HOOFDSTUK VI.

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.In ’t schemerdonker zat mevrouw Jensen in haar huiskamer bij de tafel, een groot hol vertrek met groote stijve meubels en zware gordijnen, deftig en ongezellig. ’t Was daar haar gewone plekje jaar in jaar uit; haar stoel met de hooge leuning stond altijd daar, ’s winters dicht bij de open haard. Ondanks haar nauw meer dan middelbare leeftijd had ze reeds echte oudvrouwtjes-gewoonten en eigenaardigheden. Haar uiterlijk was daarmee geheel in overeenstemming: het vele thuishokken had haar een was-achtig gele tint gegeven, en haar voorhoofd vertoonde reeds rimpels. Haar ouderwetsch kapsel, links en rechts neervallend langs haar slapen, de strakke stemmig zwarte japon zonder eenig sieraad, de lange magere knokige vingers—steeds met een «werkje,» wanneer ze zat—en eindelijk de uitdrukking van droefgeestigheid en matte berusting op haar[64]gelaat met de afgemetenheid van haar bewegingen—’t gaf alles bijeen een indruk van vroege ouderdom, van een vrouw wier denken en voelen vóor hun tijd verdord waren, ingeschrompeld tot enkele manie-achtige vooroordeelen en neigingen.Zoo mogelijk, kijken mevrouw Jensen’s oogen nog iets droefgeestiger dan anders: zelfs ligt er iets hards in haar gewoonlijk zoo zachte, «uitgewischte» trekken: er is blijkbaar iets, dat haar ontstemt.Als haar zoon Frans binnenkomt, slaat ze dan ook maar even haar oogen van haar borduurwerkje op; fronst haar wenkbrauwen en kijkt weer vóor zich.«Moeder, is u daar nog?» zegt de binnentredende eenigszins aarzelend:«Ja, jongen, wat woû je?» Mevrouw Jensen blijft vóor zich kijken. Een zeer ongewoon verschijnsel, bij zijn komst!«Och, niets bizonders, moeder.… luister u ’s even.…»Frans neemt een stoel, en zet zich tegenover haar. Zijn moeder verandert haar houding niet; maar geeft hem ditmaal een onverschillig vluchtige blik, en haar vingers bewegen zich iets vlugger.«Wat heb je?» zegt ze kwazi zonder belangstelling.[65]«Och, dat begrijpt u toch wel: die zaak van zooëven.… aan tafel.…, u weet wel. Ik heb zoo’n verdriet.…»«Kom jongen, zet dat uit je hoofd. Ik heb er al genoeg over moeten hooren.…»«U? Heeft vader er u over gesproken?»«O, meer dan me lief was.»Mevrouw Jensen legt met een zucht haar borduurwerk neer, en zet zich met een gemelijk gezicht, om hem aan te hooren.«En aan tafel zei hij zoo weinig!» hervat Frans. «Wat hij me te zeggen heeft, bewaart hij zeker voor later.»«Ik weet ’t niet, Frans. Ik weet wèl, dat hij vreeselijk tegen je te keer gegaan is; vóor het eten, voordat je thuis kwam. Ik denk, dat hij je straks wel op zijn studeerkamer zal laten roepen.»«Hij denkt zeker, dat ik op mijn kamer zit te werken. Ik kan nogal werken! Mijn kop loopt me om. En nu wil hij me straks kapittelen! Moeder, ik wor’ gek—ik bega een ongeluk aan hem, als hij me weer zoo beleedigt als vanmiddag op de kamer van.… Marta, van juffrouw Van Zee. Ik had zoo graag tot morgen gewacht, u eerst lang en breed over de zaak gesproken.»«Och jongen», roept de oude dame, hem aanziend,[66]en haar stem klinkt nòg temeriger en klagender dan anders, «wees toch niet zoo balsturig, en niet zoo driftig. Ik moèt je vader gelijk geven. En jij moet je ook weten in te houden. Je hebt ongelijk, Frans, je hebt heusch groot ongelijk!»«U ook al!» antwoordt haar zoon korzelig, en staat meteen van zijn stoel op. Dan gaat hij vlak vóor haar staan, en zegt:«Dus u vindt, dat ik … Marta moet opgeven?»«Frans, ik woû, dat je die naam niet meer uitsprak, in mijn bijzijn ten minste niet!»«Moeder, waarom niet, als ik u vragen mag?»’t Kost de jonge man blijkbaar inspanning, om zich in te houden: zijn stem klinkt luider en heftiger dan hij zelf wìl.«Een mooie vraag», zegt mevrouw Jensen eenigszins ontsteld.«Och, och, m’n jongen, wat ben je verblind! Ze heeft je wel heelemaal ingepalmd!»Frans gaat een stap achteruit.«Ingepalmd!» roept hij heftig. «Och, moeder, u kent haar niet!»«Genoeg van wat ik gehoord heb.»«Van vader!»«Is ’t dan niet waar wat hij zegt?»De jonge man zoekt even naar zijn woorden:[67]«Nee», zegt hij iet of wat verlegen «dat wil zeggen.… ten minste niet zoo.… niet zoo als vader ’t uitlegt.»Hij gaat weer zitten, en slaat de beenen over elkaar, plukkend aan zijn opkomend snorretje.«Er is maar éen uitlegging voor een redelijk denkend mensch», gaat de ander voort, «voor een kristen.…»«Moeder, zeg nu niet voor een kristen: voor een edeldenkend mensch wil u zeggen.Nu, die denkt erover net als ik.»Mevrouw Jensen slaat de handen ineen, en de oogen ten hemel.«Als jij!» roept ze klagend. «Jij vindt, dat een edeldenkend mensch er geen bezwaar in moet zien, te trouwen met een gevallen meisje!?»«Dat zèg ik niet, moeder!» hervat de jonge man heftig.«En een Jodin bovendien!» gaat ze temerig voort. «Met een ongehuwde moeder!»«Evengoed getrouwd als u, moeder!»«Frans, als je zoo begint, zwijg ik verder liever.»Hij bedwingt zich, en antwoordt minder heftig:«Och moeder, als u wist, hoe u me met uw woorden pijnigt.… hoe u me martelt.…»Mevrouw Jensen voelt zich getroffen door de[68]toon van echte smart, die uit de woorden van haar zoon klinkt.«Kom, je overdrijft», hervat ze goedhartig. «Ik beoog immers je bestwil. Wat heb je nu eigenlijk vóor? Woû je trouwen met een meisje—met een vrouw, laat me liever zeggen—waar geen fatsoenlijk mensch achting meer voor kan hebben? Dat ze een Jodin is, laat ik nog daar. Als het een fatsoenlijk meisje was.… maar nu.… och jongen, je bent zoo onnoozel, zoo onervaren: je hebt je heelemaal laten inpalmen.»Frans bruist weer op.«Nog eens dat ellendige woord! Maar moeder waarvoor zou zedatnu juist doen? Ik ken haar … ik ken haar zes maanden.»«Dat is juist haar slimmigheid. Ze heeft op je gevoel gewerkt. Ze heeft je eerst voorbereid en aan haar gehecht. Ze aast op je naam en op je geld, zeg ik je.»«Maar moeder», roept Frans buiten zichzelve, «vindt u dat dan eenmanier, om mij voor haar in te nemen? Zoo’n bekentenis in alle bizonderheden! en geheel uit haar zelf!»«Pu! Door je vader in ’t nauw gebracht, en nadat ze jouw dolle idees overvrije liefdekende!»Mevrouw Jensen’s gelaat is éen-en-al heilige afkeer.[69]«Dat is niet waar, moeder!» geeft Frans verontwaardigd terug.«Frans!»«Ze kende die idees niet, zeg ik u! Ik heb eerst andere gedachten gehad, en die ook uitgesproken. Haar bekentenis heeft me overtuigd, dat ze nog al mijn achting verdiende.…»De oude dame staart haar zoon enkele oogenblikken met groote oogen aan, eer ze antwoordt.«Gerechte God in den hemel!» roept ze geheel ontdaan. «Een bekentenis, die je afschuw voor haar geven moest!»«Jezus had geen afschuw van Magdalena, moeder, en dat was een publieke vrouw, moeder.»Mevrouw Jensen voelt zich zeer ongemakkelijk. Met iets van driftige wrevel antwoordt ze:«Spot niet, jongen. Haal hier de heilige naam van Christus niet bij. En dan … en dan, is die Marta iets anders?»Frans slaat met een wanhopig gebaar de beide handen aan ’t voorhoofd, en buigt ietwat voorover.«O, moeder, je maakt me krankzinnig», zegt hij met een kreunend geluid, en, van zijn stoel opspringend, stampt hij met de eene voet op de grond.«Jongen, wees toch bedàard!» roept zijn moeder verschrikt,«wind je toch niet zoo op.»[70]De jonge man gaat met een zucht weer zitten.«Maar waarom gelooft u me dan toch niet?» roept hij terneergeslagen. «Ik zeg u, ze deed haar bekentenis vrijwillig, geheel vrijwillig! En ze had me met weinig moeite kunnen wijsmaken wat ze woû!»«Je vader en ik zijn er ook nog, jongen.»«Ik zou u niet geloofd hebben. Ik zou niemand geloofd hebben, als er iets tegen haar gezegd werd. Ik vereer haar, ik stel haar hoog. Hoog, moeder, verstaat u dat? Heel hoog.»De ander maakt een gebaar van kwazie-berusting, en verschuift even in haar stoel, met een beweging, als wilde ze zeggen, dat ze er nu niets meer van hooren wil.«Jawel, dat weten we», zegt ze met haar gelaat weer geheel van Frans afgewend.«Maar als ik haar dan hoogstel, moeder», gaat de laatste voort, «waarom zou ik … zou ik haar dan niet mogen trouwen?»«Och …»Mevrouw Jensen bewaart haar afgewende houding.«Nou, zeg nou …» houdt Frans aan.«Ik wil niets meer zeggen. Je zult wel tot andere gedachten komen.»Haar lustelooze onwillige toon prikkelt hem, doch[71]hij houdt zich in: beseffend, dat alleen kalme overreding op zulk een houding eenige vat kan hebben.«Ik zeg u, dat ik volkomen kalm ben», zegt hij, zich verschikkend op zijn stoel, de handen ineenleggend en de beenen over elkaar slaande, terwijl zijn toon veel vriendelijker klinkt.«Een kalmte wel! dat moet ik zeggen!» gemelijkt de ander door, en haalt de schouders op.«Nou ja, ik weet alles wat ik zeg», antwoordt de jonge man onverdroten. «Ik vraag u nu vriendelijk, ik smeek u, moeder, om me bedaard aan te hooren. Wil u dat? Mag ik u mijn heele opvatting van de zaak eens blootleggen? Als ik weet, dat u ’t met me eens is»—Mevrouw Jensen maakt een korzelig ongeduldig gebaar met arm en schouder—«dan voel ik me zooveel sterker …»«Om in je eigenzinnige opvattingen te volharden.»Nog steeds blijft het gelaat van de spreekster van de ander afgekeerd.«Als u me overtuigen kan, dat ik ongelijk heb», gaat Frans met dezelfde bedaardheid voort, «zal ik me gewonnen geven. Is dat dan goed? Mag ik nu spreken?»«Nu, ik ben benieuwd,.. Er zal wat moois komen.»«Goed dan. Gelooft u aan beginselen?»[72]Mevrouw Jensen haalt de schouders op. De ander hervat:«Die zijn bij u gegrond op uw godsdienstige overtuiging, is dat niet zoo?»Voor ’t eerst kijkt de oude dame weer op, met verwondering in haar blik, steeds met de uitdrukking van gewilde wrevel erop, die op Frans, ware hij anders gestemd, stellig een komische indruk zou gemaakt hebben.«Nou, ja, wat zou dat!» zegt ze met een schouderschokje.«Gelooft u ook,» spreekt haar zoon geduldig verder, «dat ieder zalig kan worden op zijn eigen manier, naar zijn eigen inzichten?»«Ja.… jawel, ofschoon.… ieder geloof toch niet hetzelfde is.»