[Inhoud]HOOFDSTUK V.Een oogenblik maakt Marta’s besliste toon indruk; doch de jonge man ziet iets in haar houding, dat zijn hoop staande houdt.«Marta, in Godsnaam,» smeekt hij, «denk ook aan mijn geluk, als je dan niet aan ’t jouwe wil denken. Stel, dat ik ook erg lijden zou, omdat ik me aan je zijde geschaard had tegen de booze wereld: dacht je dan, dat ik gelukkiger zou wezen, wanneer die booze wereld me van je gescheiden had? Dacht je, dat ooit een andere vrouw me gelukkig zou kunnen maken? Ik zal er nooit nooit zoo een vinden als jij, Marta.»«Maar Frans … hoe kan je ooit van mijn kind houden?»Een hooge blos geeft bij de jonge vrouw blijk van de ontroering, die ’t uitspreken dezer gedachte bij haar opwekt. «En dat zou toch moeten,» hervat ze met een lief-verlegen lach, «ook voor mijn geluk.»[57]«Maar waarom niet!» roept de ander hartstochtelijk.«Ik zal van hem houden, omdat het jouw kind is, Marta. Ik hoû nu al van hem. Laat me zijn portret zien … Heb je een portret van hem?»Er flitst iets blijs in Marta’s oogen.«Ik draag zijn portretje altijd hier in een medaljon.» En ze wijst op haar boezem.«O ja, dat medaljon, dat je me nooit wou laten openmaken.»«Natuurlijk niet …»Ze haalt het voor den dag, en neemt het van haar hals af.«Hier is ’t», zegt ze met een streeling in haar stem.«Kom even op de sofa,» antwoordt Frans, het medaljon aannemend, en haar meetroonend. Ze zetten zich naast elkaar en bekijken samen het portretje. Eenige oogenblikken zegt geen van beiden een woord. Dan verbreekt Frans de stilte.«Een heerlijke jongen …» zegt hij vol warme innigheid.«Nie’ waar?» klinkt het gretig terug. «Arme snoes …» En als ze dit zegt, moet ze even een traan wegpinken.Frans gaat heftig voort:«En zou ik van die jongen niet kunnen houden?[58]Ik zeg je, ik hoû nu al van hem, en nu ik zijn lief bakkesje gezien heb, nog meer.» Weer kijkt hij met aandacht naar het kinderkopje.«Hij lijkt op jou, dezelfde donkere oogen, dezelfde fijne trekken.»Het medaljon naar zich toe trekkend, beziet hij het nog eens alleen, met liefkoozende blikken.«Daar, ik kus je jongen», roept hij uit «als belofte, dat ik een vader voor hem wezen zal. Arm kereltje!»Marta valt hem schreiend om de hals.«O Frans,» zegt ze ontroerd, «als ’t ’s waar was.… als dat ’s kon … Laat me denken.»Ze maakt zich van hem los, en hervat met diepen ernst in haar toon:«’t Is alles zoo overstelpend. Zoo overweldigend, ’t Zou zoo heerlijk, zoo zalig zijn..» Dan verzinkt ze in gepeins.Met iets droomerigs, als sprak ze weer tot zichzelve, herneemt Marta na enkele oogenblikken:«Wat zou ik me sterk voelen … want ik voel me niet meer zoo sterk als te voren—Och, ik ben een vrouw als alle anderen—Wat heb ik mezelf misleid en gemeend, dat ik buiten liefde leven kon! Dat ik kracht genoeg putten kon uit … mijn zuiver geweten; uit mijn studie, mijn[59]mooie toekomst-droomen en idealen!—En toch gezwicht …»«Woû je ’t dan anders hebben?» valt Frans in, «Neem de zaken zooals ze zijn, Marta. En beslis nu. Ik moet je antwoord hebben, voordat ik mijn vader spreek. De overtuiging, dat wij beiden onwrikbaar vast aaneengesloten staan, zal me als een borstwering zijn tegen zijn aanvallen.»Als Marta blijft zwijgen, gaat hij dringender voort:«Geef me je woord, Marta … wil je, dat ik, hoe dan ook, je vriend zal worden voor je heele leven, voor jou en je kind? ’t Kind zal zelfs nooit weten, dat ik zijn vader