[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Gedurende dit korte tooneel, dat wellicht in niet langer dan een kwartier tusschen die twee menschen afgespeeld was, had er in Frans een merkwaardige verandering plaats. In zijn overigens zoo vlak, zoo gebeurtenis-arm bestaan van rijkeluis-zoontje vormde deze korte spanne tijds een oase van krachtig zelfbewust leven, zooals hij dat te voren nooit gekend had. Hij had een vaag besef, dat hij nu aan een keerpunt gekomen was: een heerlijke jonge geestdrift doortintelde hem. Hij wilde handelen, man zijn. En al ’t goede, dat in hem sluimerde, was opgestaan en woelde in hem op, drong tot uiting.Met een ruk stond hij van de stoel op, waar hij de laatste oogenblikken met gebogen hoofd gezeten had, en zette zich naast zijn vriendin op de sofa.«Ik weet nu alles, Marta,» zegt hij met een[46]blik vol teederheid op haar. «Ik begrijp je. Dat kind kan immers niet helpen, dat het die man tot vader heeft. En ’t zal behoefte genoeg krijgen aan je liefde.… Later.…»Marta brengt de zakdoek weer aan haar oogen.«Ja,» stamelt ze met afgewend hoofd. «O, die gedachte maakt me soms radeloos: dat die wreede wereld hem later zal laten boeten voor onze daad.»«Zijn daad, bedoel je.»«Nu ja, ik bedoel ons trotseeren van de openbare meening, van de gewone gangbare zedeleer.» Ze zwijgt even. «Je weet nu alles, he?» En ze werpt een schuchtere blik op Frans, als verwacht ze met spanning iets uit zijn mond: «Ben je nu tevreden?.…. Immers niet. Je kunt me.… niet meer liefhebben … niet meer achten … als te voren.»Frans grijpt hartstochtelijk haar hand, die ze willoos in de zijne laat.«Och, Marta,» zegt hij innig. «Vergeef me. Ik heb een openbaring gehad, ik zie nu alles helder in. Ik ben ’t slachtoffer geweest van verblinding. Van dom vooroordeel. Ik heb evenveel achting voor je als ooit te voren—meer misschien, als dat kan.»De jonge vrouw kijkt verrast op, en drukt hem[47]sprakeloos de hand. Dan brengt ze met moeite uit:«O, Frans …»«Zeker» hervat hij met groote stelligheid in zijn toon en overtuiging in zijn blik.«Ik ben ’t nu volkomen met je eens. Volkomen, hoor je. Dat je niets gedaan hebt, waarvoor je in je hart, tegenover je geweten, eenige schaamte hebt te voelen. Ik geloof nu met je, dat het huwelijk een zaak is van hart en geweten: deliefdebeslist, of twee menschen bij elkaar zullen leven als man en vrouw, niet een trouwing in kerk of stadhuis. Jouw huwelijk is achtenswaardiger—zoo als jij het opvatte en erin geloofde—dan menige verbintenis, die door een priester is ingezegend.»Dan van toon veranderend, gaat hij met groote vleiing in stem en blik voort:«Alles is weer als te voren tusschen ons, niet waar, Marta?»De ander schudt het hoofd, en antwoordt droef, maar gelaten:«Och, Frans, hoe graag zouikdat willen!»«Maar datisimmers zoo. We kunnen immers nog gelukkig zijn samen.» Zijn stem dringt, smeekt haast.«Wij? Nooit.…. Laten we ons samentreffen en onze vriendschap—onuitgesproken liefde zoo lang!—als een zonnige epizode uit ons[48]leven beschouwen. Die nu voorbij is.….»Ondanks de groote inspanning, die Marta zich geeft om zich goed te houden, wordt het gevoel haar hier weder te machtig. En ze geeft vrij spel aan haar tranen. Doch ’t is maar even. Als ze haar zakdoek van ’t gelaat neemt, staat er weer een glimlach op.«Dat’s voor goed voorbij, Frans. Maar toch: ’t was een heerlijke tijd voor mij. Ik zal er altijd met dankbaarheid aan terugdenken. De herinnering»—ze stokt even—«zal me kracht geven in mijn latere strijd.» En ze staart vóor zich uit.Frans is vóor haar op zijn knieën gevallen en vat haar hand. Een vage angst geeft aan zijn stem slechts zwakke overreding.Ze glimlacht flauwtjes, als ze ’t hoofd opricht en hem aankijkt, neerblikkend in zijn kinderlijk oprechte oogopslag.«Ik ben niet somber en mismoedig … Ik zie alleen wat onvermijdelijk is. Wij kunnen niet samenleven …»«Waarom niet? Hoû je niet genoeg van me? Hoû je van mij minder … dan van die … man?»«Och, Frans! Juist omdat ik je zoo liefheb, kan ik zoo’n offer niet van je aannemen.»«Offer! als ik mijn geluk daarin zie!»«Och, dat zeg jenu. Wie waarborgt me, dat[49]je altijd zoo zult blijven denken? Kun jij instaan voor je hart, dat het niet eenmaal zwichten zal voor je verstand?…»«Foei, Marta, hoû je me voor zoo wankelmoedig? Geloof je zoo weinig in mijn kracht?»«De wereld, Frans …»«Och wat! Jij bent mijn wereld. Met jouw liefde heb ik moed en kracht voor alles. Ik spuw op die wereld, als ik weet dat jij me lief hebt en hoogacht.»«Ik geloof immers in je oprechtheid, Frans.»«Nu, wat wil je dan meer?» Er is allengs meer vastheid in zijn toon gekomen. «Kom, Marta» hervat hij weer geheel op dreef. «Laat me welgemoed van je heengaan. Ik wil met mijn vader een afdoend gesprek hebben. Zoo spoedig mogelijk … Laat alles weer bij ’t oude zijn tusschen ons …»Op Frans’ dringend vragende blik wendt de jonge vrouw haar oogen af. Ze zwijgt even, weer peinzend vóor zich uit starend.«Je vader!» antwoordt ze dan, als sprak ze tot zichzelf. «Geloof je, dat die ooit zijn toestemming zou geven?»Heftig valt Frans uit.«Als ik hem vóor ’t feit stel, dat mijn wil vaststaat, dat mijn besluit onherroepelijk is?… En[50]dan … als hij weigert … doe ik toch mijn zin: ik ben immers meerderjarig! Dat vergat de man zooeven in zijn drift, toen hij van de politie sprak.»Weer kijken Marta’s mooie donkere oogen recht in de zijne. ’t Is of ze even aarzelt, maar de kleine flikkering in haar blik wijkt onmiddellijk weer. En op dezelfde toon van welmeenende medevoelende, maar berustende verstandigheid, antwoordt ze zacht:«Maar wat doe je zonder hem? Hij kan je immers dwingen zoolang je nog van hemafhankelijkbent?»