. ’t Is net alsof ik het met opzet gedaan heb … Alsof ik die heele geschiedenis aan de gang gemaakt had.»«Och, Frans …»«Ziezoo, nu schreien … Ik ken je niet meer. Wat scheelt je toch? Begrijp je dan niet, dat…dat, als ik … zoo iets verteld had—zoo maar zonder eenige aanleiding—dat dat gelijk zou staan met een verklaringin optima forma, dat…dat onze verhouding een heel bizondere was …! Dat mag ze in de oogen vandewereld wezen, bijons, inonzewereld is ze dat niet. Of woû jij soms ’t omgekeerde beweren? Nou, zeg nou wat! Waarom antwoord je niet?»Marta was op de sofa gaan zitten en schreide zacht. Langs haar neergeslagen donkere wimpers[206]dropten de tranen haar op wang en lippen, en krampachtig korte snikjes deden de linkerhand, waarop ze haar kin steunde, telkens trillen,Frans kon zijn oogen niet gelooven: zijn Marta, de sterke flinke moedige Marta, die daar schreide als een wanhopige! Hij dacht aan een andere keer, dat hij haar ook zoo bedroefd had gezien: ’t was drie jaar geleden, de eenige keer dat hij haar ooit meer had zien schreien. En zijn drift bedaarde. Verwonderd staarde hij het zoo ongewone schouwspel daar vóor hem aan. Wat had ze toch? Was dat nu alleen om die narigheid van zooeven? Een vage ongerustheid bekroop hem. Maar zijn ergernis woelde nog in hem, en er was nog stuurschheid in zijn toon, toen hij, vlak bij haar staande, bleef aandringen:«Wat is er dan toch, Marta? Wat mankeer je?»«Och, Frans, ik weet het niet … ik weet het niet. Ik voel me zoo … ellendig … Mijn hoofd barst …»Meteen stond ze op: «Ik ga maar naar bed, Frans …»Hij begreep er niets van, woû maar niets meer vragen. Zelf voelde hij zich òp, verlangde naar rust.«Ik ga ook», zei hij alleen maar.Tien minuten later lagen ze beiden te bed. Hij had haar goeden nacht gekust, zonder een woord.[207]Zij had hem stil aangekeken, even met vochtige blik, en, nog snikkend nu en dan, was zij in ’t eene, hij in ’t andere bed gegaan. Ze sliepen in tweeling-bedden, vlak naast elkaar, nu reeds drie jaar, hier evenals vroeger in de stad, waar ze nog in hun studietijd woonden. En vóor ’t inslapen werd menig lief gesprek gevoerd, ja zelden ging er een avond om, dat er niet een kwartier verliep—minstens—tusschen hun nachtkus en hun eigenlijk afscheid, om te gaan slapen; want soms was een tweede «nou, goeie nacht, hoor» of «slaap lekker» van een van beiden noodig, om ’t afscheid beslissend te doen zijn.Dien avond wisselden ze geen enkel woord, drie kwartier lang. Marta hoorde de klok beneden in de huiskamer elf heldere slaagjes tiengen. Ze kon niet slapen. In ’t donker—ze sliepen nooit met licht op—kon ze van de gestalte in ’t bed naast haar slechts vage omtrekken zien: een zwarte massa. Zou Frans slapen? Zou ze … Ze kon zich eindelijk niet langer inhouden:«Frans!» riep ze op gedempte toon, klagelijk.«Ja», klonk het helder-wakker en ietwat onvriendelijk verwonderd terug.«Ben je boos, Frans?»«Welnee, ook niet geweest, hoor.»Stilte, behalve een flauw geritsel van laken of[208]kussensloop, geschuifel van een been, van hoofd of arm, die even van plaats veranderden. Zeker vijf minuten.«Zeg, Frans», zei Marta weer.«Ja?»«Zou je ’t … erg naar vinden … als ik zwanger was?»Wat klonk dat moedeloos en droef!«Naar vinden? Hoe kom je daarbij? Maar … denk je dan …?»«Ja, Frans … Ik denk ’t …»Nu was er weer geritsel en geschuifel. De jonge man tastte naar Marta’s hand, toen naar haar hoofd. Hij had zijn hart voelen opspringen, en van ontroering vermocht hij eerst niets uit te brengen. Hij kuste haar op haar wang bij haar oor, lang en innig. Dan fluisterde hij:«Liefste lieveling!… Slaap nu … Slaap nu.»Nu begreep hij plotseling haar groote gevoeligheid en zenuwachtigheid van dien avond. Hij bleef, nadat hij zijn hoofd weer op zijn eigen kussen gelegd had, nog aandachtig luisteren naar Marta’s ademhalen … Hij voelde zich zonderling te moede: een machtig medelijden kwam over hem; een weedom en een weelde mengden zich in hem.Zoo bleef hij nog een heele poos, roerloos luisterend.[209]
«Daar, nu zet jij een gezicht, alsof je boos op mij bent! Dat moest er nog maar bijkomen. ’t Is net alsof ik het met opzet gedaan heb … Alsof ik die heele geschiedenis aan de gang gemaakt had.»
