Hoofdstuk V.

“Wat ter wereld ga je nu doen, Jo?” vroeg Meta op een sneeuwachtigen middag, toen haar zuster de gang door kwam stappen, met overschoenen aan, een ouden mantel om, een versleten hoed op het hoofd, een bezem in de eene hand en een schop in de andere.

“Buiten wat bewegingen nemen,” antwoordde Jo met van ondeugendheid flikkerende oogen.

“Ik zou denken, dat twee lange wandelingen per dag genoeg waren. Het is koud en akelig buiten, en ik raad je, liever warm en droog bij ’t vuur te blijven, zooals ik van plan ben,” zei Meta huiverend.

“Ik volg nooit iemands raad op, ik kan niet den heelen dag stilzitten, en omdat ik nu eenmaal geen poes ben, houd ik er niet van bij het vuur te zitten dommelen. Ik houd van avonturen, en ik ga ze opzoeken.”

Meta ging weer in de kamer om haar voeten te roosteren en “Ivanhoe” te lezen, en Jo toog met grooten ijver aan ’t werk. De sneeuw lag niet hoog en met haar bezem had zij gauw een pad schoon geveegd, de heele lengte van den tuin, zoodat Bets, als de zon doorkwam, zou kunnen wandelen, want de zieke poppen hadden behoefte aan frissche lucht. Het huis der familie March grensde aan dat van den heer Laurence; beide lagen in een der buitenwijken, waar het nog landelijk was, met boschjes en laantjes, groote tuinen en stille straten, en een lage heg scheidde de twee eigendommen. Aan de eene zijde stond een oud, bruin huis, dat er wel wat kaal en armoedig uitzag, nu het beroofd was van de dichte wijngaard-blâren, die in den zomer zijn muren bedekten, en van de bloemen, die het dan omgaven; aan de andere zijde een statig steenen gebouw, dat duidelijk de kenteekenen droeg van gemak en weelde: van het groote koetshuis en den goed onderhouden tuin af, tot de serre toe, terwijl men hier en daar tusschen de zware gordijnen door, een kijkje kon nemen van de weelde daar binnen. Toch scheen het een eenzaam, uitgestorven soort van huis, want geen kinderen stoeiden op het grasveld, geen moederlijk gelaat glimlachte ooit achter de vensters en zelden ging er iemand in of uit, behalve de oude heer en zijn kleinzoon.

Voor Jo’s levendige verbeelding scheen de mooie villa een soort van betooverd paleis, vol heerlijke, wonderlijke dingen, waarvan niemand genoot. Ze had er al lang naar gehunkerd deze verborgen pracht eens te zien en “die jongen van hiernaast” te leeren kennen, die er wel naar uitzag, alsof hij kennis wilde maken, als hij maar wist hoe te beginnen. Sedert de partij was ze begeeriger dan ooit geweest en had ze menig plan gemaakt om vriendschap met hemte sluiten; maar in den laatsten tijd scheen hij nooit voor den dag te komen, zoodat Jo al begon te denken, dat hij weg was, toen ze op zekeren dag voor een der bovenvensters, een gebruind gezicht zag verschijnen, dat met verlangende oogen naar hun tuin tuurde, waar Bets en Amy elkander met sneeuwballen gooiden.

“Die jongen snakt naar gezelschap en vroolijkheid,” zei ze tot zich zelf. “Zijn grootvader weet niet wat goed voor hem is en houdt hem eenzaam opgesloten. Hij heeft behoefte aan een troep jongens om mee te spelen, of aan iemand die jong en vroolijk is. Ik heb grooten lust eens over te wippen en dat aan den ouden heer te gaan vertellen.”

Dat denkbeeld vatte post bij Jo, die graag waagstukken volbracht en Meta altijd ergerde door haar wonderlijke bedenksels. Het plan om “over te wippen” werd niet vergeten, en toen de sneeuwmiddag kwam, besloot Jo eens te probeeren wat ze kon doen. Zoodra ze mijnheer Laurence zag wegrijden, stapte ze naar buiten om een pad tot aan de heg te maken, waar ze even rust hield en eens rondkeek. Alles was stil, de gordijnen beneden waren neergelaten, de bedienden niet te zien, en nergens iets te bekennen, behalve een donker hoofd voor een der bovenramen.

“Daar is hij,” dacht Jo, “arme jongen! heelemaal alleen en ziek op zoo’n somberen dag. Het is schande! Ik zal een sneeuwbal naar boven gooien, dan zal hij wel eens kijken, en dan zal ik hem eens een vriendelijk woordje toeroepen.”

Een stevige bal vloog de lucht in, en het hoofd keerde zich dadelijk om en vertoonde een gezicht, dat onmiddellijk begon te glimlachen. Jo knikte, lachte terug en riep, zwaaiend met haar bezem:

“Hoe gaat het? Ben je ziek?”

Laurie schoof het raam op en riep met een schorre stem:

“Wat beter, dank je. Ik ben geweldig verkouden geweest en heb een week huisarrest gehad.”

“Dat spijt me. Wat voer je uit?”

“Niks, ’t is hier zoo stil als in een graf.”

“Lees je niet?”

“Niet veel; ze willen het niet hebben.”

“Kan niemand je voorlezen?”

“Grootpapa doet het soms, maar hij vindt mijn boeken vervelend en ik heb er een hekel aan, het altijd aan Brooke te vragen.”

“Is er dan niemand, die je eens komt opzoeken?”

“Er is niemand, dien ik graag zou willen zien. Jongens maken zoo’n kabaal en ik heb erge hoofdpijn.”

“Is er niet het een of ander aardig meisje, dat je zou willen voorlezen en gezelschap houden? Meisjes zijn stil en spelen graag voor ziekenoppasster.”

“Ik ken er geen een.”

“Je kent mij toch!” begon Jo lachend en zweeg toen.

“Dat is waar! Wil jij komen?” riep Laurie.

“Ikben toevallignietstil en aardig, maar ik wil wel komen, als Moeder ’t goedvindt. Ik zal ’t haar even vragen. Doe het raam nu weer dicht als een brave jongen en wacht tot ik kom.”