niet ben, zoolang dat niet noodig is.»Nog steeds zonder te antwoorden neemt de jonge vrouw het medaljon uit Frans’ handen, en hangt hetzichweer om, na nog even een blik op ’t portretje van haar kind te hebben geslagen. Dan zit ze enkele oogenblikken in gedachten, geroerd tot in ’t diepst van haar ziel, met neergeslagen oogen. Op eens slaat ze de blik op, en zegt vastberaden:«Ik wil, Frans.» En ze vleit zich weer tegen hem aan en kust hem. De ander slaat zijn arm om haar heen, geeft haar een innige kus terug, en dan, haar een eindje van zich af houdend en haar diep in de oogen ziende, zegt hij:[60]«En geloof je nu ook, dat ik je hoogschat evenals vroeger?»«Natuurlijk, Frans.»«En hoû je nu ook een heel klein beetje van mij … afgescheiden van alles … eenvoudig omdat ik ben wie ik ben?»«Niet een heel klein beetje, maar veel, oneindig veel.» En als ze dit zegt, verbergt ze blozend haar hoofd aan zijn schouder.«En zal je je nu weer sterk voelen?» hervat Frans, na een oogenblik van zalig zwijgend opgaan in de weelde zijner aandoeningen. «Zul je weer de vroegere flinke verstandige Marta wezen, die vrij en frank met opgeheven hoofd haar weg door ’t leven gaat?»Ze kijkt hem aan met een blik van oprecht vertrouwen.«Ja, Frans,» antwoordt ze. «Met jou wel.» Dan zwijgen beiden, elk verzonken in eigen gepeins.«Hoe heet onze jongen?» vraagt Frans op-eens.De ander kijkt aangenaam verrast op.«Bram …» antwoordt ze «Abraham … naar mijn vader. Een leelijke naam, he?»«Nee, waarom?Maar—dat heb ik je nog niet gevraagd,hoe denkt je oom over die … zaak?»Marta’s trekken versomberen merkbaar.[61]«O, ellendig,» zegt ze met een zucht.«Ik heb geheel met hem gebroken. Met allen trouwens.»«En ik dacht, dat je oom dezelfde denkbeelden had als jij, of liever: jij hebt immers al je denkbeelden over liefde en zedelijkheid van hem. Je hebt niet anders gedaan dan die idees in toepassing brengen.»«Ja …» antwoordt Marta droevig. «En dat is ook zoo’n vreeselijke gedachte voor me. Mijn oom, die ik zoo vereerde.., die ik nog vereer.., ze hebben hem opgestookt. Ik weet wel wie … Hij denkt, dat ik ontrouw ben geworden aan mijn hooge beginselen. Hij wil me niet meer zien …»De aandoening is haar te machtig en ze barst weer in schreien uit; haar gezicht verbergend in versmoord snikken.«Kom, Marta», tracht de jonge man te troosten. «Dat komt terecht: ik zal hem wel weten te overtuigen. Als hij ziet, datikin je geloof, hoe kan hij je dan nog blijven veroordeelen?»Ze ziet hem aan en droogt haar tranen.«Goed, Frans», zegt ze zacht. «Dank, mijn beste jongen. Maar laat me nu alleen. Ik heb rust noodig … En jij», gaat ze vol vriendelijke bezorgdheid voort «ga jij nu niet dadelijk je vader spreken. Kom ook zelf eerst wat tot bedaren. Stel je gesprek met hem tot morgen uit.»[62]«Goed», antwoordt de jonge man, opstaande «als ik je daarmee genoegen kan doen.»Hij richt zich naar een stoel, waar zijn hoed op ligt, en neemt deze in de hand. Marta is inmiddels ook opgestaan.«Daarvoor niet alleen», zegt ze bij de deur, «ook om de zaak zelf. Je zult jezelf nu niet voldoende meester zijn. Je hebt kalmte noodig … heel noodig …»«Goed, goed, ik zal’tdoen, hoor. Morgen breng ik je bericht.»«Hoe laat?»«Morgen na de koffie. Om twee uur. Tot ziens dan, lieveling.» Hij kust haar. «Hou jij je nu ook kalm. En denk eens lief aan me.»Ze knikt hem toe als antwoord, als hij al op de gang is.[63]
