Hoofdstuk XV.

“November is de naarste maand van het heele jaar,” zei Meta, terwijl ze op een somberen achtermiddag aan het raam stond en in den bevroren tuin keek.

“Daarom ben ik er zeker in geboren,” liet Jo er peinzend op volgen, geheel onbewust van een inktvlek op haar neus.

“Wanneer er nu eens iets heel plezierigs gebeurde, zouden we het juist een heerlijke maand vinden,” zei Bets, die aan alles, zelfs aan November, eene lichtzijde zag.

“Misschien, maar in deze familie gebeurt nooit eens iets plezierigs,” vond Meta, die uit haar humeur was. “Wij sloven dag aan dag voort zonder eenige wisseling en maar zelden een pretje. We konden evengoed in een tredmolen loopen.”

“Verschrikkelijk, wat zijn we somber!” riep Jo uit. “Het verbaast me niet, arme stakkerd, want je moet maar aanzien hoeveel plezier andere meisjes hebben, terwijl jij maar slooft, slooft, slooft, jaar in, jaar uit. O, ik wou, dat ik maar alles zoo netjes voor je regelen kon, als voor mijn heldinnen. Je bent al mooi en goed genoeg, dus zou ik je dadelijk van den een of anderen rijken bloedverwant een groote erfenis laten krijgen, en je voor den dag laten komen als een rijke, jonge dame, die ieder, die je beleedigd had, met den nek kon aanzien, buitenlands gaan en op een goeden dag terugkeeren als Barones die of die, in oogverblindende pracht en heerlijkheid.”

“Op die manier krijgen de menschen tegenwoordig geen erfenissen meer; mannen moeten voor geld werken, en vrouwen moetenvoor geld trouwen. Het is een gruwelijk onrechtvaardige wereld,” zei Meta bitter.

“Jo en ik zullen voor ons allen fortuin maken; wacht maar eens tien jaar, en dan zul je zien, of het niet waar is,” riep Amy, die in een hoek “modderpastijtjes” zat te maken, zooals Hanna haar modellen in klei, van vogels, vruchten en gezichten noemde.

“Ik kan niet zoolang wachten, en ik vrees, dat ik ook niet veel vertrouwen heb in inkt en modder, hoewel ik dankbaar ben voor je goede bedoelingen.”

Meta zuchtte en keerde zich weer naar den doodschen tuin. Jo geeuwde en leunde in een verslagen houding met de beide ellebogen op tafel, maar Amy werkte vol vuur door, en Bets, die aan het andere raam zat, zei glimlachend: “Er zullen dadelijk twee prettige dingen gebeuren: Moedertje komt de straat af en Laurie holt door den tuin, alsof hij iets plezierigs te vertellen heeft.”

Beiden kwamen binnen; mevrouw Maren met de gewone vraag: “Ook een brief van Vader, meisjes?” en Laurie om op zijn onweerstaanbare manier te vragen: “Hebben niet een paar van jullie lust in een ritje? Ik heb mathesis zitten blokken, tot mijn hoofd suf is, en ga mijn hersens eens opfrisschen door een flinken toer. Het is wel druilig, maar niet erg koud, en ik mag Brooke naar huis brengen, dus zal het van binnen vroolijk zijn, al is het dan ook van buiten somber. Kom Jo, jij en Bets gaan wel mee, is ’t niet, of Meta en Amy?”

“Natuurlijk, graag!”

“Dank je, ik heb het te druk,” en Meta haalde haar werkmandje voor den dag, want ze had haar Moeder moeten toestemmen, dat het ’t verstandigste was, niet al te dikwijls met den jongen buurman uit rijden te gaan.

“Wij drieën zullen in een minuut klaar zijn,” zei Amy, wegloopende om haar handen te wasschen.

“Kan ik ook iets voor u doen,Madame Mère?” vroeg Laurie, terwijl hij over den stoel van mevrouw March leunde met den hartelijken blik, waarmee hij haar altijd aankeek.

“Neen, dank je, behalve een boodschap naar het postkantoor, als je zoo vriendelijk wilt zijn, jongenlief. Het is onze gewone dag voor een brief, en de postbode is er niet geweest. Vader is zoo geregeld als de zon, maar misschien is er vertraging onderweg.

“Een luide bel deed zich hooren en een oogenblik daarna kwam Hanna binnen met een enveloppe.”

“Het is zoo’n akelig ding, zoo’n telegram, mevrouw,” zei ze, terwijl ze het couvert overhandigde, alsof ze bang was, dat het zou losbarsten en brand veroorzaken.

Bij het woord “telegram”, greep mevrouw March het haar uit de hand, las de twee regels, die het bevatte en zonk achterover in haar stoel, zoo bleek alsof dat stukje papier haar een kogel door het hart had geschoten. Laurie vloog naar de keuken om waterte halen, terwijl Meta en Hanna haar ondersteunden en Jo met bevende stem voorlas:

Mevrouw March.Uw Echtgenoot ernstig ziek. Kom onmiddellijk.S. Hale.Blank Hospitaal, Washington.

Mevrouw March.

Uw Echtgenoot ernstig ziek. Kom onmiddellijk.

S. Hale.Blank Hospitaal, Washington.

Hoe stil was het in de kamer, terwijl ze ademloos luisterden; hoe donker scheen het eensklaps buiten te worden, en hoe plotseling scheen de heele wereld te veranderen, terwijl de meisjes zich om hun moeder drongen, met een gevoel, alsof al het geluk en de veiligheid van haar leven op het punt waren haar ontrukt te worden.

Mevrouw March herstelde zich dadelijk weer; ze las de tijding over en strekte de armen naar haar dochters uit, terwijl ze op een toon, dien zij nimmer vergaten, zei: “Ik zal dadelijk gaan, maar het kan misschien al te laat zijn; o, kinderen, kinderen! helpt het mij dragen!”

Gedurende eenige minuten hoorde men niets in de kamer dan snikken, vermengd met afgebroken troostwoorden, teedere verzekeringen en hoopvol gefluister, dat in tranen wegstierf. De arme Hanna was de eerste, die tot bedaren kwam en zonder het zelf te weten de anderen een goed voorbeeld gaf; want voor haar was werken het onfeilbare middel tegen verdriet.

“God beware den goeden man! Ik wil geen tijd meer verdoen met huilen, maar dadelijk uw goed bij elkander halen, mevrouw,” zei zij hartelijk, terwijl ze haar gezicht met haar boezelaar afdroogde, haar mevrouw met haar vereelte vingers een warmen handdruk gaf, en aan het werk ging met een ijver voor drie.

“Ze heeft gelijk, er is nu geen tijd voor tranen. Weest bedaard, meisjes, en laat me eens nadenken.”

Het viertal trachtte bedaard te zijn, terwijl hun moeder bleek maar kalm opstond, en haar smart op zij zette om de noodige schikkingen te maken.

“Waar is Laurie?” vroeg ze, toen ze haar gedachten verzameld had en naging, wat het eerst gedaan moest worden.

“Hier, mevrouw; o, kan ik iets voor u doen?” riep Laurie, die haastig uit de andere kamer kwam, waar hij zich had teruggetrokken, gevoelende, dat die eerste droefheid te heilig was, dan dat zelfs zijn oogen die mochten zien.

“Zend een telegram, dat ik dadelijk zal komen. De eerstvolgende trein gaat morgen vroeg. Dien zal ik nemen.”

“Hebt u nog iets? De paarden staan klaar; ik kan overal heengaan,—alles doen,” en hij zag er uit, alsof hij gereed was naar het einde der wereld te vliegen.

“Een briefje brengen bij Tante March. Jo, geef me even pen en papier.”

Jo scheurde den witten kant van een pas beschreven blad af en schoof de tafel voor haar moeders stoel, wel wetende dat het geld voor de lange, droevige reis geleend moest worden, en met een gevoel of ze alles zou willen doen, om iets toe te voegen aan de kleine som voor haar vader.

“Ga nu, beste jongen; maar krijg geen ongeluk door al te hard rijden; dat hoeft niet.”

Deze waarschuwing had mevrouw March kunnen sparen, want vijf minuten later stoof Laurie op zijn eigen paard voorbij, rijdende alsof zijn leven er mee gemoeid was.

“Jo, ga naar de vergadering om Mevrouw King te zeggen, dat ik niet komen kan. Haal onderweg deze dingen. Ik zal ze opschrijven; ze zijn misschien noodig en ik moet alles zooveel mogelijk bij me hebben. De hospitalen zijn niet altijd goed voorzien. Bets, ga jij een paar flesschen ouden wijn vragen aan Mijnheer Laurence; ik ben niet te trotsch om iets voor Vader te vragen; hij moet van alles het beste hebben. Amy, zeg aan Hanna, dat ze den zwarten koffer van boven haalt en Meta, help jij me mijn goed krijgen, want ik ben half versuft.”

En geen wonder dat de arme mevrouw versufte door ’t schrijven, denken en aanwijzingen geven. Meta smeekte haar een oogenblik stil in haar kamer te gaan zitten, en hen te laten werken. Allen vlogen uit elkander als bladeren voor den wind, en de rust van ’t gezin was plotseling verstoord, alsof het telegram een boosaardige tooverroede geweest was.

