VI.

VI.Toen de pastoor bij vrouw Stoffels kwam, moest hij hooren dat Willem reeds twee weken op de mijn werkte.“Hij heeft het er heel goed! voegde zij er bij; en hij is er heel graag ook!”“Stuur hem eens bij me, een Zondag, als hij thuis is.”“Ik zal ’t hem zeggen” gaf ze ten antwoord.“Vroeger waren de menschen vereerd wanneer de priester hen ontbood,” dacht de pastoor. “Dat is óók anders geworden. Kwaad teeken. Alsof de heele atmosfeer reeds met socialisme doorzwaveld was; alsof het uit de schouwen dampt en hangen blijft in de lucht onder de zon....Ja,” dacht hij verder, “drie mark is veel voor arme menschen!Maar er is toch méér, veel meer dandat. Hun kredietbrieven op de eeuwigheid.Arm volk, arm volk,” schudde hij zijn eerbiedwaardig hoofd.Den volgenden zondag wachtte hij, eerst na de mis, en toen na de vesper; maar Willem kwam niet.Willem ging samen met een werker van Merkelbeek, dien hij op den weg ontmoette, elken morgen naar de mijn van Amstenrade. Dien had hij meegedeeld wat zijn vader thuis was komen vertellen en wat zijn moeder gezegd had.“Laat je niet ringelooren, had de kerel die veel ouder was, hem geraden. Als je maar jenever kon verdragen, zou je ook niet ziek worden van ’t gekwijl van zoo’n ouden zeeveraar.”Dien dag ging Willem voor ’t eerst het drinkhuis mee binnen, waar zijnmakker met de overigen vóór het werk hun dagelijksche hartversterking namen; de oudere trakteerde hem.De man bij de contrôle, die ieder van de arbeiders hun nummerplaatje reikte, zag reeds wat er gaande was met den knaap. Zijn hoofd draaide toen hij kwam om van spullen te wisselen. Zijn werkplunje hing als dat der overige knapen, opgeheeschen aan een ketting tegen de zoldering der groote ruimte, om uit te dampen in de frischte der geopende ramen. Hij moest moeite doen om ’t sleuteltje in ’t slot te brengen, waarmee de ketting beveiligd was tegen de handigheid van gauwdieven.Nooit was Willem bij den arbeid vroolijk geweest.Daar stond hij voor een ijzeren geleiding, die verdeeld in verschillende gleuven, uit de hoogte van ’t goor gebouwneerdaalde. Hier werd de steenkool gespoeld en uitgezocht. De verschillende brokken gleden door bakken, met water gevuld, waarin het gruis achterbleef. De jongens hadden de voorbijglijdende brokken te sorteeren en ze naargelang der afmetingen in de verschillende gleuven over te brengen. Daartoe hielden zij ze met houten schopjes op. De knapen stonden op verschillende hoogten trapsgewijze, overal bezig met hetzelfde werk.Willem praatte door ’t geruisch der glijdende steenkolen heen. Hij praatte en lachte al maar voort, al wist geen der makkers waarover hij ’t had. Hij was niet vlug in zijn werk en rustte wat veel uit, zoodat de opzichter kwam en hem bij zijn één oor pakte dat hij aardig kneep, om hem aan ’t verstand te brengen, dat er gewerkt moest wordenen geen gekheid, of anders korte metten.Maar dat verstoorde zijn goed humeur niet.Doch hij werd kalmer gaandeweg. Toen hij eindelijk zijn namiddag-boterham had opgepeuzeld tusschen zijn ongewasschen vingeren, en zijn hoofd wat te slapen had gelegd op zijn arm, langs de muren in de zon, was hij zoover bekomen. Nu sprak hij niet meer. Zoo kende men hem, somber en neergedrukt. En de knapen die met hem werkten, lachten om de verandering, zoodat een stijgende kwaadheid in hem begon te wrokken.In ’t begin had hij zich neergeslagen gevoeld in de nieuwe omgeving, daar hij telkens dacht aan huis, aan de hut bij den heiderand. Hier moest hij nu die donkere ruimte binnen en er bezig zijn, tot hij doof van ’t geraas en afgetobd van moeiheid, wel over het werk wareneergezonken. Doch hoe vermoeid hij zich gevoelde bij ’t eindigen daarvan, het beurde hem telkens op, den landweg langs te gaan, door de lucht en ’t licht van den avond, samen met den arbeider van Merkelbeek.“Als je maar eens zoo ver ben dat jenever je smaakt, had deze hem dikwijls gezegd. Zonder dàt gaat het niet!”Toen hij dien dag van ’t werk kwam, zag hij juist zijn daagschen gezel die naar buiten kwam van zijn arbeid.“Hoe verging ’t je vandaag?” vroeg hij Willem.“Puik” antwoordde deze trotsch. “Ik ga meer mee.”“Flink zoo. Kom maar. Zul je trakteeren dezen keer!”Willem had geen geld.De mijnwerker lachte schamper: “En je verdiende loon dan?”Dat was ’t, wat hij dan nù zou leeren: ieder heeft recht op hetgeen hij zelf verdient. “Doet je vader soms het werk voor jou? Dan moet je ook je loon zelf behouden.”En een keer viel Willem tegen zijn moeder uit:“Ik heb mijn eigen geld zelf noodig.”Zij zette groote oogen op.“Je kunt ’t me wel afstelen wanneer ik naar huis kom” gaf hij toe. “Maar wie belet me het te verzuipen eer ik terug ben?”....Alle mijnwerkers-jongens, had hij gehoord, betaalden kostgeld bij hun ouders. Dat was ruim voldoende, hoe gering het dan ook was.Bij elke gelegenheid begon hij praat te verkoopen, die nooit gehoord was onder hun dak te voren. Toen begon deonrust der moeder te groeien met den dag en de stem des gewetens werd in haar luide, wanneer zij aan de woorden terug dacht van den grijzen herder, die sedert den voet niet meer over hun drempel gezet had.“Ga eens naar den pastoor, vroeg zijne moeder. Hij wilde zoo graag dat je eens kwam.”“Daar heb ik niets verloren,” gromde Willem terug, en ging zijn gang.Wanneer zij opspeelde, lachte hij; en als zijn vader dreigde, kwam er vuur in zijn oogen.“Dat is een nagel aan mijn doodkist” jammerde zij.“Vrouw,” troostte Stoffels haar uit de verte,“je hebt het zelve gewild!”....In ’t begin was Willem verlegen geweest om zijn roetzwarte handen en devuilnis die bij ’t werk ging kleven op zijn gezicht. Hij had het telkens schoon gewasschen eer hij naar huis terug ging, onder de stortkraan in de inrichting. Nu deed hij dat niet meer. Het stond kranig met een zwart gezicht te loopen. In ’t dorp keken hem de kleine kinderen dan angstig na. Iedereen kon nu zien dat hij aan den mijnarbeid was. Mijnwerkersvolk is gevaarlijk volk, had zijn groote makker hem geleerd. Zij zijn als levende duivels; en daarom zijn zij voor den duivel niet bang.En Willem haalde als altijd zijn wijze woorden gretig in. Zij bedwelmden hem als de jenever die hij hem leerde zwelgen. Willem was fier op zijn vriendschap. Reeds huiverde hij niet meer van een vloek. Dat was mannentaal. Zelf streefde hij er thans naar, een werkelijk man te worden die over alle gezanik heen te stappen weet.Zwart kwam hij er aan zetten, mompelend binnensmond en waggelgaande langs den weg, met zijn blikken koffieketeltje aan een touw over den rug, de pet scheef over zijn lang sluik haar en groezelig in zijn armoedige plunje,—toen met twee volle emmers aan ’t juk, dat ze over de schouders in den nek droeg, Anna Jansen hem bij de eerste huizen van Merkelbeek ontmoette.“Anneke” riep hij.Zij stond stil.“Anneke,—heb je water gehaald?”“Wou je je gezicht soms wasschen?” vroeg ze bits.Haar hart bonsde in haar.“Liever drinken, als je me laat.”“Ga je gang,—als je niet sterk genoeg op je beenen staat, om zelf naar den put te gaan.”“Lief kindje,” zei hij. “Vroeger ben jetoch wel liever geweest. Weet je nog wel, toen ze je plaagden met mij?”Hij glimlachte beschermend, maar zijn oogen stonden vreemd; zij zagen wild, zooals zij glommen uit zijn roetzwart gezicht.“Ga nog niet weg,” fleemde hij.“Ik heb geen tijd om naar je te luisteren.”“Hou je dan niet meer een klein beetje van me?”“Wie zou je terug kennen, met dat vuil gezicht?”“Ja, maar ik ken je nog wel, Anneke; ik herken je overal en ik vergeet je niet, omdat ik stapelgek ben naar je....”Ze liet hem staan, en zeulend droop hij af.Bleek kwam Anna thuis en zij zette zich neer op een boomstam die onder den poortboog lag.Vragend keek haar vader haar aan, toen hij voorbij het venster ging dat op het erf uitzag. Zij wilde opstaan, maar hare armen vielen zwaar in haar schoot terug. “Ik ben zoo moe,” fluisterde ze en sloot de oogen.“Rust een poosje,” riep Jansen en trok een paar keeren heftiger aan de pijp, die zijn mond nooit verliet. “Het zal van de warmte zijn.””’t Is ook zoo heet,” sprak ze ’t haar vader na. En zij leunde met het hoofd achterover tegen den baksteenen muur.“Anneke heeft ’t te kwaad van de hitte vandaag,” vertelde Jansen zijn vrouw in ’t voorbijgaan.“Waar is ze dan? vroeg de moeder. Ik zag haar zoo even nog met een mijnwerker staan praten.”“Met wie?” vroeg Jansen.“Ik geloof dat het Stoffels-Willem was.”Jansen bromde wat voor zich heen, misnoegd. Maar zij spraken geen woord verder.Anna was weer opgestaan en had de dweil ter hand genomen. Eer ’t avond was, had zij de keuken geschrobd en al het werk gedaan als altijd. Doch toen zij ’s avonds was ter rust gegaan, kon zij niet inslapen. Zij lag en dacht en droomde en sliep toch niet. Zij voelde haar hoofd zoo zwaar en warm. Het was alsof er een zee in ruischte, die steeg en viel en steeg. Doch nauwelijks was zij dan eindelijk ingedommeld, of zij hoorde een stem aan haar oor, die klaar en duidelijk zeide: “ik herken je nog wel; ik vergeet je niet; ik ben stapelgek naar je....” Toen zag zij over haar heen zijn zwart gezicht, met de vreemde, wilde gloed-oogen. Zij wilde geluid geven in haar angst, maar kon niets uitbrengen.Dan schrok zij wakker en zag in het schemerdonker rond. Het zweet stond op haar voorhoofd. Zij sloeg de dekens af en stond op. Het was als steeg zij uit een warm bad. En zij ging naar het venster toe, dat openstond op een kier. De sterren fonkelden in het duister buiten. Waar de eene groote ster neer hing, achter den wal der boomen, lag de heide....VII.Niet voor vele dagen was Hary Gerards sinds naar Brunssum teruggekeerd. Hij had voor zijne akte’s gewerkt, vertelde zijn vader. Maar nu dezen keer zou hij het er eens goed van nemen. Hij kwam voor heel de zomervakantie naar huis.In een der laatste brieven had menhem geschreven, dat de aanbouw van de mijn op de heide reeds een goed stuk gevorderd was. Die gedachte had hem bedroefd. Zoo was het er dan toch van gekomen!Ondanks de vreugde over ’t naderend weerzien, kwam hij toch met bekommerende gedachten naar huis gewandeld.Het koren had, na ’t stuiven van den bloesem, de zware halmen neergebogen en begon te rijpen. Veel stengels waren in golvende bundels geheel omgebogen en reikten met hun aren naar den grond. Anderen hadden hun gebaar verstild in ’t neigen. Géén stond er meer overeind. Er was een gele gloed door ’t groen der forsche spieren opgetrokken, zoodat er een gouden schemer dampte over ’t heele veld in de hette. Daartusschen wemelde het van bloemen, in een overvloed van rood en blauw. De blauwen waren veeldieper, donkerder en rijker van tint dan de zonnige lucht daarboven. Zij droegen hare koppen als kroontjes, fijn gekroezeld en gekarteld en wonderlijk teeder samengesteld. De rooden glansden als vuur tusschen het gele stroo. Ook hadden zij in hare broosheid den vorm van vlammen.“Klaprozen en arengoud, korenbloemen en hemelblauw, murmelde hij in bewondering: welk een gedicht.”Een man die naar stad ging, groette hem in ’t voorbijgaan. Die eenvoudige groet voor den “goeden dag,” het eerste welkom in ’t eigen land, maakte hem gelukkig als een kind. Hier was hij thuis, waar velden rimpelden voor zijn blik, op de breede deining der glooiingen van kim tot kim; hij voelde de breede rythmen die vloeien door het onbewogen veld, hem dragen, hem heffen in een sfeer van rust en vredigheid, waar het eenweelde was te ademen, terwijl er alles lag te glanzen en te stralen in louter geluk.Toen hij Merkelbeek naderde, ebden zijn droomen heen. Hij zag links den hoek om, bij ’t eerste huis. Niemand op straat. Maar hij bleef omzien terwijl hij voort ging. Hij had niet even dan weer voor zich uit gekeken, of een welbekende stem riep:“Hola, meester, zoo gehaast? Ge zijt vroeg op pad!”“Goeden morgen, hoe staat het er mee? Ik heb niet veel tijd.”“Kom wat uitrusten. ’t Is warm genoeg,” meende Jansen.“Ja-maar, ik kom zóó van den trein en ze wachten me. Het wordt nog warmer later op den dag....”Dan stapte hij vlugger door het veld dat tusschen Merkelbeek en Brunssumdeint. Daar hief tusschen het groen der stille popels, de toren van zijn dorpskerk het kleine, leien ronddak als een helm van staal. Die stond er als een grijze hellebardier. En de vreugde lachte van zijn gezicht. Zij steigerde in zijn hart bij elken stap die hem nader bracht. Hij ging door ’t dorp en men groette hem. Hij groette terug met een glimlach naar allen, naar alles. Maar zijn gedachte snelde op de straat vooruit.Daar lag het stille huis in zijnlandelijkenvrede onder het groen. Hij zag het witte gordijntje heffen en weer zinken. Toen snelde hem zijne moeder op den drempel te gemoet.Het was kermis te Merkelbeek. ’s Middags trok de schutterij op. De fanfare van Brunssum was daarbij uitgenoodigd. Spelende kwam zij ’t dorp binnentrekken.In “de Kroon” vergaderden blazers en schutters. Dan zette de stoet zich in beweging.Voorop de muziek; de banier van rood fluweel met goud bestikt, opende de rij; de blazers stapten op de maat van hun marsch, en bliezen hunne roode wangen bol.Nu volgde de tamboer-majoor. Zijn staf, wat langer dan een gewone wandelstok, was onderaan voorzien van een zwaren zilveren knop en om ’t geheel wentelden roode en gele koorden op, die uitliepen in bengelende kwastjes. Met dezen scepter gaf hij de bewegingen aan van den stoet, die in twee rijen volgde. Eerst gingen de pijper en de trommelaar. Zij begeleidden den gang der manschappen met geroffel en gefluit, wanneer de marsch was afgespeeld en de muzikanten rust behoefden.De schutters droegen voor ’t meerendeel wit linnen broeken. De eenvormige petten waren afgezet met groene biesjes en gouden galons. Velen van hen hadden bonte sjerpen, eenigen om ’t middel, anderen over den rechter schouder heen. Deze allen waren gezaghebbenden, officieren en luitenants. Ook droegen zij den blanken sabel; de anderen slechts geweren of ook maar wandelstokken.Dan kwam het vaan dat in plooien uithing van den stok, dien de vaandrig over zijn schouder heen droeg.Nu volgde de koning. Hij torschte een rammelenden last van zilveren platen over rug en borst: de schatten van het gilde, van tijden her bewaard. Op ’t hoofd droeg hij den hoogen zijden hoed, gesierd met een groen takje en een bloemenkrans.De vrouwen lachten waar de schuttersvoorbij trokken. De kinderen liepen in bewondering mee. Maar de schutters zelf vielen niet uit hunne rol. Zij stapten voort in gewichtigen ernst en onverstoorbaar.Bij ’t huis van den burgemeester liep het dorp te samen. Daar werd het vaan “geslagen.” De burgervader stond op den dorpel, en de vaandrig hief het vaandel en salueerde, doch zonder dat de bonte zijde den grond raakte. Dan liet hij in snelle bewegingen den stok draaien in zijn hand en liet dien wentelen om zijn hoofd, zoodat het vaandel golvend volgde in klapperenden zwier. Hij bracht den stokvervolgensop zijn schouder over en liet hem kringen beschrijven om zijn hals heen; hij haalde hem neer tot zijn middel en deed hem om zijn heupen vliegen; hij boog voorover tot bij zijn enkels en liet hem aldoor kringvormigebewegingen maken om zich heen, zoodat het vaandel scheerde langs den grond; hij hurkte neer en liet hem opnieuw den spiraalloop beschrijven naar boven thans, tot hij oprees, den stok nam op zijn vlakke hand en dien zwaaien deed over zijn hoofd. Dan hanteerde hij dien bij telkens tegengestelde bewegingen, zoodat de zijde ruischte met het gewentel van golven in haar plooienzwier. De man stond in de vlam van het waaiend doek als in een bonten brand van kleurig vuur.“Bravo” dankte de burgemeester toen ’t vaan ten slotte andermaal salueerde. En de menschen klapten in de handen; de kinderen riepen luid “hoera.”“Jongens,” sprak de burgervader. “Ik zal een ton bier geven in ‘de Kroon.’ Maar gij weet wel,—fatsoenlijk en netjes! Dat het genoegen blijve en er geenschande neer kome over u en over ons dorp. Vooruit-dan: prettige kermis!”Toen Anna Jansen omzag, keek zij Willem Stoffels in ’t gezicht. Zij wist niet dat hij achter haar gestaan had en hij zag haar aan met lachende voldoening. “Zul je van avond met mij dansen?”“Dat weet ik nog niet,” verstoutte zij zich.“Je komt zeker wel,” zeide hij bewust. “We zullen pret maken.”“Als me geen ander vraagt, misschien—maar misschien ook niet.”“Nee,” zei hij, “ik heb je gevraagd en van avond gaan we samen uit.”De schutterij trok verder en de menschen stuwden rondom voort. Willem was weg. Anna gevoelde dat ze ’t hem niet zoukunnenweigeren. En toch, wat zou er van gepraat worden: “Annavan Jansen aan de kerk,” zij die er goed bij zaten—“met Willem van den bezembinder....”Het feest was “in de wei”, en er was vogelschieten. Altijd werd dezelfde boomgaard daarvoor gebruikt. Een eereboog stond opgericht bij den ingang: twee palen met een dwarshout, omwonden met groene slingers. Een krans hing er midden tusschen, rondom het opschrift: “Welkom.”Van de beide palen woeien nationale vlaggen uit.Groote takken waren verder bij den ingang geplant, waar iemand van ’t bestuur bij een tafeltje zat met centenbakjes, om toegangsbewijzen te verkoopen. Kleine vaantjes wimpelden er nog van beschilderde paaltjes. Stervormig was er geel en rood zand, krijt en blauwsel, in figuren rondom op den grond gestrooid.In den boomgaard waren stoelen en tafels opgesteld van ongeschaafde planken op stevige dennenstammetjes gespijkerd. De vruchtboomen spanden er tenten van levend groen over uit. Broodjes en bier werden aan kramen verkocht. Ook was er een bordje opgeslagen met de woorden: “wijn verkrijgbaar.”De oude lui waren gauw gezeten. Met trage bewegingen en onder veel gegichel namen ook, de een na ’t ander, de besluitelooze jonge meisjes plaats, de jongens aan hunne zijde. Met sabel en instrument liep ’t manvolk rond. Er moest vooral eerst geschonken en gedronken worden. Sommigen lagen er met glazen en flesschen in ’t gras, grappen makend en in ’t honderd schreeuwend naar ieder die voorbij ging. Al het jong gedoe was lawaaierig en druk, tot uitgelatenheid toe. Geen minnend paar bleef er ernstig.De oudjes genoten de jonge vreugde in hunne stille teruggetrokkenheid. Overal stegen de schelle kreten, de schorre stemmen, de uitbarstingen van gierend gelach. Zoo knetterde de kermisblijheid in spattende vonken uit. Het was een rumoerig gewriemel van al maar feestende menschen door elkaar, àl joelend om ’t hardst. Alleen de groene boomen stonden als verstomd in al die drukte. Geen vogel die geluid sloeg in hunne twijgen.Al gauw was ’t van mond tot mond gegaan, om de tafels heen, waar bierflesschen rinkelend werden neergezet:“Het mijnwerkersvolk drinkt wijn!”Dat was wat nieuws in de feestwei te Merkelbeek.De kastelein wist wel, aan welke klanten hij de waar zou kwijt raken. Er waren er een heel aantal reeds van’t dorp, die naar Heerlen en naar andere mijnen togen; en die van Brunssum waren er vandaag, daar ’t kermis was en de fanfare er speelde.Al dat volkje zat zoo wat afgezonderd in ’t begin. Zij hérrieden het meest. Ook was er Willem Stoffels onder.“Die kon ook wel beter doen,” merkte een oude boer op.“Hoe oud is die wel?” vroeg een ander.“Ik geloof niet, dat hij al geloot heeft....”De oudjes schudden bedenkelijk ’t hoofd.Anna had even opgezien. Nu zat zij weer in gedachten voor zich heen te staren. Maar Betje Bouts die bij haar zat, had al lang gemerkt dat er iets aan ’t handje was.Toen werd er een signaal geblazen.De schutters gingen naar het stuk grond achter de wei, waar geen boomen stonden en de vogelstang was opgericht. Je zag den koning met zijn rammelende sier omhangen, nog gauw even zijn pint leeg halen met een lange teug en dan op een drafje weghollen, het zilver rinkelend terwijl hij liep. De meesten onder de mannen togen mee. Het was het groote oogenblik. Het vogelschieten begon.Defanfarebeklom het verhoog dat op tonnen was bevestigd, met latten en groene twijgen omgeven, en gedekt door ’t levend loover van een appel- en een peereboom. De muziek hield er de feestelijke stemming levendig onderwijl.“Zullen we samen wat door de wei gaan?”Anna was hoog rood geworden, toen Willem Stoffels naast haar was komenstaan. Zij had geen woord te zeggen.“Kom An’,” zei Betje Bouts, “we gaan samen.”En zij liet Anna in ’t midden gaan, met Willem dicht aan Anna’s zijde.Betje stuwde ’t gesprek. Eerst wilde ’t wel niet wielen. Maar zij wist het te drijven. Doch zij greep de eerste gelegenheid aan, om een jongen kerel vast te klampen, dien ze volgde naar het schietterrein. “Kom mee” wenkte ze nog even bij ’t weggaan met hem. Maar Willem voerde Anna naar den anderen kant.