DE MONSTERPAD EN DE WITTE EZEL VAN SELAM.
De opkomende zon kleurde nauwelijks den hemel met roode tinten, of er begon leven te komen in het kleine kamp.Selam, de onvermoeide, die slechts een paar uren geslapen en daarna de plaats van Mohammed ingenomen had, was reeds druk in de weer. Hij wekte Mohammed en de drijvers en riep hun op tot het gebed. Men spreidde den kapmantel op den grond uit, knielde daarop methet aangezicht naar het Oosten gekeerd, en vervolgens een handvol aarde nemende wreven zij daarmede hunne armen en beenen, het hoofd en de voeten alsof zij zich waschten; daarna maakten zij onder het mompelen van gebeden allerhande bewegingen, bogen nu het gelaat in het gras, lagen op de knieën, sprongen dan weder op of hieven de handen biddend omhoog. Het was het eerste gebed van de vijf, die de Mahomedaan verplicht is elken dag te doen. Op een wenk van Selam stond men weder op en ging aan het werk; terwijl de drijvers ijverig bezig waren de bagage op de kameelen te laden, maakte Selam met zijn vriend Mohammed het ontbijt gereed, ondertusschen een oog houdend over het opladen der kameelen.
Luitenant Frank, altijd met de zon uit de veeren, had nauwelijks de drukte van het ontwaken bespeurd, of hij stond op en wekte zijne vrienden. IJlings maakte men zich gereed om weder op marsch te gaan, en na te hebben ontbeten zette de kleine stoet zich weder in beweging. Ditmaal reed Selam met Mohammed vooraan, daarop volgden de kameelen en onze drie vrienden maakten de achterhoede uit.
De dag was schoon. De zon nog niet zoo brandend als op den dag, stelde hen in staat goed door te marcheeren. De weg liep door een zeer afwisselend terrein. Welig groen, doorvlochten met prachtige bloemen, zag het oog allerwegen; ook uitgestrekte bebouwde velden met rogge en gierst bezet. Hier een heuvel, bedekt met een kleed van frisch groen en met fraaie boomheesters, dáár een dal met kreupelhout begroeid, waarboven overal vijgeboomen, aloë's en palmen uitstaken, hier eene wijd uitgestrekte groene vlakte, daar ginds voor hen uit eene lange rij blauwe bergen. Doch nergens ontwaarde men een levend wezen. Zoo reed men voort, pratend en lachend. Een zacht frisch koeltje deed eene aangename uitwerking en verfrischte allen.
Met het klimmen van de zon begonnen hare stralen ook meer te branden. Het was omstreeks tien uur in den morgen en reeds was de hitte ondraaglijk. Een eind voor den troep uit bespeurde men een lagen berg. Hij bestond uit een steenachtigen grond met bosch en liep zeer steil op. De luitenant en de kapitein reden er heen op de ezels van Selam en Mohammed, wijl hij niet zeer geschikt was te paard bestegen te worden. Niet zonder moeite kwam men op den top aan, vanwaar men een prachtig uitzicht had over de omliggende landstreek en den Atlantischen Oceaan, die zich heel in de verte als een blauw vlak uitstrekte. Mohammed, die hen te voet wasgevolgd, wees hun eenige zeilen, die hij met zijne scherpe oogen op dien verren afstand bespeurde. Inderdaad onderscheidde men een paar schepen met volle zeilen. Het geleken op dien afstand een paar watervogels, die, met de witte vlerken uitgespreid, zachtjes over het water zweefden om hun buit te bespieden. Omlaag zag men den troep reeds een heel eind vooruit, en men haastte zich den berg af te gaan, wat niet zonder gevaar geschiedde. De luitenant had nog een paar prachtige kevers gevonden, zeer zeldzame exemplaren, en Mohammed had onder het afstijgen een hagedis betrapt, die zeer klein was maar schitterde met allerlei kleuren.
Toen men weder bij het gezelschap was, zeide Selam:
—Dat is de Roode Berg; wij hebben reeds een goeden marsch gemaakt en als mijnheer het vergunt om ginds in de schaduw dier boomen een paar uurtjes te rusten om ons wat te verfrisschen, dan kunnen wij vóór den nacht nog Had-el-Garbia bereiken, dat aan gindsche zijde dier bergketen ligt.
De luitenant en de kapitein keurden het goed, en na verloop van een uur zat men te rusten onder het dichte lommer van eene fraaie boomgroep. De hitte was dan ook onuitstaanbaar. De luitenant haalde zijn schetsboek voor den dag en maakte zijne eerste schets van een Arabisch landschap, terwijl Dries zich behaaglijk in het zachte groen uitstrekte en de kapitein eenige aanteekeningen in zijn dagboek opschreef. Wat de drijvers Mohammed en Selam betreft, deze gaven zich met innig welbehagen over aan dien trek naar rust, die den Arabieren en Mooren eigen is.
Na eene verkwikkende rust ging men weder op weg. De hitte was nu ten minste draaglijk. De landstreek was afwisselend, maar eenzaam. Geen enkel persoon ontmoette men, en men bereikte tegen den nacht eene plek waar het kamp werd opgeslagen. Een weinig links af bevond zich Had-el-Garbia.
Eindelijk deed het dier een paar sprongen, welke het aan de voeten van den kapitein brachten. Bladz. 50.Eindelijk deed het dier een paar sprongen, welke het aan de voeten van den kapitein brachten.Bladz. 50.
Eindelijk deed het dier een paar sprongen, welke het aan de voeten van den kapitein brachten.Bladz. 50.
