HOOFDSTUKXVI.

[Inhoud]HOOFDSTUKXVI.Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer dan eens dezelfdeergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden, hoevelen overdezaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t was Marta die ’t ontgelden moest. Warentooneelenvan drift vroeger een zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde[210]hij zichzelf, noemde zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden.Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken, om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden, de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald.En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage.’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen, meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets[211]voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haaridee, om de zaak van hun hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der menschen. Ze moest er voor lijden … Haaridee… En Frans … had hij geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat eene? Ze kòn immers niet … Uit liefde voor hem … Nee juist daarom niet!.. Of … wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger … was ze niet dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had. Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon, maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift; woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en eenlion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst,[212]Frans vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich gesloten toonde of geheimzinnig deed.En nu, nu ze behoorde aandezeman … nu ze een kind wachtte van hem, was ’t nu anders, heel anders danvroeger? En als dan alles in hun verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee, haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag, knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond, wanneer ze Frans in de oogen keek.En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had, voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gafzijom weelde van kleeding, van uitgaan, eten of[213]drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich weinig of moeilijk uitend.Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar hetgroote leven. «Der mann musshinausin’s feindliche Leben», ja, hij met zijn talenten stellig en zeker … En dan te moeten aanzien, dat hij om dat ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis, een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over … Maar ze zag ’t aan zijn blik[214]nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd, dat de muziek hem altijd zoo aandeed!… En hij die aan zooveel weelde gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!…Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid.Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de half-glazen deur, als de wind erop viel.Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde gedachten-opvolging overgegaan in dat derbeelden-vervloeiingvan de eerste slaap, toen Frans opschrok:«Marta, hoor je dat?»[215]«Nee, wat is er?»«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.»«Gebeld? Nu?»«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.»«Is Aennchen nog op?»«Welnee, die is ook naar bed.»Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht aan, schoot haastig wat aan zijn lijf.De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de half-gesloten deur der kamer aankondigt:«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.»«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!»Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar allernoodigste kleeren gestoken te hebben.«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd.De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef:[216]«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommerzestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.»Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen.«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort. «Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een blik naar Frans:«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?»«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef.Frans stuift naar de deur:«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!»«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en scheeve rokken.«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en … me zoo uitscheldt, wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik … niet mocht dienen bij menschen … zooals u … die inkongkemenaatleven.»’t Was er alles in éen relletje uitgekomen.[217]«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt je loon krijgen tot vanavond.»«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik gamorgenochtend, vroeg. Dadelijk …»«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.»De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend klinkt daar tusschen haar gemor.«Dat doet de deur dicht:le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij hun kleeding haastig voltooien.«Och, wat kan je die meid schelen!»Haarkan ’t zeker op dat oogenblik al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is zenuwachtig, opgewonden:«Wie zou toch die ouwe heer wezen …? Die jou spreken wil? Jouw vader misschien?»«Loop heen!… Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom, en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel … Ik denk … misschien … je oom misschien?»«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven, he? Wat vreemd dan, dat hij naar JuffrouwVan Zeevraagt!.. Och, nee, ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me[218]schrijven: ik heb nu in zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!»Frans antwoordt niet dadelijk.«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij.«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker niet, om ons onaangenaam te wezen …»«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!»«Ja, dat is al heel gek … Och nee, ’t zal oom niet wezen …»Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was tochMeneer Winter.«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton tusschen tweekorte vingertjes.Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot.«Laat zien … Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt ze snel: «Laat meneer binnen … In de studeerkamer maar … daar zal de kachel nog wel aan zijn.»De gedienstige verdwijnt zonder een woord.«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap, Aennchen na.Frans volgt, in gedachten.«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na[219]eenige oogenblikken. «Een man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft …»«Nou ja … Goddank, de kachel is nog aan, zie ik … Och, als ik niet finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen hebben. O, dat weet ik zeker …»«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.»«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen me. Geheel …»«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets andersgedaandan toegepast wat hij je voorgepreekt had …»«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest …»«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.»«Zalikeerst maar heengaan?»«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij voor elkaar geen geheimen hebben.»[220]

