1De pelgrim inThe Pilgrim’s Progressmoet op zijn reis naar “de Hemelsche stad” o.a. ook “de leeuwen” voorbij. (Vert.)
1De pelgrim inThe Pilgrim’s Progressmoet op zijn reis naar “de Hemelsche stad” o.a. ook “de leeuwen” voorbij. (Vert.)
“Die jongen is een echte cycloop, vindt jullie niet?” vroeg Amy op een keer, toen Laurie te paard voorbij rende en in het voorbijgaan met zijn zweep salueerde.
“Hoe durf je dat te zeggen van een jongen, die zijn beide oogen heeft, en nog wel heel mooie ook!” riep Jo, die niet de minste aanmerking op haar vriend kon velen.
“Ik zei niets van zijn oogen, en ik begrijp niet, waarom je zoo op moet vliegen, als ik zijn rijden bewonder.”
“O, lieve ziel! die kleine gans bedoelt een centaur en ze zegt een cycloop,” riep Jo, in lachen uitbarstend.
“Je hoeft je niet zoo ruw aan te stellen, het is alleen maar een “lapsus lingus,” zooals mijnheer Davis zegt,” antwoordde Amy, Jo met haar Latijn den mond snoerend. “Ik wou maar, dat ik een gedeelte van het geld had, dat Laurie aan dat paard verspilt,” voegde ze er als tot zichzelf sprekend bij, maar toch in de hoop, dat haar zusters het hooren zouden.
“Waarom?” vroeg Meta vriendelijk, want Jo kreeg een nieuwe lachbui bij Amy’s tweede vergissing.
“Ik heb het zoo hoog noodig; ik zit diep in de schuld en mijn beurt voor het prullengeld komt nog in geen maand.”
“In schulden, Amy, wat bedoel je?” vroeg Meta bezorgd.
“Och, ik ben minstens een dozijn dadels schuldig, en je weet, ik kan ze niet betalen, voor ik geld heb, want Moeder heeft me volstrekt verboden iets op rekening te koopen.”
“Vertel mij de heele zaak eens. Zijn dadels nu in de mode? Vroeger waren het “balletjes,” en Meta trachtte haar gezicht in de plooi te houden, want Amy zag er hoogst ernstig en gewichtig uit.
“Och, zie je, de meisjes koopen ze telkens, en als je niet voor schriel wilt aangezien worden, moet je het ook wel’s doen. Het zijn nu altijd dadels; iedereen zit er onder schooltijd in zijn lessenaar aan te zuigen en verruilt ze in het speelkwartier tegen potlooden, kralen, ringen en papieren poppetjes of iets anders. Als een meisje veel van een ander houdt, geeft ze haar er een mee; als zij boos op haar is, eet zij er een voor haar oogen op, zonder haar zelfs te vragen of ze er even aan wil zuigen. Ze tracteeren om beurten, en ik heb er al een hoop gehad, zonder ooit iets terug te doen; en dat moet ik toch, want het zijn eereschulden, is ’t niet?”
“Hoeveel heb je noodig, om alles af te doen en je crediet te herstellen?” vroeg Meta, haar beurs uit den zak halend.
“Een kwartje zou genoeg zijn, dan bleef er nog wel wat over om jullie te trakteeren, of houden jullie niet veel van dadels?”
“Niet erg, je mag mijn deel houden. Hier is het geld—maak er zooveel van als je kunt, want ik kan ’t je niet dikwijls geven, dat weet je.”
“O, dank je wel; wat heerlijk toch om zakgeld te hebben. Ik zal een heel feest aanrichten, want ik heb de heele week geen dadel geproefd. Ik wou er liever geen een aannemen, omdat ik niets terug kon geven, en ik smacht er wezenlijk naar.”
Den volgenden dag kwam Amy vrij laat op school, maar ze kon de verzoeking niet weerstaan met vergeeflijken trots een vochtig, bruin papieren pakje te vertoonen, voordat ze het in de verborgenste schuilhoeken van haar lessenaar wegstopte. Het volgend oogenblik ging het praatje als een loopend vuurtje door de klasse, dat Amy March vierentwintig heerlijke dadels bij zich had (zij had er onderweg één opgegeten) en zou trakteeren, waarop ze door haar vriendinnen met attenties overladen werd. Katy Brown verzocht haar dadelijk op haar eerstvolgende partij, Mary Kingsley drong er op aan haar tot het speeluur haar horloge te leenen; en Jenny Snow, een satirieke jonge dame, die Amy laaghartig geplaagd had met haar dadelloozen staat, wierp haastig de wapens neer, en bood de antwoorden aan, voor een paar moeilijke sommen. Maar Amy had de scherpe opmerkingen niet vergeten van de jongejuffrouw Snow over “sommige menschen, wier neuzen niet te stomp warenom de dadels van anderen te ruiken, en verwaande menschen, die niet te trotsch waren er om te vragen,” en zij sloeg dadelijk de hoop van “dat kind Snow” den bodem in, door de vernietigende tijding: “Je hoeft niet plotseling zoo beleefd te zijn, want je krijgt er toch geen.”
Nu gebeurde het, dat de school dien morgen bezocht werd door een gewichtig personage, die Amy’s net geteekende kaarten prees, welke eer, aan haar vijandin bewezen, een angel was in de ziel van jongejuffrouw Snow, en jongejuffrouw March de airs deed aannemen van een jonge pauw. Maar helaas, helaas! hoogmoed komt voor den val, en de wraakzuchtige Snow deed met rampzalig succes de kans keeren. Niet zoodra had de bezoeker de gewone complimenten gemaakt en den aftocht geblazen, of Jenny deelde den onderwijzer, mijnheer Davis, onder voorwendsel van iets belangrijks te vragen, mede, dat Amy March dadels in haar lessenaar had.
