Hoofdstuk XIII.

1Rotten Row is een breede ruiterlaan in Hyde Park (Londen).

1Rotten Row is een breede ruiterlaan in Hyde Park (Londen).

Op zekeren warmen September-namiddag lag Laurie heerlijk in zijn hangmat heen en weer te schommelen; hij was nieuwsgierig om te weten wat zijn buren toch uitvoerden, maar te lui om het te gaan onderzoeken. Laurie was uit zijn humeur, want hij had zijn dag nutteloos en onbevredigend doorgebracht en wenschte, dat hij hem nog eens over kon leven. Het warme weder maakte hem lui; hij had de hand gelicht met zijn werk, het geduld van den gouverneur tot het uiterste op de proef gesteld, zijn grootvader ontstemd door den halven middag piano te spelen, de dienstboden angst aangejaagd door geheimzinnig te kennen te geven, dat een van zijn honden dol scheen geworden, en nadat hij hooge woorden had uitgelokt met den stalknecht, over het een of ander vermeend verzuim aan zijn paard, was hij in zijn hangmat gevallen om te brommen over de “onmogelijkheid” van de wereld in het algemeen, tot de rust van den liefelijken namiddag hem, ondanks zichzelf, tot kalmte gebracht had. Naar boven starend in het groene looverdakvan een wilde kastanje, droomde hij allerlei droomen, en verbeeldde hij zich juist rond te zwalken op den oceaan bij een reis rondom de wereld, toen het geluid van stemmen hem in een oogwenk aan land bracht. Door de mazen van de hangmat glurend, zag hij de meisjes March uit het huis komen, alsof ze de een of andere expeditie gingen ondernemen. “Wat ter wereld beginnen de meisjes nou?” dacht Laurie, zijn slaperige oogen wijd opensperrend om eens goed te kijken, want er was iets vreemds aan zijn buurmeisjes. Ze hadden elk een grooten, overhangenden hoed op, een bruin linnen zak over den schouder en een langen stok in de hand. Meta droeg een kussen, Jo een boek, Bets een mandje en Amy een portefeuille. Zeer bedaard liepen ze den tuin door, het achterhekje uit, om den heuvel te beklimmen, die tusschen hun huis en de rivier lag.

“Dat is al héél leuk,” zei Laurie bij zichzelf, “een buitenpartij te houden, en mij niet eens te vragen. Ze kunnen niet met de boot gaan, want ze hebben den sleutel niet. Misschien hebben ze hem vergeten; ik zal hem even gaan brengen en meteen eens zien, wat ze uitvoeren.”

Hoewel hij een half dozijn hoeden in zijn bezit had, duurde het eenigen tijd, voor hij er een vinden kon, toen moest hij naar den sleutel zoeken, dien hij eindelijk in zijn zak vond, zoodat de meisjes al ver uit het gezicht waren eer hij de heining oversprong en hen achterna draafde. Hij nam den kortsten weg naar het schuitenhuisje en wachtte daar hun komst af, maar niemand verscheen, dus beklom hij den heuvel om het terrein eens te overzien. Deze was gedeeltelijk bedekt door een dennenboschje, en uit het dichtst van dit geboomte kwam een sterker geluid, dan het zachte ruischen der dennen en het slaperige gezang der krekels.

“Hier zit het wild,” dacht Laurie, door de takken glurend, nu geheel wakker en in zijn humeur.

De meisjes zaten lekker in de schaduw, terwijl het zonlicht door de takken speelde, een koeltje de geurige dennelucht door hun haren en langs hun gloeiende wangen blies en al de kleine boschbewoners met hun bezigheden voortgingen, alsof de Marches geen vreemdelingen maar vrienden waren. Meta die op haar kussen zat en met hare fijne handjes ijverig naaide, zag er in haar rose japonnetje op het groene gras zoo frisch en lief uit als een roos. Bets zocht ijverig naar dennenappels, waarmee de grond onder de struiken bezaaid lag, want zij maakte er allerlei aardige dingen van; Amy schetste een groep varens, en Jo breide een soldatensok terwijl ze las. Even betrok Laurie’s gezicht, toen hij bedacht, dat hij eigenlijk behoorde heen te gaan, omdat hij niet mee gevraagd was; toch bleef hij staan, ’t Scheen hem thuis zoo eenzaam toe, en dit rustige partijtje in het bosch had bijzonder veel aantrekkelijks voor hem in zijn ongedurige stemming. Hij stond zóó stil, dat een eekhoorn, bezig voedsel te zoeken, van een pijnboom vlak naasthem afkwam, maar toen met zulk een schrillen kreet terugrende, dat Bets omkeek, het verlegen gezicht tusschen de takken bemerkte, en hem met een bemoedigenden glimlach wenkte dichter bij te komen.

“Mag ik dit heiligdom binnentreden, of zou ik maar tot last zijn?” vroeg hij, langzaam naderend.

Meta trok haar wenkbrauwen op, maar Jo keek haar boos aan, en zei onmiddellijk: “Natuurlijk, mag je! We zouden je wel gevraagd hebben mee te gaan, maar we waren bang, dat je zoo’n meisjesbedenksel saai zou vinden.”

“Ik vind jullie bedenksels nooit saai, maar als Meta mij liever niet ziet, verdwijn ik.”

“Ik heb er niets tegen, wanneer je iets uitvoert; ’t is tegen de orde hier leeg te zitten,” zei Meta ernstig, maar vriendelijk.

“Zeer verplicht; ik wilallesdoen, wanneer jullie mij een poosje duldt, want het is thuis zoo saai als in de Sahara. Zal ik naaien, lezen, denneappels zoeken, teekenen, of alles te gelijk? Gij hebt slechts te bevelen, ik ben tot uw dienst gereed,” en Laurie ging zitten met zoo’n onderdanig gezicht, dat Meta verteederd werd.

“Lees dit verhaal uit, terwijl ik de hiel zet,” commandeerde Jo, hem het boek overhandigend.

“Alstublieft, juffrouw,” was het deemoedig antwoord, en Laurie las op zijn allersierlijkst om zijn dankbaarheid te toonen voor zijn toelating tot de “Nijvere-Bij-club.”

Het verhaal was niet lang, en toen hij het uitgelezen had, waagde hij het tot belooning voor de bewezen diensten een paar vragen te doen.