[Inhoud]HOOFDSTUK V.Een oogenblik maakt Marta’s besliste toon indruk; doch de jonge man ziet iets in haar houding, dat zijn hoop staande houdt.«Marta, in Godsnaam,» smeekt hij, «denk ook aan mijn geluk, als je dan niet aan ’t jouwe wil denken. Stel, dat ik ook erg lijden zou, omdat ik me aan je zijde geschaard had tegen de booze wereld: dacht je dan, dat ik gelukkiger zou wezen, wanneer die booze wereld me van je gescheiden had? Dacht je, dat ooit een andere vrouw me gelukkig zou kunnen maken? Ik zal er nooit nooit zoo een vinden als jij, Marta.»«Maar Frans … hoe kan je ooit van mijn kind houden?»Een hooge blos geeft bij de jonge vrouw blijk van de ontroering, die ’t uitspreken dezer gedachte bij haar opwekt. «En dat zou toch moeten,» hervat ze met een lief-verlegen lach, «ook voor mijn geluk.»[57]«Maar waarom niet!» roept de ander hartstochtelijk.«Ik zal van hem houden, omdat het jouw kind is, Marta. Ik hoû nu al van hem. Laat me zijn portret zien … Heb je een portret van hem?»Er flitst iets blijs in Marta’s oogen.«Ik draag zijn portretje altijd hier in een medaljon.» En ze wijst op haar boezem.«O ja, dat medaljon, dat je me nooit wou laten openmaken.»«Natuurlijk niet …»Ze haalt het voor den dag, en neemt het van haar hals af.«Hier is ’t», zegt ze met een streeling in haar stem.«Kom even op de sofa,» antwoordt Frans, het medaljon aannemend, en haar meetroonend. Ze zetten zich naast elkaar en bekijken samen het portretje. Eenige oogenblikken zegt geen van beiden een woord. Dan verbreekt Frans de stilte.«Een heerlijke jongen …» zegt hij vol warme innigheid.«Nie’ waar?» klinkt het gretig terug. «Arme snoes …» En als ze dit zegt, moet ze even een traan wegpinken.Frans gaat heftig voort:«En zou ik van die jongen niet kunnen houden?[58]Ik zeg je, ik hoû nu al van hem, en nu ik zijn lief bakkesje gezien heb, nog meer.» Weer kijkt hij met aandacht naar het kinderkopje.«Hij lijkt op jou, dezelfde donkere oogen, dezelfde fijne trekken.»Het medaljon naar zich toe trekkend, beziet hij het nog eens alleen, met liefkoozende blikken.«Daar, ik kus je jongen», roept hij uit «als belofte, dat ik een vader voor hem wezen zal. Arm kereltje!»Marta valt hem schreiend om de hals.«O Frans,» zegt ze ontroerd, «als ’t ’s waar was.… als dat ’s kon … Laat me denken.»Ze maakt zich van hem los, en hervat met diepen ernst in haar toon:«’t Is alles zoo overstelpend. Zoo overweldigend, ’t Zou zoo heerlijk, zoo zalig zijn..» Dan verzinkt ze in gepeins.Met iets droomerigs, als sprak ze weer tot zichzelve, herneemt Marta na enkele oogenblikken:«Wat zou ik me sterk voelen … want ik voel me niet meer zoo sterk als te voren—Och, ik ben een vrouw als alle anderen—Wat heb ik mezelf misleid en gemeend, dat ik buiten liefde leven kon! Dat ik kracht genoeg putten kon uit … mijn zuiver geweten; uit mijn studie, mijn[59]mooie toekomst-droomen en idealen!—En toch gezwicht …»«Woû je ’t dan anders hebben?» valt Frans in, «Neem de zaken zooals ze zijn, Marta. En beslis nu. Ik moet je antwoord hebben, voordat ik mijn vader spreek. De overtuiging, dat wij beiden onwrikbaar vast aaneengesloten staan, zal me als een borstwering zijn tegen zijn aanvallen.»Als Marta blijft zwijgen, gaat hij dringender voort:«Geef me je woord, Marta … wil je, dat ik, hoe dan ook, je vriend zal worden voor je heele leven, voor jou en je kind? ’t Kind zal zelfs nooit weten, dat ik zijn vader niet