De oude heer Laurence kwam onmiddellijk met Bets terug en bracht alle verkwikkingen voor den zieke mede, die hij kon verzinnen, en beloofde gedurende de afwezigheid der moeder voor de meisjes te zullen zorgen, hetgeen mevrouw March zeer gerust stelde. Er was niets wat hij niet aanbood, van zijn eigen kamerjapon tot zijn geleide toe. Maar dit laatste was onmogelijk. Mevrouw March wilde er niet van hooren, dat de oude heer die lange reis zou ondernemen, hoewel ze eerst zeer verlicht scheen, toen hij er van sprak, want wanneer men angstig is, is men niet heel geschikt voor verre reizen. Hij zag den blik, fronste de wenkbrauwen, wreef zijn handen en stond plotseling op, zeggende dat hij dadelijk zou terugkomen. Niemand had meer tijd om aan hem te denken, totdat Meta, die met een paar overschoenen in de eene, en een kopje thee in de andere hand de gang doorliep, plotseling op Brooke stuitte.

“Wat droevig nieuws, juffrouw March,” zei hij op een hartelijken, kalmen toon, die haar in haar onrust weldadig toeklonk. “Ik kom om uw moeder mijn geleide aan te bieden. Mijnheer Laurence heeft iets voor me te doen in Washington, en het zal me een groote voldoening zijn, wanneer ik mevrouw March van dienst kan wezen.”

De overschoenen vielen op den grond, en bijna volgde de thee hun voorbeeld, terwijl Meta hem de hand reikte, met een gezichtzoo blij en dankbaar, dat Brooke zich ruimschoots beloond zou achten voor een nog veel grooter opoffering, dan die van wat tijd en gemak.

“Wat is iedereen vriendelijk, Moeder zal het zeker aannemen; en het is zoo’n rust voor ons te weten, dat er iemand bij haar is die voor haar zorgen kan. Ik dank u heel, héél hartelijk.”

Meta sprak ernstig en vergat zichzelf geheel, totdat een zeker iets in de bruine oogen haar deed bedenken, dat de thee koud kon worden, waarop ze Brooke binnen liet en zei, dat ze haar moeder roepen zou.

Alles was geregeld, toen Laurie terugkwam met een briefje van tante March, met de gevraagde som en een paar regels om te melden, dat zij altijd wel gezegd had, hoe bespottelijk het was voor March, zich bij het leger te voegen. Zij had altijd voorspeld, dat ze er spijt van zouden hebben, en ze hoopte, dat men een anderen keer naar haar raad luisteren zou. Mevrouw March wierp het briefje in het vuur, stak het geld in haar zak, en ging met vast opeengedrukte lippen voort met haar toebereidselen, op een manier, die Jo zou begrepen hebben, wanneer ze er bij was geweest.

De korte namiddag liep ten einde; al de boodschappen waren gedaan; Meta en haar moeder waren druk bezig met naaiwerk, dat nog noodig af moest, terwijl Bets en Amy voor de thee zorgden, en Hanna met vliegende vaart stond te strijken, maar nog kwam Jo niet thuis. Men begon ongerust te worden en Laurie ging uit om haar te zoeken, want niemand kon weten welken nieuwen inval Jo nu weer in het hoofd mocht gekregen hebben. Hij liep haar evenwel mis, en ze kwam weldra binnenstappen met een vreemde uitdrukking op haar gezicht, eene mengeling van spot en vrees, voldoening en spijt, die de familie evenzeer verbaasde als het rolletje banknoten, dat zij voor haar moeder neerlegde, terwijl ze op ontroerden toon zei: “Dit is mijn bijdrage om Vader al het noodige te geven en hem naar huis te brengen.”

“Maar kind, waar heb je dat gekregen? vijf-en-twintig dollars! Jo, ik hoop, dat je niets overijlds gedaan hebt!”

“Neen, het is eerlijk van mij; ik heb het niet gebedeld, geleend of gestolen. Ik heb het verdiend en ik geloof niet, dat u mij beknorren zult, want ik heb verkocht wat mijn eigendom was.”

Terwijl ze sprak, zette Jo haar hoed af, wat een algemeenen kreet uitlokte, want haar mooi, dik haar was afgeknipt.

“Je haar! je prachtige haar!” “O, Jo, hoe kon je dat doen! Je eenige schoonheid!” “Mijn lieve kind, dat was niet noodig geweest.” “Ze lijkt niets meer op mijn ouwe Jo, maar ik heb er haar des te liever om.

Terwijl allen door elkander riepen en Bets den jongensbol teeder kuste, zette Jo een onverschillig gezicht, dat evenwel niemand misleidde, en zei, terwijl ze de korte lokken opstreek en haar best deed om te kijken, alsof ze ’t plezierig vond: “Het heil der natieis er niet mee gemoeid; jammer dus maar niet, Meta. Het is goed voor mijn ijdelheid; ik werd te trotsch op mijn pruik en ’t zal mijn hersens opfrisschen, dat er niet meer zoo’n vracht op drukt. Mijn hoofd voelt heerlijk licht en koel, en de kapper zei dat ik gauw een krullebol zou krijgen; dat zal dus heel netjes staan, en gemakkelijk zijn om in orde te houden. Ik ben er tevreden mee; neemt u dus als ’t u belieft het geld en laat ons gaan eten.”

“Vertel me er alles van, Jo;ikben er niet zoo tevreden mee, hoewel ik niet op je kan knorren, want ik weet hoe gewillig je je ijdelheid, zooals je het noemt, hebt opgeofferd aan je liefde. Maar, lieveling, het was niet noodig, en ik vrees, dat het je gauw berouwen zal,” zei mevrouw March.

“Neen, dat zal het niet,” zei Jo beslist, zich verlicht voelende, dat ze om haar buitensporigheid niet heelemaal werd veroordeeld.

“Hoe kwam je er toe?” vroeg Amy, die even lief haar hoofd als haar mooie krullen zou willen missen.

“Wel, ik brandde van verlangen, om iets voor Vader te doen,” zei Jo, terwijl zij om de tafel gingen zitten, want gezonde, jonge menschen kunnen zelfs in de grootste droefheid eten. “Ik haat leenen, net als Moeder, en ik wist, dat Tante March zou zeuren; dat doet zij altijd, al vraag je haar maar om een cent. Meta had haar salaris van dit kwartaal heelemaal voor de huur gegeven, en ik had voor het mijne alleen kleeren voor mezelf gekocht. Ik voelde me dus heel egoïstisch en moest geld zien te krijgen, al zou ik er ook mijn neus voor hebben moeten verkoopen.”

“Je hoefde je niet egoïstisch te voelen, mijn kind, want je hadt geen behoorlijke winterkleeren, en je hebt ze zoo eenvoudig mogelijk voor eigen, zuur verdiend geld gekocht,” zei mevrouw March met een blik, die Jo’s hart goeddeed.

“Ik had er in ’t eerst volstrekt geen idee op om mijn haar te gaan verkoopen, maar ik liep al maar te denken, wat ik toch zou kunnen doen, en ik kreeg bijna lust om mij zelf maar eens goed uit een van die groote magazijnen te bedienen. Voor het raam van een kapper zag ik haarvlechten hangen met den prijs er aan, en een zwarte staart, die wel wat langer, maar niet zoo dik was als de mijne, kostte veertig dollar. Op eens viel het me in, dat ik tochietsbezat, wat geld waard was, en zonder er verder over na te denken, stapte ik naar binnen en vroeg of ze haar kochten, en wat dan het mijne waard zou zijn.”

“Ik weet niet, hoe je het durfde,” zei Bets op een toon vol ontzag.

“O, het was een heel klein mannetje, dat er uitzag of hij van zijn leven niets anders deed dan zijn haar parfumeeren. Hij keek eerst heel verbaasd, en was zeker niet gewoon, dat meisjes zijn winkel binnenstormden om te vragen, of hij hun haar wou koopen. Hij zei, dat hij volstrekt niet op het mijne gesteld was; het was de modekleur niet, en hij betaalde nooit veel voor levend haar; het werd pas geld waard door de bewerking. ’t Werd laat, en ik wasbang, dat, als ik het niet dadelijk deed, er niets meer van komen zou, en jullie weet, wanneer ik eens iets begin, heb ik er een hekel aan het op te geven. Ik verzocht hem dus dringend het te koopen, en vertelde hem, waarom ik zoo’n haast had. ’t Was gek misschien, maar het scheen hem te treffen, want ik werd nogal opgewonden en vertelde de zaak op mijn holderdebolder-manier, en zijn vrouw hoorde het en zei heel vriendelijk:

“Neem het maar, Thomas, om de jonge dame genoegen te doen; ik zou morgen aan den dag hetzelfde doen voor Jimmy, zoolang ik nog een spiertje haar over had.”

“Wie was Jimmy?” vroeg Amy, die graag dadelijk van alles uitleg had.

“Haar zoon, zei ze, die ook in het leger is. Wat voel je je door zooiets eigen met vreemden, hè? Ze praatte al maar door, terwijl haar man knipte, en leidde daardoor mijn gedachten kostelijk af.”

“Vondt je ’t niet vreeselijk, toen de schaar er voor ’t eerst ingezet werd?” vroeg Meta met een huivering.

