XVIII.

OP DEN TERUGTOCHT.—MECHINEZ.—DE KIF.

't Was reeds een paar uren nà zonsopgang en nog kwam de kapitein nietopdagen.

De luitenant werd onrustig en wandelde, vergezeld van Dries, langs den stroom in de richting der stad.

De morgen was heerlijk. Het sinds eenige dagen zoo droge, schrale groen was door den overvloed van water meer dan verkwikt, en zag er zoo frisch uit, dat men zich wel had willen uitstrekken op het mollige frissche tapijt. Tallooze soorten van insecten vlogen rond, kropen tegen de stengels en bladeren der planten en boomen op, of bewogen zich snel tusschen het gras.

De luitenant vond eene goede gelegenheid om zijnen voorraad aan te vullen en verdreef zoo den tijd, die hem, wachtende op zijn vriend, bizonder lang viel. Dries, die zijne buks had medegenomen, schoot op de wilde duiven en reigers, die hier in menigte waren te vinden.

Juist schoot hij onder eene vlucht duiven. Een paar daarvan vielen op den grond, toen opeens een roofvogel bliksemsnel toeschoot, een der geschoten duiven aangreep en er even snel mede wegvloog.

—Drommels, zei Dries, dat is knap gedaan en je mag je buit behouden; ik zal niet op je schieten.

—'t Is een havik, zeide de luitenant; dat goed is erg brutaal, maar zoo heb ik het nog nooit gezien.

—Kijk, zei Dries eensklaps, daar komt eene Moorsche dame aan op een ezel, met een bediende bij zich. Maar zie eens, luitenant, wat wil die kerel? Men zou haast zeggen, dat hij ons wenkt.

De luitenant hield de hand boven de oogen en keek in de aangeduide richting.

—Dat begrijp ik niet, zeide hij. Wat die Moorsche dame of die kerel toch van ons willen?

—Wie weet, zei Dries, misschien is het wel een bode, door den kapitein afgezonden.

—In elk geval, zeide de luitenant, zullen wij hun te gemoet gaan; bevreesd behoeven wij niet te zijn. Kom, Dries!

Men liep snel voort in de richting der vreemdelingen en verdiepte zich in allerlei gissingen, wie of wat het kon zijn.

De vreemdeling maakte ook spoed. De bediende hield den ezel bij den teugel en spoorde hem met woorden en stokslagen aan harder te loopen.

Toen bleef Dries stokstijf staan.

—Nu, vroeg de luitenant, wat is er?

—Bij mijne ziel, zeide Dries, als ik het niet beter wist, zou ik zeggen, dat ik dien Moor meer heb gezien. De kerel heeft zoo'n bekende houding en gang, waar duivel kan ik hem gezien hebben?

—Ja, mij komt hij ook bekend voor, antwoordde de luitenant, en toch weet ik hem mij niet te herinneren.

Een honderd pas verder bleef Dries weder staan en greep den arm van den luitenant.

—God in den hemel, luitenant! ziet ge niet wie het is? riep hij uit. 't Is de kapitein, en zijn geweer wegwerpend, snelde hij den naderenden te gemoet.

De kapitein had zijn ezel losgelaten en was, toen Dries op hem toesnelde, een eind vooruitgeloopen.

—Parbleu, mijn brave vriend, leef je ook nog! zeide de kapitein, nadat de eerste verbazing voorbij was.

Thans was ook de luitenant genaderd, en de vreugde van het wederzien was zoo hartelijk als alleen onder vrienden, die veel gevaar met elkaar gedeeld hebben, zulks kan zijn.

—Maar wat weerga, kapitein, zei de luitenant, wat in 's hemels naam hebt gij nu toch weer voor een dollen streek uitgevoerd. Hebt ge eene Moorsche schoone geschaakt?

De kapitein begon hartelijk te lachen.

—Geschaakt heb ik haar niet, zeide hij. Zij is mij uit vrije beweging gevolgd. Maar dit zal ik u later verhalen; volg mij en ik zal u aan haar voorstellen.

De kapitein deed, zooals hij had gezegd en toen Rebecca haren langen sluier opsloeg, zagen de luitenant en Dries, in plaats van eene Moorsche, het schoone gelaat der Jodin, die verlegen hoewel glimlachend onze vrienden aankeek.

De luitenant maakte eene beleefde buiging en drukte haar hartelijk de hand, terwijl Dries er zich met eene linksche buiging en een militair saluut afmaakte.

—Hoe het zij, zeide Frank tot den kapitein, 't is hier de tijd noch de plaats voor verdere ophelderingen, doch wie gij medebrengt, die is van harte welkom. Laten wij ons nu naar onze schuilplaats spoeden, dáár kunnen wij praten! En men begaf zich terstond op weg.

—Duivels, mompelde Dries, nu en dan een blik op Rebecca slaande, men kan niet zeggen, dat de kapitein een slechten smaak heeft.

—Moeten we nog niet haast den stroom over? vroeg de kapitein, naar het kamp rondziende.

—Wel neen! zeide de luitenant. O, 't is waar, gij weet het nog niet, ons kamp bestaat niet meer.

—Wat! riep de kapitein, bestaat het niet meer?

—Volg ons maar, hernam de luitenant, en ge zult zien, dat wij geen slechten ruil hebben gedaan.

—En hoe is het met mijn getrouwen Mohammed en Selam en onzen vriend Aroesi?

—Allen nog springlevend, zeide Dries.

—Goddank, zeide de kapitein, dat is mij een steen van 't hart.—Drommels! ge moogt zeggen wat ge wilt, maar ik vind, dat wij buitengewoon gelukkig overal doorheen rollen.

—Tot heden ja, antwoordde de luitenant, maar wij zijn nog niet terug; wie weet wat er nog kan gebeuren!

