I. Een vriendendienst.

I. Een vriendendienst.Alvorens we ons verhaal aanvangen, is het misschien niet ondienstig nog even een blik te slaan op de kaart van Nederlandsch-Indië.We zien, hoe die eilandensnoeren zich slingeren om de linie. Merkt ge wel op, dat Borneo eigenlijk aller middelpunt is? hoe het bijna van alle kanten omvlochten wordt door eilandengordels?En toch, al schijnt het door ligging en grootte (22 × Nederland!) het natuurlijk middelpunt, de kern van onze Oost, het is langen tijd het minst bekende, het minst betreden gebied van deze wondere wereld geweest. En nóg valt de sluier der geheimzinnigheid over duistere oerwouden en ongerepte wildernissen.Tal van streken waren er vroeger in de binnenlanden, waar het slechts een enkele maal een Europeaan vergund was, een blik te slaan op de sprookjesachtige schoonheid van de oernatuur; en in de diepste diepten van het tropische woud en in de donkerste spelonken van Borneo’s bergstelsel heeft nog steeds nimmer een blanke den voet gezet.Juist die raadselachtige geheimenissen van Borneo’snatuur zijn de oorzaak, dat meermalen wetenschappelijke expedities van de zeekust uit getracht hebben de stroomen op te roeien, de bergen over te trekken, diep in de wouden te boren.Koene en ondernemende mannen hebben moeilijkheden van allerlei aard getrotseerd, om telkens een slipje te kunnen oplichten van dien geheimzinnigen sluier, die daar het wondere leven der tropische natuur verbergt; die óók verholen houdt de schatten van edele metalen en diamanten, welke er gedurende ongetelde eeuwen rusten in den schoot der aarde.Hindernissen van allerlei aard! De natuur zelf schijnt gierig te zijn op haar schatten; onberekenbaar is zij, waar zij plotseling onverwachte versperringen opwerpt, die het voortgaan beletten. Haar wachters zijn de wilde dieren, die den reiziger bedreigen, en dikwijls ook de vijandelijke en bloeddorstige inboorlingen.En toch kan niets de mannen der wetenschap bewegen hun tochten te staken.En wat is nu het practische gevolg? Wordt al die energie vruchteloos verspild?Het antwoord wordt ons gegeven door een reeks zeer belangwekkende wetenschappelijke geschriften, en verder door de musea der Europeesche groote steden, waar schatten van natuur- en gebruiksvoorwerpen den Westerling verbaasd doen staan en hem een flauw begrip geven van deze onbekende wereld.Niet alle reizigers echter trachten met wetenschappelijke bedoelingen in de binnenlanden van Borneo door te dringen. Er zijn er ook, die uitsluitend aangetrokken worden door het avontuurlijk leven in dewildernis; nog anderen gaan uit, om, alleen vergezeld van een enkel vertrouwd inboorling, te zoeken naar goud en diamanten, ten einde later in een meer beschaafde wereld, een rustig en gemakkelijk leven te kunnen leiden.Het spreekt wel van zelf, dat de grootere plaatsen van Borneo bijna alle langs de kusten liggen. Zoo ook Pontianak.Pontianak ligt op de Westkust, vlak onder den evenaar aan een der monden van de Kapoeas.Na deze korte inleiding beginnen we ons verhaal.Op de achtergalerij van een kleine Europeesche woning te Pontianak lag op zekeren avond in 188* een zieke in een gemakkelijken ruststoel en genoot van de avondkoelte, die aanwoei van over de zee.De dag was als altijd heet geweest en zelfs voor gezonde menschen afmattend. Loodrecht had de zon haar stralen neer laten branden; gloeiend was zelfs de atmosfeer in de schaduw geweest; loodrecht was eindelijk de zon neergezonken; slechts enkele minuten had de schemering geduurd en nu, met den plotseling vallenden avond, brachten koele luchtstroomen wat verkwikking. De lang verbeide avondkoelte was een weldaad voor den zieke.Gewoonlijk zat hij daar alleen.Thans echter had hij gezelschap. Een oude makker, dien hij in lang niet gezien had, zat naast hem.Voor Jan Verveer was het een groote vreugde, dat zijn vroegere wapenbroeder, Kees Smit, hem eindelijk weer eens had opgezocht.Jan Verveer en Kees Smit; twee echte Hollandsche namen van twee echte Hollandsche jongens.Beiden hadden ze in hoofdzaak denzelfden levensloop gehad. De lust tot zwerven was hun aangeboren. Reeds als kleine jongens brachten ze hun moeders in angst, als ze doelloos buiten het dorp rondzwierven en zich in uren niet lieten zien. Toen ze naar school gingen, werd het niet beter. In letters en sommen vonden ze niet veel behagen. Een leerplichtwet was er niet. Hun vaders schenen het te druk te hebben, om de gangen van de bengels na te gaan. Voor dezen waren bosschen en velden, duinen en heiden veel belangrijker dan de eerste beginselen der wetenschappen, welke meester op ’t zwarte bord ontwikkelde. Vrijwel ongestoord oefenden zij zich nu in het spijbelen, stukjes draaien, haagje loopen, of hoe de genialiteit van den Hollandschen straatjongen verder het moedwillig verzuimen van de school heeft betiteld. Toen ze voorgoed de schoolbanken verlaten hadden, wilde het met een ambacht al evenmin vlotten als met de sommen en taaloefeningen. Bij geen enkelen baas konden ze ’t uithouden; geen enkel vak vermocht de avontuurlijke jongens te boeien.Ze moesten en zouden de wijde wereld in! Liefst naar Indië! Van dat wonderland hadden ze fantastische verhalen opgevangen.Aangezien ze echter op school zoo bitter weinig geleerd hadden en hun vaders de middelen ontbraken, om de jongens hun schade nog te doen inhalen, was er weinig kans op het verkrijgen van een goed bezoldigde positie. Ook in Indië brengt niemandhet ver, die niet een behoorlijke dosis kennis heeft vergaderd.Er was echter één uitkomst, die wonderwel strookte met hun avontuurlijken aard. Ze lieten zich te Harderwijk aanwerven als koloniaal, en vertrokken toen weldra naar hun land van belofte, waar ze het vaderland eenige jaren trouw dienden.Na volbrachten diensttijd namen ze pensioen. Ze bleven in hun tweede vaderland en konden, nu ze geheel meester van hun tijd waren, een leven gaan leiden, dat met hun wenschen en droomen overeenkwam.Ze bleven niet samen, net zoo min als ze als soldaat altijd samen waren geweest.Ieder ontwierp zijn eigen plannen en volgde zijn eigen weg. Kruisten die wegen elkaar af en toe, des te beter. Dan was er gelegenheid, elkaar te onderhouden met het verhaal van hun lotgevallen en elkaar op te wekken tot nieuwe tochten en avonturen.Kees Smit was al spoedig na het verlaten van den dienst in kennis gekomen met een Duitscher, die een zeer belangrijke opdracht had voor een groot museum te Berlijn. Hij moest namelijk allerlei voorwerpen, die hij de moeite waard achtte, verzamelen en verzenden naar Europa.Het volvoeren van een dergelijke opdracht was volstrekt niet ieders werk.Merkwaardige steensoorten moesten worden gezocht en gerangschikt; allerlei gebruiksvoorwerpen van de inlanders moesten worden verzameld met nauwkeurige beschrijving van bedoeling en gebruik. Nog verder echter strekte zijn taak. Vreemde planten moestenworden gedroogd, huiden toebereid, skeletten geprepareerd, in ’t kort, alles moest zoo worden behandeld, dat het niet meer aan bederf onderhevig was.Dit vereischte natuurlijk kennis van allerlei aard, en al had Kees nu heel weinig schoolkennis opgedaan, hij had een vlug en bevattelijk verstand en was na eenige maanden even goed op de hoogte als zijn Duitsche metgezel.Weken, maanden lang zwierven ze soms door de wildernissen, steeds vergezeld van één of meer inlanders, die hun instrumenten en veroverde schatten moesten dragen en hen verder bedienden.Het samen trotseeren van allerlei moeilijkheden en gevaren had een hechte vriendschap doen ontstaan.Des te zwaarder slag was het voor Kees Smit, toen zijn trouwe reismakker in het binnenland, ver van de beschaafde wereld, door een van die verraderlijke tropische ziekten werd aangetast en plotseling overleed.Kees meende de nagedachtenis van zijn vriend niet beter te kunnen eeren, dan door diens taak trouwhartig voort te zetten. Het museum bestendigde hem gaarne in de opdracht, welke hij zich zelf had opgelegd. En nu was hij besloten, dit werk nog eenige jaren voort te zetten. Hij verdiende er goed geld mee, veel meer dan hij voor zich zelf noodig had.En later—wanneer hij genoeg naar zijn zin zou hebben opgespaard—dan wilde hij terug naar Holland, terug naar het kleine vriendelijke dorpje zijner jeugd, om daar in vredige rust zijn laatste levensjaren te slijten.Toen Jan Verveer zijn paspoort gekregen had, sloothij zich aan bij een wetenschappelijke expeditie, en door zijn betrekkelijk groote, voor een deel intuïtieve, terreinkennis had men gaarne en lang gebruik gemaakt van zijn diensten. Vervolgens was hij nog eens meegeweest met een gezelschap Engelsche jagers, die zijn speurzin en onverschrokkenheid evenzeer waardeerden. En eindelijk was hij op eigen gelegenheid gaan zwerven—als diamantzoeker.Het onrustig en avontuurlijk leven had echter zijn krachtig gestel ondermijnd en nu vinden we hem daar te Pontianak, uitgeput en doodziek.Hemwas de illusie ontnomen, dat hij nog eens Hollands blanke duinen zou zien opdoemen uit de goudbestarrelde wateren der Noordzee, dat hij in het stille dorpje zijner geboorte uit zou rusten van zijn vermoeiend leven.Rustenzou hij—maar onder de palmen van Insulinde.Kees Smit, die evenals hij, na zijn reizen eenigen tijd te Pontianak vertoefde, vernam toevallig dat zijn oude vriend zich daar eveneens bevond en dat hij door een ernstige ziekte was aangetast.Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken. En hij zag dadelijk, dat men hem helaas de waarheid voorspeld had; het zou de laatste maal zijn, dat hunne wegen zich kruisten.Met zwakke stem begon de zieke te spreken en hij gaf zijn vriend nog eens den ouden vertrouwelijken bijnaam uit hun diensttijd:»Lange, je ziet het wel; het loopt met mij af. Ik zal de Negeri-koud1niet meer terugzien.—Zit noumaar niet zoo sip te kijken. Er is voor mij geen kruid gewassen. En och, ik ben al aan het idee gewend. Maar ik ben heel blij, dat ik je nog één keer ontmoeten mag. Ik heb je nog iets heel belangrijks te zeggen. Je bent de vriend van mijn jongensjaren geweest en ook mijn eenige beste vriend in dit vreemde land. Ten slotte ben jij de eenige, die gedurende mijn ziekte naar me omkijkt. Nu wil ik jou nog een dienst bewijzen.”Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken.Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken.Kees vond geen woorden en zat den zieke eenigen tijd met diep medelijden aan te kijken.Deze vervolgde: »Weet je de Soengei Tekoeng?”Kees zuchtte.»Dat hangt er van af, welke je bedoelt,” zei hij. »Er zijn meer rivieren van dien naam in het binnenland.”»Ik bedoel de zijrivier van de Soengei Sibaoe—weet je diè?”»Ja,” zei Kees. »Ik weet ten minste, dat er Sibaoe-dajaks bestaan. Dat moeten geduchte koppensnellers zijn. Ik ben echter nooit in die streken geweest. Maar wat is er met die Soengei Tekoeng?”»Nou, Lange, je moet dan weten, dat ik eens in het land der Sibaoe-dajaks geweest ben—die tusschen twee haakjes gemeene moordenaars zijn—. Ik heb daar in ’t gebergte in die kleine riviertjes heel wat diamanten gevonden. Maar toen ik er mee naar hier wilde gaan, bemerkte ik, dat die kerels me zeer vijandig werden, omdat ik die steentjes uit hun land haalde. Dat brengt hun ongeluk aan, zeggen ze. Ik heb toen het zakje met de steentjes verstopt en ben heimelijk gevlucht. Het was mijn plan, ze later eens te gaan halen, maar er is nooit iets van gekomen.... en nu komt er heelemaal niets meer van.” De zieke rustte even. »Nu zal ik je zeggen, waar ik ze verborgen heb. Er zijn meer dan genoeg, om jou in Holland een goed leventje te bezorgen.”»Dat is mooi van je bedacht,” zei Kees. »Maar je familie?”»Och, familie heb ik niet meer en joù gun ik ze het meest.”»Welnu, laat dan eens hooren. Maar—kan niemand ons beluisteren? Daar net liep ik je jongen2tegen ’t lijf. Wil ik eens even rondzien, of....”Kees had zachtjes gesproken en keek behoedzaam buiten de galerij.Doch de zieke maakte een geruststellende bewegingmet de hand. »Mijn jongen, een Maleier, een handige en vertrouwde kerel, is uit en komt vooreerst niet terug. Hij gaat inkoopen doen op den passer.3En dan, juist omdat jij er bent, heb ik hem een paar uren vrij gegeven. Je hebt immers den tijd? Hij heeft me goed opgepast, en heel weinig vrij gehad de laatste weken. Bovendien, ik moèst hem wel wegsturen, want mijn geheim moet veilig zijn....”Nog even, argwanend, spiedde Kees in de duisternis. Doch er was niets, dat ongerustheid kon wekken.De zieke begon, terwijl Kees Smit voor alle zekerheid eenige namen in zijn zakboekje aanteekende:»Je moet de Soengei Tekoeng opvaren, tot je bij een groote riam4komt. Dan zie je op den rechteroever een hoogen tengkawangboom5staan. In dien boom heb ik een merk gekapt en onder de wortels, in een kleine holte, het zakje verstopt.”»Mooi,” zei Kees. »Maar hoe kom ik het best bij die Tekoeng?”»Je moet niet door het land der Sibaoe-dajaks gaan. Afgezien van hun moordlust zijn er nog andere bezwaren. De Sibaoe-rivier stroomt door een streek met uitgestrekte moerassen, waaruit gevaarlijke dampen opstijgen. Het is daar zeer ongezond. Bovendien is er een waterval, die je het voortgaan gewóónlijk onmogelijk maakt....Je moet door het land der Kenjaoe-dajaks. Je vaart eerst de Kapoeas op, vervolgens de Embalouw-rivier en daarna de Kenjaoe. Een bezwaar is, dat je danover het Lawitgebergte moet trekken. Maar die weg lijkt me veel veiliger. En dan moet je probeeren, een paar Kenjaoe-dajaks mee te krijgen; die zijn goed te vertrouwen.Ben je op die manier eenmaal in het land der Sibaoe-dajaks gekomen, dan moet je niet denken, dat je de diamanten ineens maar hebt. Het gevaarlijkste komt dan nog. Ik waarschuw je nog eens: die Sibaoe-dajaks zijn buitengewoon moordzuchtig en bovendien willen ze nu eenmaal niet, dat je in hun land diamanten zoekt. Zorg dus, dat je je oogmerk zoo angstvallig mogelijk verborgen houdt.”Deze lange uiteenzetting had den zieke ten zeerste afgemat. Uitgeput zonk hij achterover in zijn ligstoel en sloot geruimen tijd de oogen.Kees Smit bleef stil zitten. Allerlei gedachten doorkruisten zijn brein, terwijl hij het ingevallen gelaat van zijn vriend gadesloeg. Het was duidelijk voor hem, dat diens levensuurwerk snel afliep. En het smartte hem diep, dat hij den makker zijner jeugd moest missen, hier, in dit vreemde land, dat hij lief had gekregen—niet zoo lief echter als zijn eigen dierbare geboortegrond hem was.En dan—die eigenaardige uiterste wilsbeschikking! De moordzucht der Dajaks! al die gevaren! Zijn gezicht stond steeds bedenkelijker. Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, als om orde in zijn gedachten te brengen. In ieder geval zou hij de zaak rijpelijk overwegen, alvorens een bepaald besluit te nemen.Terwijl Verveer even sluimerde en Smit in gedachtenverdiept zat, rees in de duistere binnengalerij onhoorbaar een man op uit zijn gehurkte houding en sloop met schitterende oogen en een zelfvoldanen glimlach naar buiten. Het was Amat, de bediende van Verveer, die nu pas zijn boodschappen ging doen. Zijn meester had hem zóó nadrukkelijk weg willen hebben en zóó herhaaldelijk over het onverwachte bezoek gepraat, dat de sluwe Amat achterdochtig was geworden. Hij móest en hij zóu weten, wat die twee te verhandelen hadden.Thans wist hij het ....Blijde stapte hij voort naar de toko’s.6En hij maakte alvast plannen. Allereerst zou hij zich zooveel mogelijk aan de oogen van den bezoeker onttrekken. Deze moest hem later liefst niet herkennen. En dan zou hij dien Toean7Smit in de gaten houden—Amat wou óók wel graag rijk zijn—.Smit bleef Verveer den ganschen avond gezelschap houden. Af en toe sluimerde de zieke en had dan weer eenige krachten verzameld, om zich nog eens te verdiepen in de oude herinneringen. Er lag in hun samenzijn iets van den weemoed, waarmee de ondergaande zon haar laatste stralen werpt over een herfstlandschap. Een zachte goudgloed werpt ze over de stervende natuur en baadt alles in een geheimzinnigen luister, die het leven met den dood verzoent. Zoo gaf het vriendelijk schijnsel der herinneringen het samenzijn dezer twee menschen een ernstige wijding.Heel laat in den avond kwam de bediende thuis en de mannen hoorden hem door debinnengalerijloopen.»Daar is Amat,” zei Verveer.»Dan zal ik maar eens opstappen,” besloot Kees.»’t Is al laat. Goeden avond, en het beste—en dank je wel ....”De mannen wisselden een blik van verstandhouding. Toen ging Kees Smit zijn logies opzoeken.Nog slechts eenmaal kon hij Verveer bezoeken. Van een geregeld gesprek was nu geen sprake meer. De dood waarde in de galerij, waar ze voor de laatste maal bijeen zaten.In den daarop volgenden nacht overleed Verveer.Kees bleef nog in Pontianak tot na de begrafenis. Toen keerde hij weer terug naar zijn huiden en skeletten. Hij had groote bestellingen en er zouden vele maanden gemoeid zijn met het uitvoeren daarvan. Er was dus geen denken aan, dat hij onmiddellijk den tocht naar de Sibaoe’s zou kunnen aanvaarden. Te meer, daar hij voor dien tocht veel geld zou moeten uitgeven en daarom nù geen winstgevende zaak mocht laten loopen.Het verhaal van Verveer wilde hem echter niet met rust laten. Onophoudelijk spookten hem allerlei overleggingen door het hoofd. In het eerst meende hij niets te zien dan bezwaren. Langzamerhand begon hij deze lichter te tellen. En hoe meer de tijd naderde, dat hij zijn bestellingen moest afleveren, des te vaster werd zijn voornemen, des te omlijnder werden zijn plannen. Hij was gewend met moeilijkheden te worstelen, allerlei hindernissen der wildernis te trotseeren. Dit nieuwe avontuur had ongemeene bekoring voor hemen eindelijk stond het vast: hij zou al zijn krachten inspannen om de kostbare edelgesteenten te bemachtigen.Toen zijn bestellingen in orde waren, ontsloeg hij al zijn bedienden, behalve één, n.l. Marti. Marti had al zeer vele tochten met hem meegedaan; Marti was in de rustpoozen zijn huisbediende geweest; Marti, een Dajak, die tot den islam bekeerd was, had hij langzamerhand ten volle leeren vertrouwen.En hij vroeg hem:»Marti, heb je lust, om zoo maarineensrijk te worden?”Deze keek zijn meester verwonderd aan. Hoe kon Toean dàt nog vragen? Natuurlijk zou hij graag ineens rijk zijn—dan kon hij in de kampong, waar hij geboren was, een eigen huisje koopen....»Nu dan—dan neem ik je mee ver in de Oeloe.8Daar gaan we diamanten zoeken. Maar spreek er met niemand over, Marti!En als de onderneming lukt, zal ik je zooveel geld geven, dat je een eigen huisje kunt koopen....”»Ver in de Oeloe, heer?” vroeg Marti verschrikt. »Bij de koppensnellers?”»Juist,” beaamde Kees. »Maar jij en ik kunnen toch de koppensnellers wel aan? Wat beginnen ze tegen mijn nieuwe revolver, die zesmaal achtereen kan schieten? En je weet, Marti, elk schot is raak!”Marti liet zich echter zoo gauw niet overreden. En de Toean moest al zijn welsprekendheid te hulp roepen,eer zijn bediende hem beloofde, hem te zullen bijstaan. En zelfs na dit besluit bleef Marti van gevoelen, dat ze ongetwijfeld meer gevaren dan diamanten zouden vinden.En als Kees heel geestdriftig sprak over de snel te verwerven schatten, dan zweeg de trouwe Maleier of hij antwoordde met enkele voorzichtige, bijna ontnuchterende woorden.Te Pontianak maakte Kees de eerste toebereidselen voor de reis. Ze zouden de Kapoeas opvaren tot Sintang en van daar met de bidar9van eenen of anderen Chineeschen handelaar tot aan de Embalouw-rivier. Dan zouden ze verder gaan per djaloer, een kleine boot uit een boomstam gemaakt, die veel overeenkomst heeft met de bekende kano.En dan?1Holland.2bediende.3markt, winkelbuurt.4stroomversnelling.5De vruchten van de tengkawangboom leveren een kostbaar vet op.6winkels.7meneer.8binnenlanden.9groot roeivaartuig.II. Op weg!Over de Kenjaoe-rivier voer een djaloer, die stroom opwaarts geroeid werd door een stoeren Maleier.De stuurman van het ranke vaartuigje was een blanke. Deze was gekleed in een blauw katoenen pak; zijn beenen waren omwikkeld met beenwindsels, teneinde ze te behoeden tegen den beet van insecten; op zijn hoofd droeg hij een breedgeranden, slappen stroohoed.De Maleier droeg op het naakte lijf slechts een vuilwitte pantalon; een zwart fluweelen mutsje, zooals de Maleiers gewoonlijk dragen, dekte zijn hoofd.Diep zakte het ranke vaartuigje in het water weg, slechts enkele centimeters bleven de boorden boven de oppervlakte. Het was dan ook zwaar geladen. De beide mannen hadden nogal veel bagage bij zich. Men zag enkele petroleumblikken, die thans den dienst van reistasschen vervulden, een zwaar jachtgeweer en ten slotte een paar groote Dajaksche kapmessen of »parangs”, die de reizigers een weg door het oerwoud moesten helpen banen.Op de Kenjaoe-rivier voer een djaloer.Op de Kenjaoe-rivier voer een djaloer.Moeizaam pagaaide de Maleier met een dajong1het ranke vaartuigje tegen den stroom op, terwijl de Europeaan, achterin gezeten, bij de talrijke en vaak zeer scherpe bochten van de rivier de djaloer behendig om de hoeken stuurde.Waar het vaarwater een eind rechtuit liep, hielp hij een handje met roeien en dan schoot het lichte dingineensveel sneller voort.Een echte Borneosche boschrivier, die Kenjaoe.Het water was donkerbruin, bijna zwart. Tal van takken en massa’s bladeren, die van de overhangende boomkruinen waren neergestort, werden door den stroom meegevoerd.Zwijgend gleden ze voort over het donkere water.Geen menschelijk wezen was overigens te bespeuren. Verlaten lag daar de stroom; verlaten schenen de wildernissen langs den oever. Slechts nu en dan hoorde men door de stilte de geluiden van een paar vogels en het geschreeuw van een paar apen. Dan heerschte weer het geheimzinnig zwijgen van de ongerepte oernatuur.Met veel moeite en overleg stuurde Kees Smit de djaloer weer een hoek om. Weer lag een recht gedeelte van de rivier voor hem. Hij behoefde nu eenige oogenblikken niet zoo angstvallig op te letten en om de drukkende stilte te verbreken, zei hij:»Er zijn heel wat bochten, Marti, en de stroom is sterk.”»Ja, Toean,” antwoordde Marti. »De rivier is moeilijk te bevaren voor twee man. En het zal nog wel erger worden, als we de riams bereiken en er groote steenen in het vaarwater beginnen te komen.”»Bovendien zie ik, dat de oevers hooger worden. We naderen het gebergte, Marti. Dan wordt de rivier smaller en de stroom sterker. We hebben tot nu toe weinig last gehad van boomstammen, maar die kunnen ons ook nog genoeg plagen.”»Ja, heer,” antwoordde Marti en zweeg toen weer. Spraakzaam was hij nooit, en nu had hij al zijn aandacht noodig voor een nieuwe bocht in de rivier.Ook Smit zweeg, om den dajong krachtiger te kunnen hanteeren.Een vol uur ging voorbij in moeizamen arbeid. Toen hervatte Kees:»Zou het nog lang duren, voor we aan land moeten gaan? Dat kan dunkt me niet, want de oevers worden steeds hooger. En zoodra het terrein beslist bergachtig wordt, moeten we de djaloer aan den kant vastleggen en gaan loopen.”Marti had in dienst van jagers en onderzoekers en later van Smit, reeds vele boschrivieren bevaren. Hij kende de beteekenis van elk verschijnsel aan den oever of op het water. En toen hij, na de laatste opmerking van Kees, nog eens nauwkeurig had rondgespied, antwoordde hij:»Ik reken hoogstens nog op twee dagen, heer. Dan zullen we wel ongeveer de aanlegplaatsen der Kenjaoe-dajaks bereikt hebben. Daar kunnen we het best aan land gaan. Ik heb gehoord, dat ze nog al veel dorpen hebben. Daar zullen we dan ook wel voetpaden vinden.”»Ja, die zijn er zonder twijfel, Marti, daar kunnen we vast op rekenen. Konden we er maar even zeker op aan, dat er ook een goed pad over het gebergte voert. Maar ik vrees, dat juist het gebergte ons de meeste hindernissen zal bezorgen.”»Dat vrees ik ook, Toean,” sprak Marti.»Doch moeilijkheden zijn er om te overwinnen, en dàn, Marti, dan zijn we rijk!” riep Kees vroolijk.»Misschien heer!” antwoordde de bedachtzame Marti. Weer roeiden ze zwijgend voort, tot Marti riep: »Een boomstam!”Midden over de rivier lag een zware boom, die den weg geheel versperde. Haastig legden ze hun bootje langs den stam aan. Beiden keken uit, of er ook een doorgang was, doch ze konden niets bespeuren.»We moeten er uit!” riep Kees.»Ja, heer,” antwoordde Marti en stapte voorzichtig uit de djaloer op den boomstam. Kees volgde en nu schoven ze met vereende krachten het vaartuigje over de hindernis.Weldra zaten ze weer in het bootje en roeiden onverdroten verder.»Het zal een heele toer zijn, met dezen lagen waterstand de rivier op te komen. We kunnen bovendien nog veel last van zulke boomen krijgen, vóór we aan land kunnen gaan,” zei Kees»En van groote steenen ook,” voegde Marti eraan toe.Maar Kees was de moeilijkheden al gauw weer vergeten en verdiepte zich weer in zijngeliefkoosdedroomen over de te vinden diamanten en bouwde zich luchtkasteelen van ongekende schoonheid.Zijn mooie droomen hielden hem zoozeer gevangen, dat hij de werkelijkheid om zich heen vergat; hij bemerkte niet eens, dat de zon reeds sterk begon te dalen, dat de duisternis begon te heerschen in het dichte oerwoud. Plotseling werd hij opgeschrikt door de stem van Marti:»Het wordt avond, heer. Zouden we niet beter doen, hier aan te leggen, om te overnachten? De oever ishier hoog en biedt een geschikte aanlegplaats. We moeten toch nog koken ook.”Kees zag eens rond en terwijl hij de djaloer naar den wal stuurde, antwoordde hij:»Ja, het is hier wel goed; laat ons hier van nacht maar blijven.”Beiden gingen nu aan land en Marti maakte met een dunne rottan het bootje aan een overhangenden tak vast, doch zóó, dat de djaloer gelegenheid had, met het water te rijzen of te dalen, zonder te worden omvergetrokken.Kees haalde de trommels op den wal en keek zijn geweer eens na; Marti lei vuur aan en ging in een pannetje rijst koken. Terwijl hun maaltijd te vuur stond, kapten zij twijgjes en bladeren, die voor legerstede moesten dienen. Boven het hoofdeinde maakten ze van grootere takken een afdakje. Kees verkende nu nog even de naaste omgeving, doch nergens was eenig spoor van menschelijk leven te bespeuren.Toen de beide mannen gegeten hadden, legden ze zich neer om te gaan slapen. In het bosch heerschte nu een ondoordringbare duisternis. Alleen over de rivier hing de lichte schijn van de stralende sterrenwereld, welke hoog, hoog boven deze sombere wildernis haar majestueuze schoonheid ontvouwde.Langen tijd bleef Kees nog wakker liggen. Hij luisterde naar de geluiden, die uit de wildernis tot hem kwamen. Hij was het leven in de bosschen nu al zoovele jaren gewend