II.

II.De schouwburgen van Sevilla: deCazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusischesainetes.—Hoe de vreemdelingen in desainetesbehandeld worden.Sevilla bezit twee schouwburgen: hetTeatro principal, en dat vanSan Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s,zarzuelasofopéras comiques, blijspelen,sainetes; zonder evenwel den minsten inbreuk te maken op denbaile nacional, waarmede iedere voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal is ongeveer de[82]zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen den naam vansillasofasientos de butaca. Het amphitheater of paradijs heetla cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef: „Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats die menla cazuelaheet: alle dames van verdachte deugd hebben daar haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.” De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet, verschrikkelijk veel verteringen te maken.”La Amparo, den fandango dansende.La Amparo, denfandangodansende.De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er eenlleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag slechts zeer weinig hoedenal estilo de Paris, hetgeen aan de loges een allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegnazou hebben aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de hersens komt zich in het kostuum van eenmajote steken, dadelijk de woorden vanfranchute, vanInglis-manglisof andere epitheten van dezen aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te werpen.Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met eenzarzuela, getiteld:Buenas nochesseñordon Simon. De zarzuela is een lyrisch stuk, dat veel op eenopéra comiquegelijkt. Spoedig bleek het nu, dat het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche:Bonsoir monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in vergelding ten aanzien der fransche doen.Op dezarzuelavolgde een stukje, getiteld:Paco y Paca, dat wil zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het franschele Caporal et la paysewas, maar onder die vertaling bitter had geleden; de auteurs van hetTeatro principalzijn grooter meesters in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door desaineteschadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem van lekker eten, is toch het woordsaineteuit het woordenboek der keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een vermakelijk tafereel der volkszeden.Desainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nogEntremeses, zooals ten tijde van Cervantes, ofTonadillasgenoemd.Desainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot titel:El Valor de una Gitana. De personen, allengitanos, waren ten getale van vier:Pepiya, eene jonge en schoone gitana;Gavirro, haar vader;Perico, denovio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, enAsaura, een doorPepiyaafgewezen minnaar.Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt, heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar zak haalt zij een spiegel van zescuartoste voorschijn, en zingt, terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op haar fraaie figuur.Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme gitano, de volmaakte type van een dieresquiladoresof muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro, zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas op, voegt hij haar toe, de liefde is een.… (hier omschrijft de gitano de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen[83]schande blootstelt, zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen van denbuchi2is omgekomen.Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der toeschouwers in decazuelalevendig toegejuicht.De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico verschijnt.Olé salero!roept hij met een sterken andalusischen tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie, herkrijg ik het leven!”