Deze wachtte hen met de sabel in de vuist af. Bladz. 103.Deze wachtte hen met de sabel in de vuist af.Bladz. 103.
Deze wachtte hen met de sabel in de vuist af.Bladz. 103.
Nog éénmaal richtte de roover zich op, en het gelaat naar het Oosten wendend, riep hij met zwakke stem:—God is groot en Mahomed is zijn profeet! Vloek over u, honden van Christenen; God verdelge u!
Meer kon hij niet uitbrengen. Eene hevige stuiptrekking overviel hem, en het hoofd buigend stortte hij voorover op den grond en gaf den geest.
Dit voorval maakte voor een oogenblik een pijnlijken indruk op het geheele gezelschap. Het ontzettende van het tooneel deed hen rillen, en allen keken somber voor zich zonder een woord te spreken, totdat eene beweging onder de rooverbende hunne opmerkzaamheid gaande maakte.
De bijna tot op de helft verminderde troep maakte hoegenaamd geene aanstalten om den aanval te herhalen, maar scheen raad te houden. Het duurde een geruimen tijd, eer men een besluit had genomen. Toen zag men een troep van tien ruiters zich afzonderen, de losse paarden der gevallenen bij elkaar koppelen en na de gewonden daarop gelegd te hebben, vertrok een escorte van acht man met hen, terwijl twee ruiters zich in vliegende vaart elk naar een verschillenden kant spoedden. Het overige gedeelte van den troep bleef op de plaats.
De belegerden keken elkaar vragend aan; doch de kapitein loste spoedig het raadsel op.
—Ha, ha! riep deze, ik begrijp de schurken; na hunne gewonden weggezonden te hebben, zenden zij die twee ruiters uit om versterking.
—Wat te doen? vroeg de luitenant besluiteloos.
—Luister, zeide de kapitein, ik stel voor te vertrekken.
—Vertrekken? vroeg de luitenant verwonderd, vóór wij een paar honderd pas zijn voortgegaan, hebben wij de geheele bende op het lijf en wij worden neergesabeld als honden.
—Integendeel, antwoordde de kapitein. Geloof mij, ik ken dat volkje. Thans zijn er nog slechts een paar dozijn over. Die kunnen wij ons gemakkelijk van het lijf houden, want de kerels hebben ontzag gekregen voor onze voortreffelijke geweren. Wachten wij echter tot zij versterking hebben ontvangen, dan zullen zij ons met eene verpletterende meerderheid op het lijf vallen, en hoe goed wij ons ook verdedigen, wij zullen het onderspit moeten delven. Maken wij dus gebruik van de gelegenheid en laat ons spoedig voortmaken; misschien bereiken wij gindsche bergen nog vóór hunne versterking is aangekomen en eenmaal dáár, zullen we wel zien van hen ontslagen te worden.
—Gij hebt gelijk, riep de luitenant. Vooruit, aan het werk! En in minder tijd dan men het kan vertellen, was een ieder klaar, en begon de kleine stoet den heuvel af te dalen.
—Ga gij met Dries en Selam in de voorhoede, zeide de kapitein tegen Frank. Ik zal met Mohammed de achterhoede uitmaken. Wij laten de buksen maar goed spreken; elken schelm, die onder ons bereik komt, schieten we zonder mededoogen neer.
Met de wapens in de hand trok men af. Doch nauwelijks zagen de Beni-Hassen hen de vlakte betreden, of zij wierpen zich te paard en hadden in een oogwenk den troep omsingeld in een wijden kring, echter zorgende buiten het bereik der kogels te blijven.
Met den kameel in het midden, de geweren in de hand, gereed om te vuren, trok men langzaam voort. En rondom dien kleinen maar dapperen troep sprongen en draafden de Beni-Hassen als duivels, allerlei vervloekingen uitstootende. Nu en dan waagden een paar zich dichter bij. In vliegenden galop aanrennende, wendden zij op een zekeren afstand eensklaps den teugel en schoten onder het terugtrekken hun lang roer op hen af.
—Ba! wat schreeuwers, zeide Dries, die naast den bedaarden luitenant reed. Kon ik ze maar eens even onder schot krijgen.
—Ja, daar passen zij wel op, zeide de luitenant. Zie, dien kerel dáár met dien rooden doek om den kop, deze is al een van de brutaalsten. Wacht, daar komt hij weder. Ik wil toch eens probeeren, hoever mijn geweer wel draagt.
Tot op meer dan duizend pas genaderd, hield de kerel stand, schoot zijn geweer af, wierp het daarna in de hoogte, ving het onder het vallen op en reed terug. Doch dadelijk daarop naderde hij weder en nu gelijken tred houdend met de karavaan, wierp hij onder een vliegenden galop aanhoudend zijn geweer in de hoogte en ving het op. Eindelijk deed hij, hetzij bij ongeluk of opzettelijk een misgreep en het geweer viel in het zand. In zijne vaart stoof hij het voorbij, doch bliksemsnel wendend reed hij terug en in vollen ren boog hij zich aan de rechterzijde over, zijne lange magere beenen om zijn paard geklemd houdende, en greep het geweer van den grond, een toer, die de knapste kunstrijder hem misschien niet zou nadoen. Toen, zijn geweer zwaaiend, naderde hij nog dichter onder het uitschreeuwen van een stroom van scheldwoorden, uittartingen en bedreigingen.
—Komaan, snoever, houd den mond! riep de luitenant, en hij zette zijn geweer tegen den schouder.
Nauwelijks bemerkte de roover die beweging, of hij trok snel terug.
Doch te gelijkertijd trok de luitenant af, en met den knal stortten ruiter en paard neder.
—Jongens, riep Dries, dat noem ik een schot, op meer dan duizend pas! Maar zie, de kerel schijnt ongedeerd; slechts zijn paard is getroffen.
Werkelijk had de ruiter, wiens paard doodelijk getroffen was, zich onder het dier uitgewerkt en zette hij het op een loopen naar zijne makkers. Maar eer hij een honderd pas ver was gegaan, trof hem een kogel van Selam, die hem op zijn lastdier was achternagesneld.
—'t Is jammer van den vent, zeide Dries, toen hij hem zag vallen.
—'t Is alweer een vijand minder, zeide de luitenant bedaard.
Een algemeene aanval van de roovers volgde op den dood van den waaghals. Een regen van kogels vloog over en door den kleinen troep, doch ook zij waren op hunne hoede geweest en een paar kerels, die zich wankelend in den zadel hielden, leverden het bewijs, dat de kogels weder nieuwe slachtoffers hadden gevonden.
Van alle kanten omringd en onder hetzelfde spel van galoppeeren en vuren, zette men den weg voort en reeds vorderde men goed, toen opeens eene stofwolk achter hen de aankomst der versterking aankondigde. Eensklaps zag men uit die stofwolk de paarden en ruiters te voorschijn komen, allen om het snelst rijdend. In weinige oogenblikken waren zij tot zeer dichtbij genaderd, en na zich met de vorigen te hebben vereenigd, vloog de troep als eene bende losgelaten duivels op de kleine karavaan aan.
Vast aaneengesloten wachtte deze hen af. Men begreep, dat niets dan een wonder hen zou kunnen redden en men was besloten liever te sterven dan zich over te geven.
Het tumult, dat nu volgde, was ontzettend en ging alle beschrijving te boven. Na eenige malen de geweren te hebben afgevuurd werd men handgemeen, en gedurende eenige oogenblikken zag men slechts eene ontzettende stofwolk, waartusschen men hier en daar een paard of een ruiter zag uitkomen en hoorde men niets anders dan het gekletter der sabels, het knallen der revolvers en de aanmoedigingskreten en verwenschingen van beide partijen. Hier renden paarden zonder ruiters rond, dáár vluchtte de losgeraakte beladen kameel. Het was een opeengepakte hoop, waarvan de handvol dapperen het centrum uitmaakte. Elke slag van hen trof zijn doel, en hoe snel de roovers ook opdrongen en hoe onstuimig hun aanval ook was, het had hun nog niet mogen gelukken hen te dooden of gevangen te nemen. Als een muur stonden zij daar onwrikbaar, geen voet breed wijkende tot eindelijk een der ruiters, zijn paardtot een hevigen sprong dringende, eene bres maakte in het kleine carré en zij daardoor van elkaar werden gedrongen.