“Als het niet te vrijpostig is, dames, zou ik wel eens willen vragen, of deze gezellige en hoogst nuttige vereeniging pas is opgericht?”

“Mag hij het weten?” vroeg Meta aan de anderen.

“Neen, hij zal ons uitlachen,” waarschuwde Amy.

“Wat zou dat?” vroeg Jo.

“Ik wed, dat hij ’t wel aardig zal vinden,” meende Bets.

“Wel ja, natuurlijk. Ik geef jullie mijn woord, dat ik niet zal lachen. Vertel op, Jo, en wees maar niet bang!”

”’t Idée! bang voor jou? Nou, je moet weten, wespeeldenvroeger altijd den Pelgrimstocht, maar sinds verleden winter stellen wij hem inernstvoor.”

“Ja, dat weet ik,” zei Laurie, met een knikje.

“Wie heeft het je dan verteld?” vroeg Jo snibbig.

“Een geest.”

“Neen,ikheb het gedaan om hem eens te amuseeren op een avond, toen jullie allemaal uit waren, en hij zich zoo verveelde. Hij vond het niets gek; dus brom er maar niet over, Jo,” zei Bets onderdanig.

“Je kunt geen geheim bewaren. Nu, het doet er niet toe, het wint nu alweer moeite uit.”

“Ga voort, als ’t je belieft,” verzocht Laurie, toen Jo in haar werk verdiept, ontstemd voor zich bleef kijken.

“O, heeft ze ons nieuwe plan niet verteld? Nou, we hebben ons best gedaan om onzen vacantietijd niet te verlummelen, maar ieder heeft een taak op zich genomen en geprobeerd die af te krijgen. De vacantie is bijna om, onze taken af, en we zijn vreeselijk blij, dat we niet geluierd hebben.”

“Ja, dat kan ik me begrijpen,” en Laurie dacht berouwvol aan zijn eigen verbeuzelde dagen.

“Moeder heeft graag, dat wij zooveel mogelijk buiten zijn; daarom nemen we onze taak hier mee naar toe; ’t is hier heerlijk. Voor de grap stoppen we ons werk in deze zakken, zetten oude hoeden op, gebruiken lange stokken om den heuvel te beklimmen en spelen pelgrims, zooals we jaren geleden plachten te doen. Wij noemen dezen heuvel “de Berg der Verrukking”,1omdat wij van hier het heerlijke land kunnen zien, waar wij eenmaal hopen te gaan wonen.”

Jo wees het hem, en Laurie kwam overeind om te kijken. Door een opening in het hout, zag men, over de breede, blauwe rivier, de weilanden aan den overkant, verder over de buitenwijken der stad, naar de groene heuvelen, die den horizon begrensden. De zon stond al laag, en de lucht baadde zich in den prachtigen gloed van een herfstzonsondergang. Gouden en purperen wolken zweefden boven de heuvels, en hoog in de roodgekleurde lucht verhieven zich nevelige toppen, als de zilveren kerktorens van de eene of andere “Hemelsche Stad.”2

“Heerlijk!” zei Laurie zacht, want hij had een open oog voor al wat mooi was.

“Het is dikwijls zoo mooi, en we kijken er zoo graag naar, want het is nooit hetzelfde, maar altijd prachtig,” zei Amy, wenschende, dat ze het kon teekenen.

“Jo spreekt van het land, waar we eenmaal hopen te wonen; het wezenlijke land, meent ze, met varkens en kuikens en hooibergen; dat zou wel heerlijk zijn, maar ik wou, dat dat land daar in de wolken werkelijk bestond, en dat we daar eens heen konden gaan,” zei Bets peinzend.

“Jij zult wel in de Hemelsche Stad komen, Bets, wees daar maar niet bang voor,” zei Jo. “Ik ben degeen, die zal moeten strijden en werken, en klauteren en wachten, en misschien nog niet eens zal worden toegelaten.”

“Dan zul je mij tot gezelschap hebben, als je dat kan troosten. Ik zal heel wat moeten afreizen, voor ik jullie Hemelsche Stad bereik. Als ik er heel laat aankom, zul jij dan een goed woordje voor me doen, Bets?”

Een zeker iets in Laurie’s gezicht verontrustte zijn vriendinnetje,maar zij zei opgewekt, met haar vriendelijke oogen op de drijvende wolken gevestigd: “Als iemand echt verlangt er te komen, en er zijn heele leven zijn best voor doet, geloof ik, dat hij zeker zal mogen binnentreden, want ik denk niet, dat er grendels of wachters voor die poort zijn. Ik stel het me altijd voor, als op dat plaatje, waar de vriendelijke gedaanten de handen uitstrekken om den armen Christiaan3te verwelkomen, wanneer hij de rivier doorwaad heeft.”

“Wat zou het leuk zijn, als al de luchtkasteelen, die we bouwen, eens werkelijkheid werden, en wij er in konden wonen?” zuchtte Jo na eenige oogenblikken stilzwijgen.

“Ik heb er al zooveel gebouwd, dat het me moeilijk zou vallen te zeggen, welk ik per slot van rekening zou verkiezen,” zei Laurie, terwijl hij zich zoo lang als hij was op het mos liet vallen en denneappels gooide naar het eekhorentje dat hem verraden had.

“Je zou natuurlijk je lievelingskasteel moeten kiezen; wat is dat?” vroeg Meta.

“Als ik het mijne vertel, zullen jullie het dan ook doen?”

“Ja, als de anderen het ook beloven.”

“Ja, dat is goed. Nu, Laurie!”

“Zoodra ik genoeg van de wereld gezien had, zou ik in Duitschland willen gaan wonen, en zooveel van muziek genieten als ik maar kon. Ik zou zelf een groot genie willen zijn, zoodat alle menschen toestroomden om me te hooren; ik zou nooit iets van geldzaken of handel willen hooren, maar alleen genieten en leven voor de dingen waar ik van houd. Dat is mijn liefste luchtkasteel. En wat is het jouwe, Meta?”

Meta scheen het wat moeilijk te vinden het hare te vertellen; zij streek met een varentakje langs haar gezicht, alsof ze denkbeeldige muggen wilde verdrijven, terwijl zij langzaam begon: “Ik zou graag een mooi huis hebben, vol met allerlei prachtige dingen; lekker eten, mooie kleeren, smaakvolle meubels, aardige menschen en hoopen geld. Ik zou er de eigenares van moeten zijn, en het heelemaal kunnen inrichten, zooals ik wou, met veel dienstboden, zoodat ik niet hoefde te werken. Wat zou ik er van genieten! Want ik zou niet luieren, maar veel goed doen en maken dat iedereen mij liefhad.”