Met die woorden nam Jo den bezem op haar schouder en wandelde naar huis, in nieuwsgierige afwachting, wat de anderen wel tegen haar zeggen zouden. Laurie, wat opgewonden bij de gedachte, dat hij bezoek zou krijgen, vloog rond om alles in orde te maken; want hij was, zooals mevrouw March het uitdrukte, “een heertje”, en ter eere van de verwachte gast, borstelde hij zijn haar glad, deed hij een schoon boord om, en begon hij de kamer op te ruimen, die er, ondanks een half dozijn dienstboden, alles behalve netjes uitzag. Na een poosje werd er haastig aan de bel getrokken en een flinke stem vroeg naar “mijnheer Laurie”, waarop een verbaasde dienstbode naar boven liep om een jonge dame aan te dienen.

“In orde, laat haar maar boven komen, ’t is juffrouw Jo,” zei Laurie en ging Jo tot aan de deur van zijn kleine zitkamer te gemoet. De bezoekster zag er blozend en vriendelijk uit en was volmaakt op haar gemak; in de eene hand hield ze een dekschaaltje en in de andere Bets’ drie kleine katjes.

“Hier ben ik met pak en zak,” zei ze vroolijk. “Moeder laat je vriendelijk groeten en was heel blij, dat ik iets voor je kon doen. Meta wou, dat ik wat blanc manger meenam; ze heeft ze zelf zoo lekker klaargemaakt, en Bets dacht, dat je haar katjes wel aardig zou vinden. Ik wist wel, dat je er om lachen zou, maar ik kon het haar niet weigeren, ze wou zoo graag iets voor je doen.”

Het toeval wilde, dat Bets’ pleegkinderen juist van pas kwamen, want Laurie vergat al lachende om de jolige jonge poesen zijn verlegenheid en was dadelijk heel gezellig.

“Dat ziet er te lekker uit om op te eten,” zei hij glimlachend, toen Jo het deksel van het schaaltje nam en den blanc manger vertoonde, omgeven door een krans van groene blaadjes en de vuurroode bloemen van Amy’s lievelings-geranium.

“Het is niet veel bijzonders, maar ze waren allemaal even vriendschappelijk gestemd en wilden dat ook graag toonen. Zeg aan de meid, dat ze het bewaart voor van avond bij de thee; er is niets scherps in, zoodat j’er gerust van kunt eten; ’t is een echt ziekenkostje en glijdt gemakkelijk naar binnen, zonder je pijnlijke keel zeer te doen. Wat is dit een gezellige kamer.”

“Dat zou hij kunnen zijn, als ’t hier maar wat netter was, maar de meiden zijn lui, en ik weet niet hoe ik het aan moet leggen om te maken, dat ze den boel onderhouden; ’t is vervelend.”

“Ik zal ’t binnen een paar minuten in orde brengen; want er mankeert niets aan, dan dat het om den haard wat aangestoft moet worden, zoo—en nu de ornamenten recht op den schoorsteen,—zoo en de boeken hier en de fleschjes daar, en je canapé met den rug naar het licht en de kussens een beetje opgeschud.Ziezoo, nu is het prettig.”—En dat was waar, want al lachend en pratend had Jo de dingen op hun plaats gezet en de kamer een heel ander aanzien gegeven. Laurie keek in eerbiedige stilte naar haar; en toen ze hem uitnoodigde op de canapé te gaan zitten, zette hij zich met een zucht van voldoening neer en zei dankbaar:

“Dank je wel! Ja, dat ontbrak er aan. Neem nou als t’ je belieft dien grooten stoel en laat ik iets doen om mijn gast te amuseeren.”

“Neen, ik kwam juist om jou te amuseeren. Zal ik iets voorlezen?” en Jo keek verlangend naar een stapeltje uitlokkende boeken in de nabijheid.

“Dank je, ik heb ze allemaal al gelezen en als je ’t goedvindt zou ik liever wat praten,” antwoordde Laurie.

“Heel goed, ik kan den heelen dag wel praten, als je me maar aan den gang brengt. Bets zegt, dat ik nooit weet op te houden.”

“Is Bets niet het meisje met de roode wangen, dat veel thuis blijft en soms uitgaat met een mandje?” vroeg Laurie belangstellend.

“Ja, dat is Bets, ze is mijn lievelingetje en een echte dot.”

“De mooie is Meta, en de kleine met de krullen Amy, is ’t niet?”

“Hoe ben je dat te weten gekomen?”

Laurie bloosde, maar antwoordde oprecht: “Och, zie je, ik hoor jullie dikwijs elkaar roepen, en als ik hier boven alleen ben, kan ik niet nalaten naar je huis te kijken; jullie schijnt altijd zooveel pret te hebben. Neem me niet kwalijk, dat ik zoo gegluurd heb, maar je vergeet soms wel eens het gordijn te laten vallen voor het raam, waar de bloemen staan, en als de lamp dan aangestoken is, lijkt het precies een plaatje: het vuur en jullie allemaal om de tafel met je moeder; ze zit met haar gezicht hier naar toe en ze ziet er zoo vriendelijk uit achter die bloemen, dat ik niet kan laten er naar te kijken. Ik heb geen moeder zooals je weet,” en Laurie pookte in het vuur om een lichte trilling van zijn lippen, die hij niet kon bedwingen, te verbergen.

De droefgeestige, hongerige blik in zijn oogen vond rechtstreeks den weg naar Jo’s warm hart. Ze was zoo eenvoudig opgevoed, dat er geen oogenblik dwaze gedachten in haar hoofd kwamen en ze op vijftienjarigen leeftijd even onschuldig en open was als een kind. Laurie was ziek en eenzaam; en gevoelende hoe rijk zij was aan huiselijk geluk en onderlinge liefde, wilde ze dien schat graag met hem deelen. Haar donkere oogen keken heel vriendelijk en haar scherpe stem klonk ongewoon zacht, toen ze zei:

“We zullen dat gordijn nooit meer dicht doen, en ik geef je permissie zooveel te gluren als je wilt. Maar ik zou veel liever willen, dat je in plaats van naar ons te zitten kijken, ons eens kwam opzoeken. Moeder zou zoo hartelijk voor je zijn, en Bets kon voor je zingen, als ik het haar vroeg en Amy dansen; Meta en ik zouden je aan ’t lachen kunnen maken met onze gekke vertooningen en zookonden we samen een dolprettigen tijd hebben. Zou je grootvader het goed vinden?”

“Ik denk het wel, als je moeder het hem vroeg. Grootpapa is heel aardig, al ziet hij er niet naar uit, en hij laat me vrij wel doen wat ik wil; hij is alleen maar bang, dat ik lastig zou zijn voor vreemden,” zei Laurie opgevroolijkt.