en ontelbare keeren had hij, zooals thans, in het woud moeten overnachten. Nimmer echter had hij er volkomen aan kunnen gewennen.Elke nacht gaf hem weer die vreemde, beknellende gewaarwording. Dat concert van die duizenden insecten; dat gekrijsch van de apen; dat eigenaardig schuivende geluid van die voorbijstroomende rivier; hij had deze stemmen van den tropischen nacht reeds zoo dikwijls beluisterd. En toch wekten ze steeds weer in zijn gemoed die vage angst, dat heimwee naar den lichtenden dag.Daar ritselde het achter hem in het bosch!.... »Dajaks!” vloog hem door ’t hoofd. Maar neen, dat was toch zoo goed als onmogelijk. »Dan een slang!” Een huivering liep hem door de leden.... Een oogenblik lag hij doodstil. Hij hield den adem in, de hand uitgestrekt naar de naast hem liggende parang. Hij hoorde echter niets verdachts meer. Toen richtte hij zich op en trachtte om zich heen te zien. Op eenigen afstand schemerde een groenige lichtglans; maar dat was niets, want deze werd veroorzaakt door zwammen op een boomstam. Dat wist hij. Gerustgesteld strekte hij zich weer uit op zijn eenvoudig bed en viel ten slotte door vermoeidheid overmand in slaap.Nauwelijks was het den volgenden morgen licht geworden, of Marti ontwaakte en begon vuur te maken om rijst te kunnen koken. Weldra werd ook Kees wakker. Hij begaf zich naar de rivier om zich te wasschen en eens naar de djaloer te zien. Deze was er nog. Alleen bleek het water nog meer gezakt te zijn, zoodat de tocht dien dag nog grooter moeilijkheden zou opleveren.Weldra was hun maaltijd gereed. Ze verzadigden zich en brachten de rest in de djaloer voor onderweg.Korten tijd later roeiden ze weer met moed tegen den stroom van de Kenjaoe-rivier op.De oevers werden steeds heuvelachtiger. Groote steenen op den bodem der rivier staken hier en daar boven het watervlak uit. Steeds sterker werd de stroom. De grootste moeite hadden de beide mannen, vooral in de bochten, om de kleine boot te vrijwaren voor een botsing tegen de steil afgeschuurde steenwanden van den oever.Ofschoon het werk daardoor veel zwaarder werd, betreurden ze dit verschijnsel niet. Zij wisten, dat ze nu het hoogland naderden. Alleen in het hoogland heeft de rivier hooge, rotsige, steil afgeschuurde oevers.Tegen den middag bereikten ze de eerste stroomversnelling, gevormd door een laag steenen, welke dwars over de rivier lag. Met veel moeite gelukte het hun, de djaloer er over heen te krijgen.Eenigen tijd later legden ze op een geschikte plaats aan, om er te rusten en te eten.Toen ze gegeten hadden, stak Kees een pijp op en Marti rolde een strootje2. De laatste vroeg:»Weet u precies den weg naar het land der Sibaoe-dajaks of moet u dien nog vernemen?”»Eigenlijk weet ik het nog niet. Ik hoop bij de Kenjaoe’s gidsen en dragers te kunnen huren, die ons door ’t gebergte zullen brengen.”»Is dat de eenige weg?” vroeg Marti verder.»Neen, er is ook nog een weg langs de SoengeiSibaoe, maar die is mij ontraden. Die rivier loopt door uitgestrekte moerassen, waar het zeer ongezond is. Onze eerste zorg moet nu zijn, bij die Sibaoe-dajaks te komen; van hen hooren we dan misschien wel iets over een anderen terugweg.”»Die Sibaoe’s zijn beruchte koppensnellers,” zei Marti droogjes, »misschien komen we wel in ’t geheel niet terug.”»Ik heb ook gehoord, dat ze groote sneltochten ondernemen. Toch ben ik niet bang, dat ze mij zullen snellen. Ik heb mijn geweer en mijn revolver. Bovendien zijn ze er bang voor, een blanke te vermoorden.”»Dat is wel mogelijk, heer,” zei Marti met een bedenkelijk gezicht, »maarikben geen blanke en ik vrees, dat mijn hoofd niet zoo heel stevig op mijn schouders zal staan, als ik in handen van die Dajaks val.”»Je wilt me toch niet in den steek laten, Marti?” vroeg Kees een beetje ongerust. Als zijn trouwe helper niet meeging, zou het voor hem zoo goed als ondoenlijk zijn, de tocht door te zetten.»Neen, heer, ik zal medegaan, maar ik vrees, dat het niet goed met ons zal afloopen,” zei Marti somber.»Het eenige, waar ik bang voor ben,” zei Kees, »is, dat er oorlog zal zijn tusschen de stammen. Dan zal ik geen gidsen en dragers kunnen krijgen en mijn doel langs dezen weg niet bereiken.”»Indien er oorlog was in de bovenstreken, zouden wij het bij den aanvang van onzen tocht wel gehoord hebben,” meende Marti.»Mochten we bij de Kenjaoe’s vernemen, dat eroorlog is, dan beloof ik je, dat we terug zullen keeren,” besloot Kees.Marti hoopte in stilte, dat er dan maar oorlog mocht zijn, want hij voelde niet veel geestdrift voor die onderneming.»Marti, vertel me eens, hoe komt het toch, dat je zoo opziet tegen deze reis? Je bent nog nooit bang geweest en nu is het net, alsof je geen durf meer hebt. Hoe ben je toch zoo zwaartillend?” informeerde Kees.»Ik heb heel slechte voorteekens gehad, heer, toen we deze reis aanvingen. Ik had een droom, die bloed voorspelde; en de teekens der vogels waren ook zeer ongunstig. Dat heb ik u toch dadelijk gezegd, maar u lachte er om. De blanken gelooven nu eenmaal niet aan onze voorteekens.”»Neen, Marti, aan zulke dingen gelooven wij niet meer. Maar ik dacht, dat jij aan die Dajaksche voorteekens ook niet meer geloofde; je bent nu toch Mohammedaan en geen Dajak meer.”»Ik heb te dikwijls gezien, dat de voorteekens uitkomen, heer.”»Je bent nog een echte heiden, Marti,” lachte Kees.»Neen, heer, dat ben ik niet meer. Als ik nog een echte heiden was, dan zou ik zeker niet zijn meegegaan. Daarvoor waren de voorteekens veel te slecht. Toch geloof ik vast en zeker, dat deze onderneming zal mislukken.”»Kom, Marti, wees nu niet zoo dom! Over een paar weken zit je in een mooi huisje in de kampong en dan heb je verder een prettig leventje.”»Ik ben maar een domme man, heer, maar ik kantoch nog niet gelooven aan al dat moois,” zei Marti, die toch onwillekeurig moest glimlachen bij de luchthartige woorden van Kees.»Het wordt tijd om verder te gaan, Marti,” zei deze en hij maakte zich gereed om in de djaloer te stappen.Weldra zaten de beide mannen op hun plaats in het bootje en roeiden weer uit alle macht tegen den stroom op.De moeilijkheden werden steeds talrijker en grooter en de reizigers begrepen weldra, dat de rivier spoedig onbevaarbaar zou worden bij dezen waterstand. Zelfs moesten ze meermalen de djaloer aan land trekken en een eindweegs langs den oever voortsleepen.Zoo was het al middag geworden en nog liet zich de zoo lang verwachte landingsplaats of »pangkalan” niet zien.Toen ze de hoop om deze spoedig te vinden reeds weer opgaven, bemerkten ze, dat de eene oever wat lager begon te worden. Marti opperde het vermoeden, dat men het doel nu waarschijnlijk begon te naderen.Toen ze weer met alle inspanning een hoek waren omgeworsteld, slaakte hij dan ook plotseling een vreugdekreet: »De pangkalan!”Hij wees naar den Zuidelijken oever en begon in zijn blijdschap woest te pagaaien.In een flauwe bocht der rivier zag Kees nu ook een zestal djaloers liggen en onwillekeurig begon hij krachtig mede te roeien, om des te sneller aan de landingsplaats te komen.Weldra schoot de djaloer tusschen de andere vaartuigjesin en zat met den kop vast in de zachte modder van den, op die plek, lagen oever.Spoedig stonden Kees en Marti op den wal. Zij waren in het land der Kenjaoe-dajaks.1pagaai.2inlandsche sigaret.III. Bij de Kenjaoe-dajaks.De djaloers werden voor alle zekerheid stevig vastgelegd; de dajongs werden in het struikgewas verborgen. Daarna verkenden de reizigers de omgeving van de pangkalan.De struiken en boomen waren tot meer dan manshoogte met een laagje grijze modder bedekt, waaruit men kon afleiden, dat ze meermalen tot zoover onder water stonden. De aanlegplaats deed vermoedelijk alleen als zoodanig dienst bij lagen waterstand.De meeste dorpen hebben twee of meer pangkalans voor verschillende waterstanden, welke onderling en met het dorp verbonden zijn door een voetpad.Allereerst diende nu het pad te worden gezocht, dat hen naar de woningen der Kenjaoe-dajaks zou voeren.Toen ze ’t gevonden hadden, gingen ze eerst wat rusten. Daarna pakte Marti de bagage in een rottan draagmand en de reizigers begaven zich op weg.Kees droeg het geweer en de revolver, bovendien nog een parang. Marti droeg de korf op den rug en ook nog een parang.Zoo uitgerust betraden ze het pad, dat zich duidelijkin het bosch afteekende en gemakkelijk te volgen was.Het geboomte was zwaar en hoog met weinig onderhout, zoodat ze vrij ver voor zich uit konden zien. Nu en dan kwamen ze voor kleine riviertjes, die meestal door een boomstam waren overbrugd.Nadat ze ongeveer een uur hadden geloopen, hield Marti even stil en zei:»Ik hoor een haan kraaien; we zijn dicht bij een huis.”»Ik denk, dat we nu bij een ladang (rijstveld) komen, het bosch wordt daar voor ons veel lichter. Misschien vinden we daar wel Dajaks,” meende Kees.Dit vermoeden bleek waarheid. Weldra stonden ze aan den rand van het bosch en zagen een uitgestrekte ladang voor zich. Het was een groot veld, kris-kras bedekt met omgehakte boomen. Het lichtere hout was weggebrand, doch de dikke stammen waren blijven liggen, zooals ze neergestort waren. Tusschen die zwartgeblakerde boomen groeiden de schaarsche padihalmen. Het is slechts een armoedige oogst, die door deze allereenvoudigste wijze van roofbouw wordt opgeleverd.Midden op de ladang stond een klein huisje, vanwaar het hanengekraai klonk, dat de reizigers in het bosch reeds hadden gehoord.Toen ze de ladang hadden betreden, stootte Marti eenige malen een Dajaksche kreet uit, om de bewoners van het huisje te waarschuwen, dat er vreemdelingen naderden, doch dat deze niets kwaads in den zin hadden. Dit is in het land der koppensnellers niet overbodig.Uit het huisje kwam een man te voorschijn, die Marti’s geroep beantwoordde, waarna ook nog een vrouw en een paar kinderen naar buiten kwamen.Dit kleine gezin bood het gewone schouwspel van een Dajak-familie: de man was naakt op een gordel of »tjawet” na; de vrouw droeg een kort soort rokje, dat tot de knieën reikte; de kinderen waren evenals de man bijna geheel naakt.Uit het huisje kwam een man te voorschijn.Uit het huisje kwam een man te voorschijn.Moeizaam klommen Kees en Marti over de talrijke boomstammen, om het huisje te bereiken. Naderbij gekomen riep Marti:»Is dit een ladang van de Kenjaoe-dajaks?”»Aoe,” (ja) antwoordde de Dajak.»Is hier een groot dorp in de nabijheid?” vroeg Kees.»Neen, slechts enkele kleine huizen; de groote liggen verder. Ik moet hier de wacht houden overde ladang, dat de dieren onze oogst niet vernielen.”»Welk dorp is het voornaamste?” vroeg Kees weer.»Het huis van Petinggi Datoek, heer.”»Is dat nog ver en kunnen we daar gemakkelijk komen?”»Twee dagen loopen, heer.”»Dan kunnen we er morgenmiddag zijn,” zei Kees tot Marti. Hij wist wel, dat een Dajak op reis gewoon is veel tijd te verpraten in de huizen, die hij passeert.»Wij behoeven ons nergens op te houden, doch kunnen rechtstreeks naar het huis van Petinggi Datoek gaan,” zei Marti.»Is dit het pad?” vroeg Kees naar de andere zijde van de ladang wijzende.»Aoe,” zei de man, tot wiens opluchting Kees en Marti weldra weer hun klimpartij over de boomstammen hervatten en spoedig daarna in het bosch waren verdwenen.Beurtelings voerde het pad onze reizigers door bosschen en over ladangs; zelfs moesten ze eenmaal een uitgestrekt veld met riet en struikgewas doorworstelen.Na al deze vermoeienissen kwamen ze eindelijk tegen het vallen van den avond bij een klein dorp, dat, zooals bijna altijd bij de Dajaks, uit slechts één huis bestond.Hier wilden ze nachtverblijf vragen. Ze beklommen één der uit een boomstam met inkepingen bestaande ladders en traden het huis binnen.De bewoners ontvingen hen vriendelijk. Dadelijk werden er een paar matten gespreid in het voor bezoekers en vreemdelingen bestemde gedeelte van het huis.Een Dajaksch huis is namelijk in twee helften verdeelddoor een gang, die er in de lengte doorheen loopt. Aan de eene zijde treft men een open ruimte aan, die bestemd is voor slaapplaats der volwassen jongelieden en tevens dient tot logeerruimte voor vreemdelingen. De andere zijde wordt ingenomen door een aantal kamertjes of »lawangs”, ook wel pintoe’s (deuren) geheeten. Er zijn zooveel lawangs als er families in het huis wonen. Deze huizen of dorpen hebben dus een zeer verschillende lengte, afhankelijk van het aantal inwoners.Men treft soms huizen aan van twee lawangs, die slechts zes à acht Meter lang zijn. Maar men vindt er ook wel van vijftig lawangs, die bijna tweehonderd Meter lang zijn. Onder de huizen, binnen het paalwerk waar op ze rusten, zijn de varkensstallen afgeschut.Het dorp, waar Kees en Marti thans vertoefden, bestond slechts uit een vijftal lawangs en behoorde dus tot de kleinere.Marti kocht van de bewoners wat rijst en een paar eieren en ging nu op één der aanwezige vuurplaatsen den maaltijd bereiden.Middelerwijl had Kees zich op zijn mat neergezet, terwijl een groep Dajaks zich om hem heen had verzameld. Hij knoopte een gesprek met hen aan, ten einde verschillende inlichtingen in te winnen.Het bleek hem, dat, als hij den volgenden morgen vroeg vertrok, hij in den loop van den dag het huis van Petinggi Datoek zou kunnen bereiken.Petinggi Datoek was volgens de Dajaks hun voornaamste stamhoofd, en wanneer hij de reizigers goed gezind was, zouden ze bij de Kenjaoe-dajaks niet deminste overlast ondervinden. Kees vernam ook, dat het pad naar het dorp van Petinggi Datoek zeer slecht begaanbaar was en men gemakkelijk zou kunnen verdwalen. Toen Marti het maal gereed had, gingen beiden eten en daarna legde Marti zich op zijn mat, om te slapen. Kees echter had nog geen haast. Hij wilde nog wat met de Dajaks praten. Hij brandde van verlangen, om iets te vernemen omtrent de Sibaoe-dajaks en over den weg, die naar hun land voerde.Maar de berichten waren alles behalve gunstig.Om in het land der Sibaoe’s te komen, moest men door een woest gebergte trekken, de Goenoeng Lawit geheeten. Het was een onherbergzaam oord, levensgevaarlijk voor den mensch. Het werd volgens hen bevolkt door de antoe’s, de booze geesten. Onherroepelijk deden ze ieder, die het waagde hun gebied te betreden, neertuimelen en vermorselen in een der vele ravijnen en afgronden.»Is er één uwer dan ooit wel eens daar geweest?” vroeg Kees.»Neen heer,” antwoordde een oud man, »ik geloof niet, dat er één Dajak leeft, die daar geweest is. Zij die er heen durfden gaan, zijn nimmer teruggekeerd.”»En welk nut zou het hebben er heen te gaan?” voegde een ander er aan toe.»Al kon men dat gebergte oversteken, wat hielp het? Men zou in de handen der Sibaoe’s vallen en gesneld worden. De Sibaoe’s zijn nòg erger duivels dan de antoe’s.”»Ja, dat is zoo!”beaamdenalle aanwezigen.De Sibaoe’s hadden zich berucht en gehaat gemaakt,doordat ze meermalen groote roof- en sneltochten in het land der Kenjaoe’s ondernomen hadden. Machtelooze woede kenmerkte alle uitingen van de laatsten. Gaarne zouden zij eens geducht met deze Sibaoe’s afrekenen, maar ze voelden zich te zwak om tegen hen op te trekken.Het werd meer en meer duidelijk, dat Kees heel wat moeite zou hebben, in dit land hulp te krijgen voor zijne onderneming.Zijn eenige hoop was, dat hij een paar jonge mannen, die gaarne avonturen beleefden, door een groote belooning over zou kunnen halen hem te volgen.Het was reeds nacht, toen Kees eindelijk besloot te gaan slapen. Gaarne zou hij meer hebben vernomen, maar hij begreep wel, dat een goede nachtrust volstrekt noodzakelijk was, wanneer hij den volgenden dag den zwaren tocht naar het dorp van Petinggi Datoek volbrengen zou.Bij het aanbreken van den dag waren ze reeds weer reisvaardig. Eén der bewoners van het huis had zich aangeboden, om als gids dienst te doen, hetgeen Kees met blijdschap had aangenomen.Het pad was inderdaad zeer slecht. Het liep over vroegere ladangs, die nu begroeid waren met dicht struikgewas en scherp riet. Nergens lag over de talrijke riviertjes een boomstam om als brug dienst te doen. Ook moesten ze een paar moerassen doortrekken, waar ze tot hun knieën in de modder zakten. En ten slotte voerde het pad zelfs over een soort van brug, bestaande uit schragen van schuin in de modder gestoken takken, waarover dunne boomstammen gelegd waren. Het loopen over deze zwiepende stellages was zeer moeilijk,vooral voor Kees; de Dajaks echter liepen er als katten over heen.Daarna kwamen ze weer op hooger terrein, waar de heuvels dicht begroeid waren met bamboe bosschen. Maar de paden waren er door de afgevallen bladeren zeer glibberig, zoodat het loopen erg lastig viel.Het was een afmattende tocht. Dikwijls moesten de reizigers halt houden, om eenige oogenblikken uit te rusten.Op een gegeven oogenblik verklaarde de gids, nu terug te willen keeren. Het pad was verder gemakkelijk te volgen en de groote ladangs van Petinggi Datoek waren niet ver meer af.Kees gaf den man een goede belooning voor zijn, werkelijk uitstekende diensten. Deze nam afscheid en de beide reizigers togen verder.Ongeveer een uur later bereikten ze inderdaad een uitgestrekte ladang. Het aanschouwen van deze groote opene vlakte, bedekt met boomstammen, ontlokte Kees een diepen zucht. Nu moest het klauteren en springen weer beginnen.... En zijn beenen weigerden hem al bijna den dienst.Toch maar weer moedig voorwaarts. Het doel van dien dag kon nu niet ver meer zijn.Dankbaar waren ze, toen ze over de laatste boomstam heen gestrompeld waren en de reuzen van het oerwoud weer hun machtige schaduwdragende armen boven hun verhitte hoofden uitstrekten. Weldra passeerden ze een vierkante open plek in het bosch, een hanenkamp plaats. Dat was een teeken, dat het dorp in de nabijheid lag.Even verder ontmoetten ze een oud man, die verklaarde in het huis van Petinggi Datoek te wonen en bereid te zijn met hen terug te gaan.Weldra waren ze in het dorp, dat Tapang heette. Het bestond uit één zeer lang huis, dat een veertigtal lawangs telde.Petinggi Datoek, het hoofd, was een forsch gebouwde man van middelbaren leeftijd, met een verstandig gelaat. Gastvrij ontving hij de bezoekers en liet dadelijk een paar nieuwe matten voor hen spreiden. Voor het nog avond was geworden, voelden ze zich reeds volkomen thuis in dit dorp. De bewoners legden niet het minste wantrouwen aan den dag en waren vriendelijk en hulpvaardig.De overgroote meerderheid der Dajaks had nog nooit een blanke gezien. Vol nieuwsgierigheid zaten ze om Kees heen en beschouwden diens persoon en zijn doen en laten met de grootste belangstelling.Toen Kees en Marti gegeten hadden, knoopten ze een gesprek aan met Petinggi Datoek. Ook enkele der mannen namen eraan deel, terwijl de anderen en de vrouwen, die zich ook in den kring hadden geschaard, stil toeluisterden.Toen Kees zijn plan kenbaar maakte, naar het land der Sibaoe’s te willen gaan, werd dit door allen met teekenen van schrik en afkeuring ontvangen. Ook hierontwaardehij dezelfde gezindheid, als bij de Dajaks, die hij den vorigen avond had gesproken. Na eenig zwijgen zei Petinggi Datoek:»Heer, ik weet niet, waarom u naar het land der Sibaoe-dajaks wilt gaan, maar wàt ook de redenmag zijn, het is beter, dat u van die reis afziet.”»Dat kan niet, Petinggi,” zei Kees, »ik mòet er heen en ik zàl er heen gaan ook.”De Dajak kuchte eens, aarzelde nog een oogenblik en vervolgde toen:»U moet het me niet kwalijk nemen, heer, dat ik zoo tegen u spreek. Maar u moet me gelooven: de Sibaoe’s zijn niet te vertrouwen. Zij zijn verraderlijk. Wien ze overdag goed ontvangen hebben, zullen ze ’s nachts heimelijk vermoorden.”»Dat zal zoo erg niet zijn,” zei Kees. »Dat is geen Dajaksche gewoonte. Is men in een huis ontvangen, dan is men veilig.”»Dat is zoo, heer, maar de Sibaoe’s zijn duivels in menschengedaante.”»Ik merk wel, dat ge niet erg op hen gesteld zijt, Petinggi,” zei Kees glimlachend.»WijKenjaoe’s kennen hen, heer; altijd zijn het onze grootste vijanden geweest. Vaak kwamen ze in ons gebied, om koppen te snellen. Maar wij zijn nooit sterk genoeg geweest, om hen te verslaan. Steeds moesten we vluchten, als ze ons land binnen vielen.”»Dat is alles wel mogelijk, Petinggi, maar ik wil naar hun land toe! Ik verzeker je, dat ik in ’t geheel niet bang ben voor die Sibaoe’s. Ik heb hier een goed geweer, zooals je ziet. En hier is nog een klein geweer, dat zes keer achter elkaar kan schieten. Zoo iets heb je zeker nooit gezien. Daar zullen de Sibaoe’s kennis mee maken, als ze mij mochten aanvallen,” zei Kees, op zijn geweer en revolver wijzende.Deze bekeek de beide wapens op een afstand met belangstelling en eerbied en zeide:»Ja, heer, dat zijn zeker geweldige wapens, maar de Sibaoe’s zullen ook niet met u vechten. Zij zullen u overdag een vriendelijk gelaat toonen en u ’s nachts dooden.”»Ik zeg je nog eens, Petinggi, ik bennietbang.”»Goed, heer, maar er is nog meer,” vervolgde de Dajak weifelend.Kees werd ongeduldig.»Vertel op, wàt is er nog meer?”»De weg van hier naar het land der Sibaoe-dajaks is zeer moeilijk. Eigenlijk is er geen weg, tenminste wij weten hem niet. Daarom geloof ik niet, dat het u gelukken zal er te komen.”»Zou ik dien Goenoeng Lawit niet kunnen overtrekken, Petinggi? Ik ben wel over hoogere bergen gereisd,” zei Kees.»Het gebergte is niet zoo heel hoog, heer, maar het is ontoegankelijk voor menschen. Daar tusschen die rotsen kunnen alleen antoe’s en booze geesten leven. En die dulden geen menschen in hun nabijheid. Vroeger zijn er heel vaak bewoners uit onze dorpen heen gegaan om te jagen. Nimmer zijn ze teruggekeerd. Nu durft niemand meer de antoe’s te weerstaan. Niemand gaat er meer heen.”»Maar Petinggi,” hernam Kees, »als dat zoo is, hoe kunnen dan de Sibaoe’s hier komen om te snellen? Die moeten toch ook over den Goenoeng Lawit. Waar de Sibaoe’s langs kunnen, daar kan ik ook langs. En als de antoe’s hèn geen kwaad doen, zullen ze mij ook wel met rust laten.”Petinggi Datoek maakte een ontkennende beweging, doch talmde met zijn antwoord.Kees vervolgde: »Ik wil wel gelooven, dat er vele menschen in ’t gebergte verongelukt zijn. Maar die zijn waarschijnlijk bij het vervolgen van het wild in afgronden gestort, of misschien zijn zij gesneld door op koppenjacht zijnde Sibaoe’s.”De Dajak had met een ernstig gelaat geluisterd, doch zeide nu:»De antoe’s doen het, heer! Sibaoe’s komen er in het gebergte ook niet.”»Dat moèt toch wel, Petinggi; je vertelt zelf, dat ze hier komen snellen.”»Misschien zult ge me niet gelooven, heer, en toch is, wat ik u nu zal vertellen, de zuivere waarheid. De Sibaoe’s komen nooit door het gebergte heen! Niemand weet eigenlijk, hoè ze hier komen. Wij weten alleen, dat ze bedreven zijn in allerlei tooverijen, waardoor ze de hulp krijgen van hun antoe’s en geesten.”Kees maakte een ongeduldig gebaar en trok een spottend gezicht, doch zeide nog niets. De Dajak ging voort:»Mijn vader heeft mij vroeger verteld, heer, dat de Sibaoe’s door de lucht komen vliegen. Hun antoe’s helpen hen over het gebergte heen.”Een toestemmend gemompel ging door de omzittenden. Een oude man kwam eenigszins naar voren en hurkte voor Kees neer.»Wat is er?” vroeg deze.»Ik ben een oud man, heer, en heb veel gezien en gehoord. Ik ken de Sibaoe-dajaks maar al te goed.Zij gaan inderdaad met tooverij om. Eens werd een Kenjaoe-dajak gedood door een paar op sneltocht zijnde Sibaoe’s. Zijn zoon zette hen na om wraak te nemen. Hij hoopte hen in den slaap te verrassen ten einde ze te dooden. Op een dag waren ze aan den voet van het Lawit-gebergte gekomen. De man van onzen stam zat hen dicht op de hielen. Plotseling verdwenen ze en vlogen als groote vogels over het gebergte weg.... Daarom kunnen wij nooit vechten tegen de Sibaoe-dajaks.”Kees had met verbazing dit verhaal aangehoord. Ofschoon het waarschijnlijk bij alle aanwezigen overbekend was, maakte het blijkbaar opnieuw een diepen indruk op de bijgeloovige zielen der Dajaks.Het was aan de angstige gezichten duidelijk te zien, dat de tooverkracht der Sibaoe’s boven allen twijfel verheven was. Hoofdschuddend zei Kees eindelijk:»Ik kan dat verhaal niet gelooven. Er zijn geen menschen, die kunnen vliegen. Ik denk, dat de man, die dit verhaal het eerst heeft verteld, het maar heeft verzonnen. Hij wilde de schande ontgaan, dat hij den dood zijns vaders niet had gewroken.”»Toch moet het wel zoo zijn, heer,” hernam de Dajak. »Door het Lawit-gebergte komen ze zeker niet. Het is slechts op één punt toegankelijk en wel ten Oosten van dit dorp. De Sibaoe’s komen echter altijd uit het Noorden. Daar is geen toegang. Overal rijzen steile rotsen op. Die kùnnen niet beklommen worden door menschen.”»En tòch moet er in ’t Noorden een weg zijn; anders is het onmogelijk, dat de Sibaoe’s daar langs komen,” zei Kees gemelijk.»Er is geen weg, heer,” zei de oude Dajak. »Ik zelf ben daar wel geweest om te jagen; maar overal stuit men op ontoegankelijke bergwanden.”»En de toegangsweg naar het Oosten?” vroeg Kees gejaagd. Hij begon te vreezen, dat al zijn moeite vergeefsch zou zijn geweest, en hij ten slotte onverrichterzake terug zou moeten keeren. »Is die dan niet te gebruiken om in het land der Sibaoe-dajaks te komen?”»Ik weet het niet, heer,” antwoordde thans Petinggi Datoek. »Het is mij niet bekend, of men langs dien weg door het geheele gebergte kan komen. Wèl weet ik, dat men daar de eerste bergketens kan beklimmen. In dit voorgebergte wordt nog wel eens door onze jonge mannen gejaagd en wij hebben daar ook nog begraafplaatsen.”»Zijn hier niet een paar mannen, die den weg kennen en met mij mede zouden willen gaan?” vroeg Kees aan de omzittenden.Veel beweging en onderling gepraat was het gevolg van deze vraag; doch een rechtstreeksch antwoord werd niet gegeven.Onze reiziger bemerkte wel, dat hij dien avond niet veel verder zou komen. De Dajaks toonden voor het oogenblik niet veel liefhebberij in den voor hen zoo schrikwekkenden tocht. Hij zou wat geduld moeten oefenen. Dan was hij van plan enkele der jongere mannen, door hen een flinke belooning toe te zeggen, over te halen om hem te vergezellen. Dat zou hem wel eenige dagen kosten. Maar dat hinderde niet. Die kon hij dan meteen gebruiken om eens flink uit te rusten. En dat had hij hard noodig.Weldra maakte hij zijn verlangen kenbaar, om te gaan slapen. De Dajaks begaven zich naar hun lawangs, waar nog lang het geroezemoes van stemmen klonk. In den breede bespraken ze onderling nog de vermetele plannen van hun blanken gast.Ook Marti scheen nog aan hun gesprekken deel te nemen; want toen Kees insliep, was zijn mat nog verlaten.