«Nou ja, daar heb ik maling aan,» zegt Frans met een fiere rukbeweging van zijn hoofd.«Ik zal mijn eigen brood wel kunnen verdienen. Als ik maar wil. Voor jou erbij, als ’t moest.»Marta kijkt meewarig, maar ongeloovig.«Nee, Frans, je zou zijn toestemming moeten hebben. Je vader geeft die nooit.»«Dat zie ik nog niet in. Mijn moeder is er ook nog.»Er is weinig overtuiging in die woorden, al tracht de spreker ze erin te leggen. Hij voelt de mislukking van zijn pogen, om zijn vriendin erin te doen gelooven. Als deze dan ook opmerkt:«Je hebt me zelf verteld, dat die zoo weinig[51]invloed op je vader had», antwoordt hij kregelig en in ’t wilde weg:«Nou ja, in zulke dingen.»«Juist in zulke dingen» geeftMartaterug. «Je weet, wat een man van de vormen, van’t goed fatsoenje vader is. Hij is immers een deftig man.»«Ja, God beter ’t … Lid van de Kerkeraad.. kristelijk in alles, behalve zijn gedrag thuis, tegenover moeder en mij.… en nog een enkele kleinigheid.»Frans heeft zich opgericht en is weer naast Marta gaan zitten. Deze glimlacht om zijn uitval Dan zegt ze na korte weifeling:«Je weet, er is een groote zaak, waarin je je moeder ook stellig niet aan je zijde zult hebben. Je zegt me, dat ze vroom is?»«Ja. De arme vrouw zoekt daarin de eenige troost tegen al haar leed thuis.»«Nu! En ik ben een Jodin!»Frans maakt een gebaar van ergernis.«Maar, Marta, wat ’n onzin is dat nu! Jij bent een Jodin zooals ik een Germaan. Wat doet dat er nu toe?»«Voor jou niet. Maar voor menschen als je ouders …»«Een man als mijn vader heeft nogal recht van praten.»[52]«’t Is hier niet de vraag, wat recht is. Hij zal eenvoudig weigeren, en je moeder zal ’t van haar kant vreeselijk vinden, dat je met een Jodin wil trouwen … die ook nog «zoo’n geschiedenis» achter de rug heeft …» Ze zwijgt even. Dan met een zucht: «Och nee, Frans, er is nergens hoop voor ons … Kom, je moet hier vandaan. Laat me alleen. Ik heb behoefte om tot mezelf te komen. ’t Is alles zoo opeens gekomen …»’t Stroeve van Marta’s toon waarmee ze haar groote ontroering tracht te verbergen, doet de jonge man zeer pijnlijk aan.Van de sofa opstaande, roept hij vol angst:«Dus je stoot me van je af?»Haar heldere oprechte blik is weer vol op hem gericht.«Frans!» zegt ze zacht verwijtend. «Wees nu een man. Ik heb je immers uitgelegd, dat het niet kan.… al.… al breekt mijn hart er ook onder …»«Je wilt niet in mijn liefde gelooven!» antwoordt Frans hartstochtelijk. «Je durft de kracht van mijn liefde niet beproeven.» Mistroostig doet hij een paar schreden de kamer in.«Nee Frans,» geeft Marta bedaard terug, «dat is me te gewaagd. Versta me wel: voorjoubedoel ik.Ikzal van je blijven houden. De wereld[53]staat toch al vijandig tegenover me, en de liefde voor jou kan door die wereld niet meer aan ’t wankelen gebracht worden. Maar jij: je moet nog alles van de wereld ontvangen. Je heele toekomst.»«Dat ben jij voor me, Marta,» zegt de jonge man met groote innigheid, terwijl hij recht vóor haar blijft staan. En haast smeekend vervolgt hij: «Och, Marta, wees niet zoo hard. Ik zal nooit berouw hebben over mijn liefde voor je. We zullen steun vinden aan elkaar.»De ander schudt droevig het hoofd:«Een huwelijk in de gewone zin van ’t woord is onmogelijk. En iets anders is even onmogelijk: je zou er je heele toekomst mee breken.» Ze wendt zuchtend het hoofd af.«Dus je weigert beslist?» hervat Frans, schier wanhopig.Marta ziet hem vol droefheid aan.«Ja Frans,» zegt ze nochtans kalm. «’t Kan niet anders.»’t Berustende en afdoende in haar toon en houding grijpen de jonge man zoodanig aan, dat hij zich op een stoel laat vallen en daar krampachtig begint te snikken.«Je houdt niet van me! Je houdt niet van me!» roept hij bitter en heftig.[54]Marta is opgestaan en komt naar hem toe. Dan legt ze hem de hand op de schouder, en zegt met lieve streeling in haar klankrijke altstem:«Och Frans, wat zou ik je dolgraag gelukkig maken.»De schreiende slaat de oogen op, met een glans van blijde hoop in de blik.«Maar doe ’t dan … doe ’t dan,» dringt hij heftig. «Marta, mijn liefste … liefste lieveling.. doe ’t dan!»Hij grijpt haar hand en drukt die in zijn beide handen. Zijn oogen, groot dringend borend zoeken de hare. Verbijsterd ontwijkt ze zijn blik, antwoordt niet.De ander gaat woest voort.«Zeg, je wil wel, is ’t niet?… Je wil wel? Om mij gelukkig te maken?» Steeds blijft hij haar hand vastklemmen, zoodat ze eenigszins tot hem overbuigt.«Och Frans», stamelt ze eindelijk als willoos.«Jawel, ik zie ’t: je wil wel!» roept Frans zegevierend.«’t Is alleen je engelachtige zelfopofferende liefde die je weerhoudt. Maar ik wil geen offer van jou, Marta, versta je me? Evenmin ik van jou. Ik wil niet, dat je je ongelukkig zult voelen—om mij. Dat je alleen zult staan in je strijd[55]tegen de wereld … Ik wil met je zijn, tegen alles en iedereen …»Droomerig, als luisterend naar een zoete verlokking, hoort Marta zijn woorden aan. Dan, voor ’t eerst hem weer in de oogen ziende, antwoordt ze aarzelend, maar toch met een popeling van vreugde in haar hart:«Zou je dat willen? Zou je dat kunnen?» Doch opeens van toon veranderend, en zich losmakend van zijn greep, als kwam ze nu eerst recht tot bezinning, herstelt ze zich.«Och nee, Frans, ’t is onmogelijk, onzinnig: ik mag zoo iets niet aannemen.»[56]
