VII. De verrader.Na dien avond nog wat gepraat te hebben met Senawa en enkele andere Dajaks, was Kees tamelijk vroeg gaan slapen. Ook Marti en Amat begaven zich ter ruste. Weldra was het stil in de gaanderij en scheen alles in diepen slaap verzonken.Inderdaad, zoo scheen het. Maar de listige Amat waakte. Na eenigen tijd rees hij voorzichtig op van zijn mat. Zijn oogen trachtten het halfduister van ’t vertrek te doorboren. Na zich te hebben overtuigd, dat de andere beide mannen rustig sliepen, stond hij geruischloos op. Daar kraakte één der latten onder zijn voeten. Bliksemsnel hurkte hij neer.... Marti maakte een beweging, doch een oogenblik later hoorde Amat aan een licht gesnurk, dat hij weer rustig doorsliep. Nog omzichtiger stond hij andermaal op en onhoorbaar verdween hij, om de lawang van Senawa op te zoeken.Nauwelijks echter was hij weg, of ook in den schijnbaar zoo vast slapenden Marti kwam leven. Hij schoof voort in de richting, waarin hij Amat had zien verdwijnen. Bij de lawangs gekomen, luisterde hij aan de dunne wanden en sloop toen weer behoedzaam verder, tot hij gemompel van een paar mannenstemmen vernam. Het kwam uit de lawang van Senawa....Hij strekte zich languit op den vloer en drukte het oor tegen den dunnen wand. Zoo bleef hij geruimen tijd onbeweeglijk liggen luisteren. Eindelijk scheen hij genoeg te hebben verstaan. Even behoedzaam als hijgekomen was, gleed hij terug naar de plaats, waar Kees nog altijd rustig lag te slapen, en strekte zich weer op zijn mat uit.Eenige oogenblikken later sloop ook Amat terug naar zijn legerstede. Hij keek eens naar de beide slapende mannen en legde zich ter ruste.Geruimen tijd daarna kwam er weer beweging in Marti. Langzaam schoof hij in de richting van Kees, tot hij ten slotte vlak naast dezen lag.Toen begon hij hem voorzichtig te wekken.»Stil, heer!”fluisterde hij. »Houd u slapende. Ik heb u iets te vertellen; doch zorg vooral, dat we niet gehoord worden.”Hoewel Kees eenigszins verschrikt was, kon hij zich beheerschen en zich slapende houden.Hij draaide het hoofd naar Marti en deze begon aan zijn oor te fluisteren:»U moet vooral geen geluid maken, Amat ligt hier niet zoo heel ver af. Als die ons bemerkte, zou alles te laat zijn. Nu is er misschien nog redding mogelijk.”Kees had met verbazing toegeluisterd en niets van Marti begrijpend, vroeg hij zoo stil mogelijk:»Wat is er? Je doet me schrikken.”»U moet weten, heer, dat ik Amat niet erg vertrouwde; al een paar malen had ik gemerkt, dat hij met Senawa sprak doch dadelijk zweeg, als ik er bij kwam. Dat beviel me niet, en ik besloot hem in ’t oog te houden.Zoo kon ik afluisteren, dat ze van avond, als wij sliepen, elkaar zouden ontmoeten in de lawang van Senawa. Ik bleef dus wakker, ten einde te trachtendat gesprek te beluisteren. Dat is me gelukt. Ik heb me slapende gehouden, totdat Amat naar Senawa ging; toen ben ik hem nageslopen. Kunt u me verstaan, heer?”»Ja, verder.”»Ik hoorde, dat Amat alle moeite deed om Senawa’s argwaan tegen u op te wekken. Hij zei hem, dat u later zeker terug zou komen met soldaten, als u eerst in dit land den weg maar kende. Hij raadde Senawa aan, ons te doen vermoorden.”»En toen?” vroeg Kees ademloos.»Senawa zeide, dat hij dit nooit durfde. Hij was bang voor de wraak van de Kompenie. Toen gaf Amat den raad, ons op een andere wijze onschadelijk te maken, door de djaloer te laten omslaan of zoo iets. Ook dat durfde Senawa niet. Ten slotte heeft Amat hem bepraat, om aan den gids en den drager te zeggen, dat ze ons een geheel verkeerden weg moesten wijzen en ons dan in de wildernis te verlaten, zoodat wij van honger moeten omkomen.”»Waarom heeft die valsche Maleier dat gedaan?” vroeg Kees, bevend van machtelooze woede.»Dat is me een raadsel, heer. Maar al een paar dagen had ik een gevoel van wantrouwen tegen hem.”»Ik heb dien schurk nooitvertrouwd!” fluisterde Kees terug.»In ieder geval moeten we vluchten, heer. Zoowel Amat als Senawa willen ons doen verdwijnen. Als hun plan niet gelukt, zullen ze zich op andere wijze van ons trachten te ontdoen. Dan zou Senawa ten slotte ook niet voor een moord terugdeinzen.”»We kunnen niet vluchten, Marti. Waar zouden we heen moeten gaan in den stikdonkeren nacht!”Kees zuchtte. Al zijn schoone droomen, die hij bijna verwezenlijkt dacht, zag hij plotseling in nevelen opgaan.»Ik weet misschien iets, heer! We laten morgenvroeg niets merken, en gaan heel gewoon weg, zooals afgesproken is. Zoodra we op de rivier zijn, trachten we ons van de beide mannen te ontdoen. Dan laten we ons zoo snel mogelijk de Soengei Sibaoe afzakken. Misschien gelukt dit plan. Zoo niet, dan zijn we verloren; maar dat zijn we toch ook als we niets doen.”»Dat is een goed plan, Marti. Laat ons nu alles precies afspreken, zoodat we beiden nauwkeurig weten, hoe te handelen.”Lang nog fluisterden de twee mannen, telkens angstig zwijgend, als ze eenig gerucht meenden te hooren.Toen eindelijk alles nauwkeurig was vastgesteld, schoof Marti naar zijn mat terug en strekte zich uit om nog wat te rusten. Maar nòch hij, nòch Kees kon dien nacht slapen en ze waren dankbaar, toen eindelijk de morgenschemering aanbrak.Weldra hadden de twee Dajaks, die hen zouden vergezellen, zich aangemeld.Senawa wenschte hen een goede reis.Het kostte Kees moeite, een vriendelijk gezicht te zetten tegen den valschen Dajak. Hij wist zich echter te beheerschen. En nog grooter was zijn inspanning om niet in drift uit te barsten, toen de trouwelooze verrader Amat verscheen, om hem op kruiperige wijze vaarwel te zeggen. Hij had hem wel neer willen schietenals een hond, maar de omstandigheden dwongen tot de uiterste zelfbeheersching.Toen verlieten ze het dorp Metoedjoe.Zoowel Kees als Marti verkeerde in de grootste spanning. Ofschoon ze hun gedragslijn zoo goed mogelijk hadden bepaald, bleef de mogelijkheid niet uitgesloten, dat er onverwachte beletselen zouden komen. En dan.... hun geheele toekomst was in hooge mate onzeker.Weldra hadden ze de pangkalan bereikt. De mannen brachten de levensmiddelen en de wapens in de voor de reis bestemde djaloer.Kees en Marti namen daarop in het bootje plaats. De eerste gelastte den eenen Dajak de rottan, waarmee het aan een boomtak bevestigd was, los te maken. De andere Dajak belette het vaartuig weg te drijven door eenige overhangende takken vast te houden.Toen de Dajak, die het bootje losgemaakt had, in het water stapte om nu ook in de djaloer te komen, gaf Marti plots den anderen, die op den rand van het vaartuigje stond, een hevigen stoot, zoodat de man, die op zoo’n onverhoedschen aanval in ’t geheel niet bedacht was, voorover in de rivier tuimelde....Onmiddellijk stuurde Kees het vaartuigje, dat door den stroom meegevoerd werd, naar het midden van de rivier, waar de stroom nog sterker was.Ook Marti had onmiddellijk een dajong ter hand genomen en beiden begonnen te pagaaien en te sturen, hetgeen hard noodig was, daar de boot reeds bedenkelijk in den stroom begon te draaien.De beide Dajaks stonden verbluft te kijken. Blijkbaar begrepen ze eerst niets van hetgeen er eigenlijk gebeurd was. Weldra drong het echter tot hen door, dat ze leelijk beet genomen waren. Ze zagen, dat de djaloer zich snel stroomafwaarts bewoog en dat de beide inzittenden uit alle macht roeiden, om zoo spoedig mogelijk voort te komen.zoodat de man voorover in de rivier tuimelde.zoodat de man voorover in de rivier tuimelde.De Dajaks sprongen aan land. Daar keken ze een oogenblik met onheilspellende blikken de vluchtendenna, uitten een paar dreigende kreten en verdwenen inderhaast in het bosch.»Ze gaan de anderen waarschuwen,” zei Kees.»Ze hebben twee uur noodig, om in de booten te kunnen zijn. Het is meer dan een uur loopen naar Metoedjoe,” antwoordde Marti.»Dat is zoo. We hebben een mooien voorsprong. Toch zullen we zoo hard mogelijk moeten roeien, anders halen ze ons toch nog in. In de grootere booten kunnen ze met zes of acht man roeien. Ook is er mogelijkheid, dat ze de rivierbochten afsnijden.”Marti keek eens naar de oevers. Het was waar! de oeverlanden stonden hier en daar diep onder water, tengevolge der vele regens. Voor de Dajaks zou het nu gemakkelijk zijn, daar zij het terrein kenden, door het bosch heen de vele en groote bochten in de rivier af te snijden.»Ja, heer, dat zullen ze zeker doen. Doch voor ons is het niet gewenscht. We kennen de rivier niet en zouden met zoeken misschien veel kostbaren tijd verliezen.”»Dat dunkt mij ook. We zullen onze twee uren voorsprong maar gebruiken, door zoo hard mogelijk te roeien.”De beide vluchtelingen werkten met de uiterstekrachtsinspanning, om hun bootje de grootst mogelijke snelheid te geven. Dat was een zeer gevaarlijk werk. Het bruine water, dat groote hoeveelheden takken en bladeren meesleurde, schoot met groot geweld, al schuimend en draaikolken vormend, om de vele hoeken en bochten heen. Al hun stuurmanskunst werd vereischt,om te voorkomen, dat het ranke vaartuigje tegen de steenige oevers gesmeten en verpletterd werd of in een draaikolk verdween.Plotseling schreeuwde Marti:»Een riam!”Kees zette zich schrap, teneinde de djaloer zonder letsel door die stroomversnelling heen te kunnen sturen. Het was een spannend oogenblik. Nòg sneller werd de vaart van den djaloer; nòg wilder schuimde en bruiste ’t water;nògdreigender wielden en zogen de draaikolken, waarin de grootste takken, als door een onzichtbare hand omlaaggetrokken, spoorloos verdwenen.Daar was het gevaarlijke punt bereikt.Plotseling schoot de djaloer met bliksemsnelheid vooruit. Het bootje kreeg een hevigen schok, zoodat Kees er bijna uitgeslingerd werd. Een groote golf sloeg over de lage boorden en onmiddellijk daarop bemerkten Kees en Marti, dat ze zich weer in wat rustiger stroom bevonden. Ze waren de riam gepasseerd.»Dat is gelukt!” riep Kees met een zucht van verlichting, terwijl Marti zich haastte, het binnengeplaste water uit te hoozen.»Het scheelde niet veel, of we hadden er ’t hachje bij in geschoten. De djaloer heeft een flinken stoot gekregen! Zeker tegen een steen gebonsd! Bespeur je geen lek?”»Neen, heer, gelukkig niet! Toch hoop ik, dat er niet veel zulke riams zijn. Daar tegen is het bootje op den duur niet bestand.”»Opletten! Daar liggen boomstammen.”Weer was de uiterste inspanning noodig, om deze nieuwe beletselen te overwinnen.Zoo ging het den ganschen morgen. Meermalen verkeerden de vluchtelingen in dreigend doodsgevaar.Slechts nu en dan, wanneer ze zich op een vrij recht gedeelte van de rivier bevonden, konden ze eenige woorden wisselen. Ook dit deden ze ten laatste niet meer. Het was eerst middag; maar beiden waren ze, door het zware werk en de voortdurende onzekerheid en angst,reeds doodmoe.Op een gegeven oogenblik verbrak Kees plotseling het langdurig zwijgen: »Nu weet ik het!”Verwonderd keek Marti op.»Wat weet u, heer?”»Wie die Amat is, die ons zoo valsch heeft verraden. Ik dacht al, dat ik hem meer gezien had. Nu schiet het mij te binnen.”»Wie is het dan?”»De gewezen bediende van mijn gestorven vriend, den diamantzoeker. Ik herinner me, dat ik hem éénmaal in diens huis gezien heb, toen ik hem kort voor zijn dood bezocht.”»Maar waarom heeft hij u dan verraden, heer?”»Ik vrees, Marti, dat hij het geheim van de diamanten ook weet. Vermoedelijk heeft hij wat Hollandsch gekend en het gesprek tusschen mij en zijn meester genoegzaam kunnen volgen, om te weten, waar het over ging. Dáárom moest hij naar het land der Sibaoe’s en daarom wilde hij mij verhinderen, naar de Soengei Tekoeng te gaan.”»Hoe is het mogelijk heer!” riep Marti uit.»Het is de eenige verklaring, die ik voor al het gebeurde kan vinden.”»Ja, heer, zoo zal het gegaan zijn. En nu zal die Amat wel zelf naar de Soengei Tekoeng gaan, om de diamanten te halen.”»De schurk!” siste Kees.Nog eenigen tijd verdiepten ze zich in hun vermoedens. Toen liet de vermoeidheid zich weer geducht voelen. Kees dacht er over een geschikte plek te zoeken, om even uit te rusten. Terwijl hij met dit doel een onderzoekenden blik wierp op de oevers, klonken er plotseling door het bosch schelle kreten.»De Sibaoe’s?” riepen ze doodelijk verschrikt.Door de gevaren van hun tocht en later door hun gesprekken over Amat, hadden ze het gevaar, dat nog altijd van de zijde der Dajaks dreigde, geheel vergeten. Maar de koppensnellers waren hen niet vergeten en herinnerden hen door hun rauw geschreeuw aan hun afschuwelijk voornemen.Wat nu?VIII. De vervolging.Weer klonken de kreten, die hen zoo hadden doen schrikken. Daar zagen ze eensklaps om een bocht der rivier achter zich een tweetal booten, ieder met een zestal Dajaks bemand, snel op zich afkomen.Kees stiet een verwensching uit.»Roeien, Marti! Anders gaat onze kop er af!”Maar het roeien hielp niet veel. Ze hadden hun handen vol met sturen. Toch naderden de Dajaks nu niet dichter. Waar zaten ze nu? Hadden ze zich aan den oever begeven? Waanden ze zich zeker van hun prooi en zouden ze deze door het bosch heen den pas afsnijden?Neen, ze waren toch nog op de rivier. Af en toe kreeg men ze in ’t vizier. Meestentijds waren ze door het dichte bosch aan ’t oog onttrokken. Beangstigend was die herhaalde onzichtbaarheid der vervolgers! Steeds vreesden de beide mannen dan in een hinderlaag te vallen.Eindelijk zei Kees: »Als ze zich weer vertoonen zal ik schieten, Marti.” En hij maakte zijn geweer in orde.»Ze hebben zelf ook een geweer, heer.”»Jawel, maar het mijne draagt veel verder en schiet veel zuiverder. Als ik er een paar neergelegd heb, geven ze misschien de jacht op.”Toen ze kort daarop weer een bocht omvoeren, hoorden ze het geschreeuw opnieuw achter zich. Toen de vervolgers weer te voorschijn kwamen, was de afstand veel kleiner geworden.Kees maakte toebereidselen om te schieten. Terwijl hij met zijn geweer bezig was, keek Marti achterom en bemerkte, dat een der Dajaks in de voorste boot eveneens van plan was te schieten.»Schiet, heer!” riep hij angstig.Kees mikte en gaf vuur.»Geraakt!” juichte Marti, die het roeien een oogenblik gestaakt had, om de uitwerking te zien.De Dajak sprong plotseling hoog op, liet zijn geweer vallen en tuimelde in de rivier. Onmiddellijk werd hij door den stroom gegrepen en verdween in het schuimende water.Oogenblikkelijk hielden de anderen op met roeien en verborgen zich onder de afhangende takken van den oever.Zouden ze de vervolging opgeven?De beide vluchtelingen hoopten in ieder geval weer een voorsprong te krijgen. Ze roeiden zoo krachtig mogelijk, doch het ging niet te best. Ze waren doodmoe. Bovendien werden ze telkens opgehouden door boomstammen, die de rivier bijna over de geheele breedte versperden.Geen van beiden wist van uur of tijd. Het ging om hun leven! Ze roeiden, roeiden....Spreken deden ze niet. Af en toe wisselden ze kort en beslist een enkele opmerking of waarschuwing betreffende hindernissen in den stroom. Ze roeiden maar! De eenige mogelijkheid om het veege leven te redden!Eensklaps herinnerde Kees zich een opmerking van Jan Verveer. Een nieuwe angst greep hem aan.»Er moet in deze rivier ergens een waterval zijn! Zouden we daar al dicht bij zijn? Zouden we er met dezen waterstand overheen komen?”»De oevers zien er hier nog niet naar uit, heer. Het aangrenzende land is vrij laag. Als de bodem hoog en rotsachtig wordt, moeten we scherp uitkijken. Dan moeten we de boot over land langs den waterval sleepen en een eind benedenwaarts weer te water gaan.We kunnen er onmogelijk door heen sturen; de stroom is te woest en te sterk gezwollen.”Kees was het geheel met Marti eens. Hij zweeg, om nu weer al zijn aandacht aan het besturen van de djaloer te wijden.Eenige oogenblikken verliepen.Daar hoorden ze plotseling weer het moordzuchtig geschreeuw hunner vervolgers. Deze hadden dus de jacht niet opgegeven. Omziende bemerkten ze, dat de Dajaks hun weer dicht op de hielen zaten.»Schiet, heer!”»Even geduld,” antwoordde Kees.»De afstand is nog te groot. Ik wil geheel zeker zijn van mijn schot. Elke treffer maakt indruk op die duivels!”Ze bepaalden er zich voorloopig toe, de Dajaks goed in ’t oog te houden, ten einde van elk gunstig oogenblik een goed gebruik te kunnen maken.Maar de djaloers der Dajaks bleven voortdurend op denzelfden afstand. Wat beteekende dat? Welke duivelsche list school daarachter? Al weer een martelende onzekerheid! Bijna wenschte Kees, dat ze maar liever tot den aanval overgingen. Dan wist hij, waaraan hij zich te houden had! Dan kon hij handelen!Op een gegeven oogenblik constateerde Marti, dat de oevers weer wat hooger werden. Kees zag, dat het lage land blijkbaar overging in heuvelland. De oevers waren niet meer overstroomd, doch staken duidelijk boven het water uit. Scherp teekende de rivier zich af. Nu behoefden ze niet meer bevreesd te zijn, dat de Dajaks door het ondergeloopen bosch met hun djaloers een bocht zouden kunnen afsnijden.Steeds hooger werden de oevers. Hier en daar vertoonden ze vrij