„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken, van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt …”„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen, die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te troosten.„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen oorvijg.„Mosto!Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor ukamik mij niet, neen; maar wel voor Perico.”„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn lichaam scheuren.”„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”Zij slaat haarmanteom den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje;„bezoedel u niet met het bloed van dien afschuwelijken aap!”„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden snijden.”„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat denzapateadodansen!”„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meerpuñalas(ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”„Spring zoo niet en stel u te weer.”„Vandaagloopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op de plaats dood blijven.”De beide kampioenen spreken elkaar aldus, op de manier der helden van Homerus, gedurende eenige minuten, toe. Niet zoodra heeft het gevecht een aanvang genomen of Perico zegt ter zijde, dat het zeer ongezond is een por met de navaja te krijgen, en dat het niet onhandig zijn zou zich ter aarde te werpen, en te doen alsof hij dood was.„Asaura,” roept hij uit, „gij hebt mij door midden gekorven; ik sterf.”Pepiya komt op en ziet haar minnaar op den grond liggen: aanstonds raapt zij haar navaja op, en kondigt den gewaandenmoordenaaraan, dat zij hem eenjevequezal teekenen, dat wil zeggen, hem een breede kerf op zijn gelaat geven zal.Nauwelijks heeft zij een vertooning gemaakt alsof zij wilde toeslaan, of de gitano, hoewel in geenen deele gewond, laat zich op den grond zakken alsof hij doodelijk gewond was.„Beste Perico, beste Pericotje, gij zijt gewroken!” roept zij uit, terwijl zij Asaura voor hare voeten ziet uitgestrekt.De gitana werpt haar ponjaard weg, knielt bij haar verloofde neder, om voor altoos afscheid van hem te nemen, en valt tusschen de beide kampioenen in zwijm.Op dat oogenblik verschijnt Gavirro, die een ezel voor zich uitdrijft: men begrijpt dat het de aan Asaura ontstolen ezel is; op het zien der drie op den grond liggende lijken, slaakt de oude gitano een kreet, maar hij herstelt zich oogenblikkelijk en haast zich de zakken der beide medeminnaars te gaan onderzoeken, hij stoot een vreeselijken vloek uit als hij bemerkt dat zij ledig zijn, en belooft, terwijl hij zijn levenloos uitgestrekte dochter vaarwel zegt, zich te troosten met den gestolen ezel.Eensklaps hoort men het dier geweldig balken: op het hooren van de stem zijns welbekenden ezels staat Asaura op, en werpt zich om den hals van het dier, even als Sancho, bij het hervinden van zijn grauwtje. Perico en Pepiya verrijzen op hunne beurt; zij geven elkander de hand en de oude gitano vereenigt hen, na hun den zegen gegeven te hebben.Deze populaire voorstellingen verliezen ontegenzeggelijk bij het verhalen veel; de tooneelspelers stellen echter de personen zóó natuurlijk voor, dat men denken zou wezenlijke gitanos voor zich te hebben; door hun wegsleepend spel doen zij ons denken aan Pasquale Altavilla, den napelschen acteur-schrijver, en aan Antonio, den beroemdenPulcinellavan den kleinen[84]schouwburg vanSan Carlino, beide zeer populaire kunstenaars.Behalve deze en anderesainetes, waaronderPaco Mandria y Sacabuchesons levendig bij zal blijven, hadden wij nog gelegenheid er een paar te zien opvoeren, waarin de vreemdelingen, deestranjis, zooals de Spanjaarden hen spottenderwijze heeten, min of meer belachelijk worden gemaakt. Spanje is zeker niet ongastvrij; maar het volk legt nu en dan wantrouwen aan den dag, datmisschienalleen in het overdrijven van een groote goede hoedanigheid, de zucht naar onafhankelijkheid, zijn grond heeft.Wij zouden hiervan een aantal proeven kunnen bijbrengen, maar het wordt tijd het tooneel voor de straat te verlaten; wij begeven ons dus in de eerste plaats naar de voorstad Triana.