—Ba! zeide de kapitein, op zijne gewone luchtige manier, ik gevoel mij tweemaal zoo sterk als anders. Al kwam de duivel, ik zou hem weerstaan.

—Zie, zeide de luitenant, dat komt er van als men verliefd is en eene schoone vrouw medevoert.

Men was intusschen de plaats genaderd, waar de uitgestrekte graanvelden begonnen, en wilde juist het koornveld betreden, toen allen opeensschriktenvan eene gestalte, die zich bliksemsnel voor het verbaasdegezelschapvertoonde, alsof zij uit den grond verrees.

De schrik duurde echter slechts kort; 't was niemand anders dan Mohammed, die uit een soort van greppel opstond, waarin hij had gelegen.

Niet zoodra zag hij den kapitein onder het gezelschap, of hij sprong als een wilde op hem toe, greep zijne handen en bedekte die met kussen, terwijl de tranen hem uit de oogen sprongen. Toen rees hij overeindenvloog als een pijl uit den boog door het korenveld, om Selam en Aroesi de blijde tijding te brengen.

Selam vermaakte zich met op de vogels te schieten, die hij uit het koren opjoeg, en had reeds een paar dozijn duiven naast zich liggen, toen hij den snellen loop van Mohammed vernam en deze hem in het volgend oogenblik om den hals vloog.

—Mohammed mijn vriend! zeide Selam, die het onder die omhelzing te benauwd kreeg, bij Allah, je worgt me; wat is er aan de hand?

—De kapitein! was al wat de verheugde Mohammed kon uitbrengen.

—De kapitein? riep Selam. Maar laat me dan toch los, ik stik half.

Met moeite onttrok hij zich aan de al te onstuimige omhelzing en volgde Mohammed.

Na de begroeting zat men eindelijk in de tenten. 't Was daar echter spoedig benauwd, en weldra zat men buiten rondom een paar heldere op den grond uitgespreide kleeden, waarop Selam en Mohammed binnen korten tijd een keurig diner opdischten, verrijkt met een paar dozijn vette heerlijk gebraden duiven.

Toen men met smaak had gedineerd, kwamen de geurige koffie en de sigaren voor den dag. Onderwijl werd het gesprek levendig, en de één voor, de andere nà, verhaalde nu aan den kapitein zijn wedervaren op dien dag, en natuurlijk biechtte ook de kapiteinzijne avonturen op, hoewel hij veel van hetgeen Rebecca betrof, en wat hij niet voor ieders ooren geschikt achtte, voor zich hield om het den luitenant later mee te deelen.

—En waart gij niet bevreesd herkend te worden? vroeg de luitenant.

—Ja, daar was ik nu en dan wel eens bevreesd voor als de Arabieren of Mooren mij zoo onderzoekend aankeken. Maar, Goddank! dat duurde slechts een half uur. Toen waren wij buiten de stad. Maar die hevige regen van gisteren avond noodzaakte ons een grooten omweg te maken, anders waren wij reeds eer hier geweest.

Intusschen had de luitenant last gegeven de goederen op de beesten te laden en alles klaar te maken voor de afreis. Dit spoedige vertrek geschiedde op raad van Aroesi, die bevreesd was, dat de fanatieke bevolking van Fez het wel eens in het hoofd kon krijgen, om de Christenen op te sporen en te vervolgen. En daar men licht kon weten vanwaar ons gezelschap gekomen was, werd er besloten om, ten einde alle mogelijke vervolging te vermijden, een anderen weg voor de terugreis te kiezen.

Een paar uren later trok de kleine karavaan, thans met twee personen vermeerderd, behoedzaam en zich zooveel mogelijk verborgen houdend, voort op den weg, die van Fez naar Mechinez loopt, welke stad, de parel van Marokko genoemd, op vijftig kilometer afstand van Fez ligt.

Dat was eene hitte op dien dag! En het was nogal nà den middag, dat wil zeggen na de grootste hitte. Het was dan ook bijna onmogelijk voort te trekken. Daarbij kwam de eentonige landstreek, die niets anders opleverde dan wat men op de heenreis dagen lang had gezien: bebouwde velden met graan, gierst enz. Het eenige verschil bestond op sommige plaatsen daarin, dat men aan het maaien was. Hier en daar stonden een paar mastboomen of dwergpalmen. Men passeerde kleine uitgedroogde riviertjes en alles zag er dor en droog uit. Eindelijk dwong eene hitte van 42 graden Celsius (107° Fahrenheit) ons gezelschap de eenige overgeblevene tent op te slaan. Selam, Mohammed en de drijvers, die hunne tent zeer misten, hadden echter spoedig een paar lange takken afgesneden, en na die op een paar meter van elkaar in den grond te hebben gestoken, zoodat zij een vierkant vormden, boog men de topeinden naar elkaar toe, bond die te samen en wierp er alle kapmantels over, die men kon missen. Zoo was men ten minste eenigermate tegen de brandende hitte beveiligd.

—Wat een hitte! zuchtte de luitenant.

—O, zeide de kapitein, wees maar stil; we hebben nog maar tweehonderd mijlen vóór ons.

—En de zekerheid van elken dag zoo'n hitte te hebben, zeide de luitenant.

—Een prettig vooruitzicht! merkte Dries aan.

Men beproefde te slapen, doch daar was geen denken aan. Men bleef stil liggen totdat de insecten zich begonnen te vertoonen, en deze droegen er niet weinig toe bij om onze vrienden wanhopend te doen worden. Toen het al te erg werd, bestrooide men den grond weder met kruit, en dat hielp. Eindelijk, na langen tijd rusteloos te hebben liggen wenden en keeren, gelukte het hun laat in den nacht in slaap te komen.