«Nu goed, in hoofdzaak geeft u me dus toe. Nu, als dat dan zoo is, neemt u dan aan, dat ook Marta overtuigingen had? Of liever: wil u de mogelijkheid wel aannemen, dat zij ze had en heeft?»«Jawel, nou ja.… je bedoelt, dat ze er godsdienstige overtuigingen op na houdt?.…»«Godsdienstige.… nee, overtuigingen, heilige overtuigingen in ’t algemeen? Beginselen waarnaar men leeft, waarnaar men goed en kwaad beoordeelt?»[73]«Nou ja, ga verder. Als je dat godsdienst noemt …»«Nee moeder—» en weer verliest zijn stem een oogenblik haar kalmte, maar hij herstelt zichonmiddellijk. «Ik noem dat alleen heilige overtuigingen. U gelooft toch met mij, dat ook een «vrijdenker» een goed mensch kan wezen?»«Eenvrijdenker? Eengodloochenaar, wil je zeggen?»Er is een klank van innige afschuw in Mevrouw Jensen’s stem, als ze dit zegt. Ze kijkt weer stroef vóor zich.«Nee, moeder,» gaat de ander met ingehouden ergernisvoort. «Ik bedoel iemand, die geheel vrij van elk opgedrongen dogma, zijn eigen denkbeelden heeft over zedelijkheid en verantwoordelijkheid; iemand, die zijn geweten als eenige God vereert en gehoorzaamt.»’t Is of de jonge man een vaag besef heeft van ’t rhetorische van zijn woorden. Toch is hij er tevreden over, al verschuift hij even op zijn stoel, als iemand die verlegen is met de fraaiheid van zijn taal: hij heeft het immers zoo—in die vorm—zoo vaak gehoord en gelezen. Ook uit Marta’s mond …Mevrouw Jensen haalt weer haar schouders op.«Mooie frazen!» zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. «Maar ga je gang …»[74]«Nu, Marta heeft zulke beginselen», hervat de jonge man. «En tot die beginselen behoort, dat het huwelijk een gewetenszaak is tusschen man en vrouw, die dat huwelijk willen aangaan.»«Tweemaal twee is vier.»«Nee, moeder, ik vat hier huwelijk op als samenleving van man en vrouw met gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de kinderen, die ze samen krijgen.»«Jawel, vrije liefde …»Er klinkt grenzelooze minachting in de toon, waarop deze woorden uitgesproken worden. Doch Frans blijft onverstoord.—hij vecht immers voor ’t recht van zijn liefde—en hij vervolgt kalm:«Marta vond voor zoo’n huwelijk het eenig vereischte: de vrije keus van de twee betrokkenen, zonder bemoeienis van iemand anders.»«Ja maar …»«Laat me uitspreken, moeder. Marta had die opvatting van haar oom geleerd, dat was een man, die ze hoog vereerde, een man van onberispelijk leven, iemand die haar steeds lief gehad heeft. Ze geloofde in die man. Ze kende niemand, wiens gezag ze in de hoogste levenskwesties hooger stelde. Vindt u het dan leelijk of afkeurenswaardig, dat ze hem geloofde, dat ze zelf heilig vertrouwde op wat hij haar leerde?»[75]«Nee maar … ik begrijp niet wat …»«U zàl me wel begrijpen. Nu, dat wat ik zei vooropgesteld, zal u het wel even aannemelijk vinden, dat ze een jonge man, die ze goed kende, die een huisvriend was bij haar oom, net zoo vertrouwde, toen die beweerde dezelfde denkbeelden aan te hangen. En toen die van haar de toepassing vroeg van die denkbeelden …»«Goed, ze had met hem kunnen trouwen.» De voetbeweging, die de oude dame maakt, heeft veel van een ongeduldig stampje. «Dat heeft ze zeker niet gedaan, omdat er wat tegen was.»«Maar, moeder, ik zeg u, dat erniets, hoegenaamd niets tegen was. Haar oom hield van die man. Zij had geld, al was ’t niet veel. Die man kon ook behoorlijk bestaan. Ze hielden van elkaar, of ten minstezijhield oprecht van hem, en hij betuigde zijn liefde.»«Dan hàd ze immers kunnen trouwen!»«En dan ontrouw worden aan de beginselen, die ze had? Die ze als heilig beschouwde? Bemoeienis van anderen met zulke intieme zielsaangelegenheden beschouwde ze als heiligschennis. Begrijpt u dat dan niet?»«Wat ’n godslastering!»Mevrouw Jensen heft de handen op van haar schoot. De ander verliest weer zijn zelfbedwang.[76]«Maar, moeder», roept hij heftig, «ze geloofde dat vast, even vast als u aan uw geloof hecht! Deed ze dan kwaad door die man te volgen, en zich aan hem te geven?»«Ja, wis en drie deed ze dat», antwoordt de moeder, nu met eenige stemverheffing, en hem weer aankijkend met opgetrokken wenkbrauwen.«Wat woû jij beweren, dat het iemand zoo maar vrijstaat, alle beginselen van zedeleer en godsdienst eventjes ondersteboven te halen, en te handelen zoo … als niemand anders doet? Jij kon me evengoed vertellen, dat ze tegen alle andere menschen in, het voor goed hield, om haar evenmensch te vermoorden, als die bij voorbeeld rijk was en haar zijn geld niet geven woû.»Met blijkbare voldoening zet de magere gestalte zich weer recht, en kijkt weer vóor zich met nog een nageluidje en een lipvertrekking.Frans haalt zijn schouders op; toch is hij bedaard, als hij hervat:«Dat is benadeelen van een ander, moeder. Marta kon met wat ze deed alleen zichzelf benadeelen, als het verkeerde gevolgen had …»«En de kinderen dan, als ze die kreeg? En de maatschappij door haar voorbeeld?»«Haar kinderen, daar zou ze voor gezorgd hebben. En hij had dat òok moeten doen. Hij[77]heeft ’t niet gedaan, dat kon zij toch niet helpen! En de maatschappij! Zou u, moeder, heilige overtuigingen opgeven, omdat de wereld u er om veroordeelen zou?»«Nee, maar ik kan me niet denken, dat die er zouden kunnen zijn.»«Och kom! Zoo iets komt immers dikwijls voor: ik bedoel minachting van de wereld, omdat men zijn plicht doet. Ze hebben Christus ook gesmaad en gehoond, omdat …»«Zwijg, Frans, ik wìl die godslasterlijke vergelijkingen van je niet aanhooren. Ik zeg je: ze had moèten trouwen, daar blijf ik bij. ’t Huwelijk is een goddelijke instelling: de huwelijken worden in de hemel gesloten …»Heftig valt de jonge man weer uit:«Als dat zoo is, laten de menschen er dan afblijven! En als ze in de hemel gesloten worden, dan hoeft eendomineeof pastoor, of een ambtenaar van de burgerlijke stand er zich niet mee in te laten.»Mevrouw Jensen maakt een klein gebaar van wrevel met de rechterhand, maar zwijgt.«Maar we dwalen af», gaat de ander voort. «Ik woû u alleen aantoonen, dat Martageenschuld heeft gehad. De eenige schuldige is die ploert, de bedrieger, de verleider, die haar om de tuin geleid heeft!»[78]Mevrouw Jensen slaat de oogen even naar Frans op, en er is iets van meewarigheid in haar stem, als ze vraagt:«Heeft die haar dan in de steek gelaten?»«Ja, toen ze zwanger was», zegt hij dof. Hij maakt een driftig gebaar met gebalde vuist, en slaat somber de blik neer.«En ’t kind?»«Daar zorgt zij nu alleen voor. O, umoest ’sweten, hoe innig ze dat kind liefheeft.»«Een jongen?»«Ja. Ik heb ’t portret gezien: een alleraardigst kind, een snoes van een jongen. Hij is nu twee jaar oud.»De innig ontroerde toon van Frans’ stem, doet zijn moeder eigenaardig aan. Ze kijkt hem nu strak aan, worstelend met haar gevoel.«’t Lijkt wel, of jij ook van dat kind houdt», zegt ze.De oogen van Frans worden vochtig.«Ja, moeder … en toch heb ik het nog nooit gezien. O, ik heb zoo’n innig medelijden met die arme Marta! En als u ’s wist, hoe ze werkt, hoe ze nu al bij de professoren hoog staat aangeschreven. Ze heeft een prijsvraag beantwoord. Is met goud bekroond.»Frans voelt zich meer en meer op dreef. Zoo[79]zal hij ’t misschien nog winnen, denkt hij hoopvol hij ziet hoe verteederd zijn moeder is.«Ja, dat’s waar», zegt ze, nu op echt goedhartige toon en bijna geheel bijgedraaid, «daar heb ik niets dan goeds van gehoord. Je vader moest daar voor uitkomen: dat stond ook in de informaties, die we gekregen hebben.»Frans grijpt verrukt zijn moeders hand.«O moeder, ik wou, dat u haar kende», roept hij uit. «Zoo’n voorbeeld van plichtsbetrachting, van kieschheid …»Mevrouw Jensen is even stil, neemt de blijde trekken van haar zoon—van wie ze zooveel houdt!—met zichtbaar welgevallen op. Dan zegt ze opeens met aandrang:«Jongen, zeg me nu ’s oprecht: heeft er ooit wat tusschen jelui … bestaan? Vader hield dat voor zeker …»«Nooit, hoor», geeft de ander met groote beslistheid terug.«Niet het minste! Ik vind het heel leelijk van vader, om u zoo iets op de mouw te spelden. Als ik u vertel, dat ik haar gisteren voor ’t eerst gezegd heb, dat ik haar liefheb!»«’t Eerste woord van liefde heeft zij ook pas gisteren uitgesproken. Evenals ik, moeder. We zijn met elkaar omgegaan als broer en zuster.»[80]Ze antwoordt niet dadelijk, maar kijkt hem vol in de oogen.«Is dat heusch waar, Frans?»«Op mijn woord, moeder!»Neen, in zulk een oprechte oogopslag kan geen spoor van leugen schuilen, denkt de oude vrouw: Och, ’t is toch in de grond zoon goeie beste jongen …«En wil ze nu met je trouwen?» vraagt de moeder ten slotte.«Ja, nu: ik heb haar overgehaald. Haar overtuigd, dat het mijn geluk was, dat het geluk van haar kind ervan afhing. Toen is ze eindelijk gezwicht.»«Dat klinkt ongelooflijk, Frans. Jij haar overgehaald?»«’t Is zooals ik ’t u zeg. Ze was zich volkomen bewust van al ’t gewaagde, dat er voor mij in zulk een verbintenis was.»«En haar beginselen over … vrije liefde?»«Die heeft ze nog. Maar ze wil om haar kind in een gewoon huwelijk toestemmen.»Weer zwijgt Frans’ moeder even. Dan wat minder vriendelijk dan te voren, aarzelend en met iets van teruggekeerd wantrouwen:«Wil ze dan ook protestant worden?»Frans bedwingt een gevoel van ergernis.[81]«Daar hebben we niet over gesproken, moeder» antwoordt hij schijnbaar volkomen kalm. «Maar waartoe zou dat dienen? Ik … ik geef daar niets om!»«Frans, Frans, hoe durf je zoo iets te zeggen?» valt zijn moeder uit. «Ikgeef daar wel om, jongen. Ik geef daar veel om.… Maar, och, wat praat ik eigenlijk? ’t Is net of ik aan de mogelijkheid denk … ’t Is allemaal onmogelijk. Allemaal, Frans. Er kan toch niets van komen.»«En u begon me al hoop te geven!» roept de jonge man.Zijn moeders omzwenken slaat hem weer op eens neer. Doch hij heeft voor ’t oogenblik geen gelegenheid, verder zijn zaak te bepleiten; want er wordt geklopt. De oude vrouw slaakt een zucht van verlichting: zoo komt er wellicht een einde aan hun pijnlijk gesprek. Ze voelt zich overstelpt, ontdaan, moe.«Binnen!» roept ze.[82]