“En moet je geen ridder in je kasteel hebben?” vroeg Laurie ondeugend.

“Ik zei immers aardige menschen!” en Meta strikte zorgvuldig haar schoen vast, terwijl zij sprak, zoodat niemand haar gezicht kon zien.

“Waarom noem je er niet bij op, dat je een volmaakt, verstandig, beminnelijk echtgenoot wilt hebben en een paar engelachtige kinderen? Je weet best, dat je kasteel zonder dat toch niet volmaaktzou zijn,” riep de openhartige Jo, die nog geen “teedere gevoelens” koesterde, en liefdeshistories, behalve in boeken, verachtte.

“Jij zou in het jouwe niets dan paarden, inktkokers en boeken willen hebben,” zei Meta geraakt.

“Dat snap je! Ik zou een stal vol Arabische paarden willen hebben, en kamers opgehoopt met boeken, en ik zou willen schrijven uit een betooverden inktkoker, zoodat mijn werken even beroemd werden als Laurie’s muziek. Maar voordat ik mijn kasteel betrek, moet ik iets groots doen, iets heldhaftigs of ongeloofelijks, dat na mijn dood niet vergeten zal worden. Ik weet nog niet wat, maar ik ben steeds op den uitkijk, en van plan jullie allemaal nog eens te verrassen. Ik denk, dat ik boeken zal gaan schrijven en rijk en beroemd worden. Dat zou mij het best bevallen. Nou weet julliemijnlievelingsdroom.”

“En de mijne is, stil bij Vader en Moeder te blijven, en voor de anderen te helpen zorgen,” zei Bets tevreden.

“Verlang je niks anders?” vroeg Laurie.

“Nu ik mijn piano heb, ben ik volkomen tevreden; ik hoop alleen, dat we allemaal gezond en bij elkander mogen blijven, anders niets.”

“Ik heb een massa wenschen; maar de voornaamste is, schilderes te worden, en naar Rome te gaan, en prachtige schilderijen te maken, en de beste schilderes van de heele wereld te zijn,” was Amy’s nederige begeerte.

“Wat zijn we een eerzuchtig troepje! Behalve Bets, verlangen wij allemaal rijk en beroemd, en in ieder opzicht onovertreffelijk te worden. Ik zou wel eens willen weten, of we ooit een van allen onze wenschen bereiken zullen,” zei Laurie, op een grasspriet kauwend als een nadenkend kalf.

“Ik heb den sleutel van mijn luchtkasteel, maar het blijft de vraag, of ik de deur zal kunnen openkrijgen,” zei Jo geheimzinnig.

“Ik heb van het mijne ook den sleutel gekregen, maar ik mag hem niet probeeren. ’k Wou, dat de academie opvloog,” mompelde Laurie met een ongeduldige zucht.

“Hier is de mijne,” en Amy zwaaide met haar penseel.

“Ik heb er geen,” zei Meta treurig.

“Wel waar!” riep Laurie.

“Waar dan?”

“In je gezicht.”

“Nonsens, dat geeft niets.”

“Wacht maar af, of het je niet iets geven zal, dat de moeite waard is,” antwoordde Laurie, glimlachend bij de gedachte aan het aardige geheim, dat hij meende te weten.

Meta bloosde achter haar varentakje, maar vroeg niet verder en keek naar de rivier, met dezelfde verlangende uitdrukking als Brooke, den dag, waarop hij van den ridder verteld had.

“Als wij alle vijf over tien jaren nog leven, moesten we bij elkaar komen, om te zien, wiens wenschen vervuld zijn, en hoeveel naderwij er aan toe zijn dan nu,” zei Jo, die altijd met een plan gereed was.

“Och hemel, wat ben ik dan al oud—zeven-en-twintig,” zuchtte Meta, die zich als een volwassen dame beschouwde, daar ze juist zeventien was geworden.

“Jij en ik zullen zes-en-twintig zijn, Teddy; Bets vier-en-twintig en Amy twee-en-twintig; wat een eerwaardig gezelschap!” riep Jo.

“Ik hoop, dat ik tegen dien tijd iets gedaan zal hebben om trotsch op te wezen; maar ik ben zoo’n luie hond, dat ik vrees, ik zal blijven lanterfanten, Jo.”

“Je hebt maar een prikkel noodig, zegt Moeder; als je dien eenmaal hebt, zul je wel flink aan ’t werk gaan,” zegt ze.

“Zegt je Moeder dat? Bij Jupiter, ik zal het doen, zoo gauw ik er kans toe zie!” riep Laurie uit, met plotselinge geestdrift overeind komend. “Het moest mij genoeg zijn, wanneer ik Grootvader tevreden stel; en ik doe ook mijn best, maar het is tegen stroom opvaren, zie je, en dat valt niet mee. Hij wil, dat ik, net als hij vroeger, als koopman naar Indië zal gaan, maar ik laat me nog liever doodschieten; ik heb een hekel aan thee en zij en specerijen en al dien rommel, die met zijn schepen hierheen komt, en zoodra ze van mij zijn, kan ’t me niets schelen, of zij naar den kelder gaan. Grootpapa moest tevreden zijn als ik de academie afloop; wanneer ik hem vier jaar van mijn leven geef, behoorde hij mij van den handel vrij te laten; maar hij staat er op, dat ik net doe, zooals hij gedaan heeft. Als ik maar niet wegloop en mijn eigen hoofd volg, zooals mijn vader! Was er maar iemand, om bij den ouden heer te blijven, dan deed ik het morgen.”

Laurie sprak opgewonden, en keek, alsof hij bereid was bij de minste aanleiding zijn bedreiging ten uitvoer te brengen; hij ontwikkelde zich sterk, en niettegenstaande zijn onverschillige manieren, had hij den gewonen jongensafkeer van onderdanigheid, en een rusteloos verlangen zelf zijn weg door de wereld te zoeken.

“Ik zou in een van mijn eigen schepen wegzeilen en niet terugkomen, voor ik mijn fortuin beproefd had,” zei Jo, wier verbeelding geprikkeld werd bij de gedachte aan den moed, die zulk een heldenfeit vereischte, en wier sympathie dadelijk was opgewekt door wat ze het “onrecht” noemde, Teddy aangedaan.