[Inhoud]HOOFDSTUK IV.Gedurende dit korte tooneel, dat wellicht in niet langer dan een kwartier tusschen die twee menschen afgespeeld was, had er in Frans een merkwaardige verandering plaats. In zijn overigens zoo vlak, zoo gebeurtenis-arm bestaan van rijkeluis-zoontje vormde deze korte spanne tijds een oase van krachtig zelfbewust leven, zooals hij dat te voren nooit gekend had. Hij had een vaag besef, dat hij nu aan een keerpunt gekomen was: een heerlijke jonge geestdrift doortintelde hem. Hij wilde handelen, man zijn. En al ’t goede, dat in hem sluimerde, was opgestaan en woelde in hem op, drong tot uiting.Met een ruk stond hij van de stoel op, waar hij de laatste oogenblikken met gebogen hoofd gezeten had, en zette zich naast zijn vriendin op de sofa.«Ik weet nu alles, Marta,» zegt hij met een[46]blik vol teederheid op haar. «Ik begrijp je. Dat kind kan immers niet helpen, dat het die man tot vader heeft. En ’t zal behoefte genoeg krijgen aan je liefde.… Later.…»Marta brengt de zakdoek weer aan haar oogen.«Ja,» stamelt ze met afgewend hoofd. «O, die gedachte maakt me soms radeloos: dat die wreede wereld hem later zal laten boeten voor onze daad.»«Zijn daad, bedoel je.»«Nu ja, ik bedoel ons trotseeren van de openbare meening, van de gewone gangbare zedeleer.» Ze zwijgt even. «Je weet nu alles, he?» En ze werpt een schuchtere blik op Frans, als verwacht ze met spanning iets uit zijn mond: «Ben je nu tevreden?.…. Immers niet. Je kunt me.… niet meer liefhebben … niet meer achten … als te voren.»Frans grijpt hartstochtelijk haar hand, die ze willoos in de zijne laat.«Och, Marta,» zegt hij innig. «Vergeef me. Ik heb een openbaring gehad, ik zie nu alles helder in. Ik ben ’t slachtoffer geweest van verblinding. Van dom vooroordeel. Ik heb evenveel achting voor je als ooit te voren—meer misschien, als dat kan.»De jonge vrouw kijkt verrast op, en drukt hem[47]sprakeloos de hand. Dan brengt ze met moeite uit:«O, Frans …»«Zeker» hervat hij met groote stelligheid in zijn toon en overtuiging in zijn blik.«Ik ben ’t nu volkomen met je eens. Volkomen, hoor je. Dat je niets gedaan hebt, waarvoor je in je hart, tegenover je geweten, eenige schaamte hebt te voelen. Ik geloof nu met je, dat het huwelijk een zaak is van hart en geweten: deliefdebeslist, of twee menschen bij elkaar zullen leven als man en vrouw, niet een trouwing in kerk of stadhuis. Jouw huwelijk is achtenswaardiger—zoo als jij het opvatte en erin geloofde—dan menige verbintenis, die door een priester is ingezegend.»Dan van toon veranderend, gaat hij met groote vleiing in stem en blik voort:«Alles is weer als te voren tusschen ons, niet waar, Marta?»De ander schudt het hoofd, en antwoordt droef, maar gelaten:«Och, Frans, hoe graag zouikdat willen!»«Maar datisimmers zoo. We kunnen immers nog gelukkig zijn samen.» Zijn stem dringt, smeekt haast.«Wij? Nooit.…. Laten we ons samentreffen en onze vriendschap—onuitgesproken liefde zoo lang!—als een zonnige epizode uit ons[48]leven beschouwen. Die nu voorbij is.….»Ondanks de groote inspanning, die Marta zich geeft om zich goed te houden, wordt het gevoel haar hier weder te machtig. En ze geeft vrij spel aan haar tranen. Doch ’t is maar even. Als ze haar zakdoek van ’t gelaat neemt, staat er weer een glimlach op.«Dat’s voor goed voorbij, Frans. Maar toch: ’t was een heerlijke tijd voor mij. Ik zal er altijd met dankbaarheid aan terugdenken. De herinnering»—ze stokt even—«zal me kracht geven in mijn latere strijd.» En ze staart vóor zich uit.Frans is vóor haar op zijn knieën gevallen en vat haar hand. Een vage angst geeft aan zijn stem slechts zwakke overreding.Ze glimlacht flauwtjes, als ze ’t hoofd opricht en hem aankijkt, neerblikkend in zijn kinderlijk oprechte oogopslag.«Ik ben niet somber en mismoedig … Ik zie alleen wat onvermijdelijk is. Wij kunnen niet samenleven …»«Waarom niet? Hoû je niet genoeg van me? Hoû je van mij minder … dan van die … man?»«Och, Frans! Juist omdat ik je zoo liefheb, kan ik zoo’n offer niet van je aannemen.»«Offer! als ik mijn geluk daarin zie!»«Och, dat zeg jenu. Wie waarborgt me, dat[49]je altijd zoo zult blijven denken? Kun jij instaan voor je hart, dat het niet eenmaal zwichten zal voor je verstand?…»«Foei, Marta, hoû je me voor zoo wankelmoedig? Geloof je zoo weinig in mijn kracht?»«De wereld, Frans …»«Och wat! Jij bent mijn wereld. Met jouw liefde heb ik moed en kracht voor alles. Ik spuw op die wereld, als ik weet dat jij me lief hebt en hoogacht.»«Ik geloof immers in je oprechtheid, Frans.»«Nu, wat wil je dan meer?» Er is allengs meer vastheid in zijn toon gekomen. «Kom, Marta» hervat hij weer geheel op dreef. «Laat me welgemoed van je heengaan. Ik wil met mijn vader een afdoend gesprek hebben. Zoo spoedig mogelijk … Laat alles weer bij ’t oude zijn tusschen ons …»Op Frans’ dringend vragende blik wendt de jonge vrouw haar oogen af. Ze zwijgt even, weer peinzend vóor zich uit starend.«Je vader!» antwoordt ze dan, als sprak ze tot zichzelf. «Geloof je, dat die ooit zijn toestemming zou geven?»Heftig valt Frans uit.«Als ik hem vóor ’t feit stel, dat mijn wil vaststaat, dat mijn besluit onherroepelijk is?… En[50]dan … als hij weigert … doe ik toch mijn zin: ik ben immers meerderjarig! Dat vergat de man zooeven in zijn drift, toen hij van de politie sprak.»Weer kijken Marta’s mooie donkere oogen recht in de zijne. ’t Is of ze even aarzelt, maar de kleine flikkering in haar blik wijkt onmiddellijk weer. En op dezelfde toon van welmeenende medevoelende, maar berustende verstandigheid, antwoordt ze zacht:«Maar wat doe je zonder hem? Hij kan je immers dwingen zoolang je nog van hemafhankelijkbent?»