[Inhoud]HOOFDSTUK VI.In ’t schemerdonker zat mevrouw Jensen in haar huiskamer bij de tafel, een groot hol vertrek met groote stijve meubels en zware gordijnen, deftig en ongezellig. ’t Was daar haar gewone plekje jaar in jaar uit; haar stoel met de hooge leuning stond altijd daar, ’s winters dicht bij de open haard. Ondanks haar nauw meer dan middelbare leeftijd had ze reeds echte oudvrouwtjes-gewoonten en eigenaardigheden. Haar uiterlijk was daarmee geheel in overeenstemming: het vele thuishokken had haar een was-achtig gele tint gegeven, en haar voorhoofd vertoonde reeds rimpels. Haar ouderwetsch kapsel, links en rechts neervallend langs haar slapen, de strakke stemmig zwarte japon zonder eenig sieraad, de lange magere knokige vingers—steeds met een «werkje,» wanneer ze zat—en eindelijk de uitdrukking van droefgeestigheid en matte berusting op haar[64]gelaat met de afgemetenheid van haar bewegingen—’t gaf alles bijeen een indruk van vroege ouderdom, van een vrouw wier denken en voelen vóor hun tijd verdord waren, ingeschrompeld tot enkele manie-achtige vooroordeelen en neigingen.Zoo mogelijk, kijken mevrouw Jensen’s oogen nog iets droefgeestiger dan anders: zelfs ligt er iets hards in haar gewoonlijk zoo zachte, «uitgewischte» trekken: er is blijkbaar iets, dat haar ontstemt.Als haar zoon Frans binnenkomt, slaat ze dan ook maar even haar oogen van haar borduurwerkje op; fronst haar wenkbrauwen en kijkt weer vóor zich.«Moeder, is u daar nog?» zegt de binnentredende eenigszins aarzelend:«Ja, jongen, wat woû je?» Mevrouw Jensen blijft vóor zich kijken. Een zeer ongewoon verschijnsel, bij zijn komst!«Och, niets bizonders, moeder.… luister u ’s even.…»Frans neemt een stoel, en zet zich tegenover haar. Zijn moeder verandert haar houding niet; maar geeft hem ditmaal een onverschillig vluchtige blik, en haar vingers bewegen zich iets vlugger.«Wat heb je?» zegt ze kwazi zonder belangstelling.[65]«Och, dat begrijpt u toch wel: die zaak van zooëven.… aan tafel.…, u weet wel. Ik heb zoo’n verdriet.…»«Kom jongen, zet dat uit je hoofd. Ik heb er al genoeg over moeten hooren.…»«U? Heeft vader er u over gesproken?»«O, meer dan me lief was.»Mevrouw Jensen legt met een zucht haar borduurwerk neer, en zet zich met een gemelijk gezicht, om hem aan te hooren.«En aan tafel zei hij zoo weinig!» hervat Frans. «Wat hij me te zeggen heeft, bewaart hij zeker voor later.»«Ik weet ’t niet, Frans. Ik weet wèl, dat hij vreeselijk tegen je te keer gegaan is; vóor het eten, voordat je thuis kwam. Ik denk, dat hij je straks wel op zijn studeerkamer zal laten roepen.»«Hij denkt zeker, dat ik op mijn kamer zit te werken. Ik kan nogal werken! Mijn kop loopt me om. En nu wil hij me straks kapittelen! Moeder, ik wor’ gek—ik bega een ongeluk aan hem, als hij me weer zoo beleedigt als vanmiddag op de kamer van.… Marta, van juffrouw Van Zee. Ik had zoo graag tot morgen gewacht, u eerst lang en breed over de zaak gesproken.»«Och jongen», roept de oude dame, hem aanziend,[66]en haar stem klinkt nòg temeriger en klagender dan anders, «wees toch niet zoo balsturig, en niet zoo driftig. Ik moèt je vader gelijk geven. En jij moet je ook weten in te houden. Je hebt ongelijk, Frans, je hebt heusch groot ongelijk!»«U ook al!» antwoordt haar zoon korzelig, en staat meteen van zijn stoel op. Dan gaat hij vlak vóor haar staan, en zegt:«Dus u vindt, dat ik … Marta moet opgeven?»«Frans, ik woû, dat je die naam niet meer uitsprak, in mijn bijzijn ten minste niet!»«Moeder, waarom niet, als ik u vragen mag?»’t Kost de jonge man blijkbaar inspanning, om zich in te houden: zijn stem klinkt luider en heftiger dan hij zelf wìl.«Een mooie vraag», zegt mevrouw Jensen eenigszins ontsteld.«Och, och, m’n jongen, wat ben je verblind! Ze heeft je wel heelemaal ingepalmd!»Frans gaat een stap achteruit.«Ingepalmd!» roept hij heftig. «Och, moeder, u kent haar niet!»«Genoeg van wat ik gehoord heb.»«Van vader!»«Is ’t dan niet waar wat hij zegt?»De jonge man zoekt even naar zijn woorden:[67]«Nee», zegt hij iet of wat verlegen «dat wil zeggen.… ten minste niet zoo.… niet zoo als vader ’t uitlegt.»Hij gaat weer zitten, en slaat de beenen over elkaar, plukkend aan zijn opkomend snorretje.«Er is maar éen uitlegging voor een redelijk denkend mensch», gaat de ander voort, «voor een kristen.…»«Moeder, zeg nu niet voor een kristen: voor een edeldenkend mensch wil u zeggen.Nu, die denkt erover net als ik.»Mevrouw Jensen slaat de handen ineen, en de oogen ten hemel.«Als jij!» roept ze klagend. «Jij vindt, dat een edeldenkend mensch er geen bezwaar in moet zien, te trouwen met een gevallen meisje!?»«Dat zèg ik niet, moeder!» hervat de jonge man heftig.«En een Jodin bovendien!» gaat ze temerig voort. «Met een ongehuwde moeder!»«Evengoed getrouwd als u, moeder!»«Frans, als je zoo begint, zwijg ik verder liever.»Hij bedwingt zich, en antwoordt minder heftig:«Och moeder, als u wist, hoe u me met uw woorden pijnigt.… hoe u me martelt.…»Mevrouw Jensen voelt zich getroffen door de[68]toon van echte smart, die uit de woorden van haar zoon klinkt.«Kom, je overdrijft», hervat ze goedhartig. «Ik beoog immers je bestwil. Wat heb je nu eigenlijk vóor? Woû je trouwen met een meisje—met een vrouw, laat me liever zeggen—waar geen fatsoenlijk mensch achting meer voor kan hebben? Dat ze een Jodin is, laat ik nog daar. Als het een fatsoenlijk meisje was.… maar nu.… och jongen, je bent zoo onnoozel, zoo onervaren: je hebt je heelemaal laten inpalmen.»Frans bruist weer op.«Nog eens dat ellendige woord! Maar moeder waarvoor zou zedatnu juist doen? Ik ken haar … ik ken haar zes maanden.»«Dat is juist haar slimmigheid. Ze heeft op je gevoel gewerkt. Ze heeft je eerst voorbereid en aan haar gehecht. Ze aast op je naam en op je geld, zeg ik je.»«Maar moeder», roept Frans buiten zichzelve, «vindt u dat dan eenmanier, om mij voor haar in te nemen? Zoo’n bekentenis in alle bizonderheden! en geheel uit haar zelf!»«Pu! Door je vader in ’t nauw gebracht, en nadat ze jouw dolle idees overvrije liefdekende!»Mevrouw Jensen’s gelaat is éen-en-al heilige afkeer.[69]«Dat is niet waar, moeder!» geeft Frans verontwaardigd terug.«Frans!»«Ze kende die idees niet, zeg ik u! Ik heb eerst andere gedachten gehad, en die ook uitgesproken. Haar bekentenis heeft me overtuigd, dat ze nog al mijn achting verdiende.…»De oude dame staart haar zoon enkele oogenblikken met groote oogen aan, eer ze antwoordt.«Gerechte God in den hemel!» roept ze geheel ontdaan. «Een bekentenis, die je afschuw voor haar geven moest!»«Jezus had geen afschuw van Magdalena, moeder, en dat was een publieke vrouw, moeder.»Mevrouw Jensen voelt zich zeer ongemakkelijk. Met iets van driftige wrevel antwoordt ze:«Spot niet, jongen. Haal hier de heilige naam van Christus niet bij. En dan … en dan, is die Marta iets anders?»Frans slaat met een wanhopig gebaar de beide handen aan ’t voorhoofd, en buigt ietwat voorover.«O, moeder, je maakt me krankzinnig», zegt hij met een kreunend geluid, en, van zijn stoel opspringend, stampt hij met de eene voet op de grond.«Jongen, wees toch bedàard!» roept zijn moeder verschrikt,«wind je toch niet zoo op.»[70]De jonge man gaat met een zucht weer zitten.«Maar waarom gelooft u me dan toch niet?» roept hij terneergeslagen. «Ik zeg u, ze deed haar bekentenis vrijwillig, geheel vrijwillig! En ze had me met weinig moeite kunnen wijsmaken wat ze woû!»«Je vader en ik zijn er ook nog, jongen.»«Ik zou u niet geloofd hebben. Ik zou niemand geloofd hebben, als er iets tegen haar gezegd werd. Ik vereer haar, ik stel haar hoog. Hoog, moeder, verstaat u dat? Heel hoog.»De ander maakt een gebaar van kwazie-berusting, en verschuift even in haar stoel, met een beweging, als wilde ze zeggen, dat ze er nu niets meer van hooren wil.«Jawel, dat weten we», zegt ze met haar gelaat weer geheel van Frans afgewend.«Maar als ik haar dan hoogstel, moeder», gaat de laatste voort, «waarom zou ik … zou ik haar dan niet mogen trouwen?»«Och …»Mevrouw Jensen bewaart haar afgewende houding.«Nou, zeg nou …» houdt Frans aan.«Ik wil niets meer zeggen. Je zult wel tot andere gedachten komen.»Haar lustelooze onwillige toon prikkelt hem, doch[71]hij houdt zich in: beseffend, dat alleen kalme overreding op zulk een houding eenige vat kan hebben.«Ik zeg u, dat ik volkomen kalm ben», zegt hij, zich verschikkend op zijn stoel, de handen ineenleggend en de beenen over elkaar slaande, terwijl zijn toon veel vriendelijker klinkt.«Een kalmte wel! dat moet ik zeggen!» gemelijkt de ander door, en haalt de schouders op.«Nou ja, ik weet alles wat ik zeg», antwoordt de jonge man onverdroten. «Ik vraag u nu vriendelijk, ik smeek u, moeder, om me bedaard aan te hooren. Wil u dat? Mag ik u mijn heele opvatting van de zaak eens blootleggen? Als ik weet, dat u ’t met me eens is»—Mevrouw Jensen maakt een korzelig ongeduldig gebaar met arm en schouder—«dan voel ik me zooveel sterker …»«Om in je eigenzinnige opvattingen te volharden.»Nog steeds blijft het gelaat van de spreekster van de ander afgekeerd.«Als u me overtuigen kan, dat ik ongelijk heb», gaat Frans met dezelfde bedaardheid voort, «zal ik me gewonnen geven. Is dat dan goed? Mag ik nu spreken?»«Nu, ik ben benieuwd,.. Er zal wat moois komen.»«Goed dan. Gelooft u aan beginselen?»[72]Mevrouw Jensen haalt de schouders op. De ander hervat:«Die zijn bij u gegrond op uw godsdienstige overtuiging, is dat niet zoo?»Voor ’t eerst kijkt de oude dame weer op, met verwondering in haar blik, steeds met de uitdrukking van gewilde wrevel erop, die op Frans, ware hij anders gestemd, stellig een komische indruk zou gemaakt hebben.«Nou, ja, wat zou dat!» zegt ze met een schouderschokje.«Gelooft u ook,» spreekt haar zoon geduldig verder, «dat ieder zalig kan worden op zijn eigen manier, naar zijn eigen inzichten?»«Ja.… jawel, ofschoon.… ieder geloof toch niet hetzelfde is.»