Arbeiders van den stam der Mahsoeds in het kamp te Bannoe.Arbeiders van den stam der Mahsoeds in het kamp te Bannoe.De onderlinge twisten vergeten deze stammen nooit, behalve als er sprake is van een gemeenschappelijken vijand van buitenaf. Dan kunnen ze voor een tijdje eensgezind zijn, vooral zoo de vijand geen Mohammedaan is; maar is het gevaar geweken, dan begint hun strijd opnieuw.In de zalen van het hospitaal is dat echter alles anders, en hier kan men vertegenwoordigers vinden van al de grensstammen, die broederlijk samen praten, ofschoon ze hoogst waarschijnlijk uit een hinderlaag op elkaâr zouden loeren, als ze eenige mijlen verderde grens over waren. Ze schijnen algemeen te hebben aangenomen, dat alle veeten in het hospitaal moeten rusten, en zoo kan de dokter gehoor vinden bij een half dozijn verschillende stammen in één enkele zaal van het hospitaal, als hij ’t gesprek brengt op den Vredevorst en als hij het evangelie der liefde stelt naast hun leer van schiet uw buurman dood, om zijn geweer te krijgen. Ze zeggen dan min of meer verontschuldigend: “Dat is waar; maar God heeft nu eenmaal besloten, dat er altijd oneenigheid onder de Afghanen zal zijn; wat kunnen wij er dus aan doen?” Soms zegt een patiënt: “Ik moet in een zaal liggen, waar geen vensters zijn, want ik ben bang, dat een van mijn vijanden zal komen ’s avonds, als de lamp in de zaal brandt, en mij bij dat licht zal doodschieten.”Groot zijn de verschillen in de gezichten, de kleeding en de dialecten en nog grooter in de kwalen, waarvoor ze komen. Oogziekten vormen meer dan een vierde van het geheele aantal, en weinig ziekten kunnen den dokter zooveel voldoening geven als deze, waarin hij soms het gezicht terug kan schenken aan iemand, die jaren blind is geweest en den patiënt dankbaar en gelukkig naar huis kan laten gaan. Tering komt ook veel voor in de dichtbevolkte dorpen, en hier, deze Waziri, een jonge man uit de bergen, Mohammed Payo heet hij, lijdt aan chronische malaria. Hij is een oude kennis, want hij gaat altijd weer naar huis, als hij zich sterk genoeg voelt, en dan bij slecht voedsel en veel hard werk, want hij is een arme drommel, stort hij weer in en komt, wit als een laken, bij ons terug, om weer opgekalefaterd te worden. Hij is nu juist aan ’t herstellen en gaat in de zaal rond, om kleine diensten te verrichten voor de andere patiënten. Hij vertelt hun, wat ze moeten doen en wat ze hebben te laten, alsof hijzelf jaren lang dokter is geweest. Arme jongen! Zijn ouders heeft hij verloren bij een dorpsgevecht, en hij zou zelf al lang dood zijn, als de deur van ’t hospitaal niet voor hem open stond.In een ander bed ligt een jongen met blond haar en blauwe oogen van twaalf jaar uit Khost, die lijdt aan een ziekte in de beenderen van zijn rechterbeen, dat hij in twee jaar al niet op den grond heeft kunnen zetten. Zijn thuis ligt tachtig mijlen ver, over de bergen, en er was niemand, om hem naar Bannoe te brengen, ofschoon hij aan een paar kooplui had gevraagd, of ze hem wilden laten zitten op een van hun pakkameelen. Maar niemand had er trek in, zich te belasten met de zorg voor zoo’n eenzamen knaap. Hij had zulke wonderbare geschiedenissen gehoord van de genezingen in het hospitaal van Bannoe van een man uit zijn dorp, die er zes weken was geweest voor een zweer op zijn been, dat hij besloot, erheen te gaan, hoe dan ook, en hij had de reis volbracht, voor ’t grootste deel kruipend op handen en knieën, met nu en dan eens een eindje rijden met een vriendelijken ruiter of een goedigen koetsier. Zes weken was hij onderweg geweest, hier om wat eten bedelend, daar om een nachtkwartier in de dorpen, waar hij door kwam. Toen hij aankwam, was zijn toestand zóó, dat men zich dien beter verbeelden kan dan hem te beschrijven. Enkele vuile lompen bedekten hem en de beenwond was vreeselijk, terwijl er nu geen vroolijker en gelukkiger jongen in het hospitaal is met zijn witte hospitaal-pyama, zijn zacht vriendelijk gezicht en prettigen glimlach, zooals hij op zijn kruk langs de bedden gaat en met de andere patiënten praat.Groep studenten van de zendingspost te Bannoe.Groep studenten van de zendingspost te Bannoe.En daar ligt een groote, donkere Afghaan met mooie krijgshaftige trekken, waaruit het lijden langzamerhand de harde oproerigheid verdrijft. Hij was met een vriend op een nacht gewapend naar een dorp gegaan, waar een militiewachtpost was. Hij houdt vol, dat ze maar waren gegaan, om een vriend op te zoeken en dat ze onderweg door den nacht waren overvallen. Maar ’s nachts gewapend erop uit te gaan, is op zichzelf al genoeg, om tegen zoo’n Afghaan van de grens achterdocht te wekken. Toen de militiesoldaten hem aanriepen, verscholen hij en zijn vriend zich, in plaats van te antwoorden, zoodat de soldaat meende, met slecht volk te doen te hebben en schoot. De vriend ontsnapte, maar onze man kreeg een kogel in de linkerdij, die het been versplinterde. Hij werd niet dadelijk naar het zendingshospitaal gebracht, en toen wij hem kregen, was het dadelijk te zien, dat zijn dagen geteld waren, als er niet terstond werd geamputeerd. Hij had daar, als alle Afghanen veel tegen, maar stemde ten slotte toe, op voorwaarde, dat het afgezette been hem mee naar huis zou worden gegeven, om later met hem te worden begraven. Alleen op die manier leek het hem mogelijk, hiernamaals niet gebrekkig te zullen wezen.Vrouwen met waterkruiken.Vrouwen met waterkruiken.Onder de Afghanen zijn vaak de naaste bloedverwanten iemands felste vijanden, en, zooals ik al vroeger opmerkte, het is heel gewoon te zeggen: “Hij haat dien man als een neef.” Zoo gebeurde het eens, dat een gewonde Afghaan naar het hospitaal werd gebracht op een bed, gedragen door vier mannen, en bij onderzoek bleek hij er erg aan toe. Hij had een schot van dichtbij gekregen den vorigen avond, toen hij uit de moskee naar huis terugkeerde, De kogel had zijn linkerlong geheel doorboord, en de patiënt was bewusteloos door de hevige bloeding, die was gevolgd. Een compres van pluksel en eidooier was op de wond gelegd; maar de roode stroom kwam erdoor. De man had gezegd, dat hij geloofde, door zijn oom te zijn getroffen, met wien hij oneenigheid had om het bezit van een stuk land; maar hij had diens gezicht niet duidelijk gezien. Er werd een kamer voor hem ingericht; zijn met bloed bevlekte kleeding werd door hospitaalkleeding vervangen, en de wond werd gezuiverd en verbonden.Lang zweefde hij tusschen leven en dood, steeds opgepast door twee broers, die, als ze even goed onderlegd als ijverig waren geweest, uitstekende verplegers zouden geweest zijn. De zieke won ten laatste aan in kracht, en de wond genas. Toen ik op een dag den patiënt bezocht, trof ik hem overeind in bed met een glimlach op zijn gelaat, en na de gewone begroetingen zei hij: “Als het u blieft, Sahib, kom dichtbij mij; ik heb u een verzoek te doen.” Ik ging bij zijn bed zitten en vroeg, wat ik voor hem kon doen. Hij trok mij naar zich toe en zei op onderworpen toon: “Sahib, ik wou, dat u wat patronen voor mij kocht; hier zijn vier roepijen, die ik ervoor heb bestemd.” “Wel, waarvoor hebt ge die noodig?” vroeg ik. “Kijk hier,” zei hij, en wees op de plaats van de wond, “dit litteeken moet nog afbetaald. Ik ben nu sterker, en binnen een paar dagen kan ik naar huis en ik moet zoo gauw mogelijk wraak nemen.”Ik zei afkeurend tot hem: “Kun je niet van je wraak afzien na alle goede woorden, die je in het hospitaal hebt gehoord en den goeden raad, dien je hebt ontvangen? Wij hebben met veel moeite en zorg je opgeknapt, en nu zouden we na een paar dagen je oom hier krijgen en weer dezelfde zorgen aan hem moeten besteden.” “Wees daar maar niet bang voor, Sahib”, was het antwoord, “ik ben een beter schutter dan hij.” Wij hebben den oom nooit in huis gekregen, al gaf ik de patronen niet; maar hij zal ze wel elders hebben gekregen.De toewijding, die in sommige gevallen door bloedverwanten wordt aan den dag gelegd, als ze zieke of gewonde vrienden hebben gebracht, is vaak roerend, en vormt een aangename tegenstelling met de veel voorkomende vijandigheid. Een geval is in mijn herinnering gegrift van een man uit Kaboel, die jaren lang aan een fistel had geleden; zijn naaste bloedverwant was een neef, die talib of student was. Ze waren beiden arm; maar de man verkocht wat huisraaden huurde een kameeldrijver, om hem op zijn kameel te vervoeren. De reis naar Bannoe duurde veertien dagen, en de zieke leed veel door het stooten van het rijden. Er werd geopereerd; maar het duurde nog wel een paar maanden, eer de patiënt genezen was en ontslagen en al dien tijd werd hij door den talib verpleegd, die dag en nacht aan zijn bed zat, lettend op wat de zieke noodig had en hem voorlezend uit den Koran of uit den een of anderen perzischen dichter, enkel hem verlatend, om naar de moskee te gaan in Bannoe of in een naburig dorp, waar hij van weldadige Mohammedanen een maal kreeg.Er was eens een mollah in Bannoe, die bijzonder heftig was in zijn openbare aanklachten tegen de zending en al, wat er mee in verband stond. Hij hield nog al eens toespraken, die afkeuring inhielden van al wat de Christenen, en in het bijzonder de zendelingen, deden, en hij vertelde de menschen, dat ze in het hospitaal zouden sterven en dan stellig naar de hel zouden gaan. En alle geneesmiddelen, die ze in het hospitaal innamen, zouden in lood worden veranderd, waardoor ze in den diepen afgrond zouden worden gesleurd, en meer van dien aard. We waren dus niet weinig verbaasd, toen op een goeden morgen vier in het wit gekleede talibs een bed in het hospitaal brachten, waarop een gestalte, met een wit laken bedekt, deze zelfde mollah bleek te wezen! We vroegen hem geen bijzonderheden, maar namen hem terstond op, en onze christelijke helpers waren vol zorg voor hem in zijn langdurige en ernstige ziekte en verpleegden hem met groote oplettendheid. Ze spraken nooit over zijn vroegere houding, maar trachtten, door geduld en medegevoel hem te laten zien, wat het Christendom wil. Toen hij het hospitaal verliet, bedankte hij ons in tegenwoordigheid van enkele van zijn volgelingen, bad om den zegen voor het hospitaal en is nu een van onze trouwste vrienden.De dokter en zijn helpers zouden lang moeten reizen langs de grens, om een dorp te vinden, waar ze niet hartelijk zouden worden ontvangen door oud-patiënten.De dagen zijn druk in het hospitaal. Laat ons er een beschrijven. Een oostersche dag begint vroeg. Als de eerste lichtstralen in het Oosten te zien zijn, wekt de muezzin de slapenden en roept ten gebede. “God is groot, God is groot. Ik getuig, dat er geen God is dan God! Kom ten gebede; gebed is beter dan slaap.” En ieder vrome Mohammedaan staat op, doet de vereischte wasschingen en begint den dag met het loven van den Schepper. De Hindoes volgen; klokjes klinken in hun tempels, als hun priesters de sluimerende goden wekken, en ook wordt de kleine christengemeente door de kerkklokken geroepen voor den morgendienst, en ze vereenigen zich in lofzang en gebed, voordat ze ieder naar zijn of haar werk gaan. Als de zendeling een kalm morgenuurtje voor zich zelf begeert, moet hij vroeg opstaan, want na den morgendienst begint de lange reeks van plichten, die hem geen tijd laten, eer de avond valt.Darya Khan, de hospitaalkok, wacht op het dagelijksch rantsoen en geeft vijftig zieken op voor het volle diëet, twintig voor het halve en vijftien voor melkdiëet. Zooveel zieken zijn ontslagen uit het hospitaal, zooveel zijn opgenomen, en er stierf één van nacht. Dus worden de voorraden voor den dag afgewogen en uitgegeven, en er worden bevelen gegeven voor de aanschaffing van wat er nieuw noodig is.Dan komen de zalenopzichters met hun verhalen van bevuild beddegoed en schoone handdoeken en verbanden en kleedingstukken voor de patiënten, waarin moet worden voorzien.Als dat gebeurd is, staat de tuinman klaar met het dagrantsoen aan groenten en bloemen en komt met een massa vragen, die alle ernstige overweging verdienen, zooals, of de moerbeien al moeten worden geplukt, en waar de jonge perenboompjes moeten worden geplant. En hij vertelt van gestolen oranjes, en of ik wil komen, om de voetstappen op te nemen.De klok slaat acht uur, en dus is er juist een half uur, om in het hospitaal te zien, eer de buitenpatiënten komen. De operatiezaal moet bezocht; de huisdokter vertelt, dat de tuberculoselijder op die en die zaal een bloedspuwing heeft gehad in den nacht, en we zijn juist op weg naar hem toe, als Alam Gul komt aanloopen met het bericht, dat zijn broer dien morgen van het dak naar beneden wou gaan, en dat zijn voet uitgleed op de ladder, zoodat hij op zijn hoofd viel en nu bewusteloos is. Of ik gauw wou komen? Nadat de ernstige gevallen zijn nagegaan, en Alam Guls broeder is bezocht, vraagt de afdeeling buitenpatiënten al mijn aandacht. De veranda’s zijn vol zieken, de mannen in de eene en de vrouwen en kinderen in de andere, en terwijl de catechiseermeester voor de eersten preekt, houdt een vrouw de anderen op dezelfde manier bezig. Er liggen een paar zieken op meegebrachte bedden en allerlei vervoermiddelen, draagstoelen, kameelen, ossen, ezels enz.Na een enkel woord tot de zieken, die vaak zoo lang hebben gereisd, en tot de geleiders, gaat de dokter naar binnen, om de zieken één voor één te laten komen voor het onderzoek. Degenen, die hier behandeld moeten, worden naar de zalen gebracht, en de rest krijgt de noodige geneesmiddelen, of hun wonden worden verbonden en ze kunnen naar huis gaan. Een groot aantal van de buitenpatiënten zijn ooglijders, en soms komen er vier of vijf blinden, elkaar vasthoudend en geleid door iemand, die niet geheel blind is. Zij zitten daar en wachten met spanning op de uitspraak van den dokter, om te hooren, of ze een operatie moeten ondergaan, en of er hoop is, dat ze het gezicht terugkrijgen. Want de geschiedenissen, die ze hebben vernomen van de knapheid der westersche dokters, doen hen denken, dat, als de dokter hen niet geneest, dat komt, doordat hij het te druk heeft, of dat zij te arm zijn. Als dus, wat soms gebeurt, de dokter op het eerste gezicht ziet, dat een geval hopeloos is, en dat het gezicht voor altijd weg is, wordt het een moeilijke zaak, om den patiënt dat feit mee te deelen, en dikwijls verlengt de dokter het onderzoek van het oog zonder noodzaak, opdat de man toch maar niet zal denken, dat het gebrek aan belangstelling in zijn geval is, waardoorde dokter zegt, dat hij er niets aan kan doen. En dan dat smeekende: “Och, Sahib, maar een beetje licht! Zie, ik kan nog wel licht van donker onderscheiden; ik kan het licht van dat venster zien. Ik ben den heelen weg van Kaboel gekomen, omdat ze zeiden, dat de feringidokter alles kon genezen. Waarom maakt ge mij niet beter?”Er was een man, die niet wou heengaan, voordat ik hem naar mijn moeder had meegenomen; die kon misschien nog wel helpen; ze moest meer kunnen dan ik, want ik had immers van haar geleerd? Een ander ging naar haar toe, om haar te vragen om haar tusschenkomst bij mij, omdat hij zeker was, dat, als ik maar wilde, ik hem wel beter kon maken. Als ze dan ten laatste overtuigd zijn, dat er niets aan te doen is, zeggen ze zoo ontroerend onderworpen, vaak terwijl tranen over hun wangen rollen: “Het is Gods wil. Ik zal geduldig wezen.” En dan beginnen ze hun zware reis weer naar huis of blijven nog een paar dagen en trachten, in den bazar een kansje te krijgen, om met den een of ander een eind mee te rijden.Door de buiten haar oevers getreden Indus.Door de buiten haar oevers getreden Indus.Daar komt een gewichtig hoofd met een groot gevolg, die een speciaal consult van den dokter verlangt en die met omslachtigen eerbied moet worden behandeld. Hij geeft een gift voor het hospitaal of zendt een paar ossen, beladen met zakken maïs, als een schenking voor onze magazijnen.De veerpont op de Indus bij Dera Ismaël Khan.De veerpont op de Indus bij Dera Ismaël Khan.Er komen nog steeds patiënten, als er een schooljongen aan komt loopen met het bericht, dat het tijd is voor den dokter, om zijn schoollessen te beginnen. Niet ieder zendingsstation brengt het zoo ver, dat er voor de school een afzonderlijke zendeling is, en Bannoe is een van die posten, waar het toezicht van de school een der plichten van den zendeling-dokter is, die de oudste klassen ook onderricht in bijbellezen, Engelsch en natuurkunde. Zoo wordt de spreekkamer verwisseld voor het klasselokaal, en de zendeling ziet zich omringd door een klasse van twintig tot vijf-en-twintig leerlingen, intelligente knapen, die zich voorbereiden voor het toelatingsexamen tot de Pendsjab-universiteit en ingewijd worden in de geheimen van het zien, in scheikunde en mechanica of in het maken van engelsche opstellen. Ook laat hij ze vol ambitie luisteren naar de altijd weer boeiende verhalen uit het leven van Jezus, waarbij ze ondervraagd worden en vragen stellen en de schoone leer leeren verstaan.Dan moet er nog een inspectiebezoek worden gebracht aan de andere klassen, waar het schoolpersoneel aan het werk is en soms wenken en lessen moet hebben, als alles goed zal gaan. Daarna gaan we zien, welken voortgang het bouwen van de nieuwe zaal in het hospitaal heeft gehad en of in de drukkerij alles naar wensch loopt, want de pers van de zending drukt niet enkel inlandsche geschriften en engelsch zendingswerk, maar er wordt ook gedrukt voor de verschillende kantoren en kooplieden in de stad. Rekeningen moeten worden opgemaakt, proeven gecorrigeerd en aanwijzingen gegeven voor het werk van den dag.Nu is het tijd voor een bezoek aan de hospitaalzalen en voor de operaties. Gewoonlijk worden de patiënten geopereerd op denzelfden dag, dat ze worden opgenomen. Als dat niet gebeurde, zouden de operatiezalen niet alleen overvuld worden, maar in veel gevallen zou de moed van de lijders wegvloeien langshun vingertoppen, en in plaats van hen bereid te vinden voor de behandeling, zou men worden begroet met de woorden: “Ik heb juist gehoord, dat mijn vader ernstig ziek is geworden. Als ik niet dadelijk naar huis ga, zal ik hem nooit terugzien.” Een ander: “Ik vergat heelemaal, voêr voor mijn ezel gereed te maken; ik moet naar huis, om daarvoor te zorgen en kom binnen twee dagen terug.” Men weet natuurlijk, dat die geschiedenissen pure verzinsels zijn; maar het zou nutteloos wezen, hun dat te zeggen of te gaan redeneeren. Men kan niet anders doen, dan hun hun eigen kleêren terug te geven en ze te laten gaan. Soms komen ze later weer en vertellen nog wat leugens omtrent hun vader of hun ezel, om zich te rechtvaardigen; maar vaak ook zien we hen niet terug.Zwaar beladen buffel in den bazar te Peschawer.Zwaar beladen buffel in den bazar te Peschawer.Terwijl de operatiegevallen voorbereid worden door den huisarts, gaat de dokter de zalen rond, onderzoekt en schrijft voor en zegt een opmonterend woord aan ieder bed. Als dat is afgeloopen, is hij juist eraan toe, de operaties te beginnen, als er een man komt binnenstormen, zeggende, dat zijn broeder op de jacht was en dat zijn geweer is ontploft en zijn hand afsloeg. Zou de dokter dadelijk willen komen, dat hij niet dood bloedt, en achter den boodschapper komt de gewonde al aan, op een bed gedragen. De dokter onderzoekt hem en neemt de noodige maatregelen, dat het gevaar bezworen is, en de man even kan wachten tot na den afloop van de andere operaties.Vandaag zijn de operatiegevallen zoowat als op een gemiddelden dag in den drukken tijd van het jaar. Ze beginnen met vijf oude mannen en drie vrouwen, die aan cataract lijden; dan twee gevallen van verstuiking, een amputatie, de wegneming van een gezwel en twee gevallen van een ziekte der beenderen. Als dat gedaan is, komt de man met de beschadigde hand aan de beurt, wordt gechloroformiseerd en de wond