I. Een vriendendienst.Alvorens we ons verhaal aanvangen, is het misschien niet ondienstig nog even een blik te slaan op de kaart van Nederlandsch-Indië.We zien, hoe die eilandensnoeren zich slingeren om de linie. Merkt ge wel op, dat Borneo eigenlijk aller middelpunt is? hoe het bijna van alle kanten omvlochten wordt door eilandengordels?En toch, al schijnt het door ligging en grootte (22 × Nederland!) het natuurlijk middelpunt, de kern van onze Oost, het is langen tijd het minst bekende, het minst betreden gebied van deze wondere wereld geweest. En nóg valt de sluier der geheimzinnigheid over duistere oerwouden en ongerepte wildernissen.Tal van streken waren er vroeger in de binnenlanden, waar het slechts een enkele maal een Europeaan vergund was, een blik te slaan op de sprookjesachtige schoonheid van de oernatuur; en in de diepste diepten van het tropische woud en in de donkerste spelonken van Borneo’s bergstelsel heeft nog steeds nimmer een blanke den voet gezet.Juist die raadselachtige geheimenissen van Borneo’snatuur zijn de oorzaak, dat meermalen wetenschappelijke expedities van de zeekust uit getracht hebben de stroomen op te roeien, de bergen over te trekken, diep in de wouden te boren.Koene en ondernemende mannen hebben moeilijkheden van allerlei aard getrotseerd, om telkens een slipje te kunnen oplichten van dien geheimzinnigen sluier, die daar het wondere leven der tropische natuur verbergt; die óók verholen houdt de schatten van edele metalen en diamanten, welke er gedurende ongetelde eeuwen rusten in den schoot der aarde.Hindernissen van allerlei aard! De natuur zelf schijnt gierig te zijn op haar schatten; onberekenbaar is zij, waar zij plotseling onverwachte versperringen opwerpt, die het voortgaan beletten. Haar wachters zijn de wilde dieren, die den reiziger bedreigen, en dikwijls ook de vijandelijke en bloeddorstige inboorlingen.En toch kan niets de mannen der wetenschap bewegen hun tochten te staken.En wat is nu het practische gevolg? Wordt al die energie vruchteloos verspild?Het antwoord wordt ons gegeven door een reeks zeer belangwekkende wetenschappelijke geschriften, en verder door de musea der Europeesche groote steden, waar schatten van natuur- en gebruiksvoorwerpen den Westerling verbaasd doen staan en hem een flauw begrip geven van deze onbekende wereld.Niet alle reizigers echter trachten met wetenschappelijke bedoelingen in de binnenlanden van Borneo door te dringen. Er zijn er ook, die uitsluitend aangetrokken worden door het avontuurlijk leven in dewildernis; nog anderen gaan uit, om, alleen vergezeld van een enkel vertrouwd inboorling, te zoeken naar goud en diamanten, ten einde later in een meer beschaafde wereld, een rustig en gemakkelijk leven te kunnen leiden.Het spreekt wel van zelf, dat de grootere plaatsen van Borneo bijna alle langs de kusten liggen. Zoo ook Pontianak.Pontianak ligt op de Westkust, vlak onder den evenaar aan een der monden van de Kapoeas.Na deze korte inleiding beginnen we ons verhaal.Op de achtergalerij van een kleine Europeesche woning te Pontianak lag op zekeren avond in 188* een zieke in een gemakkelijken ruststoel en genoot van de avondkoelte, die aanwoei van over de zee.De dag was als altijd heet geweest en zelfs voor gezonde menschen afmattend. Loodrecht had de zon haar stralen neer laten branden; gloeiend was zelfs de atmosfeer in de schaduw geweest; loodrecht was eindelijk de zon neergezonken; slechts enkele minuten had de schemering geduurd en nu, met den plotseling vallenden avond, brachten koele luchtstroomen wat verkwikking. De lang verbeide avondkoelte was een weldaad voor den zieke.Gewoonlijk zat hij daar alleen.Thans echter had hij gezelschap. Een oude makker, dien hij in lang niet gezien had, zat naast hem.Voor Jan Verveer was het een groote vreugde, dat zijn vroegere wapenbroeder, Kees Smit, hem eindelijk weer eens had opgezocht.Jan Verveer en Kees Smit; twee echte Hollandsche namen van twee echte Hollandsche jongens.Beiden hadden ze in hoofdzaak denzelfden levensloop gehad. De lust tot zwerven was hun aangeboren. Reeds als kleine jongens brachten ze hun moeders in angst, als ze doelloos buiten het dorp rondzwierven en zich in uren niet lieten zien. Toen ze naar school gingen, werd het niet beter. In letters en sommen vonden ze niet veel behagen. Een leerplichtwet was er niet. Hun vaders schenen het te druk te hebben, om de gangen van de bengels na te gaan. Voor dezen waren bosschen en velden, duinen en heiden veel belangrijker dan de eerste beginselen der wetenschappen, welke meester op ’t zwarte bord ontwikkelde. Vrijwel ongestoord oefenden zij zich nu in het spijbelen, stukjes draaien, haagje loopen, of hoe de genialiteit van den Hollandschen straatjongen verder het moedwillig verzuimen van de school heeft betiteld. Toen ze voorgoed de schoolbanken verlaten hadden, wilde het met een ambacht al evenmin vlotten als met de sommen en taaloefeningen. Bij geen enkelen baas konden ze ’t uithouden; geen enkel vak vermocht de avontuurlijke jongens te boeien.Ze moesten en zouden de wijde wereld in! Liefst naar Indië! Van dat wonderland hadden ze fantastische verhalen opgevangen.Aangezien ze echter op school zoo bitter weinig geleerd hadden en hun vaders de middelen ontbraken, om de jongens hun schade nog te doen inhalen, was er weinig kans op het verkrijgen van een goed bezoldigde positie. Ook in Indië brengt niemandhet ver, die niet een behoorlijke dosis kennis heeft vergaderd.Er was echter één uitkomst, die wonderwel strookte met hun avontuurlijken aard. Ze lieten zich te Harderwijk aanwerven als koloniaal, en vertrokken toen weldra naar hun land van belofte, waar ze het vaderland eenige jaren trouw dienden.Na volbrachten diensttijd namen ze pensioen. Ze bleven in hun tweede vaderland en konden, nu ze geheel meester van hun tijd waren, een leven gaan leiden, dat met hun wenschen en droomen overeenkwam.Ze bleven niet samen, net zoo min als ze als soldaat altijd samen waren geweest.Ieder ontwierp zijn eigen plannen en volgde zijn eigen weg. Kruisten die wegen elkaar af en toe, des te beter. Dan was er gelegenheid, elkaar te onderhouden met het verhaal van hun lotgevallen en elkaar op te wekken tot nieuwe tochten en avonturen.Kees Smit was al spoedig na het verlaten van den dienst in kennis gekomen met een Duitscher, die een zeer belangrijke opdracht had voor een groot museum te Berlijn. Hij moest namelijk allerlei voorwerpen, die hij de moeite waard achtte, verzamelen en verzenden naar Europa.Het volvoeren van een dergelijke opdracht was volstrekt niet ieders werk.Merkwaardige steensoorten moesten worden gezocht en gerangschikt; allerlei gebruiksvoorwerpen van de inlanders moesten worden verzameld met nauwkeurige beschrijving van bedoeling en gebruik. Nog verder echter strekte zijn taak. Vreemde planten moestenworden gedroogd, huiden toebereid, skeletten geprepareerd, in ’t kort, alles moest zoo worden behandeld, dat het niet meer aan bederf onderhevig was.Dit vereischte natuurlijk kennis van allerlei aard, en al had Kees nu heel weinig schoolkennis opgedaan, hij had een vlug en bevattelijk verstand en was na eenige maanden even goed op de hoogte als zijn Duitsche metgezel.Weken, maanden lang zwierven ze soms door de wildernissen, steeds vergezeld van één of meer inlanders, die hun instrumenten en veroverde schatten moesten dragen en hen verder bedienden.Het samen trotseeren van allerlei moeilijkheden en gevaren had een hechte vriendschap doen ontstaan.Des te zwaarder slag was het voor Kees Smit, toen zijn trouwe reismakker in het binnenland, ver van de beschaafde wereld, door een van die verraderlijke tropische ziekten werd aangetast en plotseling overleed.Kees meende de nagedachtenis van zijn vriend niet beter te kunnen eeren, dan door diens taak trouwhartig voort te zetten. Het museum bestendigde hem gaarne in de opdracht, welke hij zich zelf had opgelegd. En nu was hij besloten, dit werk nog eenige jaren voort te zetten. Hij verdiende er goed geld mee, veel meer dan hij voor zich zelf noodig had.En later—wanneer hij genoeg naar zijn zin zou hebben opgespaard—dan wilde hij terug naar Holland, terug naar het kleine vriendelijke dorpje zijner jeugd, om daar in vredige rust zijn laatste levensjaren te slijten.Toen Jan Verveer zijn paspoort gekregen had, sloothij zich aan bij een wetenschappelijke expeditie, en door zijn betrekkelijk groote, voor een deel intuïtieve, terreinkennis had men gaarne en lang gebruik gemaakt van zijn diensten. Vervolgens was hij nog eens meegeweest met een gezelschap Engelsche jagers, die zijn speurzin en onverschrokkenheid evenzeer waardeerden. En eindelijk was hij op eigen gelegenheid gaan zwerven—als diamantzoeker.Het onrustig en avontuurlijk leven had echter zijn krachtig gestel ondermijnd en nu vinden we hem daar te Pontianak, uitgeput en doodziek.Hemwas de illusie ontnomen, dat hij nog eens Hollands blanke duinen zou zien opdoemen uit de goudbestarrelde wateren der Noordzee, dat hij in het stille dorpje zijner geboorte uit zou rusten van zijn vermoeiend leven.Rustenzou hij—maar onder de palmen van Insulinde.Kees Smit, die evenals hij, na zijn reizen eenigen tijd te Pontianak vertoefde, vernam toevallig dat zijn oude vriend zich daar eveneens bevond en dat hij door een ernstige ziekte was aangetast.Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken. En hij zag dadelijk, dat men hem helaas de waarheid voorspeld had; het zou de laatste maal zijn, dat hunne wegen zich kruisten.Met zwakke stem begon de zieke te spreken en hij gaf zijn vriend nog eens den ouden vertrouwelijken bijnaam uit hun diensttijd:»Lange, je ziet het wel; het loopt met mij af. Ik zal de Negeri-koud1niet meer terugzien.—Zit noumaar niet zoo sip te kijken. Er is voor mij geen kruid gewassen. En och, ik ben al aan het idee gewend. Maar ik ben heel blij, dat ik je nog één keer ontmoeten mag. Ik heb je nog iets heel belangrijks te zeggen. Je bent de vriend van mijn jongensjaren geweest en ook mijn eenige beste vriend in dit vreemde land. Ten slotte ben jij de eenige, die gedurende mijn ziekte naar me omkijkt. Nu wil ik jou nog een dienst bewijzen.”Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken.Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken.Kees vond geen woorden en zat den zieke eenigen tijd met diep medelijden aan te kijken.Deze vervolgde: »Weet je de Soengei Tekoeng?”Kees zuchtte.»Dat hangt er van af, welke je bedoelt,” zei hij. »Er zijn meer rivieren van dien naam in het binnenland.”»Ik bedoel de zijrivier van de Soengei Sibaoe—weet je diè?”»Ja,” zei Kees. »Ik weet ten minste, dat er Sibaoe-dajaks bestaan. Dat moeten geduchte koppensnellers zijn. Ik ben echter nooit in die streken geweest. Maar wat is er met die Soengei Tekoeng?”»Nou, Lange, je moet dan weten, dat ik eens in het land der Sibaoe-dajaks geweest ben—die tusschen twee haakjes gemeene moordenaars zijn—. Ik heb daar in ’t gebergte in die kleine riviertjes heel wat diamanten gevonden. Maar toen ik er mee naar hier wilde gaan, bemerkte ik, dat die kerels me zeer vijandig werden, omdat ik die steentjes uit hun land haalde. Dat brengt hun ongeluk aan, zeggen ze. Ik heb toen het zakje met de steentjes verstopt en ben heimelijk gevlucht. Het was mijn plan, ze later eens te gaan halen, maar er is nooit iets van gekomen.... en nu komt er heelemaal niets meer van.” De zieke rustte even. »Nu zal ik je zeggen, waar ik ze verborgen heb. Er zijn meer dan genoeg, om jou in Holland een goed leventje te bezorgen.”»Dat is mooi van je bedacht,” zei Kees. »Maar je familie?”»Och, familie heb ik niet meer en joù gun ik ze het meest.”»Welnu, laat dan eens hooren. Maar—kan niemand ons beluisteren? Daar net liep ik je jongen2tegen ’t lijf. Wil ik eens even rondzien, of....”Kees had zachtjes gesproken en keek behoedzaam buiten de galerij.Doch de zieke maakte een geruststellende bewegingmet de hand. »Mijn jongen, een Maleier, een handige en vertrouwde kerel, is uit en komt vooreerst niet terug. Hij gaat inkoopen doen op den passer.3En dan, juist omdat jij er bent, heb ik hem een paar uren vrij gegeven. Je hebt immers den tijd? Hij heeft me goed opgepast, en heel weinig vrij gehad de laatste weken. Bovendien, ik moèst hem wel wegsturen, want mijn geheim moet veilig zijn....”Nog even, argwanend, spiedde Kees in de duisternis. Doch er was niets, dat ongerustheid kon wekken.De zieke begon, terwijl Kees Smit voor alle zekerheid eenige namen in zijn zakboekje aanteekende:»Je moet de Soengei Tekoeng opvaren, tot je bij een groote riam4komt. Dan zie je op den rechteroever een hoogen tengkawangboom5staan. In dien boom heb ik een merk gekapt en onder de wortels, in een kleine holte, het zakje verstopt.”»Mooi,” zei Kees. »Maar hoe kom ik het best bij die Tekoeng?”»Je moet niet door het land der Sibaoe-dajaks gaan. Afgezien van hun moordlust zijn er nog andere bezwaren. De Sibaoe-rivier stroomt door een streek met uitgestrekte moerassen, waaruit gevaarlijke dampen opstijgen. Het is daar zeer ongezond. Bovendien is er een waterval, die je het voortgaan gewóónlijk onmogelijk maakt....Je moet door het land der Kenjaoe-dajaks. Je vaart eerst de Kapoeas op, vervolgens de Embalouw-rivier en daarna de Kenjaoe. Een bezwaar is, dat je danover het Lawitgebergte moet trekken. Maar die weg lijkt me veel veiliger. En dan moet je probeeren, een paar Kenjaoe-dajaks mee te krijgen; die zijn goed te vertrouwen.Ben je op die manier eenmaal in het land der Sibaoe-dajaks gekomen, dan moet je niet denken, dat je de diamanten ineens maar hebt. Het gevaarlijkste komt dan nog. Ik waarschuw je nog eens: die Sibaoe-dajaks zijn buitengewoon moordzuchtig en bovendien willen ze nu eenmaal niet, dat je in hun land diamanten zoekt. Zorg dus, dat je je oogmerk zoo angstvallig mogelijk verborgen houdt.”Deze lange uiteenzetting had den zieke ten zeerste afgemat. Uitgeput zonk hij achterover in zijn ligstoel en sloot geruimen tijd de oogen.Kees Smit bleef stil zitten. Allerlei gedachten doorkruisten zijn brein, terwijl hij het ingevallen gelaat van zijn vriend gadesloeg. Het was duidelijk voor hem, dat diens levensuurwerk snel afliep. En het smartte hem diep, dat hij den makker zijner jeugd moest missen, hier, in dit vreemde land, dat hij lief had gekregen—niet zoo lief echter als zijn eigen dierbare geboortegrond hem was.En dan—die eigenaardige uiterste wilsbeschikking! De moordzucht der Dajaks! al die gevaren! Zijn gezicht stond steeds bedenkelijker. Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, als om orde in zijn gedachten te brengen. In ieder geval zou hij de zaak rijpelijk overwegen, alvorens een bepaald besluit te nemen.Terwijl Verveer even sluimerde en Smit in gedachtenverdiept zat, rees in de duistere binnengalerij onhoorbaar een man op uit zijn gehurkte houding en sloop met schitterende oogen en een zelfvoldanen glimlach naar buiten. Het was Amat, de bediende van Verveer, die nu pas zijn boodschappen ging doen. Zijn meester had hem zóó nadrukkelijk weg willen hebben en zóó herhaaldelijk over het onverwachte bezoek gepraat, dat de sluwe Amat achterdochtig was geworden. Hij móest en hij zóu weten, wat die twee te verhandelen hadden.Thans wist hij het ....Blijde stapte hij voort naar de toko’s.6En hij maakte alvast plannen. Allereerst zou hij zich zooveel mogelijk aan de oogen van den bezoeker onttrekken. Deze moest hem later liefst niet herkennen. En dan zou hij dien Toean7Smit in de gaten houden—Amat wou óók wel graag rijk zijn—.Smit bleef Verveer den ganschen avond gezelschap houden. Af en toe sluimerde de zieke en had dan weer eenige krachten verzameld, om zich nog eens te verdiepen in de oude herinneringen. Er lag in hun samenzijn iets van den weemoed, waarmee de ondergaande zon haar laatste stralen werpt over een herfstlandschap. Een zachte goudgloed werpt ze over de stervende natuur en baadt alles in een geheimzinnigen luister, die het leven met den dood verzoent. Zoo gaf het vriendelijk schijnsel der herinneringen het samenzijn dezer twee menschen een ernstige wijding.Heel laat in den avond kwam de bediende thuis en de mannen hoorden hem door debinnengalerijloopen.»Daar is Amat,” zei Verveer.»Dan zal ik maar eens opstappen,” besloot Kees.»’t Is al laat. Goeden avond, en het beste—en dank je wel ....”De mannen wisselden een blik van verstandhouding. Toen ging Kees Smit zijn logies opzoeken.Nog slechts eenmaal kon hij Verveer bezoeken. Van een geregeld gesprek was nu geen sprake meer. De dood waarde in de galerij, waar ze voor de laatste maal bijeen zaten.In den daarop volgenden nacht overleed Verveer.Kees bleef nog in Pontianak tot na de begrafenis. Toen keerde hij weer terug naar zijn huiden en skeletten. Hij had groote bestellingen en er zouden vele maanden gemoeid zijn met het uitvoeren daarvan. Er was dus geen denken aan, dat hij onmiddellijk den tocht naar de Sibaoe’s zou kunnen aanvaarden. Te meer, daar hij voor dien tocht veel geld zou moeten uitgeven en daarom nù geen winstgevende zaak mocht laten loopen.Het verhaal van Verveer wilde hem echter niet met rust laten. Onophoudelijk spookten hem allerlei overleggingen door het hoofd. In het eerst meende hij niets te zien dan bezwaren. Langzamerhand begon hij deze lichter te tellen. En hoe meer de tijd naderde, dat hij zijn bestellingen moest afleveren, des te vaster werd zijn voornemen, des te omlijnder werden zijn plannen. Hij was gewend met moeilijkheden te worstelen, allerlei hindernissen der wildernis te trotseeren. Dit nieuwe avontuur had ongemeene bekoring voor hemen eindelijk stond het vast: hij zou al zijn krachten inspannen om de kostbare edelgesteenten te bemachtigen.Toen zijn bestellingen in orde waren, ontsloeg hij al zijn bedienden, behalve één, n.l. Marti. Marti had al zeer vele tochten met hem meegedaan; Marti was in de rustpoozen zijn huisbediende geweest; Marti, een Dajak, die tot den islam bekeerd was, had hij langzamerhand ten volle leeren vertrouwen.En hij vroeg hem:»Marti, heb je lust, om zoo maarineensrijk te worden?”Deze keek zijn meester verwonderd aan. Hoe kon Toean dàt nog vragen? Natuurlijk zou hij graag ineens rijk zijn—dan kon hij in de kampong, waar hij geboren was, een eigen huisje koopen....»Nu dan—dan neem ik je mee ver in de Oeloe.8Daar gaan we diamanten zoeken. Maar spreek er met niemand over, Marti!En als de onderneming lukt, zal ik je zooveel geld geven, dat je een eigen huisje kunt koopen....”»Ver in de Oeloe, heer?” vroeg Marti verschrikt. »Bij de koppensnellers?”»Juist,” beaamde Kees. »Maar jij en ik kunnen toch de koppensnellers wel aan? Wat beginnen ze tegen mijn nieuwe revolver, die zesmaal achtereen kan schieten? En je weet, Marti, elk schot is raak!”Marti liet zich echter zoo gauw niet overreden. En de Toean moest al zijn welsprekendheid te hulp roepen,eer zijn bediende hem beloofde, hem te zullen bijstaan. En zelfs na dit besluit bleef Marti van gevoelen, dat ze ongetwijfeld meer gevaren dan diamanten zouden vinden.En als Kees heel geestdriftig sprak over de snel te verwerven schatten, dan zweeg de trouwe Maleier of hij antwoordde met enkele voorzichtige, bijna ontnuchterende woorden.Te Pontianak maakte Kees de eerste toebereidselen voor de reis. Ze zouden de Kapoeas opvaren tot Sintang en van daar met de bidar9van eenen of anderen Chineeschen handelaar tot aan de Embalouw-rivier. Dan zouden ze verder gaan per djaloer, een kleine boot uit een boomstam gemaakt, die veel overeenkomst heeft met de bekende kano.En dan?1Holland.2bediende.3markt, winkelbuurt.4stroomversnelling.5De vruchten van de tengkawangboom leveren een kostbaar vet op.6winkels.7meneer.8binnenlanden.9groot roeivaartuig.