«Nou ja, daar heb ik maling aan,» zegt Frans met een fiere rukbeweging van zijn hoofd.«Ik zal mijn eigen brood wel kunnen verdienen. Als ik maar wil. Voor jou erbij, als ’t moest.»Marta kijkt meewarig, maar ongeloovig.«Nee, Frans, je zou zijn toestemming moeten hebben. Je vader geeft die nooit.»«Dat zie ik nog niet in. Mijn moeder is er ook nog.»Er is weinig overtuiging in die woorden, al tracht de spreker ze erin te leggen. Hij voelt de mislukking van zijn pogen, om zijn vriendin erin te doen gelooven. Als deze dan ook opmerkt:«Je hebt me zelf verteld, dat die zoo weinig[51]invloed op je vader had», antwoordt hij kregelig en in ’t wilde weg:«Nou ja, in zulke dingen.»«Juist in zulke dingen» geeftMartaterug. «Je weet, wat een man van de vormen, van’t goed fatsoenje vader is. Hij is immers een deftig man.»«Ja, God beter ’t … Lid van de Kerkeraad.. kristelijk in alles, behalve zijn gedrag thuis, tegenover moeder en mij.… en nog een enkele kleinigheid.»Frans heeft zich opgericht en is weer naast Marta gaan zitten. Deze glimlacht om zijn uitval Dan zegt ze na korte weifeling:«Je weet, er is een groote zaak, waarin je je moeder ook stellig niet aan je zijde zult hebben. Je zegt me, dat ze vroom is?»«Ja. De arme vrouw zoekt daarin de eenige troost tegen al haar leed thuis.»«Nu! En ik ben een Jodin!»Frans maakt een gebaar van ergernis.«Maar, Marta, wat ’n onzin is dat nu! Jij bent een Jodin zooals ik een Germaan. Wat doet dat er nu toe?»«Voor jou niet. Maar voor menschen als je ouders …»«Een man als mijn vader heeft nogal recht van praten.»[52]«’t Is hier niet de vraag, wat recht is. Hij zal eenvoudig weigeren, en je moeder zal ’t van haar kant vreeselijk vinden, dat je met een Jodin wil trouwen … die ook nog «zoo’n geschiedenis» achter de rug heeft …» Ze zwijgt even. Dan met een zucht: «Och nee, Frans, er is nergens hoop voor ons … Kom, je moet hier vandaan. Laat me alleen. Ik heb behoefte om tot mezelf te komen. ’t Is alles zoo opeens gekomen …»’t Stroeve van Marta’s toon waarmee ze haar groote ontroering tracht te verbergen, doet de jonge man zeer pijnlijk aan.Van de sofa opstaande, roept hij vol angst:«Dus je stoot me van je af?»Haar heldere oprechte blik is weer vol op hem gericht.«Frans!» zegt ze zacht verwijtend. «Wees nu een man. Ik heb je immers uitgelegd, dat het niet kan.… al.… al breekt mijn hart er ook onder …»«Je wilt niet in mijn liefde gelooven!» antwoordt Frans hartstochtelijk. «Je durft de kracht van mijn liefde niet beproeven.» Mistroostig doet hij een paar schreden de kamer in.«Nee Frans,» geeft Marta bedaard terug, «dat is me te gewaagd. Versta me wel: voorjoubedoel ik.Ikzal van je blijven houden. De wereld[53]staat toch al vijandig tegenover me, en de liefde voor jou kan door die wereld niet meer aan ’t wankelen gebracht worden. Maar jij: je moet nog alles van de wereld ontvangen. Je heele toekomst.»«Dat ben jij voor me, Marta,» zegt de jonge man met groote innigheid, terwijl hij recht vóor haar blijft staan. En haast smeekend vervolgt hij: «Och, Marta, wees niet zoo hard. Ik zal nooit berouw hebben over mijn liefde voor je. We zullen steun vinden aan elkaar.»De ander schudt droevig het hoofd:«Een huwelijk in de gewone zin van ’t woord is onmogelijk. En iets anders is even onmogelijk: je zou er je heele toekomst mee breken.» Ze wendt zuchtend het hoofd af.«Dus je weigert beslist?» hervat Frans, schier wanhopig.Marta ziet hem vol droefheid aan.«Ja Frans,» zegt ze nochtans kalm. «’t Kan niet anders.»’t Berustende en afdoende in haar toon en houding grijpen de jonge man zoodanig aan, dat hij zich op een stoel laat vallen en daar krampachtig begint te snikken.«Je houdt niet van me! Je houdt niet van me!» roept hij bitter en heftig.[54]Marta is opgestaan en komt naar hem toe. Dan legt ze hem de hand op de schouder, en zegt met lieve streeling in haar klankrijke altstem:«Och Frans, wat zou ik je dolgraag gelukkig maken.»De schreiende slaat de oogen op, met een glans van blijde hoop in de blik.«Maar doe ’t dan … doe ’t dan,» dringt hij heftig. «Marta, mijn liefste … liefste lieveling.. doe ’t dan!»Hij grijpt haar hand en drukt die in zijn beide handen. Zijn oogen, groot dringend borend zoeken de hare. Verbijsterd ontwijkt ze zijn blik, antwoordt niet.De ander gaat woest voort.«Zeg, je wil wel, is ’t niet?… Je wil wel? Om mij gelukkig te maken?» Steeds blijft hij haar hand vastklemmen, zoodat ze eenigszins tot hem overbuigt.«Och Frans», stamelt ze eindelijk als willoos.«Jawel, ik zie ’t: je wil wel!» roept Frans zegevierend.«’t Is alleen je engelachtige zelfopofferende liefde die je weerhoudt. Maar ik wil geen offer van jou, Marta, versta je me? Evenmin ik van jou. Ik wil niet, dat je je ongelukkig zult voelen—om mij. Dat je alleen zult staan in je strijd[55]tegen de wereld … Ik wil met je zijn, tegen alles en iedereen …»Droomerig, als luisterend naar een zoete verlokking, hoort Marta zijn woorden aan. Dan, voor ’t eerst hem weer in de oogen ziende, antwoordt ze aarzelend, maar toch met een popeling van vreugde in haar hart:«Zou je dat willen? Zou je dat kunnen?» Doch opeens van toon veranderend, en zich losmakend van zijn greep, als kwam ze nu eerst recht tot bezinning, herstelt ze zich.«Och nee, Frans, ’t is onmogelijk, onzinnig: ik mag zoo iets niet aannemen.»[56]
HOOFDSTUK IV.