“Wij zijn geen vreemden, wij zijn buren, en je hoeft nooit te denken, dat het ons lastig zou zijn. Wijverlangener naar dat je komt; ik heb al zoo vaak geprobeerd kennis te maken. We wonen hier nog niet lang, maar we kennen toch al onze buren, behalve jullie.”

“Ja, zie je, Grootpapa leeft in zijn boeken, en geeft niet veel om de buitenwereld. Mijnheer Brooke, mijn gouverneur, woont hier niet in huis, en ik heb niemand om met mij te loopen, dus blijf ik maar thuis en breng, zoo goed en zoo kwaad het kan, mijn tijd door.”

“Wat saai. Je moest het maar eens wagen om overal, waar je gevraagd wordt, een visite te gaan maken; dan zou je een massa vrienden krijgen en gelegenheid hebben om uit te gaan. Je moet j’ er niet aan storen, of je wat verlegen bent; dat zal wel overgaan, als je maar veel uitgaat.”

Laurie kreeg weer een kleur, maar werd toch niet boos, dat hij zoo van verlegenheid beschuldigd werd, want Jo scheen zoo welgezind, dat het niet mogelijk was haar rondborstige verklaringen anders op te nemen, dan ze bedoeld waren.

“Ga je op een prettige school?” vroeg hij, van onderwerp veranderend na een kleine pauze, waarin hij in het vuur had zitten staren en Jo voldaan had zitten rondkijken.

“Ik ga niet naar school, ik ben een man van zaken, een “meisje” van zaken, bedoel ik. Ik houd mijn tante gezelschap, een lieve, kribbige, oude ziel,” antwoordde Jo.

Laurie opende zijn mond om nog een andere vraag te doen, maar zich bijtijds herinnerende, dat het niet beleefd is te veel naar iemands omstandigheden te informeeren, deed hij hem weer dicht en keek min of meer verlegen voor zich. Jo vond zijn bescheidenheid heel aardig en had er niets tegen, tante March tot onderwerp van het gesprek te maken; ze gaf hem dus een levendige beschrijving van die knorrige oude dame, haar vetten poedel, de papegaai, die Spaansch sprak, en de bibliotheek, waarvan ze genoot. Laurie had er veel plezier in, en toen ze hem vertelde van den deftigen ouden heer, die tante March eens het hof kwam maken, en hoe Poll hem, in het midden van een teederen volzin, tot zijn groote ontzetting, zijn pruik had afgerukt, viel de jongen achterover en lachte totdat de tranen langs zijn wangen liepen, en de meid haar hoofd binnen de deur stak om te zien wat er aan de hand was.

“Prachtig! Je maakt me heelemaal beter; vertel nog meer als ’t je blieft,” zei hij rood en stralend van pret uit de canapékussensopduikende. Opgewonden door dien bijval, vertelde Jo verder over hun spelen en plannen, hun hoop en vrees voor vader, en de belangrijkste gebeurtenissen uit de kleine wereld, waarin de zusjes leefden. Toen begonnen ze over boeken te praten, en bemerkte Jo tot haar verrukking, dat Laurie evenveel van lezen hield als zij, en nog meer gelezen had.

“Als je zooveel van boeken houdt, kom dan eens mee naar beneden om onze bibliotheek te zien. Grootpapa is uit, dus je hoeft niet bang te zijn,” zei Laurie opstaande.

“Ik ben nergens bang voor,” antwoordde Jo, trotsch het hoofd oprichtend.

“Dat geloof ik ook!” riep de jongen haar bewonderend aanziende, hoewel hij bij zichzelf dacht, dat ze toch alle reden zou hebben bevreesd te zijn voor den ouden heer, als ze hem in een van zijn booze buien aantrof.

Daar er in het heele huis een zomersche temperatuur heerschte, leidde Laurie haar van kamer tot kamer en liet haar rustig alles bekijken wat haar aandacht trok, tot ze ten laatste bij de bibliotheek kwamen, waar Jo in de handen klapte en stond te trippelen van plezier, zooals ze altijd deed, wanneer ze bijzonder opgetogen was. De muren waren bezet met boekenkasten, er hingen mooie platen, hier en daar stonden statuetten, en allerliefste kleine kastjes met munten en curiositeiten, en heerlijke, gemakkelijke stoelen en aardige tafeltjes en bronzen ornamenten, en het best van alles was een groote open haard, met ouderwetsche tegels gevoerd.

“Wat is ’t hier mooi!” zuchtte Jo en zonk in een uitlokkenden armstoel neer, met een uitdrukking van de grootste voldoening om zich heen ziende. “Theodoor Laurence, jij moet wel de gelukkigste jongen op de wereld zijn,” voegde ze er met nadruk bij.

“Och, je kunt niet van boeken alleen leven,” zei Laurie, terwijl hij op een tafel tegenover haar wipte. Eer hij er nog meer kon bijvoegen, werd er gescheld, en Jo sprong op, verschrikt uitroepend: “O, hemel! daar is je grootpapa!”

“Nou, wat zou dat? Jij bent immers voor niemand bang,” antwoordde Laurie ondeugend.

“Ik geloof toch, dat ik een beetje bang voor hem ben, al zou ik niet weten waarom. Moeder zei, dat ik mocht gaan, en ik geloof niet, dat jij er erger door bent geworden,” zei Jo op bedaarden toon, hoewel ze haar oogen op de deur gevestigd hield.

“Ik voel me veel beter en ben er heel dankbaar voor. Als jij door al dat praten maar niet moe bent geworden, maar ’t waszooprettig, dat ik je niet kon laten ophouden,” zei Laurie hartelijk.

“Daar is de dokter, jongeheer,” en de meid wenkte hem terwijl ze sprak.

“Mag ik je een oogenblikje alleen laten? Ik moet even naar hem toe,” zei Laurie.

“Bekommer je niet om mij. Ik ben hier zoo gelukkig als eenkrekel,” antwoordde Jo. Laurie ging heen en zijn gast vermaakte zich op haar eigen wijze. Ze stond voor een mooi portret van den ouden heer, toen de deur weer openging en ze, zonder zich om te keeren, op beslisten toon zei: “Ik geloof nu zeker, dat ik niet bang voor hem zou zijn, want hij heeft heel vriendelijke oogen, maar zijn mond is streng, en hij ziet er uit, of hij een ontzettend vasten wil heeft. Hij is niet zoo knap alsmijngrootvader, maar hij lijkt me aardig.”

“Dank u, juffrouw,” zei een barsche stem achter haar; en zich omkeerende, zag ze tot haar grooten schrik den ouden heer Laurence voor zich staan.