Nu had de heer Davis dadels voor contrabande verklaard, en plechtig gezworen, dat de eerste, die de wet durfde overtreden, openlijk kennis zou maken met de handplak. De arme man, die heel wat te verdragen had, was er na een langen, hevigen oorlog in geslaagd de balletjes te verbannen, had een vuurtje gestookt van de in beslag genomen romannetjes en couranten, een privaat-postkantoor opgeheven, het gezichten trekken, het geven van bijnamen, het teekenen van caricaturen verboden, en alles gedaan wat één enkel man doen kan om een vijftigtal oproerige meisjes in bedwang te houden. Jongens stellen het menschelijk geduld meer dan genoeg op de proef, de hemel weet het! maar meisjes nog erger, vooral dat van zenuwachtige heeren met een tiranniek gemoed en niet meer talent voor het onderwijs dan “Dr. Blimber.” De heer Davis had veel kennis van Grieksch, Latijn, algebra en “ologies” van allerlei soort, waarom hij een bijzonder goed onderwijzer genoemd werd, terwijl manieren, zedenleer, gevoelens en voorbeelden van niet veel belang beschouwd werden. Het was een zeer gelukkig oogenblik om Amy aan te klagen, en Jenny wist bet. Klaarblijkelijk had mijnheer Davis dien morgen te sterke koffie gedronken, er woei een Oostenwind, die altijd zijn zenuwen prikkelde en zijn leerlingen hadden hem niet die eer bewezen, die hij wist verdiend te hebben; daarom was hij, om den veelzeggenden, indien ook al niet bevalligen spreektrant van een schoolmeisje te gebruiken, “zoo kwaadaardig als een bul en zoo brommig als een beer.” Het woord “dadel” werkte als vuur bij buskruit; zijn tanig gezicht werd vuurrood, en hij sloeg met zoo’n kracht op zijn lessenaar, dat Jenny met ongewone vlugheid naar haar plaats terugwipte.
“Jonge dames, oplettenals ’t je blieft!”
Op dat streng verzoek zweeg het geraas, en vijftig paar blauwe, zwarte, grijze en bruine oogen werden gehoorzaam gericht op zijn schrikwekkend gelaat.
“Jongejuffrouw March, kom hier.”
Amy stond op om te gehoorzamen, uiterlijk bedaard maar inwendig angstig genoeg, want de dadels bezwaarden haar geweten.
“Breng de dadels mee, die in je lessenaar zijn,” klonk het onverwachte bevel, dat haar tegenhield, nog eer ze uit de bank was gekomen.
“Neem ze niet allemaal mee,” fluisterde haar buurvrouw, een jonge dame, die veel tegenwoordigheid van geest bezat.
Amy schudde er haastig een half dozijn uit en legde de overige voor mijnheer Davis neer, vast overtuigd, dat ieder man, die een menschelijk hart in zich omdroeg, zachter gestemd zou worden, als die verrukkelijke geur zijn neus bereikte. Ongelukkig had de heer Davis een bijzonderen afkeer van de vrucht, en die afschuw deed zijn toorn stijgen.
“Is dat alles?”
“Neen, mijnheer,” stamelde Amy.
“Breng dadelijk het overige hier.”
Met een wanhopigen blik op haar clubje gehoorzaamde Amy.
“Weet je zeker, dat er niet meer zijn?”
“Ik jok nooit, mijnheer!”
“Dat zie ik. Neem nu die walgelijke dingen twee aan twee op en smijt ze uit het raam.”
Een diepe zucht steeg uit aller hart op, die wel een kleine windvlaag geleek, toen de laatste hoop vervloog en de lekkernij ontstolen werd aan de smachtende lippen.
Purper van schaamte en toorn deed Amy haar twaalf vreeselijke wandelingen heen en terug, en iederen keer, dat een veroordeeld paar, o, zoo dik en sappig! uit haar onwillige handen viel, vermeerderde een juichtoon van de straat de smart der meisjes, want die vreugdeuitingen zeiden hun, dat de kleine Iersche kinderen, hun geslagen vijanden, met Amy’s tractatie hun voordeel deden. Dit was te veel; allen wierpen verontwaardigde of smeekende blikken op den onverbiddelijken Davis, en één hartstochtelijke dadelliefhebster barstte in tranen uit.
Toen Amy van haar laatste tochtje terugkeerde, “hm“de de heer Davis gewichtig, en begon op zijn indrukmakendsten toon: “Jonge dames, gij herinnert u, wat ik een week geleden gezegd heb. Het spijt me, dat dit gebeurd is, maar ik kan niet toestaan, dat er inbreuk gemaakt wordt op mijn wetten, en ik breeknooitmijn woord. Jongejuffrouw March, houd uw hand op.”
Amy schrikte, hield de beide handen op den rug en zag hem zoo smeekend aan, dat die blik krachtiger voor haar pleitte, dan de woorden, die ze niet kon uitbrengen. Ze was min of meer een lieveling van den “oude”, zooals hij genoemd werd, en ik voor mij geloof, dat hij zijn woordzougebroken hebben, indien niet de verontwaardiging van een zichzelf niet beheerschende jonge dame, zich geuit had in een leelijk gesis. Dat gesis, hoe flauw het ook was,dreef den prikkelbaren leeraar tot het uiterste en besliste het lot der schuldige.
“Uw hand, jongejuffrouw March!” was het eenig antwoord op haar stomme bede, en te trotsch om te schreien of vergiffenis te vragen, klemde Amy de tanden op elkaar, wierp het hoofd fier achterover, en verdroeg, zonder eenig teeken van pijn te geven, verscheiden slagen op haar kleine hand. Ze waren talrijk noch zwaar, die slagen, maar dat maakte geen verschil. Voor de eerste maal in haar leven was zegeslagen, en de vernedering was in haar oogen even groot, als wanneer hij haar een pak ransel gegeven had.
“Ga nu tot het vrije kwartier voor het bord staan”, beval mijnheer Davis, vast besloten de zaak door te zetten, nu hij eenmaal begonnen was.
Dat was verschrikkelijk! Het zou al erg genoeg geweest zijn nu naar haar plaats terug te keeren, en de medelijdende gezichten te zien van haar vriendinnen, of de triomfeerende blikken van haar vijandinnen; maar om daar te pronk te staan, ten aanschouwe van de geheele school, terwijl de schande nog zoo versch in ’t geheugen lag, scheen Amy ondraaglijk, en gedurende een oogenblik was liet haar, alsof ze zich voorover op den grond moest laten vallen en in heete tranen uitbarsten.