Gedurende dit korte tooneel, dat wellicht in niet langer dan een kwartier tusschen die twee menschen afgespeeld was, had er in Frans een merkwaardige verandering plaats. In zijn overigens zoo vlak, zoo gebeurtenis-arm bestaan van rijkeluis-zoontje vormde deze korte spanne tijds een oase van krachtig zelfbewust leven, zooals hij dat te voren nooit gekend had. Hij had een vaag besef, dat hij nu aan een keerpunt gekomen was: een heerlijke jonge geestdrift doortintelde hem. Hij wilde handelen, man zijn. En al ’t goede, dat in hem sluimerde, was opgestaan en woelde in hem op, drong tot uiting.Met een ruk stond hij van de stoel op, waar hij de laatste oogenblikken met gebogen hoofd gezeten had, en zette zich naast zijn vriendin op de sofa.«Ik weet nu alles, Marta,» zegt hij met een[46]blik vol teederheid op haar. «Ik begrijp je. Dat kind kan immers niet helpen, dat het die man tot vader heeft. En ’t zal behoefte genoeg krijgen aan je liefde.… Later.…»Marta brengt de zakdoek weer aan haar oogen.«Ja,» stamelt ze met afgewend hoofd. «O, die gedachte maakt me soms radeloos: dat die wreede wereld hem later zal laten boeten voor onze daad.»«Zijn daad, bedoel je.»«Nu ja, ik bedoel ons trotseeren van de openbare meening, van de gewone gangbare zedeleer.» Ze zwijgt even. «Je weet nu alles, he?» En ze werpt een schuchtere blik op Frans, als verwacht ze met spanning iets uit zijn mond: «Ben je nu tevreden?.…. Immers niet. Je kunt me.… niet meer liefhebben … niet meer achten … als te voren.»Frans grijpt hartstochtelijk haar hand, die ze willoos in de zijne laat.«Och, Marta,» zegt hij innig. «Vergeef me. Ik heb een openbaring gehad, ik zie nu alles helder in. Ik ben ’t slachtoffer geweest van verblinding. Van dom vooroordeel. Ik heb evenveel achting voor je als ooit te voren—meer misschien, als dat kan.»De jonge vrouw kijkt verrast op, en drukt hem[47]sprakeloos de hand. Dan brengt ze met moeite uit:«O, Frans …»«Zeker» hervat hij met groote stelligheid in zijn toon en overtuiging in zijn blik.«Ik ben ’t nu volkomen met je eens. Volkomen, hoor je. Dat je niets gedaan hebt, waarvoor je in je hart, tegenover je geweten, eenige schaamte hebt te voelen. Ik geloof nu met je, dat het huwelijk een zaak is van hart en geweten: deliefdebeslist, of twee menschen bij elkaar zullen leven als man en vrouw, niet een trouwing in kerk of stadhuis. Jouw huwelijk is achtenswaardiger—zoo als jij het opvatte en erin geloofde—dan menige verbintenis, die door een priester is ingezegend.»Dan van toon veranderend, gaat hij met groote vleiing in stem en blik voort:«Alles is weer als te voren tusschen ons, niet waar, Marta?»De ander schudt het hoofd, en antwoordt droef, maar gelaten:«Och, Frans, hoe graag zouikdat willen!»«Maar datisimmers zoo. We kunnen immers nog gelukkig zijn samen.» Zijn stem dringt, smeekt haast.«Wij? Nooit.…. Laten we ons samentreffen en onze vriendschap—onuitgesproken liefde zoo lang!—als een zonnige epizode uit ons[48]leven beschouwen. Die nu voorbij is.….»Ondanks de groote inspanning, die Marta zich geeft om zich goed te houden, wordt het gevoel haar hier weder te machtig. En ze geeft vrij spel aan haar tranen. Doch ’t is maar even. Als ze haar zakdoek van ’t gelaat neemt, staat er weer een glimlach op.«Dat’s voor goed voorbij, Frans. Maar toch: ’t was een heerlijke tijd voor mij. Ik zal er altijd met dankbaarheid aan terugdenken. De herinnering»—ze stokt even—«zal me kracht geven in mijn latere strijd.» En ze staart vóor zich uit.Frans is vóor haar op zijn knieën gevallen en vat haar hand. Een vage angst geeft aan zijn stem slechts zwakke overreding.Ze glimlacht flauwtjes, als ze ’t hoofd opricht en hem aankijkt, neerblikkend in zijn kinderlijk oprechte oogopslag.«Ik ben niet somber en mismoedig … Ik zie alleen wat onvermijdelijk is. Wij kunnen niet samenleven …»«Waarom niet? Hoû je niet genoeg van me? Hoû je van mij minder … dan van die … man?»«Och, Frans! Juist omdat ik je zoo liefheb, kan ik zoo’n offer niet van je aannemen.»«Offer! als ik mijn geluk daarin zie!»«Och, dat zeg jenu. Wie waarborgt me, dat[49]je altijd zoo zult blijven denken? Kun jij instaan voor je hart, dat het niet eenmaal zwichten zal voor je verstand?…»«Foei, Marta, hoû je me voor zoo wankelmoedig? Geloof je zoo weinig in mijn kracht?»«De wereld, Frans …»«Och wat! Jij bent mijn wereld. Met jouw liefde heb ik moed en kracht voor alles. Ik spuw op die wereld, als ik weet dat jij me lief hebt en hoogacht.»«Ik geloof immers in je oprechtheid, Frans.»«Nu, wat wil je dan meer?» Er is allengs meer vastheid in zijn toon gekomen. «Kom, Marta» hervat hij weer geheel op dreef. «Laat me welgemoed van je heengaan. Ik wil met mijn vader een afdoend gesprek hebben. Zoo spoedig mogelijk … Laat alles weer bij ’t oude zijn tusschen ons …»Op Frans’ dringend vragende blik wendt de jonge vrouw haar oogen af. Ze zwijgt even, weer peinzend vóor zich uit starend.«Je vader!» antwoordt ze dan, als sprak ze tot zichzelf. «Geloof je, dat die ooit zijn toestemming zou geven?»Heftig valt Frans uit.«Als ik hem vóor ’t feit stel, dat mijn wil vaststaat, dat mijn besluit onherroepelijk is?… En[50]dan … als hij weigert … doe ik toch mijn zin: ik ben immers meerderjarig! Dat vergat de man zooeven in zijn drift, toen hij van de politie sprak.»Weer kijken Marta’s mooie donkere oogen recht in de zijne. ’t Is of ze even aarzelt, maar de kleine flikkering in haar blik wijkt onmiddellijk weer. En op dezelfde toon van welmeenende medevoelende, maar berustende verstandigheid, antwoordt ze zacht:«Maar wat doe je zonder hem? Hij kan je immers dwingen zoolang je nog van hemafhankelijkbent?»«Nou ja, daar heb ik maling aan,» zegt Frans met een fiere rukbeweging van zijn hoofd.