“Ik sloeg nog een laatsten blik op mijn staart, terwijl de man zijn benoodigdheden kreeg, en dat was alles. Over zulke kleinigheden hoef ik nooit te schreien, maar ik moet toch zeggen, dat het me een wonderlijke gewaarwording gaf, toen ik mijn dierbare, oude pruik daar op de tafel zag liggen, en niets dan de korte vlokjes op mijn hoofd voelde. ’t Was net of me een arm of een been was afgezet. De vrouw zag, dat ik er naar keek, en gaf me een lange lok om te bewaren. Die zal ik aan u geven, Moes, om u aan mijn vorige pracht te herinneren, want een kroeskop is zoo makkelijk, dat ik niet denk, ooit weer lange manen te laten groeien.”

Mevrouw March wond de golvende, kastanjebruine lok in elkander, en sloot die met een andere, een korte grijze, weg in haar lessenaar. Ze zei niets meer dan: “Dankje, lieveling!” maar een zeker iets in haar blik deed de meisjes van onderwerp veranderen, en zoo opgeruimd mogelijk doorpraten over de vriendelijkheid van mijnheer Brooke, de waarschijnlijkheid, dat het den volgenden dag mooi weer zou zijn, en den heerlijken tijd dien ze zouden hebben, als Vader thuiskwam om opgepast te worden.

Niemand verlangde naar bed, toen mevrouw March om tien uur het laatste stuk verstelwerk neerlegde en zei: “Komt, meisjes.” Bets ging naar de piano en speelde Vader’s lievelingsgezang; allen begonnen vol moed, maar raakten een voor een van streek, zoodat ten laatste Bets alleen van ganscher harte bleef zingen, want voor haar was muziek altijd de beste troosteres.

“Gaat nu naar bed en praat niet meer, want we moeten vroeg op en hebben wel al den slaap noodig, dien we krijgen kunnen. Goeden nacht, mijn lieve kinderen,” zei mevrouw March, toen het gezang ten einde was, want niemand verlangde een tweede in te zetten.

De meisjes kusten haar zwijgend en gingen zoo stil naar bed,alsof de dierbare zieke in de andere kamer lag. Bets en Amy vielen gauw in slaap, ondanks de groote droefheid, maar Meta lag wakker, vervuld van de ernstigste gedachten, die ze nog ooit in haar jong leven had overdacht. Jo verroerde zich niet, en Meta meende dat ze sliep, toen een gesmoorde snik en het voelen van een betraande wang haar deden uitroepen:

“Jolief, wat is er? Schrei je om je vader?”

“Neen, nu niet.”

“Waarom dan?”

“Mijn—mijn haar,” barstte de arme Jo uit, terwijl ze vergeefsche pogingen deed om haar aandoening in haar kussen te smoren.

Het klonk Meta volstrekt niet belachelijk toe, en ze kuste en liefkoosde de bedroefde heldin zoo teeder mogelijk.

“Het spijt me niet,” riep Jo al snikkende. “Ik zou het morgen weer doen als ik kon. Het is alleen maar het zelfzuchtige, ijdele gedeelte van me, dat nu zoo moet schreien. Vertel het aan niemand, want het is nu al weer over. Ik dacht dat je sliep, en dat ik dus wel eens even in het geheim kermen mocht over mijn eenige schoonheid. Hoe kom jij zoo wakker te liggen?”

“Ik kan niet slapen, ik ben zoo ongerust,” zei Meta.

“Denk dan aan iets plezierigs, dan zul je wel gauw onder zeil gaan.”

“Dat heb ik al geprobeerd, maar ik blijf klaar wakker.”

“Waar heb je dan aan gedacht?”

“Aan knappe gezichten, oogen vooral,” zei Meta, stilletjes glimlachend in het donker.

“Van welke kleur van oogen houdt je het meest?”

“Van bruine—dat is te zeggen—blauwe zijn soms ook heel aantrekkelijk.”

Jo lachte, waarop Meta haar op scherpen toon verbood langer te praten, haar toen weer heel hartelijk beloofde, dat ze haar haar zou friseeren en eindelijk in slaap viel om van haar luchtkasteel te droomen.

De klok sloeg middernacht, en het was doodstil in de kamers, toen een gedaante van bed tot bed gleed, hier een deken recht leggende, daar een kussen verschikkende, en terwijl ze lang en teeder de slapende gezichtjes beschouwde, op ieder een lichten kus drukte, het hart vol van die onuitgesproken, maar innige gebeden, die slechts een moeder kan opzenden. Toen ze het gordijn ophaalde en in den somberen nacht naar buiten staarde, brak de maan plotseling door en keek haar aan, als een trouw, vriendelijk gelaat, dat haar zachtkens toefluisterde: “Houd moed; er is altijd licht achter de wolken.”

In de koude morgenschemering staken de meisjes het licht aan en lazen hun hoofdstuk met een tot nog toe ongekenden ernst, want nu de schaduw van wezenlijke droefheid op hen gevallen was, beseften ze eerst recht, hoe rijk aan zonneschijn hun leven geweest was. De kleine boekjes stonden vol woorden van hulp en troost, en terwijl ze zich aankleedden, kwamen ze overeen, blijmoedig en hoopvol afscheid te nemen, en hun moeder de reis te laten aanvaarden, zonder haar door tranen of klachten te bedroeven. Alles leek zoo vreemd, toen ze naar beneden gingen; buiten alles zoo donker en stil, binnen overal licht en beweging. Op dit vroege uur zag het ontbijt er zoo wonderlijk uit, en zelfs Hanna’s gezicht scheen onnatuurlijk, zooals ze door de keuken vloog met haar nachtmuts op.

De groote koffer stond klaar in de gang, Moeders hoed en shawl lagen op de canapé, en Moeder zelf zat daar en deed haar best om iets te eten, maar zag zoo bleek en afgemat door slapeloosheid en angst, dat het de meisjes veel moeite kostte zich dapper te houden. Meta’s oogen stonden gedurig, voordat ze het wist, vol tranen; Jo moest meer dan eens haar gezicht in den keukenhanddoek verbergen, en in de oogen van “de kleintjes” lag een ernstige, verwonderde uitdrukking, alsof droefheid nog nieuw voor hen was. Niemand sprak veel, maar toen de tijd van scheiden naderde en ze op het rijtuig zaten te wachten, zei mevrouw March tot de meisjes, die allen om haar heen bezig waren, de een met het opvouwen van haar shawl, de andere met het strikken van haar keellinten, de derde met het aantrekken van haar overschoenen, en de vierde met het sluiten van haar reistasch:

“Kinderen, ik laat jullie achter aan Hanna’s zorg en in de hoede van mijnheer Laurence; Hanna, onze oude getrouwe, zal jullie tot grooten steun zijn en onze goede buurman zal over jullie waken, alsof je zijn eigen dochters waart. Ik ga dus zonder zorg, wat dat betreft, maar ik wou zoo graag, dat jullie deze droefheid op de rechte manier beschouwden. Gaat, als ik weg ben, niet zitten treuren of klagen, en denkt niet, dat je getroost zult worden als je niets uitvoert. Zet als naar gewoonte je bezigheden voort, want arbeid is een groote troost. Blijft hopen en werken: en wat er ook gebeure, bedenkt dat je nooit geheel vaderloos kunt zijn.”

“Ja, Moeder.”

“Meta, lieve, wees voorzichtig, pas op de zusjes, raadpleeg Hanna, en wanneer je geen raad weet met het een of ander, ga dan naar mijnheer Laurence. Jo, wees geduldig, wordt niet moedeloos, en doe geen overijlde dingen; schrijf me dikwijls en wees mijn flinkedochter, altijd gereed ons allen te helpen en op te beuren. Bets, zoek je troost in de muziek, lieve kind, en wees getrouw in je huiselijke plichten, en jij, Amy, wees zooveel mogelijk behulpzaam en gehoorzaam en blijf tevreden en rustig thuis.”

“We beloven ’t u, Moeder,” verzekerde het bedroefde viertal.

Het geratel van een naderend rijtuig deed allen opschrikken en luisteren. Nu kwam het moeilijkste oogenblik, maar de meisjes stonden het moedig door; niemand schreide, niemand liep weg, niemand klaagde, hoewel ’t hun angstig te moede werd, bij het zenden van hartelijke groeten aan Vader, terwijl ze bedachten, dat het mogelijk reeds te laat was, om ze hem te kunnen overbrengen. Kalm kusten zij hun moeder vaarwel, innig omhelsden ze haar en toen ze wegreed trachtten ze haar vroolijk na te wuiven.

Laurie en zijn grootvader kwamen om haar te zien vertrekken, en de jonge Brooke zag er zoo ferm en verstandig en vriendelijk uit, dat de meisjes hem onmiddellijk “mijnheer Edelhart”1doopten.

“Vaarwel, lievelingen! God zegene en behoede ons allen!” fluisterde mevrouw March, terwijl ze het eene dierbare gezichtje na het andere kuste, en zoo spoedig mogelijk in het rijtuig stapte.