II.De schouwburgen van Sevilla: deCazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusischesainetes.—Hoe de vreemdelingen in desainetesbehandeld worden.Sevilla bezit twee schouwburgen: hetTeatro principal, en dat vanSan Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s,zarzuelasofopéras comiques, blijspelen,sainetes; zonder evenwel den minsten inbreuk te maken op denbaile nacional, waarmede iedere voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal is ongeveer de[82]zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen den naam vansillasofasientos de butaca. Het amphitheater of paradijs heetla cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef: „Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats die menla cazuelaheet: alle dames van verdachte deugd hebben daar haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.” De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet, verschrikkelijk veel verteringen te maken.”La Amparo, den fandango dansende.La Amparo, denfandangodansende.De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er eenlleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag slechts zeer weinig hoedenal estilo de Paris, hetgeen aan de loges een allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegnazou hebben aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de hersens komt zich in het kostuum van eenmajote steken, dadelijk de woorden vanfranchute, vanInglis-manglisof andere epitheten van dezen aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te werpen.Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met eenzarzuela, getiteld:Buenas nochesseñordon Simon. De zarzuela is een lyrisch stuk, dat veel op eenopéra comiquegelijkt. Spoedig bleek het nu, dat het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche:Bonsoir monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in vergelding ten aanzien der fransche doen.Op dezarzuelavolgde een stukje, getiteld:Paco y Paca, dat wil zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het franschele Caporal et la paysewas, maar onder die vertaling bitter had geleden; de auteurs van hetTeatro principalzijn grooter meesters in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door desaineteschadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem van lekker eten, is toch het woordsaineteuit het woordenboek der keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een vermakelijk tafereel der volkszeden.Desainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nogEntremeses, zooals ten tijde van Cervantes, ofTonadillasgenoemd.Desainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot titel:El Valor de una Gitana. De personen, allengitanos, waren ten getale van vier:Pepiya, eene jonge en schoone gitana;Gavirro, haar vader;Perico, denovio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, enAsaura, een doorPepiyaafgewezen minnaar.Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt, heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar zak haalt zij een spiegel van zescuartoste voorschijn, en zingt, terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op haar fraaie figuur.Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme gitano, de volmaakte type van een dieresquiladoresof muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro, zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas op, voegt hij haar toe, de liefde is een.… (hier omschrijft de gitano de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen[83]schande blootstelt, zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen van denbuchi2is omgekomen.Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der toeschouwers in decazuelalevendig toegejuicht.De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico verschijnt.Olé salero!roept hij met een sterken andalusischen tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie, herkrijg ik het leven!”„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken, van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt …”„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen, die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te troosten.„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen oorvijg.„Mosto!Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor ukamik mij niet, neen; maar wel voor Perico.”„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn lichaam scheuren.”„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”Zij slaat haarmanteom den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje;„bezoedel u niet met het bloed van dien afschuwelijken aap!”„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden snijden.”„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat denzapateadodansen!”„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meerpuñalas(ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”„Spring zoo niet en stel u te weer.”„Vandaagloopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op de plaats dood blijven.”De beide kampioenen spreken elkaar aldus, op de manier der helden van Homerus, gedurende eenige minuten, toe. Niet zoodra heeft het gevecht een aanvang genomen of Perico zegt ter zijde, dat het zeer ongezond is een por met de navaja te krijgen, en dat het niet onhandig zijn zou zich ter aarde te werpen, en te doen alsof hij dood was.„Asaura,” roept hij uit, „gij hebt mij door midden gekorven; ik sterf.”Pepiya komt op en ziet haar minnaar op den grond liggen: aanstonds raapt zij haar navaja op, en kondigt den gewaandenmoordenaaraan, dat zij hem eenjevequezal teekenen, dat wil zeggen, hem een breede kerf op zijn gelaat geven zal.Nauwelijks heeft zij een vertooning gemaakt alsof zij wilde toeslaan, of de gitano, hoewel in geenen deele gewond, laat zich op den grond zakken alsof hij doodelijk gewond was.„Beste Perico, beste Pericotje, gij zijt gewroken!” roept zij uit, terwijl zij Asaura voor hare voeten ziet uitgestrekt.De gitana werpt haar ponjaard weg, knielt bij haar verloofde neder, om voor altoos afscheid van hem te nemen, en valt tusschen de beide kampioenen in zwijm.Op dat oogenblik verschijnt Gavirro, die een ezel voor zich uitdrijft: men begrijpt dat het de aan Asaura ontstolen ezel is; op het zien der drie op den grond liggende lijken, slaakt de oude gitano een kreet, maar hij herstelt zich oogenblikkelijk en haast zich de zakken der beide medeminnaars te gaan onderzoeken, hij stoot een vreeselijken vloek uit als hij bemerkt dat zij ledig zijn, en belooft, terwijl hij zijn levenloos uitgestrekte dochter vaarwel zegt, zich te troosten met den gestolen ezel.Eensklaps hoort men het dier geweldig balken: op het hooren van de stem zijns welbekenden ezels staat Asaura op, en werpt zich om den hals van het dier, even als Sancho, bij het hervinden van zijn grauwtje. Perico en Pepiya verrijzen op hunne beurt; zij geven elkander de hand en de oude gitano vereenigt hen, na hun den zegen gegeven te hebben.Deze populaire voorstellingen verliezen ontegenzeggelijk bij het verhalen veel; de tooneelspelers stellen echter de personen zóó natuurlijk voor, dat men denken zou wezenlijke gitanos voor zich te hebben; door hun wegsleepend spel doen zij ons denken aan Pasquale Altavilla, den napelschen acteur-schrijver, en aan Antonio, den beroemdenPulcinellavan den kleinen[84]schouwburg vanSan Carlino, beide zeer populaire kunstenaars.Behalve deze en anderesainetes, waaronderPaco Mandria y Sacabuchesons levendig bij zal blijven, hadden wij nog gelegenheid er een paar te zien opvoeren, waarin de vreemdelingen, deestranjis, zooals de Spanjaarden hen spottenderwijze heeten, min of meer belachelijk worden gemaakt. Spanje is zeker niet ongastvrij; maar het volk legt nu en dan wantrouwen aan den dag, datmisschienalleen in het overdrijven van een groote goede hoedanigheid, de zucht naar onafhankelijkheid, zijn grond heeft.Wij zouden hiervan een aantal proeven kunnen bijbrengen, maar het wordt tijd het tooneel voor de straat te verlaten; wij begeven ons dus in de eerste plaats naar de voorstad Triana.

