Hoofdstuk XVIII.

Bets kreeg het roodvonk, en was veel zieker dan iemand, behalve Hanna en de dokter, vermoedde. De meisjes hadden volstrekt geen verstand van zieken, en mijnheer Laurence mocht niet bij haar komen; dus richtte Hanna alles naar haar zin in, en dokter Bangs die een drukke praktijk had, deed wel alles wat hij kon, maar moest veel op de uitmuntende verpleegster laten aankomen. Meta bleef thuis, uit vrees de besmetting bij de Kings over te brengen, deed het huishouden en had een onrustig en schuldig gevoel, wanneer zij brieven schreef, waarin van Bets’ ziekte geen melding werd gemaakt.Ze kon het maar niet goed vinden, dat ze haar moeder moest misleiden, maar Moeder had haar aanbevolen naar Hanna te luisteren, en Hanna wilde er niet van hooren, “dat alles aan Mevrouw verteld zou worden, en dat men haar met zulk een kleinigheid zou lastig vallen.” Jo wijdde zich dag en nacht aan Bets, en dit was geen zware taak, want Bets was uiterst geduldig en verdroeg haar leed zonder klagen, zoolang ze maar eenigszins kon. Maar er kwam een tijd, dat ze, bij verheffing van koorts, begon te spreken met een heesche en gebroken stem, en op de dekens te spelen, alsof het haar geliefde piano was, terwijl ze beproefde te zingen met een keel, zoo gezwollen, dat ze geen geluid kon uitbrengen; een tijd, waarop ze de welbekende gezichten rondom haar niet herkende, hen met verkeerde namen aansprak en dringend om Moeder riep. Toen werd Jo angstig en smeekte, dat Meta toch de waarheid schrijven mocht en zelfs Hanna zei “dat ze er eens over denken zou, hoewel er geen gevaar was.” Een brief uit Washington vermeerderde nog de algemeene ongerustheid, want mijnheer March was weer ingestort en kon nog in geen weken vervoerd worden. Hoe somber schenen nu de dagen, hoe stil en treurig het huis, en hoe gedrukt werden de zusjes onder het werken en wachten, terwijl de angst voor Bets’ toestand hen geen oogenblik losliet. Toen voelde Meta—als in de eenzaamheid de tranen op haar werk droppelden—hoe rijk ze geweest was in dingen, die met geen geld te betalen zijn: in liefde, bescherming, vrede en gezondheid, de grootste schatten van het leven. Toen leerde Jo in die donkere kamer, met dat geduldig lijdende gezichtje altijd voor oogen, en dat zwakke stemmetje in haar ooren, de schoonheid en beminnelijkheid van Bets’ karakter pas ten volle begrijpen en gevoelen, welk een groote en dierbare plaats ze in aller harten besloeg, door haar onzelfzuchtig pogen, steeds voor anderen te leven en de omgeving thuis aangenaam te maken. En Amy snakte in haar ballingschap naar huis, om toch maar iets voor Bets te kunnen doen, overtuigd, dat geen enkele dienst haar nu moeilijk of vervelend zou toeschijnen, en zich met schaamte en berouw herinnerende, hoeveel verzuimd werk die gewillige handjes voor haar afgemaakt hadden. Laurie zwierf als een rustelooze geest door het huis, en de oude heer Laurence sloot de groote piano, daar hij niet kon verdragen, te worden herinnerd aan het kleine buurmeisje, dat zijn schemeruurtjes zoo aangenaam voor hem placht te maken. Iedereen miste Bets. De melkboer, de bakker, de kruidenier, de slager, allen vroegen naar haar; de arme vrouw Hummel kwam vergeving vragen voor haar onbedachtzaamheid en tegelijkertijd om een doodlaken voor haar Mina verzoeken; de buren zonden allerlei versnaperingen en goede wenschen, en zelfs zij, die haar het best kenden, stonden verwonderd over het groot aantal vrienden, dat hun beschroomde, kleine Bets zich verworven had.

En ondertusschen lag ze te bed met de oude Johanna naast haar,want zelfs in haar ijlen vergat zij haar ongelukkig protégeetje niet. Ze verlangde naar haar katjes, maar wilde niet, dat men ze bij haar zou brengen, uit vrees, dat ze ziek zouden worden, en in haar kalme oogenblikken was ze vol bezorgdheid voor Jo. Zij zond allerlei aardige boodschapjes aan Amy, en droeg de zusters op haar moeder te laten weten, dat ze gauw schrijven zou. Dikwijls vroeg zij om potlood en papier en probeerde een woordje te schrijven; Vader mocht niet denken dat zij hem vergat. Maar weldra kwamen er niet meer zulke heldere tusschenpoozen, en lag ze uren lang te woelen onder het uiten van onsamenhangende woorden, of viel ze in een zwaren slaap, die haar geen verkwikking bracht. Dr. Bangs kwam tweemaal op een dag. Hanna waakte ’s nachts. Meta had altijd in haar schrijflessenaar een telegram klaar liggen, dat elk oogenblik verzonden zou kunnen worden, en Jo week niet van Bets’ kamer.

De eerste December was een echte winterdag. Een gure wind loeide om het huis, de sneeuw viel met groote vlokken en het jaar scheen zich tot den dood voor te bereiden.

Toen dokter Bangs dien morgen kwam, beschouwde hij Bets aandachtig, hield haar gloeiend handje een oogenblik in de zijne, legde het toen zachtjes neer, en zei fluisterend tot Hanna:

“Als mevrouw March haar man verlaten kan, moet er om haar geschreven worden.”

Hanna knikte zonder spreken, want haar lippen beefden; Meta viel in een stoel neer; alle kracht scheen haar bij ’t hooren van die woorden te ontzinken en Jo, die een oogenblik met een bleek gezicht roerloos had gestaan, vloog naar beneden, greep het telegram, sloeg haar mantel om en holde naar buiten in den storm. In een ommezien terug, was ze nog bezig onhoorbaar haar mantel af te doen, toen Laurie binnenkwam met een brief, die de heugelijke tijding bevatte, dat mijnheer March weer vooruitging. Jo las hem met een dankbaar hart, maar dit verminderde geenszins haar angst en droefheid en haar gezicht stond zóó treurig, dat Laurie oogenblikkelijk vroeg:

“Wat is er, Jo? Is Bets erger?”

“Ik heb om Moeder getelegrafeerd,” zei Jo, en begon met een wanhopig gebaar haar overschoenen uit te trekken.

“Mooi zoo, Jo! Heb je dat op je eigen verantwoording gedaan?” vroeg Laurie, terwijl hij haar zachtjes, ziende hoe haar handen beefden, op de bank in de gang neerdrukte en haar de weerspannige schoenen uittrok.

“Neen, de dokter zei, dat het moest.”

“O, Jo, zoo erg is het toch niet?” riep Laurie verschrikt.

“Ja, dat is het wel; ze kent ons niet, en spreekt zelfs niet meer over de groene duifjes, zooals zij de wingerdbladen op het behang noemde; zij lijkt niets meer op mijn eigen Bets, en er is niemand om het ons te helpen dragen; Moeder en Vader beiden weg,en God schijnt ook zoo ver af, dat ik Hem niet vinden kan.”

De tranen stroomden de arme Jo langs de wangen, terwijl ze haar hand hulpeloos uitstrekte, alsof zij in het donker rondtastte, maar Laurie greep die in de zijnen, en fluisterde zoo goed hij kon met een brok in zijn keel:

“Ik ben hier; steun maar op mij, Jo, beste Jo!”

Zij kon niet spreken, maar hield hem vast, en de warme druk van die vriendenhand vertroostte haar bedroefd hart. Laurie zou erg graag iets hartelijks en opbeurends gezegd hebben, maar hij kon geen woorden vinden; hij bleef dus maar zwijgend haar gebogen hoofd streelen, zooals hij haar moeder wel eens had zien doen.

En dit was nog beter dan woorden, want Jo voelde de onuitgesproken sympathie en ondervond in zijn zwijgen den zoeten troost, dien liefde in droefheid geeft. Na een poosje droogde ze de tranen af, die haar hadden verlicht en met een dankbaar gezicht naar hem opziende, zei ze:

“Dank je, Teddy, ik ben nu al wat beter; ik heb al niet meer zoo’n verlaten gevoel, en ik zal trachten het te dragen als het komt.”

“Blijf maar hopen, dat zal je het best helpen, Jo. Je moeder komt nu gauw, en dan zal alles wel goed gaan.”