Een bitter gevoel van verongelijkt te worden en de gedachte aan Jenny Snow hielpen het haar echter dragen. Toen ze de standplaats ingenomen had, vestigde ze haar oogen op de kachelpijp, boven wat haar nu een zee van hoofden toescheen. Daar stond ze, zoo onbeweeglijk en bleek, dat de meisjes het moeilijk vonden hun aandacht bij ’t werk te houden, met die tragische kleine gedaante voor zich. Gedurende de vijftien minuten, die nu volgden, had het trotsche, gevoelige kleine ding, zooveel schaamte en verdriet te verdragen, dat ze het nimmer vergat. Voor anderen mocht het een belachelijke of weinig beteekenende zaak zijn, voor Amy was het een harde ondervinding. Gedurende de twaalf jaren van haar leven uitsluitend door liefde geregeerd, had haar nog nooit zoo iets getroffen. Al de pijn in haar hand en de smart van haar ziel werden vergeten bij de kwellende gedachte: “Ik moet het thuis vertellen en ze zullen zoo teleurgesteld over me zijn!” De vijftien minuten schenen haar een uur, maar ze waren toch eindelijk om, en het woord “opbergen” had haar nog nooit zoo welkom in de ooren geklonken.
“Je kunt gaan, Amy March,” zei mijnheer Davis en hij leek zooals hij zich ook gevoelde, alles behalve op zijn gemak.
Het duurde lang, eer hij den verwijtenden blik vergat, dien Amy hem toewierp, toen ze, zonder een enkel woord te zeggen, naar de kleedkamer ging, haar goed van den kapstok rukte en de plaats “voor altijd” verliet, zooals ze zichzelf hartstochtelijk beloofde. Thuis raakte ze totaal overstuur, en toen de oudere meisjes eenigen tijd later terugkwamen, werd er dadelijk een zeer verontwaardigdevergadering gehouden. Mevrouw March zei niet veel, maar keek ontstemd en troostte haar bedroefd dochtertje op de teederste wijze. Meta bette het gepijnigde handje met glycerine en tranen; Bets voelde, dat zelfs haar geliefde katjes geen balsem konden brengen voor een smart als deze, en Jo meende in haar woede, dat mijnheer Davis zonder uitstel behoorde gearresteerd te worden, terwijl Hanna haar vuist balde tegen den “ellendeling” en de aardappelen voor het middagmaal met zulk een vuur fijnstampte, alsof zehemonder den lepel had.
Niemand, behalve haar makkertjes, nam eenige notitie van Amy’s vlucht; maar de scherpziende jonge dames merkten op, dat “Davis” ’s middags bijzonder vriendelijk en ook buitengewoon zenuwachtig was. Even voordat de school begon, verscheen Jo met een “grimmig gelaat”, stapte op den leeraar toe, en overhandigde hem een briefje van haar moeder; daarna pakte ze alles bij elkaar wat aan Amy toebehoorde en vertrok, na zorgvuldig haar laarzen afgeveegd te hebben op de mat bij de voordeur, alsof ze het gehate stof van haar voeten wilde schudden.
“Ja, je kunt nu van deze school af gaan, maar moet dan elken dag een tijd met Bets studeeren,” zei mevrouw March dien avond. “Ik ben tegen lichaamsstraf, vooral wat meisjes betreft. Ik houd niet van mijnheer Davis’ manier van onderwijzen en geloof ook niet, dat de meisjes, waarmee je omgaat, je veel goed doen. Voor ik je naar een andere school zend wil ik eerst Vader eens raadplegen.”
“Heerlijk! Ik wou dat alle meisjes weggingen en zijn akelige school opgeruimd moest worden. Is ’t niet om gek te worden, als je aan die heerlijke dadels denkt?” zuchtte Amy met het gezicht van een martelares.
“Het spijt me niet, dat je ze verloren hebt, want je handelde in strijd met de regels en verdiende straf voor je ongehoorzaamheid,” was het strenge antwoord, dat de jonge dame die niets dan medelijden verwachtte, wel eenigszins teleurstelde.
“Bedoelt u, dat u blij is, dat ik voor de geheele school vernederd ben?” riep Amy.
“Ik zou niet dien weg inslaan om een gebrek te verbeteren,” antwoordde haar moeder; “maar ik ben er niet zeker van of je deze methode niet meer goed zal doen, dan een zachtere manier. Je bent mooi op weg veel te verwaand en gewichtig in je eigen oogen te worden, kindlief, en het is meer dan tijd, dat je er eens goed acht op geeft. Je hebt veel goede eigenschappen en kleine deugden, maar het is niet noodig ze zoo uit te stallen, want verwaandheid bederft den besten aanleg. Een echt talent of echte goedheid zullen niet licht over het hoofd gezien worden, en al hád dit ook plaats, dan moest nog het bewustzijn, ze te bezitten en ferm te gebruiken, iemand voldoen. Bedenk dat de grootste aantrekkelijkheid van elk begaafd mensch is: bescheidenheid.”
“Ja, dat is waar,” riep Laurie, die in een hoek met Jo zat teschaken. “Ik heb een meisje gekend, dat een bijzonder talent voor muziek had, zonder het zelf te weten; ze wist ook niet, hoe lief de kleine stukjes waren, die ze componeerde, wanneer ze alleen was, en zou het niet geloofd hebben, al had iemand het haar verteld.”
“Ik wou, dat ik dat meisje gekend had; ze zou mij misschien wel willen helpen, ik ben zoo dom,” zei Bets, die gretig luisterend naast hem stond.
“Je kent haar, en ze helpt je beter dan eenig mensch ter wereld zou kunnen,” antwoordde Laurie en zag haar met zoo’n ondeugende uitdrukking in z’n vroolijke, zwarte oogen aan, dat Bets plotseling bloosde en haar gezicht verborg in een canapékussen, heelemaal ontsteld door die plotselinge ontdekking.
Jo liet Laurie het spel winnen, om hem te beloonen voor dien lof, haar Bets toegezwaaid, die er echter niet toe te bewegen was dien avond iets te spelen na dat compliment. Laurie deed dus zijn best en zong uitstekend, daar hij in een bijzonder goede luim was, want aan de Marches toonde hij zelden de schaduwzijde van zijn karakter. Toen hij vertrokken was, vroeg Amy, die den geheelen avond peinzend had zitten kijken, plotseling, alsof haar een nieuwe gedachte inviel: “Is Laurie een begaafde jongen?”
“Ja, hij heeft veel gaven en een prachtige opvoeding gehad; hij zal een knap man worden, als hij niet door vertroeteling bedorven wordt,” antwoordde haar moeder.
“En hij isnietverwaand, wel?” vroeg Amy.
“Volstrekt niet; dat is juist de reden, waarom hij zoo aantrekkelijk is, en we allemaal zooveel van hem houden.”
“Ja, ik begrijp het, het is heel aardig begaafd te zijn en mooi en elegant, maar niet om vertooning te maken of er zich op te verheffen,” zei Amy nadenkend.