Na de afmattende hitte van den dag gevoelde iedereen lust om te rusten, en toen de tenten opgeslagen waren en de beesten op een paar meters afstand vóór de tenten op eene rij waren vastgemaakt, begaf elkeen zich ter ruste. In de kleine tent was behalve Selam, die de wacht hield, weldra ieder in een diepen slaap. Niet alzoo in de groote tent. Nauwelijks had men zich nedergelegd, of een zwerm insecten rukte van alle kanten aan. Vliegend, kruipend, loopend kwam dat heir van ongedierte onze vrienden plagen. Dries was zoo afgemat, dat hij ondanks de insecten weldra sliep als een os. De luitenant verdroeg alles met kalmte, bleef rustig liggen en knipte slechts nu en dan het een of ander dier, dat hem te veel hinderde,met den vinger weg. Tegen de muskieten had hij zich gewapend met eene sigaar, aanhoudend dikke rookwolken uitblazend, zoodat hij weldra geheel in den dikken blauwen welriekenden rook van zijne manilla gehuld was. Doch kapiteinDaumashad het 't ergst van allen te verantwoorden. Nauwelijksneergevlijdsprong hij op, eene verwensching uitstootende, liep met zijn zakdoek te wuiven, en sloeg en trapte naar alle kanten, zonder de zoozeer gewenschte rust te kunnen vinden.
—Doe als ik, vriend! zeide de luitenant, die geheel onzichtbaar was.
—Parbleu!riep de kapitein toornig uit, dat kan ik niet, dat duivelsche goed bijt en steekt me om er razend van te worden. Voorwaar, men moet een liefhebber van insecten zijn zooals gij, om te kunnen slapen met dat vieze goed bij en rondom u.
De luitenant lachte.
—Sacrebleu!riep de kapitein uit, ik ga naar buiten. En hij liep wanhopig de tent uit.
Daarbuiten zat Selam voor zijne tent. De kapitein naderde hem stil en legde de hand op zijnen schouder. De Moor gaf geen teeken van schrik, maar draaide bedaard het hoofd om.
—Ga slapen, mijn jongen! zeide de kapitein, ten minste als ge kunt. Ik kan 't niet en zal dus blijven waken. Zoodra ik lust heb om te gaan slapen, zal ik Mohammed wekken.
De Moor weifelde.
—Vergeef mij, heer! zeide hij, maar er wonen hier dichtbij Arabieren; ze zouden wel eens kunnen pogen te stelen. Als u het mij wilt vergunnen, blijf ik liever op.
—Wees gerust, Selam! antwoordde de kapitein, ik ben vertrouwd met dat volkje. Ik heb lang genoeg oorlog met hen gevoerd om hunne streken te kennen. Gij kunt mij uwe taak gerust toevertrouwen.
De Moor boog het hoofd; hij was voldaan, en ijlings in de tent gaande, sliep de brave jongen spoedig.
De kapitein zette zich weder in de schaduw van de tent, waarin Selam was verdwenen. Met den rug naar de tent gekeerd, kon hij in den helderen nacht den omtrek en de lastdieren zonder moeite gadeslaan. Nadat de kapitein eenigen tijd had rondgezien om zijne oogen aan het duister te gewennen, vermaakte hij zich met op den grond naar de insecten te turen, die zich door hun geluid of lichtgevend vermogen deden bespeuren. Een voorwerp ter grootte van eene groote rat bewoog zich naar hem toe. Nu en dan zat het stil en dan sprong het weder eensklaps op, om naar het een of andervliegend insect te happen. De kapitein martelde zijne hersens te vergeefs af, welk dier dat toch wel kon zijn; maar hoe hij ook nadacht, hij kon maar niet begrijpen wat het was. Het liep niet zooals een zoogdier, maar het sprong met korte tusschenpoozen en bewoog zich log voort. Twee oogen glinsterden als kleine vuurbollen. De kapitein begreep, dat hij door zich te bewegen het dier zou verjagen, en zijne nieuwsgierigheid was te zeer gaande gemaakt om niet te willen weten, welk dier hij voor had. Eindelijk deed het dier een paar snelle sprongen, welk het tot aan de voeten van den kapitein brachten. Nu of nooit, dacht hij, en snel den arm uitstrekkend greep hij het bij een poot vast.
—Te duivel, mompelde hij, wat is dat koud!
Hij liep er snel de tent mede in, ontstak een licht en liet opeens vol afschuw het dier vallen. Het was eene reusachtige pad. Maar even snel bedacht de kapitein zich en greep haar weder vóór zij den tijd had gehad zich weg te maken.
Het dier bood eene mengeling van schoons en terugstootends aan. De huid zat vol groote en kleine wratten, die het dier er afzichtelijk deden uitzien. Het pronkte met allerlei kleuren en de vurige roode oogen schitterden als waren zij van goud.
—Ha, ha, vriendin pad! zeide de kapitein, dat is eene vondst, die wat waard is; daar zal ik den luitenant morgen eens mede verrassen. En hij bond haar een koordje om een der pooten en zette haar op den grond.
De pad, na een paar malen te vergeefs gepoogd te hebben weg te springen, bleef stil zitten en keek den kapitein met hare groote gouden oogen aan.
—Je ziet er nog al verstandig uit, hoor! zei de kapitein lachend; ik geloof, dat ik je wel zou kunnen africhten als een hondje! en hij begaf zich weer naar buiten.
Het weer begon eenigermate te veranderen. De sterren verdwenen van lieverlede en er kwam een natte koele nevel opzetten. De kapitein ging de tent in, stak eene pijp op, sloeg zijn mantel om en ging weder zitten. Hij had reeds langer dan twee uren de wacht gehouden en was huiverig geworden door de kille atmosfeer; hij besloot ten laatste Mohammed te wekken en te gaan slapen. Doch juist toen hij wilde opstaan, vernam hij een licht gedruisch. KapiteinDaumasluisterde, doch vernam niets meer. »Het zal het een of ander dier zijn geweest, dat jacht maakt op insecten”, mompelde hij, en hij wilde opstaan, toen hij op eens den witten ezel van Selam, die aan het eind der lijn stond, den kop zag omwenden als trokiets buitengewoons zijne opmerkzaamheid.—»Verduiveld”, zeide de kapitein, »zou er iets aan de hand zijn? Laten wij op onze hoede zijn.”
