IV. Een onverwachte reisgenoot.Het was den volgenden morgen al vrij laat, toen Kees wakker werd. Hij begaf zich naar het beekje in de nabijheid van het huis om een verfrisschend bad te nemen. Toen hij terugkwam, had Marti reeds rijst voor hem klaar gezet.Na het eenvoudige maal sprak Marti:»Heer, ik heb vannacht, toen u al sliep, nog geruimen tijd met enkele Dajaks zitten praten. Eén van hen was meermalen in het Lawit-gebergte op de jacht geweest. Dezen, en nog een paar jonge mannen, die op avonturen belust zijn, heb ik reeds half overgehaald, ons te vergezellen. De vrees voor de antoe’s in den Goenoeng Lawit weerhoudt hen echter. Maar nu heb ik hun verteld, dat u veel machtiger is dan die booze geesten en dat u, met uw revolver, die zes keer kan schieten, alle antoe’s gemakkelijk kunt overwinnen.”»Goed gesproken, Marti,” riep Kees lachend uit. »En geloofden ze dat?”»Maar half, heer. Ze zeiden, dat ze het eerst moesten zien. Nu moet u ze overtuigen, dat u werkelijk zesmaal achtereen de revolver kunt afvuren. Zoodra ze zien, dat ik de waarheid heb gesproken, zullen ze de rest ook wel gelooven.”»Het is goed, Marti. Je hebt het heel slim overlegd,” zei Kees, die het verhaal van zijn trouwen helper met vreugde had aangehoord.»Maar vertel me eens, Marti, waarom doe je zooveel moeite! Ik weet, dat je er niet erg op gesteld bent, om naar de Sibaoe’s te gaan. En ik dacht, dat je heel blijde zou zijn, wanneer de reis niet zou kunnen doorgaan.”»Dat is zoo, heer! Ik voor mij zou veel liever terugkeeren. Maar u wilt beslist de reis doorzetten. En ik ben toch uw dienaar? Ik moet u dus helpen,” zei Marti eenvoudig.»Goed, Marti, je bent een trouwe kerel,” antwoordde Kees vriendelijk.»Ga nu maar gauw aan die Dajaks vertellen, dat ik straks in het bosch de revolver zal laten werken.”De woorden van Marti hadden Kees weer hoop gegeven. Hij wist dat kleinigheden grooten invloed konden uitoefenen op de besluiten der Dajaks. Hij moest hen overtuigen, dat ook hij over een zekere tooverkracht kon beschikken. Dan was het zeer goed mogelijk, dat ze zich ineens volkomen bereid verklaarden, mee te gaan.Hij kende het karakter van de Dajaks zeer goed. Hij wist, dat vooral de jonge mannen gaarne groote tochten maakten en soms maanden lang in vreemdestreken rondzwierven om avonturen te beleven en koppen te snellen. Alles hing af van de voorteekens, die ze raadpleegden. Waren deze gunstig, dan ondernamen ze zonder bezwaar de grootste zwerftochten.Juist toen Kees zich gereed wilde maken om naar het bosch te gaan, werd hij door een onverwachte gebeurtenis opgehouden.»Ik ben Amat, heer.”»Ik ben Amat, heer.”Een man, gekleed in de gewone dracht der Maleiers kwam op hem toegeloopen en begroette hem onderdanig. Verwonderd vroeg hij den man:»Wie zijt gij?”»Ik ben Amat, heer.”»Zoo, Amat, wat voert u hierheen?”»Ik ben een Maleier, heer, en ik verkoop aan de Dajaks amuletten om hen onkwetsbaar te maken.”Kees lachte.»Maken ze werkelijk onkwetsbaar?” vroeg hij.»Ik weet het niet, heer,” zei de Maleier met een sluw lachje. »Maar de Dajaks gelooven het en betalen er veel voor,” vervolgde hij.»Ik geloof, dat jij een slimme vogel bent, Amat; je klopt die arme Dajaks het geld uit den gordel.”»Zij willen de amuletten graag hebben, heer. Daarom verkoop ik ze. Daar is toch niets tegen?”»O, neen, verkoop jij maar, het kan mij niets schelen! Ben je nu juist gekomen?”»Neen, heer, ik ben hier al eenige dagen.”»Ik heb je toch gisterenavond niet gezien.”»Ik was in een der lawangs, heer, en wilde u niet lastig vallen.”»Zoo, en wat wilde je nu?”»Men heeft mij verteld, dat u naar de Sibaoe-dajaks wilt gaan. Is dat zoo, heer?”»Ja, dat is zoo. Maar gaat jou dat wat aan?”»Neen, niets heer,” zei de Maleier eenigszins weifelend.»Nu, wat wil je dan? Voor den dag er mee!” zei Kees ongeduldig.»Ik ben maar een handelaar, heer; u moet niet boos worden, maar ik wilde u een gunst vragen.”»Wat is dat dan?” vroeg Kees, nieuwsgierig geworden.»Ik heb hier de heele streek al afgereisd. Nu zou ik gaarne ergens anders heen gaan om mijn amuletten te verkoopen. Bij de Sibaoe’s ben ik nog nooit geweest.Mag ik u nu op uw reis vergezellen? Alleen durf ik zoo’n grooten tocht niet aan. Ik zou geholpen zijn, als ik mij bij u aan mocht sluiten. Gaarne wil ik onderweg voor u dragen.”Kees had het verzoek met verbazing aangehoord en dacht eenige oogenblikken na. De Maleier had iets in zijn uiterlijk, dat hem niet beviel. En dan—waar kon hij dien man toch eerder hebben gezien?»Zeg eens, Amat! waar heb ik je vroeger eens gezien?”»Nergens, heer. Voor zoover ik me herinneren kan, heb ik u vroeger nooit gezien,” zei de Maleier, heel even zenuwachtig met de oogen knippend.»Zoo; ik weet het ook niet zeker. En toch—je gezicht komt me zoo bekend voor,” zei Kees. En toen vervolgde hij: »Ik zal er eens over nadenken. Kom vanmiddag nog maar eens praten. Ik moet nu weg. Goeden dag.”»Goeden dag, heer,” zei de Maleier onderdanig.Hij keek Kees nog een oogenblik na. Een valsch lachje gleed over zijn gezicht; toen verdween hij in één der lawangs.Intusschen was Kees naar buiten gegaan. Hij voegde zich bij Marti, die met eenige Dajaks op hem stond te wachten. Allen begaven zich nu een eindweegs het bosch in en daar vuurde Kees de revolver zesmaal achtereen af. De Dajaks stonden stom van verbazing. Deze blanke beschikte inderdaad over zeer machtige toovermiddelen.Hij liet het nu verder aan den slimmen Marti over om de Dajaks verder te overreden en ging het bosch in om een vogel te schieten, die hij bij zijn maaltijd zou kunnen gebruiken.Toen hij teruggekeerd was en gegeten had, zette Marti zich voor hem neer en deelde hem het verdere resultaat van zijn bemoeiingen mede.»Wij zullen slagen, heer! De Dajaks toonen zich niet meer zoo bevreesd voor den Goenoeng Lawit en de Sibaoe’s als in ’t begin. Bovendien is hier in het dorp een Maleier. Ook deze schijnt hun gezegd te hebben, dat u wel in staat was, de antoe’s en geesten in het gebergte te overwinnen. Heeft u dien man al gezien?”»Ja, hij heeft mij van morgen gevraagd, of hij mee mocht gaan.”»Wil hij meegaan?” riep Marti verbaasd uit. »Wat moet die Maleier bij de Sibaoe’s doen? Is hij niet bang om gesneld te worden?”»Blijkbaar niet! Hij verkoopt amuletten voor onkwetsbaarheid. Misschien is hij zelf ook wel onkwetsbaar,” lachte Kees spottend.»Zulke amuletten bestaan er, heer,” zei Marti ernstig, »als men de goede maar heeft.”»Komt de Dajak weer boven, Marti?”Marti antwoordde niet, doch ging met een onverstoorbaar gezicht voort:»Die Maleier wil dus mee. Nu begrijp ik, waarom hij de Dajaks tracht te bepraten. Hij zal zeker nog meer zijn best doen, als u hem toestemming geeft, ons te vergezellen.”»Dus jij vindt, dat ik hem maar mee moet nemen?”»Waarom niet, heer?”»Ik weet het eigenlijk niet, Marti. Ik heb het gevoel, dat hij niet te vertrouwen is. Zijn gezicht bevalt meniet. En ofschoon ik hem in ’t geheel niet ken, wil het denkbeeld me niet uit ’t hoofd, dat ik hem reeds eerder ontmoet heb.”»Ik kan me niet voorstellen, waar we hem eerder gezien zouden hebben, heer. En waarom zou hij niet te vertrouwen zijn? Ook loopt hij bij de Sibaoe’s meer gevaar dan u. Ze zullen eerder een Maleier snellen dan een blanke.”»Dat is zoo, Marti, maar ik wantrouw dien man. Ik geloof, dat we voorzichtig met hem moeten zijn.”»Het is jammer, heer; zijn diensten zouden uitstekend te pas kunnen komen, want de Dajaks hier hebben veel vertrouwen in hem.”»Ik zal er nog eens over denken, Marti; je hebt misschien wel gelijk.”Kees verzonk in gedachten. Waar en wanneer kon hij dien Amat toch ontmoet hebben? Reeds den heelen morgen had hij in zijn herinnering gezocht. Zou hij zich toch bedriegen? Marti kon het zich niet te binnen brengen. De man zelf ontkende het. En toch.... en toch.... Kees kon maar tot geen resultaat komen.’s Middags kwam de Maleier terug, om te hooren wat Kees besloten had.»Amat,” zei Kees, »je kunt meegaan. Maar bedenk wel, dat het een onderneming vol gevaren is. Het gebergte is bijna ontoegankelijk. Er is zelfs kans, dat we terug moeten keeren. Gelukt het ons echter een doortocht te vinden, dan zijn we nog niet klaar. De Sibaoe’s zijn verraderlijk en moordzuchtig. We zullen moeite genoeg hebben, hen gunstig te stemmen. Ook van die zijde bedreigen ons gevaren.”»Dat alles is me bekend, heer. En toch zou ik gaarne meegaan. Ik ben er zeker van, dat ik daar bij de Sibaoe’s goede zaken kan doen. Juist die oorlogszuchtige stammen hebben gaarne amuletten.”»Welnu dan, afgesproken. Je gaat mee. Maar op voorwaarde, dat ge een deel der levensmiddelen voor me draagt. We zullen veel rijst moeten meenemen en dragers kunnen we hier moeilijk krijgen.”»Ja, heer, ik zal als drager dienst doen. Bovendien zal ik Marti, uw helper, bijstaan in het werven van een paar Dajaks. Ik zal ze een paar amuletten geven voor niets.”»Goed, Amat, help ons, zooveel in je vermogen is.”»Wanneer gaan we vertrekken, heer?”»Over een paar dagen, denk ik. Zoodra ik mijn besluit genomen heb, zal ik het je zeggen. Eerst moet ik zeker zijn van mijn dragers.”De Maleier ging nu Marti opzoeken, om hem te zeggen, dat zijn heer hem had toegestaan, de reis mede te doen. Beiden wendden nu hun overredingskracht aan op de betrokken Dajaks.Tegen den avond deelde Marti Kees mede, dat ze naar wensch geslaagd waren. De man, die in het voorgebergte van den Goenoeng Lawit wel gejaagd had, zou als gids optreden.Kees besloot nu, nog twee dagen in Tapang te blijven. Hij wilde dien tijd volkomen rust genieten, alvorens de zware tocht te aanvaarden.Den volgenden morgen deelde hij aan de bijgeloovige Dajaks mede, dat zijn antoe’s hem in den droom hadden bezocht. Zij hadden hem gezegd, dat de derde daggunstig was, om op reis te gaan. Niemand twijfelde een oogenblik aan de waarheid van dit orakel.Gedurende deze twee dagen maakte Kees alles in orde. Hij kocht de noodige rijst en liet deze verpakken om meegedragen te kunnen worden.Tot ’s avonds laat, ja tot diep in den nacht zaten de Dajaks van Tapang met elkaar te praten over de gevaarvolle onderneming van Kees en de zijnen. De drie mannen uit het dorp, die mee zouden gaan, waren de helden van den dag. Aller oogen rustten met bewondering op hen. Met trotsche gezichten liepen ze rond, omdat ze nu ineens zulke gewichtige personages geworden waren.Eindelijk was de dag van vertrek aangebroken. Vroeg in den morgen zette de kleine stoet zich in beweging. De heele bevolking van Tapang met Petinggi aan het hoofd deed hen uitgeleide.Vooraan liep de Dajak, die den weg zou wijzen. Daarachter ging Kees, vervolgens Marti en Amat; daarna kwamen de twee andere Kenjaoe’s, die evenals de gids en de Maleier de levensmiddelen in hun draagmanden op den rug droegen. Marti droeg alleen wat bagage van zijn heer en de patronen voor de vuurwapenen.Aanvankelijk vorderde men goed. Het terrein was heuvelachtig, maar er was een goed boschpad. Nu en dan passeerde men nog een huis of een paar ladangs; maar de sporen van menschelijk leven werden steeds schaarscher.De laatste der meegeloopen Dajaks keerden terug en nu begon de eigenlijke reis.Kees verkeerde in groote spanning. Hij was verlangendkennis te maken met den Goenoeng Lawit. Uit de verhalen der bewoners van Tapang had hij wel begrepen, dat het een uiterst woest en grillig gebergte moest zijn. Groote koelbloedigheid en voorzichtigheid zouden geboden zijn.Op een gegeven oogenblik voerde het voetpad over een slechts schaarsch begroeiden heuvel. Vrij gemakkelijk bereikten ze den top. Daar zagen ze plotseling, ver in het Oosten, een reeks van hooge bergtoppen. Voor een gedeelte schenen deze begroeid met zwaar oerwoud, doch voor de rest vertoonden ze slechts kale, grijze rotswanden.De voorste Dajak wendde zich naar Kees en op het gebergte wijzende, zei hij:»De Goenoeng Lawit.”Kees stond stil. Welke geheimen hielden die sombere steenmassa’s verholen? Met een gemengd gevoel van verlangen en angst tuurde Kees in de verte. Tusschen de plek, waar ze nu stonden, en de hoogste toppen verhieven zich nog verscheidene hooge heuvelrijen, welke ten slotte in een soort voorgebergte overgingen.Hij keerde zich tot Marti en zeide:»Als we daar maar eerst overheen zijn, Marti, dan zijn we in het land der Sibaoe’s.”»Ja, heer,” zei Marti met een lichte zucht en hij voelde onwillekeurig eens naar zijn hals. Na de verhalen der Tapangers over de koppensnellende Sibaoe’s was hij niet erg verlangend naar een kennismaking met dien stam.»Zou je denken, dat het gebergte zoo ontoegankelijk is als Petinggi Datoek vertelde, of zou hij uit angstvoor de antoe’s hebben overdreven?” vroeg Kees aan Marti.Deze trachtte het gedeelte van het gebergte, dat men voor zich zag, nauwkeurig te bestudeeren en zei toen:»Van hieruit gezien lijkt het niet ontoegankelijk, ofschoon er vele steile rotswanden zijn. Doch men kan nooit weten, wat er achter die bosschen verscholen ligt.”»Naar mijn idee zal het een zeer moeilijke tocht worden,” zei de Maleier Amat.»We zullen zien,” zei Kees, »als nu onze Dajaks ons maar niet in den steek laten, want anders....”»Anders komen we nooit meer uit dat gebergte terug,” vulde Marti aan.»Vooruit!” riep Kees plotseling. Hij wilde zich niet laten ontmoedigen door de sombere gedachten, die hem onwillekeurig bestormden.Langzaam daalde men nu den heuvel af en trok het bosch weer in. Steeds verder ging de tocht, over heuvels en riviertjes, door bosschen en over open vlakten. Soms zag men nog eens een stuk van ’t gebergte, maar meestentijds was het geheel onzichtbaar door het dichte oerwoud.Gelukkig was het in het bosch niet warm. Men schoot flink op. Kees floot een wijsje. Marti en Amat onderhielden zich met de Dajaks, die hun allerlei verhalen van den Goenoeng Lawit opdischten.Tegen het vallen van den avond keek Kees eens uit naar een geschikte plek om te overnachten. De gids vertelde, dat iets verder een paar zandige heuvels waren. Daar zou men goed kunnen kampeeren.Werkelijk bereikte men na korten tijd dit terreinen Kees vond de plaats heel geschikt voor nachtverblijf.Den volgenden morgen werd de tocht weer met nieuwen moed aanvaard. De bodem begon nu meer en meer op te loopen; het pad werd steeds slechter. Het voortgaan werd bemoeilijkt door groote en kleine steenen, waarmee het pad bezaaid was. De gids stapte echter flink door, zeker van zijn zaak.Op een gegeven oogenblik zei hij plotseling tegen Kees:»Hier dicht bij ligt het graf van Rimaoe.”»Wie was dat?”»Een groot Hoofd van onzen stam, heer. Toen die nog leefde, waren wij machtig en gevreesd door onze buren. Rimaoe maakte groote mengajaoe-tochten (sneltochten) tot diep in Serawak.”Kees herinnerde zich nu, dat Petinggi Datoek ook had gesproken over Rimaoe en het bloeitijdperk van de Kenjaoe-dajaks. Die groote tijd was echter sinds lang voorbij.»Komen we langs dat graf? Hoe ziet het er uit?” vroeg hij.»We komen er niet langs, heer, dat kan niet. De antoe’s zouden ons zeker straffen. Ik heb echter gehoord, dat er een heel groote tampájan (steenen pot) staat, waarin zich de asch van Rimaoe’s lichaam bevindt.”»Verbranden de Kenjaoe’s dan hun dooden? Ik dacht, dat zij ze begroeven.”»Ja, heer, tegenwoordig begraven de Dajaks hun dooden. Of wel ze plaatsen de lichamen op stellages in hooge boomen of op steile rotsen. Maar men zegt, dat de dooden vroeger verbrand werden. Hun asch werd in tampájans geborgen. Deze werden dan opverafgelegen plaatsen neergezet. Een enkele maal vindt men ze nog hier of daar.”Reeds had men de plek, waar het graf van den beroemden held lag, achter zich gelaten. Gaarne zou Kees dit eens van nabij hebben gezien. Hij vond het echter beter zijn nieuwsgierigheid te beheerschen, dan de bijgeloovigheid derDajakste prikkelen. Bovendien was het beter, uitsluitend het doel van den tocht voor oogen te houden.Toen de dag ten einde liep, vestigde men het nachtkwartier in de nabijheid van een kristalhelder bergriviertje.Na den maaltijd zaten de mannen nog een tijdlang om het vuur. De Dajaks zaten de wonderlijkste verhalen over de antoe’s en de booze geesten van het gebergte op te disschen. Zelfs Marti en Amat zaten ten slotte te rillen van angst. Kees werd ongerust, dat de Dajaks onder den invloed van hun eigen spookverhalen zoo bevreesd zouden worden, dat ze hun wel eens in den steek konden laten. En wat dan?»Mannen, het is tijd om te gaan slapen. Morgen wacht ons een moeilijke dag. Wij hebben onze nachtrust noodig.”Tegen deze opwekking, kort en beslist uitgesproken, was weinig in te brengen. Allen strekten hun vermoeide leden uit. Weldra verkondigde de regelmatige ademhaling van de inlanders, dat ze rustig sliepen.Maar de blanke man sliep nog niet. Lang zat hij overeind op zijn leger van bladeren, den blik gericht op den Goenoeng Lawit. Scherp staken de donkere silhouetten van het gebergte af tegen den hemel, dieverzilverd werd door het licht der maan. Forsch en dreigend teekenden de gekartelde kammen van die zwijgende steenmassa’s zich af. Welke geheimenissen hielden ze verholen? Welke gevaren dreigden er op dien grilligen, woesten oerbodem van rotsen en wouden, welke nimmer door een menschenvoet werden betreden? Hij pijnigde zich met het raadsel van den Goenoeng Lawit.Een verwarde stroom van gedachten, gevoelens en angsten bruiste door zijn brein, martelde de slaap weg uit zijn oogen. Tot diep in den nacht was hij ten prooi overgeleverd aan de schimmen zijner verbeelding. Toen kwam er vervaging; afgemat zonk hij neer; zijn spieren verslapten en hij viel in een onrustige sluimering. En zelfs in den droom schenen de antoe’s van den Goenoeng Lawit hem niet met rust te laten.V. De gevaren van den Goenoeng Lawit.Den volgenden dag kwam het reisgezelschap in het eigenlijke gebergte. Men vorderde nu slechts zeer langzaam. Meermalen gelukte het alleen maar voorwaarts te komen langs smalle bergranden, aan weerzijden begrensd door diepe ravijnen met zeer steile hellingen.Weer liepen ze in den middag op zoo’n smal pad voort, waar bijna elke schrede berekend moest worden en de minste duizeling noodlottige gevolgen kon hebben. Plotseling klonk vlak voor hen een woedend gebrul, dat nog heviger scheen door de weerkaatsing van het geluid tusschen de bergen.De gids die een eindweegs vooruit liep, hield verschrikt halt en riep:»Beren!”Kees nam vlug zijn geweer ter hand en snelde naar voren. Daar zag hij op korten afstand voor zich twee kolossale suikerbeeren, die den smallen weg geheel versperden.De aard van deze dieren is niet, dat zij den strijd bepaald zoeken. Toch zijn ze niet vreesachtig van natuur en, als ze verrast worden, gaan ze gewoonlijk met groote woede tot den aanval over.Ook nu verhieven de reusachtige dieren zich op de achterpooten. Langzaam kwamen ze op de mannen af, de geweldige muil wijd opengesperd en de voorpooten uitgebreid. Met die geopende voorpooten trachten deze dieren hun vijand te omvangen, om hem zoo in een verschrikkelijke omhelzing te vermorselen. Ook onze mannen wachtte dit lot.De gids had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Hij had zijn geweer aangelegd en wilde schieten, doch Kees riep hem toe, een oogenblik te wachten en dan tegelijk te vuren.Ze mikten. Twee schoten knalden. Toen de rook van de geweren wat opgetrokken was, zagen ze het dier over het pad wentelen en dadelijk daarop rolde het met vreeselijk gebrul van de steile helling naar beneden. Van schrik stond de andere beer een oogenblik besluiteloos, doch plotseling bezon hij zich en maakte zich gereed tot den aanval.De Dajak, die zijn ouderwetsch geweer zoo spoedig niet meer kon laden, vluchtte achter Kees.Voor dezen was het een oogenblik van spanning.Wanneer het hem niet gelukte het monster dadelijk doodelijk te treffen, dan zou hij zonder eenigen twijfel tusschen de ruige voorpooten