“Die dingen worden altijd gevoeld en gewaardeerd in iemands manier van doen en van spreken, als ze maar met bescheidenheid gebruikt worden; het is heusch niet noodig er mee te koop te loopen,” zei mevrouw March.
“Net zoo min als je ’t in je hoofd zou halen, al je hoeden en jurken en strikken tegelijk te dragen, om de menschen toch vooral maar te laten zien, dat je ze hebt,” voegde Jo er bij, en “de preek” eindigde met gelach.
“Waar gaan jullie heen?” vroeg Amy, toen ze op een Zaterdagmiddag, in haar kamer komende, haar twee oudste zusters bezigvond hun goed aan te doen, met een zekere geheimzinnigheid die haar nieuwsgierigheid opwekte.
“Dat gaat je niets aan; kleine kinderen moeten niet zoo nieuwsgierig zijn,” antwoordde Jo scherp.
Als er iets is, dat ons ergert, wanneer wij nog jong zijn, dan is het wel, dat ons dit onder den neus gewreven wordt, en nog grievender is het, als men ons daarbij vriendelijk verzoekt: “Nu maar gauw wat te gaan spelen.” Amy stoof bij deze beleediging op, en besloot het geheim uit te vorschen, al moest ze er een uur lang om zeuren. Zich tot Meta wendende, die haar nooit lang iets kon weigeren, begon ze vleiend: “Toe vertel het me maar; je kon mebestlaten meegaan; Bets is zoo verdiept in haar poppen, en ik heb niks te doen en ’k voel me zóó eenig!”
“Ik kan je niet meenemen, liefje, omdat je niet gevraagd bent,” begon Meta, maar Jo viel haar ongeduldig in de rede met een: “Nu, Meta, houd je stil, of je zult alles bederven. Je kunt niet meegaan, Amy, stel je dus niet aan als een klein kind, door er om te dwingen.”
“Jullie gaan met Laurie ergens heen, ik weet het heel goed; je hebt gisterenavond samen op de canapé zitten fluisteren en lachen, en jullie hield in eens op, toen ik binnenkwam. Is ’t soms niet waar?”
“Ja, we gaan met Laurie ergens heen; wees nou maar stil en zanik niet langer.”
Amy zweeg, maar gebruikte haar oogen, en zag dat Meta een waaier in den zak stak. “Ik weet het al! Ik weet het al, jullie gaan naar de comedie, “De zeven Kasteelen” zien,” riep ze, er vast besloten bijvoegende: “Enikga ook, want moeder heeft gezegd, dat ik het mocht zien, en ik heb het geld van de prullen nog bewaard! Onuitstaanbaar van jullie om mij niet bijtijds te waarschuwen.”
“Luister eens even naar me, en wees nu eens lief,” zei Meta kalmeerend. “Moeder wou, dat je deze week nog niet gingt, omdat je oogen nog niet heel goed zijn om al het licht bij het tooverballet te verdragen. De volgende week kun jij gaan met Bets en Hanna, en een heerlijken avond hebben.”
“Dat vind ik niet half zoo plezierig als met jullie en Laurie. Och, laat mij maar meegaan? ik ben nu al zoolang om mijn verkoudheid thuis geweest, en ik snak naar een pretje. Toe, Meta, ik zal heel lief zijn,” smeekte Amy zoo roerend mogelijk.
“Zouden we haar dan toch maar meenemen. Ik geloof niet dat Moeder er op tegen zou hebben, als we haar goed instopten,” begon Meta.
“Alszijgaat, gaikniet; en als ik niet meega, heeft Laurie het land; ’t zou trouwens heel onbeleefd zijn er Amy bij in te halen, nu hij alleen ons gevraagd heeft. Ik vind, dat ze zich schamen moest zich zoo in te dringen, waar ze niet begeerd wordt,” zei Jo knorrig,want ze had niets geen lust op een beweeglijk kind te passen, nu ze zich voorgenomen had eens echt te genieten.
Haar toon en manieren maakten Amy boos; ze begon haar laarzen aan te trekken en zei op de meest tergende manier: “Ik gatoch: Meta zegt, dat ik mag, en als ik voor mezelf betaal, heeft Laurie er niets mee te maken.”
“Je kunt niet bij ons zitten, want wij hebben gereserveerde plaatsen, en je kunt ook niet alleen zitten; Laurie moet je dan natuurlijk zijn plaats wel afstaan en dat zal ons plezier bederven; of hij neemt een andere plaats voor je en dat is onbehoorlijk, want je bent niet gevraagd. Je hoeft geen moeite te doen, want je blijft eenvoudig waar je bent,” bromde Jo, knorriger dan ooit, daar ze zich juist in haar haast in den vinger had geprikt. Amy, die op den grond zat met één laars aan, begon te schreien, en Meta zocht haar tot rede te brengen, toen Laurie zich beneden liet hooren en de twee meisjes haastig naar hem toe gingen, haar zusje snikkend achterlatend; want nu en dan vergat Amy haar groote-menschen-manieren en gedroeg ze zich als een bedorven kind. Juist toen het gezelschap de deur uit zou gaan, riep ze op dreigenden toon over de leuning: “Het zal je berouwen, Jo March! dat beloof ik.”
“Malligheid!” antwoordde Jo, de deur toeslaande.