De arme Jo bloosde tot achter de ooren, en haar hart begon geweldig te kloppen, toen ze bedacht wat ze gezegd had. Een oogenblik overviel haar een onweerstaanbare begeerte weg te loopen; maar dat was laf en de meisjes zouden haar uitlachen. Ze besloot dus te blijven, en zich zoo goed mogelijk uit de verlegenheid te helpen. Een tweede blik overtuigde haar, dat de levendige oogen onder de dikke, grijze wenkbrauwen nog vriendelijker waren dan de geschilderde, en er speelde eene lichte flikkering in, die haar vrees voor een groot deel wegnam. Maar de barsche stem was barscher dan ooit, toen de oude heer na een vreeselijke pauze kortaf vroeg:

“Je bent dus niet bang voor me, hè?”

“Niet erg, mijnheer.”

“En je vindt me niet zoo knap als je grootvader?”

“Niet precies, mijnheer.”

“En ik heb een ontzettend vasten wil, nietwaar?”

“Ik heb alleen maar gezegd, dat ik dat dacht.”

“Maar ik lijk je toch wel aardig?”

“Ja, mijnheer.”

Dat antwoord beviel den ouden heer. Hij lachte, gaf haar een hand, en haar bij de kin nemende, lichtte hij haar gezicht op, bezag het ernstig en liet haar toen weer los, zeggende: “Je aardt naar je grootvader, al lijkt je dan ook uiterlijk niets op hem. Hijwaseen knap man, beste meid, maar wat nog beter is, hij was een braaf en een eerlijk man, en ik was er trotsch op zijn vriend te wezen.”

“Dank u, mijnheer,” zei Jo en voelde zich van nu af volkomen op haar gemak, want zooiets viel juist in haar smaak.

“Wat heb je met dien jongen van mij uitgevoerd, zeg?” was de volgende vraag, op eenigszins scherpen toon gedaan.

“Ik heb alleen geprobeerd hem wat op te beuren, mijnheer,” en Jo vertelde, hoe zij er toe gekomen was hem op te zoeken.

“Je meent dus, dat hij wat vroolijkheid noodig heeft, is ’t niet zoo?”

“Ja, mijnheer; hij voelt zich wat eenzaam, geloof ik, en jongens van zijn leeftijd zouden hem misschien goed doen. Wij zijn maar meisjes, maar we zouden hem graag helpen, als ’t kan, want wezijn het heerlijke Kerstpresent nog niet vergeten, dat u ons gezonden hebt,” zei Jo levendig.

“Tut, tut, tut, dat was het werk van den jongen. Hoe gaat het met die arme vrouw?”

“Dat gaat nogal, mijnheer.” Jo stak in zee en sprak heel snel, en vertelde alles van de Hummels, voor wie haar moeder de belangstelling van een paar rijke vrienden had opgewekt.

“Dat is juist dezelfde manier, waarop haar vader weldeed. Ik zal uw moeder eens komen bezoeken. Zeg haar dat. Daar gaat de bel; wij drinken vroeg thee om Teddy. Ga mee naar beneden en zet de kennismaking voort.”

“Als u goed vindt dat ik blijf, mijnheer.”

“Anders zou ik het niet vragen,” zei mijnheer Laurence en bood haar met ouderwetsche beleefdheid zijn arm.

“Wat zou Meta hier wel van zeggen?” dacht Jo, terwijl zij naast Laurie’s grootvader voortstapte, en haar oogen dansten van pret bij de gedachte, hoe ze alles thuis zou vertellen.

“Heila! wat ter wereld bezielt den jongen nu?” riep de oude heer, toen Laurie de trappen afkwam stormen en met een kreet van verbazing eensklaps bleef stilstaan, toen hij Jo gearmd zag loopen met zijn gevreesden grootvader.

“Ik wist niet, dat u thuis was, Grootvader,” begon hij, toen Jo hem zegevierend aanzag.

“Dat schijnt zoo, te oordeelen naar de wijze waarop je de trappen af rent. Komt, laat ons gaan theedrinken en gedraag je fatsoenlijk,” en na den knaap bij wijze van liefkoozing aan het haar te hebben getrokken, ging de heer Laurence naar de andere kamer, terwijl Laurie achter hun rug allerlei dwaze gebaren maakte, die Jo bijna deden uitbarsten in lachen.

De oude heer zei niet veel onder het uitdrinken van zijn vier kopjes thee, maar hij sloeg de jongelui gade, die weldra als oude vrienden zaten te keuvelen, en de verandering in zijn kleinzoon ontging hem niet. Er was nu kleur, licht en leven op het gelaat van den knaap, zijn manieren waren levendig en zijn lach klonk echt vroolijk.

“Ze heeft gelijk, de jongenheefthet eenzaam. Ik zal eens kijken, wat die kleine meisjes voor hem doen kunnen,” dacht de heer Laurence, toeziende en luisterende. Jo trok hem aan; haar eigenaardige, maar open manieren vielen in zijn smaak, en ze scheen zijn kleinzoon bijna zoo goed te begrijpen, alsof ze zelf een jongen geweest was.

Indien de Laurences geweest waren wat Jo “stijf en harkerig” noemde, zou ze niet met hen overweg hebben gekund, want zulke menschen maakten haar altijd verlegen en onhandig; maar toen ze zag, dat ze vrij en gemakkelijk waren, werd zij het ook, en maakte een goeden indruk.

Toen ze van de theetafel opstonden, stelde ze voor naar huiste gaan, maar Laurie zei, dat hij haar nog iets moest laten zien, en nam haar mee naar de oranjerie, die ter harer eere verlicht was. Jo voelde zich als in een feeënpaleis, toen ze daar op en neer wandelde tusschen al de bloemen en planten—het zachte licht, de vochtig warme lucht, en de zeldzame klimplanten en palmen, hoog boven haar—en intusschen sneed haar nieuwe vriend zooveel van de mooiste bloemen af, tot hij ze niet meer houden kon. Toen bond hij ze bij elkaar en zei met den opgeruimden blik, dien Jo zoo graag zag: “Geef deze bouquet als ’t je blieft aan je moeder, en zeg haar, dat het geneesmiddel dat ze mij zond, bizonder in mijn smaak is gevallen.”

Ze vonden den heer Laurence voor het vuur staan in de zitkamer, maar Jo’s aandacht werd aanstonds getrokken door een prachtige piano, die open stond.

“Speel je?” vroeg ze, met iets van eerbied in haar stem, aan Laurie.