steile rotswanden. De rivier werd smaller, de stroom sterker. Een nieuw gevaar! De boot zou verpletterd worden, wanneer zij door den krachtigen stroom tegen de steenachtige oevers geslingerd werd.De booten van de Dajaks bleven intusschen denzelfden afstand bewaren. Nu en dan klonken een paar schelle kreten door de lucht. De kerels schenen een satanisch genot te hebben in de jacht. Ze martelden hun prooi, waarvan ze zich zeker waanden.»Ze zullen wachten tot den nacht. Dan besluipen ze ons, als we aan wal zijn,” zei Kees. »Zouden we niet dóór kunnen roeien?”»Neen, heer! dat is onmogelijk! Er is geen maan en we zouden in het duister stellig tegen de rotsen geslingerd worden. We hebben nù al de grootste moeite om de boot in den stroom te houden. Er komen waarschijnlijk ook nog riams. En dan die waterval! Neen, dat is onmogelijk!”»Dan vrees ik, dat ze den nacht afwachten. Wat zouden ze anders in hun schild voeren?”»We kunnen ten minste niet gaan slapen, heer, en moeten duchtig de wacht houden. Bij het minste verdachte geluid moeten we schieten. Dan blijven ze misschien op een afstand.”Weer roeiden ze geruimen tijd voort en keken ten slotte bijna niet meer om naar hun vervolgers, die toch niet naderbij kwamen.Plotseling echter werden ze opgeschrikt door een woedend gehuil en gebrul, dat veel sterker klonk dante voren. Ze keken om. Daar zagen ze, dat nog een vijftal grootere djaloers zich bij de vervolgers had aangesloten. Naar schatting waren er nu wel een zestigtal vijanden!»We zijn verloren!” riep Marti geheel moedeloos. Hij scheen den wedstrijd te willen opgeven.»Roeien!” gilde Kees. De angst gaf hem vernieuwde kracht.»Vergeefsch, heer!” zei Marti somber. »In elke boot zitten acht of tien roeiers. Zij vorderen veel sneller dan wij. En u kunt ze toch niet allemaal neerschieten. Wij zijn reddeloos verloren!”»Die duivels hebben op versterking gewacht!” siste Kees woedend tusschen zijn tanden. »Nu durven ze wel!”Hij gaf de revolver aan Marti.»Hier is de revolver! Er zitten zes patronen op! Je kunt er zes neerschieten, voor ze je grijpen! Ik voor mij zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen!”»Ze zullen ons snellen, heer!” jammerde Marti.»Wat kan mij dat schelen, als ik toch dood ben!” gromde Kees nijdig terug.»Maar ik kom zonder hoofd niet in den hemel van Allah!”»Daar kom je toch niet in, als je zoo bang bent. Allah houdt niet van lafaards!” dreigde Kees.Deze woorden maakten eenigen indruk op de ziel van den Mohammedaan. Dan zou hij maar trachten, zonder hoofd in zijn hemel te komen door dapper te vechten.Al korter werd de afstand tusschen de beide partijen.Het triomfantelijk geschreeuw van de Dajaks klonk de beide vluchtelingen tergend in de ooren.Ontzettend was de spanning, waarin ze verkeerden. Ze vergaten op te merken, dat de rivier nog smaller, de oevers nog steiler en rotsachtiger werden.Daar.... plotseling!.... vlak voor zich zag Kees een witte streep over de geheele breedte van de rivier. Schuim was het! Daar ziedde het water met onweerstaanbare kracht tegen de uit de bedding omhoogstekende rotsen aan.»De waterval!” gilde hij.Marti keek onverschillig op en zei met doffe berusting: »Nu verdrinken we. Dat is tenminste beter dan gesneld te worden door dat ontuig.”Een oogenblik flitste het Kees door zijn brein, om aan land te gaan en de boot over den wal heen te sleepen. Maar dan vielen ze in de handen der Sibaoe’s. Dan maar liever te gronde gaan in het woeste water van de rivier. Beter dat de natuur hen tot zich nam, dan dat die menschelijke duivels hen vermoordden.»Houd je vast, Marti! Let op! Stuur rechtuit!.... Daar gaan wij....!”Als of een onzichtbare reuzenhand plotseling het ranke vaartuigje had aangegrepen schoot het voorwaarts, pijlsnel voorwaarts door het woedende water. Sturen was ondoenlijk! Doodsbleek, de oogen star gericht op den waterval, wachtten ze het noodlot af. Krampachtig klemden ze hun handen om de randen van de boot!Daar waren ze op de plek! Kees sloot de oogen,bereid zich in de armen van den dood te werpen. Donderend loeide het water tegen de rotsen. Een ondeelbaar oogenblik bevonden ze zich in een wolk van rillend schuim. Op hetzelfde oogenblik werden ze met boot en al opgeheven. Toen smakten ze neer in de diepte....Snel als de gedachte was de djaloer onverlet over de rotsen heen geschoten en gleed voorwaarts in het lagere gedeelte van de rivier. De mannen zaten versuft te kijken, nog altijd de handen om de boorden geklemd.Kees herkreeg het eerst zijn bezinning. De djaloer stond vol water.»Hoozen, Marti!”Marti ontwaakte nu ook uit zijn verdooving.Ze hadden nog juist den tijd het water uit te hoozen, anders zou de boot zijn gezonken.Terwijl ze hier mee bezig waren, herinnerden ze zich plotseling hun vervolgers. Ze wendden de oogen naar den waterval, die nog goed zichtbaar was. Daar zagen ze, wat er met de Dajaks gebeurde....In het vuur der vervolging, zich zeker wanende van hun prooi, hadden deze blijkbaar niet op de rivier gelet. Daardoor waren ze veel dichter bij de waterval gekomen, dan ze gedacht hadden.Eensklaps zagen ze het bootje van Kees en Marti tusschen de steenen door in den ziedenden stroom verdwijnen. Nu eerst beseften ze hun eigen gevaarlijken toestand. Ze stelden krachtige pogingen in ’t werk, om den oever te bereiken. Te laat! De sterke stroom had de djaloers dicht opeen gedreven. De vrij lange vaartuigenhadden nu geen voldoende ruimte, om zich naar willekeur te bewegen. Machteloos stormden ze voorwaarts.Een der booten werd dwars in den stroom gesleurd.Werden ze tegen de rotsen verpletterd.Werden ze tegen de rotsen verpletterd.Onmiddellijk daarna zagen Kees en Marti met ontzetting, hoe de djaloers hunner vijanden wild door elkaar werden geworpen. Met reuzenkracht werden ze tegen de rotsen verpletterd. Gelijk een zaaier het koren strooit, zoo werden de roeiers eruit geslingerd.Een oogenblik klonken vreeselijke doodskreten door de lucht. Toen waren de Dajaks spoorloos verdwenen in de wielende draaikolken beneden den waterval.Alles was beslist. Slechts enkele seconden waren voor dit vreeselijk drama noodig geweest. Geen geluid werd meer vernomen dan het donderend geraas van het neerstortend water.Ademloos hadden Kees en Marti toegezien. Toen werd het hoog tijd, dat ze weer aan hun eigen toestand dachten. De boot begon bedenkelijk in den stroom te draaien. Wee hunner, wanneer het vaartuig dwars in de rivier kwam te liggen!Sprakeloos en bleek van de geweldige gemoedsbeweging, waaraan ze ten prooi waren geweest, togen ze aan het werk. Geruimen tijd later, toen ze de boot weer geheel in hun macht hadden en geregeld verder voeren op het nu betrekkelijk nog al kalme water, zei Marti:»We zijn gered. Geloofd zij Allah! Hij heeft ons geholpen.”»Ja,” zei Kees met een hartgrondigen zucht,»ik geloof nu ook, dat we gered zijn.”»Ze zijn allen dood,” vervolgde Marti.Zwijgend roeiden zij nog een tijdje verder.Toen kwam de ontspanning en voelden ze, dat ze nu van uitputting niet meer konden.»We zullen aan den volgenden hoek aanleggen, Marti, ik ben doodop.”Marti knikte bevestigend met het hoofd, doch scheen te lusteloos om een woord te zeggen.»Onze vijanden zijn nu dood. Het is noodig, datwe rust en voedsel krijgen,” vervolgde Kees. Onwillekeurig keek hij nog eens achter zich. De schrik zat er nog in. Het was alsof zijn beangste verbeelding nog een nagalm hoorde van de dreigende kreten der vervolgers. Maar de rivier lag verlaten en stil en voerde haar prooi mee, misschien ver, ver weg—naar de zee.Intusschen was de hoek weldra bereikt. Kees stuurde de boot naar den wal, die hier zandig en heuvelachtig was. Meer landwaarts in verhieven zich vrij hooge heuvels, met zware bosschen begroeid.Het duurde maar kort, en beide mannen lagen languit onder de schaduw der boomen en zonken weg in een zwaren, diepen slaap.Na een paar uur ontwaakte Kees. Hij bemerkte, dat de avond reeds begon te vallen. De plek leek hem zeer geschikt om er meteen maar te overnachten.Hij wekte Marti en droeg hem op, rijst te koken.Een oogenblik later kwam Marti met een bedrukt gezicht naar hem toe en zei:»Heer, al onze rijst is nat geworden. Morgen zal alles bedorven zijn. Het beste is, dat ik voor morgen ook maar kook. Dan hebben we dien dag ten minste eten. Maar hoe het dan verder moet, weet ik niet.”»Dan moeten we maar weer een paar dagen honger lijden. Ik hoop echter, dat we spoedig menschen zullen ontmoeten.”»Als het dan maar geen koppensnellers zijn, heer; daar heb ik mijn bekomst van.”»Dat moeten we afwachten! Maar Sibaoe-dajaks zullen het in ieder geval niet zijn.”Terwijl Marti kookte, ging Kees op verkenning uit. Hij beklom één der hoogere heuvels. Op den top gekomen, ontwaarde hij in ’t Noorden hooge bergketens. Naar het Westen en Oosten bespeurde hij ook bergland, doch in het Zuiden waren geen bergtoppen te zien. Hij begreep, dat de rivier zich hier een weg gebaand had door de zuidelijke uitloopers van het gebergte. Daar de rivier naar het Zuiden stroomde, had men het gebergte dus geheel achter den rug. Bevredigd daalde hij den heuvel weer af. Alleen de vraag, hoe aan voedsel te komen, als ze niet spoedig bewoonde oorden bereikten, stemde hem minder gerust.Bij zijn terugkomst deelde hij aan Marti zijn bevindingen mede. Nu overlegden ze, hoe verder te handelen.Het eenvoudigste was, de rivier slechts af te varen. Doch Kees herinnerde zich, dat zijn vriend Verveer, de diamantzoeker, hem indertijd had gewaarschuwd voor uitgestrekte en in hooge mate ongezonde moerassen. Deze streken wilde hij dus liefst vermijden.»We kunnen in ieder geval doorvaren, zoolang de oevers nog heuvelachtig zijn en dan zien,” besloot Kees.»Komen we nog bij de Kenjaoe’s terug, heer?” vroeg Marti aarzelend.»Ik denk het niet. Waarom zouden we daarheen gaan? Het lijkt mij het verstandigst, zoo gauw mogelijk naar huis te gaan. De diamanten zijn toch verloren. Die zullen wel in bezit komen van den verrader, Amat. Ik hoop, dat de Sibaoe’s hem snappen en zijn kop afslaan.”»Misschien konden we hier vandaan gemakkelijk bijde Kenjaoe’s komen. Als we in hun land zijn, weten we den weg naar huis.”»Daar is wel iets van aan!” zei Kees nadenkend.»En dan is er nog iets, heer,” ging Marti verlegen voort. Hij had blijkbaar nog iets op ’t hart. »Ik heb u niet alles verteld, wat ik heb afgeluisterd.”»Spreek duidelijk, Marti,” zei Kees streng.»Vergeef me, heer, dat ik u iets verzweeg. Ik was zoo bang... ik dacht alleen aan de gevaren, die òns bedreigden.... Ik dacht.... ik meende....”»Spreek niet langer in raadselen. Zeg, wat je weet!” beval Kees.»Allah heeft ons gered, vandaag!” zei Marti plechtig.... »Ik geloof, dat ik alles zeggen moet, om anderen ook te redden.”»Anderen? Wat anderen? Wie dan toch?”»De Kenjaoe-dajaks, heer!”»Zijn de Kenjaoe’s dan in gevaar?” vroeg Kees met steeds toenemende verbazing.»Ja, heer! Toen ik het gesprek der Dajaks afluisterde, bleek me, dat Senawa behalve met ons, ook met anderen wilde afrekenen. Het was noodzakelijk ons zoo spoedig mogelijk te doen verdwijnen met het oog op de andere plannen.”»En welke plannen dan?”»Is het u niet opgevallen, dat er in ’t huis van Senawa zooveel mannen waren? Veel meer dan er woonden! Hebt u er wel aandacht aan geschonken, dat allen zwaar bewapend waren en soelauw-baadjes droegen? Dat alles wijst er op, dat ze een sneltocht zullen ondernemen. En uit hetgeen ik opving, kon ikopmaken, dat de voorgenomenmengajaoe-tochtgemunt was op de Kenjaoe’s.”»Arme kerels!” riep Kees medelijdend uit.»Maar waarom heb je dat niet eerder gezegd, Marti?”»Ik vreesde, dat u dan pogingen zou doen, omPetinggiDatoek te waarschuwen en daar ik van alle avonturen genoeg had, zag ik daartegen op,” bekende Marti verlegen.»En wat wou je nu?” vroeg Kees.»Zooals ik u reeds zei, heer; Allah heeft ons gered. Ik heb er over nagedacht en nu geloof ik, dat onze redding een vingerwijzing van Allah is, om die arme Kenjaoe’s te waarschuwen. Daarom wilde ik toch gaarne naar hun land terug. Zou dat hier vandaan niet mogelijk zijn?”»Ik denk het wel! Het ligt ten Noordwesten van de streek, waar we nu zijn. Als we morgen nog een eind de rivier afzakken en dan naar het Noord-Westen loopen, zullen we er wel kunnen komen. Mijn eenige zorg is het gebrek aan rijst. Bovendien weet ik niet hoelang de tocht moet duren....Maar ik vind toch ook, dat wePetinggiDatoek moeten waarschuwen; dat is onze plicht! De Kenjaoe’s hebben ons vriendelijk ontvangen en flink geholpen. Wij mogen hen niet in den steek laten.”Marti betuigde zijn ingenomenheid met dit besluit.»En nu gaan we slapen,” zei Kees. »Gevaar zal hier wel niet zijn; we zullen dus maar geen wacht houden.”Voor de zooveelste maal spreidden ze hun leger van bladeren en legden zich neer onder het zwareloover van het oerwoud. Bijna onmiddellijk sliepen ze in en zonken ze weg in de diepten, waar geen droomen zijn.Zoo rustten ze den ganschen nacht, ongestoord, tot de zonsopgang van den komenden nieuwen dag.IX. De groote sneltocht.Geheel verkwikt en bezield met nieuwen moed en vertrouwen gingen ze weer op reis. De rivier was veel rustiger en ze konden dus flink vorderen, zonder voortdurend door allerlei hindernissen in spanning te verkeeren.De Westelijke oever werd steeds lager. Hier en daar begon hij zelfs moerassig te worden. De Oostelijke daarentegen bleef heuvelachtig. Eindelijk besloot Kees aan wal te gaan, om te trachten over land de Kenjaoe-dajaks te bereiken.Weldra waren ze op het pad. Vooraf dienden ze zich goed teoriënteeren. Daartoe beklommen ze een der hoogere heuvels. Van den top hadden ze een vrij goed uitzicht. In het Noorden verhieven zich de onherbergzame ketens van het Lawit-gebergte. De aanblik van de grijze rotsmassa’s deed de mannen nog huiveren. Naar het Noord-Westen zag Kees lagere, schoon nog vrij hooge toppen. Daartusschen door besloot Kees zijn weg te nemen.Spoedig bevonden ze zich weer in de wildernis. Een pad was er natuurlijk niet, zoodat ze zich vaak met de parang een doortocht moesten banen. Ze vorderdendan ook zeer langzaam. Hun voedsel was wat gekookte rijst van den vorigen dag, die echter al zuur begon te worden.De eerste nacht ging zonder wederwaardigheden voorbij. Den volgenden dag bereikten zij den voet der bergen, tusschen welke ze door wilden trekken. Hun voedsel bestond nu uit wat plantenwortels. Met een hongerige maag moesten ze zich des avonds neerleggen om te slapen.Den derden dag gebruikten ze om het gebergte over te steken. Toen ze het hoogste punt van het zadel tusschen twee bergtoppen bereikt hadden, zagen ze een uitgestrekte, met oerwoud bedekte heuvelstreek voor zich: vermoedelijk het land der Kenjaoe-dajaks.Een klein waterloopje vloeide van de bergen af. Ze besloten dit te volgen. Misschien lei aan de zoomen in de diepte een dorp. Weer moesten ze zich vergenoegen met wat plantenwortels, die ze in het bosch vonden.Op den vierden dag bereikten ze eindelijk een huisje.Van de bewoners vernamen ze, dat ze zich werkelijk weer in het land der Kenjaoe-dajaks bevonden en zelfs vrij dicht bij het dorp Tapang. Volgens deze menschen konden ze daar den volgenden avond wel zijn.De twee vermoeide en uitgehongerde zwervers genoten gastvrij onderdak en konden zich nu weer eenigszins herstellen van de geleden ontberingen. Toch reisden ze den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk af, om zoo mogelijk denzelfden dag noghethuis van Petinggi Datoek te kunnen bereiken.Het was reeds avond en geheel donker, toen zete Tapang aankwamen. Zoo waren ze dus weer terug op het punt van uitgang.Maar hun toestand was geheel anders! Toen vol goeden moed en vertrouwen op het welslagen van hun plannen. Nu echter uitgehongerde vluchtelingen! Alles was hun tegengeloopen. Meermalen hadden ze in het dreigendste doodsgevaar verkeerd. Het was een onbegrijpelijk wonder, dat ze nog leefden.Nauwelijks waren ze het huis binnengetreden, of ze werden omringd door een groot aantal der bewoners, die hen bestormden met vragen omtrent henzelf en de Kenjaoe’s, die met hen waren meegetrokken.Petinggi Datoek had de grootste moeite om de ongeduldige menschen tot stilte en afwachting te dwingen. Eerst moesten Kees en Marti zich te goed doen aan een grooten schotel rijst. Daarna begon Kees, omringd door de aandachtig luisterende Dajaks, het droevig verhaal van al hun lotgevallen.Toen hij beschreef, hoe de eene Kenjaoe van de rotsen was gestort, klonken er uit de rijen de luisteraars uitroepen van schrik en medelijden. Voor alles stond het vast, dat de antoe’s der bergen zich hadden gewroken op de overmoedige menschen, die zich op hun terrein hadden gewaagd.Daarna vertelde Kees, hoe de beide andere Dajaks hem verlaten hadden. Ook deze mededeeling verwekte groot opzien en ontsteltenis.»Ze zijn niet teruggekeerd, heer!” zei Petinggi Datoek.»De antoe’s hebben ook hen naar beneden geworpen,” verklaarde een oud man met groote stelligheid.Een huivering van