Terwijl ze wegreed, kwam de zon van achter de wolken te voorschijn, en toen zij nog eens omkeek, zag ze haar heldere stralen, als een goed voorteeken, rusten op het groepje bij het hek. De meisjes merkten het ook op en glimlachten en wuifden, en het laatste wat mevrouw March bij het omslaan van den hoek zag, waren de vier blijmoedige gezichtjes, en daarachter, als een soort van lijfwacht, de oude heer Laurence, de trouwe Hanna en de hartelijke Laurie.

“Wat is iedereen vriendelijk voor ons,” zei ze, zich tot den jongen man wendend, op wiens gezicht ze een nieuw bewijs van haar woorden vond, door het innig medegevoel dat er uit sprak.

“Ik zou niet weten hoe iemand dat kon laten,” antwoordde Brooke en lachte zoo aanstekelijk, dat mevrouw March een glimlach niet bedwingen kon; en zoo begon de reis onder de goede voorteekenen van zonneschijn en opwekkende woorden.

“Ik heb een gevoel of er een aardbeving geweest is,” zei Jo, toen de buren naar huis waren gegaan om te ontbijten, en de meisjes wat gingen rusten en zich verfrisschen.

“Het is net of het huis uitgestorven is,” voegde Meta er somber bij.

Bets opende den mond om ook iets te zeggen, maar kon slechts wijzen naar den stapel net gemaasde kousen, die op Moeders tafel lag, als een bewijs hoe ze nog in de laatste oogenblikken aan hen had gedacht en voor hen gewerkt had. Het was maar een kleinigheid, maar het trof de meisjes in het diepst van haar ziel, en in spijt van al hun moedige voornemens, barstten ze allen in snikken uit.

Hanna was zoo verstandig ze maar eerst te laten uitschreien;en toen de bui scheen op te klaren, kwam ze te hulp, gewapend met een koffiekan.

“Nu, lieve kinders, bedenkt nu eens wat uw ma gezeid heeft van niet te treuren; kom, laten we allemaal een kopje troost drinken en dan aan ’t werk gaan, en een eer zijn voor de familie.”

Koffie was een tractatie, en Hanna toonde veel tact, door ze dien morgen te zetten. Niemand kon haar aanmoedigende knikje of den welriekenden geur uit de tuit van de koffiekan weerstand bieden. Ze schoven aan tafel, verwisselden hun zakdoeken voor servetten, en waren binnen tien minuten allen weer op streek.

“Hopen en werken,” dat is een mooi motto voor ons; laten w’ eens zien, wie dat het best onthoudt. Ik zal als naar gewoonte naar Tante March gaan; maar o, wat zál ze zeuren!” zei Jo, die met vernieuwden moed van haar kopje zat te genieten.

“Ik zal naar mijn geliefde Kings trekken, hoewel ik veel liever thuis zou blijven, om hier allerlei kleinigheden te doen,” zuchtte Meta, wenschende dat ze haar oogen niet zoo rood geschreid had.

“Dat is niet noodig; Bets en ik kunnen heel goed huishouden,” zei Amy, met een gewichtig air.

“Hanna zal ons wel zeggen wat we doen moeten; en we zullen zorgen, dat alles netjes in orde is, tegen dat jullie thuis komt,” voegde Bets er bij, terwijl ze zonder uitstel theedoek en afwaschbakje kreeg.

“Ik vind verdriet eigenlijk wel interessant,” zei Amy, die met een peinzend gezicht een hapje suiker nam.

De meisjesmoestenlachen, of ze wilden of niet, en dat deed hun goed, hoewel Meta het hoofd schudde tegen de jonge dame, die troost kon vinden in den suikerpot.

Een blik op de puddingtrommeltjes maakte Jo weer ernstig, en toen het tweetal aan den dagelijkschen arbeid trok, keken zij treurig om naar het raam, waarvoor ze altijd gewoon waren Moeder te zien. Helaas, ze was verdwenen; maar Bets had gedacht aan de oude, gezellige gewoonte, en stond te knikken, te knikken—als een rooskleurig Mandarijntje.

“Net iets voor mijn Bets!” zei Jo, met een dankbaar gezicht haar hoed zwaaiende. “Adieu, Meet; ik hoop, dat de Kings vandaag niet zullen drenzen. Tob niet over Vader, beste,” voegde ze er bij, terwijl ze scheidden.

“En ik hoop, dat Tante Mach niet zal preeken. Je haar staat je erg jongensachtig, maar wel netjes,” zei Meta, die haar best moest doen niet te lachen om het krullebolletje, dat zoo grappig klein scheen op haar lange zuster.

“Dat is mijn eenige troost,” zei Jo, aanslaande à la Laurie, met een gevoel, als een geschoren schaap op een winterdag.

De eerstvolgende tijding van den zieke luidde gelukkig geruststellend; want hoewel hij gevaarlijk ziek was, had de tegenwoordigheid van de beste en teederste verzorgster hem reeds veel goedgedaan. Mijnheer Brooke zond elken dag een bulletin, dat met den dag hoopvoller werd, en als hoofd des huisgezins stond Meta er op, de berichten te mogen voorlezen. In het eerst verlangden allen om het hardst te schrijven, en volgepropte enveloppes werden zorgvuldig in de bus gestoken door een van de zusjes, die zich zeer gewichtig voelden door die Washingtonsche correspondentie. De pakketten bevatten soms karakteristieke brieven van de heele familie; zoo schreef Meta:

Liefste Moeder.Ik kan u onmogelijk zeggen, hoe blij we met uw laatsten brief waren, want het was zulk goed nieuws, dat we er om moesten lachen en schreien tegelijk. Wat is mijnheer Brooke vriendelijk, en wat een geluk, dat de zaken van mijnheer Laurence hem zoolang in Washington houden, daar hij u en Vader van zooveel dienst is. “De kleintjes” zijn erg lief. Jo helpt mij met naaien en staat er op, alle moeilijke dingen te doen. Ik zou bang zijn, dat ze zich overwerkte, als ik niet wist, dat haar “ijverige bui” wel niet lang zal duren. Bets is met al haar bezigheden zoo geregeld als de klok, en vergeet nooit wat u haar gezegd hebt. Ze treurt erg om Vader, en kijkt altijd ernstig, behalve wanneer ze voor haar piano zit. Amy is heel gehoorzaam, en ik zorg goed voor haar. Ze maakt zelf haar haar op, en ik leer haar knoopsgaten maken en kousen mazen. Zij doet aandoenlijk haar best, en ik denk, dat u blij zult zijn over haar vorderingen, wanneer u terugkomt. Mijnheer Laurence houdt de wacht over ons als een oude klokhen, zegt Jo, en Laurie is heel vriendelijk en behulpzaam. Hij en Jo houden ons vroolijk, want nu en dan zijn we erg triest en voelen we ons net weezen, nu u en Vader zoo ver weg zijt. Hanna is een ware heilige; ze bromt nooit en noemt mij “juffrouw Margaretha,” heel gepast, vindt u niet? en ze behandelt me met grappigen eerbied. We zijn allen best in orde en druk aan ’t werk, maar we verlangen dag en nacht naar uw terugkomst. Kus Vader zoo hartelijk mogelijk vanUw eigen Meta.

Liefste Moeder.

Ik kan u onmogelijk zeggen, hoe blij we met uw laatsten brief waren, want het was zulk goed nieuws, dat we er om moesten lachen en schreien tegelijk. Wat is mijnheer Brooke vriendelijk, en wat een geluk, dat de zaken van mijnheer Laurence hem zoolang in Washington houden, daar hij u en Vader van zooveel dienst is. “De kleintjes” zijn erg lief. Jo helpt mij met naaien en staat er op, alle moeilijke dingen te doen. Ik zou bang zijn, dat ze zich overwerkte, als ik niet wist, dat haar “ijverige bui” wel niet lang zal duren. Bets is met al haar bezigheden zoo geregeld als de klok, en vergeet nooit wat u haar gezegd hebt. Ze treurt erg om Vader, en kijkt altijd ernstig, behalve wanneer ze voor haar piano zit. Amy is heel gehoorzaam, en ik zorg goed voor haar. Ze maakt zelf haar haar op, en ik leer haar knoopsgaten maken en kousen mazen. Zij doet aandoenlijk haar best, en ik denk, dat u blij zult zijn over haar vorderingen, wanneer u terugkomt. Mijnheer Laurence houdt de wacht over ons als een oude klokhen, zegt Jo, en Laurie is heel vriendelijk en behulpzaam. Hij en Jo houden ons vroolijk, want nu en dan zijn we erg triest en voelen we ons net weezen, nu u en Vader zoo ver weg zijt. Hanna is een ware heilige; ze bromt nooit en noemt mij “juffrouw Margaretha,” heel gepast, vindt u niet? en ze behandelt me met grappigen eerbied. We zijn allen best in orde en druk aan ’t werk, maar we verlangen dag en nacht naar uw terugkomst. Kus Vader zoo hartelijk mogelijk van

Uw eigen Meta.

Deze brief, netjes op geparfumeerd papier geschreven, vormde een groot contrast met den volgenden, die op een groot vel mailpapier was gekrabbeld, en versierd met vlekken en allerlei soort van krullen en langstaartige letters.