Ze hadden een genotvollen avond, want de “Zeven Kasteelen aan het Kristallen Meer” waren zóó tooverachtig, zoo wonderschoon, als men maar verlangen kon. Maar in weerwil van de grappige roode dwergen, de schitterende elfen en de prachtig aangekleede prinsen en prinsessen, was Jo’s genoegen met een bitteren droppel vermengd; de blonde krullen van de feeënkoningin herinnerden haar aan Amy, en tusschen de verschillende bedrijven hield ze zich bezig met te bedenken, wat haar zusje zou doen, om “het haar te doen berouwen.” In den loop der jaren hadden zij en Amy al menige schermutseling gehad, want beiden hadden een driftig karakter en werden licht heftig, als ze eens los kwamen. Amy plaagde Jo, en Jo maakte Amy boos, en af en toe hadden er uitbarstingen plaats, waarover beiden zich later schaamden. Hoewel zij de oudste was, had Jo de minste zelfbeheersching en bracht menigen moeilijken dag door in het bestrijden van den driftigen geest, die haar zoo dikwijls in verdrietelijkheden bracht. Haar boosheid was nooit van langen duur, en als ze nederig haar schuld beleden had, voelde ze er oprecht berouw over, en trachtte zich te beteren. Haar zusters bekenden dikwijls, dat ze het wel “leuk” vonden Jo eens woedend te maken, omdat ze dan later zoo engelachtig lief was. De arme Jo deed wanhopig haar best om kalm te zijn, maar haar boezemvijand was altijd gereed op te vliegen en haar de nederlaag toe te brengen; en er was een jarenlange, geduldige strijd noodig om hem te verslaan. Toen ze thuis kwamen, zat Amy te lezen in de zitkamer. Ze nam een beleedigd air aan, sloeg haar oogen niet van haar boek op en deed geen enkele vraag. Misschien zou haar nieuwsgierigheidhet gewonnen hebben van haar trots, als Bets er niet geweest was om naar alles te vragen en een opgewonden beschrijving van het stuk te krijgen. Toen Jo naar boven ging om haar besten hoed te bergen, keek ze het eerst naar de latafel, want bij den laatsten twist had Amy haar gevoel zoeken te luchten, door Jo’s bovenste la op den grond om te keeren. Alles scheen nu evenwel op zijn plaats, en na een haastigen blik in haar kast, waschtafel en doozen, kwam Jo tot het besluit, dat Amy de beleediging vergeven en vergeten had.
Maar daarin had Jo zich vergist, want den volgenden dag deed ze een ontdekking, die een storm teweegbracht. Meta, Bets en Amy zaten in den namiddag bij elkander, toen Jo opgewonden de kamer binnenstormde en ademloos vroeg: “Heeft iemand mijn sprookjes weggenomen?”
Meta en Bets zeiden dadelijk “neen” en keken verbaasd op; Amy pookte in het vuur en zei niets. Jo zag, dat ze een kleur kreeg en vloog op haar toe.
“Amy, jij hebt ze weggenomen!”
“Neen.”
“Dan weet jij, waar ze zijn!”
“Neen, dat weet ik niet.”
“Dat jok je!” riep Jo, haar bij de schouders vattende met zoo’n woedenden blik dat ze een moediger kind dan Amy, zou hebben doen schrikken.
“Dat jok ikniet!” Ik heb ze niet, en weet niet waar ze zijn, en ik geef er ook geen zier om.”
“Je weet er iets van, en je zou beter doen het maar dadelijk te zeggen, of ik zal je er toe dwingen,” en Jo schudde haar onzacht heen en weer.
“Dreig maar zooveel je wilt, je krijgt je malle verhalen niet terug,” riep Amy, nu op haar beurt boos wordende.
“Waarom niet?”
“Ik heb ze verbrand.”
“Wat! mijn sprookjes, waar ik zooveel van hield en zoo hard aan werkte, en die ik van plan was af te maken, voordat Vader thuiskwam? Heb je ze wezenlijk verbrand?” vroeg Jo verbleekend, terwijl haar oogen schitterden en haar handen Amy zenuwachtig vastklemden.
“Ja zeker! ik heb gezegd, dat het je berouwen zou, dat je gisteren zoo onaardig was, en daarom heb ik het gedaan, dus—” verder kon Amy het niet brengen, want Jo’s driftige natuur werd haar de baas; ze schudde Amy, dat de tanden in haar mond klapperden, en riep in een hartstochtelijke vlaag van droefheid en woede:
“Je bent een slecht, een akelig kind! Ik kan ze nooit meer zoo schrijven, en ik vergeef het je nooit, zoolang ik leef.”
“Meta vloog toe om Amy te ontzetten en Bets om Jo tot bedaren te brengen; maar Jo was geheel buiten zichzelf, en na Amytot afscheid een klap om de ooren te hebben gegeven, vloog ze de kamer uit, naar de oude canapé op den zolder en streed haar strijd alleen.
De storm klaarde beneden op toen mevrouw March thuiskwam; na het verhaal aangehoord te hebben, bracht ze Amy weldra tot inzicht van het onrecht, dat ze haar zuster had aangedaan. Jo’s boek was de trots van haar hart, en werd door de huisgenooten beschouwd als een veelbelovend letterkundig spruitje. Het waren niet meer dan een half dozijn sprookjes, maar Jo had er geduldig aan gewerkt met haar gansche hart, in de hoop, iets te kunnen voortbrengen, dat de moeite waard was gedrukt te worden. Ze had ze juist zeer zorgvuldig in het net geschreven, en het klad verscheurd, zoodat Amy’s brandstapel het dierbaar werk van verscheiden maanden had vernietigd. Mogelijk scheen het anderen een gering verlies toe, maar voor Jo was het een vreeselijk ongeluk, en ze gevoelde, dat het haar nooit vergoed kon worden. Bets treurde als om een gestorven katje, en Meta weigerde voor haar lieveling in de bres te springen; mevrouw March keek ernstig en bedroefd, en Amy was onder den indruk, dat niemand meer van haar zou houden, eer ze vergeving had gevraagd voor de daad, die ze nu meer dan iemand anders betreurde.
Toen de theebel ging, verscheen Jo, maar ze zag er zoo boos en ongenaakbaar uit, dat Amy al haar moed bijeen moest rapen om zachtzinnig te zeggen: “Jo, wil je ’t mij als ’t je blieft vergeven? Ik heb er vreeselijk veel spijt van.”
“Ik zal het jenooitvergeven,” was Jo’s beslist antwoord, en van dat oogenblik af, scheen ze Amy’s bestaan geheel en al te vergeten.
Niemand sprak over de droevige gebeurtenis, zelfs mevrouw March niet, want allen hadden door ondervinding geleerd, dat woorden niets uitwerkten als Jo in zoo’n bui was; en dat het wijste zou zijn, te wachten tot de een of andere kleine gebeurtenis, of Jo’s eigen edelmoedige natuur, haar verbittering verzachtte en de breuk heelde. Het was geen gelukkige avond, want hoewel de meisjes als naar gewoonte zaten te werken, terwijl hun moeder voorlas uit Bremer, Scott of Edgeworth, ontbrak er toch iets aan, en de liefelijke, huiselijke vrede was verstoord. Ze gevoelden dit vooral toen het oogenblik van zingen was gekomen; want Bets kon alleen maar spelen, Jo zweeg als een steenen beeld, en Amy begon te schreien, zoodat Meta en Moeder alleen zongen. Maar in spijt van hun pogingen om zoo vroolijk te zijn als leeuwerikken, schenen de heldere stemmen toch niet zoo goed bij elkander te passen als gewoonlijk, en allen voelden zich ontstemd.