“Ik ben zoo blij, dat Vader tenminste wat beter is; het zal haar nu niet zooveel kosten hem achter te laten. Och, och, het lijkt net of alle ellende op eens gekomen is, en ik het zwaarste deel op mijn schouders heb gekregen,” zuchtte Jo, terwijl zij haar natten zakdoek over haar knieën uitspreidde om te drogen.

“Laat Meta het dan maar op jou aankomen?” vroeg Laurie verontwaardigd.

“O neen, dat zou zij nooit doen; maar zij heeft onze Bets niet zóó lief als ik; en zij zal haar niet zóó vreeselijk missen. Bets is mijn geweten, en ik kan niet buiten haar! O, ik kan niet, ik kan niet!” Jo’s gezicht verdween weer achter den natten zakdoek en zij schreide wanhopig; want tot nu toe had ze zich altijd goed gehouden en geen traan gestort. Laurie streek met de hand over de oogen, maar hij kon niet spreken, eer hij het krampachtig gevoel in zijn keel en het beven van zijn lippen bedwongen had. Eindelijk, toen Jo’s snikken wat bedaarde, zei hij op hoopvollen toon: “Ik denk niet dat Bets sterven zal; ze is zoo goed en we houden allemaal zoo ontzettend veel van haar; ik geloof nooit, dat God haar nu al van ons zal wegnemen.”

“De beste en liefste menschen sterven juist altijd,” snikte Jo; maar zij hield op met schreien; de woorden van haar vriend gaven haar toch moed, in spijt van haar eigen twijfel en vrees.

“Arme meid, je bent heelemaal van streek, ’t Gebeurt niet licht dat je je zoo aan den grond voelt. Wacht maar eens, ik zal je in een ommezientje wat opkwikken.”

Laurie vloog met twee treden tegelijk de trap op, en Jo legde haar vermoeid hoofd neer op Bets’ bruine hoedje, dat niemandnog had weggenomen van de tafel, waar ze het zelf den laatsten keer had neergelegd. Het was of het tooverkracht bevatte, want de geduldige gemoedsstemming van de zachtaardige eigenares scheen in Jo over te gaan; en toen Laurie naar beneden kwam met een glas wijn, nam ze het met een glimlach aan, en zei moedig: “Ik drink op de beterschap van onze Bets! Je bent een goed dokter, Teddy, en een puik vriend! Hoe zal ik het je ooit kunnen vergelden?” voegde ze er bij, toen de wijn haar lichaam verkwikte, evenals de vriendelijke woorden haar ziel nieuw leven hadden geschonken.

“Wacht maar, den een of anderen tijd zal ik mijn rekening wel inzenden, en van avond zal ik je iets geven, wat alle vezels van je hart meer zal verwarmen dan ankers wijn,” beloofde Laurie, terwijl hij haar aankeek met een gezicht, dat straalde van blijdschap over iets geheimzinnigs.

“Wat dan?” riep Jo, voor een oogenblik in haar verbazing haar verdriet vergetende.

“Ik heb gisteren aan je moeder getelegrafeerd, en Brooke antwoordde dat zij dadelijk komen zou; van avond kan ze al hier zijn, en dan zal alles wel goed gaan. Ben je niet blij, dat ik het maar gedaan heb?”

Laurie sprak haastig en met een kleur van opgewondenheid, want hij had zijn plannetje geheim gehouden, uit vrees dat de meisjes het niet zouden goedkeuren, of dat het nadeelig voor Bets kon zijn. Jo werd doodsbleek, vloog van de bank op en bracht Laurie, tot het toppunt van verbazing, door plotseling haar armen om zijn hals te slaan en met een blijden kreet uit te roepen: “O, Laurie, o, Moeder! watbenik blij!” Zij begon niet weer te schreien, maar lachte zenuwachtig en beefde en klemde zich aan haar vriend vast, heelemaal in de war door dit plotselinge nieuws. Hoe verbaasd Laurie ook was, handelde hij toch met groote tegenwoordigheid van geest; hij klopte haar op den rug, en toen hij zag dat ze wat bijkwam, liet hij er een paar beschroomde kussen op volgen, die Jo op eens weer tot zichzelf brachten. Zich aan de trapleuning vasthoudend, duwde ze hem zachtjes weg, en zei buiten adem: “Och, doe dat niet! Het was mal van me, maar je bent zoo’n beste jongen, dat je het in spijt van Hanna toch gedaan hebt, dat ik niet laten kon om je hals te vliegen. Vertel me er nu alles van, en geef me alstjeblieft geen wijn meer, want daar kwam het van.”

“Ik vond het niets erg!” plaagde Laurie, terwijl hij zijn das recht schoof. “Ja, zie je, ik werd ongerust en Grootpapa ook. Wij meenden, dat Hanna te veel de baas speelde en dat je moeder het behoorde te weten. Ze zou het ons nooit vergeven, als er eens iets gebeurde. Dus bracht ik er Grootpapa toe om te zeggen, dat het hoog tijd was, dat er iets gedaan werd, en zoo vloog ik gisteren naar het kantoor, want de dokter deed zoo ernstig en Hanna keek mij aan, alsof ze mijn hoofd wou afslaan, toen ik voorstelde een telegram te zenden. Nukanik nooit verdragen op mijn kop gezetente worden, dus dit besliste de zaak, en seinde het zoo gauw mogelijk. Je moeder is onderweg, dat weet ik, en de laatste trein komt van nacht om twee uur aan. Ik zal haar gaan halen; dus je hoeft nu alleen nog je verrukking te bedwingen, en Bets rustig te houden, tot de geëerde dame hier is.”

“Laurie, je bent een engel! Hoe zal ik je er ooit voor danken?”

“Vlieg mij maar eens weer om mijn hals; ik vond het nog al aardig,” zei Laurie, terwijl hij haar ondeugend aankeek—iets wat hij in geen veertien dagen gedaan had.

“Neen, dankje. Dat zal ik liever bij volmacht doen, als je grootvader komt. Plaag mij niet, maar ga onmiddellijk naar huis om te slapen, want je moet den halven nacht op zijn. Ontvang mijn zegen, Teddy!”

Jo was al sprekende achteruit geweken, en toen ze haar redevoering geëindigd had, verdween ze plotseling in de keuken, waar zij op de rechtbank neerviel en de vereenigde katten mededeelde, dat zij “gelukkig, dol,dolgelukkig” was, terwijl Laurie vertrok, in de streelende overtuiging, dat hij dit zaakje nu eens netjes overlegd had.

“Dat is de bemoeiachtigste jongen, dien ik ooit gezien heb; maar ik vergeef het hem en hoop dat onze mevrouw maar dadelijk zal komen,” zei Hanna, met een zucht van verlichting, toen Jo haar het goede nieuws vertelde.

Meta zat in stille verrukking den brief te herlezen, terwijl Jo de ziekenkamer in orde bracht, en Hanna “het een en ander ging klaar maken voor ’t geval, dat er soms onverwachts eens iemand komen mocht.”

Een ademtocht van nieuw leven scheen in het huis te zijn doorgedrongen, en iets beters dan zonneschijn verhelderde de stille kamers; alles scheen in de blijde verandering te deelen; Bets’ vogel begon weer te tjilpen en Jo ontdekte een half ontloken roosje aan Amy’s rozenstruikje op de vensterbank; ’t was of het vuur buitengewoon vroolijk brandde, en elken keer, wanneer de meisjes elkaar tegenkwamen, vloog er een blijde glimlach over hun bleeke gezichten, terwijl ze elkander even beetpakten en bemoedigend toefluisterden: “Moeder komt! Goddank, Moeder komt!” Ieder was blij, behalve Bets; ze lag in een zware verdooving, onbewust van hoop en vreugde, angst en gevaar. Het was een droevig schouwspel—dat vroeger zoo lieve gezichtje, nu zoo veranderd en zonder uitdrukking—de eens zoo bezige handjes, zoo slap en vermagerd—die altijd vriendelijk glimlachende mond verstijfd—en het anders zoo mooie, zorgvuldig opgemaakte haar, zoo ruig en verward op het kussen. Den heelen dag lag ze zoo, behalve wanneer zij nu en dan even tot bewustzijn kwam en om “water!” riep, met zulke droge lippen, dat ze nauwelijks het woord konden uitspreken. Den heelen dag zweefden Jo en Meta om haar heen, wakend, wachtend en hopend, en op God en Moeder vertrouwend, en den heelen dag vielen desneeuwvlokken, gierde de wind en kropen de uren langzaam om. Maar eindelijk viel de avond, en telkens wanneer de klok sloeg, zagen de zusters, die nog steeds aan weerskanten van het bed zaten, elkander met schitterende oogen aan, want ieder uur bracht hen nader tot de hulp, die komen zou. De dokter was er geweest, en had gezegd, dat er denkelijk tegen middernacht een verandering ten goede of ten kwade in zou treden, en dat hij dan zou terugkomen.