“Anna,” zei hij, “ben je boos op mij?”“Ik? Waarom? Zeker omdat ik met je loop?”“Nee, maar ik dacht soms.... ik was bang dat je niet meer van me houden zou.”“Daar heb ik nooit wat van gezeid tegen je. Maak nu geen onzin!”“Ik wilde dat je ’t me zei. Het is geen onzin.”“Ben je al niet nuchter meer meer?”“Anna, ik weet wat je zeggen wil Verwijt me niets. En heb ’k me soms gedragen als een slecht mensch,—het kan immers wel beteren. Als jij het hebben wil; als jij dat van me vraagt.”“Dat moet je nou maar voor je zelf weten. Als je weet dat je misloopt, hoe kun je dan in Gods naam zoo blijven voortgaan?”“Alleen om jou wil ik het doen, Anna.”“Loop heen,” trachtte ze te schertsen.“Nee,” zei hij met diepere stem. “Ik zal nooit van je weggaan. Zelfs als je dàt willen zou, als je dat willen kon, zou ik het niet doen. Daarvoor hou ik té veel van je, Anna....”“Laat me los, riep ze. Ik wil terug.”“Luister, drong hij, Anna, hoor!”“Laat me gerust,” smeekte ze.“Jijkuntvoor me doen, wat geen pastoor meer kan.”Beiden zwegen plotseling.“Is je dat gemeend?” bracht zij uit in hare ontroering.“Ik ben een verloren mensch, en ik raak nog verder van wal, als jij niet wil.... Jij alleen kunt weer wat van me maken; als ik je zeg....”“Ik wil niets weten. Vertel dat anderen als je wil; maar mij niet!”“Als ik vrij loot, ging hij verder, dan verdien ik na een jaar of twee het dubbele van nu. Jij heb immers goed wat thuis, al breng ik dan ook zooveel niet mee.”“Ik wist niet dat je spaarde,” wierp ze er verwonderd tusschen. “Sinds wanneer?”“Ik zal nooit een ander dan jou trouwen,” verzekerde hij hartstochtelijk.“Laat me los. Ik wil.—Hoeveel anderen heb je dat al verteld?”“Daar is geen ander voor mij, dan jij, Anna....”“We zijn nog te jong om daar al over te praten. Nu is ’t genoeg geweest!”Hij ging voort met spreken, maar zij hoorde hem niet meer. Zij zag de tafel weer, waar ze met hare vriendinnen had gezeten. Aller oogen hadden haar gevolgd van daar. Zij keerde er terug. Willem kon ’t haar niet langer beletten. Hij volgde.“Mag ’k hier blijven zitten?” vroeg hij, zich naast Anna neerzettend. “Ik trakteer” zeide hij in haar oor.De goed gezeten boerendochters vonden hem wel brutaal. Doch zij moesten weldratoegeven dat hij onderhoudend was. Toen begon de lach-pret.Alleen Anna zat er stil en afgetrokken.VIII.“De kinderen zijn naar de feestwei,” zei vader Jansen tot Hary Gerards, de eenige die er dien middag in de herberg kwam. “Zij zijn met de meisjes van de straat hier meegegaan.”“Anna denkt nog niet aan trouwen?” vroeg hij.“Trouwen!” had Jansen gezegd met verwondering. “Mijn vrouw was dertig jaar toen ze trouwde en de meisjes moeten maar net zóó doen. Daar is nog nooit iemand bij te laat gekomen, weet je wel!”Er was een onverklaarbare weemoedover Hary heen geweest, geheel dien dag. Hij stapte op en ging ’t veld in. De muziek drong tot zijn ooren door in de stilte van den zomerschen namiddag. Dat plaagde zijn geest. Hij kon geen kermis uitstaan. Waarom was hij ook dien dag naar Merkelbeek gekomen? Hij was den stroom gevolgd.“Vreemd toch, de mensch....” dacht hij bij zich zelven.De wolken lagen om de kim als vastgemeerd in veilige haven. Nu was de muziek uit de feestwei weer verstomd. De leeuwerik wiekte omhoog in ’t gewervel van zijn vlerkjes en van zijn geluid. Hary volgde zijn stijgen langs de trappen zijner stijgende verrukking. Toen werd het zingend vogeltje onzichtbaar tegen ’t schelle uitspansel in ’t licht, dat de starende oogen doet knippen in verblinding. Het was als ’t borreleneener onzichtbare bron van jubel; als parelen waterbellen bobbelden de klanken op en dreven door de stilte.“Waarom kan ’k mij niet blij gevoelen?” vroeg hij zich af.Dan zweeg het lied, en hij zag den vogel zinken,—een zwarte stip langs het blauw,—als een verschietende ster.Hij gevoelde een onrustige gejaagdheid. Wat wilde hij dan? Hij wist het niet. Maar hij wandelde verder.Hij begon met klimmende belangstelling te letten op alles wat hij rondom zag. Hoe schoon was ’t veld dien dag. Daar midden in, tusschen de akkers, stonden boomen saamgeschoold tot een groep, als een groen eiland in de zee van ’t drijvend koren. Een merel begon er te fluiten.Tegen de helling van een der velden zette Hary zich neer in het hooge gras.Hij zag de bloemen om zich heen en luisterde. Zoo begon hij zich zelven te vergeten. Hij tastte in zijn zakken en begon een potloodje zenuwachtig tusschen zijne vingers te wentelen. Er kwam een boekje voor den dag en hij begon woorden neer te peuteren. Niemand die voorbij kwam en hem stoorde in zijn doen. Stil zat hij er, en dacht en schreef:O Limburg mijn geliefde land,Met zooveel bloeiend schoon beplantVan bloemen en van boomen,Van velden die, vol gelend graanAls golven gouds aan ’t wiegen slaan,Wanneer de winden komen,Ik min uw schoon, wanneer verblijdDe leeuwerk met zijn jeugd-jolijtEn liedren, streeft ter zonne;De leeuwerk die, hoe wijd hij wijkt,Verlangend aldoor nederstrijktEn geeft zich u gewonnen;—Wanneer ter blijde middagstondDe merel, die in ’t wit verzwondVan bloesemzware twijgen,Der lente serenade zingtEn ’t al tot stil gemijmer dwingt,Waarbij de vogels zwijgen;—Ik min u, als de nachtegaalVan minneweelde zoet verhaalIn klanken zet en zangen,En de avond met een wâ van dauwEn droom en donker zilvergrauwDe landen houdt omvangen....O Limburg, mijn geboortegrond,Voor alles op dit wijde rondVan schoone wereldrijken,Blijft mij uw lieve schoonheid waard,Mijn onbesnoeide, groene gaard;Waar vind ik uws gelijke?O Limburg, want geen enkle vreugd,—Wat vreugden ook mijn harte heugt—Kan immer vreemd u heeten,Schoon land waar ik geboren ben,Voor mij, die uw bekoren kenEn nimmer zal vergeten.Nu glimlachte hij. Het rythme van zijn eigen woorden had hem zelven meegesleept. Hij stond op. Hij had een gevoel alsof hij zegenend zijn handen moest uitstrekken over het rijke landschap, over het groen en het rijpend veld, over den ouden weg met de ingesneden karresporen.Dan kwam er iemand en de beiden groetten elkander. Maar om niet mee te moeten gaan met den man die naar het dorp ging, wandelde hij steeds dieper het veld in. Toen de zon zonk in het avondlijke paars der zacht bedonsde lucht, poosde hij nog tot de kleuren geheel gedoofd waren en de avond viel. Eerst dan gedacht hij, hoe ver hij nu van huis was. Hij keerde terug. Weer klonk hem de muziek te gemoet bij ’t naderen van het verre dorp. Hij voelde het pijnlijk aan, en opnieuw kwam deneerslachtigheid van vroeger over hem. Droeg hij het droevig misschien, alléén te zijn terwijl de feestmarsch vroolijk klonk voor gelukkige paren?Dan verdween hij in de dorpsstraat.Anna was zwijgend geweest heel den feestelijken namiddag. In het zelfbewustzijn dat zijn omgang met mijnvolk en zijn plaats in hunne reien hem gegeven had, praatte Willem tegen al de meisjes aan de planken tafel, en tegen iedereen onder ’t bereik zijner stem. Hij schertste er geducht op los en was uitgelaten vroolijk. En de drank steigerde zijn vroolijkheid tot overmoed.Luisterde Anna naar wat hij zeide?Zij hoorde ’t als uit een vage verte, maar zij hoorde het toch duidelijk, als ’t geluid eener stem in droomen. Doch zij verstond maar half.“Mijn God, zuchtte ze, wat is er over me gekomen? Ik ben ziek.”Plotseling zag zij dan Willem weer, als de kleine jongen die hij was, dien dag op de heide, toen hare moeder haar had meegenomen. Zij zag hem liggen in ’t kruid; zij zag zich zelve—klein Anneke van toen—met den blonden knaap door ’t heidegewas stappen. “Allemaal van ons” had hij gezeid. Zij had den achtergrond der hut van den bezembinder nooit duidelijk gezien, wanneer zij aan den knaap gedacht had; of was hij juist dáárom als een verborgen prinsje voor haar geweest, die een sprookje gemaakt heeft van zijn leven?Kroon nog scepter had zij er gezien; maar zij kende thans reeds de macht van zijn staalblauw oog met den koelen blik, en zij wist de vastberadenheiddie als een stempel stond op zijn gelaat.En zij was niet bang geweest voor den Heksenberg. In hare verbeelding was hij er de kleine gebieder van geworden....Toen daar boven, plotseling, de donkere stem van den vader, als een schaduw over den zonnigen droom. Zóó was ’t geluk van dien mooien dag aan scherven gevlogen....Willem schaterde ’t uit met de meisjes, en Anna schrok op uit haar gepeins. Zij streek met de hand over haar voorhoofd.Met een mijnwerker bij vader Jansen komen aanzetten! Van den bezembinder uit de hei!.... Ja maar, onderbrak zij zich zelve, daar is immers ook geen sprake van....Toen die Pinksterdag, de gillendemeisjes, het gegichel en “dat de pastoor het maar eens weten moest!” Zij had dat nooit vergeten. En zij zag Betje Bouts, éen der vijandigen van toen, die met haar jongen terug kwam van het schietterrein om bij hen plaats te nemen.“Drink eens, Anna,” noodde Willem. “Het zal je geen kwaad doen.”Weer verviel ze in gedachten.Die keer toen ze hem gezien had over het hek van den boomgaard, waar hij dien appel voor haar geplukt had—“omdat jij hetbent”..... Dan was Hary van den meester hen er komen storen.Zou Hary Gerards niet hier zijn, dacht ze op eens en begon rond te zien.“Waar zoek je naar?” vroeg Willem.“Is Hary van den meester van Brunssum er niet vandaag?” vroeg ze Betje.“Wat zou dat?” zei Willem geërgerd.“Nou” sarde ze een beetje en trok hare lip op—“wat dat zou?”....Hij zag haar aan. Zij was bleek. Dan nam hij zijn glas op, dronk het leeg en begon opnieuw te praten in ’t gezelschap.Anna zat dof voor zich heen te staren. Was ik maar liever thuis gebleven, dacht ze.Een groot hoera-geroep ging op uit de mannen op het schietveld. De vogel was er af, en de schutters hadden een nieuwen koning. Alles vloog overeind en stormde den boomgaard uit, naar het schietterrein. Wie was het?Willem sloeg den arm om Anna heen en fluisterde met heete stem in haar oor: “ik hou van je, An.” Zij voelde zijn wang over haar schouder strijken en maakte zich los met een ruk. Zij voelde een koortsachtige hitte in haarhoofd stijgen, en hield zich alsof zij boos was.De lampen brandden, verduisterd door den tabakswalm die in de kleine herbergskamer hing. De paren sprongen er op de melodie van een trekharmonika. De jongens dansten met de sigaar in den mond en de strooien hoeden, de petten op ’t hoofd, zwijgend met de meisjes die zwegen, ook soms twee aan twee met elkaar, bij gebrek aan beter. Zij zweetten in de hitte van ’t vertrek onder de lampen, waarbij hunne roode gezichten glommen.Anna had gedanst met Willem. Zij was moe en warm. Hij was reeds dronken en dronk nog altijd meer.“Schei uit,” zei ze, “je hebt reeds meer dan genoeg.”“Wat kun je toch maar kwaad worden, Anneke!”“Het is een schande. Kun je mij niet respekteeren? Ik wil naar huis. Morgen praat het heele dorp van me.”Maar hij weerhield haar. Hij drong al zeurend aan, tot ze toegaf aan zijn biddend gezanik “dat ze toch nog niet zou.....”Doch toen hij opnieuw om drank vroeg, wilde ze met alle geweld.“Dan zal ik met je mee gaan.”“Doch niet tot bij ons aan huis!”“Even maar de straat over, hier.”Het was donker buiten. Weer begon hij vleierig: “Anna, mijn liefste Anneke....”“Kon je je maar wat fatsoenlijker gedragen,” antwoordde ze bits.“Ik wil alles doen wat je wil, als je maar houdt van me....”“Laat me los, riep ze. Raak me niet. Ik wil naar huis.”Hij wou met haar een zijweg in, tusschen de heggen.“Tot afscheid” vroeg hij deemoedig.Maar zij sprong vlak voor hem weg.Toen sloeg hij bei zijn armen om haar heen, en wilde haar terug dringen met geweld. “Ik wil een zoen van je.”“Hulp” gilde zij in haar schrik.“Wat is er gaande?”, klonk een mannestem dicht bij hen uit den nacht.“Laat me los” steunde Anna voort.De man in ’t donker greep Willem bij den schouder en slingerde hem weg, zoodat hij tuimelde. Eenige kerels schoten uit de herberg toe en omringden hem. Woedend wilde hij den aanvaller achterna; maar de boeren die wisten dat hij dronken was, hielden hem terug en sleepten hem de herberg binnen.En Hary Gerards bracht Anna zwijgend naar huis.IX.Vroeger stond die oude baksteenen boerenwoning, met de twee oude donkere tuya’s naast den drempel, geheel eenzaam bij den rand der heide, met het zacht bewogen land ter eene zijde, en de donkere diepte vol van ’t purper donker van het heidekruid naar den anderen kant. In twee jaar tijds was alles anders geworden. De oude weg was onherkenbaar; hij was vernieuwd. Een nieuwe breede weg was van hem uitgegaan en dwars door de heide snijdend, had hij met zijn zandgele kling een heuvel doorploegd, om met een wijden elleboogskromming naar een tweeden heuvel opte gaan. Boven het kunstmatig aldus ontstaan ravijn stond thans het mijngebouw. Het stond er met het lichte rood zijner pasgebouwde baksteenen muren te schitteren in de zon. Het was een triomfkreet onder den blauwen hemel. Het was een vloek in den vrede van het landschap. Machteloos lag de donkere heide voor den indringeling, die haar bestreek met de klare gevels en de trotsche schouwen. Verschuchterd vlood de donkerbruine diepte in hare ebbende golving, onder de blauwe nevels der verte, weg naar de verre kimmen.Ook was er naar de overzij van den weg geen vrij, schoon, wiegend veld meer. Uitgestrekte stukken waren uitgediept en baksteen was er vervaardigd; baksteenen stonden er nog tot logge “ovens” opgestapeld en huizen bleven er voortdurend in aanbouw. Anderen warenreeds voltooid. Ingenieurswoningen waren er verrezen en arbeiderswoningen, als een heel nieuw dorp; een drinkhuis stond er als een kasteel midden in.Doch dat was alles nog slechts een aanvang. Wanneer de ontginning eerst begon, zouden er weldra duizend menschen werk vinden. Nieuwe steenovens dan, en nieuwe huizenreeksen om ze te bergen! En reeds hadden de steenbakkerijen overal het groene land weggevreten. Naar de heuvelende glooiïng heen vluchtten de korenvelden voor hunne onverzadigbare vraatzucht.“Melaatschheid van mijn schoon, dierbaar Limburg: ik zie en tel uw wonden,—dacht Hary Gerards. Het is de dood van het veld. Het is de zegevierende intocht van den nieuwen tijd over het oude land, met de vliegende vaandels zijner rookpluimen en de krijschendesignalen der stoomfluiten. Dat zijn uwe veldteekens, Industrie, op onze groene akkers; dat zijn uw veldtenten te midden van onzen groenen vrede! Wat is het geluk dat gij zaait, en wat zal de vervulling uwer beloften zijn, onder den rook der mijn?”Op de heuvelen zeeg het koren neer in zware rijpte. Geen vogel zong. Onder het gerij der karren rookte het stof op van den zandigen weg. In haar bloeiend purper deinde de heide.“Hoe schoon zij is, dacht hij: zij is zoo zacht en stil, zoo bescheiden; zoo schoon in haar droom....”Steeds is de hei weemoedig; doch dien dag kwam zij hem smartelijk voor. Zag Hary Gerards er zijne stemming als in een spiegel? Hij kende hare smart werkelijk.“Zij gevoelt haar vonnis, dacht hij.Zij weet haar doem ten ondergang. Doch heeft niemand dan gezien hoe prachtig dit panorama was? Heeft niemand medelijden gevoeld met hare arme schoonheid,—met de rijkeschoonheidvan ons dierbaar land? En toch is schoonheid geluk, geluk genoeg.”Zoo kalm en rustig lag de heide hem te voeten. Men kon gelooven dat zij glimlachte. Het was een glimlach van begrijpen. Maar alle vreugd was verre.“Mijn arme, trouwe heide.”Verder ging hij, door ’t bloeiend kruid. Daar stroomde het beekje dat gevoed wordt door de veenplassen: het bergt een wiegend bed van kers en ander kruid in zijn helderkoele strooming. Over de keien bedding glijden de stekelbaarsjes heen, en waterspinnen roeien met hare spichtige pooten in rukken over het spiegelend vlak.Het stroomt er om het “Sterrebosch” heenkronkelend.Hary herinnerde zich legenden van deze boomrijke plek in de heide. Zij was als een park. De menschen zeiden er van, dat een rijk heer er een kasteel had laten bouwen. Hij was getrouwd geweest met een meisje uit het dorp. Wat er mee gebeurd was in het einde, was eene donkere geschiedenis. Het kasteel was in de aarde weggezonken. Sporen van metselwerk bleven er nog over. Het was een weelderige tuin, de ruïne van een aardsch paradijs, in de grauwe woestenij der heide.“Sagen en schoonheid zullen ééns geheel voorbij zijn. Die kleine, klare stroom gaat zijn bedding afstaan voor een afvoerkanaal, waarlangs het vuile mijnwater de Roode Beek wordt toegevoerd.Mijn God, dat mooie, reine water! Er zal een tijd komen dat er geen beek meer helder is in ons gewest en geen bron meer zuiver....”En hij zag de gore aardhoopen, die de mijn steeds omringen, reeds uitgestrekt over dit schoone landschap. De mijn haat het bloeiende land. Die hoopen stapelen zich op en kruipen voort. Zij vormen dijken; zij liggen er als reuzenbedden. Tegen welken zondvloed beschutten zij? Zelf zijn ze verderf en dood, deze immer groeiende pyramiden ónzer beschaving. Zij sluipen voort als fantastische monsters, schuifelende slangen; als krokodillen glijden zij al verder, verder, vernielend graan en goed veld, onteerend den kostbaren grond der heilige aarde.“De aarde met haar wasdom heeftGod gegeven aan den mensch dat hij van haar zou leven, en genieten van haar schoon. Haar aanschijn was volmaakt en haar hart was altijd mild in overvloed. Doch de menschen zijn als dieren geworden, woelend in hare ingewanden.”Het schokte in zijn keel op:“Gij vernielt mijn prachtig land!”Hij had zijn vuist wel kunnen ballen tegen den hatelijken “bok” op het mijndak. Toen klaagde het in hem: “waarom kan onze rijke grond niet blijven leven in vruchtbaarheid en pracht?”De stilte was hoorbaar om hem, wijd en wonderbaar. Boven hem kringde een wulp in breedecirkelvluchten krijschte luid zijn tragische kreten.De zon ging neer. Haar laatste goud vervluchtigde in het roode purper vanhet gebloemte over de dommelende heffingen. Voor hem lagen de enkele hutten, waar de armsten der gemeente woonden,—de bezembinders.Laat ik ze vermijden, dacht hij, en om het dennenboschje heen gaan. Het kermisavondtooneel stond voor zijn geest. “Anna” fluisterde hij zachtjes door zijn gedachten heen. Hij had haar sinds niet weergezien.Hij naderde de groep dennen, die reeds donker stonden.Voor hem trad een jonge kerel op het pad.“Moet je me hier weer in mijn weg loopen, zeg? Wat heb jij je met mij te moeien? Jij was die vervloekte kerel van Zondag-avond, jij-ja! Heet het liegen als je durft?”Hary was een stap terug gedeinsd, bleek, geschrokken.“Maar nu afgerekend,” brulde Willem Stoffels, zich moed insprekend met een vloek,—en zijn vuist trof Hary Gerards vlak in ’t gelaat. Het duizelde Hary voor de oogen, doch hij ontweek schielijk een heftigeren slag en sprong op den aanvaller aan. Maar hij vond hem gereed. Stoffels trapte naar hem en vloog hem naar de keel. Zij vielen over elkander op den grond; Stoffels hamerde met vuistslagen zijn slachtoffer. Hary lag bewusteloos.“Ziezoo,” zeide Stoffels tot zich zelven, waar hij Hary zag met bloed op ’t aangezicht “dat heeft hij al vast.” Hij borg het zakmes op, waarmee hij zijn vuist gewapend had gehouden. Het stalen heft was al voldoende geweest in zijn toegeknepen vingers; hij hadde anders het lemmet niet geschuwd.En hij ging het boschje in, zonder om te zien.Den volgenden dag kwam er bij Jansen iemand in de herberg die vertelde, dat Hary Gerards dood geslagen was in de Brunssumer heide. Vader Jansen vloog op, of iets hem gestoken had.“Wat zeg je?” riep hij in ontzetting. “Dat verhoede God!”Anna was lijkbleek geworden en zat als versteend.Jansen zag alleen den man die van doodslag gesproken had, en wilde weten: wie, en hoe, en waar? Maar de ander wist niet méér.Doch een tweede kwam.“Ze hebben hem geslagen,” vertelde deze: “doch hij leeft nog. Het is gebeurd bij het boschje bij Stoffels, de bezembinder....”De verteller die een blik op Anna had geworpen, vertelde niet verder.“Niet dood?” kwam ’t bevend van Anna’s bleeke lippen.“Hij moet er bewusteloos gelegen hebben tot den nacht, ging de boer voort. De koele dauw en de koude hebben hem weer tot zich zelven gebracht. Toen is hij naar huis kunnen geraken. Zijn heel gezicht was opgezwollen en ’t haar stond stijf van ’t bloed.”Anna ging weg. In de keuken barstte zij uit in tranen.“Het is mijn schuld” kreunde zij.Toen Jansen van een gang door ’t dorp ’s avonds thuis kwam verzekerde hij, dat géén Stoffels ooit meer een voet zou zetten over zijn drempel.