«Ik zal mijn eigen brood wel kunnen verdienen. Als ik maar wil. Voor jou erbij, als ’t moest.»Marta kijkt meewarig, maar ongeloovig.«Nee, Frans, je zou zijn toestemming moeten hebben. Je vader geeft die nooit.»«Dat zie ik nog niet in. Mijn moeder is er ook nog.»Er is weinig overtuiging in die woorden, al tracht de spreker ze erin te leggen. Hij voelt de mislukking van zijn pogen, om zijn vriendin erin te doen gelooven. Als deze dan ook opmerkt:«Je hebt me zelf verteld, dat die zoo weinig[51]invloed op je vader had», antwoordt hij kregelig en in ’t wilde weg:«Nou ja, in zulke dingen.»«Juist in zulke dingen» geeftMartaterug. «Je weet, wat een man van de vormen, van’t goed fatsoenje vader is. Hij is immers een deftig man.»«Ja, God beter ’t … Lid van de Kerkeraad.. kristelijk in alles, behalve zijn gedrag thuis, tegenover moeder en mij.… en nog een enkele kleinigheid.»Frans heeft zich opgericht en is weer naast Marta gaan zitten. Deze glimlacht om zijn uitval Dan zegt ze na korte weifeling:«Je weet, er is een groote zaak, waarin je je moeder ook stellig niet aan je zijde zult hebben. Je zegt me, dat ze vroom is?»«Ja. De arme vrouw zoekt daarin de eenige troost tegen al haar leed thuis.»«Nu! En ik ben een Jodin!»Frans maakt een gebaar van ergernis.«Maar, Marta, wat ’n onzin is dat nu! Jij bent een Jodin zooals ik een Germaan. Wat doet dat er nu toe?»«Voor jou niet. Maar voor menschen als je ouders …»«Een man als mijn vader heeft nogal recht van praten.»[52]«’t Is hier niet de vraag, wat recht is. Hij zal eenvoudig weigeren, en je moeder zal ’t van haar kant vreeselijk vinden, dat je met een Jodin wil trouwen … die ook nog «zoo’n geschiedenis» achter de rug heeft …» Ze zwijgt even. Dan met een zucht: «Och nee, Frans, er is nergens hoop voor ons … Kom, je moet hier vandaan. Laat me alleen. Ik heb behoefte om tot mezelf te komen. ’t Is alles zoo opeens gekomen …»’t Stroeve van Marta’s toon waarmee ze haar groote ontroering tracht te verbergen, doet de jonge man zeer pijnlijk aan.Van de sofa opstaande, roept hij vol angst:«Dus je stoot me van je af?»Haar heldere oprechte blik is weer vol op hem gericht.«Frans!» zegt ze zacht verwijtend. «Wees nu een man. Ik heb je immers uitgelegd, dat het niet kan.… al.… al breekt mijn hart er ook onder …»«Je wilt niet in mijn liefde gelooven!» antwoordt Frans hartstochtelijk. «Je durft de kracht van mijn liefde niet beproeven.» Mistroostig doet hij een paar schreden de kamer in.«Nee Frans,» geeft Marta bedaard terug, «dat is me te gewaagd. Versta me wel: voorjoubedoel ik.Ikzal van je blijven houden. De wereld[53]staat toch al vijandig tegenover me, en de liefde voor jou kan door die wereld niet meer aan ’t wankelen gebracht worden. Maar jij: je moet nog alles van de wereld ontvangen. Je heele toekomst.»«Dat ben jij voor me, Marta,» zegt de jonge man met groote innigheid, terwijl hij recht vóor haar blijft staan. En haast smeekend vervolgt hij: «Och, Marta, wees niet zoo hard. Ik zal nooit berouw hebben over mijn liefde voor je. We zullen steun vinden aan elkaar.»De ander schudt droevig het hoofd:«Een huwelijk in de gewone zin van ’t woord is onmogelijk. En iets anders is even onmogelijk: je zou er je heele toekomst mee breken.» Ze wendt zuchtend het hoofd af.«Dus je weigert beslist?» hervat Frans, schier wanhopig.Marta ziet hem vol droefheid aan.«Ja Frans,» zegt ze nochtans kalm. «’t Kan niet anders.»’t Berustende en afdoende in haar toon en houding grijpen de jonge man zoodanig aan, dat hij zich op een stoel laat vallen en daar krampachtig begint te snikken.«Je houdt niet van me! Je houdt niet van me!» roept hij bitter en heftig.[54]Marta is opgestaan en komt naar hem toe. Dan legt ze hem de hand op de schouder, en zegt met lieve streeling in haar klankrijke altstem:«Och Frans, wat zou ik je dolgraag gelukkig maken.»De schreiende slaat de oogen op, met een glans van blijde hoop in de blik.«Maar doe ’t dan … doe ’t dan,» dringt hij heftig. «Marta, mijn liefste … liefste lieveling.. doe ’t dan!»Hij grijpt haar hand en drukt die in zijn beide handen. Zijn oogen, groot dringend borend zoeken de hare. Verbijsterd ontwijkt ze zijn blik, antwoordt niet.De ander gaat woest voort.«Zeg, je wil wel, is ’t niet?… Je wil wel? Om mij gelukkig te maken?» Steeds blijft hij haar hand vastklemmen, zoodat ze eenigszins tot hem overbuigt.«Och Frans», stamelt ze eindelijk als willoos.«Jawel, ik zie ’t: je wil wel!» roept Frans zegevierend.«’t Is alleen je engelachtige zelfopofferende liefde die je weerhoudt. Maar ik wil geen offer van jou, Marta, versta je me? Evenmin ik van jou. Ik wil niet, dat je je ongelukkig zult voelen—om mij. Dat je alleen zult staan in je strijd[55]tegen de wereld … Ik wil met je zijn, tegen alles en iedereen …»Droomerig, als luisterend naar een zoete verlokking, hoort Marta zijn woorden aan. Dan, voor ’t eerst hem weer in de oogen ziende, antwoordt ze aarzelend, maar toch met een popeling van vreugde in haar hart:«Zou je dat willen? Zou je dat kunnen?» Doch opeens van toon veranderend, en zich losmakend van zijn greep, als kwam ze nu eerst recht tot bezinning, herstelt ze zich.«Och nee, Frans, ’t is onmogelijk, onzinnig: ik mag zoo iets niet aannemen.»[56]
Gedurende dit korte tooneel, dat wellicht in niet langer dan een kwartier tusschen die twee menschen afgespeeld was, had er in Frans een merkwaardige verandering plaats. In zijn overigens zoo vlak, zoo gebeurtenis-arm bestaan van rijkeluis-zoontje vormde deze korte spanne tijds een oase van krachtig zelfbewust leven, zooals hij dat te voren nooit gekend had. Hij had een vaag besef, dat hij nu aan een keerpunt gekomen was: een heerlijke jonge geestdrift doortintelde hem. Hij wilde handelen, man zijn. En al ’t goede, dat in hem sluimerde, was opgestaan en woelde in hem op, drong tot uiting.
