“Jo! Jo! waar zit je?” riep Meta onder aan de zoldertrap.
“Hier,” antwoordde een doffe stem van boven, en toen Meta de trappen opgeloopen was, vond zij haar zuster bezig appels te eten en te schreien over “De Erfgenaam van Redclyff,” met een dikken doek om, op eene driepootige canapé bij het zonnige venster. Dit was Jo’s geliefkoosde toevlucht, en hier sloot zij zich op met een half dozijn appelen en een mooi boek, genietende van de stilte en van het gezelschap van een lievelingsrat, die daar dichtbij huisde en zich niet aan haar stoorde. Toen Meta kwam, trok Knabbelaar zich in haar hol terug. Jo veegde haar tranen af en wachtte geduldig op het nieuws.
“Verbeeld je eens, hoe heerlijk, een invitatiekaart van mevrouw Gardiner voor morgenavond!” riep Meta, met het kostbaar document wuivend, en toen met jeugdige opgewondenheid voorlezend:
“Het zal mevrouw Gardiner veel genoegen doen de jonge dames Meta en Josephina March tegenwoordig te zien bij een danspartijtje, dat ze voornemens is op Nieuwjaarsavond te geven.” Moeder vindt het goed, dat wij gaan; maarwatzullen we aandoen?”
“Dat hoef je niet te vragen, je weet heel goed, dat wij niks anders kunnen aandoen dan onze zomerjurken, omdat wij niets anders hebben,” antwoordde Jo met een vollen mond.
“Had ik maar een zijdje,” zuchtte Meta. “Moeder zegt, dat ik er misschien een krijg, als ik achttien ben; maar twee jaar is een eeuwige tijd om te wachten.”
“O kom, onze lichte japonnen zijn goed genoeg voor ons. De jouwe is zoo goed als nieuw, maar o jé, ik vergat heelemaal dat ik de mijne gescheurd en gebrand heb. Wat zal ik doen? Dat gezengde is erg te zien en ik kan er niets uitnemen.”
“Je moet maar veel blijven zitten en je niet van achteren latenzien; van voren is alles in orde. Ik krijg een nieuw lint voor mijn haar, en Moeder zal me haar kleine juweelen broche leenen, en mijn nieuwe lage schoentjes zijn keurig en mijn handschoenen kunnen nog wel eens mee, al zijn ze niet zoo héél frisch meer.”
“De mijne zitten vol limonadevlekken, en ik kan geen nieuwe koopen, dus zal ik zonder dienen te gaan,” zei Jo, die zich nooit veel om haar toilet bekommerde.
“Jemoethandschoenen hebben, of ik ga niet!” riep Meta vast besloten. “Handschoenen zijn van nog meer belang dan iets anders; je kunt zonder handschoenen onmogelijk dansen, en als je ze niet aandoet, schaam ik me dood.”
“Dan zal ik maar stil blijven zitten; ik geef niks om die deftige dansen en dat statige voortzeilen. ’t Is veel prettiger rond te vliegen en eens een bokkesprong te maken.”
“Je kunt Moeder niet om een paar nieuwen vragen, zij zijn zoo duur en je bent zoo wanhopig slordig. Moeder zei, toen je de andere bedorven hadt, dat je dezen winter geen nieuwe kreeg. Kun je ’r niets op bedenken?” vroeg Meta bezorgd.
“Ik zal ze in mijn hand moffelen, dan kan niemand zien, hoe smerig ze zijn; dat is al wat ik kan doen. Neen! ik weet wat, laat ons ieder één goeden aantrekken, en een slechten in onze hand houden, vind je dat geen schitterend idee?”
“Maar jou handen zijn grooter dan de mijne, en dan rek je mijn handschoen zoo vreeselijk uit,” begon Meta, wier handschoenen een teere plek in haar hart besloegen.
“Dan zal ik maar zonder gaan. Ik geef er niet om wat de menschen zeggen!” riep Jo, haar boek weer opnemende.
“Och, neen, neem er dan maar liever een van mij, maar toe, wees er netjes op, en gedraag je ordentelijk; houd je handen niet op je rug, en sta niet te staren en zeg niet “verdraaid” en zoowat, toe, Jo?”
“Maak je maar niet ongerust, ik zal zoo deftig zijn als een boonestaak en geen dommigheden begaan, als ik het maar eenigszins laten kan. Ga jij nu het antwoord maar schrijven en laat mij alstjeblieft mijn boek uitlezen.”
Meta ging dus naar beneden om “gaarne gebruik te maken van de vriendelijke invitatie,” haar japon na te zien en een vroolijk deuntje te zingen, terwijl ze haar eenigen echt kanten kraag in orde maakte, terwijl Jo haar verhaal uitlas, haar appels opat en krijgertje speelde met Knabbelaar.
Op Nieuwjaarsavond was de zitkamer verlaten, want de twee jongere meisjes speelden voor kamenier en de twee oudsten gingen heelemaal op in die allergewichtigste bezigheid: zich kleeden voor de partij. Hoe eenvoudig de toiletjes ook waren, viel er toch heel wat heen en weer te loopen onder druk gelach en gepraat, en op een zeker oogenblik was er een erge brandlucht door het huis. Meta wou graag van voren een paar krullen hebben en Jo nam op zich de papillotten er met een gloeiende tang in te branden.
“Moeten ze zoo rooken?” vroeg Bets van haar zetel op het bed.
“Dat is het vocht dat verdampt,” zei Jo.
“Wat een rare lucht! het ruikt net naar verbrande veeren,” vond Amy en streek hare eigen mooie krullen met voldoening glad.
“Ziezoo, nu zal ik ze uit de papieren doen en dan zul je eens zien, wat allerliefste krulletjes het geworden zijn,” zei Jo, de tang neerleggende.
Ze haalde de papillotten los, maar er kwamen geen krulletjes te voorschijn, want het haar kwam met de papiertjes mede, en de verschrikte kamenier legde een rijtje kleine, verschroeide hoopjes haar, op de tafel voor haar slachtoffer neer.
“O, o, Jo! wathebje gedaan? Nou is álles bedorven! Ik kan niet gaan! Mijn haar! o mijn haar!” jammerde Meta, terwijl ze wanhopig het ongelijke kroes op haar voorhoofd bekeek.
“Dat is alweer mijn ongeluk! je hadt het mij ook niet moeten vragen; ik bederf altijd alles. ’t Spijt me allervreeselijkst, maar de tang was te heet, en zoo is het gekomen,” kermde de arme Jo, en zag met tranen van berouw naar de zwarte pruikjes.
“Het is nog niet bedorven; kam het maar op en steek dan den strik er achter, dat lijkt nogal op de laatste mode. Ik heb er verscheiden meisjes mee gezien,” troostte Amy.
“Dat komt omdat ik mij mooi wou maken. Ik wou, dat ik mijn haar maar met rust had gelaten,” zei Meta wrevelig.
“Dat wou ik ook, het was zoo mooi. Maar het zal wel gauw weer aangroeien,” zei Bets, en kuste en troostte het geschoren lam.
Na eenige kleinere tegenspoeden was Meta eindelijk gereed, en door de vereende krachten der familie kwam Jo’s haar in orde en haar japon aan. Ze zagen er heel aardig uit in hun eenvoudige kleeding. Meta in een zilvergrijsje met een fluweelen lint in het haar, kanten kraag en mouwen en de juweelen broche; Jo in ’t licht lila, met een open boordje en een paar witte chrysanten als eenig versiersel. Ieder trok één netten lichten handschoen aan, en ieder hield één bevlekten in de andere hand, en de heele familie verklaarde, dat het zoo heel best kon en heel vlug stond. Meta’s hooggehakte schoentjes waren vreeselijk nauw en deden haar pijn, hoewel zij dat niet wilde erkennen; en Jo’s negentien haarspelden schenen allemaal regelrecht in haar hoofd te steken, wat niet precies plezierig was; maar, lieve hemel! liever sterven, dan niet naar de mode zijn.
