SEVILLA.I.De Alcazar van Sevilla;De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—DeBañosvan Padilla.—DeCapilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—DeCasa de Pilatos.—DeJuderiaen deMoreria.—Het klooster vanSanta-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal vanMurillo.Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten; zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden, uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste voorbeeld oplevert.[78]Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; depuerta de la Banderas, de poort der banieren, en depuerta de la Monteriaof van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar deMonterosof jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintjedel Triunfo.De Alcazar werd door de ArabierenAl-Kasr, het paleis van Cesar geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen synoniem gebleven met macht en majesteit.Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uitdiestad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis werd opgedragen.DePatiode lasDoncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis heeft bewoond.DePatio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtigePatio, hersteld onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide) heeft nog een deel derazulejosvan aardewerk, die de muren ongeveer twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; dezeazulejos, volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen, en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede depatiois geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de eerzuchtige spreuk van Karel V:Non plus ultraleest. Na een aantal zalen bezocht te hebben, waaronder desala de Embajadoresin de eerste plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde baden, waaraan men den naam vanlosBañosde Padillageeft. Het waren moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede, daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet, om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel Montalvan afwachtte.De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij, in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijnemaitressenaar hetbañote vergezellen, en dat deze, geloovende daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning, nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te volgen, waarop hij ten antwoord ontving:Señor, despues dehaber cortadola salsa, yo quisiera tambien catar la perdiz.Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord het hoofd voor de voeten liet leggen.Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in deCapilla real, de hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen Ferdinand.Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie, als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees,1doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman, voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen, tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes[79]verheffen zich kiosken, die onder Karel V gebouwd en metazulejosvan allerhande kleur bekleed zijn.Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die, in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oudealqueriaof lusthuis uit de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in volmaakt goeden staat waren.Na den Alcazar is deCasa de Pilatoseen der voornaamste merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis, waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot de renaissance kenmerkt. Depatioof binnenplaats is ongemeen rijk; de overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden onderschraagd, is bekleed metazulejos, die even schoon als volmaakt bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen glans bezitten. Dezeazulejoszijn de schoonste in hun soort, die wij ooit gezien hebben.De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij, zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in depatioziet, was eertijds het aanvangspunt van eenKruisweg, welks door de stad verdeelde staties naar deCruz del campovoerden, niet verre van deCañosde Carmonagelegen.Bij het verlaten van deCasa de Pilatosbegaven wij ons naar deJuderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden, voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den naam vanJuderiadraagt; ook had men er deMoreriaof het moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard gebleven. In deJuderiabezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam vanCalle de Murillogegeven.Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula,Las Monjas de Santa Paulagenaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel met alleruitstekendsteazulejosbekleed; het is het meesterstuk van Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van de verwonderlijke uitwerking door dezen gevelteweeggebracht, wiens geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren; in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken steen gevoegd, die aan het werk vanLucca della Robbiadoen denken. Een aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der vijftiende eeuw aantreft.Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude klooster vanla Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft doorgebracht.Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaardenfrio,calido,vaporoso(koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij in de zaal aanwezig, die menEl salon de Murilloheet en waarin alleen zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet geschilderd, waarom men het in de wandelingla servilletaheet.De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig, ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche schilders zullen wij slechts eenheilige Thomas van Aquino, het meesterstuk van Zurraban aanhalen; eenheilige Hermenegilde, van Herrerael vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de Pasco de Cristina laat liggen,[80]komt men aan het paleis San Telmo, door den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan, staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet oranjeboomen.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.