De kapitein en Dries vochten als een paar razenden, nu dezen dan dien aanvaller het hoofd biedend. De luitenant had zijne gewone koelbloedigheid behouden, lette op alles, en schermde even bedaard met elke tegenpartij die zich op zijn weg plaatste, alsof hij op eene schermpartij was. Selam en Mohammed, als een paar echte zonen van het land, vochten met al de woede en doodsverachting van den Mahomedaan, en het duurde dan ook niet lang of onze Mohammed was geheel buiten gevecht gesteld, terwijl Selam, aan den arm gewond, zich nog slechts met moeite verdedigde. Wat de kameeldrijvers betreft, door het verschrikte dier medegesleept, had de eene ongelukkig den dood gevonden onder de hoeven der paarden, terwijl de andere gevangen was genomen tegelijk met zijn lastdier.
Ongelukkig brak, door een hevigen kolfslag, de sabel van den luitenant juist op een zeer gevaarlijk oogenblik. Hij gaf echter daarom den strijd niet op, maar het paard van zijne tegenpartij bij den teugel grijpend, stak hij het zijn ponjaard in de borst. Het diersteigerdeen zou zijnen bereider in zijn val hebben medegesleept, zoo deze niet snel op den grond was gesprongen. Op hetzelfde oogenbliksteigerdeook het paard van den luitenant en wierp dezen van zich af.
Als een leeuw stortte de Arabier zich nu op zijnen vijand, en beiden hielden elkaar omstrengeld, worstelende wie de bovenhand zou krijgen.
De luitenant was een gespierd man en zijne buitengewone bedaardheid gaf hem een groot overwicht over zijnen vijand. Reeds spoedig zag deze dan ook, dat hij met geen te minachten partij worstelde; eene handige beweging van den luitenant deed den kerel het evenwicht verliezen, waardoor hij zoodanig met het hoofd op den rotsigen bodem terechtkwam, dat hij voor dood bleef liggen. Doch op hetzelfde oogenblik voelde de luitenant de koude tromp van een pistool in den nek. Eene bliksemsnelle beweging deed het schot missen en te gelijk stortte de Arabier, die dat schot had gelost, door een sabelhouw van den kapitein getroffen met gespleten schedel in zijn bloed badend neder.
Doch hoe fel de tegenstand ook was, het einde was gemakkelijk te raden en het was nog slechts eene kwestie van eenige oogenblikken. De zekerheid hier den dood te zullen vinden, deed echter onze vrienden het onmogelijke tot stand brengen.
Doch eensklaps, op hetzelfde oogenblik, dat de Beni-Hassen dehandvol dappere tegenstanders dreigden te verpletteren, klonk eene donderende stem den strijdenden tegen en een ruiter in rijke Arabische kleeding, de Turksche kromsabel in de vuist, stortte zich in hun midden hun een krachtig: »Houdt op!” toeroepende.
De ruiter, die zoo juist van pas kwam om onze dapperen te redden, was Sid-Abd-Allah, de geweldige.
SID-ABD-ALLAH, DE GEWELDIGE.
Op de verschijning van Sid-Abd-Allah staakten de Beni-Hassen eensklaps het gevecht en een gemompel van verwondering doorliep den roovertroep.
Die verwondering nam echter nog meer toe, toen de Arabier op onze vrienden toerijdende, hen met de grootste hartelijkheid de hand schudde en hen met beleefdheden overlaadde.
—Allah is groot! zeide de Arabier, hun de hand drukkende; hij heeft mij u ter hulpe gezonden, u, aan wie ik een schuld van dankbaarheid heb af te doen. Vreest niets meer, gij zijt gered! En zich tot de roovers wendende, fronste hij de wenkbrauwen, en na hen eenige oogenblikken toornig te hebben aangezien, zeide hij:
—Een ieder begeve zich ten spoedigste naar den duar waar hij woont, en daar gij mijne vrienden hebt aangevallen, zult gij zorgen hun morgen bij het opgaan der zon den monah aan te bieden als een zoenoffer voor uwe schuld. Gaat!
En die woeste roovertroep, de Beni-Hassen, die daar verlegen als schooljongens hadden gestaan onder den vreeslijken blik van Sid-Abd-Allah, vierden de teugels en verdwenen in eene wolk van stof, snel als de wind, verheugd er zoo goed af te komen.
—Na al hetgeen er is voorgevallen, zeide Sid-Abd-Allah, zult ge er zeker niet tegen hebben mij de eer aan te doen om voor hedennacht uwen intrek in mijne tent te nemen, ten einde u te herstellen van de doorgestane vermoeienissen en om uwe ontredderde bagage na te zien.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat dit aanbod gretig werdaangenomen. Het was toch onmogelijk, zooals de zaken thans stonden,te vertrekken. De tweede kameel was door de Beni-Hassen weggevoerd; Selam, Mohammed en Dries hadden min of meer ernstige wonden bekomen, en een der drijvers was vertrapt in de verwarring van den aanval. De luitenant had eene onbeduidende wond aan het voorhoofd, maar die hem echter hinderde. Om van den schrik te bekomen en de orde te herstellen was derhalve de aanbieding van Sid-Abd-Allah niet te verwerpen, en onder een levendig gesprek begaf men zich op weg naar den duar van Sid-Abd-Allah.
De richting naar de bergen inslaande, was men zeer spoedig in een zeer langen nauwen bergpas gekomen. De rotsen verhieven zich ter weerszijden als muren steil in de hoogte. Hier en daar stond eene kleine groep struiken of een eenzame boom. Aan den ingang van den pas zat een Arabier op een der hoogsterotspunten. In zijn donkerbruinen mantel gehuld, was hij nauwelijks van de rotsen te onderscheiden. Zijn lang geweer lag hem dwars over de knieën. Het was een schildwacht van Sid-Abd-Allah, die den toegang naar de woonplaats zijns meesters bewaakte, want deze nauwe bergpas, waar nauwelijks een paar ruiters naast elkaar konden gaan, was een der toegangen tot de woonplaats van den Arabier. Aan het eind van dezen weg kwam men eensklaps op eene kleine vlakte. Slechts één tent stond daar in het midden onder eene groep vijgeboomen en een vijftal Arabieren lag in de schaduw uitgestrekt, terwijl aan het eind van den bergpas, eveneens op de rotsen, een tweede schildwacht was geplaatst.
De kleine vlakte, omgeven door hooge bergen, was met welig groene weiden bedekt, waarin een twintigtal fraaie Arabische paarden liep, die rustig graasden naast eene kudde schapen.
Zoodra men deze vlakte betrad, sprongen de wachthebbende Arabieren eensklaps op, doch Sid-Abd-Allah wenkte hen met de hand toe, dat zij rustig konden blijven liggen. Echter bleven zij in eene eerbiedige houding staan tot de kleine troep was voorbijgetrokken, en men kon op die stoute gebruinde tronies, door menig litteeken geteekend, de groote verbazing lezen, die zich van hen had meestergemaakt door hun opperhoofd in dusdanig gezelschap te zien.
—Dit is een mijner voorposten, zeide Sid-Abd-Allah. Het is onmogelijk mijne woonplaats te naderen zonder te worden gezien.
—Ik moet u mijn compliment maken over uwe maatregelen, zeide de kapitein; inderdaad als de andere toegangen tot uwe woonplaats aan deze gelijk zijn, is uwe vesting bijna onneembaar.
Sid-Abd-Allah glimlachte.—Ja, zeide hij, ik ben wel gedwongenvoor mijne veiligheid te zorgen; deed ik dat niet, dan zou mijn hoofd reeds sinds lang op de poorten van Fez te pronk staan.