“Veel plezier, kinderen,” zei mevrouw March, toen de zusters vroolijk wegtrippelden. “Eet maar niet te veel, en Hanna zal jullie om elf uur komen halen; dadelijk meegaan hoor!”
Toen het hek achter hen toeviel, riep een stem hen nog achterna:
“Meisjes! meisjes!hebjullie wel allebei een net zakdoekje?”
“Ja, ja, keurig hoor, en Meta heeft eau-de-cologne op den hare!” riep Jo en voegde er lachend bij: “Ik geloof heusch, dat Moeder daar nog naar vragen zou, al vluchtten wij allemaal voor een aardbeving.”
“Dat komt omdat Moeder op en top een dame is, want een echte dame kun je dadelijk herkennen aan nette laarzen, handschoenen en zakdoek,” antwoordde Meta, die vond dat ze zelf nogal damesachtig was.
“Denk er nu aan om die leelijke plek uit het gezicht te houden, Jo. Zit mijn ceintuur recht; en is mijn haarergleelijk?” vroeg Meta, terwijl ze zich, na een ernstige beschouwing, afwendde van den spiegel in mevrouw Gardiner’s kleedkamer.
“Ik weet wel haast zeker dat ik het vergeten zal. Als je me iets ziet doen, dat niet goed is, geef mij dan maar een wenk, wil je!” antwoordde Jo, trok eens aan haar jurk en streek haastig haar haar glad.
“Neen, wenken is niet netjes; ik zal mijn wenkbrauwen optrekken, als iets niet goed is, en knikken als alles in orde is. Nu, doe nu je schouders naar beneden en neem kleine stappen en steek niet dadelijk een hand uit als iemand aan je wordt voorgesteld, dat hoort niet.”
“Hoe is het toch mogelijk al die dingen te onthouden? Ik zie er geen kans toe. Hè wat vroolijke muziek!”
Zoo gingen ze naar beneden, wel wat verlegen, want ze kwamen zelden op partijen, en hoe weinig deftig deze ook was, het bleef toch een gebeurtenis van gewicht voor de zusjes. Mevrouw Gardiner, een statige, oude dame, ontving hen vriendelijk en gaf hen over aan de zorg van de oudste harer zes dochters. Meta kende Sallie en was dadelijk op haar gemak; maar Jo, die niet veel gaf om meisjes of meisjespraatjes, stond met haar rug tegen den muur geleund en voelde zich even weinig op haar plaats als een veulen in een bloemtuin. In een anderen hoek der kamer stond een troepje jongens over schaatsenrijden te praten, en Jo verlangde niets liever dan zich bij hen te voegen, want schaatsenrijden was een der grootste genoegens van haar leven. Ze telegrafeerde haar wensch naar Meta, maar de wenkbrauwen werden zóó verschrikt opgetrokken, dat ze zich niet durfde bewegen. Niemand kwam haar aanspreken, en langzamerhand verliep het groepje in haar buurt, totdat de arme Jo geheel alleen overbleef. Vrij heen en weer loopen kon ze niet, want dan zou de verzengde plek in ’t gezicht komen, zoodat zij min of meer ongelukkig naar de anderen stond te kijken, tot het dansen begon. Meta werd dadelijk gevraagd, en de nauwe schoentjes trippelden zoo vroolijk rond, dat niemand de pijn kon vermoeden die hun eigenares met een glimlach verdroeg. Toen zag Jo een grooten, roodharigen jongen haar hoekje naderen, vreezende, dat hij van plan mocht zijn haar te vragen, sloop zij gauw in een aangrenzend kamertje, dat door een gordijn was afgeschoten, in de hoop ongestoord te kunnen kijken en zich zoo amuseeren. Ongelukkig had een andere verlegen gast dezelfde schuilplaats gekozen; want toen het gordijn zich achter haar sloot, stond Jo van aangezicht tot aangezicht tegenover “die jongen van hiernaast.”
“O, hemel! ik wist niet, dat hier iemand was,” stamelde Jo, en maakte zich gereed even spoedig te verdwijnen als zij verschenen was.
Maar de jongen lachte en zei vriendelijk, hoewel hij wat verlegen keek:
“Stoor je niet aan mij maar blijf als je’r lust in hebt.”
“Hinder ik je niet?”
“Volstrekt niet; ik kwam alleen hier omdat ik niet veel menschen ken, en mij in het eerst nogal vreemd voel.”
“Ik ook. Ga als ’t je blieft niet weg, of je moest liever willen.”
De jongen ging weer zitten en keek naar zijn laarzen, totdat Jo, die beleefd en spraakzaam wilde zijn, begon:
“Ik geloof, dat ik het genoegen gehad heb je al eens vroeger te zien. Je woont naast ons, is ’t niet?”
“Vlak naast jullie,” en hij keek haar lachend aan, want Jo’s deftigheid was nog al grappig na hun gesprek over het balspel, toen hij de kat terugbracht.
Dat bracht Jo op haar gemak, en ze lachte ook, terwijl ze op hartelijken toon zei:
“We hebben zoo’n prettigen avond gehad door jullie heerlijk cadeau op Kerstavond!”
“Grootpapa zond het!”
“Maar jij hebt hem zeker op de gedachte gebracht, hè?”
“Hoe gaat het met uw kat, juffrouw March?” vroeg de jongen plechtig, al zijn best doende om ernstig te kijken, terwijl zijn zwarte oogen glinsterden van pret.
“Heel goed, dank u, mijnheer Laurence, maar ik ben niet juffrouw March, ik ben alleen maar Jo,” antwoordde de jonge dame.
“Ik ben niet mijnheer Laurence, ik ben alleen maar Laurie.”
“Laurie Laurence? Wat een vreemde naam.”
“Mijn voornaam is Theodoor, maar ik houd niet van dien naam, want de jongens noemden mij Dora, en toen heb ik me Laurie laten noemen.”
“Ik heb ook een hekel aan mijn naam—zoo sentimenteel! Ik wou dat iedereen Jo zei, in plaats van Josephine. Hoe heb je er de jongens toe gekregen om niet langer Dora te zeggen?”
“Ik ranselde ze.”
“Ik kan tante March moeilijk ranselen, dus zal ik het moeten verdragen,” en Jo schikte zich met een zucht in haar lot.
“Houdt u niet van dansen, juffrouw Jo?” vroeg Laurie; haar aankijkend alsof hij vond, dat de naam goed bij haar paste.
“Ik houd er dol van, als er maar ruimte genoeg en iedereen jolig is. In zoo’n mooie kamer gooi ik zeker iets om, of trap op iemands toonen, of doe iets, dat onbehoorlijk is; daarom laat ik Meta er maar voor opkomen en blijf zelf buiten gevaar; dans jij niet?”
“Soms. Zie je, ik ben verscheiden jaar in Europa geweest, en nog niet lang genoeg hier om te weten, hoe alles hier toegaat.”
“In Europa!” riep Jo. “O vertel er mij eens wat van! Ik hoor zoo dolgraag over reizen vertellen.”
Laurie scheen geen begin te kunnen maken; maar Jo’s vurige vragen brachten hem weldra op streek, en hij vertelde haar, hoe hij te Vevey op school was geweest, waar de jongens nooit hoeden droegen, en bootjes hadden op het meer, en in de vacantie met hun meesters voetreisjes door Zwitserland deden.
“Hè, wat wou ik graag, dat ik daar geweest was!” riep Jo. “Ben je ook in Parijs geweest?”
“We zijn er den vorigen winter geweest.”
“Kun je goed Fransch spreken?”
“Wij mochten te Vevey niet anders praten.”
“Zeg eens wat in ’t Fransch. Ik kan het wel lezen, maar niet goed spreken.”