worden doodgedrukt.Marti overzag onmiddellijk het gevaar. Hij was reeds een eindweegs langs de helling vooruitgeslopen. Plotseling verscheen hij met woest geschreeuw, zwaaiende met zijn parang, terzijde van den beer.Het dier wendde zich onmiddellijk naar den nieuwen vijand. Hierdoor kreeg Kees gelegenheidhet een doodenden kogel toe te zenden, en weldra lag het geweldige ruige lichaam levenloos voor hun voeten.Kees besloot, deze plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten. Het kostbare berenvleesch moest, tot grooten spijt van de mannen, achterblijven.De rest van dien dag verliep zonder verdere wederwaardigheden en weer hadden de reizigers het geluk te kunnen overnachten in de nabijheid van een helder bergstroompje.De derde dag in het Lawitgebergte brak aan. Kees wist in ’t geheel niet meer, waar ze zich bevonden. Het beste was maar, onvoorwaardelijk vertrouwen te stellen in den speurzin van den gids.Aan den stand van de zon merkte hij op, dat ze steeds in Oostelijke richting voorttrokken. Het gebergte scheen te bestaan uit een aantal evenwijdige, van Noord naar Zuid loopende ketens, welke ze dwars overstaken.Meermalen had men reeds geweldig steile rotswanden en diepe ravijnen gezien, doch het was den gids nog steeds gelukt, deze te ontwijken.Tegen den middag bereikten ze de kam van eennieuwen keten en Kees zag voor zich een ravijn van minstens vijfhonderd meter diepte. Aan de andere zijde verhief zich een nieuwe bergreeks.Op de wanden van de bergen aan de overzijde zag hij groote grijsachtige kale plekken, die hij herkende als loodrechte rotswanden, waarvan enkele naar schatting wel twee honderd meter hoog waren.Nu zouden de moeilijkheden pas beginnen. »Petinggi Datoek heeft niets te veel gezegd van de steilten en afgronden in deze rotsenwereld,” dacht Kees. Weinig vermoedde hij, dat hij zóó spoedig met de allerergste gevaren kennis zou maken.»Dat ziet er niet mooi uit, Marti!”zeide hij, terwijl hij zijn helper op de kale rotswanden wees.»Neen, heer, het is onmogelijk dáár het gebergte te bestijgen. Tegen zulke steilten kan geen mensch opklimmen.”»Toch moeten we er tegen op, Marti, we zullen maar op de vindingrijkheid van onzen gids vertrouwen; die zal wel een beklimbare plaats kunnen vinden.”De Dajaks hadden intusschen met groote opmerkzaamheid de tegenoverliggende bergen opgenomen. Blijkbaar waren ze het niet met elkaar eens. Weldra kwam de Maleier Amat, die aan hun druk gesprek had deelgenomen, naar Kees toe, zeggende:»De Dajaks weten niet, hoe ze verder zullen gaan, heer. De gids wil naar het Zuid-Oosten, om te trachten gindsche ruggen te beklimmen; de anderen willen het hier recht tegenover probeeren.”»Ik zal zelf eens met hen praten,” zei Kees en begaf zich naar de luid redetwistende Dajaks.De beide voorstellen werden van alle kanten overwogenen na lange besprekingen werd vastgesteld, om het plan van den gids te volgen.Weldra daalde men in Zuid-Oostelijke richting in het diepe ravijn af.De helling was zeer steil. Om meer vrijheid van beweging te hebben, volgden de mannen elkaar niet onmiddellijk op den voet.Nadat ze een honderdtal meters in schuinsche richting gedaald waren, vond de gids een randje, dat eenigszins op een pad geleek. En daar het in de gewenschte richting liep, begon hij het te volgen.Nu kwamen de mannen vrij snel vooruit en konden een flink eind op die wijze afdalen. Soms echter was het pad zoo steil, dat ze zich maar lieten glijden, tot ze weer aan een gedeelte kwamen, dat zich beter tot gaan leende.Al hun aandacht was gevestigd op de moeilijke afdaling. Niemand lette meer op de omgeving, waar ze zich bevonden.Plotseling bleef de gids roerloos staan. Toen klemde hij zich aan eenige struiken vast, om niet uit te glijden, spiedde nog eens bedachtzaam vóór zich en riep Kees toe:»Ik kan niet verder, heer!”Kees ging heel voorzichtig iets vooruit en vroeg:»Waarom niet? Kun je je niet laten glijden?”»Dat kan hier niet, heer! Ik zie vóór me en opzij niets meer, dat op een rand gelijkt. Ik geloof, dat ik voor een afgrond sta. Ik durf me niet verder te laten glijden.”Kees kroop nog iets vooruit. Met de uiterste omzichtigheid boog hij zich voorover en keek in de diepte.Het was waar, wat de Dajak gezegd had. Ze bevonden zich aan den uitersten rand van een afgrond, die wel drie- of vierhonderd meter diep was.Kees begreep nu, dat ze afgedwaald waren. Ze bevonden zich op een vooruitspringend randje van een soortgelijke steile rotswand, als ze aan de overzijde van het ravijn hadden opgemerkt.»We moeten terugkeeren! Het gaat hier niet!” riep hij.Doch terugkeeren? Hoe? Meermalen hadden ze zich maar van de steilten af laten glijden, onbewust van dreigende beletselen. Terugkeeren? Dat was onmogelijk langs den zelfden weg. En een andere was er niet. Wat dan?Hier moest het alleruiterste geprobeerd worden.Kees strekte zich plat op de rots. Voorzichtig kroop hij langs de anderen naar den voorsten man toe. Hier gekomen ontdekte hij, dat de rots een hoek vormde, die loodrecht de duizelingwekkende diepte begrensde. Nog enkele centimeters schoof hij met de grootste voorzichtigheid vooruit. Toen gelukte het hem, om den rotshoek heen te kijken. Hij zag, dat zich daar het randje weer breeder voortzette en vrij goed begaanbaar scheen.Slechts door den hoek om te stappen, zou hij echter dien rand kunnen bereiken. Meer dan levensgevaarlijk was deze toer. Misschien zou het lukken. Grooter echter was de kans, in de diepte te storten en met verpletterde ledematen den dood te vinden ergens diep in den afgrond.Maar er was geen keuze. Hij moest!Als nu de struik eens losliet....Als nu de struik eens losliet....Met de uiterste behoedzaamheid stond hij op. Zooveelmogelijk drukte hij het lichaam tegen den rotswand. Met de handen greep hij een klein struikje, dat in een spleet wortelde. Toen waagde hij de gevaarlijke schrede.Onzeker tastte zijn rechter voet een oogenblik in de ledige ruimte. Toen voelde hij den rand, dien hij zocht....Met zijn rechterhand greep hij om den hoek een uitstekende rotspunt.Zijn hart stond een moment stil. Als nu de struik eens losliet.... als de steen eens afbrokkelde.... dan zou hij.... Maar neen! daaraan mòcht hij niet denken. Hij verzamelde zijn wilskracht, zette zich krachtig af met den linkervoet.... en een seconde later bevond hij zich veilig en wel op den breederen rotswand aan de andere zijde van den hoek.Een oogenblik moest hij zich neerzetten, want zijn beenen trilden en het klamme zweet parelde op zijn gelaat en zijn handen.Weldra was hij geheel tot zich zelf gekomen en bepaalde zijn aandacht bij zijn metgezellen. Niemand van hen had den stap nog durven wagen. Kees begon hen aan te sporen, hem te volgen.Na enkele oogenblikken kwam ook Marti om den hoek stappen. Weldra volgden ook Amat en twee derDajaks.De derde dezer mannen aarzelde.»Ik durf niet, heer! De antoe’s willen mij naar beneden trekken.”»Kom maar vlug! De antoe’s hebben ons toch ook geen kwaad gedaan. Maak voort, wij moeten verder!”»Ik voel, dat ze mij naar beneden zullen werpen,heer! Zij grijpen mij al bij de beenen,” jammerde de Dajak.»Dat is de angst, lafaard!” brulde Kees. »Als je niet komt, gaan wij verder. En dan moet je daar dood hongeren. Er is geen andere weg!”De andere Dajaks en Amat deden ook hun best, den man moed in te spreken.Eindelijk, gedwongen door een onontkoombare noodzakelijkheid, besloot de man te volgen. Voorzichtig zocht hij met den voet naar steun, zich bij het overbuigenvastklemmendeaan de struik.Maar deze had reeds zooveel moeten dragen. Eensklaps lieten de wortels uit de rotsspleet los....Wild greep de Dajak met zijn eene hand in de lucht; met de andere omklemde hij krampachtig de uitgetrokken struik en met een vreeselijken gil stortte de ongelukkige in het diepe ravijn.Vol ontzetting hadden de anderen dit vreeselijk tooneel aangezien. Zonder ook maar een hand tot hulp te kunnen uitsteken, moesten ze hun ongelukkigen makker aan zijn lot overlaten. Ademloos luisterden ze een oogenblik toe. Van uit de diepte hoorden ze den doffen smak van een neervallend lichaam en het gebons van een paar losgeraakte steenen. Toen heerschte weer de doodsche stilte, alleen verbroken door het geruisch van een waterval, die ergens beneden hen, zijn water in het ravijn deed neerstorten.Zwijgend zaten de mannen bijeen. Elk trachtte nog een geluid op te vangen van den verdwenen makker. Toch wisten ze maar al te zeker, dat deze hoop ijdel was; dat hij ergens, onherkenbaar verminkt misschien,aan den voet der rotsen moest liggen—ontzield.Eindelijk kwam Kees tot zich zelven:»Mannen, we moeten vooruit. We kunnen hier niet blijven. En hèm kunnen we niet helpen. Niets zou hem meer kùnnen helpen. Hij is zeker dood.”»Ja, hij is dood!” herhaalde Amat.»De antoe’s hebben hem naar beneden getrokken; dat is hun eerste waarschuwing,” zei een der Dajaks met sidderende stem.Kees huiverde. Maar zich bedwingende, riep hij:»Vooruit, mannen! Ik zal voorgaan!”Zonder een woord te spreken, en diep onder den indruk van het gebeurde, gingen ze op weg.Het pad was tamelijk breed en liep, langzaam dalend, in zuidelijke richting.Tegen den avond bereikten ze een uitgedroogden waterloop. Daar was ruimte genoeg voor alle vijf om zich neer te leggen en in den slaap vergetelheid te zoeken voor de gebeurtenissen van dien dag.Als gewoonlijk lag Kees weer een tijdlang te tobben. Velerlei zorg vervulde zijn hart. In de eerste plaats was hij nog diep onder den indruk van het noodlottig verlies van een zijner reismakkers.Maar in de tweede plaats had deze gebeurtenis nog een onaangename kant: met den Dajak was ook een aanzienlijk deel der levensmiddelen onnaspeurlijk in de diepte verdwenen. Het gevolg was, dat ze de volgende dagen op verminderd rantsoen zouden moeten leven. En wanneer de tocht nog lang zou moeten duren, zouden ze misschien wel nijpend gebrek aan een en ander ondervinden. En in de derde plaats bekroopKees de angst, dat de beide andere Dajaks door den dood van hun makker zoo’n afschrik zouden krijgen, dat zij, wanneer zich meer zulke hindernissen voordeden, hem in den steek zouden laten. En wie kon hem waarborgen, dat er zich geen bijna onoverkomelijke beletselen op hun verderen weg zouden voordoen?Met argwaan hoorde hij de beide mannen nog lang met elkaar mompelen. Zeker maakten ze elkaar, onder den diepen indruk van het gebeurde, beangst met verhalen over de antoe’s. Ongetwijfeld waren deze vertoornd op de vermetele menschen, die het waagden hun gebied te betreden.Kees rilde bij de gedachte, dat hij alleen zou kunnen overblijven met Marti en Amat.Tenslotte kreeg de vermoeidheid de overhand. Hij sliep in, maar onrustige droomen kwelden hem, en herhaaldelijk werd hij opgeschrikt door de schrille doodskreet van den Dajak, die van de rotsen stortte.Toen de dag aanbrak en het licht begon te worden, ontwaakte hij. Hij wreef zich de oogen uit en keek eens rond naar zijn metgezellen. Tot zijn grooten schrik ontdekte hij alleen Marti en Amat. De beide Dajaks waren verdwenen. Snel wekte hij de slapenden. Oogenblikkelijk waren zij op de been, en nu onderzochten de drie mannen de omgeving. Weldra riep Amat:»Hier is een spoor, heer! Ik geloof dat ze hier naar boven geklommen zijn.”Kees bekeek de plek en weldra maakten ze de gevolgtrekking, dat de beide Dajaks van de duisternis gebruik moesten hebben gemaakt om te vluchten.»Ze zijn gisteren bang geworden door den dood van hun kameraad,” zei Marti.»Waar zouden ze nu heen gegaan zijn?” vroeg Kees.»Op goed geluk het gebergte in,”oordeelde de Maleier.»Die komen nooit meer terecht, vrees ik,”zuchtteKees.»Een Dajak vindt al gauw een weg, heer!” meende Amat.»Maar ze hebben geen eten!” zei Marti.Plotseling sprong Kees op. De laatste opmerking trof hem als een electrische schok. Als de Dajaks eens alle rijst hadden meegenomen!»Onze rijst!” riep hij uit.Marti en Amat slaakten een kreet van schrik. Snel liepen ze terug naar de plek waar ze overnacht hadden. Hun vrees bleek gegrond: de Dajaks hadden de draagmanden meegenomen. Verreweg de grootste hoeveelheid levensmiddelen was verdwenen.Voor de drie mannen bleef slechts datgene over, wat Amat in zijn mand droeg.Ze verkeerden in absolute onzekerheid, hoelang de tocht nog zou duren. Ze moesten derhalve zeer zuinig zijn met den mondvoorraad en besloten slechts heel weinig per dag te gebruiken.Mismoedig hervatten ze hun tocht, en de moeilijkheden van den bergtocht deden zich weldra weer geducht gelden.Slechts zeer langzaam vorderden ze en meermalen zetten ze zich neerslachtig op een rotsblok neer. Dit gebergte scheen eindeloos. Altijd weer nieuwe, hooge kammen. Zonder twijfel zouden ze om moeten komenin deze eenzame, wilde rotsenwoestenij. Maar dan grepen ze weer moed.... en dan worstelden ze weer verder.Zes lange dagen ging het zoo voort; zes lange dagen van tobben en zwoegen met half gevulde magen, met trillende beenen, met versufte hersenen.Toen bereikten ze in den namiddag een hooge bergkam. Tot hun onuitsprekelijke vreugde bleek het, dat ze eindelijk de hoogste toppen van den Goenoeng Lawit hadden beklommen. Een woest, majestueus panorama ontrolde zich voor hun blikken: een reeks afdalende bergruggen, de zijden geflankeerd door oerwouden. Het land der Sibaoe-dajaks lag voor hen.In hun blijdschap hieven ze een gejuich aan. Vreemd klonk dat in deze eenzame, nimmer door een menschelijk wezen bezochte omgeving. Een triomfkreet van menschelijke durf en ondernemingsgeest trilde door de ijle lucht, die geen andere geluiden kende dan nu en dan het ratelen van den donder, honderdvoudig weerkaatst door de bergwanden.Toen ze eenmaal hun vreugde geuit hadden, deed de afmatting zich in dubbele mate gevoelen. Ze waren niet in staat, op het oogenblik met de afdaling te beginnen. Gedurende de laatste twee dagen hadden ze hun honger trachten te stillen met wat rauwe plantenwortels, die wel de maag vulden, doch geen voedsel gaven.De uitgeputte mannen vielen, nu ze voor een klein gedeelte van hun zorgen ontheven waren, in een loodzwaren, droomeloozen slaap, waaruit ze eerst den volgenden morgen eenigszins verkwikt ontwaakten.Langzaam ging het nu weer voorwaarts, om den Goenoeng Lawit af te dalen en voorgoed te verlaten.Een tweetal dagen sleepten ze hun verzwakte lichamen voort door dichte, donkere bosschen, zonder eenig teeken van menschelijk leven te ontdekken. Eindelijk, op den derden dag, kwam er aan hun lijden een einde. Bij het overtrekken van een riviertje stonden ze plotseling tegenover een paar Dajaks. Deze schenen door de onverwachte ontmoeting nog verschrikter dan zij zelf. Een Dajaksche begroetingskreet van Marti stelde hen echter gerust en nu kwamen ze dichterbij, om te vernemen, wat de vreemdelingen wenschten.VI. Bij de Sibaoe-dajaks.»Zijt gij mannen van den stam der Sibaoe’s?” vroeg Kees.»Ja, heer!” antwoordde een der Dajaks.»Gelukkig, dan zijn we eindelijk aan ons doel!” riep Kees uit.»Waar komt u vandaan?” vroegen de Sibaoe’s, want de plotselinge verschijning dezer drie mannen had de grootste verbazing bij hen opgewekt.»Wij zijn van den Goenoeng Lawit gekomen,” zei Marti en wees achter zich naar de hooge bergtoppen.Deze mededeeling werd door de Sibaoe’s met zichtbare teekenen van ongeloof ontvangen. Hun houding en hun blik werden wantrouwend.»Hebt ge niets voor ons te eten?” vroeg Kees,die hoopte eindelijk zijn honger te kunnen stillen.De beide Dajaks haalden uit hun manden wat gekookte rijst, die ze altijd op hun zwerftochten in een potje meevoeren. Met graagte aten de drie uitgehongerde mannen het hun verstrekte voedsel. De Dajaks zagen met verwondering toe. Ze begrepen, dat deze menschen honger geleden hadden.Toen de maaltijd in letterlijken zin verslonden was, vroegen ze aan Kees:»Wat komt u hier zoeken?”»Ik ben een man van de Kompenie. Dit is mijn helper en dat is een koopman, die hier handel wil drijven.”Ofschoon in dien tijd het gouvernement zich nog niet veel met de zaken van het binnenland bemoeide, wist Kees toch wel, dat de Dajaks hem misschien zouden ontzien, als ze in hem een dienaar van de »Kompenie” zagen.»Wat wil de Kompenie hier dan?” vroegen de Dajaks nog steeds wantrouwig.Kees achtte het niet raadzaam, iets van zijn eigenlijk plan te laten blijken. Hij moest het vertrouwen der Dajaks zien te winnen. Daarom bedacht hij een voorwendsel.»Ik kom hier naar steenkool zoeken. Als er hier veel steenkool in den grond zit, wil de Kompenie het er uit halen. Dan kunnen de Dajaks veel geld verdienen.”De Sibaoe’s kenden het gebruik van steenkool voor hun eigen wapensmederijen en hadden misschien wel eens gehoord, dat de blanken ook voor andere doeleinden veel steenkool noodig hadden. Ze knikten met het hoofd en zeiden:»Er is hier wel steenkool, maar niet zoo heel veel.”»Dat wil ik nu juist onderzoeken,” zei Kees. »Ik heb geleerd te zien, of er diep onder den grond ook nog steenkool zit.”»De witte menschen moeten heel knap zijn. Ik heb hooren vertellen, dat er in Koetjing (de hoofdplaats van Serawak) een vaartuig is, dat door vuur in beweging wordt gebracht. Is dat zoo?” vroeg een der Sibaoe’s.»Ja, dat is zoo. Zulke schepen hebben wij. Daarvoor juist hebben we steenkool noodig,” zei Kees.Marti en Amat hadden stil naar het gesprek geluisterd. De eerste keek vol bewondering zijn meester aan; hij had nooit gedacht, dat deze zoo mooi liegen kon. De Maleier daarentegen vertrok geen spier van zijn gelaat. Het scheen, alsof dat alles hem niets aanging.Nu begon Kees op zijn beurt zijn nieuwe kennissen te ondervragen over het land en zijn bewoners.De twee Dajaks waren uit een dorp, Oelak genaamd. Zij bevonden zich nu op de jacht en waren volgens hun zeggen twee dagen loopens van hun woonplaats verwijderd.Het gesprek vlotte heel goed, ofschoon de Sibaoe’s in hun taal enkele afwijkende woorden bezaten, waarvan Kees niet dadelijk de beteekenis begreep.»Is Oelak het voornaamste dorp?” vroeg hij.»Neen, heer, het grootste dorp ligt verder naar het Oosten en heet Metoedjoe. Daar woont het voornaamste hoofd van onzen stam, Senawa genaamd.”»Hoever is dat Metoedjoe hier vandaan?”»Vier dagen, heer.”»Welnu, ik wilde gaarne eerst naar Metoedjoe gaan,om met Senawa te spreken en van hem te hooren, of ik hier veilig ben. Ik heb wat zout en tabak voor hem meegebracht, om te toonen, dat ik als een goed vriend in dit land kom,” zei Kees.De Dajaks zwegen en wachtten af, wat hij verder te zeggen zou hebben.»Ik zal jelui goed beloonen, als je me naar Metoedjoe brengt,” ging hij voort.Na kort onderling beraad zei een der Dajaks:»We zullen onze jacht opgeven en u naar Senawa geleiden, doch dan zult u ons zeker ruim beloonen?”Kees bevestigde zijn belofte en spoedig was men, nu met zijn vijven, op weg.Tegen den avond bereikte men een afdakje, dat pas gemaakt scheen. Inderdaad was het de plaats, waar de beide jagers den vorigen nacht hadden doorgebracht. Ook nu gaven ze den wensch te kennen, daar te overnachten. Kees, die zich vrijwel uitgeput gevoelde, kon daar niets tegen in brengen.Hij bepaalde evenwel, dat ze met hun drieën om de beurt de wacht zouden houden. Hij vertrouwde zijn nieuwe vrienden toch niet al te best.Toen de beurt aan Kees was, om te waken, bleef de Maleier Amat, dien hij had afgelost, nog eenige oogenblikken met hem praten.»Het is misschien brutaal, heer, maar ik zou toch gaarne weten, waarom u eigenlijk naar dit land is getrokken. U heeft dien Dajaks verteld, dat u steenkool komt zoeken, maar dat kan toch de waarheid niet zijn. Hoe zou men die steenkool hier vandaan naar de beneden streken moeten transporteeren? Dat schijnt mij ondoenlijk.”»Amat, ik ben niet van plan, om je te vertellen, wat ik precies ga doen. Dat gaat niemand iets aan. Waarom wil je dat weten? Jij hebt nu toch je zin. Je bent bij de Sibaoe’s en