[Inhoud]HOOFDSTUKXVI.Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer dan eens dezelfdeergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden, hoevelen overdezaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t was Marta die ’t ontgelden moest. Warentooneelenvan drift vroeger een zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde[210]hij zichzelf, noemde zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden.Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken, om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden, de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald.En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage.’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen, meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets[211]voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haaridee, om de zaak van hun hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der menschen. Ze moest er voor lijden … Haaridee… En Frans … had hij geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat eene? Ze kòn immers niet … Uit liefde voor hem … Nee juist daarom niet!.. Of … wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger … was ze niet dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had. Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon, maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift; woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en eenlion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst,[212]Frans vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich gesloten toonde of geheimzinnig deed.En nu, nu ze behoorde aandezeman … nu ze een kind wachtte van hem, was ’t nu anders, heel anders danvroeger? En als dan alles in hun verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee, haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag, knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond, wanneer ze Frans in de oogen keek.En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had, voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gafzijom weelde van kleeding, van uitgaan, eten of[213]drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich weinig of moeilijk uitend.Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar hetgroote leven. «Der mann musshinausin’s feindliche Leben», ja, hij met zijn talenten stellig en zeker … En dan te moeten aanzien, dat hij om dat ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis, een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over … Maar ze zag ’t aan zijn blik[214]nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd, dat de muziek hem altijd zoo aandeed!… En hij die aan zooveel weelde gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!…Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid.Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de half-glazen deur, als de wind erop viel.Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde gedachten-opvolging overgegaan in dat derbeelden-vervloeiingvan de eerste slaap, toen Frans opschrok:«Marta, hoor je dat?»[215]«Nee, wat is er?»«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.»«Gebeld? Nu?»«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.»«Is Aennchen nog op?»«Welnee, die is ook naar bed.»Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht aan, schoot haastig wat aan zijn lijf.De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de half-gesloten deur der kamer aankondigt:«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.»«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!»Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar allernoodigste kleeren gestoken te hebben.«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd.De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef:[216]«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommerzestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.»Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen.«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort. «Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een blik naar Frans:«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?»«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef.Frans stuift naar de deur:«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!»«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en scheeve rokken.«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en … me zoo uitscheldt, wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik … niet mocht dienen bij menschen … zooals u … die inkongkemenaatleven.»’t Was er alles in éen relletje uitgekomen.[217]«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt je loon krijgen tot vanavond.»«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik gamorgenochtend, vroeg. Dadelijk …»«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.»De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend klinkt daar tusschen haar gemor.«Dat doet de deur dicht:le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij hun kleeding haastig voltooien.«Och, wat kan je die meid schelen!»Haarkan ’t zeker op dat oogenblik al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is zenuwachtig, opgewonden:«Wie zou toch die ouwe heer wezen …? Die jou spreken wil? Jouw vader misschien?»«Loop heen!… Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom, en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel … Ik denk … misschien … je oom misschien?»«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven, he? Wat vreemd dan, dat hij naar JuffrouwVan Zeevraagt!.. Och, nee, ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me[218]schrijven: ik heb nu in zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!»Frans antwoordt niet dadelijk.«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij.«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker niet, om ons onaangenaam te wezen …»«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!»«Ja, dat is al heel gek … Och nee, ’t zal oom niet wezen …»Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was tochMeneer Winter.«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton tusschen tweekorte vingertjes.Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot.«Laat zien … Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt ze snel: «Laat meneer binnen … In de studeerkamer maar … daar zal de kachel nog wel aan zijn.»De gedienstige verdwijnt zonder een woord.«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap, Aennchen na.Frans volgt, in gedachten.«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na[219]eenige oogenblikken. «Een man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft …»«Nou ja … Goddank, de kachel is nog aan, zie ik … Och, als ik niet finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen hebben. O, dat weet ik zeker …»«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.»«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen me. Geheel …»«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets andersgedaandan toegepast wat hij je voorgepreekt had …»«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest …»«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.»«Zalikeerst maar heengaan?»«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij voor elkaar geen geheimen hebben.»[220]

HOOFDSTUKXVI.

Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer dan eens dezelfdeergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden, hoevelen overdezaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t was Marta die ’t ontgelden moest. Warentooneelenvan drift vroeger een zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde[210]hij zichzelf, noemde zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden.Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken, om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden, de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald.En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage.’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen, meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets[211]voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haaridee, om de zaak van hun hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der menschen. Ze moest er voor lijden … Haaridee… En Frans … had hij geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat eene? Ze kòn immers niet … Uit liefde voor hem … Nee juist daarom niet!.. Of … wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger … was ze niet dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had. Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon, maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift; woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en eenlion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst,[212]Frans vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich gesloten toonde of geheimzinnig deed.En nu, nu ze behoorde aandezeman … nu ze een kind wachtte van hem, was ’t nu anders, heel anders danvroeger? En als dan alles in hun verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee, haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag, knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond, wanneer ze Frans in de oogen keek.En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had, voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gafzijom weelde van kleeding, van uitgaan, eten of[213]drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich weinig of moeilijk uitend.Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar hetgroote leven. «Der mann musshinausin’s feindliche Leben», ja, hij met zijn talenten stellig en zeker … En dan te moeten aanzien, dat hij om dat ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis, een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over … Maar ze zag ’t aan zijn blik[214]nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd, dat de muziek hem altijd zoo aandeed!… En hij die aan zooveel weelde gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!…Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid.Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de half-glazen deur, als de wind erop viel.Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde gedachten-opvolging overgegaan in dat derbeelden-vervloeiingvan de eerste slaap, toen Frans opschrok:«Marta, hoor je dat?»[215]«Nee, wat is er?»«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.»«Gebeld? Nu?»«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.»«Is Aennchen nog op?»«Welnee, die is ook naar bed.»Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht aan, schoot haastig wat aan zijn lijf.De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de half-gesloten deur der kamer aankondigt:«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.»«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!»Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar allernoodigste kleeren gestoken te hebben.«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd.De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef:[216]«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommerzestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.»Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen.«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort. «Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een blik naar Frans:«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?»«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef.Frans stuift naar de deur:«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!»«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en scheeve rokken.«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en … me zoo uitscheldt, wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik … niet mocht dienen bij menschen … zooals u … die inkongkemenaatleven.»’t Was er alles in éen relletje uitgekomen.[217]«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt je loon krijgen tot vanavond.»«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik gamorgenochtend, vroeg. Dadelijk …»«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.»De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend klinkt daar tusschen haar gemor.«Dat doet de deur dicht:le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij hun kleeding haastig voltooien.«Och, wat kan je die meid schelen!»Haarkan ’t zeker op dat oogenblik al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is zenuwachtig, opgewonden:«Wie zou toch die ouwe heer wezen …? Die jou spreken wil? Jouw vader misschien?»«Loop heen!… Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom, en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel … Ik denk … misschien … je oom misschien?»«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven, he? Wat vreemd dan, dat hij naar JuffrouwVan Zeevraagt!.. Och, nee, ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me[218]schrijven: ik heb nu in zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!»Frans antwoordt niet dadelijk.«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij.«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker niet, om ons onaangenaam te wezen …»«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!»«Ja, dat is al heel gek … Och nee, ’t zal oom niet wezen …»Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was tochMeneer Winter.«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton tusschen tweekorte vingertjes.Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot.«Laat zien … Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt ze snel: «Laat meneer binnen … In de studeerkamer maar … daar zal de kachel nog wel aan zijn.»De gedienstige verdwijnt zonder een woord.«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap, Aennchen na.Frans volgt, in gedachten.«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na[219]eenige oogenblikken. «Een man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft …»«Nou ja … Goddank, de kachel is nog aan, zie ik … Och, als ik niet finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen hebben. O, dat weet ik zeker …»«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.»«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen me. Geheel …»«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets andersgedaandan toegepast wat hij je voorgepreekt had …»«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest …»«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.»«Zalikeerst maar heengaan?»«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij voor elkaar geen geheimen hebben.»[220]

Dagen verliepen en weken en maanden, twee, drie. En steeds bleef de gedrukte stemming, met korte tusschenpoozen, in ’t samenzijn van Frans en Marta. De eerste vond in zijn werk maar weinig afleiding: praktijk als advokaat had hij niet veel en zijn streven als journalist en schrijver vond telkens en telkens moeilijkheden. Deze brachten hem meer dan eens dezelfdeergernis. En meer en meer kon hij gewaarworden, hoevelen overdezaak dachten als die Lotte Finke, en ’t hem op de een of andere wijze lieten merken. Hij kòn zijn leed niet verkroppen, en ’t was Marta die ’t ontgelden moest. Warentooneelenvan drift vroeger een zeldzaamheid, thans kwamen ze telkens voor. Zij, prikkelbaar als ze nu was, wist zich dan toch meestal nog wat te beheerschen, totdat eindelijk haar kracht haar begaf, en ze in tranen uitbarstte. Dan had de ander spijt, en hartstochtelijk beschuldigde[210]hij zichzelf, noemde zich een barbaar, een beest, overstelpte haar met lieve naampjes. Hij nam zich telkens heilig voor, zich voortaan in te zullen houden. Maar hun verstandhouding leed er onder. Dat voelden ze beiden.