“Quel nom a cette jeune fille en les pantoufles jolis?” zei Laurie goedhartig.
“Wat spreek je het mooi uit! Laat eens zien, je zei: Wie is die jonge dame met die mooie schoentjes, is ’t niet?”
“Oui, mademoiselle.”
“Dat is mijn zuster Margaretha, en dat wist je heel goed! Vind je haar mooi?”
“Ja, ze doet mij denken aan de Duitsche meisjes; ze ziet er zoo frisch en kalm uit en danst zoo netjes.”
Jo glom van genoegen bij dezen jongensachtigen lof over haar zuster en onthield het goed om het aan Meta te vertellen. Beiden gluurden en critiseerden en keuvelden, tot zij een gevoel hadden, alsof ze oude kennissen waren. Laurie’s verlegenheid ging heel gauw over, want Jo’s jongensmanieren zetten hem op zijn gemak, en Jo was zoo vroolijk en natuurlijk als altijd, omdat zij niet meer aan haar japon dacht en niemand de wenkbrauwen tegen haar optrok. Ze vond “die jongen van hiernaast” erg aardig, en nam hem eens goed op, om hem aan de zusjes te kunnen beschrijven; want ze hadden geen broers, weinig neven, en jongens waren bijna onbekende wezens in hun kring.
Krullend zwart haar, bruinig vel, groote zwarte oogen, lange neus en mooie tanden, kleine handen en voeten, zoo lang als ik; heel beleefd voor een jongen, en over het geheel genomen aardig. Hoe oud zou hij zijn?
De vraag brandde haar op de tong: maar ze bedwong zich bijtijds, en zocht het, met ongewonen tact, langs omwegen te weten te komen.
“Je gaat zeker gauw naar de academie? Ik zie je zoo vaak over je boeken zitten blokken—ik bedoel hard studeeren,” en Jo bloosde over het onbeleefde “blokken” dat haar ontsnapt was.
Laurie glimlachte, maar scheen niets geschokt en antwoordde schouderophalend:
“Nog in geen twee of drie jaar; ik ga in geen geval vóór ik zeventien ben.”
“Ben je dan pas vijftien?” vroeg Jo, en zag den langen jongen aan, dien ze wel zeventien jaar gegeven had.
“De volgende maand word ik zestien.”
“Ik wou, dat ik naar de academie kon gaan; jij schijnt het niet zoo heel prettig te vinden.”
“Ik heb er een hekel aan; het is hard werken of fuiven; en ik vind dat ze hier in Amerika geen van beide op een leuke manier doen.”
“Wat zou jij dan willen?”
“In Italië wonen en mij op mijn eigen manier amuseeren.”
Jo zou erg graag gevraagd hebben, wat die eigen manier was, maar zijn zwarte wenkbrauwen zagen er nogal dreigend uit, als hij ze samentrok; dus veranderde zij het onderwerp van gesprek en zei, terwijl ze met haar voet de maat sloeg: “Dat is een heerlijke wals, waarom doe je niet eens mee?”
“Als jij ’t ook doet,” antwoordde hij met een spottend buiginkje.
“Ik kan niet, ik heb het Meta beloofd, omdat....” hier hield Jo op en wist niet, wat ze doen zou, het vertellen of lachen.
“Omdat?” herhaalde Laurie nieuwsgierig.
“Zul je het aanniemandzeggen?”
“Nooit.”
“Nou, ik heb de slechte gewoonte om vlak voor ’t vuur te staan, en dan verbrand ik mijn jurken, en zoo is deze ook geschroeid, wel versteld, maar het valt toch erg op, en Meta zei, dat ik maar stil moest blijven zitten, dan zou niemand het zien. Je mag er gerust om lachen, als je wilt, ik weet heel goed, dat het gek is.”
Maar Laurie lachte niet; hij keek een oogenblik naar den grond. Jo wist niet, wat van zijn gezicht te maken, totdat hij zeer vriendelijk zei:
“Stoor er je niet aan; maar zeg, ik weet wat: er is hier een lange gang, daar kunnen wij heerlijk in dansen, zonder dat iemand ons ziet. Kom als ’t je belieft mee.”
Jo bedankte hem hartelijk en ging vroolijk mee, hoewel de wensch naar een paar nette handschoenen bij haar opkwam, toen ze het nieuwe witte paar zag, dat haar cavalier aantrok.
De gang was leeg en ze dansten naar hartelust, want Laurie danste heel goed en leerde haar de Duitsche polka, die Jo verrukkelijk vond, omdat je er zoo heerlijk bij kon rondzwaaien. Toen de muziek zweeg, gingen ze even zitten om weer op adem te komen, en Laurie was juist midden in een verhaal van een studentenfeest te Heidelberg, toen Meta haar zuster kwam zoeken.
Ze wenkte, en Jo volgde haar met tegenzin in een zijkamer, waar Meta op een sofa zat, bleek en met een pijnlijken voet.
“Ik heb mijn enkel verstuikt. Die akelige hooge hak zwikte, en ’t hindert mij afschuwelijk. Ik kan bijna niet meer staan, en ik weet niet, hoe ik thuis moet komen,” zei ze, van pijn heen en weer wiegelend.
“Ik wist wel, dat je je voet met die malle dingen bezeeren zou. Het spijt me, maar ik weet ook niet wat je doen moet: een rijtuig nemen of hier den heelen nacht blijven,” antwoordde Jo, den armen enkel zachtjes wrijvend.
“Een rijtuig is zoo duur; ik denk zelfs, dat ik er geen zal kunnen krijgen, want de meeste menschen komen in hun eigen, en de huurkoetsier woont zoover af en er is ook niemand, dien we er heen kunnen sturen.”
“Ik zal wel gaan.”
“Neen zeker niet; het is over tienen en pikdonker. Ik kan hier ook niet blijven, want het huis is vol; Sallie heeft al een paar meisjes te logeeren. Ik zal blijven zitten, totdat Hanna komt en dan zien, hoe het gaat.”
“Laat ik het Laurie vragen; hij zal wel gaan!” zei Jo, en haar gezicht klaarde op bij die gedachte.
“O, toe, alsjeblieft niet; zeg het aan niemand. Krijg even mijn overschoenen en zet deze schoentjes bij ons goed. Ik kan toch niet meer dansen; maar zoodra het souper is afgeloopen, moet je op de wacht gaan staan voor Hanna en me dadelijk waarschuwen als ze komt.”
“Ze gaan nu soupeeren. Ik zal bij je blijven, dat doe ik wel graag.”
“Neen Jo, haal me veel liever een kop koffie. Ik ben zoo moe, dat ik me niet kan verroeren.”
Meta zette zich op haar gemak en hield de overschoenen zorgvuldig verborgen, en Jo ging de eetkamer zoeken, die ze niet vond, dan nadat ze een provisiekamertje was binnengeloopen en de deur had opengedaan van een kamer, waar de oude heer Gardiner in alle stilte zich een weinig zat te “restaureeren”. Zij vloog op de tafel toe en maakte zich meester van een kop koffie, waarvan ze in haar haast echter het grootste gedeelte op haar japon morste, zoodat de voorbaan er nu al even erg uitzag als de achterbaan.
“Och, wat ben ik toch een sukkel!” riep Jo, en bedierf Meta’s handschoenen door er haar japon mee af te slaan.
“Kan ik soms helpen?” vroeg een vriendelijke stem, en daar stond Laurie met een vol kopje in de eene en een schoteltje in de andere hand.
“Ik zocht iets te bemachtigen voor Meta, die heel moe is, maar stootte me en nu zit ik er mooi mee,” antwoordde Jo, terwijl ze mistroostig haar oogen liet gaan over de bevlekte japon en den koffiekleurigen handschoen.
“Dat is een gek geval! Ik zocht juist iemand om dit aan te geven; mag ik het aan je zuster brengen?”