Nauwelijks had hij dit gezegd, of een vreemd geluid trof zijn oor. Het was alsof men iets met een bot mes wilde doorsnijden, wat niet gelukte. De kapitein dook omlaag en strekte zich plat op den grond uit. Hoe weinig het ook was, toch had de kapitein een zacht geritsel gemaakt en oogenblikkelijk hield het geluid op. Doch een paar minuten daarna, toen de kapitein reeds meende dat hij zich had bedrogen, hoorde hij het opnieuw, doch slechts een oogenblik, toen was het doodstil.
—Mordieu!mompelde de kapitein; wat gaat hier om, de duivel hale me als ik het weet.
Hoewel hij nu, daar hij niets meer hoorde, een weinig gerustgesteld was en dacht dat zijne verbeelding hem een poets had gespeeld, bleef de kapitein niettemin het oog houden op den witten ezel van Selam, die door zijne kleur, ondanks de duisternis en den nevel, goed zichtbaar was. Opeens keek de kapitein scherp uit en bleef eenige oogenblikken liggen turen, alsof hij de duisternis doorboren wilde.
—Sacre!mompelde hij zacht, als ik het niet beter wist, zou ik zeggen dat de witte een eind verder stond dan daareven. En dat kan toch niet, want het touw, waarmede hij aan de lijn gebonden is, is toch niet langer dan een paar voet. Of zou de nevel mij misleiden. Ja, dat zal het zijn, zeide de kapitein, de nevel wordt hoe langer zoo dikker en onttrekt de voorwerpen aan mijn oog. Maarmordieu!zeide hij opeens verbaasd, toen hij toevallig het hoofd rechts wendde, het eerste paard is weg.Sacré Dieu!zou de nevel ook daarvan de oorzaak zijn?
En met één sprong was hij aan het andere einde der lijn.
Het eerste paard, dat van den kapitein, was verdwenen; het doorgesneden touw hing aan de lijn.—Ha, ha! mompelde de kapitein, was het dàt wat ik hoorde. Wacht, schavuiten! dat zal ik je betaald zetten. Hij liep naar het andere einde der lijn; ook de witte ezel was verdwenen.
—Komaan, zeide de kapitein, knap gedaan! en voorzichtig liep hij naar de tent en greep Selam bij den schouder. De brave gids, die om zoo te zeggen met open oogen sliep, was in een oogwenk overeind.—Ik kom, zeide hij, denkende dat de kapitein hem wenkte om de wacht te betrekken.
—Spoedig, spoedig! zeide de kapitein, men heeft mijn paard en je witten ezel gestolen; voort! anders pakken wij de schavuiten niet!en met groote sprongen snelde hij de hoogte af waarop men gelegerd was, op den voet gevolgd door Selam.
De kapitein rende voort. Met de vlugheid van een gems sprong hij over steenen en struiken, dook onder overhangende boomtakken door en wrong zich door het dichte groen, dat hem overal den weg versperde.
—Vooruit, Selam, vooruit jongen! riep de kapitein zacht tot den gids, die eensklaps bleef staan.
—Halt! riep deze even zacht, luister, hier zijn de schelmen, hier links af, kapitein!
De kapitein bleef eene seconde staan. Aan den linkerkant liep een smal voetpad. Daar hoorde men eene toornige stem op onderdrukten toon allerlei Arabische vervloekingen uiten, vergezeld van het toebrengen van slagen.
—'t Is de witte, zei Selam zacht, het beest heeft zeker bemerkt, dat hij in vreemde handen is, of hij heeft een aanval van koppigheid.
De kapitein dook in elkaar en kroop als eene slang over het hobbelige pad, gevolgd door Selam. Nog eenige oogenblikken en men was er. Dáár stond de witte ezel van Selam, en schopte en sloeg om zich heen zonder voort te willen. De Arabier vloekte. Een weinig verder stond een tweede, met het paard bij den teugel vastgegrepen, woedend over de vertraging, die den zoo slim uitgevoerden diefstal geheel kon doen mislukken.
—Blijf hier, fluisterde de kapitein aan Selam's oor; ik zal maken bij den voorsten schurk te komen; zoodra gij mijne stem hoort, valt gij dezen aan. Hij kroop rechtsaf in de schaduw van het lage houtgewas voort. Een paar takken kraakten door zijne bewegingen, maar, dank zij het leven dat de ezel maakte, hoorden de dieven het niet.
Opeens sprong den kapitein op, en den kerel die zijn paard aan den toom hield in den nek grijpend, donderde hij hem toe:—Halt, ellendige roover! Op hetzelfde oogenblik sprong ook Selam als een tijger op zijne tegenpartij en wierp den man op den grond. Selam had spoedig zijnen vijand onder de knie en hield hem in bedwang met het breede mes, dat hij boven het hoofd van den dief liet flikkeren, doch de kapitein, hoewel ongewapend, had toch niet geaarzeld den dief aan te vatten. Hij had dus alleen zijnen krachtigen arm tot wapen en eene hevige worsteling volgde. Selam, voor hem bevreesd, poogde hem het mes toe te reiken. Van dit oogenblik trok de dief partij en trachtte zich los te maken van zijnen bespringer. Doch snel greep Selam den roover bij het hoofden het een weinig opheffend, smakte hij het op den rotsigen grond, zoodat de kerel bewusteloos bleef liggen. Toen sprong hij op en snelde den kapitein te hulp.
Het was tijd ook, want diens tegenpartij had zich van het mes, dat op den grond was gevallen, meestergemaakt en bedreigde daarmede den kapitein. Selam, het gevaar ziende, waarin deze verkeerde, brak bliksemsnel een tak af en gaf den roover een geduchten slag op den schedel. De dief liet het hoofd vallen, breidde de armen uit en het mes ontviel aan zijne hand.
Nu stond de kapitein op en Selam de hand drukkend, zeide hij met bewogen stem:—Ge zijt een brave knaap, Selam! het was tijd, dat ge mij te hulp kwaamt.