Marta leed in stilte. Had Frans een van die elastieke karakters, welke onder de slagen van ’t lot dadelijk meegeven en zich laten indrukken, om zich weer even spoedig in de vroegere gaafheid te herstellen. Marta had het onverzettelijk geduld, het hardnekkig vasthouden en volhouden, de gelaten strakke lijdzaamheid, aan haar ras reeds zooveel eeuwen eigen. Bij haar waren die eigenschappen door haar leed gestaald.

En haar gezichtje vertoonde weer het harde koel-afgeslotene van voorheen, de trek, die Frans kende uit de dagen hunner vrijage.

’t Meeste leed ze om de eenzaamheid, die ze dreigend voelde aankomen, meer en meer: buitenshuis, in haar omgang met anderen, en—thuis, in haar lieve lieve thuis, daar ook? Drong daar ook de ijzige vervreemding, de vereenzaming hunner zielen door, vereenzaming van elkaar? O nee, dat kòn niet, dat mòcht niet! Daarvoor was hun liefde te groot, te innig, te heerlijk mooi. Die nare ontstemming zou wijken, als maar na eenige tijd de praatjes uitgeraasd hadden. ’t Was iets[211]voorbijgaands. Vast. En ze leed immers om haaridee, om de zaak van hun hooge edele liefde, die verheven was boven de domme vooroordeelen der menschen. Ze moest er voor lijden … Haaridee… En Frans … had hij geen ongelijk, groot ongelijk met maar steeds terug te komen op dat eene? Ze kòn immers niet … Uit liefde voor hem … Nee juist daarom niet!.. Of … wàs ’t niet laf toe te geven hierin? Och, hoe kòn ze twijfelen? Zij, de sterke moedige vrouw van vroeger … was ze niet dezelfde als toen?.. Of was ’t nu anders? Ze vergeleek in haar geest de beide mannen die ze liefgehad had, zooals ze reeds zoo vaak gedaan had. Frans: een en al oprechtheid en openhartigheid, wars van alle vertoon, maar toch heftig, hartstochtelijk; gevoelig als een vrouw, maar, hoe ook telkens ontmoedigd, weer opstrevend met mannelijk-koene aandrift; woest in zijn driftuitingen, maar leidzaam als een kind op een lief woord van haar. De ander: artistieke zwier van ’t fijne-kapper gehalte in zijn gansche wezen, ook in zijn woorden; een tooneel-geestdrift en eenlion-de-village-beminnelijkheid, zwichtend voor de eerste beproeving. Frans eenvoudig en waar, hij valsch. Frans soms ruw, «de ander» wreed en hondsch, toen hij zijn ware aard moest toonen. Was «de ander,» het type van de zuiderling op zijn ongunstigst,[212]Frans vereenigde in zich veel, ja de meeste goede eigenschappen van ’t donkerharige niet-geheel blanke ras onzer zuidelijke provinciën met de beste der karaktertrekken van ’t Germaansche ras der Friezen. «De eenige Hollandsche vulkaan» noemde zij Frans in haar dartele oogenblikken. «Mijn Oostersch Sfinksje» zei hij, wanneer zij, zich gesloten toonde of geheimzinnig deed.

En nu, nu ze behoorde aandezeman … nu ze een kind wachtte van hem, was ’t nu anders, heel anders danvroeger? En als dan alles in hun verhouding zoo anders was, bleef dan toch dat eene? Bleef haar idee, haar opvatting van liefde dezelfde, volkomen dezelfde? Ze twijfelde, en de twijfel maakte haar ellendig. Ze leed er des te meer onder, omdat ze er niet mee voor den dag wilde komen, omdat ze er tegen vocht in stilte. En dit eigen gemoeds-leventje in eenzaamheid—buiten Frans—kwelde haar bij voortduring. Zonder dat ze er het einde van zag, knaagde dat in haar, ook al speelde er een glimlach om haar mond, wanneer ze Frans in de oogen keek.