wordt genaaid, terwijl twee vingers zoo beschadigd zijn, dat ze moeten worden weggenomen.De bazar te Peschawer.De bazar te Peschawer.De schooljongens zijn nu op het veld aan het voetballen, en de dokter, die zich verkwikt heeft met een kop thee, is van oordeel, dat niets hem beter zou aanstaan dan een uurtje met hen te oefenen. Maar pas heeft hij zijn spullen aan, of een bediende komt zeggen, dat een malik of hoofd een bezoek is komen brengen. Men zou hem met een beleefde verontschuldiging willen verzoeken, een anderen keer terug te komen; maar deze malik schonk ons gastvrijheid, toen we in zijn buurt reisden een halfjaar geleden, en het zou een slechte dank zijn, als we hem nu niet ontvingen. Dus wordt hij binnengelaten met vier of vijf lieden van zijn gevolg, en er worden eenige minuten besteed aan een nietszeggend gesprek. En juist, als men op het punt is, te zinspelen op werk, dat men heeft te doen, zoodat het gesprek zou kunnen eindigen, komt de bezoeker voor den dag met het doel van zijn bezoek. Hij is gewikkeld in een rechtsgeding bij een der naburige hoven tegen een anderen malik. Zijn zaak is striktrechtvaardig; maar daar de andere partij in betrekking staat tot den secretaris van den hoofdrechter, vreest hij, geen recht te zullen krijgen, tenzij... tenzij... Zou ik de goedheid willen hebben, een paar regeltjes te schrijven aan den rechter en hem willen vragen, om aan deze zaak zijn volle aandacht te schenken? Het zou voor mij zoo weinig moeite wezen, en ik zou hem een dienst bewijzen, dien bij tot zijn dood zich zou herinneren. Er volgt een uitlegging, die vermoeiend is, omdat men die zoo vaak in dergelijke zaken moet geven, dat de rechter heel boos zou zijn, als ik het waagde, die tusschenkomst te verleenen; dat, als zijn zaak rechtvaardig is, zoo’n maatregel niet noodig is, dat hij op de eerlijkheid van de getuigen moet vertrouwen, en zoo voort. Neen, hij kan en wil niet vertrouwen, dat gij werkelijk vriendschap voor hem voelt, als ge hem dien kleinen dienst van het schrijven van een briefje weigert. Als de bezoeker is heengegaan, is er nauwelijks een half uur over voor het voetbalspel, en er wacht al een man, die u mee wil hebben naar een geval van longontsteking aan den anderen kant van den bazar, en twee andere boodschappen zijn er geweest voor ziektegevallen in de stad.Het straatje in Calcutta, waar de gewonden werden neergelegd.Het straatje in Calcutta, waar de gewonden werden neergelegd.Het is nu avond en opnieuw roept de kerkklok de kleine Christengemeente samen voor het avondgezang van lof en aanbidding, en de herder zegt eenige woorden van leering en bemoediging. Ten slotte zijn dan al die bemoeiingen afgeloopen, en dan kan de dokter gaan zitten aan zijn krant en zijn brieven. Maar lang blijft hij niet ongestoord. De eerste, die komt, is de directeur van het kosthuis, die vertelt, dat een paar Hindoes hun eten hebben gekookt in de pan van de school, en nu weigeren de vegetariërs voedsel te gebruiken, dat gekookt is in die pan, die onrein is geworden. De wederzijdsche argumenten worden gehoord, en er wordt een beslissing genomen; de vleeschpartij moet zelf een pan aanschaffen. Daarna komt de huisdokter met zijn avondrapport over de zalen en deelt mee, hoe de toestand is van de geopereerden en van de andere ernstige gevallen, om daarna instructies voor den nacht te krijgen. Hij wordt gevolgd door een catechisant, die iederen avond een kwartier les krijgt, en door drie van de oudste kostgangers, die vragen komen doen over het engelsche opstel voor den volgenden dag, en het allerlaatst komt de nachtwacht om te melden, dat, daar er roovers buiten zijn, er bijzondere maatregelen moeten worden genomen voor de bewaking; doch hij denkt, dat, als ik hem een nieuw pistool en wat patronen geef, alles wel veilig zal zijn.Een dag, als ik hier heb beschreven, is een gemiddelde in de drukke maanden van het jaar, en de dokter moet zich gelukkig rekenen, als de vastheid van zijn slaap niet gestoord wordt door een nachtelijke oproeping.Er is een verschil tusschen den dokter-zendeling en den prediker, die niet meer dan dat is, namelijk dat, terwijl de laatste zijn volkje zelf moet opzoeken, de eerste door de gemeente wordt gezocht, en dat de geloovigen soms in zoo grooten getale komen, dat hij haast geen tijd heeft, om te eten. Maar zelfs een dokter, die zijn tijd in zijn hoofdkwartier geheel kan vullen, zou een groote flater begaan, als hij nooit op reis ging. Want in de kampen en de dorpen leert de zendeling het volk begrijpen en door van dorp tot dorp te reizen en als hun gast onder hen te leven,wordt hij bekend met hun waar innerlijk leven, zooals hij dat anders nooit zou worden, en voor een zendeling is dat een onontbeerlijk iets.Er zijn twee manieren van reizen. Aan den eenen kant kan men tenten meenemen en een kampuitrusting en bij het een of andere groote dorp zijn kamp opslaan of midden tusschen kleine plaatsen in en daar de patiënten ontvangen en het dagelijksche werk doen, terwijl men de dorpen bezoekt, als het werk is afgeloopen. Op die manier is de zendeling-dokter onafhankelijk en werkt, als hij wil, gaande en komende naar zijn verkiezing. Maar aan den anderen kant kan hij de gast worden van een der voornaamste hoofden of dorpelingen, die zijn logeerhuis te zijner beschikking stelt en hem gastvrijheid verleent. Dan komt hij in veel nauwer aanraking met de menschen en krijgt meer van hen te zien; maar hij geeft zijn vrijheid op, zal den gastheer over zijn plannen moeten raadplegen en moet erop zijn voorbereid, zichzelf en zijn tijd ter beschikking van den gastheer te moeten stellen en van de dorpelingen, zoowel overdag als des nachts.Beide methoden hebben hun lichtzijden. Voor een nieuw district en waar de menschen achterdochtig zijn, is de laatste manier zeker te verkiezen; als de zendeling bekend is geworden en veel te doen heeft, is de eerste wijze van doen verkieselijk.De reiziger, die een winter heeft besteed aan een tocht door Indië, maar die enkel de groote steden heeft bezocht en de plaatsen, waar iets wordt vertoond, en nooit in een indisch dorp heeft gewoond, blijft totaal een vreemdeling in het diepere innerlijke leven van den Indiër. Het ware Indië wordt niet gezien in de verwestelijkte bazars van de groote steden, maar in de tallooze dorpen, waar meer dan tachtig procent van de bevolking van Indië woont. Bovendien krijgt men een veel aantrekkelijker en beteren kant van het indische leven te zien in de dorpen dan in de steden, en onder die eenvoudiger menschen brengt de zendeling zijn gelukkigste uren door. Maar hij ontmoet er ook den strijdlustigen mollah, die den redetwist zoekt en met wien het moeilijk redeneeren is om zijn gebrek aan logica, dat zoo dikwijls aan den dag komt.Gebeurt het echter, dat zoo’n mollah of een vriend van hem medischen of chirurgischen raad noodig heeft, dan wordt de houding dadelijk anders, en ge kunt dan veel gemakkelijker ook tot het volk doordringen. Eens toen ik op reis was naar het Noorden, kwamen een paar Pathans mij zeggen, dat ik mij de moeite wel kon besparen, daarheen te gaan, want een zekere mollah, die veel invloed had in die buurt, was ons voorgeweest en had de menschen gewaarschuwd, onze behandeling niet te vragen, onze prediking niet te gaan hooren en zelfs ons te vermijden. Ik antwoordde met de opmerking, die bijna altijd op een mohammedaansch gemoed indruk maakt onder alle omstandigheden: “Wat Gods wil heeft besloten, zal geschieden,” en vertelde hem, dat we bij ons oorspronkelijk plan zouden blijven.De eerste dagen leken de menschen inderdaad achterdochtig en terughoudend, zoodat zeer weinigen tot ons kwamen. Toen we den derden dag op marsch waren en niet ver van een dorp voort trokken, kwam een man, die ons blijkbaar vanuit het dorp had waargenomen, dat op een hoogte boven den weg lag, hard naar ons toeloopen en zei na de gewone begroetingen: “Er is hier een vroegere patiënt van u, die u zoo graag eens spreken wou; zou u willen meegaan naar haar huis?” Toen we er kwamen, zagen we, dat het een vrouw was, die een jaar te voren in het hospitaal te Bannoe had vertoefd voor een kwade zweer op het been, dat had moeten worden afgezet. Voordat ze het hospitaal verliet, hadden we haar een houten been verschaft, waarop ze nu naar ons toe strompelde. Ze was heel blij, zoo onverwacht ons te ontmoeten en had blijkbaar aan haar dorpsgenooten veel verteld van alle wonderen, die in het hospitaal gebeurden, en van de groote liefde en goedheid, die haar daar waren betoond, want velen van haar buren kwamen toeloopen naar haar kleine binnenplaats, en onder hen was, zonder dat wij het wisten, de mollah, die een kruistocht tegen ons had gepreekt.Hij was stil binnengekomen, om zelf te oordeelen, wat wij en ons werk beteekenden en werd diep getroffen door de hartelijkheid, waarmee we door oud-patiënten werden begroet, want toen de vrouw ons verzocht, bij haar te blijven, terwijl ze een maal voor ons bereidde, trad hij naar voren en maakte zich bekend met de woorden: “Neen, mijn huis is dichter bij in het naburige dorp, en het is mij een eer, den Padre Sahib te ontvangen en te onthalen. Hij moet mee naar mijn huis gaan.” Zoo geschiedde, en van dorp tot dorp verspreidde zich het bericht, dat de westersche dokter de gast was geweest van den mollah zelf en diens brood had gegeten.Een interessante stad, waar we nog al eens hebben stil gehouden op onze reizen, is Kalabagh. Ze ligt op den rechteroever van de rivier, de Indus, waar deze door de rotsachtige kloof is gebroken, die den loop heeft samengeperst, en nu de grenzenlooze, alluviale vlakte van Pendsjab betreedt. In enkele rivierbochten tusschen Attock en Kalabagh loopt de rivier in heftige stroomversnellingen voort, zoodat de bootslieden hun zware rivierbooten er met de grootste moeite doorheen sturen, opdat ze niet ten ondergaan zullen in een draaikolk of tegen de steile rotsen aan den kant zullen worden verpletterd. Op andere plaatsen zijn er diepe, stille einden, waar de grond tweehonderd voet onder de oppervlakte van het water ligt. In den warmen tijd, als het water hoog is in het begin, is het een opwindende geschiedenis, om over het snelstroomende water te worden overgezet.Te Kalabagh heeft men groote zoutwerken van rose en paarse tinten en van groote zuiverheid, die vrij wat inkomsten opleveren voor de regeering. De stad zelve is tegen den berg aangebouwd van datzelfde zoutgesteente, zoodat de eigenaar van een huis maar een stukje van zijn eigen muren heeft af te slaan, om zijn middagmaal te zouten. Het is een voortdurende grief bij de bewoners, dat hun eigen muren regeeringscontrabande zijn, en dat ze boete moeten betalen, als ze een steen van hun woning verkoopen, zonder er rechten van te betalen. De straten zijn nauw en bochtig, en daar vele ervanoverdekt zijn, is het er zeer donker en gloeiend heet in den zomer, terwijl het er in alle jaargetijden slecht ruikt en ongezond is.De menschen zijn bleek en bloedeloos, en ze lijden bijna allen aan een kropgezwel in meer of minder ernstigen vorm. Ze vormen een sterke tegenstelling met de stoere bergbewoners van den Bangi Khel Khattakstam in hun buurt. Dat zijn de ware recruten voor de regimenten van de Pathans aan de grens, terwijl uit Kalabagh zelf moeilijk een twintig man zouden zijn te halen, die door den recruteeringsofficier zouden worden toegelaten. In het zwoele zomerweêr brengen de menschen den dag veelal door onder een grooten indischen vijgenboom, waarvan er vele verspreid langs den oever der rivier staan. Daar houden de civiele ambtenaren ook hun vergaderingen, en ik had mijn kamp onder een grooten boom. De wijd uitgespreide takken beschutten niet enkel mij en mijn talrijke zieken en bezoekers, maar buitendien ook den ambtenaar en zijn hof met allerlei cliënten en smeekelingen en den districtsrechter met getuigen en pleiters en beschuldigden, en dat zonder dat we eenigen last van elkander hadden.Het land verder van de rivier staat te gloeien in de zomerzon, en de stad zelf is als een oven; maar er waait bijna altijd een frisch koeltje langs den oever en als men verhit en stoffig is van het dagwerk, gooit men zijn kleêren af en dompelt zich in de rivier, om zwemmend zich te verkwikken daar, waar de jongelui uit de plaats al hun vrijen tijd doorbrengen. Ze gebruiken de opgeblazen huid van een geit of een koe en liggen daarop, zoodat ze kunnen rusten, gesteund door het koele water, zoolang als ze het zonder moe te worden, kunnen uithouden. De stroom is te snel, dan dat ze stroomop kunnen gaan; maar als ze stroomaf wat te doen hebben, maken ze doodeenvoudig hun kleêren in een bundeltje op hun hoofd vast, gaan op de opgeblazen huid liggen en drijven kalm naar beneden met den stroom met een snelheid van zoowat vier mijlen in het uur en zoo ver, als ze willen. Op den terugweg laten ze de lucht uit de huid los en slaan het vel over hun schouders.Wij hadden hier gewoonlijk zeer veel zieken van den morgen tot den avond, en ik heb er wel driehonderd op één dag gehad, met een aantal operaties erbij. Eens op een dag bezocht een aanzienlijke sjeik de plaats. Hij was een Mohammedaan, die van het Hindoeïsme tot dien godsdienst was overgegaan en trok nu door het land, om den Islam te prediken, en het Christendom zoowel als de leer van Boeddha afbreuk te doen. Hij zond ons een uitnoodiging of uitdaging, om met hem in het openbaar te redetwisten over de respectieve verdiensten van het Kruis en de Halve Maan. Ik had er niet veel trek in, daar zulke discussies zelden oprecht en eerlijk in hun werk gaan; maar daar mijn tegenzin verkeerd zou worden uitgelegd, stemde ik toe, en op een avond hielden we onze redevoeringen, terwijl een mohammedaansche heer uit de stad voorzitter was. Het was afgesproken, dat we ieder op onze beurt een vraag mochten stellen, die de ander moest beantwoorden.Hij mocht het eerst een vraag doen, en vroeg, hoe het kwam, dat wij geen wondermacht hadden, daar toch de Bijbel zei, dat diegenen, die in Christus geloofden, vergif zouden kunnen nemen of door slangen konden worden gebeten, zonder dat hun eenig leed zou weervaren. De jonge catecheet, die bij mij was, gaf zulk een helder en categorisch antwoord, dat de mohammedaansche voorzitter en de debater beiden van toon veranderden en zeiden, dat het laat was geworden, en dat het beter zou wezen, dat ik mijn vraag tot een anderen tijd uitstelde.Onnoodig te zeggen, dat de beter geschikte tijd nooit kwam, en wij werden niet weer uitgedaagd tot een twistgesprek in Kalabagh, terwijl de sjeik een paar dagen later op nieuwe weiden ging grazen.Een voetbalwedstrijd te Bannoe.Een voetbalwedstrijd te Bannoe.Aan voetbal en andere sport wordt ook in deze grensgebieden veel gedaan. De lezer stelle zich een groot open veld voor van een harde, grijze grondsoort, die in Pendsjab “pat” wordt genoemd. Het is een zouthoudende grond, waar geen gras of onkruid groeit, en zoo’n terrein is zeer geschikt, om door de dorpelingen te worden gebruikt voor spelen en markten en door de Engelschen voor de evoluties van hun troepen. Er om heen liggen de Bannoedorpen, en op een feestdag ziet men er iedereen. Alle mannen, die een paard bezitten of er een kunnen huren, zijn te paard, en van de jongens zitten er soms twee of drie op één rijdier, om toch maar goed te kunnen zien naar de spelers. Na de spelen wordt er des avonds vuurwerk afgestoken. Vroeger bestonden de spelen uitsluitend in wedrennen en spelen te paard; maar de engelsche invloed heeft de sport van hetvolk gewijzigd. Nu kan men groote grasvelden zien tusschen de stad Bannoe en de kantonnementen, en er zijn weer duizenden toeschouwers; maar de vlaggen en voetbalpalen wijzen op andere spelen. Het is de dag van de provinciale wedstrijden tusschen alle scholen uit de provincie, en elftallen uit de verschillende grensscholen uit Peschawer, Kohat, Dera Ismaël Khan, naast die uit Bannoe, zijn hier bijeengekomen, om hun behendigheid met elkander te meten in spel en athletiek. De scheidsrechter heeft het sein gegeven. Hij is een engelsch officier, en de jeugdige kampioenen komen naar voren onder het gejuich van hun aanhangers. De ploeg uit Bannoe is wat kleiner van stuk en draagt de uniform in de schoolkleuren, paars buis en lichtblauwe broek. De ploeg uit Peschawer is zwaarder gebouwd en heeft een blauw en zwarte uniform. De scheidsrechter fluit weer, en aan beide kanten spant men zich tot het uiterste in, om de goal van de tegenpartij te bereiken.Terwijl de bal heen en weer vliegt, en de kansen mooi staan voor de een of de andere partij, worden de toejuichingen luider, en als er punten worden gemaakt en pogingen worden gedaan, die goed of slecht afloopen, is de geestdrift vooral niet minder groot dan in Engeland. De kapitein van de Bannoe-ploeg is een inlandsche Christen, wiens vader een bekeerde Mohammedaan is; maar de andere Mohammedanen en Hindoes in zijn elftal zijn hem trouw tot het uiterste en volvoeren zijn bevelen met een mooi esprit de corps, dat treffend is. Als het fluitje voor rust klinkt, kunnen de Bannoejongens, die toekeken, het veld binnenhollen en hun zegevierende kameraden toejuichen en op de schouders dragen onder algemeen handgeklap en gejuich.Ons voetbalelftal.Ons voetbalelftal.Met het idee, om dien esprit de corps bij hen te ontwikkelen en tevens aan hun lust in reizen te voldoen onder het zien van enkele voorname steden van Indië, maakte ik in den zomer van 1906 een tocht met het voetbalelftal van de zendingshoogeschool in Bannoe door een deel van Noord-Indië. Een aantal colleges en scholen van Calcutta tot Karatsji namen niet alleen onze uitdaging aan voor voetbalwedstrijden, maar boden ons gastvrijheid aan, zoolang we in hun stad zouden blijven. Ons elftal vertegenwoordigde alle klassen, Mohammedanen, Hindoes, inlandsche Christenen en Sikhs. De aanvoerder was een Afghaan van den stam der Khattaks, shah Jehan Khah, terwijl op hem in rang volgde een inlandsch Christen, James Benjamin. Er deden zich wel moeilijkheden voor; maar alle werden ten slotte overwonnen. Schoolplichten noodzaakten ons, de reis te doen in Juli, Augustus en September, den warmsten tijd in de meeste plaatsen, die we aandeden, en er werden matches gespeeld in temperaturen van bij de honderd graden Fahrenheit, terwijl de toeschouwers onder punkahs zaten.In dien tijd van het jaar is de Indus hoog en levert een eigenaardig schouwspel op, als de rivier bij Kalabagh uit den rotspas komt. In den winter ziet men dan één, twee of drie kanalen, ieder van één- tot vierhonderd ellen breed; maar in den voorzomer, als de sneeuw op den Himalaya is gesmolten, overstroomt de rivier haar oevers en vormt een enkele wijde oppervlakte water, tien mijlen breed van oever tot oever. In dien tijd zijn de dorpen, die op de hoogste plekken van de omgeving zijn gebouwd, tot eilandjes geworden, die alleen met booten te bereiken zijn. De tonga of wagen moet dan wel eens over mijlen van ondergeloopen wegen worden geduwd, eer ze de plek bereikt, waar de veerboot de passagiers en de bagage over de rivier kan brengen, en veel verwisselingen van boot voor wagen en omgekeerd zijn er noodig, eer de reiziger eindelijk het spoorwegstation heeft gehaald, waar de trein hem kan brengen naar Karatsji of in de richting van Lahore.Wij hadden, nadat de veerboot ons naar den overkant had gebracht, onze bagage in twee wagens gepakt en, onze overtollige kleeding afleggend, gingen we loopen door het overstroomde land naar het station Darya Khan. Soms troffen we eens een kwartmijl van velden, die niet waren overstroomd; maar dan weer kwam het water ons tot aan de heupen, en ook wel kwam het voor, dat de veerboot voor de bagage werd gebruikt en dat wij over zwommen. Twee uit het elftal, die minder goede zwemmers waren, zouden op een keer