Mijn engelachtig Moedertje,Driemaal hoera voor dien goeden, ouden Vader. Brooke is een juweel, ons zoo dadelijk te telegrafeeren en ons de eerste minuut de beste dat hij beter werd, dit te laten weten. Ik vloog naar den zolder toen de brief kwam en trachtte God te danken, dat Hij zoo goed voor ons was; maar ik kon alleen maar schreien en zeggen: “Wat ben ik blij! Wat ben ik blij!” ’t Was evengoed als een gebed,is ’t niet, want er waren er wel honderd in mijn hart. Wij hebben zoo’n grappig leventje: iedereen is even wanhopig goed; ’t is of we in een nest van tortelduiven leven. U zoudt lachen als u Meta aan ’t hoofd van de tafel zag zitten en haar best doen om moederlijk te zijn. Ze wordt met den dag mooier, en soms ben ik een beetje verliefd op haar. De “kleintjes” zijn ware aartsengelen, en ik—ik ben Jo, en zal wel nooit iets anders zijn. O, ik moet u nog vertellen, dat ik bijna ruzie met Laurie gehad heb. Ik zei hem mijn opinie over een kleinigheid, en hij was beleedigd.Ikhad gelijk, maar ik pakte het niet goed aan en hij ging naar huis en zei, dat hij niet terugkwam, voor ik hem vergeving gevraagd had. Nu, daar bedankte ik voor en ik was woedend. Het duurde den heelen dag; ik voelde mij doodongelukkig en verlangde erg naar u. Laurie en ik zijn beiden zoo trotsch, en vergeving vragen is zoo moeielijk; maar ik dacht dat hij wel komen zou, want ikhadgelijk. Maar hij kwam niet, en juist ’s avonds herinnerde ik mij wat u gezegd had, toen Amy in ’t water viel. Ik las in mijn boekje, bedaarde, besloot “de zon niet over mijn toorn te doen ondergaan,” en ging naar Laurie om hem te zeggen, dat het mij speet. Bij het hek kwam ik hem tegen; hij kwam met hetzelfde doel. U begrijpt hoe wij lachten, we vroegen elkaar excuus en nu is het zaakje weer gezond.Gisteren maakte ik een “vèrs,” terwijl ik met Hanna de wasch deed; en daar Vader nogal van mijn krabbelarijen houdt, sluit ik het in om hem te amuseeren. Geef hem de hartelijkst mogelijke omhelzing, en kus uzelf twaalf maal voor uwRobbedoes Jo.

Mijn engelachtig Moedertje,

Driemaal hoera voor dien goeden, ouden Vader. Brooke is een juweel, ons zoo dadelijk te telegrafeeren en ons de eerste minuut de beste dat hij beter werd, dit te laten weten. Ik vloog naar den zolder toen de brief kwam en trachtte God te danken, dat Hij zoo goed voor ons was; maar ik kon alleen maar schreien en zeggen: “Wat ben ik blij! Wat ben ik blij!” ’t Was evengoed als een gebed,is ’t niet, want er waren er wel honderd in mijn hart. Wij hebben zoo’n grappig leventje: iedereen is even wanhopig goed; ’t is of we in een nest van tortelduiven leven. U zoudt lachen als u Meta aan ’t hoofd van de tafel zag zitten en haar best doen om moederlijk te zijn. Ze wordt met den dag mooier, en soms ben ik een beetje verliefd op haar. De “kleintjes” zijn ware aartsengelen, en ik—ik ben Jo, en zal wel nooit iets anders zijn. O, ik moet u nog vertellen, dat ik bijna ruzie met Laurie gehad heb. Ik zei hem mijn opinie over een kleinigheid, en hij was beleedigd.Ikhad gelijk, maar ik pakte het niet goed aan en hij ging naar huis en zei, dat hij niet terugkwam, voor ik hem vergeving gevraagd had. Nu, daar bedankte ik voor en ik was woedend. Het duurde den heelen dag; ik voelde mij doodongelukkig en verlangde erg naar u. Laurie en ik zijn beiden zoo trotsch, en vergeving vragen is zoo moeielijk; maar ik dacht dat hij wel komen zou, want ikhadgelijk. Maar hij kwam niet, en juist ’s avonds herinnerde ik mij wat u gezegd had, toen Amy in ’t water viel. Ik las in mijn boekje, bedaarde, besloot “de zon niet over mijn toorn te doen ondergaan,” en ging naar Laurie om hem te zeggen, dat het mij speet. Bij het hek kwam ik hem tegen; hij kwam met hetzelfde doel. U begrijpt hoe wij lachten, we vroegen elkaar excuus en nu is het zaakje weer gezond.

Gisteren maakte ik een “vèrs,” terwijl ik met Hanna de wasch deed; en daar Vader nogal van mijn krabbelarijen houdt, sluit ik het in om hem te amuseeren. Geef hem de hartelijkst mogelijke omhelzing, en kus uzelf twaalf maal voor uw

Robbedoes Jo.

O, zeepzop! te midden van ’t spattende schuim,

Steeg’ vroolijk mijn lied naar omhoog.

Ik waschte met ijver, ik klopte en ik wrong,

Schoon ’t nat ook om d’ ooren mij vloog,

Nu hang ik de kleeren gauw op in den wind,

Die maakt, met de zon, ze weer droog.

Och, zeepsop! konden w’ons hart, zoo bevlekt,

Ook duchtig eens doen in de wasch,

Dat water en licht met hun toovrende macht

Zoo zuiver ons maakten als glas,

Dan had hier op aarde voorzeker steeds plaats

Het heerlijkste schoonmaakgeplas.

Langs ’t pad van een flink en een nuttig bestaan

Bloeit vrede toch immers altijd,

Een ijverig mensch heeft wel anders te doen

Dan denken aan smart of aan spijt.

En zorgen worden gemakkelijk verjaagd

Door hem, die schrobt op zijn tijd.

’k Ben blij, dat iederen volgenden dag

Een taak voor mij weg is gelegd;

Ze maakt me gezond en moedig en sterk;

Zoodat mijn geweten mij zegt:

“O hoofd, mijner vrij, o hart gevoel voort,

Maar, hand, breng gij alles terecht!”

Lieve Moeder,Er is voor mij alleen nog maar een plaats om u even goeien dag te zeggen en u een paar gedroogde viooltjes te sturen, van het plantje, dat ik zoo zorgvuldig in huis heb gehouden, om ze aan Vader te laten zien. Ik lees elken morgen, doe den heelen dag mijn best om goed te zijn, en zing mezelf in slaap met Vaders lied. Ik kan nu niet zingen: “Heerlijk land,” want dan moet ik schreien. Iedereen is heel vriendelijk, en we zijn zoo gelukkig als we zonder u kunnen zijn. Amy moet de rest van het blaadje hebben, dus eindig ik. Ik heb niet vergeten de ornamenten toe te dekken en elken dag wind ik de klok op en lucht ik uw kamers.Kus Vader op de wang, die hij de mijne noemt. O, kom toch gauw terug bijUw liefhebbendekleine Bets.

Lieve Moeder,

Er is voor mij alleen nog maar een plaats om u even goeien dag te zeggen en u een paar gedroogde viooltjes te sturen, van het plantje, dat ik zoo zorgvuldig in huis heb gehouden, om ze aan Vader te laten zien. Ik lees elken morgen, doe den heelen dag mijn best om goed te zijn, en zing mezelf in slaap met Vaders lied. Ik kan nu niet zingen: “Heerlijk land,” want dan moet ik schreien. Iedereen is heel vriendelijk, en we zijn zoo gelukkig als we zonder u kunnen zijn. Amy moet de rest van het blaadje hebben, dus eindig ik. Ik heb niet vergeten de ornamenten toe te dekken en elken dag wind ik de klok op en lucht ik uw kamers.

Kus Vader op de wang, die hij de mijne noemt. O, kom toch gauw terug bij

Uw liefhebbendekleine Bets.

“Lieve Mama,“Wij zijn allemaal gezond, ik leer altijd mijn les en streef nooit de meisjes tegen, Meta zegt, dat ik bedoel, spreek tegen, daarom zet ik nu maar de beide woorden, dan kunt u het geschiktste kiezen. Meta is heel lief voor me, ze geeft mij altijd jelei bij de thee, het is zoo goed voor me, zegt Jo, omdat het mij zoo zoet maakt. Laurie is niet zoo beleefd voor me als hij moest, nu ik bijna dertien ben, hij noemt mij kuiken en kwetst mijn gevoel, door heel gauw Fransch tegen me te gaan praten wanneer ik net als Hattie King merci of bonjour zeg. De mouwen van mijn blauwe jurk waren heelemaal versleten, en Meta heeft er nieuwe ingezet, maar de ruimte zit niet op de goeie plaats en zij zijn blauwer dan de jurk. Het speet me erg, maar ik heb niet gepruttelt; ik doe mijn best mijn moeilijkheden goed te dragen, maar ik wou wel graag dat Hanna meer stijfsel in mijn boezelaars deed en elke dag kadetjes van de bakker nam. Mag dat niet? Heb ik dat vraagteeken niet netjes gezet? Meta zegt dat mijn spelling en mijn punktuaatsie schandelijk zijn en dat spijt me erg, maar, ik heb ook zoo vreeselijk veel te doen dat ik daar niet op letten kan.Adieu, ik zend een heeleboel kussen aan Papa.Uw liefhebbende dochter,Amy Curtis March.