SEVILLA.I.De Alcazar van Sevilla;De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—DeBañosvan Padilla.—DeCapilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—DeCasa de Pilatos.—DeJuderiaen deMoreria.—Het klooster vanSanta-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal vanMurillo.Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten; zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden, uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste voorbeeld oplevert.[78]Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; depuerta de la Banderas, de poort der banieren, en depuerta de la Monteriaof van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar deMonterosof jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintjedel Triunfo.De Alcazar werd door de ArabierenAl-Kasr, het paleis van Cesar geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen synoniem gebleven met macht en majesteit.Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uitdiestad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis werd opgedragen.DePatiode lasDoncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis heeft bewoond.DePatio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtigePatio, hersteld onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide) heeft nog een deel derazulejosvan aardewerk, die de muren ongeveer twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; dezeazulejos, volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen, en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede depatiois geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de eerzuchtige spreuk van Karel V:Non plus ultraleest. Na een aantal zalen bezocht te hebben, waaronder desala de Embajadoresin de eerste plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde baden, waaraan men den naam vanlosBañosde Padillageeft. Het waren moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede, daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet, om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel Montalvan afwachtte.De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij, in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijnemaitressenaar hetbañote vergezellen, en dat deze, geloovende daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning, nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te volgen, waarop hij ten antwoord ontving:Señor, despues dehaber cortadola salsa, yo quisiera tambien catar la perdiz.Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord het hoofd voor de voeten liet leggen.Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in deCapilla real, de hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen Ferdinand.Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie, als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees,1doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman, voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen, tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes[79]verheffen zich kiosken, die onder Karel V gebouwd en metazulejosvan allerhande kleur bekleed zijn.Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die, in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oudealqueriaof lusthuis uit de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in volmaakt goeden staat waren.Na den Alcazar is deCasa de Pilatoseen der voornaamste merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis, waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot de renaissance kenmerkt. Depatioof binnenplaats is ongemeen rijk; de overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden onderschraagd, is bekleed metazulejos, die even schoon als volmaakt bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen glans bezitten. Dezeazulejoszijn de schoonste in hun soort, die wij ooit gezien hebben.De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij, zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in depatioziet, was eertijds het aanvangspunt van eenKruisweg, welks door de stad verdeelde staties naar deCruz del campovoerden, niet verre van deCañosde Carmonagelegen.Bij het verlaten van deCasa de Pilatosbegaven wij ons naar deJuderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden, voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den naam vanJuderiadraagt; ook had men er deMoreriaof het moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard gebleven. In deJuderiabezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam vanCalle de Murillogegeven.Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula,Las Monjas de Santa Paulagenaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel met alleruitstekendsteazulejosbekleed; het is het meesterstuk van Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van de verwonderlijke uitwerking door dezen gevelteweeggebracht, wiens geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren; in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken steen gevoegd, die aan het werk vanLucca della Robbiadoen denken. Een aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der vijftiende eeuw aantreft.Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude klooster vanla Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft doorgebracht.Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaardenfrio,calido,vaporoso(koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij in de zaal aanwezig, die menEl salon de Murilloheet en waarin alleen zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet geschilderd, waarom men het in de wandelingla servilletaheet.De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig, ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche schilders zullen wij slechts eenheilige Thomas van Aquino, het meesterstuk van Zurraban aanhalen; eenheilige Hermenegilde, van Herrerael vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de Pasco de Cristina laat liggen,[80]komt men aan het paleis San Telmo, door den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan, staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet oranjeboomen.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.
SEVILLA.I.De Alcazar van Sevilla;De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—DeBañosvan Padilla.—DeCapilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—DeCasa de Pilatos.—DeJuderiaen deMoreria.—Het klooster vanSanta-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal vanMurillo.Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten; zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden, uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste voorbeeld oplevert.[78]Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; depuerta de la Banderas, de poort der banieren, en depuerta de la Monteriaof van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar deMonterosof jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintjedel Triunfo.De Alcazar werd door de ArabierenAl-Kasr, het paleis van Cesar geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen synoniem gebleven met macht en majesteit.Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uitdiestad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis werd opgedragen.DePatiode lasDoncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis heeft bewoond.DePatio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtigePatio, hersteld onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide) heeft nog een deel derazulejosvan aardewerk, die de muren ongeveer twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; dezeazulejos, volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen, en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede depatiois geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de eerzuchtige spreuk van Karel V:Non plus ultraleest. Na een aantal zalen bezocht te hebben, waaronder desala de Embajadoresin de eerste plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde baden, waaraan men den naam vanlosBañosde Padillageeft. Het waren moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede, daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet, om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel Montalvan afwachtte.De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij, in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijnemaitressenaar hetbañote vergezellen, en dat deze, geloovende daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning, nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te volgen, waarop hij ten antwoord ontving:Señor, despues dehaber cortadola salsa, yo quisiera tambien catar la perdiz.Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord het hoofd voor de voeten liet leggen.Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in deCapilla real, de hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen Ferdinand.Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie, als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees,1doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman, voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen, tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes[79]verheffen zich kiosken, die onder Karel V gebouwd en metazulejosvan allerhande kleur bekleed zijn.Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die, in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oudealqueriaof lusthuis uit de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in volmaakt goeden staat waren.Na den Alcazar is deCasa de Pilatoseen der voornaamste merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis, waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot de renaissance kenmerkt. Depatioof binnenplaats is ongemeen rijk; de overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden onderschraagd, is bekleed metazulejos, die even schoon als volmaakt bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen glans bezitten. Dezeazulejoszijn de schoonste in hun soort, die wij ooit gezien hebben.De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij, zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in depatioziet, was eertijds het aanvangspunt van eenKruisweg, welks door de stad verdeelde staties naar deCruz del campovoerden, niet verre van deCañosde Carmonagelegen.Bij het verlaten van deCasa de Pilatosbegaven wij ons naar deJuderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden, voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den naam vanJuderiadraagt; ook had men er deMoreriaof het moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard gebleven. In deJuderiabezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam vanCalle de Murillogegeven.Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula,Las Monjas de Santa Paulagenaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel met alleruitstekendsteazulejosbekleed; het is het meesterstuk van Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van de verwonderlijke uitwerking door dezen gevelteweeggebracht, wiens geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren; in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken steen gevoegd, die aan het werk vanLucca della Robbiadoen denken. Een aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der vijftiende eeuw aantreft.Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude klooster vanla Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft doorgebracht.Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaardenfrio,calido,vaporoso(koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij in de zaal aanwezig, die menEl salon de Murilloheet en waarin alleen zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet geschilderd, waarom men het in de wandelingla servilletaheet.De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig, ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche schilders zullen wij slechts eenheilige Thomas van Aquino, het meesterstuk van Zurraban aanhalen; eenheilige Hermenegilde, van Herrerael vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de Pasco de Cristina laat liggen,[80]komt men aan het paleis San Telmo, door den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan, staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet oranjeboomen.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.
SEVILLA.I.De Alcazar van Sevilla;De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—DeBañosvan Padilla.—DeCapilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—DeCasa de Pilatos.—DeJuderiaen deMoreria.—Het klooster vanSanta-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal vanMurillo.Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten; zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden, uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste voorbeeld oplevert.[78]Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; depuerta de la Banderas, de poort der banieren, en depuerta de la Monteriaof van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar deMonterosof jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintjedel Triunfo.De Alcazar werd door de ArabierenAl-Kasr, het paleis van Cesar geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen synoniem gebleven met macht en majesteit.Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uitdiestad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis werd opgedragen.DePatiode lasDoncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis heeft bewoond.DePatio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtigePatio, hersteld onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide) heeft nog een deel derazulejosvan aardewerk, die de muren ongeveer twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; dezeazulejos, volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen, en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede depatiois geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de eerzuchtige spreuk van Karel V:Non plus ultraleest. Na een aantal zalen bezocht te hebben, waaronder desala de Embajadoresin de eerste plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde baden, waaraan men den naam vanlosBañosde Padillageeft. Het waren moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede, daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet, om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel Montalvan afwachtte.De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij, in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijnemaitressenaar hetbañote vergezellen, en dat deze, geloovende daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning, nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te volgen, waarop hij ten antwoord ontving:Señor, despues dehaber cortadola salsa, yo quisiera tambien catar la perdiz.Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord het hoofd voor de voeten liet leggen.Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in deCapilla real, de hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen Ferdinand.Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie, als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees,1doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman, voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen, tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes[79]verheffen zich kiosken, die onder Karel V gebouwd en metazulejosvan allerhande kleur bekleed zijn.Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die, in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oudealqueriaof lusthuis uit de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in volmaakt goeden staat waren.Na den Alcazar is deCasa de Pilatoseen der voornaamste merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis, waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot de renaissance kenmerkt. Depatioof binnenplaats is ongemeen rijk; de overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden onderschraagd, is bekleed metazulejos, die even schoon als volmaakt bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen glans bezitten. Dezeazulejoszijn de schoonste in hun soort, die wij ooit gezien hebben.De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij, zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in depatioziet, was eertijds het aanvangspunt van eenKruisweg, welks door de stad verdeelde staties naar deCruz del campovoerden, niet verre van deCañosde Carmonagelegen.Bij het verlaten van deCasa de Pilatosbegaven wij ons naar deJuderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden, voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den naam vanJuderiadraagt; ook had men er deMoreriaof het moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard gebleven. In deJuderiabezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam vanCalle de Murillogegeven.Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula,Las Monjas de Santa Paulagenaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel met alleruitstekendsteazulejosbekleed; het is het meesterstuk van Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van de verwonderlijke uitwerking door dezen gevelteweeggebracht, wiens geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren; in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken steen gevoegd, die aan het werk vanLucca della Robbiadoen denken. Een aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der vijftiende eeuw aantreft.Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude klooster vanla Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft doorgebracht.Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaardenfrio,calido,vaporoso(koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij in de zaal aanwezig, die menEl salon de Murilloheet en waarin alleen zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet geschilderd, waarom men het in de wandelingla servilletaheet.De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig, ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche schilders zullen wij slechts eenheilige Thomas van Aquino, het meesterstuk van Zurraban aanhalen; eenheilige Hermenegilde, van Herrerael vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de Pasco de Cristina laat liggen,[80]komt men aan het paleis San Telmo, door den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan, staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet oranjeboomen.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.