«Nu goed, in hoofdzaak geeft u me dus toe. Nu, als dat dan zoo is, neemt u dan aan, dat ook Marta overtuigingen had? Of liever: wil u de mogelijkheid wel aannemen, dat zij ze had en heeft?»«Jawel, nou ja.… je bedoelt, dat ze er godsdienstige overtuigingen op na houdt?.…»«Godsdienstige.… nee, overtuigingen, heilige overtuigingen in ’t algemeen? Beginselen waarnaar men leeft, waarnaar men goed en kwaad beoordeelt?»[73]«Nou ja, ga verder. Als je dat godsdienst noemt …»«Nee moeder—» en weer verliest zijn stem een oogenblik haar kalmte, maar hij herstelt zichonmiddellijk. «Ik noem dat alleen heilige overtuigingen. U gelooft toch met mij, dat ook een «vrijdenker» een goed mensch kan wezen?»«Eenvrijdenker? Eengodloochenaar, wil je zeggen?»Er is een klank van innige afschuw in Mevrouw Jensen’s stem, als ze dit zegt. Ze kijkt weer stroef vóor zich.«Nee, moeder,» gaat de ander met ingehouden ergernisvoort. «Ik bedoel iemand, die geheel vrij van elk opgedrongen dogma, zijn eigen denkbeelden heeft over zedelijkheid en verantwoordelijkheid; iemand, die zijn geweten als eenige God vereert en gehoorzaamt.»’t Is of de jonge man een vaag besef heeft van ’t rhetorische van zijn woorden. Toch is hij er tevreden over, al verschuift hij even op zijn stoel, als iemand die verlegen is met de fraaiheid van zijn taal: hij heeft het immers zoo—in die vorm—zoo vaak gehoord en gelezen. Ook uit Marta’s mond …Mevrouw Jensen haalt weer haar schouders op.«Mooie frazen!» zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. «Maar ga je gang …»[74]«Nu, Marta heeft zulke beginselen», hervat de jonge man. «En tot die beginselen behoort, dat het huwelijk een gewetenszaak is tusschen man en vrouw, die dat huwelijk willen aangaan.»«Tweemaal twee is vier.»«Nee, moeder, ik vat hier huwelijk op als samenleving van man en vrouw met gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de kinderen, die ze samen krijgen.»«Jawel, vrije liefde …»Er klinkt grenzelooze minachting in de toon, waarop deze woorden uitgesproken worden. Doch Frans blijft onverstoord.—hij vecht immers voor ’t recht van zijn liefde—en hij vervolgt kalm:«Marta vond voor zoo’n huwelijk het eenig vereischte: de vrije keus van de twee betrokkenen, zonder bemoeienis van iemand anders.»«Ja maar …»«Laat me uitspreken, moeder. Marta had die opvatting van haar oom geleerd, dat was een man, die ze hoog vereerde, een man van onberispelijk leven, iemand die haar steeds lief gehad heeft. Ze geloofde in die man. Ze kende niemand, wiens gezag ze in de hoogste levenskwesties hooger stelde. Vindt u het dan leelijk of afkeurenswaardig, dat ze hem geloofde, dat ze zelf heilig vertrouwde op wat hij haar leerde?»[75]«Nee maar … ik begrijp niet wat …»«U zàl me wel begrijpen. Nu, dat wat ik zei vooropgesteld, zal u het wel even aannemelijk vinden, dat ze een jonge man, die ze goed kende, die een huisvriend was bij haar oom, net zoo vertrouwde, toen die beweerde dezelfde denkbeelden aan te hangen. En toen die van haar de toepassing vroeg van die denkbeelden …»«Goed, ze had met hem kunnen trouwen.» De voetbeweging, die de oude dame maakt, heeft veel van een ongeduldig stampje. «Dat heeft ze zeker niet gedaan, omdat er wat tegen was.»«Maar, moeder, ik zeg u, dat erniets, hoegenaamd niets tegen was. Haar oom hield van die man. Zij had geld, al was ’t niet veel. Die man kon ook behoorlijk bestaan. Ze hielden van elkaar, of ten minstezijhield oprecht van hem, en hij betuigde zijn liefde.»«Dan hàd ze immers kunnen trouwen!»«En dan ontrouw worden aan de beginselen, die ze had? Die ze als heilig beschouwde? Bemoeienis van anderen met zulke intieme zielsaangelegenheden beschouwde ze als heiligschennis. Begrijpt u dat dan niet?»«Wat ’n godslastering!»Mevrouw Jensen heft de handen op van haar schoot. De ander verliest weer zijn zelfbedwang.[76]«Maar, moeder», roept hij heftig, «ze geloofde dat vast, even vast als u aan uw geloof hecht! Deed ze dan kwaad door die man te volgen, en zich aan hem te geven?»«Ja, wis en drie deed ze dat», antwoordt de moeder, nu met eenige stemverheffing, en hem weer aankijkend met opgetrokken wenkbrauwen.«Wat woû jij beweren, dat het iemand zoo maar vrijstaat, alle beginselen van zedeleer en godsdienst eventjes ondersteboven te halen, en te handelen zoo … als niemand anders doet? Jij kon me evengoed vertellen, dat ze tegen alle andere menschen in, het voor goed hield, om haar evenmensch te vermoorden, als die bij voorbeeld rijk was en haar zijn geld niet geven woû.»Met blijkbare voldoening zet de magere gestalte zich weer recht, en kijkt weer vóor zich met nog een nageluidje en een lipvertrekking.Frans haalt zijn schouders op; toch is hij bedaard, als hij hervat:«Dat is benadeelen van een ander, moeder. Marta kon met wat ze deed alleen zichzelf benadeelen, als het verkeerde gevolgen had …»«En de kinderen dan, als ze die kreeg? En de maatschappij door haar voorbeeld?»«Haar kinderen, daar zou ze voor gezorgd hebben. En hij had dat òok moeten doen. Hij[77]heeft ’t niet gedaan, dat kon zij toch niet helpen! En de maatschappij! Zou u, moeder, heilige overtuigingen opgeven, omdat de wereld u er om veroordeelen zou?»«Nee, maar ik kan me niet denken, dat die er zouden kunnen zijn.»«Och kom! Zoo iets komt immers dikwijls voor: ik bedoel minachting van de wereld, omdat men zijn plicht doet. Ze hebben Christus ook gesmaad en gehoond, omdat …»«Zwijg, Frans, ik wìl die godslasterlijke vergelijkingen van je niet aanhooren. Ik zeg je: ze had moèten trouwen, daar blijf ik bij. ’t Huwelijk is een goddelijke instelling: de huwelijken worden in de hemel gesloten …»Heftig valt de jonge man weer uit:«Als dat zoo is, laten de menschen er dan afblijven! En als ze in de hemel gesloten worden, dan hoeft eendomineeof pastoor, of een ambtenaar van de burgerlijke stand er zich niet mee in te laten.»Mevrouw Jensen maakt een klein gebaar van wrevel met de rechterhand, maar zwijgt.«Maar we dwalen af», gaat de ander voort. «Ik woû u alleen aantoonen, dat Martageenschuld heeft gehad. De eenige schuldige is die ploert, de bedrieger, de verleider, die haar om de tuin geleid heeft!»[78]Mevrouw Jensen slaat de oogen even naar Frans op, en er is iets van meewarigheid in haar stem, als ze vraagt:«Heeft die haar dan in de steek gelaten?»«Ja, toen ze zwanger was», zegt hij dof. Hij maakt een driftig gebaar met gebalde vuist, en slaat somber de blik neer.«En ’t kind?»«Daar zorgt zij nu alleen voor. O, umoest ’sweten, hoe innig ze dat kind liefheeft.»«Een jongen?»«Ja. Ik heb ’t portret gezien: een alleraardigst kind, een snoes van een jongen. Hij is nu twee jaar oud.»De innig ontroerde toon van Frans’ stem, doet zijn moeder eigenaardig aan. Ze kijkt hem nu strak aan, worstelend met haar gevoel.«’t Lijkt wel, of jij ook van dat kind houdt», zegt ze.De oogen van Frans worden vochtig.«Ja, moeder … en toch heb ik het nog nooit gezien. O, ik heb zoo’n innig medelijden met die arme Marta! En als u ’s wist, hoe ze werkt, hoe ze nu al bij de professoren hoog staat aangeschreven. Ze heeft een prijsvraag beantwoord. Is met goud bekroond.»Frans voelt zich meer en meer op dreef. Zoo[79]zal hij ’t misschien nog winnen, denkt hij hoopvol hij ziet hoe verteederd zijn moeder is.«Ja, dat’s waar», zegt ze, nu op echt goedhartige toon en bijna geheel bijgedraaid, «daar heb ik niets dan goeds van gehoord. Je vader moest daar voor uitkomen: dat stond ook in de informaties, die we gekregen hebben.»Frans grijpt verrukt zijn moeders hand.«O moeder, ik wou, dat u haar kende», roept hij uit. «Zoo’n voorbeeld van plichtsbetrachting, van kieschheid …»Mevrouw Jensen is even stil, neemt de blijde trekken van haar zoon—van wie ze zooveel houdt!—met zichtbaar welgevallen op. Dan zegt ze opeens met aandrang:«Jongen, zeg me nu ’s oprecht: heeft er ooit wat tusschen jelui … bestaan? Vader hield dat voor zeker …»«Nooit, hoor», geeft de ander met groote beslistheid terug.«Niet het minste! Ik vind het heel leelijk van vader, om u zoo iets op de mouw te spelden. Als ik u vertel, dat ik haar gisteren voor ’t eerst gezegd heb, dat ik haar liefheb!»«’t Eerste woord van liefde heeft zij ook pas gisteren uitgesproken. Evenals ik, moeder. We zijn met elkaar omgegaan als broer en zuster.»[80]Ze antwoordt niet dadelijk, maar kijkt hem vol in de oogen.«Is dat heusch waar, Frans?»«Op mijn woord, moeder!»Neen, in zulk een oprechte oogopslag kan geen spoor van leugen schuilen, denkt de oude vrouw: Och, ’t is toch in de grond zoon goeie beste jongen …«En wil ze nu met je trouwen?» vraagt de moeder ten slotte.«Ja, nu: ik heb haar overgehaald. Haar overtuigd, dat het mijn geluk was, dat het geluk van haar kind ervan afhing. Toen is ze eindelijk gezwicht.»«Dat klinkt ongelooflijk, Frans. Jij haar overgehaald?»«’t Is zooals ik ’t u zeg. Ze was zich volkomen bewust van al ’t gewaagde, dat er voor mij in zulk een verbintenis was.»«En haar beginselen over … vrije liefde?»«Die heeft ze nog. Maar ze wil om haar kind in een gewoon huwelijk toestemmen.»Weer zwijgt Frans’ moeder even. Dan wat minder vriendelijk dan te voren, aarzelend en met iets van teruggekeerd wantrouwen:«Wil ze dan ook protestant worden?»Frans bedwingt een gevoel van ergernis.[81]«Daar hebben we niet over gesproken, moeder» antwoordt hij schijnbaar volkomen kalm. «Maar waartoe zou dat dienen? Ik … ik geef daar niets om!»«Frans, Frans, hoe durf je zoo iets te zeggen?» valt zijn moeder uit. «Ikgeef daar wel om, jongen. Ik geef daar veel om.… Maar, och, wat praat ik eigenlijk? ’t Is net of ik aan de mogelijkheid denk … ’t Is allemaal onmogelijk. Allemaal, Frans. Er kan toch niets van komen.»«En u begon me al hoop te geven!» roept de jonge man.Zijn moeders omzwenken slaat hem weer op eens neer. Doch hij heeft voor ’t oogenblik geen gelegenheid, verder zijn zaak te bepleiten; want er wordt geklopt. De oude vrouw slaakt een zucht van verlichting: zoo komt er wellicht een einde aan hun pijnlijk gesprek. Ze voelt zich overstelpt, ontdaan, moe.«Binnen!» roept ze.[82]