VI.Toen de pastoor bij vrouw Stoffels kwam, moest hij hooren dat Willem reeds twee weken op de mijn werkte.“Hij heeft het er heel goed! voegde zij er bij; en hij is er heel graag ook!”“Stuur hem eens bij me, een Zondag, als hij thuis is.”“Ik zal ’t hem zeggen” gaf ze ten antwoord.“Vroeger waren de menschen vereerd wanneer de priester hen ontbood,” dacht de pastoor. “Dat is óók anders geworden. Kwaad teeken. Alsof de heele atmosfeer reeds met socialisme doorzwaveld was; alsof het uit de schouwen dampt en hangen blijft in de lucht onder de zon....Ja,” dacht hij verder, “drie mark is veel voor arme menschen!Maar er is toch méér, veel meer dandat. Hun kredietbrieven op de eeuwigheid.Arm volk, arm volk,” schudde hij zijn eerbiedwaardig hoofd.Den volgenden zondag wachtte hij, eerst na de mis, en toen na de vesper; maar Willem kwam niet.Willem ging samen met een werker van Merkelbeek, dien hij op den weg ontmoette, elken morgen naar de mijn van Amstenrade. Dien had hij meegedeeld wat zijn vader thuis was komen vertellen en wat zijn moeder gezegd had.“Laat je niet ringelooren, had de kerel die veel ouder was, hem geraden. Als je maar jenever kon verdragen, zou je ook niet ziek worden van ’t gekwijl van zoo’n ouden zeeveraar.”Dien dag ging Willem voor ’t eerst het drinkhuis mee binnen, waar zijnmakker met de overigen vóór het werk hun dagelijksche hartversterking namen; de oudere trakteerde hem.De man bij de contrôle, die ieder van de arbeiders hun nummerplaatje reikte, zag reeds wat er gaande was met den knaap. Zijn hoofd draaide toen hij kwam om van spullen te wisselen. Zijn werkplunje hing als dat der overige knapen, opgeheeschen aan een ketting tegen de zoldering der groote ruimte, om uit te dampen in de frischte der geopende ramen. Hij moest moeite doen om ’t sleuteltje in ’t slot te brengen, waarmee de ketting beveiligd was tegen de handigheid van gauwdieven.Nooit was Willem bij den arbeid vroolijk geweest.Daar stond hij voor een ijzeren geleiding, die verdeeld in verschillende gleuven, uit de hoogte van ’t goor gebouwneerdaalde. Hier werd de steenkool gespoeld en uitgezocht. De verschillende brokken gleden door bakken, met water gevuld, waarin het gruis achterbleef. De jongens hadden de voorbijglijdende brokken te sorteeren en ze naargelang der afmetingen in de verschillende gleuven over te brengen. Daartoe hielden zij ze met houten schopjes op. De knapen stonden op verschillende hoogten trapsgewijze, overal bezig met hetzelfde werk.Willem praatte door ’t geruisch der glijdende steenkolen heen. Hij praatte en lachte al maar voort, al wist geen der makkers waarover hij ’t had. Hij was niet vlug in zijn werk en rustte wat veel uit, zoodat de opzichter kwam en hem bij zijn één oor pakte dat hij aardig kneep, om hem aan ’t verstand te brengen, dat er gewerkt moest wordenen geen gekheid, of anders korte metten.Maar dat verstoorde zijn goed humeur niet.Doch hij werd kalmer gaandeweg. Toen hij eindelijk zijn namiddag-boterham had opgepeuzeld tusschen zijn ongewasschen vingeren, en zijn hoofd wat te slapen had gelegd op zijn arm, langs de muren in de zon, was hij zoover bekomen. Nu sprak hij niet meer. Zoo kende men hem, somber en neergedrukt. En de knapen die met hem werkten, lachten om de verandering, zoodat een stijgende kwaadheid in hem begon te wrokken.In ’t begin had hij zich neergeslagen gevoeld in de nieuwe omgeving, daar hij telkens dacht aan huis, aan de hut bij den heiderand. Hier moest hij nu die donkere ruimte binnen en er bezig zijn, tot hij doof van ’t geraas en afgetobd van moeiheid, wel over het werk wareneergezonken. Doch hoe vermoeid hij zich gevoelde bij ’t eindigen daarvan, het beurde hem telkens op, den landweg langs te gaan, door de lucht en ’t licht van den avond, samen met den arbeider van Merkelbeek.“Als je maar eens zoo ver ben dat jenever je smaakt, had deze hem dikwijls gezegd. Zonder dàt gaat het niet!”Toen hij dien dag van ’t werk kwam, zag hij juist zijn daagschen gezel die naar buiten kwam van zijn arbeid.“Hoe verging ’t je vandaag?” vroeg hij Willem.“Puik” antwoordde deze trotsch. “Ik ga meer mee.”“Flink zoo. Kom maar. Zul je trakteeren dezen keer!”Willem had geen geld.De mijnwerker lachte schamper: “En je verdiende loon dan?”Dat was ’t, wat hij dan nù zou leeren: ieder heeft recht op hetgeen hij zelf verdient. “Doet je vader soms het werk voor jou? Dan moet je ook je loon zelf behouden.”En een keer viel Willem tegen zijn moeder uit:“Ik heb mijn eigen geld zelf noodig.”Zij zette groote oogen op.“Je kunt ’t me wel afstelen wanneer ik naar huis kom” gaf hij toe. “Maar wie belet me het te verzuipen eer ik terug ben?”....Alle mijnwerkers-jongens, had hij gehoord, betaalden kostgeld bij hun ouders. Dat was ruim voldoende, hoe gering het dan ook was.Bij elke gelegenheid begon hij praat te verkoopen, die nooit gehoord was onder hun dak te voren. Toen begon deonrust der moeder te groeien met den dag en de stem des gewetens werd in haar luide, wanneer zij aan de woorden terug dacht van den grijzen herder, die sedert den voet niet meer over hun drempel gezet had.“Ga eens naar den pastoor, vroeg zijne moeder. Hij wilde zoo graag dat je eens kwam.”“Daar heb ik niets verloren,” gromde Willem terug, en ging zijn gang.Wanneer zij opspeelde, lachte hij; en als zijn vader dreigde, kwam er vuur in zijn oogen.“Dat is een nagel aan mijn doodkist” jammerde zij.“Vrouw,” troostte Stoffels haar uit de verte,“je hebt het zelve gewild!”....In ’t begin was Willem verlegen geweest om zijn roetzwarte handen en devuilnis die bij ’t werk ging kleven op zijn gezicht. Hij had het telkens schoon gewasschen eer hij naar huis terug ging, onder de stortkraan in de inrichting. Nu deed hij dat niet meer. Het stond kranig met een zwart gezicht te loopen. In ’t dorp keken hem de kleine kinderen dan angstig na. Iedereen kon nu zien dat hij aan den mijnarbeid was. Mijnwerkersvolk is gevaarlijk volk, had zijn groote makker hem geleerd. Zij zijn als levende duivels; en daarom zijn zij voor den duivel niet bang.En Willem haalde als altijd zijn wijze woorden gretig in. Zij bedwelmden hem als de jenever die hij hem leerde zwelgen. Willem was fier op zijn vriendschap. Reeds huiverde hij niet meer van een vloek. Dat was mannentaal. Zelf streefde hij er thans naar, een werkelijk man te worden die over alle gezanik heen te stappen weet.Zwart kwam hij er aan zetten, mompelend binnensmond en waggelgaande langs den weg, met zijn blikken koffieketeltje aan een touw over den rug, de pet scheef over zijn lang sluik haar en groezelig in zijn armoedige plunje,—toen met twee volle emmers aan ’t juk, dat ze over de schouders in den nek droeg, Anna Jansen hem bij de eerste huizen van Merkelbeek ontmoette.“Anneke” riep hij.Zij stond stil.“Anneke,—heb je water gehaald?”“Wou je je gezicht soms wasschen?” vroeg ze bits.Haar hart bonsde in haar.“Liever drinken, als je me laat.”“Ga je gang,—als je niet sterk genoeg op je beenen staat, om zelf naar den put te gaan.”“Lief kindje,” zei hij. “Vroeger ben jetoch wel liever geweest. Weet je nog wel, toen ze je plaagden met mij?”Hij glimlachte beschermend, maar zijn oogen stonden vreemd; zij zagen wild, zooals zij glommen uit zijn roetzwart gezicht.“Ga nog niet weg,” fleemde hij.“Ik heb geen tijd om naar je te luisteren.”“Hou je dan niet meer een klein beetje van me?”“Wie zou je terug kennen, met dat vuil gezicht?”“Ja, maar ik ken je nog wel, Anneke; ik herken je overal en ik vergeet je niet, omdat ik stapelgek ben naar je....”Ze liet hem staan, en zeulend droop hij af.Bleek kwam Anna thuis en zij zette zich neer op een boomstam die onder den poortboog lag.Vragend keek haar vader haar aan, toen hij voorbij het venster ging dat op het erf uitzag. Zij wilde opstaan, maar hare armen vielen zwaar in haar schoot terug. “Ik ben zoo moe,” fluisterde ze en sloot de oogen.“Rust een poosje,” riep Jansen en trok een paar keeren heftiger aan de pijp, die zijn mond nooit verliet. “Het zal van de warmte zijn.””’t Is ook zoo heet,” sprak ze ’t haar vader na. En zij leunde met het hoofd achterover tegen den baksteenen muur.“Anneke heeft ’t te kwaad van de hitte vandaag,” vertelde Jansen zijn vrouw in ’t voorbijgaan.“Waar is ze dan? vroeg de moeder. Ik zag haar zoo even nog met een mijnwerker staan praten.”“Met wie?” vroeg Jansen.“Ik geloof dat het Stoffels-Willem was.”Jansen bromde wat voor zich heen, misnoegd. Maar zij spraken geen woord verder.Anna was weer opgestaan en had de dweil ter hand genomen. Eer ’t avond was, had zij de keuken geschrobd en al het werk gedaan als altijd. Doch toen zij ’s avonds was ter rust gegaan, kon zij niet inslapen. Zij lag en dacht en droomde en sliep toch niet. Zij voelde haar hoofd zoo zwaar en warm. Het was alsof er een zee in ruischte, die steeg en viel en steeg. Doch nauwelijks was zij dan eindelijk ingedommeld, of zij hoorde een stem aan haar oor, die klaar en duidelijk zeide: “ik herken je nog wel; ik vergeet je niet; ik ben stapelgek naar je....” Toen zag zij over haar heen zijn zwart gezicht, met de vreemde, wilde gloed-oogen. Zij wilde geluid geven in haar angst, maar kon niets uitbrengen.Dan schrok zij wakker en zag in het schemerdonker rond. Het zweet stond op haar voorhoofd. Zij sloeg de dekens af en stond op. Het was als steeg zij uit een warm bad. En zij ging naar het venster toe, dat openstond op een kier. De sterren fonkelden in het duister buiten. Waar de eene groote ster neer hing, achter den wal der boomen, lag de heide....