gefopt zijn geworden door de kracht van den stroom, als er niet gelukkig een zandbank hun nog weer vasten grond had doen krijgen. De tocht over de gezwollen rivier had van negen in den morgen tot vier uur in den namiddag geduurd; maar wij hadden ook wel eens geluierd, om te genieten van het zwemmen op de diepere plaatsen.Rijstvelden en veeteelt bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Rijstvelden en veeteelt bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Wij bemerkten, dat het voetbalseizoen in de verschillende steden ver uiteenloopt. Terwijl Calcutta voetbal speelt in Juli en Augustus, speelt Karatsji van December tot Maart en Bombay in het voorjaar. Maar ook die clubs, die niet in hun speelseizoen waren, stemden er met sportieve bereidheid in toe, zich tijdens ons bezoek met ons te meten. Nergens vonden wij meer enthousiasme op de colleges en in de scholen en guller gastvrijheid dan in Haiderabad, de hoofdstad van het rijk Nizam, en hier juist leed onze club haar eerste nederlaag op dezen tocht.Wij hadden dertig uren gereisd van Ahmadnagar in het Noorden, en de stations langs de lijn waren zoo slecht voorzien, dat we niets hadden kunnen krijgen dan wat biscuits en wat zoetigheden, en toen we in Haiderabad aankwamen, hoorden we, dat de wedstrijd op vier uur in den namiddag bepaald was, zoodat het elftal slechts haastig een zelfbereid maal kon nuttigen, vóór het in den strijd ging. Het Nizamcollege stelde een sterke ploeg tegenover ons, en voor het eerst op onze reis werden de Bannoejongens beslist geslagen. Het was echter aardig, op te merken, hoe beide ploegen hun goede gezindheid aan den dag legden, en hoe ze met de grootste bonhommie vóór, zoowel als na de wedstrijden, zich verbroederden en vriendschapsbanden aanknoopten, die in stand bleven tot lang na onzen terugkeer naar Bannoe.Zulke reizen, als wij toen deden, hebben ongetwijfeld bijgedragen tot het wekken van die gevoelens van vriendschap tusschen de rassen uit verschillende streken van Indië, die zoo gunstig werken en waarvan altijd zoo weinig naar buiten blijkt. Er zit ook een strekking in, om breeder sympathieën te wekken en godsdienstige vooroordeelen tegen te gaan. Niet alleen bewezen de leden van ons gezelschap, dat er vriendschap kon bestaan bij verschil van godsdienst; maar ook onze gastheeren waren van allerlei rang en ras en geloof. Zoo waren we in Haiderabad de gasten van een christelijken zendeling, reverend Canon Goldsmith; een huis werd ons afgestaan door een rijken Parsi, en we werden ten eten genoodigd door Mohammedanen uit de plaats.Op één uitzondering na hadden onze Afghanen nooit de zee gezien en ze verlangden allen naar de kennismaking. Dus regelde ik het zóó, dat we van Karatsji naar Bombay gebruik maakten van een der britsch-indische stoombooten, die tusschen de beide havens varen. De Juli-moesson was op zijn krachtigst, en ze hadden niet gerealizeerd, wat hun verzoek inhield. Er woei een hevige wind al den tijd, dat onze reis duurde, heel die veertig uren lang, en de kleine stoombootKassararolde steeds door, terwijl de golven soms over het voordek sloegen.Allen op drie na leden aan zeeziekte in den ergsten vorm en wenschten vurig, dat ze nooit de woede van den oceaan hadden durven tarten. Wij kwamen in een stortregen in Bombay aan, een treurig, ontmoedigd en strompelend troepje. Het was pikdonker, en slechts met eenige moeite vonden wij den weg naar de school van de Zendingsmaatschappij, waar we opgenomen zouden worden. Het regendebijna den heelen tijd van ons verblijf in Bombay, maar we speelden toch een match met de Stedelijke Club, en deBombay Gazettegaf er nauwkeurig verslag van. Iedere partij had drie goals gemaakt.Daarna was Calcutta aan de beurt, waar een reeks wedstrijden ons wachtten, en dan zouden volgen de matches met de scholen van de provincies Agra en Oudh en die van Pendsjab; maar een onvoorziene en onberekenbare omstandigheid bracht onzen tocht tot een prematuur einde, enkele uren vóór het tijdstip, waarop wij uit Calcutta zouden vertrekken. Het ongeluk was het gevolg van een dier golven van onrustigheid, die volgden op den heftigen storm, gewekt door de verdeeling van Bengalen. De Bengaleezen hadden een boycot afgekondigd voor alle europeesche goederen, en in de opgewondenheid van hun campagne hadden ze een massa jeugdige schildwachten gezet aan de deuren van die kooplui, die handel dreven in artikelen van westersch maaksel.Het waren voornamelijk Marwarikooplieden uit het presidentschap Bombay, en zij dachten zich te bevrijden van dien lastigen troep jongens, door het gerucht te verspreiden, dat een aantal lieden uit Pendsjab en Afghanistan uit het Noorden waren gekomen, om kinderen en knapen te rooven, als ze die konden machtig worden. Het gerucht vond geloof bij de bijgeloovige volksmenigte in Calcutta en, zonder dat wij er iets van wisten, daar ons zelfs het bestaan der geruchten onbekend was, had men ons gezelschap aangewezen als waarschijnlijk tot de roovers behoorende.Wij waren op den morgen van 23 Augustus 1906 teruggekeerd uit Krishnagar, waar we aan een reeks wedstrijden hadden deelgenomen, en zouden Calcutta dienzelfden namiddag verlaten, om den volgenden dag te Bhagalpur te spelen. Onze club had zich in twee groepen verdeeld, om te gaan ontbijten in een van de eetwinkels, die er zoovele zijn in den bazar te Calcutta, en ik was vooruitgegaan naar hetHowrah-station, om kaartjes te nemen. Het was een warme dag, en op den terugweg bleef ik even rusten in een ververschingslokaal in Harrison Road dichtbij het kosthuis van de Zending, waar we logeerden, om een glas limonade te drinken.Kalm zat ik vóór den winkel, toen ik opeens den heelen bazar vol drukte en beweging zag. De menigte liep af en aan, en de winkeliers deden gauw hun luiken vóór de ramen. Volkomen onbewust van het feit, dat mijn eigen jongens werden aangevallen, dronk ik rustig mijn glas uit en wandelde naar ons kosthuis, denkende, dat er geen reden was, om mij ongerust te maken over dingen in Calcutta, die mij niet aangingen.Pas was ik binnen het hek gekomen, of ik zag één van onze clubgenooten, Rahime Bakhsh, met bloed, stroomend over zijn gezicht, en nog een anderen knaap, die gewond was. “Weet u niet,” schreeuwde er iemand, “dat onze jongens zijn aangevallen met moorddadige oogmerken, en dat er misschien gedood zijn?”“Waar zijn ze?” vroeg ik haastig.“Ze zijn denkelijk nu in het hospitaal.”Er ging juist een cab voorbij, en ik sprong erin en reed naar het hospitaal. Ik snelde naar de zaal voor de pas binnen gebrachten en was doodelijk verschrikt, toen ik zes van de club er zag liggen met gescheurde en bebloede kleêren en geheel onder het slijk als bedolven. Hun hoofden waren zóó toegetakeld door de menigte, dat ik ze niet kon herkennen, voordat ik met ze had gesproken, en toen hoorde ik pas, wat er was gebeurd.Een gezelschap van negen jongelui was een lokaal voor ververschingen binnengegaan en zoude er ontbijten. Daar bemerkten ze al spoedig, dat een volksmenigte van vele honderden zich buiten had verzameld. Nog niet begrijpend, dat zijzelf de oorzaak van den oploop waren, gingen ze, na hun maal te hebben genuttigd, naar buiten, om naar het zendingskosthuis te gaan, maar werden aan alle kanten door geschreeuw en geroep ontvangen. “Dat zijn de roovers! Sla ze dood! Sla ze dood!”Nog begrepen zij de oorzaak der opwinding niet, en toen ze vroegen, wat het alles beteekende en wat men van hen wilde, kregen ze enkel snauwen ten antwoord en een regen van steenen. Eer ze tijd hadden, zich te weer te stellen, raakten ze van elkaar af onder de woedende volksmenigte, die hun met steenen en stokken te lijf ging, tot ze bewusteloos op straat lagen. Twee slechts wisten te ontkomen, Rahime Bakhsh, dien ik in het kosthuis had ontmoet, en een andere, die in een voorbijgaand rijtuig had kunnen komen.Vijf van hen, die bewusteloos waren, werden door den volkshoop opgenomen en in een nauw straatje geworpen, waar het bloed uit hun wonden vloeide en een rooden stroom door de straatgoot dreef. Een ander, Ganpat Rai, werd bevrijd door een bevrienden Bengalees, een heer, die hem naar zijn huis bracht en zijn wonden verbond, om hem daarna onder geleide naar het hospitaal te laten brengen. Gurmukh Das, ook een van de jongens, was door ruwe kerels bemerkt, toen hij midden op straat lag; maar een Engelschman, die in zijn rijtuig passeerde, was verontwaardigd over wat hij zag, sprong uit den wagen en vroeg de kerels, wat dat beteekende, om een bewustelooze nog te slaan, en als hij een misdaad had begaan, waarom of ze hem dan niet naar het politiebureau brachten. Een uit de menigte riep: “Die Engelschman is hun aanvoerder; sla hem maar dood!” En den jongen in den steek latend, vielen ze den engelschen heer aan. Hij verdedigde zich; maar een van de schurken naderde hem van achteren en sloeg een mand over zijn hoofd. Zeker zou het slecht met hem zijn afgeloopen, als niet een paar goedgezinde inlanders hem snel in Ripon college binnen hadden getrokken, dat daar dichtbij was.Wij hadden graag Calcutta willen verlaten, zoodra de toestand der gewonden het ons mogelijk maakte, te reizen, want het ongewone dieet en het andere klimaat hadden op ons aller gezondheid een slechten invloed; maar wij waren gevangenen volgens den wil der regeering, die van ons verlangde, dat wij in Calcutta bleven als getuigen bij de vervolging, door de regeering ingesteld. Dag op dag moesten wij wachten en den tijd zoekbrengen in den politiepost van den Bowstreetbazar.De politie had een aantal menschen bijeengebracht, van wie gebleken was, dat ze aan het opstootjehadden deelgenomen, en de meesten van hen hadden advocaten in den arm genomen, om hen te verdedigen. Dus was het er vol van verdedigers, die het hun plicht rekenden, elk van de leden onzer club een verhoor te doen ondergaan, tot in ’t oneindige gerekt, zonder dat er gelet werd op de vragen, die al van te voren door de ambtsbroeders waren gedaan.De kruisverhooren, die wij ondergingen, zouden niet nauwkeuriger hebben kunnen zijn, als wij de aanvallers in plaats van de slachtoffers waren geweest, terwijl de flauwheid van de vragen en het noodeloos tijdverlies, dat telkens weer uitstel van onze reis bracht, een kwelling voor ons was bij onzen verzwakten toestand en ons vurig verlangen naar de woningen aan de grens.De rechtsgeleerden en advocaten voor de verdediging beweerden intusschen, dat ze veel sympathie voor ons gevoelden in ons leed, en de een na den ander kwam naar ons toe en zei iets als: “Wij hier in Calcutta zijn zeer verdrietig om het gebeurde. Stellig hebben de dokwerkers schuld en moeten worden gestraft om zulk een ongemotiveerden aanval op onschuldige reizigers; maar er is ook iemand gevangen genomen door een vergissing van de politie. Hij had niets met het standje te maken en moet worden vrijgelaten, omdat hij volkomen onschuldig is”. Daar er in iedere zaak zoo’n “bij vergissing gearresteerde” in bescherming wordt genomen, door de advocaten, maakten hun woorden weinig indruk.Een lichtzij was de oprechte sympathie, aan den dag gelegd door enkele Bengaleezen, een medegevoel, dat onder woorden werd gebracht door den Honorable Surendra Noth Bannerji, die een openbare vergadering belegde, waarin hij het leedwezen betuigde, door de burgers van Calcutta gevoeld. Een adres van dien inhoud werd ons in een zilveren mandje overgebracht.Eindelijk kreeg het hof medelijden met ons en stemde erin toe, ons verhoor te doen voorafgaan aan dat van de honderd en meer getuigen, door de verdediging aangebracht, en waar een paar maanden verblijf in Calcutta mee gemoeid zouden zijn geweest, als wij tot het eind hadden moeten blijven.Toen we in Bannoe terug waren, kregen we een luisterrijke ontvangst, waardoor de leden van de club een beetje vergoeding kregen voor het leed, dat ze hadden doorstaan. De civiele bevelhebber van het district, afgevaardigden van de stedelijke regeering en een groot aantal burgers kwamen ons met muziek tegemoet enkele mijlen, voordat we Bannoe bereikten en onder groot gejuich had onze intocht plaats.In alle mohammedaansche landen nemen vrouwen een zeer ondergeschikte plaats in, een bijna vernederende positie, en ze worden beschouwd als enkel bestaande terwille van de sterke sekse. In Afghanistan komt daar nog bij als nieuw bezwaar, dat de mannen bijna allen wreed en jaloersch zijn, en onder de lagere standen dwingen de omstandigheden de vrouwen tot voortdurend hard werken aan arbeid, dien de mannen beneden hun waardigheid achten en dien ze daarom niet deelen of ook maar eenigszins verlichten.De vrouw moet het koren malen, het water aansleepen, het eten koken, de kinderen verzorgen, het huis schoonhouden, inderdaad alles doen behalve het winkelen, dat volstrekt niet door haar mag gebeuren. De man doet de boodschappen en koopt niet alleen de voedingsmiddelen voor het dagelijksch gebruik van het gezin, maar hij koopt ook de kleêren van zijn vrouw, of ten minste de stof ervoor, en de dame moet tevreden wezen met zijn keus en haar kleeding thuis vervaardigen van wat meneer de echtgenoot wel zoo goed is, haar te brengen.
Arbeiders van den stam der Mahsoeds in het kamp te Bannoe.Arbeiders van den stam der Mahsoeds in het kamp te Bannoe.De onderlinge twisten vergeten deze stammen nooit, behalve als er sprake is van een gemeenschappelijken vijand van buitenaf. Dan kunnen ze voor een tijdje eensgezind zijn, vooral zoo de vijand geen Mohammedaan is; maar is het gevaar geweken, dan begint hun strijd opnieuw.In de zalen van het hospitaal is dat echter alles anders, en hier kan men vertegenwoordigers vinden van al de grensstammen, die broederlijk samen praten, ofschoon ze hoogst waarschijnlijk uit een hinderlaag op elkaâr zouden loeren, als ze eenige mijlen verderde grens over waren. Ze schijnen algemeen te hebben aangenomen, dat alle veeten in het hospitaal moeten rusten, en zoo kan de dokter gehoor vinden bij een half dozijn verschillende stammen in één enkele zaal van het hospitaal, als hij ’t gesprek brengt op den Vredevorst en als hij het evangelie der liefde stelt naast hun leer van schiet uw buurman dood, om zijn geweer te krijgen. Ze zeggen dan min of meer verontschuldigend: “Dat is waar; maar God heeft nu eenmaal besloten, dat er altijd oneenigheid onder de Afghanen zal zijn; wat kunnen wij er dus aan doen?” Soms zegt een patiënt: “Ik moet in een zaal liggen, waar geen vensters zijn, want ik ben bang, dat een van mijn vijanden zal komen ’s avonds, als de lamp in de zaal brandt, en mij bij dat licht zal doodschieten.”Groot zijn de verschillen in de gezichten, de kleeding en de dialecten en nog grooter in de kwalen, waarvoor ze komen. Oogziekten vormen meer dan een vierde van het geheele aantal, en weinig ziekten kunnen den dokter zooveel voldoening geven als deze, waarin hij soms het gezicht terug kan schenken aan iemand, die jaren blind is geweest en den patiënt dankbaar en gelukkig naar huis kan laten gaan. Tering komt ook veel voor in de dichtbevolkte dorpen, en hier, deze Waziri, een jonge man uit de bergen, Mohammed Payo heet hij, lijdt aan chronische malaria. Hij is een oude kennis, want hij gaat altijd weer naar huis, als hij zich sterk genoeg voelt, en dan bij slecht voedsel en veel hard werk, want hij is een arme drommel, stort hij weer in en komt, wit als een laken, bij ons terug, om weer opgekalefaterd te worden. Hij is nu juist aan ’t herstellen en gaat in de zaal rond, om kleine diensten te verrichten voor de andere patiënten. Hij vertelt hun, wat ze moeten doen en wat ze hebben te laten, alsof hijzelf jaren lang dokter is geweest. Arme jongen! Zijn ouders heeft hij verloren bij een dorpsgevecht, en hij zou zelf al lang dood zijn, als de deur van ’t hospitaal niet voor hem open stond.In een ander bed ligt een jongen met blond haar en blauwe oogen van twaalf jaar uit Khost, die lijdt aan een ziekte in de beenderen van zijn rechterbeen, dat hij in twee jaar al niet op den grond heeft kunnen zetten. Zijn thuis ligt tachtig mijlen ver, over de bergen, en er was niemand, om hem naar Bannoe te brengen, ofschoon hij aan een paar kooplui had gevraagd, of ze hem wilden laten zitten op een van hun pakkameelen. Maar niemand had er trek in, zich te belasten met de zorg voor zoo’n eenzamen knaap. Hij had zulke wonderbare geschiedenissen gehoord van de genezingen in het hospitaal van Bannoe van een man uit zijn dorp, die er zes weken was geweest voor een zweer op zijn been, dat hij besloot, erheen te gaan, hoe dan ook, en hij had de reis volbracht, voor ’t grootste deel kruipend op handen en knieën, met nu en dan eens een eindje rijden met een vriendelijken ruiter of een goedigen koetsier. Zes weken was hij onderweg geweest, hier om wat eten bedelend, daar om een nachtkwartier in de dorpen, waar hij door kwam. Toen hij aankwam, was zijn toestand zóó, dat men zich dien beter verbeelden kan dan hem te beschrijven. Enkele vuile lompen bedekten hem en de beenwond was vreeselijk, terwijl er nu geen vroolijker en gelukkiger jongen in het hospitaal is met zijn witte hospitaal-pyama, zijn zacht vriendelijk gezicht en prettigen glimlach, zooals hij op zijn kruk langs de bedden gaat en met de andere patiënten praat.Groep studenten van de zendingspost te Bannoe.Groep studenten van de zendingspost te Bannoe.En daar ligt een groote, donkere Afghaan met mooie krijgshaftige trekken, waaruit het lijden langzamerhand de harde oproerigheid verdrijft. Hij was met een vriend op een nacht gewapend naar een dorp gegaan, waar een militiewachtpost was. Hij houdt vol, dat ze maar waren gegaan, om een vriend op te zoeken en dat ze onderweg door den nacht waren overvallen. Maar ’s nachts gewapend erop uit te gaan, is op zichzelf al genoeg, om tegen zoo’n Afghaan van de grens achterdocht te wekken. Toen de militiesoldaten hem aanriepen, verscholen hij en zijn vriend zich, in plaats van te antwoorden, zoodat de soldaat meende, met slecht volk te doen te hebben en schoot. De vriend ontsnapte, maar onze man kreeg een kogel in de linkerdij, die het been versplinterde. Hij werd niet dadelijk naar het zendingshospitaal gebracht, en toen wij hem kregen, was het dadelijk te zien, dat zijn dagen geteld waren, als er niet terstond werd geamputeerd. Hij had daar, als alle Afghanen veel tegen, maar stemde ten slotte toe, op voorwaarde, dat het afgezette been hem mee naar huis zou worden gegeven, om later met hem te worden begraven. Alleen op die manier leek het hem mogelijk, hiernamaals niet gebrekkig te zullen wezen.Vrouwen met waterkruiken.Vrouwen met waterkruiken.Onder de Afghanen zijn vaak de naaste bloedverwanten iemands felste vijanden, en, zooals ik al vroeger opmerkte, het is heel gewoon te zeggen: “Hij haat dien man als een neef.” Zoo gebeurde het eens, dat een gewonde Afghaan naar het hospitaal werd gebracht op een bed, gedragen door vier mannen, en bij onderzoek bleek hij er erg aan toe. Hij had een schot van dichtbij gekregen den vorigen avond, toen hij uit de moskee naar huis terugkeerde, De kogel had zijn linkerlong geheel doorboord, en de patiënt was bewusteloos door de hevige bloeding, die was gevolgd. Een compres van pluksel en eidooier was op de wond gelegd; maar de roode stroom kwam erdoor. De man had gezegd, dat hij geloofde, door zijn oom te zijn getroffen, met wien hij oneenigheid had om het bezit van een stuk land; maar hij had diens gezicht niet duidelijk gezien. Er werd een kamer voor hem ingericht; zijn met bloed bevlekte kleeding werd door hospitaalkleeding vervangen, en de wond werd gezuiverd en verbonden.Lang zweefde hij tusschen leven en dood, steeds opgepast door twee broers, die, als ze even goed onderlegd als ijverig waren geweest, uitstekende verplegers zouden geweest zijn. De zieke won ten laatste aan in kracht, en de