ontzetting voer door de rijen.»Ze komen misschien nog wel terug, de weg is ver en zeer moeilijk,” zei Kees bemoedigend, ofschoon hij het zelf niet geloofde.Daarop ging hij verder met zijn verhaal. De ontvangst bij de Sibaoe’s; zijn ontmoeting met Senawa; het verraad van Amat; de vlucht over de rivier. Dat alles werd aangehoord met levendige belangstelling. Groote bewondering had men voor Kees, die zich had durven wagen tusschen de vijanden, die ze zoozeer haatten en vreesden.Ten slotte vertelde Kees het door Marti afgeluisterde gesprek. Toen sprongen allen vol schrik en ontzetting op. De mannen grepen onwillekeurig naar de wapenen; de vrouwen snelden gillend naar de lawangs, inderhaast de kinderen meesleurend. Het was een opschudding, alsof de gehate vijand reeds in de onmiddellijke nabijheid was.Ook Petinggi Datoek was zijn hoofd kwijt en riep maar:»We moeten vluchten! Maak u zoo snel mogelijk gereed, om te vertrekken.”Kees trachtte olie op deze golven van onrust te gieten.»Laat ons eerst eens rustig nadenken en plannen beramen. Het is al nacht en ge kunt nu niet met al die vrouwen en kinderen de wildernis in vluchten. Er is nog tijd genoeg. Al zouden de Sibaoe’s dadelijk na mijn vertrek op weg zijn gegaan, dan kunnen ze naar mijn idee toch eerst over een dag of vijf hier zijn. Indien ze tenminste over den Goenoeng Lawit komen. Waar wilt ge nu heen vluchten?”»Naar een plek in de wildernis, die zeer moeilijk te vinden is, heer. Dáár bouwen we hutjes en afdaken en blijven er zoolang wonen, tot de Sibaoe’s ons land weer verlaten hebben,” sprak Petinggi Datoek na eenig overleg.»En moeten de bewoners der andere dorpen dan niet gewaarschuwd worden?”»Zeker, heer, morgenochtend zend ik boodschappers uit. Maar ik vrees, dat het bericht voor de menschen, die veraf wonen, te laat zal komen.”»Wat gebeurt er dan met hen?” vroeg Marti.»Misschien niets; maar anders worden ze aangevallen door de Sibaoe’s en gedood. De invallers verbranden de huizen en nemen de koppen mede als zegeteekenen.”»Maar als je nu vlucht, dan zullen ze toch ook de huizen verbranden, de ladangs verwoesten en de varkens dooden of stelen,” zei Kees.»Ja heer, dat zullen ze zeker doen!” antwoordde Petinggi Datoek met een zucht.»Waarom roep je dan niet liever alle mannen bijeen en tracht ze te verslaan?”»Wij kunnen niet vechten tegen de Sibaoe’s, heer. Zij hebben sterke antoe’s, die hen helpen,” antwoordde de Dajak met groote overtuiging.Kees haalde de schouders op en zweeg verder. Hij keek toe, hoe de beangstigde Dajaks bij het slechte licht van walmende harstoortsen hun benoodigdheden inpakten, om zich gereed te maken voor een langdurig verblijf in de schuilpaatsen in het bosch.Den geheelen nacht was ieder druk bezig met het gereedmaken en verdeelen der vrachten.Kees merkte op, dat er onder de mannen heel wat waren, die de vlucht afkeurden. Deze hadden het beter gevonden, dat men de vrouwen en kinderen in veiligheid bracht, om daarna een gevecht met de Sibaoe’s aan te gaan.De groote meerderheid echter vond het met Petinggi Datoek beter, een veilig oord op te zoeken.Kees vroeg vergunning, zich met Marti bij hen aan te sluiten. Onder deze omstandigheden zag hij er tegen op, alleen het land door te trekken. Petinggi Datoek, die hem zeer dankbaar was voor de waarschuwing, stond hem gaarne toe, mede te gaan naar de schuilplaats.Bij het krieken van den ochtend toog de geheele bevolking van Tapang op reis. Allen liepen achter elkaar. Vooral de vrouwen waren zwaar bepakt; de mannen droegen hun wapens.Volgens Petinggi Datoek zou de tocht met vrouwen en kinderen wel drie dagen duren. Kreeg men onderweg echter slechte voorteekenen, dan konden er nog wel eenige dagen bij komen.Men trok in noordwestelijke richting. Een gebaand pad was er niet. Toch stapte Petinggi Datoek, die de menigte leidde, met de grootste zekerheid voort.Aan het einde van dien dag kampeerde men in het bosch onder kleine afdaken. Daar het regende, leden de vrouwen en vooral de kinderen veel ellende. Kees kon den ganschen nacht niet slapen, door het droef gehuil der allerkleinsten. Als de stakkers zoo nog eenige dagen en nachten aan allerlei ontberingen werdenblootgesteld, zouden er verscheidene sterven van koude en ellende.Eerst den derden dag bereikte men, na veel ongemakken te hebben doorgestaan, het doel van de reis: de Boekit Seloewa, een alleenstaanden berg met zware wouden begroeid.Hier zouden de vluchtelingen verblijf houden, tot alle gevaar geweken was. Ook de bewoners der andere dorpen zouden zich hier verzamelen.Na aankomst waren weldra alle Dajaks bezig afdaken en eenvoudige hutjes te bouwen, waar men den eersten nacht kon slapen. Later zou men deze primitieve woninkjes wat verbeteren.Reeds den volgenden dag kwamen er meer vluchtelingen opdagen uit de in de nabijheid gelegen dorpen en huizen.De toestand in het kamp was niet te best. Ieder stelde middelen in het werk, om de tijdelijke woning zoo goed mogelijk te maken. Het bleven echter noodwoninkjes en de menschen hadden veel last van koude en vocht. Na een paar dagen waren er veel zieke vrouwen en kinderen; en reeds waren er een paar kleintjes gestorven.Nog een paar dagen later kwamen er eenige vluchtelingen in het kamp aan, die in een der noordelijkste dorpen thuis hoorden. Deze verhaalden, hoe eenige dagen te voren hun huis plotseling in het holle van den nacht overvallen was door een sterke bende Sibaoe-dajaks. Zij waren ouder gewoonte als uit de lucht komen vallen en hadden een gruwelijke slachting aangericht onder de bewoners van het dorp. Slechts enkele der mannen hadden kunnen ontkomen. Deze waren op hun overhaaste vlucht één der boodschappersvan Petinggi Datoek tegengekomen, die hen gezegd had, dat allen zich moesten verzamelen op den Boekit Seloewa.In ademlooze spanning had een dicht opeengedrongen menigte Kenjaoe’s het verhaal van hun stamgenooten aangehoord. Groote angst maakte zich van allen meester en kreten van schrik en ontsteltenis klonken door de lucht.Het kostte Petinggi Datoek eenige moeite, de menschen duidelijk te maken, dat er voor het kamp voorloopig nog geen gevaar was.Den volgenden morgen heerschte er weer groote opgewondenheid. Alle Dajaks verzamelden zich en schenen opnieuw aan hevigen angst ten prooi. Kees spoedde zich er heen. Eén der boodschappers bleek teruggekeerd en had nadere berichten meegebracht.»Toen ik in de nabijheid van het overvallen huis kwam, hoorde ik al spoedig het geraas van de feestvierendeSibaoe’s. Ze schreeuwden en sloegen op de trommen, dat het ver door het bosch weerklonk. Zooveel mogelijk mij verborgen houdend, sloop ik behoedzaam dichterbij. Ik zag, dat ze een grooten feestmaaltijd hadden aangericht en dat er al verscheidene veel te veel toewak1hadden gedronken. De hoofden der vermoorde bewoners hadden ze op staken tentoongesteld.”Kreten van haat en woede stegen op uit de rijen der toeluisterende Dajaks.De boodschapper vervolgde:»Ik durfde niet lang op die gevaarlijke plaats vertoeven en heb me zoo snel mogelijk verwijderd. Onderweg heb ik zooveel mogelijk onze lieden gewaarschuwd.”Kees drong naar voren en vroeg:»Hebt ge ook kunnen zien, hoeveel Sibaoe’s er ongeveer waren?”»Mij docht zoowat honderd, heer. Misschien wel meer, maar zeker niet minder.”»En waren er velen met geweren bewapend?”»Ja, heer, de meesten hadden geweren.”Kees vroeg niet meer en verwijderde zich. Hij bemerkte wel, dat er, onder den indruk van dit nieuwe verhaal, groote verslagenheid heerschte. De mannen stonden in groepen bijeen en waren in druk gesprek.Eenige oogenblikken later besprak Kees de zaak met Marti.»Het is me onbegrijpelijk, hoe de Kenjaoe’s zoo bevreesd kunnen zijn voor de Sibaoe’s. Volgens de berichten moet de bende der Sibaoe’s ruim honderd man sterk zijn en ik tel hier onder de Kenjaoe’s minstens honderd en vijftig flinke, strijdbare mannen.”»Ze zijn bang voor de tooverijen der Sibaoe’s, heer,” zei Marti.»Ik geloof niets van al die verhalen. De een maakt den ander met zijn sprookjes bang.”»Maar u ziet toch zelf, dat de Sibaoe’s op onverklaarbare wijze in dit land komen. Daar moet toch tooverij achter schuilen.”»Onverklaarbaar is het tot dusverre zeker; maar van die tooverij geloof ik geen zier. Mijn gevoelen is, dat de Sibaoe’s een geheimen doortocht door’t gebergte kennen; een weg, die heel wat gemakkelijker is dan die, welken wij gevolgd hebben.”Marti zweeg. Al was hij een volgeling van Mohammed geworden, als gewezen Dajak kon hij het geloof aan tooverij en de hulp der antoe’s nooit geheel van zich afzetten. Kees hernam:»Het is jammer, dat ze hier zoo bang zijn voor die Sibaoe’s. Als ze durfden, zouden ze hun vijanden best kunnen verslaan en het land uitjagen.—Ja, daar moet ik eens over nadenken en er met Petinggi Datoek over spreken. Misschien kan ik er hem toe krijgen, die Sibaoe’s te lijf te gaan.”Marti keek verschrikt op en zei:»Laat ons liever een middel bedenken, om uit dit vervloekte land weg te komen, heer. Waarom u nu weer in nieuwe avonturen te begeven! Vindt u het dan nòg niet genoeg?”»Ik kan die ellende hier niet langer aanzien, Marti. Vrouwen en kinderen sterven weg als ratten en muizen. Als dat nog lang zoo duurt, blijft er geen in leven. Bovendien weet ik, dat verscheidene mannen er net zoo over denken als ik. Maar ze durven het niet uit te spreken, uit vrees voor die oude, bedachtzame mannen, die liever maar afwachten.... al maar afwachten.”»U moet het natuurlijk weten. Ik voor mij zou gaarne hier vandaan gaan. We hebben onzen plicht ten opzichte van de Kenjaoe’s gedaan. Ik heb, vóór we onzen tocht aanvingen, gedroomd van bloed en vuur. U weet, dat alles is uitgekomen.... en het kan nog erger worden!”»Wees niet zoo bijgeloovig, Marti.”Marti antwoordde niet, doch Kees zag wel, dat de brave inlander gekrenkt was, dat er zoo weinig waarde aan zijn droomen werd gehecht.Kees liet zijn denkbeeld niet los en zon op een plan, dat hij aan de Dajaks zou kunnen voorstellen.Eindelijk had hij een besluit genomen.die mistroostig onder zijn hutje zatdie mistroostig onder zijn hutje zatHij ging Petinggi Datoek opzoeken, die mistroostig onder zijn hutje zat bij zijn zieke vrouw.»Petinggi, kom eens hier, ik moet met je praten!”De geroepene stond op en verwijderde zich met Kees.Marti was zijn heer op eenigen afstand gevolgd enzag nu, hoe zich tusschen Kees en den Dajak een druk gesprek ontspon.Van het gesprokene kon hij door den afstand niets verstaan. Wel zag hij Kees druk gesticuleeren. Hij zag ook, hoe de Dajak dan weer krachtig met het hoofd schudde. Toch hield Kees vol. Eindelijk was het merkbaar, dat Petinggi zich gewonnen gaf. Toen verwijderde Petinggi zich weer.Nu kwam Kees naar Marti toe en zei:»Het heeft moeite gekost, maar hij zal nu de mannen bijeenroepen voor een vergadering, om de zaak te bespreken. Ik vertrouw, dat ik de groote meerderheid op mijn hand krijg. Ga maar mee, dan kun je alles hooren.”»Goed, heer!” zei Marti onderworpen.Zuchtend volgde hij zijn heer, zich bekommerd afvragend, in welke narigheden deze zich nu weer begeven zou.1Uit verzuurde rijst bereide geestrijke drank.
VII. De verrader.Na dien avond nog wat gepraat te hebben met Senawa en enkele andere Dajaks, was Kees tamelijk vroeg gaan slapen. Ook Marti en Amat begaven zich ter ruste. Weldra was het stil in de gaanderij en scheen alles in diepen slaap verzonken.Inderdaad, zoo scheen het. Maar de listige Amat waakte. Na eenigen tijd rees hij voorzichtig op van zijn mat. Zijn oogen trachtten het halfduister van ’t vertrek te doorboren. Na zich te hebben overtuigd, dat de andere beide mannen rustig sliepen, stond hij geruischloos op. Daar kraakte één der latten onder zijn voeten. Bliksemsnel hurkte hij neer.... Marti maakte een beweging, doch een oogenblik later hoorde Amat aan een licht gesnurk, dat hij weer rustig doorsliep. Nog omzichtiger stond hij andermaal op en onhoorbaar verdween hij, om de lawang van Senawa op te zoeken.Nauwelijks echter was hij weg, of ook in den schijnbaar zoo vast slapenden Marti kwam leven. Hij schoof voort in de richting, waarin hij Amat had zien verdwijnen. Bij de lawangs gekomen, luisterde hij aan de dunne wanden en sloop toen weer behoedzaam verder, tot hij gemompel van een paar mannenstemmen vernam. Het kwam uit de lawang van Senawa....Hij strekte zich languit op den vloer en drukte het oor tegen den dunnen wand. Zoo bleef hij geruimen tijd onbeweeglijk liggen luisteren. Eindelijk scheen hij genoeg te hebben verstaan. Even behoedzaam als hijgekomen was, gleed hij terug naar de plaats, waar Kees nog altijd rustig lag te slapen, en strekte zich weer op zijn mat uit.Eenige oogenblikken later sloop ook Amat terug naar zijn legerstede. Hij keek eens naar de beide slapende mannen en legde zich ter ruste.Geruimen tijd daarna kwam er weer beweging in Marti. Langzaam schoof hij in de richting van Kees, tot hij ten slotte vlak naast dezen lag.Toen begon hij hem voorzichtig te wekken.»Stil, heer!”fluisterde hij. »Houd u slapende. Ik heb u iets te vertellen; doch zorg vooral, dat we niet gehoord worden.”Hoewel Kees eenigszins verschrikt was, kon hij zich beheerschen en zich slapende houden.Hij draaide het hoofd naar Marti en deze begon aan zijn oor te fluisteren:»U moet vooral geen geluid maken, Amat ligt hier niet zoo heel ver af. Als die ons bemerkte, zou alles te laat zijn. Nu is er misschien nog redding mogelijk.”Kees had met verbazing toegeluisterd en niets van Marti begrijpend, vroeg hij zoo stil mogelijk:»Wat is er? Je doet me schrikken.”»U moet weten, heer, dat ik Amat niet erg vertrouwde; al een paar malen had ik gemerkt, dat hij met Senawa sprak doch dadelijk zweeg, als ik er bij kwam. Dat beviel me niet, en ik besloot hem in ’t oog te houden.Zoo kon ik afluisteren, dat ze van avond, als wij sliepen, elkaar zouden ontmoeten in de lawang van Senawa. Ik bleef dus wakker, ten einde te trachtendat gesprek te beluisteren. Dat is me gelukt. Ik heb me slapende gehouden, totdat Amat naar Senawa ging; toen ben ik hem nageslopen. Kunt u me verstaan, heer?”»Ja, verder.”»Ik hoorde, dat Amat alle moeite deed om Senawa’s argwaan tegen u op te wekken. Hij zei hem, dat u later zeker terug zou komen met soldaten, als u eerst in dit land den weg maar kende. Hij raadde Senawa aan, ons te doen vermoorden.”»En toen?” vroeg Kees ademloos.»Senawa zeide, dat hij dit nooit durfde. Hij was bang voor de wraak van de Kompenie. Toen gaf Amat den raad, ons op een andere wijze onschadelijk te maken, door de djaloer te laten omslaan of zoo iets. Ook dat durfde Senawa niet. Ten slotte heeft Amat hem bepraat, om aan den gids en den drager te zeggen, dat ze ons een geheel verkeerden weg moesten wijzen en ons dan in de wildernis te verlaten, zoodat wij van honger moeten omkomen.”»Waarom heeft die valsche Maleier dat gedaan?” vroeg Kees, bevend van machtelooze woede.»Dat is me een raadsel, heer. Maar al een paar dagen had ik een gevoel van wantrouwen tegen hem.”»Ik heb dien schurk nooitvertrouwd!” fluisterde Kees terug.»In ieder geval moeten we vluchten, heer. Zoowel Amat als Senawa willen ons doen verdwijnen. Als hun plan niet gelukt, zullen ze zich op andere wijze van ons trachten te ontdoen. Dan zou Senawa ten slotte ook niet voor een moord terugdeinzen.”»We kunnen niet vluchten, Marti. Waar zouden we heen moeten gaan in den stikdonkeren nacht!”Kees zuchtte. Al zijn schoone droomen, die hij bijna verwezenlijkt dacht, zag hij plotseling in nevelen opgaan.»Ik weet misschien iets, heer! We laten morgenvroeg niets merken, en gaan heel gewoon weg, zooals afgesproken is. Zoodra we op de rivier zijn, trachten we ons van de beide mannen te ontdoen. Dan laten we ons zoo snel mogelijk de Soengei Sibaoe afzakken. Misschien gelukt dit plan. Zoo niet, dan zijn we verloren; maar dat zijn we toch ook als we niets doen.”»Dat is een goed plan, Marti. Laat ons nu alles precies afspreken, zoodat we beiden nauwkeurig weten, hoe te handelen.”Lang nog fluisterden de twee mannen, telkens angstig zwijgend, als ze eenig gerucht meenden te hooren.Toen eindelijk alles nauwkeurig was vastgesteld, schoof Marti naar zijn mat terug en strekte zich uit om nog wat te rusten. Maar nòch hij, nòch Kees kon dien nacht slapen en ze waren dankbaar, toen eindelijk de morgenschemering aanbrak.Weldra hadden de twee Dajaks, die hen zouden vergezellen, zich aangemeld.Senawa wenschte hen een goede reis.Het kostte Kees moeite, een vriendelijk gezicht te zetten tegen den valschen Dajak. Hij wist zich echter te beheerschen. En nog grooter was zijn inspanning om niet in drift uit te barsten, toen de trouwelooze verrader Amat verscheen, om hem op kruiperige wijze vaarwel te zeggen. Hij had hem wel neer willen schietenals een hond, maar de omstandigheden dwongen tot de uiterste zelfbeheersching.Toen verlieten ze het dorp Metoedjoe.Zoowel Kees als Marti verkeerde in de grootste spanning. Ofschoon ze hun gedragslijn zoo goed mogelijk