Intusschen deed Selam een koord van zijn middel, bond den bedwelmden roover stevig vast en wierp hem over het paard. Toen hij echter een paar stappen terugging naar den anderen dief, was deze verdwenen.
—Bij Allah! zeide Selam, ik had hem toch vrij onzacht tegen de steenen gesmakt.
—Parbleu!voegde de kapitein er lachend bij, ik geloof u wel; ik hoorde den smak daar ginds. Als het een fatsoenlijk Christen was geweest, zouden hem de hersens uit den kop zijn gepuild, maar die vervloekte Arabieren hebben schedels van ijzer.
—Hij heeft wijs gedaan met zich uit de voeten te maken, zei Selam. Hij heeft er een duchtig pak slaag mede uitgewonnen. Maar het spijt mij, dat hij ontkomen is.
—Laat den schurk loopen, zei de kapitein; ik geloof, dat hij er wel genoeg van zal hebben om vooreerst weer uit stelen te gaan.
Binnen weinige oogenblikken had men het kamp bereikt en de dieren weder vastgebonden, en daar de nevel hoe langer hoe dikker werd, legde Selam een flink vuur aan, welks schijnsel de geheele plek verlichtte.
—Ik zeide het u wel, zei Selam, toen men bij het vuur zat; die schavuiten zijn uitgeleerd in het stelen. Door op den buik tusschen de dieren te kruipen konden zij de touwen doorsnijden, en hebben zij de slaperige beesten met kleine rukken zoo ver naar zich toe getrokken, tot zij buiten het gezicht waren. Ze hebben er terecht dezen nacht voor uitgekozen, want de nevel maakt het moeilijk op eenigen afstand de voorwerpen te onderscheiden.
—De witte ezel heeft hun eene leelijke poets gespeeld, zei de kapitein. Zonder zijne koppige bui zouden de roovers reeds een goed eind zijn vooruitgekomen, en wij hadden de beesten misschienniet meer teruggezien.—Maar komaan, ik ga slapen, zei de kapitein; roep Mohammed, opdat hij met u wake, zij zullen heden nacht niet meer komen. Laat den dief gebonden liggen, zoodat gij het oog op hem kunt houden. Bij de minste poging van hem om weg te komen, schiet ge hem door den kop; wanneer ge iets bemerkt, dat u onraad doet vermoeden, wek ons dan!
De kapitein trad de tent binnen en sloot ze goed dicht. De groote pad zat nog altijd vast en was bezig de insecten op te happen, die door de tent liepen en vlogen.—Ha, ha, zeide de kapitein, gij komt van pas! Hij bevestigde nog een langer touw aan het korte koord, zoodat de pad door de geheele tent kon rondspringen; toen legde hij zich ook neder en sliep weldra rustig in.
Intusschen had Selam, ingevolge den raad van den kapitein, Mohammed gewekt, en beide vrienden zaten nu rookende lustig te praten over het avontuur van zooeven.
Een paar meter van hen af lag de Arabier nog steeds onbeweeglijk en de twee Mooren, bekend met de taaiheid van die lieden, lieten hem stil liggen. Echter kon men, nauwkeurig toeziende, het lichaam van den kerel nu en dan flauw zien bewegen.
—Wil ik u eens wat zeggen, zei Selam opeens fluisterend tegen Mohammed, na eenige oogenblikken scherp naar den gevangene te hebben gekeken, ik wed, dat de kerel op het oogenblik evenmin flauw ligt als wij, maar dat de fielt bezig is zijne banden door te knagen. Zie zijn lichaam gedurig ineenkrimpen, en zijn aangezicht is bijna geheel verborgen. O! de Arabier heeft tanden als eene rat!
—Inderdaad, antwoordde Mohammed, ik geloof dat ge gelijk hebt, wat moeten we doen?
—Stil, zei Selam, beweeg u niet; ziehier! en hij toonde hem de revolver van den kapitein, dien deze uit voorzorg aan Selam had gegeven.
Schijnbaar onverschillig met elkaar sprekende, hielden de beide Mooren den gevangene evenwel gestadig in het oog. Deze bewoog zich vrij sterk en men hoorde hem diep en zwaar adem halen. Plotseling sprong hij op; de banden, waarmede zijne handen waren gebonden, vielen op den grond, en onder het uitstorten van een vloed van scheldwoorden stoof de dief met groote sprongen de hoogte af.
Maar even snel knalde een schot; de kerel stiet een kreet van woede uit, doch liep voort en was in een paar sprongen in het struikgewas verdwenen.
—Laat hem loopen! zeide Selam tot Mohammed, die zich inhet hout wilde begeven. Hij heeft eene goede les ontvangen; de kogel trof hem in het been. Het is zóó misschien beter, dan dat we hem met stokslagen hadden gestraft. Dat gespuis zou ons misschien zijn gevolgd om wraak te nemen over het pak slaag, dat zij van ons ontvingen, wat zij om een kogel niet zullen doen.
ALKAZAR-EL-KIBIR.
Het schot van Selam en het daarop gevolgde rumoer had intusschen iedereen wakker doen worden. Doch spoedig gerustgesteld door de eenparige verklaring van Selam en Mohammed, besloot men, daar het reeds dag begon te worden, het kamp maar op te breken.
Men vertrok onder druk gepraat en allerlei grappen over de avonturen van den afgeloopen nacht. De monsterpad was door den luitenant in eene doos geplaatst, met eene goede portie insecten bij zich tot voedsel, en bij de bagage geborgen. De nevel, die bijna den geheelen nacht over het land had gehangen, was nog niet opgetrokken en deed onze reeds aan de warmte gewende reizigers van koude klappertanden. Meer dan drie uren reed men in de mantels gehuld voort, en de luidruchtige vroolijkheid, die anders bij de karavaan heerschte, was verdwenen. De koude en vochtige lucht deed iedereen onaangenaam aan. Selam was de eenige, die nu en dan een woord sprak, als hij zijnen viervoetigen vriend op den hals klopte en streelde en hem prees over zijn goeden smaak om niets gemeen te willen hebben met gemeene dieven.