ben, zoolang dat niet noodig is.»Nog steeds zonder te antwoorden neemt de jonge vrouw het medaljon uit Frans’ handen, en hangt hetzichweer om, na nog even een blik op ’t portretje van haar kind te hebben geslagen. Dan zit ze enkele oogenblikken in gedachten, geroerd tot in ’t diepst van haar ziel, met neergeslagen oogen. Op eens slaat ze de blik op, en zegt vastberaden:«Ik wil, Frans.» En ze vleit zich weer tegen hem aan en kust hem. De ander slaat zijn arm om haar heen, geeft haar een innige kus terug, en dan, haar een eindje van zich af houdend en haar diep in de oogen ziende, zegt hij:[60]«En geloof je nu ook, dat ik je hoogschat evenals vroeger?»«Natuurlijk, Frans.»«En hoû je nu ook een heel klein beetje van mij … afgescheiden van alles … eenvoudig omdat ik ben wie ik ben?»«Niet een heel klein beetje, maar veel, oneindig veel.» En als ze dit zegt, verbergt ze blozend haar hoofd aan zijn schouder.«En zal je je nu weer sterk voelen?» hervat Frans, na een oogenblik van zalig zwijgend opgaan in de weelde zijner aandoeningen. «Zul je weer de vroegere flinke verstandige Marta wezen, die vrij en frank met opgeheven hoofd haar weg door ’t leven gaat?»Ze kijkt hem aan met een blik van oprecht vertrouwen.«Ja, Frans,» antwoordt ze. «Met jou wel.» Dan zwijgen beiden, elk verzonken in eigen gepeins.«Hoe heet onze jongen?» vraagt Frans op-eens.De ander kijkt aangenaam verrast op.«Bram …» antwoordt ze «Abraham … naar mijn vader. Een leelijke naam, he?»«Nee, waarom?Maar—dat heb ik je nog niet gevraagd,hoe denkt je oom over die … zaak?»Marta’s trekken versomberen merkbaar.[61]«O, ellendig,» zegt ze met een zucht.«Ik heb geheel met hem gebroken. Met allen trouwens.»«En ik dacht, dat je oom dezelfde denkbeelden had als jij, of liever: jij hebt immers al je denkbeelden over liefde en zedelijkheid van hem. Je hebt niet anders gedaan dan die idees in toepassing brengen.»«Ja …» antwoordt Marta droevig. «En dat is ook zoo’n vreeselijke gedachte voor me. Mijn oom, die ik zoo vereerde.., die ik nog vereer.., ze hebben hem opgestookt. Ik weet wel wie … Hij denkt, dat ik ontrouw ben geworden aan mijn hooge beginselen. Hij wil me niet meer zien …»De aandoening is haar te machtig en ze barst weer in schreien uit; haar gezicht verbergend in versmoord snikken.«Kom, Marta», tracht de jonge man te troosten. «Dat komt terecht: ik zal hem wel weten te overtuigen. Als hij ziet, datikin je geloof, hoe kan hij je dan nog blijven veroordeelen?»Ze ziet hem aan en droogt haar tranen.«Goed, Frans», zegt ze zacht. «Dank, mijn beste jongen. Maar laat me nu alleen. Ik heb rust noodig … En jij», gaat ze vol vriendelijke bezorgdheid voort «ga jij nu niet dadelijk je vader spreken. Kom ook zelf eerst wat tot bedaren. Stel je gesprek met hem tot morgen uit.»[62]«Goed», antwoordt de jonge man, opstaande «als ik je daarmee genoegen kan doen.»Hij richt zich naar een stoel, waar zijn hoed op ligt, en neemt deze in de hand. Marta is inmiddels ook opgestaan.«Daarvoor niet alleen», zegt ze bij de deur, «ook om de zaak zelf. Je zult jezelf nu niet voldoende meester zijn. Je hebt kalmte noodig … heel noodig …»«Goed, goed, ik zal’tdoen, hoor. Morgen breng ik je bericht.»«Hoe laat?»«Morgen na de koffie. Om twee uur. Tot ziens dan, lieveling.» Hij kust haar. «Hou jij je nu ook kalm. En denk eens lief aan me.»Ze knikt hem toe als antwoord, als hij al op de gang is.[63]
HOOFDSTUK V.