Na de vlakte dwars overgegaan te zijn besteeg men een zijpad, hetwelk zoo smal was, dat men moest afstijgen en de paarden bij den teugel medevoeren. Voorgegaan door Sid-Abd-Allah en zijn neger, kwam men in een korten tijd op eene groote uitgestrekte vlakte, waar zich aan de blikken van onze verbaasde reizigers een groot aantal bewoonde hutten vertoonde. Het waren de duars van Sid-Abd-Allah.
Op ettelijke plaatsen dier vlakte verhieven zich de verschillende duars. Er waren er tien. Elke duar bestond uit een vijftien- of twintigtal tenten op twee rijen geplaatst. De evenwijdige ruimte daartusschen vormde een achthoekig pleintje, dat aan beide einden open was. De tenten geleken allen op elkaar en waren zeer eenvoudig saamgesteld. Twee palen en twee dikke rieten stokken verbonden met een dwarshout vormden zoo de nok, waarover een groot donker gekleurd zeil van schapen- en kemelshaar, of uit de vezels van den dwergpalmvervaardigd, was geworpen, dat boven den grond een weinig was opgehaald om vrijen doorgang aan de lucht te verschaffen. Rondom elke tent was bovendien eene lage schutting van riet en droge takken. Des winters laat men het zeil tot op den grond neder, en bevestigt het met touwen aan in den grond gestoken pinnen. Hoe licht en weinig soliede deze tenten nu ook mogen schijnen, zijn zij toch werkelijk uitmuntende woonplaatsen, die des zomers koel en frisch en in den regentijd droog zijn. De meeste tenten der verschillende duars hadden eene lengte van 8 à 10 meter en eene hoogte van 2 à 2½ meter. In het midden van den middelstenduarverhief zich eene veel grootere. Het was de tent van Sid-Abd-Allah, waarheen men zich begaf.
Eene vroolijke drukte heerschte er in deze Arabische duars. Groote troepen half- en geheel naakte kinderen speelden overal. Hier en daar zaten de vrouwen aan den ingang, weefden roode stoffen of draaiden touw uit vezels van den dwergpalm. Anderen waren bezig met het malen van graan. Op een paar plaatsen was een groepje nieuwsgierigen vereenigd rondom een ouden Arabier, die op zijne levendige manier aan het verhalen was. Natuurlijk hielden allen dadelijk bij het verschijnen van het gezelschap op met hunne bezigheden en verdrongen zich rondom de gasten. Doch een donkere blik van den gastheer was voldoende om de nieuwsgierigen op een behoorlijken afstand en rustig te houden.
Eindelijk was men onder dak. De tent was bij uitstek fraai.Een wand van biezen verdeelde haar in twee gelijke deelen. In de eene afdeeling sliep de Sheik en zijne vrouw, in de andere de kinderen. De vloer was belegd met van wilgetakken gevlochten matten. Het overige huisraad bestond uit een paar groote kisten van bont beschilderd en bewerkt hout, waarin de kleederen werden geborgen, een ovalen spiegel, een weefgetouw van denzelfden vorm als in den tijd van Abraham, een badstoel in den vorm van een rieten drievoet, waarover een kaïk als kleed was gehangen en waaronder de Arabische vrouwen de dagelijksche, door Mohammed voorgeschrevenewasschingenverrichtten, voorts een paar rood koperen kandelaars, een klein getal steenen schotels en pannen, eenige geitevellen en een paar zadels en tuigen. En ten slotte eene soort van wapentropee, bestaande uit twee geweren, twee Turksche kromsabels en een paar ponjaarden. Dit wapentuig was alles even rijk versierd en blijkbaar moest het meer als sieraad dienen dan tot gebruik, daar de wapenen, die de Sheik bij zich droeg, van veel eenvoudiger maaksel waren.
Een prachtig tapijt op den grond latende uitspreiden, noodigde Sid-Abd-Allah zijne gasten uit daarop plaats te nemen. En weldra zat men aan een echt oosterschen maaltijd. In eene kom werd heerlijke versche melk aangeboden, voorts boter, eieren en een uitmuntend gebak, een soort van taart, van honig, eieren, boter, suiker en meel gemaakt, welk gerecht bij de Arabieren zeer beroemd is. Het zonderlinge bijgeloof der Arabieren zegt, dat zoo een man in de kamer komt, terwijl de vrouw bezig is deze taart te bereiden, de taart mislukt. In dat geval eet men ze niet, ook al smaakt zij evengoed, want men vreest dat eenig ongeval daaruit zal voortkomen.
Na afloop van dit souper werden de pijpen gebracht, doch de luitenant bood sigaren aan en de gastheer ruilde gaarne de pijp voor eene fijne sigaar. Al rookende en pratende ontspon zich langzamerhand een vroolijk ongedwongen gesprek, zeer natuurlijk kwam ook ter sprake de dienst, die den luitenant zijnen gastheer had bewezen, en zoo kwam deze er vanzelf toe den afloop van dat avontuur te verhalen.
—Het is vier à vijf dagen geleden sinds ik door u werd geholpen, aldus begon de gastheer. Dank zij uwe hulp, kwam ik nog juist bijtijds om mijne woonplaats, mijne bezittingen en mijn volk te redden, want mijn vijand zat mij na op de hielen.
—In den nacht, volgende op dien waarin ik, hoewel slechts voor eenige oogenblikken, uw gast was, werden wij aangevallen. Sid-Moessaverscheen met den kaïd en zijne soldaten, waarbij hij een grooten troep huurlingen had gevoegd, het uitvaagsel van Tanger, die hij met het vooruitzicht op een grooten buit had weten over te halen om met hem mede te gaan. Vóór ik nog mijne tent had bereikt, was mijn plan gemaakt, en toen ik was aangekomen, had ik spoedig alles in gereedheid. Een vijftigtal goed gewapende mannen lagen in hinderlaag aan den ingang van een bergpas, gelijk aan dien welken wij heden zijn doorgegaan en eene dubbel zoo sterke macht was op de hooge rotsen aan beide zijden van den pas gelegerd.
—Het was een door de maan verlichte nacht; nu en dan echter drongen zich donkere wolken voor haar en onderschepten haar licht. Met groot misbaar naderde de bende en opende een oorverdoovend geweervuur op de rotsen, waartegen de kogels plat neervielen. Met een honderdtal strijders begaf ik mij in de vlakte en de strijd begon.
—Zooals altijd hield Sid-Moessa, de lafaard, zich achteraf. Onophoudelijk echter hoorde ik zijne stem, die zijn volk aanvuurde om mij vooral levend te vatten. Intusschen trokken wij al vechtende terug, totdat we in den bergpas kwamen. Sid-Moessa geloofde reeds getriumfeerd te hebben, en zijn victoriegeroep werkte aanstekelijk op zijne bende, die met woeste vaart den pas instoof, ons achterna. Dit was juist, wat ik verlangde. Ik trok terug al verder en verder.
—Opeens, juist toen ik er over nadacht halt te houden, bemerkte ik eenige weifeling onder onze vijanden. Niet zoodra zag ik dit of, bevreesd dat zij zouden ontsnappen, gaf ik het afgesproken sein.
—Toen greep er eene verschrikkelijke gebeurtenis plaats in dezen nauwen pas. Want eensklaps donderde een salvo van tweehonderd vijftig à driehonderd schoten op de bende los. Eene onbeschrijflijke verwarring was hiervan het gevolg en nooit zal ik het tooneel vergeten, dat ik toen aanschouwde.
—De eerste beweging der bende was terug te trekken, doch zoodra zij tot op eenige honderden passen den ingang waren genaderd, werden zij door een salvo van de vijftig daar geposteerde schutters begroet. Een woedend gehuil was daarop het antwoord. Toen poogden zij voorwaarts te gaan, doch daar stond ik met mijne honderd manschappen, en een nog moorddadiger geweervuur ontving hen. Nu poogden zij de steile rotsen te beklimmen, maar helaas! bij het licht der maan, dat nu en dan dit tooneel bestraalde, zagen zij de rotsen met mijne krijgers bedekt, die eveneens hunne kogelsin den opeengedrongen hoop zonden, waar elk schot zijn man trof.