“Dat is niet goed, Jo; zoo moet je niet spreken en Laurie mag je slechten raad niet opvolgen. Je moet doen, wat je grootvader van je verlangt,” zei Meta op haar moederlijksten toon. “Doe je best aan de academie, en wanneer hij ziet dat je hem plezier wilt doen, ben ik zeker, dat hij niet hard of onrechtvaardig tegen je zal zijn. Er is, zooals je zegt, niemand om bij hem te blijven en hem lief te hebben, en je zou het je zelf nooit vergeven, als je hem zonder zijn toestemming verliet. Laat er je niet door terneer slaan, maar doe je plicht, dan zul je tenminste net als mijnheer Brooke de voldoening hebben, dat ieder je acht en van je houdt.”

“Wat weet jij van Brooke?” vroeg Laurie, dankbaar voor den goeden raad, maar ongeduldig over de vermaning, en verlangend om, na zijn ongewone uitbarsting, het gesprek van zichzelf af te leiden.

“Alleen maar wat je Grootvader aan Moeder verteld heeft; hoe hij zorgde voor zijn moeder, tot zij stierf, en dat hij niet met een goede familie als gouverneur buitenslands wou gaan, omdat hij haar niet kon achterlaten, en dat hij nu een oude vrouw onderhoudt, die zijn moeder heeft opgepast, en er nooit tegen iemand van spreekt en altijd zoo edelmoedig en geduldig is, als een man maar wezen kan.”

“Dat is-ie, die beste kerel,” riep Laurie hartelijk, toen Meta met een kleur eindigde. “Net iets voor Grootvader, om, zonder het Brooke te laten merken, dat alles van hem uit te visschen, om het dan aan anderen te vertellen, zoodat ze van hem gaan houden. Brooke kon ook al niet begrijpen, waarom je moeder zoo aardig voor hem was, en hem met mij meevroeg, en hem op haar lieve, vriendelijke manier behandelde. Hij vond haar absoluut volmaakt, geloof ik, en was in geen dagen over jullie allemaal uitgepraat. Je had hem eens moeten hooren! Wanneer ooit mijn wenschen uitkomen, zul j’ eens zien, wat ik voor Brooke doen zal.”

“Begin nu maar liever, door hem niet dood te ergeren,” zei Meta scherp.

“Hoe weet je, dat ik dat doe, mejuffrouw?”

“Ik kan ’t altijd zien aan zijn gezicht, als hij weggaat. Wanneer je je best gedaan hebt, ziet hij er tevreden uit, en loopt hij vlug en opgewekt voorbij, maar als je hem geplaagd hebt, kijkt hij ernstig en loopt hij langzaam, alsof hij liever terug zou keeren, en het nog eens overdoen.”

“Zoo, dat is mooi! Jij houdt dus, volgens Brooke’s gezicht, een aanteekenlijst van mijn goed of slecht gedrag? Ik zie hem wel buigen en glimlachen, wanneer hij jullie huis voorbijgaat, maar ik wist niet, dat er een telegraaf tusschen jou en hem bestond.”

“Dat is ook niet zoo; wees er maar niet boos om en o! vertel hem alstjeblieft niet, dat ik iets gezegd heb. Ik zei het alleen om je te toonen, dat ik wel weet, hoe je het maakt, en wat hier gezegd wordt, is in vertrouwen gezegd, dat begrijp je,” riep Meta, ongerust over de mogelijke gevolgen van haar onnadenkende uitlating.

”Ikklik niet,” zei Laurie met zijn “hooghartig air,” zooals Jo een zekere uitdrukking noemde, die zijn mond soms aannam. “Maar wanneer Brooke voor thermometer gebruikt wordt, dien ik te zorgen dat hij altijd op “mooi weer” staat.”

“Och toe, Laurie, wees maar niet boos; ik wou eigenlijk niet preeken of zoo flauw zijn alles over te brieven; ik was alleen maar bang, dat Jo je zou aanmoedigen in gevoelens, waarover je later berouw zou hebben. Je bent zoo vriendelijk voor ons, dat we je als een broer beschouwen en alles zeggen, wat we denken; neem ’t memaar niet kwalijk, ik meende het goed!” en Meta stak hem vriendschappelijk, maar verlegen de hand toe.

Laurie drukte het handje en zei openhartig, daar hij beschaamd was over zijn oogenblikkelijke opwelling: “Ik heb eerder vergiffenis noodig; ik ben den heelen dag al uit mijn humeur. Ik vind het best, hoor, dat je mij op mijn gebreken wijst en een beetje over me “moedert;” geef er dus maar niet om, wanneer ik eens kwaad word; ik ben er je toch wel dankbaar voor.”

Om te toonen, dat hij niet beleedigd was, gedroeg Laurie zich verder zoo “beminnelijk” mogelijk; hij wond garen voor Meta op, reciteerde verzen voor Jo’s plezier, schudde dennenappels voor Bets, hielp Amy met haar varens—en bewees zoo, dat hij waardig was om tot de “Nijvere-Bij-club” te behooren. Midden onder een levendige discussie over de gewoonten van schildpadden (daar juist zoo’n beminnelijk diertje uit de rivier was komen aanwandelen), waarschuwde hen het verwijderd geluid van de bel, dat Hanna de thee gezet had, en dat zij maar juist bijtijds voor het avondeten thuis zouden kunnen zijn.

“Mag ik weerkomen?” vroeg Laurie.

“Ja, “mits gij braaf oppast en naarstig leert,” zooals de jongetjes in het A-B-C-boekje,” zei Meta glimlachend.

“Ik zal mijn best doen.”

“Dan mag je komen, en zal ik je leeren breien, zooals de Schotten; er is nu juist behoefte aan sokken,” zei Jo, terwijl ze met de hare als een blauwe, gebreide banier tot afscheid wuifde.

Terwijl Bets dien avond in den schemer voor grootvader Laurence speelde, stond “Teddy” in de schaduw voor het gordijn naar “de kleine David” te luisteren, wier eenvoudige muziek altijd zijn oproerige gedachten tot bedaren bracht, en toen hij naar den ouden man keek, zooals hij daar, met het grijze hoofd op de hand gesteund, verzonken zat in gedachten aan het verloren kind, dat hij zoo innig had liefgehad, herinnerde Laurie zich opeens het gesprek van dien middag, en zei hij tot zichzelf: “Ik zal mijn luchtkasteel opgeven en bij Grootpapa blijven, zoolang hij het verlangt, want ik ben alles wat hij nog in de wereld heeft.”