Den tweeden en derden dag was het eveneensheet. De hitte verminderde niet, ja vermeerderde eer. Voor het overige bracht het tamelijk drukke verkeer op den weg tusschen Fez en Mechinez een weinig afwisseling in den marsch. Men ontmoette troepen Arabieren met hunnezeissen, die uit maaien gingen, groote karavanen van beladen kameelen, paarden, vee enz.; dat alles ging naar de markt. Daardoor ook werd men gewaar dat men Mechinez naderde, en den derden dag van de terugreis zag men tegen den avond opeens op een heuvelrug de stad vóór zich, omgeven van muren waarboven witte minarets en palmen uitstaken.

Daar Selam en ook Aroesi van meening waren, dat men zonder groot gevaar de stad zou kunnen bezichtigen, en zij bovendien zoozeer hare schoonheid roemden, besloot men in de nabijheid te overnachten en Mechinez den anderen dag te bezoeken.

Zoo was men dan, o wonder! eindelijk in eene Marokkaansche stad aangeland, waar men zonder levensgevaar kon rondwandelen. Nog grooter wonder was de aangename verrassing van breede straten aan te treffen; geen steegjes, zooals bijna overal, geen hemelhooge muren, die het daglicht uitsloten; neen, hier waren breede straten, lage huizen en lage tuinmuren, waarboven het frissche groen kwam uitkijken.

Door eene der poorten, waarachter eene tweede poort, kwam men in de stad, welke door drie muren met tinnen gekroond omgeven was. Wel waren de straten niet recht maar vreeslijk kronkelend, doch dat zag men gaarne over het hoofd om het vele schoone, dat men aantrof. De indruk was zoozeer verschillend van wat men in de andere steden had gezien, dat onze vrienden geen woorden konden vinden om hun gevoelen lucht te geven.Niet alleen de breede straten en het frissche groen, maar nog veel meer schoons was het, dat hun aangenaam aandeed. Men vond er ruime pleinen, waar prachtige eike- en vijgeboomen prijkten, frissche klaterende fonteinen en telkens werd het oog bekoord door prachtige proeven van Moorschen bouwtrant.

Bovendien was de frissche landelijke lucht bezwangerd met allerlei bloemengeuren en heerschte overal eene rust, die onbeschrijflijk aangenaam was.

Een der fraaiste bouwwerken was ongetwijfeld het paleis van den gouverneur, dat op een plein stond, en waarvan de gevel uit een heerlijk mozaïek bestond. Die kleuren, door het vroolijke zonlicht beschenen, deden denken, dat de gevel van dat paleis was ingelegd met edelgesteenten. Het fonkelde en schitterde in alle schakeeringen; kortom, het was een tooverpaleis uit de »Duizend en één nacht.” Niet minder trok de fraai bewerkte boog van eene oude poort hunne aandacht.

Het was geen wonder, dat het onzen vrienden moeite kostte deze schoone plaats te verlaten. Doch de tijd was beperkt en Aroesi, zoowel als Selam, drong er op aan spoed te maken. Echter was de luitenant niet te bewegen heen te gaan vóór hij met vlugge trekken een paar schetsen van den gevel van des gouverneurs paleis en van de schoone poort had gemaakt.

Het was zeer vroeg in den morgen, dat men dit uitstapje had gemaakt. De drijvers waren intusschen met de kameelen vooruitgegaan en ons gezelschap reed zoo snel als de hitte het slechts veroorloofde, ten einde hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Hier werd de landstreek, als om het eentonige van de vorige dagen te vergoeden, weder bij uitstek schoon en lieflijk; heuvels, die bijna geheel bedekt waren met de fraaiste rozenstruiken en dicht geboomte, afgewisseld door alleenstaande palmen of aloë's en de lucht bezwangerd met de aangenaamste geuren. Dien avond kampeerde men onder beschutting van een laag bosch op eene vlakte, die geheel met bloemen was overdekt.

Het was op dezen avond, dat in het gesprek, hetwelk voornamelijk over de schoone stad Mechinez liep, ook de beruchte kif ter sprake kwam, en de luitenant, die Aroesi verdacht van kif bij zich te hebben, den wensch uitte om eens eene proef daarmede te nemen. Na eenig tegenstribbelen gaf Aroesi nog half onwillig toe, daar Frank hem verzekerde, dat het alleen was om bij ondervinding te kunnen spreken van de zoozeer geroemde gewaarwording, die men daarvan moet ondervinden.

De kif, door geheel het Oosten om hare bedwelmende kracht beroemd, is het blad van den haschisch, een soort van hennep. Men gebruikt het op tweeërlei manier, namelijk men rookt het met tabak vermengd, of eet het gemengd in een zoet, uit boter, honig, kruidnagelen en muskaatnoot bestaand deeg, hetwelk men madjaen noemt. Vooral in Marokko wordt het veel gebruikt.

Het gezelschap zat in de tent bijeen, toen Aroesi aan Frank de kif toediende. Het was een klein stukje, dat hij uit een gouden doosje nam. Het zag er week, deegachtig uit en was violet van kleur.

Op het gelaat van Dries en den kapitein was eene uitdrukking van angst te bespeuren, toen de luitenant het stukje in den mond stak.

—Dat is een rare smaak, zeide de luitenant, echt oostersch, 't smaakt als gesuikerde pomade.

—Smakelijk eten! zeide de kapitein.

Een half of drie kwart uur verliepen zonder dat zich eenig verschijnsel openbaarde, en reeds dacht men dat de dosis te klein was geweest, doch opeens begon de luitenant op opgewekten toon druk mede te praten.

Aroesi gaf den kapitein en Rebecca een wenk, en Dries hield, met eene angstige uitdrukking op het gelaat, de oogen op zijnen heer gevestigd.

Al drukker en drukker begon de luitenant te praten, en zijne vroolijkheid steeg zonder eenige reden ten top.

—Het begint al te werken, zeide Aroesi lachend tot den luitenant.

Deze lachte hartelijk.

—Hoe gevoelt gij u? vroeg de kapitein.

—Opperbest! antwoordde de luitenant, en hij begon schaterend te lachen.