Alvorens we ons verhaal aanvangen, is het misschien niet ondienstig nog even een blik te slaan op de kaart van Nederlandsch-Indië.

We zien, hoe die eilandensnoeren zich slingeren om de linie. Merkt ge wel op, dat Borneo eigenlijk aller middelpunt is? hoe het bijna van alle kanten omvlochten wordt door eilandengordels?

En toch, al schijnt het door ligging en grootte (22 × Nederland!) het natuurlijk middelpunt, de kern van onze Oost, het is langen tijd het minst bekende, het minst betreden gebied van deze wondere wereld geweest. En nóg valt de sluier der geheimzinnigheid over duistere oerwouden en ongerepte wildernissen.

Tal van streken waren er vroeger in de binnenlanden, waar het slechts een enkele maal een Europeaan vergund was, een blik te slaan op de sprookjesachtige schoonheid van de oernatuur; en in de diepste diepten van het tropische woud en in de donkerste spelonken van Borneo’s bergstelsel heeft nog steeds nimmer een blanke den voet gezet.

Juist die raadselachtige geheimenissen van Borneo’snatuur zijn de oorzaak, dat meermalen wetenschappelijke expedities van de zeekust uit getracht hebben de stroomen op te roeien, de bergen over te trekken, diep in de wouden te boren.

Koene en ondernemende mannen hebben moeilijkheden van allerlei aard getrotseerd, om telkens een slipje te kunnen oplichten van dien geheimzinnigen sluier, die daar het wondere leven der tropische natuur verbergt; die óók verholen houdt de schatten van edele metalen en diamanten, welke er gedurende ongetelde eeuwen rusten in den schoot der aarde.

Hindernissen van allerlei aard! De natuur zelf schijnt gierig te zijn op haar schatten; onberekenbaar is zij, waar zij plotseling onverwachte versperringen opwerpt, die het voortgaan beletten. Haar wachters zijn de wilde dieren, die den reiziger bedreigen, en dikwijls ook de vijandelijke en bloeddorstige inboorlingen.En toch kan niets de mannen der wetenschap bewegen hun tochten te staken.

En wat is nu het practische gevolg? Wordt al die energie vruchteloos verspild?

Het antwoord wordt ons gegeven door een reeks zeer belangwekkende wetenschappelijke geschriften, en verder door de musea der Europeesche groote steden, waar schatten van natuur- en gebruiksvoorwerpen den Westerling verbaasd doen staan en hem een flauw begrip geven van deze onbekende wereld.

Niet alle reizigers echter trachten met wetenschappelijke bedoelingen in de binnenlanden van Borneo door te dringen. Er zijn er ook, die uitsluitend aangetrokken worden door het avontuurlijk leven in dewildernis; nog anderen gaan uit, om, alleen vergezeld van een enkel vertrouwd inboorling, te zoeken naar goud en diamanten, ten einde later in een meer beschaafde wereld, een rustig en gemakkelijk leven te kunnen leiden.

Het spreekt wel van zelf, dat de grootere plaatsen van Borneo bijna alle langs de kusten liggen. Zoo ook Pontianak.

Pontianak ligt op de Westkust, vlak onder den evenaar aan een der monden van de Kapoeas.

Na deze korte inleiding beginnen we ons verhaal.

Op de achtergalerij van een kleine Europeesche woning te Pontianak lag op zekeren avond in 188* een zieke in een gemakkelijken ruststoel en genoot van de avondkoelte, die aanwoei van over de zee.

De dag was als altijd heet geweest en zelfs voor gezonde menschen afmattend. Loodrecht had de zon haar stralen neer laten branden; gloeiend was zelfs de atmosfeer in de schaduw geweest; loodrecht was eindelijk de zon neergezonken; slechts enkele minuten had de schemering geduurd en nu, met den plotseling vallenden avond, brachten koele luchtstroomen wat verkwikking. De lang verbeide avondkoelte was een weldaad voor den zieke.

Gewoonlijk zat hij daar alleen.

Thans echter had hij gezelschap. Een oude makker, dien hij in lang niet gezien had, zat naast hem.

Voor Jan Verveer was het een groote vreugde, dat zijn vroegere wapenbroeder, Kees Smit, hem eindelijk weer eens had opgezocht.

Jan Verveer en Kees Smit; twee echte Hollandsche namen van twee echte Hollandsche jongens.

Beiden hadden ze in hoofdzaak denzelfden levensloop gehad. De lust tot zwerven was hun aangeboren. Reeds als kleine jongens brachten ze hun moeders in angst, als ze doelloos buiten het dorp rondzwierven en zich in uren niet lieten zien. Toen ze naar school gingen, werd het niet beter. In letters en sommen vonden ze niet veel behagen. Een leerplichtwet was er niet. Hun vaders schenen het te druk te hebben, om de gangen van de bengels na te gaan. Voor dezen waren bosschen en velden, duinen en heiden veel belangrijker dan de eerste beginselen der wetenschappen, welke meester op ’t zwarte bord ontwikkelde. Vrijwel ongestoord oefenden zij zich nu in het spijbelen, stukjes draaien, haagje loopen, of hoe de genialiteit van den Hollandschen straatjongen verder het moedwillig verzuimen van de school heeft betiteld. Toen ze voorgoed de schoolbanken verlaten hadden, wilde het met een ambacht al evenmin vlotten als met de sommen en taaloefeningen. Bij geen enkelen baas konden ze ’t uithouden; geen enkel vak vermocht de avontuurlijke jongens te boeien.

Ze moesten en zouden de wijde wereld in! Liefst naar Indië! Van dat wonderland hadden ze fantastische verhalen opgevangen.

Aangezien ze echter op school zoo bitter weinig geleerd hadden en hun vaders de middelen ontbraken, om de jongens hun schade nog te doen inhalen, was er weinig kans op het verkrijgen van een goed bezoldigde positie. Ook in Indië brengt niemandhet ver, die niet een behoorlijke dosis kennis heeft vergaderd.

Er was echter één uitkomst, die wonderwel strookte met hun avontuurlijken aard. Ze lieten zich te Harderwijk aanwerven als koloniaal, en vertrokken toen weldra naar hun land van belofte, waar ze het vaderland eenige jaren trouw dienden.

Na volbrachten diensttijd namen ze pensioen. Ze bleven in hun tweede vaderland en konden, nu ze geheel meester van hun tijd waren, een leven gaan leiden, dat met hun wenschen en droomen overeenkwam.

Ze bleven niet samen, net zoo min als ze als soldaat altijd samen waren geweest.

Ieder ontwierp zijn eigen plannen en volgde zijn eigen weg. Kruisten die wegen elkaar af en toe, des te beter. Dan was er gelegenheid, elkaar te onderhouden met het verhaal van hun lotgevallen en elkaar op te wekken tot nieuwe tochten en avonturen.

Kees Smit was al spoedig na het verlaten van den dienst in kennis gekomen met een Duitscher, die een zeer belangrijke opdracht had voor een groot museum te Berlijn. Hij moest namelijk allerlei voorwerpen, die hij de moeite waard achtte, verzamelen en verzenden naar Europa.

Het volvoeren van een dergelijke opdracht was volstrekt niet ieders werk.

Merkwaardige steensoorten moesten worden gezocht en gerangschikt; allerlei gebruiksvoorwerpen van de inlanders moesten worden verzameld met nauwkeurige beschrijving van bedoeling en gebruik. Nog verder echter strekte zijn taak. Vreemde planten moestenworden gedroogd, huiden toebereid, skeletten geprepareerd, in ’t kort, alles moest zoo worden behandeld, dat het niet meer aan bederf onderhevig was.

Dit vereischte natuurlijk kennis van allerlei aard, en al had Kees nu heel weinig schoolkennis opgedaan, hij had een vlug en bevattelijk verstand en was na eenige maanden even goed op de hoogte als zijn Duitsche metgezel.

Weken, maanden lang zwierven ze soms door de wildernissen, steeds vergezeld van één of meer inlanders, die hun instrumenten en veroverde schatten moesten dragen en hen verder bedienden.

Het samen trotseeren van allerlei moeilijkheden en gevaren had een hechte vriendschap doen ontstaan.

Des te zwaarder slag was het voor Kees Smit, toen zijn trouwe reismakker in het binnenland, ver van de beschaafde wereld, door een van die verraderlijke tropische ziekten werd aangetast en plotseling overleed.

Kees meende de nagedachtenis van zijn vriend niet beter te kunnen eeren, dan door diens taak trouwhartig voort te zetten. Het museum bestendigde hem gaarne in de opdracht, welke hij zich zelf had opgelegd. En nu was hij besloten, dit werk nog eenige jaren voort te zetten. Hij verdiende er goed geld mee, veel meer dan hij voor zich zelf noodig had.