wond genas. Toen ik op een dag den patiënt bezocht, trof ik hem overeind in bed met een glimlach op zijn gelaat, en na de gewone begroetingen zei hij: “Als het u blieft, Sahib, kom dichtbij mij; ik heb u een verzoek te doen.” Ik ging bij zijn bed zitten en vroeg, wat ik voor hem kon doen. Hij trok mij naar zich toe en zei op onderworpen toon: “Sahib, ik wou, dat u wat patronen voor mij kocht; hier zijn vier roepijen, die ik ervoor heb bestemd.” “Wel, waarvoor hebt ge die noodig?” vroeg ik. “Kijk hier,” zei hij, en wees op de plaats van de wond, “dit litteeken moet nog afbetaald. Ik ben nu sterker, en binnen een paar dagen kan ik naar huis en ik moet zoo gauw mogelijk wraak nemen.”Ik zei afkeurend tot hem: “Kun je niet van je wraak afzien na alle goede woorden, die je in het hospitaal hebt gehoord en den goeden raad, dien je hebt ontvangen? Wij hebben met veel moeite en zorg je opgeknapt, en nu zouden we na een paar dagen je oom hier krijgen en weer dezelfde zorgen aan hem moeten besteden.” “Wees daar maar niet bang voor, Sahib”, was het antwoord, “ik ben een beter schutter dan hij.” Wij hebben den oom nooit in huis gekregen, al gaf ik de patronen niet; maar hij zal ze wel elders hebben gekregen.De toewijding, die in sommige gevallen door bloedverwanten wordt aan den dag gelegd, als ze zieke of gewonde vrienden hebben gebracht, is vaak roerend, en vormt een aangename tegenstelling met de veel voorkomende vijandigheid. Een geval is in mijn herinnering gegrift van een man uit Kaboel, die jaren lang aan een fistel had geleden; zijn naaste bloedverwant was een neef, die talib of student was. Ze waren beiden arm; maar de man verkocht wat huisraaden huurde een kameeldrijver, om hem op zijn kameel te vervoeren. De reis naar Bannoe duurde veertien dagen, en de zieke leed veel door het stooten van het rijden. Er werd geopereerd; maar het duurde nog wel een paar maanden, eer de patiënt genezen was en ontslagen en al dien tijd werd hij door den talib verpleegd, die dag en nacht aan zijn bed zat, lettend op wat de zieke noodig had en hem voorlezend uit den Koran of uit den een of anderen perzischen dichter, enkel hem verlatend, om naar de moskee te gaan in Bannoe of in een naburig dorp, waar hij van weldadige Mohammedanen een maal kreeg.Er was eens een mollah in Bannoe, die bijzonder heftig was in zijn openbare aanklachten tegen de zending en al, wat er mee in verband stond. Hij hield nog al eens toespraken, die afkeuring inhielden van al wat de Christenen, en in het bijzonder de zendelingen, deden, en hij vertelde de menschen, dat ze in het hospitaal zouden sterven en dan stellig naar de hel zouden gaan. En alle geneesmiddelen, die ze in het hospitaal innamen, zouden in lood worden veranderd, waardoor ze in den diepen afgrond zouden worden gesleurd, en meer van dien aard. We waren dus niet weinig verbaasd, toen op een goeden morgen vier in het wit gekleede talibs een bed in het hospitaal brachten, waarop een gestalte, met een wit laken bedekt, deze zelfde mollah bleek te wezen! We vroegen hem geen bijzonderheden, maar namen hem terstond op, en onze christelijke helpers waren vol zorg voor hem in zijn langdurige en ernstige ziekte en verpleegden hem met groote oplettendheid. Ze spraken nooit over zijn vroegere houding, maar trachtten, door geduld en medegevoel hem te laten zien, wat het Christendom wil. Toen hij het hospitaal verliet, bedankte hij ons in tegenwoordigheid van enkele van zijn volgelingen, bad om den zegen voor het hospitaal en is nu een van onze trouwste vrienden.De dokter en zijn helpers zouden lang moeten reizen langs de grens, om een dorp te vinden, waar ze niet hartelijk zouden worden ontvangen door oud-patiënten.De dagen zijn druk in het hospitaal. Laat ons er een beschrijven. Een oostersche dag begint vroeg. Als de eerste lichtstralen in het Oosten te zien zijn, wekt de muezzin de slapenden en roept ten gebede. “God is groot, God is groot. Ik getuig, dat er geen God is dan God! Kom ten gebede; gebed is beter dan slaap.” En ieder vrome Mohammedaan staat op, doet de vereischte wasschingen en begint den dag met het loven van den Schepper. De Hindoes volgen; klokjes klinken in hun tempels, als hun priesters de sluimerende goden wekken, en ook wordt de kleine christengemeente door de kerkklokken geroepen voor den morgendienst, en ze vereenigen zich in lofzang en gebed, voordat ze ieder naar zijn of haar werk gaan. Als de zendeling een kalm morgenuurtje voor zich zelf begeert, moet hij vroeg opstaan, want na den morgendienst begint de lange reeks van plichten, die hem geen tijd laten, eer de avond valt.Darya Khan, de hospitaalkok, wacht op het dagelijksch rantsoen en geeft vijftig zieken op voor het volle diëet, twintig voor het halve en vijftien voor melkdiëet. Zooveel zieken zijn ontslagen uit het hospitaal, zooveel zijn opgenomen, en er stierf één van nacht. Dus worden de voorraden voor den dag afgewogen en uitgegeven, en er worden bevelen gegeven voor de aanschaffing van wat er nieuw noodig is.Dan komen de zalenopzichters met hun verhalen van bevuild beddegoed en schoone handdoeken en verbanden en kleedingstukken voor de patiënten, waarin moet worden voorzien.Als dat gebeurd is, staat de tuinman klaar met het dagrantsoen aan groenten en bloemen en komt met een massa vragen, die alle ernstige overweging verdienen, zooals, of de moerbeien al moeten worden geplukt, en waar de jonge perenboompjes moeten worden geplant. En hij vertelt van gestolen oranjes, en of ik wil komen, om de voetstappen op te nemen.De klok slaat acht uur, en dus is er juist een half uur, om in het hospitaal te zien, eer de buitenpatiënten komen. De operatiezaal moet bezocht; de huisdokter vertelt, dat de tuberculoselijder op die en die zaal een bloedspuwing heeft gehad in den nacht, en we zijn juist op weg naar hem toe, als Alam Gul komt aanloopen met het bericht, dat zijn broer dien morgen van het dak naar beneden wou gaan, en dat zijn voet uitgleed op de ladder, zoodat hij op zijn hoofd viel en nu bewusteloos is. Of ik gauw wou komen? Nadat de ernstige gevallen zijn nagegaan, en Alam Guls broeder is bezocht, vraagt de afdeeling buitenpatiënten al mijn aandacht. De veranda’s zijn vol zieken, de mannen in de eene en de vrouwen en kinderen in de andere, en terwijl de catechiseermeester voor de eersten preekt, houdt een vrouw de anderen op dezelfde manier bezig. Er liggen een paar zieken op meegebrachte bedden en allerlei vervoermiddelen, draagstoelen, kameelen, ossen, ezels enz.Na een enkel woord tot de zieken, die vaak zoo lang hebben gereisd, en tot de geleiders, gaat de dokter naar binnen, om de zieken één voor één te laten komen voor het onderzoek. Degenen, die hier behandeld moeten, worden naar de zalen gebracht, en de rest krijgt de noodige geneesmiddelen, of hun wonden worden verbonden en ze kunnen naar huis gaan. Een groot aantal van de buitenpatiënten zijn ooglijders, en soms komen er vier of vijf blinden, elkaar vasthoudend en geleid door iemand, die niet geheel blind is. Zij zitten daar en wachten met spanning op de uitspraak van den dokter, om te hooren, of ze een operatie moeten ondergaan, en of er hoop is, dat ze het gezicht terugkrijgen. Want de geschiedenissen, die ze hebben vernomen van de knapheid der westersche dokters, doen hen denken, dat, als de dokter hen niet geneest, dat komt, doordat hij het te druk heeft, of dat zij te arm zijn. Als dus, wat soms gebeurt, de dokter op het eerste gezicht ziet, dat een geval hopeloos is, en dat het gezicht voor altijd weg is, wordt het een moeilijke zaak, om den patiënt dat feit mee te deelen, en dikwijls verlengt de dokter het onderzoek van het oog zonder noodzaak, opdat de man toch maar niet zal denken, dat het gebrek aan belangstelling in zijn geval is, waardoorde dokter zegt, dat hij er niets aan kan doen. En dan dat smeekende: “Och, Sahib, maar een beetje licht! Zie, ik kan nog wel licht van donker onderscheiden; ik kan het licht van dat venster zien. Ik ben den heelen weg van Kaboel gekomen, omdat ze zeiden, dat de feringidokter alles kon genezen. Waarom maakt ge mij niet beter?”Er was een man, die niet wou heengaan, voordat ik hem naar mijn moeder had meegenomen; die kon misschien nog wel helpen; ze moest meer kunnen dan ik, want ik had immers van haar geleerd? Een ander ging naar haar toe, om haar te vragen om haar tusschenkomst bij mij, omdat hij zeker was, dat, als ik maar wilde, ik hem wel beter kon maken. Als ze dan ten laatste overtuigd zijn, dat er niets aan te doen is, zeggen ze zoo ontroerend onderworpen, vaak terwijl tranen over hun wangen rollen: “Het is Gods wil. Ik zal geduldig wezen.” En dan beginnen ze hun zware reis weer naar huis of blijven nog een paar dagen en trachten, in den bazar een kansje te krijgen, om met den een of ander een eind mee te rijden.Door de buiten haar oevers getreden Indus.Door de buiten haar oevers getreden Indus.Daar komt een gewichtig hoofd met een groot gevolg, die een speciaal consult van den dokter verlangt en die met omslachtigen eerbied moet worden behandeld. Hij geeft een gift voor het hospitaal of zendt een paar ossen, beladen met zakken maïs, als een schenking voor onze magazijnen.De veerpont op de Indus bij Dera Ismaël Khan.De veerpont op de Indus bij Dera Ismaël Khan.Er komen nog steeds patiënten, als er een schooljongen aan komt loopen met het bericht, dat het tijd is voor den dokter, om zijn schoollessen te beginnen. Niet ieder zendingsstation brengt het zoo ver, dat er voor de school een afzonderlijke zendeling is, en Bannoe is een van die posten, waar het toezicht van de school een der plichten van den zendeling-dokter is, die de oudste klassen ook onderricht in bijbellezen, Engelsch en natuurkunde. Zoo wordt de spreekkamer verwisseld voor het klasselokaal, en de zendeling ziet zich omringd door een klasse van twintig tot vijf-en-twintig leerlingen, intelligente knapen, die zich voorbereiden voor het toelatingsexamen tot de Pendsjab-universiteit en ingewijd worden in de geheimen van het zien, in scheikunde en mechanica of in het maken van engelsche opstellen. Ook laat hij ze vol ambitie luisteren naar de altijd weer boeiende verhalen uit het leven van Jezus, waarbij ze ondervraagd worden en vragen stellen en de schoone leer leeren verstaan.Dan moet er nog een inspectiebezoek worden gebracht aan de andere klassen, waar het schoolpersoneel aan het werk is en soms wenken en lessen moet hebben, als alles goed zal gaan. Daarna gaan we zien, welken voortgang het bouwen van de nieuwe zaal in het hospitaal heeft gehad en of in de drukkerij alles naar wensch loopt, want de pers van de zending drukt niet enkel inlandsche geschriften en engelsch zendingswerk, maar er wordt ook gedrukt voor de verschillende kantoren en kooplieden in de stad. Rekeningen moeten worden opgemaakt, proeven gecorrigeerd en aanwijzingen gegeven voor het werk van den dag.Nu is het tijd voor een bezoek aan de hospitaalzalen en voor de operaties. Gewoonlijk worden de patiënten geopereerd op denzelfden dag, dat ze worden opgenomen. Als dat niet gebeurde, zouden de operatiezalen niet alleen overvuld worden, maar in veel gevallen zou de moed van de lijders wegvloeien langshun vingertoppen, en in plaats van hen bereid te vinden voor de behandeling, zou men worden begroet met de woorden: “Ik heb juist gehoord, dat mijn vader ernstig ziek is geworden. Als ik niet dadelijk naar huis ga, zal ik hem nooit terugzien.” Een ander: “Ik vergat heelemaal, voêr voor mijn ezel gereed te maken; ik moet naar huis, om daarvoor te zorgen en kom binnen twee dagen terug.” Men weet natuurlijk, dat die geschiedenissen pure verzinsels zijn; maar het zou nutteloos wezen, hun dat te zeggen of te gaan redeneeren. Men kan niet anders doen, dan hun hun eigen kleêren terug te geven en ze te laten gaan. Soms komen ze later weer en vertellen nog wat leugens omtrent hun vader of hun ezel, om zich te rechtvaardigen; maar vaak ook zien we hen niet terug.Zwaar beladen buffel in den bazar te Peschawer.Zwaar beladen buffel in den bazar te Peschawer.Terwijl de operatiegevallen voorbereid worden door den huisarts, gaat de dokter de zalen rond, onderzoekt en schrijft voor en zegt een opmonterend woord aan ieder bed. Als dat is afgeloopen, is hij juist eraan toe, de operaties te beginnen, als er een man komt binnenstormen, zeggende, dat zijn broeder op de jacht was en dat zijn geweer is ontploft en zijn hand afsloeg. Zou de dokter dadelijk willen komen, dat hij niet dood bloedt, en achter den boodschapper komt de gewonde al aan, op een bed gedragen. De dokter onderzoekt hem en neemt de noodige maatregelen, dat het gevaar bezworen is, en de man even kan wachten tot na den afloop van de andere operaties.Vandaag zijn de operatiegevallen zoowat als op een gemiddelden dag in den drukken tijd van het jaar. Ze beginnen met vijf oude mannen en drie vrouwen, die aan cataract lijden; dan twee gevallen van verstuiking, een amputatie, de wegneming van een gezwel en twee gevallen van een ziekte der beenderen. Als dat gedaan is, komt de man met de beschadigde hand aan de beurt, wordt gechloroformiseerd en de wond wordt genaaid, terwijl twee vingers zoo beschadigd zijn, dat ze moeten worden weggenomen.De bazar te Peschawer.De bazar te Peschawer.De schooljongens zijn nu op het veld aan het voetballen, en de dokter, die zich verkwikt heeft met een kop thee, is van oordeel, dat niets hem beter zou aanstaan dan een uurtje met hen te oefenen. Maar pas heeft hij zijn spullen aan, of een bediende komt zeggen, dat een malik of hoofd een bezoek is komen brengen. Men zou hem met een beleefde verontschuldiging willen verzoeken, een anderen keer terug te komen; maar deze malik schonk ons gastvrijheid, toen we in zijn buurt reisden een halfjaar geleden, en het zou een slechte dank zijn, als we hem nu niet ontvingen. Dus wordt hij binnengelaten met vier of vijf lieden van zijn gevolg, en er worden eenige minuten besteed aan een nietszeggend gesprek. En juist, als men op het punt is, te zinspelen op werk, dat men heeft te doen, zoodat het gesprek zou kunnen eindigen, komt de bezoeker voor den dag met het doel van zijn bezoek. Hij is gewikkeld in een rechtsgeding bij een der naburige hoven tegen een anderen malik. Zijn zaak is striktrechtvaardig; maar daar de andere partij in betrekking staat tot den secretaris van den hoofdrechter, vreest hij, geen recht te zullen krijgen, tenzij... tenzij... Zou ik de goedheid willen hebben, een paar regeltjes te schrijven aan den rechter en hem willen vragen, om aan deze zaak zijn volle aandacht te schenken? Het zou voor mij zoo weinig moeite wezen, en ik zou hem een dienst bewijzen, dien bij tot zijn dood zich zou herinneren. Er volgt een uitlegging, die vermoeiend is, omdat men die zoo vaak in dergelijke zaken moet geven, dat de rechter heel boos zou zijn, als ik het waagde, die tusschenkomst te verleenen; dat, als zijn zaak rechtvaardig is, zoo’n maatregel niet noodig is, dat hij op de eerlijkheid van de getuigen moet vertrouwen, en zoo voort. Neen, hij kan en wil niet vertrouwen, dat gij werkelijk vriendschap voor hem voelt, als ge hem dien kleinen dienst van het schrijven van een briefje weigert. Als de bezoeker is heengegaan, is er nauwelijks een half uur over voor het voetbalspel, en er wacht al een man, die u mee wil hebben naar een geval van longontsteking aan den anderen kant van den bazar, en twee andere boodschappen zijn er geweest voor ziektegevallen in de stad.Het straatje in Calcutta, waar de gewonden werden neergelegd.Het straatje in Calcutta, waar de gewonden werden neergelegd.Het is nu avond en opnieuw roept de kerkklok de kleine Christengemeente samen voor het avondgezang van lof en aanbidding, en de herder zegt eenige woorden van leering en bemoediging. Ten slotte zijn dan al die bemoeiingen afgeloopen, en dan kan de dokter gaan zitten aan zijn krant en zijn brieven. Maar lang blijft hij niet ongestoord. De eerste, die komt, is de directeur van het kosthuis, die vertelt, dat een paar Hindoes hun eten hebben gekookt in de pan van de school, en nu weigeren de vegetariërs voedsel te gebruiken, dat gekookt is in die pan, die onrein is geworden. De wederzijdsche argumenten worden gehoord, en er wordt een beslissing genomen; de vleeschpartij moet zelf een pan aanschaffen. Daarna komt de huisdokter met zijn avondrapport over de zalen en deelt mee, hoe de toestand is van de geopereerden en van de andere ernstige gevallen, om daarna instructies voor den nacht te krijgen. Hij wordt gevolgd door een catechisant, die iederen avond een kwartier les krijgt, en door drie van de oudste kostgangers, die vragen komen doen over het engelsche opstel voor den volgenden dag, en het allerlaatst komt de nachtwacht om te melden, dat, daar er roovers buiten zijn, er bijzondere maatregelen moeten worden genomen voor de bewaking; doch hij denkt, dat, als ik hem een nieuw pistool en wat patronen geef, alles wel veilig zal zijn.Een dag, als ik hier heb beschreven, is een gemiddelde in de drukke maanden van het jaar, en de dokter moet zich gelukkig rekenen, als de vastheid van zijn slaap niet gestoord wordt door een nachtelijke oproeping.Er is een verschil tusschen den dokter-zendeling en den prediker, die niet meer dan dat is, namelijk dat, terwijl de laatste zijn volkje zelf moet opzoeken, de eerste door de gemeente wordt gezocht, en dat de geloovigen soms in zoo grooten getale komen, dat hij haast geen tijd heeft, om te eten. Maar zelfs een dokter, die zijn tijd in zijn hoofdkwartier geheel kan vullen, zou een groote flater begaan, als hij nooit op reis ging. Want in de kampen en de dorpen leert de zendeling het volk begrijpen en door van dorp tot dorp te reizen en als hun gast onder hen te leven,wordt hij bekend met hun waar innerlijk leven, zooals hij dat anders nooit zou worden, en voor een zendeling is dat een onontbeerlijk iets.Er zijn twee manieren van reizen. Aan den eenen kant kan men tenten meenemen en een kampuitrusting en bij het een of andere groote dorp zijn kamp opslaan of midden tusschen kleine plaatsen in en daar de patiënten ontvangen en het dagelijksche werk doen, terwijl men de dorpen bezoekt, als het werk is afgeloopen. Op die manier is de zendeling-dokter onafhankelijk en werkt, als hij wil, gaande en komende naar zijn verkiezing. Maar aan den anderen kant kan hij de gast worden van een der voornaamste hoofden of dorpelingen, die zijn logeerhuis te zijner beschikking stelt en hem gastvrijheid verleent. Dan komt hij in veel nauwer aanraking met de menschen en krijgt meer van hen te zien; maar hij geeft zijn vrijheid op, zal den gastheer over zijn plannen moeten raadplegen en moet erop zijn voorbereid, zichzelf en zijn tijd ter beschikking van den gastheer te moeten stellen en van de dorpelingen, zoowel overdag als des nachts.Beide methoden hebben hun lichtzijden. Voor een nieuw district en waar de menschen achterdochtig zijn, is de laatste manier zeker te verkiezen; als de zendeling bekend is geworden en veel te doen heeft, is de eerste wijze van doen verkieselijk.De reiziger, die een winter heeft besteed aan een tocht door Indië, maar die enkel de groote steden heeft bezocht en de plaatsen, waar iets wordt vertoond, en nooit in een indisch dorp heeft gewoond, blijft totaal een vreemdeling in het diepere innerlijke leven van den Indiër. Het ware Indië wordt niet gezien in de verwestelijkte bazars van de groote steden, maar in de tallooze dorpen, waar meer dan tachtig procent van de bevolking van Indië woont. Bovendien krijgt men een veel aantrekkelijker en beteren kant van het indische leven te zien in de dorpen dan in de steden, en onder die eenvoudiger menschen brengt de zendeling zijn gelukkigste uren door. Maar hij ontmoet er ook den strijdlustigen mollah, die den redetwist