Toen de pastoor bij vrouw Stoffels kwam, moest hij hooren dat Willem reeds twee weken op de mijn werkte.

“Hij heeft het er heel goed! voegde zij er bij; en hij is er heel graag ook!”

“Stuur hem eens bij me, een Zondag, als hij thuis is.”

“Ik zal ’t hem zeggen” gaf ze ten antwoord.

“Vroeger waren de menschen vereerd wanneer de priester hen ontbood,” dacht de pastoor. “Dat is óók anders geworden. Kwaad teeken. Alsof de heele atmosfeer reeds met socialisme doorzwaveld was; alsof het uit de schouwen dampt en hangen blijft in de lucht onder de zon....

Ja,” dacht hij verder, “drie mark is veel voor arme menschen!

Maar er is toch méér, veel meer dandat. Hun kredietbrieven op de eeuwigheid.

Arm volk, arm volk,” schudde hij zijn eerbiedwaardig hoofd.

Den volgenden zondag wachtte hij, eerst na de mis, en toen na de vesper; maar Willem kwam niet.

Willem ging samen met een werker van Merkelbeek, dien hij op den weg ontmoette, elken morgen naar de mijn van Amstenrade. Dien had hij meegedeeld wat zijn vader thuis was komen vertellen en wat zijn moeder gezegd had.

“Laat je niet ringelooren, had de kerel die veel ouder was, hem geraden. Als je maar jenever kon verdragen, zou je ook niet ziek worden van ’t gekwijl van zoo’n ouden zeeveraar.”

Dien dag ging Willem voor ’t eerst het drinkhuis mee binnen, waar zijnmakker met de overigen vóór het werk hun dagelijksche hartversterking namen; de oudere trakteerde hem.

De man bij de contrôle, die ieder van de arbeiders hun nummerplaatje reikte, zag reeds wat er gaande was met den knaap. Zijn hoofd draaide toen hij kwam om van spullen te wisselen. Zijn werkplunje hing als dat der overige knapen, opgeheeschen aan een ketting tegen de zoldering der groote ruimte, om uit te dampen in de frischte der geopende ramen. Hij moest moeite doen om ’t sleuteltje in ’t slot te brengen, waarmee de ketting beveiligd was tegen de handigheid van gauwdieven.

Nooit was Willem bij den arbeid vroolijk geweest.

Daar stond hij voor een ijzeren geleiding, die verdeeld in verschillende gleuven, uit de hoogte van ’t goor gebouwneerdaalde. Hier werd de steenkool gespoeld en uitgezocht. De verschillende brokken gleden door bakken, met water gevuld, waarin het gruis achterbleef. De jongens hadden de voorbijglijdende brokken te sorteeren en ze naargelang der afmetingen in de verschillende gleuven over te brengen. Daartoe hielden zij ze met houten schopjes op. De knapen stonden op verschillende hoogten trapsgewijze, overal bezig met hetzelfde werk.

Willem praatte door ’t geruisch der glijdende steenkolen heen. Hij praatte en lachte al maar voort, al wist geen der makkers waarover hij ’t had. Hij was niet vlug in zijn werk en rustte wat veel uit, zoodat de opzichter kwam en hem bij zijn één oor pakte dat hij aardig kneep, om hem aan ’t verstand te brengen, dat er gewerkt moest wordenen geen gekheid, of anders korte metten.

Maar dat verstoorde zijn goed humeur niet.

Doch hij werd kalmer gaandeweg. Toen hij eindelijk zijn namiddag-boterham had opgepeuzeld tusschen zijn ongewasschen vingeren, en zijn hoofd wat te slapen had gelegd op zijn arm, langs de muren in de zon, was hij zoover bekomen. Nu sprak hij niet meer. Zoo kende men hem, somber en neergedrukt. En de knapen die met hem werkten, lachten om de verandering, zoodat een stijgende kwaadheid in hem begon te wrokken.

In ’t begin had hij zich neergeslagen gevoeld in de nieuwe omgeving, daar hij telkens dacht aan huis, aan de hut bij den heiderand. Hier moest hij nu die donkere ruimte binnen en er bezig zijn, tot hij doof van ’t geraas en afgetobd van moeiheid, wel over het werk wareneergezonken. Doch hoe vermoeid hij zich gevoelde bij ’t eindigen daarvan, het beurde hem telkens op, den landweg langs te gaan, door de lucht en ’t licht van den avond, samen met den arbeider van Merkelbeek.

“Als je maar eens zoo ver ben dat jenever je smaakt, had deze hem dikwijls gezegd. Zonder dàt gaat het niet!”

Toen hij dien dag van ’t werk kwam, zag hij juist zijn daagschen gezel die naar buiten kwam van zijn arbeid.

“Hoe verging ’t je vandaag?” vroeg hij Willem.

“Puik” antwoordde deze trotsch. “Ik ga meer mee.”

“Flink zoo. Kom maar. Zul je trakteeren dezen keer!”

Willem had geen geld.

De mijnwerker lachte schamper: “En je verdiende loon dan?”

Dat was ’t, wat hij dan nù zou leeren: ieder heeft recht op hetgeen hij zelf verdient. “Doet je vader soms het werk voor jou? Dan moet je ook je loon zelf behouden.”

En een keer viel Willem tegen zijn moeder uit:

“Ik heb mijn eigen geld zelf noodig.”

Zij zette groote oogen op.