HOOFDSTUK VI.

In ’t schemerdonker zat mevrouw Jensen in haar huiskamer bij de tafel, een groot hol vertrek met groote stijve meubels en zware gordijnen, deftig en ongezellig. ’t Was daar haar gewone plekje jaar in jaar uit; haar stoel met de hooge leuning stond altijd daar, ’s winters dicht bij de open haard. Ondanks haar nauw meer dan middelbare leeftijd had ze reeds echte oudvrouwtjes-gewoonten en eigenaardigheden. Haar uiterlijk was daarmee geheel in overeenstemming: het vele thuishokken had haar een was-achtig gele tint gegeven, en haar voorhoofd vertoonde reeds rimpels. Haar ouderwetsch kapsel, links en rechts neervallend langs haar slapen, de strakke stemmig zwarte japon zonder eenig sieraad, de lange magere knokige vingers—steeds met een «werkje,» wanneer ze zat—en eindelijk de uitdrukking van droefgeestigheid en matte berusting op haar[64]gelaat met de afgemetenheid van haar bewegingen—’t gaf alles bijeen een indruk van vroege ouderdom, van een vrouw wier denken en voelen vóor hun tijd verdord waren, ingeschrompeld tot enkele manie-achtige vooroordeelen en neigingen.Zoo mogelijk, kijken mevrouw Jensen’s oogen nog iets droefgeestiger dan anders: zelfs ligt er iets hards in haar gewoonlijk zoo zachte, «uitgewischte» trekken: er is blijkbaar iets, dat haar ontstemt.Als haar zoon Frans binnenkomt, slaat ze dan ook maar even haar oogen van haar borduurwerkje op; fronst haar wenkbrauwen en kijkt weer vóor zich.«Moeder, is u daar nog?» zegt de binnentredende eenigszins aarzelend:«Ja, jongen, wat woû je?» Mevrouw Jensen blijft vóor zich kijken. Een zeer ongewoon verschijnsel, bij zijn komst!«Och, niets bizonders, moeder.… luister u ’s even.…»Frans neemt een stoel, en zet zich tegenover haar. Zijn moeder verandert haar houding niet; maar geeft hem ditmaal een onverschillig vluchtige blik, en haar vingers bewegen zich iets vlugger.«Wat heb je?» zegt ze kwazi zonder belangstelling.[65]«Och, dat begrijpt u toch wel: die zaak van zooëven.… aan tafel.…, u weet wel. Ik heb zoo’n verdriet.…»«Kom jongen, zet dat uit je hoofd. Ik heb er al genoeg over moeten hooren.…»«U? Heeft vader er u over gesproken?»«O, meer dan me lief was.»Mevrouw Jensen legt met een zucht haar borduurwerk neer, en zet zich met een gemelijk gezicht, om hem aan te hooren.«En aan tafel zei hij zoo weinig!» hervat Frans. «Wat hij me te zeggen heeft, bewaart hij zeker voor later.»«Ik weet ’t niet, Frans. Ik weet wèl, dat hij vreeselijk tegen je te keer gegaan is; vóor het eten, voordat je thuis kwam. Ik denk, dat hij je straks wel op zijn studeerkamer zal laten roepen.»«Hij denkt zeker, dat ik op mijn kamer zit te werken. Ik kan nogal werken! Mijn kop loopt me om. En nu wil hij me straks kapittelen! Moeder, ik wor’ gek—ik bega een ongeluk aan hem, als hij me weer zoo beleedigt als vanmiddag op de kamer van.… Marta, van juffrouw Van Zee. Ik had zoo graag tot morgen gewacht, u eerst lang en breed over de zaak gesproken.»«Och jongen», roept de oude dame, hem aanziend,[66]en haar stem klinkt nòg temeriger en klagender dan anders, «wees toch niet zoo balsturig, en niet zoo driftig. Ik moèt je vader gelijk geven. En jij moet je ook weten in te houden. Je hebt ongelijk, Frans, je hebt heusch groot ongelijk!»«U ook al!» antwoordt haar zoon korzelig, en staat meteen van zijn stoel op. Dan gaat hij vlak vóor haar staan, en zegt:«Dus u vindt, dat ik … Marta moet opgeven?»«Frans, ik woû, dat je die naam niet meer uitsprak, in mijn bijzijn ten minste niet!»«Moeder, waarom niet, als ik u vragen mag?»’t Kost de jonge man blijkbaar inspanning, om zich in te houden: zijn stem klinkt luider en heftiger dan hij zelf wìl.«Een mooie vraag», zegt mevrouw Jensen eenigszins ontsteld.«Och, och, m’n jongen, wat ben je verblind! Ze heeft je wel heelemaal ingepalmd!»Frans gaat een stap achteruit.«Ingepalmd!» roept hij heftig. «Och, moeder, u kent haar niet!»«Genoeg van wat ik gehoord heb.»«Van vader!»«Is ’t dan niet waar wat hij zegt?»De jonge man zoekt even naar zijn woorden:[67]«Nee», zegt hij iet of wat verlegen «dat wil zeggen.… ten minste niet zoo.… niet zoo als vader ’t uitlegt.»Hij gaat weer zitten, en slaat de beenen over elkaar, plukkend aan zijn opkomend snorretje.«Er is maar éen uitlegging voor een redelijk denkend mensch», gaat de ander voort, «voor een kristen.…»«Moeder, zeg nu niet voor een kristen: voor een edeldenkend mensch wil u zeggen.Nu, die denkt erover net als ik.»Mevrouw Jensen slaat de handen ineen, en de oogen ten hemel.«Als jij!» roept ze klagend. «Jij vindt, dat een edeldenkend mensch er geen bezwaar in moet zien, te trouwen met een gevallen meisje!?»«Dat zèg ik niet, moeder!» hervat de jonge man heftig.«En een Jodin bovendien!» gaat ze temerig voort. «Met een ongehuwde moeder!»«Evengoed getrouwd als u, moeder!»«Frans, als je zoo begint, zwijg ik verder liever.»Hij bedwingt zich, en antwoordt minder heftig:«Och moeder, als u wist, hoe u me met uw woorden pijnigt.… hoe u me martelt.…»Mevrouw Jensen voelt zich getroffen door de[68]toon van echte smart, die uit de woorden van haar zoon klinkt.«Kom, je overdrijft», hervat ze goedhartig. «Ik beoog immers je bestwil. Wat heb je nu eigenlijk vóor? Woû je trouwen met een meisje—met een vrouw, laat me liever zeggen—waar geen fatsoenlijk mensch achting meer voor kan hebben? Dat ze een Jodin is, laat ik nog daar. Als het een fatsoenlijk meisje was.… maar nu.… och jongen, je bent zoo onnoozel, zoo onervaren: je hebt je heelemaal laten inpalmen.»Frans bruist weer op.«Nog eens dat ellendige woord! Maar moeder waarvoor zou zedatnu juist doen? Ik ken haar … ik ken haar zes maanden.»«Dat is juist haar slimmigheid. Ze heeft op je gevoel gewerkt. Ze heeft je eerst voorbereid en aan haar gehecht. Ze aast op je naam en op je geld, zeg ik je.»«Maar moeder», roept Frans buiten zichzelve, «vindt u dat dan eenmanier, om mij voor haar in te nemen? Zoo’n bekentenis in alle bizonderheden! en geheel uit haar zelf!»«Pu! Door je vader in ’t nauw gebracht, en nadat ze jouw dolle idees overvrije liefdekende!»Mevrouw Jensen’s gelaat is éen-en-al heilige afkeer.[69]«Dat is niet waar, moeder!» geeft Frans verontwaardigd terug.«Frans!»«Ze kende die idees niet, zeg ik u! Ik heb eerst andere gedachten gehad, en die ook uitgesproken. Haar bekentenis heeft me overtuigd, dat ze nog al mijn achting verdiende.…»De oude dame staart haar zoon enkele oogenblikken met groote oogen aan, eer ze antwoordt.«Gerechte God in den hemel!» roept ze geheel ontdaan. «Een bekentenis, die je afschuw voor haar geven moest!»«Jezus had geen afschuw van Magdalena, moeder, en dat was een publieke vrouw, moeder.»Mevrouw Jensen voelt zich zeer ongemakkelijk. Met iets van driftige wrevel antwoordt ze:«Spot niet, jongen. Haal hier de heilige naam van Christus niet bij. En dan … en dan, is die Marta iets anders?»Frans slaat met een wanhopig gebaar de beide handen aan ’t voorhoofd, en buigt ietwat voorover.«O, moeder, je maakt me krankzinnig», zegt hij met een kreunend geluid, en, van zijn stoel opspringend, stampt hij met de eene voet op de grond.«Jongen, wees toch bedàard!» roept zijn moeder verschrikt,«wind je toch niet zoo op.»[70]De jonge man gaat met een zucht weer zitten.«Maar waarom gelooft u me dan toch niet?» roept hij terneergeslagen. «Ik zeg u, ze deed haar bekentenis vrijwillig, geheel vrijwillig! En ze had me met weinig moeite kunnen wijsmaken wat ze woû!»«Je vader en ik zijn er ook nog, jongen.»«Ik zou u niet geloofd hebben. Ik zou niemand geloofd hebben, als er iets tegen haar gezegd werd. Ik vereer haar, ik stel haar hoog. Hoog, moeder, verstaat u dat? Heel hoog.»De ander maakt een gebaar van kwazie-berusting, en verschuift even in haar stoel, met een beweging, als wilde ze zeggen, dat ze er nu niets meer van hooren wil.«Jawel, dat weten we», zegt ze met haar gelaat weer geheel van Frans afgewend.«Maar als ik haar dan hoogstel, moeder», gaat de laatste voort, «waarom zou ik … zou ik haar dan niet mogen trouwen?»«Och …»Mevrouw Jensen bewaart haar afgewende houding.«Nou, zeg nou …» houdt Frans aan.«Ik wil niets meer zeggen. Je zult wel tot andere gedachten komen.»Haar lustelooze onwillige toon prikkelt hem, doch[71]hij houdt zich in: beseffend, dat alleen kalme overreding op zulk een houding eenige vat kan hebben.«Ik zeg u, dat ik volkomen kalm ben», zegt hij, zich verschikkend op zijn stoel, de handen ineenleggend en de beenen over elkaar slaande, terwijl zijn toon veel vriendelijker klinkt.«Een kalmte wel! dat moet ik zeggen!» gemelijkt de ander door, en haalt de schouders op.«Nou ja, ik weet alles wat ik zeg», antwoordt de jonge man onverdroten. «Ik vraag u nu vriendelijk, ik smeek u, moeder, om me bedaard aan te hooren. Wil u dat? Mag ik u mijn heele opvatting van de zaak eens blootleggen? Als ik weet, dat u ’t met me eens is»—Mevrouw Jensen maakt een korzelig ongeduldig gebaar met arm en schouder—«dan voel ik me zooveel sterker …»«Om in je eigenzinnige opvattingen te volharden.»Nog steeds blijft het gelaat van de spreekster van de ander afgekeerd.«Als u me overtuigen kan, dat ik ongelijk heb», gaat Frans met dezelfde bedaardheid voort, «zal ik me gewonnen geven. Is dat dan goed? Mag ik nu spreken?»«Nu, ik ben benieuwd,.. Er zal wat moois komen.»«Goed dan. Gelooft u aan beginselen?»[72]Mevrouw Jensen haalt de schouders op. De ander hervat:«Die zijn bij u gegrond op uw godsdienstige overtuiging, is dat niet zoo?»Voor ’t eerst kijkt de oude dame weer op, met verwondering in haar blik, steeds met de uitdrukking van gewilde wrevel erop, die op Frans, ware hij anders gestemd, stellig een komische indruk zou gemaakt hebben.«Nou, ja, wat zou dat!» zegt ze met een schouderschokje.«Gelooft u ook,» spreekt haar zoon geduldig verder, «dat ieder zalig kan worden op zijn eigen manier, naar zijn eigen inzichten?»«Ja.… jawel, ofschoon.… ieder geloof toch niet hetzelfde is.»«Nu goed, in hoofdzaak geeft u me dus toe. Nu, als dat dan zoo is, neemt u dan aan, dat ook Marta overtuigingen had? Of liever: wil u de mogelijkheid wel aannemen, dat zij ze had en heeft?»«Jawel, nou ja.… je bedoelt, dat ze er godsdienstige overtuigingen op na houdt?.…»«Godsdienstige.… nee, overtuigingen, heilige overtuigingen in ’t algemeen? Beginselen waarnaar men leeft, waarnaar men goed en kwaad beoordeelt?»[73]«Nou ja, ga verder. Als je dat godsdienst noemt …»«Nee moeder—» en weer verliest zijn stem een oogenblik haar kalmte, maar hij herstelt zichonmiddellijk. «Ik noem dat alleen heilige overtuigingen. U gelooft toch met mij, dat ook een «vrijdenker» een goed mensch kan wezen?»«Eenvrijdenker? Eengodloochenaar, wil je zeggen?»Er is een klank van innige afschuw in Mevrouw Jensen’s stem, als ze dit zegt. Ze kijkt weer stroef vóor zich.«Nee, moeder,» gaat de ander met ingehouden ergernisvoort. «Ik bedoel iemand, die geheel vrij van elk opgedrongen dogma, zijn eigen denkbeelden heeft over zedelijkheid en verantwoordelijkheid; iemand, die zijn geweten als eenige God vereert en gehoorzaamt.»’t Is of de jonge man een vaag besef heeft van ’t rhetorische van zijn woorden. Toch is hij er tevreden over, al verschuift hij even op zijn stoel, als iemand die verlegen is met de fraaiheid van zijn taal: hij heeft het immers zoo—in die vorm—zoo vaak gehoord en gelezen. Ook uit Marta’s mond …Mevrouw Jensen haalt weer haar schouders op.«Mooie frazen!» zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. «Maar ga je gang …»[74]«Nu, Marta heeft zulke beginselen», hervat de jonge man. «En tot die beginselen behoort, dat het huwelijk een gewetenszaak is tusschen man en vrouw, die dat huwelijk willen aangaan.»«Tweemaal twee is vier.»«Nee, moeder, ik vat hier huwelijk op als samenleving van man en vrouw met gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de kinderen, die ze samen krijgen.»«Jawel, vrije liefde …»Er klinkt grenzelooze minachting in de toon, waarop deze woorden uitgesproken worden. Doch Frans blijft onverstoord.—hij vecht immers voor ’t recht van zijn liefde—en hij vervolgt kalm:«Marta vond voor zoo’n huwelijk het eenig vereischte: de vrije keus van de twee betrokkenen, zonder bemoeienis van iemand anders.»«Ja maar …»«Laat me uitspreken, moeder. Marta had die opvatting van haar oom geleerd, dat was een man, die ze hoog vereerde, een man van onberispelijk leven, iemand die haar steeds lief gehad heeft. Ze geloofde in die man. Ze kende niemand, wiens gezag ze in de hoogste levenskwesties hooger stelde. Vindt u het dan leelijk of afkeurenswaardig, dat ze hem geloofde, dat ze zelf heilig vertrouwde op wat hij haar leerde?»[75]«Nee maar … ik begrijp niet wat …»«U zàl me wel begrijpen. Nu, dat wat ik zei vooropgesteld, zal u het wel even aannemelijk vinden, dat ze een jonge man, die ze goed kende, die een huisvriend was bij haar oom, net zoo vertrouwde, toen die beweerde dezelfde denkbeelden aan te hangen. En toen die van haar de toepassing vroeg van die denkbeelden …»«Goed, ze had met hem kunnen trouwen.» De voetbeweging, die de oude dame maakt, heeft veel van een ongeduldig stampje. «Dat heeft ze zeker niet gedaan, omdat er wat tegen was.»«Maar, moeder, ik zeg u, dat erniets, hoegenaamd niets tegen was. Haar oom hield van die man. Zij had geld, al was ’t niet veel. Die man kon ook behoorlijk bestaan. Ze hielden van elkaar, of ten minstezijhield oprecht van hem, en hij betuigde zijn liefde.»«Dan hàd ze immers kunnen trouwen!»«En dan ontrouw worden aan de beginselen, die ze had? Die ze als heilig beschouwde? Bemoeienis van anderen met zulke intieme zielsaangelegenheden beschouwde ze als heiligschennis. Begrijpt u dat dan niet?»«Wat ’n godslastering!»Mevrouw Jensen heft de handen op van haar schoot. De ander verliest weer zijn zelfbedwang.[76]«Maar, moeder», roept hij heftig, «ze geloofde dat vast, even vast als u aan uw geloof hecht! Deed ze dan kwaad door die man te volgen, en zich aan hem te geven?»«Ja, wis en drie deed ze dat», antwoordt de moeder, nu met eenige stemverheffing, en hem weer aankijkend met opgetrokken wenkbrauwen.«Wat woû jij beweren, dat het iemand zoo maar vrijstaat, alle beginselen van zedeleer en godsdienst eventjes ondersteboven te halen, en te handelen zoo … als niemand anders doet? Jij kon me evengoed vertellen, dat ze tegen alle andere menschen in, het voor goed hield, om haar evenmensch te vermoorden, als die bij voorbeeld rijk was en haar zijn geld niet geven woû.»Met blijkbare voldoening zet de magere gestalte zich weer recht, en kijkt weer vóor zich met nog een nageluidje en een lipvertrekking.Frans haalt zijn schouders op; toch is hij bedaard, als hij hervat:«Dat is benadeelen van een ander, moeder. Marta kon met wat ze deed alleen zichzelf benadeelen, als het verkeerde gevolgen had …»«En de kinderen dan, als ze die kreeg? En de maatschappij door haar voorbeeld?»«Haar kinderen, daar zou ze voor gezorgd hebben. En hij had dat òok moeten doen. Hij[77]heeft ’t niet gedaan, dat kon zij toch niet helpen! En de maatschappij! Zou u, moeder, heilige overtuigingen opgeven, omdat de wereld u er om veroordeelen zou?»«Nee, maar ik kan me niet denken, dat die er zouden kunnen zijn.»«Och kom! Zoo iets komt immers dikwijls voor: ik bedoel minachting van de wereld, omdat men zijn plicht doet. Ze hebben Christus ook gesmaad en gehoond, omdat …»«Zwijg, Frans, ik wìl die godslasterlijke vergelijkingen van je niet aanhooren. Ik zeg je: ze had moèten trouwen, daar blijf ik bij. ’t Huwelijk is een goddelijke instelling: de huwelijken worden in de hemel gesloten …»Heftig valt de jonge man weer uit:«Als dat zoo is, laten de menschen er dan afblijven! En als ze in de hemel gesloten worden, dan hoeft eendomineeof pastoor, of een ambtenaar van de burgerlijke stand er zich niet mee in te laten.»Mevrouw Jensen maakt een klein gebaar van wrevel met de rechterhand, maar zwijgt.«Maar we dwalen af», gaat de ander voort. «Ik woû u alleen aantoonen, dat Martageenschuld heeft gehad. De eenige schuldige is die ploert, de bedrieger, de verleider, die haar om de tuin geleid heeft!»[78]Mevrouw Jensen slaat de oogen even naar Frans op, en er is iets van meewarigheid in haar stem, als ze vraagt:«Heeft die haar dan in de steek gelaten?»«Ja, toen ze zwanger was», zegt hij dof. Hij maakt een driftig gebaar met gebalde vuist, en slaat somber de blik neer.«En ’t kind?»«Daar zorgt zij nu alleen voor. O, umoest ’sweten, hoe innig ze dat kind liefheeft.»«Een jongen?»«Ja. Ik heb ’t portret gezien: een alleraardigst kind, een snoes van een jongen. Hij is nu twee jaar oud.»De innig ontroerde toon van Frans’ stem, doet zijn moeder eigenaardig aan. Ze kijkt hem nu strak aan, worstelend met haar gevoel.«’t Lijkt wel, of jij ook van dat kind houdt», zegt ze.De oogen van Frans worden vochtig.«Ja, moeder … en toch heb ik het nog nooit gezien. O, ik heb zoo’n innig medelijden met die arme Marta! En als u ’s wist, hoe ze werkt, hoe ze nu al bij de professoren hoog staat aangeschreven. Ze heeft een prijsvraag beantwoord. Is met goud bekroond.»Frans voelt zich meer en meer op dreef. Zoo[79]zal hij ’t misschien nog winnen, denkt hij hoopvol hij ziet hoe verteederd zijn moeder is.«Ja, dat’s waar», zegt ze, nu op echt goedhartige toon en bijna geheel bijgedraaid, «daar heb ik niets dan goeds van gehoord. Je vader moest daar voor uitkomen: dat stond ook in de informaties, die we gekregen hebben.»Frans grijpt verrukt zijn moeders hand.«O moeder, ik wou, dat u haar kende», roept hij uit. «Zoo’n voorbeeld van plichtsbetrachting, van kieschheid …»Mevrouw Jensen is even stil, neemt de blijde trekken van haar zoon—van wie ze zooveel houdt!—met zichtbaar welgevallen op. Dan zegt ze opeens met aandrang:«Jongen, zeg me nu ’s oprecht: heeft er ooit wat tusschen jelui … bestaan? Vader hield dat voor zeker …»«Nooit, hoor», geeft de ander met groote beslistheid terug.«Niet het minste! Ik vind het heel leelijk van vader, om u zoo iets op de mouw te spelden. Als ik u vertel, dat ik haar gisteren voor ’t eerst gezegd heb, dat ik haar liefheb!»«’t Eerste woord van liefde heeft zij ook pas gisteren uitgesproken. Evenals ik, moeder. We zijn met elkaar omgegaan als broer en zuster.»[80]Ze antwoordt niet dadelijk, maar kijkt hem vol in de oogen.«Is dat heusch waar, Frans?»«Op mijn woord, moeder!»Neen, in zulk een oprechte oogopslag kan geen spoor van leugen schuilen, denkt de oude vrouw: Och, ’t is toch in de grond zoon goeie beste jongen …«En wil ze nu met je trouwen?» vraagt de moeder ten slotte.«Ja, nu: ik heb haar overgehaald. Haar overtuigd, dat het mijn geluk was, dat het geluk van haar kind ervan afhing. Toen is ze eindelijk gezwicht.»«Dat klinkt ongelooflijk, Frans. Jij haar overgehaald?»«’t Is zooals ik ’t u zeg. Ze was zich volkomen bewust van al ’t gewaagde, dat er voor mij in zulk een verbintenis was.»«En haar beginselen over … vrije liefde?»«Die heeft ze nog. Maar ze wil om haar kind in een gewoon huwelijk toestemmen.»Weer zwijgt Frans’ moeder even. Dan wat minder vriendelijk dan te voren, aarzelend en met iets van teruggekeerd wantrouwen:«Wil ze dan ook protestant worden?»Frans bedwingt een gevoel van ergernis.[81]«Daar hebben we niet over gesproken, moeder» antwoordt hij schijnbaar volkomen kalm. «Maar waartoe zou dat dienen? Ik … ik geef daar niets om!»«Frans, Frans, hoe durf je zoo iets te zeggen?» valt zijn moeder uit. «Ikgeef daar wel om, jongen. Ik geef daar veel om.… Maar, och, wat praat ik eigenlijk? ’t Is net of ik aan de mogelijkheid denk … ’t Is allemaal onmogelijk. Allemaal, Frans. Er kan toch niets van komen.»«En u begon me al hoop te geven!» roept de jonge man.Zijn moeders omzwenken slaat hem weer op eens neer. Doch hij heeft voor ’t oogenblik geen gelegenheid, verder zijn zaak te bepleiten; want er wordt geklopt. De oude vrouw slaakt een zucht van verlichting: zoo komt er wellicht een einde aan hun pijnlijk gesprek. Ze voelt zich overstelpt, ontdaan, moe.«Binnen!» roept ze.[82]