«Och, Frans …»
«Ziezoo, nu schreien … Ik ken je niet meer. Wat scheelt je toch? Begrijp je dan niet, dat…dat, als ik … zoo iets verteld had—zoo maar zonder eenige aanleiding—dat dat gelijk zou staan met een verklaringin optima forma, dat…dat onze verhouding een heel bizondere was …! Dat mag ze in de oogen vandewereld wezen, bijons, inonzewereld is ze dat niet. Of woû jij soms ’t omgekeerde beweren? Nou, zeg nou wat! Waarom antwoord je niet?»
Marta was op de sofa gaan zitten en schreide zacht. Langs haar neergeslagen donkere wimpers[206]dropten de tranen haar op wang en lippen, en krampachtig korte snikjes deden de linkerhand, waarop ze haar kin steunde, telkens trillen,
Frans kon zijn oogen niet gelooven: zijn Marta, de sterke flinke moedige Marta, die daar schreide als een wanhopige! Hij dacht aan een andere keer, dat hij haar ook zoo bedroefd had gezien: ’t was drie jaar geleden, de eenige keer dat hij haar ooit meer had zien schreien. En zijn drift bedaarde. Verwonderd staarde hij het zoo ongewone schouwspel daar vóor hem aan. Wat had ze toch? Was dat nu alleen om die narigheid van zooeven? Een vage ongerustheid bekroop hem. Maar zijn ergernis woelde nog in hem, en er was nog stuurschheid in zijn toon, toen hij, vlak bij haar staande, bleef aandringen:
«Wat is er dan toch, Marta? Wat mankeer je?»
«Och, Frans, ik weet het niet … ik weet het niet. Ik voel me zoo … ellendig … Mijn hoofd barst …»
Meteen stond ze op: «Ik ga maar naar bed, Frans …»
Hij begreep er niets van, woû maar niets meer vragen. Zelf voelde hij zich òp, verlangde naar rust.
«Ik ga ook», zei hij alleen maar.
Tien minuten later lagen ze beiden te bed. Hij had haar goeden nacht gekust, zonder een woord.[207]Zij had hem stil aangekeken, even met vochtige blik, en, nog snikkend nu en dan, was zij in ’t eene, hij in ’t andere bed gegaan. Ze sliepen in tweeling-bedden, vlak naast elkaar, nu reeds drie jaar, hier evenals vroeger in de stad, waar ze nog in hun studietijd woonden. En vóor ’t inslapen werd menig lief gesprek gevoerd, ja zelden ging er een avond om, dat er niet een kwartier verliep—minstens—tusschen hun nachtkus en hun eigenlijk afscheid, om te gaan slapen; want soms was een tweede «nou, goeie nacht, hoor» of «slaap lekker» van een van beiden noodig, om ’t afscheid beslissend te doen zijn.
Dien avond wisselden ze geen enkel woord, drie kwartier lang. Marta hoorde de klok beneden in de huiskamer elf heldere slaagjes tiengen. Ze kon niet slapen. In ’t donker—ze sliepen nooit met licht op—kon ze van de gestalte in ’t bed naast haar slechts vage omtrekken zien: een zwarte massa. Zou Frans slapen? Zou ze … Ze kon zich eindelijk niet langer inhouden:
«Frans!» riep ze op gedempte toon, klagelijk.
«Ja», klonk het helder-wakker en ietwat onvriendelijk verwonderd terug.
«Ben je boos, Frans?»
«Welnee, ook niet geweest, hoor.»
Stilte, behalve een flauw geritsel van laken of[208]kussensloop, geschuifel van een been, van hoofd of arm, die even van plaats veranderden. Zeker vijf minuten.
«Zeg, Frans», zei Marta weer.
«Ja?»
«Zou je ’t … erg naar vinden … als ik zwanger was?»
Wat klonk dat moedeloos en droef!
«Naar vinden? Hoe kom je daarbij? Maar … denk je dan …?»
«Ja, Frans … Ik denk ’t …»
Nu was er weer geritsel en geschuifel. De jonge man tastte naar Marta’s hand, toen naar haar hoofd. Hij had zijn hart voelen opspringen, en van ontroering vermocht hij eerst niets uit te brengen. Hij kuste haar op haar wang bij haar oor, lang en innig. Dan fluisterde hij:
«Liefste lieveling!… Slaap nu … Slaap nu.»
Nu begreep hij plotseling haar groote gevoeligheid en zenuwachtigheid van dien avond. Hij bleef, nadat hij zijn hoofd weer op zijn eigen kussen gelegd had, nog aandachtig luisteren naar Marta’s ademhalen … Hij voelde zich zonderling te moede: een machtig medelijden kwam over hem; een weedom en een weelde mengden zich in hem.
Zoo bleef hij nog een heele poos, roerloos luisterend.[209]