“Je kunt ’t me wel afstelen wanneer ik naar huis kom” gaf hij toe. “Maar wie belet me het te verzuipen eer ik terug ben?”....

Alle mijnwerkers-jongens, had hij gehoord, betaalden kostgeld bij hun ouders. Dat was ruim voldoende, hoe gering het dan ook was.

Bij elke gelegenheid begon hij praat te verkoopen, die nooit gehoord was onder hun dak te voren. Toen begon deonrust der moeder te groeien met den dag en de stem des gewetens werd in haar luide, wanneer zij aan de woorden terug dacht van den grijzen herder, die sedert den voet niet meer over hun drempel gezet had.

“Ga eens naar den pastoor, vroeg zijne moeder. Hij wilde zoo graag dat je eens kwam.”

“Daar heb ik niets verloren,” gromde Willem terug, en ging zijn gang.

Wanneer zij opspeelde, lachte hij; en als zijn vader dreigde, kwam er vuur in zijn oogen.

“Dat is een nagel aan mijn doodkist” jammerde zij.

“Vrouw,” troostte Stoffels haar uit de verte,“je hebt het zelve gewild!”....

In ’t begin was Willem verlegen geweest om zijn roetzwarte handen en devuilnis die bij ’t werk ging kleven op zijn gezicht. Hij had het telkens schoon gewasschen eer hij naar huis terug ging, onder de stortkraan in de inrichting. Nu deed hij dat niet meer. Het stond kranig met een zwart gezicht te loopen. In ’t dorp keken hem de kleine kinderen dan angstig na. Iedereen kon nu zien dat hij aan den mijnarbeid was. Mijnwerkersvolk is gevaarlijk volk, had zijn groote makker hem geleerd. Zij zijn als levende duivels; en daarom zijn zij voor den duivel niet bang.

En Willem haalde als altijd zijn wijze woorden gretig in. Zij bedwelmden hem als de jenever die hij hem leerde zwelgen. Willem was fier op zijn vriendschap. Reeds huiverde hij niet meer van een vloek. Dat was mannentaal. Zelf streefde hij er thans naar, een werkelijk man te worden die over alle gezanik heen te stappen weet.

Zwart kwam hij er aan zetten, mompelend binnensmond en waggelgaande langs den weg, met zijn blikken koffieketeltje aan een touw over den rug, de pet scheef over zijn lang sluik haar en groezelig in zijn armoedige plunje,—toen met twee volle emmers aan ’t juk, dat ze over de schouders in den nek droeg, Anna Jansen hem bij de eerste huizen van Merkelbeek ontmoette.

“Anneke” riep hij.

Zij stond stil.

“Anneke,—heb je water gehaald?”

“Wou je je gezicht soms wasschen?” vroeg ze bits.

Haar hart bonsde in haar.

“Liever drinken, als je me laat.”

“Ga je gang,—als je niet sterk genoeg op je beenen staat, om zelf naar den put te gaan.”

“Lief kindje,” zei hij. “Vroeger ben jetoch wel liever geweest. Weet je nog wel, toen ze je plaagden met mij?”

Hij glimlachte beschermend, maar zijn oogen stonden vreemd; zij zagen wild, zooals zij glommen uit zijn roetzwart gezicht.

“Ga nog niet weg,” fleemde hij.

“Ik heb geen tijd om naar je te luisteren.”

“Hou je dan niet meer een klein beetje van me?”

“Wie zou je terug kennen, met dat vuil gezicht?”

“Ja, maar ik ken je nog wel, Anneke; ik herken je overal en ik vergeet je niet, omdat ik stapelgek ben naar je....”

Ze liet hem staan, en zeulend droop hij af.

Bleek kwam Anna thuis en zij zette zich neer op een boomstam die onder den poortboog lag.

Vragend keek haar vader haar aan, toen hij voorbij het venster ging dat op het erf uitzag. Zij wilde opstaan, maar hare armen vielen zwaar in haar schoot terug. “Ik ben zoo moe,” fluisterde ze en sloot de oogen.

“Rust een poosje,” riep Jansen en trok een paar keeren heftiger aan de pijp, die zijn mond nooit verliet. “Het zal van de warmte zijn.”

”’t Is ook zoo heet,” sprak ze ’t haar vader na. En zij leunde met het hoofd achterover tegen den baksteenen muur.

“Anneke heeft ’t te kwaad van de hitte vandaag,” vertelde Jansen zijn vrouw in ’t voorbijgaan.

“Waar is ze dan? vroeg de moeder. Ik zag haar zoo even nog met een mijnwerker staan praten.”

“Met wie?” vroeg Jansen.

“Ik geloof dat het Stoffels-Willem was.”

Jansen bromde wat voor zich heen, misnoegd. Maar zij spraken geen woord verder.

Anna was weer opgestaan en had de dweil ter hand genomen. Eer ’t avond was, had zij de keuken geschrobd en al het werk gedaan als altijd. Doch toen zij ’s avonds was ter rust gegaan, kon zij niet inslapen. Zij lag en dacht en droomde en sliep toch niet. Zij voelde haar hoofd zoo zwaar en warm. Het was alsof er een zee in ruischte, die steeg en viel en steeg. Doch nauwelijks was zij dan eindelijk ingedommeld, of zij hoorde een stem aan haar oor, die klaar en duidelijk zeide: “ik herken je nog wel; ik vergeet je niet; ik ben stapelgek naar je....” Toen zag zij over haar heen zijn zwart gezicht, met de vreemde, wilde gloed-oogen. Zij wilde geluid geven in haar angst, maar kon niets uitbrengen.Dan schrok zij wakker en zag in het schemerdonker rond. Het zweet stond op haar voorhoofd. Zij sloeg de dekens af en stond op. Het was als steeg zij uit een warm bad. En zij ging naar het venster toe, dat openstond op een kier. De sterren fonkelden in het duister buiten. Waar de eene groote ster neer hing, achter den wal der boomen, lag de heide....

VII.Niet voor vele dagen was Hary Gerards sinds naar Brunssum teruggekeerd. Hij had voor zijne akte’s gewerkt, vertelde zijn vader. Maar nu dezen keer zou hij het er eens goed van nemen. Hij kwam voor heel de zomervakantie naar huis.In een der laatste brieven had menhem geschreven, dat de aanbouw van de mijn op de heide reeds een goed stuk gevorderd was. Die gedachte had hem bedroefd. Zoo was het er dan toch van gekomen!Ondanks de vreugde over ’t naderend weerzien, kwam hij toch met bekommerende gedachten naar huis gewandeld.Het koren had, na ’t stuiven van den bloesem, de zware halmen neergebogen en begon te rijpen. Veel stengels waren in golvende bundels geheel omgebogen en reikten met hun aren naar den grond. Anderen hadden hun gebaar verstild in ’t neigen. Géén stond er meer overeind. Er was een gele gloed door ’t groen der forsche spieren opgetrokken, zoodat er een gouden schemer dampte over ’t heele veld in de hette. Daartusschen wemelde het van bloemen, in een overvloed van rood en blauw. De blauwen waren veeldieper, donkerder en rijker van tint dan de zonnige lucht daarboven. Zij droegen hare koppen als kroontjes, fijn gekroezeld en gekarteld en wonderlijk teeder samengesteld. De rooden glansden als vuur tusschen het gele stroo. Ook hadden zij in hare broosheid den vorm van vlammen.“Klaprozen en arengoud, korenbloemen en hemelblauw, murmelde hij in bewondering: welk een gedicht.”Een man die naar stad ging, groette hem in ’t voorbijgaan. Die eenvoudige groet voor den “goeden dag,” het eerste welkom in ’t eigen land, maakte hem gelukkig als een kind. Hier was hij thuis, waar velden rimpelden voor zijn blik, op de breede deining der glooiingen van kim tot kim; hij voelde de breede rythmen die vloeien door het onbewogen veld, hem dragen, hem heffen in een sfeer van rust en vredigheid, waar het eenweelde was te ademen, terwijl er alles lag te glanzen en te stralen in louter geluk.Toen hij Merkelbeek naderde, ebden zijn droomen heen. Hij zag links den hoek om, bij ’t eerste huis. Niemand op straat. Maar hij bleef omzien terwijl hij voort ging. Hij had niet even dan weer voor zich uit gekeken, of een welbekende stem riep:“Hola, meester, zoo gehaast? Ge zijt vroeg op pad!”“Goeden morgen, hoe staat het er mee? Ik heb niet veel tijd.”“Kom wat uitrusten. ’t Is warm genoeg,” meende Jansen.“Ja-maar, ik kom zóó van den trein en ze wachten me. Het wordt nog warmer later op den dag....”Dan stapte hij vlugger door het veld dat tusschen Merkelbeek en Brunssumdeint. Daar hief tusschen het groen der stille popels, de toren van zijn dorpskerk het kleine, leien ronddak als een helm van staal. Die stond er als een grijze hellebardier. En de vreugde lachte van zijn gezicht. Zij steigerde in zijn hart bij elken stap die hem nader bracht. Hij ging door ’t dorp en men groette hem. Hij groette terug met een glimlach naar allen, naar alles. Maar zijn gedachte snelde op de straat vooruit.Daar lag het stille huis in zijnlandelijkenvrede onder het groen. Hij zag het witte gordijntje heffen en weer zinken. Toen snelde hem zijne moeder op den drempel te gemoet.Het was kermis te Merkelbeek. ’s Middags trok de schutterij op. De fanfare van Brunssum was daarbij uitgenoodigd. Spelende kwam zij ’t dorp binnentrekken.In “de Kroon” vergaderden blazers en schutters. Dan zette de stoet zich in beweging.Voorop de muziek; de banier van rood fluweel met goud bestikt, opende de rij; de blazers stapten op de maat van hun marsch, en bliezen hunne roode wangen bol.Nu volgde de tamboer-majoor. Zijn staf, wat langer dan een gewone wandelstok, was onderaan voorzien van een zwaren zilveren knop en om ’t geheel wentelden roode en gele koorden op, die uitliepen in bengelende kwastjes. Met dezen scepter gaf hij de bewegingen aan van den stoet, die in twee rijen volgde. Eerst gingen de pijper en de trommelaar. Zij begeleidden den gang der manschappen met geroffel en gefluit, wanneer de marsch was afgespeeld en de muzikanten rust behoefden.De schutters droegen voor ’t meerendeel wit linnen broeken. De eenvormige petten waren afgezet met groene biesjes en gouden galons. Velen van hen hadden bonte sjerpen, eenigen om ’t middel, anderen over den rechter schouder heen. Deze allen waren gezaghebbenden, officieren en luitenants. Ook droegen zij den blanken sabel; de anderen slechts geweren of ook maar wandelstokken.Dan kwam het vaan dat in plooien uithing van den stok, dien de vaandrig over zijn schouder heen droeg.Nu volgde de koning. Hij torschte een rammelenden last van zilveren platen over rug en borst: de schatten van het gilde, van tijden her bewaard. Op ’t hoofd droeg hij den hoogen zijden hoed, gesierd met een groen takje en een bloemenkrans.De vrouwen lachten waar de schuttersvoorbij trokken. De kinderen liepen in bewondering mee. Maar de schutters zelf vielen niet uit hunne rol. Zij stapten voort in gewichtigen ernst en onverstoorbaar.Bij ’t huis van den burgemeester liep het dorp te samen. Daar werd het vaan “geslagen.” De burgervader stond op den dorpel, en de vaandrig hief het vaandel en salueerde, doch zonder dat de bonte zijde den grond raakte. Dan liet hij in snelle bewegingen den stok draaien in zijn hand en liet dien wentelen om zijn hoofd, zoodat het vaandel golvend volgde in klapperenden zwier. Hij bracht den stokvervolgensop zijn schouder over en liet hem kringen beschrijven om zijn hals heen; hij haalde hem neer tot zijn middel en deed hem om zijn heupen vliegen; hij boog voorover tot bij zijn enkels en liet hem aldoor kringvormigebewegingen maken om zich heen, zoodat het vaandel scheerde langs den grond; hij hurkte neer en liet hem opnieuw den spiraalloop beschrijven naar boven thans, tot hij oprees, den stok nam op zijn vlakke hand en dien zwaaien deed over zijn hoofd. Dan hanteerde hij dien bij telkens tegengestelde bewegingen, zoodat de zijde ruischte met het gewentel van golven in haar plooienzwier. De man stond in de vlam van het waaiend doek als in een bonten brand van kleurig vuur.“Bravo” dankte de burgemeester toen ’t vaan ten slotte andermaal salueerde. En de menschen klapten in de handen; de kinderen riepen luid “hoera.”“Jongens,” sprak de burgervader. “Ik zal een ton bier geven in ‘de Kroon.’ Maar gij weet wel,—fatsoenlijk en netjes! Dat het genoegen blijve en er geenschande neer kome over u en over ons dorp. Vooruit-dan: prettige kermis!”Toen Anna Jansen omzag, keek zij Willem Stoffels in ’t gezicht. Zij wist niet dat hij achter haar gestaan had en hij zag haar aan met lachende voldoening. “Zul je van avond met mij dansen?”“Dat weet ik nog niet,” verstoutte zij zich.“Je komt zeker wel,” zeide hij bewust. “We zullen pret maken.”“Als me geen ander vraagt, misschien—maar misschien ook niet.”“Nee,” zei hij, “ik heb je gevraagd en van avond gaan we samen uit.”De schutterij trok verder en de menschen stuwden rondom voort. Willem was weg. Anna gevoelde dat ze ’t hem niet zoukunnenweigeren. En toch, wat zou er van gepraat worden: “Annavan Jansen aan de kerk,” zij die er goed bij zaten—“met Willem van den bezembinder....”Het feest was “in de wei”, en er was vogelschieten. Altijd werd dezelfde boomgaard daarvoor gebruikt. Een eereboog stond opgericht bij den ingang: twee palen met een dwarshout, omwonden met groene slingers. Een krans hing er midden tusschen, rondom het opschrift: “Welkom.”Van de beide palen woeien nationale vlaggen uit.Groote takken waren verder bij den ingang geplant, waar iemand van ’t bestuur bij een tafeltje zat met centenbakjes, om toegangsbewijzen te verkoopen. Kleine vaantjes wimpelden er nog van beschilderde paaltjes. Stervormig was er geel en rood zand, krijt en blauwsel, in figuren rondom op den grond gestrooid.In den boomgaard waren stoelen en tafels opgesteld van ongeschaafde planken op stevige dennenstammetjes gespijkerd. De vruchtboomen spanden er tenten van levend groen over uit. Broodjes en bier werden aan kramen verkocht. Ook was er een bordje opgeslagen met de woorden: “wijn verkrijgbaar.”De oude lui waren gauw gezeten. Met trage bewegingen en onder veel gegichel namen ook, de een na ’t ander, de besluitelooze jonge meisjes plaats, de jongens aan hunne zijde. Met sabel en instrument liep ’t manvolk rond. Er moest vooral eerst geschonken en gedronken worden. Sommigen lagen er met glazen en flesschen in ’t gras, grappen makend en in ’t honderd schreeuwend naar ieder die voorbij ging. Al het jong gedoe was lawaaierig en druk, tot uitgelatenheid toe. Geen minnend paar bleef er ernstig.De oudjes genoten de jonge vreugde in hunne stille teruggetrokkenheid. Overal stegen de schelle kreten, de schorre stemmen, de uitbarstingen van gierend gelach. Zoo knetterde de kermisblijheid in spattende vonken uit. Het was een rumoerig gewriemel van al maar feestende menschen door elkaar, àl joelend om ’t hardst. Alleen de groene boomen stonden als verstomd in al die drukte. Geen vogel die geluid sloeg in hunne twijgen.Al gauw was ’t van mond tot mond gegaan, om de tafels heen, waar bierflesschen rinkelend werden neergezet:“Het mijnwerkersvolk drinkt wijn!”Dat was wat nieuws in de feestwei te Merkelbeek.De kastelein wist wel, aan welke klanten hij de waar zou kwijt raken. Er waren er een heel aantal reeds van’t dorp, die naar Heerlen en naar andere mijnen togen; en die van Brunssum waren er vandaag, daar ’t kermis was en de fanfare er speelde.Al dat volkje zat zoo wat afgezonderd in ’t begin. Zij hérrieden het meest. Ook was er Willem Stoffels onder.“Die kon ook wel beter doen,” merkte een oude boer op.“Hoe oud is die wel?” vroeg een ander.“Ik geloof niet, dat hij al geloot heeft....”De oudjes schudden bedenkelijk ’t hoofd.Anna had even opgezien. Nu zat zij weer in gedachten voor zich heen te staren. Maar Betje Bouts die bij haar zat, had al lang gemerkt dat er iets aan ’t handje was.Toen werd er een signaal geblazen.De schutters gingen naar het stuk grond achter de wei, waar geen boomen stonden en de vogelstang was opgericht. Je zag den koning met zijn rammelende sier omhangen, nog gauw even zijn pint leeg halen met een lange teug en dan op een drafje weghollen, het zilver rinkelend terwijl hij liep. De meesten onder de mannen togen mee. Het was het groote oogenblik. Het vogelschieten begon.Defanfarebeklom het verhoog dat op tonnen was bevestigd, met latten en groene twijgen omgeven, en gedekt door ’t levend loover van een appel- en een peereboom. De muziek hield er de feestelijke stemming levendig onderwijl.“Zullen we samen wat door de wei gaan?”Anna was hoog rood geworden, toen Willem Stoffels naast haar was komenstaan. Zij had geen woord te zeggen.“Kom An’,” zei Betje Bouts, “we gaan samen.”En zij liet Anna in ’t midden gaan, met Willem dicht aan Anna’s zijde.Betje stuwde ’t gesprek. Eerst wilde ’t wel niet wielen. Maar zij wist het te drijven. Doch zij greep de eerste gelegenheid aan, om een jongen kerel vast te klampen, dien ze volgde naar het schietterrein. “Kom mee” wenkte ze nog even bij ’t weggaan met hem. Maar Willem voerde Anna naar den anderen kant.“Anna,” zei hij, “ben je boos op mij?”“Ik? Waarom? Zeker omdat ik met je loop?”“Nee, maar ik dacht soms.... ik was bang dat je niet meer van me houden zou.”“Daar heb ik nooit wat van gezeid tegen je. Maak nu geen onzin!”“Ik wilde dat je ’t me zei. Het is geen onzin.”“Ben je al niet nuchter meer meer?”“Anna, ik weet wat je zeggen wil Verwijt me niets. En heb ’k me soms gedragen als een slecht mensch,—het kan immers wel beteren. Als jij het hebben wil; als jij dat van me vraagt.”“Dat moet je nou maar voor je zelf weten. Als je weet dat je misloopt, hoe kun je dan in Gods naam zoo blijven voortgaan?”“Alleen om jou wil ik het doen, Anna.”“Loop heen,” trachtte ze te schertsen.“Nee,” zei hij met diepere stem. “Ik zal nooit van je weggaan. Zelfs als je dàt willen zou, als je dat willen kon, zou ik het niet doen. Daarvoor hou ik té veel van je, Anna....”“Laat me los, riep ze. Ik wil terug.”“Luister, drong hij, Anna, hoor!”“Laat me gerust,” smeekte ze.“Jijkuntvoor me doen, wat geen pastoor meer kan.”Beiden zwegen plotseling.“Is je dat gemeend?” bracht zij uit in hare ontroering.“Ik ben een verloren mensch, en ik raak nog verder van wal, als jij niet wil.... Jij alleen kunt weer wat van me maken; als ik je zeg....”“Ik wil niets weten. Vertel dat anderen als je wil; maar mij niet!”“Als ik vrij loot, ging hij verder, dan verdien ik na een jaar of twee het dubbele van nu. Jij heb immers goed wat thuis, al breng ik dan ook zooveel niet mee.”“Ik wist niet dat je spaarde,” wierp ze er verwonderd tusschen. “Sinds wanneer?”“Ik zal nooit een ander dan jou trouwen,” verzekerde hij hartstochtelijk.“Laat me los. Ik wil.—Hoeveel anderen heb je dat al verteld?”“Daar is geen ander voor mij, dan jij, Anna....”“We zijn nog te jong om daar al over te praten. Nu is ’t genoeg geweest!”Hij ging voort met spreken, maar zij hoorde hem niet meer. Zij zag de tafel weer, waar ze met hare vriendinnen had gezeten. Aller oogen hadden haar gevolgd van daar. Zij keerde er terug. Willem kon ’t haar niet langer beletten. Hij volgde.“Mag ’k hier blijven zitten?” vroeg hij, zich naast Anna neerzettend. “Ik trakteer” zeide hij in haar oor.De goed gezeten boerendochters vonden hem wel brutaal. Doch zij moesten weldratoegeven dat hij onderhoudend was. Toen begon de lach-pret.Alleen Anna zat er stil en afgetrokken.