Hanna was, door uitputting overmand, op de canapé, die aan het voeteneinde van het bed stond, neergevallen en in diepen slaap gezonken; de oude heer Laurence liep in de huiskamer op en neer, met een gevoel, alsof hij liever voor een vijandelijke batterij zou komen te staan, dan voor het angstig gelaat van mevrouw March, wanneer ze tehuis kwam. Laurie lag op het haardkleedje en deed alsof hij sliep, maar staarde in het vuur met een peinzenden blik, die zijn zwarte oogen buitengewoon aantrekkelijk maakte.

Nooit vergaten de meisjes dien nacht, want geen slaap kwam in hun oogen, terwijl zij samen de wacht hielden, met dat ondragelijke gevoel van machteloosheid, dat ons in zulke uren overvalt.

“Wanneer God Bets spaart, zal ik nooit meer ontevreden zijn,” fluisterde Meta ernstig.

“Wanneer God Bets spaart, zal ik mijn best doen Hem mijn heele leven lief te hebben en te dienen,” zei Jo even vurig.

“Ik wou dat ik geen hart had, het doet zoo zeer,” zuchtte Meta een poosje later.

“Wanneer het levendikwijlszoo moeilijk is als nu, weet ik niet hoe we er door moeten komen,” voegde Jo er moedeloos bij.

Daar sloeg de klok twaalf; en beiden vergaten alles, om Bets gade te slaan, want ze meenden te zien, dat er een verandering kwam in haar vermagerde trekken. Het huis was als uitgestorven; niets dan het geluid van den wind verbrak de doodelijke stilte. De vermoeide Hanna sliep door, en slechts de beide meisjes zagen de bleeke schaduw, die op het bedje scheen te vallen. Een uur ging voorbij, waarin niets voorviel, behalve dat Laurie zoo zacht mogelijk het huis verliet om naar het station te gaan. Nog een uur—niemand kwam,—en allerlei angsten over oponthoud door den storm, ongelukken onderweg en vooral over een groote ramp te Washington, vervulden de harten der beide meisjes.

Het was over tweeën, toen Jo, die aan het venster stond en er over dacht, hoe treurig de aarde onder haar doodskleed van sneeuw er uitzag, een beweging bij het bed hoorde, en haastig omkijkende zag, hoe Meta voor Moeders leuningstoel neerknielde, het gezicht in de handen verborgen. Een kil angstgevoel liep de arme Jo als een rilling over den rug: “Bets is dood,” dacht ze, “en Meta durft het mij niet te zeggen.”

In een oogwenk was zij weer op haar post, en voor haar overspannen blik scheen er een groote verandering te zijn voorgevallen. De koortsgloed en de pijnlijke trek waren verdwenen, en het dierbaregezichtje zag er in die onbeweeglijke kalmte zoo vreedzaam en rustig uit, dat Jo geen behoefte aan tranen en klachten gevoelde. Zij boog zich diep over haar liefste zusje heen, kuste het klamme voorhoofd met de innige teederheid en fluisterde zacht: “Vaarwel, mijn lieve Bets, vaarwel!”

Opgeschrikt door die beweging, sprong Hanna overeind uit den slaap, keek, bij het bed gekomen, Bets aandachtig aan, betastte haar handen, luisterde aan haar mond, wierp toen haar boezelaar over het hoofd, viel op een stoel neer en riep, al heen en weer wiegend, op gesmoorden toon: “De koorts is af, ze ligt in een natuurlijken slaap, haar huid is vochtig, en ze haalt gemakkelijk adem. God zij gedankt. O, groote goedheid!”

Voordat de meisjes de heerlijke waarheid konden gelooven, kwam de dokter binnen en bevestigde haar. Hij was een eenvoudig man, maar zijn gelaat scheen allen toe als dat van een engel, toen hij glimlachte en met een vaderlijken blik tot hen zei: “Ja, lieve kinderen, ik denk, dat de kleine meid er dit keer door zal komen. Houdt het huis rustig; laat haar slapen en geef haar als ze wakker wordt....”

Wat ze geven moesten, hoorden ze geen van beiden, want zij slopen naar het donkere portaal, en daar zaten ze op de trap, met de armen om elkaar heen geslagen, de harten te vol van blijdschap om iets te zeggen. Toen ze terugkwamen om door de oude Hanna gekust en gepakt te worden, vonden ze Bets in gerusten slaap in haar gewone houding, met haar rechterwang op haar hand; de doodelijke bleekheid was verdwenen en haar adem ging rustig, alsof zij pas in slaap gevallen was.

“Als Moeder nu maar kwam!” zei Jo, toen de winterdageraad begon aan te breken.

“Kijk,” zei Meta, terwijl ze met een half geopend wit roosje aankwam, “ik dacht dat dit misschien nog niet eens open zou zijn, om in Bets’ hand te leggen, als ze—van ons weggegaan zou zijn. Maar het is van nacht uitgekomen, en nu zal ik het hier in mijn vaasje zetten; als onze lieveling dan wakker wordt, zal het eerste wat zij ziet dit roosje en Moeders gezicht zijn.”

Nooit was de zon zoo schoon opgegaan, en nooit had de wereld er zoo heerlijk uitgezien, in de vermoeide oogen van Meta en Jo, als toen ze in den vroegen morgen naar buiten keken, en hun lange, treurige nachtwaak voorbij was.

“Het lijkt net een sprookjeswereld,” zei Meta, terwijl ze bij zichzelf glimlachte en achter het gordijn staande den blik over het schitterende schouwspel liet gaan.

“Hoor!” riep Jo, opspringend.

Ja, daar klonk een geluid van paardenbellen beneden voor de deur, een kreet van Hanna en Laurie’s stem, die op een vroolijken fluistertoon zei:

“Meisjes, ze is er! Zeiser!”

Terwijl dit alles thuis voorviel, had Amy een moeilijken tijd bij Tante March. Haar ballingschap viel haar zwaar en voor ’t eerst in haar leven besefte ze hoeveel liefde en toegevendheid thuis haar deel waren. Tante March gaf nooit iemand toe, daar was ze in principe tegen; maar ze meende het goed, want ze vond het kleine, welgemanierde meisje heel lief, en tante March had een teer plekje in haar oud hart voor de kinderen van haar neef, hoewel ze het niet raadzaam vond daarvoor uit te komen. Op haar manier deed ze haar best om Amy genoegen te doen, maar och, hoever sloeg ze de plank mis! Sommige oude menschen behouden een jong hart, ondanks hun rimpelige wangen en grijze haren; ze kunnen deelen in kinderlijke genoegens en verdrietelijkheden, hebben er slag van ’t jonge volkje op zijn gemak te zetten, met hen te spelen en te praten op een echt vriendschappelijke manier. Maar Tante March bezat deze gave niet, en ze verveelde Amy doodelijk met haar regels en bevelen, haar stijve manieren en lange, droge redenaties. Daar ze dit kind volgzamer en zachtzinniger vond dan haar zuster, rekende de oude dame het zich ten plicht, zoovéél mogelijk een tegenwicht te geven tegen de vrijheid en toegevendheid, die Amy thuis genoot. Ze nam haar logéetje dus eens flink onderhanden, en behandelde haar, zooals zij zelf zestig jaar geleden behandeld was, een methode, die Amy diep ongelukkig maakte en haar een gevoel gaf, alsof ze een vliegje was in het web van een onmeedoogende spin. Elken morgen moest ze de kopjes omwasschen en de ouderwetsche theelepeltjes, den grooten zilveren trekpot en de glazen wrijven, tot ze glommen. Daarna moest ze stof afnemen, en wat een geduldsoefening was dat! Geen stofje ontsnapte aan het oog van Tante March, en al de meubelen hadden gedraaide pooten en allerlei snijwerk, dat nooit geheel naar haar zin behandeld werd. Dan moest Polly zijn eten hebben en de schoothond gekamd, en een dozijn boodschappen trap op trap af gedaan worden, om allerlei dingen te halen of bevelen over te brengen, want de oude dame was slecht ter been en kwam maar zelden uit haar stoel. Na deze vervelende werkjes moest Amy haar lessen opzeggen, wat nog de grootste beproeving van alles was.