nu kun je trachten, je amuletten te verkoopen.”»Ik heb er reeds twee verkocht, heer,” zei de slimme Maleier en Kees hoorde hem zachtjes lachen.»Jij bent een bijdehante rakker, Amat,” lachte Kees nu ook.»Ik ben een handelaar, heer, en ik mag mijn gelegenheid om te verkoopen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Maar ik wil hier niet altijd blijven en hoop dit land ook weer te verlaten. Omdat ik graag weer met u terug ging, vroeg ik u, wat u ging doen. Als u dat misschien niet kunt zeggen, is het evenwel toch wel mogelijk, dat u kunt zeggen, wanneer u teruggaat.”»Daar weet ik nog niets van. Ik moet in dit land iets onderzoeken, maar moet eerst nog informeeren, waar ik precies moet zijn. Als ik dat weet, kan ik ongeveer zeggen, hoelang mijn verblijf bij de Sibaoe’s zal duren.”»Zoudt u het mij dan willen zeggen?”»Zeker, maar reken er op, dat ik hier slechts zoo kort mogelijk blijf.”»Dat is goed, heer, ik zelf wensch ook niet zoolang te blijven.”»Je bent er zeker niet geheel van overtuigd, dat je amuletten afdoende werken,” lachte Kees.»Misschien, heer!” zei de Maleier droogjes. Daarna legde hij zich ter ruste. Kees was alleen, tot zijn wachttijd om was en Marti hem weer afloste.De nacht ging zonder eenige stoornis voorbij, waardoor het vertrouwen in de Sibaoe’s wat beter werd.Verfrischt en versterkt, opgewekt door het vooruitzicht, spoedig weer eens onder een dak te zullen slapen, stapten de drie reizigers den volgenden morgen vroolijk en vlug achter de Dajaks aan.Toch schoten ze dien dag niet zoo heel veel op. Er vielen hevige regens, die de kleine riviertjes spoedig sterk deden wassen.Dankbaar mochten ze zijn, dat ze niet meer in het hooggebergte waren. Zonder twijfel zouden ze daar onder deze omstandigheden in de waterloopen zijn omgekomen.Van slapen kwam dien nacht niet veel; de stortregen plaste zonder ophouden neer en de grond was doorweekt. Veel moeite hadden ze om een vuurtje aan te leggen voor het bereiden van hun maaltijd.Den volgenden morgen trokken ze over een verlaten ladang met een paar vervallen huisjes er op. Menschen troffen ze er niet aan. Enkele uren later passeerden ze een uitgestrekte ladang met een grooter huis er op. Een tiental mannen kwamen te voorschijn, die, nieuwsgierig, weldra het kleine gezelschap omringden.Het waren forsch gebouwde menschen, slechts gekleed met een tjawat en zwaar bewapend. Enkelen hadden een geweer, de anderen zware lansen en schilden. De groote oorlogsparangs waren versierd met bosjes menschenhaar.Kees voelde zich niet erg op zijn gemak tusschen dit troepje Dajaks, dat er zoo krijgszuchtig uitzag. Doch hij begreep, dat vrees hier een slechte raadgeefsterwas. Groote koelbloedigheid en onverschrokkenheid was hier dringend geboden. Toch voelde hij tersluiks eens naar zijn revolver en keek tevens zijn geweer eens na.Marti en Amat bleven zoo dicht mogelijk bij Kees en beschouwden de Dajaks met een gemengd gevoel van vrees en nieuwsgierigheid.De Sibaoe’s waren een zeer vrijmoedig slag menschen, die Kees,—daar ze nooit een blanke gezien hadden,—met de grootste opmerkzaamheid bekeken. Vooral zijn schoenen trokken hun bizondere belangstelling.Intusschen vertelden de twee gidsen de geschiedenis van hunne ontmoeting. Het verhaal van de tocht over den Goenoeng Lawit werd ook thans met ongeloof en wantrouwen ontvangen.Blijkbaar heerschte onder deze menschen dezelfde vrees voor dat gebergte als onder de Kenjaoe’s. Maar ook kwam Kees tot de overtuiging dat de Sibaoe’s zonder eenigen twijfel ergens in ’t Noorden een goeden weg kenden.Na eenigen tijd konden ze weer op weg gaan. Enkele der Sibaoe’s hadden zich bij hen aangesloten.Dien dag bereikten ze nog het dorp Oelak. Het was een groot huis, gelegen op een uitgestrekt ladang-veld. Om het huis was een stevige heining van boomstammen.In dit dorp werden de vreemdelingen vrij goed ontvangen, ofschoon ze aanvankelijk wel met argwanende oogen werden opgenomen.Uit alles bleek, dat men hier nog met onvervalschte koppensnellers te doen had. Overal aan de palenhingen rottan mandjes met gedroogde of gerookte menschenschedels erin en de zware parangs der krijgers waren kwistig met bosjes haar versierd. Nu Kees en zijn reisgezellen eenmaal in het huis ontvangen waren, konden ze zich daar voorloopig veilig voelen. Het is bij de Dajaks geen gewoonte het gastrecht te schenden.Alvorens zijn reis voort te zetten, besloot Kees een dag rust te houden in Oelak, ten einde van alle vermoeienissen en ontberingen te bekomen. Hij benutte dien tijd vooral door eens te praten met de Sibaoe’s. Hij wilde gaarne een en ander van het land weten en vorschte naar alles, wat hem eenigszins op het spoor kon brengen van den begeerden schat. Amat trachtte amuletten te verkoopen, wat hem heel goed gelukte.Kees slaagde er in, door voorzichtige vragen, ongemerkt te vernemen, dat er werkelijk een Soengei Tekoeng bestond, en verder, dat deze rivier op ongeveer vijf dagen ten Noorden van het dorp Metoedjoe lag.De wetenschap, dat de gezochte rivier werkelijk bestond, stemde hem zeer opgewekt. Uit verschillende opmerkingen, welke hij opving, leidde hij af, dat zijn oude makker met juistheid de plaats beschreven had, waar de diamanten verborgen waren. Kees herkreeg zijn oorspronkelijke luchthartigheid. De gevaren waren tot dusverre overwonnen; het grootste leed scheen wel geleden. De gedachten aan zijn toekomstige rijkdommen drongen zich weer sterker op den voorgrond. De paleizen zijner droomen verhieven zich weer in ongerepte pracht tot aan de wolken. Zoo spoedig mogelijk wilde hij voortgaan, handelen, rijk worden!Zijn plannen waren, meende hij, rijpelijk overdacht.In het dorp Metoedjoe zou hij een gids zoeken, die hem naar de Soengei Tekoeng zou brengen. Hij zou, als hij een eind deze rivier opgevaren was, Marti met dien man achter laten en geheel alleen de diamanten gaan halen.Maar vooraf moest hij Metoedjoe zien te bereiken en vriendschap sluiten met den invloedrijken Senawa.In den vroegen morgen van den volgenden dag ging het gezelschap alweer op marsch, geleid door de beide Dajaksche jagers.Een tweetal dagen liepen ze door zonder gebeurtenissen van eenig belang te beleven. Toen bereikten ze het groote dorp Metoedjoe, waar ze het Sibaoe-hoofd Senawa aantroffen.Metoedjoe bestond uit twee zeer groote huizen. Deze waren verbonden door een paar halve boomstammen, welke als brug dienst deden.Ook hier zag Kees vele onmiskenbare teekenen van gehouden sneltochten. Zelfs viel het hem op, dat verscheidene der koppen nog vrij versch waren.De mannen waren meestal zwaar gewapend en voorzien van zeer groote schilden, die met kunstige figuren waren versierd. Ook droegen vele Sibaoe’s een zoogenaamde soelauw. Dat is een soort van vest, vervaardigd van geklopte boomschors, dienst doende als harnas tegen pijlen en lansen. Dit primitieve harnas dragen de Dajaks bij hun mengajaoe-tochten. Er waren zeer veel strijdbare mannen in het dorp en allen zagen er zeer krijgszuchtig uit. Verscheidene hunner hadden de hoofddeksels versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel. Daaruitleidde Kees af, dat ze pas van een sneltocht teruggekeerd waren, of dat ze er zich op voorbereidden.Toch was de ontvangst in Metoedjoe vrij goed en Senawa nam de geschenken van Kees, bestaande uit tabak en zout, goedgunstig aan.Toen hij evenwel vernam, dat Kees iemand van de Kompenie was, begon hij bevreesd te worden, dat het vrije leven der Sibaoe’s aan banden gelegd zou worden. Hij wist wel, dat het Nederlandsche Gouvernement geen sneltochten zou dulden. En nu begon hij argwaan te krijgen, dat de komst van dezen blanke een voorbode was van de inmenging der Kompenie in de zaken der Sibaoe’s. Hoe zouden de Sibaoe’s dan aan koppen kunnen komen, als teeken van hun dapperheid en om hun huizen te sieren? Hoe zouden ze in het volgende leven, na hun dood, kunnen bestaan, als hun gesnelde vijanden hen niet als slaven dienden?Het was voor den Dajak een ernstige zaak. Deze blanke man met zijn reisgezellen moest zoo spoedig mogelijk het vrije land der Sibaoe’s verlaten. Zoo overlegde Senawa in stilte.Kees gaf den wensch te kennen, hem alleen te spreken over een zeer belangrijke zaak, en beloofde hem nog wat zout en tabak voor zijn moeite. Weldra zaten beide in de kleine lawang van Senawa, zonder verder gezelschap, druk te praten.»Ik kom zoeken naar steenkool, Senawa!”»Dat heb ik gehoord, heer, maar er is hier niet veel in de buurt. U zult tevergeefs zoeken. Wij zelf hebben veel moeite, om de voor onze wapensmederij benoodigde steenkool te vinden. Meestal gebruiken wij houtskool.”»Hier dichtbij is misschien niet veel, Senawa, dat is mogelijk. Maar ik weet een plek, waar veel steenkool in den grond moet zitten, en daar wilde ik eens gaan onderzoeken.”»Waar is dat dan, heer?”»Aan de Soengei Tekoeng.”De Dajak zeide niets, doch kuchte eens.Weldra zaten beiden in de kleine ladang.Weldra zaten beiden in de kleine ladang.»Weet je die rivier?” vroeg Kees.»Zeker, heer, het is een zijrivier van de Soengei Pejang, die weer een tak is van de Soengei Sibaoe.”»Nu, daar wil ik heen; zoek een man, die mij daar heen kan brengen,” vervolgde Kees, die moeite had zijn vreugde niet te laten blijken.De Dajak kuchte weer. Hij scheen iets te willen zeggen, doch wachtte af.»Wat is er, Senawa? Je hebt nog iets te vragen.”»Ja, heer,” zei de Dajak aarzelend. »Een paar oogsten geleden was hier ook een blanke, die naar de Tekoeng wilde. Hij heeft daar eenigen tijd gezocht en is toen plotseling gevlucht. Weet u daar iets van?”»Neen, daar heb ik niets van gehoord,” loog Kees.»Waarom vluchtte hij?”»Dat weet ik niet, heer,” zei de Dajak en terwijl hij loerend naar Kees zag, vervolgde hij:»De menschen zeiden, dat hij glinsterende steenen zocht. Dat brengt ongeluk.”»Zoo, nu daar weet ik niets van, Senawa. Zoek jij nu maar een goeden gids en een paar dragers voor mij. Dan zal ik je goed beloonen, als ik de steenkool gevonden heb,” zei Kees, van zijn mat opstaande.»Nog één vraag, heer,” zei Senawa, ook oprijzend.»Wat gebeurt er, als u veel steenkool vindt? Komen er dan meer menschen van de Kompenie? En soldaten?”Een oogenblik wist Kees niet, wat hij antwoorden moest. Hij begreep, dat het Senawa niet aangenaam kon zijn, als hij zijn vrijheid van handelen moest verliezen. Weldra vond hij er iets op.»Misschien nog één of twee blanken en verder zouden de Dajaks veel geld kunnen verdienen door te werken. Soldaten komen er zeker niet.”De Dajak scheen eenigszins gerustgesteld. Hij zeide althans:»Ik zal een paar menschen voor u zoeken, heer.”»Goed, Senawa, denk aan de belooning.”Kees verliet de lawang en weldra trad ook Senawa naar buiten.Toen het vertrek verlaten was, kwam in de aangrenzendelawang met de uiterste behoedzaamheid een man langs een paal naar beneden glijden. Hij kwam van het zoldertje, de rijstbergplaats, welke zich boven de vertrekken bevond.Het was Amat, de Maleier!»Nu weet ik het geheim,” fluisterde hij, »den naam van die rivier heb ik toen dien avond te Pontianak niet goed kunnen verstaan. Nu weet ik het en nu zijn de diamanten voor mij.”Voorzichtig keek hij, alvorens de lawang te verlaten door een spleet. Er was geen onraad en de deur openend stapte hij zoo vlug mogelijk naar buiten.Reeds den volgenden dag kwam Senawa aan Kees mededeelen, dat hij een gids en een drager had gevonden, die bereid waren hem van dienst te zijn. De tocht zou, naar hij beweerde, vier of vijf dagen duren. Na een dag of tien zou Kees, mits zijne onderzoekingen niet te lang duurden, weer terug kunnen zijn.Kees verzekerde, dat hij niet veel tijd noodig had om tot een vaststaand resultaat te komen.»Het is het beste, dat u morgen reeds op weg gaat, heer,” zei Senawa.Kees verwonderde zich over dien haast en vroeg:»Waarom morgen al? Ik wilde nog een rustdag hebben.”»Het regent elken dag, heer. Als u langer wacht, zal het moeilijk worden, de rivieren op te varen wegens de groote stroomsnelheid. Bovendien staan de oeverstreken door de vele regens vaak geheel onder water.”>»Dan is het inderdaad beter, morgen te vertrekken. Dank voor je goeden raad, Senawa. Stuur die twee menschen maar dadelijk bij mij.”»Ja, heer,” zei de Dajak en verwijderde zich.Kees zocht Marti op en deelde hem zijn voornemen mede. Eenige oogenblikken later verscheen ook Amat en zeide:»Ik hoor dat u verder gaat, heer. Vindt u goed, dat ik hier blijf? Ik verkoop hier veel amuletten en wilde nog wel eenige dagen in dit dorp blijven. Wanneer komt u terug? Als u ’t goed vindt, zou ik daarop willen wachten, om me dan weer bij u aan te sluiten.”»Dat is goed, Amat. Ik denk, dat ik over een dag of tien terug ben. Dan verlaat ik dit land zoo spoedig mogelijk en kun je weer mee reizen.”»Heel goed, heer,” antwoordde de Maleier en na een onderdanige buiging gemaakt te hebben, ging hij zijns weegs.Kees tuurde hem na met nadenkend gelaat en mompelde nog eens, wat hij zichzelf reeds meermalen had afgevraagd:»Ik moet dien kerel meer hebben gezien. Maar waar? waar?”Veel tijd om daarover na te denken, had hij echter niet,want hij moest alles nog regelen voor het vertrek.Hij kocht voldoende rijst voor vier mannen om tien dagen van te leven. Toen ging hij naar de pangkalan, die ongeveer een uur van het dorp verwijderd was, om een geschikt vaartuig uit te zoeken.Weldra had hij tusschen de talrijke djaloers er één gevonden, die hem hecht en sterk leek. Daarna ging hij met den eigenaar onderhandelen over den huurprijs.Nu waren de voorbereidende maatregelen getroffen en kon men met gerustheid den volgenden dag tegemoet zien.
IV. Een onverwachte reisgenoot.Het was den volgenden morgen al vrij laat, toen Kees wakker werd. Hij begaf zich naar het beekje in de nabijheid van het huis om een verfrisschend bad te nemen. Toen hij terugkwam, had Marti reeds rijst voor hem klaar gezet.Na het eenvoudige maal sprak Marti:»Heer, ik heb vannacht, toen u al sliep, nog geruimen tijd met enkele Dajaks zitten praten. Eén van hen was meermalen in het Lawit-gebergte op de jacht geweest. Dezen, en nog een paar jonge mannen, die op avonturen belust zijn, heb ik reeds half overgehaald, ons te vergezellen. De vrees voor de antoe’s in den Goenoeng Lawit weerhoudt hen echter. Maar nu heb ik hun verteld, dat u veel machtiger is dan die booze geesten en dat u, met uw revolver, die zes keer kan schieten, alle antoe’s gemakkelijk kunt overwinnen.”»Goed gesproken, Marti,” riep Kees lachend uit. »En geloofden ze dat?”»Maar half, heer. Ze zeiden, dat ze het eerst moesten zien. Nu moet u ze overtuigen, dat u werkelijk zesmaal achtereen de revolver kunt afvuren. Zoodra ze zien, dat ik de waarheid heb gesproken, zullen ze de rest ook wel gelooven.”»Het is goed, Marti. Je hebt het heel slim overlegd,” zei Kees, die het verhaal van zijn trouwen helper met vreugde had aangehoord.»Maar vertel me eens, Marti, waarom doe je zooveel moeite! Ik weet, dat je er niet erg op gesteld bent, om naar de Sibaoe’s te gaan. En ik dacht, dat je heel blijde zou zijn, wanneer de reis niet zou kunnen doorgaan.”»Dat is zoo, heer! Ik voor mij zou veel liever terugkeeren. Maar u wilt beslist de reis doorzetten. En ik ben toch uw dienaar? Ik moet u dus helpen,” zei Marti eenvoudig.»Goed, Marti, je bent een trouwe kerel,” antwoordde Kees vriendelijk.»Ga nu maar gauw aan die Dajaks vertellen, dat ik straks in het bosch de revolver zal laten werken.”De woorden van Marti hadden Kees weer hoop gegeven. Hij wist dat kleinigheden grooten invloed konden uitoefenen op de besluiten der Dajaks. Hij moest hen overtuigen, dat ook hij over een zekere tooverkracht kon beschikken. Dan was het zeer goed mogelijk, dat ze zich ineens volkomen bereid verklaarden, mee te gaan.Hij kende het karakter van de Dajaks zeer goed. Hij wist, dat vooral de jonge mannen gaarne groote tochten maakten en soms maanden lang in vreemdestreken rondzwierven om avonturen te beleven en koppen te snellen. Alles hing af van de voorteekens, die ze raadpleegden. Waren deze gunstig, dan ondernamen ze zonder bezwaar de grootste zwerftochten.Juist toen Kees zich gereed wilde maken om naar het bosch te gaan, werd hij door een onverwachte gebeurtenis opgehouden.»Ik ben Amat, heer.”»Ik ben Amat, heer.”Een man, gekleed in de gewone dracht der Maleiers kwam op hem toegeloopen en begroette hem onderdanig. Verwonderd vroeg hij den man:»Wie zijt gij?”»Ik ben Amat, heer.”»Zoo, Amat, wat voert u hierheen?”»Ik ben een Maleier, heer, en ik verkoop aan de Dajaks amuletten om hen onkwetsbaar te maken.”Kees lachte.»Maken ze werkelijk onkwetsbaar?” vroeg hij.»Ik weet het niet, heer,” zei de Maleier met een sluw lachje. »Maar de Dajaks gelooven het en betalen er veel voor,” vervolgde hij.»Ik geloof, dat jij een slimme vogel bent, Amat; je klopt die arme Dajaks het geld uit den gordel.”»Zij willen de amuletten graag hebben, heer. Daarom verkoop ik ze. Daar is toch niets tegen?”»O, neen, verkoop jij maar, het kan mij niets schelen! Ben je nu juist gekomen?”»Neen, heer, ik ben hier al eenige dagen.”»Ik heb je toch gisterenavond niet gezien.”»Ik was in een der lawangs, heer, en wilde u niet lastig vallen.”»Zoo, en wat wilde je nu?”»Men heeft mij verteld, dat u naar de Sibaoe-dajaks wilt gaan. Is dat zoo, heer?”»Ja, dat is zoo. Maar gaat jou dat wat aan?”»Neen, niets heer,” zei de Maleier eenigszins weifelend.»Nu, wat wil je dan? Voor den dag er mee!” zei Kees ongeduldig.»Ik ben maar een handelaar, heer; u moet niet boos worden, maar ik wilde u een gunst vragen.”»Wat is dat dan?” vroeg Kees, nieuwsgierig geworden.»Ik heb hier de heele streek al afgereisd. Nu zou ik gaarne ergens anders heen gaan om mijn amuletten te verkoopen. Bij de Sibaoe’s ben ik nog nooit geweest.Mag ik u nu op uw reis vergezellen? Alleen durf ik zoo’n grooten tocht niet aan. Ik zou geholpen zijn, als ik mij bij u aan mocht sluiten. Gaarne wil ik onderweg voor u dragen.”Kees had het verzoek met verbazing aangehoord en dacht eenige oogenblikken na. De Maleier had iets in zijn uiterlijk, dat hem niet beviel. En dan—waar kon hij dien man toch eerder hebben gezien?»Zeg eens, Amat! waar heb ik je vroeger eens gezien?”»Nergens, heer. Voor zoover ik me herinneren kan, heb ik u vroeger nooit gezien,” zei de Maleier, heel even zenuwachtig met de oogen knippend.»Zoo; ik weet het ook niet zeker. En toch—je gezicht komt me zoo bekend voor,” zei Kees. En toen vervolgde hij: »Ik zal er eens over nadenken. Kom vanmiddag nog maar eens praten. Ik moet nu weg. Goeden dag.”»Goeden dag, heer,” zei de Maleier onderdanig.Hij keek Kees nog een oogenblik na. Een valsch lachje gleed over zijn gezicht; toen verdween hij in één der lawangs.Intusschen was Kees naar buiten gegaan. Hij voegde zich bij Marti, die met eenige Dajaks op hem stond te wachten. Allen begaven zich nu een eindweegs het bosch in en daar vuurde Kees de revolver zesmaal achtereen af. De Dajaks stonden stom van verbazing. Deze blanke beschikte inderdaad over zeer machtige toovermiddelen.Hij liet het nu verder aan den slimmen Marti over om de Dajaks verder te overreden en ging het bosch in om een vogel te schieten, die hij bij zijn maaltijd zou kunnen gebruiken.Toen hij teruggekeerd was en gegeten had, zette Marti zich voor hem neer en deelde hem het verdere resultaat van zijn bemoeiingen mede.»Wij zullen slagen, heer! De Dajaks toonen zich niet meer zoo bevreesd voor den Goenoeng Lawit en de Sibaoe’s als in ’t begin. Bovendien is hier in het dorp een Maleier. Ook deze schijnt hun gezegd te hebben, dat u wel in staat was, de antoe’s en geesten in het gebergte te overwinnen. Heeft u dien man al gezien?”»Ja, hij heeft mij van morgen gevraagd, of hij mee mocht gaan.”»Wil hij meegaan?” riep Marti verbaasd uit. »Wat moet die Maleier bij de Sibaoe’s doen? Is hij niet bang