II.De schouwburgen van Sevilla: deCazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusischesainetes.—Hoe de vreemdelingen in desainetesbehandeld worden.Sevilla bezit twee schouwburgen: hetTeatro principal, en dat vanSan Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s,zarzuelasofopéras comiques, blijspelen,sainetes; zonder evenwel den minsten inbreuk te maken op denbaile nacional, waarmede iedere voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal is ongeveer de[82]zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen den naam vansillasofasientos de butaca. Het amphitheater of paradijs heetla cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef: „Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats die menla cazuelaheet: alle dames van verdachte deugd hebben daar haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.” De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet, verschrikkelijk veel verteringen te maken.”La Amparo, den fandango dansende.La Amparo, denfandangodansende.De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er eenlleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag slechts zeer weinig hoedenal estilo de Paris, hetgeen aan de loges een allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegnazou hebben aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de hersens komt zich in het kostuum van eenmajote steken, dadelijk de woorden vanfranchute, vanInglis-manglisof andere epitheten van dezen aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te werpen.Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met eenzarzuela, getiteld:Buenas nochesseñordon Simon. De zarzuela is een lyrisch stuk, dat veel op eenopéra comiquegelijkt. Spoedig bleek het nu, dat het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche:Bonsoir monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in vergelding ten aanzien der fransche doen.Op dezarzuelavolgde een stukje, getiteld:Paco y Paca, dat wil zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het franschele Caporal et la paysewas, maar onder die vertaling bitter had geleden; de auteurs van hetTeatro principalzijn grooter meesters in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door desaineteschadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem van lekker eten, is toch het woordsaineteuit het woordenboek der keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een vermakelijk tafereel der volkszeden.Desainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nogEntremeses, zooals ten tijde van Cervantes, ofTonadillasgenoemd.Desainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot titel:El Valor de una Gitana. De personen, allengitanos, waren ten getale van vier:Pepiya, eene jonge en schoone gitana;Gavirro, haar vader;Perico, denovio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, enAsaura, een doorPepiyaafgewezen minnaar.Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt, heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar zak haalt zij een spiegel van zescuartoste voorschijn, en zingt, terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op haar fraaie figuur.Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme gitano, de volmaakte type van een dieresquiladoresof muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro, zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas op, voegt hij haar toe, de liefde is een.… (hier omschrijft de gitano de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen[83]schande blootstelt, zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen van denbuchi2is omgekomen.Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der toeschouwers in decazuelalevendig toegejuicht.De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico verschijnt.Olé salero!roept hij met een sterken andalusischen tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie, herkrijg ik het leven!”„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken, van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt …”„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen, die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te troosten.„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen oorvijg.„Mosto!Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor ukamik mij niet, neen; maar wel voor Perico.”„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn lichaam scheuren.”„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”Zij slaat haarmanteom den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje;„bezoedel u niet met het bloed van dien afschuwelijken aap!”„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden snijden.”„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat denzapateadodansen!”„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meerpuñalas(ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”„Spring zoo niet en stel u te weer.”„Vandaagloopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op de plaats dood blijven.”De beide kampioenen spreken elkaar aldus, op de manier der helden van Homerus, gedurende eenige minuten, toe. Niet zoodra heeft het gevecht een aanvang genomen of Perico zegt ter zijde, dat het zeer ongezond is een por met de navaja te krijgen, en dat het niet onhandig zijn zou zich ter aarde te werpen, en te doen alsof hij dood was.„Asaura,” roept hij uit, „gij hebt mij door midden gekorven; ik sterf.”Pepiya komt op en ziet haar minnaar op den grond liggen: aanstonds raapt zij haar navaja op, en kondigt den gewaandenmoordenaaraan, dat zij hem eenjevequezal teekenen, dat wil zeggen, hem een breede kerf op zijn gelaat geven zal.Nauwelijks heeft zij een vertooning gemaakt alsof zij wilde toeslaan, of de gitano, hoewel in geenen deele gewond, laat zich op den grond zakken alsof hij doodelijk gewond was.„Beste Perico, beste Pericotje, gij zijt gewroken!” roept zij uit, terwijl zij Asaura voor hare voeten ziet uitgestrekt.De gitana werpt haar ponjaard weg, knielt bij haar verloofde neder, om voor altoos afscheid van hem te nemen, en valt tusschen de beide kampioenen in zwijm.Op dat oogenblik verschijnt Gavirro, die een ezel voor zich uitdrijft: men begrijpt dat het de aan Asaura ontstolen ezel is; op het zien der drie op den grond liggende lijken, slaakt de oude gitano een kreet, maar hij herstelt zich oogenblikkelijk en haast zich de zakken der beide medeminnaars te gaan onderzoeken, hij stoot een vreeselijken vloek uit als hij bemerkt dat zij ledig zijn, en belooft, terwijl hij zijn levenloos uitgestrekte dochter vaarwel zegt, zich te troosten met den gestolen ezel.Eensklaps hoort men het dier geweldig balken: op het hooren van de stem zijns welbekenden ezels staat Asaura op, en werpt zich om den hals van het dier, even als Sancho, bij het hervinden van zijn grauwtje. Perico en Pepiya verrijzen op hunne beurt; zij geven elkander de hand en de oude gitano vereenigt hen, na hun den zegen gegeven te hebben.Deze populaire voorstellingen verliezen ontegenzeggelijk bij het verhalen veel; de tooneelspelers stellen echter de personen zóó natuurlijk voor, dat men denken zou wezenlijke gitanos voor zich te hebben; door hun wegsleepend spel doen zij ons denken aan Pasquale Altavilla, den napelschen acteur-schrijver, en aan Antonio, den beroemdenPulcinellavan den kleinen[84]schouwburg vanSan Carlino, beide zeer populaire kunstenaars.Behalve deze en anderesainetes, waaronderPaco Mandria y Sacabuchesons levendig bij zal blijven, hadden wij nog gelegenheid er een paar te zien opvoeren, waarin de vreemdelingen, deestranjis, zooals de Spanjaarden hen spottenderwijze heeten, min of meer belachelijk worden gemaakt. Spanje is zeker niet ongastvrij; maar het volk legt nu en dan wantrouwen aan den dag, datmisschienalleen in het overdrijven van een groote goede hoedanigheid, de zucht naar onafhankelijkheid, zijn grond heeft.Wij zouden hiervan een aantal proeven kunnen bijbrengen, maar het wordt tijd het tooneel voor de straat te verlaten; wij begeven ons dus in de eerste plaats naar de voorstad Triana.