—Toen begon men te schelden en te tieren en den aanvoerder te vervloeken. Men drong op naar Sid-Moessa om hem te dooden. Inzonderheid was het gespuis van Tanger, dat eene gemakkelijk teverwervenbuit had gemeend te vinden, razend van woede.
—Ik dorstte naar het nemen van wraak; doch Allah nam die taak op zich. Sid-Moessa, bevreesd voor de woede van zijne huurlingen, wist, na een paar sabelhouwen te hebben ontvangen, door eene kracht en volharding, die alleen de wanhoop hem schonk, de steile rotsen te beklimmen en naar boven te komen. Mijne krijgers lieten hem begaan, zeker als zij waren hem in handen te zullen krijgen. Als een gejaagd dier liep hij bovengekomen voort, en nauwelijks waren eenige oogenblikken verloopen of een boven alles uitklinkende kreet trof onze ooren, die zelfs voor een oogenblik het gevecht deed staken, zoo hevig was de uitwerking op ons allen. 't Was Sid-Moessa, die dien kreet had geuit. In zijn angst was hij blindelings voortgeloopen en na een paar honderd passen te zijn voortgehold, was hij van de hemelhooge rotsen gestort. Wij vonden hem des anderen daags liggen met verpletterden schedel en badende in zijn bloed. Aldus was het uiteinde van Sid-Moessa; van zijne bende ontkwam er geen enkele.
—Vreeslijk! zeide de kapitein.
—Ja, antwoordde de gastheer, maar kon ik anders?Het lot mij door Allah opgelegd, moet ik dragen, maar geloof mij mijne vrienden, het valt mij somtijds zwaar.
—Zie, vervolgde hij, hoe mijn leven is. Door de wreedheid van dien Sid-Moessa, dien Allah den dood eens honds heeft gegeven, ben ik een roover geworden. Toen, overal vervolgd, woonde ik in de spelonken en de holen der bergen; van de eene plaats verjaagd naar de andere had ik nooit rust. Dat doet het hart verharden. Een onverwacht voorval kwam mij toen te hulp.
—De bewoners der omliggende provinciën, en met name de Beni-Hassen, hadden in den laatsten tijd aan allerlei afpersingen bloot gestaan. 't Is de gewoonte, dat de sheik, die het hoofd van een duar is, en door de bewoners der duars zelven wordt gekozen, aan den gouverneur, die over de provincie is gesteld, jaarlijks in geld en producten een tiende van den geheelen oogst opbrengt, gemiddeld een halven gulden per stuk vee en vijftig gulden voor een stuk land, dat met twee ossen kan worden beploegd. Maar bovendien is men verplicht bij de voornaamste feesten, den Sultan een geschenk te geven, dat ongeveer twee en een halven gulden per tent bedraagt. Zoo dikwijls als er eene afdeeling soldaten, eenpacha, een gezant of de Sultan door het land trekt, moeten de bewoners van elke plaats, die men voorbijtrekt, hunne geschenken aanbieden, bestaande in geld of levensmiddelen, juist zooals de gouverneur het verkiest.—Over het algemeen zijn de gouverneurs gewetenlooze schurken, wien het om niets anders te doen is dan spoedig rijk te worden. Ieder die geld bezit, staat bloot aan de ongehoordste afpersingen, die openlijk, zonder de moeite te nemen er een reden voor te zoeken, worden bedreven. Geld te bezitten, eenig vermogen te hebben, staat gelijk met een misdadiger te zijn. Men wordt op de onbeschaamdste manier vervolgd, totdat men geen penning meer bezit. Vandaar dat ge overal zooveel armoede aantreft. Wie geld heeft, stopt het in den grond en houdt zich doodarm. Sterft er iemand, die eenig vermogen nalaat, dan koopen de bloedverwanten de roofzucht van den gouverneur der provincie af, door een deel der nalatenschap als geschenk aan te bieden. Alles wordt met en door geschenken verkregen. Die recht vraagt, moet eerst den rechter met geschenken bewegen om recht te spreken. Die gestraft moet worden, de roover, de dief, de moordenaar, koopt door geschenken aan de overheden zijne vrijheid; hij eindelijk, die het ongeluk heeft geld te bezitten, koopt het rooven daarvan, en de straffen waaraan hij blootgesteld is, af door geschenken te geven zoolang hij geld heeft.
—Zoo is de toestand hier overal, en daardoor had men de bewoners der omliggende gewesten zoodanig afgeperst en tot woede gebracht, dat zij eindelijk weigerden den Sultan eenige schatting te betalen. Zij drongen door tot het huis van den gouverneur, sabelden alles neder wat er was, doodden hem met vrouw en kinderen, en staken zijn huis in brand. Daarna staken zij de vaan des opstands op en trokken de bergen in.
—Zoo stonden de zaken, toen men mij het bevel over de opstandelingen kwam aanbieden. De gelegenheid nam ik gretig aan, niet uit eerzucht, maar om misschien den een of anderen dag eene gelegenheid te hebben, mij op goede voorwaarden aan de regeering te onderwerpen en als hoofd van mijne duars erkend te worden, en zoodoende niet langer het leven van een roover te leiden.
—Intusschen nam de opstand eene grootere uitbreiding aan dan ik wel had gedacht, en spoedig vernamen wij, dat de soldaten van den Sultan in aantocht waren. Toen nam ik een kloek besluit, en allen die onder mijne vaan waren gekomen vereenigende, liet ik hen met al wat zij bezaten opbreken, en vestigde mij hier. Het leger van den Sultan liet niet lang op zich wachten.Het verscheen reeds kort daarna en begon zijne heldendaden met het neersabelenvan de vreedzame landbewoners, die geen deel hadden aan den opstand; zij verwoestten de landerijen en verbrandden de duars, kortom hielden huis als duivels.
—Het getal vluchtelingen, dat hierheen stroomde, nam dagelijks toe; de een had een broeder te wreken, de ander eene vrouw, een vader, een kind. Doch daardoor geraakte de vijand ook met onze woonplaats bekend. Na lang genoeg geroofd, gemoord en gebrand te hebben, rukte het leger tegen ons op. De vijand legerde zich op eene vlakte hier in de nabijheid, en overmoedig als hij was, werden er niet eens schildwachten uitgezet, maar men vierde vroolijk feest met wat men had gestolen. Den kleinen troep opstandelingen minachtend, sliep het geheele leger rustig in, alsof er geen vijand nabij was. Om kort te gaan, wij overvielen hen dien nacht en sloegen hen totaal. Van het leger van den Sultan bereikte slechts een klein getal Fez, om de tijding der nederlaag over te brengen.
—Een paar maanden gingen voorbij, zonder dat ik iets vernam. Wel kwam ons nu en dan het gerucht ter ooren, dat er troepen tegen ons zouden worden afgezonden, maar mijn naam, die eene zekere vermaardheid had verkregen, en voornamelijk de sterke positie die we hier hebben ingenomen, was oorzaak dat men niet veel haast maakte, wel begrijpende, dat men misschien duizenden zou verknoeien zonder ons nog tot onderwerping te brengen.
—Intusschen begrepen wij dat de toestand zoo niet kon blijven, en op algemeen verlangen van mijn volk heb ik een paar uit hun midden met een rijk geschenk in geld als afgezanten naar Fez gezonden, onze onderwerping aanbiedende en belovende de gewone jaarlijksche schatting zonder meer weder geregeld te zullen uitbetalen onder voorwaarde, dat ik, door allen als Sheik van deze duars gekozen, als zoodanig door den Sultan zou erkend worden en dat wij onze vrije woonplaats hier zouden mogen behouden.
—En zoudt ge denken, dat de Sultan dit zal doen? vroeg Frank.
—Zeker! zeide de Sheik op verwonderden toon. Ik kan wel zien, dat gij niet bekend zijt met onze toestanden, anders zoudt ge weten dat meer dan één gouverneur, pacha of ander hooggeplaatst persoon op deze wijze tot zijne waardigheid is opgeklommen.