Zoo ging men voort. Het terrein leverde gelukkig niet veel moeilijkheden op, want de nevel zou hen anders menige poets hebben gespeeld. Het was een zacht golvend terrein, overal doorsneden met paden, die zich als een reusachtig netwerk door elkaar slingerden. Op den middag trok men een bergpas door tusschen een paar heuvelrijen, doch men had geen enkele ontmoeting. De nevel veroorloofde ook niet om zich heen te zien. Men maakte dien dag een langen tocht, en sloeg tegen den avond het kamp op aan de oevers van de Mkhacem.
De koude en de weinige last, dien men daardoor van insecten had, deden ons gezelschap besluiten dien nacht eens goed uit te slapen, daar men den volgenden dag misschien weder de vroegere afmattende hitte zou hebben en dezelfde vreeslijke plaag van de insecten. Een uur nadat het kamp was opgeslagen, lag dan ook alles in diepe rust. Slechts Selam, de jeugdige, altijd onvermoeide Moor, zat bij het groote vuur, dat hij had aangelegd, diep in zijnen kapmantel gehuld, de sabel naast en zijn lang geweer achter zich, voor de tent met de grootste kalmte zijne pijp te rooken.
De nacht beloofde voor den volgenden dag beter weer. Er kwam een zachte wind op, die den nevel vaneen scheurde en voor zich uitjoeg en den helderen sterrenhemel zichtbaar liet worden. Selam stond verheugd over deze verandering op, liet het vuur uitgaan en begaf zich insgelijks ter ruste na Mohammed te hebben gewekt.
De morgen was schoon, en de dag beloofde warm te zullen zijn. De kapitein was een der eersten, die ontwaakt waren. Hij wierp zijne buks over den schouder en drong het lage hout in om eenige patrijzen of ander wild te schieten. Na verloop van een uur keerde hij terug. De jacht was gunstig geweest, want de kapitein bracht een half dozijn schoone patrijzen mede, welke hij aan Mohammed gaf om voor het ontbijt klaar te maken.
Intusschen was het gezelschap van lieverlede ontwaakt, doch tegen zijne gewoonte maakte Selam geene toebereidselen om op weg te gaan. Hij was met Mohammed op zijn gemak bezig het ontbijt in gereedheid te brengen, en het scheen dat hij niet genegen was veel haast te maken.
Verwonderd vroeg de luitenant naar de oorzaak dezer handelwijze.
—Heer! zeide Selam, ik heb niet laten opladen, omdat u toch zeker Alkazar wel wil bezoeken.
—Alkazar! riep de luitenant verrukt uit, Alkazar-el-Kibir bezoeken, dat geloof ik, Selam! Maar dat is, dunkt mij, eene reden te meer om spoedig te vertrekken.
—Heer! zeide Selam, het ligt slechts een paar uren rijdens van hier, en daarom dacht ik, dat wij dezen morgen eens op ons gemak zouden ontbijten; wij zijn dan nog vóór de grootste hitte in Alkazar, en kunnen het tegen den namiddag verlaten om aan gene zijde der stad den nacht door te brengen.
—Nu, daar heb ik niets tegen, zeide de luitenant. Maar wat zegt gij er van, kapitein?
—O! riep deze opgewonden uit, Selam, Selam, je bent goud waard! Verbeeld je wat een ramp, als we Alkazar-el-Kibir warenvoorbijgegaan. O, dat is een uitmuntend denkbeeld. Ziet, we zullen eerst smullen; een ontbijt met patrijzen, dat is eene weelde, welke wij ons niet elken dag kunnen veroorlooven. Daarna, na ons te hebben opgepoetst, gaan wij Alkazar bezoeken. O, Selam! gij onbetaalbare gids, ik zou u kunnen omhelzen van vreugde!
Het ontbijt werd op den grond gezeten in het frissche groen gebruikt en onderwijl ontwikkelde zich een druk gesprek over Alkazar.
—Maar, riep de kapitein op eens uit, welke stroom is dat, Selam, die hier aan onze voeten stroomt?
—Het is de rivier de Mkhacem, heer! antwoordde Selam.
—De Mkhacem, riep de kapitein uit, de Mkhacem, dat is een nevenstroom van den Koes of Loekos, den Lixos der Ouden, evenals de Oearroer. O! nu herinner ik het mij. En zich tot zijne vrienden wendende, ging de kapitein met groote levendigheid voort:
—Wij zijn op gewijden grond, vrienden! gewijd door het bloed van duizenden en duizenden dapperen, gewijd door de grootsche daden hier verricht. Luistert, indien gij het niet reeds weet. Ongeveer drie honderd jaar geleden had hier de vreeslijke slag van Alkazar plaats, die Mulei Molok, Sultan van Marokko, leverde aan den Koning van Portugal. De volkomen overwinning, die de vereenigde Mooren, Arabieren, Berbers en Turken op de Christenen behaalden, deed al wat Mahomedaan was juichen. Het was op den vierden Augustus dat deze slag plaats had. Over dezen stroom lag toen de brug, over welke de weg naar Alkazar liep. Ziet, zeide de kapitein, dat moet daar geweest zijn; men kan nog duidelijk in de palen, die men daar aan weerszijden van den oever bemerkt, de overblijfselen van die brug bespeuren. Mulei Molok, van Alkazar komende, had zich daar bij de brug gelegerd; de koning van Portugal, van Arzilla komende, aan deze zijde. Hier in de vlakte langs de oevers van dezen stroom werd die bloedige slag gestreden. Mulei Molok, de dappere sultan, de bekwame veldheer, greep het, uit allerlei nationaliteiten bestaand leger der Christenen aan en versloeg het totaal. Duizenden lijken van de bloem van den Portugeeschen en Spaanschen adel, van hovelingen en priesters, van Spaansche soldaten en krijgslieden van Willem van Oranje, van Italiaansche, Fransche, Duitsche en andere gelukzoekers, van avonturiers uit alle oorden van Europa, die allen de vanen volgden van den dapperen doch ongelukkigen jeugdigen Sebastiaan, bedekten deze velden. Hier vertrad het paard van den Moor de rampzaligen, de kromsabel hieuw hen zonder genade neer en de stroom voerde de lijken mede van hen, die zich uit wanhoop in den vloed hadden geworpen.