om gesneld te worden?”»Blijkbaar niet! Hij verkoopt amuletten voor onkwetsbaarheid. Misschien is hij zelf ook wel onkwetsbaar,” lachte Kees spottend.»Zulke amuletten bestaan er, heer,” zei Marti ernstig, »als men de goede maar heeft.”»Komt de Dajak weer boven, Marti?”Marti antwoordde niet, doch ging met een onverstoorbaar gezicht voort:»Die Maleier wil dus mee. Nu begrijp ik, waarom hij de Dajaks tracht te bepraten. Hij zal zeker nog meer zijn best doen, als u hem toestemming geeft, ons te vergezellen.”»Dus jij vindt, dat ik hem maar mee moet nemen?”»Waarom niet, heer?”»Ik weet het eigenlijk niet, Marti. Ik heb het gevoel, dat hij niet te vertrouwen is. Zijn gezicht bevalt meniet. En ofschoon ik hem in ’t geheel niet ken, wil het denkbeeld me niet uit ’t hoofd, dat ik hem reeds eerder ontmoet heb.”»Ik kan me niet voorstellen, waar we hem eerder gezien zouden hebben, heer. En waarom zou hij niet te vertrouwen zijn? Ook loopt hij bij de Sibaoe’s meer gevaar dan u. Ze zullen eerder een Maleier snellen dan een blanke.”»Dat is zoo, Marti, maar ik wantrouw dien man. Ik geloof, dat we voorzichtig met hem moeten zijn.”»Het is jammer, heer; zijn diensten zouden uitstekend te pas kunnen komen, want de Dajaks hier hebben veel vertrouwen in hem.”»Ik zal er nog eens over denken, Marti; je hebt misschien wel gelijk.”Kees verzonk in gedachten. Waar en wanneer kon hij dien Amat toch ontmoet hebben? Reeds den heelen morgen had hij in zijn herinnering gezocht. Zou hij zich toch bedriegen? Marti kon het zich niet te binnen brengen. De man zelf ontkende het. En toch.... en toch.... Kees kon maar tot geen resultaat komen.’s Middags kwam de Maleier terug, om te hooren wat Kees besloten had.»Amat,” zei Kees, »je kunt meegaan. Maar bedenk wel, dat het een onderneming vol gevaren is. Het gebergte is bijna ontoegankelijk. Er is zelfs kans, dat we terug moeten keeren. Gelukt het ons echter een doortocht te vinden, dan zijn we nog niet klaar. De Sibaoe’s zijn verraderlijk en moordzuchtig. We zullen moeite genoeg hebben, hen gunstig te stemmen. Ook van die zijde bedreigen ons gevaren.”»Dat alles is me bekend, heer. En toch zou ik gaarne meegaan. Ik ben er zeker van, dat ik daar bij de Sibaoe’s goede zaken kan doen. Juist die oorlogszuchtige stammen hebben gaarne amuletten.”»Welnu dan, afgesproken. Je gaat mee. Maar op voorwaarde, dat ge een deel der levensmiddelen voor me draagt. We zullen veel rijst moeten meenemen en dragers kunnen we hier moeilijk krijgen.”»Ja, heer, ik zal als drager dienst doen. Bovendien zal ik Marti, uw helper, bijstaan in het werven van een paar Dajaks. Ik zal ze een paar amuletten geven voor niets.”»Goed, Amat, help ons, zooveel in je vermogen is.”»Wanneer gaan we vertrekken, heer?”»Over een paar dagen, denk ik. Zoodra ik mijn besluit genomen heb, zal ik het je zeggen. Eerst moet ik zeker zijn van mijn dragers.”De Maleier ging nu Marti opzoeken, om hem te zeggen, dat zijn heer hem had toegestaan, de reis mede te doen. Beiden wendden nu hun overredingskracht aan op de betrokken Dajaks.Tegen den avond deelde Marti Kees mede, dat ze naar wensch geslaagd waren. De man, die in het voorgebergte van den Goenoeng Lawit wel gejaagd had, zou als gids optreden.Kees besloot nu, nog twee dagen in Tapang te blijven. Hij wilde dien tijd volkomen rust genieten, alvorens de zware tocht te aanvaarden.Den volgenden morgen deelde hij aan de bijgeloovige Dajaks mede, dat zijn antoe’s hem in den droom hadden bezocht. Zij hadden hem gezegd, dat de derde daggunstig was, om op reis te gaan. Niemand twijfelde een oogenblik aan de waarheid van dit orakel.Gedurende deze twee dagen maakte Kees alles in orde. Hij kocht de noodige rijst en liet deze verpakken om meegedragen te kunnen worden.Tot ’s avonds laat, ja tot diep in den nacht zaten de Dajaks van Tapang met elkaar te praten over de gevaarvolle onderneming van Kees en de zijnen. De drie mannen uit het dorp, die mee zouden gaan, waren de helden van den dag. Aller oogen rustten met bewondering op hen. Met trotsche gezichten liepen ze rond, omdat ze nu ineens zulke gewichtige personages geworden waren.Eindelijk was de dag van vertrek aangebroken. Vroeg in den morgen zette de kleine stoet zich in beweging. De heele bevolking van Tapang met Petinggi aan het hoofd deed hen uitgeleide.Vooraan liep de Dajak, die den weg zou wijzen. Daarachter ging Kees, vervolgens Marti en Amat; daarna kwamen de twee andere Kenjaoe’s, die evenals de gids en de Maleier de levensmiddelen in hun draagmanden op den rug droegen. Marti droeg alleen wat bagage van zijn heer en de patronen voor de vuurwapenen.Aanvankelijk vorderde men goed. Het terrein was heuvelachtig, maar er was een goed boschpad. Nu en dan passeerde men nog een huis of een paar ladangs; maar de sporen van menschelijk leven werden steeds schaarscher.De laatste der meegeloopen Dajaks keerden terug en nu begon de eigenlijke reis.Kees verkeerde in groote spanning. Hij was verlangendkennis te maken met den Goenoeng Lawit. Uit de verhalen der bewoners van Tapang had hij wel begrepen, dat het een uiterst woest en grillig gebergte moest zijn. Groote koelbloedigheid en voorzichtigheid zouden geboden zijn.Op een gegeven oogenblik voerde het voetpad over een slechts schaarsch begroeiden heuvel. Vrij gemakkelijk bereikten ze den top. Daar zagen ze plotseling, ver in het Oosten, een reeks van hooge bergtoppen. Voor een gedeelte schenen deze begroeid met zwaar oerwoud, doch voor de rest vertoonden ze slechts kale, grijze rotswanden.De voorste Dajak wendde zich naar Kees en op het gebergte wijzende, zei hij:»De Goenoeng Lawit.”Kees stond stil. Welke geheimen hielden die sombere steenmassa’s verholen? Met een gemengd gevoel van verlangen en angst tuurde Kees in de verte. Tusschen de plek, waar ze nu stonden, en de hoogste toppen verhieven zich nog verscheidene hooge heuvelrijen, welke ten slotte in een soort voorgebergte overgingen.Hij keerde zich tot Marti en zeide:»Als we daar maar eerst overheen zijn, Marti, dan zijn we in het land der Sibaoe’s.”»Ja, heer,” zei Marti met een lichte zucht en hij voelde onwillekeurig eens naar zijn hals. Na de verhalen der Tapangers over de koppensnellende Sibaoe’s was hij niet erg verlangend naar een kennismaking met dien stam.»Zou je denken, dat het gebergte zoo ontoegankelijk is als Petinggi Datoek vertelde, of zou hij uit angstvoor de antoe’s hebben overdreven?” vroeg Kees aan Marti.Deze trachtte het gedeelte van het gebergte, dat men voor zich zag, nauwkeurig te bestudeeren en zei toen:»Van hieruit gezien lijkt het niet ontoegankelijk, ofschoon er vele steile rotswanden zijn. Doch men kan nooit weten, wat er achter die bosschen verscholen ligt.”»Naar mijn idee zal het een zeer moeilijke tocht worden,” zei de Maleier Amat.»We zullen zien,” zei Kees, »als nu onze Dajaks ons maar niet in den steek laten, want anders....”»Anders komen we nooit meer uit dat gebergte terug,” vulde Marti aan.»Vooruit!” riep Kees plotseling. Hij wilde zich niet laten ontmoedigen door de sombere gedachten, die hem onwillekeurig bestormden.Langzaam daalde men nu den heuvel af en trok het bosch weer in. Steeds verder ging de tocht, over heuvels en riviertjes, door bosschen en over open vlakten. Soms zag men nog eens een stuk van ’t gebergte, maar meestentijds was het geheel onzichtbaar door het dichte oerwoud.Gelukkig was het in het bosch niet warm. Men schoot flink op. Kees floot een wijsje. Marti en Amat onderhielden zich met de Dajaks, die hun allerlei verhalen van den Goenoeng Lawit opdischten.Tegen het vallen van den avond keek Kees eens uit naar een geschikte plek om te overnachten. De gids vertelde, dat iets verder een paar zandige heuvels waren. Daar zou men goed kunnen kampeeren.Werkelijk bereikte men na korten tijd dit terreinen Kees vond de plaats heel geschikt voor nachtverblijf.Den volgenden morgen werd de tocht weer met nieuwen moed aanvaard. De bodem begon nu meer en meer op te loopen; het pad werd steeds slechter. Het voortgaan werd bemoeilijkt door groote en kleine steenen, waarmee het pad bezaaid was. De gids stapte echter flink door, zeker van zijn zaak.Op een gegeven oogenblik zei hij plotseling tegen Kees:»Hier dicht bij ligt het graf van Rimaoe.”»Wie was dat?”»Een groot Hoofd van onzen stam, heer. Toen die nog leefde, waren wij machtig en gevreesd door onze buren. Rimaoe maakte groote mengajaoe-tochten (sneltochten) tot diep in Serawak.”Kees herinnerde zich nu, dat Petinggi Datoek ook had gesproken over Rimaoe en het bloeitijdperk van de Kenjaoe-dajaks. Die groote tijd was echter sinds lang voorbij.»Komen we langs dat graf? Hoe ziet het er uit?” vroeg hij.»We komen er niet langs, heer, dat kan niet. De antoe’s zouden ons zeker straffen. Ik heb echter gehoord, dat er een heel groote tampájan (steenen pot) staat, waarin zich de asch van Rimaoe’s lichaam bevindt.”»Verbranden de Kenjaoe’s dan hun dooden? Ik dacht, dat zij ze begroeven.”»Ja, heer, tegenwoordig begraven de Dajaks hun dooden. Of wel ze plaatsen de lichamen op stellages in hooge boomen of op steile rotsen. Maar men zegt, dat de dooden vroeger verbrand werden. Hun asch werd in tampájans geborgen. Deze werden dan opverafgelegen plaatsen neergezet. Een enkele maal vindt men ze nog hier of daar.”Reeds had men de plek, waar het graf van den beroemden held lag, achter zich gelaten. Gaarne zou Kees dit eens van nabij hebben gezien. Hij vond het echter beter zijn nieuwsgierigheid te beheerschen, dan de bijgeloovigheid derDajakste prikkelen. Bovendien was het beter, uitsluitend het doel van den tocht voor oogen te houden.Toen de dag ten einde liep, vestigde men het nachtkwartier in de nabijheid van een kristalhelder bergriviertje.Na den maaltijd zaten de mannen nog een tijdlang om het vuur. De Dajaks zaten de wonderlijkste verhalen over de antoe’s en de booze geesten van het gebergte op te disschen. Zelfs Marti en Amat zaten ten slotte te rillen van angst. Kees werd ongerust, dat de Dajaks onder den invloed van hun eigen spookverhalen zoo bevreesd zouden worden, dat ze hun wel eens in den steek konden laten. En wat dan?»Mannen, het is tijd om te gaan slapen. Morgen wacht ons een moeilijke dag. Wij hebben onze nachtrust noodig.”Tegen deze opwekking, kort en beslist uitgesproken, was weinig in te brengen. Allen strekten hun vermoeide leden uit. Weldra verkondigde de regelmatige ademhaling van de inlanders, dat ze rustig sliepen.Maar de blanke man sliep nog niet. Lang zat hij overeind op zijn leger van bladeren, den blik gericht op den Goenoeng Lawit. Scherp staken de donkere silhouetten van het gebergte af tegen den hemel, dieverzilverd werd door het licht der maan. Forsch en dreigend teekenden de gekartelde kammen van die zwijgende steenmassa’s zich af. Welke geheimenissen hielden ze verholen? Welke gevaren dreigden er op dien grilligen, woesten oerbodem van rotsen en wouden, welke nimmer door een menschenvoet werden betreden? Hij pijnigde zich met het raadsel van den Goenoeng Lawit.Een verwarde stroom van gedachten, gevoelens en angsten bruiste door zijn brein, martelde de slaap weg uit zijn oogen. Tot diep in den nacht was hij ten prooi overgeleverd aan de schimmen zijner verbeelding. Toen kwam er vervaging; afgemat zonk hij neer; zijn spieren verslapten en hij viel in een onrustige sluimering. En zelfs in den droom schenen de antoe’s van den Goenoeng Lawit hem niet met rust te laten.
Het was den volgenden morgen al vrij laat, toen Kees wakker werd. Hij begaf zich naar het beekje in de nabijheid van het huis om een verfrisschend bad te nemen. Toen hij terugkwam, had Marti reeds rijst voor hem klaar gezet.
Na het eenvoudige maal sprak Marti:
»Heer, ik heb vannacht, toen u al sliep, nog geruimen tijd met enkele Dajaks zitten praten. Eén van hen was meermalen in het Lawit-gebergte op de jacht geweest. Dezen, en nog een paar jonge mannen, die op avonturen belust zijn, heb ik reeds half overgehaald, ons te vergezellen. De vrees voor de antoe’s in den Goenoeng Lawit weerhoudt hen echter. Maar nu heb ik hun verteld, dat u veel machtiger is dan die booze geesten en dat u, met uw revolver, die zes keer kan schieten, alle antoe’s gemakkelijk kunt overwinnen.”
»Goed gesproken, Marti,” riep Kees lachend uit. »En geloofden ze dat?”
»Maar half, heer. Ze zeiden, dat ze het eerst moesten zien. Nu moet u ze overtuigen, dat u werkelijk zesmaal achtereen de revolver kunt afvuren. Zoodra ze zien, dat ik de waarheid heb gesproken, zullen ze de rest ook wel gelooven.”
»Het is goed, Marti. Je hebt het heel slim overlegd,” zei Kees, die het verhaal van zijn trouwen helper met vreugde had aangehoord.
»Maar vertel me eens, Marti, waarom doe je zooveel moeite! Ik weet, dat je er niet erg op gesteld bent, om naar de Sibaoe’s te gaan. En ik dacht, dat je heel blijde zou zijn, wanneer de reis niet zou kunnen doorgaan.”
»Dat is zoo, heer! Ik voor mij zou veel liever terugkeeren. Maar u wilt beslist de reis doorzetten. En ik ben toch uw dienaar? Ik moet u dus helpen,” zei Marti eenvoudig.
»Goed, Marti, je bent een trouwe kerel,” antwoordde Kees vriendelijk.
»Ga nu maar gauw aan die Dajaks vertellen, dat ik straks in het bosch de revolver zal laten werken.”
De woorden van Marti hadden Kees weer hoop gegeven. Hij wist dat kleinigheden grooten invloed konden uitoefenen op de besluiten der Dajaks. Hij moest hen overtuigen, dat ook hij over een zekere tooverkracht kon beschikken. Dan was het zeer goed mogelijk, dat ze zich ineens volkomen bereid verklaarden, mee te gaan.
Hij kende het karakter van de Dajaks zeer goed. Hij wist, dat vooral de jonge mannen gaarne groote tochten maakten en soms maanden lang in vreemdestreken rondzwierven om avonturen te beleven en koppen te snellen. Alles hing af van de voorteekens, die ze raadpleegden. Waren deze gunstig, dan ondernamen ze zonder bezwaar de grootste zwerftochten.
Juist toen Kees zich gereed wilde maken om naar het bosch te gaan, werd hij door een onverwachte gebeurtenis opgehouden.
»Ik ben Amat, heer.”»Ik ben Amat, heer.”
»Ik ben Amat, heer.”
Een man, gekleed in de gewone dracht der Maleiers kwam op hem toegeloopen en begroette hem onderdanig. Verwonderd vroeg hij den man:
»Wie zijt gij?”
»Ik ben Amat, heer.”
»Zoo, Amat, wat voert u hierheen?”
»Ik ben een Maleier, heer, en ik verkoop aan de Dajaks amuletten om hen onkwetsbaar te maken.”
Kees lachte.
»Maken ze werkelijk onkwetsbaar?” vroeg hij.
»Ik weet het niet, heer,” zei de Maleier met een sluw lachje. »Maar de Dajaks gelooven het en betalen er veel voor,” vervolgde hij.
»Ik geloof, dat jij een slimme vogel bent, Amat; je klopt die arme Dajaks het geld uit den gordel.”
»Zij willen de amuletten graag hebben, heer. Daarom verkoop ik ze. Daar is toch niets tegen?”
»O, neen, verkoop jij maar, het kan mij niets schelen! Ben je nu juist gekomen?”
»Neen, heer, ik ben hier al eenige dagen.”
»Ik heb je toch gisterenavond niet gezien.”
»Ik was in een der lawangs, heer, en wilde u niet lastig vallen.”
»Zoo, en wat wilde je nu?”
»Men heeft mij verteld, dat u naar de Sibaoe-dajaks wilt gaan. Is dat zoo, heer?”
»Ja, dat is zoo. Maar gaat jou dat wat aan?”
»Neen, niets heer,” zei de Maleier eenigszins weifelend.
»Nu, wat wil je dan? Voor den dag er mee!” zei Kees ongeduldig.
»Ik ben maar een handelaar, heer; u moet niet boos worden, maar ik wilde u een gunst vragen.”
»Wat is dat dan?” vroeg Kees, nieuwsgierig geworden.
»Ik heb hier de heele streek al afgereisd. Nu zou ik gaarne ergens anders heen gaan om mijn amuletten te verkoopen. Bij de Sibaoe’s ben ik nog nooit geweest.Mag ik u nu op uw reis vergezellen? Alleen durf ik zoo’n grooten tocht niet aan. Ik zou geholpen zijn, als ik mij bij u aan mocht sluiten. Gaarne wil ik onderweg voor u dragen.”
Kees had het verzoek met verbazing aangehoord en dacht eenige oogenblikken na. De Maleier had iets in zijn uiterlijk, dat hem niet beviel. En dan—waar kon hij dien man toch eerder hebben gezien?
»Zeg eens, Amat! waar heb ik je vroeger eens gezien?”
»Nergens, heer. Voor zoover ik me herinneren kan, heb ik u vroeger nooit gezien,” zei de Maleier, heel even zenuwachtig met de oogen knippend.
»Zoo; ik weet het ook niet zeker. En toch—je gezicht komt me zoo bekend voor,” zei Kees. En toen vervolgde hij: »Ik zal er eens over nadenken. Kom vanmiddag nog maar eens praten. Ik moet nu weg. Goeden dag.”
»Goeden dag, heer,” zei de Maleier onderdanig.
Hij keek Kees nog een oogenblik na. Een valsch lachje gleed over zijn gezicht; toen verdween hij in één der lawangs.
Intusschen was Kees naar buiten gegaan. Hij voegde zich bij Marti, die met eenige Dajaks op hem stond te wachten. Allen begaven zich nu een eindweegs het bosch in en daar vuurde Kees de revolver zesmaal achtereen af. De Dajaks stonden stom van verbazing. Deze blanke beschikte inderdaad over zeer machtige toovermiddelen.
Hij liet het nu verder aan den slimmen Marti over om de Dajaks verder te overreden en ging het bosch in om een vogel te schieten, die hij bij zijn maaltijd zou kunnen gebruiken.
Toen hij teruggekeerd was en gegeten had, zette Marti zich voor hem neer en deelde hem het verdere resultaat van zijn bemoeiingen mede.
»Wij zullen slagen, heer! De Dajaks toonen zich niet meer zoo bevreesd voor den Goenoeng Lawit en de Sibaoe’s als in ’t begin. Bovendien is hier in het dorp een Maleier. Ook deze schijnt hun gezegd te hebben, dat u wel in staat was, de antoe’s en geesten in het gebergte te overwinnen. Heeft u dien man al gezien?”
»Ja, hij heeft mij van morgen gevraagd, of hij mee mocht gaan.”
»Wil hij meegaan?” riep Marti verbaasd uit. »Wat moet die Maleier bij de Sibaoe’s doen? Is hij niet bang om gesneld te worden?”
»Blijkbaar niet! Hij verkoopt amuletten voor onkwetsbaarheid. Misschien is hij zelf ook wel onkwetsbaar,” lachte Kees spottend.
»Zulke amuletten bestaan er, heer,” zei Marti ernstig, »als men de goede maar heeft.”
»Komt de Dajak weer boven, Marti?”
Marti antwoordde niet, doch ging met een onverstoorbaar gezicht voort:
»Die Maleier wil dus mee. Nu begrijp ik, waarom hij de Dajaks tracht te bepraten. Hij zal zeker nog meer zijn best doen, als u hem toestemming geeft, ons te vergezellen.”
»Dus jij vindt, dat ik hem maar mee moet nemen?”
»Waarom niet, heer?”
»Ik weet het eigenlijk niet, Marti. Ik heb het gevoel, dat hij niet te vertrouwen is. Zijn gezicht bevalt meniet. En ofschoon ik hem in ’t geheel niet ken, wil het denkbeeld me niet uit ’t hoofd, dat ik hem reeds eerder ontmoet heb.”
»Ik kan me niet voorstellen, waar we hem eerder gezien zouden hebben, heer. En waarom zou hij niet te vertrouwen zijn? Ook loopt hij bij de Sibaoe’s meer gevaar dan u. Ze zullen eerder een Maleier snellen dan een blanke.”
»Dat is zoo, Marti, maar ik wantrouw dien man. Ik geloof, dat we voorzichtig met hem moeten zijn.”
»Het is jammer, heer; zijn diensten zouden uitstekend te pas kunnen komen, want de Dajaks hier hebben veel vertrouwen in hem.”
»Ik zal er nog eens over denken, Marti; je hebt misschien wel gelijk.”
Kees verzonk in gedachten. Waar en wanneer kon hij dien Amat toch ontmoet hebben? Reeds den heelen morgen had hij in zijn herinnering gezocht. Zou hij zich toch bedriegen? Marti kon het zich niet te binnen brengen. De man zelf ontkende het. En toch.... en toch.... Kees kon maar tot geen resultaat komen.
’s Middags kwam de Maleier terug, om te hooren wat Kees besloten had.
»Amat,” zei Kees, »je kunt meegaan. Maar bedenk wel, dat het een onderneming vol gevaren is. Het gebergte is bijna ontoegankelijk. Er is zelfs kans, dat we terug moeten keeren. Gelukt het ons echter een doortocht te vinden, dan zijn we nog niet klaar. De Sibaoe’s zijn verraderlijk en moordzuchtig. We zullen moeite genoeg hebben, hen gunstig te stemmen. Ook van die zijde bedreigen ons gevaren.”