hadden bepaald, bleef de mogelijkheid niet uitgesloten, dat er onverwachte beletselen zouden komen. En dan.... hun geheele toekomst was in hooge mate onzeker.Weldra hadden ze de pangkalan bereikt. De mannen brachten de levensmiddelen en de wapens in de voor de reis bestemde djaloer.Kees en Marti namen daarop in het bootje plaats. De eerste gelastte den eenen Dajak de rottan, waarmee het aan een boomtak bevestigd was, los te maken. De andere Dajak belette het vaartuig weg te drijven door eenige overhangende takken vast te houden.Toen de Dajak, die het bootje losgemaakt had, in het water stapte om nu ook in de djaloer te komen, gaf Marti plots den anderen, die op den rand van het vaartuigje stond, een hevigen stoot, zoodat de man, die op zoo’n onverhoedschen aanval in ’t geheel niet bedacht was, voorover in de rivier tuimelde....Onmiddellijk stuurde Kees het vaartuigje, dat door den stroom meegevoerd werd, naar het midden van de rivier, waar de stroom nog sterker was.Ook Marti had onmiddellijk een dajong ter hand genomen en beiden begonnen te pagaaien en te sturen, hetgeen hard noodig was, daar de boot reeds bedenkelijk in den stroom begon te draaien.De beide Dajaks stonden verbluft te kijken. Blijkbaar begrepen ze eerst niets van hetgeen er eigenlijk gebeurd was. Weldra drong het echter tot hen door, dat ze leelijk beet genomen waren. Ze zagen, dat de djaloer zich snel stroomafwaarts bewoog en dat de beide inzittenden uit alle macht roeiden, om zoo spoedig mogelijk voort te komen.zoodat de man voorover in de rivier tuimelde.zoodat de man voorover in de rivier tuimelde.De Dajaks sprongen aan land. Daar keken ze een oogenblik met onheilspellende blikken de vluchtendenna, uitten een paar dreigende kreten en verdwenen inderhaast in het bosch.»Ze gaan de anderen waarschuwen,” zei Kees.»Ze hebben twee uur noodig, om in de booten te kunnen zijn. Het is meer dan een uur loopen naar Metoedjoe,” antwoordde Marti.»Dat is zoo. We hebben een mooien voorsprong. Toch zullen we zoo hard mogelijk moeten roeien, anders halen ze ons toch nog in. In de grootere booten kunnen ze met zes of acht man roeien. Ook is er mogelijkheid, dat ze de rivierbochten afsnijden.”Marti keek eens naar de oevers. Het was waar! de oeverlanden stonden hier en daar diep onder water, tengevolge der vele regens. Voor de Dajaks zou het nu gemakkelijk zijn, daar zij het terrein kenden, door het bosch heen de vele en groote bochten in de rivier af te snijden.»Ja, heer, dat zullen ze zeker doen. Doch voor ons is het niet gewenscht. We kennen de rivier niet en zouden met zoeken misschien veel kostbaren tijd verliezen.”»Dat dunkt mij ook. We zullen onze twee uren voorsprong maar gebruiken, door zoo hard mogelijk te roeien.”De beide vluchtelingen werkten met de uiterstekrachtsinspanning, om hun bootje de grootst mogelijke snelheid te geven. Dat was een zeer gevaarlijk werk. Het bruine water, dat groote hoeveelheden takken en bladeren meesleurde, schoot met groot geweld, al schuimend en draaikolken vormend, om de vele hoeken en bochten heen. Al hun stuurmanskunst werd vereischt,om te voorkomen, dat het ranke vaartuigje tegen de steenige oevers gesmeten en verpletterd werd of in een draaikolk verdween.Plotseling schreeuwde Marti:»Een riam!”Kees zette zich schrap, teneinde de djaloer zonder letsel door die stroomversnelling heen te kunnen sturen. Het was een spannend oogenblik. Nòg sneller werd de vaart van den djaloer; nòg wilder schuimde en bruiste ’t water;nògdreigender wielden en zogen de draaikolken, waarin de grootste takken, als door een onzichtbare hand omlaaggetrokken, spoorloos verdwenen.Daar was het gevaarlijke punt bereikt.Plotseling schoot de djaloer met bliksemsnelheid vooruit. Het bootje kreeg een hevigen schok, zoodat Kees er bijna uitgeslingerd werd. Een groote golf sloeg over de lage boorden en onmiddellijk daarop bemerkten Kees en Marti, dat ze zich weer in wat rustiger stroom bevonden. Ze waren de riam gepasseerd.»Dat is gelukt!” riep Kees met een zucht van verlichting, terwijl Marti zich haastte, het binnengeplaste water uit te hoozen.»Het scheelde niet veel, of we hadden er ’t hachje bij in geschoten. De djaloer heeft een flinken stoot gekregen! Zeker tegen een steen gebonsd! Bespeur je geen lek?”»Neen, heer, gelukkig niet! Toch hoop ik, dat er niet veel zulke riams zijn. Daar tegen is het bootje op den duur niet bestand.”»Opletten! Daar liggen boomstammen.”Weer was de uiterste inspanning noodig, om deze nieuwe beletselen te overwinnen.Zoo ging het den ganschen morgen. Meermalen verkeerden de vluchtelingen in dreigend doodsgevaar.Slechts nu en dan, wanneer ze zich op een vrij recht gedeelte van de rivier bevonden, konden ze eenige woorden wisselen. Ook dit deden ze ten laatste niet meer. Het was eerst middag; maar beiden waren ze, door het zware werk en de voortdurende onzekerheid en angst,reeds doodmoe.Op een gegeven oogenblik verbrak Kees plotseling het langdurig zwijgen: »Nu weet ik het!”Verwonderd keek Marti op.»Wat weet u, heer?”»Wie die Amat is, die ons zoo valsch heeft verraden. Ik dacht al, dat ik hem meer gezien had. Nu schiet het mij te binnen.”»Wie is het dan?”»De gewezen bediende van mijn gestorven vriend, den diamantzoeker. Ik herinner me, dat ik hem éénmaal in diens huis gezien heb, toen ik hem kort voor zijn dood bezocht.”»Maar waarom heeft hij u dan verraden, heer?”»Ik vrees, Marti, dat hij het geheim van de diamanten ook weet. Vermoedelijk heeft hij wat Hollandsch gekend en het gesprek tusschen mij en zijn meester genoegzaam kunnen volgen, om te weten, waar het over ging. Dáárom moest hij naar het land der Sibaoe’s en daarom wilde hij mij verhinderen, naar de Soengei Tekoeng te gaan.”»Hoe is het mogelijk heer!” riep Marti uit.»Het is de eenige verklaring, die ik voor al het gebeurde kan vinden.”»Ja, heer, zoo zal het gegaan zijn. En nu zal die Amat wel zelf naar de Soengei Tekoeng gaan, om de diamanten te halen.”»De schurk!” siste Kees.Nog eenigen tijd verdiepten ze zich in hun vermoedens. Toen liet de vermoeidheid zich weer geducht voelen. Kees dacht er over een geschikte plek te zoeken, om even uit te rusten. Terwijl hij met dit doel een onderzoekenden blik wierp op de oevers, klonken er plotseling door het bosch schelle kreten.»De Sibaoe’s?” riepen ze doodelijk verschrikt.Door de gevaren van hun tocht en later door hun gesprekken over Amat, hadden ze het gevaar, dat nog altijd van de zijde der Dajaks dreigde, geheel vergeten. Maar de koppensnellers waren hen niet vergeten en herinnerden hen door hun rauw geschreeuw aan hun afschuwelijk voornemen.Wat nu?
Na dien avond nog wat gepraat te hebben met Senawa en enkele andere Dajaks, was Kees tamelijk vroeg gaan slapen. Ook Marti en Amat begaven zich ter ruste. Weldra was het stil in de gaanderij en scheen alles in diepen slaap verzonken.
Inderdaad, zoo scheen het. Maar de listige Amat waakte. Na eenigen tijd rees hij voorzichtig op van zijn mat. Zijn oogen trachtten het halfduister van ’t vertrek te doorboren. Na zich te hebben overtuigd, dat de andere beide mannen rustig sliepen, stond hij geruischloos op. Daar kraakte één der latten onder zijn voeten. Bliksemsnel hurkte hij neer.... Marti maakte een beweging, doch een oogenblik later hoorde Amat aan een licht gesnurk, dat hij weer rustig doorsliep. Nog omzichtiger stond hij andermaal op en onhoorbaar verdween hij, om de lawang van Senawa op te zoeken.
Nauwelijks echter was hij weg, of ook in den schijnbaar zoo vast slapenden Marti kwam leven. Hij schoof voort in de richting, waarin hij Amat had zien verdwijnen. Bij de lawangs gekomen, luisterde hij aan de dunne wanden en sloop toen weer behoedzaam verder, tot hij gemompel van een paar mannenstemmen vernam. Het kwam uit de lawang van Senawa....
Hij strekte zich languit op den vloer en drukte het oor tegen den dunnen wand. Zoo bleef hij geruimen tijd onbeweeglijk liggen luisteren. Eindelijk scheen hij genoeg te hebben verstaan. Even behoedzaam als hijgekomen was, gleed hij terug naar de plaats, waar Kees nog altijd rustig lag te slapen, en strekte zich weer op zijn mat uit.
Eenige oogenblikken later sloop ook Amat terug naar zijn legerstede. Hij keek eens naar de beide slapende mannen en legde zich ter ruste.
Geruimen tijd daarna kwam er weer beweging in Marti. Langzaam schoof hij in de richting van Kees, tot hij ten slotte vlak naast dezen lag.
Toen begon hij hem voorzichtig te wekken.
»Stil, heer!”fluisterde hij. »Houd u slapende. Ik heb u iets te vertellen; doch zorg vooral, dat we niet gehoord worden.”
Hoewel Kees eenigszins verschrikt was, kon hij zich beheerschen en zich slapende houden.
Hij draaide het hoofd naar Marti en deze begon aan zijn oor te fluisteren:
»U moet vooral geen geluid maken, Amat ligt hier niet zoo heel ver af. Als die ons bemerkte, zou alles te laat zijn. Nu is er misschien nog redding mogelijk.”
Kees had met verbazing toegeluisterd en niets van Marti begrijpend, vroeg hij zoo stil mogelijk:
»Wat is er? Je doet me schrikken.”
»U moet weten, heer, dat ik Amat niet erg vertrouwde; al een paar malen had ik gemerkt, dat hij met Senawa sprak doch dadelijk zweeg, als ik er bij kwam. Dat beviel me niet, en ik besloot hem in ’t oog te houden.
Zoo kon ik afluisteren, dat ze van avond, als wij sliepen, elkaar zouden ontmoeten in de lawang van Senawa. Ik bleef dus wakker, ten einde te trachtendat gesprek te beluisteren. Dat is me gelukt. Ik heb me slapende gehouden, totdat Amat naar Senawa ging; toen ben ik hem nageslopen. Kunt u me verstaan, heer?”
»Ja, verder.”
»Ik hoorde, dat Amat alle moeite deed om Senawa’s argwaan tegen u op te wekken. Hij zei hem, dat u later zeker terug zou komen met soldaten, als u eerst in dit land den weg maar kende. Hij raadde Senawa aan, ons te doen vermoorden.”
»En toen?” vroeg Kees ademloos.
»Senawa zeide, dat hij dit nooit durfde. Hij was bang voor de wraak van de Kompenie. Toen gaf Amat den raad, ons op een andere wijze onschadelijk te maken, door de djaloer te laten omslaan of zoo iets. Ook dat durfde Senawa niet. Ten slotte heeft Amat hem bepraat, om aan den gids en den drager te zeggen, dat ze ons een geheel verkeerden weg moesten wijzen en ons dan in de wildernis te verlaten, zoodat wij van honger moeten omkomen.”
»Waarom heeft die valsche Maleier dat gedaan?” vroeg Kees, bevend van machtelooze woede.
»Dat is me een raadsel, heer. Maar al een paar dagen had ik een gevoel van wantrouwen tegen hem.”
»Ik heb dien schurk nooitvertrouwd!” fluisterde Kees terug.
»In ieder geval moeten we vluchten, heer. Zoowel Amat als Senawa willen ons doen verdwijnen. Als hun plan niet gelukt, zullen ze zich op andere wijze van ons trachten te ontdoen. Dan zou Senawa ten slotte ook niet voor een moord terugdeinzen.”
»We kunnen niet vluchten, Marti. Waar zouden we heen moeten gaan in den stikdonkeren nacht!”
Kees zuchtte. Al zijn schoone droomen, die hij bijna verwezenlijkt dacht, zag hij plotseling in nevelen opgaan.
»Ik weet misschien iets, heer! We laten morgenvroeg niets merken, en gaan heel gewoon weg, zooals afgesproken is. Zoodra we op de rivier zijn, trachten we ons van de beide mannen te ontdoen. Dan laten we ons zoo snel mogelijk de Soengei Sibaoe afzakken. Misschien gelukt dit plan. Zoo niet, dan zijn we verloren; maar dat zijn we toch ook als we niets doen.”
»Dat is een goed plan, Marti. Laat ons nu alles precies afspreken, zoodat we beiden nauwkeurig weten, hoe te handelen.”
Lang nog fluisterden de twee mannen, telkens angstig zwijgend, als ze eenig gerucht meenden te hooren.
Toen eindelijk alles nauwkeurig was vastgesteld, schoof Marti naar zijn mat terug en strekte zich uit om nog wat te rusten. Maar nòch hij, nòch Kees kon dien nacht slapen en ze waren dankbaar, toen eindelijk de morgenschemering aanbrak.
Weldra hadden de twee Dajaks, die hen zouden vergezellen, zich aangemeld.
Senawa wenschte hen een goede reis.
Het kostte Kees moeite, een vriendelijk gezicht te zetten tegen den valschen Dajak. Hij wist zich echter te beheerschen. En nog grooter was zijn inspanning om niet in drift uit te barsten, toen de trouwelooze verrader Amat verscheen, om hem op kruiperige wijze vaarwel te zeggen. Hij had hem wel neer willen schietenals een hond, maar de omstandigheden dwongen tot de uiterste zelfbeheersching.
Toen verlieten ze het dorp Metoedjoe.
Zoowel Kees als Marti verkeerde in de grootste spanning. Ofschoon ze hun gedragslijn zoo goed mogelijk hadden bepaald, bleef de mogelijkheid niet uitgesloten, dat er onverwachte beletselen zouden komen. En dan.... hun geheele toekomst was in hooge mate onzeker.
Weldra hadden ze de pangkalan bereikt. De mannen brachten de levensmiddelen en de wapens in de voor de reis bestemde djaloer.
Kees en Marti namen daarop in het bootje plaats. De eerste gelastte den eenen Dajak de rottan, waarmee het aan een boomtak bevestigd was, los te maken. De andere Dajak belette het vaartuig weg te drijven door eenige overhangende takken vast te houden.
Toen de Dajak, die het bootje losgemaakt had, in het water stapte om nu ook in de djaloer te komen, gaf Marti plots den anderen, die op den rand van het vaartuigje stond, een hevigen stoot, zoodat de man, die op zoo’n onverhoedschen aanval in ’t geheel niet bedacht was, voorover in de rivier tuimelde....
Onmiddellijk stuurde Kees het vaartuigje, dat door den stroom meegevoerd werd, naar het midden van de rivier, waar de stroom nog sterker was.
Ook Marti had onmiddellijk een dajong ter hand genomen en beiden begonnen te pagaaien en te sturen, hetgeen hard noodig was, daar de boot reeds bedenkelijk in den stroom begon te draaien.
De beide Dajaks stonden verbluft te kijken. Blijkbaar begrepen ze eerst niets van hetgeen er eigenlijk gebeurd was. Weldra drong het echter tot hen door, dat ze leelijk beet genomen waren. Ze zagen, dat de djaloer zich snel stroomafwaarts bewoog en dat de beide inzittenden uit alle macht roeiden, om zoo spoedig mogelijk voort te komen.
zoodat de man voorover in de rivier tuimelde.zoodat de man voorover in de rivier tuimelde.
zoodat de man voorover in de rivier tuimelde.
De Dajaks sprongen aan land. Daar keken ze een oogenblik met onheilspellende blikken de vluchtendenna, uitten een paar dreigende kreten en verdwenen inderhaast in het bosch.
»Ze gaan de anderen waarschuwen,” zei Kees.
»Ze hebben twee uur noodig, om in de booten te kunnen zijn. Het is meer dan een uur loopen naar Metoedjoe,” antwoordde Marti.
»Dat is zoo. We hebben een mooien voorsprong. Toch zullen we zoo hard mogelijk moeten roeien, anders halen ze ons toch nog in. In de grootere booten kunnen ze met zes of acht man roeien. Ook is er mogelijkheid, dat ze de rivierbochten afsnijden.”
Marti keek eens naar de oevers. Het was waar! de oeverlanden stonden hier en daar diep onder water, tengevolge der vele regens. Voor de Dajaks zou het nu gemakkelijk zijn, daar zij het terrein kenden, door het bosch heen de vele en groote bochten in de rivier af te snijden.
»Ja, heer, dat zullen ze zeker doen. Doch voor ons is het niet gewenscht. We kennen de rivier niet en zouden met zoeken misschien veel kostbaren tijd verliezen.”
»Dat dunkt mij ook. We zullen onze twee uren voorsprong maar gebruiken, door zoo hard mogelijk te roeien.”
De beide vluchtelingen werkten met de uiterstekrachtsinspanning, om hun bootje de grootst mogelijke snelheid te geven. Dat was een zeer gevaarlijk werk. Het bruine water, dat groote hoeveelheden takken en bladeren meesleurde, schoot met groot geweld, al schuimend en draaikolken vormend, om de vele hoeken en bochten heen. Al hun stuurmanskunst werd vereischt,om te voorkomen, dat het ranke vaartuigje tegen de steenige oevers gesmeten en verpletterd werd of in een draaikolk verdween.
Plotseling schreeuwde Marti:
»Een riam!”
Kees zette zich schrap, teneinde de djaloer zonder letsel door die stroomversnelling heen te kunnen sturen. Het was een spannend oogenblik. Nòg sneller werd de vaart van den djaloer; nòg wilder schuimde en bruiste ’t water;nògdreigender wielden en zogen de draaikolken, waarin de grootste takken, als door een onzichtbare hand omlaaggetrokken, spoorloos verdwenen.
Daar was het gevaarlijke punt bereikt.
Plotseling schoot de djaloer met bliksemsnelheid vooruit. Het bootje kreeg een hevigen schok, zoodat Kees er bijna uitgeslingerd werd. Een groote golf sloeg over de lage boorden en onmiddellijk daarop bemerkten Kees en Marti, dat ze zich weer in wat rustiger stroom bevonden. Ze waren de riam gepasseerd.
»Dat is gelukt!” riep Kees met een zucht van verlichting, terwijl Marti zich haastte, het binnengeplaste water uit te hoozen.
»Het scheelde niet veel, of we hadden er ’t hachje bij in geschoten. De djaloer heeft een flinken stoot gekregen! Zeker tegen een steen gebonsd! Bespeur je geen lek?”
»Neen, heer, gelukkig niet! Toch hoop ik, dat er niet veel zulke riams zijn. Daar tegen is het bootje op den duur niet bestand.”