En dan: er waren geldzorgen ook. Och, deze zouden anders bij haar zoo zwaar niet tellen. Ze hadden immers alles, waaraan zij behoefte had, voorzoover het voor geld te krijgen was. Wat gafzijom weelde van kleeding, van uitgaan, eten of[213]drinken? Ze moesten eenvoudig, ja zuinig leven. En dat kòn ze, daarvoor bezat ze de aanleg en aangeboren handigheid van haar ras, waarin de «Marta’s» eer regel dan uitzondering zijn, even spaarzaam en huishoudelijk als de nieuw-testamentische voorzate. Als wetenschappelijk mensch, als arts, vond ze tot nu toe alle bevrediging in haar vrouwen- en kinder-praktijk; al waren dan ook haar meeste patiënten armen, die ze gratis hielp. Waardeering voor haar streven—ook hier—zocht ze alleen bij hem, bij Frans. Een prijsje van hem was haar meer lief dan de schittering van een beroemde naam. Zij was een stille, in-zich-zelf-gekeerde natuur, diepvoelend maar zich weinig of moeilijk uitend.

Hoe anders hij! Och, zij begreep het: hij kon zijn ambitie niet bepalen bij een bescheiden werkkring en geluk in huis—en had hij die nog maar!—Hij had behoefte aan mededeeling, uitstorting, omgang: zijn eerzucht—een edele eerzucht immers!—haakte, snakte naar hetgroote leven. «Der mann musshinausin’s feindliche Leben», ja, hij met zijn talenten stellig en zeker … En dan te moeten aanzien, dat hij om dat ellendige geld zich telkens en telkens iets moest ontzeggen: een reis, een kostbaar boekwerk, een uitstapje. Hij klaagde dàar nooit over … Maar ze zag ’t aan zijn blik[214]nu en dan, ze hoorde ’t in de klank van zijn stem. Had ze hem niet tot tweemaal toe in de laatste maanden betrapt, dat hij—zich alleen wanend—in tranen was uitgebarsten na ’t spelen van eén zijner lievelings-stukken op de piano. Hij had gezegd, dat de muziek hem altijd zoo aandeed!… En hij die aan zooveel weelde gewend was, vroeger, had dat alles opgegeven om hàar!…

Zoo—in die bizondere stemming hunner zielen was er eens weer een lange loome lood-zware dag voorbij gekropen, ’t Was in de winter. Ze waren reeds om tien uur naar bed gegaan; hadden even—eenige minuten—wat losse onverschillige woorden gewisseld, kille verstands-woorden, glijdend om en buiten hun warme smachtend-eenzame innerlijkheid.

Buiten zwiepten de boomen in de tuin achter hun slaapkamer met het groote balkon, boven hen floot de wind in schoorsteenpijp en langs muurhoeken, en nu en dan snerpte en kraakte met snikkend geluidje de half-glazen deur, als de wind erop viel.

Geen van beiden was nog uit het stadium der geregelde gedachten-opvolging overgegaan in dat derbeelden-vervloeiingvan de eerste slaap, toen Frans opschrok:

«Marta, hoor je dat?»[215]

«Nee, wat is er?»

«Ik hoor een rijtuig stilstaan. Er wordt gebeld ook.»

«Gebeld? Nu?»

«Ja, duidelijk. Hoor je ’t niet? Daar, nog ’s.»

«Is Aennchen nog op?»

«Welnee, die is ook naar bed.»

Frans was er al uit. «Ik zal haar gaan roepen» zei hij, en stak licht aan, schoot haastig wat aan zijn lijf.

De dienstbode sliep in een kamertje op dezelfde gang boven, waar ook haar meesters hun slaapkamer hadden, en was spoedig beneden. Een paar minuten zijn nauw verloopen, als ze weer boven komt en humeurig door de half-gesloten deur der kamer aankondigt:

«Daar is een heer, die naar Juffrouw van Zee vraagt.»

«Juffrouw van Zee!» roept haar heer van binnen driftig. «Er is hier geen Juffrouw van Zee, dat weet je toch ook wel!»

Marta is intusschen buiten gekomen, na zich vluchtig in haar allernoodigste kleeren gestoken te hebben.

«Wat is dat, Aennchen?» vraagt ze vriendelijk, maar verwonderd.

De toegesprokene kijkt Marta boos aan, en antwoordt stroef:[216]

«Die ouwe meneer zegt toch, dat ze hier moest wonen, hier op nommerzestien. Ik heb hem beneden in ’t kamertje gelaten.»

Frans gromt wat, steeds binnen, bezig aan zijn kousen.

«Heb je een kaartje gevraagd, Aennchen?» gaat Marta onverstoord voort. «Of weet je, hoe hij heet?» Ze werpt door de half-geopende deur een blik naar Frans:

«Zoo laat op de avond», zeg Frans. «Wie zou dat toch wezen?»

«Ik heb niks gevraagd», verklaart Aennchen steeds stroef.