—Een wonderlijk land, zeide de luitenant.
—Ja, zeide de kapitein, ik vind het waarachtig eene aardige manier om eene betrekking te krijgen.
Nadat het gesprek nog een geruimen tijd had geduurd, besloot men eindelijk zich ter ruste te begeven, te meer daar inmiddels op Sid-Abd-Allah's last de kameelen waren opgespoord en teruggebracht.In de eene helft der tent werden nu de veldbedden opgeslagen en ons drietal begaf zich ter ruste, slechts door een dunnen wand van de slaapplaats des gastheers en diens gezin gescheiden.
Na een verkwikkelijken slaap, zooals men sinds het vertrek van Tanger nog niet had genoten, stond men met het krieken van den dag op. In de duars heerschte reeds de grootste bedrijvigheid en toen onze vrienden naar buiten kwamen, werden zij reeds dadelijk verrast door een groot aantal mannen, die beladen met allerlei geschenken vóór de tent op eene rij zaten neergehurkt. Het waren dezelfde roovers van gisteren, die de door den Sheik bevolen schatting kwamen brengen, demonnah, zooals de Arabieren het noemen.
Zoodra zij de tent uitkwamen, stonden de kerels op, en onder het gewone: »Vrede zij met u!” werden de verschillende geschenken aangeboden. Er was onder meer een halfdozijn schapen, eenige manden met eieren, minstens een paar dozijn kippen, voorts kommen met melk, brood, boter, suiker, enz. Toen alles door Selam en Mohammed in ontvangst was genomen en een der Arabieren een paar woorden had gesproken, gaf de Sheik hun een wenk en de mannen keerden terug vanwaar zij waren gekomen.
In allerijl werden nu de toebereidselen voor het vertrek gemaakt. Selam had met zijne gewone voortvarendheid reeds de kameelen beladen, en zoo goed mogelijk hersteld wat niet in orde was. Dank zij Sid-Abd-Allah's invloed was er niets gestolen, en nadat de luitenant een ander paard had gekregen in ruil voor het zijne, dat aan een der pooten was gewond, was alles weder in behoorlijke orde.
Het was een buitengewoon schoone morgen, toen men in de tegenovergestelde richting van die, waarin men bij Sid-Abd-Allah was gekomen, vertrok. Het was een even goed te verdedigen toegang als de beide anderen en eveneens bewaakt door eene wacht van Arabieren. Sid-Abd-Allah met een vijftigtal ruiters deed ons gezelschap een eindweegs uitgeleide en nam, na hun een geleide van tien man te hebben meegegeven, na een hartelijk afscheid den terugtocht aan.
—Zullen we elkaar ooit weerzien? zeide de luitenant vragend.
—Wie weet, zeide Sid-Abd-Allah. Gij gaat naar Fez. Misschien kom ik er ook wel.
—Goed, zeide de luitenant, in dat geval zien we elkaar weder; een zonderling voorgevoel zegt mij, dat we elkaar zullen weerzien.
—Maar, zeide de Sheik op het punt van te vertrekken, waar zult ge uw verblijf te Fez houden?
—Waarschijnlijk niet binnen, maar eerder buiten de stad, gafde kapitein ten antwoord. Het zal voor ons te Fez niet veilig zijn.
—Gij hebt gelijk, antwoordde de Sheik. Maar in geval ge een vertrouwd persoon of veilig verblijf noodig hebt, begeeft u dan tot Aroesi, een koopman in dadels. Gij kunt hem in zijnen bazaar vinden. Uw gids zal hem evengoed kennen als elke inwoner van Fez. Hij is een der mijnen. Gij kunt hem in alle opzichten vertrouwen; zeg hem slechts mijn bijnaam als herkenningsteeken.—En na een laatsten hartelijken handdruk en een even hartelijk: »God behoede u op uw weg!” reed de Sheik met zijn gevolg spoorslags heen.
Thans begeleid door een escorte van tien man vervolgde men de reis, en dezelfde mannen, die gisteren als ware duivels met de wapens in de hand vóór onze reizigers stonden, beijverden zich nu om het zeerst hun van dienst te zijn.
Na het land der Beni-Hassen te hebben verlaten, trok men door dat van Sidi-Hassem, de eerste en eenige streek, die er volkrijk en welvarend uitzag, en waar ook de bewoners een beter voorkomen hadden dan ergens elders. Het was een soort van militaire kolonie, bestaande uit talrijke soldaten-familiën, die het leven van landbouwer leiden. Iedere jongen wordt soldaat en ontvangt reeds op zeer jeugdigen leeftijd, nog vóór hij in staat is de wapenen te hanteeren, soldij. Bovendien hebben zij het voorrecht, dat zij vrijdom van belasting hebben en dat hunne goederen, zoolang er een manlijke nakomeling bestaat, het eigendom van hun geslacht blijven. Voor al die voordeelen zijn zij verplicht, zoodra de Sultan hen voor den dienst oproept, de wapenen op te nemen en te gaan oorlogvoeren, waarheen hij ze zendt.
Den volgenden dag bereikte men Zeguta, eene zeer schoone plaats. Reeds lang vóór men aan deze plaats was gekomen, was de landstreek waardoor men trok bij uitstek fraai. Het was eene aaneenschakeling van prachtige valleien, met tarwe- en roggevelden en frissche groene weiden, aloë's, vijgeboomen, wilde olijfboomen, dwergeiken, rozen, myrthen en allerlei andere boomen en heesters; doch het vreemdste van alles was, dat men nergens eene bewoonde plek of tent aantrof. Het scheen een groote, fraaie, uitgestorven lusthof te zijn.
Maar schooner dan dat alles was de aanblik op Zeguta. Daar lag eene schoone vallei als eene reusachtige schelp, met vakken van allerlei kleur gevuld. Het waren de verschillende akkers, die naar het gewas, dat zij bevatten, verschillende kleuren vertoonden, en daarachter op de helling van den berg een gedeelte, dat er als een amphitheater uitzag. De helling was afgebrokkeld en vertoondeongeveer eene groote half cirkelvormige trap. En dat alles werd gestoffeerd door verschillende schilderachtige groepen van menschen en dieren. Hier tenten, dáár eene kudde kameelen,ginderweder een koebah, troepen grazend of rustend vee en onbeweeglijke vrouwen- en mannenfiguren. Dit alles vormde een zoo schilderachtig geheel, dat men, hoewel het nog vroeg op den dag was, besloot hier het overige van dezen en den ganschen volgenden dag te vertoeven; want de luitenant kon de verzoeking niet weerstaan van dit fraaie landschap eene teekening te maken en op de verschillende vreemde gewassen, boomen en struiken jacht te maken naar insecten. Een rijke oogst van deze laatsten en eene fraaie teekening, benevens het vele schoone en vreemde dat men zag, deed onze vrienden dan ook geen leed gevoelen over het korte oponthoud, en slechts met weerzin scheidde men van deze plaats.
Hoe dichter men Fez naderde, hoe levendiger en bevolkter de landstreek werd. Duars, koebah's en tenten wisselden af met vruchtboomen, groepen palmen, enz. Tegen den avond trok men door een nauwen kronkelenden bergpas met hooge, steile rotswanden; dezen doorgegaan zijnde, was men aan de oevers van de Miches, eene der bijrivieren van de Seboe, waarna men kampeerde op een uitgestrekt heuvelachtig terrein, allerwegen bedekt met schoone graanvelden en vele duars. Deze vlakte, door de rivieren de Blauwe Bron en den Paarlstroom bespoeld, is eene der rijkste en vruchtbaarste streken van gansch Marokko.