1Uit “The Pelgrims Progress.”

1Uit “The Pelgrims Progress.”

2Uit “The Pelgrims Progress.”

2Uit “The Pelgrims Progress.”

3De Pelgrim.

3De Pelgrim.

Jo had het heel druk op zolder, want de Octoberdagen begonnen koel te worden en de middagen kort. Gedurende twee of drie uur scheen de zon door het hooge venster en koesterde ze Jo, die op de oude canapé zat, met al haar papieren voor zich op een koffer uitgespreid,terwijl Knabbelaar, de lievelingsrat, langs de hanebalken wandelde, vergezeld door zijn oudsten zoon, een flinken jongen, die blijkbaar heel trotsch op zijn snorren was. Totaal verdiept in haar werk, krabbelde Jo voort, tot de laatste bladzijde vol was. Toen zette ze er haar naam onder met een sierlijken krul, en wierp haar pen neer met den uitroep:

“Daar, ik heb mijn best gedaan! Als dit niet goed genoeg is, zal ik moeten wachten, tot ik het beter kan.”

Languit op de canapé liggende las ze het manuscript nog eens zorgvuldig over, maakte hier en daar verbeteringen, versierde ’t met ettelijke uitroepteekens, die er uitzagen als kleine luchtballons, rolde toen het schrift op, bond het vast met een mooi, rood bandje, en bleef een oogenblik zitten met een peinzend gezicht, dat duidelijk toonde, hoe ernstig ze haar werk had opgevat. Jo’s lessenaar was een oude blikken poppenkeuken die met de opening tegen den muur hing. Hierin bewaarde ze haar paperassen en een paar boeken, veilig buiten bereik van Knabbelaar, die ook letterlievend van aard scheen en dit toonde, door alle boeken, die in zijn bereik vielen, af te knagen.

Uit deze blikken bewaarplaats haalde Jo nog een ander manuscript, en nadat zij beide in haar zak had gestoken, ging zij zacht de trap af, haar vrienden vrijheid latende om aan haar pennen te knabbelen en van haar inkt te proeven.

Zoo onhoorbaar mogelijk haalde ze hoed en mantel te voorschijn, ging naar het raam boven de achterdeur, klom daaruit op het lage afdak boven den ingang, kwam met een sprong in het zachte gras terecht, en bereikte langs een omweg den straatweg. Daar gekomen wachtte ze bedaard, wenkte een aankomenden omnibus en rolde naar de stad, met een buitengewoon vroolijk en geheimzinnig gezicht.

Wanneer iemand op haar gelet had, zou hij haar gedrag zeker vreemd hebben gevonden, want toen ze uitgestapt was, liep ze met vluggen pas naar een zeker nommer in een zekere, drukke straat; nadat ze met eenige moeite het huis gevonden had, stapte ze ’t voorportaal in, bekeek de morsige trap, stond een oogenblik stokstijf, en vloog toen even vlug als ze gekomen was, de straat weer uit. Deze manoeuvre herhaalde zij verscheiden malen, tot groot vermaak van een zwartoogig jongmensch, dat op zijn gemak in de vensterbank van een gebouw aan den overkant zat. Toen zij voor de vierde maal terugkwam, nam Jo een kloek besluit, trok haar hoed in de oogen en liep de trap op met een gezicht, alsof al haar tanden moesten uitgetrokken worden.

Onder andere naamplaatjes op de deurpost, was er ook een van een tandmeester, en nadat de jongeheer aan den overkant een oogenblik gestaard had op een paar kunstmatige kakebeenen, die open en dicht gingen, om de aandacht op een prachtig stel tanden te vestigen, trok hij zijn jas aan, nam zijn hoed, en posteerde zichin de deur aan den overkant, terwijl hij met een glimlach en een rilling bij zichzelf zei:

“Net iets voor haar om alleen te komen, maar als ze veel pijn heeft gehad, mag er toch wel iemand zijn om haar naar huis te brengen.”

Na tien minuten kwam Jo de trap afdraven met een rood gezicht en heelemaal het voorkomen van iemand, die pas de een of andere vuurproef heeft doorstaan. Toen ze het jongemensch zag, scheen ze de ontmoeting alles behalve aangenaam te vinden, en liep ze hem met een knikje voorbij, maar hij volgde haar en vroeg medelijdend:

“Was het heel erg?”

“Neen, zoo heel erg niet.”

“Je bent er nogal gauw afgekomen.”

“Ja, den hemel zij dank!”

“Waarom ben je alleen gegaan?”

“Ik wou niet, dat iemand het wist.”

“Jij bent toch het wonderlijkste wezen, dat ik ooit gezien heb! Hoeveel heb j’er laten trekken?”

Jo keek haar vriend aan, alsof ze hem niet begreep, en begon toen te lachen, alsof hij iets bijzonder grappigs gevraagd had.

“Ik wou er graag twee uit hebben, maar ik moet tot de volgende week wachten.”

“Waar lach je om? Je voert iets kwaads in ’t schild, Jo,” zei Laurie, op een dwaalspoor gebracht.

“En jij ook. Wat deed je daar, jongmensch, in dat café?”

“Ik vraag excuus, mejuffrouw, het was geen café, maar een schermschool, waar ik les neem.”

“Daar ben ik blij om.”

“Waarom?”

“Dan kun je ’t mij leeren; en wanneer we dan Hamlet opvoeren, kun jij Laertes zijn, en kunnen we dat gevecht mooi voorstellen.”

Laurie barstte uit in zoo’n hartelijk gelach, dat verscheiden voorbijgangers huns ondanks glimlachten.

“Ik zal het je leeren, of we Hamlet spelen of niet; het is een heerlijke sport en het zal je spieren stalen. Maar ik geloof niet, dat dit de eenige reden was, waarom je zoo gedecideerd zei: “Daar ben ik blij om. Was het wel?”

“Neen, ik was blij, dat het geen café was, omdat ik hoop, dat je nog niet naar zulke gelegenheden gaat. Doe je ’t wel eens?”

“Niet dikwijls.”

“Ik wou, dat je ’t nooit deedt.”