Toen mevrouw March Jo een nachtkus gaf, fluisterde ze haar teeder toe: “Kindlief, laat de zon niet ondergaan over je toorn, vergeeft elkander, helpt elkander, en begin morgen weer opnieuw.” Jo verlangde niets liever dan haar hoofd neer te leggen aan dat moederlijk hart en haar droefheid en boosheid uit te schreien; maartranen waren een onmannelijke zwakheid, en ze voelde zich zoo diep beleedigd, dat ze nog nietkonvergeven. Ze knipoogde dus uit alle macht, schudde haar hoofd en zei barsch, omdat Amy nog onder het bereik van haar stem was: “Het was een afschuwelijk leelijke streek, en ze verdient niet, dat ik het haar vergeef.”
Zoo stapte Jo naar haar kamer en naar bed, en er werd dien avond geen vroolijk of vertrouwelijk praatje gehouden.
Amy voelde zich diep gegriefd, dat haar vredesvoorslagen van de hand gewezen waren en begon te wenschen dat ze zich niet zoo vernederd had, daarna zich hoe langer hoe meer beleedigd te achten en eindelijk zich op een onuitstaanbare wijze te verheffen op haar deugdzaamheid. Jo zag er nog altijd uit als een donderwolk, en niets ging dien dag goed. ’s Morgens was het bitter koud; ze liet haar kostelijk warm puddingtrommeltje in de goot vallen, tante March had een aanval van rusteloosheid, Meta was afgetrokken, Bets keek bedroefd en neerslachtig toen ze thuiskwam, en Amy praatte gedurig over menschen, die altijd den mond vol hadden van goed te worden en er toch niet naar wilden streven, zelfs niet, wanneer andere menschen hun een goed voorbeeld gaven.
“Ze zijn allemaal zoo onverdraaglijk, ik zal maar eens aan Laurie vragen, of hij met me wil gaan schaatsenrijden. Hij is altijd vriendelijk en vroolijk en zal me wel weer in mijn fatsoen brengen, dat weet ik zeker,” zei Jo tot zichzelf en ging op weg.
Amy hoorde het klepperen der schaatsen, en keek naar buiten met den ongeduldigen uitroep:
“Daar nu! ze had me beloofd, dat ik den eersten den besten keer mee zou gaan, want dit is natuurlijk het laatste ijs, dat we dit jaar zullen hebben. Maar het zou vergeefsche moeite zijn aan zoo’n brombeer te vragen mij mee te nemen.”
“Zeg dat niet, Amy; je bent heel ondeugend geweest en hetismoeilijk voor Jo je het verlies van haar kostbaar boekje te vergeven; maar ik vind, dat ze het nu wel doen kon, en ik denk ook wel, dat ze het doen zal, als je ’t maar op het goede oogenblik vraagt,” zei Meta. “Loop hen achterna, zeg niets voordat Jo weer in haar humeur gekomen is door Laurie, neem dan een gunstig oogenblik waar en geef haar een kus of doe iets liefs, en dan geloof ik zeker, dat ze met heel haar hart vrede zal sluiten.”
“Ik zal het probeeren,” zei Amy, want die raad was naar haar smaak; en na zich haastig aangekleed te hebben, liep ze de vrienden na, die juist achter den heuvel verdwenen.
Het was niet ver tot aan de rivier, maar beiden stonden al op de schaatsen, voordat Amy hen bereikte. Jo zag haar komen, en keerde zich om; Laurie zag haar niet, want hij probeerde zorgvuldig het ijs langs den kant, daar een warm zonnetje aan de laatste vorst was voorafgegaan.
“Ik zal tot aan de eerste bocht gaan, en zien of alles in orde is voordat we om het hardst rijden,” hoorde Amy hem zeggen, terwijlhij vooruit schoot en er in zijn pels en bonten muts uitzag als een jonge Rus.
Jo hoorde hoe Amy hijgde na haar harde loopen, en hoe ze met de voeten stampte en haar vingers warm zocht te blazen, terwijl ze bezig was haar schaatsen aan te binden, maar Jo keerde zich volstrekt niet om, en reed langzaam “en zigzag” de rivier op, met een bitter en ongelukkig soort van voldoening in den tegenspoed van haar zuster. Ze had haar boosheid gekoesterd, tot het een krachtig gevoel was geworden, dat haar heelemaal beheerschte, zooals kwade gedachten en opwellingen altijd doen, tenzij men ze terstond verjaagt. Toen Laurie de bocht omging, riep hij terug:
“Blijf aan den kant, het is in ’t midden niet veilig”. Jo hoorde het, maar Amy kwam juist overeind en verstond geen woord. Jo keek over haar schouder, en de kleine demon, dien ze schuilplaats verleende, fluisterde haar in ’t oor:
”’t Komt er niet op aan, of zij het hoorde of niet, laat ze maar voor zichzelf zorgen.”
Laurie was achter de bocht verdwenen, Jo kwam er juist dichtbij en Amy ver in de achterhoede, zette zich in beweging naar de mooie effen baan in het midden der rivier. Eén oogenblik stond Jo stil met een vreemd gevoel in haar hart; toen besloot ze verder te gaan, maar een zeker iets hield haar tegen en dwong haar nog eens om te kijken, juist bijtijds om te zien, hoe Amy de handen in de hoogte sloeg, en onder het plotseling kraken van brekend ijs, het geplas van water, en het uiten van een gil, die Jo’s hart van schrik deed stilstaan, wegzonk. Ze wilde Laurie roepen, maar haar stem begaf haar; zij trachtte op haar zusje toe te schieten, maar haar voeten schenen alle macht verloren te hebben, en ze stond daar maar onbeweeglijk met een ontzet gezicht te staren naar het kleine blauwe hoedje boven het zwarte water. Eensklaps schoot haar iets pijlsnel voorbij, en Laurie’s stem riep haar toe: “Haal een stok; gauw, gauw!”