»Opletten! Daar liggen boomstammen.”
Weer was de uiterste inspanning noodig, om deze nieuwe beletselen te overwinnen.
Zoo ging het den ganschen morgen. Meermalen verkeerden de vluchtelingen in dreigend doodsgevaar.
Slechts nu en dan, wanneer ze zich op een vrij recht gedeelte van de rivier bevonden, konden ze eenige woorden wisselen. Ook dit deden ze ten laatste niet meer. Het was eerst middag; maar beiden waren ze, door het zware werk en de voortdurende onzekerheid en angst,reeds doodmoe.
Op een gegeven oogenblik verbrak Kees plotseling het langdurig zwijgen: »Nu weet ik het!”
Verwonderd keek Marti op.
»Wat weet u, heer?”
»Wie die Amat is, die ons zoo valsch heeft verraden. Ik dacht al, dat ik hem meer gezien had. Nu schiet het mij te binnen.”
»Wie is het dan?”
»De gewezen bediende van mijn gestorven vriend, den diamantzoeker. Ik herinner me, dat ik hem éénmaal in diens huis gezien heb, toen ik hem kort voor zijn dood bezocht.”
»Maar waarom heeft hij u dan verraden, heer?”
»Ik vrees, Marti, dat hij het geheim van de diamanten ook weet. Vermoedelijk heeft hij wat Hollandsch gekend en het gesprek tusschen mij en zijn meester genoegzaam kunnen volgen, om te weten, waar het over ging. Dáárom moest hij naar het land der Sibaoe’s en daarom wilde hij mij verhinderen, naar de Soengei Tekoeng te gaan.”
»Hoe is het mogelijk heer!” riep Marti uit.
»Het is de eenige verklaring, die ik voor al het gebeurde kan vinden.”
»Ja, heer, zoo zal het gegaan zijn. En nu zal die Amat wel zelf naar de Soengei Tekoeng gaan, om de diamanten te halen.”
»De schurk!” siste Kees.
Nog eenigen tijd verdiepten ze zich in hun vermoedens. Toen liet de vermoeidheid zich weer geducht voelen. Kees dacht er over een geschikte plek te zoeken, om even uit te rusten. Terwijl hij met dit doel een onderzoekenden blik wierp op de oevers, klonken er plotseling door het bosch schelle kreten.
»De Sibaoe’s?” riepen ze doodelijk verschrikt.
Door de gevaren van hun tocht en later door hun gesprekken over Amat, hadden ze het gevaar, dat nog altijd van de zijde der Dajaks dreigde, geheel vergeten. Maar de koppensnellers waren hen niet vergeten en herinnerden hen door hun rauw geschreeuw aan hun afschuwelijk voornemen.
Wat nu?
VIII. De vervolging.Weer klonken de kreten, die hen zoo hadden doen schrikken. Daar zagen ze eensklaps om een bocht der rivier achter zich een tweetal booten, ieder met een zestal Dajaks bemand, snel op zich afkomen.Kees stiet een verwensching uit.»Roeien, Marti! Anders gaat onze kop er af!”Maar het roeien hielp niet veel. Ze hadden hun handen vol met sturen. Toch naderden de Dajaks nu niet dichter. Waar zaten ze nu? Hadden ze zich aan den oever begeven? Waanden ze zich zeker van hun prooi en zouden ze deze door het bosch heen den pas afsnijden?Neen, ze waren toch nog op de rivier. Af en toe kreeg men ze in ’t vizier. Meestentijds waren ze door het dichte bosch aan ’t oog onttrokken. Beangstigend was die herhaalde onzichtbaarheid der vervolgers! Steeds vreesden de beide mannen dan in een hinderlaag te vallen.Eindelijk zei Kees: »Als ze zich weer vertoonen zal ik schieten, Marti.” En hij maakte zijn geweer in orde.»Ze hebben zelf ook een geweer, heer.”»Jawel, maar het mijne draagt veel verder en schiet veel zuiverder. Als ik er een paar neergelegd heb, geven ze misschien de jacht op.”Toen ze kort daarop weer een bocht omvoeren, hoorden ze het geschreeuw opnieuw achter zich. Toen de vervolgers weer te voorschijn kwamen, was de afstand veel kleiner geworden.Kees maakte toebereidselen om te schieten. Terwijl hij met zijn geweer bezig was, keek Marti achterom en bemerkte, dat een der Dajaks in de voorste boot eveneens van plan was te schieten.»Schiet, heer!” riep hij angstig.Kees mikte en gaf vuur.»Geraakt!” juichte Marti, die het roeien een oogenblik gestaakt had, om de uitwerking te zien.De Dajak sprong plotseling hoog op, liet zijn geweer vallen en tuimelde in de rivier. Onmiddellijk werd hij door den stroom gegrepen en verdween in het schuimende water.Oogenblikkelijk hielden de anderen op met roeien en verborgen zich onder de afhangende takken van den oever.Zouden ze de vervolging opgeven?De beide vluchtelingen hoopten in ieder geval weer een voorsprong te krijgen. Ze roeiden zoo krachtig mogelijk, doch het ging niet te best. Ze waren doodmoe. Bovendien werden ze telkens opgehouden door boomstammen, die de rivier bijna over de geheele breedte versperden.Geen van beiden wist van uur of tijd. Het ging om hun leven! Ze roeiden, roeiden....Spreken deden ze niet. Af en toe wisselden ze kort en beslist een enkele opmerking of waarschuwing betreffende hindernissen in den stroom. Ze roeiden maar! De eenige mogelijkheid om het veege leven te redden!Eensklaps herinnerde Kees zich een opmerking van Jan Verveer. Een nieuwe angst greep hem aan.»Er moet in deze rivier ergens een waterval zijn! Zouden we daar al dicht bij zijn? Zouden we er met dezen waterstand overheen komen?”»De oevers zien er hier nog niet naar uit, heer. Het aangrenzende land is vrij laag. Als de bodem hoog en rotsachtig wordt, moeten we scherp uitkijken. Dan moeten we de boot over land langs den waterval sleepen en een eind benedenwaarts weer te water gaan.We kunnen er onmogelijk door heen sturen; de stroom is te woest en te sterk gezwollen.”Kees was het geheel met Marti eens. Hij zweeg, om nu weer al zijn aandacht aan het besturen van de djaloer te wijden.Eenige oogenblikken verliepen.Daar hoorden ze plotseling weer het moordzuchtig geschreeuw hunner vervolgers. Deze hadden dus de jacht niet opgegeven. Omziende bemerkten ze, dat de Dajaks hun weer dicht op de hielen zaten.»Schiet, heer!”»Even geduld,” antwoordde Kees.»De afstand is nog te groot. Ik wil geheel zeker zijn van mijn schot. Elke treffer maakt indruk op die duivels!”Ze bepaalden er zich voorloopig toe, de Dajaks goed in ’t oog te houden, ten einde van elk gunstig oogenblik een goed gebruik te kunnen maken.Maar de djaloers der Dajaks bleven voortdurend op denzelfden afstand. Wat beteekende dat? Welke duivelsche list school daarachter? Al weer een martelende onzekerheid! Bijna wenschte Kees, dat ze maar liever tot den aanval overgingen. Dan wist hij, waaraan hij zich te houden had! Dan kon hij handelen!Op een gegeven oogenblik constateerde Marti, dat de oevers weer wat hooger werden. Kees zag, dat het lage land blijkbaar overging in heuvelland. De oevers waren niet meer overstroomd, doch staken duidelijk boven het water uit. Scherp teekende de rivier zich af. Nu behoefden ze niet meer bevreesd te zijn, dat de Dajaks door het ondergeloopen bosch met hun djaloers een bocht zouden kunnen afsnijden.Steeds hooger werden de oevers. Hier en daar vertoonden ze vrij steile rotswanden. De rivier werd smaller, de stroom sterker. Een nieuw gevaar! De boot zou verpletterd worden, wanneer zij door den krachtigen stroom tegen de steenachtige oevers geslingerd werd.De booten van de Dajaks bleven intusschen denzelfden afstand bewaren. Nu en dan klonken een paar schelle kreten door de lucht. De kerels schenen een satanisch genot te hebben in de jacht. Ze martelden hun prooi, waarvan ze zich zeker waanden.»Ze zullen wachten tot den nacht. Dan besluipen ze ons, als we aan wal zijn,” zei Kees. »Zouden we niet dóór kunnen roeien?”»Neen, heer! dat is onmogelijk! Er is geen maan en we zouden in het duister stellig tegen de rotsen geslingerd worden. We hebben nù al de grootste moeite om de boot in den stroom te houden. Er komen waarschijnlijk ook nog riams. En dan die waterval! Neen, dat is onmogelijk!”»Dan vrees ik, dat ze den nacht afwachten. Wat zouden ze anders in hun schild voeren?”»We kunnen ten minste niet gaan slapen, heer, en moeten duchtig de wacht houden. Bij het minste verdachte geluid moeten we schieten. Dan blijven ze misschien op een afstand.”Weer roeiden ze geruimen tijd voort en keken ten slotte bijna niet meer om naar hun vervolgers, die toch niet naderbij kwamen.Plotseling echter werden ze opgeschrikt door een woedend gehuil en gebrul, dat veel sterker klonk dante voren. Ze keken om. Daar zagen ze, dat nog een vijftal grootere djaloers zich bij de vervolgers had aangesloten. Naar schatting waren er nu wel een zestigtal vijanden!»We zijn verloren!” riep Marti geheel moedeloos. Hij scheen den wedstrijd te willen opgeven.»Roeien!” gilde Kees. De angst gaf hem vernieuwde kracht.»Vergeefsch, heer!” zei Marti somber. »In elke boot zitten acht of tien roeiers. Zij vorderen veel sneller dan wij. En u kunt ze toch niet allemaal neerschieten. Wij zijn reddeloos verloren!”»Die duivels hebben op versterking gewacht!” siste Kees woedend tusschen zijn tanden. »Nu durven ze wel!”Hij gaf de revolver aan Marti.»Hier is de revolver! Er zitten zes patronen op! Je kunt er zes neerschieten, voor ze je grijpen! Ik voor mij zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen!”»Ze zullen ons snellen, heer!” jammerde Marti.»Wat kan mij dat schelen, als ik toch dood ben!” gromde Kees nijdig terug.»Maar ik kom zonder hoofd niet in den hemel van Allah!”»Daar kom je toch niet in, als je zoo bang bent. Allah houdt niet van lafaards!” dreigde Kees.Deze woorden maakten eenigen indruk op de ziel van den Mohammedaan. Dan zou hij maar trachten, zonder hoofd in zijn hemel te komen door dapper te vechten.Al korter werd de afstand tusschen de beide partijen.Het triomfantelijk geschreeuw van de Dajaks klonk de beide vluchtelingen tergend in de ooren.Ontzettend was de spanning, waarin ze verkeerden. Ze vergaten op te merken, dat de rivier nog smaller, de oevers nog steiler en rotsachtiger werden.Daar.... plotseling!.... vlak voor zich zag Kees een witte streep over de geheele breedte van de rivier. Schuim was het! Daar ziedde het water met onweerstaanbare kracht tegen de uit de bedding omhoogstekende rotsen aan.»De waterval!” gilde hij.Marti keek onverschillig op en zei met doffe berusting: »Nu verdrinken we. Dat is tenminste beter dan gesneld te worden door dat ontuig.”Een oogenblik flitste het Kees door zijn brein, om aan land te gaan en de boot over den wal heen te sleepen. Maar dan vielen ze in de handen der Sibaoe’s. Dan maar liever te gronde gaan in het woeste water van de rivier. Beter dat de natuur hen tot zich nam, dan dat die menschelijke duivels hen vermoordden.»Houd je vast, Marti! Let op! Stuur rechtuit!.... Daar gaan wij....!”Als of een onzichtbare reuzenhand plotseling het ranke vaartuigje had aangegrepen schoot het voorwaarts, pijlsnel voorwaarts door het woedende water. Sturen was ondoenlijk! Doodsbleek, de oogen star gericht op den waterval, wachtten ze het noodlot af. Krampachtig klemden ze hun handen om de randen van de boot!Daar waren ze op de plek! Kees sloot de oogen,bereid zich in de armen van den dood te werpen. Donderend loeide het water tegen de rotsen. Een ondeelbaar oogenblik bevonden ze zich in een wolk van rillend schuim. Op hetzelfde oogenblik werden ze met boot en al opgeheven. Toen smakten ze neer in de diepte....Snel als de gedachte was de djaloer onverlet over de rotsen heen geschoten en gleed voorwaarts in het lagere gedeelte van de rivier. De mannen zaten versuft te kijken, nog altijd de handen om de boorden geklemd.Kees herkreeg het eerst zijn bezinning. De djaloer stond vol water.»Hoozen, Marti!”Marti ontwaakte nu ook uit zijn verdooving.Ze hadden nog juist den tijd het water uit te hoozen, anders zou de boot zijn gezonken.Terwijl ze hier mee bezig waren, herinnerden ze zich plotseling hun vervolgers. Ze wendden de oogen naar den waterval, die nog goed zichtbaar was. Daar zagen ze, wat er met de Dajaks gebeurde....In het vuur der vervolging, zich zeker wanende van hun prooi, hadden deze blijkbaar niet op de rivier gelet. Daardoor waren ze veel dichter bij de waterval gekomen, dan ze gedacht hadden.Eensklaps zagen ze het bootje van Kees en Marti tusschen de steenen door in den ziedenden stroom verdwijnen. Nu eerst beseften ze hun eigen gevaarlijken toestand. Ze stelden krachtige pogingen in ’t werk, om den oever te bereiken. Te laat! De sterke stroom had de djaloers dicht opeen gedreven. De vrij lange vaartuigenhadden nu geen voldoende ruimte, om zich naar willekeur te bewegen. Machteloos stormden ze voorwaarts.Een der booten werd dwars in den stroom gesleurd.Werden ze tegen de rotsen verpletterd.Werden ze tegen de rotsen verpletterd.Onmiddellijk daarna zagen Kees en Marti met ontzetting, hoe de djaloers hunner vijanden wild door elkaar werden geworpen. Met reuzenkracht werden ze tegen de rotsen verpletterd. Gelijk een zaaier het koren strooit, zoo werden de roeiers eruit geslingerd.Een oogenblik klonken vreeselijke doodskreten door de lucht. Toen waren de Dajaks spoorloos verdwenen in de wielende draaikolken beneden den waterval.Alles was beslist. Slechts enkele seconden waren voor dit vreeselijk drama noodig geweest. Geen geluid werd meer vernomen dan het donderend geraas van het neerstortend water.Ademloos hadden Kees en Marti toegezien. Toen werd het hoog tijd, dat ze weer aan hun eigen toestand dachten. De boot begon bedenkelijk in den stroom te draaien. Wee hunner, wanneer het vaartuig dwars in de rivier kwam te liggen!Sprakeloos en bleek van de geweldige gemoedsbeweging, waaraan ze ten prooi waren geweest, togen ze aan het werk. Geruimen tijd later, toen ze de boot weer geheel in hun macht hadden en geregeld verder voeren op het nu betrekkelijk nog al kalme water, zei Marti:»We zijn gered. Geloofd zij Allah! Hij heeft ons geholpen.”»Ja,” zei Kees met een hartgrondigen zucht,»ik geloof nu ook, dat we gered zijn.”»Ze zijn allen dood,” vervolgde Marti.Zwijgend roeiden zij nog een tijdje verder.Toen kwam de ontspanning en voelden ze, dat ze nu van uitputting niet meer konden.»We zullen aan den volgenden hoek aanleggen, Marti, ik ben doodop.”Marti knikte bevestigend met het hoofd, doch scheen te lusteloos om een woord te zeggen.»Onze vijanden zijn nu dood. Het is noodig, datwe rust en voedsel krijgen,” vervolgde Kees. Onwillekeurig keek hij nog eens achter zich. De schrik zat er nog in. Het was alsof zijn beangste verbeelding nog een nagalm hoorde van de dreigende kreten der vervolgers. Maar de rivier lag verlaten en stil en voerde haar prooi mee, misschien ver, ver weg—naar de zee.Intusschen was de hoek weldra bereikt. Kees stuurde de boot naar den wal, die hier zandig en heuvelachtig was. Meer landwaarts in verhieven zich vrij hooge heuvels, met zware bosschen begroeid.Het duurde maar kort, en beide mannen lagen languit onder de schaduw der boomen en zonken weg in een zwaren, diepen slaap.Na een paar uur ontwaakte Kees. Hij bemerkte, dat de avond reeds begon te vallen. De plek leek hem zeer geschikt om er meteen maar te overnachten.Hij wekte Marti en droeg hem op, rijst te koken.Een oogenblik later kwam Marti met een bedrukt gezicht naar hem toe en zei:»Heer, al onze rijst is nat geworden. Morgen zal alles bedorven zijn. Het beste is, dat ik voor morgen ook maar kook. Dan hebben we dien dag ten minste eten. Maar hoe het dan verder moet, weet ik niet.”»Dan moeten we maar weer een paar dagen honger lijden. Ik hoop echter, dat we spoedig menschen zullen ontmoeten.”»Als het dan maar geen koppensnellers zijn, heer; daar heb ik mijn bekomst van.”»Dat moeten we afwachten! Maar Sibaoe-dajaks zullen het in ieder geval niet zijn.”Terwijl Marti kookte, ging Kees op verkenning uit. Hij beklom één der hoogere heuvels. Op den top gekomen, ontwaarde hij in ’t Noorden hooge bergketens. Naar het Westen en Oosten bespeurde hij ook bergland, doch in het Zuiden waren geen bergtoppen te zien. Hij begreep, dat de rivier zich hier een weg gebaand had door de zuidelijke uitloopers van het gebergte. Daar de rivier naar het Zuiden stroomde, had men het gebergte dus geheel achter den rug. Bevredigd daalde hij den heuvel weer af. Alleen de vraag, hoe aan voedsel te komen, als ze niet spoedig bewoonde oorden bereikten, stemde hem minder gerust.Bij zijn terugkomst deelde hij aan Marti zijn bevindingen mede. Nu overlegden ze, hoe verder te handelen.Het eenvoudigste was, de rivier slechts af te varen. Doch Kees herinnerde zich, dat zijn vriend Verveer, de diamantzoeker, hem indertijd had gewaarschuwd voor uitgestrekte en in hooge mate ongezonde moerassen. Deze streken wilde hij dus liefst vermijden.»We kunnen in ieder geval doorvaren, zoolang de oevers nog heuvelachtig zijn en dan zien,” besloot Kees.»Komen we nog bij de Kenjaoe’s terug, heer?” vroeg Marti aarzelend.»Ik denk het niet. Waarom zouden we daarheen gaan? Het lijkt mij het verstandigst, zoo gauw mogelijk naar huis te gaan. De diamanten zijn toch verloren. Die zullen wel in bezit komen van den verrader, Amat. Ik hoop, dat de Sibaoe’s hem snappen en zijn kop afslaan.”»Misschien konden we hier vandaan gemakkelijk bijde Kenjaoe’s komen. Als we in hun land zijn, weten we den weg naar huis.”»Daar is wel iets van aan!” zei Kees nadenkend.»En dan is er nog iets, heer,” ging Marti verlegen voort. Hij had blijkbaar nog iets op ’t hart. »Ik heb u niet alles verteld, wat ik heb afgeluisterd.”»Spreek duidelijk, Marti,” zei Kees streng.»Vergeef me, heer, dat ik u iets verzweeg. Ik was zoo bang... ik dacht alleen aan de gevaren, die òns bedreigden.... Ik dacht.... ik meende....”»Spreek niet langer in raadselen. Zeg, wat je weet!” beval Kees.»Allah heeft ons gered, vandaag!” zei Marti plechtig.... »Ik geloof, dat ik alles zeggen moet, om anderen ook te redden.”»Anderen? Wat anderen? Wie dan toch?”»De Kenjaoe-dajaks, heer!”»Zijn de Kenjaoe’s dan in gevaar?” vroeg Kees met steeds toenemende verbazing.»Ja, heer! Toen ik het gesprek der Dajaks afluisterde, bleek me, dat Senawa behalve met ons, ook met anderen wilde afrekenen. Het was noodzakelijk ons zoo spoedig mogelijk te doen verdwijnen met het oog op de andere plannen.”»En welke plannen dan?”»Is het u niet opgevallen, dat er in ’t huis van Senawa zooveel mannen waren? Veel meer dan er woonden! Hebt u er wel aandacht aan geschonken, dat allen zwaar bewapend waren en soelauw-baadjes droegen? Dat alles wijst er op, dat ze een sneltocht zullen ondernemen. En uit hetgeen ik opving, kon ikopmaken, dat de voorgenomenmengajaoe-tochtgemunt was op de Kenjaoe’s.”»Arme kerels!” riep Kees medelijdend uit.»Maar waarom heb je dat niet eerder gezegd, Marti?”»Ik vreesde, dat u dan pogingen zou doen, omPetinggiDatoek te waarschuwen en daar ik van alle avonturen genoeg had, zag ik daartegen op,” bekende Marti verlegen.»En wat wou je nu?” vroeg Kees.»Zooals ik u reeds zei, heer; Allah heeft ons gered. Ik heb er over nagedacht en nu geloof ik, dat onze redding een vingerwijzing van Allah is, om die arme Kenjaoe’s te waarschuwen. Daarom wilde ik toch gaarne naar hun land terug. Zou dat hier vandaan niet mogelijk zijn?”»Ik denk het wel! Het ligt ten Noordwesten van de streek, waar we nu zijn. Als we morgen nog een eind de rivier afzakken en dan naar het Noord-Westen loopen, zullen we er wel kunnen komen. Mijn eenige zorg is het gebrek aan rijst. Bovendien weet ik niet hoelang de tocht moet duren....Maar ik vind toch ook, dat wePetinggiDatoek moeten waarschuwen; dat is onze plicht! De Kenjaoe’s hebben ons vriendelijk ontvangen en flink geholpen. Wij mogen hen niet in den steek laten.”Marti betuigde zijn ingenomenheid met dit besluit.»En nu gaan we slapen,” zei Kees. »Gevaar zal hier wel niet zijn; we zullen dus maar geen wacht houden.”Voor de zooveelste maal spreidden ze hun leger van bladeren en legden zich neer onder het zwareloover van het oerwoud. Bijna onmiddellijk sliepen ze in en zonken ze weg in de diepten, waar geen droomen zijn.Zoo rustten ze den ganschen nacht, ongestoord, tot de zonsopgang van den komenden nieuwen dag.