Dan mocht ze zich een uur ontspannen en spelen. Wat haalde zij daar haar hart aan op! Laurie kwam elken dag en wist meestal Tante March te bepraten, dat Amy met hem uit mocht gaan; ze gingen dan wandelen of rijden en hadden ontzaglijk veel plezier. Na het eten moest Amy voorlezen en stil zitten, terwijl de oude dame een slaapje deed, dat gewoonlijk een uur duurde, daar ze bij de eerste bladzijde al indommelde. Dan kwam er verstelwerkvoor den dag of handdoeken om te zoomen, en Amy naaide totdat het donker werd, uiterlijk heel zachtzinnig, maar innerlijk heftig in opstand, en daarna mocht ze tot theetijd doen wat ze wilde. De avonden waren nog het allerergst; dan begon Tante March eindelooze verhalen uit haar jeugd te doen, die Amy zoo “afgrijselijk vervelend” vond, dat ze altijd blij was als zij naar bed kon gaan, telkens weer vast van plan haar treurig lot onder de dekens te beweenen, maar altijd vast in slaap, eer ze meer dan een paar tranen had te voorschijn gebracht.

Waren Laurie en de oude Esther, de kamenier, er niet geweest, dan, meende ze, zou ze dien verschrikkelijken tijd nooit doorgekomen zijn. De papegaai alleen was al in staat haar dol te maken; want hij merkte dadelijk, dat ze hem niet bewonderde en wreekte zich door zoo kwaadaardig mogelijk te zijn. Hij trok haar aan het haar, als ze dicht bij hem kwam, gooide zijn brood en melk omver, om haar te plagen, wanneer zij pas zijn kooi had schoongemaakt, maakte Mop aan het blaffen door naar hem te pikken als de oude dame sliep, schold Amy uit terwijl er bezoek was, en gedroeg zich in alle opzichten als een onuitstaanbare, oude vogel. Den hond kon ze ook nietzien; het was een vet, kwaadaardig dier, dat tegen haar bromde en jankte, als ze zijn toilet maakte, en dat, als hij wat te eten wou hebben, op zijn rug ging liggen, met alle vier de pooten in de lucht en het onnoozelste gezicht van de wereld, een vertooning die ongeveer twaalf maal op een dag plaats had. De keukenmeid had een slecht humeur, de oude koetsier was doof, en Esther nog de eenige die ooit van het kind notitie nam.

Esther was een Française, die al verscheiden jaren bij “Madame,” zooals ze Tante noemde, had gewoond, en die de oude dame aardig onder den duim had, omdat deze niet buiten haar kon. Haar eigenlijke naam was Estelle, maar tante March beval haar een anderen aan te nemen, en ze gehoorzaamde, onder voorwaarde, dat “Madame” nooit van haar zou eischen, ook van godsdienst te veranderen. Amy was erg met Mademoiselle ingenomen, en de Française vertelde haar dikwijls grappige verhalen uit haar leven in Frankrijk, als Amy bij haar zat, terwijl Esther de kanten jabots en andere fraaiïgheden van Madame in orde bracht. Zij liet haar ook door het huis dwalen om al de wonderlijke en aardige dingen te bekijken, die er in groote kleerkasten en ouderwetsche kisten bewaard werden; want Tante March had, als een ekster, van alles verzameld. Amy werd vooral altijd weer getrokken naar een Indisch kabinet, vol vreemde laatjes, vakjes en verborgen hoekjes, waar allerlei sieraden in geborgen waren; sommige heel kostbaar, sommige alleen maar vreemd, maar alle min of meer antiek. Amy vond het “dol” al die dingen te bezichtigen en te schikken, vooral de juweelkastjes, waarin, op fluweelen kussentjes, de ornamenten rustten, die jaren geleden de een of andere schoone hadden getooid. Het stel granaten, dat Tante March gedragen had, toen ze voor ’t eerst uitging, depaarlen, die haar vader haar op haar trouwdag had gegeven, de diamanten van haar bruidegom, de gitten trouwringen en spelden, de vreemdsoortige medaillons met portretten van overleden vrienden en treurwilgjes van haarwerk aan den achterkant; de kleine bloedkralen armbandjes, die haar eenig dochtertje had gedragen, het groote, gouden horloge van Oom March, met het roode cachet, waarmee zooveel kinderhandjes hadden gespeeld, en heelemaal alleen, in een apart doosje, de trouwring van Tante March, die nu veel te nauw was voor haar dikke vingers, maar die, als het kostbaarste van al die kleinoodiën, zorgvuldig weggeborgen was.

“Wat zou Mademoiselle kiezen, als ze mocht?” vroeg Esther, die er altijd bij zat om een oogje op de kostbaarheden te houden en ze weer weg te sluiten.

“Ik vind de diamanten het mooist, maar daar is geen halsketting bij, en ik houd zooveel van kettinkjes, ze staan zoo netjes. Dit zou ik kiezen als ik mocht,” zei Amy, terwijl ze met bewondering een snoer gouden en ebbenhouten kralen bekeek, waaraan een zwaar gouden kruis hing.

“Dat zou ik ook heel graag hebben, maar niet voor een halsketting, o neen, voor mij was het een prachtige rozenkrans, en als een goed katholieke zou ik hem daarvoor ook gebruiken,” zei Esther, de ketting met verlangende blikken aanziende.

“Net zoo als die snoer houten kralen, die over je spiegel hangen, en die zoo lekker ruiken?” vroeg Amy.

“Ja zeker, om bij te bidden. Het zou de heiligen stellig genoegen doen, wanneer men zooiets moois als dit voor rozenkrans gebruikte, in plaats van het als een sieraad te dragen.”

“Je schijnt veel troost in je gebeden te vinden, Esther, want je komt daarna altijd zoo kalm en tevreden beneden. Ik wou, dat het met mij ook zoo was.”

“Wanneer Mademoiselle Katholiek was, zou zij den waren troost ook vinden; maar nu dit niet zoo is, zou het toch goed zijn, wanneer Mademoiselle zich iederen dag een poosje afzonderde om te bidden, zooals die goede mevrouw deed, bij wie ik in betrekking was, voor ik bij Madame kwam. Zij had een klein bidkamertje en vond daar troost voor allerlei verdriet.”

“Zou het goed voor me zijn, om dat ook te doen?” vroeg Amy, die in haar eenzaamheid behoefte voelde aan de een of andere soort van bijstand, en merkte dat ze haar boekje vergat, nu Bets niet bij haar was om er haar aan te herinneren.

“Het zou charmant zijn; en als u wilt, zal ik met alle genoegen het kleine kleedkamertje voor u inrichten. Zeg er maar niets van aan Madame, maar ga er dan, als ze slaapt, alleen zitten om aan goede dingen te denken en den lieven God om het herstel van uw zuster te bidden.”

Esther was waarlijk vroom en volkomen oprecht in haar raad, want ze had een liefhebbend hart en veel medelijden met de zusjesin hun droefheid. Amy vond het denkbeeld prachtig en liet Esther het kleine kamertje in orde brengen, dat naast het hare was.

“Ik wou dat ik wist, wie al die mooie dingen zullen krijgen, als Tante March sterft,” zei ze, terwijl ze langzaam den rozenkrans weer op haar plaats legde en de juweeldoosjes één voor één sloot.

“U en uw zusters. Ik weet het; Madame heeft me in haar vertrouwen genomen; ik was bij het maken van haar testament, en zoo zal het zijn,” fluisterde Esther glimlachend.

“Wat heerlijk! maar ik wou liever dat Tante ze ons nu gaf,” zei Amy, met een laatsten blik op de diamanten.

“De jonge dames zijn nog te jong om die dingen te dragen. De eerste, die verloofd is, krijgt de paarlen, heeft Madame gezegd; en ik denk haast wel, dat u dat turkooizen ringetje zult krijgen als u heengaat, want Madame is tevreden over uw gedrag en goede manieren.”

“Denk je dát? O, ik zal verder een lammetje zijn, als ik dat mooie ringetje krijg! Het is zooveel mooier dan dat van Kitty Bryant. Ik houd toch wel van Tante March,” en Amy paste het ringetje met een verheugd gezicht, en nam zich vast vóór het te verdienen.