—Een kreet van schrik weerklonk door het beschaafd Europa, en een juichtoon steeg op van uit de belijders van Mahomed. Hier stierf koning Sebastiaan, getroffen door een geweerschot en twee sabelhouwen. Ginds blies de dappere Mulei Molok den laatsten adem uit, gezeten in zijn draagstoel en omringd door zijne officieren. Zoo woedde deze verschrikkelijke slachting, zoo vonden hier de hoofden der legerscharen hun einde, zoo ook vond de aanstoker en bewerker van dien oorlog, Mohammed de Zwarte, den dood in den stroom en zes duizend lijken van Christenen bleven op het slagveld.
De luitenant en Dries hadden met aandacht zitten luisteren naar den kapitein, die onder het verhalen hoe langer hoe meer in vuur was geraakt.
—Ik wist er van, zeide de luitenant, ofschoon mij niet al de bizonderheden, die gij ons verhaald hebt, bekend waren; ja, het moet eene vreeslijke slachting zijn geweest.
—Wat Alkazar betreft, vervolgde de kapitein, daarvan kan ik u ook nog wel iets mededeelen. Alkazar-el-Kibir, dat zooveel als het groote paleis beteekent, is volgens de overlevering gesticht in de 12e eeuw door den Kalif Aboe-Yoessoef-Yakoeb-el-Mansoer, den overwinnaar van Alexos, waar hij Alphonsus IX van Castilië versloeg. De legende verhaalt, dat deze Kalif op zekeren dag, op de jacht zijnde, verdwaalde. Een arme visscher bracht den hem onbekenden vorst in zijne hut, nam hem gastvrij op en hielp hem op den rechten weg. Uit dankbaarheid liet de kalif zich op dezelfde plek een kasteel bouwen benevens eenige woningen. Dit was de oorsprong der stad, die langzamerhand zich daar uitbreidde tot eene bloeiende stad.
Het gesprek, eenmaal op eene zoo onderhoudende manier aan den gang zijnde, duurde lang en was hoofdzakelijk gewijd aan bizonderheden omtrent den slag van het thans vervallen Alkazar en over hetgeen men daar hoopte te zien.
Maar Selam, om alles denkende en niet geneigd noodeloos in eene afmattende hitte te reizen, kwam het gesprek afbreken met de tijding, dat het tijd was om op te breken.
Alles was gereed. Men had slechts op te stijgen en voorwaarts te gaan. Reeds te voren had Selam de drijvers uitgezonden om eene doorwaadbare plaats in den stroom te zoeken. Men daalde af, doorwaadde den Mkhacem en na deze rivier trok men den Oearroer over. Men was toen in de vlakte op den weg naar Alkazar, dat men binnen een paar uren kon bereiken.
Het was elf uur, toen men Alkazar naderde, want men hadlangzaam gereden, en de oude muren der stad, welke met kanteelen prijkten, ontwaarde men voor zich uit. Torens, minarets en palmboomen staken overal omhoog en de geheele stad was omringd door tuinen, wier groen en bloemen, met de groepen hooge palmen er tusschen, het geheel een verrukkelijk schoon aanzien gaven.
Eene enkele maal kwam men een Arabier tegen, die, den gewonen groet wisselende, het gezelschap, voor zoover zijne onverschilligheid het veroorloofde, verwonderd nazag. Op korten afstand, hield men halt, sloeg het kamp op, liet de zorg daarvoor over aan de twee kameeldrijvers, en onze drie vrienden met Selam en Mohammed begaven zich, voor alle voorzorg goed gewapend op weg naar de stad.
Zóó als men de stad door eene der poorten binnenreed, trof van uit de hoogte een koor van eigenaardige klepperende geluiden de ooren van onze vrienden. Het geheele gezelschap keek verwonderd op, en zie daar stond en zweefde een geheele troep ooievaars, die de reizigers luid toeklepperden, als waren zij verwonderd oude bekenden hier aan te treffen.
—Wat duivel, zei Dries, daar heb je waarlijk vader Langbeen ook. Kijk, kijk! dat is de eerste bekende, dien ik tot nu toe heb ontmoet, en die welkomstgroet voorspelt ons geluk.
Het op een afstand zoo schoon en liefelijk uitziend stadje viel onzen vrienden echter zeer tegen. Was het in de straten van Tanger reeds niet bij uitstek rein, hier was dit nog minder het geval. Een directeur der openbare reiniging zou er Herculeswerk hebben gevonden. De straten... neen, dat waren het eigenlijk niet, dien naam kon men onmogelijk geven aan die hobbelige paden vol kuilen, vol plassen van stinkend vocht, bezaaid met groote keien, krengen van honden en katten, ja zelfs van ezels; mesthoopen overal, ja, de geheele stad geleek op één grooten mesthoop. De kleine, smerige huizen waren veel leelijker dan die te Tanger, vol scheuren en door vieze donkere gangen van elkaar gescheiden.
Door dien Augius-stal trok men voort, vol walging van zooveel morsigheid. Hier en daar liepen de vrouwen, wier kostuum er even vuil uitzag als zijzelf, bij hunne komst haastig naar binnen, naakte bevreesde kinderen medesleurende. Ginds zat een troep vrouwen op den grond gehurkt. Zij waren half naakt en oud; oud, zooals zij dat in Marokko zijn, dat wil zeggen, afzichtelijk, terugstootend, walgelijk van leelijkheid en onreinheid. Het waren broodverkoopsters, die hare waar op korven voor zich hadden liggen.
—Smakelijk eten, mompelde Dries. Ba! het hart draait me om in het lijf, als ik ze aanzie!