“Lieve Mama,

“Wij zijn allemaal gezond, ik leer altijd mijn les en streef nooit de meisjes tegen, Meta zegt, dat ik bedoel, spreek tegen, daarom zet ik nu maar de beide woorden, dan kunt u het geschiktste kiezen. Meta is heel lief voor me, ze geeft mij altijd jelei bij de thee, het is zoo goed voor me, zegt Jo, omdat het mij zoo zoet maakt. Laurie is niet zoo beleefd voor me als hij moest, nu ik bijna dertien ben, hij noemt mij kuiken en kwetst mijn gevoel, door heel gauw Fransch tegen me te gaan praten wanneer ik net als Hattie King merci of bonjour zeg. De mouwen van mijn blauwe jurk waren heelemaal versleten, en Meta heeft er nieuwe ingezet, maar de ruimte zit niet op de goeie plaats en zij zijn blauwer dan de jurk. Het speet me erg, maar ik heb niet gepruttelt; ik doe mijn best mijn moeilijkheden goed te dragen, maar ik wou wel graag dat Hanna meer stijfsel in mijn boezelaars deed en elke dag kadetjes van de bakker nam. Mag dat niet? Heb ik dat vraagteeken niet netjes gezet? Meta zegt dat mijn spelling en mijn punktuaatsie schandelijk zijn en dat spijt me erg, maar, ik heb ook zoo vreeselijk veel te doen dat ik daar niet op letten kan.

Adieu, ik zend een heeleboel kussen aan Papa.

Uw liefhebbende dochter,Amy Curtis March.

“Lieve mevrouw March!”Ik neem de pen op om u te zeggen alsdat wij allen gezont zijn. De Meisjes passe goed op en vliege heel ijverig door het huis. Juffrouw Meta zal een beste huishoudster wordt, ze hout van dat soort werk en heef van de dinge erg gou de slag weg. Jo doet van allemaal nog het meest haar best, maar ze denkt nooit van te vore en je ken nooit wete, waarmee ze voor den dag zal komme. Maandag heb ze een tobbe met goed gewasse, maar ze stijfde het Goed voordat het gevronge was, en haalde een rozee katoene Kleedje zoo blauw door dat ik dach alsdat ik een stuip kreeg van ’t lache. Bets is een lief schepseltje en een groot gemak voor me omdat ze zoo handig en vertrouwt is. Zij perbeert alles te leere en komt beter voor den Dag dan men van der jare verwachte zouw; alsook in het opschrijve van alles dat ze met mijn hulp verwonderlijk goed doet. We zijn tot noch toe heel zuinig gewees, ik geef de meisjes geen koffie als eens in de week, zooals u graag heef en kook eenvoudig gezond eeten. Amy pruttelt noch al niet ook niet om lekkers en om der beste Kleeren an te hebbe. Jongeneer Laurie is zoo vol grappen als altoos en zet gedurig het huis op stelte, maar hij geeft de meisjes een verzetje en daarom laat ik hun der gang maar gaan. De ouwe heer stuurt van alles en is wel wat bemoeierig maar hij meent het goed en het past mij niet er ies van te zegge. Men brood moet in den oven dus moet ik afbreke. Mijn onderdanige groetenis aan Meheer en alsdat ik hoop dat hij geen las meer van zen Longe zal hebbe. Zoo noem ik mijU onderdanigeHanna Mullet.

“Lieve mevrouw March!”

Ik neem de pen op om u te zeggen alsdat wij allen gezont zijn. De Meisjes passe goed op en vliege heel ijverig door het huis. Juffrouw Meta zal een beste huishoudster wordt, ze hout van dat soort werk en heef van de dinge erg gou de slag weg. Jo doet van allemaal nog het meest haar best, maar ze denkt nooit van te vore en je ken nooit wete, waarmee ze voor den dag zal komme. Maandag heb ze een tobbe met goed gewasse, maar ze stijfde het Goed voordat het gevronge was, en haalde een rozee katoene Kleedje zoo blauw door dat ik dach alsdat ik een stuip kreeg van ’t lache. Bets is een lief schepseltje en een groot gemak voor me omdat ze zoo handig en vertrouwt is. Zij perbeert alles te leere en komt beter voor den Dag dan men van der jare verwachte zouw; alsook in het opschrijve van alles dat ze met mijn hulp verwonderlijk goed doet. We zijn tot noch toe heel zuinig gewees, ik geef de meisjes geen koffie als eens in de week, zooals u graag heef en kook eenvoudig gezond eeten. Amy pruttelt noch al niet ook niet om lekkers en om der beste Kleeren an te hebbe. Jongeneer Laurie is zoo vol grappen als altoos en zet gedurig het huis op stelte, maar hij geeft de meisjes een verzetje en daarom laat ik hun der gang maar gaan. De ouwe heer stuurt van alles en is wel wat bemoeierig maar hij meent het goed en het past mij niet er ies van te zegge. Men brood moet in den oven dus moet ik afbreke. Mijn onderdanige groetenis aan Meheer en alsdat ik hoop dat hij geen las meer van zen Longe zal hebbe. Zoo noem ik mij

U onderdanigeHanna Mullet.

Aan de Hoofdverpleegster van Zaal II.Alles wel op de Rappahannock: de troepen in den besten welstand, buitenlandsche posterij geregeld, de Hoofdwacht, onder aanvoering van Kolonel Teddy, altijd onder de wapenen; de Opperbevelhebber, Generaal Laurence, houdt dagelijks inspectie, de kwartiermeester Mullet zorgt voor de victualiën en Majoor Lion houdt des nachts de wacht. Een salvo van vierentwintig kanonnen begroette het goede nieuws uit Washington en in het hoofdkwartier werd groot-tenue-parade gehouden. De Opperbevelhebber wenscht u alles goeds, evenalsKolonel Teddy.

Aan de Hoofdverpleegster van Zaal II.

Alles wel op de Rappahannock: de troepen in den besten welstand, buitenlandsche posterij geregeld, de Hoofdwacht, onder aanvoering van Kolonel Teddy, altijd onder de wapenen; de Opperbevelhebber, Generaal Laurence, houdt dagelijks inspectie, de kwartiermeester Mullet zorgt voor de victualiën en Majoor Lion houdt des nachts de wacht. Een salvo van vierentwintig kanonnen begroette het goede nieuws uit Washington en in het hoofdkwartier werd groot-tenue-parade gehouden. De Opperbevelhebber wenscht u alles goeds, evenals

Kolonel Teddy.

Hooggeachte Mevrouw,De meisjes zijn allen wel; dagelijks krijg ik berichten van hen door Bets en mijn jongen; Hanna is eene voorbeeldige dienstbode en bewaakt de lieve Meta als een Cerberus. Het verheugt mij,dat het gunstige weer aanhoudt; laat Brooke u zooveel mogelijk van dienst zijn en trek gerust een wissel op mij, wanneer de kosten uwe berekening mochten overtreffen. Laat het uw echtgenoot aan niets ontbreken; Goddank, dat hij beter wordt.Uw oprechte vriend en dienaar,James Laurence.

Hooggeachte Mevrouw,

De meisjes zijn allen wel; dagelijks krijg ik berichten van hen door Bets en mijn jongen; Hanna is eene voorbeeldige dienstbode en bewaakt de lieve Meta als een Cerberus. Het verheugt mij,dat het gunstige weer aanhoudt; laat Brooke u zooveel mogelijk van dienst zijn en trek gerust een wissel op mij, wanneer de kosten uwe berekening mochten overtreffen. Laat het uw echtgenoot aan niets ontbreken; Goddank, dat hij beter wordt.

Uw oprechte vriend en dienaar,James Laurence.

1Weer een der personen uitThe Pilgrim’s Progress.

1Weer een der personen uitThe Pilgrim’s Progress.

Een heele week lang was iedereen zoo deugdzaam in het oude huis, dat men de geheele buurt tot voorbeeld zou hebben kunnen strekken. ’t Was werkelijk bijzonder, want iedereen verkeerde in een bovenaardsch goede stemming, en zelfverloochening was aan de orde van den dag.

Toen de meisjes evenwel ontheven waren van de eerste ongerustheid, verslapten ze merkbaar in hun lofwaardige pogingen en begonnen ze weer in hun oude gewoonten te vervallen. Ze vergaten hun motto wel niet, maar ’t hopen en werken scheen gemakkelijker opgenomen te kunnen worden; en na de geweldige inspanning vonden ze dat “IJver” wel een vacantiedag verdiend had en gaven ze er hem meer dan een.