zoekt en met wien het moeilijk redeneeren is om zijn gebrek aan logica, dat zoo dikwijls aan den dag komt.Gebeurt het echter, dat zoo’n mollah of een vriend van hem medischen of chirurgischen raad noodig heeft, dan wordt de houding dadelijk anders, en ge kunt dan veel gemakkelijker ook tot het volk doordringen. Eens toen ik op reis was naar het Noorden, kwamen een paar Pathans mij zeggen, dat ik mij de moeite wel kon besparen, daarheen te gaan, want een zekere mollah, die veel invloed had in die buurt, was ons voorgeweest en had de menschen gewaarschuwd, onze behandeling niet te vragen, onze prediking niet te gaan hooren en zelfs ons te vermijden. Ik antwoordde met de opmerking, die bijna altijd op een mohammedaansch gemoed indruk maakt onder alle omstandigheden: “Wat Gods wil heeft besloten, zal geschieden,” en vertelde hem, dat we bij ons oorspronkelijk plan zouden blijven.De eerste dagen leken de menschen inderdaad achterdochtig en terughoudend, zoodat zeer weinigen tot ons kwamen. Toen we den derden dag op marsch waren en niet ver van een dorp voort trokken, kwam een man, die ons blijkbaar vanuit het dorp had waargenomen, dat op een hoogte boven den weg lag, hard naar ons toeloopen en zei na de gewone begroetingen: “Er is hier een vroegere patiënt van u, die u zoo graag eens spreken wou; zou u willen meegaan naar haar huis?” Toen we er kwamen, zagen we, dat het een vrouw was, die een jaar te voren in het hospitaal te Bannoe had vertoefd voor een kwade zweer op het been, dat had moeten worden afgezet. Voordat ze het hospitaal verliet, hadden we haar een houten been verschaft, waarop ze nu naar ons toe strompelde. Ze was heel blij, zoo onverwacht ons te ontmoeten en had blijkbaar aan haar dorpsgenooten veel verteld van alle wonderen, die in het hospitaal gebeurden, en van de groote liefde en goedheid, die haar daar waren betoond, want velen van haar buren kwamen toeloopen naar haar kleine binnenplaats, en onder hen was, zonder dat wij het wisten, de mollah, die een kruistocht tegen ons had gepreekt.Hij was stil binnengekomen, om zelf te oordeelen, wat wij en ons werk beteekenden en werd diep getroffen door de hartelijkheid, waarmee we door oud-patiënten werden begroet, want toen de vrouw ons verzocht, bij haar te blijven, terwijl ze een maal voor ons bereidde, trad hij naar voren en maakte zich bekend met de woorden: “Neen, mijn huis is dichter bij in het naburige dorp, en het is mij een eer, den Padre Sahib te ontvangen en te onthalen. Hij moet mee naar mijn huis gaan.” Zoo geschiedde, en van dorp tot dorp verspreidde zich het bericht, dat de westersche dokter de gast was geweest van den mollah zelf en diens brood had gegeten.Een interessante stad, waar we nog al eens hebben stil gehouden op onze reizen, is Kalabagh. Ze ligt op den rechteroever van de rivier, de Indus, waar deze door de rotsachtige kloof is gebroken, die den loop heeft samengeperst, en nu de grenzenlooze, alluviale vlakte van Pendsjab betreedt. In enkele rivierbochten tusschen Attock en Kalabagh loopt de rivier in heftige stroomversnellingen voort, zoodat de bootslieden hun zware rivierbooten er met de grootste moeite doorheen sturen, opdat ze niet ten ondergaan zullen in een draaikolk of tegen de steile rotsen aan den kant zullen worden verpletterd. Op andere plaatsen zijn er diepe, stille einden, waar de grond tweehonderd voet onder de oppervlakte van het water ligt. In den warmen tijd, als het water hoog is in het begin, is het een opwindende geschiedenis, om over het snelstroomende water te worden overgezet.Te Kalabagh heeft men groote zoutwerken van rose en paarse tinten en van groote zuiverheid, die vrij wat inkomsten opleveren voor de regeering. De stad zelve is tegen den berg aangebouwd van datzelfde zoutgesteente, zoodat de eigenaar van een huis maar een stukje van zijn eigen muren heeft af te slaan, om zijn middagmaal te zouten. Het is een voortdurende grief bij de bewoners, dat hun eigen muren regeeringscontrabande zijn, en dat ze boete moeten betalen, als ze een steen van hun woning verkoopen, zonder er rechten van te betalen. De straten zijn nauw en bochtig, en daar vele ervanoverdekt zijn, is het er zeer donker en gloeiend heet in den zomer, terwijl het er in alle jaargetijden slecht ruikt en ongezond is.De menschen zijn bleek en bloedeloos, en ze lijden bijna allen aan een kropgezwel in meer of minder ernstigen vorm. Ze vormen een sterke tegenstelling met de stoere bergbewoners van den Bangi Khel Khattakstam in hun buurt. Dat zijn de ware recruten voor de regimenten van de Pathans aan de grens, terwijl uit Kalabagh zelf moeilijk een twintig man zouden zijn te halen, die door den recruteeringsofficier zouden worden toegelaten. In het zwoele zomerweêr brengen de menschen den dag veelal door onder een grooten indischen vijgenboom, waarvan er vele verspreid langs den oever der rivier staan. Daar houden de civiele ambtenaren ook hun vergaderingen, en ik had mijn kamp onder een grooten boom. De wijd uitgespreide takken beschutten niet enkel mij en mijn talrijke zieken en bezoekers, maar buitendien ook den ambtenaar en zijn hof met allerlei cliënten en smeekelingen en den districtsrechter met getuigen en pleiters en beschuldigden, en dat zonder dat we eenigen last van elkander hadden.Het land verder van de rivier staat te gloeien in de zomerzon, en de stad zelf is als een oven; maar er waait bijna altijd een frisch koeltje langs den oever en als men verhit en stoffig is van het dagwerk, gooit men zijn kleêren af en dompelt zich in de rivier, om zwemmend zich te verkwikken daar, waar de jongelui uit de plaats al hun vrijen tijd doorbrengen. Ze gebruiken de opgeblazen huid van een geit of een koe en liggen daarop, zoodat ze kunnen rusten, gesteund door het koele water, zoolang als ze het zonder moe te worden, kunnen uithouden. De stroom is te snel, dan dat ze stroomop kunnen gaan; maar als ze stroomaf wat te doen hebben, maken ze doodeenvoudig hun kleêren in een bundeltje op hun hoofd vast, gaan op de opgeblazen huid liggen en drijven kalm naar beneden met den stroom met een snelheid van zoowat vier mijlen in het uur en zoo ver, als ze willen. Op den terugweg laten ze de lucht uit de huid los en slaan het vel over hun schouders.Wij hadden hier gewoonlijk zeer veel zieken van den morgen tot den avond, en ik heb er wel driehonderd op één dag gehad, met een aantal operaties erbij. Eens op een dag bezocht een aanzienlijke sjeik de plaats. Hij was een Mohammedaan, die van het Hindoeïsme tot dien godsdienst was overgegaan en trok nu door het land, om den Islam te prediken, en het Christendom zoowel als de leer van Boeddha afbreuk te doen. Hij zond ons een uitnoodiging of uitdaging, om met hem in het openbaar te redetwisten over de respectieve verdiensten van het Kruis en de Halve Maan. Ik had er niet veel trek in, daar zulke discussies zelden oprecht en eerlijk in hun werk gaan; maar daar mijn tegenzin verkeerd zou worden uitgelegd, stemde ik toe, en op een avond hielden we onze redevoeringen, terwijl een mohammedaansche heer uit de stad voorzitter was. Het was afgesproken, dat we ieder op onze beurt een vraag mochten stellen, die de ander moest beantwoorden.Hij mocht het eerst een vraag doen, en vroeg, hoe het kwam, dat wij geen wondermacht hadden, daar toch de Bijbel zei, dat diegenen, die in Christus geloofden, vergif zouden kunnen nemen of door slangen konden worden gebeten, zonder dat hun eenig leed zou weervaren. De jonge catecheet, die bij mij was, gaf zulk een helder en categorisch antwoord, dat de mohammedaansche voorzitter en de debater beiden van toon veranderden en zeiden, dat het laat was geworden, en dat het beter zou wezen, dat ik mijn vraag tot een anderen tijd uitstelde.Onnoodig te zeggen, dat de beter geschikte tijd nooit kwam, en wij werden niet weer uitgedaagd tot een twistgesprek in Kalabagh, terwijl de sjeik een paar dagen later op nieuwe weiden ging grazen.Een voetbalwedstrijd te Bannoe.Een voetbalwedstrijd te Bannoe.Aan voetbal en andere sport wordt ook in deze grensgebieden veel gedaan. De lezer stelle zich een groot open veld voor van een harde, grijze grondsoort, die in Pendsjab “pat” wordt genoemd. Het is een zouthoudende grond, waar geen gras of onkruid groeit, en zoo’n terrein is zeer geschikt, om door de dorpelingen te worden gebruikt voor spelen en markten en door de Engelschen voor de evoluties van hun troepen. Er om heen liggen de Bannoedorpen, en op een feestdag ziet men er iedereen. Alle mannen, die een paard bezitten of er een kunnen huren, zijn te paard, en van de jongens zitten er soms twee of drie op één rijdier, om toch maar goed te kunnen zien naar de spelers. Na de spelen wordt er des avonds vuurwerk afgestoken. Vroeger bestonden de spelen uitsluitend in wedrennen en spelen te paard; maar de engelsche invloed heeft de sport van hetvolk gewijzigd. Nu kan men groote grasvelden zien tusschen de stad Bannoe en de kantonnementen, en er zijn weer duizenden toeschouwers; maar de vlaggen en voetbalpalen wijzen op andere spelen. Het is de dag van de provinciale wedstrijden tusschen alle scholen uit de provincie, en elftallen uit de verschillende grensscholen uit Peschawer, Kohat, Dera Ismaël Khan, naast die uit Bannoe, zijn hier bijeengekomen, om hun behendigheid met elkander te meten in spel en athletiek. De scheidsrechter heeft het sein gegeven. Hij is een engelsch officier, en de jeugdige kampioenen komen naar voren onder het gejuich van hun aanhangers. De ploeg uit Bannoe is wat kleiner van stuk en draagt de uniform in de schoolkleuren, paars buis en lichtblauwe broek. De ploeg uit Peschawer is zwaarder gebouwd en heeft een blauw en zwarte uniform. De scheidsrechter fluit weer, en aan beide kanten spant men zich tot het uiterste in, om de goal van de tegenpartij te bereiken.Terwijl de bal heen en weer vliegt, en de kansen mooi staan voor de een of de andere partij, worden de toejuichingen luider, en als er punten worden gemaakt en pogingen worden gedaan, die goed of slecht afloopen, is de geestdrift vooral niet minder groot dan in Engeland. De kapitein van de Bannoe-ploeg is een inlandsche Christen, wiens vader een bekeerde Mohammedaan is; maar de andere Mohammedanen en Hindoes in zijn elftal zijn hem trouw tot het uiterste en volvoeren zijn bevelen met een mooi esprit de corps, dat treffend is. Als het fluitje voor rust klinkt, kunnen de Bannoejongens, die toekeken, het veld binnenhollen en hun zegevierende kameraden toejuichen en op de schouders dragen onder algemeen handgeklap en gejuich.Ons voetbalelftal.Ons voetbalelftal.Met het idee, om dien esprit de corps bij hen te ontwikkelen en tevens aan hun lust in reizen te voldoen onder het zien van enkele voorname steden van Indië, maakte ik in den zomer van 1906 een tocht met het voetbalelftal van de zendingshoogeschool in Bannoe door een deel van Noord-Indië. Een aantal colleges en scholen van Calcutta tot Karatsji namen niet alleen onze uitdaging aan voor voetbalwedstrijden, maar boden ons gastvrijheid aan, zoolang we in hun stad zouden blijven. Ons elftal vertegenwoordigde alle klassen, Mohammedanen, Hindoes, inlandsche Christenen en Sikhs. De aanvoerder was een Afghaan van den stam der Khattaks, shah Jehan Khah, terwijl op hem in rang volgde een inlandsch Christen, James Benjamin. Er deden zich wel moeilijkheden voor; maar alle werden ten slotte overwonnen. Schoolplichten noodzaakten ons, de reis te doen in Juli, Augustus en September, den warmsten tijd in de meeste plaatsen, die we aandeden, en er werden matches gespeeld in temperaturen van bij de honderd graden Fahrenheit, terwijl de toeschouwers onder punkahs zaten.In dien tijd van het jaar is de Indus hoog en levert een eigenaardig schouwspel op, als de rivier bij Kalabagh uit den rotspas komt. In den winter ziet men dan één, twee of drie kanalen, ieder van één- tot vierhonderd ellen breed; maar in den voorzomer, als de sneeuw op den Himalaya is gesmolten, overstroomt de rivier haar oevers en vormt een enkele wijde oppervlakte water, tien mijlen breed van oever tot oever. In dien tijd zijn de dorpen, die op de hoogste plekken van de omgeving zijn gebouwd, tot eilandjes geworden, die alleen met booten te bereiken zijn. De tonga of wagen moet dan wel eens over mijlen van ondergeloopen wegen worden geduwd, eer ze de plek bereikt, waar de veerboot de passagiers en de bagage over de rivier kan brengen, en veel verwisselingen van boot voor wagen en omgekeerd zijn er noodig, eer de reiziger eindelijk het spoorwegstation heeft gehaald, waar de trein hem kan brengen naar Karatsji of in de richting van Lahore.Wij hadden, nadat de veerboot ons naar den overkant had gebracht, onze bagage in twee wagens gepakt en, onze overtollige kleeding afleggend, gingen we loopen door het overstroomde land naar het station Darya Khan. Soms troffen we eens een kwartmijl van velden, die niet waren overstroomd; maar dan weer kwam het water ons tot aan de heupen, en ook wel kwam het voor, dat de veerboot voor de bagage werd gebruikt en dat wij over zwommen. Twee uit het elftal, die minder goede zwemmers waren, zouden op een keer gefopt zijn geworden door de kracht van den stroom, als er niet gelukkig een zandbank hun nog weer vasten grond had doen krijgen. De tocht over de gezwollen rivier had van negen in den morgen tot vier uur in den namiddag geduurd; maar wij hadden ook wel eens geluierd, om te genieten van het zwemmen op de diepere plaatsen.Rijstvelden en veeteelt bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Rijstvelden en veeteelt bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Wij bemerkten, dat het voetbalseizoen in de verschillende steden ver uiteenloopt. Terwijl Calcutta voetbal speelt in Juli en Augustus, speelt Karatsji van December tot Maart en Bombay in het voorjaar. Maar ook die clubs, die niet in hun speelseizoen waren, stemden er met sportieve bereidheid in toe, zich tijdens ons bezoek met ons te meten. Nergens vonden wij meer enthousiasme op de colleges en in de scholen en guller gastvrijheid dan in Haiderabad, de hoofdstad van het rijk Nizam, en hier juist leed onze club haar eerste nederlaag op dezen tocht.Wij hadden dertig uren gereisd van Ahmadnagar in het Noorden, en de stations langs de lijn waren zoo slecht voorzien, dat we niets hadden kunnen krijgen dan wat biscuits en wat zoetigheden, en toen we in Haiderabad aankwamen, hoorden we, dat de wedstrijd op vier uur in den namiddag bepaald was, zoodat het elftal slechts haastig een zelfbereid maal kon nuttigen, vóór het in den strijd ging. Het Nizamcollege stelde een sterke ploeg tegenover ons, en voor het eerst op onze reis werden de Bannoejongens beslist geslagen. Het was echter aardig, op te merken, hoe beide ploegen hun goede gezindheid aan den dag legden, en hoe ze met de grootste bonhommie vóór, zoowel als na de wedstrijden, zich verbroederden en vriendschapsbanden aanknoopten, die in stand bleven tot lang na onzen terugkeer naar Bannoe.Zulke reizen, als wij toen deden, hebben ongetwijfeld bijgedragen tot het wekken van die gevoelens van vriendschap tusschen de rassen uit verschillende streken van Indië, die zoo gunstig werken en waarvan altijd zoo weinig naar buiten blijkt. Er zit ook een strekking in, om breeder sympathieën te wekken en godsdienstige vooroordeelen tegen te gaan. Niet alleen bewezen de leden van ons gezelschap, dat er vriendschap kon bestaan bij verschil van godsdienst; maar ook onze gastheeren waren van allerlei rang en ras en geloof. Zoo waren we in Haiderabad de gasten van een christelijken zendeling, reverend Canon Goldsmith; een huis werd ons afgestaan door een rijken Parsi, en we werden ten eten genoodigd door Mohammedanen uit de plaats.Op één uitzondering na hadden onze Afghanen nooit de zee gezien en ze verlangden allen naar de kennismaking. Dus regelde ik het zóó, dat we van Karatsji naar Bombay gebruik maakten van een der britsch-indische stoombooten, die tusschen de beide havens varen. De Juli-moesson was op zijn krachtigst, en ze hadden niet gerealizeerd, wat hun verzoek inhield. Er woei een hevige wind al den tijd, dat onze reis duurde, heel die veertig uren lang, en de kleine stoombootKassararolde steeds door, terwijl de golven soms over het voordek sloegen.Allen op drie na leden aan zeeziekte in den ergsten vorm en wenschten vurig, dat ze nooit de woede van den oceaan hadden durven tarten. Wij kwamen in een stortregen in Bombay aan, een treurig, ontmoedigd en strompelend troepje. Het was pikdonker, en slechts met eenige moeite vonden wij den weg naar de school van de Zendingsmaatschappij, waar we opgenomen zouden worden. Het regendebijna den heelen tijd van ons verblijf in Bombay, maar we speelden toch een match met de Stedelijke Club, en deBombay Gazettegaf er nauwkeurig verslag van. Iedere partij had drie goals gemaakt.Daarna was Calcutta aan de beurt, waar een reeks wedstrijden ons wachtten, en dan zouden volgen de matches met de scholen van de provincies Agra en Oudh en die van Pendsjab; maar een onvoorziene en onberekenbare omstandigheid bracht onzen tocht tot een prematuur einde, enkele uren vóór het tijdstip, waarop wij uit Calcutta zouden vertrekken. Het ongeluk was het gevolg van een dier golven van onrustigheid, die volgden op den heftigen storm, gewekt door de verdeeling van Bengalen. De Bengaleezen hadden een boycot afgekondigd voor alle europeesche goederen, en in de opgewondenheid van hun campagne hadden ze een massa jeugdige schildwachten gezet aan de deuren van die kooplui, die handel dreven in artikelen van westersch maaksel.Het waren voornamelijk Marwarikooplieden uit het presidentschap Bombay, en zij dachten zich te bevrijden van dien lastigen troep jongens, door het gerucht te verspreiden, dat een aantal lieden uit Pendsjab en Afghanistan uit het Noorden waren gekomen, om kinderen en knapen te rooven, als ze die konden machtig worden. Het gerucht vond geloof bij de bijgeloovige volksmenigte in Calcutta en, zonder dat wij er iets van wisten, daar ons zelfs het bestaan der geruchten onbekend was, had men ons gezelschap aangewezen als waarschijnlijk tot de roovers behoorende.Wij waren op den morgen van 23 Augustus 1906 teruggekeerd uit Krishnagar, waar we aan een reeks wedstrijden hadden deelgenomen, en zouden Calcutta dienzelfden namiddag verlaten, om den volgenden dag te Bhagalpur te spelen. Onze club had zich in twee groepen verdeeld, om te gaan ontbijten in een van de eetwinkels, die er zoovele zijn in den bazar te Calcutta, en ik was vooruitgegaan naar hetHowrah-station, om kaartjes te nemen. Het was een warme dag, en op den terugweg bleef ik even rusten in een ververschingslokaal in Harrison Road dichtbij het kosthuis van de Zending, waar we logeerden, om een glas limonade te drinken.Kalm zat ik vóór den winkel, toen ik opeens den heelen bazar vol drukte en beweging zag. De menigte liep af en aan, en de winkeliers deden gauw hun luiken vóór de ramen. Volkomen onbewust van het feit, dat mijn eigen jongens werden aangevallen, dronk ik rustig mijn glas uit en wandelde naar ons kosthuis, denkende, dat er geen reden was, om mij ongerust te maken over dingen in Calcutta, die mij niet aangingen.Pas was ik binnen het hek gekomen, of ik zag één van onze clubgenooten, Rahime Bakhsh, met bloed, stroomend over zijn gezicht, en nog een anderen knaap, die gewond was. “Weet u niet,” schreeuwde er iemand, “dat onze jongens zijn aangevallen met moorddadige oogmerken, en dat er misschien gedood zijn?”“Waar zijn ze?” vroeg ik haastig.