»Dat alles is me bekend, heer. En toch zou ik gaarne meegaan. Ik ben er zeker van, dat ik daar bij de Sibaoe’s goede zaken kan doen. Juist die oorlogszuchtige stammen hebben gaarne amuletten.”
»Welnu dan, afgesproken. Je gaat mee. Maar op voorwaarde, dat ge een deel der levensmiddelen voor me draagt. We zullen veel rijst moeten meenemen en dragers kunnen we hier moeilijk krijgen.”
»Ja, heer, ik zal als drager dienst doen. Bovendien zal ik Marti, uw helper, bijstaan in het werven van een paar Dajaks. Ik zal ze een paar amuletten geven voor niets.”
»Goed, Amat, help ons, zooveel in je vermogen is.”
»Wanneer gaan we vertrekken, heer?”
»Over een paar dagen, denk ik. Zoodra ik mijn besluit genomen heb, zal ik het je zeggen. Eerst moet ik zeker zijn van mijn dragers.”
De Maleier ging nu Marti opzoeken, om hem te zeggen, dat zijn heer hem had toegestaan, de reis mede te doen. Beiden wendden nu hun overredingskracht aan op de betrokken Dajaks.
Tegen den avond deelde Marti Kees mede, dat ze naar wensch geslaagd waren. De man, die in het voorgebergte van den Goenoeng Lawit wel gejaagd had, zou als gids optreden.
Kees besloot nu, nog twee dagen in Tapang te blijven. Hij wilde dien tijd volkomen rust genieten, alvorens de zware tocht te aanvaarden.
Den volgenden morgen deelde hij aan de bijgeloovige Dajaks mede, dat zijn antoe’s hem in den droom hadden bezocht. Zij hadden hem gezegd, dat de derde daggunstig was, om op reis te gaan. Niemand twijfelde een oogenblik aan de waarheid van dit orakel.
Gedurende deze twee dagen maakte Kees alles in orde. Hij kocht de noodige rijst en liet deze verpakken om meegedragen te kunnen worden.
Tot ’s avonds laat, ja tot diep in den nacht zaten de Dajaks van Tapang met elkaar te praten over de gevaarvolle onderneming van Kees en de zijnen. De drie mannen uit het dorp, die mee zouden gaan, waren de helden van den dag. Aller oogen rustten met bewondering op hen. Met trotsche gezichten liepen ze rond, omdat ze nu ineens zulke gewichtige personages geworden waren.
Eindelijk was de dag van vertrek aangebroken. Vroeg in den morgen zette de kleine stoet zich in beweging. De heele bevolking van Tapang met Petinggi aan het hoofd deed hen uitgeleide.
Vooraan liep de Dajak, die den weg zou wijzen. Daarachter ging Kees, vervolgens Marti en Amat; daarna kwamen de twee andere Kenjaoe’s, die evenals de gids en de Maleier de levensmiddelen in hun draagmanden op den rug droegen. Marti droeg alleen wat bagage van zijn heer en de patronen voor de vuurwapenen.
Aanvankelijk vorderde men goed. Het terrein was heuvelachtig, maar er was een goed boschpad. Nu en dan passeerde men nog een huis of een paar ladangs; maar de sporen van menschelijk leven werden steeds schaarscher.
De laatste der meegeloopen Dajaks keerden terug en nu begon de eigenlijke reis.
Kees verkeerde in groote spanning. Hij was verlangendkennis te maken met den Goenoeng Lawit. Uit de verhalen der bewoners van Tapang had hij wel begrepen, dat het een uiterst woest en grillig gebergte moest zijn. Groote koelbloedigheid en voorzichtigheid zouden geboden zijn.
Op een gegeven oogenblik voerde het voetpad over een slechts schaarsch begroeiden heuvel. Vrij gemakkelijk bereikten ze den top. Daar zagen ze plotseling, ver in het Oosten, een reeks van hooge bergtoppen. Voor een gedeelte schenen deze begroeid met zwaar oerwoud, doch voor de rest vertoonden ze slechts kale, grijze rotswanden.
De voorste Dajak wendde zich naar Kees en op het gebergte wijzende, zei hij:
»De Goenoeng Lawit.”
Kees stond stil. Welke geheimen hielden die sombere steenmassa’s verholen? Met een gemengd gevoel van verlangen en angst tuurde Kees in de verte. Tusschen de plek, waar ze nu stonden, en de hoogste toppen verhieven zich nog verscheidene hooge heuvelrijen, welke ten slotte in een soort voorgebergte overgingen.
Hij keerde zich tot Marti en zeide:
»Als we daar maar eerst overheen zijn, Marti, dan zijn we in het land der Sibaoe’s.”
»Ja, heer,” zei Marti met een lichte zucht en hij voelde onwillekeurig eens naar zijn hals. Na de verhalen der Tapangers over de koppensnellende Sibaoe’s was hij niet erg verlangend naar een kennismaking met dien stam.
»Zou je denken, dat het gebergte zoo ontoegankelijk is als Petinggi Datoek vertelde, of zou hij uit angstvoor de antoe’s hebben overdreven?” vroeg Kees aan Marti.
Deze trachtte het gedeelte van het gebergte, dat men voor zich zag, nauwkeurig te bestudeeren en zei toen:
»Van hieruit gezien lijkt het niet ontoegankelijk, ofschoon er vele steile rotswanden zijn. Doch men kan nooit weten, wat er achter die bosschen verscholen ligt.”
»Naar mijn idee zal het een zeer moeilijke tocht worden,” zei de Maleier Amat.
»We zullen zien,” zei Kees, »als nu onze Dajaks ons maar niet in den steek laten, want anders....”
»Anders komen we nooit meer uit dat gebergte terug,” vulde Marti aan.
»Vooruit!” riep Kees plotseling. Hij wilde zich niet laten ontmoedigen door de sombere gedachten, die hem onwillekeurig bestormden.
Langzaam daalde men nu den heuvel af en trok het bosch weer in. Steeds verder ging de tocht, over heuvels en riviertjes, door bosschen en over open vlakten. Soms zag men nog eens een stuk van ’t gebergte, maar meestentijds was het geheel onzichtbaar door het dichte oerwoud.
Gelukkig was het in het bosch niet warm. Men schoot flink op. Kees floot een wijsje. Marti en Amat onderhielden zich met de Dajaks, die hun allerlei verhalen van den Goenoeng Lawit opdischten.
Tegen het vallen van den avond keek Kees eens uit naar een geschikte plek om te overnachten. De gids vertelde, dat iets verder een paar zandige heuvels waren. Daar zou men goed kunnen kampeeren.
Werkelijk bereikte men na korten tijd dit terreinen Kees vond de plaats heel geschikt voor nachtverblijf.
Den volgenden morgen werd de tocht weer met nieuwen moed aanvaard. De bodem begon nu meer en meer op te loopen; het pad werd steeds slechter. Het voortgaan werd bemoeilijkt door groote en kleine steenen, waarmee het pad bezaaid was. De gids stapte echter flink door, zeker van zijn zaak.
Op een gegeven oogenblik zei hij plotseling tegen Kees:
»Hier dicht bij ligt het graf van Rimaoe.”
»Wie was dat?”
»Een groot Hoofd van onzen stam, heer. Toen die nog leefde, waren wij machtig en gevreesd door onze buren. Rimaoe maakte groote mengajaoe-tochten (sneltochten) tot diep in Serawak.”
Kees herinnerde zich nu, dat Petinggi Datoek ook had gesproken over Rimaoe en het bloeitijdperk van de Kenjaoe-dajaks. Die groote tijd was echter sinds lang voorbij.
»Komen we langs dat graf? Hoe ziet het er uit?” vroeg hij.
»We komen er niet langs, heer, dat kan niet. De antoe’s zouden ons zeker straffen. Ik heb echter gehoord, dat er een heel groote tampájan (steenen pot) staat, waarin zich de asch van Rimaoe’s lichaam bevindt.”
»Verbranden de Kenjaoe’s dan hun dooden? Ik dacht, dat zij ze begroeven.”
»Ja, heer, tegenwoordig begraven de Dajaks hun dooden. Of wel ze plaatsen de lichamen op stellages in hooge boomen of op steile rotsen. Maar men zegt, dat de dooden vroeger verbrand werden. Hun asch werd in tampájans geborgen. Deze werden dan opverafgelegen plaatsen neergezet. Een enkele maal vindt men ze nog hier of daar.”
Reeds had men de plek, waar het graf van den beroemden held lag, achter zich gelaten. Gaarne zou Kees dit eens van nabij hebben gezien. Hij vond het echter beter zijn nieuwsgierigheid te beheerschen, dan de bijgeloovigheid derDajakste prikkelen. Bovendien was het beter, uitsluitend het doel van den tocht voor oogen te houden.
Toen de dag ten einde liep, vestigde men het nachtkwartier in de nabijheid van een kristalhelder bergriviertje.
Na den maaltijd zaten de mannen nog een tijdlang om het vuur. De Dajaks zaten de wonderlijkste verhalen over de antoe’s en de booze geesten van het gebergte op te disschen. Zelfs Marti en Amat zaten ten slotte te rillen van angst. Kees werd ongerust, dat de Dajaks onder den invloed van hun eigen spookverhalen zoo bevreesd zouden worden, dat ze hun wel eens in den steek konden laten. En wat dan?
»Mannen, het is tijd om te gaan slapen. Morgen wacht ons een moeilijke dag. Wij hebben onze nachtrust noodig.”
Tegen deze opwekking, kort en beslist uitgesproken, was weinig in te brengen. Allen strekten hun vermoeide leden uit. Weldra verkondigde de regelmatige ademhaling van de inlanders, dat ze rustig sliepen.
Maar de blanke man sliep nog niet. Lang zat hij overeind op zijn leger van bladeren, den blik gericht op den Goenoeng Lawit. Scherp staken de donkere silhouetten van het gebergte af tegen den hemel, dieverzilverd werd door het licht der maan. Forsch en dreigend teekenden de gekartelde kammen van die zwijgende steenmassa’s zich af. Welke geheimenissen hielden ze verholen? Welke gevaren dreigden er op dien grilligen, woesten oerbodem van rotsen en wouden, welke nimmer door een menschenvoet werden betreden? Hij pijnigde zich met het raadsel van den Goenoeng Lawit.
Een verwarde stroom van gedachten, gevoelens en angsten bruiste door zijn brein, martelde de slaap weg uit zijn oogen. Tot diep in den nacht was hij ten prooi overgeleverd aan de schimmen zijner verbeelding. Toen kwam er vervaging; afgemat zonk hij neer; zijn spieren verslapten en hij viel in een onrustige sluimering. En zelfs in den droom schenen de antoe’s van den Goenoeng Lawit hem niet met rust te laten.
V. De gevaren van den Goenoeng Lawit.Den volgenden dag kwam het reisgezelschap in het eigenlijke gebergte. Men vorderde nu slechts zeer langzaam. Meermalen gelukte het alleen maar voorwaarts te komen langs smalle bergranden, aan weerzijden begrensd door diepe ravijnen met zeer steile hellingen.Weer liepen ze in den middag op zoo’n smal pad voort, waar bijna elke schrede berekend moest worden en de minste duizeling noodlottige gevolgen kon hebben. Plotseling klonk vlak voor hen een woedend gebrul, dat nog heviger scheen door de weerkaatsing van het geluid tusschen de bergen.De gids die een eindweegs vooruit liep, hield verschrikt halt en riep:»Beren!”Kees nam vlug zijn geweer ter hand en snelde naar voren. Daar zag hij op korten afstand voor zich twee kolossale suikerbeeren, die den smallen weg geheel versperden.De aard van deze dieren is niet, dat zij den strijd bepaald zoeken. Toch zijn ze niet vreesachtig van natuur en, als ze verrast worden, gaan ze gewoonlijk met groote woede tot den aanval over.Ook nu verhieven de reusachtige dieren zich op de achterpooten. Langzaam kwamen ze op de mannen af, de geweldige muil wijd opengesperd en de voorpooten uitgebreid. Met die geopende voorpooten trachten deze dieren hun vijand te omvangen, om hem zoo in een verschrikkelijke omhelzing te vermorselen. Ook onze mannen wachtte dit lot.De gids had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Hij had zijn geweer aangelegd en wilde schieten, doch Kees riep hem toe, een oogenblik te wachten en dan tegelijk te vuren.Ze mikten. Twee schoten knalden. Toen de rook van de geweren wat opgetrokken was, zagen ze het dier over het pad wentelen en dadelijk daarop rolde het met vreeselijk gebrul van de steile helling naar beneden. Van schrik stond de andere beer een oogenblik besluiteloos, doch plotseling bezon hij zich en maakte zich gereed tot den aanval.De Dajak, die zijn ouderwetsch geweer zoo spoedig niet meer kon laden, vluchtte achter Kees.Voor dezen was het een oogenblik van spanning.Wanneer het hem niet gelukte het monster dadelijk doodelijk te treffen, dan zou hij zonder eenigen twijfel tusschen de ruige voorpooten worden doodgedrukt.Marti overzag onmiddellijk het gevaar. Hij was reeds een eindweegs langs de helling vooruitgeslopen. Plotseling verscheen hij met woest geschreeuw, zwaaiende met zijn parang, terzijde van den beer.Het dier wendde zich onmiddellijk naar den nieuwen vijand. Hierdoor kreeg Kees gelegenheidhet een doodenden kogel toe te zenden, en weldra lag het geweldige ruige lichaam levenloos voor hun voeten.Kees besloot, deze plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten. Het kostbare berenvleesch moest, tot grooten spijt van de mannen, achterblijven.De rest van dien dag verliep zonder verdere wederwaardigheden en weer hadden de reizigers het geluk te kunnen overnachten in de nabijheid van een helder bergstroompje.De derde dag in het Lawitgebergte brak aan. Kees wist in ’t geheel niet meer, waar ze zich bevonden. Het beste was maar, onvoorwaardelijk vertrouwen te stellen in den speurzin van den gids.Aan den stand van de zon merkte hij op, dat ze steeds in Oostelijke richting voorttrokken. Het gebergte scheen te bestaan uit een aantal evenwijdige, van Noord naar Zuid loopende ketens, welke ze dwars overstaken.Meermalen had men reeds geweldig steile rotswanden en diepe ravijnen gezien, doch het was den gids nog steeds gelukt, deze te ontwijken.Tegen den middag bereikten ze de kam van eennieuwen keten en Kees zag voor zich een ravijn van minstens vijfhonderd meter diepte. Aan de andere zijde verhief zich een nieuwe bergreeks.Op de wanden van de bergen aan de overzijde zag hij groote grijsachtige kale plekken, die hij herkende als loodrechte rotswanden, waarvan enkele naar schatting wel twee honderd meter hoog waren.Nu zouden de moeilijkheden pas beginnen. »Petinggi Datoek heeft niets te veel gezegd van de steilten en afgronden in deze rotsenwereld,” dacht Kees. Weinig vermoedde hij, dat hij zóó spoedig met de allerergste gevaren kennis zou maken.»Dat ziet er niet mooi uit, Marti!”zeide hij, terwijl hij zijn helper op de kale rotswanden wees.»Neen, heer, het is onmogelijk dáár het gebergte te bestijgen. Tegen zulke steilten kan geen mensch opklimmen.”»Toch moeten we er tegen op, Marti, we zullen maar op de vindingrijkheid van onzen gids vertrouwen; die zal wel een beklimbare plaats kunnen vinden.”De Dajaks hadden intusschen met groote opmerkzaamheid de tegenoverliggende bergen opgenomen. Blijkbaar waren ze het niet met elkaar eens. Weldra kwam de Maleier Amat, die aan hun druk gesprek had deelgenomen, naar Kees toe, zeggende:»De Dajaks weten niet, hoe ze verder zullen gaan, heer. De gids wil naar het Zuid-Oosten, om te trachten gindsche ruggen te beklimmen; de anderen willen het hier recht tegenover probeeren.”»Ik zal zelf eens met hen praten,” zei Kees en begaf zich naar de luid redetwistende Dajaks.De beide voorstellen werden van alle kanten overwogenen na lange besprekingen werd vastgesteld, om het plan van den gids te volgen.Weldra daalde men in Zuid-Oostelijke richting in het diepe ravijn af.De helling was zeer steil. Om meer vrijheid van beweging te hebben, volgden de mannen elkaar niet onmiddellijk op den voet.Nadat ze een honderdtal meters in schuinsche richting gedaald waren, vond de gids een randje, dat eenigszins op een pad geleek. En daar het in de gewenschte richting liep, begon hij het te volgen.Nu kwamen de mannen vrij snel vooruit en konden een flink eind op die wijze afdalen. Soms echter was het pad zoo steil, dat ze zich maar lieten glijden, tot ze weer aan een gedeelte kwamen, dat zich beter tot gaan leende.Al hun aandacht was gevestigd op de moeilijke afdaling. Niemand lette meer op de omgeving, waar ze zich bevonden.Plotseling bleef de gids roerloos staan. Toen klemde hij zich aan eenige struiken vast, om niet uit te glijden, spiedde nog eens bedachtzaam vóór zich en riep Kees toe:»Ik kan niet verder, heer!”Kees ging heel voorzichtig iets vooruit en vroeg:»Waarom niet? Kun je je niet laten glijden?”»Dat kan hier niet, heer! Ik zie vóór me en opzij niets meer, dat op een rand gelijkt. Ik geloof, dat ik voor een afgrond sta. Ik durf me niet verder te laten glijden.”Kees kroop nog iets vooruit. Met de uiterste omzichtigheid boog hij zich voorover en keek in de diepte.Het was waar, wat de Dajak gezegd had. Ze bevonden zich aan den uitersten rand van een afgrond, die wel drie- of vierhonderd meter diep was.Kees begreep nu, dat ze afgedwaald waren. Ze bevonden zich op een vooruitspringend randje van een soortgelijke steile rotswand, als ze aan de overzijde van het ravijn hadden opgemerkt.»We moeten terugkeeren! Het gaat hier niet!” riep hij.Doch terugkeeren? Hoe? Meermalen hadden ze zich maar van de steilten af laten glijden, onbewust van dreigende beletselen. Terugkeeren? Dat was onmogelijk langs den zelfden weg. En een andere was er niet. Wat dan?Hier moest het alleruiterste geprobeerd worden.Kees strekte zich plat op de rots. Voorzichtig kroop hij langs de anderen naar den voorsten man toe. Hier gekomen ontdekte hij, dat de rots een hoek vormde, die loodrecht de duizelingwekkende diepte begrensde. Nog enkele centimeters schoof hij met de grootste voorzichtigheid vooruit. Toen gelukte het hem, om den rotshoek heen te kijken. Hij zag, dat zich daar het randje weer breeder voortzette en vrij goed begaanbaar scheen.Slechts door den hoek om te stappen, zou hij echter dien rand kunnen bereiken. Meer dan levensgevaarlijk was deze toer. Misschien zou het lukken. Grooter echter was de kans, in de diepte te storten en met verpletterde ledematen den dood te vinden ergens diep in den afgrond.Maar er was geen keuze. Hij moest!Als nu de struik eens losliet....Als nu de struik eens losliet....Met de uiterste behoedzaamheid stond hij op. Zooveelmogelijk drukte hij het lichaam tegen den rotswand. Met de handen greep hij een klein struikje, dat in een spleet wortelde. Toen waagde hij de gevaarlijke schrede.Onzeker tastte zijn rechter voet een oogenblik in de ledige ruimte. Toen voelde hij den rand, dien hij zocht....Met zijn rechterhand greep hij om den hoek een uitstekende rotspunt.Zijn hart stond een moment stil. Als nu de struik eens losliet.... als de steen eens afbrokkelde.... dan zou hij.... Maar neen! daaraan mòcht hij niet denken. Hij verzamelde zijn wilskracht, zette zich krachtig af met den linkervoet.... en een seconde later bevond hij zich veilig en wel op den breederen rotswand aan de andere zijde van den hoek.Een oogenblik moest hij zich neerzetten, want zijn beenen trilden en het klamme zweet parelde op zijn gelaat en zijn handen.Weldra was hij geheel tot zich zelf gekomen en bepaalde zijn aandacht bij zijn metgezellen. Niemand van hen had den stap nog durven wagen. Kees begon hen aan te sporen, hem te volgen.Na enkele oogenblikken kwam ook Marti om den hoek stappen. Weldra volgden ook Amat en twee derDajaks.De derde dezer mannen aarzelde.»Ik durf niet, heer! De antoe’s willen mij naar beneden trekken.”»Kom maar vlug! De antoe’s hebben ons toch ook geen kwaad gedaan. Maak voort, wij moeten verder!”»Ik voel, dat ze mij naar beneden zullen werpen,heer! Zij grijpen mij al bij de beenen,” jammerde de Dajak.»Dat is de angst, lafaard!” brulde Kees. »Als je niet komt, gaan wij verder. En dan moet je daar dood hongeren. Er is geen andere weg!”De andere Dajaks en Amat deden ook hun best, den man moed in te spreken.Eindelijk, gedwongen door een onontkoombare noodzakelijkheid, besloot de man te volgen. Voorzichtig zocht hij met den voet naar steun, zich bij het overbuigenvastklemmendeaan de struik.Maar deze had reeds zooveel moeten dragen. Eensklaps lieten de wortels uit de rotsspleet los....Wild greep de Dajak met zijn eene hand in de lucht; met de andere omklemde hij krampachtig de uitgetrokken struik en met een vreeselijken gil stortte de ongelukkige in het diepe ravijn.Vol ontzetting hadden de anderen dit vreeselijk tooneel aangezien. Zonder ook maar een hand tot hulp te kunnen uitsteken, moesten ze hun ongelukkigen makker aan zijn lot overlaten. Ademloos luisterden ze een oogenblik toe. Van uit de diepte hoorden ze den doffen smak van een neervallend lichaam en het gebons van een paar losgeraakte steenen. Toen heerschte weer de doodsche stilte, alleen verbroken door het geruisch van een waterval, die ergens beneden hen, zijn water in het ravijn deed neerstorten.Zwijgend zaten de mannen bijeen. Elk trachtte nog een geluid op te vangen van den verdwenen makker. Toch wisten ze maar al te zeker, dat deze hoop ijdel was; dat hij ergens, onherkenbaar verminkt misschien,aan den voet der rotsen moest liggen—ontzield.Eindelijk kwam Kees tot zich zelven:»Mannen, we moeten vooruit. We kunnen hier niet blijven. En hèm kunnen we niet helpen. Niets zou hem meer kùnnen helpen. Hij is zeker dood.”»Ja, hij is dood!” herhaalde Amat.»De antoe’s hebben hem naar beneden getrokken; dat is hun eerste waarschuwing,” zei een der Dajaks met sidderende stem.Kees huiverde. Maar zich bedwingende, riep hij:»Vooruit, mannen! Ik zal voorgaan!”Zonder een woord te spreken, en diep onder den indruk van het gebeurde, gingen ze op weg.Het pad was tamelijk breed en liep, langzaam dalend, in zuidelijke richting.Tegen den avond bereikten ze een uitgedroogden waterloop. Daar was ruimte genoeg voor alle vijf om zich neer te leggen en in den slaap vergetelheid te zoeken voor de gebeurtenissen van dien dag.Als gewoonlijk lag Kees weer een tijdlang te tobben. Velerlei zorg vervulde zijn hart. In de eerste plaats was hij nog diep onder den indruk van het noodlottig verlies van een zijner reismakkers.Maar in de tweede plaats had deze gebeurtenis nog een onaangename kant: met den Dajak was ook een aanzienlijk deel der levensmiddelen onnaspeurlijk in de diepte verdwenen. Het gevolg was, dat ze de volgende dagen op verminderd rantsoen zouden moeten leven. En wanneer de tocht nog lang zou moeten duren, zouden ze misschien wel nijpend gebrek aan een en ander ondervinden. En in de derde plaats bekroopKees de angst, dat de beide andere Dajaks door den dood van hun makker zoo’n afschrik zouden krijgen, dat zij, wanneer zich meer zulke hindernissen voordeden, hem in den steek zouden laten. En wie kon hem waarborgen, dat er zich geen bijna onoverkomelijke beletselen op hun verderen weg zouden voordoen?Met argwaan hoorde hij de beide mannen nog lang met elkaar mompelen. Zeker maakten ze elkaar, onder den diepen indruk van het gebeurde, beangst met verhalen over de antoe’s. Ongetwijfeld waren deze vertoornd op de vermetele menschen, die het waagden hun gebied te betreden.Kees rilde bij de gedachte, dat hij alleen zou kunnen overblijven met Marti en Amat.Tenslotte kreeg de vermoeidheid de overhand. Hij sliep in, maar onrustige droomen kwelden hem, en herhaaldelijk werd hij opgeschrikt door de schrille doodskreet van den Dajak, die van de rotsen stortte.Toen de dag aanbrak en het licht begon te worden, ontwaakte hij. Hij wreef zich de oogen uit en keek eens rond naar zijn metgezellen. Tot zijn grooten schrik ontdekte hij alleen Marti en Amat. De beide Dajaks waren verdwenen. Snel wekte hij de slapenden. Oogenblikkelijk waren zij op de been, en nu onderzochten de drie mannen de omgeving. Weldra riep Amat:»Hier is een spoor, heer! Ik geloof dat ze hier naar boven geklommen zijn.”Kees bekeek de plek en weldra maakten ze de gevolgtrekking, dat de beide Dajaks van de duisternis gebruik moesten hebben gemaakt om te vluchten.»Ze zijn gisteren bang geworden door den dood van hun kameraad,” zei Marti.»Waar zouden ze nu heen gegaan zijn?” vroeg Kees.»Op goed geluk het gebergte in,”oordeelde de Maleier.»Die komen nooit meer terecht, vrees ik,”zuchtteKees.»Een Dajak vindt al gauw een weg, heer!” meende Amat.»Maar ze hebben geen eten!” zei Marti.Plotseling sprong Kees op. De laatste opmerking trof hem als een electrische schok. Als de Dajaks eens alle rijst hadden meegenomen!»Onze rijst!” riep hij uit.Marti en Amat slaakten een kreet van schrik. Snel liepen ze terug naar de plek waar ze overnacht hadden. Hun vrees bleek gegrond: de Dajaks hadden de draagmanden meegenomen. Verreweg de grootste hoeveelheid levensmiddelen was verdwenen.Voor de drie mannen bleef slechts datgene over, wat Amat in zijn mand droeg.Ze verkeerden in absolute onzekerheid, hoelang de tocht nog zou duren. Ze moesten derhalve zeer zuinig zijn met den mondvoorraad en besloten slechts heel weinig per dag te gebruiken.Mismoedig hervatten ze hun tocht, en de moeilijkheden van den bergtocht deden zich weldra weer geducht gelden.Slechts zeer langzaam vorderden ze en meermalen zetten ze zich neerslachtig op een rotsblok neer. Dit gebergte scheen eindeloos. Altijd weer nieuwe, hooge kammen. Zonder twijfel zouden ze om moeten komenin deze eenzame, wilde rotsenwoestenij. Maar dan grepen ze weer moed.... en dan worstelden ze weer verder.Zes lange dagen ging het zoo voort; zes lange dagen van tobben en zwoegen met half gevulde magen, met trillende beenen, met versufte hersenen.Toen bereikten ze in den namiddag een hooge bergkam. Tot hun onuitsprekelijke vreugde bleek het, dat ze eindelijk de hoogste toppen van den Goenoeng Lawit hadden beklommen. Een woest, majestueus panorama ontrolde zich voor hun blikken: een reeks afdalende bergruggen, de zijden geflankeerd door oerwouden. Het land der Sibaoe-dajaks lag voor hen.In hun blijdschap hieven ze een gejuich aan. Vreemd klonk dat in deze eenzame, nimmer door een menschelijk wezen bezochte omgeving. Een triomfkreet van menschelijke durf en ondernemingsgeest trilde door de ijle lucht, die geen andere geluiden kende dan nu en dan het ratelen van den donder, honderdvoudig weerkaatst door de bergwanden.Toen ze eenmaal hun vreugde geuit hadden, deed de afmatting zich in dubbele mate gevoelen. Ze waren niet in staat, op het oogenblik met de afdaling te beginnen. Gedurende de laatste twee dagen hadden ze hun honger trachten te stillen met wat rauwe plantenwortels, die wel de maag vulden, doch geen voedsel gaven.De uitgeputte mannen vielen, nu ze voor een klein gedeelte van hun zorgen ontheven waren, in een loodzwaren, droomeloozen slaap, waaruit ze eerst den volgenden morgen eenigszins verkwikt ontwaakten.Langzaam ging het nu weer voorwaarts, om den Goenoeng Lawit af te dalen en voorgoed te verlaten.Een tweetal dagen sleepten ze hun verzwakte lichamen voort door dichte, donkere bosschen, zonder eenig teeken van menschelijk leven te ontdekken. Eindelijk, op den derden dag, kwam er aan hun lijden een einde. Bij het overtrekken van een riviertje stonden ze plotseling tegenover een paar Dajaks. Deze schenen door de onverwachte ontmoeting nog verschrikter dan zij zelf. Een Dajaksche begroetingskreet van Marti stelde hen echter gerust en nu kwamen ze dichterbij, om te vernemen, wat de vreemdelingen wenschten.