Weer klonken de kreten, die hen zoo hadden doen schrikken. Daar zagen ze eensklaps om een bocht der rivier achter zich een tweetal booten, ieder met een zestal Dajaks bemand, snel op zich afkomen.
Kees stiet een verwensching uit.
»Roeien, Marti! Anders gaat onze kop er af!”
Maar het roeien hielp niet veel. Ze hadden hun handen vol met sturen. Toch naderden de Dajaks nu niet dichter. Waar zaten ze nu? Hadden ze zich aan den oever begeven? Waanden ze zich zeker van hun prooi en zouden ze deze door het bosch heen den pas afsnijden?
Neen, ze waren toch nog op de rivier. Af en toe kreeg men ze in ’t vizier. Meestentijds waren ze door het dichte bosch aan ’t oog onttrokken. Beangstigend was die herhaalde onzichtbaarheid der vervolgers! Steeds vreesden de beide mannen dan in een hinderlaag te vallen.
Eindelijk zei Kees: »Als ze zich weer vertoonen zal ik schieten, Marti.” En hij maakte zijn geweer in orde.
»Ze hebben zelf ook een geweer, heer.”
»Jawel, maar het mijne draagt veel verder en schiet veel zuiverder. Als ik er een paar neergelegd heb, geven ze misschien de jacht op.”
Toen ze kort daarop weer een bocht omvoeren, hoorden ze het geschreeuw opnieuw achter zich. Toen de vervolgers weer te voorschijn kwamen, was de afstand veel kleiner geworden.
Kees maakte toebereidselen om te schieten. Terwijl hij met zijn geweer bezig was, keek Marti achterom en bemerkte, dat een der Dajaks in de voorste boot eveneens van plan was te schieten.
»Schiet, heer!” riep hij angstig.
Kees mikte en gaf vuur.
»Geraakt!” juichte Marti, die het roeien een oogenblik gestaakt had, om de uitwerking te zien.
De Dajak sprong plotseling hoog op, liet zijn geweer vallen en tuimelde in de rivier. Onmiddellijk werd hij door den stroom gegrepen en verdween in het schuimende water.
Oogenblikkelijk hielden de anderen op met roeien en verborgen zich onder de afhangende takken van den oever.
Zouden ze de vervolging opgeven?
De beide vluchtelingen hoopten in ieder geval weer een voorsprong te krijgen. Ze roeiden zoo krachtig mogelijk, doch het ging niet te best. Ze waren doodmoe. Bovendien werden ze telkens opgehouden door boomstammen, die de rivier bijna over de geheele breedte versperden.
Geen van beiden wist van uur of tijd. Het ging om hun leven! Ze roeiden, roeiden....
Spreken deden ze niet. Af en toe wisselden ze kort en beslist een enkele opmerking of waarschuwing betreffende hindernissen in den stroom. Ze roeiden maar! De eenige mogelijkheid om het veege leven te redden!
Eensklaps herinnerde Kees zich een opmerking van Jan Verveer. Een nieuwe angst greep hem aan.
»Er moet in deze rivier ergens een waterval zijn! Zouden we daar al dicht bij zijn? Zouden we er met dezen waterstand overheen komen?”
»De oevers zien er hier nog niet naar uit, heer. Het aangrenzende land is vrij laag. Als de bodem hoog en rotsachtig wordt, moeten we scherp uitkijken. Dan moeten we de boot over land langs den waterval sleepen en een eind benedenwaarts weer te water gaan.We kunnen er onmogelijk door heen sturen; de stroom is te woest en te sterk gezwollen.”
Kees was het geheel met Marti eens. Hij zweeg, om nu weer al zijn aandacht aan het besturen van de djaloer te wijden.
Eenige oogenblikken verliepen.
Daar hoorden ze plotseling weer het moordzuchtig geschreeuw hunner vervolgers. Deze hadden dus de jacht niet opgegeven. Omziende bemerkten ze, dat de Dajaks hun weer dicht op de hielen zaten.
»Schiet, heer!”
»Even geduld,” antwoordde Kees.»De afstand is nog te groot. Ik wil geheel zeker zijn van mijn schot. Elke treffer maakt indruk op die duivels!”
Ze bepaalden er zich voorloopig toe, de Dajaks goed in ’t oog te houden, ten einde van elk gunstig oogenblik een goed gebruik te kunnen maken.
Maar de djaloers der Dajaks bleven voortdurend op denzelfden afstand. Wat beteekende dat? Welke duivelsche list school daarachter? Al weer een martelende onzekerheid! Bijna wenschte Kees, dat ze maar liever tot den aanval overgingen. Dan wist hij, waaraan hij zich te houden had! Dan kon hij handelen!
Op een gegeven oogenblik constateerde Marti, dat de oevers weer wat hooger werden. Kees zag, dat het lage land blijkbaar overging in heuvelland. De oevers waren niet meer overstroomd, doch staken duidelijk boven het water uit. Scherp teekende de rivier zich af. Nu behoefden ze niet meer bevreesd te zijn, dat de Dajaks door het ondergeloopen bosch met hun djaloers een bocht zouden kunnen afsnijden.
Steeds hooger werden de oevers. Hier en daar vertoonden ze vrij steile rotswanden. De rivier werd smaller, de stroom sterker. Een nieuw gevaar! De boot zou verpletterd worden, wanneer zij door den krachtigen stroom tegen de steenachtige oevers geslingerd werd.
De booten van de Dajaks bleven intusschen denzelfden afstand bewaren. Nu en dan klonken een paar schelle kreten door de lucht. De kerels schenen een satanisch genot te hebben in de jacht. Ze martelden hun prooi, waarvan ze zich zeker waanden.
»Ze zullen wachten tot den nacht. Dan besluipen ze ons, als we aan wal zijn,” zei Kees. »Zouden we niet dóór kunnen roeien?”
»Neen, heer! dat is onmogelijk! Er is geen maan en we zouden in het duister stellig tegen de rotsen geslingerd worden. We hebben nù al de grootste moeite om de boot in den stroom te houden. Er komen waarschijnlijk ook nog riams. En dan die waterval! Neen, dat is onmogelijk!”
»Dan vrees ik, dat ze den nacht afwachten. Wat zouden ze anders in hun schild voeren?”
»We kunnen ten minste niet gaan slapen, heer, en moeten duchtig de wacht houden. Bij het minste verdachte geluid moeten we schieten. Dan blijven ze misschien op een afstand.”
Weer roeiden ze geruimen tijd voort en keken ten slotte bijna niet meer om naar hun vervolgers, die toch niet naderbij kwamen.
Plotseling echter werden ze opgeschrikt door een woedend gehuil en gebrul, dat veel sterker klonk dante voren. Ze keken om. Daar zagen ze, dat nog een vijftal grootere djaloers zich bij de vervolgers had aangesloten. Naar schatting waren er nu wel een zestigtal vijanden!
»We zijn verloren!” riep Marti geheel moedeloos. Hij scheen den wedstrijd te willen opgeven.
»Roeien!” gilde Kees. De angst gaf hem vernieuwde kracht.
»Vergeefsch, heer!” zei Marti somber. »In elke boot zitten acht of tien roeiers. Zij vorderen veel sneller dan wij. En u kunt ze toch niet allemaal neerschieten. Wij zijn reddeloos verloren!”
»Die duivels hebben op versterking gewacht!” siste Kees woedend tusschen zijn tanden. »Nu durven ze wel!”
Hij gaf de revolver aan Marti.
»Hier is de revolver! Er zitten zes patronen op! Je kunt er zes neerschieten, voor ze je grijpen! Ik voor mij zal mijn leven zoo duur mogelijk verkoopen!”
»Ze zullen ons snellen, heer!” jammerde Marti.
»Wat kan mij dat schelen, als ik toch dood ben!” gromde Kees nijdig terug.
»Maar ik kom zonder hoofd niet in den hemel van Allah!”
»Daar kom je toch niet in, als je zoo bang bent. Allah houdt niet van lafaards!” dreigde Kees.
Deze woorden maakten eenigen indruk op de ziel van den Mohammedaan. Dan zou hij maar trachten, zonder hoofd in zijn hemel te komen door dapper te vechten.
Al korter werd de afstand tusschen de beide partijen.Het triomfantelijk geschreeuw van de Dajaks klonk de beide vluchtelingen tergend in de ooren.
Ontzettend was de spanning, waarin ze verkeerden. Ze vergaten op te merken, dat de rivier nog smaller, de oevers nog steiler en rotsachtiger werden.
Daar.... plotseling!.... vlak voor zich zag Kees een witte streep over de geheele breedte van de rivier. Schuim was het! Daar ziedde het water met onweerstaanbare kracht tegen de uit de bedding omhoogstekende rotsen aan.
»De waterval!” gilde hij.
Marti keek onverschillig op en zei met doffe berusting: »Nu verdrinken we. Dat is tenminste beter dan gesneld te worden door dat ontuig.”
Een oogenblik flitste het Kees door zijn brein, om aan land te gaan en de boot over den wal heen te sleepen. Maar dan vielen ze in de handen der Sibaoe’s. Dan maar liever te gronde gaan in het woeste water van de rivier. Beter dat de natuur hen tot zich nam, dan dat die menschelijke duivels hen vermoordden.
»Houd je vast, Marti! Let op! Stuur rechtuit!.... Daar gaan wij....!”
Als of een onzichtbare reuzenhand plotseling het ranke vaartuigje had aangegrepen schoot het voorwaarts, pijlsnel voorwaarts door het woedende water. Sturen was ondoenlijk! Doodsbleek, de oogen star gericht op den waterval, wachtten ze het noodlot af. Krampachtig klemden ze hun handen om de randen van de boot!
Daar waren ze op de plek! Kees sloot de oogen,bereid zich in de armen van den dood te werpen. Donderend loeide het water tegen de rotsen. Een ondeelbaar oogenblik bevonden ze zich in een wolk van rillend schuim. Op hetzelfde oogenblik werden ze met boot en al opgeheven. Toen smakten ze neer in de diepte....
Snel als de gedachte was de djaloer onverlet over de rotsen heen geschoten en gleed voorwaarts in het lagere gedeelte van de rivier. De mannen zaten versuft te kijken, nog altijd de handen om de boorden geklemd.
Kees herkreeg het eerst zijn bezinning. De djaloer stond vol water.
»Hoozen, Marti!”
Marti ontwaakte nu ook uit zijn verdooving.
Ze hadden nog juist den tijd het water uit te hoozen, anders zou de boot zijn gezonken.
Terwijl ze hier mee bezig waren, herinnerden ze zich plotseling hun vervolgers. Ze wendden de oogen naar den waterval, die nog goed zichtbaar was. Daar zagen ze, wat er met de Dajaks gebeurde....
In het vuur der vervolging, zich zeker wanende van hun prooi, hadden deze blijkbaar niet op de rivier gelet. Daardoor waren ze veel dichter bij de waterval gekomen, dan ze gedacht hadden.
Eensklaps zagen ze het bootje van Kees en Marti tusschen de steenen door in den ziedenden stroom verdwijnen. Nu eerst beseften ze hun eigen gevaarlijken toestand. Ze stelden krachtige pogingen in ’t werk, om den oever te bereiken. Te laat! De sterke stroom had de djaloers dicht opeen gedreven. De vrij lange vaartuigenhadden nu geen voldoende ruimte, om zich naar willekeur te bewegen. Machteloos stormden ze voorwaarts.
Een der booten werd dwars in den stroom gesleurd.
Werden ze tegen de rotsen verpletterd.Werden ze tegen de rotsen verpletterd.
Werden ze tegen de rotsen verpletterd.
Onmiddellijk daarna zagen Kees en Marti met ontzetting, hoe de djaloers hunner vijanden wild door elkaar werden geworpen. Met reuzenkracht werden ze tegen de rotsen verpletterd. Gelijk een zaaier het koren strooit, zoo werden de roeiers eruit geslingerd.
Een oogenblik klonken vreeselijke doodskreten door de lucht. Toen waren de Dajaks spoorloos verdwenen in de wielende draaikolken beneden den waterval.
Alles was beslist. Slechts enkele seconden waren voor dit vreeselijk drama noodig geweest. Geen geluid werd meer vernomen dan het donderend geraas van het neerstortend water.
Ademloos hadden Kees en Marti toegezien. Toen werd het hoog tijd, dat ze weer aan hun eigen toestand dachten. De boot begon bedenkelijk in den stroom te draaien. Wee hunner, wanneer het vaartuig dwars in de rivier kwam te liggen!
Sprakeloos en bleek van de geweldige gemoedsbeweging, waaraan ze ten prooi waren geweest, togen ze aan het werk. Geruimen tijd later, toen ze de boot weer geheel in hun macht hadden en geregeld verder voeren op het nu betrekkelijk nog al kalme water, zei Marti:
»We zijn gered. Geloofd zij Allah! Hij heeft ons geholpen.”
»Ja,” zei Kees met een hartgrondigen zucht,»ik geloof nu ook, dat we gered zijn.”
»Ze zijn allen dood,” vervolgde Marti.
Zwijgend roeiden zij nog een tijdje verder.
Toen kwam de ontspanning en voelden ze, dat ze nu van uitputting niet meer konden.
»We zullen aan den volgenden hoek aanleggen, Marti, ik ben doodop.”
Marti knikte bevestigend met het hoofd, doch scheen te lusteloos om een woord te zeggen.
»Onze vijanden zijn nu dood. Het is noodig, datwe rust en voedsel krijgen,” vervolgde Kees. Onwillekeurig keek hij nog eens achter zich. De schrik zat er nog in. Het was alsof zijn beangste verbeelding nog een nagalm hoorde van de dreigende kreten der vervolgers. Maar de rivier lag verlaten en stil en voerde haar prooi mee, misschien ver, ver weg—naar de zee.
Intusschen was de hoek weldra bereikt. Kees stuurde de boot naar den wal, die hier zandig en heuvelachtig was. Meer landwaarts in verhieven zich vrij hooge heuvels, met zware bosschen begroeid.
Het duurde maar kort, en beide mannen lagen languit onder de schaduw der boomen en zonken weg in een zwaren, diepen slaap.
Na een paar uur ontwaakte Kees. Hij bemerkte, dat de avond reeds begon te vallen. De plek leek hem zeer geschikt om er meteen maar te overnachten.
Hij wekte Marti en droeg hem op, rijst te koken.
Een oogenblik later kwam Marti met een bedrukt gezicht naar hem toe en zei:
»Heer, al onze rijst is nat geworden. Morgen zal alles bedorven zijn. Het beste is, dat ik voor morgen ook maar kook. Dan hebben we dien dag ten minste eten. Maar hoe het dan verder moet, weet ik niet.”
»Dan moeten we maar weer een paar dagen honger lijden. Ik hoop echter, dat we spoedig menschen zullen ontmoeten.”
»Als het dan maar geen koppensnellers zijn, heer; daar heb ik mijn bekomst van.”
»Dat moeten we afwachten! Maar Sibaoe-dajaks zullen het in ieder geval niet zijn.”
Terwijl Marti kookte, ging Kees op verkenning uit. Hij beklom één der hoogere heuvels. Op den top gekomen, ontwaarde hij in ’t Noorden hooge bergketens. Naar het Westen en Oosten bespeurde hij ook bergland, doch in het Zuiden waren geen bergtoppen te zien. Hij begreep, dat de rivier zich hier een weg gebaand had door de zuidelijke uitloopers van het gebergte. Daar de rivier naar het Zuiden stroomde, had men het gebergte dus geheel achter den rug. Bevredigd daalde hij den heuvel weer af. Alleen de vraag, hoe aan voedsel te komen, als ze niet spoedig bewoonde oorden bereikten, stemde hem minder gerust.
Bij zijn terugkomst deelde hij aan Marti zijn bevindingen mede. Nu overlegden ze, hoe verder te handelen.
Het eenvoudigste was, de rivier slechts af te varen. Doch Kees herinnerde zich, dat zijn vriend Verveer, de diamantzoeker, hem indertijd had gewaarschuwd voor uitgestrekte en in hooge mate ongezonde moerassen. Deze streken wilde hij dus liefst vermijden.