De zon was nog nauwelijks aan den hemel of de kleine karavaan was reeds op weg gegaan. Iedereen verkeerde in eene opgewekte koortsachtige stemming, want dien dag zou men Fez bereiken. En waarlijk, na een tijdlang door eene vlakte, gelijk aan de vorige, te zijn getrokken, na heuvelen op en af te zijn gegaan, kwam men ten laatste op een smallen door hooge bergwanden begrensden weg, die alle uitzicht benam. En nauwelijks was men aan het eind, of Selam hield plotseling zijnen ezel in en met de hand recht voor zich uit naar de duistere omtrekken van eene stad wijzend, riep hij met eene heldere stem:—Ziedaar Fez, de heilige stad!
Allen hielden stil en gedurende eenige oogenblikken kon men een speld hooren vallen. Sprakeloos van verwondering en vreugde staarde het kleine gezelschap naar dat bosch van torens, minarets en palmen, naar die geheimzinnige stad, door de eene heilig, door de andere verschrikkelijk genoemd. Alleen de kapitein verbrak de stilte.—O Fez! mompelde hij, o geheimzinnige stad! wat zult ge voor ons zijn, de heilige of de verschrikkelijke?
FEZ, DE STAD DER VERSCHRIKKING.
Eindelijk was dan het doel der reis bereikt, en de vele hinderpalen op hunnen weg hadden slechts gediend om hen des te meer naar het doel te doen verlangen. Dáár voor hen, op slechts een paar uur afstands lag Fez, de geheimzinnige stad, door zoo weinigen bezocht en dientengevolge zoo weinig bekend. Het was dus geen wonder, dat een gevoel van huivering zich onwillekeurig van ons gezelschap meestermaakte, en men elkaar eenige oogenblikken aanzag als om te zien, of zich datzelfde gevoel van onverklaarbaren angst van ieder had meestergemaakt.
Doch de luitenant en de kapitein waren er de mannen niet naar, om een eenmaal opgevat plan uithoofde van nog onbekende gevaren op te geven. Eenmaal vóór de poorten van Fez, zou het dwaasheid zijn geweest zich uit vrees voor hetgeen kon gebeuren terug te trekken, en hoe weinig aangenaam die snel voorbij gaande gewaarwording ook was, dacht toch niemand eraan van terugkeeren te spreken.
Besloten zich niet terstond naar de stad te begeven, maar eerst eens te overleggen hoe te handelen, gaf de luitenant last het kamp op te slaan aan den oever der rivier den Paarlstroom. Daarna bedankte hij het escorte van Sid-Abd-Allah voor hun geleide, schonk iederen ruiter een paar geldstukken, waarmede zij zeer tevreden waren, en de woeste Beni-Hassen vertrokken volgens gewoonte met lossen teugel in eene wolk van stof.
In korten tijd waren de tenten opgeslagen, de kameelen ontpakt en vleide ieder zich op de gemakkelijkste manier neder. De paarden, ezels en kameelen graasden met graagte rond, en de kapitein, de luitenant en Dries zaten weldra onder het genot van een kopje geurige koffie en eene dito sigaar het gewichtige punt van het bezoek aan Fez te bespreken.
De eerste vraag, die werd opgeworpen, was natuurlijk, hoe men er zou komen. Trok men er eenvoudig heen in de Europeesche kleeding, waarin men tot nu toe had gereisd, dan was het tien tegen een dat men niet eens de stad zou binnenkomen. Tanger enAlkazar hadden hun reeds het gevaar doen zien, dat de Christen loopt in de steden van Marokko. En die beide steden werden nog het meest door Europeanen bezocht, en hare bewoners kwamen het meest van alle stedelingen met de Christenen in aanraking. Wat zou het dan niet te Fez, de barbaarsche hoofdstad, het middelpunt der barbaarschheid zijn. Wat men ervan had gehoord, was van dien aard, dat men er bijna zeker van kon zijn door het fanatieke volk vermoord te zullen worden vóór men goed de stad was binnengekomen, en als men daarvan nog niet overtuigd was, zou Selam hen er van overtuigen, wiens raad er over werd gevraagd.
—Waar denkt gij aan, Heer! in die kleeding Fez binnen te gaan? Gij zoudt in stukken gescheurd zijn vóór gij iets hadt gezien van Fez, en uwe hoofden zou men boven de poorten plaatsen. Allah behoede u voor dat plan! Gij moogt Allah niet verzoeken.
—Welnu, zei de kapitein, is de zaak zoo, dan zullen wij den Arabischen kapmantel over onze uniform aantrekken en onze wapens er onder verbergen. Met den kap over het hoofd getrokken zullen we met onze door de zon verbrande aangezichten er uitzien als Arabieren.
Maar de luitenant schudde het hoofd.—Hebt ge er de proef al eens van genomen? vroeg hij glimlachend. Zie, even belachelijk als een neger er uitziet met een zwarten rok en cilinderhoed, even belachelijk zouden wij er uitzien in het Arabisch gewaad. Het Arabische kleed moet men, om zoo te zeggen, van jongs af dragen om het goed te doen. De domste Arabier zou onder den kapmantel dadelijk den Christen herkennen. Die schilderachtige ongedwongen manier om een eenvoudigen mantel te dragen is voor ons niet mogelijk.
—Wat dan gedaan? vroeg de kapitein.
—Wat zoudt ge denken van de Moorsche kleeding? Mij dunkt, dat zou beter gaan. Onze lichte huidkleur kan ons voor Mooren doen doorgaan. Ge weet, er zijn er onder, die bijna zoo blank zijn als een Europeaan, en de groote tulband bedekt het grootste gedeelte van het hoofd.
—Verduiveld! riep de kapitein opspringend, ge hebt gelijk, mijn vriend; daaraan had ik nog niet gedacht.
En Selam knikte tevreden, ten bewijze dat hij het raadsel goed vond opgelost.
—Maar hoe er aan te komen? vroeg de luitenant.
—O! zeide Selam, ik ken Fez van het begin tot het einde, en een paar Moorsche kostumes zijn gemakkelijk te verkrijgen.
—Dat geloof ik wel, zeide de luitenant; maar wie zegt u, dat de een of ander geen argwaan tegen u zal opvatten en u misschien zal volgen om te zien waar gij heengaat. Stel dat zoo iets plaats had, dan zouden al onze plannen in duigen vallen, want als de eene of andere fanatieke Arabier wist, dat hier een gezelschap Christenen kampeerde, die vermomd de stad bezoeken, ware dit reeds genoeg om ons al het gepeupel van Fez op den hals te halen.
Selam zweeg.
—Maar wij moeten die kleederen toch hebben, riep de kapitein, hoe zullen wij ze anders krijgen?
—Ja, hoe? vroeg Dries.
De luitenant dacht eenigenoogenblikkenna.
Opeens glimlachte hij.—Te duivel, riep hij, dat ik daaraan niet eerder heb gedacht. Ik heb het gevonden!
—Laat hooren? zei de kapitein.
—Aroesi is onze man.
—Aroesi? vroeg de kapitein, die zich dien naam niet meer herinnerde.
—Aroesi? vroeg Selam verwonderd; de koopman in dadels?
—Ja, Aroesi, zeide de luitenant, de man ons door onzen vriend Sid-Abd-Allah aanbevolen voor het geval, dat wij een vertrouwd persoon mochten noodig hebben.
—O,parbleu!riep de kapitein. Ik herinner het mij; ja, die kan ons helpen!
—Gij kent dien Aroesidus,Selam? vroeg Frank.
—Wie zou diennietkennen? antwoordde Selam; Aroesi, de koopman in dadels, de tolk van alle vreemdelingen, de wijste en godsdienstigste onder de kooplieden van Fez, de dapperste van alle Mooren en, naar men zegt, ook de rijkste.
—Ge noemt daar nog al iets op, zeide de kapitein; het schijnt dat we met een gewichtig persoon te doen zullen hebben—Sid-Abd-Allah heeft goede vrienden.
—Welnu, Selam! luister, zeide de luitenant; daar ge dien Aroesi kent, ga tot hem, neem dit horloge mede, want de bewoners van Marokko schijnen zeer op geschenken gesteld; bied hem dit uit mijnen naam aan, zeg dat vrienden van »den geweldige” zijne diensten noodig hebben en geleid hem tot ons.
—Zal hij dan komen? vroeg Selam.