Eene uitbundige uitbarsting van vreugde volgde hierop. De luitenant keek vroolijk rond, lachte om al wat er werd gezegd, om de blikken die men op hem wierp, om de voorwerpen die hij ontwaarde, kortom alles wekte zijnlachlustop.

Dries zette een boos gezicht.

Opeens sprong de luitenant op en zijn glas opheffend, riep hij met eene van aandoening trillende stem:—Vrienden! ik ben gelukkig, en ik zou u allen ook gaarne gelukkig willen zien. Aroesi, mijn wakkere trouwe vriend! gij gaat met mij mede naar Holland. Ik ben millionair en zal u rijk maken.

—Parbleu!zeide de kapitein, dan ga ik ook mede.

—En Selam, aldus ging de luitenant voort, Selam dien dapperen knaap, hem zal ik laten opvoeden, zooals het betaamt. Na eenkundig man te zijn geworden, zal hij naar zijn land terugkeeren en Minister, misschien wel Sultan worden, en zijn land beschaven. Dries, Mohammed, Selam waar zijt gij, mijne dapperen? gij, die elk oogenblik bereid zijt uw leven voor ons te geven, om u voor ons op te offeren. Komt allen hier. Ik ben gelukkig! Komt, laat ik u omhelzen.

Hij ging weder zitten, en Dries stond op en ging de tent uit.

—Het wordt mij hier te benauwd, mompelde hij.Waarvoor, bij alle duivels, heeft hij ook dat goed te eten, 't is vergift!

Eenige oogenblikken bleef Frank stil zitten. Telkens hief hij het hoofd op, en keek het gezelschap aan, als wilde hij iets zeggen.

—'t Was op den 19enFebruari van het jaar 1865, begon hij. Ik moest naar.... wat drommel! waarheen moest ik ook. O ja, ge weet wel, kapitein, dat we te Tanger die kloppartij hebben gehad?

—Ja, zeide de kapitein.

Maar Frank antwoordde niet. Hij keek stil voor zich, als had hij geen woord gesproken.

De kapitein keek Aroesi aan. Deze glimlachte, en de kapitein werd weder gerust.

—Jongen, Dries! begon deluitenantopeens weder op droefgeestigen toon. Weet ge wel, dat we die reis naar Marokko nooit hadden moeten doen. Denk eens hoeveel onschuldige menschen wij hebben gedood, en als we te huis waren gebleven, was dat alles niet gebeurd. Weet ge nog wel dien Heilige? Ik hoop dat hij mij zal hebben vergeven, dat ik hem naar de andere wereld heb gezonden.

En de luitenant smolt weg in tranen. Na nog eenige malen tevergeefs te hebben beproefd iets te vertellen, legde hij het hoofd op de armen en ging liggen slapen; twee of drie malen lichtte hij plotseling het hoofd weder op en glimlachte. Toen bleef hij voortslapen.

Aroesi gaf nu den kapitein een wenk; men nam den luitenant op en legde hem op zijn bed neder, waar hij binnen eenige oogenblikken in een onrustigen slaap verzonken lag.

Een paar uren daarna opende hij de oogen en rees overeind.

—Drommels, zeide hij, heb ik geslapen?

—Mooi zoo! zeide de kapitein, die doet een dut van een paar uren, en vraagt dan nog, of bij ook geslapen heeft!

—O duivels, zeide de luitenant, nu herinner ik het mij... de kif!

—Ja, de kif! zeide de kapitein, en ge hebt u aardig aangesteld, dat moet ik zeggen.

—Hoezoo? vroeg Frank.

Men verhaalde hem wat hij had gedaan en gezegd, en hij lachte er hartelijk om.

—Ik wil het best gelooven, zeide hij. Ik denk, dat ge ook wel zoudt gelachen hebben. In het begin was het mij, of al wat ge zeidet eene geestigheid was. Alles kwam mij even belachlijk voor. Gij zaagt er in mijn oog allen even bespotlijk uit. Terwijl de een opeens een dik opgeblazen hoofd had, had de andere een lang smal gezicht, of vertrokken of mismaakte gelaatstrekken. Vervolgens kreeg ik allerlei verwarde gedachten, die bliksemsnel oprezen, om nog sneller te verdwijnen. Het kwam mij voor dat ik een knap wijsgeer was, doch mijne wijze ideeën niet kon vasthouden. Daarna kreeg ik een gevoel van nameloos geluk. Ik wist niet wat mijn geluk eigenlijk uitmaakte, maar ik was zóó gelukkig, dat ik de geheele wereld wel zou kunnen omhelzen, tot zelfs de oude schoonen, die ons met gebalde vuisten hebben verwelkomd. Na het gevoel van geluk maakte zich dat van droefheid van mij meester. Ik vond, dat ik niet leefde als een mensch. Ik wilde pogen zooveel mogelijk mensch te zijn. Talrijke tooneelen, zoowel uit mijn vroeger leven als uit den laatsten tijd, kwamen mij in de gedachte, en ik verweet mijzelf menige slechte daad te hebben verricht. En het slot van alles was, dat ik gestorven was en mij in eene geheel andere wereld meende te vinden.

—Nu, zeide Aroesi, het is nu geschied. Maar het is voor de eerste en ook voor de laatste maal!

—Natuurlijk, antwoordde Frank, 't was mij ook maar om een proef te doen.

—En ik, zeide Dries, ik ben blijde dat het voorbij is. Ik werd er akelig van, toen ik u zoo zag, en ik liep naar buiten, omdat het mij hier te benauwd werd. Zie, 't was mij net alsof gij krankzinnig waart en daarom was ik zoo beangst.

—Ik wist niet, dat ik er je zoo ongerust mede had gemaakt, antwoordde de luitenant; vergeef het mij dus.

DE WILDE ZWIJNEN EN DE LUIPAARD.