“Er steekt niets in, Jo; ik heb thuis wel een biljart, maar er is niets aan, wanneer je geen goede spelers hebt, en omdat ik het graag doe, kom ik er wel eens om een partij met Ned Moffat, of een van de anderen te spelen.”

“Och heden, dat spijt mij, want je zult er al meer en meer vangaan houden, er je tijd en geld mee verspelen, en net als die akelige jongens worden. Ik had zoo’n hoop, dat jij degelijk zou blijven en je vrienden eer aan je zouden beleven,” zei Jo, met moederlijke bezorgdheid haar hoofd schuddende.

“Kan een jongmensch zich niet eens een onschuldige uitspanning veroorloven, zonder zijn aanspraak op “degelijkheid” te verbeuren?” vroeg Laurie eenigszins geraakt.

“Dat hangt er van af, hoe en waar hij zich die veroorlooft. Ik houd niet van Ned en zijn club, en ik wou, dat jij je daar buiten hieldt. Moeder wil niet, dat hij bij ons aan huis komt, hoe graag hij ook wil, en als jij wordt als hij, zou ze niet meer toelaten, dat we zooveel pretjes met elkander hadden.”

“Kom!” zei Laurie, maar hij was wel wat ongerust.

“Neen, ze kan dat soort van uitgaande heertjes niet uitstaan, en ze zou ons, geloof ik, nog liever alle vier in hoedendoozen pakken, dan ons met hen te laten omgaan.”

“Nou, je moeder heeft vooreerst haar hoedendoozen nog niet voor den dag te halen, ik ben niet van dat slag, en ik verlang er niet toe te behooren, maar ik houd nu en dan wel eens van een onschuldig amusementje, en jij?”

“O, daar heeft natuurlijk niemand iets tegen; maak pret naar hartelust; als je maar niet “losbandig” wordt, want dan is er een eind aan al ons plezier.”

“Ik beloof je, een driedubbele heilige te worden.”

“Ik houd niet van heiligen, blijf maar een gewone, gezellige, nette jongen, dan zullen wij je nooit in den steek laten. Ik weet niet wat ik zou beginnen, als jij zooiets deed als de zoon van mijnheer King; hij had overvloed van geld, zoodat hij niet wist, wat hij er mee doen moest, en hij ging drinken en spelen en liep weg, en maakte valsche wissels op den naam van zijn vader, geloof ik, en was in ieder geval zoo slecht mogelijk.”

“Je denkt dus, dat ik waarschijnlijk ook zoo doen zal? Zeer verplicht.”

“Neen, dat denk ik niet, zeker niet! maar ik hoor oude menschen soms zeggen, dat veel geld hebben zoo verleidelijk is, en dan zou ik maar wenschen, dat je arm was; dan hoefde ik niet ongerust over je te zijn.”

“Bèn je dan ongerust over me, Jo?”

“Ja, een beetje, als je zoo somber en ontevreden kijkt, zooals je soms doet; want je hebt zoo’n vasten wil, en wanneer je eenmaal den verkeerden weg opging, zou het moeilijk zijn je tegen te houden.”

Laurie liep een paar minuten zwijgend voort, en Jo keek hem eens van ter zijde aan, wenschende dat ze haar mond gehouden had, want de uitdrukking van zijn oogen was alles behalve vriendelijk, hoewel hij nog glimlachte, alsof hij met haar waarschuwingen den spot dreef.

“Ben je van plan den heelen weg over te preeken?” vroeg hij opeens.

“Natuurlijk niet—waarom?”

“Omdat ik, als je ’t van plan bent, in een omnibus stap; maar als j’er mee ophoudt, loop ik liever met je, om je iets belangrijks te vertellen.”

“Ik zal niet meer preeken, en ik verlang vreeselijk het nieuws te hooren.”

“Mooi, vooruit dan maar. ’t Is een geheim, en als ik ’t je vertel, moet je mij het jouwe ook vertellen.”

“Ik heb er geen,” begon Jo, maar hield plotseling op, zich herinnerende, dat ze er wel een had.

“Je weet wel beter; je kunt je toch niet goed houden! Voor den dag er dus mee, of ik vertel jou ook niets!” riep Laurie.

“Is het jouwe een aardig geheim?”

“Of het, en allemaal over menschen die je kent; zóó leuk! Jemoethet weten, en ik heb al lang van verlangen gebrand om het je te vertellen. Kom, jij moet beginnen.”

“Zul je er thuis niet over spreken?”

“Geen woord.”

“En er mij in ’t geheim ook niet mee plagen?”

“Ik plaag nooit.”

“Ja, dat doe je wel. Je kunt alles wat je weten wilt uit de menschen krijgen. Ik weet niet, hoe je het aanlegt, maar je bent een geboren flikflooier.”

“Dank je. Kom er nou maar mee voor den dag.”

“Nou, ik heb twee verhalen gebracht aan den uitgever van een courant, en hij zal mij de volgende week antwoord geven,” fluisterde Jo in het oor van haar vertrouweling.

“Hoera, voor juffrouw March, de beroemde Amerikaansche schrijfster!” riep Laurie, zijn hoed in de lucht gooiend en hem weer opvangend, tot groot vermaak van twee ganzen, vier katten, vijf kippen en een half dozijn Iersche kinderen; want ze waren nu buiten de stad gekomen.

“Stil, er zal denkelijk niets van komen, maar ik had geen rust, voor ik het geprobeerd had, en ik heb er niets van gezegd, omdat ik niet wou dat iemand anders teleurgesteld zou worden.”

“Ze nemen het natuurlijk aan! Wel Jo, jouw verhalen zijn Shakespeare waardig, vergeleken bij de prullen, die dagelijks verschijnen. Aardig ze in druk te zien! Wat zullen we trotsch zijn op onze schrijfster!”

Jo’s oogen schitterden, gestreeld dat Laurie vertrouwen in haar stelde, want de lof van een vriend doet meer goed dan een half dozijn vleierijen in de courant.

“En nu jouw geheim? Eerlijk opbiechten, Teddy, of ik geloof je nooit meer,” zei ze, terwijl ze haar best deed de blijde hoop te onderdrukken, die bij Laurie’s woord van aanmoediging opvlamde.

“Ik werk er me misschien in wanneer ik het vertel, maar ik heb niet beloofd, dat ik hetnietvertellen zou, en dus zal ik het maar doen, want ik voel me altijd bezwaard, tot ik je elk kruimeltje nieuws dat ik te weten kom, verteld heb.—Ik weet waar Meta’s handschoen is.”