In ’t schemerdonker zat mevrouw Jensen in haar huiskamer bij de tafel, een groot hol vertrek met groote stijve meubels en zware gordijnen, deftig en ongezellig. ’t Was daar haar gewone plekje jaar in jaar uit; haar stoel met de hooge leuning stond altijd daar, ’s winters dicht bij de open haard. Ondanks haar nauw meer dan middelbare leeftijd had ze reeds echte oudvrouwtjes-gewoonten en eigenaardigheden. Haar uiterlijk was daarmee geheel in overeenstemming: het vele thuishokken had haar een was-achtig gele tint gegeven, en haar voorhoofd vertoonde reeds rimpels. Haar ouderwetsch kapsel, links en rechts neervallend langs haar slapen, de strakke stemmig zwarte japon zonder eenig sieraad, de lange magere knokige vingers—steeds met een «werkje,» wanneer ze zat—en eindelijk de uitdrukking van droefgeestigheid en matte berusting op haar[64]gelaat met de afgemetenheid van haar bewegingen—’t gaf alles bijeen een indruk van vroege ouderdom, van een vrouw wier denken en voelen vóor hun tijd verdord waren, ingeschrompeld tot enkele manie-achtige vooroordeelen en neigingen.

Zoo mogelijk, kijken mevrouw Jensen’s oogen nog iets droefgeestiger dan anders: zelfs ligt er iets hards in haar gewoonlijk zoo zachte, «uitgewischte» trekken: er is blijkbaar iets, dat haar ontstemt.