SEVILLA.I.De Alcazar van Sevilla;De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—DeBañosvan Padilla.—DeCapilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—DeCasa de Pilatos.—DeJuderiaen deMoreria.—Het klooster vanSanta-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal vanMurillo.
De Alcazar van Sevilla;De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—DeBañosvan Padilla.—DeCapilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—DeCasa de Pilatos.—DeJuderiaen deMoreria.—Het klooster vanSanta-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal vanMurillo.
De Alcazar van Sevilla;De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede en Maria van Padilla.—DeBañosvan Padilla.—DeCapilla de Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—DeCasa de Pilatos.—DeJuderiaen deMoreria.—Het klooster vanSanta-Paula.—Het museum van Sevilla; de zaal vanMurillo.
Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten; zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden, uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste voorbeeld oplevert.[78]Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; depuerta de la Banderas, de poort der banieren, en depuerta de la Monteriaof van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar deMonterosof jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintjedel Triunfo.De Alcazar werd door de ArabierenAl-Kasr, het paleis van Cesar geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen synoniem gebleven met macht en majesteit.Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uitdiestad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis werd opgedragen.DePatiode lasDoncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis heeft bewoond.DePatio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtigePatio, hersteld onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide) heeft nog een deel derazulejosvan aardewerk, die de muren ongeveer twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; dezeazulejos, volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen, en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede depatiois geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de eerzuchtige spreuk van Karel V:Non plus ultraleest. Na een aantal zalen bezocht te hebben, waaronder desala de Embajadoresin de eerste plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde baden, waaraan men den naam vanlosBañosde Padillageeft. Het waren moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede, daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet, om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel Montalvan afwachtte.De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij, in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijnemaitressenaar hetbañote vergezellen, en dat deze, geloovende daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning, nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te volgen, waarop hij ten antwoord ontving:Señor, despues dehaber cortadola salsa, yo quisiera tambien catar la perdiz.Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord het hoofd voor de voeten liet leggen.Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in deCapilla real, de hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen Ferdinand.Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie, als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees,1doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman, voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen, tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes[79]verheffen zich kiosken, die onder Karel V gebouwd en metazulejosvan allerhande kleur bekleed zijn.Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die, in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oudealqueriaof lusthuis uit de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in volmaakt goeden staat waren.Na den Alcazar is deCasa de Pilatoseen der voornaamste merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis, waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot de renaissance kenmerkt. Depatioof binnenplaats is ongemeen rijk; de overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden onderschraagd, is bekleed metazulejos, die even schoon als volmaakt bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen glans bezitten. Dezeazulejoszijn de schoonste in hun soort, die wij ooit gezien hebben.De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij, zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in depatioziet, was eertijds het aanvangspunt van eenKruisweg, welks door de stad verdeelde staties naar deCruz del campovoerden, niet verre van deCañosde Carmonagelegen.Bij het verlaten van deCasa de Pilatosbegaven wij ons naar deJuderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden, voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den naam vanJuderiadraagt; ook had men er deMoreriaof het moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard gebleven. In deJuderiabezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam vanCalle de Murillogegeven.Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula,Las Monjas de Santa Paulagenaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel met alleruitstekendsteazulejosbekleed; het is het meesterstuk van Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van de verwonderlijke uitwerking door dezen gevelteweeggebracht, wiens geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren; in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken steen gevoegd, die aan het werk vanLucca della Robbiadoen denken. Een aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der vijftiende eeuw aantreft.Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude klooster vanla Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft doorgebracht.Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaardenfrio,calido,vaporoso(koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij in de zaal aanwezig, die menEl salon de Murilloheet en waarin alleen zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet geschilderd, waarom men het in de wandelingla servilletaheet.De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig, ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche schilders zullen wij slechts eenheilige Thomas van Aquino, het meesterstuk van Zurraban aanhalen; eenheilige Hermenegilde, van Herrerael vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de Pasco de Cristina laat liggen,[80]komt men aan het paleis San Telmo, door den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan, staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet oranjeboomen.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.
Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten; zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.
De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden, uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste voorbeeld oplevert.[78]
Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; depuerta de la Banderas, de poort der banieren, en depuerta de la Monteriaof van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar deMonterosof jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintjedel Triunfo.
De Alcazar werd door de ArabierenAl-Kasr, het paleis van Cesar geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen synoniem gebleven met macht en majesteit.
Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uitdiestad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis werd opgedragen.
DePatiode lasDoncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis heeft bewoond.
DePatio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtigePatio, hersteld onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide) heeft nog een deel derazulejosvan aardewerk, die de muren ongeveer twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; dezeazulejos, volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen, en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.
Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede depatiois geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de eerzuchtige spreuk van Karel V:Non plus ultraleest. Na een aantal zalen bezocht te hebben, waaronder desala de Embajadoresin de eerste plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde baden, waaraan men den naam vanlosBañosde Padillageeft. Het waren moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede, daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet, om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel Montalvan afwachtte.
De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij, in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijnemaitressenaar hetbañote vergezellen, en dat deze, geloovende daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning, nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te volgen, waarop hij ten antwoord ontving:
Señor, despues dehaber cortadola salsa, yo quisiera tambien catar la perdiz.
Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord het hoofd voor de voeten liet leggen.
Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in deCapilla real, de hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen Ferdinand.
Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie, als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees,1doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman, voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen, tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes[79]verheffen zich kiosken, die onder Karel V gebouwd en metazulejosvan allerhande kleur bekleed zijn.
Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die, in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oudealqueriaof lusthuis uit de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in volmaakt goeden staat waren.
Na den Alcazar is deCasa de Pilatoseen der voornaamste merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis, waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot de renaissance kenmerkt. Depatioof binnenplaats is ongemeen rijk; de overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden onderschraagd, is bekleed metazulejos, die even schoon als volmaakt bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen glans bezitten. Dezeazulejoszijn de schoonste in hun soort, die wij ooit gezien hebben.
De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij, zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in depatioziet, was eertijds het aanvangspunt van eenKruisweg, welks door de stad verdeelde staties naar deCruz del campovoerden, niet verre van deCañosde Carmonagelegen.
Bij het verlaten van deCasa de Pilatosbegaven wij ons naar deJuderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden, voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den naam vanJuderiadraagt; ook had men er deMoreriaof het moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard gebleven. In deJuderiabezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam vanCalle de Murillogegeven.
Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula,Las Monjas de Santa Paulagenaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel met alleruitstekendsteazulejosbekleed; het is het meesterstuk van Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van de verwonderlijke uitwerking door dezen gevelteweeggebracht, wiens geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren; in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken steen gevoegd, die aan het werk vanLucca della Robbiadoen denken. Een aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der vijftiende eeuw aantreft.
Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude klooster vanla Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.
De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft doorgebracht.
Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaardenfrio,calido,vaporoso(koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij in de zaal aanwezig, die menEl salon de Murilloheet en waarin alleen zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.
Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet geschilderd, waarom men het in de wandelingla servilletaheet.
De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig, ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche schilders zullen wij slechts eenheilige Thomas van Aquino, het meesterstuk van Zurraban aanhalen; eenheilige Hermenegilde, van Herrerael vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.
Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de Pasco de Cristina laat liggen,[80]komt men aan het paleis San Telmo, door den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan, staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet oranjeboomen.
Gevel van den Alcazar, te Sevilla.Gevel van den Alcazar, te Sevilla.
Gevel van den Alcazar, te Sevilla.