Hoe zij het deed, wist ze nooit te zeggen, maar de volgende oogenblikken werkte ze als een bezetene, blindelings gehoorzamende aan Laurie, die zijn zelfbeheersching niet verloor, en voorover liggende, Amy ophield met zijn armen, totdat Jo een lat aangesleept had en ze met vereende krachten het kind, meer verschrikt dan bezeerd, uit het ijs trokken. “Ziezoo, nu moeten wij zoo hard mogelijk met haar naar huis loopen; pak haar goed in met onze dingen, terwijl ik die verwenschte schaatsen losmaak,” riep Laurie, zijn jas om Amy heenslaande en aan de riemen rukkende, die nooit te voren zoo ingewikkeld hadden geschenen.
Rillend, druipend en schreiend brachten ze Amy thuis, en na wat van den schrik bekomen te zijn, viel ze bij een heet vuur en warm in dekens gewikkeld in slaap. Onder al de bemoeiingen had Jo bijna niet gesproken, maar bleek en verwilderd rondgevlogen, haar hoed en mantel half af, haar japon gescheurd, en haar handenopengehaald en bezeerd door ijs en latten en weerspannige gespen. Toen Amy rustig lag te slapen, het huis stil was, en mevrouw March voor het bed zat, riep ze Jo tot zich en begon hare gewonde handen te verbinden.
“Weet u wel zeker, dat ze buiten gevaar is?” fluisterde Jo en zag vol wroeging naar het goudlokkig hoofdje, dat wel voor goed uit haar oogen had kunnen verdwijnen, onder het verraderlijke ijs.
“Volkomen, mijn kind; ze heeft zich niet bezeerd, en zal zelfs niet verkouden worden, denk ik; je hebt haar zoo flink ingestopt en zoo gauw thuis gebracht,” antwoordde haar moeder opgeruimd.
“Dat heeft Laurie gedaan, ik liet haar haar gang gaan. Moeder,alsAmy stierf, zou het mijn schuld zijn,” en naast het bed neervallende bekende Jo, onder een stroom van berouwvolle tranen, al wat er gebeurd was, de hardheid van haar hart ten diepste veroordeelend en onder snikken haar dankbaarheid betuigend, dat de zware straf, die haar had kunnen treffen, haar bespaard was.
“Het is alles de schuld van mijn ellendige drift! Ik tracht het te overwinnen, gedurig denk ik, dat ik het overwonnen heb, en dan is het weer erger dan ooit. O moeder! wat zal ik doen! Wat zal ik toch doen?” riep de arme Jo wanhopig.
“Waak en bid, lieveling; geef nooit den strijd uit moedeloosheid op, en denk nooit dat het onmogelijk is een gebrek te overwinnen,” zei Mevrouw March, en ze trok het verwilderde hoofd tegen haar schouder en kuste de betraande wang zoo teeder, dat Jo nog hartstochtelijker begon te schreien.
“Ik weet het niet; u kunt niet begrijpen hoe erg het is! Als ik zoo driftig ben, geloof ik, dat ik tot alles in staat zou zijn. Ik word zoo woedend, dat ik iemand wel zou kunnen aanvliegen en kwaad doen, en er dan blij om zijn. Soms ben ik zoo bang, dat ik nog eens iets verschrikkelijkszaldoen en mijn leven bederven, en maken, dat iedereen mij haat. O Moeder, help me, help me toch alstublieft!”
“Dat zal ik, mijn kind, dat zal ik. Schrei niet zoo bitter, maar vergeet dezen dag nooit, en neem je met heel je ziel voor er zoo nooit meer een te beleven. Jolief! wij hebben allen onze verzoekingen, sommigen veel grooter dan de jouwe, en we hebben dikwijls ons heele leven noodig om ze te overwinnen. Jij meent, dat je humeur het slechtste ter wereld is, maar het mijne was vroeger precies zoo.”
“Het uwe, Moeder? En u bent nooit boos!” riep Jo voor een oogenblik haar berouw in haar verbazing vergetende.
“Veertig jaar heb ik er tegen gestreden, en daardoor geleerd mij te beheerschen. Ik word bijna elken dag van mijn leven boos, Jo; maar ik heb geleerd het niet te toonen, en ik hoop nog altijd ook dat te overwinnen, al moest het me ook nóg veertig jaar kosten.”
Het geduld en de nederigheid, die te lezen stonden op het gelaat, dat ze zoo liefhad, waren een betere les voor Jo dan de verstandigste preek, de scherpste bestraffing. Zij voelde zich dadelijk vertroostdoor haar moeders medegevoel en vertrouwen; de overtuiging, dat Moeder hetzelfde gebrek had en het steeds trachtte te verbeteren, maakte het voor haar zooveel gemakkelijker te dragen, en versterkte haar besluit er tegen te strijden; hoewel veertig in waken en bidden doorgebrachte jaren een meisje van vijftien wel lang schenen.
“Moeder, is u boos als u uw lippen zoo op elkander drukt en soms de kamer uitgaat, wanneer Tante March bromt, of de menschen het u lastig maken?” vroeg Jo, die zich meer en inniger dan ooit te voren met haar moeder verbonden voelde.
“Ja, ik heb geleerd de haastige woorden, die mij voor den mond komen, te bedwingen; en als ik voel, dat ze toch, tegen mijn wil, zouden ontsnappen, ga ik een oogenblik heen en neem mijzelf eens onderhanden, omdat ik zoo zwak en slecht was,” antwoordde mevrouw March met een zucht en een glimlach, terwijl zij Jo’s verwarde lokken gladstreek en in orde bracht.
“Hoe hebt u geleerd u te bedwingen? Dat kost mij de meeste moeite—want de scherpe woorden ontvallen me, voordat ik weet wat ik doe; en hoe meer ik zeg, des te erger wordt het, totdat het me goed doet het gevoel van anderen te kwetsen en verschrikkelijke dingen te zeggen. Vertel mij toch eens, Moes, hoe u het aanlegt.”
“Mijn goede moeder hielp mij altijd—”.
“Zooals u ons helpt,”—viel Jo haar met een dankbaren kus in de rede.
“Maar ik verloor haar, toen ik nog maar iets ouder was dan jij nu, en moest jarenlang alleen voortsukkelen, want ik was te trotsch om mijn zwakheid aan iemand anders te bekennen. Ik had een moeilijken tijd, Jo, en stortte veel bittere tranen over mijn tekortkomingen; want in weerwil van mijn pogingen scheen ik toch nooit vooruit te komen. Toen kwam je vader, en voelde ik me zoo gelukkig, dat het mij gemakkelijk viel goed te zijn. Maar weldra, toen ik vier dochtertjes om mij heen had, en we arm werden, begon de oude strijd opnieuw; want ik ben van natuur niet geduldig en het kostte me heel veel, als ik zag, dat mijn kinderen niet alles hadden, wat ze verlangden.”