In elken hoek, dien men zag, lag of stond een Arabier, tegen den muur geleund alsof hij er aan vastgeplakt zat, half verscholen zoodat men hem bijna niet bemerkte, of rustig op den vuilen grond liggend als op eene canapé. Dáár weder zag men niets anders dan den uitgespreiden mantel en was het onmogelijk te begrijpen, dat daaronder een mensch lag; ginds stond er weder een in de eene of andere nis onbeweeglijk als een beeld, terwijl slechts de vonkelende oogen hem verrieden.
Zoo was men reeds een heel eind door de stad gegaan. De vrouwen en kinderen, aanvankelijk voor de vreemdelingen vluchtend, begonnen zich van lieverlede meer te vertoonen. De straatjongens werden brutaler en kwamen dichterbij. Het nieuwtje hunner komst, dat zich zeker snel door de stad had verbreid, deed hoe langer hoe meer volk bij elkaar stroomen. Selam, die de voorhoede uitmaakte, was tusschenbeide genoodzaakt zijn stok te zwaaien om ruim baan te maken, en Mohammed, die den trein sloot en dat volkje niet al te best vertrouwde, keerde zich nu en dan op zijn ezel om en trok een leelijk gezicht of strekte de hand uit naar de bende jongens, die dan op eens verschrikt uiteenstoven en over elkaar heen buitelden.
Die geheele menigte vóór en achter volgde zwijgend. Geen kreet, geen lach, geen woord werd gehoord. En intusschen groeide de hoop telkens aan, en drong zich hoe langer hoe meer te zamen.
Op een hoek van eene straat stond een groep mannen in donkere kleeding met een blauwen doek om het hoofd als hoofddeksel en met donkeren zwaren baard.
—Het zijn de Joden, zei Selam op eene vraag van den luitenant. Zij wonen in de Mellah of Jodenbuurt, welke naam »vervloekten grond” beteekent. Toen men voorbij hen kwam, groetten zij beleefd, iets wat onze vrienden verwonderd deed opzien. Men was het groeten reeds lang ontwend. Een eind verder kwam men op een klein plein, waarop eene menigte dier smalle straatjes uitliepen en waar ook eenige kleine winkels waren, allen gelijk aan die te Tanger, doch veel kleiner en viezer.
Het pleintje verlatend, wendde de luitenant zich tot Selam met bevel de stad te verlaten. Het werd ons gezelschap te benauwd in deze kwalijkriekende stad te midden van eene zwijgende bevolking. Selam sloeg dus de eerste de beste, eenigszins wijde straat in om met spoed naar buiten te komen. Dáár in die straat kwameen heilige aan. Het voorhoofd van den kapitein, die hem het eerst gewaar werd, betrok, maar hij zeide niets; alleen greep hij onwillekeurig naar zijne sabel en pistolen.
De kerel bleef staan, toen de stoet naderde. Hij keek het gezelschap op eene minachtende onbeschaamde manier aan, en lachte hen honend in hun gezicht uit. Dit werkte aanstekelijk op de volksmenigte. Een kleine jongen, die zich wat dichter bij hen waagde en wien de kapitein een geldstuk toewierp, werd door eene woedende vrouw vastgegrepen en voortgesleurd onder het uitroepen van verwenschingen tegen de Christenen. Een gemeene kerel, die vooraan liep, wendde zich om en riep iets tot de overigen, terwijl hij op het gezelschap wees.
—Zoo, zeide de kapitein, men begint ons te verwenschen. Komaan, straks gaan we tot slaan over. Vrienden, houdt uwe wapens klaar!
—Allah verdelge u, vervloekte Christenen! riep op eens een jongen.
—Ja, Allah verdelge u! klonk een koor van stemmen.
—Wat doen die honden van Christenen hier! riep een ander.
—Zij komen ons bespieden! riep een tweede.
—Die vijanden van den Profeet! schreeuwde een derde met de vuist dreigend.
—Zij komen om ons land te veroveren, klonk het weder.
—Wij met ons vijven? spotte de kapitein.
—Laat ze komen, riep een ander; we zullen ze weten te onthalen.
—Ja! schreeuwde op eens de heilige; Allah zal ons over hen doen zegevieren; hij zal onze mannen den moed van den leeuw en onze vrouwen de vlugheid der hinde verleenen. Mahomed zal ons eene groote victorie over hen geven; wij zullen ze dooden en niet één zal ontkomen naar zijn vervloekt land.
—Allah, Allah! Mahomed, Mahomed! schreeuwde het opgewonden volk; geen zal er ontkomen! En opgehitst door den heilige drong de tierende troep op het reisgezelschap aan.
De luitenant en de kapitein trokken hunne sabels. Selam deelde stokslagen uit, maar hij kreeg vloeken en slagen weerom. Opeens regende het steenen.
—Vooruit, riep de kapitein, vooruit, er op in! Slaat dood dat kanalje! en hij spoorde zijn paard aan en reed op den troep voor zich in, gevolgd door den luitenant, met het plat van de sabel slagen uitdeelend.
Dries, die den heilige in het oog had gehouden, reed op hem aan.
—Ha, vriend heilige! riep hij; wij hebben nog eene oude rekening te vereffenen; de heiligen van Marokko schijnen nog niet mak genoeg te zijn.
De kerel sprong vooruit en greep het paard van Dries bij den teugel.
—Los! riep Dries, laat los, schurk!
Maar de heilige het volk aanhitsend, liet niet los.
—Daar dan, zeide Dries, pak aan schoft! en de buks bij den tromp nemend, gaf hij hem een slag, die hem als een zak deed ineenzijgen.
Toen zijn paard wendend reed hij op den troep in, en de buks als eene knots zwaaiend, deelde hij links en rechts kolfslagen uit. Opeens bukte een kerel zich om onder het paard van Dries door te kruipen, waarschijnlijk om het in den buik te steken.