En later—wanneer hij genoeg naar zijn zin zou hebben opgespaard—dan wilde hij terug naar Holland, terug naar het kleine vriendelijke dorpje zijner jeugd, om daar in vredige rust zijn laatste levensjaren te slijten.

Toen Jan Verveer zijn paspoort gekregen had, sloothij zich aan bij een wetenschappelijke expeditie, en door zijn betrekkelijk groote, voor een deel intuïtieve, terreinkennis had men gaarne en lang gebruik gemaakt van zijn diensten. Vervolgens was hij nog eens meegeweest met een gezelschap Engelsche jagers, die zijn speurzin en onverschrokkenheid evenzeer waardeerden. En eindelijk was hij op eigen gelegenheid gaan zwerven—als diamantzoeker.

Het onrustig en avontuurlijk leven had echter zijn krachtig gestel ondermijnd en nu vinden we hem daar te Pontianak, uitgeput en doodziek.Hemwas de illusie ontnomen, dat hij nog eens Hollands blanke duinen zou zien opdoemen uit de goudbestarrelde wateren der Noordzee, dat hij in het stille dorpje zijner geboorte uit zou rusten van zijn vermoeiend leven.

Rustenzou hij—maar onder de palmen van Insulinde.

Kees Smit, die evenals hij, na zijn reizen eenigen tijd te Pontianak vertoefde, vernam toevallig dat zijn oude vriend zich daar eveneens bevond en dat hij door een ernstige ziekte was aangetast.

Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken. En hij zag dadelijk, dat men hem helaas de waarheid voorspeld had; het zou de laatste maal zijn, dat hunne wegen zich kruisten.

Met zwakke stem begon de zieke te spreken en hij gaf zijn vriend nog eens den ouden vertrouwelijken bijnaam uit hun diensttijd:

»Lange, je ziet het wel; het loopt met mij af. Ik zal de Negeri-koud1niet meer terugzien.—Zit noumaar niet zoo sip te kijken. Er is voor mij geen kruid gewassen. En och, ik ben al aan het idee gewend. Maar ik ben heel blij, dat ik je nog één keer ontmoeten mag. Ik heb je nog iets heel belangrijks te zeggen. Je bent de vriend van mijn jongensjaren geweest en ook mijn eenige beste vriend in dit vreemde land. Ten slotte ben jij de eenige, die gedurende mijn ziekte naar me omkijkt. Nu wil ik jou nog een dienst bewijzen.”

Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken.Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken.

Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken.

Kees vond geen woorden en zat den zieke eenigen tijd met diep medelijden aan te kijken.

Deze vervolgde: »Weet je de Soengei Tekoeng?”

Kees zuchtte.

»Dat hangt er van af, welke je bedoelt,” zei hij. »Er zijn meer rivieren van dien naam in het binnenland.”

»Ik bedoel de zijrivier van de Soengei Sibaoe—weet je diè?”

»Ja,” zei Kees. »Ik weet ten minste, dat er Sibaoe-dajaks bestaan. Dat moeten geduchte koppensnellers zijn. Ik ben echter nooit in die streken geweest. Maar wat is er met die Soengei Tekoeng?”

»Nou, Lange, je moet dan weten, dat ik eens in het land der Sibaoe-dajaks geweest ben—die tusschen twee haakjes gemeene moordenaars zijn—. Ik heb daar in ’t gebergte in die kleine riviertjes heel wat diamanten gevonden. Maar toen ik er mee naar hier wilde gaan, bemerkte ik, dat die kerels me zeer vijandig werden, omdat ik die steentjes uit hun land haalde. Dat brengt hun ongeluk aan, zeggen ze. Ik heb toen het zakje met de steentjes verstopt en ben heimelijk gevlucht. Het was mijn plan, ze later eens te gaan halen, maar er is nooit iets van gekomen.... en nu komt er heelemaal niets meer van.” De zieke rustte even. »Nu zal ik je zeggen, waar ik ze verborgen heb. Er zijn meer dan genoeg, om jou in Holland een goed leventje te bezorgen.”

»Dat is mooi van je bedacht,” zei Kees. »Maar je familie?”

»Och, familie heb ik niet meer en joù gun ik ze het meest.”

»Welnu, laat dan eens hooren. Maar—kan niemand ons beluisteren? Daar net liep ik je jongen2tegen ’t lijf. Wil ik eens even rondzien, of....”

Kees had zachtjes gesproken en keek behoedzaam buiten de galerij.

Doch de zieke maakte een geruststellende bewegingmet de hand. »Mijn jongen, een Maleier, een handige en vertrouwde kerel, is uit en komt vooreerst niet terug. Hij gaat inkoopen doen op den passer.3En dan, juist omdat jij er bent, heb ik hem een paar uren vrij gegeven. Je hebt immers den tijd? Hij heeft me goed opgepast, en heel weinig vrij gehad de laatste weken. Bovendien, ik moèst hem wel wegsturen, want mijn geheim moet veilig zijn....”

Nog even, argwanend, spiedde Kees in de duisternis. Doch er was niets, dat ongerustheid kon wekken.

De zieke begon, terwijl Kees Smit voor alle zekerheid eenige namen in zijn zakboekje aanteekende:

»Je moet de Soengei Tekoeng opvaren, tot je bij een groote riam4komt. Dan zie je op den rechteroever een hoogen tengkawangboom5staan. In dien boom heb ik een merk gekapt en onder de wortels, in een kleine holte, het zakje verstopt.”

»Mooi,” zei Kees. »Maar hoe kom ik het best bij die Tekoeng?”

»Je moet niet door het land der Sibaoe-dajaks gaan. Afgezien van hun moordlust zijn er nog andere bezwaren. De Sibaoe-rivier stroomt door een streek met uitgestrekte moerassen, waaruit gevaarlijke dampen opstijgen. Het is daar zeer ongezond. Bovendien is er een waterval, die je het voortgaan gewóónlijk onmogelijk maakt....

Je moet door het land der Kenjaoe-dajaks. Je vaart eerst de Kapoeas op, vervolgens de Embalouw-rivier en daarna de Kenjaoe. Een bezwaar is, dat je danover het Lawitgebergte moet trekken. Maar die weg lijkt me veel veiliger. En dan moet je probeeren, een paar Kenjaoe-dajaks mee te krijgen; die zijn goed te vertrouwen.

Ben je op die manier eenmaal in het land der Sibaoe-dajaks gekomen, dan moet je niet denken, dat je de diamanten ineens maar hebt. Het gevaarlijkste komt dan nog. Ik waarschuw je nog eens: die Sibaoe-dajaks zijn buitengewoon moordzuchtig en bovendien willen ze nu eenmaal niet, dat je in hun land diamanten zoekt. Zorg dus, dat je je oogmerk zoo angstvallig mogelijk verborgen houdt.”

Deze lange uiteenzetting had den zieke ten zeerste afgemat. Uitgeput zonk hij achterover in zijn ligstoel en sloot geruimen tijd de oogen.

Kees Smit bleef stil zitten. Allerlei gedachten doorkruisten zijn brein, terwijl hij het ingevallen gelaat van zijn vriend gadesloeg. Het was duidelijk voor hem, dat diens levensuurwerk snel afliep. En het smartte hem diep, dat hij den makker zijner jeugd moest missen, hier, in dit vreemde land, dat hij lief had gekregen—niet zoo lief echter als zijn eigen dierbare geboortegrond hem was.

En dan—die eigenaardige uiterste wilsbeschikking! De moordzucht der Dajaks! al die gevaren! Zijn gezicht stond steeds bedenkelijker. Hij streek zich met de hand over het voorhoofd, als om orde in zijn gedachten te brengen. In ieder geval zou hij de zaak rijpelijk overwegen, alvorens een bepaald besluit te nemen.

Terwijl Verveer even sluimerde en Smit in gedachtenverdiept zat, rees in de duistere binnengalerij onhoorbaar een man op uit zijn gehurkte houding en sloop met schitterende oogen en een zelfvoldanen glimlach naar buiten. Het was Amat, de bediende van Verveer, die nu pas zijn boodschappen ging doen. Zijn meester had hem zóó nadrukkelijk weg willen hebben en zóó herhaaldelijk over het onverwachte bezoek gepraat, dat de sluwe Amat achterdochtig was geworden. Hij móest en hij zóu weten, wat die twee te verhandelen hadden.

Thans wist hij het ....

Blijde stapte hij voort naar de toko’s.6En hij maakte alvast plannen. Allereerst zou hij zich zooveel mogelijk aan de oogen van den bezoeker onttrekken. Deze moest hem later liefst niet herkennen. En dan zou hij dien Toean7Smit in de gaten houden—Amat wou óók wel graag rijk zijn—.

Smit bleef Verveer den ganschen avond gezelschap houden. Af en toe sluimerde de zieke en had dan weer eenige krachten verzameld, om zich nog eens te verdiepen in de oude herinneringen. Er lag in hun samenzijn iets van den weemoed, waarmee de ondergaande zon haar laatste stralen werpt over een herfstlandschap. Een zachte goudgloed werpt ze over de stervende natuur en baadt alles in een geheimzinnigen luister, die het leven met den dood verzoent. Zoo gaf het vriendelijk schijnsel der herinneringen het samenzijn dezer twee menschen een ernstige wijding.

Heel laat in den avond kwam de bediende thuis en de mannen hoorden hem door debinnengalerijloopen.

»Daar is Amat,” zei Verveer.

»Dan zal ik maar eens opstappen,” besloot Kees.»’t Is al laat. Goeden avond, en het beste—en dank je wel ....”

De mannen wisselden een blik van verstandhouding. Toen ging Kees Smit zijn logies opzoeken.

Nog slechts eenmaal kon hij Verveer bezoeken. Van een geregeld gesprek was nu geen sprake meer. De dood waarde in de galerij, waar ze voor de laatste maal bijeen zaten.

In den daarop volgenden nacht overleed Verveer.

Kees bleef nog in Pontianak tot na de begrafenis. Toen keerde hij weer terug naar zijn huiden en skeletten. Hij had groote bestellingen en er zouden vele maanden gemoeid zijn met het uitvoeren daarvan. Er was dus geen denken aan, dat hij onmiddellijk den tocht naar de Sibaoe’s zou kunnen aanvaarden. Te meer, daar hij voor dien tocht veel geld zou moeten uitgeven en daarom nù geen winstgevende zaak mocht laten loopen.

Het verhaal van Verveer wilde hem echter niet met rust laten. Onophoudelijk spookten hem allerlei overleggingen door het hoofd. In het eerst meende hij niets te zien dan bezwaren. Langzamerhand begon hij deze lichter te tellen. En hoe meer de tijd naderde, dat hij zijn bestellingen moest afleveren, des te vaster werd zijn voornemen, des te omlijnder werden zijn plannen. Hij was gewend met moeilijkheden te worstelen, allerlei hindernissen der wildernis te trotseeren. Dit nieuwe avontuur had ongemeene bekoring voor hemen eindelijk stond het vast: hij zou al zijn krachten inspannen om de kostbare edelgesteenten te bemachtigen.

Toen zijn bestellingen in orde waren, ontsloeg hij al zijn bedienden, behalve één, n.l. Marti. Marti had al zeer vele tochten met hem meegedaan; Marti was in de rustpoozen zijn huisbediende geweest; Marti, een Dajak, die tot den islam bekeerd was, had hij langzamerhand ten volle leeren vertrouwen.

En hij vroeg hem:

»Marti, heb je lust, om zoo maarineensrijk te worden?”

Deze keek zijn meester verwonderd aan. Hoe kon Toean dàt nog vragen? Natuurlijk zou hij graag ineens rijk zijn—dan kon hij in de kampong, waar hij geboren was, een eigen huisje koopen....

»Nu dan—dan neem ik je mee ver in de Oeloe.8Daar gaan we diamanten zoeken. Maar spreek er met niemand over, Marti!

En als de onderneming lukt, zal ik je zooveel geld geven, dat je een eigen huisje kunt koopen....”

»Ver in de Oeloe, heer?” vroeg Marti verschrikt. »Bij de koppensnellers?”

»Juist,” beaamde Kees. »Maar jij en ik kunnen toch de koppensnellers wel aan? Wat beginnen ze tegen mijn nieuwe revolver, die zesmaal achtereen kan schieten? En je weet, Marti, elk schot is raak!”

Marti liet zich echter zoo gauw niet overreden. En de Toean moest al zijn welsprekendheid te hulp roepen,eer zijn bediende hem beloofde, hem te zullen bijstaan. En zelfs na dit besluit bleef Marti van gevoelen, dat ze ongetwijfeld meer gevaren dan diamanten zouden vinden.

En als Kees heel geestdriftig sprak over de snel te verwerven schatten, dan zweeg de trouwe Maleier of hij antwoordde met enkele voorzichtige, bijna ontnuchterende woorden.

Te Pontianak maakte Kees de eerste toebereidselen voor de reis. Ze zouden de Kapoeas opvaren tot Sintang en van daar met de bidar9van eenen of anderen Chineeschen handelaar tot aan de Embalouw-rivier. Dan zouden ze verder gaan per djaloer, een kleine boot uit een boomstam gemaakt, die veel overeenkomst heeft met de bekende kano.

En dan?

1Holland.2bediende.3markt, winkelbuurt.4stroomversnelling.5De vruchten van de tengkawangboom leveren een kostbaar vet op.6winkels.7meneer.8binnenlanden.9groot roeivaartuig.

1Holland.

2bediende.

3markt, winkelbuurt.

4stroomversnelling.

5De vruchten van de tengkawangboom leveren een kostbaar vet op.

6winkels.

7meneer.

8binnenlanden.

9groot roeivaartuig.

II. Op weg!Over de Kenjaoe-rivier voer een djaloer, die stroom opwaarts geroeid werd door een stoeren Maleier.De stuurman van het ranke vaartuigje was een blanke. Deze was gekleed in een blauw katoenen pak; zijn beenen waren omwikkeld met beenwindsels, teneinde ze te behoeden tegen den beet van insecten; op zijn hoofd droeg hij een breedgeranden, slappen stroohoed.De Maleier droeg op het naakte lijf slechts een vuilwitte pantalon; een zwart fluweelen mutsje, zooals de Maleiers gewoonlijk dragen, dekte zijn hoofd.Diep zakte het ranke vaartuigje in het water weg, slechts enkele centimeters bleven de boorden boven de oppervlakte. Het was dan ook zwaar geladen. De beide mannen hadden nogal veel bagage bij zich. Men zag enkele petroleumblikken, die thans den dienst van reistasschen vervulden, een zwaar jachtgeweer en ten slotte een paar groote Dajaksche kapmessen of »parangs”, die de reizigers een weg door het oerwoud moesten helpen banen.Op de Kenjaoe-rivier voer een djaloer.Op de Kenjaoe-rivier voer een djaloer.Moeizaam pagaaide de Maleier met een dajong1het ranke vaartuigje tegen den stroom op, terwijl de Europeaan, achterin gezeten, bij de talrijke en vaak zeer scherpe bochten van de rivier de djaloer behendig om de hoeken stuurde.Waar het vaarwater een eind rechtuit liep, hielp hij een handje met roeien en dan schoot het lichte dingineensveel sneller voort.Een echte Borneosche boschrivier, die Kenjaoe.Het water was donkerbruin, bijna zwart. Tal van takken en massa’s bladeren, die van de overhangende boomkruinen waren neergestort, werden door den stroom meegevoerd.Zwijgend gleden ze voort over het donkere water.Geen menschelijk wezen was overigens te bespeuren. Verlaten lag daar de stroom; verlaten schenen de wildernissen langs den oever. Slechts nu en dan hoorde men door de stilte de geluiden van een paar vogels en het geschreeuw van een paar apen. Dan heerschte weer het geheimzinnig zwijgen van de ongerepte oernatuur.Met veel moeite en overleg stuurde Kees Smit de djaloer weer een hoek om. Weer lag een recht gedeelte van de rivier voor hem. Hij behoefde nu eenige oogenblikken niet zoo angstvallig op te letten en om de drukkende stilte te verbreken, zei hij:»Er zijn heel wat bochten, Marti, en de stroom is sterk.”»Ja, Toean,” antwoordde Marti. »De rivier is moeilijk te bevaren voor twee man. En het zal nog wel erger worden, als we de riams bereiken en er groote steenen in het vaarwater beginnen te komen.”»Bovendien zie ik, dat de oevers hooger worden. We naderen het gebergte, Marti. Dan wordt de rivier smaller en de stroom sterker. We hebben tot nu toe weinig last gehad van boomstammen, maar die kunnen ons ook nog genoeg plagen.”»Ja, heer,” antwoordde Marti en zweeg toen weer. Spraakzaam was hij nooit, en nu had hij al zijn aandacht noodig voor een nieuwe bocht in de rivier.Ook Smit zweeg, om den dajong krachtiger te kunnen hanteeren.Een vol uur ging voorbij in moeizamen arbeid. Toen hervatte Kees:»Zou het nog lang duren, voor we aan land moeten gaan? Dat kan dunkt me niet, want de oevers worden steeds hooger. En zoodra het terrein beslist bergachtig wordt, moeten we de djaloer aan den kant vastleggen en gaan loopen.”Marti had in dienst van jagers en onderzoekers en later van Smit, reeds vele boschrivieren bevaren. Hij kende de beteekenis van elk verschijnsel aan den oever of op het water. En toen hij, na de laatste opmerking van Kees, nog eens nauwkeurig had rondgespied, antwoordde hij:»Ik reken hoogstens nog op twee dagen, heer. Dan zullen we wel ongeveer de aanlegplaatsen der Kenjaoe-dajaks bereikt hebben. Daar kunnen we het best aan land gaan. Ik heb gehoord, dat ze nog al veel dorpen hebben. Daar zullen we dan ook wel voetpaden vinden.”»Ja, die zijn er zonder twijfel, Marti, daar kunnen we vast op rekenen. Konden we er maar even zeker op aan, dat er ook een goed pad over het gebergte voert. Maar ik vrees, dat juist het gebergte ons de meeste hindernissen zal bezorgen.”»Dat vrees ik ook, Toean,” sprak Marti.»Doch moeilijkheden zijn er om te overwinnen, en dàn, Marti, dan zijn we rijk!” riep Kees vroolijk.»Misschien heer!” antwoordde de bedachtzame Marti. Weer roeiden ze zwijgend voort, tot Marti riep: »Een boomstam!”Midden over de rivier lag een zware boom, die den weg geheel versperde. Haastig legden ze hun bootje langs den stam aan. Beiden keken uit, of er ook een doorgang was, doch ze konden niets bespeuren.»We moeten er uit!” riep Kees.»Ja, heer,” antwoordde Marti en stapte voorzichtig uit de djaloer op den boomstam. Kees volgde en nu schoven ze met vereende krachten het vaartuigje over de hindernis.Weldra zaten ze weer in het bootje en roeiden onverdroten verder.»Het zal een heele toer zijn, met dezen lagen waterstand de rivier op te komen. We kunnen bovendien nog veel last van zulke boomen krijgen, vóór we aan land kunnen gaan,” zei Kees»En van groote steenen ook,” voegde Marti eraan toe.Maar Kees was de moeilijkheden al gauw weer vergeten en verdiepte zich weer in zijngeliefkoosdedroomen over de te vinden diamanten en bouwde zich luchtkasteelen van ongekende schoonheid.Zijn mooie droomen hielden hem zoozeer gevangen, dat hij de werkelijkheid om zich heen vergat; hij bemerkte niet eens, dat de zon reeds sterk begon te dalen, dat de duisternis begon te heerschen in het dichte oerwoud. Plotseling werd hij opgeschrikt door de stem van Marti:»Het wordt avond, heer. Zouden we niet beter doen, hier aan te leggen, om te overnachten? De oever ishier hoog en biedt een geschikte aanlegplaats. We moeten toch nog koken ook.”Kees zag eens rond en terwijl hij de djaloer naar den wal stuurde, antwoordde hij:»Ja, het is hier wel goed; laat ons hier van nacht maar blijven.”Beiden gingen nu aan land en Marti maakte met een dunne rottan het bootje aan een overhangenden tak vast, doch zóó, dat de djaloer gelegenheid had, met het water te rijzen of te dalen, zonder te worden omvergetrokken.Kees haalde de trommels op den wal en keek zijn geweer eens na; Marti lei vuur aan en ging in een pannetje rijst koken. Terwijl hun maaltijd te vuur stond, kapten zij twijgjes en bladeren, die voor legerstede moesten dienen. Boven het hoofdeinde maakten ze van grootere takken een afdakje. Kees verkende nu nog even de naaste omgeving, doch nergens was eenig spoor van menschelijk leven te bespeuren.Toen de beide mannen gegeten hadden, legden ze zich neer om te gaan slapen. In het bosch heerschte nu een ondoordringbare duisternis. Alleen over de rivier hing de lichte schijn van de stralende sterrenwereld, welke hoog, hoog boven deze sombere wildernis haar majestueuze schoonheid ontvouwde.Langen tijd bleef Kees nog wakker liggen. Hij luisterde naar de geluiden, die uit de wildernis tot hem kwamen. Hij was het leven in de bosschen nu al zoovele jaren gewend en ontelbare keeren had hij, zooals thans, in het woud moeten overnachten. Nimmer echter had hij er volkomen aan kunnen gewennen.Elke nacht gaf hem weer die vreemde, beknellende gewaarwording. Dat concert van die duizenden insecten; dat gekrijsch van de apen; dat eigenaardig schuivende geluid van die voorbijstroomende rivier; hij had deze stemmen van den tropischen nacht reeds zoo dikwijls beluisterd. En toch wekten ze steeds weer in zijn gemoed die vage angst, dat heimwee naar den lichtenden dag.Daar ritselde het achter hem in het bosch!.... »Dajaks!” vloog hem door ’t hoofd. Maar neen, dat was toch zoo goed als onmogelijk. »Dan een slang!” Een huivering liep hem door de leden.... Een oogenblik lag hij doodstil. Hij hield den adem in, de hand uitgestrekt naar de naast hem liggende parang. Hij hoorde echter niets verdachts meer. Toen richtte hij zich op en trachtte om zich heen te zien. Op eenigen afstand schemerde een groenige lichtglans; maar dat was niets, want deze werd veroorzaakt door zwammen op een boomstam. Dat wist hij. Gerustgesteld strekte hij zich weer uit op zijn eenvoudig bed en viel ten slotte door vermoeidheid overmand in slaap.Nauwelijks was het den volgenden morgen licht geworden, of Marti ontwaakte en begon vuur te maken om rijst te kunnen koken. Weldra werd ook Kees wakker. Hij begaf zich naar de rivier om zich te wasschen en eens naar de djaloer te zien. Deze was er nog. Alleen bleek het water nog meer gezakt te zijn, zoodat de tocht dien dag nog grooter moeilijkheden zou opleveren.Weldra was hun maaltijd gereed. Ze verzadigden zich en brachten de rest in de djaloer voor onderweg.Korten tijd later roeiden ze weer met moed tegen den stroom van de Kenjaoe-rivier op.De oevers werden steeds heuvelachtiger. Groote steenen op den bodem der rivier staken hier en daar boven het watervlak uit. Steeds sterker werd de stroom. De grootste moeite hadden de beide mannen, vooral in de bochten, om de kleine boot te vrijwaren voor een botsing tegen de steil afgeschuurde steenwanden van den oever.Ofschoon het werk daardoor veel zwaarder werd, betreurden ze dit verschijnsel niet. Zij wisten, dat ze nu het hoogland naderden. Alleen in het hoogland heeft de rivier hooge, rotsige, steil afgeschuurde oevers.Tegen den middag bereikten ze de eerste stroomversnelling, gevormd door een laag steenen, welke dwars over de rivier lag. Met veel moeite gelukte het hun, de djaloer er over heen te krijgen.Eenigen tijd later legden ze op een geschikte plaats aan, om er te rusten en te eten.Toen ze gegeten hadden, stak Kees een pijp op en Marti rolde een strootje2. De laatste vroeg:»Weet u precies den weg naar het land der Sibaoe-dajaks of moet u dien nog vernemen?”»Eigenlijk weet ik het nog niet. Ik hoop bij de Kenjaoe’s gidsen en dragers te kunnen huren, die ons door ’t gebergte zullen brengen.”»Is dat de eenige weg?” vroeg Marti verder.»Neen, er is ook nog een weg langs de SoengeiSibaoe, maar die is mij ontraden. Die rivier loopt door uitgestrekte moerassen, waar het zeer ongezond is. Onze eerste zorg moet nu zijn, bij die Sibaoe-dajaks te komen; van hen hooren we dan misschien wel iets over een anderen terugweg.”»Die Sibaoe’s zijn beruchte koppensnellers,” zei Marti droogjes, »misschien komen we wel in ’t geheel niet terug.”»Ik heb ook gehoord, dat ze groote sneltochten ondernemen. Toch ben ik niet bang, dat ze mij zullen snellen. Ik heb mijn geweer en mijn revolver. Bovendien zijn ze er bang voor, een blanke te vermoorden.”»Dat is wel mogelijk, heer,” zei Marti met een bedenkelijk gezicht, »maarikben geen blanke en ik vrees, dat mijn hoofd niet zoo heel stevig op mijn schouders zal staan, als ik in handen van die Dajaks val.”»Je wilt me toch niet in den steek laten, Marti?” vroeg Kees een beetje ongerust. Als zijn trouwe helper niet meeging, zou het voor hem zoo goed als ondoenlijk zijn, de tocht door te zetten.»Neen, heer, ik zal medegaan, maar ik vrees, dat het niet goed met ons zal afloopen,” zei Marti somber.»Het eenige, waar ik bang voor ben,” zei Kees, »is, dat er oorlog zal zijn tusschen de stammen. Dan zal ik geen gidsen en dragers kunnen krijgen en mijn doel langs dezen weg niet bereiken.”»Indien er oorlog was in de bovenstreken, zouden wij het bij den aanvang van onzen tocht wel gehoord hebben,” meende Marti.»Mochten we bij de Kenjaoe’s vernemen, dat eroorlog is, dan beloof ik je, dat we terug zullen keeren,” besloot Kees.Marti hoopte in stilte, dat er dan maar oorlog mocht zijn, want hij voelde niet veel geestdrift voor die onderneming.»Marti, vertel me eens, hoe komt het toch, dat je zoo opziet tegen deze reis? Je bent nog nooit bang geweest en nu is het net, alsof je geen durf meer hebt. Hoe ben je toch zoo zwaartillend?” informeerde Kees.»Ik heb heel slechte voorteekens gehad, heer, toen we deze reis aanvingen. Ik had een droom, die bloed voorspelde; en de teekens der vogels waren ook zeer ongunstig. Dat heb ik u toch dadelijk gezegd, maar u lachte er om. De blanken gelooven nu eenmaal niet aan onze voorteekens.”»Neen, Marti, aan zulke dingen gelooven wij niet meer. Maar ik dacht, dat jij aan die Dajaksche voorteekens ook niet meer geloofde; je bent nu toch Mohammedaan en geen Dajak meer.”»Ik heb te dikwijls gezien, dat de voorteekens uitkomen, heer.”»Je bent nog een echte heiden, Marti,” lachte Kees.»Neen, heer, dat ben ik niet meer. Als ik nog een echte heiden was, dan zou ik zeker niet zijn meegegaan. Daarvoor waren de voorteekens veel te slecht. Toch geloof ik vast en zeker, dat deze onderneming zal mislukken.”»Kom, Marti, wees nu niet zoo dom! Over een paar weken zit je in een mooi huisje in de kampong en dan heb je verder een prettig leventje.”»Ik ben maar een domme man, heer, maar ik kantoch nog niet gelooven aan al dat moois,” zei Marti, die toch onwillekeurig moest glimlachen bij de luchthartige woorden van Kees.»Het wordt tijd om verder te gaan, Marti,” zei deze en hij maakte zich gereed om in de djaloer te stappen.Weldra zaten de beide mannen op hun plaats in het bootje en roeiden weer uit alle macht tegen den stroom op.De moeilijkheden werden steeds talrijker en grooter en de reizigers begrepen weldra, dat de rivier spoedig onbevaarbaar zou worden bij dezen waterstand. Zelfs moesten ze meermalen de djaloer aan land trekken en een eindweegs langs den oever voortsleepen.Zoo was het al middag geworden en nog liet zich de zoo lang verwachte landingsplaats of »pangkalan” niet zien.Toen ze de hoop om deze spoedig te vinden reeds weer opgaven, bemerkten ze, dat de eene oever wat lager begon te worden. Marti opperde het vermoeden, dat men het doel nu waarschijnlijk begon te naderen.Toen ze weer met alle inspanning een hoek waren omgeworsteld, slaakte hij dan ook plotseling een vreugdekreet: »De pangkalan!”Hij wees naar den Zuidelijken oever en begon in zijn blijdschap woest te pagaaien.In een flauwe bocht der rivier zag Kees nu ook een zestal djaloers liggen en onwillekeurig begon hij krachtig mede te roeien, om des te sneller aan de landingsplaats te komen.Weldra schoot de djaloer tusschen de andere vaartuigjesin en zat met den kop vast in de zachte modder van den, op die plek, lagen oever.Spoedig stonden Kees en Marti op den wal. Zij waren in het land der Kenjaoe-dajaks.1pagaai.2inlandsche sigaret.