Het was op den vijfden dag ná het verlaten van Fez, dat ons gezelschap reeds vóór zonsopgang op marsch was gegaan, om vóórdat de grootste hitte begon, een flinken afstand te kunnen afleggen.

Na de druk begane wegen tusschen Fez en Mechinez, trok men nu weder door eene eenzame landstreek, doch de landschappen, die zich in de schoonste afwisseling aan het oog vertoonden, deden de eenzaamheid vergeten en vervroolijkten allen. Overal lagen dicht begroeide dalen, waar men onder de schaduw van het lage hout voorttrok. Moest men al eens nu en dan eene zonnige, onbeschutte streek door, dan was het vooruitzicht straks weder in de schaduw te zullen zijn voldoende om hun de hitte minder te doen gevoelen.

Het was tegen den middag, dat men een met dicht hout begroeid dal naderde, en de luitenant besloot daar te rusten tot tegen den avond, toen Selam het gezelschap op de sporen van een troep zwijnen opmerkzaam maakte.

—Parbleu!zeide de kapitein, dat kan te pas komen. Als die knapen zich niet te ver van dezen omtrek ophouden, zullen we eens zien, waarde luitenant, of we heden avond niet een paar karbonaden bij ons souper kunnen krijgen.

—Dat zou eene aangename afwisseling zijn, zeide de luitenant.

—Nu als ze er zijn, zeide Dries, dan zullen wij ze wel opsporen kapitein, niet waar?

—Luistert! riep Selam op eens, en hij hield zijnen ezel in.

Het geheele gezelschap hield stil, en nu hoorde men uit het dichte kreupelbosch opeens een vervaarlijk geknor en gegil, dat hoe langer hoe duidelijker werd. De takken kraakten, de struiken schudden en sidderden, en eenige oogenblikken daarna brak een troep van een twintig zwijnen door het hout en stak dwars den weg over.

De kapitein en Dries spoorden hunne paarden aan en vlogen op den troep in.

Toen eerst bemerkte de zwijnen het jachtgezelschap; en na eenige seconden verbaasd rondgekeken te hebben, stortte de aanvoerder zich in het dal, gevolgd door den luid gillenden en knorrenden troep.

—Gaat je gang maar! riep de luitenant. We zullen alvast hier ons bivak opslaan; maar denk er aan, dat ik op de karbonades reken, hoor!

Mohammed snelde zijnen heer na, die, gevolgd door Dries, den troep achterna zette.

Als een wervelwind vloog de troep zwijnen door het dal, hier door een boschje brekend, dáár zich van een heuvel afstortend, en het was bijna onmogelijk ze in het oog te houden.

—Verduiveld, wat loopt dat goed hard! zei de kapitein tegenDries. Zie, daar gaan ze waarachtig te water. En hij wees naar eene beek, die eene bloemrijke vlakte doorsneed, waar de geheele troep op het voorbeeld van den aanvoerder zich in stortte.

—Als we dien aanvoerder eens konden neerschieten, zeide Dries, alvorens den overtocht te probeeren. Wat dunkt u, kapitein?

—Dat was zoo kwaad niet, zeide deze. Welnu, laten we gelijktijdig op den schobbejak aanleggen op het oogenblik, dat hij den oever bereikt. Zie, zij zijn er bijna!

Beiden stegen af en legden aan. De twee schoten klonken bijna te gelijker tijd en de aanvoerder stortte met een woesten gil neder.

—Hoera! riep de kapitein, nu er op af! en hij dreef zijn paard te water, gevolgd door Dries en ook door Mohammed, die juist aankwam.

De beek was, hoewel helder en snelvlietend, niet diep, zoodat op de diepste plaats het water slechts tot aan de borst der paarden kwam.

Aan de overzijde hadden de zwijnen zich luid knorrend rondom hun gevallen aanvoerder verzameld en besnuffelden hem aan alle kanten. Dat duurde echter slechts kort, want opeens stoof de troep naar alle kanten uit elkaar, en op hetzelfde oogenblik rees de doodgewaande aanvoerder weder op, en vloog als een pijl uit den boog voort, heuvel op en af.

Ons drietal bleef verbaasd een oogenblik staan, maar daarop barstte men onwillekeurig in een schaterlach uit.

—Adieu, karbonades! riep de kapitein op koddig bedroefden toon.

—Nu, die heeft ons mooi bij het lijf, zei Dries. Maarwachteven, vriend! ontkomen zal je toch niet, en hij gaf zijn paard de sporen en snelde het gewonde zwijn na.

De kapitein reed de andere zijde op waar hij een paar zwijnen zag voortrennen, en na Mohammed gelast te hebben, om te pogen hen tot staan te krijgen, reed hij ze achterna, terwijl Mohammed de beek weder overtrok, om die een eind verder weder over te steken, want de zwijnen trokken in een grooten halven cirkel weder op de beek aan.

Terwijl de kapitein ze nu opdreef, was Mohammed weder den stroom overgetrokken, en had zich dwars in hun weg gesteld, ten einde ze te beletten te water te gaan.

Het was een troepje van vijf zwijnen, voor het meerendeel nog jongen. Toen zij dicht genoeg genaderd waren, gaf Mohammed een luiden schreeuw. Verwonderd hielden de zwijnen stand en bleven besluiteloos staan.

Dat oogenblik van aarzeling maakte de kapitein zich ten nutte,en Mohammed een wenk gevend, vuurden beiden op de dieren nog vóór zij van hunne verwarring bekomen waren.

en onder een donderend gebrul wierp zich een groote luipaard op hem. Bladz. 187.en onder een donderend gebrul wierp zich een groote luipaard op hem.Bladz. 187.

en onder een donderend gebrul wierp zich een groote luipaard op hem.Bladz. 187.

Met een luiden gil vlogen zij uit elkaar en terwijl er een terugkeerde, stortten de overigen zich vooruit om de beek over te steken.