Den volgenden dag kwam het reisgezelschap in het eigenlijke gebergte. Men vorderde nu slechts zeer langzaam. Meermalen gelukte het alleen maar voorwaarts te komen langs smalle bergranden, aan weerzijden begrensd door diepe ravijnen met zeer steile hellingen.
Weer liepen ze in den middag op zoo’n smal pad voort, waar bijna elke schrede berekend moest worden en de minste duizeling noodlottige gevolgen kon hebben. Plotseling klonk vlak voor hen een woedend gebrul, dat nog heviger scheen door de weerkaatsing van het geluid tusschen de bergen.
De gids die een eindweegs vooruit liep, hield verschrikt halt en riep:
»Beren!”
Kees nam vlug zijn geweer ter hand en snelde naar voren. Daar zag hij op korten afstand voor zich twee kolossale suikerbeeren, die den smallen weg geheel versperden.
De aard van deze dieren is niet, dat zij den strijd bepaald zoeken. Toch zijn ze niet vreesachtig van natuur en, als ze verrast worden, gaan ze gewoonlijk met groote woede tot den aanval over.
Ook nu verhieven de reusachtige dieren zich op de achterpooten. Langzaam kwamen ze op de mannen af, de geweldige muil wijd opengesperd en de voorpooten uitgebreid. Met die geopende voorpooten trachten deze dieren hun vijand te omvangen, om hem zoo in een verschrikkelijke omhelzing te vermorselen. Ook onze mannen wachtte dit lot.
De gids had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Hij had zijn geweer aangelegd en wilde schieten, doch Kees riep hem toe, een oogenblik te wachten en dan tegelijk te vuren.
Ze mikten. Twee schoten knalden. Toen de rook van de geweren wat opgetrokken was, zagen ze het dier over het pad wentelen en dadelijk daarop rolde het met vreeselijk gebrul van de steile helling naar beneden. Van schrik stond de andere beer een oogenblik besluiteloos, doch plotseling bezon hij zich en maakte zich gereed tot den aanval.
De Dajak, die zijn ouderwetsch geweer zoo spoedig niet meer kon laden, vluchtte achter Kees.
Voor dezen was het een oogenblik van spanning.
Wanneer het hem niet gelukte het monster dadelijk doodelijk te treffen, dan zou hij zonder eenigen twijfel tusschen de ruige voorpooten worden doodgedrukt.
Marti overzag onmiddellijk het gevaar. Hij was reeds een eindweegs langs de helling vooruitgeslopen. Plotseling verscheen hij met woest geschreeuw, zwaaiende met zijn parang, terzijde van den beer.
Het dier wendde zich onmiddellijk naar den nieuwen vijand. Hierdoor kreeg Kees gelegenheidhet een doodenden kogel toe te zenden, en weldra lag het geweldige ruige lichaam levenloos voor hun voeten.
Kees besloot, deze plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten. Het kostbare berenvleesch moest, tot grooten spijt van de mannen, achterblijven.
De rest van dien dag verliep zonder verdere wederwaardigheden en weer hadden de reizigers het geluk te kunnen overnachten in de nabijheid van een helder bergstroompje.
De derde dag in het Lawitgebergte brak aan. Kees wist in ’t geheel niet meer, waar ze zich bevonden. Het beste was maar, onvoorwaardelijk vertrouwen te stellen in den speurzin van den gids.
Aan den stand van de zon merkte hij op, dat ze steeds in Oostelijke richting voorttrokken. Het gebergte scheen te bestaan uit een aantal evenwijdige, van Noord naar Zuid loopende ketens, welke ze dwars overstaken.
Meermalen had men reeds geweldig steile rotswanden en diepe ravijnen gezien, doch het was den gids nog steeds gelukt, deze te ontwijken.
Tegen den middag bereikten ze de kam van eennieuwen keten en Kees zag voor zich een ravijn van minstens vijfhonderd meter diepte. Aan de andere zijde verhief zich een nieuwe bergreeks.
Op de wanden van de bergen aan de overzijde zag hij groote grijsachtige kale plekken, die hij herkende als loodrechte rotswanden, waarvan enkele naar schatting wel twee honderd meter hoog waren.
Nu zouden de moeilijkheden pas beginnen. »Petinggi Datoek heeft niets te veel gezegd van de steilten en afgronden in deze rotsenwereld,” dacht Kees. Weinig vermoedde hij, dat hij zóó spoedig met de allerergste gevaren kennis zou maken.
»Dat ziet er niet mooi uit, Marti!”zeide hij, terwijl hij zijn helper op de kale rotswanden wees.
»Neen, heer, het is onmogelijk dáár het gebergte te bestijgen. Tegen zulke steilten kan geen mensch opklimmen.”
»Toch moeten we er tegen op, Marti, we zullen maar op de vindingrijkheid van onzen gids vertrouwen; die zal wel een beklimbare plaats kunnen vinden.”
De Dajaks hadden intusschen met groote opmerkzaamheid de tegenoverliggende bergen opgenomen. Blijkbaar waren ze het niet met elkaar eens. Weldra kwam de Maleier Amat, die aan hun druk gesprek had deelgenomen, naar Kees toe, zeggende:
»De Dajaks weten niet, hoe ze verder zullen gaan, heer. De gids wil naar het Zuid-Oosten, om te trachten gindsche ruggen te beklimmen; de anderen willen het hier recht tegenover probeeren.”
»Ik zal zelf eens met hen praten,” zei Kees en begaf zich naar de luid redetwistende Dajaks.
De beide voorstellen werden van alle kanten overwogenen na lange besprekingen werd vastgesteld, om het plan van den gids te volgen.
Weldra daalde men in Zuid-Oostelijke richting in het diepe ravijn af.
De helling was zeer steil. Om meer vrijheid van beweging te hebben, volgden de mannen elkaar niet onmiddellijk op den voet.
Nadat ze een honderdtal meters in schuinsche richting gedaald waren, vond de gids een randje, dat eenigszins op een pad geleek. En daar het in de gewenschte richting liep, begon hij het te volgen.
Nu kwamen de mannen vrij snel vooruit en konden een flink eind op die wijze afdalen. Soms echter was het pad zoo steil, dat ze zich maar lieten glijden, tot ze weer aan een gedeelte kwamen, dat zich beter tot gaan leende.
Al hun aandacht was gevestigd op de moeilijke afdaling. Niemand lette meer op de omgeving, waar ze zich bevonden.
Plotseling bleef de gids roerloos staan. Toen klemde hij zich aan eenige struiken vast, om niet uit te glijden, spiedde nog eens bedachtzaam vóór zich en riep Kees toe:
»Ik kan niet verder, heer!”
Kees ging heel voorzichtig iets vooruit en vroeg:
»Waarom niet? Kun je je niet laten glijden?”
»Dat kan hier niet, heer! Ik zie vóór me en opzij niets meer, dat op een rand gelijkt. Ik geloof, dat ik voor een afgrond sta. Ik durf me niet verder te laten glijden.”
Kees kroop nog iets vooruit. Met de uiterste omzichtigheid boog hij zich voorover en keek in de diepte.Het was waar, wat de Dajak gezegd had. Ze bevonden zich aan den uitersten rand van een afgrond, die wel drie- of vierhonderd meter diep was.
Kees begreep nu, dat ze afgedwaald waren. Ze bevonden zich op een vooruitspringend randje van een soortgelijke steile rotswand, als ze aan de overzijde van het ravijn hadden opgemerkt.
»We moeten terugkeeren! Het gaat hier niet!” riep hij.
Doch terugkeeren? Hoe? Meermalen hadden ze zich maar van de steilten af laten glijden, onbewust van dreigende beletselen. Terugkeeren? Dat was onmogelijk langs den zelfden weg. En een andere was er niet. Wat dan?
Hier moest het alleruiterste geprobeerd worden.
Kees strekte zich plat op de rots. Voorzichtig kroop hij langs de anderen naar den voorsten man toe. Hier gekomen ontdekte hij, dat de rots een hoek vormde, die loodrecht de duizelingwekkende diepte begrensde. Nog enkele centimeters schoof hij met de grootste voorzichtigheid vooruit. Toen gelukte het hem, om den rotshoek heen te kijken. Hij zag, dat zich daar het randje weer breeder voortzette en vrij goed begaanbaar scheen.
Slechts door den hoek om te stappen, zou hij echter dien rand kunnen bereiken. Meer dan levensgevaarlijk was deze toer. Misschien zou het lukken. Grooter echter was de kans, in de diepte te storten en met verpletterde ledematen den dood te vinden ergens diep in den afgrond.
Maar er was geen keuze. Hij moest!
Als nu de struik eens losliet....Als nu de struik eens losliet....
Als nu de struik eens losliet....
Met de uiterste behoedzaamheid stond hij op. Zooveelmogelijk drukte hij het lichaam tegen den rotswand. Met de handen greep hij een klein struikje, dat in een spleet wortelde. Toen waagde hij de gevaarlijke schrede.
Onzeker tastte zijn rechter voet een oogenblik in de ledige ruimte. Toen voelde hij den rand, dien hij zocht....
Met zijn rechterhand greep hij om den hoek een uitstekende rotspunt.
Zijn hart stond een moment stil. Als nu de struik eens losliet.... als de steen eens afbrokkelde.... dan zou hij.... Maar neen! daaraan mòcht hij niet denken. Hij verzamelde zijn wilskracht, zette zich krachtig af met den linkervoet.... en een seconde later bevond hij zich veilig en wel op den breederen rotswand aan de andere zijde van den hoek.
Een oogenblik moest hij zich neerzetten, want zijn beenen trilden en het klamme zweet parelde op zijn gelaat en zijn handen.
Weldra was hij geheel tot zich zelf gekomen en bepaalde zijn aandacht bij zijn metgezellen. Niemand van hen had den stap nog durven wagen. Kees begon hen aan te sporen, hem te volgen.
Na enkele oogenblikken kwam ook Marti om den hoek stappen. Weldra volgden ook Amat en twee derDajaks.
De derde dezer mannen aarzelde.
»Ik durf niet, heer! De antoe’s willen mij naar beneden trekken.”
»Kom maar vlug! De antoe’s hebben ons toch ook geen kwaad gedaan. Maak voort, wij moeten verder!”
»Ik voel, dat ze mij naar beneden zullen werpen,heer! Zij grijpen mij al bij de beenen,” jammerde de Dajak.
»Dat is de angst, lafaard!” brulde Kees. »Als je niet komt, gaan wij verder. En dan moet je daar dood hongeren. Er is geen andere weg!”
De andere Dajaks en Amat deden ook hun best, den man moed in te spreken.
Eindelijk, gedwongen door een onontkoombare noodzakelijkheid, besloot de man te volgen. Voorzichtig zocht hij met den voet naar steun, zich bij het overbuigenvastklemmendeaan de struik.
Maar deze had reeds zooveel moeten dragen. Eensklaps lieten de wortels uit de rotsspleet los....
Wild greep de Dajak met zijn eene hand in de lucht; met de andere omklemde hij krampachtig de uitgetrokken struik en met een vreeselijken gil stortte de ongelukkige in het diepe ravijn.
Vol ontzetting hadden de anderen dit vreeselijk tooneel aangezien. Zonder ook maar een hand tot hulp te kunnen uitsteken, moesten ze hun ongelukkigen makker aan zijn lot overlaten. Ademloos luisterden ze een oogenblik toe. Van uit de diepte hoorden ze den doffen smak van een neervallend lichaam en het gebons van een paar losgeraakte steenen. Toen heerschte weer de doodsche stilte, alleen verbroken door het geruisch van een waterval, die ergens beneden hen, zijn water in het ravijn deed neerstorten.
Zwijgend zaten de mannen bijeen. Elk trachtte nog een geluid op te vangen van den verdwenen makker. Toch wisten ze maar al te zeker, dat deze hoop ijdel was; dat hij ergens, onherkenbaar verminkt misschien,aan den voet der rotsen moest liggen—ontzield.
Eindelijk kwam Kees tot zich zelven:
»Mannen, we moeten vooruit. We kunnen hier niet blijven. En hèm kunnen we niet helpen. Niets zou hem meer kùnnen helpen. Hij is zeker dood.”
»Ja, hij is dood!” herhaalde Amat.
»De antoe’s hebben hem naar beneden getrokken; dat is hun eerste waarschuwing,” zei een der Dajaks met sidderende stem.
Kees huiverde. Maar zich bedwingende, riep hij:
»Vooruit, mannen! Ik zal voorgaan!”
Zonder een woord te spreken, en diep onder den indruk van het gebeurde, gingen ze op weg.
Het pad was tamelijk breed en liep, langzaam dalend, in zuidelijke richting.
Tegen den avond bereikten ze een uitgedroogden waterloop. Daar was ruimte genoeg voor alle vijf om zich neer te leggen en in den slaap vergetelheid te zoeken voor de gebeurtenissen van dien dag.
Als gewoonlijk lag Kees weer een tijdlang te tobben. Velerlei zorg vervulde zijn hart. In de eerste plaats was hij nog diep onder den indruk van het noodlottig verlies van een zijner reismakkers.
Maar in de tweede plaats had deze gebeurtenis nog een onaangename kant: met den Dajak was ook een aanzienlijk deel der levensmiddelen onnaspeurlijk in de diepte verdwenen. Het gevolg was, dat ze de volgende dagen op verminderd rantsoen zouden moeten leven. En wanneer de tocht nog lang zou moeten duren, zouden ze misschien wel nijpend gebrek aan een en ander ondervinden. En in de derde plaats bekroopKees de angst, dat de beide andere Dajaks door den dood van hun makker zoo’n afschrik zouden krijgen, dat zij, wanneer zich meer zulke hindernissen voordeden, hem in den steek zouden laten. En wie kon hem waarborgen, dat er zich geen bijna onoverkomelijke beletselen op hun verderen weg zouden voordoen?
Met argwaan hoorde hij de beide mannen nog lang met elkaar mompelen. Zeker maakten ze elkaar, onder den diepen indruk van het gebeurde, beangst met verhalen over de antoe’s. Ongetwijfeld waren deze vertoornd op de vermetele menschen, die het waagden hun gebied te betreden.
Kees rilde bij de gedachte, dat hij alleen zou kunnen overblijven met Marti en Amat.
Tenslotte kreeg de vermoeidheid de overhand. Hij sliep in, maar onrustige droomen kwelden hem, en herhaaldelijk werd hij opgeschrikt door de schrille doodskreet van den Dajak, die van de rotsen stortte.
Toen de dag aanbrak en het licht begon te worden, ontwaakte hij. Hij wreef zich de oogen uit en keek eens rond naar zijn metgezellen. Tot zijn grooten schrik ontdekte hij alleen Marti en Amat. De beide Dajaks waren verdwenen. Snel wekte hij de slapenden. Oogenblikkelijk waren zij op de been, en nu onderzochten de drie mannen de omgeving. Weldra riep Amat:
»Hier is een spoor, heer! Ik geloof dat ze hier naar boven geklommen zijn.”
Kees bekeek de plek en weldra maakten ze de gevolgtrekking, dat de beide Dajaks van de duisternis gebruik moesten hebben gemaakt om te vluchten.
»Ze zijn gisteren bang geworden door den dood van hun kameraad,” zei Marti.
»Waar zouden ze nu heen gegaan zijn?” vroeg Kees.
»Op goed geluk het gebergte in,”oordeelde de Maleier.
»Die komen nooit meer terecht, vrees ik,”zuchtteKees.
»Een Dajak vindt al gauw een weg, heer!” meende Amat.
»Maar ze hebben geen eten!” zei Marti.
Plotseling sprong Kees op. De laatste opmerking trof hem als een electrische schok. Als de Dajaks eens alle rijst hadden meegenomen!
»Onze rijst!” riep hij uit.
Marti en Amat slaakten een kreet van schrik. Snel liepen ze terug naar de plek waar ze overnacht hadden. Hun vrees bleek gegrond: de Dajaks hadden de draagmanden meegenomen. Verreweg de grootste hoeveelheid levensmiddelen was verdwenen.
Voor de drie mannen bleef slechts datgene over, wat Amat in zijn mand droeg.
Ze verkeerden in absolute onzekerheid, hoelang de tocht nog zou duren. Ze moesten derhalve zeer zuinig zijn met den mondvoorraad en besloten slechts heel weinig per dag te gebruiken.
Mismoedig hervatten ze hun tocht, en de moeilijkheden van den bergtocht deden zich weldra weer geducht gelden.