“Ze zijn denkelijk nu in het hospitaal.”Er ging juist een cab voorbij, en ik sprong erin en reed naar het hospitaal. Ik snelde naar de zaal voor de pas binnen gebrachten en was doodelijk verschrikt, toen ik zes van de club er zag liggen met gescheurde en bebloede kleêren en geheel onder het slijk als bedolven. Hun hoofden waren zóó toegetakeld door de menigte, dat ik ze niet kon herkennen, voordat ik met ze had gesproken, en toen hoorde ik pas, wat er was gebeurd.Een gezelschap van negen jongelui was een lokaal voor ververschingen binnengegaan en zoude er ontbijten. Daar bemerkten ze al spoedig, dat een volksmenigte van vele honderden zich buiten had verzameld. Nog niet begrijpend, dat zijzelf de oorzaak van den oploop waren, gingen ze, na hun maal te hebben genuttigd, naar buiten, om naar het zendingskosthuis te gaan, maar werden aan alle kanten door geschreeuw en geroep ontvangen. “Dat zijn de roovers! Sla ze dood! Sla ze dood!”Nog begrepen zij de oorzaak der opwinding niet, en toen ze vroegen, wat het alles beteekende en wat men van hen wilde, kregen ze enkel snauwen ten antwoord en een regen van steenen. Eer ze tijd hadden, zich te weer te stellen, raakten ze van elkaar af onder de woedende volksmenigte, die hun met steenen en stokken te lijf ging, tot ze bewusteloos op straat lagen. Twee slechts wisten te ontkomen, Rahime Bakhsh, dien ik in het kosthuis had ontmoet, en een andere, die in een voorbijgaand rijtuig had kunnen komen.Vijf van hen, die bewusteloos waren, werden door den volkshoop opgenomen en in een nauw straatje geworpen, waar het bloed uit hun wonden vloeide en een rooden stroom door de straatgoot dreef. Een ander, Ganpat Rai, werd bevrijd door een bevrienden Bengalees, een heer, die hem naar zijn huis bracht en zijn wonden verbond, om hem daarna onder geleide naar het hospitaal te laten brengen. Gurmukh Das, ook een van de jongens, was door ruwe kerels bemerkt, toen hij midden op straat lag; maar een Engelschman, die in zijn rijtuig passeerde, was verontwaardigd over wat hij zag, sprong uit den wagen en vroeg de kerels, wat dat beteekende, om een bewustelooze nog te slaan, en als hij een misdaad had begaan, waarom of ze hem dan niet naar het politiebureau brachten. Een uit de menigte riep: “Die Engelschman is hun aanvoerder; sla hem maar dood!” En den jongen in den steek latend, vielen ze den engelschen heer aan. Hij verdedigde zich; maar een van de schurken naderde hem van achteren en sloeg een mand over zijn hoofd. Zeker zou het slecht met hem zijn afgeloopen, als niet een paar goedgezinde inlanders hem snel in Ripon college binnen hadden getrokken, dat daar dichtbij was.Wij hadden graag Calcutta willen verlaten, zoodra de toestand der gewonden het ons mogelijk maakte, te reizen, want het ongewone dieet en het andere klimaat hadden op ons aller gezondheid een slechten invloed; maar wij waren gevangenen volgens den wil der regeering, die van ons verlangde, dat wij in Calcutta bleven als getuigen bij de vervolging, door de regeering ingesteld. Dag op dag moesten wij wachten en den tijd zoekbrengen in den politiepost van den Bowstreetbazar.De politie had een aantal menschen bijeengebracht, van wie gebleken was, dat ze aan het opstootjehadden deelgenomen, en de meesten van hen hadden advocaten in den arm genomen, om hen te verdedigen. Dus was het er vol van verdedigers, die het hun plicht rekenden, elk van de leden onzer club een verhoor te doen ondergaan, tot in ’t oneindige gerekt, zonder dat er gelet werd op de vragen, die al van te voren door de ambtsbroeders waren gedaan.De kruisverhooren, die wij ondergingen, zouden niet nauwkeuriger hebben kunnen zijn, als wij de aanvallers in plaats van de slachtoffers waren geweest, terwijl de flauwheid van de vragen en het noodeloos tijdverlies, dat telkens weer uitstel van onze reis bracht, een kwelling voor ons was bij onzen verzwakten toestand en ons vurig verlangen naar de woningen aan de grens.De rechtsgeleerden en advocaten voor de verdediging beweerden intusschen, dat ze veel sympathie voor ons gevoelden in ons leed, en de een na den ander kwam naar ons toe en zei iets als: “Wij hier in Calcutta zijn zeer verdrietig om het gebeurde. Stellig hebben de dokwerkers schuld en moeten worden gestraft om zulk een ongemotiveerden aanval op onschuldige reizigers; maar er is ook iemand gevangen genomen door een vergissing van de politie. Hij had niets met het standje te maken en moet worden vrijgelaten, omdat hij volkomen onschuldig is”. Daar er in iedere zaak zoo’n “bij vergissing gearresteerde” in bescherming wordt genomen, door de advocaten, maakten hun woorden weinig indruk.Een lichtzij was de oprechte sympathie, aan den dag gelegd door enkele Bengaleezen, een medegevoel, dat onder woorden werd gebracht door den Honorable Surendra Noth Bannerji, die een openbare vergadering belegde, waarin hij het leedwezen betuigde, door de burgers van Calcutta gevoeld. Een adres van dien inhoud werd ons in een zilveren mandje overgebracht.Eindelijk kreeg het hof medelijden met ons en stemde erin toe, ons verhoor te doen voorafgaan aan dat van de honderd en meer getuigen, door de verdediging aangebracht, en waar een paar maanden verblijf in Calcutta mee gemoeid zouden zijn geweest, als wij tot het eind hadden moeten blijven.Toen we in Bannoe terug waren, kregen we een luisterrijke ontvangst, waardoor de leden van de club een beetje vergoeding kregen voor het leed, dat ze hadden doorstaan. De civiele bevelhebber van het district, afgevaardigden van de stedelijke regeering en een groot aantal burgers kwamen ons met muziek tegemoet enkele mijlen, voordat we Bannoe bereikten en onder groot gejuich had onze intocht plaats.In alle mohammedaansche landen nemen vrouwen een zeer ondergeschikte plaats in, een bijna vernederende positie, en ze worden beschouwd als enkel bestaande terwille van de sterke sekse. In Afghanistan komt daar nog bij als nieuw bezwaar, dat de mannen bijna allen wreed en jaloersch zijn, en onder de lagere standen dwingen de omstandigheden de vrouwen tot voortdurend hard werken aan arbeid, dien de mannen beneden hun waardigheid achten en dien ze daarom niet deelen of ook maar eenigszins verlichten.De vrouw moet het koren malen, het water aansleepen, het eten koken, de kinderen verzorgen, het huis schoonhouden, inderdaad alles doen behalve het winkelen, dat volstrekt niet door haar mag gebeuren. De man doet de boodschappen en koopt niet alleen de voedingsmiddelen voor het dagelijksch gebruik van het gezin, maar hij koopt ook de kleêren van zijn vrouw, of ten minste de stof ervoor, en de dame moet tevreden wezen met zijn keus en haar kleeding thuis vervaardigen van wat meneer de echtgenoot wel zoo goed is, haar te brengen.
Arbeiders van den stam der Mahsoeds in het kamp te Bannoe.Arbeiders van den stam der Mahsoeds in het kamp te Bannoe.
Arbeiders van den stam der Mahsoeds in het kamp te Bannoe.
De onderlinge twisten vergeten deze stammen nooit, behalve als er sprake is van een gemeenschappelijken vijand van buitenaf. Dan kunnen ze voor een tijdje eensgezind zijn, vooral zoo de vijand geen Mohammedaan is; maar is het gevaar geweken, dan begint hun strijd opnieuw.
In de zalen van het hospitaal is dat echter alles anders, en hier kan men vertegenwoordigers vinden van al de grensstammen, die broederlijk samen praten, ofschoon ze hoogst waarschijnlijk uit een hinderlaag op elkaâr zouden loeren, als ze eenige mijlen verderde grens over waren. Ze schijnen algemeen te hebben aangenomen, dat alle veeten in het hospitaal moeten rusten, en zoo kan de dokter gehoor vinden bij een half dozijn verschillende stammen in één enkele zaal van het hospitaal, als hij ’t gesprek brengt op den Vredevorst en als hij het evangelie der liefde stelt naast hun leer van schiet uw buurman dood, om zijn geweer te krijgen. Ze zeggen dan min of meer verontschuldigend: “Dat is waar; maar God heeft nu eenmaal besloten, dat er altijd oneenigheid onder de Afghanen zal zijn; wat kunnen wij er dus aan doen?” Soms zegt een patiënt: “Ik moet in een zaal liggen, waar geen vensters zijn, want ik ben bang, dat een van mijn vijanden zal komen ’s avonds, als de lamp in de zaal brandt, en mij bij dat licht zal doodschieten.”
Groot zijn de verschillen in de gezichten, de kleeding en de dialecten en nog grooter in de kwalen, waarvoor ze komen. Oogziekten vormen meer dan een vierde van het geheele aantal, en weinig ziekten kunnen den dokter zooveel voldoening geven als deze, waarin hij soms het gezicht terug kan schenken aan iemand, die jaren blind is geweest en den patiënt dankbaar en gelukkig naar huis kan laten gaan. Tering komt ook veel voor in de dichtbevolkte dorpen, en hier, deze Waziri, een jonge man uit de bergen, Mohammed Payo heet hij, lijdt aan chronische malaria. Hij is een oude kennis, want hij gaat altijd weer naar huis, als hij zich sterk genoeg voelt, en dan bij slecht voedsel en veel hard werk, want hij is een arme drommel, stort hij weer in en komt, wit als een laken, bij ons terug, om weer opgekalefaterd te worden. Hij is nu juist aan ’t herstellen en gaat in de zaal rond, om kleine diensten te verrichten voor de andere patiënten. Hij vertelt hun, wat ze moeten doen en wat ze hebben te laten, alsof hijzelf jaren lang dokter is geweest. Arme jongen! Zijn ouders heeft hij verloren bij een dorpsgevecht, en hij zou zelf al lang dood zijn, als de deur van ’t hospitaal niet voor hem open stond.
In een ander bed ligt een jongen met blond haar en blauwe oogen van twaalf jaar uit Khost, die lijdt aan een ziekte in de beenderen van zijn rechterbeen, dat hij in twee jaar al niet op den grond heeft kunnen zetten. Zijn thuis ligt tachtig mijlen ver, over de bergen, en er was niemand, om hem naar Bannoe te brengen, ofschoon hij aan een paar kooplui had gevraagd, of ze hem wilden laten zitten op een van hun pakkameelen. Maar niemand had er trek in, zich te belasten met de zorg voor zoo’n eenzamen knaap. Hij had zulke wonderbare geschiedenissen gehoord van de genezingen in het hospitaal van Bannoe van een man uit zijn dorp, die er zes weken was geweest voor een zweer op zijn been, dat hij besloot, erheen te gaan, hoe dan ook, en hij had de reis volbracht, voor ’t grootste deel kruipend op handen en knieën, met nu en dan eens een eindje rijden met een vriendelijken ruiter of een goedigen koetsier. Zes weken was hij onderweg geweest, hier om wat eten bedelend, daar om een nachtkwartier in de dorpen, waar hij door kwam. Toen hij aankwam, was zijn toestand zóó, dat men zich dien beter verbeelden kan dan hem te beschrijven. Enkele vuile lompen bedekten hem en de beenwond was vreeselijk, terwijl er nu geen vroolijker en gelukkiger jongen in het hospitaal is met zijn witte hospitaal-pyama, zijn zacht vriendelijk gezicht en prettigen glimlach, zooals hij op zijn kruk langs de bedden gaat en met de andere patiënten praat.
Groep studenten van de zendingspost te Bannoe.Groep studenten van de zendingspost te Bannoe.
Groep studenten van de zendingspost te Bannoe.
En daar ligt een groote, donkere Afghaan met mooie krijgshaftige trekken, waaruit het lijden langzamerhand de harde oproerigheid verdrijft. Hij was met een vriend op een nacht gewapend naar een dorp gegaan, waar een militiewachtpost was. Hij houdt vol, dat ze maar waren gegaan, om een vriend op te zoeken en dat ze onderweg door den nacht waren overvallen. Maar ’s nachts gewapend erop uit te gaan, is op zichzelf al genoeg, om tegen zoo’n Afghaan van de grens achterdocht te wekken. Toen de militiesoldaten hem aanriepen, verscholen hij en zijn vriend zich, in plaats van te antwoorden, zoodat de soldaat meende, met slecht volk te doen te hebben en schoot. De vriend ontsnapte, maar onze man kreeg een kogel in de linkerdij, die het been versplinterde. Hij werd niet dadelijk naar het zendingshospitaal gebracht, en toen wij hem kregen, was het dadelijk te zien, dat zijn dagen geteld waren, als er niet terstond werd geamputeerd. Hij had daar, als alle Afghanen veel tegen, maar stemde ten slotte toe, op voorwaarde, dat het afgezette been hem mee naar huis zou worden gegeven, om later met hem te worden begraven. Alleen op die manier leek het hem mogelijk, hiernamaals niet gebrekkig te zullen wezen.
Vrouwen met waterkruiken.Vrouwen met waterkruiken.
Vrouwen met waterkruiken.
Onder de Afghanen zijn vaak de naaste bloedverwanten iemands felste vijanden, en, zooals ik al vroeger opmerkte, het is heel gewoon te zeggen: “Hij haat dien man als een neef.” Zoo gebeurde het eens, dat een gewonde Afghaan naar het hospitaal werd gebracht op een bed, gedragen door vier mannen, en bij onderzoek bleek hij er erg aan toe. Hij had een schot van dichtbij gekregen den vorigen avond, toen hij uit de moskee naar huis terugkeerde, De kogel had zijn linkerlong geheel doorboord, en de patiënt was bewusteloos door de hevige bloeding, die was gevolgd. Een compres van pluksel en eidooier was op de wond gelegd; maar de roode stroom kwam erdoor. De man had gezegd, dat hij geloofde, door zijn oom te zijn getroffen, met wien hij oneenigheid had om het bezit van een stuk land; maar hij had diens gezicht niet duidelijk gezien. Er werd een kamer voor hem ingericht; zijn met bloed bevlekte kleeding werd door hospitaalkleeding vervangen, en de wond werd gezuiverd en verbonden.
Lang zweefde hij tusschen leven en dood, steeds opgepast door twee broers, die, als ze even goed onderlegd als ijverig waren geweest, uitstekende verplegers zouden geweest zijn. De zieke won ten laatste aan in kracht, en de wond genas. Toen ik op een dag den patiënt bezocht, trof ik hem overeind in bed met een glimlach op zijn gelaat, en na de gewone begroetingen zei hij: “Als het u blieft, Sahib, kom dichtbij mij; ik heb u een verzoek te doen.” Ik ging bij zijn bed zitten en vroeg, wat ik voor hem kon doen. Hij trok mij naar zich toe en zei op onderworpen toon: “Sahib, ik wou, dat u wat patronen voor mij kocht; hier zijn vier roepijen, die ik ervoor heb bestemd.” “Wel, waarvoor hebt ge die noodig?” vroeg ik. “Kijk hier,” zei hij, en wees op de plaats van de wond, “dit litteeken moet nog afbetaald. Ik ben nu sterker, en binnen een paar dagen kan ik naar huis en ik moet zoo gauw mogelijk wraak nemen.”
Ik zei afkeurend tot hem: “Kun je niet van je wraak afzien na alle goede woorden, die je in het hospitaal hebt gehoord en den goeden raad, dien je hebt ontvangen? Wij hebben met veel moeite en zorg je opgeknapt, en nu zouden we na een paar dagen je oom hier krijgen en weer dezelfde zorgen aan hem moeten besteden.” “Wees daar maar niet bang voor, Sahib”, was het antwoord, “ik ben een beter schutter dan hij.” Wij hebben den oom nooit in huis gekregen, al gaf ik de patronen niet; maar hij zal ze wel elders hebben gekregen.
De toewijding, die in sommige gevallen door bloedverwanten wordt aan den dag gelegd, als ze zieke of gewonde vrienden hebben gebracht, is vaak roerend, en vormt een aangename tegenstelling met de veel voorkomende vijandigheid. Een geval is in mijn herinnering gegrift van een man uit Kaboel, die jaren lang aan een fistel had geleden; zijn naaste bloedverwant was een neef, die talib of student was. Ze waren beiden arm; maar de man verkocht wat huisraaden huurde een kameeldrijver, om hem op zijn kameel te vervoeren. De reis naar Bannoe duurde veertien dagen, en de zieke leed veel door het stooten van het rijden. Er werd geopereerd; maar het duurde nog wel een paar maanden, eer de patiënt genezen was en ontslagen en al dien tijd werd hij door den talib verpleegd, die dag en nacht aan zijn bed zat, lettend op wat de zieke noodig had en hem voorlezend uit den Koran of uit den een of anderen perzischen dichter, enkel hem verlatend, om naar de moskee te gaan in Bannoe of in een naburig dorp, waar hij van weldadige Mohammedanen een maal kreeg.
Er was eens een mollah in Bannoe, die bijzonder heftig was in zijn openbare aanklachten tegen de zending en al, wat er mee in verband stond. Hij hield nog al eens toespraken, die afkeuring inhielden van al wat de Christenen, en in het bijzonder de zendelingen, deden, en hij vertelde de menschen, dat ze in het hospitaal zouden sterven en dan stellig naar de hel zouden gaan. En alle geneesmiddelen, die ze in het hospitaal innamen, zouden in lood worden veranderd, waardoor ze in den diepen afgrond zouden worden gesleurd, en meer van dien aard. We waren dus niet weinig verbaasd, toen op een goeden morgen vier in het wit gekleede talibs een bed in het hospitaal brachten, waarop een gestalte, met een wit laken bedekt, deze zelfde mollah bleek te wezen! We vroegen hem geen bijzonderheden, maar namen hem terstond op, en onze christelijke helpers waren vol zorg voor hem in zijn langdurige en ernstige ziekte en verpleegden hem met groote oplettendheid. Ze spraken nooit over zijn vroegere houding, maar trachtten, door geduld en medegevoel hem te laten zien, wat het Christendom wil. Toen hij het hospitaal verliet, bedankte hij ons in tegenwoordigheid van enkele van zijn volgelingen, bad om den zegen voor het hospitaal en is nu een van onze trouwste vrienden.
De dokter en zijn helpers zouden lang moeten reizen langs de grens, om een dorp te vinden, waar ze niet hartelijk zouden worden ontvangen door oud-patiënten.
De dagen zijn druk in het hospitaal. Laat ons er een beschrijven. Een oostersche dag begint vroeg. Als de eerste lichtstralen in het Oosten te zien zijn, wekt de muezzin de slapenden en roept ten gebede. “God is groot, God is groot. Ik getuig, dat er geen God is dan God! Kom ten gebede; gebed is beter dan slaap.” En ieder vrome Mohammedaan staat op, doet de vereischte wasschingen en begint den dag met het loven van den Schepper. De Hindoes volgen; klokjes klinken in hun tempels, als hun priesters de sluimerende goden wekken, en ook wordt de kleine christengemeente door de kerkklokken geroepen voor den morgendienst, en ze vereenigen zich in lofzang en gebed, voordat ze ieder naar zijn of haar werk gaan. Als de zendeling een kalm morgenuurtje voor zich zelf begeert, moet hij vroeg opstaan, want na den morgendienst begint de lange reeks van plichten, die hem geen tijd laten, eer de avond valt.
Darya Khan, de hospitaalkok, wacht op het dagelijksch rantsoen en geeft vijftig zieken op voor het volle diëet, twintig voor het halve en vijftien voor melkdiëet. Zooveel zieken zijn ontslagen uit het hospitaal, zooveel zijn opgenomen, en er stierf één van nacht. Dus worden de voorraden voor den dag afgewogen en uitgegeven, en er worden bevelen gegeven voor de aanschaffing van wat er nieuw noodig is.
Dan komen de zalenopzichters met hun verhalen van bevuild beddegoed en schoone handdoeken en verbanden en kleedingstukken voor de patiënten, waarin moet worden voorzien.
Als dat gebeurd is, staat de tuinman klaar met het dagrantsoen aan groenten en bloemen en komt met een massa vragen, die alle ernstige overweging verdienen, zooals, of de moerbeien al moeten worden geplukt, en waar de jonge perenboompjes moeten worden geplant. En hij vertelt van gestolen oranjes, en of ik wil komen, om de voetstappen op te nemen.
De klok slaat acht uur, en dus is er juist een half uur, om in het hospitaal te zien, eer de buitenpatiënten komen. De operatiezaal moet bezocht; de huisdokter vertelt, dat de tuberculoselijder op die en die zaal een bloedspuwing heeft gehad in den nacht, en we zijn juist op weg naar hem toe, als Alam Gul komt aanloopen met het bericht, dat zijn broer dien morgen van het dak naar beneden wou gaan, en dat zijn voet uitgleed op de ladder, zoodat hij op zijn hoofd viel en nu bewusteloos is. Of ik gauw wou komen? Nadat de ernstige gevallen zijn nagegaan, en Alam Guls broeder is bezocht, vraagt de afdeeling buitenpatiënten al mijn aandacht. De veranda’s zijn vol zieken, de mannen in de eene en de vrouwen en kinderen in de andere, en terwijl de catechiseermeester voor de eersten preekt, houdt een vrouw de anderen op dezelfde manier bezig. Er liggen een paar zieken op meegebrachte bedden en allerlei vervoermiddelen, draagstoelen, kameelen, ossen, ezels enz.