Van dien dag af was ze een model van gehoorzaamheid, en de oude dame zag dit welgevallig aan als een gevolg van haar opvoedkunde. Esther bracht een tafeltje in het kamertje, zette er een voetenbankje voor en hing er een plaat boven, die ze uit een der kamers genomen had. Zij dacht niet dat die plaat veel waarde had, maar daar het onderwerp haar geschikt voorkwam, leende zij haar voor dat doel, wel wetende dat Madame het nooit zou bemerken en er ook niet om geven zou, al deed zij het. Het was evenwel een kostbare copie van een der meest beroemde schilderijen ter wereld, en Amy met haar schoonheidszin werd nooit moede te kijken naar het zachte gelaat der heilige moeder, terwijl haar hart met teedere gedachten aan haar eigen moedertje vervuld was. Op het tafeltje legde zij haar bijbeltje en haar gezangboek, en zette daarnaast een vaas met de mooiste bloemen, die Laurie haar bracht. Elken dag nu ging Amy hier een poosje alleen zitten, om aan goede dingen te denken en den lieven God te bidden dat Bets beter mocht worden. Esther had haar ook een rozenkrans van zwarte kralen met een zilveren kruis gegeven, maar die had Amy zonder hem te gebruiken opgehangen, betwijfelend of zoo iets wel hoorde bij protestantsche gebeden.

Amy nam dit alles hoogst ernstig op, want daar zij zoo alleen buiten het veilige, ouderlijke nest moest blijven, voelde ze dringend behoefte aan een vriendelijke hand, waaraan ze zich kon vastklemmen. Nu ze de hulp van haar moeder miste om zichzelf te begrijpen en te beheerschen, deed zij eerlijk haar best den goeden weg te vinden en daarop vertrouwend voort te gaan. Maar Amywas nog een heel jonge pelgrim en op het oogenblik scheen haar last haar ondraaglijk zwaar toe. Ze trachtte zichzelf te vergeten, vroolijk te blijven en tevreden te zijn met te doen wat goed was, al merkte niemand het op en al werd ze door niemand geprezen. In haar eerste poging om héél braaf en goed te wezen, besloot zij haar testament te maken, net als Tante March gedaan had; zoodatalsze ziek mocht worden en kwam te sterven, haar bezittingen naar recht en billijkheid zouden verdeeld worden. De gedachte alleen dat ze haar kleine schatten zou moeten opgeven, kostte haar heel wat, want ze waren in haar oogen even kostbaar als de juweelen van de oude dame.

Gedurende haar speeluren schreef zij dit gewichtig document zoo goed ze kon, met eenige hulp van Esther, wat betreft de wettelijke termen, en toen de goedhartige Fransche haar naam geteekend had, viel Amy een pak van het hart en legde ze het papier weg, om het aan Laurie te laten zien, op wien haar keuze als tweeden getuige gevallen was. Daar het den heelen morgen regende, ging ze naar boven, om zich in een der groote kamers te amuseeren, Polly voor gezelschap meenemende. In deze kamer was een kleerkast vol ouderwetsche costumes, waarmee Esther haar toestond te spelen, en het was voor Amy een geliefkoosde uitspanning, zich in die verkleurde prachtgewaden uit te dossen, en voor den grooten spiegel heen en weer te wandelen, onder het maken van sierlijke buigingen en het zwaaien van een langen sleep, die “zoo echt deftig ruischte.”

Op den dag van het testament was ze hier zóó druk mee bezig, dat ze Laurie niet hoorde bellen en ook niet zag hoe hij om een hoekje van de deur gluurde, terwijl ze op en neer stapte, met haar waaier speelde, haar hoofd heen en weer draaide, dat met een grooten, rosen hoed versierd was, zonderling afstekend bij haar blauw zijden japon en gelen onderrok. Amy moest voorzichtig loopen, om de schoenen met hooge hakken, en het was een allerdolst gezicht, zooals Laurie later aan Jo vertelde, haar in dat fraaie toilet te zien voorttippelen, met Polly achter haar aan, die al zijn best deed haar na te bootsen, terwijl hij nu en dan stil stond om te lachen, of uit te roepen: “Zijn wij niet mooi? Ga weg, leelijkerd! Hou je bek! Kus me, liefje; ha, ha!”

Nadat Laurie met moeite een uitbarsting van vroolijkheid had bedwongen, uit vrees hare majesteit te beleedigen, klopte hij aan, en werd minzaam ontvangen.

“Ga zitten, terwijl ik dezen boel wegberg; en dan wou ik je graag over iets heel ernstigs raadplegen,” zei Amy, toen ze haar pronkgewaad vertoond en Polly in een hoek gejaagd had. “Dat beest is de plaag van mijn leven,” zuchtte ze, terwijl ze de rose verhevenheid van haar hoofd nam, en Laurie schrijlings op een stoel ging zitten. “Gisteren, toen Tante sliep en ik mijn best deed zoo stil als een muis te zijn, begon Polly opeens in zijn kooi teschreeuwen en te klapwieken. Ik liet hem er dus uit en vond er een groote spin in. Toen ik het griezelige dier wegjoeg, kroop het onder de boekenkast; Polly was er dadelijk bij; hij bukte en keek onder de kast, en riep op zijn dwazen toon met een knipoogje: “Kom er uit en ga mee wandelen, liefje.” Ikkonniet helpen dat ik moest lachen, maar Pol begon te vloeken, zoodat Tante wakker werd en ons alle twee beknorde.”

“Nam de spin de invitatie van den ouden heer aan?” vroeg Laurie geeuwend.

“Ja, hij kwam er uit, en Pol ging doodelijk verschrikt aan den haal en klauterde op Tante’s stoel; al schreeuwend: “Pak hem, Pak hem,” terwijl ik de spin ving.

“Dat is een leugen! Lieve lorre!” krijschte de papegaai, naar Laurie’s voeten pikkende.

“Ik zou je den nek omdraaien, als je van mij was, oude plaaggeest,” riep Laurie, terwijl hij zijn vuist schudde tegen den vogel, die zijn kop op zij hield en zeer ernstig riep:

“Goed geslapen? goeden morgen, meneer!”

“Ziezoo, nu ben ik klaar,” zei Amy, nadat zij de kleerkast gesloten en een papier uit haar zak gehaald had. “Lees dit eens, als ’t je blieft, en vertel mij eens of het in den vorm en goed is. Ik vond, dat ik het moest doen, want het leven is onzeker, en ik zou niet graag willen, dat er oneenigheid ontstond bij mijn graf.”

Laurie beet zich op de lippen, wendde zich een weinig van de in gedachten verzonken spreekster af, en las, de spelling in aanmerking genomen, met loffelijken ernst:

Mijn laatste wil en testament.“Ik, Amy Curtis March, in de volle bezitting van mijn verstandige vermogens geef en vermaak al mijn aardse bezittingen—dat is te zeggen, namelijk:“Aan mijnen vader mijne beste teekeningen, schetsen, portefeuilles en kunstwerken, met de leisten. Ook mijn spaarpot, om mee te doen wat hij wil.“Aan mijne moeder al mijn kleederen, behalve de blauwe boezelaar met de zakjes—ook mijn portret en mijn medaljon met mijn hartelijke liefde.“Aan mijn lieve zuster Margaretha geef ik mijn turkoos ringetje (als ik het krijg), verder het groene doosje met de duifjes er op, ook het stukje echte kant voor om haar hals, en mijn schets van haar als een souvenier.“Aan Jo vermaak ik mijn brosje, dat eene dat met lak gemaakt is, en mijn bronsen inktkookertje (zij heeft zelf het dekseltje weggemaakt) en mijn beeldrig konijntje van plijster, omdat het mij spijt, dat ik haar verhaal verbrant heb.“Aan Betsy (als zij mij overleeft) geef ik mijne poppen en het kleine kasje, mijn waaier, mijn linnen boorden en mijn verlaktepantoffeltjes, die ze misschien wel zal kunnen dragen, omdat ze wel mager zal zijn als ze beter word. Ook betuig ik haar hierbij mijn berouw dat ik ooit om haar ouwe Johanna gelachen heb.“Aan mijn vriend en buurman Theodoor Laurence vermaak ik mijn papiermaarsjee portefeuille en mijn model in klei van een paard, al heeft hij ook gezegd dat het geen hals had. Daarenboven uit erkentelijkheid voor zijn groote vriendelijkheid in de ure der beproeving een mijner kunstwerken naar keus. De Noter-Dame is het beste.“Aan onzen eerwaardigen weldoener, den heer Laurence, laat ik na mijn roode doosje met het spiegeltje in het deksel, dat goed voor zijn pennen zal zijn, en hem de jonge afgestorvene zal herinneren, die hem dankt voor al zijn gunsten aan haar familie en vooral aan Bets bewezen.“Aan mijn liefste vriendinnetje, Kitty Bryant, schenk ik mijn blauwen boezelaar en mijn ringetje van gouddraad met een kus.“Aan Hanna geef ik de hoedendoos, die zij zoo graag wou hebben en al het verstelwerk dat ik nalaat, hopende dat ze mijner er bij zal gedenken.“En nu ik over mijn voornaamste bezittingen heb beschikt, hoop ik dat allen tevreden zullen zijn en niets ten nadeele van de doode zullen zeggen. Ik vergeef iedereen en hoop dat we elkander zullen wederzien, wanneer de bazuin zal klinken. Amen.“Onder deze erflating of testament zet ik mijn handteekening en verzegel het heden den 20sten November Anno Domino 18..Amy Curtis March“GetuigenEstelle ValnorTheodoor Laurence.”