Over de Kenjaoe-rivier voer een djaloer, die stroom opwaarts geroeid werd door een stoeren Maleier.

De stuurman van het ranke vaartuigje was een blanke. Deze was gekleed in een blauw katoenen pak; zijn beenen waren omwikkeld met beenwindsels, teneinde ze te behoeden tegen den beet van insecten; op zijn hoofd droeg hij een breedgeranden, slappen stroohoed.

De Maleier droeg op het naakte lijf slechts een vuilwitte pantalon; een zwart fluweelen mutsje, zooals de Maleiers gewoonlijk dragen, dekte zijn hoofd.

Diep zakte het ranke vaartuigje in het water weg, slechts enkele centimeters bleven de boorden boven de oppervlakte. Het was dan ook zwaar geladen. De beide mannen hadden nogal veel bagage bij zich. Men zag enkele petroleumblikken, die thans den dienst van reistasschen vervulden, een zwaar jachtgeweer en ten slotte een paar groote Dajaksche kapmessen of »parangs”, die de reizigers een weg door het oerwoud moesten helpen banen.

Op de Kenjaoe-rivier voer een djaloer.Op de Kenjaoe-rivier voer een djaloer.

Op de Kenjaoe-rivier voer een djaloer.

Moeizaam pagaaide de Maleier met een dajong1het ranke vaartuigje tegen den stroom op, terwijl de Europeaan, achterin gezeten, bij de talrijke en vaak zeer scherpe bochten van de rivier de djaloer behendig om de hoeken stuurde.

Waar het vaarwater een eind rechtuit liep, hielp hij een handje met roeien en dan schoot het lichte dingineensveel sneller voort.

Een echte Borneosche boschrivier, die Kenjaoe.

Het water was donkerbruin, bijna zwart. Tal van takken en massa’s bladeren, die van de overhangende boomkruinen waren neergestort, werden door den stroom meegevoerd.

Zwijgend gleden ze voort over het donkere water.

Geen menschelijk wezen was overigens te bespeuren. Verlaten lag daar de stroom; verlaten schenen de wildernissen langs den oever. Slechts nu en dan hoorde men door de stilte de geluiden van een paar vogels en het geschreeuw van een paar apen. Dan heerschte weer het geheimzinnig zwijgen van de ongerepte oernatuur.

Met veel moeite en overleg stuurde Kees Smit de djaloer weer een hoek om. Weer lag een recht gedeelte van de rivier voor hem. Hij behoefde nu eenige oogenblikken niet zoo angstvallig op te letten en om de drukkende stilte te verbreken, zei hij:

»Er zijn heel wat bochten, Marti, en de stroom is sterk.”

»Ja, Toean,” antwoordde Marti. »De rivier is moeilijk te bevaren voor twee man. En het zal nog wel erger worden, als we de riams bereiken en er groote steenen in het vaarwater beginnen te komen.”

»Bovendien zie ik, dat de oevers hooger worden. We naderen het gebergte, Marti. Dan wordt de rivier smaller en de stroom sterker. We hebben tot nu toe weinig last gehad van boomstammen, maar die kunnen ons ook nog genoeg plagen.”

»Ja, heer,” antwoordde Marti en zweeg toen weer. Spraakzaam was hij nooit, en nu had hij al zijn aandacht noodig voor een nieuwe bocht in de rivier.

Ook Smit zweeg, om den dajong krachtiger te kunnen hanteeren.

Een vol uur ging voorbij in moeizamen arbeid. Toen hervatte Kees:

»Zou het nog lang duren, voor we aan land moeten gaan? Dat kan dunkt me niet, want de oevers worden steeds hooger. En zoodra het terrein beslist bergachtig wordt, moeten we de djaloer aan den kant vastleggen en gaan loopen.”

Marti had in dienst van jagers en onderzoekers en later van Smit, reeds vele boschrivieren bevaren. Hij kende de beteekenis van elk verschijnsel aan den oever of op het water. En toen hij, na de laatste opmerking van Kees, nog eens nauwkeurig had rondgespied, antwoordde hij:

»Ik reken hoogstens nog op twee dagen, heer. Dan zullen we wel ongeveer de aanlegplaatsen der Kenjaoe-dajaks bereikt hebben. Daar kunnen we het best aan land gaan. Ik heb gehoord, dat ze nog al veel dorpen hebben. Daar zullen we dan ook wel voetpaden vinden.”

»Ja, die zijn er zonder twijfel, Marti, daar kunnen we vast op rekenen. Konden we er maar even zeker op aan, dat er ook een goed pad over het gebergte voert. Maar ik vrees, dat juist het gebergte ons de meeste hindernissen zal bezorgen.”

»Dat vrees ik ook, Toean,” sprak Marti.

»Doch moeilijkheden zijn er om te overwinnen, en dàn, Marti, dan zijn we rijk!” riep Kees vroolijk.

»Misschien heer!” antwoordde de bedachtzame Marti. Weer roeiden ze zwijgend voort, tot Marti riep: »Een boomstam!”

Midden over de rivier lag een zware boom, die den weg geheel versperde. Haastig legden ze hun bootje langs den stam aan. Beiden keken uit, of er ook een doorgang was, doch ze konden niets bespeuren.

»We moeten er uit!” riep Kees.

»Ja, heer,” antwoordde Marti en stapte voorzichtig uit de djaloer op den boomstam. Kees volgde en nu schoven ze met vereende krachten het vaartuigje over de hindernis.

Weldra zaten ze weer in het bootje en roeiden onverdroten verder.

»Het zal een heele toer zijn, met dezen lagen waterstand de rivier op te komen. We kunnen bovendien nog veel last van zulke boomen krijgen, vóór we aan land kunnen gaan,” zei Kees

»En van groote steenen ook,” voegde Marti eraan toe.

Maar Kees was de moeilijkheden al gauw weer vergeten en verdiepte zich weer in zijngeliefkoosdedroomen over de te vinden diamanten en bouwde zich luchtkasteelen van ongekende schoonheid.

Zijn mooie droomen hielden hem zoozeer gevangen, dat hij de werkelijkheid om zich heen vergat; hij bemerkte niet eens, dat de zon reeds sterk begon te dalen, dat de duisternis begon te heerschen in het dichte oerwoud. Plotseling werd hij opgeschrikt door de stem van Marti:

»Het wordt avond, heer. Zouden we niet beter doen, hier aan te leggen, om te overnachten? De oever ishier hoog en biedt een geschikte aanlegplaats. We moeten toch nog koken ook.”

Kees zag eens rond en terwijl hij de djaloer naar den wal stuurde, antwoordde hij:

»Ja, het is hier wel goed; laat ons hier van nacht maar blijven.”

Beiden gingen nu aan land en Marti maakte met een dunne rottan het bootje aan een overhangenden tak vast, doch zóó, dat de djaloer gelegenheid had, met het water te rijzen of te dalen, zonder te worden omvergetrokken.

Kees haalde de trommels op den wal en keek zijn geweer eens na; Marti lei vuur aan en ging in een pannetje rijst koken. Terwijl hun maaltijd te vuur stond, kapten zij twijgjes en bladeren, die voor legerstede moesten dienen. Boven het hoofdeinde maakten ze van grootere takken een afdakje. Kees verkende nu nog even de naaste omgeving, doch nergens was eenig spoor van menschelijk leven te bespeuren.

Toen de beide mannen gegeten hadden, legden ze zich neer om te gaan slapen. In het bosch heerschte nu een ondoordringbare duisternis. Alleen over de rivier hing de lichte schijn van de stralende sterrenwereld, welke hoog, hoog boven deze sombere wildernis haar majestueuze schoonheid ontvouwde.

Langen tijd bleef Kees nog wakker liggen. Hij luisterde naar de geluiden, die uit de wildernis tot hem kwamen. Hij was het leven in de bosschen nu al zoovele jaren gewend en ontelbare keeren had hij, zooals thans, in het woud moeten overnachten. Nimmer echter had hij er volkomen aan kunnen gewennen.Elke nacht gaf hem weer die vreemde, beknellende gewaarwording. Dat concert van die duizenden insecten; dat gekrijsch van de apen; dat eigenaardig schuivende geluid van die voorbijstroomende rivier; hij had deze stemmen van den tropischen nacht reeds zoo dikwijls beluisterd. En toch wekten ze steeds weer in zijn gemoed die vage angst, dat heimwee naar den lichtenden dag.

Daar ritselde het achter hem in het bosch!.... »Dajaks!” vloog hem door ’t hoofd. Maar neen, dat was toch zoo goed als onmogelijk. »Dan een slang!” Een huivering liep hem door de leden.... Een oogenblik lag hij doodstil. Hij hield den adem in, de hand uitgestrekt naar de naast hem liggende parang. Hij hoorde echter niets verdachts meer. Toen richtte hij zich op en trachtte om zich heen te zien. Op eenigen afstand schemerde een groenige lichtglans; maar dat was niets, want deze werd veroorzaakt door zwammen op een boomstam. Dat wist hij. Gerustgesteld strekte hij zich weer uit op zijn eenvoudig bed en viel ten slotte door vermoeidheid overmand in slaap.

Nauwelijks was het den volgenden morgen licht geworden, of Marti ontwaakte en begon vuur te maken om rijst te kunnen koken. Weldra werd ook Kees wakker. Hij begaf zich naar de rivier om zich te wasschen en eens naar de djaloer te zien. Deze was er nog. Alleen bleek het water nog meer gezakt te zijn, zoodat de tocht dien dag nog grooter moeilijkheden zou opleveren.

Weldra was hun maaltijd gereed. Ze verzadigden zich en brachten de rest in de djaloer voor onderweg.

Korten tijd later roeiden ze weer met moed tegen den stroom van de Kenjaoe-rivier op.

De oevers werden steeds heuvelachtiger. Groote steenen op den bodem der rivier staken hier en daar boven het watervlak uit. Steeds sterker werd de stroom. De grootste moeite hadden de beide mannen, vooral in de bochten, om de kleine boot te vrijwaren voor een botsing tegen de steil afgeschuurde steenwanden van den oever.

Ofschoon het werk daardoor veel zwaarder werd, betreurden ze dit verschijnsel niet. Zij wisten, dat ze nu het hoogland naderden. Alleen in het hoogland heeft de rivier hooge, rotsige, steil afgeschuurde oevers.

Tegen den middag bereikten ze de eerste stroomversnelling, gevormd door een laag steenen, welke dwars over de rivier lag. Met veel moeite gelukte het hun, de djaloer er over heen te krijgen.

Eenigen tijd later legden ze op een geschikte plaats aan, om er te rusten en te eten.

Toen ze gegeten hadden, stak Kees een pijp op en Marti rolde een strootje2. De laatste vroeg:

»Weet u precies den weg naar het land der Sibaoe-dajaks of moet u dien nog vernemen?”

»Eigenlijk weet ik het nog niet. Ik hoop bij de Kenjaoe’s gidsen en dragers te kunnen huren, die ons door ’t gebergte zullen brengen.”

»Is dat de eenige weg?” vroeg Marti verder.

»Neen, er is ook nog een weg langs de SoengeiSibaoe, maar die is mij ontraden. Die rivier loopt door uitgestrekte moerassen, waar het zeer ongezond is. Onze eerste zorg moet nu zijn, bij die Sibaoe-dajaks te komen; van hen hooren we dan misschien wel iets over een anderen terugweg.”

»Die Sibaoe’s zijn beruchte koppensnellers,” zei Marti droogjes, »misschien komen we wel in ’t geheel niet terug.”

»Ik heb ook gehoord, dat ze groote sneltochten ondernemen. Toch ben ik niet bang, dat ze mij zullen snellen. Ik heb mijn geweer en mijn revolver. Bovendien zijn ze er bang voor, een blanke te vermoorden.”

»Dat is wel mogelijk, heer,” zei Marti met een bedenkelijk gezicht, »maarikben geen blanke en ik vrees, dat mijn hoofd niet zoo heel stevig op mijn schouders zal staan, als ik in handen van die Dajaks val.”

»Je wilt me toch niet in den steek laten, Marti?” vroeg Kees een beetje ongerust. Als zijn trouwe helper niet meeging, zou het voor hem zoo goed als ondoenlijk zijn, de tocht door te zetten.

»Neen, heer, ik zal medegaan, maar ik vrees, dat het niet goed met ons zal afloopen,” zei Marti somber.

»Het eenige, waar ik bang voor ben,” zei Kees, »is, dat er oorlog zal zijn tusschen de stammen. Dan zal ik geen gidsen en dragers kunnen krijgen en mijn doel langs dezen weg niet bereiken.”

»Indien er oorlog was in de bovenstreken, zouden wij het bij den aanvang van onzen tocht wel gehoord hebben,” meende Marti.

»Mochten we bij de Kenjaoe’s vernemen, dat eroorlog is, dan beloof ik je, dat we terug zullen keeren,” besloot Kees.

Marti hoopte in stilte, dat er dan maar oorlog mocht zijn, want hij voelde niet veel geestdrift voor die onderneming.

»Marti, vertel me eens, hoe komt het toch, dat je zoo opziet tegen deze reis? Je bent nog nooit bang geweest en nu is het net, alsof je geen durf meer hebt. Hoe ben je toch zoo zwaartillend?” informeerde Kees.

»Ik heb heel slechte voorteekens gehad, heer, toen we deze reis aanvingen. Ik had een droom, die bloed voorspelde; en de teekens der vogels waren ook zeer ongunstig. Dat heb ik u toch dadelijk gezegd, maar u lachte er om. De blanken gelooven nu eenmaal niet aan onze voorteekens.”

»Neen, Marti, aan zulke dingen gelooven wij niet meer. Maar ik dacht, dat jij aan die Dajaksche voorteekens ook niet meer geloofde; je bent nu toch Mohammedaan en geen Dajak meer.”

»Ik heb te dikwijls gezien, dat de voorteekens uitkomen, heer.”

»Je bent nog een echte heiden, Marti,” lachte Kees.

»Neen, heer, dat ben ik niet meer. Als ik nog een echte heiden was, dan zou ik zeker niet zijn meegegaan. Daarvoor waren de voorteekens veel te slecht. Toch geloof ik vast en zeker, dat deze onderneming zal mislukken.”

»Kom, Marti, wees nu niet zoo dom! Over een paar weken zit je in een mooi huisje in de kampong en dan heb je verder een prettig leventje.”

»Ik ben maar een domme man, heer, maar ik kantoch nog niet gelooven aan al dat moois,” zei Marti, die toch onwillekeurig moest glimlachen bij de luchthartige woorden van Kees.

»Het wordt tijd om verder te gaan, Marti,” zei deze en hij maakte zich gereed om in de djaloer te stappen.

Weldra zaten de beide mannen op hun plaats in het bootje en roeiden weer uit alle macht tegen den stroom op.

De moeilijkheden werden steeds talrijker en grooter en de reizigers begrepen weldra, dat de rivier spoedig onbevaarbaar zou worden bij dezen waterstand. Zelfs moesten ze meermalen de djaloer aan land trekken en een eindweegs langs den oever voortsleepen.

Zoo was het al middag geworden en nog liet zich de zoo lang verwachte landingsplaats of »pangkalan” niet zien.

Toen ze de hoop om deze spoedig te vinden reeds weer opgaven, bemerkten ze, dat de eene oever wat lager begon te worden. Marti opperde het vermoeden, dat men het doel nu waarschijnlijk begon te naderen.

Toen ze weer met alle inspanning een hoek waren omgeworsteld, slaakte hij dan ook plotseling een vreugdekreet: »De pangkalan!”