Jo vatte zware kou, doordat ze vergat haar geschoren hoofd te bedekken, en kreeg bevel thuis te blijven, tot zij beter was, want tante March hield er niet van voorgelezen te worden door menschen met verkoudheden in ’t hoofd. Dit was zeer naar Jo’s zin, en na een nauwkeurige doorsnuffeling van zolder en kelder, bepaalde ze zich tot de canapé, waar zij haar kwaal met boeken en arsenicum trachtte te genezen. Amy kwam tot de ontdekking, dat huiselijke arbeid en kunst niet te vereenigen waren, en keerde tot haar modderpasteitjes terug. Meta ging dagelijks naar haar Kings, en naaide thuis, of meende althans, dat ze dit deed; maar veel tijd werd doorgebracht met lange brieven aan haar moeder te schrijven en de bulletins uit Washington te lezen en te herlezen. Bets bleef standvastig en verviel slechts zelden, en dan maar voor korten tijd, tot niets doen en treuren. Elken dag werden de kleine plichten trouw volbracht, behalve nog allerlei dingen, die de zusters hadden moeten doen, maar ze waren vergeetachtig, en het huis leek veel op een klok, waaruit de slinger is weggenomen. Wanneer haar hartje bezwaard was door verlangen naar Moeder, of bezorgdheid omtrent Vader, ging Bets naar een zekere kast, verborg haar gezicht in zekere dierbare, oude japon, uitte daar in stilte haarklacht en bad haar gebedje. Niemand wist waardoor zij na een treurige bui weer opgevroolijkt werd, maar ieder gevoelde hoe lief en hulpvaardig Bets was, en onwillekeurig gingen allen tot haar om troost of raad in hun kleine aangelegenheden.

Geen der zusjes dacht er aan, dat deze periode een toetssteen voor hun karakter zou zijn, en toen de eerste spanning voorbij was, meenden ze allemaal, dat ze zich flink gehouden en lof verdiend hadden. Dien verdienden ze ook zoo; maar hun fout was, dat ze niet voortgingen met hun best te doen, ’t geen ze tot hun schade en berouw ondervonden.

“Meta, ik wou, dat je eens naar de Hummels ging; Moeder heeft gezegd, dat wij ze niet moesten vergeten,” zei Bets, tien dagen na het vertrek van mevrouw March.

“Ik ben te moe om vandaag te gaan,” zei Meta, die gemakkelijk in een schommelstoel zat te naaien.

“Kun jij het dan niet doen, Jo?” vroeg Bets.

“Het is te winderig voor mij, met mijn verkoudheid.”

“Ik dacht, dat die zoo goed als beter was?”

“In zoover wel dat ik met Laurie kan uitgaan, maar niet genoeg om naar de Hummels te gaan,” zei Jo lachend, maar toch wat beschaamd over haar inconsequentie.

“Waarom ga je zelf niet?” vroeg Meta.

“Ik ben er al elken dag heen geweest, maar het kleinste kindje is ziek, en ik weet niet, wat ik er doen moet. Vrouw Hummel gaat uit werken en Lotje moet er op passen; maar het wordt al erger en erger, en ik vind, dat jullie of Hanna eens moesten gaan.”

Bets sprak ernstig en Meta beloofde, dat zij den volgenden dag gaan zou.

“Vraag Hanna om iets lekkers en breng het even, Bets; de lucht zal je goed doen,” zei Jo, terwijl ze er verontschuldigend bijvoegde: “Ik zou wel gaan, maar ik wou zoo graag mijn verhaal afmaken.”

“Ik heb zoo’n hoofdpijn, en ben zoo moe; daarom vroeg ik of een van jullie wilde gaan,” zei Bets.

“Amy zal wel dadelijk thuiskomen en er even voor ons heenloopen,” zei Meta.

“Nu, dan zal ik een poosje gaan rusten en op haar wachten.”

Bets ging op de canapé liggen, de anderen hervatten hun werk en de Hummels werden vergeten. Een uur verliep, Amy kwam niet; Meta ging naar haar kamer om een nieuwe japon te passen, Jo was verdiept in haar verhaal en Hanna zat gerust voor het keukenvuur te dutten, toen Bets stil haar hoed opzette, een mandje met allerlei overblijfseltjes vulde voor de kinderen en met een pijnlijk hoofd en een droevige uitdrukking in haar geduldige oogen in de vinnige kou uitging. Het was reeds laat toen zij terugkwam, en niemand zag haar naar boven sluipen en in de kamer van haar moeder verdwijnen. Een half uur later ging Jo naar boven om ’t een of ander uit “moeders kast” te halen, en daar vond ze Bets,gezeten op de medicijnkist met een heel ernstig gezicht, beschreide oogen en een fleschje met kamfer in de hand.

“Wat is er te doen?” riep Jo, toen Bets een hand uitstak, als wilde ze haar afweren, en gejaagd vroeg:

“Jij hebt het roodvonk gehad, is ’t niet?”

“Jaren geleden, toen Meta het had. Waarom?”

“Dan zal ik het vertellen—o, Jo, het kindje is dood!”

“Welk kindje?”

“Van vrouw Hummel; het stierf op mijn schoot, voordat ze thuiskwam,” snikte Bets.

“Mijn arm kind, wat vreeselijk voor je! Wasikmaar gegaan,” zei Jo met een berouwvol gezicht, terwijl ze Bets op haar schoot trok in den grooten stoel van haar moeder.

“Het was niet vreeselijk, Jo, alleen maar zoo treurig. Ik zag dadelijk dat het erger was, maar Lotje zei dat haar moeder den dokter was gaan halen, dus nam ik het kind, om Lotje wat te laten rusten. ’t Leek net of het sliep, maar op eens gaf het een schreeuw, en beefde, en bleef toen heel stil liggen. Ik deed mijn best de kleine, koude voetjes te warmen, en Lotje gaf het wat melk, maar het bewoog zich niet, en toen zag ik dat het dood was.”

“Schrei niet zoo, lieveling; wat heb je toen verder gedaan?”

“Ik bleef maar stil zitten en hield het voorzichtig vast, tot vrouw Hummel thuis kwam met den dokter. Hij zei, dat het dood was en keek naar Heinrich en Mina, die keelpijn hadden.”

“Roodvonk, vrouwtje; je hadt me eerder moeten roepen,” zei hij knorrig. Vrouw Hummel vertelde hem toen, dat ze arm was en dat ze daarom zelf haar best gedaan had om het kindje te genezen; maar nu was het te laat, en ze kon hem slechts smeeken voor de anderen te zorgen, en hoopte, dat liefdadige menschen haar in staat zouden stellen hem te betalen. Toen glimlachte hij en werd wat vriendelijker, maar het was zoo treurig, en ik schreide met hen mee, tot de dokter zich op eens omkeerde en zei, dat ik dadelijk naar huis moest gaan en belladonna innemen, want dat ik anders ook het roodvonk zou krijgen.”

“O, neen, dat zul je niet!” riep Jo, haar met een verschrikt gezicht vast in de armen sluitende. “O, Bets, als jij ziek wordt, kan ik het me zelf nooit vergeven! Wat zullen we doen?”

“Wees maar niet zoo angstig, ik denk, dat ik het niet erg zal hebben; ik keek eens in Moeders boek en daar stond, dat het begint met hoofdpijn, keelpijn en zoo’n wonderlijk gevoel als ik heb; dus toen heb ik wat belladonna genomen, en nu voel ik me al wat beter,” zei Bets, terwijl zij haar ijskoude handen tegen haar brandend voorhoofd drukte en haar best deed om er gewoon uit te zien.

“Was Moeder maar thuis!” riep Jo uit, terwijl ze naar het boek greep en gevoelde, dat Washington ontzettend ver weg was. Ze las een bladzijde, keek Bets eens aan, voelde haar hoofd, tuurde in haar keel en zei toen ernstig: “Je bent meer dan een week langelken dag bij het kind geweest en bij de anderen, die op het punt staan het ook te krijgen; ik ben dus wel bang, dat jij ook besmet zult zijn, Bets. Ik zal Hanna roepen; die weet alles van ziekte af.”

“Laat Amy vooral niet hier komen, ze heeft het nooit gehad en ik zou niet willen, dat ze het van mij kreeg. Kunnen jij en Meta het niet nóg eens krijgen?” vroeg Bets angstig.

“Ik denk het niet en ik geef er ook niets om; ’t zou juist zijn wat ik verdiende, zelfzuchtig schepsel dat ik ben, met jou te laten gaan en zelf thuis te blijven om nonsens te schrijven,” mompelde Jo, terwijl ze Hanna ging raadplegen.

Die goede ziel was in een oogenblik klaar wakker en dadelijk gereed tot hulp en goeden raad; ze verzekerde Jo, dat er geen reden tot ongerustheid was; iedereen kreeg het roodvonk, en als het maar goed behandeld werd, stierf niemand er aan; hetgeen Jo alles als een evangelie aannam, zoodat ze, aanmerkelijk gerustgesteld, Meta ging roepen.

“Nu zal ik u eens zeggen wat we zullen doen,” zei Hanna, nadat ze Bets had bekeken en ondervraagd: “we zullen dokter Bangs laten halen, om eens even naar je te zien, liefje, en om te zorgen, dat we het niet verkeerd aanleggen; dan zullen wij Amy voor een poosje naar tante March sturen, om haar buiten de besmetting te houden, en moet een van de groote meisjes een paar dagen thuis blijven om Bets gezelschap te houden.”

”Ikzal natuurlijk thuis blijven, ik ben de oudste,” begon Meta, met een bezorgd en berouwvol gezicht.

“Neen,ik, want het is mijn schuld, dat ze ziek is, ik zei tegen Moeder, dat ik de boodschappen zou doen, en ik heb het niet gedaan,” zei Jo beslist.