“O, als ’t je belieft; ik zal je wijzen, waar zij is. Ik zal maar niet aanbieden het zelf te dragen, want als ik het deed, zou ik zeker weer in nieuwe moeilijkheden komen.”
Jo wees den weg, en Laurie, die naar het scheen gewend was, dames te bedienen, trok een klein tafeltje naar Meta toe, brachteene tweede bezending koffie en ijs voor Jo, en was zoo gedienstig, dat zelfs Meta erkende, dat hij een aardige jongen was. Ze maakten gekheid over de bonbons en ulevelpapiertjes, en waren in het midden van een geanimeerd spelletje met twee of drie andere jongelui, die zich bij hen gevoegd hadden, toen Hanna verscheen. Meta vergat haar voet, en stond zoo haastig op, dat ze genoodzaakt was Jo bij den arm te pakken met een schreeuw van pijn.
“Stil, zeg niets,” fluisterde ze en voegde er hardop bij: “Het is niets, ik verzwikte mijn voet even, dat is alles,” en ze hinkte naar boven om haar goed om te doen.
Hanna knorde, Meta schreide en Jo wist niet wat te doen, tot ze besloot zelf de zaak in handen te nemen. Stil wegsluipende liep ze naar beneden en een knecht tegenkomend, verzocht zij hem, of hij niet een rijtuig voor haar kon bestellen. Ongelukkig was het een vreemde knecht, die de buurt niet kende, en Jo zag rond naar hulp, toen Laurie, die gehoord had wat ze vroeg, naar haar toekwam en het rijtuig van zijn grootvader aanbood, dat juist voor hem was gekomen, zooals hij zei.
“Het is nog zoo vroeg,—je zult nu toch nog niet heengaan,” begon Jo, verlicht, maar nog aarzelend om het aanbod aan te nemen.
“Ik ga altijd vroeg,—wezenlijk. Kom, laat ik jullie thuis brengen, het ligt in mijn weg, dat weet je, en ze zeggen, dat het regent.”
Dat gaf den doorslag; en nadat Jo hem op de hoogte had gebracht van Meta’s ongeval, nam ze het voorstel dankbaar aan en vloog naar boven om de anderen te waarschuwen. Hanna had evenveel afkeer van regen als een poes en maakte dus geen tegenwerpingen; en even later rolden ze weg in het gemakkelijke dichte rijtuig, echt feestelijk en voornaam gestemd. Laurie was op den bok gaan zitten, zoodat Meta haar voet op de bank kon leggen, en de meisjes vrij over de partij konden spreken.
“Ik heb een heerlijken avond gehad en jij?” vroeg Jo, haar haar wat losmakend en zich gemakkelijk achterover vleiend.
“Ja, totdat ik mijn voet bezeerde. Sallie’s vriendin, Anna Moffat, scheen me nogal aardig te vinden en vroeg, of ik een week bij haar wou komen logeeren, gelijk met Sallie. Ze gaat in ’t voorjaar, als de opera begint, dol, hè, als Moeder me maar laat gaan,” antwoordde Meta, door de gedachte aan de invitatie opgevroolijkt.
“Ik zag je dansen met dien roodharige, waar ik voor weggeloopen ben; was hij aardig?”
“O ja, heel aardig; zijn haar is kastanjebruin, niet rood; hij was heel beleefd en ik heb zóó pleizierig met hem gedanst!”
“Hij zag er uit als een sprinkhaan, die een stuip krijgt, toen hij dien nieuwen pas deed. Laurie en ik hebben gebruld van ’t lachen; kon je ons hooren?”
“Neen, maar het is heel ongemanierd. Wat heb je toch al dien tijd achter dat gordijn uitgevoerd?”
Jo vertelde haar avonturen, en toen ze er mee klaar was waren ze thuis. Onder hartelijke dankbetuigingen namen ze afscheid, en slopen stil naar boven, in de hoop niemand te zullen storen; maar op het oogenblik dat de deur van hun kamer kraakte, kwamen twee hoofden te voorschijn en twee slaperige, maar verlangende stemmen riepen:
“Vertel wat van de partij, o, toe, vertel wat van de partij!”
Jo had,—Meta vond het “ongemanierd”—wat lekkers voor de zusjes bewaard, en nadat deze de gewichtigste gebeurtenissen van den avond gehoord hadden, gingen ze tevreden slapen.
”’k Heb net een gevoel of ik een rijke jonge dame ben, die in haar eigen rijtuig van een bal thuiskomt en nu in haar kamer zit met een kamenier tot haar dienst,” zei Meta, terwijl Jo haar voet inwreef met arnica en daarna haar haar borstelde.
“Ik geloof niet, dat rijke jonge dames meer pret hebben dan wij, ondanks verbrande krullen, oude japonnen, één handschoen per hoofd, en nauwe schoentjes, die je laten zwikken, als je zoo dwaas bent ze te dragen,” antwoordde Jo, en ik geloof dat ze gelijk had.
“Hè! wat is het moeilijk onze pakken weer op te nemen en voort te gaan,” zuchtte Meta ’s morgens na de partij; want nu de vacantie om was, maakte de week van pretmaken haar weinig geschikt tot het opgewekt hervatten van een taak, waar zij nooit mee ophad.
“Ik wou, dat het altijd Kerstmis of Nieuwjaar was; zou dat niet genoeglijk zijn?” vroeg Jo, akelig geeuwende.
“Wij zouden niet half zooveel plezier hebben als nu. Maar hetiszoo heerlijk soupeetjes bij te wonen en bouquetten te krijgen, en naar partijen te gaan, en in een eigen rijtuig naar huis te rijden, veel te lezen en te rusten en niet te werken. Dat is zooals rijke menschen het hebben, en ik benijd altijd meisjes, die zulke dingen kunnen doen. O, ik houd eigenlijk zoo dol veel van weelde,” bekende Meta, terwijl ze onderzocht, welke van twee versleten japonnen de minst versletene was.
“Kom, laten we maar niet zaniken, we kunnen het nu eenmaal zoo niet hebben; laten we onze pakken dus maar opnemen en even tevreden voorstappen als Moeder. Jullie weet, Tante March is een echte nachtmerrie voor me, maar ik denk dat—als ik geleerd heb, haar nukken zonder klagen te verduren, de last van mij af zal vallen, of zoo licht worden dat ik er niets meer om geef.”
Deze gedachte prikkelde Jo’s verbeelding en bracht haar ineen goed humeur; maar Meta klaarde er niet door op, want haar last, uit vier bedorven kinderen bestaande, scheen zwaarder dan ooit. Ze had zelfs geen lust zich als naar gewoonte zoo mooi mogelijk te maken, door een blauw dasje om haar boord te knoopen en haar haar op de netste manier op te steken.
“Wat doet het er toe, of ik me netjes aankleed, als niemand me ziet, behalve die lastige apen. Niemand geeft er een zier om, of ik er netjes uitzie of niet,” pruttelde ze en deed haar la met een ruk dicht. “Ik zal mijn heele leven door moeten tobben en zwoegen, en alleen nu en dan eens een pretje hebben, en oud en leelijk en kribbig worden, omdat ik arm ben, en niet van mijn leven kan genieten zooals andere meisjes. ’t Is ellendig!”
Meta ging naar beneden met een verongelijkt gezicht en was aan ’t ontbijt alles behalve vriendelijk gestemd.
Iedereen scheen wel uit zijn humeur en knorrig. Bets had hoofdpijn en lag op de canapé, troost zoekende bij de kat met haar drie kleintjes; Amy pruilde omdat ze haar lessen niet geleerd had en haar overschoenen niet kon vinden; Jowildeniet uitscheiden met fluiten en maakte veel onnoodige drukte en beweging om klaar te komen; mevrouw March deed haar uiterste best een brief af te krijgen, die volstrekt dadelijk op de post moest en Hanna had een booze bui, want laat opblijven vleide haar niet.