Niet zoodra had de kapitein bemerkt, dat een van den troep op hem aankwam, of hij stelde zich op zijn weg. Knorrend stoof het dier hem voorbij, en terwijl de kapitein zich ter zijde bukte, loste hij den geheelen inhoud van zijne revolver op hem. Nog een twintig pas liep het waggelend voort; toen stortte het neder.

Met een vreugdekreet sprong de kapitein van het paard en maakte het stervende dier met zijn jachtmes af.

Maar plotseling sprong bij verschrikt overeind op het hooren van een ontzettenden gil. Hij wendde het hoofd om, en daar zag hij aan het einde van den hollen weg, waar Mohammed was achtergebleven, hoe de muilezel, door de zwijnen, die zich links en rechts langs hem heen in den stroom wierpen, verschrikt, steigerde en zijnen berijder in den stroom werpend in volle vaart voortholde.

Te paard te springen, het dier de sporen in de zij te drukken en het in den stroom te drijven, was voor den kapitein het werk van een oogenblik. De arme Mohammed, die niet kon zwemmen, had het kwaad genoeg, want de arme jongen poogde tevergeefs vasten voet te krijgen. De snelheid van den stroom sleurde hem een heel eind mede, en eerst na eenige vreeslijk angstige oogenblikken, na eenige honderden passen te zijn voortgesleept, mocht het hem gelukken een in het water hangenden boomtak te grijpen en zich daaraan vast te klemmen, totdat de kapitein hem was genaderd en hem op het paard trok.

Mohammed was door de worsteling met het water te afgemat om te kunnen staan. De kapitein zette hem met den rug tegen een boom en snelde toen den muilezel na. Nauwlijks was hij aan het eind van den weg gekomen of daar stond de muilezel bedaard te grazen, terwijl de teugel in de struiken was blijven zitten.

Toen, na Mohammed in den zadel geholpen en de beste stukken van het zwijn afgesneden te hebben met de handigheid van een jager, dacht de kapitein opeens om Dries.

Maar hoe hij ook uitkeek, deze was nergens te zien en de kapitein troostte zich met de gedachte: hij zal reeds in het kamp terug zijn! Hij nam dus den terugtocht aan, toen hij in het kamp aangekomen tot zijn schrik vernam, dat men Dries niet had gezien.

—Nog niet weerom? zeide de kapitein, waar duivel kan hij dan zitten? En hij verhaalde, hoe Dries het aangeschoten zwijn wasnagesneld. Welnu, zeide hij, Dries zal zich door zijn jachtlust hebben laten meeslepen en een weinig afgedwaald zijn. Ziedaar alles!

—Neen, antwoordde de luitenant, hij zal den weg naar het kamp niet kunnen vinden en mogelijk verdwaald zijn; wij moeten hem zoeken.

—Dat is mijn idee ook, zeide de kapitein, gaan wij in de richting die ik hem heb zien inslaan, dan kan Selam met de drijvers de legerplaats in groote kringen omtrekken; zoodoende zullen wij hem wel vinden.

Zoo gezegd zoo gedaan, en terwijl Aroesi met Rebecca en Mohammed achterbleven, gingen de luitenant en de kapitein op weg, en Selam met de drijvers trok om de legerplaats in altijd grooter kringen om den verlorene op te sporen.

Wat was er intusschen van Dries geworden? We zullen het zien.

Het zwijn, dat Dries nasnelde, hoewel door twee kogels getroffen, was evenwel nog vlug ter been, zoodat het hem weldra een heel eind vooruit was. Heuvel op en heuvel af ging de jacht; vervolgde en vervolger waren even onvermoeid. Nu en dan snelde het zwijn door een boschje, dat Dries dan genoodzaakt was om te trekken. Zoo had hij reeds meer dan een half uur in galop of draf doorgereden zonder nog iets op het zwijn te hebben gewonnen. Hij spoorde zijn paard gedurig aan en eindelijk bemerkte hij tot zijne voldoening, dat de loop van het zwijn minder snel werd. Op den top van een heuvel gekomen, zag hij het dier met onzekeren loop de helling afdraven.

—Ha, ha! riep hij, ge houdt het niet lang meer uit, oude jongen! Wacht maar, ik zal je spoedig den genadeslag geven! en hij snelde de helling af.

Opeens bleef het zwijn, toen het den heuvel afgehold en in een lagen weg, met kreupelhout begrensd, was aangekomen, stilstaan en terwijl het den snuit in de hoogte stak, snoof het onderzoekend de lucht op en trilde over alle leden.

—Wat duivel scheelt hem nu! riep Dries, die dat van verre aanzag. Maar op hetzelfde oogenblik bleef zijn paard insgelijks als aan den grond genageld staan.

—Kom, zeide Dries, kom, oude jongen, vooruit! en hij spoorde het aan.

Het paard verhief zich op de achterpooten, draaide in een halven cirkel rond en bleef toen staan, sidderende en snuivende.

—Wat donderscheelt je! riep Dries kwaad uit, wil je voortgaan of niet?

Weder steigerde het paard op zijne aansporing, toen deed het opeenseen vreeslijken sprong en Dries, daar niet op voorbereid, stortte op den grond. Krampachtig hield hij den teugel vast. Het paard snoof en blies en deed voor den op den grond liggenden ruiter een sprong achteruit, de teugel brak af en in wilden galop vloog het den heuvel op, dien het was afgekomen.

De vrij onzachte val op den rotsigen grond deed hem een oogenblik als verdoofd liggen, doch bemerkende dat er niets aan hem gewond of gebroken was, wilde hij opstaan, toen hij bemerkte, dat hem zulks onmogelijk was. Het linkerbeen deed hem zoo zeer, dat hij een schreeuw gaf van pijn.