—Welzeker! zeide de luitenant. Hij zal u begrijpen.
Selam boog, en na zijnen vriend Mohammed de zorg voor het kamp te hebben opgedragen, besteeg hij zijn getrouwen wittenmuilezel en vertrok vroolijk en welgemoed in flinken draf in de richting van Fez.
Na verloop van een paar uren zag men Selam in galop aankomen, gevolgd door een Moor met zijnen bediende. Beiden waren op schoone muilezels gezeten, terwijl de bediende een derden ezel aan den toom medevoerde, welke met een paar manden was beladen.
Toen men hetkampwas genaderd, steeg de Moor af en naderde eerbiedig buigende het gezelschap zonder echter dien slaafschen eerbied ten toon te spreiden, welke aan vele Mooren eigen is.
Hadden onze vrienden gedacht in Aroesi een gewoon koopman aan te treffen, zoo zagen zij zich daarin deerlijk bedrogen. Aroesi was een der schoonste Mooren, die men tot nu toe had ontmoet.
Zijne hooge welgevormde gestalte, gevoegd bij zijn open gelaat, verrieden eenflinkman. De kleur van zijne huid deed in blankheid niet onder voor die der Europeanen. Zijne kleine bruine oogen blikten vrij en onbevreesd rond. Hij droeg een langen kastanjebruinen baard. De kleine blanke handen waren zoo fraai, dat menige vrouw hem die zou benijd hebben. Het eenvoudige gewaad, dat hij droeg, was smaakvol en rijk versierd.
De luitenant en de kapitein waren even verwonderd bij den aanblik van dezen man. Zijn kloek en edel voorkomen trof hen zoozeer, dat beiden onwillekeurig opstonden en buigende hem de hand drukten.
Na hem te hebben verhaald, hoe zij bekenden, ja vrienden van den geweldige waren geworden, en na diens aanbeveling om Aroesi op te zoeken te hebben medegedeeld, deed de luitenant hem hun plan kennen om in Moorsche kleeding Fez te bezoeken.
—Uw plan is het eenige uitvoerbare, zeide Aroesi. Ik zal u morgen vóór zonsopgang drie stel kleederen zenden en zelve medekomen om u een weinig behulpzaam te zijn in het vermommen. Daarna zal ik u vergezellen op uwen tocht. Gij zult doorgaan voor kooplieden uit Tanger. In mijn gezelschap zal niemand u voor Christenen aanzien. Mogt ge soms genegen zijn een paar dagen uw intrek bij mij te nemen, dan staat mijn huis voor u open, zoolang gij te Fez zult vertoeven.
Na voor dit heusche aanbod, zoowel door den kapitein als door den luitenant, hartelijk te zijn dank gezegd, stond Aroesi op om weder te vertrekken. Inmiddels had zijn bediende de medegebrachte manden en doozen uitgepakt, welke gevuld waren met allerlei vruchten, boter, eieren, hoenders enz., hetwelk Aroesi aanbood, enhoe de luitenant zich ook mocht verzetten tegen het aannemen van dit geschenk zonder eenige vergoeding, wilde Aroesi daarvan volstrekt niets weten, en was hij slechts na veel praten te bewegen om zijne bedienden een klein geschenk in geld te doen aannemen.
—De vrienden van Sid-Abd-Allah, die God bescherme, zeide de Moor, zijn mijne broeders en hebben aanspraak op al wat ik bezit. Vaartwel! zoo Allah het wil, keer ik morgen terug.
—Maar, zeide de luitenant weifelend, is uw bediende een vertrouwd persoon. Denk er aan, hij kent ons en zou ons kunnen verraden.
De Moor glimlachte.—Wees gerust, zeide hij. Indien ik hem niet kon vertrouwen, zou ik hem ook niet hebben meegebracht. De goede jongen is van kindsbeen af reeds bij mij en zou zich eer in stukken laten hakken dan iets van de zaken zijns meesters te verraden. Vaartwel, vrienden, God behoede u!
En op zijnen ezel springend vertrok de Moor, gevolgd door zijne bedienden.
Des anderen daags 's morgens omstreeks acht uur, volgde een kleine troep ruiters den kronkelenden weg, die naar Fez voert. Het was een troepje Mooren in de kleurige fraaie kleeding, die hen kenmerkt. Van de drie voorste ruiters herkennen wij in den middelste Aroesi, de twee anderen, die wij niet zouden herkennen als wij het niet wisten, zijn de luitenant en de kapitein. De Moorsche kleeding en het scheermes hadden hen zoodanig geholpen in hunne vermomming, dat zij zich gerust binnen Fez konden wagen, want er moest waarlijk wel een wonder gebeuren, om hunne vermomming te doen ontdekken. Evenwel, zooals de kapitein had gezegd, zijn wonderen mogelijk.
Achter dit drietal volgde Dries, eveneens vermomd; hij kon zichzelf niet genoeg bewonderen in zijne tegenwoordige kleeding, die hij vrij wat fraaier vond dan zijne vroegere, en hij wenschte niets anders dan zich zoo eens te kunnen vertoonen in de straten van den Haag. Selam en Mohammed reden naast hem. De zorg voor het kamp was aan den bediende van Aroesi en de twee kameeldrijvers opgedragen.
Het gesprek was in vollen gang en liep natuurlijk over niets anders dan Fez. Terwijl Aroesi op eene onderhoudende manier met den luitenant en den kapitein over Fez sprak, deed Selam dat op de gewone opgewonden toon van een Moor van Tanger of Marokko, voor wien de heilige stad is wat Parijs is voor den Franschman.Door zijne vroegere betrekking als geleider van karavanen kende hij Fez, en vergastte hij Dries en Mohammed op de beschrijving van de wonderen der stad, van den Sultan, het leger enz. De kronkelingen van den weg deden ons gezelschap telkens de muren en tinnen der stad zien, waarboven de torens, minarets en palmen uitkwamen, en telkens werd dat gezicht ook weder aan hun oog onttrokken. Arabieren te paard, gesluierde vrouwen op kameelen of ezels door bedienden gevolgd, landlieden op ezels en voetgangers ontmoette men elk oogenblik. Eindelijk hield de herhaalde kromming van den weg op; men zag de stad recht voor zich en reed op eene fraaie met tinnen bekroonde poort toe.
Opeens stiet de kapitein een kreet van schrik uit en hield onwillekeurig zijn paard in.
—Wat is er? vroeg de luitenant verwonderd.
Maar de kapitein antwoordde slechts door de hand uit te strekken naar de poort, en stond als verlamd van schrik met wijd opengespalkte oogen te kijken.
De luitenant hief het hoofd op en kon, ofschoon op iets akeligs voorbereid, nauwelijks een kreet van afschuw weerhouden.
Daarboven aan de poort, die men binnenreed, bungelden een tiental menschenhoofden aan de haren opgehangen. De meesten waren uitgedroogd, maar een paar schenen nog versch te zijn. Onder elk hoofd zag men een lange loodrechte donkere streep; het was van het afgedropen bloed. Er waren hoofden van grijsaards, van mannen met zwarte baarden en zelfs van jonge baardelooze knapen.
—Er is oproer, zeide Aroesi, in eene der provinciën, en het grootste gedeelte van het leger is er heen om den opstand te onderdrukken. Deze koppen zijn van opstandelingen afkomstig.
—Duivels! zeide Dries, ik vind dat ze hier eene eigenaardige en ongemeene manier hebben om de poorten te versieren; maar met dat al staat het leelijk.
Men ging verder, en de poort doorgegaan zijnde reed men een korten tijd nog tusschen hemelhooge, naakte, witte muren evenals in Tanger; geen venster, geene opening dan hier en daar een schietgat of lage deur. Alle straten waren nauw, donker en morsig, hier overdekt, zoodat men niet kon zien, daar open. Hier was de grond rijzend, daar ginds weder dalend. Bovendien zag er alles even bouwvallig uit. De muren werden overal geschoord. Sommige waren van boven tot onder gescheurd. Van anderen was reeds een gedeelte ingestort, en werd de weg door het puin versperd.