Maar Dries had aanstonds zijne bedoeling geraden en zich over zijn paard buigend, greep hij den schavuit in den nek, hield hem met zijn ijzeren vuist vast, sleepte hem zoo een eind mede en liet hem toen plotseling los. De kerel bleef voor dood liggen.
De volkshoop achter onze vrienden was door den aanval van Dries en Mohammed, die met zijn dikken taaien doornstok menigen kop tot bloedens geslagen had, aan het wijken gebracht, het had zijn heilige in den steek gelaten en was verdwenen in de talrijke smalle straatjes, waar Dries noch Mohammed het geraden oordeelde hen te vervolgen. Ook de luitenant met den kapitein en Selam hadden er dapper op ingeslagen, maar door de achtersten opgedrongen en aangehitst konden de voorsten bijna niet terugtrekken en daar men reeds dicht bij eene der poorten was, wilde men niet weder terugkeeren om een anderen weg te zoeken.
De kapitein en de luitenant besloten dus ditmaal er eerst op in te schieten en zich daarna met de sabel een doortocht te banen.
—Wanneer zij de schoten boven hunne hoofden hooren knallen en het scherp der sabel in den nek voelen, zullen zij wel ruimte maken, zeide de luitenant.
Maar opeens deden zich achter den volkshoop aan het einde der straat woeste vervloekingen hooren. Selam hief zich op in de beugels om te zien wat dat beduidde, want hier en daar begon het volk verschrikt om te zien, een aanhoudend gemompel doorliep den troep en enkelen zag men de verschillende straten insnellen.
—Ha! riep Selam, men komt ons te hulp, zie daar ginds, het zijn soldaten, die zich een doortocht banen; de Gouverneur der stad rijdt aan het hoofd.
—Goddank! riep de kapitein, we zullen dan nog heelhuids uit dit vervloekte nest komen.
Het was inderdaad zooals Selam had gezegd. Links en rechts slagen uitdeelend naderde eene afdeeling krijgsvolk met stevige knuppels gewapend. De menigte was spoedig verdwenen en aan het hoofd der soldaten reed de Gouverneur der stad. 't Was een Moor van omstreeks vijftig jaren, met schoone trekken, zeer lichte bijna blanke gelaatskleur en langen witten baard, wat hem een zeer eerwaardig voorkomen gaf. Hij wendde zich beleefd groetend tot de twee officieren en betuigde hun zijn leedwezen over het gebeurde. Een soldaat, die van verre het tumult had gezien, had hem de tijding gebracht, waarop hij zich had gehaast onzen reizigers te hulp te komen.
Begeleid door den Gouverneur was men weldra buiten de stad en onze kapitein deed hem, op verzoek van den luitenant, het voorstel om een bezoek aan het kleine kamp te brengen. Doch de Gouverneur verontschuldigde zich en een escorte medegevend om hen tot aan de legerplaats te begeleiden, nam hij afscheid van onze vrienden na hen nogmaals te hebben verzocht het onaangename geval toch vooral niet euvel te duiden.
—En dat noemt men het groote paleis, sprak de kapitein toen men buiten de plaats was gekomen. Ba! Tanger is er waarachtig een lusthof bij.
—Gij ziet, zeide de luitenant, 't is het oude deuntje van eene vervallen grootheid. Die stad, vroeger zóó bevolkt, zóó bloeiend, is niets meer dan eene schaduw van wat zij eenmaal was.
—Ja, 't is waar, zeide de kapitein. Hebt ge dat gebouw opgemerkt? Ziet, en hij wendde zich om, ge kunt het hier nog zien, die talrijke bogen en koepeldaken, weet ge wat het is! Selam heeft het mij straks gezegd; het is een der vroegere zooeïa, een dier voor allerlei doeleinden ingerichte gebouwen, die men in onze taal geen naam weet te geven, en waarin men scholen, een bibliotheek, het hospitaal voor de armen, de herberg voor reizigers, de moskee en de grafkapel bijeen vond.
—Hoe ongelukkig, zeide de luitenant, dat dit volk zoo diep is gezonken. Zijne vroegere grootheid en macht, die eens de wereld verbaasd deden staan, zijn te niet, en in plaats van handel en verkeer aan te moedigen blijft men overal even afkeerig tegenover vreemden, overal even vijandig tegen de beschaving.
—Ja, hernam de kapitein, dit is nu de tweede maal dat ons iets dergelijks overkomt, en beide keeren in plaatsen, die nog het meest met de Christenen in aanraking komen; wat zal het dan wel niette Fez zijn, het hart der onbeschaafdheid en den zetel van hetfanatisme.
—Enfin! zei Dries, we hebben ze weder eene duchtige les gegeven, en het doet me genoegen, dat ik dien gluiperigen heilige eens onder handen heb gehad; het zat mij nog in den kop van Tanger. En wat Fez betreft, o! we hebben ons beste kruit nog niet verschoten, kapitein! Het beste voor het laatst.
Daar men nu bij de tenten was aangekomen, zond men het escorte, na de mannen met eenig geld te hebben begiftigd, onder dankbetuiging aan den Gouverneur terug.
De drijvers met Selam en Mohammed begonnen het middagmaal gereed te maken, daar men eerst den volgenden dag zou vertrekken, en de luitenant maakte inmiddels van den top eens heuvels eene schets van Alkazar-el-Kibir, dat op een afstand zoo'n schoon gezicht opleverde.
De grootste hitte van den dag was voorbij. Men had gedineerd en maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk, terwijl men een levendig gesprek voerde over de gebeurtenissen van dien dag.
Opeens rees Selam, die voor alles oogen had en alles het eerst ontdekte, op en keek met de hand boven de oogen uit naar den kant van welken men was gekomen.
Dáár, nog op grooten afstand van de legerplaats, zag men een ruiter, die in driftigen galop naderde, niet in de richting der stad, maar recht op de legerplaats aan. Het scheen dat zijn paard met moeite voort kon, en echter hield hij niet op het aan te sporen. Hij naderde snel.