Een oogenblik maakt Marta’s besliste toon indruk; doch de jonge man ziet iets in haar houding, dat zijn hoop staande houdt.«Marta, in Godsnaam,» smeekt hij, «denk ook aan mijn geluk, als je dan niet aan ’t jouwe wil denken. Stel, dat ik ook erg lijden zou, omdat ik me aan je zijde geschaard had tegen de booze wereld: dacht je dan, dat ik gelukkiger zou wezen, wanneer die booze wereld me van je gescheiden had? Dacht je, dat ooit een andere vrouw me gelukkig zou kunnen maken? Ik zal er nooit nooit zoo een vinden als jij, Marta.»«Maar Frans … hoe kan je ooit van mijn kind houden?»Een hooge blos geeft bij de jonge vrouw blijk van de ontroering, die ’t uitspreken dezer gedachte bij haar opwekt. «En dat zou toch moeten,» hervat ze met een lief-verlegen lach, «ook voor mijn geluk.»[57]«Maar waarom niet!» roept de ander hartstochtelijk.«Ik zal van hem houden, omdat het jouw kind is, Marta. Ik hoû nu al van hem. Laat me zijn portret zien … Heb je een portret van hem?»Er flitst iets blijs in Marta’s oogen.«Ik draag zijn portretje altijd hier in een medaljon.» En ze wijst op haar boezem.«O ja, dat medaljon, dat je me nooit wou laten openmaken.»«Natuurlijk niet …»Ze haalt het voor den dag, en neemt het van haar hals af.«Hier is ’t», zegt ze met een streeling in haar stem.«Kom even op de sofa,» antwoordt Frans, het medaljon aannemend, en haar meetroonend. Ze zetten zich naast elkaar en bekijken samen het portretje. Eenige oogenblikken zegt geen van beiden een woord. Dan verbreekt Frans de stilte.«Een heerlijke jongen …» zegt hij vol warme innigheid.«Nie’ waar?» klinkt het gretig terug. «Arme snoes …» En als ze dit zegt, moet ze even een traan wegpinken.Frans gaat heftig voort:«En zou ik van die jongen niet kunnen houden?[58]Ik zeg je, ik hoû nu al van hem, en nu ik zijn lief bakkesje gezien heb, nog meer.» Weer kijkt hij met aandacht naar het kinderkopje.«Hij lijkt op jou, dezelfde donkere oogen, dezelfde fijne trekken.»Het medaljon naar zich toe trekkend, beziet hij het nog eens alleen, met liefkoozende blikken.«Daar, ik kus je jongen», roept hij uit «als belofte, dat ik een vader voor hem wezen zal. Arm kereltje!»Marta valt hem schreiend om de hals.«O Frans,» zegt ze ontroerd, «als ’t ’s waar was.… als dat ’s kon … Laat me denken.»Ze maakt zich van hem los, en hervat met diepen ernst in haar toon:«’t Is alles zoo overstelpend. Zoo overweldigend, ’t Zou zoo heerlijk, zoo zalig zijn..» Dan verzinkt ze in gepeins.Met iets droomerigs, als sprak ze weer tot zichzelve, herneemt Marta na enkele oogenblikken:«Wat zou ik me sterk voelen … want ik voel me niet meer zoo sterk als te voren—Och, ik ben een vrouw als alle anderen—Wat heb ik mezelf misleid en gemeend, dat ik buiten liefde leven kon! Dat ik kracht genoeg putten kon uit … mijn zuiver geweten; uit mijn studie, mijn[59]mooie toekomst-droomen en idealen!—En toch gezwicht …»«Woû je ’t dan anders hebben?» valt Frans in, «Neem de zaken zooals ze zijn, Marta. En beslis nu. Ik moet je antwoord hebben, voordat ik mijn vader spreek. De overtuiging, dat wij beiden onwrikbaar vast aaneengesloten staan, zal me als een borstwering zijn tegen zijn aanvallen.»Als Marta blijft zwijgen, gaat hij dringender voort:«Geef me je woord, Marta … wil je, dat ik, hoe dan ook, je vriend zal worden voor je heele leven, voor jou en je kind? ’t Kind zal zelfs nooit weten, dat ik zijn vader niet ben, zoolang dat niet noodig is.»Nog steeds zonder te antwoorden