Slechts zeer langzaam vorderden ze en meermalen zetten ze zich neerslachtig op een rotsblok neer. Dit gebergte scheen eindeloos. Altijd weer nieuwe, hooge kammen. Zonder twijfel zouden ze om moeten komenin deze eenzame, wilde rotsenwoestenij. Maar dan grepen ze weer moed.... en dan worstelden ze weer verder.
Zes lange dagen ging het zoo voort; zes lange dagen van tobben en zwoegen met half gevulde magen, met trillende beenen, met versufte hersenen.
Toen bereikten ze in den namiddag een hooge bergkam. Tot hun onuitsprekelijke vreugde bleek het, dat ze eindelijk de hoogste toppen van den Goenoeng Lawit hadden beklommen. Een woest, majestueus panorama ontrolde zich voor hun blikken: een reeks afdalende bergruggen, de zijden geflankeerd door oerwouden. Het land der Sibaoe-dajaks lag voor hen.
In hun blijdschap hieven ze een gejuich aan. Vreemd klonk dat in deze eenzame, nimmer door een menschelijk wezen bezochte omgeving. Een triomfkreet van menschelijke durf en ondernemingsgeest trilde door de ijle lucht, die geen andere geluiden kende dan nu en dan het ratelen van den donder, honderdvoudig weerkaatst door de bergwanden.
Toen ze eenmaal hun vreugde geuit hadden, deed de afmatting zich in dubbele mate gevoelen. Ze waren niet in staat, op het oogenblik met de afdaling te beginnen. Gedurende de laatste twee dagen hadden ze hun honger trachten te stillen met wat rauwe plantenwortels, die wel de maag vulden, doch geen voedsel gaven.
De uitgeputte mannen vielen, nu ze voor een klein gedeelte van hun zorgen ontheven waren, in een loodzwaren, droomeloozen slaap, waaruit ze eerst den volgenden morgen eenigszins verkwikt ontwaakten.
Langzaam ging het nu weer voorwaarts, om den Goenoeng Lawit af te dalen en voorgoed te verlaten.
Een tweetal dagen sleepten ze hun verzwakte lichamen voort door dichte, donkere bosschen, zonder eenig teeken van menschelijk leven te ontdekken. Eindelijk, op den derden dag, kwam er aan hun lijden een einde. Bij het overtrekken van een riviertje stonden ze plotseling tegenover een paar Dajaks. Deze schenen door de onverwachte ontmoeting nog verschrikter dan zij zelf. Een Dajaksche begroetingskreet van Marti stelde hen echter gerust en nu kwamen ze dichterbij, om te vernemen, wat de vreemdelingen wenschten.
VI. Bij de Sibaoe-dajaks.»Zijt gij mannen van den stam der Sibaoe’s?” vroeg Kees.»Ja, heer!” antwoordde een der Dajaks.»Gelukkig, dan zijn we eindelijk aan ons doel!” riep Kees uit.»Waar komt u vandaan?” vroegen de Sibaoe’s, want de plotselinge verschijning dezer drie mannen had de grootste verbazing bij hen opgewekt.»Wij zijn van den Goenoeng Lawit gekomen,” zei Marti en wees achter zich naar de hooge bergtoppen.Deze mededeeling werd door de Sibaoe’s met zichtbare teekenen van ongeloof ontvangen. Hun houding en hun blik werden wantrouwend.»Hebt ge niets voor ons te eten?” vroeg Kees,die hoopte eindelijk zijn honger te kunnen stillen.De beide Dajaks haalden uit hun manden wat gekookte rijst, die ze altijd op hun zwerftochten in een potje meevoeren. Met graagte aten de drie uitgehongerde mannen het hun verstrekte voedsel. De Dajaks zagen met verwondering toe. Ze begrepen, dat deze menschen honger geleden hadden.Toen de maaltijd in letterlijken zin verslonden was, vroegen ze aan Kees:»Wat komt u hier zoeken?”»Ik ben een man van de Kompenie. Dit is mijn helper en dat is een koopman, die hier handel wil drijven.”Ofschoon in dien tijd het gouvernement zich nog niet veel met de zaken van het binnenland bemoeide, wist Kees toch wel, dat de Dajaks hem misschien zouden ontzien, als ze in hem een dienaar van de »Kompenie” zagen.»Wat wil de Kompenie hier dan?” vroegen de Dajaks nog steeds wantrouwig.Kees achtte het niet raadzaam, iets van zijn eigenlijk plan te laten blijken. Hij moest het vertrouwen der Dajaks zien te winnen. Daarom bedacht hij een voorwendsel.»Ik kom hier naar steenkool zoeken. Als er hier veel steenkool in den grond zit, wil de Kompenie het er uit halen. Dan kunnen de Dajaks veel geld verdienen.”De Sibaoe’s kenden het gebruik van steenkool voor hun eigen wapensmederijen en hadden misschien wel eens gehoord, dat de blanken ook voor andere doeleinden veel steenkool noodig hadden. Ze knikten met het hoofd en zeiden:»Er is hier wel steenkool, maar niet zoo heel veel.”»Dat wil ik nu juist onderzoeken,” zei Kees. »Ik heb geleerd te zien, of er diep onder den grond ook nog steenkool zit.”»De witte menschen moeten heel knap zijn. Ik heb hooren vertellen, dat er in Koetjing (de hoofdplaats van Serawak) een vaartuig is, dat door vuur in beweging wordt gebracht. Is dat zoo?” vroeg een der Sibaoe’s.»Ja, dat is zoo. Zulke schepen hebben wij. Daarvoor juist hebben we steenkool noodig,” zei Kees.Marti en Amat hadden stil naar het gesprek geluisterd. De eerste keek vol bewondering zijn meester aan; hij had nooit gedacht, dat deze zoo mooi liegen kon. De Maleier daarentegen vertrok geen spier van zijn gelaat. Het scheen, alsof dat alles hem niets aanging.Nu begon Kees op zijn beurt zijn nieuwe kennissen te ondervragen over het land en zijn bewoners.De twee Dajaks waren uit een dorp, Oelak genaamd. Zij bevonden zich nu op de jacht en waren volgens hun zeggen twee dagen loopens van hun woonplaats verwijderd.Het gesprek vlotte heel goed, ofschoon de Sibaoe’s in hun taal enkele afwijkende woorden bezaten, waarvan Kees niet dadelijk de beteekenis begreep.»Is Oelak het voornaamste dorp?” vroeg hij.»Neen, heer, het grootste dorp ligt verder naar het Oosten en heet Metoedjoe. Daar woont het voornaamste hoofd van onzen stam, Senawa genaamd.”»Hoever is dat Metoedjoe hier vandaan?”»Vier dagen, heer.”»Welnu, ik wilde gaarne eerst naar Metoedjoe gaan,om met Senawa te spreken en van hem te hooren, of ik hier veilig ben. Ik heb wat zout en tabak voor hem meegebracht, om te toonen, dat ik als een goed vriend in dit land kom,” zei Kees.De Dajaks zwegen en wachtten af, wat hij verder te zeggen zou hebben.»Ik zal jelui goed beloonen, als je me naar Metoedjoe brengt,” ging hij voort.Na kort onderling beraad zei een der Dajaks:»We zullen onze jacht opgeven en u naar Senawa geleiden, doch dan zult u ons zeker ruim beloonen?”Kees bevestigde zijn belofte en spoedig was men, nu met zijn vijven, op weg.Tegen den avond bereikte men een afdakje, dat pas gemaakt scheen. Inderdaad was het de plaats, waar de beide jagers den vorigen nacht hadden doorgebracht. Ook nu gaven ze den wensch te kennen, daar te overnachten. Kees, die zich vrijwel uitgeput gevoelde, kon daar niets tegen in brengen.Hij bepaalde evenwel, dat ze met hun drieën om de beurt de wacht zouden houden. Hij vertrouwde zijn nieuwe vrienden toch niet al te best.Toen de beurt aan Kees was, om te waken, bleef de Maleier Amat, dien hij had afgelost, nog eenige oogenblikken met hem praten.»Het is misschien brutaal, heer, maar ik zou toch gaarne weten, waarom u eigenlijk naar dit land is getrokken. U heeft dien Dajaks verteld, dat u steenkool komt zoeken, maar dat kan toch de waarheid niet zijn. Hoe zou men die steenkool hier vandaan naar de beneden streken moeten transporteeren? Dat schijnt mij ondoenlijk.”»Amat, ik ben niet van plan, om je te vertellen, wat ik precies ga doen. Dat gaat niemand iets aan. Waarom wil je dat weten? Jij hebt nu toch je zin. Je bent bij de Sibaoe’s en nu kun je trachten, je amuletten te verkoopen.”»Ik heb er reeds twee verkocht, heer,” zei de slimme Maleier en Kees hoorde hem zachtjes lachen.»Jij bent een bijdehante rakker, Amat,” lachte Kees nu ook.»Ik ben een handelaar, heer, en ik mag mijn gelegenheid om te verkoopen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Maar ik wil hier niet altijd blijven en hoop dit land ook weer te verlaten. Omdat ik graag weer met u terug ging, vroeg ik u, wat u ging doen. Als u dat misschien niet kunt zeggen, is het evenwel toch wel mogelijk, dat u kunt zeggen, wanneer u teruggaat.”»Daar weet ik nog niets van. Ik moet in dit land iets onderzoeken, maar moet eerst nog informeeren, waar ik precies moet zijn. Als ik dat weet, kan ik ongeveer zeggen, hoelang mijn verblijf bij de Sibaoe’s zal duren.”»Zoudt u het mij dan willen zeggen?”»Zeker, maar reken er op, dat ik hier slechts zoo kort mogelijk blijf.”»Dat is goed, heer, ik zelf wensch ook niet zoolang te blijven.”»Je bent er zeker niet geheel van overtuigd, dat je amuletten afdoende werken,” lachte Kees.»Misschien, heer!” zei de Maleier droogjes. Daarna legde hij zich ter ruste. Kees was alleen, tot zijn wachttijd om was en Marti hem weer afloste.De nacht ging zonder eenige stoornis voorbij, waardoor het vertrouwen in de Sibaoe’s wat beter werd.Verfrischt en versterkt, opgewekt door het vooruitzicht, spoedig weer eens onder een dak te zullen slapen, stapten de drie reizigers den volgenden morgen vroolijk en vlug achter de Dajaks aan.Toch schoten ze dien dag niet zoo heel veel op. Er vielen hevige regens, die de kleine riviertjes spoedig sterk deden wassen.Dankbaar mochten ze zijn, dat ze niet meer in het hooggebergte waren. Zonder twijfel zouden ze daar onder deze omstandigheden in de waterloopen zijn omgekomen.Van slapen kwam dien nacht niet veel; de stortregen plaste zonder ophouden neer en de grond was doorweekt. Veel moeite hadden ze om een vuurtje aan te leggen voor het bereiden van hun maaltijd.Den volgenden morgen trokken ze over een verlaten ladang met een paar vervallen huisjes er op. Menschen troffen ze er niet aan. Enkele uren later passeerden ze een uitgestrekte ladang met een grooter huis er op. Een tiental mannen kwamen te voorschijn, die, nieuwsgierig, weldra het kleine gezelschap omringden.Het waren forsch gebouwde menschen, slechts gekleed met een tjawat en zwaar bewapend. Enkelen hadden een geweer, de anderen zware lansen en schilden. De groote oorlogsparangs waren versierd met bosjes menschenhaar.Kees voelde zich niet erg op zijn gemak tusschen dit troepje Dajaks, dat er zoo krijgszuchtig uitzag. Doch hij begreep, dat vrees hier een slechte raadgeefsterwas. Groote koelbloedigheid en onverschrokkenheid was hier dringend geboden. Toch voelde hij tersluiks eens naar zijn revolver en keek tevens zijn geweer eens na.Marti en Amat bleven zoo dicht mogelijk bij Kees en beschouwden de Dajaks met een gemengd gevoel van vrees en nieuwsgierigheid.De Sibaoe’s waren een zeer vrijmoedig slag menschen, die Kees,—daar ze nooit een blanke gezien hadden,—met de grootste opmerkzaamheid bekeken. Vooral zijn schoenen trokken hun bizondere belangstelling.Intusschen vertelden de twee gidsen de geschiedenis van hunne ontmoeting. Het verhaal van de tocht over den Goenoeng Lawit werd ook thans met ongeloof en wantrouwen ontvangen.Blijkbaar heerschte onder deze menschen dezelfde vrees voor dat gebergte als onder de Kenjaoe’s. Maar ook kwam Kees tot de overtuiging dat de Sibaoe’s zonder eenigen twijfel ergens in ’t Noorden een goeden weg kenden.Na eenigen tijd konden ze weer op weg gaan. Enkele der Sibaoe’s hadden zich bij hen aangesloten.Dien dag bereikten ze nog het dorp Oelak. Het was een groot huis, gelegen op een uitgestrekt ladang-veld. Om het huis was een stevige heining van boomstammen.In dit dorp werden de vreemdelingen vrij goed ontvangen, ofschoon ze aanvankelijk wel met argwanende oogen werden opgenomen.Uit alles bleek, dat men hier nog met onvervalschte koppensnellers te doen had. Overal aan de palenhingen rottan mandjes met gedroogde of gerookte menschenschedels erin en de zware parangs der krijgers waren kwistig met bosjes haar versierd. Nu Kees en zijn reisgezellen eenmaal in het huis ontvangen waren, konden ze zich daar voorloopig veilig voelen. Het is bij de Dajaks geen gewoonte het gastrecht te schenden.Alvorens zijn reis voort te zetten, besloot Kees een dag rust te houden in Oelak, ten einde van alle vermoeienissen en ontberingen te bekomen. Hij benutte dien tijd vooral door eens te praten met de Sibaoe’s. Hij wilde gaarne een en ander van het land weten en vorschte naar alles, wat hem eenigszins op het spoor kon brengen van den begeerden schat. Amat trachtte amuletten te verkoopen, wat hem heel goed gelukte.Kees slaagde er in, door voorzichtige vragen, ongemerkt te vernemen, dat er werkelijk een Soengei Tekoeng bestond, en verder, dat deze rivier op ongeveer vijf dagen ten Noorden van het dorp Metoedjoe lag.De wetenschap, dat de gezochte rivier werkelijk bestond, stemde hem zeer opgewekt. Uit verschillende opmerkingen, welke hij opving, leidde hij af, dat zijn oude makker met juistheid de plaats beschreven had, waar de diamanten verborgen waren. Kees herkreeg zijn oorspronkelijke luchthartigheid. De gevaren waren tot dusverre overwonnen; het grootste leed scheen wel geleden. De gedachten aan zijn toekomstige rijkdommen drongen zich weer sterker op den voorgrond. De paleizen zijner droomen verhieven zich weer in ongerepte pracht tot aan de wolken. Zoo spoedig mogelijk wilde hij voortgaan, handelen, rijk worden!Zijn plannen waren, meende hij, rijpelijk overdacht.In het dorp Metoedjoe zou hij een gids zoeken, die hem naar de Soengei Tekoeng zou brengen. Hij zou, als hij een eind deze rivier opgevaren was, Marti met dien man achter laten en geheel alleen de diamanten gaan halen.Maar vooraf moest hij Metoedjoe zien te bereiken en vriendschap sluiten met den invloedrijken Senawa.In den vroegen morgen van den volgenden dag ging het gezelschap alweer op marsch, geleid door de beide Dajaksche jagers.Een tweetal dagen liepen ze door zonder gebeurtenissen van eenig belang te beleven. Toen bereikten ze het groote dorp Metoedjoe, waar ze het Sibaoe-hoofd Senawa aantroffen.Metoedjoe bestond uit twee zeer groote huizen. Deze waren verbonden door een paar halve boomstammen, welke als brug dienst deden.Ook hier zag Kees vele onmiskenbare teekenen van gehouden sneltochten. Zelfs viel het hem op, dat verscheidene der koppen nog vrij versch waren.De mannen waren meestal zwaar gewapend en voorzien van zeer groote schilden, die met kunstige figuren waren versierd. Ook droegen vele Sibaoe’s een zoogenaamde soelauw. Dat is een soort van vest, vervaardigd van geklopte boomschors, dienst doende als harnas tegen pijlen en lansen. Dit primitieve harnas dragen de Dajaks bij hun mengajaoe-tochten. Er waren zeer veel strijdbare mannen in het dorp en allen zagen er zeer krijgszuchtig uit. Verscheidene hunner hadden de hoofddeksels versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel. Daaruitleidde Kees af, dat ze pas van een sneltocht teruggekeerd waren, of dat ze er zich op voorbereidden.Toch was de ontvangst in Metoedjoe vrij goed en Senawa nam de geschenken van Kees, bestaande uit tabak en zout, goedgunstig aan.Toen hij evenwel vernam, dat Kees iemand van de Kompenie was, begon hij bevreesd te worden, dat het vrije leven der Sibaoe’s aan banden gelegd zou worden. Hij wist wel, dat het Nederlandsche Gouvernement geen sneltochten zou dulden. En nu begon hij argwaan te krijgen, dat de komst van dezen blanke een voorbode was van de inmenging der Kompenie in de zaken der Sibaoe’s. Hoe zouden de Sibaoe’s dan aan koppen kunnen komen, als teeken van hun dapperheid en om hun huizen te sieren? Hoe zouden ze in het volgende leven, na hun dood, kunnen bestaan, als hun gesnelde vijanden hen niet als slaven dienden?Het was voor den Dajak een ernstige zaak. Deze blanke man met zijn reisgezellen moest zoo spoedig mogelijk het vrije land der Sibaoe’s verlaten. Zoo overlegde Senawa in stilte.Kees gaf den wensch te kennen, hem alleen te spreken over een zeer belangrijke zaak, en beloofde hem nog wat zout en tabak voor zijn moeite. Weldra zaten beide in de kleine lawang van Senawa, zonder verder gezelschap, druk te praten.»Ik kom zoeken naar steenkool, Senawa!”»Dat heb ik gehoord, heer, maar er is hier niet veel in de buurt. U zult tevergeefs zoeken. Wij zelf hebben veel moeite, om de voor onze wapensmederij benoodigde steenkool te vinden. Meestal gebruiken wij houtskool.”»Hier dichtbij is misschien niet veel, Senawa, dat is mogelijk. Maar ik weet een plek, waar veel steenkool in den grond moet zitten, en daar wilde ik eens gaan onderzoeken.”»Waar is dat dan, heer?”»Aan de Soengei Tekoeng.”De Dajak zeide niets, doch kuchte eens.Weldra zaten beiden in de kleine ladang.Weldra zaten beiden in de kleine ladang.»Weet je die rivier?” vroeg Kees.»Zeker, heer, het is een zijrivier van de Soengei Pejang, die weer een tak is van de Soengei Sibaoe.”»Nu, daar wil ik heen; zoek een man, die mij daar heen kan brengen,” vervolgde Kees, die moeite had zijn vreugde niet te laten blijken.De Dajak kuchte weer. Hij scheen iets te willen zeggen, doch wachtte af.»Wat is er, Senawa? Je hebt nog iets te vragen.”»Ja, heer,” zei de Dajak aarzelend. »Een paar oogsten geleden was hier ook een blanke, die naar de Tekoeng wilde. Hij heeft daar eenigen tijd gezocht en is toen plotseling gevlucht. Weet u daar iets van?”»Neen, daar heb ik niets van gehoord,” loog Kees.»Waarom vluchtte hij?”»Dat weet ik niet, heer,” zei de Dajak en terwijl hij loerend naar Kees zag, vervolgde hij:»De menschen zeiden, dat hij glinsterende steenen zocht. Dat brengt ongeluk.”»Zoo, nu daar weet ik niets van, Senawa. Zoek jij nu maar een goeden gids en een paar dragers voor mij. Dan zal ik je goed beloonen, als ik de steenkool gevonden heb,” zei Kees, van zijn mat opstaande.»Nog één vraag, heer,” zei Senawa, ook oprijzend.»Wat gebeurt er, als u veel steenkool vindt? Komen er dan meer menschen van de Kompenie? En soldaten?”Een oogenblik wist Kees niet, wat hij antwoorden moest. Hij begreep, dat het Senawa niet aangenaam kon zijn, als hij zijn vrijheid van handelen moest verliezen. Weldra vond hij er iets op.»Misschien nog één of twee blanken en verder zouden de Dajaks veel geld kunnen verdienen door te werken. Soldaten komen er zeker niet.”De Dajak scheen eenigszins gerustgesteld. Hij zeide althans:»Ik zal een paar menschen voor u zoeken, heer.”»Goed, Senawa, denk aan de belooning.”Kees verliet de lawang en weldra trad ook Senawa naar buiten.Toen het vertrek verlaten was, kwam in de aangrenzendelawang met de uiterste behoedzaamheid een man langs een paal naar beneden glijden. Hij kwam van het zoldertje, de rijstbergplaats, welke zich boven de vertrekken bevond.Het was Amat, de Maleier!»Nu weet ik het geheim,” fluisterde hij, »den naam van die rivier heb ik toen dien avond te Pontianak niet goed kunnen verstaan. Nu weet ik het en nu zijn de diamanten voor mij.”Voorzichtig keek hij, alvorens de lawang te verlaten door een spleet. Er was geen onraad en de deur openend stapte hij zoo vlug mogelijk naar buiten.Reeds den volgenden dag kwam Senawa aan Kees mededeelen, dat hij een gids en een drager had gevonden, die bereid waren hem van dienst te zijn. De tocht zou, naar hij beweerde, vier of vijf dagen duren. Na een dag of tien zou Kees, mits zijne onderzoekingen niet te lang duurden, weer terug kunnen zijn.Kees verzekerde, dat hij niet veel tijd noodig had om tot een vaststaand resultaat te komen.»Het is het beste, dat u morgen reeds op weg gaat, heer,” zei Senawa.Kees verwonderde zich over dien haast en vroeg:»Waarom morgen al? Ik wilde nog een rustdag hebben.”»Het regent elken dag, heer. Als u langer wacht, zal het moeilijk worden, de rivieren op te varen wegens de groote stroomsnelheid. Bovendien staan de oeverstreken door de vele regens vaak geheel onder water.”>»Dan is het inderdaad beter, morgen te vertrekken. Dank voor je goeden raad, Senawa. Stuur die twee menschen maar dadelijk bij mij.”»Ja, heer,” zei de Dajak en verwijderde zich.Kees zocht Marti op en deelde hem zijn voornemen mede. Eenige oogenblikken later verscheen ook Amat en zeide:»Ik hoor dat u verder gaat, heer. Vindt u goed, dat ik hier blijf? Ik verkoop hier veel amuletten en wilde nog wel eenige dagen in dit dorp blijven. Wanneer komt u terug? Als u ’t goed vindt, zou ik daarop willen wachten, om me dan weer bij u aan te sluiten.”»Dat is goed, Amat. Ik denk, dat ik over een dag of tien terug ben. Dan verlaat ik dit land zoo spoedig mogelijk en kun je weer mee reizen.”»Heel goed, heer,” antwoordde de Maleier en na een onderdanige buiging gemaakt te hebben, ging hij zijns weegs.Kees tuurde hem na met nadenkend gelaat en mompelde nog eens, wat hij zichzelf reeds meermalen had afgevraagd:»Ik moet dien kerel meer hebben gezien. Maar waar? waar?”Veel tijd om daarover na te denken, had hij echter niet,want hij moest alles nog regelen voor het vertrek.Hij kocht voldoende rijst voor vier mannen om tien dagen van te leven. Toen ging hij naar de pangkalan, die ongeveer een uur van het dorp verwijderd was, om een geschikt vaartuig uit te zoeken.Weldra had hij tusschen de talrijke djaloers er één gevonden, die hem hecht en sterk leek. Daarna ging hij met den eigenaar onderhandelen over den huurprijs.Nu waren de voorbereidende maatregelen getroffen en kon men met gerustheid den volgenden dag tegemoet zien.