Een enkele maal slechts drong eenig geluid vanachter die murentot het oor door. Eindelijk echter werden de straten minder nauw, en ontmoette men meer menschen. Hier en daar ontwaarde men ook overblijfselen, die fraaie proeven van den schoonen Moorschen bouwstijl opleverden. Het waren sierlijke bogen of poorten met allerlei grillige arabesken versierd. Links en rechts van de straat bevonden zich de bazaars; het waren, evenals te Tanger, nissen in den muur, waar de koopman stil zijn rozenkrans zat te bidden. Dáár was ook de bazaar van Aroesi, waarin zich nu zijn bediende bevond.
Opeens zag men bij het omslaan van een hoek, dat de nauwe straat aan het einde werd afgesloten door een huilenden, joelenden volkshoop.
Onwillekeurig hield het gezelschap halt; de luitenant en de kapitein grepen naar hunne pistolen.
De troep naderde op een draf schreeuwend en tierend, en onze vrienden hielden zich derhalve zoo dicht mogelijk tegen den muur om niet medegesleurd te worden.
Het voorwerp, dat de oorzaak van dien oploop was, deed onze vrienden verbleeken, want, nadat een hoop kleine halfnaakte jongens was voorbijgegaan, bemerkte men eensklaps te midden van het volk een paar soldaten, die een haveloozen, bijna naakten kerel van een woest uitzicht op een ezel tusschen zich in hadden. Die misdadiger, of wat hij was, leverde een erbarmelijk en afschuwelijk schouwspel op. De beide handen toch waren afgekapt en de stompen bloedden verschrikkelijk.
—Een dief, zeide Aroesi koel; men gaat hem de armen in kokende teer doopen om het bloed te stelpen.
—Zou de kerel daar nog van opkomen? vroeg de luitenant.
—Misschien, antwoordde Aroesi even koel. Als Allah het wil; zoo niet, dan sterft hij.
—Intusschen begrijp ik niet, zeide de kapitein, waarom hem de beide handen zijn afgehakt. Te Tanger heb ik de toepassing dezer straf meermalen gezien, maar nooit dat de beide handen werden afgekapt.
—'t Is misschien een groot misdadiger, zeide Aroesi, maar wij kunnen er naar vragen. En hij wenkte een Moorschen knaap, die den troep op een afstand volgde, en vroeg hem naar de reden dezer ongewone strafoefening.
—'t Is een gemeene dief, heer! zeide de knaap, men heeft lang moeten zoeken om hem te pakken. Eerst hadden de soldaten een onschuldige gevat en de kaïd liet hem de hand afhakken. Hedenis echter de ware schuldige gepakt en de kaïd was zoo vertoornd op den dief, omdat hij een onschuldige had doen straffen, dat hij om het weder goed te maken den dief nu de beide handen heeft laten afkappen.
Aroesi deelde hen het gesprek mede; de luitenant en de kapitein keken elkaar hoofdschuddend aan.
—Verduiveld! zeide Dries; er is op de rechtvaardigheid van dezen kaïd niets af te dingen; alleen zou ik hem raden in het vervolg niet zoo haastig te zijn. De onschuldige en de schuldige zouden er bij gewonnen hebben.
Toen de bende was voorbijgetrokken, ging men verder, doch nauwelijks was men een tiental passen voortgegaan of een gespierde, magere, bijna geheel naakte heilige trad hun in den weg, en hoe onaangenaam onze Christenvrienden het ook vonden, kon men thans in de hoedanigheid van Mahomedaan niet anders doen dan zich de vrijpostigheid van dien kerel getroosten.
Schoon de heilige zich voordeed als een krankzinnige, kon men bij opmerkzame beschouwing wel zien, dat het slechts comediespel was. Hij had een sluw voorkomen en sloeg aanhoudend met gluipende blikken onze vrienden gade.
Aroesi liet eenig geld in de vuile hand vallen, en ook de luitenant en de kapitein haastten zich dat voorbeeld te volgen.
—Allah zij met u! zeide de kerel lachend, en ging ter zijde zonder nochtans den blik van onze vrienden af te houden. Daarbij speelde een zonderlinge glimlach om zijnen grooten mond en knikte hij aanhoudend zachtjes met het hoofd, alsof hij de oplossing van iets dat hij zocht, had gevonden.
Doch behalve Selam en Dries sloeg geen van allen acht op den smerigen vent.
Vooral Selam was het, die den kerel onderzoekend opnam, en op het oogenblik, dat hij hem eenige floe's in de geopende hand wierp, ontroerde hij.
Dries had die ontroering opgemerkt en vroeg Selam naar de oorzaak daarvan.
—'t Is niets, zeide Selam, 't was mijne verbeelding, die mij misleidde. Herinnert ge u nog die twee kerels, die in ons kamp kwamen in het land der Beni-Hassen, welke een onzer kameelen stalen en daarna poogden het paard van den luitenant te stelen.
—Ja zeker! zeide Dries, dien gij nog zoo onzacht hebt omhelsd.
—Juist, zeide Selam. Dan weet ge ook, dat zijn makker ontkwam door zich te paard te werpen.
—Ja, antwoordde Dries, maar wat heeft dat alles nu met dien heilige te maken?
—Wel, zeide Selam, toen ik dien heilige aandachtig beschouwde, meende ik in hem dien dief te herkennen.
—Wat! riep Dries, dien hond?
—Ja, zeide Selam, en ik meende zelfs, dat de kerel ons op eene vreemde manier aankeek en spottend lachte.
—Maar deze kerel is een krankzinnige heilige, merkte Dries op.
Selam schudde het hoofd.—Deze heilige is niet krankzinnig. Hij is evenmin een krankzinnige als een heilige; geloof mij, hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik in mijn vermoeden wordt versterkt.
—Maar als dat zoo is, en de kerel heeft ons herkend, zeide Dries dan zijn we verloren!
—Als Allah het wil, zeide Selam bedaard.
Opeens wendde Selam zich plotseling om en keek de straat langs.
In het midden der straat, dáár waar men zoo straks den heilige had ontmoet, stond deze onbeweeglijk in voorovergebogen houding met de hand boven de oogen onze vrienden na te kijken.
Selam ontroerde, en deelde zijne ontdekking aan Dries mede.
—Goed, zeide deze, zie niet meer om, de schoft zou argwaan krijgen. We zullen hem in het oog houden, en ik zal er straks den luitenant over spreken. God beware hem er echter voor zich op mijn weg te plaatsen, ik zou hem een kogel door de hersenen jagen. Maar wij mogen des nachts wel goed waken, Selam!
—Laat dat maar aan mij over, zeide deze; ik heb met den schelm nog een oude rekening te vereffenen.
Gedurende dit gesprek was men bij een der poorten gekomen, welke den zonderlingen naam droeg van »de Poort die zich opent.” Juist toen men die voorbijging, kwam er uit eene naburige straat een Arabier op een ezel, welke met een zonderlingen last was beladen. Het waren eene menigte schapenkoppen, waarvan het bloed afdroop, en die tegen elkaar schommelden en bungelden bij elken tred van den vuilwitten ezel. De lange naakte beenen van den Arabier, die bijna den grond bereikten, waren, evenals de huid van zijnen viervoet, overal bespat en bevlekt met het bloed. Maar nog akeliger was het gezicht van den last, dien twee Arabieren torschten, met welke de Arabier op den ezel in druk en vroolijk gesprek was. Op eene ruwe berrie droegen zij een lijk naar de laatste rustplaats. De berrie was onbedekt en het lijk in een soort van grof doek gewikkeld. Het kleed liet de gedaante van den doode geheeluitkomen, daar het strak om het lijf getrokken en om de knieën, om het middel en om den hals met een touw saamgebonden was. Het kleed of de zak scheen te kort te zijn om er den doode geheel in te stoppen, zoodat het hoofd er buiten kwam en het afzichtelijk verwrongen gelaat deed zien, waarvan de groote oogen wijd open stonden.