Als haar zoon Frans binnenkomt, slaat ze dan ook maar even haar oogen van haar borduurwerkje op; fronst haar wenkbrauwen en kijkt weer vóor zich.

«Moeder, is u daar nog?» zegt de binnentredende eenigszins aarzelend:

«Ja, jongen, wat woû je?» Mevrouw Jensen blijft vóor zich kijken. Een zeer ongewoon verschijnsel, bij zijn komst!

«Och, niets bizonders, moeder.… luister u ’s even.…»

Frans neemt een stoel, en zet zich tegenover haar. Zijn moeder verandert haar houding niet; maar geeft hem ditmaal een onverschillig vluchtige blik, en haar vingers bewegen zich iets vlugger.

«Wat heb je?» zegt ze kwazi zonder belangstelling.[65]

«Och, dat begrijpt u toch wel: die zaak van zooëven.… aan tafel.…, u weet wel. Ik heb zoo’n verdriet.…»

«Kom jongen, zet dat uit je hoofd. Ik heb er al genoeg over moeten hooren.…»

«U? Heeft vader er u over gesproken?»

«O, meer dan me lief was.»

Mevrouw Jensen legt met een zucht haar borduurwerk neer, en zet zich met een gemelijk gezicht, om hem aan te hooren.

«En aan tafel zei hij zoo weinig!» hervat Frans. «Wat hij me te zeggen heeft, bewaart hij zeker voor later.»

«Ik weet ’t niet, Frans. Ik weet wèl, dat hij vreeselijk tegen je te keer gegaan is; vóor het eten, voordat je thuis kwam. Ik denk, dat hij je straks wel op zijn studeerkamer zal laten roepen.»

«Hij denkt zeker, dat ik op mijn kamer zit te werken. Ik kan nogal werken! Mijn kop loopt me om. En nu wil hij me straks kapittelen! Moeder, ik wor’ gek—ik bega een ongeluk aan hem, als hij me weer zoo beleedigt als vanmiddag op de kamer van.… Marta, van juffrouw Van Zee. Ik had zoo graag tot morgen gewacht, u eerst lang en breed over de zaak gesproken.»

«Och jongen», roept de oude dame, hem aanziend,[66]en haar stem klinkt nòg temeriger en klagender dan anders, «wees toch niet zoo balsturig, en niet zoo driftig. Ik moèt je vader gelijk geven. En jij moet je ook weten in te houden. Je hebt ongelijk, Frans, je hebt heusch groot ongelijk!»

«U ook al!» antwoordt haar zoon korzelig, en staat meteen van zijn stoel op. Dan gaat hij vlak vóor haar staan, en zegt:

«Dus u vindt, dat ik … Marta moet opgeven?»

«Frans, ik woû, dat je die naam niet meer uitsprak, in mijn bijzijn ten minste niet!»

«Moeder, waarom niet, als ik u vragen mag?»

’t Kost de jonge man blijkbaar inspanning, om zich in te houden: zijn stem klinkt luider en heftiger dan hij zelf wìl.

«Een mooie vraag», zegt mevrouw Jensen eenigszins ontsteld.

«Och, och, m’n jongen, wat ben je verblind! Ze heeft je wel heelemaal ingepalmd!»

Frans gaat een stap achteruit.

«Ingepalmd!» roept hij heftig. «Och, moeder, u kent haar niet!»

«Genoeg van wat ik gehoord heb.»

«Van vader!»

«Is ’t dan niet waar wat hij zegt?»

De jonge man zoekt even naar zijn woorden:[67]

«Nee», zegt hij iet of wat verlegen «dat wil zeggen.… ten minste niet zoo.… niet zoo als vader ’t uitlegt.»

Hij gaat weer zitten, en slaat de beenen over elkaar, plukkend aan zijn opkomend snorretje.

«Er is maar éen uitlegging voor een redelijk denkend mensch», gaat de ander voort, «voor een kristen.…»

«Moeder, zeg nu niet voor een kristen: voor een edeldenkend mensch wil u zeggen.Nu, die denkt erover net als ik.»

Mevrouw Jensen slaat de handen ineen, en de oogen ten hemel.

«Als jij!» roept ze klagend. «Jij vindt, dat een edeldenkend mensch er geen bezwaar in moet zien, te trouwen met een gevallen meisje!?»

«Dat zèg ik niet, moeder!» hervat de jonge man heftig.

«En een Jodin bovendien!» gaat ze temerig voort. «Met een ongehuwde moeder!»

«Evengoed getrouwd als u, moeder!»

«Frans, als je zoo begint, zwijg ik verder liever.»

Hij bedwingt zich, en antwoordt minder heftig:

«Och moeder, als u wist, hoe u me met uw woorden pijnigt.… hoe u me martelt.…»

Mevrouw Jensen voelt zich getroffen door de[68]toon van echte smart, die uit de woorden van haar zoon klinkt.

«Kom, je overdrijft», hervat ze goedhartig. «Ik beoog immers je bestwil. Wat heb je nu eigenlijk vóor? Woû je trouwen met een meisje—met een vrouw, laat me liever zeggen—waar geen fatsoenlijk mensch achting meer voor kan hebben? Dat ze een Jodin is, laat ik nog daar. Als het een fatsoenlijk meisje was.… maar nu.… och jongen, je bent zoo onnoozel, zoo onervaren: je hebt je heelemaal laten inpalmen.»

Frans bruist weer op.

«Nog eens dat ellendige woord! Maar moeder waarvoor zou zedatnu juist doen? Ik ken haar … ik ken haar zes maanden.»

«Dat is juist haar slimmigheid. Ze heeft op je gevoel gewerkt. Ze heeft je eerst voorbereid en aan haar gehecht. Ze aast op je naam en op je geld, zeg ik je.»

«Maar moeder», roept Frans buiten zichzelve, «vindt u dat dan eenmanier, om mij voor haar in te nemen? Zoo’n bekentenis in alle bizonderheden! en geheel uit haar zelf!»

«Pu! Door je vader in ’t nauw gebracht, en nadat ze jouw dolle idees overvrije liefdekende!»

Mevrouw Jensen’s gelaat is éen-en-al heilige afkeer.[69]

«Dat is niet waar, moeder!» geeft Frans verontwaardigd terug.

«Frans!»

«Ze kende die idees niet, zeg ik u! Ik heb eerst andere gedachten gehad, en die ook uitgesproken. Haar bekentenis heeft me overtuigd, dat ze nog al mijn achting verdiende.…»

De oude dame staart haar zoon enkele oogenblikken met groote oogen aan, eer ze antwoordt.

«Gerechte God in den hemel!» roept ze geheel ontdaan. «Een bekentenis, die je afschuw voor haar geven moest!»

«Jezus had geen afschuw van Magdalena, moeder, en dat was een publieke vrouw, moeder.»

Mevrouw Jensen voelt zich zeer ongemakkelijk. Met iets van driftige wrevel antwoordt ze:

«Spot niet, jongen. Haal hier de heilige naam van Christus niet bij. En dan … en dan, is die Marta iets anders?»

Frans slaat met een wanhopig gebaar de beide handen aan ’t voorhoofd, en buigt ietwat voorover.

«O, moeder, je maakt me krankzinnig», zegt hij met een kreunend geluid, en, van zijn stoel opspringend, stampt hij met de eene voet op de grond.

«Jongen, wees toch bedàard!» roept zijn moeder verschrikt,«wind je toch niet zoo op.»[70]

De jonge man gaat met een zucht weer zitten.

«Maar waarom gelooft u me dan toch niet?» roept hij terneergeslagen. «Ik zeg u, ze deed haar bekentenis vrijwillig, geheel vrijwillig! En ze had me met weinig moeite kunnen wijsmaken wat ze woû!»

«Je vader en ik zijn er ook nog, jongen.»

«Ik zou u niet geloofd hebben. Ik zou niemand geloofd hebben, als er iets tegen haar gezegd werd. Ik vereer haar, ik stel haar hoog. Hoog, moeder, verstaat u dat? Heel hoog.»

De ander maakt een gebaar van kwazie-berusting, en verschuift even in haar stoel, met een beweging, als wilde ze zeggen, dat ze er nu niets meer van hooren wil.

«Jawel, dat weten we», zegt ze met haar gelaat weer geheel van Frans afgewend.

«Maar als ik haar dan hoogstel, moeder», gaat de laatste voort, «waarom zou ik … zou ik haar dan niet mogen trouwen?»

«Och …»

Mevrouw Jensen bewaart haar afgewende houding.

«Nou, zeg nou …» houdt Frans aan.

«Ik wil niets meer zeggen. Je zult wel tot andere gedachten komen.»

Haar lustelooze onwillige toon prikkelt hem, doch[71]hij houdt zich in: beseffend, dat alleen kalme overreding op zulk een houding eenige vat kan hebben.

«Ik zeg u, dat ik volkomen kalm ben», zegt hij, zich verschikkend op zijn stoel, de handen ineenleggend en de beenen over elkaar slaande, terwijl zijn toon veel vriendelijker klinkt.

«Een kalmte wel! dat moet ik zeggen!» gemelijkt de ander door, en haalt de schouders op.

«Nou ja, ik weet alles wat ik zeg», antwoordt de jonge man onverdroten. «Ik vraag u nu vriendelijk, ik smeek u, moeder, om me bedaard aan te hooren. Wil u dat? Mag ik u mijn heele opvatting van de zaak eens blootleggen? Als ik weet, dat u ’t met me eens is»—Mevrouw Jensen maakt een korzelig ongeduldig gebaar met arm en schouder—«dan voel ik me zooveel sterker …»

«Om in je eigenzinnige opvattingen te volharden.»

Nog steeds blijft het gelaat van de spreekster van de ander afgekeerd.

«Als u me overtuigen kan, dat ik ongelijk heb», gaat Frans met dezelfde bedaardheid voort, «zal ik me gewonnen geven. Is dat dan goed? Mag ik nu spreken?»

«Nu, ik ben benieuwd,.. Er zal wat moois komen.»

«Goed dan. Gelooft u aan beginselen?»[72]

Mevrouw Jensen haalt de schouders op. De ander hervat:

«Die zijn bij u gegrond op uw godsdienstige overtuiging, is dat niet zoo?»

Voor ’t eerst kijkt de oude dame weer op, met verwondering in haar blik, steeds met de uitdrukking van gewilde wrevel erop, die op Frans, ware hij anders gestemd, stellig een komische indruk zou gemaakt hebben.

«Nou, ja, wat zou dat!» zegt ze met een schouderschokje.

«Gelooft u ook,» spreekt haar zoon geduldig verder, «dat ieder zalig kan worden op zijn eigen manier, naar zijn eigen inzichten?»

«Ja.… jawel, ofschoon.… ieder geloof toch niet hetzelfde is.»

«Nu goed, in hoofdzaak geeft u me dus toe. Nu, als dat dan zoo is, neemt u dan aan, dat ook Marta overtuigingen had? Of liever: wil u de mogelijkheid wel aannemen, dat zij ze had en heeft?»