“Ik heb nog nooit zoo’n brompotten-familie gezien!” riep Jo, die uit haar humeur raakte, toen ze een inktkoker omgegooid, haar veters gebroken had, en op haar hoed was gaan zitten.
“En jij bent de brommerigste van allemaal!” antwoordde Amy en veegde de som, die maar niet lukken wou, uit, met de tranen, die op haar lei vielen.
“Bets, als je die akelige katten niet beneden in den kelder opsluit, laat ik ze verdrinken!” dreigde Meta boos, terwijl ze zich zocht te ontdoen van het katje dat langs haar rug was opgekropen en zich als een klis aan haar vastklemde.
Jo lachte, Meta bromde, Bets smeekte om genade, en Amy huilde, omdat zij niet kon onthouden, hoeveel negen maal twaalf was.
“Kinderen, kinderen! wees toch een oogenblik stil. Ik moet dezen brief afmaken en jullie brengt mij totaal in de war door dat gekibbel,” riep mevrouw March die voor den derden keer een zin in haar brief doorhaalde.
Er was een poosje rust, onderbroken door Hanna, die naar binnen stormde, twee heete blikken puddingvormen op tafel zette en weer wegvloog. Dit was een vaste gewoonte, en de meisjes noemden ze “moffen,” want ze hadden geen andere, en op koude ochtenden warmden ze hun handen aan die heete blikjes. Hanna vergat nooit ze te maken, hoe druk of knorrig ze ook mocht zijn, want de wandeling was lang en eentonig, en “de arme schapen” kregen niets anders dan die kleine trommelkoek voor hun twaalfuurtje en kwamen zelden vóór drieën thuis.
“Liefkoos je katjes maar en beterschap met de hoofdpijn, Betsje. Goeden dag, Moeder, we zijn van morgen een troep akeligheden geweest, maar we komen als engelachtige wezens thuis. Kom Meta,” en Jo stapte weg, ten volle overtuigd dat de Pelgrims niet volgens hun plicht de reis aanvaardden.
Voor ze den hoek om gingen, keken ze altijd nog eens om, want mevrouw March stond altijd aan het raam om ze nog eens toe te knikken en na te wuiven. ’t Was net of de meisjes den dag niet goed zouden kunnen doorkomen, als ze dat moesten missen. Want in welke stemming ze ook mochten zijn, de laatste glimlach van Moeders lief gezicht liet nooit na als een zonnetje op hen te werken.
“Als Moeder haar vuist tegen ons balde, in plaats van ons zoo vriendelijk na te wuiven, zouden we ons verdiende loon hebben, want ondankbaarder spoken dan wij zijn, heb ik nooit gezien!” riep Jo, en trotseerde met een zekere voldoening den modderigen weg en den scherpen wind.
“Gebruik toch zulke krasse uitdrukkingen niet,” zei Meta van uit den dichten sluier, waarin ze zich gehuld had als een non, die wars is van de wereld.
“Ik houd van flinke, krachtige woorden, die iets beteekenen,” antwoordde Jo, haar hoed grijpende, die op het punt stond weg te vliegen.
“Geef jezelf zooveel scheldnamen als je verkiest; maar ik ben noch een akeligheid, noch een spook, en verkies niet zoo genoemd te worden.”
“Jij bent de verdrukte onschuld en vandaag bepaald ongenietbaar, omdat je niet altijd “in den schoot der weelde” kunt zitten. Arm schatje, wacht maar tot ik mijn fortuin heb gemaakt, dan zul je genieten van rijtuigen en van vanilleijs, en van hooggehakte schoentjes en bouquetten en van roodharige jongens om mee te dansen.”
“Wat ben je toch dwaas, Jo!” maar Meta lachte om den onzin, en voelde zich, of ze wilde of niet, toch opgevroolijkt.
“Wees blij, dat ik dwaas ben, want als ik mij ook zoo beleedigd aanstelde en net zoo diep neerslachtig trachtte te zijn, als jij, zouden wij een heerlijk leven hebben. Gelukkig maar dat ik altijd iets kan vinden om het hoofd boven water te houden. Toe, mok niet langer, maar kom vroolijk thuis, dan ben je de beste.”
Jo gaf haar zuster een bemoedigend tikje op den schouder, toen ze afscheid namen, waar ieder een verschillenden kant opging, drukte haar klein warm trommeltje aan het hart en deed haar best opgeruimd te zijn, in weerwil van het koude winterweer, het harde werk, en veel onvoldane begeerten.
Toen mijnheer March zijn vermogen verloor, door een ongelukkigen vriend bij te staan, hadden de twee oudste meisjes verzocht of zij niet iets zouden mogen doen, om tenminste in hun eigen behoeften te voorzien. Daar hun ouders meenden, dat ze niet te vroeg kondenbeginnen met zich te gewennen aan werk en te streven naar onafhankelijkheid, gaven ze hun toestemming, en beiden vatten hun werk op met dien vasten, goeden wil, die in spijt van alle moeilijkheden ten laatste zeker slaagt. Meta vond een plaats als gouvernante, en gevoelde zich rijk met haar klein salaris. Ze kwam er rond voor uit, dat ze hunkerde naar weelde, en armoede haar grootste verdriet was. Geen geld te hebben viel haar zwaarder dan de anderen, omdat zij zich een tijd kon herinneren, toen alles in huis mooi, het leven vol gemak en genot, en ontbering, van welken aard ook, onbekend was. Terwijl ze haar best deed niet jaloersch of ontevreden te zijn, was het niet meer dan natuurlijk, dat ze dikwijls verlangde naar mooie dingen, vroolijke vrienden en een gemakkelijk leven. Bij de familie King voelde ze dagelijks wat haar ontbrak, want de oudere zusters dier kinderen gingen dien winter voor het eerst uit, en Meta zag dikwijls met een oogwenk keurige baljaponnen en dure bouquetten, woonde levendige gesprekken bij over comedies, concerten, sleevaarten en pretjes van allerlei aard, en zag geld weggegooid voor kleinigheden, die voor haar schatten zouden geweest zijn. De arme Meta klaagde zelden, maar een gevoel van onrechtvaardigheid maakte, dat ze soms bitter gestemd was jegens iedereen, want ze had nog niet leeren beseffen, hoe rijk ze was in datgene, wat alleen het leven waarde geeft.
Jo viel in den smaak van Tante March, die verlamd was en behoefte had aan een bedrijvig persoontje om haar te bedienen. Toen de slag viel had de kinderlooze oude dame aangeboden een van de meisjes als haar kind tot zich te nemen, en zich zeer beleedigd getoond, omdat haar aanbod werd afgeslagen. Andere vrienden deelden de Marches mee, dat ze alle kans verloren hadden op een legaat van de oude rijke dame, maar de onbaatzuchtige Marches hadden geantwoord:
“Wij kunnen onze meisjes niet afstaan; voor geen dozijn legaten. Rijk of arm, we blijven bij elkaar en zullen samen gelukkig zijn.”
Geruimen tijd wilde de oude dame niet tegen hen spreken, maar toen ze Jo op zekeren dag bij een vriendin ontmoette, werd ze getroffen door een zeker iets in haar grappig gezicht en vrije manieren en stelde ze voor haar als gezelschapsjuffrouw te nemen. Dit viel volstrekt niet in Jo’s smaak, maar ze nam de betrekking aan, omdat zich niets beters voordeed, en, tot ieders verbazing kon ze het zeer goed vinden met haar oploopende bloedverwant. Nu en dan had er wel een stormachtig tooneel plaats, en eens zelfs was Jo thuisgekomen met de verklaring, dat ze het niet langer kon uitstaan, maar Tante March draaide altijd gauw weer bij en verzocht haar nichtje met zulk een aandrang te willen terugkomen, dat ze niet kon blijven weigeren, want in haar hart hield ze veel van de oude, snibbige dame.