Frans stuift naar de deur:

«Denk je dan, dat we op dit uur maar ieder willekeurig kunnen ontvangen, uilskuiken? Je bent er ook een!!»

«Mevrouw», antwoordt de gedienstige huilerig—en Marta moet onwillekeurig even lachen om haar komisch négligé—fladderende haren en scheeve rokken.

«Mevrouw, as Meneer zoo driftig tegen me is en … me zoo uitscheldt, wil ik wel weggaan. De pastoor heeft toch al dikwijls gezegd, dat ik … niet mocht dienen bij menschen … zooals u … die inkongkemenaatleven.»

’t Was er alles in éen relletje uitgekomen.[217]

«Snij uit», roept Frans, stampvoetend, «dadelijk, als je wilt. Je kunt je loon krijgen tot vanavond.»

«Goed, meneer. Ik zal mijn boeltje pakken. Ik gamorgenochtend, vroeg. Dadelijk …»

«Goed, Aennchen», valt Marta in. «Ik zal je morgenochtend je loon geven, als je weg wilt. Maar ga nu even vragen, wie die meneer is.»

De pantoffels van Aennchen kleppen slof-slof de trap af, en hommelend klinkt daar tusschen haar gemor.

«Dat doet de deur dicht:le comble!» zegt Frans, terwijl Marta en hij hun kleeding haastig voltooien.

«Och, wat kan je die meid schelen!»Haarkan ’t zeker op dat oogenblik al heel weinig schelen, want ze voelt haar hart onrustig kloppen, ze is zenuwachtig, opgewonden:

«Wie zou toch die ouwe heer wezen …? Die jou spreken wil? Jouw vader misschien?»

«Loop heen!… Wat zou die nou hier doen?! Zeg, reik me even die kom, en je handspiegeltje maar. Nee, blijf jij maar vóor de waschtafel … Ik denk … misschien … je oom misschien?»

«Zou je denken? Hoe gek, dat die gedachte ook bij mij opkwam zooeven, he? Wat vreemd dan, dat hij naar JuffrouwVan Zeevraagt!.. Och, nee, ik denk ’t niet. Zoo onverwacht: hij zou me[218]schrijven: ik heb nu in zooveel jaar geen taal of teeken van hem gehad!»

Frans antwoordt niet dadelijk.

«Zou jij hem willen ontvangen?» hervat hij.

«Och, waarom niet? Ik ben niet haatdragend: als hij komt, is het zeker niet, om ons onaangenaam te wezen …»

«Een mooie aankondiging anders met dat «Juffrouw van Zee!»

«Ja, dat is al heel gek … Och nee, ’t zal oom niet wezen …»

Het dienstmeisje klopt, en jawel, ’t was tochMeneer Winter.

«Hier is ’t kaartje» zegt Aennchen, en houdt een stuk wit karton tusschen tweekorte vingertjes.

Marta grijpt het haar uit de hand. Aennchen kijkt zot.

«Laat zien … Ja ’t is Oom.» En, nauw haar aandoening meester, beveelt ze snel: «Laat meneer binnen … In de studeerkamer maar … daar zal de kachel nog wel aan zijn.»

De gedienstige verdwijnt zonder een woord.

«Mijn goeie, beste Oom!» roept Marta bijna schreiend, reeds op de trap, Aennchen na.

Frans volgt, in gedachten.

«Jij bent ook niet haatdragend!» zegt hij na[219]eenige oogenblikken. «Een man, die je in je beroerdste tijd in de steek gelaten heeft …»

«Nou ja … Goddank, de kachel is nog aan, zie ik … Och, als ik niet finantiëel onafhankelijk was geweest, zou hij me zeker wel geholpen hebben. O, dat weet ik zeker …»

«Jawel, dat veronderstel je. Maar ’t is toch maar ’n feit, dat hij geen troostwoord voor je overhad, toen je zoo diep-ongelukkig was.»

«Kom, Frans, je moet niet hard wezen: de schijn was zoo geheel tegen me. Geheel …»

«Voor hem moest dat in de laatste plaats zoo wezen. Je hadt niets andersgedaandan toegepast wat hij je voorgepreekt had …»

«Och, voor mij is ’t ook altijd een raadsel geweest …»

«Nu, we zullen zoo-meteen de verklaring wel hooren.»

«Zalikeerst maar heengaan?»

«Welnee, blijf gerust. Je hoort erbij: ik wil juist toonen, dat wij voor elkaar geen geheimen hebben.»[220]


Back to IndexNext