neemt de jonge vrouw het medaljon uit Frans’ handen, en hangt hetzichweer om, na nog even een blik op ’t portretje van haar kind te hebben geslagen. Dan zit ze enkele oogenblikken in gedachten, geroerd tot in ’t diepst van haar ziel, met neergeslagen oogen. Op eens slaat ze de blik op, en zegt vastberaden:«Ik wil, Frans.» En ze vleit zich weer tegen hem aan en kust hem. De ander slaat zijn arm om haar heen, geeft haar een innige kus terug, en dan, haar een eindje van zich af houdend en haar diep in de oogen ziende, zegt hij:[60]«En geloof je nu ook, dat ik je hoogschat evenals vroeger?»«Natuurlijk, Frans.»«En hoû je nu ook een heel klein beetje van mij … afgescheiden van alles … eenvoudig omdat ik ben wie ik ben?»«Niet een heel klein beetje, maar veel, oneindig veel.» En als ze dit zegt, verbergt ze blozend haar hoofd aan zijn schouder.«En zal je je nu weer sterk voelen?» hervat Frans, na een oogenblik van zalig zwijgend opgaan in de weelde zijner aandoeningen. «Zul je weer de vroegere flinke verstandige Marta wezen, die vrij en frank met opgeheven hoofd haar weg door ’t leven gaat?»Ze kijkt hem aan met een blik van oprecht vertrouwen.«Ja, Frans,» antwoordt ze. «Met jou wel.» Dan zwijgen beiden, elk verzonken in eigen gepeins.«Hoe heet onze jongen?» vraagt Frans op-eens.De ander kijkt aangenaam verrast op.«Bram …» antwoordt ze «Abraham … naar mijn vader. Een leelijke naam, he?»«Nee, waarom?Maar—dat heb ik je nog niet gevraagd,hoe denkt je oom over die … zaak?»Marta’s trekken versomberen merkbaar.[61]«O, ellendig,» zegt ze met een zucht.«Ik heb geheel met hem gebroken. Met allen trouwens.»«En ik dacht, dat je oom dezelfde denkbeelden had als jij, of liever: jij hebt immers al je denkbeelden over liefde en zedelijkheid van hem. Je hebt niet anders gedaan dan die idees in toepassing brengen.»«Ja …» antwoordt Marta droevig. «En dat is ook zoo’n vreeselijke gedachte voor me. Mijn oom, die ik zoo vereerde.., die ik nog vereer.., ze hebben hem opgestookt. Ik weet wel wie … Hij denkt, dat ik ontrouw ben geworden aan mijn hooge beginselen. Hij wil me niet meer zien …»De aandoening is haar te machtig en ze barst weer in schreien uit; haar gezicht verbergend in versmoord snikken.«Kom, Marta», tracht de jonge man te troosten. «Dat komt terecht: ik zal hem wel weten te overtuigen. Als hij ziet, datikin je geloof, hoe kan hij je dan nog blijven veroordeelen?»Ze ziet hem aan en droogt haar tranen.«Goed, Frans», zegt ze zacht. «Dank, mijn beste jongen. Maar laat me nu alleen. Ik heb rust noodig … En jij», gaat ze vol vriendelijke bezorgdheid voort «ga jij nu niet dadelijk je vader spreken. Kom ook zelf eerst wat tot bedaren. Stel je gesprek met hem tot morgen uit.»[62]«Goed», antwoordt de jonge man, opstaande «als ik je daarmee genoegen kan doen.»Hij richt zich naar een stoel, waar zijn hoed op ligt, en neemt deze in de hand. Marta is inmiddels ook opgestaan.«Daarvoor niet alleen», zegt ze bij de deur, «ook om de zaak zelf. Je zult jezelf nu niet voldoende meester zijn. Je hebt kalmte noodig … heel noodig …»«Goed, goed, ik zal’tdoen, hoor. Morgen breng ik je bericht.»«Hoe laat?»«Morgen na de koffie. Om twee uur. Tot ziens dan, lieveling.» Hij kust haar. «Hou jij je nu ook kalm. En denk eens lief aan me.»Ze knikt hem toe als antwoord, als hij al op de gang is.[63]
Een oogenblik maakt Marta’s besliste toon indruk; doch de jonge man ziet iets in haar houding, dat zijn hoop staande houdt.