“Wie wil je hebben, Bets? er is er maar één noodig,” vroeg Hanna.

“Liefst Jo,” en Bets leunde haar hoofd tegen haar zuster aan met zulk een tevreden blik, dat dit punt op eens beslist was.

“Ik zal het Amy gaan vertellen,” zei Meta, wel wat gegriefd, maar over ’t geheel verlicht, want zij hield niet van ziekenoppassen en Jo wel.

Amy kwam in openlijken opstand en verklaarde hartstochtelijk, dat ze liever het roodvonk wou krijgen, dan naar tante March gaan. Meta redeneerde, smeekte en beval; alles vergeefs, Amy hield vol, dat zenietging en Meta verliet haar in wanhoop om met Hanna te beraadslagen wat er gedaan moest worden. Voor zij terugkwam, trad Laurie de kamer binnen en vond Amy snikkende, met het hoofd in de canapékussens verborgen. In de hoop, troost te vinden, vertelde ze de reden van haar droefheid, maar Laurie stak de handen in den zak en wandelde met gefronste wenkbrauwen en zacht fluitend de kamer op en neer. Eindelijk kwam hij naast haar zitten en begon op zijn meest overredenden toon: “Kom, wees nu verstandig en doe wat ze zeggen. Neen, schrei niet, maar hoor eenswat een mooi plannetje ik gemaakt heb. Jij gaat naar tante March, en ik kom je elken dag halen om te wandelen of te rijden, en we zullen een hoop plezier samen hebben. Is dat niet beter, dan hier te zitten pruilen?”

“Ik wil niet weggestuurd worden, alsof ik in den weg loop,” snikte Amy op beleedigden toon.

“Maar mijn lieve kind, het is om je gezond te houden. Je verlangt toch niet ziek te worden, is ’t wel?”

“Neen, natuurlijk niet; maar ik zal het tóch wel worden, want ik ben den heelen tijd bij Bets geweest.”

“Dat is juist de reden, waarom je dadelijk weg moet, dan blijf je misschien nog vrij. Verandering van lucht en voorzichtigheid zullen je, denk ik, wel vrijwaren, of in alle gevallen je het roodvonk in minderen graad doen krijgen. Ik raad je, maar zoo gauw mogelijk heen te gaan, want roodvonk is geen gekheid, juffertje.”

“Maar het is zoo vervelend bij tante March; ze is zoo knorrig,” zei Amy wel wat verschrikt.

“Het zal niet zoo vervelend zijn, als ik elken dag eens in kom loopen om je te vertellen, hoe het met Bets is en om je te komen halen, om met mij uit te gaan. Ik sta nogal in een goed blaadje bij de oude dame, en ik zal zoo beleefd mogelijk tegen haar zijn; dan zullen we haar wel verteederen.”

“Zul je me met het hittenwagentje en Puck komen halen?”

“Op mijn woord van eer.”

“Vast elken dag?”

“Dat zul je eens zien.”

“En mij dadelijk terug halen, als Bets beter is?”

“Op de minuut af.”

“En met mij naar de comedie gaan?”

“Naar twaalf comedies, als we maar mogen.”

“Nou—dan—denk ik—dat ik maar gaan zal,” zei Amy langzaam.

“Mooi zoo! Ga nu Meta maar eens opsnorren en haar vertellen, dat je je hoofd gebogen hebt,” zei Laurie, met een goedkeurend tikje, wat Amy nog meer ergerde, dan dat “het hoofd buigen.”

Meta en Jo kwamen naar beneden loopen om het wonder, dat had plaats gegrepen, te aanschouwen, en Amy, die zichzelf nu heel interessant en zelfopofferend begon te vinden, beloofde te zullen gaan, wanneer de dokter dacht, dat Bets ziek zou worden.

“Hoe is ’t met onze Bets?” vroeg Laurie, want Betsy was zijn bijzondere lieveling, en hij was veel ongeruster over haar dan hij wilde toonen.

“Ze ligt nu een poosje op Moeders bed en voelt zich wat beter. De dood van dat kindje heeft haar erg getroffen, maar verder geloof ik dat het gevatte kou is. Hannazegtook dat zij het denkt, maar ze kijkt ongerust, en dat maakt me zenuwachtig,” antwoordde Meta.

“Wat is de wereld toch een jammerdal,” zuchtte Jo, met een wanhopig gebaar haar kuif opstrijkend. “Pas zijn we de eene zorg te boven, of er is weer een andere in aantocht! En nu moeder weg is, is er zoo niets om je aan vast te houden; ik ben ten minste ten einde raad.”

“Nou, maak maar geen stekelvarken van je zelf, dat staat je niks. Strijk je lokken glad, Jo, en vertel m’eens, of ik ook aan je moeder zal telegrafeeren of iets anders doen?” vroeg Laurie, die zich nog niet had kunnen verzoenen met het verlies van de “eenige schoonheid” zijner vriendin.

“Dat is het juist wat me zenuwachtig maakt,” zei Meta. “Ik vind dat we het moeder moeten berichten, wanneer Bets wezenlijk ziek is, maar Hanna zegt, dat we het niet moeten doen, omdat Moeder Vader niet alleen kan laten en het haar maar ongerust zou maken. Bets zal wel niet lang ziek zijn en Hanna weet precies wat ze doen moet, en Moeder zei, dat we naar haar moesten luisteren; dus moeten we ons, dunkt mij, aan Hanna houden, hoewel ik het toch niet heel goed vind.”

“Hm, ja, ik weet het niet; vraag het eens aan Grootvader, als de dokter er geweest is.”

“Ja, dat is goed; Jo, ga jij dadelijk Bangs halen, want we kunnen over niets beslissen, voordat hij er geweest is,” commandeerde Meta.

“Blijf waar je bent, Jo; ik ben de boodschaplooper van deze inrichting,” zei Laurie zijn pet grijpende.

“Heb je ’t niet te druk?” begon Meta.

“Neen, ik heb mijn werk voor vandaag af.”

“Werk je in de vacantie?” vroeg Jo.

“Ik volg het goede voorbeeld van mijn buren,” was Laurie’s antwoord, toen hij de kamer uitstapte.

“Ik heb de beste verwachtingen van mijn jongen,” zei Jo, hem met een goedkeurenden glimlach naziende, terwijl hij over de heining sprong.

“O, ja, hij is nog al geschikt—voor een jongen,” was Meta’s eenigszins onvriendelijk antwoord, want het onderwerp interesseerde haar niet.

Dokter Bangs kwam en verklaarde dat Bets kenteekenen van roodvonk vertoonde, maar hij hoopte dat ze het in lichten graad zou hebben, hoewel hij zeer ernstig keek bij het vernemen van de Hummel-geschiedenis. Amy werd dadelijk weggezonden met een dosis voorbehoedmiddelen; ze vertrok in alle statie, met Jo en Laurie tot geleide.

Tante March ontving hen met haar gewone gastvrijheid.

“Wat moet je nu hebben?” vroeg zij, grimmig over haar bril heenkijkende, terwijl de papegaai, die op de leuning van haar stoel zat, krijschte:

“Ga weg; geen jongens hier!”

Laurie ging voor het raam staan en Jo deed haar verhaal.

“Juist wat te verwachten was, wanneer je moeder jullie toestaat bij allerlei arme menschen in en uit te loopen. Amy kan blijven en zich hier nuttig maken, als ze niet ziek wordt; maar dat zal wel—zij ziet er nu al naar uit. Schrei niet, kind, ik word zenuwachtig, als ik menschen zoo hoor snuffen.”

Amywasop het punt te gaan schreien, maar Laurie trok tersluiks den papegaai bij zijn staart, wat dit dier een verschrikten schreeuw ontlokte en hem op zoo’n dwazen toon “Genadige hemel!” deed roepen, dat ze in plaats daarvan begon te lachen.

“Welke tijding heb je van je moeder?” vroeg de oude dame snibbig.

“Vader is veel beter,” antwoordde Jo, terwijl ze haar best deed een ernstig gezicht te zetten.

“Zoo, waarlijk? Nu, dat zal niet lang duren, denk ik. March had nooit een sterk gestel,” was het opbeurend antwoord.

“Ha, ha, schep vreugd in ’t leven! Een snuifje? Adieu! Adieu!” schreeuwde Polly, op zijn zitplaats rondspringend, en met zijn poot naar de muts van de oude dame slaande, toen Laurie hem achter haar rug kneep.

“Houd je bek, oneerbiedig, oud dier! en Jo, jij deed beter dadelijk naar huis te gaan, in plaats van nog zoo laat rond te loopen met zoo’n dolleman van een jongen als....”

“Houd je bek, oneerbiedig, oud dier!” riep Polly met een sprong van den stoel aftuimelend, om den “dolleman van een jongen” na te zitten, die bij dit laatste gezegde schudde van het lachen.

“Ik denk, dat ik het niet zalkunnenuithouden, maar ik zal het probeeren,” dacht Amy, toen zij alleen bij tante March achtergelaten werd.

“Ga weg, spook!” krijschte Polly, en bij dat onvriendelijk gezegde kon Amy een zacht gesnuf niet onderdrukken.


Back to IndexNext