Met een ruk stond hij van de stoel op, waar hij de laatste oogenblikken met gebogen hoofd gezeten had, en zette zich naast zijn vriendin op de sofa.
«Ik weet nu alles, Marta,» zegt hij met een[46]blik vol teederheid op haar. «Ik begrijp je. Dat kind kan immers niet helpen, dat het die man tot vader heeft. En ’t zal behoefte genoeg krijgen aan je liefde.… Later.…»
Marta brengt de zakdoek weer aan haar oogen.
«Ja,» stamelt ze met afgewend hoofd. «O, die gedachte maakt me soms radeloos: dat die wreede wereld hem later zal laten boeten voor onze daad.»
«Zijn daad, bedoel je.»
«Nu ja, ik bedoel ons trotseeren van de openbare meening, van de gewone gangbare zedeleer.» Ze zwijgt even. «Je weet nu alles, he?» En ze werpt een schuchtere blik op Frans, als verwacht ze met spanning iets uit zijn mond: «Ben je nu tevreden?.…. Immers niet. Je kunt me.… niet meer liefhebben … niet meer achten … als te voren.»
Frans grijpt hartstochtelijk haar hand, die ze willoos in de zijne laat.
«Och, Marta,» zegt hij innig. «Vergeef me. Ik heb een openbaring gehad, ik zie nu alles helder in. Ik ben ’t slachtoffer geweest van verblinding. Van dom vooroordeel. Ik heb evenveel achting voor je als ooit te voren—meer misschien, als dat kan.»
De jonge vrouw kijkt verrast op, en drukt hem[47]sprakeloos de hand. Dan brengt ze met moeite uit:«O, Frans …»
«Zeker» hervat hij met groote stelligheid in zijn toon en overtuiging in zijn blik.«Ik ben ’t nu volkomen met je eens. Volkomen, hoor je. Dat je niets gedaan hebt, waarvoor je in je hart, tegenover je geweten, eenige schaamte hebt te voelen. Ik geloof nu met je, dat het huwelijk een zaak is van hart en geweten: deliefdebeslist, of twee menschen bij elkaar zullen leven als man en vrouw, niet een trouwing in kerk of stadhuis. Jouw huwelijk is achtenswaardiger—zoo als jij het opvatte en erin geloofde—dan menige verbintenis, die door een priester is ingezegend.»
Dan van toon veranderend, gaat hij met groote vleiing in stem en blik voort:
«Alles is weer als te voren tusschen ons, niet waar, Marta?»
De ander schudt het hoofd, en antwoordt droef, maar gelaten:
«Och, Frans, hoe graag zouikdat willen!»
«Maar datisimmers zoo. We kunnen immers nog gelukkig zijn samen.» Zijn stem dringt, smeekt haast.
«Wij? Nooit.…. Laten we ons samentreffen en onze vriendschap—onuitgesproken liefde zoo lang!—als een zonnige epizode uit ons[48]leven beschouwen. Die nu voorbij is.….»
Ondanks de groote inspanning, die Marta zich geeft om zich goed te houden, wordt het gevoel haar hier weder te machtig. En ze geeft vrij spel aan haar tranen. Doch ’t is maar even. Als ze haar zakdoek van ’t gelaat neemt, staat er weer een glimlach op.
«Dat’s voor goed voorbij, Frans. Maar toch: ’t was een heerlijke tijd voor mij. Ik zal er altijd met dankbaarheid aan terugdenken. De herinnering»—ze stokt even—«zal me kracht geven in mijn latere strijd.» En ze staart vóor zich uit.
Frans is vóor haar op zijn knieën gevallen en vat haar hand. Een vage angst geeft aan zijn stem slechts zwakke overreding.
Ze glimlacht flauwtjes, als ze ’t hoofd opricht en hem aankijkt, neerblikkend in zijn kinderlijk oprechte oogopslag.
«Ik ben niet somber en mismoedig … Ik zie alleen wat onvermijdelijk is. Wij kunnen niet samenleven …»
«Waarom niet? Hoû je niet genoeg van me? Hoû je van mij minder … dan van die … man?»
«Och, Frans! Juist omdat ik je zoo liefheb, kan ik zoo’n offer niet van je aannemen.»
«Offer! als ik mijn geluk daarin zie!»
«Och, dat zeg jenu. Wie waarborgt me, dat[49]je altijd zoo zult blijven denken? Kun jij instaan voor je hart, dat het niet eenmaal zwichten zal voor je verstand?…»
«Foei, Marta, hoû je me voor zoo wankelmoedig? Geloof je zoo weinig in mijn kracht?»
«De wereld, Frans …»
«Och wat! Jij bent mijn wereld. Met jouw liefde heb ik moed en kracht voor alles. Ik spuw op die wereld, als ik weet dat jij me lief hebt en hoogacht.»
«Ik geloof immers in je oprechtheid, Frans.»
«Nu, wat wil je dan meer?» Er is allengs meer vastheid in zijn toon gekomen. «Kom, Marta» hervat hij weer geheel op dreef. «Laat me welgemoed van je heengaan. Ik wil met mijn vader een afdoend gesprek hebben. Zoo spoedig mogelijk … Laat alles weer bij ’t oude zijn tusschen ons …»
Op Frans’ dringend vragende blik wendt de jonge vrouw haar oogen af. Ze zwijgt even, weer peinzend vóor zich uit starend.
«Je vader!» antwoordt ze dan, als sprak ze tot zichzelf. «Geloof je, dat die ooit zijn toestemming zou geven?»
Heftig valt Frans uit.
«Als ik hem vóor ’t feit stel, dat mijn wil vaststaat, dat mijn besluit onherroepelijk is?… En[50]dan … als hij weigert … doe ik toch mijn zin: ik ben immers meerderjarig! Dat vergat de man zooeven in zijn drift, toen hij van de politie sprak.»
Weer kijken Marta’s mooie donkere oogen recht in de zijne. ’t Is of ze even aarzelt, maar de kleine flikkering in haar blik wijkt onmiddellijk weer. En op dezelfde toon van welmeenende medevoelende, maar berustende verstandigheid, antwoordt ze zacht:
«Maar wat doe je zonder hem? Hij kan je immers dwingen zoolang je nog van hemafhankelijkbent?»