—Dat is een mooie zaak, zei Dries, daar leg ik nu zonder op te kunnen staan en zonder paard. Had ik dat nog, dan kon ik mij misschien met wat moeite in den zadel hijschen, maar nu is 't een drommels leelijke positie waarin ik door dat leelijke zwijn ben gebracht.

Toen hij naar het zwijn omkeek, zag hij, dat het neergevallen was en lag te hijgen, en ondanks zijne benarde positie kwam de jachtlust weder bij hem boven.

—Jou zal ik ten minste je paspoort geven! mompelde Dries, en op handen en voeten naar het zwijn kruipende, stiet hij het zijn ponjaard in den hals.

Plotseling hoorde Dries in het langs den weg staande hout een gekraak van takken en bladeren, alsof iemand behoedzaam naderde. Hij kroop zoo snel hij kon terug naar de plaats waar hij zijne buks had laten liggen, en laadde die snel. Toen, zich met den rug tegen een paar rotsblokken plaatsende, wachtte hij af wat er zou gebeuren.

Een minuut of tien verliep in de grootste stilte; alleen verhief zich eene groote vlucht duiven en andere vogels onder groot gekrijsch en getjilp boven het hout.

—'t Is toch niet pluis, mompelde Dries, anders zouden die vogels niet zoo schreeuwend opvliegen. Zeker de een of andere schooier van een Arabier, die mij hier verraderlijk wil neerschieten.

Nauwlijks had hij dit gezegd of het kraken begon opnieuw, en thans dichter bij, en toen hij scherp uitkeek zag hij iets bewegen.

—Dacht ik 't niet, riep Dries, dat 't zoo'n schoeltje was; ik zie zijne bruine huid. Wacht vriend, ik zal je vóór zijn, en hij bracht de buks aan den schouder.

Toen, tegelijk met den knal van het schot, klonk een vreeslijke kreet, een schor gebrul uit het hout, dat hem de haren te berge deed rijzen, en hem onwillekeurig naar zijn ponjaard deed grijpen. Een verschriklijk gekraak volgde daarop en eer Dries wist wat er aan de hand was, werd het hout ter zijde gedrongen en onder een donderend gebrul wierp zich een groote luipaard op hem.

De worsteling, die nu volgde, was ontzettend. Dries op de knieën liggend met den rug tegen het rotsblok geleund, had gelukkig zijne tegenwoordigheid van geest behouden, maar toen hij het woedende monster op zich zag toespringen, achtte hij zich verloren. Eene grenzenlooze wanhoop maakte zich van hem meester, en juist dit was het wat hem de kracht gaf het dier te weerstaan. Als men den dood voor oogen ziet, vertiendubbelen de krachten. Dries, reeds verdrietig over den ongelukkigen afloop van zijne jacht, werd woedend. De luipaard sloeg zijne scherpe klauwen in zijne schouders, en blikte hem eene seconde lang met oogen als vuurballen aan. De wijdgeopende muil liet de vreeslijke kegelvormige puntige tanden en de roode tong, die hem uit zijn bek hing, zien. Dries voelde den heeten stinkenden adem van het ondier in zijn aangezicht, en uit afschuw bracht bij het hoofd achterover, toen de luipaard hem in het gelaat poogde te bijten. Met eene snelle beweging bukte hij zich tusschen de voorpooten van het dier, en toen het monster zijne scherpe tanden in zijn hals sloeg, stak Dries hem den langen ponjaard in de zijde.

De luipaard deed een ontzettenden sprong en stoof een paar passen achteruit. Ook Dries sprong op om zijn heil in de vlucht te zoeken. De doodsangst deed hem bijna geen pijn meer voelen, en hinkende was hij reeds een heel eind voortgesneld, toen het dier in een paar sprongen weder bij hem was. Dries liet zich weder op de knieën vallen en klemde den ponjaard in de hand, dat het bloed er voor stond. Een slag in het gelaat met den scherpen klauw deed hem omvertuimelen, en in het volgende oogenblik stortte de luipaard zich op hem.

Langer dan tien minuten rolden beiden over den grond. Dries steken toebrengend waar hij zijn vijand maar kon raken. De luipaard, die hem op den rug zat, had wederom de klauwen in de reeds gewonde schouders geslagen en beet hem in hoofd en hals. Dries voelde hoe de scherpe tanden over zijn schedel gleden en krasten. Bossen haar werden hem uitgetrokken en de arme jongen brulde even hard van pijn en woede als de luipaard.

Maar opeens zag Dries, dat zij al worstelende genaderd waren aan den rand van een steilen rotswand. Daar beneden, wel honderd voet diep, strekte zich een ravijn uit. Hij zag hoe zij onvermijdelijk daarin moesten storten, en in zijne wanhoop kreeg hij met eene snelle beweging de hand weder vrij en dreef het monster den ponjaard in den strot. Toen waren zijne krachten uitgeput, beiden rolden in snelle vaart naar beneden langs eene steile glooiing en hetscheen dat de dood over beiden de hand had uitgestrekt, want zij bleven onbeweeglijk liggen op een paar passen van elkaar.

Ongeveer een half uur was er verloopen, toen Dries weder bijkwam. Zijne flauwte was hoofdzaaklijk veroorzaakt door de geweldige krachtsinspanning, en hoewel hij vrij belangrijke wonden had ontvangen, wist hij zich dadelijk te herinneren wat er was gebeurd, en was na eenige oogenblikken in staat zich op te richten. Maar o wee! wat een pijn; alle leden deden hem zeer. Het was alsof hij overal gekneusd, alsof hij geradbraakt was. Daar bij hem lag zijn vijand bloedend uit verscheidene wonden. Hij was dood, daar was niet aan te twijfelen, de bek was wijd geopend en de tong hing er uit, terwijl eene groote bloedplas zich rondom den kop uitstrekte.