»We kunnen in ieder geval doorvaren, zoolang de oevers nog heuvelachtig zijn en dan zien,” besloot Kees.
»Komen we nog bij de Kenjaoe’s terug, heer?” vroeg Marti aarzelend.
»Ik denk het niet. Waarom zouden we daarheen gaan? Het lijkt mij het verstandigst, zoo gauw mogelijk naar huis te gaan. De diamanten zijn toch verloren. Die zullen wel in bezit komen van den verrader, Amat. Ik hoop, dat de Sibaoe’s hem snappen en zijn kop afslaan.”
»Misschien konden we hier vandaan gemakkelijk bijde Kenjaoe’s komen. Als we in hun land zijn, weten we den weg naar huis.”
»Daar is wel iets van aan!” zei Kees nadenkend.
»En dan is er nog iets, heer,” ging Marti verlegen voort. Hij had blijkbaar nog iets op ’t hart. »Ik heb u niet alles verteld, wat ik heb afgeluisterd.”
»Spreek duidelijk, Marti,” zei Kees streng.
»Vergeef me, heer, dat ik u iets verzweeg. Ik was zoo bang... ik dacht alleen aan de gevaren, die òns bedreigden.... Ik dacht.... ik meende....”
»Spreek niet langer in raadselen. Zeg, wat je weet!” beval Kees.
»Allah heeft ons gered, vandaag!” zei Marti plechtig.... »Ik geloof, dat ik alles zeggen moet, om anderen ook te redden.”
»Anderen? Wat anderen? Wie dan toch?”
»De Kenjaoe-dajaks, heer!”
»Zijn de Kenjaoe’s dan in gevaar?” vroeg Kees met steeds toenemende verbazing.
»Ja, heer! Toen ik het gesprek der Dajaks afluisterde, bleek me, dat Senawa behalve met ons, ook met anderen wilde afrekenen. Het was noodzakelijk ons zoo spoedig mogelijk te doen verdwijnen met het oog op de andere plannen.”
»En welke plannen dan?”
»Is het u niet opgevallen, dat er in ’t huis van Senawa zooveel mannen waren? Veel meer dan er woonden! Hebt u er wel aandacht aan geschonken, dat allen zwaar bewapend waren en soelauw-baadjes droegen? Dat alles wijst er op, dat ze een sneltocht zullen ondernemen. En uit hetgeen ik opving, kon ikopmaken, dat de voorgenomenmengajaoe-tochtgemunt was op de Kenjaoe’s.”
»Arme kerels!” riep Kees medelijdend uit.
»Maar waarom heb je dat niet eerder gezegd, Marti?”
»Ik vreesde, dat u dan pogingen zou doen, omPetinggiDatoek te waarschuwen en daar ik van alle avonturen genoeg had, zag ik daartegen op,” bekende Marti verlegen.
»En wat wou je nu?” vroeg Kees.
»Zooals ik u reeds zei, heer; Allah heeft ons gered. Ik heb er over nagedacht en nu geloof ik, dat onze redding een vingerwijzing van Allah is, om die arme Kenjaoe’s te waarschuwen. Daarom wilde ik toch gaarne naar hun land terug. Zou dat hier vandaan niet mogelijk zijn?”
»Ik denk het wel! Het ligt ten Noordwesten van de streek, waar we nu zijn. Als we morgen nog een eind de rivier afzakken en dan naar het Noord-Westen loopen, zullen we er wel kunnen komen. Mijn eenige zorg is het gebrek aan rijst. Bovendien weet ik niet hoelang de tocht moet duren....
Maar ik vind toch ook, dat wePetinggiDatoek moeten waarschuwen; dat is onze plicht! De Kenjaoe’s hebben ons vriendelijk ontvangen en flink geholpen. Wij mogen hen niet in den steek laten.”
Marti betuigde zijn ingenomenheid met dit besluit.
»En nu gaan we slapen,” zei Kees. »Gevaar zal hier wel niet zijn; we zullen dus maar geen wacht houden.”
Voor de zooveelste maal spreidden ze hun leger van bladeren en legden zich neer onder het zwareloover van het oerwoud. Bijna onmiddellijk sliepen ze in en zonken ze weg in de diepten, waar geen droomen zijn.
Zoo rustten ze den ganschen nacht, ongestoord, tot de zonsopgang van den komenden nieuwen dag.
IX. De groote sneltocht.Geheel verkwikt en bezield met nieuwen moed en vertrouwen gingen ze weer op reis. De rivier was veel rustiger en ze konden dus flink vorderen, zonder voortdurend door allerlei hindernissen in spanning te verkeeren.De Westelijke oever werd steeds lager. Hier en daar begon hij zelfs moerassig te worden. De Oostelijke daarentegen bleef heuvelachtig. Eindelijk besloot Kees aan wal te gaan, om te trachten over land de Kenjaoe-dajaks te bereiken.Weldra waren ze op het pad. Vooraf dienden ze zich goed teoriënteeren. Daartoe beklommen ze een der hoogere heuvels. Van den top hadden ze een vrij goed uitzicht. In het Noorden verhieven zich de onherbergzame ketens van het Lawit-gebergte. De aanblik van de grijze rotsmassa’s deed de mannen nog huiveren. Naar het Noord-Westen zag Kees lagere, schoon nog vrij hooge toppen. Daartusschen door besloot Kees zijn weg te nemen.Spoedig bevonden ze zich weer in de wildernis. Een pad was er natuurlijk niet, zoodat ze zich vaak met de parang een doortocht moesten banen. Ze vorderdendan ook zeer langzaam. Hun voedsel was wat gekookte rijst van den vorigen dag, die echter al zuur begon te worden.De eerste nacht ging zonder wederwaardigheden voorbij. Den volgenden dag bereikten zij den voet der bergen, tusschen welke ze door wilden trekken. Hun voedsel bestond nu uit wat plantenwortels. Met een hongerige maag moesten ze zich des avonds neerleggen om te slapen.Den derden dag gebruikten ze om het gebergte over te steken. Toen ze het hoogste punt van het zadel tusschen twee bergtoppen bereikt hadden, zagen ze een uitgestrekte, met oerwoud bedekte heuvelstreek voor zich: vermoedelijk het land der Kenjaoe-dajaks.Een klein waterloopje vloeide van de bergen af. Ze besloten dit te volgen. Misschien lei aan de zoomen in de diepte een dorp. Weer moesten ze zich vergenoegen met wat plantenwortels, die ze in het bosch vonden.Op den vierden dag bereikten ze eindelijk een huisje.Van de bewoners vernamen ze, dat ze zich werkelijk weer in het land der Kenjaoe-dajaks bevonden en zelfs vrij dicht bij het dorp Tapang. Volgens deze menschen konden ze daar den volgenden avond wel zijn.De twee vermoeide en uitgehongerde zwervers genoten gastvrij onderdak en konden zich nu weer eenigszins herstellen van de geleden ontberingen. Toch reisden ze den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk af, om zoo mogelijk denzelfden dag noghethuis van Petinggi Datoek te kunnen bereiken.Het was reeds avond en geheel donker, toen zete Tapang aankwamen. Zoo waren ze dus weer terug op het punt van uitgang.Maar hun toestand was geheel anders! Toen vol goeden moed en vertrouwen op het welslagen van hun plannen. Nu echter uitgehongerde vluchtelingen! Alles was hun tegengeloopen. Meermalen hadden ze in het dreigendste doodsgevaar verkeerd. Het was een onbegrijpelijk wonder, dat ze nog leefden.Nauwelijks waren ze het huis binnengetreden, of ze werden omringd door een groot aantal der bewoners, die hen bestormden met vragen omtrent henzelf en de Kenjaoe’s, die met hen waren meegetrokken.Petinggi Datoek had de grootste moeite om de ongeduldige menschen tot stilte en afwachting te dwingen. Eerst moesten Kees en Marti zich te goed doen aan een grooten schotel rijst. Daarna begon Kees, omringd door de aandachtig luisterende Dajaks, het droevig verhaal van al hun lotgevallen.Toen hij beschreef, hoe de eene Kenjaoe van de rotsen was gestort, klonken er uit de rijen de luisteraars uitroepen van schrik en medelijden. Voor alles stond het vast, dat de antoe’s der bergen zich hadden gewroken op de overmoedige menschen, die zich op hun terrein hadden gewaagd.Daarna vertelde Kees, hoe de beide andere Dajaks hem verlaten hadden. Ook deze mededeeling verwekte groot opzien en ontsteltenis.»Ze zijn niet teruggekeerd, heer!” zei Petinggi Datoek.»De antoe’s hebben ook hen naar beneden geworpen,” verklaarde een oud man met groote stelligheid.Een huivering van ontzetting voer door de rijen.»Ze komen misschien nog wel terug, de weg is ver en zeer moeilijk,” zei Kees bemoedigend, ofschoon hij het zelf niet geloofde.Daarop ging hij verder met zijn verhaal. De ontvangst bij de Sibaoe’s; zijn ontmoeting met Senawa; het verraad van Amat; de vlucht over de rivier. Dat alles werd aangehoord met levendige belangstelling. Groote bewondering had men voor Kees, die zich had durven wagen tusschen de vijanden, die ze zoozeer haatten en vreesden.Ten slotte vertelde Kees het door Marti afgeluisterde gesprek. Toen sprongen allen vol schrik en ontzetting op. De mannen grepen onwillekeurig naar de wapenen; de vrouwen snelden gillend naar de lawangs, inderhaast de kinderen meesleurend. Het was een opschudding, alsof de gehate vijand reeds in de onmiddellijke nabijheid was.Ook Petinggi Datoek was zijn hoofd kwijt en riep maar:»We moeten vluchten! Maak u zoo snel mogelijk gereed, om te vertrekken.”Kees trachtte olie op deze golven van onrust te gieten.»Laat ons eerst eens rustig nadenken en plannen beramen. Het is al nacht en ge kunt nu niet met al die vrouwen en kinderen de wildernis in vluchten. Er is nog tijd genoeg. Al zouden de Sibaoe’s dadelijk na mijn vertrek op weg zijn gegaan, dan kunnen ze naar mijn idee toch eerst over een dag of vijf hier zijn. Indien ze tenminste over den Goenoeng Lawit komen. Waar wilt ge nu heen vluchten?”»Naar een plek in de wildernis, die zeer moeilijk te vinden is, heer. Dáár bouwen we hutjes en afdaken en blijven er zoolang wonen, tot de Sibaoe’s ons land weer verlaten hebben,” sprak Petinggi Datoek na eenig overleg.»En moeten de bewoners der andere dorpen dan niet gewaarschuwd worden?”»Zeker, heer, morgenochtend zend ik boodschappers uit. Maar ik vrees, dat het bericht voor de menschen, die veraf wonen, te laat zal komen.”»Wat gebeurt er dan met hen?” vroeg Marti.»Misschien niets; maar anders worden ze aangevallen door de Sibaoe’s en gedood. De invallers verbranden de huizen en nemen de koppen mede als zegeteekenen.”»Maar als je nu vlucht, dan zullen ze toch ook de huizen verbranden, de ladangs verwoesten en de varkens dooden of stelen,” zei Kees.»Ja heer, dat zullen ze zeker doen!” antwoordde Petinggi Datoek met een zucht.»Waarom roep je dan niet liever alle mannen bijeen en tracht ze te verslaan?”»Wij kunnen niet vechten tegen de Sibaoe’s, heer. Zij hebben sterke antoe’s, die hen helpen,” antwoordde de Dajak met groote overtuiging.Kees haalde de schouders op en zweeg verder. Hij keek toe, hoe de beangstigde Dajaks bij het slechte licht van walmende harstoortsen hun benoodigdheden inpakten, om zich gereed te maken voor een langdurig verblijf in de schuilpaatsen in het bosch.Den geheelen nacht was ieder druk bezig met het gereedmaken en verdeelen der vrachten.Kees merkte op, dat er onder de mannen heel wat waren, die de vlucht afkeurden. Deze hadden het beter gevonden, dat men de vrouwen en kinderen in veiligheid bracht, om daarna een gevecht met de Sibaoe’s aan te gaan.De groote meerderheid echter vond het met Petinggi Datoek beter, een veilig oord op te zoeken.Kees vroeg vergunning, zich met Marti bij hen aan te sluiten. Onder deze omstandigheden zag hij er tegen op, alleen het land door te trekken. Petinggi Datoek, die hem zeer dankbaar was voor de waarschuwing, stond hem gaarne toe, mede te gaan naar de schuilplaats.Bij het krieken van den ochtend toog de geheele bevolking van Tapang op reis. Allen liepen achter elkaar. Vooral de vrouwen waren zwaar bepakt; de mannen droegen hun wapens.Volgens Petinggi Datoek zou de tocht met vrouwen en kinderen wel drie dagen duren. Kreeg men onderweg echter slechte voorteekenen, dan konden er nog wel eenige dagen bij komen.Men trok in noordwestelijke richting. Een gebaand pad was er niet. Toch stapte Petinggi Datoek, die de menigte leidde, met de grootste zekerheid voort.Aan het einde van dien dag kampeerde men in het bosch onder kleine afdaken. Daar het regende, leden de vrouwen en vooral de kinderen veel ellende. Kees kon den ganschen nacht niet slapen, door het droef gehuil der allerkleinsten. Als de stakkers zoo nog eenige dagen en nachten aan allerlei ontberingen werdenblootgesteld, zouden er verscheidene sterven van koude en ellende.Eerst den derden dag bereikte men, na veel ongemakken te hebben doorgestaan, het doel van de reis: de Boekit Seloewa, een alleenstaanden berg met zware wouden begroeid.Hier zouden de vluchtelingen verblijf houden, tot alle gevaar geweken was. Ook de bewoners der andere dorpen zouden zich hier verzamelen.Na aankomst waren weldra alle Dajaks bezig afdaken en eenvoudige hutjes te bouwen, waar men den eersten nacht kon slapen. Later zou men deze primitieve woninkjes wat verbeteren.Reeds den volgenden dag kwamen er meer vluchtelingen opdagen uit de in de nabijheid gelegen dorpen en huizen.De toestand in het kamp was niet te best. Ieder stelde middelen in het werk, om de tijdelijke woning zoo goed mogelijk te maken. Het bleven echter noodwoninkjes en de menschen hadden veel last van koude en vocht. Na een paar dagen waren er veel zieke vrouwen en kinderen; en reeds waren er een paar kleintjes gestorven.Nog een paar dagen later kwamen er eenige vluchtelingen in het kamp aan, die in een der noordelijkste dorpen thuis hoorden. Deze verhaalden, hoe eenige dagen te voren hun huis plotseling in het holle van den nacht overvallen was door een sterke bende Sibaoe-dajaks. Zij waren ouder gewoonte als uit de lucht komen vallen en hadden een gruwelijke slachting aangericht onder de bewoners van het dorp. Slechts enkele der mannen hadden kunnen ontkomen. Deze waren op hun overhaaste vlucht één der boodschappersvan Petinggi Datoek tegengekomen, die hen gezegd had, dat allen zich moesten verzamelen op den Boekit Seloewa.In ademlooze spanning had een dicht opeengedrongen menigte Kenjaoe’s het verhaal van hun stamgenooten aangehoord. Groote angst maakte zich van allen meester en kreten van schrik en ontsteltenis klonken door de lucht.Het kostte Petinggi Datoek eenige moeite, de menschen duidelijk te maken, dat er voor het kamp voorloopig nog geen gevaar was.Den volgenden morgen heerschte er weer groote opgewondenheid. Alle Dajaks verzamelden zich en schenen opnieuw aan hevigen angst ten prooi. Kees spoedde zich er heen. Eén der boodschappers bleek teruggekeerd en had nadere berichten meegebracht.»Toen ik in de nabijheid van het overvallen huis kwam, hoorde ik al spoedig het geraas van de feestvierendeSibaoe’s. Ze schreeuwden en sloegen op de trommen, dat het ver door het bosch weerklonk. Zooveel mogelijk mij verborgen houdend, sloop ik behoedzaam dichterbij. Ik zag, dat ze een grooten feestmaaltijd hadden aangericht en dat er al verscheidene veel te veel toewak1hadden gedronken. De hoofden der vermoorde bewoners hadden ze op staken tentoongesteld.”Kreten van haat en woede stegen op uit de rijen der toeluisterende Dajaks.De boodschapper vervolgde:»Ik durfde niet lang op die gevaarlijke plaats vertoeven en heb me zoo snel mogelijk verwijderd. Onderweg heb ik zooveel mogelijk onze lieden gewaarschuwd.”Kees drong naar voren en vroeg:»Hebt ge ook kunnen zien, hoeveel Sibaoe’s er ongeveer waren?”»Mij docht zoowat honderd, heer. Misschien wel meer, maar zeker niet minder.”»En waren er velen met geweren bewapend?”»Ja, heer, de meesten hadden geweren.”Kees vroeg niet meer en verwijderde zich. Hij bemerkte wel, dat er, onder den indruk van dit nieuwe verhaal, groote verslagenheid heerschte. De mannen stonden in groepen bijeen en waren in druk gesprek.Eenige oogenblikken later besprak Kees de zaak met Marti.»Het is me onbegrijpelijk, hoe de Kenjaoe’s zoo bevreesd kunnen zijn voor de Sibaoe’s. Volgens de berichten moet de bende der Sibaoe’s ruim honderd man sterk zijn en ik tel hier onder de Kenjaoe’s minstens honderd en vijftig flinke, strijdbare mannen.”»Ze zijn bang voor de tooverijen der Sibaoe’s, heer,” zei Marti.»Ik geloof niets van al die verhalen. De een maakt den ander met zijn sprookjes bang.”»Maar u ziet toch zelf, dat de Sibaoe’s op onverklaarbare wijze in dit land komen. Daar moet toch tooverij achter schuilen.”»Onverklaarbaar is het tot dusverre zeker; maar van die tooverij geloof ik geen zier. Mijn gevoelen is, dat de Sibaoe’s een geheimen doortocht door’t gebergte kennen; een weg, die heel wat gemakkelijker is dan die, welken wij gevolgd hebben.”Marti zweeg. Al was hij een volgeling van Mohammed geworden, als gewezen Dajak kon hij het geloof aan tooverij en de hulp der antoe’s nooit geheel van zich afzetten. Kees hernam:»Het is jammer, dat ze hier zoo bang zijn voor die Sibaoe’s. Als ze durfden, zouden ze hun vijanden best kunnen verslaan en het land uitjagen.—Ja, daar moet ik eens over nadenken en er met Petinggi Datoek over spreken. Misschien kan ik er hem toe krijgen, die Sibaoe’s te lijf te gaan.”Marti keek verschrikt op en zei:»Laat ons liever een middel bedenken, om uit dit vervloekte land weg te komen, heer. Waarom u nu weer in nieuwe avonturen te begeven! Vindt u het dan nòg niet genoeg?”»Ik kan die ellende hier niet langer aanzien, Marti. Vrouwen en kinderen sterven weg als ratten en muizen. Als dat nog lang zoo duurt, blijft er geen in leven. Bovendien weet ik, dat verscheidene mannen er net zoo over denken als ik. Maar ze durven het niet uit te spreken, uit vrees voor die oude, bedachtzame mannen, die liever maar afwachten.... al maar afwachten.”»U moet het natuurlijk weten. Ik voor mij zou gaarne hier vandaan gaan. We hebben onzen plicht ten opzichte van de Kenjaoe’s gedaan. Ik heb, vóór we onzen tocht aanvingen, gedroomd van bloed en vuur. U weet, dat alles is uitgekomen.... en het kan nog erger worden!”»Wees niet zoo bijgeloovig, Marti.”Marti antwoordde niet, doch Kees zag wel, dat de brave inlander gekrenkt was, dat er zoo weinig waarde aan zijn droomen werd gehecht.Kees liet zijn denkbeeld niet los en zon op een plan, dat hij aan de Dajaks zou kunnen voorstellen.Eindelijk had hij een besluit genomen.die mistroostig onder zijn hutje zatdie mistroostig onder zijn hutje zatHij ging Petinggi Datoek opzoeken, die mistroostig onder zijn hutje zat bij zijn zieke vrouw.»Petinggi, kom eens hier, ik moet met je praten!”De geroepene stond op en verwijderde zich met Kees.Marti was zijn heer op eenigen afstand gevolgd enzag nu, hoe zich tusschen Kees en den Dajak een druk gesprek ontspon.Van het gesprokene kon hij door den afstand niets verstaan. Wel zag hij Kees druk gesticuleeren. Hij zag ook, hoe de Dajak dan weer krachtig met het hoofd schudde. Toch hield Kees vol. Eindelijk was het merkbaar, dat Petinggi zich gewonnen gaf. Toen verwijderde Petinggi zich weer.Nu kwam Kees naar Marti toe en zei:»Het heeft moeite gekost, maar hij zal nu de mannen bijeenroepen voor een vergadering, om de zaak te bespreken. Ik vertrouw, dat ik de groote meerderheid op mijn hand krijg. Ga maar mee, dan kun je alles hooren.”»Goed, heer!” zei Marti onderworpen.Zuchtend volgde hij zijn heer, zich bekommerd afvragend, in welke narigheden deze zich nu weer begeven zou.1Uit verzuurde rijst bereide geestrijke drank.