Mijn laatste wil en testament.

“Ik, Amy Curtis March, in de volle bezitting van mijn verstandige vermogens geef en vermaak al mijn aardse bezittingen—dat is te zeggen, namelijk:

“Aan mijnen vader mijne beste teekeningen, schetsen, portefeuilles en kunstwerken, met de leisten. Ook mijn spaarpot, om mee te doen wat hij wil.

“Aan mijne moeder al mijn kleederen, behalve de blauwe boezelaar met de zakjes—ook mijn portret en mijn medaljon met mijn hartelijke liefde.

“Aan mijn lieve zuster Margaretha geef ik mijn turkoos ringetje (als ik het krijg), verder het groene doosje met de duifjes er op, ook het stukje echte kant voor om haar hals, en mijn schets van haar als een souvenier.

“Aan Jo vermaak ik mijn brosje, dat eene dat met lak gemaakt is, en mijn bronsen inktkookertje (zij heeft zelf het dekseltje weggemaakt) en mijn beeldrig konijntje van plijster, omdat het mij spijt, dat ik haar verhaal verbrant heb.

“Aan Betsy (als zij mij overleeft) geef ik mijne poppen en het kleine kasje, mijn waaier, mijn linnen boorden en mijn verlaktepantoffeltjes, die ze misschien wel zal kunnen dragen, omdat ze wel mager zal zijn als ze beter word. Ook betuig ik haar hierbij mijn berouw dat ik ooit om haar ouwe Johanna gelachen heb.

“Aan mijn vriend en buurman Theodoor Laurence vermaak ik mijn papiermaarsjee portefeuille en mijn model in klei van een paard, al heeft hij ook gezegd dat het geen hals had. Daarenboven uit erkentelijkheid voor zijn groote vriendelijkheid in de ure der beproeving een mijner kunstwerken naar keus. De Noter-Dame is het beste.

“Aan onzen eerwaardigen weldoener, den heer Laurence, laat ik na mijn roode doosje met het spiegeltje in het deksel, dat goed voor zijn pennen zal zijn, en hem de jonge afgestorvene zal herinneren, die hem dankt voor al zijn gunsten aan haar familie en vooral aan Bets bewezen.

“Aan mijn liefste vriendinnetje, Kitty Bryant, schenk ik mijn blauwen boezelaar en mijn ringetje van gouddraad met een kus.

“Aan Hanna geef ik de hoedendoos, die zij zoo graag wou hebben en al het verstelwerk dat ik nalaat, hopende dat ze mijner er bij zal gedenken.

“En nu ik over mijn voornaamste bezittingen heb beschikt, hoop ik dat allen tevreden zullen zijn en niets ten nadeele van de doode zullen zeggen. Ik vergeef iedereen en hoop dat we elkander zullen wederzien, wanneer de bazuin zal klinken. Amen.

“Onder deze erflating of testament zet ik mijn handteekening en verzegel het heden den 20sten November Anno Domino 18..

Amy Curtis March

“Getuigen

Estelle ValnorTheodoor Laurence.”

De laatste naam was met potlood geschreven, en Amy verzocht Laurie, dien met inkt over te schrijven en het stuk behoorlijk voor haar te verzegelen.

“Wie heeft je dat in ’t hoofd gebracht? Heeft iemand je soms verteld, dat Bets haar dingen heeft weggegeven?” vroeg Laurie ernstig, toen Amy een stukje rood band, een pijp lak, een kaars en een cachet voor den dag haalde.

Zij legde het hem uit, en vroeg toen angstig: “Wat zei je van Bets?”

“Het spijt mij, dat ik er over begonnen ben, maar nu ik dat eenmaal gedaan heb, zal ik het je vertellen. Ze voelde zich op een dag zoo naar, dat ze tegen Jo zei, dat ze haar piano aan Meta, haar vogel aan jou, en de arme, oude pop aan Jo wou geven, die er wel om harentwil van houden zou. Het speet haar, dat ze zoo weinig weg te geven had, maar ze liet ons allemaal een lokje van haar haar, en haar hartelijkste groeten aan Grootpapa.Zijdacht geen oogenblik aan een testament.”

Al sprekende, teekende en verzegelde Laurie het document, enkeek niet op, voordat een groote traan op het papier viel. Amy’s gezicht stond diep bedroefd, maar ze vroeg alleen: “Maken de menschen ook weleens postscriptums onder hun testament?”

“Ja, een codicil noemt men dat.”

“Zet dan onder het mijne—dat ik verlang, dat al mijn krullen zullen worden afgeknipt en onder mijn vrienden verdeeld. Ik vergat het, maar ik zou toch wel willen, dat het gedaan werd, al zal ik er dan wel wat raar uitzien.”

Laurie voegde het er bij, glimlachend om Amy’s laatste en grootste opoffering. Vervolgens amuseerde hij haar een uur lang, en toonde veel belangstelling in al haar wederwaardigheden. Maar toen hij heenging, hield Amy hem even terug en fluisterde met bevende lippen: “Is Bets werkelijk in gevaar?”

“Ik vrees van ja, maar we moeten er maar het beste van hopen; schrei dus niet, kleintje!” en Laurie sloeg op broederlijke wijze zijn arm om haar heen, wat haar merkbaar vertroostte.

Toen hij weg was, ging Amy naar haar “bidkamertje,” en terwijl ze daar in den schemer zat, bad zij voor Bets, onder een stroom van tranen en met een diep bedroefd hart, en voelde ze dat een millioen turkooizen ringen haar het verlies van haar lief zusje niet zouden kunnen vergoeden.

Ik geloof niet, dat er woorden zijn, waarmee ik de ontmoeting van mevrouw March met haar dochters kan beschrijven. Zulke uren zijn heerlijk om te doorleven, maar men kan er niet goed over spreken; daarom zal ik dit maar aan de verbeelding van mijn lezers overlaten, en alleen zeggen, dat ze zich óver- en óvergelukkig voelden, en dat Meta’s wensch vervuld werd, want de eerste dingen, waarop Bets’ blik viel, toen ze uit haar eersten, verkwikkenden slaap ontwaakte,warenhet roosje en Moeders gezicht. Nog te zwak om zich over iets te verwonderen, glimlachte Bets dus slechts, en nestelde zich in de liefhebbende armen, die haar omvat hielden, met het zalige gevoel dat haar smachtend verlangen eindelijk bevredigd was. Toen viel ze weer in slaap, en de meisjes bedienden hun moeder, want ze wilde de vermagerde handjes niet losmaken, die de hare, zelfs in den slaap, omvat hielden.

Hanna had een kolossaal ontbijt voor de reizigster opgedischt, omdat ze op geen andere manier haar blijdschap wist lucht te geven, en Meta en Jo voerden hun moeder, als plichtmatige jonge ooievaars, terwijl ze luisterden naar haar gefluisterd verhaal over Vaderstoestand, de belofte van Brooke om bij hem te blijven en hem op te passen, het gedurig oponthoud, dat de storm op de terugreis had veroorzaakt en de onuitsprekelijke verlichting, die Laurie’s hoopvol gezicht haar gegeven had, toen ze, uitgeput door vermoeidheid, angst en koude, aankwam.

Wat was dat een vreemde en toch gelukkige dag! Buiten zoo schitterend en vroolijk, want iedereen scheen de eerste sneeuw te willen verwelkomen; binnen zoo rustig en kalm, daar allen sliepen, uitgeput door het waken. Een ware Sabbathstilte heerschte in het huis, terwijl de glimlachende Hanna aan de deur de wacht hield. Met het heerlijke gevoel, dat er een drukkende last van hen was afgewenteld, sloten Meta en Jo hun vermoeide oogen, tot rust gekomen als door storm voortgezweepte scheepjes, die eindelijk in een veilige haven waren beland. Mevrouw March wilde geen oogenblik Bets’ zijde verlaten, maar sliep in den grooten leuningstoel, gedurig wakker schrikkend om naar haar kind te kijken, haar aan te raken en zich over haar heen te buigen, als een gierigaard over een herwonnen schat.