»Zijt gij mannen van den stam der Sibaoe’s?” vroeg Kees.
»Ja, heer!” antwoordde een der Dajaks.
»Gelukkig, dan zijn we eindelijk aan ons doel!” riep Kees uit.
»Waar komt u vandaan?” vroegen de Sibaoe’s, want de plotselinge verschijning dezer drie mannen had de grootste verbazing bij hen opgewekt.
»Wij zijn van den Goenoeng Lawit gekomen,” zei Marti en wees achter zich naar de hooge bergtoppen.
Deze mededeeling werd door de Sibaoe’s met zichtbare teekenen van ongeloof ontvangen. Hun houding en hun blik werden wantrouwend.
»Hebt ge niets voor ons te eten?” vroeg Kees,die hoopte eindelijk zijn honger te kunnen stillen.
De beide Dajaks haalden uit hun manden wat gekookte rijst, die ze altijd op hun zwerftochten in een potje meevoeren. Met graagte aten de drie uitgehongerde mannen het hun verstrekte voedsel. De Dajaks zagen met verwondering toe. Ze begrepen, dat deze menschen honger geleden hadden.
Toen de maaltijd in letterlijken zin verslonden was, vroegen ze aan Kees:
»Wat komt u hier zoeken?”
»Ik ben een man van de Kompenie. Dit is mijn helper en dat is een koopman, die hier handel wil drijven.”
Ofschoon in dien tijd het gouvernement zich nog niet veel met de zaken van het binnenland bemoeide, wist Kees toch wel, dat de Dajaks hem misschien zouden ontzien, als ze in hem een dienaar van de »Kompenie” zagen.
»Wat wil de Kompenie hier dan?” vroegen de Dajaks nog steeds wantrouwig.
Kees achtte het niet raadzaam, iets van zijn eigenlijk plan te laten blijken. Hij moest het vertrouwen der Dajaks zien te winnen. Daarom bedacht hij een voorwendsel.
»Ik kom hier naar steenkool zoeken. Als er hier veel steenkool in den grond zit, wil de Kompenie het er uit halen. Dan kunnen de Dajaks veel geld verdienen.”
De Sibaoe’s kenden het gebruik van steenkool voor hun eigen wapensmederijen en hadden misschien wel eens gehoord, dat de blanken ook voor andere doeleinden veel steenkool noodig hadden. Ze knikten met het hoofd en zeiden:
»Er is hier wel steenkool, maar niet zoo heel veel.”
»Dat wil ik nu juist onderzoeken,” zei Kees. »Ik heb geleerd te zien, of er diep onder den grond ook nog steenkool zit.”
»De witte menschen moeten heel knap zijn. Ik heb hooren vertellen, dat er in Koetjing (de hoofdplaats van Serawak) een vaartuig is, dat door vuur in beweging wordt gebracht. Is dat zoo?” vroeg een der Sibaoe’s.
»Ja, dat is zoo. Zulke schepen hebben wij. Daarvoor juist hebben we steenkool noodig,” zei Kees.
Marti en Amat hadden stil naar het gesprek geluisterd. De eerste keek vol bewondering zijn meester aan; hij had nooit gedacht, dat deze zoo mooi liegen kon. De Maleier daarentegen vertrok geen spier van zijn gelaat. Het scheen, alsof dat alles hem niets aanging.
Nu begon Kees op zijn beurt zijn nieuwe kennissen te ondervragen over het land en zijn bewoners.
De twee Dajaks waren uit een dorp, Oelak genaamd. Zij bevonden zich nu op de jacht en waren volgens hun zeggen twee dagen loopens van hun woonplaats verwijderd.
Het gesprek vlotte heel goed, ofschoon de Sibaoe’s in hun taal enkele afwijkende woorden bezaten, waarvan Kees niet dadelijk de beteekenis begreep.
»Is Oelak het voornaamste dorp?” vroeg hij.
»Neen, heer, het grootste dorp ligt verder naar het Oosten en heet Metoedjoe. Daar woont het voornaamste hoofd van onzen stam, Senawa genaamd.”
»Hoever is dat Metoedjoe hier vandaan?”
»Vier dagen, heer.”
»Welnu, ik wilde gaarne eerst naar Metoedjoe gaan,om met Senawa te spreken en van hem te hooren, of ik hier veilig ben. Ik heb wat zout en tabak voor hem meegebracht, om te toonen, dat ik als een goed vriend in dit land kom,” zei Kees.
De Dajaks zwegen en wachtten af, wat hij verder te zeggen zou hebben.
»Ik zal jelui goed beloonen, als je me naar Metoedjoe brengt,” ging hij voort.
Na kort onderling beraad zei een der Dajaks:
»We zullen onze jacht opgeven en u naar Senawa geleiden, doch dan zult u ons zeker ruim beloonen?”
Kees bevestigde zijn belofte en spoedig was men, nu met zijn vijven, op weg.
Tegen den avond bereikte men een afdakje, dat pas gemaakt scheen. Inderdaad was het de plaats, waar de beide jagers den vorigen nacht hadden doorgebracht. Ook nu gaven ze den wensch te kennen, daar te overnachten. Kees, die zich vrijwel uitgeput gevoelde, kon daar niets tegen in brengen.
Hij bepaalde evenwel, dat ze met hun drieën om de beurt de wacht zouden houden. Hij vertrouwde zijn nieuwe vrienden toch niet al te best.
Toen de beurt aan Kees was, om te waken, bleef de Maleier Amat, dien hij had afgelost, nog eenige oogenblikken met hem praten.
»Het is misschien brutaal, heer, maar ik zou toch gaarne weten, waarom u eigenlijk naar dit land is getrokken. U heeft dien Dajaks verteld, dat u steenkool komt zoeken, maar dat kan toch de waarheid niet zijn. Hoe zou men die steenkool hier vandaan naar de beneden streken moeten transporteeren? Dat schijnt mij ondoenlijk.”
»Amat, ik ben niet van plan, om je te vertellen, wat ik precies ga doen. Dat gaat niemand iets aan. Waarom wil je dat weten? Jij hebt nu toch je zin. Je bent bij de Sibaoe’s en nu kun je trachten, je amuletten te verkoopen.”
»Ik heb er reeds twee verkocht, heer,” zei de slimme Maleier en Kees hoorde hem zachtjes lachen.
»Jij bent een bijdehante rakker, Amat,” lachte Kees nu ook.
»Ik ben een handelaar, heer, en ik mag mijn gelegenheid om te verkoopen niet ongebruikt voorbij laten gaan. Maar ik wil hier niet altijd blijven en hoop dit land ook weer te verlaten. Omdat ik graag weer met u terug ging, vroeg ik u, wat u ging doen. Als u dat misschien niet kunt zeggen, is het evenwel toch wel mogelijk, dat u kunt zeggen, wanneer u teruggaat.”
»Daar weet ik nog niets van. Ik moet in dit land iets onderzoeken, maar moet eerst nog informeeren, waar ik precies moet zijn. Als ik dat weet, kan ik ongeveer zeggen, hoelang mijn verblijf bij de Sibaoe’s zal duren.”
»Zoudt u het mij dan willen zeggen?”
»Zeker, maar reken er op, dat ik hier slechts zoo kort mogelijk blijf.”
»Dat is goed, heer, ik zelf wensch ook niet zoolang te blijven.”
»Je bent er zeker niet geheel van overtuigd, dat je amuletten afdoende werken,” lachte Kees.
»Misschien, heer!” zei de Maleier droogjes. Daarna legde hij zich ter ruste. Kees was alleen, tot zijn wachttijd om was en Marti hem weer afloste.
De nacht ging zonder eenige stoornis voorbij, waardoor het vertrouwen in de Sibaoe’s wat beter werd.
Verfrischt en versterkt, opgewekt door het vooruitzicht, spoedig weer eens onder een dak te zullen slapen, stapten de drie reizigers den volgenden morgen vroolijk en vlug achter de Dajaks aan.
Toch schoten ze dien dag niet zoo heel veel op. Er vielen hevige regens, die de kleine riviertjes spoedig sterk deden wassen.
Dankbaar mochten ze zijn, dat ze niet meer in het hooggebergte waren. Zonder twijfel zouden ze daar onder deze omstandigheden in de waterloopen zijn omgekomen.
Van slapen kwam dien nacht niet veel; de stortregen plaste zonder ophouden neer en de grond was doorweekt. Veel moeite hadden ze om een vuurtje aan te leggen voor het bereiden van hun maaltijd.
Den volgenden morgen trokken ze over een verlaten ladang met een paar vervallen huisjes er op. Menschen troffen ze er niet aan. Enkele uren later passeerden ze een uitgestrekte ladang met een grooter huis er op. Een tiental mannen kwamen te voorschijn, die, nieuwsgierig, weldra het kleine gezelschap omringden.
Het waren forsch gebouwde menschen, slechts gekleed met een tjawat en zwaar bewapend. Enkelen hadden een geweer, de anderen zware lansen en schilden. De groote oorlogsparangs waren versierd met bosjes menschenhaar.
Kees voelde zich niet erg op zijn gemak tusschen dit troepje Dajaks, dat er zoo krijgszuchtig uitzag. Doch hij begreep, dat vrees hier een slechte raadgeefsterwas. Groote koelbloedigheid en onverschrokkenheid was hier dringend geboden. Toch voelde hij tersluiks eens naar zijn revolver en keek tevens zijn geweer eens na.
Marti en Amat bleven zoo dicht mogelijk bij Kees en beschouwden de Dajaks met een gemengd gevoel van vrees en nieuwsgierigheid.
De Sibaoe’s waren een zeer vrijmoedig slag menschen, die Kees,—daar ze nooit een blanke gezien hadden,—met de grootste opmerkzaamheid bekeken. Vooral zijn schoenen trokken hun bizondere belangstelling.
Intusschen vertelden de twee gidsen de geschiedenis van hunne ontmoeting. Het verhaal van de tocht over den Goenoeng Lawit werd ook thans met ongeloof en wantrouwen ontvangen.
Blijkbaar heerschte onder deze menschen dezelfde vrees voor dat gebergte als onder de Kenjaoe’s. Maar ook kwam Kees tot de overtuiging dat de Sibaoe’s zonder eenigen twijfel ergens in ’t Noorden een goeden weg kenden.
Na eenigen tijd konden ze weer op weg gaan. Enkele der Sibaoe’s hadden zich bij hen aangesloten.
Dien dag bereikten ze nog het dorp Oelak. Het was een groot huis, gelegen op een uitgestrekt ladang-veld. Om het huis was een stevige heining van boomstammen.
In dit dorp werden de vreemdelingen vrij goed ontvangen, ofschoon ze aanvankelijk wel met argwanende oogen werden opgenomen.
Uit alles bleek, dat men hier nog met onvervalschte koppensnellers te doen had. Overal aan de palenhingen rottan mandjes met gedroogde of gerookte menschenschedels erin en de zware parangs der krijgers waren kwistig met bosjes haar versierd. Nu Kees en zijn reisgezellen eenmaal in het huis ontvangen waren, konden ze zich daar voorloopig veilig voelen. Het is bij de Dajaks geen gewoonte het gastrecht te schenden.
Alvorens zijn reis voort te zetten, besloot Kees een dag rust te houden in Oelak, ten einde van alle vermoeienissen en ontberingen te bekomen. Hij benutte dien tijd vooral door eens te praten met de Sibaoe’s. Hij wilde gaarne een en ander van het land weten en vorschte naar alles, wat hem eenigszins op het spoor kon brengen van den begeerden schat. Amat trachtte amuletten te verkoopen, wat hem heel goed gelukte.
Kees slaagde er in, door voorzichtige vragen, ongemerkt te vernemen, dat er werkelijk een Soengei Tekoeng bestond, en verder, dat deze rivier op ongeveer vijf dagen ten Noorden van het dorp Metoedjoe lag.
De wetenschap, dat de gezochte rivier werkelijk bestond, stemde hem zeer opgewekt. Uit verschillende opmerkingen, welke hij opving, leidde hij af, dat zijn oude makker met juistheid de plaats beschreven had, waar de diamanten verborgen waren. Kees herkreeg zijn oorspronkelijke luchthartigheid. De gevaren waren tot dusverre overwonnen; het grootste leed scheen wel geleden. De gedachten aan zijn toekomstige rijkdommen drongen zich weer sterker op den voorgrond. De paleizen zijner droomen verhieven zich weer in ongerepte pracht tot aan de wolken. Zoo spoedig mogelijk wilde hij voortgaan, handelen, rijk worden!
Zijn plannen waren, meende hij, rijpelijk overdacht.In het dorp Metoedjoe zou hij een gids zoeken, die hem naar de Soengei Tekoeng zou brengen. Hij zou, als hij een eind deze rivier opgevaren was, Marti met dien man achter laten en geheel alleen de diamanten gaan halen.
Maar vooraf moest hij Metoedjoe zien te bereiken en vriendschap sluiten met den invloedrijken Senawa.
In den vroegen morgen van den volgenden dag ging het gezelschap alweer op marsch, geleid door de beide Dajaksche jagers.
Een tweetal dagen liepen ze door zonder gebeurtenissen van eenig belang te beleven. Toen bereikten ze het groote dorp Metoedjoe, waar ze het Sibaoe-hoofd Senawa aantroffen.
Metoedjoe bestond uit twee zeer groote huizen. Deze waren verbonden door een paar halve boomstammen, welke als brug dienst deden.
Ook hier zag Kees vele onmiskenbare teekenen van gehouden sneltochten. Zelfs viel het hem op, dat verscheidene der koppen nog vrij versch waren.
De mannen waren meestal zwaar gewapend en voorzien van zeer groote schilden, die met kunstige figuren waren versierd. Ook droegen vele Sibaoe’s een zoogenaamde soelauw. Dat is een soort van vest, vervaardigd van geklopte boomschors, dienst doende als harnas tegen pijlen en lansen. Dit primitieve harnas dragen de Dajaks bij hun mengajaoe-tochten. Er waren zeer veel strijdbare mannen in het dorp en allen zagen er zeer krijgszuchtig uit. Verscheidene hunner hadden de hoofddeksels versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den neushoornvogel. Daaruitleidde Kees af, dat ze pas van een sneltocht teruggekeerd waren, of dat ze er zich op voorbereidden.
Toch was de ontvangst in Metoedjoe vrij goed en Senawa nam de geschenken van Kees, bestaande uit tabak en zout, goedgunstig aan.
Toen hij evenwel vernam, dat Kees iemand van de Kompenie was, begon hij bevreesd te worden, dat het vrije leven der Sibaoe’s aan banden gelegd zou worden. Hij wist wel, dat het Nederlandsche Gouvernement geen sneltochten zou dulden. En nu begon hij argwaan te krijgen, dat de komst van dezen blanke een voorbode was van de inmenging der Kompenie in de zaken der Sibaoe’s. Hoe zouden de Sibaoe’s dan aan koppen kunnen komen, als teeken van hun dapperheid en om hun huizen te sieren? Hoe zouden ze in het volgende leven, na hun dood, kunnen bestaan, als hun gesnelde vijanden hen niet als slaven dienden?
Het was voor den Dajak een ernstige zaak. Deze blanke man met zijn reisgezellen moest zoo spoedig mogelijk het vrije land der Sibaoe’s verlaten. Zoo overlegde Senawa in stilte.
Kees gaf den wensch te kennen, hem alleen te spreken over een zeer belangrijke zaak, en beloofde hem nog wat zout en tabak voor zijn moeite. Weldra zaten beide in de kleine lawang van Senawa, zonder verder gezelschap, druk te praten.
»Ik kom zoeken naar steenkool, Senawa!”
»Dat heb ik gehoord, heer, maar er is hier niet veel in de buurt. U zult tevergeefs zoeken. Wij zelf hebben veel moeite, om de voor onze wapensmederij benoodigde steenkool te vinden. Meestal gebruiken wij houtskool.”
»Hier dichtbij is misschien niet veel, Senawa, dat is mogelijk. Maar ik weet een plek, waar veel steenkool in den grond moet zitten, en daar wilde ik eens gaan onderzoeken.”
»Waar is dat dan, heer?”
»Aan de Soengei Tekoeng.”
De Dajak zeide niets, doch kuchte eens.
Weldra zaten beiden in de kleine ladang.Weldra zaten beiden in de kleine ladang.
Weldra zaten beiden in de kleine ladang.
»Weet je die rivier?” vroeg Kees.
»Zeker, heer, het is een zijrivier van de Soengei Pejang, die weer een tak is van de Soengei Sibaoe.”
»Nu, daar wil ik heen; zoek een man, die mij daar heen kan brengen,” vervolgde Kees, die moeite had zijn vreugde niet te laten blijken.
De Dajak kuchte weer. Hij scheen iets te willen zeggen, doch wachtte af.
»Wat is er, Senawa? Je hebt nog iets te vragen.”
»Ja, heer,” zei de Dajak aarzelend. »Een paar oogsten geleden was hier ook een blanke, die naar de Tekoeng wilde. Hij heeft daar eenigen tijd gezocht en is toen plotseling gevlucht. Weet u daar iets van?”
»Neen, daar heb ik niets van gehoord,” loog Kees.
»Waarom vluchtte hij?”
»Dat weet ik niet, heer,” zei de Dajak en terwijl hij loerend naar Kees zag, vervolgde hij:
»De menschen zeiden, dat hij glinsterende steenen zocht. Dat brengt ongeluk.”
»Zoo, nu daar weet ik niets van, Senawa. Zoek jij nu maar een goeden gids en een paar dragers voor mij. Dan zal ik je goed beloonen, als ik de steenkool gevonden heb,” zei Kees, van zijn mat opstaande.
»Nog één vraag, heer,” zei Senawa, ook oprijzend.
»Wat gebeurt er, als u veel steenkool vindt? Komen er dan meer menschen van de Kompenie? En soldaten?”
Een oogenblik wist Kees niet, wat hij antwoorden moest. Hij begreep, dat het Senawa niet aangenaam kon zijn, als hij zijn vrijheid van handelen moest verliezen. Weldra vond hij er iets op.
»Misschien nog één of twee blanken en verder zouden de Dajaks veel geld kunnen verdienen door te werken. Soldaten komen er zeker niet.”
De Dajak scheen eenigszins gerustgesteld. Hij zeide althans:
»Ik zal een paar menschen voor u zoeken, heer.”
»Goed, Senawa, denk aan de belooning.”
Kees verliet de lawang en weldra trad ook Senawa naar buiten.
Toen het vertrek verlaten was, kwam in de aangrenzendelawang met de uiterste behoedzaamheid een man langs een paal naar beneden glijden. Hij kwam van het zoldertje, de rijstbergplaats, welke zich boven de vertrekken bevond.
Het was Amat, de Maleier!
»Nu weet ik het geheim,” fluisterde hij, »den naam van die rivier heb ik toen dien avond te Pontianak niet goed kunnen verstaan. Nu weet ik het en nu zijn de diamanten voor mij.”
Voorzichtig keek hij, alvorens de lawang te verlaten door een spleet. Er was geen onraad en de deur openend stapte hij zoo vlug mogelijk naar buiten.
Reeds den volgenden dag kwam Senawa aan Kees mededeelen, dat hij een gids en een drager had gevonden, die bereid waren hem van dienst te zijn. De tocht zou, naar hij beweerde, vier of vijf dagen duren. Na een dag of tien zou Kees, mits zijne onderzoekingen niet te lang duurden, weer terug kunnen zijn.
Kees verzekerde, dat hij niet veel tijd noodig had om tot een vaststaand resultaat te komen.
»Het is het beste, dat u morgen reeds op weg gaat, heer,” zei Senawa.
Kees verwonderde zich over dien haast en vroeg:
»Waarom morgen al? Ik wilde nog een rustdag hebben.”
»Het regent elken dag, heer. Als u langer wacht, zal het moeilijk worden, de rivieren op te varen wegens de groote stroomsnelheid. Bovendien staan de oeverstreken door de vele regens vaak geheel onder water.”
>»Dan is het inderdaad beter, morgen te vertrekken. Dank voor je goeden raad, Senawa. Stuur die twee menschen maar dadelijk bij mij.”
»Ja, heer,” zei de Dajak en verwijderde zich.
Kees zocht Marti op en deelde hem zijn voornemen mede. Eenige oogenblikken later verscheen ook Amat en zeide:
»Ik hoor dat u verder gaat, heer. Vindt u goed, dat ik hier blijf? Ik verkoop hier veel amuletten en wilde nog wel eenige dagen in dit dorp blijven. Wanneer komt u terug? Als u ’t goed vindt, zou ik daarop willen wachten, om me dan weer bij u aan te sluiten.”
»Dat is goed, Amat. Ik denk, dat ik over een dag of tien terug ben. Dan verlaat ik dit land zoo spoedig mogelijk en kun je weer mee reizen.”
»Heel goed, heer,” antwoordde de Maleier en na een onderdanige buiging gemaakt te hebben, ging hij zijns weegs.
Kees tuurde hem na met nadenkend gelaat en mompelde nog eens, wat hij zichzelf reeds meermalen had afgevraagd:
»Ik moet dien kerel meer hebben gezien. Maar waar? waar?”
Veel tijd om daarover na te denken, had hij echter niet,want hij moest alles nog regelen voor het vertrek.
Hij kocht voldoende rijst voor vier mannen om tien dagen van te leven. Toen ging hij naar de pangkalan, die ongeveer een uur van het dorp verwijderd was, om een geschikt vaartuig uit te zoeken.
Weldra had hij tusschen de talrijke djaloers er één gevonden, die hem hecht en sterk leek. Daarna ging hij met den eigenaar onderhandelen over den huurprijs.
Nu waren de voorbereidende maatregelen getroffen en kon men met gerustheid den volgenden dag tegemoet zien.