“Soms,” antwoordde hij bescheiden.

“Och, speel dan nu eens, ik zou ’t zoo graag eens willen hooren, om het aan Bets te kunnen vertellen.”

“Wil jij niet eerst?”

“Ik zou niet weten hoe; te dom om ’t te leeren, maar ik houd dol veel van muziek.”

Laurie begon dus te spelen en Jo luisterde, haar neus begraven in heliotropen en theerozen. Haar achting en bewondering voor “die jongen van hiernaast” stegen ten top, want hij speelde bijzonder goed en nam volstrekt geen airs aan. Jo wilde maar, dat Bets hem kon hooren, maar ze zei er niets van, en prees hem, tot hij verlegen werd en zijn grootvader hem te hulp kwam.

“Genoeg, jongejuffrouw, genoeg; te veel zoetigheid is niet goed voor hem. Zijn spel is niet kwaad, maar ik hoop, dat hij het in belangrijker zaken evengoed zal maken. Ga je weg? Nu, ik ben je ten hoogste verplicht en hoop je eens weer te zien. Mijn beleefde groeten aan je moeder. Slaap wel, dokter Jo!”

De oude heer drukte haar hartelijk de hand, maar zag er toch uit, alsof iets hem niet beviel. Toen ze in de gang waren gekomen, vroeg Jo aan Laurie, of ze iets verkeerds gezegd had, maar hij schudde zijn hoofd.

“Neen, dat was om mij; Grootpapa hoort me niet erg graag piano spelen.”

“Waarom niet?”

“Dat vertel ik je wel eens op een anderen keer. John zal je thuisbrengen; ik kan het nu niet doen.”

“Dat hoeft niet hoor, het is maar een stapje. Zul je goed op je zelf passen?”

“Ja, maar je komt toch terug, hoop ik?”

“Als je belooft bij ons te komen, zoodra je weer beter bent.”

“Ja, dat zal ik doen.”

“Dag Laurie!”

“Dag Jo, slaap wel!”

Toen alle merkwaardigheden van dien avond verteld waren, voelde de heele familie lust om gezamenlijk een bezoek te brengen in het groote huis aan de andere zijde van de heg; want ieder had iets, wat er haar speciaal aantrok. Mevrouw March verlangde wat te praten over haar vader met den ouden man, die hem blijkbaar niet vergeten had. Meta zou graag eens in de oranjerie wandelen. Bets smachtte naar de prachtige piano, en Amy wenschte niets vuriger dan de mooie platen en beeldjes te zien.

“Moeder, waarom zou mijnheer Laurence Laurie niet graag hebben hooren spelen?” vroeg Jo, die van een onderzoekende natuur was.

“Ik weet het niet zeker, maar ik denk, omdat zijn zoon, Laurie’s vader, met een Italiaansche dame, een zangeres trouwde, waar de oude heer, die heel trotsch is, diep verontwaardigd over was. De jonge vrouw was goed en lief en beschaafd, maar hij hield niet van haar en zag zijn zoon niet weer na dat huwelijk. Ze stierven beiden, toen Laurie nog een klein kind was, waarna zijn grootvader hem tot zich nam. Waarschijnlijk is de jongen, die in Italië geboren werd, niet heel sterk, en is de oude man, uit angst hem te verliezen, zoo bezorgd voor hem. Laurie heeft een aangeboren talent voor muziek, want hij lijkt op zijn moeder en ik veronderstel, dat zijn grootvader bang is, dat hij lust zal krijgen zich aan de muziek te wijden; in elk geval herinnert zijn talent hem de vrouw, van wie hij niet veel hield, en daarom werd hij er zoo warm over, zooals Jo het uitdrukt.”

“Stel je voor, wat romantisch!” riep Meta.

“Bespottelijk,” zei Jo, “laat den jongen musicus worden als hij dat verlangt, en plaag hem niet dood door hem naar de academie te sturen, als hij er een hekel aan heeft.”

“Daarom heeft hij dus zulke mooie zwarte oogen en zulke aardige manieren; Italianen zijn altijd beleefd, geloof ik,” zei Meta, die wat sentimenteel was.

“Wat weet jij van zijn oogen en manieren? Je hebt nauwelijks twee woorden met hem gesproken,” riep Jo, dienietsentimenteel was.

“Ik heb hem toch op de partij gezien, en uit je verhalen blijkt, dat hij zich goed kan voordoen. Dat was heel aardig wat hij zei over het geneesmiddel, dat Moeder hem zond.”

“Hij meende zeker den blanc manger.”

“Wat bén je toch nog een kind; hij bedoelde jou natuurlijk!”

“Ja?” en Jo zette groote oogen op, alsof het iets heel nieuw voor haar was.

“Ik heb nooit iemand zooals jij gezien; je begrijpt niet eens een complimentje, als j’ er een krijgt,” zei Meta, met het air van een jonge dame, die er alles van wist.

“Onzin! Ik wou, dat je niet mal was en al mijn plezier bedierf.Laurie is een aardige jongen; ik houd van hem, en ik verkies geen gekheden te hooren over complimentjes en zulke flauwiteiten. We zullen allemaal aardig voor hem zijn, omdat hij geen moeder heeft, en hij mag hier bij ons komen, is ’t niet, Moeder?”

“Ja, Jo, je vriend is van harte welkom, en ik hoop, dat Meta bedenken zal, dat kinderen zoolang mogelijk kinderen moeten blijven.”

“Ik noem me zelf geen kind, en ik ben toch nog niet eens dertien,” merkte Amy op. “Wat zeg jij er van, Bets?”

“Ik dacht over onzen “Pelgrimstocht,” antwoordde Bets, die niet naar het gesprek geluisterd had. “Hoe we uit den “wankelmoedspoel” en door het “struikelaarspoortje” kwamen, door ons vast besluit om goed te zijn, en ons best te doen den heuvel op te klauteren, en dat het groote huis van Laurie’s grootvader met al de mooie dingen misschien ons Paleis der Gelukkigen zal zijn.”

“Wij moeten eerst nog de leeuwen voorbij,” zei Jo, op een toon alsof ze dat denkbeeld wel aardig vond.