«Nou ja, daar heb ik maling aan,» zegt Frans met een fiere rukbeweging van zijn hoofd.«Ik zal mijn eigen brood wel kunnen verdienen. Als ik maar wil. Voor jou erbij, als ’t moest.»
Marta kijkt meewarig, maar ongeloovig.
«Nee, Frans, je zou zijn toestemming moeten hebben. Je vader geeft die nooit.»
«Dat zie ik nog niet in. Mijn moeder is er ook nog.»
Er is weinig overtuiging in die woorden, al tracht de spreker ze erin te leggen. Hij voelt de mislukking van zijn pogen, om zijn vriendin erin te doen gelooven. Als deze dan ook opmerkt:
«Je hebt me zelf verteld, dat die zoo weinig[51]invloed op je vader had», antwoordt hij kregelig en in ’t wilde weg:
«Nou ja, in zulke dingen.»
«Juist in zulke dingen» geeftMartaterug. «Je weet, wat een man van de vormen, van’t goed fatsoenje vader is. Hij is immers een deftig man.»
«Ja, God beter ’t … Lid van de Kerkeraad.. kristelijk in alles, behalve zijn gedrag thuis, tegenover moeder en mij.… en nog een enkele kleinigheid.»
Frans heeft zich opgericht en is weer naast Marta gaan zitten. Deze glimlacht om zijn uitval Dan zegt ze na korte weifeling:
«Je weet, er is een groote zaak, waarin je je moeder ook stellig niet aan je zijde zult hebben. Je zegt me, dat ze vroom is?»
«Ja. De arme vrouw zoekt daarin de eenige troost tegen al haar leed thuis.»
«Nu! En ik ben een Jodin!»
Frans maakt een gebaar van ergernis.
«Maar, Marta, wat ’n onzin is dat nu! Jij bent een Jodin zooals ik een Germaan. Wat doet dat er nu toe?»
«Voor jou niet. Maar voor menschen als je ouders …»
«Een man als mijn vader heeft nogal recht van praten.»[52]
«’t Is hier niet de vraag, wat recht is. Hij zal eenvoudig weigeren, en je moeder zal ’t van haar kant vreeselijk vinden, dat je met een Jodin wil trouwen … die ook nog «zoo’n geschiedenis» achter de rug heeft …» Ze zwijgt even. Dan met een zucht: «Och nee, Frans, er is nergens hoop voor ons … Kom, je moet hier vandaan. Laat me alleen. Ik heb behoefte om tot mezelf te komen. ’t Is alles zoo opeens gekomen …»
’t Stroeve van Marta’s toon waarmee ze haar groote ontroering tracht te verbergen, doet de jonge man zeer pijnlijk aan.
Van de sofa opstaande, roept hij vol angst:
«Dus je stoot me van je af?»
Haar heldere oprechte blik is weer vol op hem gericht.
«Frans!» zegt ze zacht verwijtend. «Wees nu een man. Ik heb je immers uitgelegd, dat het niet kan.… al.… al breekt mijn hart er ook onder …»
«Je wilt niet in mijn liefde gelooven!» antwoordt Frans hartstochtelijk. «Je durft de kracht van mijn liefde niet beproeven.» Mistroostig doet hij een paar schreden de kamer in.
«Nee Frans,» geeft Marta bedaard terug, «dat is me te gewaagd. Versta me wel: voorjoubedoel ik.Ikzal van je blijven houden. De wereld[53]staat toch al vijandig tegenover me, en de liefde voor jou kan door die wereld niet meer aan ’t wankelen gebracht worden. Maar jij: je moet nog alles van de wereld ontvangen. Je heele toekomst.»
«Dat ben jij voor me, Marta,» zegt de jonge man met groote innigheid, terwijl hij recht vóor haar blijft staan. En haast smeekend vervolgt hij: «Och, Marta, wees niet zoo hard. Ik zal nooit berouw hebben over mijn liefde voor je. We zullen steun vinden aan elkaar.»
De ander schudt droevig het hoofd:
«Een huwelijk in de gewone zin van ’t woord is onmogelijk. En iets anders is even onmogelijk: je zou er je heele toekomst mee breken.» Ze wendt zuchtend het hoofd af.
«Dus je weigert beslist?» hervat Frans, schier wanhopig.
Marta ziet hem vol droefheid aan.
«Ja Frans,» zegt ze nochtans kalm. «’t Kan niet anders.»
’t Berustende en afdoende in haar toon en houding grijpen de jonge man zoodanig aan, dat hij zich op een stoel laat vallen en daar krampachtig begint te snikken.
«Je houdt niet van me! Je houdt niet van me!» roept hij bitter en heftig.[54]
Marta is opgestaan en komt naar hem toe. Dan legt ze hem de hand op de schouder, en zegt met lieve streeling in haar klankrijke altstem:
«Och Frans, wat zou ik je dolgraag gelukkig maken.»
De schreiende slaat de oogen op, met een glans van blijde hoop in de blik.
«Maar doe ’t dan … doe ’t dan,» dringt hij heftig. «Marta, mijn liefste … liefste lieveling.. doe ’t dan!»
Hij grijpt haar hand en drukt die in zijn beide handen. Zijn oogen, groot dringend borend zoeken de hare. Verbijsterd ontwijkt ze zijn blik, antwoordt niet.
De ander gaat woest voort.
«Zeg, je wil wel, is ’t niet?… Je wil wel? Om mij gelukkig te maken?» Steeds blijft hij haar hand vastklemmen, zoodat ze eenigszins tot hem overbuigt.
«Och Frans», stamelt ze eindelijk als willoos.
«Jawel, ik zie ’t: je wil wel!» roept Frans zegevierend.
«’t Is alleen je engelachtige zelfopofferende liefde die je weerhoudt. Maar ik wil geen offer van jou, Marta, versta je me? Evenmin ik van jou. Ik wil niet, dat je je ongelukkig zult voelen—om mij. Dat je alleen zult staan in je strijd[55]tegen de wereld … Ik wil met je zijn, tegen alles en iedereen …»
Droomerig, als luisterend naar een zoete verlokking, hoort Marta zijn woorden aan. Dan, voor ’t eerst hem weer in de oogen ziende, antwoordt ze aarzelend, maar toch met een popeling van vreugde in haar hart:
«Zou je dat willen? Zou je dat kunnen?» Doch opeens van toon veranderend, en zich losmakend van zijn greep, als kwam ze nu eerst recht tot bezinning, herstelt ze zich.
«Och nee, Frans, ’t is onmogelijk, onzinnig: ik mag zoo iets niet aannemen.»[56]