«Marta, in Godsnaam,» smeekt hij, «denk ook aan mijn geluk, als je dan niet aan ’t jouwe wil denken. Stel, dat ik ook erg lijden zou, omdat ik me aan je zijde geschaard had tegen de booze wereld: dacht je dan, dat ik gelukkiger zou wezen, wanneer die booze wereld me van je gescheiden had? Dacht je, dat ooit een andere vrouw me gelukkig zou kunnen maken? Ik zal er nooit nooit zoo een vinden als jij, Marta.»
«Maar Frans … hoe kan je ooit van mijn kind houden?»
Een hooge blos geeft bij de jonge vrouw blijk van de ontroering, die ’t uitspreken dezer gedachte bij haar opwekt. «En dat zou toch moeten,» hervat ze met een lief-verlegen lach, «ook voor mijn geluk.»[57]
«Maar waarom niet!» roept de ander hartstochtelijk.
«Ik zal van hem houden, omdat het jouw kind is, Marta. Ik hoû nu al van hem. Laat me zijn portret zien … Heb je een portret van hem?»
Er flitst iets blijs in Marta’s oogen.
«Ik draag zijn portretje altijd hier in een medaljon.» En ze wijst op haar boezem.
«O ja, dat medaljon, dat je me nooit wou laten openmaken.»
«Natuurlijk niet …»
Ze haalt het voor den dag, en neemt het van haar hals af.
«Hier is ’t», zegt ze met een streeling in haar stem.
«Kom even op de sofa,» antwoordt Frans, het medaljon aannemend, en haar meetroonend. Ze zetten zich naast elkaar en bekijken samen het portretje. Eenige oogenblikken zegt geen van beiden een woord. Dan verbreekt Frans de stilte.
«Een heerlijke jongen …» zegt hij vol warme innigheid.
«Nie’ waar?» klinkt het gretig terug. «Arme snoes …» En als ze dit zegt, moet ze even een traan wegpinken.
Frans gaat heftig voort:
«En zou ik van die jongen niet kunnen houden?[58]Ik zeg je, ik hoû nu al van hem, en nu ik zijn lief bakkesje gezien heb, nog meer.» Weer kijkt hij met aandacht naar het kinderkopje.«Hij lijkt op jou, dezelfde donkere oogen, dezelfde fijne trekken.»
Het medaljon naar zich toe trekkend, beziet hij het nog eens alleen, met liefkoozende blikken.
«Daar, ik kus je jongen», roept hij uit «als belofte, dat ik een vader voor hem wezen zal. Arm kereltje!»
Marta valt hem schreiend om de hals.
«O Frans,» zegt ze ontroerd, «als ’t ’s waar was.… als dat ’s kon … Laat me denken.»
Ze maakt zich van hem los, en hervat met diepen ernst in haar toon:
«’t Is alles zoo overstelpend. Zoo overweldigend, ’t Zou zoo heerlijk, zoo zalig zijn..» Dan verzinkt ze in gepeins.
Met iets droomerigs, als sprak ze weer tot zichzelve, herneemt Marta na enkele oogenblikken:
«Wat zou ik me sterk voelen … want ik voel me niet meer zoo sterk als te voren—Och, ik ben een vrouw als alle anderen—Wat heb ik mezelf misleid en gemeend, dat ik buiten liefde leven kon! Dat ik kracht genoeg putten kon uit … mijn zuiver geweten; uit mijn studie, mijn[59]mooie toekomst-droomen en idealen!—En toch gezwicht …»
«Woû je ’t dan anders hebben?» valt Frans in, «Neem de zaken zooals ze zijn, Marta. En beslis nu. Ik moet je antwoord hebben, voordat ik mijn vader spreek. De overtuiging, dat wij beiden onwrikbaar vast aaneengesloten staan, zal me als een borstwering zijn tegen zijn aanvallen.»
Als Marta blijft zwijgen, gaat hij dringender voort:
«Geef me je woord, Marta … wil je, dat ik, hoe dan ook, je vriend zal worden voor je heele leven, voor jou en je kind? ’t Kind zal zelfs nooit weten, dat ik zijn vader niet ben, zoolang dat niet noodig is.»