Ik geloof eigenlijk, dat de ware aantrekkingskracht zat in een groote bibliotheek, die sinds den dood van Oom March een prooigeworden was van stof en spinnen. Jo herinnerde zich den ouden, vriendelijken heer nog zeer goed, die haar van zijn groote woordenboeken spoorwegen en bruggen liet bouwen, haar vertelseltjes vertelde over de wonderlijke plaatjes in zijn Latijnsche boeken, en lekkers voor haar kocht, telkens als hij haar op straat tegenkwam. De sombere, stoffige kamer, waar de bustes haar van de hooge boekenkasten aanstaarden, de globes, maar vooral de onafzienbare massa boeken, waarin ze zich naar hartelust kon begraven, maakten de bibliotheek een paradijs voor haar. Zoodra deed Tante March niet haar dutje of kreeg ze bezoek, of weg vloog Jo naar dat rustige plekje, nestelde zich in den grooten stoel, en verslond dichtwerken, romans, geschiedboeken, reisbeschrijvingen en plaatwerken, als een echte boekworm. Maar ook dat geluk duurde als naar gewoonte niet heel lang; Jo kon er zeker van zijn, dat zoodra ze het beslissend punt in een roman, het aandoenlijkste couplet in een lied, of het gevaarlijkste avontuur van haar reiziger genaderd was, een schrille stem zou roepen:
“Jose-phine! Jose-phine!” en dan moest ze haar Eden verlaten om wol te winden, den poedel te wasschen, of urenlang uit “Belsham’s Verhandelingen” voor te lezen.
Jo’s eerzucht ging er naar uit, iets groots te doen; ze kon zelf niet zeggen wat, maar ze liet het aan den tijd over dit te openbaren, en inmiddels bestond haar grootste verdriet hierin, dat ze niet naar hartelust kon lezen, loopen en beweging nemen. Een driftig humeur, een scherpe tong en een rustelooze geest brachten haar telkens in moeilijkheden, en haar leven bestond uit vallen en opstaan, aandoenlijk en grappig tegelijk. Maar de oefenschool, die ze bij Tante March doormaakte, was juist wat ze noodig had, en de gedachte dat ze iets deed voor haar eigen onderhoud maakte haar gelukkig, in spijt van het onophoudelijk: “Jose-phine!”
Bets was te teer en te verlegen om naar school te gaan; er was een proef mee genomen, maar ze had zooveel geleden, dat men het had moeten opgeven; ze leerde nu thuis bij haar vader. Zelfs na zijn vertrek, en terwijl haar moeder geroepen was om haar beste krachten te wijden aan een vereeniging tot hulp en ondersteuning van de militairen te velde, ging Bets trouw alleen voort en deed haar uiterste best. Ze was een huishoudelijk schepseltje en hielp Hanna het huis netjes en gezellig houden voor de werkende leden van het gezin, zonder ooit eenige andere belooning te wenschen dan de liefde der haren. De dagen waren lang en stil voor haar, maar werden niet eenzaam of in ledigheid doorgebracht, want haar kleine wereld was bevolkt met denkbeeldige vrienden en ze was van nature een werkzaam bijtje. Elken morgen moesten er zes poppen opgenomen en aangekleed worden, want Bets was nog een kind en hield nog evenveel als vroeger van haar lievelingen, al was geen van de zes ook meer gaaf of mooi; het waren allemaal afgedankte invaliden, want toen haar zusters te groot waren geworden voor die liefhebberij,gingen ze op haar over, omdat Amy nooit iets wilde hebben, dat oud en leelijk was. Bets vertroetelde ze juist om die reden en richtte een hospitaal op voor gebrekkige poppen. Nooit stak ze een speld in hun katoenen ledematen, nooit hoorden ze een onvriendelijk woord of werden ze geslagen; het hartje van de meest terugstootende zelfs werd nooit gekrenkt door verwaarloozing, maar allen werden met onuitputtelijke teederheid gevoed en gekleed, verzorgd en geliefkoosd. Eén zwerveling uit het poppendom had aan Jo toebehoord, en was, na een stormachtig leven in de prullemand terecht gekomen, uit welk somber armhuis ze bevrijd werd door Bets en naar het hospitaal gebracht. Daar de stakkerd haar achterhoofd kwijt was, zette Bets haar een lief klein mutsje op, en daar de armen en beenen in den slag waren gebleven, wikkelde ze haar in een deken, om dit gebrek voor aller oogen te bedekken, terwijl ze haar beste kribje aan deze kwijnende zieke afstond. Indien iemand getuige was geweest van de zorg, aan dit popje besteed, zou het zeker zijn hart getroffen hebben, al wekte het ook tegelijkertijd den lachlust op. Bets bracht haar kleine bouquetjes, las haar voor, ging met haar in de lucht, warm ingestopt onder haar mantel, zong wiegeliedjes voor haar, en zou nooit naar bed gaan, zonder een kus te drukken op het verveloos gezichtje en zacht te fluisteren: “Ik hoop, lieveling, dat je een goeien nacht zult hebben.”
Bets had haar moeilijkheden zoo goed als de anderen, en daar zij geen engel was, maar een zeer menschelijk klein meisje, schreide ze dikwijls een deuntje, zooals Jo zei, omdat ze geen muziekles en geen mooie piano kon krijgen. Ze hield zooveel van muziek, deed zoo haar best om vooruit te komen en studeerde zoo gelukkig op het rammelende oude instrument, dat de een of ander (om niet van Tante March te spreken) haar waarlijk wel helpen mocht.
Maar niemand deed het, en niemand zag hoe Bets, wanneer ze alleen was, de tranen afwischte van de gele oude toetsen, die zoo ontstemd waren. Ze deed haar werk zingend als een kleine leeuwerik, was nooit te vermoeid om voor Moeder en de meisjes te spelen, en zei telkens weer opnieuw hoopvol tot zichzelve: “Ik weet, dat ik mettertijd mijn muziek nog eens krijgen zal, als ik maar goed oppas.”
Er zijn veel van die Betsy’s in de wereld, verlegen en stil in een hoekje verscholen, tenzij men ze noodig heeft, en zoo opgeruimd zich zelf vergetend voor anderen, dat niemand hun opofferingen ziet, totdat de kleine krekel aan den haard ophoudt met zingen en de liefelijke zonnige verschijning verdwijnt, stilte en schaduw achterlatend.
Als iemand aan Amy gevraagd had, wat de grootste beproeving van haar leven was, zou ze zonder aarzelen geantwoord hebben: “Mijn neus.” Toen ze nog heel klein was, had Jo haar bij ongeluk in het kolenhok laten vallen, en Amy hield vol, dat die val voor altijd haar neus bedorven had. Hij was niet dik of rood, alleen maar een beetje stomp, en al het knijpen ter wereld kon hem geen sierlijkepunt geven. Niemand dan zij zelf vond het bizonder betreurenswaard, en het lichaamsdeel deed zijn best te groeien, maar Amy gevoelde diep het gemis van een Grieksch neusje, en teekende vellen vol mooie exemplaren om zich te troosten.