Na een enkel woord tot de zieken, die vaak zoo lang hebben gereisd, en tot de geleiders, gaat de dokter naar binnen, om de zieken één voor één te laten komen voor het onderzoek. Degenen, die hier behandeld moeten, worden naar de zalen gebracht, en de rest krijgt de noodige geneesmiddelen, of hun wonden worden verbonden en ze kunnen naar huis gaan. Een groot aantal van de buitenpatiënten zijn ooglijders, en soms komen er vier of vijf blinden, elkaar vasthoudend en geleid door iemand, die niet geheel blind is. Zij zitten daar en wachten met spanning op de uitspraak van den dokter, om te hooren, of ze een operatie moeten ondergaan, en of er hoop is, dat ze het gezicht terugkrijgen. Want de geschiedenissen, die ze hebben vernomen van de knapheid der westersche dokters, doen hen denken, dat, als de dokter hen niet geneest, dat komt, doordat hij het te druk heeft, of dat zij te arm zijn. Als dus, wat soms gebeurt, de dokter op het eerste gezicht ziet, dat een geval hopeloos is, en dat het gezicht voor altijd weg is, wordt het een moeilijke zaak, om den patiënt dat feit mee te deelen, en dikwijls verlengt de dokter het onderzoek van het oog zonder noodzaak, opdat de man toch maar niet zal denken, dat het gebrek aan belangstelling in zijn geval is, waardoorde dokter zegt, dat hij er niets aan kan doen. En dan dat smeekende: “Och, Sahib, maar een beetje licht! Zie, ik kan nog wel licht van donker onderscheiden; ik kan het licht van dat venster zien. Ik ben den heelen weg van Kaboel gekomen, omdat ze zeiden, dat de feringidokter alles kon genezen. Waarom maakt ge mij niet beter?”
Er was een man, die niet wou heengaan, voordat ik hem naar mijn moeder had meegenomen; die kon misschien nog wel helpen; ze moest meer kunnen dan ik, want ik had immers van haar geleerd? Een ander ging naar haar toe, om haar te vragen om haar tusschenkomst bij mij, omdat hij zeker was, dat, als ik maar wilde, ik hem wel beter kon maken. Als ze dan ten laatste overtuigd zijn, dat er niets aan te doen is, zeggen ze zoo ontroerend onderworpen, vaak terwijl tranen over hun wangen rollen: “Het is Gods wil. Ik zal geduldig wezen.” En dan beginnen ze hun zware reis weer naar huis of blijven nog een paar dagen en trachten, in den bazar een kansje te krijgen, om met den een of ander een eind mee te rijden.
Door de buiten haar oevers getreden Indus.Door de buiten haar oevers getreden Indus.
Door de buiten haar oevers getreden Indus.
Daar komt een gewichtig hoofd met een groot gevolg, die een speciaal consult van den dokter verlangt en die met omslachtigen eerbied moet worden behandeld. Hij geeft een gift voor het hospitaal of zendt een paar ossen, beladen met zakken maïs, als een schenking voor onze magazijnen.
De veerpont op de Indus bij Dera Ismaël Khan.De veerpont op de Indus bij Dera Ismaël Khan.
De veerpont op de Indus bij Dera Ismaël Khan.
Er komen nog steeds patiënten, als er een schooljongen aan komt loopen met het bericht, dat het tijd is voor den dokter, om zijn schoollessen te beginnen. Niet ieder zendingsstation brengt het zoo ver, dat er voor de school een afzonderlijke zendeling is, en Bannoe is een van die posten, waar het toezicht van de school een der plichten van den zendeling-dokter is, die de oudste klassen ook onderricht in bijbellezen, Engelsch en natuurkunde. Zoo wordt de spreekkamer verwisseld voor het klasselokaal, en de zendeling ziet zich omringd door een klasse van twintig tot vijf-en-twintig leerlingen, intelligente knapen, die zich voorbereiden voor het toelatingsexamen tot de Pendsjab-universiteit en ingewijd worden in de geheimen van het zien, in scheikunde en mechanica of in het maken van engelsche opstellen. Ook laat hij ze vol ambitie luisteren naar de altijd weer boeiende verhalen uit het leven van Jezus, waarbij ze ondervraagd worden en vragen stellen en de schoone leer leeren verstaan.
Dan moet er nog een inspectiebezoek worden gebracht aan de andere klassen, waar het schoolpersoneel aan het werk is en soms wenken en lessen moet hebben, als alles goed zal gaan. Daarna gaan we zien, welken voortgang het bouwen van de nieuwe zaal in het hospitaal heeft gehad en of in de drukkerij alles naar wensch loopt, want de pers van de zending drukt niet enkel inlandsche geschriften en engelsch zendingswerk, maar er wordt ook gedrukt voor de verschillende kantoren en kooplieden in de stad. Rekeningen moeten worden opgemaakt, proeven gecorrigeerd en aanwijzingen gegeven voor het werk van den dag.
Nu is het tijd voor een bezoek aan de hospitaalzalen en voor de operaties. Gewoonlijk worden de patiënten geopereerd op denzelfden dag, dat ze worden opgenomen. Als dat niet gebeurde, zouden de operatiezalen niet alleen overvuld worden, maar in veel gevallen zou de moed van de lijders wegvloeien langshun vingertoppen, en in plaats van hen bereid te vinden voor de behandeling, zou men worden begroet met de woorden: “Ik heb juist gehoord, dat mijn vader ernstig ziek is geworden. Als ik niet dadelijk naar huis ga, zal ik hem nooit terugzien.” Een ander: “Ik vergat heelemaal, voêr voor mijn ezel gereed te maken; ik moet naar huis, om daarvoor te zorgen en kom binnen twee dagen terug.” Men weet natuurlijk, dat die geschiedenissen pure verzinsels zijn; maar het zou nutteloos wezen, hun dat te zeggen of te gaan redeneeren. Men kan niet anders doen, dan hun hun eigen kleêren terug te geven en ze te laten gaan. Soms komen ze later weer en vertellen nog wat leugens omtrent hun vader of hun ezel, om zich te rechtvaardigen; maar vaak ook zien we hen niet terug.
Zwaar beladen buffel in den bazar te Peschawer.Zwaar beladen buffel in den bazar te Peschawer.
Zwaar beladen buffel in den bazar te Peschawer.
Terwijl de operatiegevallen voorbereid worden door den huisarts, gaat de dokter de zalen rond, onderzoekt en schrijft voor en zegt een opmonterend woord aan ieder bed. Als dat is afgeloopen, is hij juist eraan toe, de operaties te beginnen, als er een man komt binnenstormen, zeggende, dat zijn broeder op de jacht was en dat zijn geweer is ontploft en zijn hand afsloeg. Zou de dokter dadelijk willen komen, dat hij niet dood bloedt, en achter den boodschapper komt de gewonde al aan, op een bed gedragen. De dokter onderzoekt hem en neemt de noodige maatregelen, dat het gevaar bezworen is, en de man even kan wachten tot na den afloop van de andere operaties.
Vandaag zijn de operatiegevallen zoowat als op een gemiddelden dag in den drukken tijd van het jaar. Ze beginnen met vijf oude mannen en drie vrouwen, die aan cataract lijden; dan twee gevallen van verstuiking, een amputatie, de wegneming van een gezwel en twee gevallen van een ziekte der beenderen. Als dat gedaan is, komt de man met de beschadigde hand aan de beurt, wordt gechloroformiseerd en de wond wordt genaaid, terwijl twee vingers zoo beschadigd zijn, dat ze moeten worden weggenomen.
De bazar te Peschawer.De bazar te Peschawer.
De bazar te Peschawer.
De schooljongens zijn nu op het veld aan het voetballen, en de dokter, die zich verkwikt heeft met een kop thee, is van oordeel, dat niets hem beter zou aanstaan dan een uurtje met hen te oefenen. Maar pas heeft hij zijn spullen aan, of een bediende komt zeggen, dat een malik of hoofd een bezoek is komen brengen. Men zou hem met een beleefde verontschuldiging willen verzoeken, een anderen keer terug te komen; maar deze malik schonk ons gastvrijheid, toen we in zijn buurt reisden een halfjaar geleden, en het zou een slechte dank zijn, als we hem nu niet ontvingen. Dus wordt hij binnengelaten met vier of vijf lieden van zijn gevolg, en er worden eenige minuten besteed aan een nietszeggend gesprek. En juist, als men op het punt is, te zinspelen op werk, dat men heeft te doen, zoodat het gesprek zou kunnen eindigen, komt de bezoeker voor den dag met het doel van zijn bezoek. Hij is gewikkeld in een rechtsgeding bij een der naburige hoven tegen een anderen malik. Zijn zaak is striktrechtvaardig; maar daar de andere partij in betrekking staat tot den secretaris van den hoofdrechter, vreest hij, geen recht te zullen krijgen, tenzij... tenzij... Zou ik de goedheid willen hebben, een paar regeltjes te schrijven aan den rechter en hem willen vragen, om aan deze zaak zijn volle aandacht te schenken? Het zou voor mij zoo weinig moeite wezen, en ik zou hem een dienst bewijzen, dien bij tot zijn dood zich zou herinneren. Er volgt een uitlegging, die vermoeiend is, omdat men die zoo vaak in dergelijke zaken moet geven, dat de rechter heel boos zou zijn, als ik het waagde, die tusschenkomst te verleenen; dat, als zijn zaak rechtvaardig is, zoo’n maatregel niet noodig is, dat hij op de eerlijkheid van de getuigen moet vertrouwen, en zoo voort. Neen, hij kan en wil niet vertrouwen, dat gij werkelijk vriendschap voor hem voelt, als ge hem dien kleinen dienst van het schrijven van een briefje weigert. Als de bezoeker is heengegaan, is er nauwelijks een half uur over voor het voetbalspel, en er wacht al een man, die u mee wil hebben naar een geval van longontsteking aan den anderen kant van den bazar, en twee andere boodschappen zijn er geweest voor ziektegevallen in de stad.
Het straatje in Calcutta, waar de gewonden werden neergelegd.Het straatje in Calcutta, waar de gewonden werden neergelegd.
Het straatje in Calcutta, waar de gewonden werden neergelegd.
Het is nu avond en opnieuw roept de kerkklok de kleine Christengemeente samen voor het avondgezang van lof en aanbidding, en de herder zegt eenige woorden van leering en bemoediging. Ten slotte zijn dan al die bemoeiingen afgeloopen, en dan kan de dokter gaan zitten aan zijn krant en zijn brieven. Maar lang blijft hij niet ongestoord. De eerste, die komt, is de directeur van het kosthuis, die vertelt, dat een paar Hindoes hun eten hebben gekookt in de pan van de school, en nu weigeren de vegetariërs voedsel te gebruiken, dat gekookt is in die pan, die onrein is geworden. De wederzijdsche argumenten worden gehoord, en er wordt een beslissing genomen; de vleeschpartij moet zelf een pan aanschaffen. Daarna komt de huisdokter met zijn avondrapport over de zalen en deelt mee, hoe de toestand is van de geopereerden en van de andere ernstige gevallen, om daarna instructies voor den nacht te krijgen. Hij wordt gevolgd door een catechisant, die iederen avond een kwartier les krijgt, en door drie van de oudste kostgangers, die vragen komen doen over het engelsche opstel voor den volgenden dag, en het allerlaatst komt de nachtwacht om te melden, dat, daar er roovers buiten zijn, er bijzondere maatregelen moeten worden genomen voor de bewaking; doch hij denkt, dat, als ik hem een nieuw pistool en wat patronen geef, alles wel veilig zal zijn.
Een dag, als ik hier heb beschreven, is een gemiddelde in de drukke maanden van het jaar, en de dokter moet zich gelukkig rekenen, als de vastheid van zijn slaap niet gestoord wordt door een nachtelijke oproeping.
Er is een verschil tusschen den dokter-zendeling en den prediker, die niet meer dan dat is, namelijk dat, terwijl de laatste zijn volkje zelf moet opzoeken, de eerste door de gemeente wordt gezocht, en dat de geloovigen soms in zoo grooten getale komen, dat hij haast geen tijd heeft, om te eten. Maar zelfs een dokter, die zijn tijd in zijn hoofdkwartier geheel kan vullen, zou een groote flater begaan, als hij nooit op reis ging. Want in de kampen en de dorpen leert de zendeling het volk begrijpen en door van dorp tot dorp te reizen en als hun gast onder hen te leven,wordt hij bekend met hun waar innerlijk leven, zooals hij dat anders nooit zou worden, en voor een zendeling is dat een onontbeerlijk iets.
Er zijn twee manieren van reizen. Aan den eenen kant kan men tenten meenemen en een kampuitrusting en bij het een of andere groote dorp zijn kamp opslaan of midden tusschen kleine plaatsen in en daar de patiënten ontvangen en het dagelijksche werk doen, terwijl men de dorpen bezoekt, als het werk is afgeloopen. Op die manier is de zendeling-dokter onafhankelijk en werkt, als hij wil, gaande en komende naar zijn verkiezing. Maar aan den anderen kant kan hij de gast worden van een der voornaamste hoofden of dorpelingen, die zijn logeerhuis te zijner beschikking stelt en hem gastvrijheid verleent. Dan komt hij in veel nauwer aanraking met de menschen en krijgt meer van hen te zien; maar hij geeft zijn vrijheid op, zal den gastheer over zijn plannen moeten raadplegen en moet erop zijn voorbereid, zichzelf en zijn tijd ter beschikking van den gastheer te moeten stellen en van de dorpelingen, zoowel overdag als des nachts.
Beide methoden hebben hun lichtzijden. Voor een nieuw district en waar de menschen achterdochtig zijn, is de laatste manier zeker te verkiezen; als de zendeling bekend is geworden en veel te doen heeft, is de eerste wijze van doen verkieselijk.
De reiziger, die een winter heeft besteed aan een tocht door Indië, maar die enkel de groote steden heeft bezocht en de plaatsen, waar iets wordt vertoond, en nooit in een indisch dorp heeft gewoond, blijft totaal een vreemdeling in het diepere innerlijke leven van den Indiër. Het ware Indië wordt niet gezien in de verwestelijkte bazars van de groote steden, maar in de tallooze dorpen, waar meer dan tachtig procent van de bevolking van Indië woont. Bovendien krijgt men een veel aantrekkelijker en beteren kant van het indische leven te zien in de dorpen dan in de steden, en onder die eenvoudiger menschen brengt de zendeling zijn gelukkigste uren door. Maar hij ontmoet er ook den strijdlustigen mollah, die den redetwist zoekt en met wien het moeilijk redeneeren is om zijn gebrek aan logica, dat zoo dikwijls aan den dag komt.
Gebeurt het echter, dat zoo’n mollah of een vriend van hem medischen of chirurgischen raad noodig heeft, dan wordt de houding dadelijk anders, en ge kunt dan veel gemakkelijker ook tot het volk doordringen. Eens toen ik op reis was naar het Noorden, kwamen een paar Pathans mij zeggen, dat ik mij de moeite wel kon besparen, daarheen te gaan, want een zekere mollah, die veel invloed had in die buurt, was ons voorgeweest en had de menschen gewaarschuwd, onze behandeling niet te vragen, onze prediking niet te gaan hooren en zelfs ons te vermijden. Ik antwoordde met de opmerking, die bijna altijd op een mohammedaansch gemoed indruk maakt onder alle omstandigheden: “Wat Gods wil heeft besloten, zal geschieden,” en vertelde hem, dat we bij ons oorspronkelijk plan zouden blijven.
De eerste dagen leken de menschen inderdaad achterdochtig en terughoudend, zoodat zeer weinigen tot ons kwamen. Toen we den derden dag op marsch waren en niet ver van een dorp voort trokken, kwam een man, die ons blijkbaar vanuit het dorp had waargenomen, dat op een hoogte boven den weg lag, hard naar ons toeloopen en zei na de gewone begroetingen: “Er is hier een vroegere patiënt van u, die u zoo graag eens spreken wou; zou u willen meegaan naar haar huis?” Toen we er kwamen, zagen we, dat het een vrouw was, die een jaar te voren in het hospitaal te Bannoe had vertoefd voor een kwade zweer op het been, dat had moeten worden afgezet. Voordat ze het hospitaal verliet, hadden we haar een houten been verschaft, waarop ze nu naar ons toe strompelde. Ze was heel blij, zoo onverwacht ons te ontmoeten en had blijkbaar aan haar dorpsgenooten veel verteld van alle wonderen, die in het hospitaal gebeurden, en van de groote liefde en goedheid, die haar daar waren betoond, want velen van haar buren kwamen toeloopen naar haar kleine binnenplaats, en onder hen was, zonder dat wij het wisten, de mollah, die een kruistocht tegen ons had gepreekt.
Hij was stil binnengekomen, om zelf te oordeelen, wat wij en ons werk beteekenden en werd diep getroffen door de hartelijkheid, waarmee we door oud-patiënten werden begroet, want toen de vrouw ons verzocht, bij haar te blijven, terwijl ze een maal voor ons bereidde, trad hij naar voren en maakte zich bekend met de woorden: “Neen, mijn huis is dichter bij in het naburige dorp, en het is mij een eer, den Padre Sahib te ontvangen en te onthalen. Hij moet mee naar mijn huis gaan.” Zoo geschiedde, en van dorp tot dorp verspreidde zich het bericht, dat de westersche dokter de gast was geweest van den mollah zelf en diens brood had gegeten.
Een interessante stad, waar we nog al eens hebben stil gehouden op onze reizen, is Kalabagh. Ze ligt op den rechteroever van de rivier, de Indus, waar deze door de rotsachtige kloof is gebroken, die den loop heeft samengeperst, en nu de grenzenlooze, alluviale vlakte van Pendsjab betreedt. In enkele rivierbochten tusschen Attock en Kalabagh loopt de rivier in heftige stroomversnellingen voort, zoodat de bootslieden hun zware rivierbooten er met de grootste moeite doorheen sturen, opdat ze niet ten ondergaan zullen in een draaikolk of tegen de steile rotsen aan den kant zullen worden verpletterd. Op andere plaatsen zijn er diepe, stille einden, waar de grond tweehonderd voet onder de oppervlakte van het water ligt. In den warmen tijd, als het water hoog is in het begin, is het een opwindende geschiedenis, om over het snelstroomende water te worden overgezet.
Te Kalabagh heeft men groote zoutwerken van rose en paarse tinten en van groote zuiverheid, die vrij wat inkomsten opleveren voor de regeering. De stad zelve is tegen den berg aangebouwd van datzelfde zoutgesteente, zoodat de eigenaar van een huis maar een stukje van zijn eigen muren heeft af te slaan, om zijn middagmaal te zouten. Het is een voortdurende grief bij de bewoners, dat hun eigen muren regeeringscontrabande zijn, en dat ze boete moeten betalen, als ze een steen van hun woning verkoopen, zonder er rechten van te betalen. De straten zijn nauw en bochtig, en daar vele ervanoverdekt zijn, is het er zeer donker en gloeiend heet in den zomer, terwijl het er in alle jaargetijden slecht ruikt en ongezond is.
De menschen zijn bleek en bloedeloos, en ze lijden bijna allen aan een kropgezwel in meer of minder ernstigen vorm. Ze vormen een sterke tegenstelling met de stoere bergbewoners van den Bangi Khel Khattakstam in hun buurt. Dat zijn de ware recruten voor de regimenten van de Pathans aan de grens, terwijl uit Kalabagh zelf moeilijk een twintig man zouden zijn te halen, die door den recruteeringsofficier zouden worden toegelaten. In het zwoele zomerweêr brengen de menschen den dag veelal door onder een grooten indischen vijgenboom, waarvan er vele verspreid langs den oever der rivier staan. Daar houden de civiele ambtenaren ook hun vergaderingen, en ik had mijn kamp onder een grooten boom. De wijd uitgespreide takken beschutten niet enkel mij en mijn talrijke zieken en bezoekers, maar buitendien ook den ambtenaar en zijn hof met allerlei cliënten en smeekelingen en den districtsrechter met getuigen en pleiters en beschuldigden, en dat zonder dat we eenigen last van elkander hadden.
Het land verder van de rivier staat te gloeien in de zomerzon, en de stad zelf is als een oven; maar er waait bijna altijd een frisch koeltje langs den oever en als men verhit en stoffig is van het dagwerk, gooit men zijn kleêren af en dompelt zich in de rivier, om zwemmend zich te verkwikken daar, waar de jongelui uit de plaats al hun vrijen tijd doorbrengen. Ze gebruiken de opgeblazen huid van een geit of een koe en liggen daarop, zoodat ze kunnen rusten, gesteund door het koele water, zoolang als ze het zonder moe te worden, kunnen uithouden. De stroom is te snel, dan dat ze stroomop kunnen gaan; maar als ze stroomaf wat te doen hebben, maken ze doodeenvoudig hun kleêren in een bundeltje op hun hoofd vast, gaan op de opgeblazen huid liggen en drijven kalm naar beneden met den stroom met een snelheid van zoowat vier mijlen in het uur en zoo ver, als ze willen. Op den terugweg laten ze de lucht uit de huid los en slaan het vel over hun schouders.