Niet voor vele dagen was Hary Gerards sinds naar Brunssum teruggekeerd. Hij had voor zijne akte’s gewerkt, vertelde zijn vader. Maar nu dezen keer zou hij het er eens goed van nemen. Hij kwam voor heel de zomervakantie naar huis.

In een der laatste brieven had menhem geschreven, dat de aanbouw van de mijn op de heide reeds een goed stuk gevorderd was. Die gedachte had hem bedroefd. Zoo was het er dan toch van gekomen!

Ondanks de vreugde over ’t naderend weerzien, kwam hij toch met bekommerende gedachten naar huis gewandeld.

Het koren had, na ’t stuiven van den bloesem, de zware halmen neergebogen en begon te rijpen. Veel stengels waren in golvende bundels geheel omgebogen en reikten met hun aren naar den grond. Anderen hadden hun gebaar verstild in ’t neigen. Géén stond er meer overeind. Er was een gele gloed door ’t groen der forsche spieren opgetrokken, zoodat er een gouden schemer dampte over ’t heele veld in de hette. Daartusschen wemelde het van bloemen, in een overvloed van rood en blauw. De blauwen waren veeldieper, donkerder en rijker van tint dan de zonnige lucht daarboven. Zij droegen hare koppen als kroontjes, fijn gekroezeld en gekarteld en wonderlijk teeder samengesteld. De rooden glansden als vuur tusschen het gele stroo. Ook hadden zij in hare broosheid den vorm van vlammen.

“Klaprozen en arengoud, korenbloemen en hemelblauw, murmelde hij in bewondering: welk een gedicht.”

Een man die naar stad ging, groette hem in ’t voorbijgaan. Die eenvoudige groet voor den “goeden dag,” het eerste welkom in ’t eigen land, maakte hem gelukkig als een kind. Hier was hij thuis, waar velden rimpelden voor zijn blik, op de breede deining der glooiingen van kim tot kim; hij voelde de breede rythmen die vloeien door het onbewogen veld, hem dragen, hem heffen in een sfeer van rust en vredigheid, waar het eenweelde was te ademen, terwijl er alles lag te glanzen en te stralen in louter geluk.

Toen hij Merkelbeek naderde, ebden zijn droomen heen. Hij zag links den hoek om, bij ’t eerste huis. Niemand op straat. Maar hij bleef omzien terwijl hij voort ging. Hij had niet even dan weer voor zich uit gekeken, of een welbekende stem riep:

“Hola, meester, zoo gehaast? Ge zijt vroeg op pad!”

“Goeden morgen, hoe staat het er mee? Ik heb niet veel tijd.”

“Kom wat uitrusten. ’t Is warm genoeg,” meende Jansen.

“Ja-maar, ik kom zóó van den trein en ze wachten me. Het wordt nog warmer later op den dag....”

Dan stapte hij vlugger door het veld dat tusschen Merkelbeek en Brunssumdeint. Daar hief tusschen het groen der stille popels, de toren van zijn dorpskerk het kleine, leien ronddak als een helm van staal. Die stond er als een grijze hellebardier. En de vreugde lachte van zijn gezicht. Zij steigerde in zijn hart bij elken stap die hem nader bracht. Hij ging door ’t dorp en men groette hem. Hij groette terug met een glimlach naar allen, naar alles. Maar zijn gedachte snelde op de straat vooruit.

Daar lag het stille huis in zijnlandelijkenvrede onder het groen. Hij zag het witte gordijntje heffen en weer zinken. Toen snelde hem zijne moeder op den drempel te gemoet.

Het was kermis te Merkelbeek. ’s Middags trok de schutterij op. De fanfare van Brunssum was daarbij uitgenoodigd. Spelende kwam zij ’t dorp binnentrekken.In “de Kroon” vergaderden blazers en schutters. Dan zette de stoet zich in beweging.

Voorop de muziek; de banier van rood fluweel met goud bestikt, opende de rij; de blazers stapten op de maat van hun marsch, en bliezen hunne roode wangen bol.

Nu volgde de tamboer-majoor. Zijn staf, wat langer dan een gewone wandelstok, was onderaan voorzien van een zwaren zilveren knop en om ’t geheel wentelden roode en gele koorden op, die uitliepen in bengelende kwastjes. Met dezen scepter gaf hij de bewegingen aan van den stoet, die in twee rijen volgde. Eerst gingen de pijper en de trommelaar. Zij begeleidden den gang der manschappen met geroffel en gefluit, wanneer de marsch was afgespeeld en de muzikanten rust behoefden.

De schutters droegen voor ’t meerendeel wit linnen broeken. De eenvormige petten waren afgezet met groene biesjes en gouden galons. Velen van hen hadden bonte sjerpen, eenigen om ’t middel, anderen over den rechter schouder heen. Deze allen waren gezaghebbenden, officieren en luitenants. Ook droegen zij den blanken sabel; de anderen slechts geweren of ook maar wandelstokken.

Dan kwam het vaan dat in plooien uithing van den stok, dien de vaandrig over zijn schouder heen droeg.

Nu volgde de koning. Hij torschte een rammelenden last van zilveren platen over rug en borst: de schatten van het gilde, van tijden her bewaard. Op ’t hoofd droeg hij den hoogen zijden hoed, gesierd met een groen takje en een bloemenkrans.

De vrouwen lachten waar de schuttersvoorbij trokken. De kinderen liepen in bewondering mee. Maar de schutters zelf vielen niet uit hunne rol. Zij stapten voort in gewichtigen ernst en onverstoorbaar.

Bij ’t huis van den burgemeester liep het dorp te samen. Daar werd het vaan “geslagen.” De burgervader stond op den dorpel, en de vaandrig hief het vaandel en salueerde, doch zonder dat de bonte zijde den grond raakte. Dan liet hij in snelle bewegingen den stok draaien in zijn hand en liet dien wentelen om zijn hoofd, zoodat het vaandel golvend volgde in klapperenden zwier. Hij bracht den stokvervolgensop zijn schouder over en liet hem kringen beschrijven om zijn hals heen; hij haalde hem neer tot zijn middel en deed hem om zijn heupen vliegen; hij boog voorover tot bij zijn enkels en liet hem aldoor kringvormigebewegingen maken om zich heen, zoodat het vaandel scheerde langs den grond; hij hurkte neer en liet hem opnieuw den spiraalloop beschrijven naar boven thans, tot hij oprees, den stok nam op zijn vlakke hand en dien zwaaien deed over zijn hoofd. Dan hanteerde hij dien bij telkens tegengestelde bewegingen, zoodat de zijde ruischte met het gewentel van golven in haar plooienzwier. De man stond in de vlam van het waaiend doek als in een bonten brand van kleurig vuur.

“Bravo” dankte de burgemeester toen ’t vaan ten slotte andermaal salueerde. En de menschen klapten in de handen; de kinderen riepen luid “hoera.”

“Jongens,” sprak de burgervader. “Ik zal een ton bier geven in ‘de Kroon.’ Maar gij weet wel,—fatsoenlijk en netjes! Dat het genoegen blijve en er geenschande neer kome over u en over ons dorp. Vooruit-dan: prettige kermis!”

Toen Anna Jansen omzag, keek zij Willem Stoffels in ’t gezicht. Zij wist niet dat hij achter haar gestaan had en hij zag haar aan met lachende voldoening. “Zul je van avond met mij dansen?”

“Dat weet ik nog niet,” verstoutte zij zich.

“Je komt zeker wel,” zeide hij bewust. “We zullen pret maken.”

“Als me geen ander vraagt, misschien—maar misschien ook niet.”

“Nee,” zei hij, “ik heb je gevraagd en van avond gaan we samen uit.”

De schutterij trok verder en de menschen stuwden rondom voort. Willem was weg. Anna gevoelde dat ze ’t hem niet zoukunnenweigeren. En toch, wat zou er van gepraat worden: “Annavan Jansen aan de kerk,” zij die er goed bij zaten—“met Willem van den bezembinder....”

Het feest was “in de wei”, en er was vogelschieten. Altijd werd dezelfde boomgaard daarvoor gebruikt. Een eereboog stond opgericht bij den ingang: twee palen met een dwarshout, omwonden met groene slingers. Een krans hing er midden tusschen, rondom het opschrift: “Welkom.”

Van de beide palen woeien nationale vlaggen uit.

Groote takken waren verder bij den ingang geplant, waar iemand van ’t bestuur bij een tafeltje zat met centenbakjes, om toegangsbewijzen te verkoopen. Kleine vaantjes wimpelden er nog van beschilderde paaltjes. Stervormig was er geel en rood zand, krijt en blauwsel, in figuren rondom op den grond gestrooid.

In den boomgaard waren stoelen en tafels opgesteld van ongeschaafde planken op stevige dennenstammetjes gespijkerd. De vruchtboomen spanden er tenten van levend groen over uit. Broodjes en bier werden aan kramen verkocht. Ook was er een bordje opgeslagen met de woorden: “wijn verkrijgbaar.”

De oude lui waren gauw gezeten. Met trage bewegingen en onder veel gegichel namen ook, de een na ’t ander, de besluitelooze jonge meisjes plaats, de jongens aan hunne zijde. Met sabel en instrument liep ’t manvolk rond. Er moest vooral eerst geschonken en gedronken worden. Sommigen lagen er met glazen en flesschen in ’t gras, grappen makend en in ’t honderd schreeuwend naar ieder die voorbij ging. Al het jong gedoe was lawaaierig en druk, tot uitgelatenheid toe. Geen minnend paar bleef er ernstig.De oudjes genoten de jonge vreugde in hunne stille teruggetrokkenheid. Overal stegen de schelle kreten, de schorre stemmen, de uitbarstingen van gierend gelach. Zoo knetterde de kermisblijheid in spattende vonken uit. Het was een rumoerig gewriemel van al maar feestende menschen door elkaar, àl joelend om ’t hardst. Alleen de groene boomen stonden als verstomd in al die drukte. Geen vogel die geluid sloeg in hunne twijgen.

Al gauw was ’t van mond tot mond gegaan, om de tafels heen, waar bierflesschen rinkelend werden neergezet:

“Het mijnwerkersvolk drinkt wijn!”

Dat was wat nieuws in de feestwei te Merkelbeek.

De kastelein wist wel, aan welke klanten hij de waar zou kwijt raken. Er waren er een heel aantal reeds van’t dorp, die naar Heerlen en naar andere mijnen togen; en die van Brunssum waren er vandaag, daar ’t kermis was en de fanfare er speelde.