II.De schouwburgen van Sevilla: deCazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusischesainetes.—Hoe de vreemdelingen in desainetesbehandeld worden.Sevilla bezit twee schouwburgen: hetTeatro principal, en dat vanSan Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s,zarzuelasofopéras comiques, blijspelen,sainetes; zonder evenwel den minsten inbreuk te maken op denbaile nacional, waarmede iedere voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal is ongeveer de[82]zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen den naam vansillasofasientos de butaca. Het amphitheater of paradijs heetla cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef: „Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats die menla cazuelaheet: alle dames van verdachte deugd hebben daar haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.” De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet, verschrikkelijk veel verteringen te maken.”La Amparo, den fandango dansende.La Amparo, denfandangodansende.De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er eenlleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag slechts zeer weinig hoedenal estilo de Paris, hetgeen aan de loges een allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegnazou hebben aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de hersens komt zich in het kostuum van eenmajote steken, dadelijk de woorden vanfranchute, vanInglis-manglisof andere epitheten van dezen aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te werpen.Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met eenzarzuela, getiteld:Buenas nochesseñordon Simon. De zarzuela is een lyrisch stuk, dat veel op eenopéra comiquegelijkt. Spoedig bleek het nu, dat het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche:Bonsoir monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in vergelding ten aanzien der fransche doen.Op dezarzuelavolgde een stukje, getiteld:Paco y Paca, dat wil zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het franschele Caporal et la paysewas, maar onder die vertaling bitter had geleden; de auteurs van hetTeatro principalzijn grooter meesters in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door desaineteschadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem van lekker eten, is toch het woordsaineteuit het woordenboek der keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een vermakelijk tafereel der volkszeden.Desainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nogEntremeses, zooals ten tijde van Cervantes, ofTonadillasgenoemd.Desainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot titel:El Valor de una Gitana. De personen, allengitanos, waren ten getale van vier:Pepiya, eene jonge en schoone gitana;Gavirro, haar vader;Perico, denovio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, enAsaura, een doorPepiyaafgewezen minnaar.Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt, heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar zak haalt zij een spiegel van zescuartoste voorschijn, en zingt, terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op haar fraaie figuur.Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme gitano, de volmaakte type van een dieresquiladoresof muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro, zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas op, voegt hij haar toe, de liefde is een.… (hier omschrijft de gitano de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen[83]schande blootstelt, zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen van denbuchi2is omgekomen.Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der toeschouwers in decazuelalevendig toegejuicht.De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico verschijnt.Olé salero!roept hij met een sterken andalusischen tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie, herkrijg ik het leven!”„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken, van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt …”„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen, die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te troosten.„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen oorvijg.„Mosto!Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor ukamik mij niet, neen; maar wel voor Perico.”„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn lichaam scheuren.”„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”Zij slaat haarmanteom den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje;„bezoedel u niet met het bloed van dien afschuwelijken aap!”„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden snijden.”„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat denzapateadodansen!”„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meerpuñalas(ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”„Spring zoo niet en stel u te weer.”„Vandaagloopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op de plaats dood blijven.”De beide kampioenen spreken elkaar aldus, op de manier der helden van Homerus, gedurende eenige minuten, toe. Niet zoodra heeft het gevecht een aanvang genomen of Perico zegt ter zijde, dat het zeer ongezond is een por met de navaja te krijgen, en dat het niet onhandig zijn zou zich ter aarde te werpen, en te doen alsof hij dood was.„Asaura,” roept hij uit, „gij hebt mij door midden gekorven; ik sterf.”Pepiya komt op en ziet haar minnaar op den grond liggen: aanstonds raapt zij haar navaja op, en kondigt den gewaandenmoordenaaraan, dat zij hem eenjevequezal teekenen, dat wil zeggen, hem een breede kerf op zijn gelaat geven zal.Nauwelijks heeft zij een vertooning gemaakt alsof zij wilde toeslaan, of de gitano, hoewel in geenen deele gewond, laat zich op den grond zakken alsof hij doodelijk gewond was.„Beste Perico, beste Pericotje, gij zijt gewroken!” roept zij uit, terwijl zij Asaura voor hare voeten ziet uitgestrekt.De gitana werpt haar ponjaard weg, knielt bij haar verloofde neder, om voor altoos afscheid van hem te nemen, en valt tusschen de beide kampioenen in zwijm.Op dat oogenblik verschijnt Gavirro, die een ezel voor zich uitdrijft: men begrijpt dat het de aan Asaura ontstolen ezel is; op het zien der drie op den grond liggende lijken, slaakt de oude gitano een kreet, maar hij herstelt zich oogenblikkelijk en haast zich de zakken der beide medeminnaars te gaan onderzoeken, hij stoot een vreeselijken vloek uit als hij bemerkt dat zij ledig zijn, en belooft, terwijl hij zijn levenloos uitgestrekte dochter vaarwel zegt, zich te troosten met den gestolen ezel.Eensklaps hoort men het dier geweldig balken: op het hooren van de stem zijns welbekenden ezels staat Asaura op, en werpt zich om den hals van het dier, even als Sancho, bij het hervinden van zijn grauwtje. Perico en Pepiya verrijzen op hunne beurt; zij geven elkander de hand en de oude gitano vereenigt hen, na hun den zegen gegeven te hebben.Deze populaire voorstellingen verliezen ontegenzeggelijk bij het verhalen veel; de tooneelspelers stellen echter de personen zóó natuurlijk voor, dat men denken zou wezenlijke gitanos voor zich te hebben; door hun wegsleepend spel doen zij ons denken aan Pasquale Altavilla, den napelschen acteur-schrijver, en aan Antonio, den beroemdenPulcinellavan den kleinen[84]schouwburg vanSan Carlino, beide zeer populaire kunstenaars.Behalve deze en anderesainetes, waaronderPaco Mandria y Sacabuchesons levendig bij zal blijven, hadden wij nog gelegenheid er een paar te zien opvoeren, waarin de vreemdelingen, deestranjis, zooals de Spanjaarden hen spottenderwijze heeten, min of meer belachelijk worden gemaakt. Spanje is zeker niet ongastvrij; maar het volk legt nu en dan wantrouwen aan den dag, datmisschienalleen in het overdrijven van een groote goede hoedanigheid, de zucht naar onafhankelijkheid, zijn grond heeft.Wij zouden hiervan een aantal proeven kunnen bijbrengen, maar het wordt tijd het tooneel voor de straat te verlaten; wij begeven ons dus in de eerste plaats naar de voorstad Triana.