Hij wees naar den Zuidelijken oever en begon in zijn blijdschap woest te pagaaien.

In een flauwe bocht der rivier zag Kees nu ook een zestal djaloers liggen en onwillekeurig begon hij krachtig mede te roeien, om des te sneller aan de landingsplaats te komen.

Weldra schoot de djaloer tusschen de andere vaartuigjesin en zat met den kop vast in de zachte modder van den, op die plek, lagen oever.

Spoedig stonden Kees en Marti op den wal. Zij waren in het land der Kenjaoe-dajaks.

1pagaai.2inlandsche sigaret.

1pagaai.

2inlandsche sigaret.

III. Bij de Kenjaoe-dajaks.De djaloers werden voor alle zekerheid stevig vastgelegd; de dajongs werden in het struikgewas verborgen. Daarna verkenden de reizigers de omgeving van de pangkalan.De struiken en boomen waren tot meer dan manshoogte met een laagje grijze modder bedekt, waaruit men kon afleiden, dat ze meermalen tot zoover onder water stonden. De aanlegplaats deed vermoedelijk alleen als zoodanig dienst bij lagen waterstand.De meeste dorpen hebben twee of meer pangkalans voor verschillende waterstanden, welke onderling en met het dorp verbonden zijn door een voetpad.Allereerst diende nu het pad te worden gezocht, dat hen naar de woningen der Kenjaoe-dajaks zou voeren.Toen ze ’t gevonden hadden, gingen ze eerst wat rusten. Daarna pakte Marti de bagage in een rottan draagmand en de reizigers begaven zich op weg.Kees droeg het geweer en de revolver, bovendien nog een parang. Marti droeg de korf op den rug en ook nog een parang.Zoo uitgerust betraden ze het pad, dat zich duidelijkin het bosch afteekende en gemakkelijk te volgen was.Het geboomte was zwaar en hoog met weinig onderhout, zoodat ze vrij ver voor zich uit konden zien. Nu en dan kwamen ze voor kleine riviertjes, die meestal door een boomstam waren overbrugd.Nadat ze ongeveer een uur hadden geloopen, hield Marti even stil en zei:»Ik hoor een haan kraaien; we zijn dicht bij een huis.”»Ik denk, dat we nu bij een ladang (rijstveld) komen, het bosch wordt daar voor ons veel lichter. Misschien vinden we daar wel Dajaks,” meende Kees.Dit vermoeden bleek waarheid. Weldra stonden ze aan den rand van het bosch en zagen een uitgestrekte ladang voor zich. Het was een groot veld, kris-kras bedekt met omgehakte boomen. Het lichtere hout was weggebrand, doch de dikke stammen waren blijven liggen, zooals ze neergestort waren. Tusschen die zwartgeblakerde boomen groeiden de schaarsche padihalmen. Het is slechts een armoedige oogst, die door deze allereenvoudigste wijze van roofbouw wordt opgeleverd.Midden op de ladang stond een klein huisje, vanwaar het hanengekraai klonk, dat de reizigers in het bosch reeds hadden gehoord.Toen ze de ladang hadden betreden, stootte Marti eenige malen een Dajaksche kreet uit, om de bewoners van het huisje te waarschuwen, dat er vreemdelingen naderden, doch dat deze niets kwaads in den zin hadden. Dit is in het land der koppensnellers niet overbodig.Uit het huisje kwam een man te voorschijn, die Marti’s geroep beantwoordde, waarna ook nog een vrouw en een paar kinderen naar buiten kwamen.Dit kleine gezin bood het gewone schouwspel van een Dajak-familie: de man was naakt op een gordel of »tjawet” na; de vrouw droeg een kort soort rokje, dat tot de knieën reikte; de kinderen waren evenals de man bijna geheel naakt.Uit het huisje kwam een man te voorschijn.Uit het huisje kwam een man te voorschijn.Moeizaam klommen Kees en Marti over de talrijke boomstammen, om het huisje te bereiken. Naderbij gekomen riep Marti:»Is dit een ladang van de Kenjaoe-dajaks?”»Aoe,” (ja) antwoordde de Dajak.»Is hier een groot dorp in de nabijheid?” vroeg Kees.»Neen, slechts enkele kleine huizen; de groote liggen verder. Ik moet hier de wacht houden overde ladang, dat de dieren onze oogst niet vernielen.”»Welk dorp is het voornaamste?” vroeg Kees weer.»Het huis van Petinggi Datoek, heer.”»Is dat nog ver en kunnen we daar gemakkelijk komen?”»Twee dagen loopen, heer.”»Dan kunnen we er morgenmiddag zijn,” zei Kees tot Marti. Hij wist wel, dat een Dajak op reis gewoon is veel tijd te verpraten in de huizen, die hij passeert.»Wij behoeven ons nergens op te houden, doch kunnen rechtstreeks naar het huis van Petinggi Datoek gaan,” zei Marti.»Is dit het pad?” vroeg Kees naar de andere zijde van de ladang wijzende.»Aoe,” zei de man, tot wiens opluchting Kees en Marti weldra weer hun klimpartij over de boomstammen hervatten en spoedig daarna in het bosch waren verdwenen.Beurtelings voerde het pad onze reizigers door bosschen en over ladangs; zelfs moesten ze eenmaal een uitgestrekt veld met riet en struikgewas doorworstelen.Na al deze vermoeienissen kwamen ze eindelijk tegen het vallen van den avond bij een klein dorp, dat, zooals bijna altijd bij de Dajaks, uit slechts één huis bestond.Hier wilden ze nachtverblijf vragen. Ze beklommen één der uit een boomstam met inkepingen bestaande ladders en traden het huis binnen.De bewoners ontvingen hen vriendelijk. Dadelijk werden er een paar matten gespreid in het voor bezoekers en vreemdelingen bestemde gedeelte van het huis.Een Dajaksch huis is namelijk in twee helften verdeelddoor een gang, die er in de lengte doorheen loopt. Aan de eene zijde treft men een open ruimte aan, die bestemd is voor slaapplaats der volwassen jongelieden en tevens dient tot logeerruimte voor vreemdelingen. De andere zijde wordt ingenomen door een aantal kamertjes of »lawangs”, ook wel pintoe’s (deuren) geheeten. Er zijn zooveel lawangs als er families in het huis wonen. Deze huizen of dorpen hebben dus een zeer verschillende lengte, afhankelijk van het aantal inwoners.Men treft soms huizen aan van twee lawangs, die slechts zes à acht Meter lang zijn. Maar men vindt er ook wel van vijftig lawangs, die bijna tweehonderd Meter lang zijn. Onder de huizen, binnen het paalwerk waar op ze rusten, zijn de varkensstallen afgeschut.Het dorp, waar Kees en Marti thans vertoefden, bestond slechts uit een vijftal lawangs en behoorde dus tot de kleinere.Marti kocht van de bewoners wat rijst en een paar eieren en ging nu op één der aanwezige vuurplaatsen den maaltijd bereiden.Middelerwijl had Kees zich op zijn mat neergezet, terwijl een groep Dajaks zich om hem heen had verzameld. Hij knoopte een gesprek met hen aan, ten einde verschillende inlichtingen in te winnen.Het bleek hem, dat, als hij den volgenden morgen vroeg vertrok, hij in den loop van den dag het huis van Petinggi Datoek zou kunnen bereiken.Petinggi Datoek was volgens de Dajaks hun voornaamste stamhoofd, en wanneer hij de reizigers goed gezind was, zouden ze bij de Kenjaoe-dajaks niet deminste overlast ondervinden. Kees vernam ook, dat het pad naar het dorp van Petinggi Datoek zeer slecht begaanbaar was en men gemakkelijk zou kunnen verdwalen. Toen Marti het maal gereed had, gingen beiden eten en daarna legde Marti zich op zijn mat, om te slapen. Kees echter had nog geen haast. Hij wilde nog wat met de Dajaks praten. Hij brandde van verlangen, om iets te vernemen omtrent de Sibaoe-dajaks en over den weg, die naar hun land voerde.Maar de berichten waren alles behalve gunstig.Om in het land der Sibaoe’s te komen, moest men door een woest gebergte trekken, de Goenoeng Lawit geheeten. Het was een onherbergzaam oord, levensgevaarlijk voor den mensch. Het werd volgens hen bevolkt door de antoe’s, de booze geesten. Onherroepelijk deden ze ieder, die het waagde hun gebied te betreden, neertuimelen en vermorselen in een der vele ravijnen en afgronden.»Is er één uwer dan ooit wel eens daar geweest?” vroeg Kees.»Neen heer,” antwoordde een oud man, »ik geloof niet, dat er één Dajak leeft, die daar geweest is. Zij die er heen durfden gaan, zijn nimmer teruggekeerd.”»En welk nut zou het hebben er heen te gaan?” voegde een ander er aan toe.»Al kon men dat gebergte oversteken, wat hielp het? Men zou in de handen der Sibaoe’s vallen en gesneld worden. De Sibaoe’s zijn nòg erger duivels dan de antoe’s.”»Ja, dat is zoo!”beaamdenalle aanwezigen.De Sibaoe’s hadden zich berucht en gehaat gemaakt,doordat ze meermalen groote roof- en sneltochten in het land der Kenjaoe’s ondernomen hadden. Machtelooze woede kenmerkte alle uitingen van de laatsten. Gaarne zouden zij eens geducht met deze Sibaoe’s afrekenen, maar ze voelden zich te zwak om tegen hen op te trekken.Het werd meer en meer duidelijk, dat Kees heel wat moeite zou hebben, in dit land hulp te krijgen voor zijne onderneming.Zijn eenige hoop was, dat hij een paar jonge mannen, die gaarne avonturen beleefden, door een groote belooning over zou kunnen halen hem te volgen.Het was reeds nacht, toen Kees eindelijk besloot te gaan slapen. Gaarne zou hij meer hebben vernomen, maar hij begreep wel, dat een goede nachtrust volstrekt noodzakelijk was, wanneer hij den volgenden dag den zwaren tocht naar het dorp van Petinggi Datoek volbrengen zou.Bij het aanbreken van den dag waren ze reeds weer reisvaardig. Eén der bewoners van het huis had zich aangeboden, om als gids dienst te doen, hetgeen Kees met blijdschap had aangenomen.Het pad was inderdaad zeer slecht. Het liep over vroegere ladangs, die nu begroeid waren met dicht struikgewas en scherp riet. Nergens lag over de talrijke riviertjes een boomstam om als brug dienst te doen. Ook moesten ze een paar moerassen doortrekken, waar ze tot hun knieën in de modder zakten. En ten slotte voerde het pad zelfs over een soort van brug, bestaande uit schragen van schuin in de modder gestoken takken, waarover dunne boomstammen gelegd waren. Het loopen over deze zwiepende stellages was zeer moeilijk,vooral voor Kees; de Dajaks echter liepen er als katten over heen.Daarna kwamen ze weer op hooger terrein, waar de heuvels dicht begroeid waren met bamboe bosschen. Maar de paden waren er door de afgevallen bladeren zeer glibberig, zoodat het loopen erg lastig viel.Het was een afmattende tocht. Dikwijls moesten de reizigers halt houden, om eenige oogenblikken uit te rusten.Op een gegeven oogenblik verklaarde de gids, nu terug te willen keeren. Het pad was verder gemakkelijk te volgen en de groote ladangs van Petinggi Datoek waren niet ver meer af.Kees gaf den man een goede belooning voor zijn, werkelijk uitstekende diensten. Deze nam afscheid en de beide reizigers togen verder.Ongeveer een uur later bereikten ze inderdaad een uitgestrekte ladang. Het aanschouwen van deze groote opene vlakte, bedekt met boomstammen, ontlokte Kees een diepen zucht. Nu moest het klauteren en springen weer beginnen.... En zijn beenen weigerden hem al bijna den dienst.Toch maar weer moedig voorwaarts. Het doel van dien dag kon nu niet ver meer zijn.Dankbaar waren ze, toen ze over de laatste boomstam heen gestrompeld waren en de reuzen van het oerwoud weer hun machtige schaduwdragende armen boven hun verhitte hoofden uitstrekten. Weldra passeerden ze een vierkante open plek in het bosch, een hanenkamp plaats. Dat was een teeken, dat het dorp in de nabijheid lag.Even verder ontmoetten ze een oud man, die verklaarde in het huis van Petinggi Datoek te wonen en bereid te zijn met hen terug te gaan.Weldra waren ze in het dorp, dat Tapang heette. Het bestond uit één zeer lang huis, dat een veertigtal lawangs telde.Petinggi Datoek, het hoofd, was een forsch gebouwde man van middelbaren leeftijd, met een verstandig gelaat. Gastvrij ontving hij de bezoekers en liet dadelijk een paar nieuwe matten voor hen spreiden. Voor het nog avond was geworden, voelden ze zich reeds volkomen thuis in dit dorp. De bewoners legden niet het minste wantrouwen aan den dag en waren vriendelijk en hulpvaardig.De overgroote meerderheid der Dajaks had nog nooit een blanke gezien. Vol nieuwsgierigheid zaten ze om Kees heen en beschouwden diens persoon en zijn doen en laten met de grootste belangstelling.Toen Kees en Marti gegeten hadden, knoopten ze een gesprek aan met Petinggi Datoek. Ook enkele der mannen namen eraan deel, terwijl de anderen en de vrouwen, die zich ook in den kring hadden geschaard, stil toeluisterden.Toen Kees zijn plan kenbaar maakte, naar het land der Sibaoe’s te willen gaan, werd dit door allen met teekenen van schrik en afkeuring ontvangen. Ook hierontwaardehij dezelfde gezindheid, als bij de Dajaks, die hij den vorigen avond had gesproken. Na eenig zwijgen zei Petinggi Datoek:»Heer, ik weet niet, waarom u naar het land der Sibaoe-dajaks wilt gaan, maar wàt ook de redenmag zijn, het is beter, dat u van die reis afziet.”»Dat kan niet, Petinggi,” zei Kees, »ik mòet er heen en ik zàl er heen gaan ook.”De Dajak kuchte eens, aarzelde nog een oogenblik en vervolgde toen:»U moet het me niet kwalijk nemen, heer, dat ik zoo tegen u spreek. Maar u moet me gelooven: de Sibaoe’s zijn niet te vertrouwen. Zij zijn verraderlijk. Wien ze overdag goed ontvangen hebben, zullen ze ’s nachts heimelijk vermoorden.”»Dat zal zoo erg niet zijn,” zei Kees. »Dat is geen Dajaksche gewoonte. Is men in een huis ontvangen, dan is men veilig.”»Dat is zoo, heer, maar de Sibaoe’s zijn duivels in menschengedaante.”»Ik merk wel, dat ge niet erg op hen gesteld zijt, Petinggi,” zei Kees glimlachend.»WijKenjaoe’s kennen hen, heer; altijd zijn het onze grootste vijanden geweest. Vaak kwamen ze in ons gebied, om koppen te snellen. Maar wij zijn nooit sterk genoeg geweest, om hen te verslaan. Steeds moesten we vluchten, als ze ons land binnen vielen.”»Dat is alles wel mogelijk, Petinggi, maar ik wil naar hun land toe! Ik verzeker je, dat ik in ’t geheel niet bang ben voor die Sibaoe’s. Ik heb hier een goed geweer, zooals je ziet. En hier is nog een klein geweer, dat zes keer achter elkaar kan schieten. Zoo iets heb je zeker nooit gezien. Daar zullen de Sibaoe’s kennis mee maken, als ze mij mochten aanvallen,” zei Kees, op zijn geweer en revolver wijzende.Deze bekeek de beide wapens op een afstand met belangstelling en eerbied en zeide:»Ja, heer, dat zijn zeker geweldige wapens, maar de Sibaoe’s zullen ook niet met u vechten. Zij zullen u overdag een vriendelijk gelaat toonen en u ’s nachts dooden.”»Ik zeg je nog eens, Petinggi, ik bennietbang.”»Goed, heer, maar er is nog meer,” vervolgde de Dajak weifelend.Kees werd ongeduldig.»Vertel op, wàt is er nog meer?”»De weg van hier naar het land der Sibaoe-dajaks is zeer moeilijk. Eigenlijk is er geen weg, tenminste wij weten hem niet. Daarom geloof ik niet, dat het u gelukken zal er te komen.”»Zou ik dien Goenoeng Lawit niet kunnen overtrekken, Petinggi? Ik ben wel over hoogere bergen gereisd,” zei Kees.»Het gebergte is niet zoo heel hoog, heer, maar het is ontoegankelijk voor menschen. Daar tusschen die rotsen kunnen alleen antoe’s en booze geesten leven. En die dulden geen menschen in hun nabijheid. Vroeger zijn er heel vaak bewoners uit onze dorpen heen gegaan om te jagen. Nimmer zijn ze teruggekeerd. Nu durft niemand meer de antoe’s te weerstaan. Niemand gaat er meer heen.”»Maar Petinggi,” hernam Kees, »als dat zoo is, hoe kunnen dan de Sibaoe’s hier komen om te snellen? Die moeten toch ook over den Goenoeng Lawit. Waar de Sibaoe’s langs kunnen, daar kan ik ook langs. En als de antoe’s hèn geen kwaad doen, zullen ze mij ook wel met rust laten.”Petinggi Datoek maakte een ontkennende beweging, doch talmde met zijn antwoord.Kees vervolgde: »Ik wil wel gelooven, dat er vele menschen in ’t gebergte verongelukt zijn. Maar die zijn waarschijnlijk bij het vervolgen van het wild in afgronden gestort, of misschien zijn zij gesneld door op koppenjacht zijnde Sibaoe’s.”De Dajak had met een ernstig gelaat geluisterd, doch zeide nu:»De antoe’s doen het, heer! Sibaoe’s komen er in het gebergte ook niet.”»Dat moèt toch wel, Petinggi; je vertelt zelf, dat ze hier komen snellen.”»Misschien zult ge me niet gelooven, heer, en toch is, wat ik u nu zal vertellen, de zuivere waarheid. De Sibaoe’s komen nooit door het gebergte heen! Niemand weet eigenlijk, hoè ze hier komen. Wij weten alleen, dat ze bedreven zijn in allerlei tooverijen, waardoor ze de hulp krijgen van hun antoe’s en geesten.”Kees maakte een ongeduldig gebaar en trok een spottend gezicht, doch zeide nog niets. De Dajak ging voort:»Mijn vader heeft mij vroeger verteld, heer, dat de Sibaoe’s door de lucht komen vliegen. Hun antoe’s helpen hen over het gebergte heen.”Een toestemmend gemompel ging door de omzittenden. Een oude man kwam eenigszins naar voren en hurkte voor Kees neer.»Wat is er?” vroeg deze.»Ik ben een oud man, heer, en heb veel gezien en gehoord. Ik ken de Sibaoe-dajaks maar al te goed.Zij gaan inderdaad met tooverij om. Eens werd een Kenjaoe-dajak gedood door een paar op sneltocht zijnde Sibaoe’s. Zijn zoon zette hen na om wraak te nemen. Hij hoopte hen in den slaap te verrassen ten einde ze te dooden. Op een dag waren ze aan den voet van het Lawit-gebergte gekomen. De man van onzen stam zat hen dicht op de hielen. Plotseling verdwenen ze en vlogen als groote vogels over het gebergte weg.... Daarom kunnen wij nooit vechten tegen de Sibaoe-dajaks.”Kees had met verbazing dit verhaal aangehoord. Ofschoon het waarschijnlijk bij alle aanwezigen overbekend was, maakte het blijkbaar opnieuw een diepen indruk op de bijgeloovige zielen der Dajaks.Het was aan de angstige gezichten duidelijk te zien, dat de tooverkracht der Sibaoe’s boven allen twijfel verheven was. Hoofdschuddend zei Kees eindelijk:»Ik kan dat verhaal niet gelooven. Er zijn geen menschen, die kunnen vliegen. Ik denk, dat de man, die dit verhaal het eerst heeft verteld, het maar heeft verzonnen. Hij wilde de schande ontgaan, dat hij den dood zijns vaders niet had gewroken.”»Toch moet het wel zoo zijn, heer,” hernam de Dajak. »Door het Lawit-gebergte komen ze zeker niet. Het is slechts op één punt toegankelijk en wel ten Oosten van dit dorp. De Sibaoe’s komen echter altijd uit het Noorden. Daar is geen toegang. Overal rijzen steile rotsen op. Die kùnnen niet beklommen worden door menschen.”»En tòch moet er in ’t Noorden een weg zijn; anders is het onmogelijk, dat de Sibaoe’s daar langs komen,” zei Kees gemelijk.»Er is geen weg, heer,” zei de oude Dajak. »Ik zelf ben daar wel geweest om te jagen; maar overal stuit men op ontoegankelijke bergwanden.”»En de toegangsweg naar het Oosten?” vroeg Kees gejaagd. Hij begon te vreezen, dat al zijn moeite vergeefsch zou zijn geweest, en hij ten slotte onverrichterzake terug zou moeten keeren. »Is die dan niet te gebruiken om in het land der Sibaoe-dajaks te komen?”»Ik weet het niet, heer,” antwoordde thans Petinggi Datoek. »Het is mij niet bekend, of men langs dien weg door het geheele gebergte kan komen. Wèl weet ik, dat men daar de eerste bergketens kan beklimmen. In dit voorgebergte wordt nog wel eens door onze jonge mannen gejaagd en wij hebben daar ook nog begraafplaatsen.”»Zijn hier niet een paar mannen, die den weg kennen en met mij mede zouden willen gaan?” vroeg Kees aan de omzittenden.Veel beweging en onderling gepraat was het gevolg van deze vraag; doch een rechtstreeksch antwoord werd niet gegeven.Onze reiziger bemerkte wel, dat hij dien avond niet veel verder zou komen. De Dajaks toonden voor het oogenblik niet veel liefhebberij in den voor hen zoo schrikwekkenden tocht. Hij zou wat geduld moeten oefenen. Dan was hij van plan enkele der jongere mannen, door hen een flinke belooning toe te zeggen, over te halen om hem te vergezellen. Dat zou hem wel eenige dagen kosten. Maar dat hinderde niet. Die kon hij dan meteen gebruiken om eens flink uit te rusten. En dat had hij hard noodig.Weldra maakte hij zijn verlangen kenbaar, om te gaan slapen. De Dajaks begaven zich naar hun lawangs, waar nog lang het geroezemoes van stemmen klonk. In den breede bespraken ze onderling nog de vermetele plannen van hun blanken gast.Ook Marti scheen nog aan hun gesprekken deel te nemen; want toen Kees insliep, was zijn mat nog verlaten.