“De klein Raphaël,” zooals de zusjes haar noemden, had een bepaald talent voor teekenen, en was niet gelukkiger dan wanneer ze bloemen copieerde, of verhaaltjes met allerlei zonderlinge plaatjes kon versieren. Dikwijls klaagden haar onderwijzers er over dat ze in plaats van haar sommen te maken, haar lei vol teekende met dieren; de witte bladen van haar atlas gebruikte ze om kaarten op na te teekenen en de bespottelijkste caricaturen fladderden op een ongelukkig oogenblik uit al haar boeken. Ze rolde zoo goed ze kon door haar lessen, en wist aan straf te ontkomen door een voorbeeldig goed gedrag. Daar ze een goed humeur had, en de gelukkige gave bezat te behagen, zonder er moeite voor te doen, was ze de lieveling van al haar kennisjes. Haar kleine gemaaktheden en pedanterieën werden zeer bewonderd, evenals haar talenten, want behalve teekenen, kon zij twaalf stukjes spelen, aardig handwerken en Fransch lezen, zonder meer dan twee derde der woorden verkeerd uit te spreken. Daarbij kon ze op zoo’n droevigen toon zeggen: “Toen Papa rijk was, deden wij zoo en zoo,” dat het heusch aandoenlijk klonk; en de meisjes op school vonden haar lange woorden wel wat driftig, maar toch “leuk”.
Men was mooi op weg Amy te bederven, want iedereen vertroetelde haar, en de kiemen van ijdelheid en zelfzucht ontwikkelden zich voorspoedig. Er was echter iets dat die ijdelheid beteugelde; Amy moest de kleeren van haar nichtje afdragen. Nu had Florence’s mama volstrekt geen smaak, en Amy vond het vreeselijk, dat ze een rooden, in plaats van een blauwen hoed moest opzetten, bij jurken die haar niet kleurden, en akelig mooie boezelaars, die haar niet pasten. Alles was goed, netjes gemaakt en weinig versleten, maar Amy’s kunstenaarsoog werd pijnlijk aangedaan, vooral dezen winter, nu haar schoolpak bestond uit een donker paarse jurk met gele moesjes en zonder eenig garneersel.
“Mijn eenige troost is, dat Moeder tenminste geen opnaaisels in mijn jurken doet, telkens als ik ondeugend ben, zooals de moeder van Mary Park,” zei ze met tranen in de oogen tegen Meta. “O, dat is wezenlijk iets verschrikkelijks; want Mary is soms zoo brutaal geweest, dat haar jurk tot boven haar knieën komt en ze niet naar school durft. Als ik aan zoo’ndeggeradatiedenk, heb ik nog liever mijn platten neus en mijn paarse jurk met gele stippen.”
Meta was Amy’s vertrouwde en raadsvrouw, en door de wonderlijke aantrekkingskracht die er dikwijls tusschen twee tegenovergestelde naturen bestaat, was Jo die van de zachte, vriendelijke Bets. Alleen aan Jo vertelde het schuwe kind haar gedachten, en zonder het te weten oefende ze op haar groote, wilde zuster meer invloed uit, dan eenig ander lid van het gezin. De twee oudstemeisjes waren veel voor elkander, maar beide namen een van de jongere onder hun bescherming en zorgden er voor op hun manier; “bemoederden” ze, zooals ze het noemden, en gaven de zusjes de plaats der onttroonde poppen, met het moederlijk instinct van aankomende meisjes.
“Heeft niemand iets te vertellen? ’t Is zóó’n saaie dag geweest, dat ik naar een opvroolijking verlang,” zei Meta, toen ze ’s avonds bij elkaar zaten te naaien.
“Ik heb nogal een grappigen dag bij Tante gehad, en ik trok vandaag aan ’t langste eind,” begon Jo, die heel graag vertelde. “Ik moest natuurlijk uit dien eindeloozen Belsham lezen, en dreunde maar voort, zooals gewoonlijk, want Tante valt gauw in slaap, en dan haal ik het een of ander mooi boek voor den dag en lees als een bezetene, totdat ze wakker wordt. Vandaag werd ik er zelf slaperig van, en voor dat ze nog begon te knikkebollen, gaapte ik zoo hoorbaar, dat ze mij vroeg, wat ik er mee bedoelde mijn mond zoo wijd open te zetten; ’t was of ik het heele boek wel zoo wou opslokken.
“Ik wou dat ik het kon, dan was ik er af,” zei ik met een ernstig gezicht.
“Jullie begrijpt, toen kreeg ik een lange preek over mijn verkeerdheden en raadde ze me aan er eens stil over te blijven nadenken, terwijl zij zich eens voor een oogenblikje “van binnen zou gaan bekijken.” Nou, dat “oogenblikje” duurt gewoonlijk nogal heel lang, en zoodra ik dus haar muts zag heen en weer wiebelen als een topzware dahlia, haalde ik “De predikant van Wakefield” uit mijn zak, en las zoo vlug ik kon, met één oog op hem en één op Tante. Ik was juist gekomen, tot waar de heele familie in ’t water valt, toen ik hardop begon te lachen. Ikdachtniet meer aan Tante, dat snap je! Ze werd wakker, maar bleek na haar slaapje wat beter gehumeurd, commandeerde me, haar een eindje voor te lezen en eens te laten zien, welk beuzelachtig boek ik de voorkeur gaf boven den waardigen en leerzamen Belsham. Ik deed mijn uiterste best en ’t beviel haar puik, maar ze zei niets anders dan:
“Ik begrijp niet waar dat allemaal over is; begin nog eens van voren af aan, kind!”
Ik begon opnieuw en maakte de Primroses zoo belangwekkend mogelijk. Toen ’t haar juist erg boeide, hield ik midden in een passage op en zei zachtzinnig: “Ik ben bang, dat het u vervelen zal, Tante; wil ik nu maar uitscheiden?”
Ze nam haar breiwerk op, dat ze had laten vallen, keek mij heel scherp aan door haar bril en zei kortaf:
“Lees het hoofdstuk uit en wees niet brutaal, jongejuffrouw.”
“Erkende ze later, dat ze ’t mooi vond?” vroeg Meta.
“Wel neen! maar ze liet den ouden Belsham gelukkig rusten, en toen ik van middag terugkwam om mijn handschoenen, zat ze weer zoo verdiept in haar lievelingsschrijver, dat ze niet eens hoorde, hoe ik in de gang liep te springen en te dansen, uit blijdschap overden goeden tijd, die ophanden is. Wat zou ze een plezierig leven kunnen hebben, als ze maar wou. Ik benijd haar niets, al heeft ze ook nog zooveel geld, want alles wel beschouwd, hebben rijke menschen bijna evenveel moeilijkheden als arme, geloof ik,” voegde Jo er philosofisch bij.
“Nu schiet mij ook iets te binnen om te vertellen,” zei Meta. “Het is niet zoo leuk, als dat van Jo, maar ik heb er op mijn terugwandeling over loopen denken. Bij de Kings vond ik vandaag alles van streek, en een van de kinderen zei, dat haar oudste broer iets heel verschrikkelijks had gedaan en dat Papa hem weggejaagd had. Ik hoorde mevrouw King schreien en mijnheer King heel hard spreken, en Grace en Ellen keerden hun gezicht af, toen ze mij voorbijgingen, om niet te laten zien hoe rood hun oogen waren. Ik vroeg natuurlijk naar niets; maar ’t speet me zoo voor hen allemaal, en ik was eigenlijk blij, dat ik geen broer had, die slechte dingen deed en de familie onteerde. Ontzettend lijkt me dat.”
“Nu maar, ik vind, op school te pronk gezet te worden ook iets ontzettends,” zei Amy en schudde haar hoofd, alsof haar ondervinding in het leven al bijzonder treurig was. “Susie Perkins kwam van morgen op school met een beelderig ringetje aan, met een donkerrood steentje. Ik wou het vreeselijk graag hebben, en dacht maar al: hè, ’k wou dat ik Susie was! Maar later teekende ze een portret van meneer Davis, met een monsterachtigen neus en een bochel, en de woorden: “Jonge dames, mijn oog is op u gevestigd,” kwamen uit zijn mond in een soort van ballon. Wij stikten er om, maar opeenswaszijn oog op ons gevestigd, en schreeuwde hij Susie toe, hem haar lei te brengen. Ze wasgeparalitizeerdvan schrik, maar ging toch en o, wat denk jullie, dat hij deed? Hij trok haar bij een oor, verbeeld je! is het niet verschrikkelijk en duwde haar onder het bord, waar ze een half uur moest blijven staan en haar lei zóó voor zich houden, dat iedereen de teekening zien kon.”