Nog steeds zonder te antwoorden neemt de jonge vrouw het medaljon uit Frans’ handen, en hangt hetzichweer om, na nog even een blik op ’t portretje van haar kind te hebben geslagen. Dan zit ze enkele oogenblikken in gedachten, geroerd tot in ’t diepst van haar ziel, met neergeslagen oogen. Op eens slaat ze de blik op, en zegt vastberaden:
«Ik wil, Frans.» En ze vleit zich weer tegen hem aan en kust hem. De ander slaat zijn arm om haar heen, geeft haar een innige kus terug, en dan, haar een eindje van zich af houdend en haar diep in de oogen ziende, zegt hij:[60]
«En geloof je nu ook, dat ik je hoogschat evenals vroeger?»
«Natuurlijk, Frans.»
«En hoû je nu ook een heel klein beetje van mij … afgescheiden van alles … eenvoudig omdat ik ben wie ik ben?»
«Niet een heel klein beetje, maar veel, oneindig veel.» En als ze dit zegt, verbergt ze blozend haar hoofd aan zijn schouder.
«En zal je je nu weer sterk voelen?» hervat Frans, na een oogenblik van zalig zwijgend opgaan in de weelde zijner aandoeningen. «Zul je weer de vroegere flinke verstandige Marta wezen, die vrij en frank met opgeheven hoofd haar weg door ’t leven gaat?»
Ze kijkt hem aan met een blik van oprecht vertrouwen.
«Ja, Frans,» antwoordt ze. «Met jou wel.» Dan zwijgen beiden, elk verzonken in eigen gepeins.
«Hoe heet onze jongen?» vraagt Frans op-eens.
De ander kijkt aangenaam verrast op.
«Bram …» antwoordt ze «Abraham … naar mijn vader. Een leelijke naam, he?»
«Nee, waarom?Maar—dat heb ik je nog niet gevraagd,hoe denkt je oom over die … zaak?»
Marta’s trekken versomberen merkbaar.[61]
«O, ellendig,» zegt ze met een zucht.«Ik heb geheel met hem gebroken. Met allen trouwens.»
«En ik dacht, dat je oom dezelfde denkbeelden had als jij, of liever: jij hebt immers al je denkbeelden over liefde en zedelijkheid van hem. Je hebt niet anders gedaan dan die idees in toepassing brengen.»
«Ja …» antwoordt Marta droevig. «En dat is ook zoo’n vreeselijke gedachte voor me. Mijn oom, die ik zoo vereerde.., die ik nog vereer.., ze hebben hem opgestookt. Ik weet wel wie … Hij denkt, dat ik ontrouw ben geworden aan mijn hooge beginselen. Hij wil me niet meer zien …»
De aandoening is haar te machtig en ze barst weer in schreien uit; haar gezicht verbergend in versmoord snikken.
«Kom, Marta», tracht de jonge man te troosten. «Dat komt terecht: ik zal hem wel weten te overtuigen. Als hij ziet, datikin je geloof, hoe kan hij je dan nog blijven veroordeelen?»
Ze ziet hem aan en droogt haar tranen.
«Goed, Frans», zegt ze zacht. «Dank, mijn beste jongen. Maar laat me nu alleen. Ik heb rust noodig … En jij», gaat ze vol vriendelijke bezorgdheid voort «ga jij nu niet dadelijk je vader spreken. Kom ook zelf eerst wat tot bedaren. Stel je gesprek met hem tot morgen uit.»[62]
«Goed», antwoordt de jonge man, opstaande «als ik je daarmee genoegen kan doen.»
Hij richt zich naar een stoel, waar zijn hoed op ligt, en neemt deze in de hand. Marta is inmiddels ook opgestaan.
«Daarvoor niet alleen», zegt ze bij de deur, «ook om de zaak zelf. Je zult jezelf nu niet voldoende meester zijn. Je hebt kalmte noodig … heel noodig …»
«Goed, goed, ik zal’tdoen, hoor. Morgen breng ik je bericht.»
«Hoe laat?»
«Morgen na de koffie. Om twee uur. Tot ziens dan, lieveling.» Hij kust haar. «Hou jij je nu ook kalm. En denk eens lief aan me.»
Ze knikt hem toe als antwoord, als hij al op de gang is.[63]