Het was een fraai dier. Op de bleekroodgele huid vertoonde zich donkerbruine vlekken door ringen omgeven. Vooral op de bovendeelen was de geelroode kleur bizonder schoon. De zeer lange staart was donkerbruin geringd en de onderdeelen van het dier waren vuilwit van kleur.

Zwijgend beschouwde Dries eenige oogenblikken zijnen vijand, toen werd zijne aandacht getrokken door een rauw gekrijsch en opziende, zag hij een wolk van raven, kraaien en eene kleine giersoort, die boven de kloof dwarrelden, elkaar als het ware toeroepende, dat hun daar beneden een goede maaltijd wachtte. Onwillekeurig rilde de brave jongen op de gedachte, dat, zoo hij gestorven ware, die vogels wellicht zich aan zijn lijk zouden vergast hebben.

—Dat gaat je neus voorbij! zeide hij flauw glimlachende. Maar ik moet zien hieruit te komen. Als men mij zoekt, waaraan ik niet twijfel, dan zou men mij voorbijloopen zonder mij te zien. Ik moet er dus uit, dat is zeker. Komaan, laten we beginnen. En de dappere knaap begon tegen de glooiing op te kruipen.

Was dat al een lastig en uitermate vermoeiend werk voor iemand die gezond en krachtig is, hoe veel te erger moest het dan niet zijn voor den armen Dries, gewond als hij was en aan alle leden gekneusd door den val. Bovendien brandde de zon met alle kracht in de kloof.

Niettegenstaande dit alles begon Dries zich naar boven te werken zich aan planten en struiken ophijschende, en nu en dan eens rustende. Na verloop van een kwartier was hij nog niet verder dan een vierde gedeelte van zijn weg gevorderd. Het angstzweet brak hem uit, en hij beefde over alle leden. Een onuitstaanbare dorst kwelde hem bovendien, maar hoe aan water te komen? Twee malenpoogde hij verder te komen, doch het ging niet. Daar boven hem was een spleet. Na veel moeite gelukte het hem de hand er in te krijgen en weder was hij een eindje hooger, toen hij opeens voelde dat zijne hand vochtig was. Met de uiterste krachtsinspanning heesch hij zich zoover op, dat hij met het hoofd op gelijke hoogte van de spleet was. Hij vond een steunpunt voor zijne voeten en o vreugde! toen hij in de spleet keek, zag hij water.

Een kreet van vreugde ontsnapte hem. De spleet was ongeveer een meter lang en een voet diep. De regen had deze gevuld, en daar er een weinig hooger een paar struiken groeiden, had de zon het weinige water nog niet kunnen verdampen. Met de hand het water scheppend leschte Dries zijn brandenden dorst en verkoelde er zijn vreeslijk gewonde hoofd en hals mede. Hijvoeldehet bloed langs zijn nek vloeien, en toen hij naar de oorzaak zocht, bemerkte hij tot zijnen schrik, dat zijn oor was afgescheurd. Het koele water frischte hem terdege op, en na zijn zakdoek goed nat gemaakt te hebben, bond hij zich dien om het hoofd en begon nu weder omhoog te klimmen. Toen ging het aanmerklijk beter en na eene moeilijke klimpartij gedurende bijna een kwartier, was hij boven.

Daar bleef hij eerst een poosje rusten. Het zwaarste werk was achter den rug en hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat men hem zou opsporen.

Opeens hoorde hij een schot vallen.

—Ha! zeide Dries, men zoekt mij.

Toen herinnerde hij zich zijn geweer, en hij sleepte zich voort naar de plaats waar de luipaard hem had aangevallen. Toen hij geschoten had, klonk dadelijk een schot tot antwoord en snel schoot hij weder zijne buks af. Op hoe langer hoe korter afstand werden de schoten gehoord, en daar aan het eind van den hollen weg, zag hij op den heuveltop den luitenant en den kapitein verschijnen, die zijn paard medevoerden.

Toen de luitenant en de kapitein hem gewaar werden, spoorden zij hunne paarden aan en waren in een oogenblik bij hem.

—Mijn God! riep de luitenant, wat is er gebeurd?

—O, zeide Dries, niets dan een klein vechtpartijtje met een tijger.

—God in den hemel, mijn arme vriend, wat ziet ge er uit! riep de kapitein verschrikt.

—Dus ge hebt met een tijger gevochten? vroegen beiden.

—Zie maar, zeide Dries, ginder in die kloof.

—Een luipaard! riep de kapitein verbaasd. En geen kleintje ook. Hebt ge met dat monster gevochten?Parbleu, ge zijt dapper!

—Als men den dood voor oogen ziet, is men altijd dapper, zeide Dries. Maar het is hem leelijk opgebroken, dien sinjeur. Hij heeft zijn bekomst gekregen.

—Kom, zeide de luitenant, laten we voortmaken. Zoudt ge te paard kunnen zitten, arme jongen?

—Als ge mij goed in den zadel zet, zal het nog wel gaan, antwoordde Dries.

Met vereende krachten tilde men hem in den zadel, en hem tusschen zich nemende sloeg men stapvoets den weg naar de legerplaats in.

Daar verwekte de aankomst van Dries geen geringe ontsteltenis en niet minder verbaasd was men, toen deze zijn avontuur verhaalde; en toen Selam en Mohammed des avonds den dooden luipaard waren gaan halen, en men het groote, prachtige dier daar uitgestrekt zag liggen, begreep men eerst recht, welk een zwaren kamp de arme jongen moest hebben gestreden.

—Gij hebt hem terdege geraakt ook, zeide de luitenant, toen men het fraaie vel had afgestroopt; zie eens de huid is vol gaten.

—Met dat al hebt ge eene schoone tropee veroverd, zeide de kapitein lachend, dat is een buitenkansje waarop wij geen van allen kunnen roemen.

—'t Zal eene herinnering zijn aan mijne reis door Marokko, die mij het langst zal heugen, zeide Dries.


Back to IndexNext