Het groote huis bleek een eldorado te wezen, hoewel het een heelen tijd duurde, eer ze er allen in waren, en Bets het heel moeilijk vond “de leeuwen”1voorbij te komen. De oude heer Laurence was de grootste, maar na zijn bezoek, waarop hij ieder van de meisjes iets aardigs of vriendelijks gezegd en met hun moeder over oude tijden gepraat had, was niemand meer erg bang voor hem, behalve de bedeesde Bets. De andere leeuw was het feit, dat ze arm waren en Laurie rijk, want dat maakte hen huiverig om beleefdheden aan te nemen, die ze niet wederkeerig konden bewijzen. Na een poosje bemerkten ze echter, dat hij hen als de weldoensters beschouwde en niet genoeg kon doen om zijn dankbaarheid te toonen voor het moederlijk onthaal, dat Mevrouw March hem bereidde, het vroolijk gezelschap der meisjes, en de gezelligheid, die hij in hun eenvoudig huis vond, zoodat ze weldra allen trots op zij zetten en elkander vriendelijkheden bewezen, zonder er over na te denken, welke wel de grootste was.

Allerlei prettige dingen gebeurden in dien tijd, want de nieuwe vriendschap groeide als gras in de lente. Ieder hield van Laurie, en hij deelde zijn gouverneur in het geheim mee, dat de Marchesbepaald “echt leuke” meisjes waren. Met jeugdige geestdrift namen ze den eenzamen jongen in hun midden op, bewezen hem kleine vriendelijkheden, en hij vond iets bizonder aantrekkelijks in het gezelschap van de vroolijke buurtjes. Daar hij nooit een moeder of zuster gekend had, voelde hij al heel gauw den invloed, dien ze op hem uitoefenden, en hun bezig, opgewekt leventje leerde hem zich te schamen over het luie bestaan dat hij leidde. Boeken verveelden hem, en hij vond de menschen nu zoo belangwekkend, dat de heer Brooke zich genoodzaakt zag een slecht rapport over hem uit te brengen, want Laurie verzuimde gedurig zijn lessen en was dan steeds bij de Marches te vinden.

“Enfin, laat hij maar eens vacantie nemen; hij zal het later wel weer inhalen,” zei de oude heer. “Volgens onze vriendelijke buurvrouw studeert hij te hard en heeft hij behoefte aan den omgang met jonge menschen, aan uitspanning en lichaamsbeweging. Ik geloof, dat ze gelijk heeft, en dat ik den jongen vertroeteld heb, alsof ik zijn grootmoeder was. Laat hij doen waar hij plezier in heeft, als hij maar gelukkig is; bij die kleine nonnetjes hiernaast kan hem geen kwaad overkomen, en mevrouw March doet meer voor hem, dan wij zouden kunnen.”

Wat hadden ze een prettigen tijd! Zulke heerlijke voorstellingen en tableaux, sleetochtjes en hardrijderijen op schaatsen, zulke gezellige avondjes in de oude zitkamer, en nu en dan zulke vroolijke kleine partijtjes in het groote huis. Meta mocht in de broeikas wandelen, zooveel ze maar wilde en genieten van heerlijke ruikers; Jo verslond de nieuwe bibliotheek en deed den ouden heer soms in lachen uitbarsten door haar critiek; Amy copieerde schilderijen en genoot naar hartelust van al het schoone, en Laurie speelde op de aardigste manier voor gastheer.

Maar Bets kon, hoewel ze naar de groote piano smachtte, geen moed genoeg vatten naar “het paradijs” te gaan, zooals Meta het noemde. On zekeren dag ging ze er met Jo heen, maar de oude heer, die haar zwakke zijde niet kende, staarde haar zóó aan van onder zijn zware wenkbrauwen, en zei zóó hard “hm”, dat “haar beenen klapperden,” zooals ze aan haar moeder vertelde; ze liep zoo gauw mogelijk weg en verklaarde, dat zij er nooit meer heen durfde, zelfs niet ter wille van de mooie piano. Geen overredingen of beloften konden haar vrees overwinnen, totdat de heer Laurence op geheimzinnige wijze achter de waarheid kwam en de zaak zocht te herstellen. Gedurende een van zijn korte bezoeken, bracht hij behendig het gesprek op muziek; vertelde van groote zangers en zangeressen, die hij ontmoet, van fraaie orgels, die hij gehoord had, en kende zoovele aardige anecdoten, dat Bets onmogelijk in haar stil hoekje blijven kon, maar steeds nader en nader kwam, alsof ze betooverd werd. Ze stond stil bij den rug van zijn stoel en bleef met groote oogen staan luisteren, terwijl haar wangen rood gekleurd waren door de opwinding van deze buitengewoon moedige daad.De heer Laurence nam niet meer notitie van haar dan van een vlieg, sprak door over Laurie’s lessen en onderwijzers en vertelde toen, alsof die gedachte hem eensklaps inviel: “De jongen verwaarloost nu zijn muziek, en ik ben er blij om, want hij begon er al te veel van te houden. Maar de piano wordt niet beter van dat ongebruikt staan; zouden niet een paar van uw meisjes er nu en dan eens op willen studeeren, alleen maar om te zorgen, dat zij niet ontstemt?” Bets ging een stapje vooruit en bedwong met alle macht de sterke verzoeking in haar handen te klappen; de gedachte op dat prachtig instrument te mogen spelen, deed haar een oogenblik haar adem inhouden. Voordat mevrouw March nog kon antwoorden, ging mijnheer Laurence voort met een eigenaardig knikje en glimlachje: “Ze hoeven niemand te zien of te spreken, maar kunnen ten allen tijde overloopen, want ik zit toch in mijn studeerkamer aan den anderen kant van het huis; Laurie is veel uit, en de dienstboden hebben na negen uur niets meer te maken in de zitkamer.” Hier stond hij op, alsof hij wilde heengaan, en Bets was juist van plan te spreken, want die laatste schikking maakte, dat er niets te wenschen overbleef. “Wilt u zoo goed wezen dit aan de jonge dames te zeggen, en mochten ze soms geen lust hebben, dan is het ook goed.” Hier kroop een smal handje in de zijne, en Bets zag met een van dankbaarheid stralend gezichtje tot hem op en zei op haar ernstig, maar verlegen maniertje:

“O, mijnheer, ze hebben er héél veel lust in!”

“Ben jij de musicienne?” vroeg Laurie’s grootvader, zonder zijn schrikwekkend “hm!” en met een vriendelijken blik.

“Ik ben Bets, ik houd dol veel van muziek en ik wil graag komen, als u zeker weet dat niemand me hooren kan—dien het hinderen zou,” voegde ze er bij, vreezende onbeleefd te zijn en bevende over haar eigen stoutmoedigheid.