II.De schouwburgen van Sevilla: deCazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusischesainetes.—Hoe de vreemdelingen in desainetesbehandeld worden.

De schouwburgen van Sevilla: deCazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusischesainetes.—Hoe de vreemdelingen in desainetesbehandeld worden.

De schouwburgen van Sevilla: deCazuela.—De veranderde fransche stukken.—De andalusischesainetes.—Hoe de vreemdelingen in desainetesbehandeld worden.

Sevilla bezit twee schouwburgen: hetTeatro principal, en dat vanSan Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s,zarzuelasofopéras comiques, blijspelen,sainetes; zonder evenwel den minsten inbreuk te maken op denbaile nacional, waarmede iedere voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal is ongeveer de[82]zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen den naam vansillasofasientos de butaca. Het amphitheater of paradijs heetla cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef: „Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats die menla cazuelaheet: alle dames van verdachte deugd hebben daar haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.” De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet, verschrikkelijk veel verteringen te maken.”La Amparo, den fandango dansende.La Amparo, denfandangodansende.De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er eenlleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag slechts zeer weinig hoedenal estilo de Paris, hetgeen aan de loges een allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegnazou hebben aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de hersens komt zich in het kostuum van eenmajote steken, dadelijk de woorden vanfranchute, vanInglis-manglisof andere epitheten van dezen aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te werpen.Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met eenzarzuela, getiteld:Buenas nochesseñordon Simon. De zarzuela is een lyrisch stuk, dat veel op eenopéra comiquegelijkt. Spoedig bleek het nu, dat het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche:Bonsoir monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in vergelding ten aanzien der fransche doen.Op dezarzuelavolgde een stukje, getiteld:Paco y Paca, dat wil zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het franschele Caporal et la paysewas, maar onder die vertaling bitter had geleden; de auteurs van hetTeatro principalzijn grooter meesters in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door desaineteschadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem van lekker eten, is toch het woordsaineteuit het woordenboek der keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een vermakelijk tafereel der volkszeden.Desainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nogEntremeses, zooals ten tijde van Cervantes, ofTonadillasgenoemd.Desainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot titel:El Valor de una Gitana. De personen, allengitanos, waren ten getale van vier:Pepiya, eene jonge en schoone gitana;Gavirro, haar vader;Perico, denovio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, enAsaura, een doorPepiyaafgewezen minnaar.Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt, heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar zak haalt zij een spiegel van zescuartoste voorschijn, en zingt, terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op haar fraaie figuur.Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme gitano, de volmaakte type van een dieresquiladoresof muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro, zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas op, voegt hij haar toe, de liefde is een.… (hier omschrijft de gitano de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen[83]schande blootstelt, zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen van denbuchi2is omgekomen.Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der toeschouwers in decazuelalevendig toegejuicht.De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico verschijnt.Olé salero!roept hij met een sterken andalusischen tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie, herkrijg ik het leven!”„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken, van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt …”„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen, die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te troosten.„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen oorvijg.„Mosto!Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor ukamik mij niet, neen; maar wel voor Perico.”„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn lichaam scheuren.”„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”Zij slaat haarmanteom den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje;„bezoedel u niet met het bloed van dien afschuwelijken aap!”„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden snijden.”„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat denzapateadodansen!”„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meerpuñalas(ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”„Spring zoo niet en stel u te weer.”„Vandaagloopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op de plaats dood blijven.”De beide kampioenen spreken elkaar aldus, op de manier der helden van Homerus, gedurende eenige minuten, toe. Niet zoodra heeft het gevecht een aanvang genomen of Perico zegt ter zijde, dat het zeer ongezond is een por met de navaja te krijgen, en dat het niet onhandig zijn zou zich ter aarde te werpen, en te doen alsof hij dood was.