“Is dàt alles?” riep Jo teleurgesteld, toen Laurie met een geheimzinnig gezicht bleef knikken en knipoogen.

“Dat is meer dan voldoende voor ’t oogenblik; en dat zul je met me eens zijn, zoo gauw je weet, waar hij is.”

“Zeg het dan.”

Laurie bukte en fluisterde Jo drie woorden in het oor, die eene komieke verandering teweegbrachten. Zij stond hem eenige oogenblikken verbaasd en verontwaardigd aan te staren en liep toen voort, terwijl zij op scherpen toon vroeg:

“Hoe weet je dat?”

“Gezien.”

“Waar?”

“In zijn zak.”

“Al dien tijd?”

“Ja; is ’t niet romantisch?”

“Neen, ’t is afschuwelijk!”

“Vindt je ’t niet aardig?”

“Neen,natuurlijkniet; ’t is bespottelijk, het mag niet. Genade! Wat zal Meta er van zeggen?”

“Je mag het niemand vertellen, onthoud dat.”

”’k Heb niks beloofd.”

“Dat sprak vanzelf, en ik heb je vertrouwd.”

“Goed, dan zal ik het ten minste vooreerst niet doen, maar ik vind het afschuwelijk, en ik wou dat je ’t mij niet verteld hadt.”

“Ik dacht dat je ’t juist aardig zou vinden!”

“Aardig? Dat iemand Meta wil komen weghalen! Hoe bedenk je ’t.”

“Je zou het misschien aardiger vinden, als er iemand kwam om jou weg te halen,” plaagde Laurie.

“Ik zou ’t wel eens iemand willen zien probeeren!” riep Jo uitdagend.

“Ik ook,” grinnikte Laurie.

“Ik ben niet voor geheimen geschikt, geloof ik; ’t is of er een pak op mijn hart ligt, sedert je ’t mij verteld hebt,” zuchtte de ondankbare Jo.

“Loop dan maar eens hard den heuvel met me af, dan zul je wel weer in orde zijn,” stelde Laurie voor.

Nergens was iemand te zien; de dalende weg zag er zoo uitlokkend uit, dat Jo, voor de verzoeking bezwijkend, als een pijl uit den boog vooruit vloog, hoed en kam verliezende, en overal haarspelden rondstrooiend. Laurie bereikte het eindpunt het eerst, volkomen tevreden over de uitwerking van zijn voorschrift, wantdaar kwam zijn Atalante aanvliegen met fladderende haren, schitterende oogen, blozende wangen en geen spoor van ontevredenheid meer op het gezicht.

“Ik wou dat ik een paard was; dan zou ik in deze heerlijke lucht uren lang kunnen voorthollen, zonder buiten adem te raken. Het was goddelijk, maar ik zie er nu ook uit als een vogelverschrikker. Toe, ga al mijn verloren schatten eens oprapen, engel, die je bent,” hijgde Jo, neervallende onder een ahornboom, die het gras met zijn schitterend roode bladen bezaaide.

Laurie wandelde op zijn gemak terug om “de verloren schatten” te gaan zoeken, en Jo stak haar vlechten op, in de hoop, dat er niemand voorbij mocht komen, eer ze weer presentable was. Maar erkwamiemand voorbij, en wel niemand anders dan Meta, die er bijzonder damesachtig uitzag in haar beste plunje, want ze had visites gemaakt.

“Kind, wat voer je uit!” riep zij, haar ontredderde zuster met verbazing bekijkende.

“Bladen zoeken,” zei Jo, de handvol roode bladeren sorteerende, die zij gauw had opgeraapt.

“En haarspelden,” zei Laurie, terwijl hij er een half dozijn op Jo’s schoot gooide. “Die groeien hier langs den weg, Meta, net als kammen en bruine stroohoeden.”

“Je bent weer aan ’t draven geweest, Jo; hoekonje het doen? Wanneer zul je toch die jongensmanieren eens afschaffen,” zei Meta berispend, terwijl ze haar dasje verschoof en haar haar gladstreek.

“Niet voordat ik oud en stijf ben en een kruk noodig heb. Doe maar niet je best om me voor den tijd oud te maken, Meta; het is al erg genoeg, dat jij zoo op eens veranderd bent; laat mij maar een kind blijven, zoolang ik kan.”

Terwijl ze dit zei, boog Jo zich over haar bladen om het beven van haar lippen te verbergen; want in den laatsten tijd had ze wel gevoeld, dat Meta gauw een jonge dame zou zijn, en Laurie’s geheim maakte haar bang voor de scheiding, die eenmaal komen moest en nu zoo nabij scheen. Hij zag haar ontroering en trachtte Meta’s aandacht af te leiden door haar te vragen:

“Waar heb jij, zoo sierlijk uitgedost, visites gemaakt?”

“Bij de Gardiners; en Sallie heeft me alles van het huwelijk van Belle Moffat verteld. Het was prachtig geweest en ze zijn den winter in Parijs gaan doorbrengen; denk eens aan wat heerlijk!”

“Benijd je haar, Meta?” vroeg Laurie.

“Ik vrees van ja.”

“Daar ben ik blij om,” mompelde Jo, terwijl ze met een ruk haar hoed rechtzette.

“Waarom?” vroeg Meta verwonderd.

“Omdat je, als je op rijkdom gesteld bent, nooit hals over kop met een arm man zult trouwen,” zei Jo, haar wenkbrauwen fronsendtegen Laurie, die haar zwijgend trachtte te waarschuwen, om toch niets ondoordachts te zeggen.

“Ik zal nooithals-over-kopmetiemandtrouwen,” zei Meta, zoo waardig mogelijk vooruitstappend, terwijl de anderen lachend, fluisterend en steentjes gooiend volgden, en zich “aanstelden als kinderen”, zooals Meta bij zichzelf zei, hoewel ze zeker lust gehad zou hebben mee te doen, wanneer ze niet haar beste japon had aangehad.