“Geen sterveling, lieve kind; het huis is den halven dag leeg, kom dus gerust en trommel zooveel je wilt, het zal mij genoegen doen.”

“Wat aardig van u, mijnheer!”

Bets bloosde als een roosje, toen hij haar zoo welwillend aankeek, maar nu was zij niet verlegen en drukte dankbaar de groote hand, omdat ze geen woorden kon vinden om hem te danken voor het kostbaar geschenk dat hij haar gegeven had. De oude heer streek haar zachtjes het haar van het voorhoofd, en zich bukkende kuste hij haar en zei op een toon, die maar zelden iemand van hem hoorde:

“Ik heb eenmaal een dochterje gehad met oogen als die van jou. God zegene je, kindlief; dag mevrouw,” en hij vertrok haastig. Bets gaf zich in haar moeders armen aan haar blijdschap over, en snelde toen naar boven om het heerlijke nieuws aan haar zieke poppenfamilie mee te deelen, daar de zusters niet thuis waren. Hoe vroolijk zong ze dien avond, en hoe lachten de anderen haar uit, omdat ze Amy ’s nachts wakker maakte, door in den slaap op haargezicht piano te spelen. Toen Bets den volgenden dag den ouden en den jongenheer had zien wegwandelen, trok ze, na twee of driemaal te zijn teruggeloopen, de stoute schoenen aan, en sloop zoo stil als een muisje naar de zitkamer, waar het voorwerp van haar vereering stond. Heel toevallig natuurlijk, lag er wat lieve, gemakkelijke muziek op de piano, en met bevende vingers, en gedurig luisterend en rondziende, raakte ze eindelijk de toetsen aan, vergat toen haar vrees, zichzelf en alles, behalve het onuitsprekelijk genot, dat de muziek haar gaf, want ze klonk haar als de stem van een geliefd vriend.

Ze bleef, totdat Hanna haar kwam halen om te eten; maar ze had geen eetlust, en kon alleen stilzitten en tegen ieder glimlachen in een staat van volkomen gelukzaligheid.

Van nu af aan zag men het kleine, bruine hoedje bijna dagelijks door de heg kruipen, en in de groote zitkamer huisde een muzikale geest, die onzichtbaar verscheen en verdween. Bets kwam nooit te weten, dat mijnheer Laurence dikwijls de deur van zijn studeerkamer openzette om naar de ouderwetsche liedjes te luisteren, die hij zoo graag hoorde; ze zag nooit, hoe Laurie in de gang de wacht hield, om de bedienden op een afstand te houden; nooit kwam de gedachte bij haar op, dat de oefeningen en de nieuwe liederen, die ze in het muziekkastje vond, daar gelegd werden voor haar bijzonder gebruik; en als Laurie thuis met haar over muziek praatte, dacht ze er alleen over, hoe vriendelijk het toch van hem was, dat hij Bets allerlei dingen vertelde, die haar zoo voorthielpen. Bets genoot dus van ganscher harte en erkende, wat niet altijd het geval is, dat haar, nudezebegeerte vervuld was, niets meer te wenschen overbleef. Misschien kreeg ze, omdat ze voor dezen zegen zoo dankbaar was, een nog grootere; ze verdiende in elk geval beiden.

“Moeder, ik wou voor mijnheer Laurence een paar pantoffels maken. Hij is zoo goed voor me, dat ik hem mijn dankbaarheid moet toonen, en ik weet niets anders. Mag ik het doen?” vroeg Bets een paar weken na zijn gewichtig bezoek.

“Ja, lieveling, het zal hem veel genoegen doen, en ’t is een aardige manier om hem te bedanken. De meisjes zullen er je aan helpen, en ik zal het opmaken betalen,” antwoordde mevrouw March, die bijzonder graag Bets’ verzoek inwilligde, omdat zij zoo zelden iets voor zichzelf verlangde. Na veel ernstige overleggingen met Meta en Jo werd het patroon gekozen, de benoodigdheden gekocht en de pantoffels begonnen. Een bouquet stemmige, maar toch vroolijke viooltjes op een donkerpurperen grond werd juist geschikt verklaard en Bets werkte vroeg en laat en werd alleen maar hier en daar bij moeilijke eindjes geholpen. Zij was een handig, klein meisje en de pantoffels waren af, voor ze iemand begonnen te vervelen. Toen schreef ze een kort, eenvoudig briefje en wist ze met Laurie’s hulp onder zijn Grootvaders schrijftafel te smokkelen, toen de oude heer nog niet bij de hand was.

Toen dat pak van haar hart was, wachtte Bets af, wat er gebeuren zou. Die gansche dag ging voorbij en een gedeelte van den volgenden, zonder dat ze er iets van hoorde, en ze begon al te vreezen, dat ze haar grilligen vriend beleedigd had. Op den middag van den tweeden dag ging ze een boodschap doen en nam de arme Johanna, haar gebrekkige pop, mee voor haar dagelijksche wandeling.

Bij haar terugkomst, zag zij al uit de verte drie, neen, vier hoofden uit de ramen kijken, en zoodra die hoofden haar zagen, wuifden verscheiden handen en riepen vier stemmen vroolijk:

“Er is een brief van den ouden mijnheer; kom hem maar gauw lezen!”

“O, Bets! hij heeft je—” begon Amy en zwaaide alles behalve fatsoenlijk met de handen; maar ze kon niet verder komen, want Jo smoorde haar ontboezeming door het raam dicht te slaan.

Bets haastte zich wat ze kon met een van blijdschap bonzend hart; bij de deur namen haar zusters haar op en droegen haar in opgetogenheid naar de zitkamer, alle drie naar den hoek wijzende en roepende: “Kijk eens!” Bets keek, en werd bleek van verrukking en verrassing, want daar stond eene kleine piano met een brief er boven op, geadresseerd aan: Mejuffrouw Elizabeth March.

“Voor mij?” fluisterde Bets en hield zich vast aan Jo, met een gevoel, alsof ze op den grond zou vallen; het was alles zoo wonderlijk, zoo overstelpend!

“Ja; heelemaal voor jou, lieveling. Is dat niet kranig van hem? Vind je hem niet den liefsten ouden man in de heele wereld? De sleutel zit in den brief, we hebben hem niet opengemaakt, maar we branden van verlangen om te hooren, wat er in staat,” riep Jo, terwijl ze haar zusje opgewonden tegen zich aandrukte en haar den brief in de hand stopte.

“Lees jij hem alsjeblieft, ik kan niet, ik voel me zoo raar. O, hij is véél te mooi voor mij,” en Bets verborg haar gezicht in Jo’s boezelaar, voor het oogenblik heelemaal van streek.