Intusschen vloog Laurie weg om Amy te vertroosten, en deed zijn verhaal zóó welsprekend, dat Tante March waarlijk zelf moest “snuffen” en geen enkele maal zei: “Ik heb het wel gezegd!” Amy gedroeg zich heel verstandig bij deze gelegenheid; het scheen werkelijk, alsof de goede gedachten in het bidkamertje al vrucht begonnen te dragen. Zij droogde spoedig haar tranen, bedwong haar ongeduld om haar moeder te zien en dacht geen oogenblik aan het turkooizen ringetje, toen de oude dame van harte instemde met Laurie’s verzekering, dat ze zich gedroeg “als een ferme, kleine meid”. Zelfs Polly scheen er van onder den indruk, want hij noemde haar “meisjelief” en verzocht haar op zijn vriendelijksten toon: “Ga wat wandelen, liefje.” Amy zou graag uitgegaan zijn om van het mooie winterweer te genieten; maar toen ze merkte, dat Laurie knikkebolde van den slaap, in spijt van zijn mannelijke pogingen het te verbergen, haalde ze hem over wat op de canapé te gaan liggen, terwijl zij een briefje aan haar moeder schreef. Ze was er lang mee bezig, en toen ze terugkwam, lag hij in een diepen slaap, met de armen onder het hoofd, terwijl Tante March de gordijnen had laten vallen, en in een plotselingen aanval van goedhartigheid er bij zat zonder iets te doen.

Na een poosje begonnen ze te vreezen, dat hij misschien wel niet voor den avond zou wakker worden, en dat zou hij ook niet geworden zijn, wanneer hij niet was opgeschrikt door een vreugdekreet van Amy bij het zien van haar moeder.

Er waren dien dag waarschijnlijk wel veel gelukkige, kleine meisjes in en rondom de stad, maar ik ben overtuigd dat Amy het gelukkigst van hen allen was, toen ze op haar moeders schoot zat en haar wederwaardigheden vertelde, troost en vergoeding ontvangende in den vorm van goedkeurende glimlachjes en innige liefkoozingen.

Ze waren samen alleen in het bidkamertje, waartegen haar moeder geen bezwaren had, toen haar was uitgelegd hoe het gebruikt werd.

“Integendeel, ik keur het heel goed, lieve kind,” zei ze, van den stoffigen rozenkrans naar het veelgebruikte boekje en de mooie plaat met den krans van klimopbladeren ziende. “Het is een uitmuntend plan, een plaatsje te hebben, waar wij rustig alleen kunnen zijn, wanneer ons iets hindert of bedroeft. Er zijn veel moeilijke tijden in ons leven, maar we kunnen die altijd verdragen, wanneer wij op de rechte plaats hulp zoeken. Ik hoop, dat mijn kleine meid bezig is dit te leeren?”

“Ja, Moeder, en als ik thuis kom, zal ik in de groote hangkast een hoekje leegmaken, waar ik mijn boeken kan neerleggen en de copie ophangen van deze plaat, die ik geprobeerd heb na te maken. Het gezicht van de vrouw is niet goed; dat is te mooi voor me om goed na te teekenen, maar het kindje is beter gelukt, en ik houd er erg veel van.”

Toen Amy het glimlachend Christuskind op den schoot der madonna aanwees, zag mevrouw March iets aan het opgeheven handje, dat haar deed glimlachen. Ze zei niets, maar Amy begreep den blik, en na een oogenblik zwijgen ging zij ernstig voort:

“Ik had u ook hierover willen spreken, maar ik vergat het. Tante gaf mij vandaag dit ringetje. Ze riep me bij zich en kuste me, en zei dat ik haar eer aandeed, en dat ze me wel graag altijd bij zich zou willen houden. Kijk, dit aardige ringetje heeft Tante erbij gegeven om den ring tegen te houden, hij is me nog te wijd. Ik wou ze zoo graag dragen, Moeder. Mag ik?”

“Ze zijn heel mooi, maar ik vind je nog wel wat jong voor zulke sieraden, Amy,” zei mevrouw March, met een blik op het ronde handje, waaraan de blauwe steenen schitterden, vastgehouden door twee kleine gouden, in elkander gevatte handjes.

“Ik zal mijn best doen niet ijdel te zijn,” beloofde Amy; “ik geloof ook niet, dat ik er blij mee benalleenomdat ik ze mooi vind, maar ik zou ze graag dragen, zooals het meisje in het verhaal haar armband, om mij aan iets te herinneren.

“Meen je aan tante March?” vroeg haar moeder lachende.

“Neen, om me te herinneren niet zelfzuchtig te zijn.” Amy zag er bij die woorden zoo ernstig en oprecht uit, dat haar moeder ophield te lachen en aandachtig naar het plannetje luisterde.

“Ik heb in den laatsten tijd veel nagedacht over mijn “zondenpak” zooals Jo zegt en ik geloof, dat zelfzucht mijn ergste gebrek is, en nu ga ik mijn best doen om die af te leeren, als ik kan. Bets is niet zelfzuchtig, en daarom houdt iedereen van haar. ’t Zou verschrikkelijk zijn als we haar verloren. De menschen zouden niet half zoo bedroefd om mij zijn, als ik ziek was, en dat verdien ik ook niet, maar ik wou toch ook wel graag door zooveel vrienden gemist worden, en daarom zal ik al mijn best doen om te wordenzooals Bets. Ik vergeet zulke goeie dingen zoo licht, maar als ik altijd iets bij me had om er mij aan te herinneren, geloof ik, dat het misschien gaan zou. Mag ik het eens probeeren?”

“Ja, maar ik heb meer vertrouwen in het hoekje van de groote hangkast. Draag je ring, mijn kind, en doe je best, en ik geloof dat het je lukken zal, want de vaste wil om goed te zijn, is al de helft van ’t werk. Nu moet ik weer naar Bets. Blijf maar goedsmoeds, mijn dochtertje, en we zullen je gauw weer naar huis halen.”

Toen Meta dien avond bezig was aan haar vader te schrijven, om Moeders goede overkomst te berichten, sloop Jo naar boven, naar Bets’ kamer en toen zij haar moeder op haar gewone plaatsje zag zitten, bleef ze een oogenblik staan, met een uitdrukking van twijfel en teleurstelling op haar gezicht, de hand door het haar strijkende.

“Wat is er, kindlief?” vroeg mevrouw March, terwijl ze haar de hand toestak met een glimlach, die tot vertrouwen uitlokte.

“Ik moet u iets vertellen, Moeder.”

“Omtrent Meta?”

“Wat kunt u dat vlug raden! Ja, ’t is over haar en hoewel het maar een kleinigheid is, hindert het mij toch.”

“Bets slaapt; spreek zachtjes en vertel er mij alles van. Die Moffat is toch niet hier geweest?” vroeg mevrouw March op tamelijk scherpen toon.

“Neen, ik zou hem de deur voor den neus hebben toegegooid,” zei Jo, terwijl zij bij haar moeder op den grond ging zitten.

“Verleden zomer liet Meta een paar handschoenen bij de Laurences liggen, en er kwam er maar één terug. Wij dachten daar natuurlijk niet meer om, totdat Teddy mij vertelde, dat Brooke hem had. Hij droeg hem in zijn vestjeszak, en eens viel hij er uit, en toen Teddy er hem mee plaagde, erkende Brooke dat hij erg veel van Meta hield, maar er niet over durfde spreken, omdat zij zoo jong en hij zoo arm was. Vindt u dat nietverschrikkelijk?”

“Denk je, dat Meta van hem houdt?” vroeg mevrouw March met een bezorgden blik.

“Genade! ik heb niets geen verstand van liefde en zulk gezeur!” riep Jo, met een grappig mengelmoes van belangstelling en verachting. “In romans toonen de meisjes het door te schrikken en te blozen, flauw te vallen, mager te worden en zich als gekkinnen aan te stellen. Maar Meta doet niets van dien aard; ze eet en drinkt en slaapt als een gewoon mensch; ze kijkt mij vlak in de oogen, wanneer ik over dien man spreek, en bloost alleen maar een klein beetje, als Teddy gekheid maakt over aanbidders. Ik verbied hem wel dat te doen, maar hij luistert niet zoo naar mij, als hij moest.”