“Arme Moeder! wie heeft u toen geholpen?”
“Vader, Jo. Hij verliest nooit zijn geduld, twijfelt nooit, klaagt nooit, maar hoopt altijd, en werkt zoo opgeruimd, dat men zich schamen moet in zijn nabijheid anders te zijn. Hij hielp mij en beurde mij op, en toonde mij aan, dat ik naar al de deugden moest streven, die ik graag mijn kleine meisjes wilde zien bezitten, want ik moest hun voorbeeld zijn. Het was gemakkelijker daarnaar te trachten ter wille van jullie, dan ter wille van mezelf; een verschrikte of verbaasde blik van een van mijn kinderen, als ik eens scherp uitviel, was mij grooter verwijt dan woorden hadden kunnen zijn; en de liefde, de achting en het vertrouwen van mijn kinderen was de heerlijkste belooning, die ik kon ontvangen voor mijn streven, om de vrouw te worden, die ik wenschte, dat ze zouden navolgen.”
“O, Moeder! als ik ooit half zoo goed word als u, zal ik tevreden wezen,” zei Jo aangedaan.
“Ik hoop, dat je veel beter zult worden, lieve kind; maar je moet waken tegen je “boezemvijand”, zooals je Vader zegt, anders zou hij je leven treurig maken, zoo niet bederven. Je hebt nu een waarschuwing gehad, onthoud die, en zoek met hart en ziel dit driftig humeur te beteugelen, voordat het je grooter droefheid en berouw veroorzaakt, dan je nu voelt.”
“Ik zal het probeeren, Moeder, ik zal wezenlijk mijn uiterste best doen. Maar u moet me helpen, het mij herinneren, en maken dat het niet tot zoo’n uitbarsting komt. Ik heb vroeger wel eens gezien, dat Vader soms zijn vinger op den mond hield, en u aanzag met een heel vriendelijk, maar ernstig gezicht; en dan klemde u altijd de lippen vast op elkaar, of ging weg; herinnerde hij er u dan aan?” vroeg Jo zacht.
“Ja, ik had hem gevraagd mij zoo te willen helpen, en Vader vergat het nooit, maar bewaarde me voor menig scherp woord door die kleine beweging en dien vriendelijken blik.”
Jo zag, dat haar moeders oogen zich met tranen vulden, en dat haar lippen beefden, terwijl ze sprak. Vreezend, dat ze te veel gezegd had, fluisterde ze hartelijk: “Deed ik er verkeerd aan, dat ik zoo op u lette en dat ik er nu van sprak? Ik was niet van plan iets onliefs te zeggen, maar het is zoo prettig u alles te vertellen wat ik denk, en me bij u zoo veilig en gelukkig te voelen.”
“Mijn lieve Jo, je mag Moederalleszeggen, want het is mijn grootste geluk en trots, als ik voel, dat mijn meisjes vertrouwen in me stellen, en weten, hoe lief ik ze heb.””
“Ik dacht, dat ik u bedroefd maakte.”
“Neen, kind, maar als ik zoo over Vader spreek, voel ik zoo diep zijn gemis, zoo duidelijk hoeveel ik hem verschuldigd ben, en hoe zorgvuldig ik waken en werken moet om zijn dochtertjes veilig en goed voor hem te bewaren.”
“En toch hebt u hem aangeraden te gaan, Moeder, en schreide niet, toen hij heenging, en u klaagt nu nooit en ziet er nooit uit, alsof u hulp noodig hebt,” zei Jo verwonderd.
“Ik gaf het beste, wat ik had, aan het land, dat ik liefheb, en bewaarde mijn tranen, tot hij vertrokken was. Waarom zou ik klagen, als we beiden slechts onzen plicht hebben gedaan, en er aan ’t einde zeker gelukkiger om zullen zijn? Als het je toeschijnt, dat ik geen hulp noodig heb, dan is dat, omdat ik een beter vriend heb dan zelfs Vader is om mij te troosten en te steunen. Mijn kind, de moeiten en verzoekingen van je leven beginnen eerst, en zullen misschien vele zijn: maar je kunt ze allen bestrijden en overwinnen, zoo je de kracht en de teederheid leert kennen van onzen hemelschen Vader, zooals je die van je aardschen vader kent. Hoe meer je Hem liefhebt en vertrouwt, des te dichter zul je je bij Hem gevoelen, en zooveel minder zul je steunen op menschelijke macht enwijsheid. Zijn liefde en zorg worden niet moede, noch veranderen; ze kunnen je nooit ontnomen worden, en zullen je, hoop ik, een bron zijn van vrede, geluk en sterkte voor het heele leven. Geloof dit van harte, en ga tot God met al je kleine zorgen en bezwaren, je zonden en lasten, even vrij en vertrouwelijk, als je tot mij gaat.”
Jo’s eenig antwoord was, dat ze haar moeder vaster omklemde, en in de stilte, die nu volgde, steeg het oprechtste gebed, dat ze ooit gebeden had, uit haar hart tot God op; want in dat droevig, maar toch zoo gelukkig uur had ze niet alleen de bitterheid van berouw en wanhoop leeren kennen, maar ook het liefelijke van zelfverloochening en zelfbeheersching, en geleid door haar moeders hand, was zij nader gekomen tot den Vriend, die ieder menschenkind welkom heet met een liefde, sterker dan die van eenig vader, teederder dan die van eenige moeder.
Amy bewoog zich en zuchtte in haar slaap, en alsof ze er naar verlangde dadelijk haar fout te herstellen, keek Jo op met een uitdrukking op haar gezicht, die er vroeger nooit op te zien was geweest.
“Ik liet de zon ondergaan over mijn toorn; ik wou haar niet vergeven, en vandaag zou het te laat geweest zijn, als Laurie ons niet geholpen had! Hoe kon ik zoo slecht zijn?” zei Jo halfluid, terwijl ze zich over haar zusje heenboog en het vochtige haar, dat op het kussen lag, streelde.
Amy sloeg haar oogen op, alsof ze de woorden gehoord had en stak de armen uit met een glimlach, die rechtstreeks doordrong tot Jo’s hart. Geen van beiden sprak een enkel woord, maar ze omhelsden elkander innig, in spijt van al de dekens, en alles werd met een hartelijken kus vergeven en vergeten.