Gedurende een paar weken gedroeg Jo zich zoo wonderlijk, dat haar zusters niet wisten, wat van haar te denken. Ze vloog naar de deur, als de postbode schelde, was opvallend onvriendelijk jegens mijnheer Brooke, wanneer ze hem ontmoette, kon soms een heele poos Meta weemoedig zitten aanstaren en dan plotseling opstaan, om haar door elkaar te schudden en haar dan op eens weer te omhelzen, alles op een even raadselachtige manier. Laurie en zij maakten altijd allerlei teekens en zinspelingen tegen elkander en praatten over “vliegende adelaars,” tot de meisjes verklaarden, dat ze beiden hun verstand verloren hadden. Op den tweeden Zaterdag, nadat Jo het raam was uitgeklommen, keek Meta, die op de veranda zat te naaien, verontwaardigd, toen ze zag hoe Laurie Jo najoeg, den heelen tuin rond, en haar eindelijk in Amy’s priëel gevangen nam. Wat daar voorviel, kon Meta niet zien, maar ze hoorde een luid gelach, gevolgd door een gemurmel van stemmen en een eindeloos geritsel met couranten.

“Wat zullen we toch met dat kind doen! Zij zal zichnooitals een volwassen meisje leeren gedragen,” zuchtte Meta, den wedren met een afkeurend gezicht volgend.

“Dat hoop ik ook niet; ze is juist zoo grappig en zoo lief, zooals ze is,” zei Bets, die nooit liet blijken, dat ze een beetje gegriefd was door Jo’s geheimen met een ander.

“Ja, ’t is vervelend, maar we zullen haar nooitcomme la fokunnen maken,” voegde Amy er bij, die een paar nieuwe strikjes voor zich zelf zat te naaien, en haar krullen bijzonder netjes opgemaakt had—twee aangename dingen, die haar een gevoel gaven van buitengewone élegantie en groote-damesachtigheid.

Een paar minuten daarna stoof Jo naar binnen, viel op de canapé neer en deed alsof ze las.

“Heb je daar iets moois?” vroeg Meta neerbuigend.

”’t Is maar een verhaaltje, het beteekent niet veel, geloof ik,” antwoordde Jo, terwijl ze zorgvuldig den naam van het nieuwsblad bedekt hield.

“Lees het liever hardop, dan hooren wij het meteen en heb je zelf iets te doen,” zei Amy op haar deftigsten toon.

“Hoe heet het?” vroeg Bets, verwonderd dat Jo haar gezicht achter het blad verborgen hield.

“De Schilders-Wedstrijd.”

“Dat kan wel aardig zijn; lees het maar,” zei Meta.

Na een luid: “hm hm!” en een diepe ademhaling begon Jo zeer snel te lezen. De meisjes luisterden met belangstelling, want het verhaal was romantisch en eindigde heel aandoenlijk, daar de meeste personen tegen het slot stierven.

“Dat over dat prachtige schilderij is een mooi eindje,” zei Amy, toen Jo ophield.

“Ik vind de liefdesgeschiedenis bizonder goed. Viola en Angelo zijn twee van onze geliefkoosde namen; toevallig hè?” zei Meta, haar oogen afvegende, want de liefdesgeschiedenis was héél tragisch.

“Wie heeft het geschreven?” vroeg Bets, die een oogenblik Jo’s gezicht te zien had gekregen.

De lezeres kwam plotseling overeind, wierp het blad weg, waardoor een vuurrood hoofd voor den dag kwam en antwoordde, met een comische mengeling van plechtigheid en bedwongen pret:

“Je zuster!”

“Jij!” riep Meta en liet haar werk vallen.

“Het is héél goed,” zei Amy critisch.

“Ik wist het wel! ik wist het wel! O, mijn lieve Jo, wat ben ik trotsch op je,” en Bets vloog op haar zuster toe om haar te omhelzen, in haar innige vreugde over dit heerlijk succes.

Wat waren ze allemaal gelukkig! Meta kon het niet gelooven, voor ze den naam: “Josefine March” wezenlijk in de courant gedrukt zag; Amy critiseerde genadig de gedeelten, die over de schilderkunst handelden, en gaf aanwijzingen voor een vervolg, dat ongelukkig niet tot stand kon komen, daar de held en de heldin beiden dood waren; Bets was meer dan opgewonden en danste en zong van plezier; en toen Hanna binnenkwam riep ze: “Wel lieve ziel, heb ik ooit!” in groote verbazing over “dat gedoe van die Jo.” Hoe trotsch mevrouw March was, toen ze het vernam, laat zich denken, en Jo stond met tranen in de oogen te lachen, en verklaarde, dat ze nog een pauw zou worden en dat het nu genoeg was, terwijl van “de Vliegende Adelaar” gezegd kon worden, dat hij zijn vleugelen triomfantelijk over den huize March uitspreidde, daar het aldus genoemde nieuwsblad haastig van hand tot hand ging.

“Vertel nu eens alles! Wanneer is het gekomen? Hoeveel heb j’er voor gekregen? Wat zal Vader zeggen! En wat zal Laurie lachen!” riep de familie in één adem, terwijl ze zich om Jo verdrongen, want de Marches maakten een jubilé van elke kleine huiselijke vreugde.

“Houd op met dat gekakel, kinderen dan zal ik jullie alles vertellen,” zei Jo, die wel eens zou willen weten of bekende schrijfsters even trotsch waren geweest op hun eersteling als zij op haar “Schilders-wedstrijd.” Nadat zij verteld had, hoe ze er met haar verhalen op uit was gegaan, vervolgde ze: “En toen ik het antwoord ging halen, zei de man, dat hij ze beide goed vond, maar dat hij eerst-beginnenden niet betaalde, en alleen maar de verhalen in zijn bladplaatste en recenseerde. Het was eene goede oefening, zei hij, en wanneer een auteur vooruitging, kon hij overal honorarium krijgen. Ik liet hem dus mijn twee verhalen houden, en vandaag werd mij dit blad toegezonden en Laurie ving mij juist op, toen ik het had, en hij wou het met alle geweld zien, en hij zei, dat het goed was, en nu ga ik meer schrijven en Laurie zal maken, dat ik voor het volgende betaald word; en o!—ik ben zóó blij, want mettertijd zal ik misschien in staat zijn om voor me zelf te zorgen en de zusjes te helpen.”

Hier geraakte Jo buiten adem, en haar hoofd in de courant verbergend, besproeide ze haar verhaal met een paar gelukkige tranen; want onafhankelijk te zijn en den lof in te oogsten van hen, die ze liefhad, waren de wenschen van haar hart en dit scheen haar de eerste stap naar dat heerlijke einde.


Back to IndexNext