Al dat volkje zat zoo wat afgezonderd in ’t begin. Zij hérrieden het meest. Ook was er Willem Stoffels onder.

“Die kon ook wel beter doen,” merkte een oude boer op.

“Hoe oud is die wel?” vroeg een ander.

“Ik geloof niet, dat hij al geloot heeft....”

De oudjes schudden bedenkelijk ’t hoofd.

Anna had even opgezien. Nu zat zij weer in gedachten voor zich heen te staren. Maar Betje Bouts die bij haar zat, had al lang gemerkt dat er iets aan ’t handje was.

Toen werd er een signaal geblazen.De schutters gingen naar het stuk grond achter de wei, waar geen boomen stonden en de vogelstang was opgericht. Je zag den koning met zijn rammelende sier omhangen, nog gauw even zijn pint leeg halen met een lange teug en dan op een drafje weghollen, het zilver rinkelend terwijl hij liep. De meesten onder de mannen togen mee. Het was het groote oogenblik. Het vogelschieten begon.

Defanfarebeklom het verhoog dat op tonnen was bevestigd, met latten en groene twijgen omgeven, en gedekt door ’t levend loover van een appel- en een peereboom. De muziek hield er de feestelijke stemming levendig onderwijl.

“Zullen we samen wat door de wei gaan?”

Anna was hoog rood geworden, toen Willem Stoffels naast haar was komenstaan. Zij had geen woord te zeggen.

“Kom An’,” zei Betje Bouts, “we gaan samen.”

En zij liet Anna in ’t midden gaan, met Willem dicht aan Anna’s zijde.

Betje stuwde ’t gesprek. Eerst wilde ’t wel niet wielen. Maar zij wist het te drijven. Doch zij greep de eerste gelegenheid aan, om een jongen kerel vast te klampen, dien ze volgde naar het schietterrein. “Kom mee” wenkte ze nog even bij ’t weggaan met hem. Maar Willem voerde Anna naar den anderen kant.

“Anna,” zei hij, “ben je boos op mij?”

“Ik? Waarom? Zeker omdat ik met je loop?”

“Nee, maar ik dacht soms.... ik was bang dat je niet meer van me houden zou.”

“Daar heb ik nooit wat van gezeid tegen je. Maak nu geen onzin!”

“Ik wilde dat je ’t me zei. Het is geen onzin.”

“Ben je al niet nuchter meer meer?”

“Anna, ik weet wat je zeggen wil Verwijt me niets. En heb ’k me soms gedragen als een slecht mensch,—het kan immers wel beteren. Als jij het hebben wil; als jij dat van me vraagt.”

“Dat moet je nou maar voor je zelf weten. Als je weet dat je misloopt, hoe kun je dan in Gods naam zoo blijven voortgaan?”

“Alleen om jou wil ik het doen, Anna.”

“Loop heen,” trachtte ze te schertsen.

“Nee,” zei hij met diepere stem. “Ik zal nooit van je weggaan. Zelfs als je dàt willen zou, als je dat willen kon, zou ik het niet doen. Daarvoor hou ik té veel van je, Anna....”

“Laat me los, riep ze. Ik wil terug.”

“Luister, drong hij, Anna, hoor!”

“Laat me gerust,” smeekte ze.

“Jijkuntvoor me doen, wat geen pastoor meer kan.”

Beiden zwegen plotseling.

“Is je dat gemeend?” bracht zij uit in hare ontroering.

“Ik ben een verloren mensch, en ik raak nog verder van wal, als jij niet wil.... Jij alleen kunt weer wat van me maken; als ik je zeg....”

“Ik wil niets weten. Vertel dat anderen als je wil; maar mij niet!”

“Als ik vrij loot, ging hij verder, dan verdien ik na een jaar of twee het dubbele van nu. Jij heb immers goed wat thuis, al breng ik dan ook zooveel niet mee.”

“Ik wist niet dat je spaarde,” wierp ze er verwonderd tusschen. “Sinds wanneer?”

“Ik zal nooit een ander dan jou trouwen,” verzekerde hij hartstochtelijk.

“Laat me los. Ik wil.—Hoeveel anderen heb je dat al verteld?”

“Daar is geen ander voor mij, dan jij, Anna....”

“We zijn nog te jong om daar al over te praten. Nu is ’t genoeg geweest!”

Hij ging voort met spreken, maar zij hoorde hem niet meer. Zij zag de tafel weer, waar ze met hare vriendinnen had gezeten. Aller oogen hadden haar gevolgd van daar. Zij keerde er terug. Willem kon ’t haar niet langer beletten. Hij volgde.

“Mag ’k hier blijven zitten?” vroeg hij, zich naast Anna neerzettend. “Ik trakteer” zeide hij in haar oor.

De goed gezeten boerendochters vonden hem wel brutaal. Doch zij moesten weldratoegeven dat hij onderhoudend was. Toen begon de lach-pret.

Alleen Anna zat er stil en afgetrokken.

VIII.“De kinderen zijn naar de feestwei,” zei vader Jansen tot Hary Gerards, de eenige die er dien middag in de herberg kwam. “Zij zijn met de meisjes van de straat hier meegegaan.”“Anna denkt nog niet aan trouwen?” vroeg hij.“Trouwen!” had Jansen gezegd met verwondering. “Mijn vrouw was dertig jaar toen ze trouwde en de meisjes moeten maar net zóó doen. Daar is nog nooit iemand bij te laat gekomen, weet je wel!”Er was een onverklaarbare weemoedover Hary heen geweest, geheel dien dag. Hij stapte op en ging ’t veld in. De muziek drong tot zijn ooren door in de stilte van den zomerschen namiddag. Dat plaagde zijn geest. Hij kon geen kermis uitstaan. Waarom was hij ook dien dag naar Merkelbeek gekomen? Hij was den stroom gevolgd.“Vreemd toch, de mensch....” dacht hij bij zich zelven.De wolken lagen om de kim als vastgemeerd in veilige haven. Nu was de muziek uit de feestwei weer verstomd. De leeuwerik wiekte omhoog in ’t gewervel van zijn vlerkjes en van zijn geluid. Hary volgde zijn stijgen langs de trappen zijner stijgende verrukking. Toen werd het zingend vogeltje onzichtbaar tegen ’t schelle uitspansel in ’t licht, dat de starende oogen doet knippen in verblinding. Het was als ’t borreleneener onzichtbare bron van jubel; als parelen waterbellen bobbelden de klanken op en dreven door de stilte.“Waarom kan ’k mij niet blij gevoelen?” vroeg hij zich af.Dan zweeg het lied, en hij zag den vogel zinken,—een zwarte stip langs het blauw,—als een verschietende ster.Hij gevoelde een onrustige gejaagdheid. Wat wilde hij dan? Hij wist het niet. Maar hij wandelde verder.Hij begon met klimmende belangstelling te letten op alles wat hij rondom zag. Hoe schoon was ’t veld dien dag. Daar midden in, tusschen de akkers, stonden boomen saamgeschoold tot een groep, als een groen eiland in de zee van ’t drijvend koren. Een merel begon er te fluiten.Tegen de helling van een der velden zette Hary zich neer in het hooge gras.Hij zag de bloemen om zich heen en luisterde. Zoo begon hij zich zelven te vergeten. Hij tastte in zijn zakken en begon een potloodje zenuwachtig tusschen zijne vingers te wentelen. Er kwam een boekje voor den dag en hij begon woorden neer te peuteren. Niemand die voorbij kwam en hem stoorde in zijn doen. Stil zat hij er, en dacht en schreef:O Limburg mijn geliefde land,Met zooveel bloeiend schoon beplantVan bloemen en van boomen,Van velden die, vol gelend graanAls golven gouds aan ’t wiegen slaan,Wanneer de winden komen,Ik min uw schoon, wanneer verblijdDe leeuwerk met zijn jeugd-jolijtEn liedren, streeft ter zonne;De leeuwerk die, hoe wijd hij wijkt,Verlangend aldoor nederstrijktEn geeft zich u gewonnen;—Wanneer ter blijde middagstondDe merel, die in ’t wit verzwondVan bloesemzware twijgen,Der lente serenade zingtEn ’t al tot stil gemijmer dwingt,Waarbij de vogels zwijgen;—Ik min u, als de nachtegaalVan minneweelde zoet verhaalIn klanken zet en zangen,En de avond met een wâ van dauwEn droom en donker zilvergrauwDe landen houdt omvangen....O Limburg, mijn geboortegrond,Voor alles op dit wijde rondVan schoone wereldrijken,Blijft mij uw lieve schoonheid waard,Mijn onbesnoeide, groene gaard;Waar vind ik uws gelijke?O Limburg, want geen enkle vreugd,—Wat vreugden ook mijn harte heugt—Kan immer vreemd u heeten,Schoon land waar ik geboren ben,Voor mij, die uw bekoren kenEn nimmer zal vergeten.Nu glimlachte hij. Het rythme van zijn eigen woorden had hem zelven meegesleept. Hij stond op. Hij had een gevoel alsof hij zegenend zijn handen moest uitstrekken over het rijke landschap, over het groen en het rijpend veld, over den ouden weg met de ingesneden karresporen.Dan kwam er iemand en de beiden groetten elkander. Maar om niet mee te moeten gaan met den man die naar het dorp ging, wandelde hij steeds dieper het veld in. Toen de zon zonk in het avondlijke paars der zacht bedonsde lucht, poosde hij nog tot de kleuren geheel gedoofd waren en de avond viel. Eerst dan gedacht hij, hoe ver hij nu van huis was. Hij keerde terug. Weer klonk hem de muziek te gemoet bij ’t naderen van het verre dorp. Hij voelde het pijnlijk aan, en opnieuw kwam deneerslachtigheid van vroeger over hem. Droeg hij het droevig misschien, alléén te zijn terwijl de feestmarsch vroolijk klonk voor gelukkige paren?Dan verdween hij in de dorpsstraat.Anna was zwijgend geweest heel den feestelijken namiddag. In het zelfbewustzijn dat zijn omgang met mijnvolk en zijn plaats in hunne reien hem gegeven had, praatte Willem tegen al de meisjes aan de planken tafel, en tegen iedereen onder ’t bereik zijner stem. Hij schertste er geducht op los en was uitgelaten vroolijk. En de drank steigerde zijn vroolijkheid tot overmoed.Luisterde Anna naar wat hij zeide?Zij hoorde ’t als uit een vage verte, maar zij hoorde het toch duidelijk, als ’t geluid eener stem in droomen. Doch zij verstond maar half.“Mijn God, zuchtte ze, wat is er over me gekomen? Ik ben ziek.”Plotseling zag zij dan Willem weer, als de kleine jongen die hij was, dien dag op de heide, toen hare moeder haar had meegenomen. Zij zag hem liggen in ’t kruid; zij zag zich zelve—klein Anneke van toen—met den blonden knaap door ’t heidegewas stappen. “Allemaal van ons” had hij gezeid. Zij had den achtergrond der hut van den bezembinder nooit duidelijk gezien, wanneer zij aan den knaap gedacht had; of was hij juist dáárom als een verborgen prinsje voor haar geweest, die een sprookje gemaakt heeft van zijn leven?Kroon nog scepter had zij er gezien; maar zij kende thans reeds de macht van zijn staalblauw oog met den koelen blik, en zij wist de vastberadenheiddie als een stempel stond op zijn gelaat.En zij was niet bang geweest voor den Heksenberg. In hare verbeelding was hij er de kleine gebieder van geworden....Toen daar boven, plotseling, de donkere stem van den vader, als een schaduw over den zonnigen droom. Zóó was ’t geluk van dien mooien dag aan scherven gevlogen....Willem schaterde ’t uit met de meisjes, en Anna schrok op uit haar gepeins. Zij streek met de hand over haar voorhoofd.Met een mijnwerker bij vader Jansen komen aanzetten! Van den bezembinder uit de hei!.... Ja maar, onderbrak zij zich zelve, daar is immers ook geen sprake van....Toen die Pinksterdag, de gillendemeisjes, het gegichel en “dat de pastoor het maar eens weten moest!” Zij had dat nooit vergeten. En zij zag Betje Bouts, éen der vijandigen van toen, die met haar jongen terug kwam van het schietterrein om bij hen plaats te nemen.“Drink eens, Anna,” noodde Willem. “Het zal je geen kwaad doen.”Weer verviel ze in gedachten.Die keer toen ze hem gezien had over het hek van den boomgaard, waar hij dien appel voor haar geplukt had—“omdat jij hetbent”..... Dan was Hary van den meester hen er komen storen.Zou Hary Gerards niet hier zijn, dacht ze op eens en begon rond te zien.“Waar zoek je naar?” vroeg Willem.“Is Hary van den meester van Brunssum er niet vandaag?” vroeg ze Betje.“Wat zou dat?” zei Willem geërgerd.“Nou” sarde ze een beetje en trok hare lip op—“wat dat zou?”....Hij zag haar aan. Zij was bleek. Dan nam hij zijn glas op, dronk het leeg en begon opnieuw te praten in ’t gezelschap.Anna zat dof voor zich heen te staren. Was ik maar liever thuis gebleven, dacht ze.Een groot hoera-geroep ging op uit de mannen op het schietveld. De vogel was er af, en de schutters hadden een nieuwen koning. Alles vloog overeind en stormde den boomgaard uit, naar het schietterrein. Wie was het?Willem sloeg den arm om Anna heen en fluisterde met heete stem in haar oor: “ik hou van je, An.” Zij voelde zijn wang over haar schouder strijken en maakte zich los met een ruk. Zij voelde een koortsachtige hitte in haarhoofd stijgen, en hield zich alsof zij boos was.De lampen brandden, verduisterd door den tabakswalm die in de kleine herbergskamer hing. De paren sprongen er op de melodie van een trekharmonika. De jongens dansten met de sigaar in den mond en de strooien hoeden, de petten op ’t hoofd, zwijgend met de meisjes die zwegen, ook soms twee aan twee met elkaar, bij gebrek aan beter. Zij zweetten in de hitte van ’t vertrek onder de lampen, waarbij hunne roode gezichten glommen.Anna had gedanst met Willem. Zij was moe en warm. Hij was reeds dronken en dronk nog altijd meer.“Schei uit,” zei ze, “je hebt reeds meer dan genoeg.”“Wat kun je toch maar kwaad worden, Anneke!”“Het is een schande. Kun je mij niet respekteeren? Ik wil naar huis. Morgen praat het heele dorp van me.”Maar hij weerhield haar. Hij drong al zeurend aan, tot ze toegaf aan zijn biddend gezanik “dat ze toch nog niet zou.....”Doch toen hij opnieuw om drank vroeg, wilde ze met alle geweld.“Dan zal ik met je mee gaan.”“Doch niet tot bij ons aan huis!”“Even maar de straat over, hier.”Het was donker buiten. Weer begon hij vleierig: “Anna, mijn liefste Anneke....”“Kon je je maar wat fatsoenlijker gedragen,” antwoordde ze bits.“Ik wil alles doen wat je wil, als je maar houdt van me....”“Laat me los, riep ze. Raak me niet. Ik wil naar huis.”Hij wou met haar een zijweg in, tusschen de heggen.“Tot afscheid” vroeg hij deemoedig.Maar zij sprong vlak voor hem weg.Toen sloeg hij bei zijn armen om haar heen, en wilde haar terug dringen met geweld. “Ik wil een zoen van je.”“Hulp” gilde zij in haar schrik.“Wat is er gaande?”, klonk een mannestem dicht bij hen uit den nacht.“Laat me los” steunde Anna voort.De man in ’t donker greep Willem bij den schouder en slingerde hem weg, zoodat hij tuimelde. Eenige kerels schoten uit de herberg toe en omringden hem. Woedend wilde hij den aanvaller achterna; maar de boeren die wisten dat hij dronken was, hielden hem terug en sleepten hem de herberg binnen.En Hary Gerards bracht Anna zwijgend naar huis.