„Asaura,” roept hij uit, „gij hebt mij door midden gekorven; ik sterf.”Pepiya komt op en ziet haar minnaar op den grond liggen: aanstonds raapt zij haar navaja op, en kondigt den gewaandenmoordenaaraan, dat zij hem eenjevequezal teekenen, dat wil zeggen, hem een breede kerf op zijn gelaat geven zal.Nauwelijks heeft zij een vertooning gemaakt alsof zij wilde toeslaan, of de gitano, hoewel in geenen deele gewond, laat zich op den grond zakken alsof hij doodelijk gewond was.„Beste Perico, beste Pericotje, gij zijt gewroken!” roept zij uit, terwijl zij Asaura voor hare voeten ziet uitgestrekt.De gitana werpt haar ponjaard weg, knielt bij haar verloofde neder, om voor altoos afscheid van hem te nemen, en valt tusschen de beide kampioenen in zwijm.Op dat oogenblik verschijnt Gavirro, die een ezel voor zich uitdrijft: men begrijpt dat het de aan Asaura ontstolen ezel is; op het zien der drie op den grond liggende lijken, slaakt de oude gitano een kreet, maar hij herstelt zich oogenblikkelijk en haast zich de zakken der beide medeminnaars te gaan onderzoeken, hij stoot een vreeselijken vloek uit als hij bemerkt dat zij ledig zijn, en belooft, terwijl hij zijn levenloos uitgestrekte dochter vaarwel zegt, zich te troosten met den gestolen ezel.Eensklaps hoort men het dier geweldig balken: op het hooren van de stem zijns welbekenden ezels staat Asaura op, en werpt zich om den hals van het dier, even als Sancho, bij het hervinden van zijn grauwtje. Perico en Pepiya verrijzen op hunne beurt; zij geven elkander de hand en de oude gitano vereenigt hen, na hun den zegen gegeven te hebben.Deze populaire voorstellingen verliezen ontegenzeggelijk bij het verhalen veel; de tooneelspelers stellen echter de personen zóó natuurlijk voor, dat men denken zou wezenlijke gitanos voor zich te hebben; door hun wegsleepend spel doen zij ons denken aan Pasquale Altavilla, den napelschen acteur-schrijver, en aan Antonio, den beroemdenPulcinellavan den kleinen[84]schouwburg vanSan Carlino, beide zeer populaire kunstenaars.Behalve deze en anderesainetes, waaronderPaco Mandria y Sacabuchesons levendig bij zal blijven, hadden wij nog gelegenheid er een paar te zien opvoeren, waarin de vreemdelingen, deestranjis, zooals de Spanjaarden hen spottenderwijze heeten, min of meer belachelijk worden gemaakt. Spanje is zeker niet ongastvrij; maar het volk legt nu en dan wantrouwen aan den dag, datmisschienalleen in het overdrijven van een groote goede hoedanigheid, de zucht naar onafhankelijkheid, zijn grond heeft.Wij zouden hiervan een aantal proeven kunnen bijbrengen, maar het wordt tijd het tooneel voor de straat te verlaten; wij begeven ons dus in de eerste plaats naar de voorstad Triana.

Sevilla bezit twee schouwburgen: hetTeatro principal, en dat vanSan Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s,zarzuelasofopéras comiques, blijspelen,sainetes; zonder evenwel den minsten inbreuk te maken op denbaile nacional, waarmede iedere voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal is ongeveer de[82]zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen den naam vansillasofasientos de butaca. Het amphitheater of paradijs heetla cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef: „Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats die menla cazuelaheet: alle dames van verdachte deugd hebben daar haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.” De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet, verschrikkelijk veel verteringen te maken.”

La Amparo, den fandango dansende.La Amparo, denfandangodansende.

La Amparo, denfandangodansende.

De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er eenlleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag slechts zeer weinig hoedenal estilo de Paris, hetgeen aan de loges een allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegnazou hebben aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de hersens komt zich in het kostuum van eenmajote steken, dadelijk de woorden vanfranchute, vanInglis-manglisof andere epitheten van dezen aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te werpen.

Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met eenzarzuela, getiteld:Buenas nochesseñordon Simon. De zarzuela is een lyrisch stuk, dat veel op eenopéra comiquegelijkt. Spoedig bleek het nu, dat het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche:Bonsoir monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in vergelding ten aanzien der fransche doen.

Op dezarzuelavolgde een stukje, getiteld:Paco y Paca, dat wil zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het franschele Caporal et la paysewas, maar onder die vertaling bitter had geleden; de auteurs van hetTeatro principalzijn grooter meesters in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.

Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door desaineteschadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem van lekker eten, is toch het woordsaineteuit het woordenboek der keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een vermakelijk tafereel der volkszeden.

Desainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nogEntremeses, zooals ten tijde van Cervantes, ofTonadillasgenoemd.

Desainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot titel:El Valor de una Gitana. De personen, allengitanos, waren ten getale van vier:Pepiya, eene jonge en schoone gitana;Gavirro, haar vader;Perico, denovio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, enAsaura, een doorPepiyaafgewezen minnaar.

Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt, heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar zak haalt zij een spiegel van zescuartoste voorschijn, en zingt, terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op haar fraaie figuur.

Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme gitano, de volmaakte type van een dieresquiladoresof muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro, zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas op, voegt hij haar toe, de liefde is een.… (hier omschrijft de gitano de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen[83]schande blootstelt, zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen van denbuchi2is omgekomen.

Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der toeschouwers in decazuelalevendig toegejuicht.

De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico verschijnt.Olé salero!roept hij met een sterken andalusischen tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie, herkrijg ik het leven!”

„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”

„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken, van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”

„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt …”

„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”

Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen, die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te troosten.

„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”

Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen oorvijg.

„Mosto!Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor ukamik mij niet, neen; maar wel voor Perico.”

„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn lichaam scheuren.”

„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”

Zij slaat haarmanteom den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:

„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”

„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje;„bezoedel u niet met het bloed van dien afschuwelijken aap!”

„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden snijden.”

„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat denzapateadodansen!”

„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meerpuñalas(ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”

„Spring zoo niet en stel u te weer.”

„Vandaagloopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op de plaats dood blijven.”

De beide kampioenen spreken elkaar aldus, op de manier der helden van Homerus, gedurende eenige minuten, toe. Niet zoodra heeft het gevecht een aanvang genomen of Perico zegt ter zijde, dat het zeer ongezond is een por met de navaja te krijgen, en dat het niet onhandig zijn zou zich ter aarde te werpen, en te doen alsof hij dood was.

„Asaura,” roept hij uit, „gij hebt mij door midden gekorven; ik sterf.”

Pepiya komt op en ziet haar minnaar op den grond liggen: aanstonds raapt zij haar navaja op, en kondigt den gewaandenmoordenaaraan, dat zij hem eenjevequezal teekenen, dat wil zeggen, hem een breede kerf op zijn gelaat geven zal.

Nauwelijks heeft zij een vertooning gemaakt alsof zij wilde toeslaan, of de gitano, hoewel in geenen deele gewond, laat zich op den grond zakken alsof hij doodelijk gewond was.

„Beste Perico, beste Pericotje, gij zijt gewroken!” roept zij uit, terwijl zij Asaura voor hare voeten ziet uitgestrekt.

De gitana werpt haar ponjaard weg, knielt bij haar verloofde neder, om voor altoos afscheid van hem te nemen, en valt tusschen de beide kampioenen in zwijm.

Op dat oogenblik verschijnt Gavirro, die een ezel voor zich uitdrijft: men begrijpt dat het de aan Asaura ontstolen ezel is; op het zien der drie op den grond liggende lijken, slaakt de oude gitano een kreet, maar hij herstelt zich oogenblikkelijk en haast zich de zakken der beide medeminnaars te gaan onderzoeken, hij stoot een vreeselijken vloek uit als hij bemerkt dat zij ledig zijn, en belooft, terwijl hij zijn levenloos uitgestrekte dochter vaarwel zegt, zich te troosten met den gestolen ezel.

Eensklaps hoort men het dier geweldig balken: op het hooren van de stem zijns welbekenden ezels staat Asaura op, en werpt zich om den hals van het dier, even als Sancho, bij het hervinden van zijn grauwtje. Perico en Pepiya verrijzen op hunne beurt; zij geven elkander de hand en de oude gitano vereenigt hen, na hun den zegen gegeven te hebben.

Deze populaire voorstellingen verliezen ontegenzeggelijk bij het verhalen veel; de tooneelspelers stellen echter de personen zóó natuurlijk voor, dat men denken zou wezenlijke gitanos voor zich te hebben; door hun wegsleepend spel doen zij ons denken aan Pasquale Altavilla, den napelschen acteur-schrijver, en aan Antonio, den beroemdenPulcinellavan den kleinen[84]schouwburg vanSan Carlino, beide zeer populaire kunstenaars.

Behalve deze en anderesainetes, waaronderPaco Mandria y Sacabuchesons levendig bij zal blijven, hadden wij nog gelegenheid er een paar te zien opvoeren, waarin de vreemdelingen, deestranjis, zooals de Spanjaarden hen spottenderwijze heeten, min of meer belachelijk worden gemaakt. Spanje is zeker niet ongastvrij; maar het volk legt nu en dan wantrouwen aan den dag, datmisschienalleen in het overdrijven van een groote goede hoedanigheid, de zucht naar onafhankelijkheid, zijn grond heeft.

Wij zouden hiervan een aantal proeven kunnen bijbrengen, maar het wordt tijd het tooneel voor de straat te verlaten; wij begeven ons dus in de eerste plaats naar de voorstad Triana.


Back to IndexNext