Jo opende den brief en begon te lachen, want de eerste woorden, die ze zag, waren:

Mejuffrouw March,“Waarde, jonge Vriendin.”“Wat klinkt dat aardig! Ik wou dat iemand ook eens zoo aan mij schreef!” zei Amy, die den ouderwetschen aanhef wel “deftig” vond.“Ik heb vele pantoffels gehad in mijn leven, maar nooit een paar, dat mij zoo goed paste, als de uwe,” ging Jo voort. “Viooltjes zijn mijn geliefkoosde bloemen en deze zullen mij altijd de lieve geefster in herinnering brengen. Ik doe gaarne mijn schulden af, en ik denk dus, dat ge “den ouden heer” wel zult willen toestaan u ietste zenden, wat eenmaal behoorde aan het kleindochtertje, dat hij verloren heeft. Met hartelijken dank en beste wenschen blijf ik,Uw dankbare vriend en dienstw. dien.James Laurence.

Mejuffrouw March,

“Waarde, jonge Vriendin.”

“Wat klinkt dat aardig! Ik wou dat iemand ook eens zoo aan mij schreef!” zei Amy, die den ouderwetschen aanhef wel “deftig” vond.

“Ik heb vele pantoffels gehad in mijn leven, maar nooit een paar, dat mij zoo goed paste, als de uwe,” ging Jo voort. “Viooltjes zijn mijn geliefkoosde bloemen en deze zullen mij altijd de lieve geefster in herinnering brengen. Ik doe gaarne mijn schulden af, en ik denk dus, dat ge “den ouden heer” wel zult willen toestaan u ietste zenden, wat eenmaal behoorde aan het kleindochtertje, dat hij verloren heeft. Met hartelijken dank en beste wenschen blijf ik,

Uw dankbare vriend en dienstw. dien.James Laurence.

“Nu Bets, dàt is een eer, waar je trotsch op mag zijn, zou ik denken! Laurie vertelde me, hoeveel mijnheer Laurence van dat kind hield, en hoe zorgvuldig hij al haar dingen bewaard heeft. Denk eens, hij heeft jou haar piano gegeven! Dat komt er van als je groote blauwe oogen hebt en van muziek houdt,” zei Jo en zocht Bets te kalmeeren, die erg beefde en een kleur had van opgewondenheid.

“Zie eens wat aardige kandelaartjes voor de kaarsen, en wat mooie groene zij van achteren, in het midden opgenomen met een goud roosje, en de mooie stander en het krukje, alles bij elkander,” voegde Meta er bij, de piano openende en alle schoonheden aanwijzende.

““Uw dienstwillige dienaar, James Laurence;” verbeeldt je toch eens, dat schreef hij aan jou! Ik zal het de meisjes op school vertellen, die zullen het haast niet kunnen gelooven,” riep Amy, op wie het briefje een diepen indruk gemaakt had.

“Probeer ’m eens, liefje, laten we die dreumes van een piano eens hooren,” zei Hanna, die altijd met haar gansche hart deelde in de vreugde en droefheid der familie.

Bets speelde dus een stukje, en ieder zei, dat het de mooiste toon was, dien ze ooit gehoord hadden. Het instrument was klaarblijkelijk pas gestemd en opgeknapt; maar hoe volmaakt het ook was, geloof ik toch, dat er niets zoo bekoorlijk was als dat gelukkigste van alle gelukkige gezichtjes, die er over hingen, toen Bets met teedere handen de mooie zwarte en witte toetsen aanraakte en haar voeten de blinkende pedalen drukten.

“Je zult hem moeten gaan bedanken,” zei Jo, bij wijze van grap, want dat “het kind” werkelijk zou gaan, kwam niet in haar op.

“Ja, dat ben ik ook stellig van plan; ik geloof, dat ik nu maar moest gaan, voordat ik bang word,” en tot groote verbazing van het verzamelde gezin, stapte Bets vastbesloten den tuin in, de heg door en recht op het huis der Laurences aan.

“Wel, heb ik van me leven! als dat niet het raarste is, wat ik ooit gezien heb; de piano heeft haar heelendal van de wijs gebracht; ’t schaap zou nooit gegaan zijn, als ze bij der positieve was!” riep Hanna, haar naziende, terwijl het wonder de meisjes een oogenblik sprakeloos maakte. Ze zouden nog meer verwonderd zijn geweest, als ze gezien hadden, wat Bets verder deed. Ze liep, zonder zich ook maar een oogenblik te bedenken, naar de studeerkamer, klopte aan, en toen een forsche stem “binnen” riep,gingze werkelijk naar binnen, stapte op mijnheer Laurence af, die zeer verwonderd opkeek, stak hem haar hand toe en zei met een maarevenbevende stem: “Mijnheer, ik kwam u bedanken voor—” maar verder brachtze het niet; want hij keek haar zoo vriendelijk aan, dat ze haar toespraak vergat; en er alleen aan denkende, dat hij het kleine meisje, dat hem zoo lief was geweest, verloren had, sloeg ze beide armen om zijn hals en kuste hem.

Als het dak van het huis plotseling boven het hoofd van den ouden heer was ingestort, zou hij niet verbaasder hebben kunnen zijn, maar hij vond het heel plezierig—o ja! hij vond hetbijzonderplezierig; en hij was door dit groote bewijs van vertrouwen zoo geroerd en gelukkig, dat al zijne norschheid verdween. Hij nam haar op zijn knie en vleide zijn gerimpelde wang tegen haar blozend gezichtje, en verbeeldde zich, dat hij zijn eigen kleindochtertje terug had gekregen. Van dat oogenblik af had Bets niets geen angst meer voor hem, en zat ze zoo gezellig met hem te babbelen, alsof ze hem haar leven lang gekend had; want liefde sluit vrees uit en dankbaarheid kan trots overwinnen. Toen ze naar huis terugkeerde, bracht hij haar tot aan haar eigen deur, schudde haar hartelijk de hand, nam bij het afscheidnemen zijn hoed voor haar af, en wandelde statig en deftig terug, zooals een knap, krijgshaftig oud heer betaamt.

Toen de meisjes dat zagen,moestJo een paar bokkesprongen maken om haar blijdschap te toonen; Amy viel in haar verbazing bijna uit het raam, en Meta riep met opgeheven handen: “Nou geloof ik heusch, dat de wereld op haar eind loopt!”


Back to IndexNext