Geheel verkwikt en bezield met nieuwen moed en vertrouwen gingen ze weer op reis. De rivier was veel rustiger en ze konden dus flink vorderen, zonder voortdurend door allerlei hindernissen in spanning te verkeeren.
De Westelijke oever werd steeds lager. Hier en daar begon hij zelfs moerassig te worden. De Oostelijke daarentegen bleef heuvelachtig. Eindelijk besloot Kees aan wal te gaan, om te trachten over land de Kenjaoe-dajaks te bereiken.
Weldra waren ze op het pad. Vooraf dienden ze zich goed teoriënteeren. Daartoe beklommen ze een der hoogere heuvels. Van den top hadden ze een vrij goed uitzicht. In het Noorden verhieven zich de onherbergzame ketens van het Lawit-gebergte. De aanblik van de grijze rotsmassa’s deed de mannen nog huiveren. Naar het Noord-Westen zag Kees lagere, schoon nog vrij hooge toppen. Daartusschen door besloot Kees zijn weg te nemen.
Spoedig bevonden ze zich weer in de wildernis. Een pad was er natuurlijk niet, zoodat ze zich vaak met de parang een doortocht moesten banen. Ze vorderdendan ook zeer langzaam. Hun voedsel was wat gekookte rijst van den vorigen dag, die echter al zuur begon te worden.
De eerste nacht ging zonder wederwaardigheden voorbij. Den volgenden dag bereikten zij den voet der bergen, tusschen welke ze door wilden trekken. Hun voedsel bestond nu uit wat plantenwortels. Met een hongerige maag moesten ze zich des avonds neerleggen om te slapen.
Den derden dag gebruikten ze om het gebergte over te steken. Toen ze het hoogste punt van het zadel tusschen twee bergtoppen bereikt hadden, zagen ze een uitgestrekte, met oerwoud bedekte heuvelstreek voor zich: vermoedelijk het land der Kenjaoe-dajaks.
Een klein waterloopje vloeide van de bergen af. Ze besloten dit te volgen. Misschien lei aan de zoomen in de diepte een dorp. Weer moesten ze zich vergenoegen met wat plantenwortels, die ze in het bosch vonden.
Op den vierden dag bereikten ze eindelijk een huisje.
Van de bewoners vernamen ze, dat ze zich werkelijk weer in het land der Kenjaoe-dajaks bevonden en zelfs vrij dicht bij het dorp Tapang. Volgens deze menschen konden ze daar den volgenden avond wel zijn.
De twee vermoeide en uitgehongerde zwervers genoten gastvrij onderdak en konden zich nu weer eenigszins herstellen van de geleden ontberingen. Toch reisden ze den volgenden morgen zoo vroeg mogelijk af, om zoo mogelijk denzelfden dag noghethuis van Petinggi Datoek te kunnen bereiken.
Het was reeds avond en geheel donker, toen zete Tapang aankwamen. Zoo waren ze dus weer terug op het punt van uitgang.
Maar hun toestand was geheel anders! Toen vol goeden moed en vertrouwen op het welslagen van hun plannen. Nu echter uitgehongerde vluchtelingen! Alles was hun tegengeloopen. Meermalen hadden ze in het dreigendste doodsgevaar verkeerd. Het was een onbegrijpelijk wonder, dat ze nog leefden.
Nauwelijks waren ze het huis binnengetreden, of ze werden omringd door een groot aantal der bewoners, die hen bestormden met vragen omtrent henzelf en de Kenjaoe’s, die met hen waren meegetrokken.
Petinggi Datoek had de grootste moeite om de ongeduldige menschen tot stilte en afwachting te dwingen. Eerst moesten Kees en Marti zich te goed doen aan een grooten schotel rijst. Daarna begon Kees, omringd door de aandachtig luisterende Dajaks, het droevig verhaal van al hun lotgevallen.
Toen hij beschreef, hoe de eene Kenjaoe van de rotsen was gestort, klonken er uit de rijen de luisteraars uitroepen van schrik en medelijden. Voor alles stond het vast, dat de antoe’s der bergen zich hadden gewroken op de overmoedige menschen, die zich op hun terrein hadden gewaagd.
Daarna vertelde Kees, hoe de beide andere Dajaks hem verlaten hadden. Ook deze mededeeling verwekte groot opzien en ontsteltenis.
»Ze zijn niet teruggekeerd, heer!” zei Petinggi Datoek.
»De antoe’s hebben ook hen naar beneden geworpen,” verklaarde een oud man met groote stelligheid.Een huivering van ontzetting voer door de rijen.
»Ze komen misschien nog wel terug, de weg is ver en zeer moeilijk,” zei Kees bemoedigend, ofschoon hij het zelf niet geloofde.
Daarop ging hij verder met zijn verhaal. De ontvangst bij de Sibaoe’s; zijn ontmoeting met Senawa; het verraad van Amat; de vlucht over de rivier. Dat alles werd aangehoord met levendige belangstelling. Groote bewondering had men voor Kees, die zich had durven wagen tusschen de vijanden, die ze zoozeer haatten en vreesden.
Ten slotte vertelde Kees het door Marti afgeluisterde gesprek. Toen sprongen allen vol schrik en ontzetting op. De mannen grepen onwillekeurig naar de wapenen; de vrouwen snelden gillend naar de lawangs, inderhaast de kinderen meesleurend. Het was een opschudding, alsof de gehate vijand reeds in de onmiddellijke nabijheid was.
Ook Petinggi Datoek was zijn hoofd kwijt en riep maar:
»We moeten vluchten! Maak u zoo snel mogelijk gereed, om te vertrekken.”
Kees trachtte olie op deze golven van onrust te gieten.
»Laat ons eerst eens rustig nadenken en plannen beramen. Het is al nacht en ge kunt nu niet met al die vrouwen en kinderen de wildernis in vluchten. Er is nog tijd genoeg. Al zouden de Sibaoe’s dadelijk na mijn vertrek op weg zijn gegaan, dan kunnen ze naar mijn idee toch eerst over een dag of vijf hier zijn. Indien ze tenminste over den Goenoeng Lawit komen. Waar wilt ge nu heen vluchten?”
»Naar een plek in de wildernis, die zeer moeilijk te vinden is, heer. Dáár bouwen we hutjes en afdaken en blijven er zoolang wonen, tot de Sibaoe’s ons land weer verlaten hebben,” sprak Petinggi Datoek na eenig overleg.
»En moeten de bewoners der andere dorpen dan niet gewaarschuwd worden?”
»Zeker, heer, morgenochtend zend ik boodschappers uit. Maar ik vrees, dat het bericht voor de menschen, die veraf wonen, te laat zal komen.”
»Wat gebeurt er dan met hen?” vroeg Marti.
»Misschien niets; maar anders worden ze aangevallen door de Sibaoe’s en gedood. De invallers verbranden de huizen en nemen de koppen mede als zegeteekenen.”
»Maar als je nu vlucht, dan zullen ze toch ook de huizen verbranden, de ladangs verwoesten en de varkens dooden of stelen,” zei Kees.
»Ja heer, dat zullen ze zeker doen!” antwoordde Petinggi Datoek met een zucht.
»Waarom roep je dan niet liever alle mannen bijeen en tracht ze te verslaan?”
»Wij kunnen niet vechten tegen de Sibaoe’s, heer. Zij hebben sterke antoe’s, die hen helpen,” antwoordde de Dajak met groote overtuiging.
Kees haalde de schouders op en zweeg verder. Hij keek toe, hoe de beangstigde Dajaks bij het slechte licht van walmende harstoortsen hun benoodigdheden inpakten, om zich gereed te maken voor een langdurig verblijf in de schuilpaatsen in het bosch.
Den geheelen nacht was ieder druk bezig met het gereedmaken en verdeelen der vrachten.
Kees merkte op, dat er onder de mannen heel wat waren, die de vlucht afkeurden. Deze hadden het beter gevonden, dat men de vrouwen en kinderen in veiligheid bracht, om daarna een gevecht met de Sibaoe’s aan te gaan.
De groote meerderheid echter vond het met Petinggi Datoek beter, een veilig oord op te zoeken.
Kees vroeg vergunning, zich met Marti bij hen aan te sluiten. Onder deze omstandigheden zag hij er tegen op, alleen het land door te trekken. Petinggi Datoek, die hem zeer dankbaar was voor de waarschuwing, stond hem gaarne toe, mede te gaan naar de schuilplaats.
Bij het krieken van den ochtend toog de geheele bevolking van Tapang op reis. Allen liepen achter elkaar. Vooral de vrouwen waren zwaar bepakt; de mannen droegen hun wapens.
Volgens Petinggi Datoek zou de tocht met vrouwen en kinderen wel drie dagen duren. Kreeg men onderweg echter slechte voorteekenen, dan konden er nog wel eenige dagen bij komen.
Men trok in noordwestelijke richting. Een gebaand pad was er niet. Toch stapte Petinggi Datoek, die de menigte leidde, met de grootste zekerheid voort.
Aan het einde van dien dag kampeerde men in het bosch onder kleine afdaken. Daar het regende, leden de vrouwen en vooral de kinderen veel ellende. Kees kon den ganschen nacht niet slapen, door het droef gehuil der allerkleinsten. Als de stakkers zoo nog eenige dagen en nachten aan allerlei ontberingen werdenblootgesteld, zouden er verscheidene sterven van koude en ellende.
Eerst den derden dag bereikte men, na veel ongemakken te hebben doorgestaan, het doel van de reis: de Boekit Seloewa, een alleenstaanden berg met zware wouden begroeid.
Hier zouden de vluchtelingen verblijf houden, tot alle gevaar geweken was. Ook de bewoners der andere dorpen zouden zich hier verzamelen.
Na aankomst waren weldra alle Dajaks bezig afdaken en eenvoudige hutjes te bouwen, waar men den eersten nacht kon slapen. Later zou men deze primitieve woninkjes wat verbeteren.
Reeds den volgenden dag kwamen er meer vluchtelingen opdagen uit de in de nabijheid gelegen dorpen en huizen.
De toestand in het kamp was niet te best. Ieder stelde middelen in het werk, om de tijdelijke woning zoo goed mogelijk te maken. Het bleven echter noodwoninkjes en de menschen hadden veel last van koude en vocht. Na een paar dagen waren er veel zieke vrouwen en kinderen; en reeds waren er een paar kleintjes gestorven.
Nog een paar dagen later kwamen er eenige vluchtelingen in het kamp aan, die in een der noordelijkste dorpen thuis hoorden. Deze verhaalden, hoe eenige dagen te voren hun huis plotseling in het holle van den nacht overvallen was door een sterke bende Sibaoe-dajaks. Zij waren ouder gewoonte als uit de lucht komen vallen en hadden een gruwelijke slachting aangericht onder de bewoners van het dorp. Slechts enkele der mannen hadden kunnen ontkomen. Deze waren op hun overhaaste vlucht één der boodschappersvan Petinggi Datoek tegengekomen, die hen gezegd had, dat allen zich moesten verzamelen op den Boekit Seloewa.
In ademlooze spanning had een dicht opeengedrongen menigte Kenjaoe’s het verhaal van hun stamgenooten aangehoord. Groote angst maakte zich van allen meester en kreten van schrik en ontsteltenis klonken door de lucht.
Het kostte Petinggi Datoek eenige moeite, de menschen duidelijk te maken, dat er voor het kamp voorloopig nog geen gevaar was.
Den volgenden morgen heerschte er weer groote opgewondenheid. Alle Dajaks verzamelden zich en schenen opnieuw aan hevigen angst ten prooi. Kees spoedde zich er heen. Eén der boodschappers bleek teruggekeerd en had nadere berichten meegebracht.
»Toen ik in de nabijheid van het overvallen huis kwam, hoorde ik al spoedig het geraas van de feestvierendeSibaoe’s. Ze schreeuwden en sloegen op de trommen, dat het ver door het bosch weerklonk. Zooveel mogelijk mij verborgen houdend, sloop ik behoedzaam dichterbij. Ik zag, dat ze een grooten feestmaaltijd hadden aangericht en dat er al verscheidene veel te veel toewak1hadden gedronken. De hoofden der vermoorde bewoners hadden ze op staken tentoongesteld.”
Kreten van haat en woede stegen op uit de rijen der toeluisterende Dajaks.
De boodschapper vervolgde:
»Ik durfde niet lang op die gevaarlijke plaats vertoeven en heb me zoo snel mogelijk verwijderd. Onderweg heb ik zooveel mogelijk onze lieden gewaarschuwd.”
Kees drong naar voren en vroeg:
»Hebt ge ook kunnen zien, hoeveel Sibaoe’s er ongeveer waren?”
»Mij docht zoowat honderd, heer. Misschien wel meer, maar zeker niet minder.”
»En waren er velen met geweren bewapend?”
»Ja, heer, de meesten hadden geweren.”
Kees vroeg niet meer en verwijderde zich. Hij bemerkte wel, dat er, onder den indruk van dit nieuwe verhaal, groote verslagenheid heerschte. De mannen stonden in groepen bijeen en waren in druk gesprek.
Eenige oogenblikken later besprak Kees de zaak met Marti.
»Het is me onbegrijpelijk, hoe de Kenjaoe’s zoo bevreesd kunnen zijn voor de Sibaoe’s. Volgens de berichten moet de bende der Sibaoe’s ruim honderd man sterk zijn en ik tel hier onder de Kenjaoe’s minstens honderd en vijftig flinke, strijdbare mannen.”
»Ze zijn bang voor de tooverijen der Sibaoe’s, heer,” zei Marti.
»Ik geloof niets van al die verhalen. De een maakt den ander met zijn sprookjes bang.”
»Maar u ziet toch zelf, dat de Sibaoe’s op onverklaarbare wijze in dit land komen. Daar moet toch tooverij achter schuilen.”
»Onverklaarbaar is het tot dusverre zeker; maar van die tooverij geloof ik geen zier. Mijn gevoelen is, dat de Sibaoe’s een geheimen doortocht door’t gebergte kennen; een weg, die heel wat gemakkelijker is dan die, welken wij gevolgd hebben.”
Marti zweeg. Al was hij een volgeling van Mohammed geworden, als gewezen Dajak kon hij het geloof aan tooverij en de hulp der antoe’s nooit geheel van zich afzetten. Kees hernam:
»Het is jammer, dat ze hier zoo bang zijn voor die Sibaoe’s. Als ze durfden, zouden ze hun vijanden best kunnen verslaan en het land uitjagen.—Ja, daar moet ik eens over nadenken en er met Petinggi Datoek over spreken. Misschien kan ik er hem toe krijgen, die Sibaoe’s te lijf te gaan.”
Marti keek verschrikt op en zei:
»Laat ons liever een middel bedenken, om uit dit vervloekte land weg te komen, heer. Waarom u nu weer in nieuwe avonturen te begeven! Vindt u het dan nòg niet genoeg?”
»Ik kan die ellende hier niet langer aanzien, Marti. Vrouwen en kinderen sterven weg als ratten en muizen. Als dat nog lang zoo duurt, blijft er geen in leven. Bovendien weet ik, dat verscheidene mannen er net zoo over denken als ik. Maar ze durven het niet uit te spreken, uit vrees voor die oude, bedachtzame mannen, die liever maar afwachten.... al maar afwachten.”
»U moet het natuurlijk weten. Ik voor mij zou gaarne hier vandaan gaan. We hebben onzen plicht ten opzichte van de Kenjaoe’s gedaan. Ik heb, vóór we onzen tocht aanvingen, gedroomd van bloed en vuur. U weet, dat alles is uitgekomen.... en het kan nog erger worden!”
»Wees niet zoo bijgeloovig, Marti.”
Marti antwoordde niet, doch Kees zag wel, dat de brave inlander gekrenkt was, dat er zoo weinig waarde aan zijn droomen werd gehecht.
Kees liet zijn denkbeeld niet los en zon op een plan, dat hij aan de Dajaks zou kunnen voorstellen.
Eindelijk had hij een besluit genomen.
die mistroostig onder zijn hutje zatdie mistroostig onder zijn hutje zat
die mistroostig onder zijn hutje zat
Hij ging Petinggi Datoek opzoeken, die mistroostig onder zijn hutje zat bij zijn zieke vrouw.
»Petinggi, kom eens hier, ik moet met je praten!”
De geroepene stond op en verwijderde zich met Kees.
Marti was zijn heer op eenigen afstand gevolgd enzag nu, hoe zich tusschen Kees en den Dajak een druk gesprek ontspon.
Van het gesprokene kon hij door den afstand niets verstaan. Wel zag hij Kees druk gesticuleeren. Hij zag ook, hoe de Dajak dan weer krachtig met het hoofd schudde. Toch hield Kees vol. Eindelijk was het merkbaar, dat Petinggi zich gewonnen gaf. Toen verwijderde Petinggi zich weer.
Nu kwam Kees naar Marti toe en zei:
»Het heeft moeite gekost, maar hij zal nu de mannen bijeenroepen voor een vergadering, om de zaak te bespreken. Ik vertrouw, dat ik de groote meerderheid op mijn hand krijg. Ga maar mee, dan kun je alles hooren.”
»Goed, heer!” zei Marti onderworpen.
Zuchtend volgde hij zijn heer, zich bekommerd afvragend, in welke narigheden deze zich nu weer begeven zou.
1Uit verzuurde rijst bereide geestrijke drank.
1Uit verzuurde rijst bereide geestrijke drank.