“Moesten de meisjes niet onbedaarlijk lachen?” vroeg Jo, die erg veel schik had in het geval.
“Lachen! geen een, ze zaten zoo stil als muizen en Susie schreide vreeselijk, dat kan ik je wel zeggen. Ik benijdde haar toen heusch niet meer, want ik geloof, dat zelfs duizend gouden ringetjes mij na zooiets niet meer gelukkig zouden hebben gemaakt. Nooit, nooit zou ik zoo’n vernederenden morgen hebben kunnen doorkomen,” en Amy naaide weer voort, in het trotsch bewustzijn van haar braafheid en het gelukkig ten einde brengen van zoo’n sierlijke zinsnede.
“Ik heb heelemaal vergeten aan tafel te vertellen, wat ik van morgen voor aardigs gezien heb,” kwam nu ook Bets uit den hoek, terwijl ze al pratende Jo’s rommelig mandje opruimde. “Toen ik voor Hanna oesters ging halen, was mijnheer Laurence in den vischwinkel, maar hij zag me niet, want ik stond achter een ton en hij was bezig met Cutter, den vischboer. Toen kwam er een armevrouw met een emmer en luiwagen en vroeg Cutter, of ze de straat mocht schrobben voor wat visch, omdat ze geen eten had voor haar kinderen en haar werk was misgeloopen. Cutter had haast en zei nogal knorrig: “Neen,” en ze wou al hongerig en bedroefd weggaan, maar toen schoof mijnheer Laurence haar met zijn wandelstok een grooten visch toe. ’t Arme menschje was zoo blij en verbaasd, dat ze den visch in haar arm nam en mijnheer wel tienmaal bedankte. Hij zei, dat ze nu maar gauw heen moest gaan en den visch dadelijk koken; en toen liep ze dolblij, op een drafje, naar huis. Aardig van hem, hè? O, ze zag er zoo grappig uit, toen ze dien grooten, glibberigen visch zoo aan haar hart drukte en zei, dat mijnheer Laurence er den hemel aan had verdiend.”
Toen allen over Bets’ verhaal waren uitgepraat, vroegen de meisjes of Moeder niets beleefd had en na een oogenblik nadenkens begon Mevrouw March:
“Terwijl ik van morgen blauw baaien borstrokken zat te knippen in het magazijn, voelde ik me ongerust over Vader, en dacht er over hoe eenzaam en bedroefd we toch zouden zijn, als hem eens iets overkwam. Dat was nu wel niet heel wijs van me, maar ik bleef aan het tobben, totdat er een oud man binnenkwam met een briefje voor enkele dingen. Hij ging dicht bij me zitten en ik sprak hem eens toe, want hij zag er zoo arm en vermoeid en bezorgd uit.
“Heb je zoons in ’t leger?” vroeg ik, want het briefje, dat hij bracht, was niet voor mij.
“Ja mevrouw,” vertelde de man, ik had er vier, maar er zijn er al twee doodgeschoten en één zit gevangen, en nu ga ik den vierden eens opzoeken. Die ligt hard ziek in een hospitaal in Washington.”
“Je hebt wel veel voor je vaderland over gehad,” zei ik, en ik voelde nu eerder hoogachting dan medelijden.
“Geen zier meer dan ik moest, mevrouw. Ik zou zelf gaan, als ik maar iets waard was; omdat ik het niet ben, geef ik mijn jongens, en ik geef ze van heeler harte.”
“Hij sprak zoo opgeruimd, keek me zoo oprecht aan, en scheen zoo gelukkig, dat hij zijn alles geven kon, dat ik mij over mijzelf schaamde. Ik had maar één man gegeven en vond het veel, terwijl hij er vier gaf zonder morren; ik had al mijn dochtertjes thuis om mij te troosten, en zijn laatste zoon wachtte mijlen ver op hem, om hem misschien voor altijd vaarwel te zeggen. Ik voelde mij zoo rijk, zoo gelukkig, toen ik mijn voorrechten overdacht, dat ik een flink pakje voor hem maakte, hem wat geld gaf en hem hartelijk dankte voor de les, die hij me gegeven had.”
“Vertel nog eens wat, Moeder, zoo’n soort verhaal, als dit. Ik denk er graag later nog eens over na, als het wezenlijk gebeurd en niet te preekachtig is,” zei Jo, na een oogenblik van algemeen stilzwijgen.
Mevrouw March glimlachte en begon terstond, want ze had sinds jaar en dag vertelseltjes verteld aan dit kleine gezelschap, en wist, hoe ze bezig te houden.
“Er waren eens vier meisjes, die alles bezaten, wat ze noodig hadden; kleeren, eten en drinken in overvloed, tal van gemakken en genoegens, lieve vrienden en ouders, die ze innig liefhadden, en toch waren ze niet tevreden. (Hier wierpen de hoorderessen elkander steelsgewijze blikken toe en begonnen ijverig te naaien). Deze meisjes verlangden niets liever dan goed te zijn en namen veel flinke besluiten, maar—ze kwamen ze niet al te best na en zeiden gedurig: “Als wij dit maar hadden,” of: “Als we dat maar konden doen,” heelemaal vergetende, hoeveel ze al hadden, en hoeveel prettige dingen ze toch al konden doen; daarom vroegen ze eens aan een oude vrouw, of ze hun niet een toovermiddeltje kon geven om zich gelukkig te voelen, en het oudje antwoordde: zoodra als je ontevreden bent, denk dan eens na, over je zegeningen, en weest dankbaar.” (Hier keek Jo plotseling op, alsof ze iets wilde zeggen, maar ze veranderde van gedachte, toen ze zag, dat het verhaal nog niet uit was).
“Daar ze verstandige meisjes waren, besloten ze haar raad op te volgen en weldra waren ze verbaasd over de goede uitwerking. De eene ontdekte, dat geld niet bij machte is schande en droefheid uit de huizen der rijken te bannen; een andere, dat zij, hoewel arm, vrij wat gelukkiger was door haar jeugd, gezondheid en opgeruimd humeur, dan zekere knorrige, zwakke, oude dame, die niet genieten kon van haar schatten; een derde dat, hoe onaangenaam het ook wezen mocht het eten te helpen klaarmaken, ’t nog veel harder was er om te moeten bedelen, en de vierde, dat zelfs gouden ringetjes niet zooveel waard zijn als een goed gedrag. Daarom sloten ze een verbond, niet langer te klagen, maar te genieten van het geluk dat ze hadden en te trachten zich dat waardig te maken; en ik geloof, dat ze nooit teleurgesteld werden of berouw kregen, dat ze den raad van die oude vrouw hadden opgevolgd.”
“Moeder, Moeder, dát is ondeugend van u, om onze eigen verhalen als een wapen tegen ons te gebruiken en ons een preek te geven, in plaats van een lang verhaal,” riep Meta.
“Ik houd wel van dat soort van preeken; ze lijken op die van Vader,” zei Bets, terwijl ze peinzend de spelden op Jo’s kussentje gelijk stak.
“Ik klaag niethalfzooveel als de anderen, en ik zal nu meer dan ooit mijn best doen, want ik heb een waarschuwing gehad door Susie,” zei Amy op zedigen toon.
“We hadden het lesje noodig en zullen het niet vergeten.Alswe het soms doen, moet u maar tegen ons zeggen, wat Tante Chloe in de negerhut zei: “Denk aan je voorrechten, kinders, denk aan je voorrechten,” voegde Jo er bij, die, al zou het haar ook haar leven gekost hebben, niet nalaten kon uit de kleine preek een grapje te halen, hoewel ze die even goed ter harte nam als de anderen.