De djaloers werden voor alle zekerheid stevig vastgelegd; de dajongs werden in het struikgewas verborgen. Daarna verkenden de reizigers de omgeving van de pangkalan.

De struiken en boomen waren tot meer dan manshoogte met een laagje grijze modder bedekt, waaruit men kon afleiden, dat ze meermalen tot zoover onder water stonden. De aanlegplaats deed vermoedelijk alleen als zoodanig dienst bij lagen waterstand.

De meeste dorpen hebben twee of meer pangkalans voor verschillende waterstanden, welke onderling en met het dorp verbonden zijn door een voetpad.

Allereerst diende nu het pad te worden gezocht, dat hen naar de woningen der Kenjaoe-dajaks zou voeren.

Toen ze ’t gevonden hadden, gingen ze eerst wat rusten. Daarna pakte Marti de bagage in een rottan draagmand en de reizigers begaven zich op weg.

Kees droeg het geweer en de revolver, bovendien nog een parang. Marti droeg de korf op den rug en ook nog een parang.

Zoo uitgerust betraden ze het pad, dat zich duidelijkin het bosch afteekende en gemakkelijk te volgen was.

Het geboomte was zwaar en hoog met weinig onderhout, zoodat ze vrij ver voor zich uit konden zien. Nu en dan kwamen ze voor kleine riviertjes, die meestal door een boomstam waren overbrugd.

Nadat ze ongeveer een uur hadden geloopen, hield Marti even stil en zei:

»Ik hoor een haan kraaien; we zijn dicht bij een huis.”

»Ik denk, dat we nu bij een ladang (rijstveld) komen, het bosch wordt daar voor ons veel lichter. Misschien vinden we daar wel Dajaks,” meende Kees.

Dit vermoeden bleek waarheid. Weldra stonden ze aan den rand van het bosch en zagen een uitgestrekte ladang voor zich. Het was een groot veld, kris-kras bedekt met omgehakte boomen. Het lichtere hout was weggebrand, doch de dikke stammen waren blijven liggen, zooals ze neergestort waren. Tusschen die zwartgeblakerde boomen groeiden de schaarsche padihalmen. Het is slechts een armoedige oogst, die door deze allereenvoudigste wijze van roofbouw wordt opgeleverd.

Midden op de ladang stond een klein huisje, vanwaar het hanengekraai klonk, dat de reizigers in het bosch reeds hadden gehoord.

Toen ze de ladang hadden betreden, stootte Marti eenige malen een Dajaksche kreet uit, om de bewoners van het huisje te waarschuwen, dat er vreemdelingen naderden, doch dat deze niets kwaads in den zin hadden. Dit is in het land der koppensnellers niet overbodig.

Uit het huisje kwam een man te voorschijn, die Marti’s geroep beantwoordde, waarna ook nog een vrouw en een paar kinderen naar buiten kwamen.

Dit kleine gezin bood het gewone schouwspel van een Dajak-familie: de man was naakt op een gordel of »tjawet” na; de vrouw droeg een kort soort rokje, dat tot de knieën reikte; de kinderen waren evenals de man bijna geheel naakt.

Uit het huisje kwam een man te voorschijn.Uit het huisje kwam een man te voorschijn.

Uit het huisje kwam een man te voorschijn.

Moeizaam klommen Kees en Marti over de talrijke boomstammen, om het huisje te bereiken. Naderbij gekomen riep Marti:

»Is dit een ladang van de Kenjaoe-dajaks?”

»Aoe,” (ja) antwoordde de Dajak.

»Is hier een groot dorp in de nabijheid?” vroeg Kees.

»Neen, slechts enkele kleine huizen; de groote liggen verder. Ik moet hier de wacht houden overde ladang, dat de dieren onze oogst niet vernielen.”

»Welk dorp is het voornaamste?” vroeg Kees weer.

»Het huis van Petinggi Datoek, heer.”

»Is dat nog ver en kunnen we daar gemakkelijk komen?”

»Twee dagen loopen, heer.”

»Dan kunnen we er morgenmiddag zijn,” zei Kees tot Marti. Hij wist wel, dat een Dajak op reis gewoon is veel tijd te verpraten in de huizen, die hij passeert.

»Wij behoeven ons nergens op te houden, doch kunnen rechtstreeks naar het huis van Petinggi Datoek gaan,” zei Marti.

»Is dit het pad?” vroeg Kees naar de andere zijde van de ladang wijzende.

»Aoe,” zei de man, tot wiens opluchting Kees en Marti weldra weer hun klimpartij over de boomstammen hervatten en spoedig daarna in het bosch waren verdwenen.

Beurtelings voerde het pad onze reizigers door bosschen en over ladangs; zelfs moesten ze eenmaal een uitgestrekt veld met riet en struikgewas doorworstelen.

Na al deze vermoeienissen kwamen ze eindelijk tegen het vallen van den avond bij een klein dorp, dat, zooals bijna altijd bij de Dajaks, uit slechts één huis bestond.

Hier wilden ze nachtverblijf vragen. Ze beklommen één der uit een boomstam met inkepingen bestaande ladders en traden het huis binnen.

De bewoners ontvingen hen vriendelijk. Dadelijk werden er een paar matten gespreid in het voor bezoekers en vreemdelingen bestemde gedeelte van het huis.

Een Dajaksch huis is namelijk in twee helften verdeelddoor een gang, die er in de lengte doorheen loopt. Aan de eene zijde treft men een open ruimte aan, die bestemd is voor slaapplaats der volwassen jongelieden en tevens dient tot logeerruimte voor vreemdelingen. De andere zijde wordt ingenomen door een aantal kamertjes of »lawangs”, ook wel pintoe’s (deuren) geheeten. Er zijn zooveel lawangs als er families in het huis wonen. Deze huizen of dorpen hebben dus een zeer verschillende lengte, afhankelijk van het aantal inwoners.

Men treft soms huizen aan van twee lawangs, die slechts zes à acht Meter lang zijn. Maar men vindt er ook wel van vijftig lawangs, die bijna tweehonderd Meter lang zijn. Onder de huizen, binnen het paalwerk waar op ze rusten, zijn de varkensstallen afgeschut.

Het dorp, waar Kees en Marti thans vertoefden, bestond slechts uit een vijftal lawangs en behoorde dus tot de kleinere.

Marti kocht van de bewoners wat rijst en een paar eieren en ging nu op één der aanwezige vuurplaatsen den maaltijd bereiden.

Middelerwijl had Kees zich op zijn mat neergezet, terwijl een groep Dajaks zich om hem heen had verzameld. Hij knoopte een gesprek met hen aan, ten einde verschillende inlichtingen in te winnen.

Het bleek hem, dat, als hij den volgenden morgen vroeg vertrok, hij in den loop van den dag het huis van Petinggi Datoek zou kunnen bereiken.

Petinggi Datoek was volgens de Dajaks hun voornaamste stamhoofd, en wanneer hij de reizigers goed gezind was, zouden ze bij de Kenjaoe-dajaks niet deminste overlast ondervinden. Kees vernam ook, dat het pad naar het dorp van Petinggi Datoek zeer slecht begaanbaar was en men gemakkelijk zou kunnen verdwalen. Toen Marti het maal gereed had, gingen beiden eten en daarna legde Marti zich op zijn mat, om te slapen. Kees echter had nog geen haast. Hij wilde nog wat met de Dajaks praten. Hij brandde van verlangen, om iets te vernemen omtrent de Sibaoe-dajaks en over den weg, die naar hun land voerde.

Maar de berichten waren alles behalve gunstig.

Om in het land der Sibaoe’s te komen, moest men door een woest gebergte trekken, de Goenoeng Lawit geheeten. Het was een onherbergzaam oord, levensgevaarlijk voor den mensch. Het werd volgens hen bevolkt door de antoe’s, de booze geesten. Onherroepelijk deden ze ieder, die het waagde hun gebied te betreden, neertuimelen en vermorselen in een der vele ravijnen en afgronden.

»Is er één uwer dan ooit wel eens daar geweest?” vroeg Kees.

»Neen heer,” antwoordde een oud man, »ik geloof niet, dat er één Dajak leeft, die daar geweest is. Zij die er heen durfden gaan, zijn nimmer teruggekeerd.”

»En welk nut zou het hebben er heen te gaan?” voegde een ander er aan toe.

»Al kon men dat gebergte oversteken, wat hielp het? Men zou in de handen der Sibaoe’s vallen en gesneld worden. De Sibaoe’s zijn nòg erger duivels dan de antoe’s.”

»Ja, dat is zoo!”beaamdenalle aanwezigen.

De Sibaoe’s hadden zich berucht en gehaat gemaakt,doordat ze meermalen groote roof- en sneltochten in het land der Kenjaoe’s ondernomen hadden. Machtelooze woede kenmerkte alle uitingen van de laatsten. Gaarne zouden zij eens geducht met deze Sibaoe’s afrekenen, maar ze voelden zich te zwak om tegen hen op te trekken.

Het werd meer en meer duidelijk, dat Kees heel wat moeite zou hebben, in dit land hulp te krijgen voor zijne onderneming.

Zijn eenige hoop was, dat hij een paar jonge mannen, die gaarne avonturen beleefden, door een groote belooning over zou kunnen halen hem te volgen.

Het was reeds nacht, toen Kees eindelijk besloot te gaan slapen. Gaarne zou hij meer hebben vernomen, maar hij begreep wel, dat een goede nachtrust volstrekt noodzakelijk was, wanneer hij den volgenden dag den zwaren tocht naar het dorp van Petinggi Datoek volbrengen zou.

Bij het aanbreken van den dag waren ze reeds weer reisvaardig. Eén der bewoners van het huis had zich aangeboden, om als gids dienst te doen, hetgeen Kees met blijdschap had aangenomen.

Het pad was inderdaad zeer slecht. Het liep over vroegere ladangs, die nu begroeid waren met dicht struikgewas en scherp riet. Nergens lag over de talrijke riviertjes een boomstam om als brug dienst te doen. Ook moesten ze een paar moerassen doortrekken, waar ze tot hun knieën in de modder zakten. En ten slotte voerde het pad zelfs over een soort van brug, bestaande uit schragen van schuin in de modder gestoken takken, waarover dunne boomstammen gelegd waren. Het loopen over deze zwiepende stellages was zeer moeilijk,vooral voor Kees; de Dajaks echter liepen er als katten over heen.

Daarna kwamen ze weer op hooger terrein, waar de heuvels dicht begroeid waren met bamboe bosschen. Maar de paden waren er door de afgevallen bladeren zeer glibberig, zoodat het loopen erg lastig viel.

Het was een afmattende tocht. Dikwijls moesten de reizigers halt houden, om eenige oogenblikken uit te rusten.

Op een gegeven oogenblik verklaarde de gids, nu terug te willen keeren. Het pad was verder gemakkelijk te volgen en de groote ladangs van Petinggi Datoek waren niet ver meer af.

Kees gaf den man een goede belooning voor zijn, werkelijk uitstekende diensten. Deze nam afscheid en de beide reizigers togen verder.

Ongeveer een uur later bereikten ze inderdaad een uitgestrekte ladang. Het aanschouwen van deze groote opene vlakte, bedekt met boomstammen, ontlokte Kees een diepen zucht. Nu moest het klauteren en springen weer beginnen.... En zijn beenen weigerden hem al bijna den dienst.

Toch maar weer moedig voorwaarts. Het doel van dien dag kon nu niet ver meer zijn.

Dankbaar waren ze, toen ze over de laatste boomstam heen gestrompeld waren en de reuzen van het oerwoud weer hun machtige schaduwdragende armen boven hun verhitte hoofden uitstrekten. Weldra passeerden ze een vierkante open plek in het bosch, een hanenkamp plaats. Dat was een teeken, dat het dorp in de nabijheid lag.

Even verder ontmoetten ze een oud man, die verklaarde in het huis van Petinggi Datoek te wonen en bereid te zijn met hen terug te gaan.

Weldra waren ze in het dorp, dat Tapang heette. Het bestond uit één zeer lang huis, dat een veertigtal lawangs telde.

Petinggi Datoek, het hoofd, was een forsch gebouwde man van middelbaren leeftijd, met een verstandig gelaat. Gastvrij ontving hij de bezoekers en liet dadelijk een paar nieuwe matten voor hen spreiden. Voor het nog avond was geworden, voelden ze zich reeds volkomen thuis in dit dorp. De bewoners legden niet het minste wantrouwen aan den dag en waren vriendelijk en hulpvaardig.

De overgroote meerderheid der Dajaks had nog nooit een blanke gezien. Vol nieuwsgierigheid zaten ze om Kees heen en beschouwden diens persoon en zijn doen en laten met de grootste belangstelling.

Toen Kees en Marti gegeten hadden, knoopten ze een gesprek aan met Petinggi Datoek. Ook enkele der mannen namen eraan deel, terwijl de anderen en de vrouwen, die zich ook in den kring hadden geschaard, stil toeluisterden.

Toen Kees zijn plan kenbaar maakte, naar het land der Sibaoe’s te willen gaan, werd dit door allen met teekenen van schrik en afkeuring ontvangen. Ook hierontwaardehij dezelfde gezindheid, als bij de Dajaks, die hij den vorigen avond had gesproken. Na eenig zwijgen zei Petinggi Datoek:

»Heer, ik weet niet, waarom u naar het land der Sibaoe-dajaks wilt gaan, maar wàt ook de redenmag zijn, het is beter, dat u van die reis afziet.”

»Dat kan niet, Petinggi,” zei Kees, »ik mòet er heen en ik zàl er heen gaan ook.”

De Dajak kuchte eens, aarzelde nog een oogenblik en vervolgde toen:

»U moet het me niet kwalijk nemen, heer, dat ik zoo tegen u spreek. Maar u moet me gelooven: de Sibaoe’s zijn niet te vertrouwen. Zij zijn verraderlijk. Wien ze overdag goed ontvangen hebben, zullen ze ’s nachts heimelijk vermoorden.”

»Dat zal zoo erg niet zijn,” zei Kees. »Dat is geen Dajaksche gewoonte. Is men in een huis ontvangen, dan is men veilig.”

»Dat is zoo, heer, maar de Sibaoe’s zijn duivels in menschengedaante.”

»Ik merk wel, dat ge niet erg op hen gesteld zijt, Petinggi,” zei Kees glimlachend.

»WijKenjaoe’s kennen hen, heer; altijd zijn het onze grootste vijanden geweest. Vaak kwamen ze in ons gebied, om koppen te snellen. Maar wij zijn nooit sterk genoeg geweest, om hen te verslaan. Steeds moesten we vluchten, als ze ons land binnen vielen.”

»Dat is alles wel mogelijk, Petinggi, maar ik wil naar hun land toe! Ik verzeker je, dat ik in ’t geheel niet bang ben voor die Sibaoe’s. Ik heb hier een goed geweer, zooals je ziet. En hier is nog een klein geweer, dat zes keer achter elkaar kan schieten. Zoo iets heb je zeker nooit gezien. Daar zullen de Sibaoe’s kennis mee maken, als ze mij mochten aanvallen,” zei Kees, op zijn geweer en revolver wijzende.

Deze bekeek de beide wapens op een afstand met belangstelling en eerbied en zeide:

»Ja, heer, dat zijn zeker geweldige wapens, maar de Sibaoe’s zullen ook niet met u vechten. Zij zullen u overdag een vriendelijk gelaat toonen en u ’s nachts dooden.”

»Ik zeg je nog eens, Petinggi, ik bennietbang.”

»Goed, heer, maar er is nog meer,” vervolgde de Dajak weifelend.

Kees werd ongeduldig.

»Vertel op, wàt is er nog meer?”

»De weg van hier naar het land der Sibaoe-dajaks is zeer moeilijk. Eigenlijk is er geen weg, tenminste wij weten hem niet. Daarom geloof ik niet, dat het u gelukken zal er te komen.”

»Zou ik dien Goenoeng Lawit niet kunnen overtrekken, Petinggi? Ik ben wel over hoogere bergen gereisd,” zei Kees.

»Het gebergte is niet zoo heel hoog, heer, maar het is ontoegankelijk voor menschen. Daar tusschen die rotsen kunnen alleen antoe’s en booze geesten leven. En die dulden geen menschen in hun nabijheid. Vroeger zijn er heel vaak bewoners uit onze dorpen heen gegaan om te jagen. Nimmer zijn ze teruggekeerd. Nu durft niemand meer de antoe’s te weerstaan. Niemand gaat er meer heen.”

»Maar Petinggi,” hernam Kees, »als dat zoo is, hoe kunnen dan de Sibaoe’s hier komen om te snellen? Die moeten toch ook over den Goenoeng Lawit. Waar de Sibaoe’s langs kunnen, daar kan ik ook langs. En als de antoe’s hèn geen kwaad doen, zullen ze mij ook wel met rust laten.”

Petinggi Datoek maakte een ontkennende beweging, doch talmde met zijn antwoord.

Kees vervolgde: »Ik wil wel gelooven, dat er vele menschen in ’t gebergte verongelukt zijn. Maar die zijn waarschijnlijk bij het vervolgen van het wild in afgronden gestort, of misschien zijn zij gesneld door op koppenjacht zijnde Sibaoe’s.”

De Dajak had met een ernstig gelaat geluisterd, doch zeide nu:

»De antoe’s doen het, heer! Sibaoe’s komen er in het gebergte ook niet.”

»Dat moèt toch wel, Petinggi; je vertelt zelf, dat ze hier komen snellen.”

»Misschien zult ge me niet gelooven, heer, en toch is, wat ik u nu zal vertellen, de zuivere waarheid. De Sibaoe’s komen nooit door het gebergte heen! Niemand weet eigenlijk, hoè ze hier komen. Wij weten alleen, dat ze bedreven zijn in allerlei tooverijen, waardoor ze de hulp krijgen van hun antoe’s en geesten.”

Kees maakte een ongeduldig gebaar en trok een spottend gezicht, doch zeide nog niets. De Dajak ging voort:

»Mijn vader heeft mij vroeger verteld, heer, dat de Sibaoe’s door de lucht komen vliegen. Hun antoe’s helpen hen over het gebergte heen.”

Een toestemmend gemompel ging door de omzittenden. Een oude man kwam eenigszins naar voren en hurkte voor Kees neer.

»Wat is er?” vroeg deze.

»Ik ben een oud man, heer, en heb veel gezien en gehoord. Ik ken de Sibaoe-dajaks maar al te goed.Zij gaan inderdaad met tooverij om. Eens werd een Kenjaoe-dajak gedood door een paar op sneltocht zijnde Sibaoe’s. Zijn zoon zette hen na om wraak te nemen. Hij hoopte hen in den slaap te verrassen ten einde ze te dooden. Op een dag waren ze aan den voet van het Lawit-gebergte gekomen. De man van onzen stam zat hen dicht op de hielen. Plotseling verdwenen ze en vlogen als groote vogels over het gebergte weg.... Daarom kunnen wij nooit vechten tegen de Sibaoe-dajaks.”

Kees had met verbazing dit verhaal aangehoord. Ofschoon het waarschijnlijk bij alle aanwezigen overbekend was, maakte het blijkbaar opnieuw een diepen indruk op de bijgeloovige zielen der Dajaks.

Het was aan de angstige gezichten duidelijk te zien, dat de tooverkracht der Sibaoe’s boven allen twijfel verheven was. Hoofdschuddend zei Kees eindelijk:

»Ik kan dat verhaal niet gelooven. Er zijn geen menschen, die kunnen vliegen. Ik denk, dat de man, die dit verhaal het eerst heeft verteld, het maar heeft verzonnen. Hij wilde de schande ontgaan, dat hij den dood zijns vaders niet had gewroken.”

»Toch moet het wel zoo zijn, heer,” hernam de Dajak. »Door het Lawit-gebergte komen ze zeker niet. Het is slechts op één punt toegankelijk en wel ten Oosten van dit dorp. De Sibaoe’s komen echter altijd uit het Noorden. Daar is geen toegang. Overal rijzen steile rotsen op. Die kùnnen niet beklommen worden door menschen.”

»En tòch moet er in ’t Noorden een weg zijn; anders is het onmogelijk, dat de Sibaoe’s daar langs komen,” zei Kees gemelijk.

»Er is geen weg, heer,” zei de oude Dajak. »Ik zelf ben daar wel geweest om te jagen; maar overal stuit men op ontoegankelijke bergwanden.”

»En de toegangsweg naar het Oosten?” vroeg Kees gejaagd. Hij begon te vreezen, dat al zijn moeite vergeefsch zou zijn geweest, en hij ten slotte onverrichterzake terug zou moeten keeren. »Is die dan niet te gebruiken om in het land der Sibaoe-dajaks te komen?”

»Ik weet het niet, heer,” antwoordde thans Petinggi Datoek. »Het is mij niet bekend, of men langs dien weg door het geheele gebergte kan komen. Wèl weet ik, dat men daar de eerste bergketens kan beklimmen. In dit voorgebergte wordt nog wel eens door onze jonge mannen gejaagd en wij hebben daar ook nog begraafplaatsen.”

»Zijn hier niet een paar mannen, die den weg kennen en met mij mede zouden willen gaan?” vroeg Kees aan de omzittenden.

Veel beweging en onderling gepraat was het gevolg van deze vraag; doch een rechtstreeksch antwoord werd niet gegeven.

Onze reiziger bemerkte wel, dat hij dien avond niet veel verder zou komen. De Dajaks toonden voor het oogenblik niet veel liefhebberij in den voor hen zoo schrikwekkenden tocht. Hij zou wat geduld moeten oefenen. Dan was hij van plan enkele der jongere mannen, door hen een flinke belooning toe te zeggen, over te halen om hem te vergezellen. Dat zou hem wel eenige dagen kosten. Maar dat hinderde niet. Die kon hij dan meteen gebruiken om eens flink uit te rusten. En dat had hij hard noodig.

Weldra maakte hij zijn verlangen kenbaar, om te gaan slapen. De Dajaks begaven zich naar hun lawangs, waar nog lang het geroezemoes van stemmen klonk. In den breede bespraken ze onderling nog de vermetele plannen van hun blanken gast.

Ook Marti scheen nog aan hun gesprekken deel te nemen; want toen Kees insliep, was zijn mat nog verlaten.


Back to IndexNext