«Jawel, nou ja.… je bedoelt, dat ze er godsdienstige overtuigingen op na houdt?.…»

«Godsdienstige.… nee, overtuigingen, heilige overtuigingen in ’t algemeen? Beginselen waarnaar men leeft, waarnaar men goed en kwaad beoordeelt?»[73]

«Nou ja, ga verder. Als je dat godsdienst noemt …»

«Nee moeder—» en weer verliest zijn stem een oogenblik haar kalmte, maar hij herstelt zichonmiddellijk. «Ik noem dat alleen heilige overtuigingen. U gelooft toch met mij, dat ook een «vrijdenker» een goed mensch kan wezen?»

«Eenvrijdenker? Eengodloochenaar, wil je zeggen?»

Er is een klank van innige afschuw in Mevrouw Jensen’s stem, als ze dit zegt. Ze kijkt weer stroef vóor zich.

«Nee, moeder,» gaat de ander met ingehouden ergernisvoort. «Ik bedoel iemand, die geheel vrij van elk opgedrongen dogma, zijn eigen denkbeelden heeft over zedelijkheid en verantwoordelijkheid; iemand, die zijn geweten als eenige God vereert en gehoorzaamt.»

’t Is of de jonge man een vaag besef heeft van ’t rhetorische van zijn woorden. Toch is hij er tevreden over, al verschuift hij even op zijn stoel, als iemand die verlegen is met de fraaiheid van zijn taal: hij heeft het immers zoo—in die vorm—zoo vaak gehoord en gelezen. Ook uit Marta’s mond …

Mevrouw Jensen haalt weer haar schouders op.

«Mooie frazen!» zegt ze met opgetrokken wenkbrauwen. «Maar ga je gang …»[74]

«Nu, Marta heeft zulke beginselen», hervat de jonge man. «En tot die beginselen behoort, dat het huwelijk een gewetenszaak is tusschen man en vrouw, die dat huwelijk willen aangaan.»

«Tweemaal twee is vier.»

«Nee, moeder, ik vat hier huwelijk op als samenleving van man en vrouw met gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de kinderen, die ze samen krijgen.»

«Jawel, vrije liefde …»

Er klinkt grenzelooze minachting in de toon, waarop deze woorden uitgesproken worden. Doch Frans blijft onverstoord.—hij vecht immers voor ’t recht van zijn liefde—en hij vervolgt kalm:

«Marta vond voor zoo’n huwelijk het eenig vereischte: de vrije keus van de twee betrokkenen, zonder bemoeienis van iemand anders.»

«Ja maar …»

«Laat me uitspreken, moeder. Marta had die opvatting van haar oom geleerd, dat was een man, die ze hoog vereerde, een man van onberispelijk leven, iemand die haar steeds lief gehad heeft. Ze geloofde in die man. Ze kende niemand, wiens gezag ze in de hoogste levenskwesties hooger stelde. Vindt u het dan leelijk of afkeurenswaardig, dat ze hem geloofde, dat ze zelf heilig vertrouwde op wat hij haar leerde?»[75]

«Nee maar … ik begrijp niet wat …»

«U zàl me wel begrijpen. Nu, dat wat ik zei vooropgesteld, zal u het wel even aannemelijk vinden, dat ze een jonge man, die ze goed kende, die een huisvriend was bij haar oom, net zoo vertrouwde, toen die beweerde dezelfde denkbeelden aan te hangen. En toen die van haar de toepassing vroeg van die denkbeelden …»

«Goed, ze had met hem kunnen trouwen.» De voetbeweging, die de oude dame maakt, heeft veel van een ongeduldig stampje. «Dat heeft ze zeker niet gedaan, omdat er wat tegen was.»

«Maar, moeder, ik zeg u, dat erniets, hoegenaamd niets tegen was. Haar oom hield van die man. Zij had geld, al was ’t niet veel. Die man kon ook behoorlijk bestaan. Ze hielden van elkaar, of ten minstezijhield oprecht van hem, en hij betuigde zijn liefde.»

«Dan hàd ze immers kunnen trouwen!»

«En dan ontrouw worden aan de beginselen, die ze had? Die ze als heilig beschouwde? Bemoeienis van anderen met zulke intieme zielsaangelegenheden beschouwde ze als heiligschennis. Begrijpt u dat dan niet?»

«Wat ’n godslastering!»

Mevrouw Jensen heft de handen op van haar schoot. De ander verliest weer zijn zelfbedwang.[76]

«Maar, moeder», roept hij heftig, «ze geloofde dat vast, even vast als u aan uw geloof hecht! Deed ze dan kwaad door die man te volgen, en zich aan hem te geven?»

«Ja, wis en drie deed ze dat», antwoordt de moeder, nu met eenige stemverheffing, en hem weer aankijkend met opgetrokken wenkbrauwen.

«Wat woû jij beweren, dat het iemand zoo maar vrijstaat, alle beginselen van zedeleer en godsdienst eventjes ondersteboven te halen, en te handelen zoo … als niemand anders doet? Jij kon me evengoed vertellen, dat ze tegen alle andere menschen in, het voor goed hield, om haar evenmensch te vermoorden, als die bij voorbeeld rijk was en haar zijn geld niet geven woû.»

Met blijkbare voldoening zet de magere gestalte zich weer recht, en kijkt weer vóor zich met nog een nageluidje en een lipvertrekking.

Frans haalt zijn schouders op; toch is hij bedaard, als hij hervat:

«Dat is benadeelen van een ander, moeder. Marta kon met wat ze deed alleen zichzelf benadeelen, als het verkeerde gevolgen had …»

«En de kinderen dan, als ze die kreeg? En de maatschappij door haar voorbeeld?»

«Haar kinderen, daar zou ze voor gezorgd hebben. En hij had dat òok moeten doen. Hij[77]heeft ’t niet gedaan, dat kon zij toch niet helpen! En de maatschappij! Zou u, moeder, heilige overtuigingen opgeven, omdat de wereld u er om veroordeelen zou?»

«Nee, maar ik kan me niet denken, dat die er zouden kunnen zijn.»

«Och kom! Zoo iets komt immers dikwijls voor: ik bedoel minachting van de wereld, omdat men zijn plicht doet. Ze hebben Christus ook gesmaad en gehoond, omdat …»

«Zwijg, Frans, ik wìl die godslasterlijke vergelijkingen van je niet aanhooren. Ik zeg je: ze had moèten trouwen, daar blijf ik bij. ’t Huwelijk is een goddelijke instelling: de huwelijken worden in de hemel gesloten …»

Heftig valt de jonge man weer uit:

«Als dat zoo is, laten de menschen er dan afblijven! En als ze in de hemel gesloten worden, dan hoeft eendomineeof pastoor, of een ambtenaar van de burgerlijke stand er zich niet mee in te laten.»

Mevrouw Jensen maakt een klein gebaar van wrevel met de rechterhand, maar zwijgt.

«Maar we dwalen af», gaat de ander voort. «Ik woû u alleen aantoonen, dat Martageenschuld heeft gehad. De eenige schuldige is die ploert, de bedrieger, de verleider, die haar om de tuin geleid heeft!»[78]

Mevrouw Jensen slaat de oogen even naar Frans op, en er is iets van meewarigheid in haar stem, als ze vraagt:

«Heeft die haar dan in de steek gelaten?»

«Ja, toen ze zwanger was», zegt hij dof. Hij maakt een driftig gebaar met gebalde vuist, en slaat somber de blik neer.

«En ’t kind?»

«Daar zorgt zij nu alleen voor. O, umoest ’sweten, hoe innig ze dat kind liefheeft.»

«Een jongen?»

«Ja. Ik heb ’t portret gezien: een alleraardigst kind, een snoes van een jongen. Hij is nu twee jaar oud.»

De innig ontroerde toon van Frans’ stem, doet zijn moeder eigenaardig aan. Ze kijkt hem nu strak aan, worstelend met haar gevoel.

«’t Lijkt wel, of jij ook van dat kind houdt», zegt ze.

De oogen van Frans worden vochtig.

«Ja, moeder … en toch heb ik het nog nooit gezien. O, ik heb zoo’n innig medelijden met die arme Marta! En als u ’s wist, hoe ze werkt, hoe ze nu al bij de professoren hoog staat aangeschreven. Ze heeft een prijsvraag beantwoord. Is met goud bekroond.»

Frans voelt zich meer en meer op dreef. Zoo[79]zal hij ’t misschien nog winnen, denkt hij hoopvol hij ziet hoe verteederd zijn moeder is.

«Ja, dat’s waar», zegt ze, nu op echt goedhartige toon en bijna geheel bijgedraaid, «daar heb ik niets dan goeds van gehoord. Je vader moest daar voor uitkomen: dat stond ook in de informaties, die we gekregen hebben.»

Frans grijpt verrukt zijn moeders hand.

«O moeder, ik wou, dat u haar kende», roept hij uit. «Zoo’n voorbeeld van plichtsbetrachting, van kieschheid …»

Mevrouw Jensen is even stil, neemt de blijde trekken van haar zoon—van wie ze zooveel houdt!—met zichtbaar welgevallen op. Dan zegt ze opeens met aandrang:

«Jongen, zeg me nu ’s oprecht: heeft er ooit wat tusschen jelui … bestaan? Vader hield dat voor zeker …»

«Nooit, hoor», geeft de ander met groote beslistheid terug.

«Niet het minste! Ik vind het heel leelijk van vader, om u zoo iets op de mouw te spelden. Als ik u vertel, dat ik haar gisteren voor ’t eerst gezegd heb, dat ik haar liefheb!»

«’t Eerste woord van liefde heeft zij ook pas gisteren uitgesproken. Evenals ik, moeder. We zijn met elkaar omgegaan als broer en zuster.»[80]

Ze antwoordt niet dadelijk, maar kijkt hem vol in de oogen.

«Is dat heusch waar, Frans?»

«Op mijn woord, moeder!»

Neen, in zulk een oprechte oogopslag kan geen spoor van leugen schuilen, denkt de oude vrouw: Och, ’t is toch in de grond zoon goeie beste jongen …

«En wil ze nu met je trouwen?» vraagt de moeder ten slotte.

«Ja, nu: ik heb haar overgehaald. Haar overtuigd, dat het mijn geluk was, dat het geluk van haar kind ervan afhing. Toen is ze eindelijk gezwicht.»

«Dat klinkt ongelooflijk, Frans. Jij haar overgehaald?»

«’t Is zooals ik ’t u zeg. Ze was zich volkomen bewust van al ’t gewaagde, dat er voor mij in zulk een verbintenis was.»

«En haar beginselen over … vrije liefde?»

«Die heeft ze nog. Maar ze wil om haar kind in een gewoon huwelijk toestemmen.»

Weer zwijgt Frans’ moeder even. Dan wat minder vriendelijk dan te voren, aarzelend en met iets van teruggekeerd wantrouwen:

«Wil ze dan ook protestant worden?»

Frans bedwingt een gevoel van ergernis.[81]

«Daar hebben we niet over gesproken, moeder» antwoordt hij schijnbaar volkomen kalm. «Maar waartoe zou dat dienen? Ik … ik geef daar niets om!»

«Frans, Frans, hoe durf je zoo iets te zeggen?» valt zijn moeder uit. «Ikgeef daar wel om, jongen. Ik geef daar veel om.… Maar, och, wat praat ik eigenlijk? ’t Is net of ik aan de mogelijkheid denk … ’t Is allemaal onmogelijk. Allemaal, Frans. Er kan toch niets van komen.»

«En u begon me al hoop te geven!» roept de jonge man.

Zijn moeders omzwenken slaat hem weer op eens neer. Doch hij heeft voor ’t oogenblik geen gelegenheid, verder zijn zaak te bepleiten; want er wordt geklopt. De oude vrouw slaakt een zucht van verlichting: zoo komt er wellicht een einde aan hun pijnlijk gesprek. Ze voelt zich overstelpt, ontdaan, moe.

«Binnen!» roept ze.[82]


Back to IndexNext