“Dus denk je dat Metanietvan John houdt?”

“Van wien?” riep Jo verbaasd.

“Van Brooke; ik noem hem nu John; we kwamen daar zoo toe in het hospitaal, en hij heeft het graag.”

“O zoo! dan weet ik al, dat u zijn partij zult nemen; hij is goed voor Vader geweest en nu zult u hem niet weg willen sturen, maar hem met Meta laten trouwen, als ze wil. Echt min! om Vader te gaan oppassen en u te flikflooien, om u te bewegen van hem te gaan houden,” en Jo gaf een verontwaardigden ruk aan haar haar.

“Lieve kind, word er niet boos om, ik zal je vertellen hoe het gebeurd is. John ging met mij mee, op verzoek van mijnheer Laurence, en hij was zóo zorgzaam voor Vader, dat wij wel van hem moesten gaan houden. Hij was omtrent Meta volmaakt open en eerlijk, want hij zei ons dat hij haar liefhad, maar dat hij eerst een goed tehuis voor haar wilde verdienen, eer hij haar ten huwelijk vroeg, ’t Is werkelijk een flink jongmensch, en we konden niet weigeren naar hem te luisteren; maar ik zal niet toestaan, dat Meta zich zoo jong engageert.”

“Natuurlijk niet, het zou idiotenwerk zijn! Ik dacht wel, dat er iets kwaads broeide; ik voelde het, en nu is het nog erger dan ik dacht. O, ik wou maar, dat ik zelf met Meta trouwen kon en haar zoo veilig in de familie houden.”

Mevrouw March glimlachte bij de gedachte aan zoo’n eigenaardige schikking, maar hernam ernstig: “Jo, ik vertrouw je, en verlang, dat je er vooreerst nog niet met Meta over spreken zult. Als John terugkomt en ik hen samen zie, kan ik beter over haar gevoelens voor hem oordeelen.”

“Ze zal de zijne zeker in “die mooie oogen” lezen, waarover ze altijd praat, en dan is ze natuurlijk dadelijk verloren. Ze heeft zoo’n gevoelig hart, dat het stellig als boter in de zon zal smelten, wanneer iemand haar sentimenteel aankijkt. De korte berichten, die hij schreef, las ze veel vaker over dan uw brieven, en ze kneep mij in mijn arm, toen ik daar iets van zei, en zij houdt van bruine oogen, en ze vindt John geen leelijken naam, en ze zal wel heel gauw verliefd worden, en dan is er een eind aan vrede en plezier en aan ons gezellig samenzijn! Ik zie het al vooruit; ze zullen loopen vrijen door het huis, en wij kunnen ons afsloven. Meta zal afgetrokken zijn, en nergens meer voor deugen; Brooke zal op de een of andere manier een fortuin oploopen, haar meenemen en een bres in de familie maken; enikzal mij dood ongelukkig voelen; en ons heele leven zal afschuwelijk ongezellig worden. Och, och!! waarom zijn we maar niet allemaal jongens! dan zou er niets geen ellende zijn!”

Jo leunde in eene wanhopige houding met haar kin op haar knieën, en balde haar vuist tegen den schuldigen John, totdat mevrouw March zuchtte en ze eenigszins bemoedigend opkeek.

“Vindt u het ook niet prettig, Moeder? Daar ben ik blij om; laten we hem dan zijn afscheid geven, en er niets van aan Meta zeggen en even gezellig samen voortleven als we altijd gedaan hebben.”

“Het was niet goed van me, dat ik zuchtte, Jo. Het is niet meerdan natuurlijk en billijk, dat jullie allen, in vervolg van tijd een eigen huis zult krijgen; maar ik houd mijn meisjes graag zoo lang mogelijk bij me; en het spijt me dat dit al zoo gauw gebeurd is, want Meta is pas zeventien, en het zal nog wel eenige jaren duren, eer John genoeg verdient. Vader en ik hebben besloten, dat zij zich in geen enkel opzicht moet binden, en in geen geval trouwen voor haar twintigste jaar. Wanneer zij en John elkaar liefhebben, kunnen ze wachten en hun liefde daardoor op de proef stellen. Meta heeft een ernstig karakter, en ik ben niet bang dat ze hem onvriendelijk behandelen zal. Onze lieve, teerhartige oudste! Ik hoop zoo innig, dat ze gelukkig mag worden!”

“Zoudt u niet liever willen, dat ze met een rijken man trouwde?” vroeg Jo, toen haar moeder de laatste woorden aangedaan uitsprak.

“Geld is een goed en nuttig ding, Jo; en ik hoop, dat mijn meisjes het gemis er van nooit al te zeer zullen gevoelen, evenmin als de verzoeking van te veel te hebben. Ik zou ’t liefst zien dat John goed en wel gevestigd was in de een of andere zaak, die hem genoeg opbracht om buiten schulden te kunnen leven en Meta in haar stand te onderhouden. Ik verlang geen groot fortuin, geen hooge positie, of beroemden naam voor mijn meisjes. Wanneer rang en rijkdom gepaard gaan met liefde en een flink karakter, zou ik ze dankbaar aannemen en mij in jullie geluk verheugen, maar ik weet bij ondervinding, hoe gelukkig een mensch kan zijn in een klein, eenvoudig huisje, waar het dagelijksch brood verdiend moet worden en waar de ontberingen het genot van de genoegens verhoogen. Dat Meta eenvoudig beginnen moet, vind ik niets, want ik weet dat ze rijk zal zijn in het bezit van een besten man, en dat is meer waard dan een groot fortuin.”

“Ik begrijp u, Moeder, en ben het met u eens, maar ik ben zoo teleurgesteld in Meta, want ik had zoo’n mooi plannetje gemaakt, dat zij later met Teddy zou trouwen en haar heele leven in rijkdom leven. Zou dat niet aardig zijn!” vroeg Jo met een verhelderd gezicht opkijkende.

“Hij is wat jonger dan zij, zooals je weet,” begon mevrouw March, maar Jo viel haar in de rede:

“O, dàt komt er niet op aan! Hij is oud voor zijn jaren en lang; en u weet, dat hij in zijn manieren al precies een heer kan zijn. En hij is rijk en hartelijk en goed, en houdt van ons allemaal, enikzeg, dat het jammer is als mijn plan mislukt!”

“Ik ben bang, dat Laurie voor Meta nog niet menschelijk genoeg is, en op het oogenblik te veel een weerhaan, dan dat iemand zich op hem zou kunnen verlaten. Maak geen plannen, Jo, maar laat het aan den tijd en aan de eigen harten van je vrienden over, om elkander te vinden. Het is niet goed zich met zulke dingen te bemoeien, en beter geen “romantischen onzin,” zooals jij het noemt, in je hoofd te halen, op gevaar af, dat het onze vriendschappelijke verhouding benadeelen zou.”

“Goed, ik beloof u dat ik het niet doen zal; maar ik kan niet uitstaan, alle dingen kris kras door elkaar te zien gaan en in de war te zien komen, wanneer een rukje hier en een duwtje daar, alles in orde zou kunnen brengen. Ik wou, dat wij zware gewichten op ons hoofd konden dragen, om het groeien tegen te houden. Maar knoppen worden rozen en poesjes worden katten—jammer genoeg.”

“Wat is dat over gewichten en katten?” vroeg Meta, die zachtjes de kamer binnenkwam met den geschreven brief in haar hand.

“O, niks! Een van mijn onzinnige redevoeringen. Ik ga naar bed; ga je mee?” zei Jo, terwijl ze met een geheimzinnig gezicht opstond.

“Heel goed en netjes geschreven. Zet er nog bij, dat ik mijn hartelijke groeten aan John zend,” zei mevrouw March, die den brief had doorgekeken en hem teruggaf.

“Noemt u hem John?” vroeg Meta glimlachend, met haar onschuldige oogen haar moeder aanziende.

“Ja, hij is als een zoon voor ons geweest, en we houden heel veel van hem,” zei mevrouw March met een onderzoekenden blik.

“Daar ben ik blij om; hij voelt zich zoo eenzaam. Nacht, Moes. Wat is het toch heerlijk u weer hier te hebben,” was Meta’s kalm antwoord. De kus, dien haar moeder haar gaf, was bijzonder teeder, en toen zij de kamer uit ging, zei mevrouw March bij zichzelf, met een wonderlijke mengeling van blijdschap en spijt: “Ze heeft hem nog niet lief, maar het zal er misschien wel toe komen.”


Back to IndexNext