Wij hadden hier gewoonlijk zeer veel zieken van den morgen tot den avond, en ik heb er wel driehonderd op één dag gehad, met een aantal operaties erbij. Eens op een dag bezocht een aanzienlijke sjeik de plaats. Hij was een Mohammedaan, die van het Hindoeïsme tot dien godsdienst was overgegaan en trok nu door het land, om den Islam te prediken, en het Christendom zoowel als de leer van Boeddha afbreuk te doen. Hij zond ons een uitnoodiging of uitdaging, om met hem in het openbaar te redetwisten over de respectieve verdiensten van het Kruis en de Halve Maan. Ik had er niet veel trek in, daar zulke discussies zelden oprecht en eerlijk in hun werk gaan; maar daar mijn tegenzin verkeerd zou worden uitgelegd, stemde ik toe, en op een avond hielden we onze redevoeringen, terwijl een mohammedaansche heer uit de stad voorzitter was. Het was afgesproken, dat we ieder op onze beurt een vraag mochten stellen, die de ander moest beantwoorden.
Hij mocht het eerst een vraag doen, en vroeg, hoe het kwam, dat wij geen wondermacht hadden, daar toch de Bijbel zei, dat diegenen, die in Christus geloofden, vergif zouden kunnen nemen of door slangen konden worden gebeten, zonder dat hun eenig leed zou weervaren. De jonge catecheet, die bij mij was, gaf zulk een helder en categorisch antwoord, dat de mohammedaansche voorzitter en de debater beiden van toon veranderden en zeiden, dat het laat was geworden, en dat het beter zou wezen, dat ik mijn vraag tot een anderen tijd uitstelde.
Onnoodig te zeggen, dat de beter geschikte tijd nooit kwam, en wij werden niet weer uitgedaagd tot een twistgesprek in Kalabagh, terwijl de sjeik een paar dagen later op nieuwe weiden ging grazen.
Een voetbalwedstrijd te Bannoe.Een voetbalwedstrijd te Bannoe.
Een voetbalwedstrijd te Bannoe.
Aan voetbal en andere sport wordt ook in deze grensgebieden veel gedaan. De lezer stelle zich een groot open veld voor van een harde, grijze grondsoort, die in Pendsjab “pat” wordt genoemd. Het is een zouthoudende grond, waar geen gras of onkruid groeit, en zoo’n terrein is zeer geschikt, om door de dorpelingen te worden gebruikt voor spelen en markten en door de Engelschen voor de evoluties van hun troepen. Er om heen liggen de Bannoedorpen, en op een feestdag ziet men er iedereen. Alle mannen, die een paard bezitten of er een kunnen huren, zijn te paard, en van de jongens zitten er soms twee of drie op één rijdier, om toch maar goed te kunnen zien naar de spelers. Na de spelen wordt er des avonds vuurwerk afgestoken. Vroeger bestonden de spelen uitsluitend in wedrennen en spelen te paard; maar de engelsche invloed heeft de sport van hetvolk gewijzigd. Nu kan men groote grasvelden zien tusschen de stad Bannoe en de kantonnementen, en er zijn weer duizenden toeschouwers; maar de vlaggen en voetbalpalen wijzen op andere spelen. Het is de dag van de provinciale wedstrijden tusschen alle scholen uit de provincie, en elftallen uit de verschillende grensscholen uit Peschawer, Kohat, Dera Ismaël Khan, naast die uit Bannoe, zijn hier bijeengekomen, om hun behendigheid met elkander te meten in spel en athletiek. De scheidsrechter heeft het sein gegeven. Hij is een engelsch officier, en de jeugdige kampioenen komen naar voren onder het gejuich van hun aanhangers. De ploeg uit Bannoe is wat kleiner van stuk en draagt de uniform in de schoolkleuren, paars buis en lichtblauwe broek. De ploeg uit Peschawer is zwaarder gebouwd en heeft een blauw en zwarte uniform. De scheidsrechter fluit weer, en aan beide kanten spant men zich tot het uiterste in, om de goal van de tegenpartij te bereiken.
Terwijl de bal heen en weer vliegt, en de kansen mooi staan voor de een of de andere partij, worden de toejuichingen luider, en als er punten worden gemaakt en pogingen worden gedaan, die goed of slecht afloopen, is de geestdrift vooral niet minder groot dan in Engeland. De kapitein van de Bannoe-ploeg is een inlandsche Christen, wiens vader een bekeerde Mohammedaan is; maar de andere Mohammedanen en Hindoes in zijn elftal zijn hem trouw tot het uiterste en volvoeren zijn bevelen met een mooi esprit de corps, dat treffend is. Als het fluitje voor rust klinkt, kunnen de Bannoejongens, die toekeken, het veld binnenhollen en hun zegevierende kameraden toejuichen en op de schouders dragen onder algemeen handgeklap en gejuich.
Ons voetbalelftal.Ons voetbalelftal.
Ons voetbalelftal.
Met het idee, om dien esprit de corps bij hen te ontwikkelen en tevens aan hun lust in reizen te voldoen onder het zien van enkele voorname steden van Indië, maakte ik in den zomer van 1906 een tocht met het voetbalelftal van de zendingshoogeschool in Bannoe door een deel van Noord-Indië. Een aantal colleges en scholen van Calcutta tot Karatsji namen niet alleen onze uitdaging aan voor voetbalwedstrijden, maar boden ons gastvrijheid aan, zoolang we in hun stad zouden blijven. Ons elftal vertegenwoordigde alle klassen, Mohammedanen, Hindoes, inlandsche Christenen en Sikhs. De aanvoerder was een Afghaan van den stam der Khattaks, shah Jehan Khah, terwijl op hem in rang volgde een inlandsch Christen, James Benjamin. Er deden zich wel moeilijkheden voor; maar alle werden ten slotte overwonnen. Schoolplichten noodzaakten ons, de reis te doen in Juli, Augustus en September, den warmsten tijd in de meeste plaatsen, die we aandeden, en er werden matches gespeeld in temperaturen van bij de honderd graden Fahrenheit, terwijl de toeschouwers onder punkahs zaten.
In dien tijd van het jaar is de Indus hoog en levert een eigenaardig schouwspel op, als de rivier bij Kalabagh uit den rotspas komt. In den winter ziet men dan één, twee of drie kanalen, ieder van één- tot vierhonderd ellen breed; maar in den voorzomer, als de sneeuw op den Himalaya is gesmolten, overstroomt de rivier haar oevers en vormt een enkele wijde oppervlakte water, tien mijlen breed van oever tot oever. In dien tijd zijn de dorpen, die op de hoogste plekken van de omgeving zijn gebouwd, tot eilandjes geworden, die alleen met booten te bereiken zijn. De tonga of wagen moet dan wel eens over mijlen van ondergeloopen wegen worden geduwd, eer ze de plek bereikt, waar de veerboot de passagiers en de bagage over de rivier kan brengen, en veel verwisselingen van boot voor wagen en omgekeerd zijn er noodig, eer de reiziger eindelijk het spoorwegstation heeft gehaald, waar de trein hem kan brengen naar Karatsji of in de richting van Lahore.
Wij hadden, nadat de veerboot ons naar den overkant had gebracht, onze bagage in twee wagens gepakt en, onze overtollige kleeding afleggend, gingen we loopen door het overstroomde land naar het station Darya Khan. Soms troffen we eens een kwartmijl van velden, die niet waren overstroomd; maar dan weer kwam het water ons tot aan de heupen, en ook wel kwam het voor, dat de veerboot voor de bagage werd gebruikt en dat wij over zwommen. Twee uit het elftal, die minder goede zwemmers waren, zouden op een keer gefopt zijn geworden door de kracht van den stroom, als er niet gelukkig een zandbank hun nog weer vasten grond had doen krijgen. De tocht over de gezwollen rivier had van negen in den morgen tot vier uur in den namiddag geduurd; maar wij hadden ook wel eens geluierd, om te genieten van het zwemmen op de diepere plaatsen.
Rijstvelden en veeteelt bij Shinkiari in het Hazaradistrict.Rijstvelden en veeteelt bij Shinkiari in het Hazaradistrict.
Rijstvelden en veeteelt bij Shinkiari in het Hazaradistrict.
Wij bemerkten, dat het voetbalseizoen in de verschillende steden ver uiteenloopt. Terwijl Calcutta voetbal speelt in Juli en Augustus, speelt Karatsji van December tot Maart en Bombay in het voorjaar. Maar ook die clubs, die niet in hun speelseizoen waren, stemden er met sportieve bereidheid in toe, zich tijdens ons bezoek met ons te meten. Nergens vonden wij meer enthousiasme op de colleges en in de scholen en guller gastvrijheid dan in Haiderabad, de hoofdstad van het rijk Nizam, en hier juist leed onze club haar eerste nederlaag op dezen tocht.
Wij hadden dertig uren gereisd van Ahmadnagar in het Noorden, en de stations langs de lijn waren zoo slecht voorzien, dat we niets hadden kunnen krijgen dan wat biscuits en wat zoetigheden, en toen we in Haiderabad aankwamen, hoorden we, dat de wedstrijd op vier uur in den namiddag bepaald was, zoodat het elftal slechts haastig een zelfbereid maal kon nuttigen, vóór het in den strijd ging. Het Nizamcollege stelde een sterke ploeg tegenover ons, en voor het eerst op onze reis werden de Bannoejongens beslist geslagen. Het was echter aardig, op te merken, hoe beide ploegen hun goede gezindheid aan den dag legden, en hoe ze met de grootste bonhommie vóór, zoowel als na de wedstrijden, zich verbroederden en vriendschapsbanden aanknoopten, die in stand bleven tot lang na onzen terugkeer naar Bannoe.
Zulke reizen, als wij toen deden, hebben ongetwijfeld bijgedragen tot het wekken van die gevoelens van vriendschap tusschen de rassen uit verschillende streken van Indië, die zoo gunstig werken en waarvan altijd zoo weinig naar buiten blijkt. Er zit ook een strekking in, om breeder sympathieën te wekken en godsdienstige vooroordeelen tegen te gaan. Niet alleen bewezen de leden van ons gezelschap, dat er vriendschap kon bestaan bij verschil van godsdienst; maar ook onze gastheeren waren van allerlei rang en ras en geloof. Zoo waren we in Haiderabad de gasten van een christelijken zendeling, reverend Canon Goldsmith; een huis werd ons afgestaan door een rijken Parsi, en we werden ten eten genoodigd door Mohammedanen uit de plaats.
Op één uitzondering na hadden onze Afghanen nooit de zee gezien en ze verlangden allen naar de kennismaking. Dus regelde ik het zóó, dat we van Karatsji naar Bombay gebruik maakten van een der britsch-indische stoombooten, die tusschen de beide havens varen. De Juli-moesson was op zijn krachtigst, en ze hadden niet gerealizeerd, wat hun verzoek inhield. Er woei een hevige wind al den tijd, dat onze reis duurde, heel die veertig uren lang, en de kleine stoombootKassararolde steeds door, terwijl de golven soms over het voordek sloegen.
Allen op drie na leden aan zeeziekte in den ergsten vorm en wenschten vurig, dat ze nooit de woede van den oceaan hadden durven tarten. Wij kwamen in een stortregen in Bombay aan, een treurig, ontmoedigd en strompelend troepje. Het was pikdonker, en slechts met eenige moeite vonden wij den weg naar de school van de Zendingsmaatschappij, waar we opgenomen zouden worden. Het regendebijna den heelen tijd van ons verblijf in Bombay, maar we speelden toch een match met de Stedelijke Club, en deBombay Gazettegaf er nauwkeurig verslag van. Iedere partij had drie goals gemaakt.
Daarna was Calcutta aan de beurt, waar een reeks wedstrijden ons wachtten, en dan zouden volgen de matches met de scholen van de provincies Agra en Oudh en die van Pendsjab; maar een onvoorziene en onberekenbare omstandigheid bracht onzen tocht tot een prematuur einde, enkele uren vóór het tijdstip, waarop wij uit Calcutta zouden vertrekken. Het ongeluk was het gevolg van een dier golven van onrustigheid, die volgden op den heftigen storm, gewekt door de verdeeling van Bengalen. De Bengaleezen hadden een boycot afgekondigd voor alle europeesche goederen, en in de opgewondenheid van hun campagne hadden ze een massa jeugdige schildwachten gezet aan de deuren van die kooplui, die handel dreven in artikelen van westersch maaksel.
Het waren voornamelijk Marwarikooplieden uit het presidentschap Bombay, en zij dachten zich te bevrijden van dien lastigen troep jongens, door het gerucht te verspreiden, dat een aantal lieden uit Pendsjab en Afghanistan uit het Noorden waren gekomen, om kinderen en knapen te rooven, als ze die konden machtig worden. Het gerucht vond geloof bij de bijgeloovige volksmenigte in Calcutta en, zonder dat wij er iets van wisten, daar ons zelfs het bestaan der geruchten onbekend was, had men ons gezelschap aangewezen als waarschijnlijk tot de roovers behoorende.
Wij waren op den morgen van 23 Augustus 1906 teruggekeerd uit Krishnagar, waar we aan een reeks wedstrijden hadden deelgenomen, en zouden Calcutta dienzelfden namiddag verlaten, om den volgenden dag te Bhagalpur te spelen. Onze club had zich in twee groepen verdeeld, om te gaan ontbijten in een van de eetwinkels, die er zoovele zijn in den bazar te Calcutta, en ik was vooruitgegaan naar hetHowrah-station, om kaartjes te nemen. Het was een warme dag, en op den terugweg bleef ik even rusten in een ververschingslokaal in Harrison Road dichtbij het kosthuis van de Zending, waar we logeerden, om een glas limonade te drinken.
Kalm zat ik vóór den winkel, toen ik opeens den heelen bazar vol drukte en beweging zag. De menigte liep af en aan, en de winkeliers deden gauw hun luiken vóór de ramen. Volkomen onbewust van het feit, dat mijn eigen jongens werden aangevallen, dronk ik rustig mijn glas uit en wandelde naar ons kosthuis, denkende, dat er geen reden was, om mij ongerust te maken over dingen in Calcutta, die mij niet aangingen.
Pas was ik binnen het hek gekomen, of ik zag één van onze clubgenooten, Rahime Bakhsh, met bloed, stroomend over zijn gezicht, en nog een anderen knaap, die gewond was. “Weet u niet,” schreeuwde er iemand, “dat onze jongens zijn aangevallen met moorddadige oogmerken, en dat er misschien gedood zijn?”
“Waar zijn ze?” vroeg ik haastig.
“Ze zijn denkelijk nu in het hospitaal.”
Er ging juist een cab voorbij, en ik sprong erin en reed naar het hospitaal. Ik snelde naar de zaal voor de pas binnen gebrachten en was doodelijk verschrikt, toen ik zes van de club er zag liggen met gescheurde en bebloede kleêren en geheel onder het slijk als bedolven. Hun hoofden waren zóó toegetakeld door de menigte, dat ik ze niet kon herkennen, voordat ik met ze had gesproken, en toen hoorde ik pas, wat er was gebeurd.
Een gezelschap van negen jongelui was een lokaal voor ververschingen binnengegaan en zoude er ontbijten. Daar bemerkten ze al spoedig, dat een volksmenigte van vele honderden zich buiten had verzameld. Nog niet begrijpend, dat zijzelf de oorzaak van den oploop waren, gingen ze, na hun maal te hebben genuttigd, naar buiten, om naar het zendingskosthuis te gaan, maar werden aan alle kanten door geschreeuw en geroep ontvangen. “Dat zijn de roovers! Sla ze dood! Sla ze dood!”
Nog begrepen zij de oorzaak der opwinding niet, en toen ze vroegen, wat het alles beteekende en wat men van hen wilde, kregen ze enkel snauwen ten antwoord en een regen van steenen. Eer ze tijd hadden, zich te weer te stellen, raakten ze van elkaar af onder de woedende volksmenigte, die hun met steenen en stokken te lijf ging, tot ze bewusteloos op straat lagen. Twee slechts wisten te ontkomen, Rahime Bakhsh, dien ik in het kosthuis had ontmoet, en een andere, die in een voorbijgaand rijtuig had kunnen komen.
Vijf van hen, die bewusteloos waren, werden door den volkshoop opgenomen en in een nauw straatje geworpen, waar het bloed uit hun wonden vloeide en een rooden stroom door de straatgoot dreef. Een ander, Ganpat Rai, werd bevrijd door een bevrienden Bengalees, een heer, die hem naar zijn huis bracht en zijn wonden verbond, om hem daarna onder geleide naar het hospitaal te laten brengen. Gurmukh Das, ook een van de jongens, was door ruwe kerels bemerkt, toen hij midden op straat lag; maar een Engelschman, die in zijn rijtuig passeerde, was verontwaardigd over wat hij zag, sprong uit den wagen en vroeg de kerels, wat dat beteekende, om een bewustelooze nog te slaan, en als hij een misdaad had begaan, waarom of ze hem dan niet naar het politiebureau brachten. Een uit de menigte riep: “Die Engelschman is hun aanvoerder; sla hem maar dood!” En den jongen in den steek latend, vielen ze den engelschen heer aan. Hij verdedigde zich; maar een van de schurken naderde hem van achteren en sloeg een mand over zijn hoofd. Zeker zou het slecht met hem zijn afgeloopen, als niet een paar goedgezinde inlanders hem snel in Ripon college binnen hadden getrokken, dat daar dichtbij was.
Wij hadden graag Calcutta willen verlaten, zoodra de toestand der gewonden het ons mogelijk maakte, te reizen, want het ongewone dieet en het andere klimaat hadden op ons aller gezondheid een slechten invloed; maar wij waren gevangenen volgens den wil der regeering, die van ons verlangde, dat wij in Calcutta bleven als getuigen bij de vervolging, door de regeering ingesteld. Dag op dag moesten wij wachten en den tijd zoekbrengen in den politiepost van den Bowstreetbazar.
De politie had een aantal menschen bijeengebracht, van wie gebleken was, dat ze aan het opstootjehadden deelgenomen, en de meesten van hen hadden advocaten in den arm genomen, om hen te verdedigen. Dus was het er vol van verdedigers, die het hun plicht rekenden, elk van de leden onzer club een verhoor te doen ondergaan, tot in ’t oneindige gerekt, zonder dat er gelet werd op de vragen, die al van te voren door de ambtsbroeders waren gedaan.
De kruisverhooren, die wij ondergingen, zouden niet nauwkeuriger hebben kunnen zijn, als wij de aanvallers in plaats van de slachtoffers waren geweest, terwijl de flauwheid van de vragen en het noodeloos tijdverlies, dat telkens weer uitstel van onze reis bracht, een kwelling voor ons was bij onzen verzwakten toestand en ons vurig verlangen naar de woningen aan de grens.
De rechtsgeleerden en advocaten voor de verdediging beweerden intusschen, dat ze veel sympathie voor ons gevoelden in ons leed, en de een na den ander kwam naar ons toe en zei iets als: “Wij hier in Calcutta zijn zeer verdrietig om het gebeurde. Stellig hebben de dokwerkers schuld en moeten worden gestraft om zulk een ongemotiveerden aanval op onschuldige reizigers; maar er is ook iemand gevangen genomen door een vergissing van de politie. Hij had niets met het standje te maken en moet worden vrijgelaten, omdat hij volkomen onschuldig is”. Daar er in iedere zaak zoo’n “bij vergissing gearresteerde” in bescherming wordt genomen, door de advocaten, maakten hun woorden weinig indruk.
Een lichtzij was de oprechte sympathie, aan den dag gelegd door enkele Bengaleezen, een medegevoel, dat onder woorden werd gebracht door den Honorable Surendra Noth Bannerji, die een openbare vergadering belegde, waarin hij het leedwezen betuigde, door de burgers van Calcutta gevoeld. Een adres van dien inhoud werd ons in een zilveren mandje overgebracht.
Eindelijk kreeg het hof medelijden met ons en stemde erin toe, ons verhoor te doen voorafgaan aan dat van de honderd en meer getuigen, door de verdediging aangebracht, en waar een paar maanden verblijf in Calcutta mee gemoeid zouden zijn geweest, als wij tot het eind hadden moeten blijven.
Toen we in Bannoe terug waren, kregen we een luisterrijke ontvangst, waardoor de leden van de club een beetje vergoeding kregen voor het leed, dat ze hadden doorstaan. De civiele bevelhebber van het district, afgevaardigden van de stedelijke regeering en een groot aantal burgers kwamen ons met muziek tegemoet enkele mijlen, voordat we Bannoe bereikten en onder groot gejuich had onze intocht plaats.
In alle mohammedaansche landen nemen vrouwen een zeer ondergeschikte plaats in, een bijna vernederende positie, en ze worden beschouwd als enkel bestaande terwille van de sterke sekse. In Afghanistan komt daar nog bij als nieuw bezwaar, dat de mannen bijna allen wreed en jaloersch zijn, en onder de lagere standen dwingen de omstandigheden de vrouwen tot voortdurend hard werken aan arbeid, dien de mannen beneden hun waardigheid achten en dien ze daarom niet deelen of ook maar eenigszins verlichten.
De vrouw moet het koren malen, het water aansleepen, het eten koken, de kinderen verzorgen, het huis schoonhouden, inderdaad alles doen behalve het winkelen, dat volstrekt niet door haar mag gebeuren. De man doet de boodschappen en koopt niet alleen de voedingsmiddelen voor het dagelijksch gebruik van het gezin, maar hij koopt ook de kleêren van zijn vrouw, of ten minste de stof ervoor, en de dame moet tevreden wezen met zijn keus en haar kleeding thuis vervaardigen van wat meneer de echtgenoot wel zoo goed is, haar te brengen.