“De kinderen zijn naar de feestwei,” zei vader Jansen tot Hary Gerards, de eenige die er dien middag in de herberg kwam. “Zij zijn met de meisjes van de straat hier meegegaan.”

“Anna denkt nog niet aan trouwen?” vroeg hij.

“Trouwen!” had Jansen gezegd met verwondering. “Mijn vrouw was dertig jaar toen ze trouwde en de meisjes moeten maar net zóó doen. Daar is nog nooit iemand bij te laat gekomen, weet je wel!”

Er was een onverklaarbare weemoedover Hary heen geweest, geheel dien dag. Hij stapte op en ging ’t veld in. De muziek drong tot zijn ooren door in de stilte van den zomerschen namiddag. Dat plaagde zijn geest. Hij kon geen kermis uitstaan. Waarom was hij ook dien dag naar Merkelbeek gekomen? Hij was den stroom gevolgd.

“Vreemd toch, de mensch....” dacht hij bij zich zelven.

De wolken lagen om de kim als vastgemeerd in veilige haven. Nu was de muziek uit de feestwei weer verstomd. De leeuwerik wiekte omhoog in ’t gewervel van zijn vlerkjes en van zijn geluid. Hary volgde zijn stijgen langs de trappen zijner stijgende verrukking. Toen werd het zingend vogeltje onzichtbaar tegen ’t schelle uitspansel in ’t licht, dat de starende oogen doet knippen in verblinding. Het was als ’t borreleneener onzichtbare bron van jubel; als parelen waterbellen bobbelden de klanken op en dreven door de stilte.

“Waarom kan ’k mij niet blij gevoelen?” vroeg hij zich af.

Dan zweeg het lied, en hij zag den vogel zinken,—een zwarte stip langs het blauw,—als een verschietende ster.

Hij gevoelde een onrustige gejaagdheid. Wat wilde hij dan? Hij wist het niet. Maar hij wandelde verder.

Hij begon met klimmende belangstelling te letten op alles wat hij rondom zag. Hoe schoon was ’t veld dien dag. Daar midden in, tusschen de akkers, stonden boomen saamgeschoold tot een groep, als een groen eiland in de zee van ’t drijvend koren. Een merel begon er te fluiten.

Tegen de helling van een der velden zette Hary zich neer in het hooge gras.Hij zag de bloemen om zich heen en luisterde. Zoo begon hij zich zelven te vergeten. Hij tastte in zijn zakken en begon een potloodje zenuwachtig tusschen zijne vingers te wentelen. Er kwam een boekje voor den dag en hij begon woorden neer te peuteren. Niemand die voorbij kwam en hem stoorde in zijn doen. Stil zat hij er, en dacht en schreef:

O Limburg mijn geliefde land,Met zooveel bloeiend schoon beplantVan bloemen en van boomen,Van velden die, vol gelend graanAls golven gouds aan ’t wiegen slaan,Wanneer de winden komen,

O Limburg mijn geliefde land,

Met zooveel bloeiend schoon beplant

Van bloemen en van boomen,

Van velden die, vol gelend graan

Als golven gouds aan ’t wiegen slaan,

Wanneer de winden komen,

Ik min uw schoon, wanneer verblijdDe leeuwerk met zijn jeugd-jolijtEn liedren, streeft ter zonne;De leeuwerk die, hoe wijd hij wijkt,Verlangend aldoor nederstrijktEn geeft zich u gewonnen;—

Ik min uw schoon, wanneer verblijd

De leeuwerk met zijn jeugd-jolijt

En liedren, streeft ter zonne;

De leeuwerk die, hoe wijd hij wijkt,

Verlangend aldoor nederstrijkt

En geeft zich u gewonnen;—

Wanneer ter blijde middagstondDe merel, die in ’t wit verzwondVan bloesemzware twijgen,Der lente serenade zingtEn ’t al tot stil gemijmer dwingt,Waarbij de vogels zwijgen;—

Wanneer ter blijde middagstond

De merel, die in ’t wit verzwond

Van bloesemzware twijgen,

Der lente serenade zingt

En ’t al tot stil gemijmer dwingt,

Waarbij de vogels zwijgen;—

Ik min u, als de nachtegaalVan minneweelde zoet verhaalIn klanken zet en zangen,En de avond met een wâ van dauwEn droom en donker zilvergrauwDe landen houdt omvangen....

Ik min u, als de nachtegaal

Van minneweelde zoet verhaal

In klanken zet en zangen,

En de avond met een wâ van dauw

En droom en donker zilvergrauw

De landen houdt omvangen....

O Limburg, mijn geboortegrond,Voor alles op dit wijde rondVan schoone wereldrijken,Blijft mij uw lieve schoonheid waard,Mijn onbesnoeide, groene gaard;Waar vind ik uws gelijke?

O Limburg, mijn geboortegrond,

Voor alles op dit wijde rond

Van schoone wereldrijken,

Blijft mij uw lieve schoonheid waard,

Mijn onbesnoeide, groene gaard;

Waar vind ik uws gelijke?

O Limburg, want geen enkle vreugd,—Wat vreugden ook mijn harte heugt—Kan immer vreemd u heeten,Schoon land waar ik geboren ben,Voor mij, die uw bekoren kenEn nimmer zal vergeten.

O Limburg, want geen enkle vreugd,

—Wat vreugden ook mijn harte heugt—

Kan immer vreemd u heeten,

Schoon land waar ik geboren ben,

Voor mij, die uw bekoren ken

En nimmer zal vergeten.

Nu glimlachte hij. Het rythme van zijn eigen woorden had hem zelven meegesleept. Hij stond op. Hij had een gevoel alsof hij zegenend zijn handen moest uitstrekken over het rijke landschap, over het groen en het rijpend veld, over den ouden weg met de ingesneden karresporen.

Dan kwam er iemand en de beiden groetten elkander. Maar om niet mee te moeten gaan met den man die naar het dorp ging, wandelde hij steeds dieper het veld in. Toen de zon zonk in het avondlijke paars der zacht bedonsde lucht, poosde hij nog tot de kleuren geheel gedoofd waren en de avond viel. Eerst dan gedacht hij, hoe ver hij nu van huis was. Hij keerde terug. Weer klonk hem de muziek te gemoet bij ’t naderen van het verre dorp. Hij voelde het pijnlijk aan, en opnieuw kwam deneerslachtigheid van vroeger over hem. Droeg hij het droevig misschien, alléén te zijn terwijl de feestmarsch vroolijk klonk voor gelukkige paren?

Dan verdween hij in de dorpsstraat.

Anna was zwijgend geweest heel den feestelijken namiddag. In het zelfbewustzijn dat zijn omgang met mijnvolk en zijn plaats in hunne reien hem gegeven had, praatte Willem tegen al de meisjes aan de planken tafel, en tegen iedereen onder ’t bereik zijner stem. Hij schertste er geducht op los en was uitgelaten vroolijk. En de drank steigerde zijn vroolijkheid tot overmoed.

Luisterde Anna naar wat hij zeide?

Zij hoorde ’t als uit een vage verte, maar zij hoorde het toch duidelijk, als ’t geluid eener stem in droomen. Doch zij verstond maar half.

“Mijn God, zuchtte ze, wat is er over me gekomen? Ik ben ziek.”

Plotseling zag zij dan Willem weer, als de kleine jongen die hij was, dien dag op de heide, toen hare moeder haar had meegenomen. Zij zag hem liggen in ’t kruid; zij zag zich zelve—klein Anneke van toen—met den blonden knaap door ’t heidegewas stappen. “Allemaal van ons” had hij gezeid. Zij had den achtergrond der hut van den bezembinder nooit duidelijk gezien, wanneer zij aan den knaap gedacht had; of was hij juist dáárom als een verborgen prinsje voor haar geweest, die een sprookje gemaakt heeft van zijn leven?

Kroon nog scepter had zij er gezien; maar zij kende thans reeds de macht van zijn staalblauw oog met den koelen blik, en zij wist de vastberadenheiddie als een stempel stond op zijn gelaat.

En zij was niet bang geweest voor den Heksenberg. In hare verbeelding was hij er de kleine gebieder van geworden....

Toen daar boven, plotseling, de donkere stem van den vader, als een schaduw over den zonnigen droom. Zóó was ’t geluk van dien mooien dag aan scherven gevlogen....

Willem schaterde ’t uit met de meisjes, en Anna schrok op uit haar gepeins. Zij streek met de hand over haar voorhoofd.

Met een mijnwerker bij vader Jansen komen aanzetten! Van den bezembinder uit de hei!.... Ja maar, onderbrak zij zich zelve, daar is immers ook geen sprake van....

Toen die Pinksterdag, de gillendemeisjes, het gegichel en “dat de pastoor het maar eens weten moest!” Zij had dat nooit vergeten. En zij zag Betje Bouts, éen der vijandigen van toen, die met haar jongen terug kwam van het schietterrein om bij hen plaats te nemen.

“Drink eens, Anna,” noodde Willem. “Het zal je geen kwaad doen.”

Weer verviel ze in gedachten.

Die keer toen ze hem gezien had over het hek van den boomgaard, waar hij dien appel voor haar geplukt had—“omdat jij hetbent”..... Dan was Hary van den meester hen er komen storen.

Zou Hary Gerards niet hier zijn, dacht ze op eens en begon rond te zien.

“Waar zoek je naar?” vroeg Willem.

“Is Hary van den meester van Brunssum er niet vandaag?” vroeg ze Betje.

“Wat zou dat?” zei Willem geërgerd.

“Nou” sarde ze een beetje en trok hare lip op—“wat dat zou?”....

Hij zag haar aan. Zij was bleek. Dan nam hij zijn glas op, dronk het leeg en begon opnieuw te praten in ’t gezelschap.

Anna zat dof voor zich heen te staren. Was ik maar liever thuis gebleven, dacht ze.

Een groot hoera-geroep ging op uit de mannen op het schietveld. De vogel was er af, en de schutters hadden een nieuwen koning. Alles vloog overeind en stormde den boomgaard uit, naar het schietterrein. Wie was het?

Willem sloeg den arm om Anna heen en fluisterde met heete stem in haar oor: “ik hou van je, An.” Zij voelde zijn wang over haar schouder strijken en maakte zich los met een ruk. Zij voelde een koortsachtige hitte in haarhoofd stijgen, en hield zich alsof zij boos was.

De lampen brandden, verduisterd door den tabakswalm die in de kleine herbergskamer hing. De paren sprongen er op de melodie van een trekharmonika. De jongens dansten met de sigaar in den mond en de strooien hoeden, de petten op ’t hoofd, zwijgend met de meisjes die zwegen, ook soms twee aan twee met elkaar, bij gebrek aan beter. Zij zweetten in de hitte van ’t vertrek onder de lampen, waarbij hunne roode gezichten glommen.

Anna had gedanst met Willem. Zij was moe en warm. Hij was reeds dronken en dronk nog altijd meer.

“Schei uit,” zei ze, “je hebt reeds meer dan genoeg.”

“Wat kun je toch maar kwaad worden, Anneke!”

“Het is een schande. Kun je mij niet respekteeren? Ik wil naar huis. Morgen praat het heele dorp van me.”

Maar hij weerhield haar. Hij drong al zeurend aan, tot ze toegaf aan zijn biddend gezanik “dat ze toch nog niet zou.....”

Doch toen hij opnieuw om drank vroeg, wilde ze met alle geweld.

“Dan zal ik met je mee gaan.”

“Doch niet tot bij ons aan huis!”

“Even maar de straat over, hier.”

Het was donker buiten. Weer begon hij vleierig: “Anna, mijn liefste Anneke....”

“Kon je je maar wat fatsoenlijker gedragen,” antwoordde ze bits.

“Ik wil alles doen wat je wil, als je maar houdt van me....”

“Laat me los, riep ze. Raak me niet. Ik wil naar huis.”

Hij wou met haar een zijweg in, tusschen de heggen.

“Tot afscheid” vroeg hij deemoedig.

Maar zij sprong vlak voor hem weg.

Toen sloeg hij bei zijn armen om haar heen, en wilde haar terug dringen met geweld. “Ik wil een zoen van je.”

“Hulp” gilde zij in haar schrik.

“Wat is er gaande?”, klonk een mannestem dicht bij hen uit den nacht.

“Laat me los” steunde Anna voort.

De man in ’t donker greep Willem bij den schouder en slingerde hem weg, zoodat hij tuimelde. Eenige kerels schoten uit de herberg toe en omringden hem. Woedend wilde hij den aanvaller achterna; maar de boeren die wisten dat hij dronken was, hielden hem terug en sleepten hem de herberg binnen.

En Hary Gerards bracht Anna zwijgend naar huis.

IX.Vroeger stond die oude baksteenen boerenwoning, met de twee oude donkere tuya’s naast den drempel, geheel eenzaam bij den rand der heide, met het zacht bewogen land ter eene zijde, en de donkere diepte vol van ’t purper donker van het heidekruid naar den anderen kant. In twee jaar tijds was alles anders geworden. De oude weg was onherkenbaar; hij was vernieuwd. Een nieuwe breede weg was van hem uitgegaan en dwars door de heide snijdend, had hij met zijn zandgele kling een heuvel doorploegd, om met een wijden elleboogskromming naar een tweeden heuvel opte gaan. Boven het kunstmatig aldus ontstaan ravijn stond thans het mijngebouw. Het stond er met het lichte rood zijner pasgebouwde baksteenen muren te schitteren in de zon. Het was een triomfkreet onder den blauwen hemel. Het was een vloek in den vrede van het landschap. Machteloos lag de donkere heide voor den indringeling, die haar bestreek met de klare gevels en de trotsche schouwen. Verschuchterd vlood de donkerbruine diepte in hare ebbende golving, onder de blauwe nevels der verte, weg naar de verre kimmen.Ook was er naar de overzij van den weg geen vrij, schoon, wiegend veld meer. Uitgestrekte stukken waren uitgediept en baksteen was er vervaardigd; baksteenen stonden er nog tot logge “ovens” opgestapeld en huizen bleven er voortdurend in aanbouw. Anderen warenreeds voltooid. Ingenieurswoningen waren er verrezen en arbeiderswoningen, als een heel nieuw dorp; een drinkhuis stond er als een kasteel midden in.Doch dat was alles nog slechts een aanvang. Wanneer de ontginning eerst begon, zouden er weldra duizend menschen werk vinden. Nieuwe steenovens dan, en nieuwe huizenreeksen om ze te bergen! En reeds hadden de steenbakkerijen overal het groene land weggevreten. Naar de heuvelende glooiïng heen vluchtten de korenvelden voor hunne onverzadigbare vraatzucht.“Melaatschheid van mijn schoon, dierbaar Limburg: ik zie en tel uw wonden,—dacht Hary Gerards. Het is de dood van het veld. Het is de zegevierende intocht van den nieuwen tijd over het oude land, met de vliegende vaandels zijner rookpluimen en de krijschendesignalen der stoomfluiten. Dat zijn uwe veldteekens, Industrie, op onze groene akkers; dat zijn uw veldtenten te midden van onzen groenen vrede! Wat is het geluk dat gij zaait, en wat zal de vervulling uwer beloften zijn, onder den rook der mijn?”Op de heuvelen zeeg het koren neer in zware rijpte. Geen vogel zong. Onder het gerij der karren rookte het stof op van den zandigen weg. In haar bloeiend purper deinde de heide.“Hoe schoon zij is, dacht hij: zij is zoo zacht en stil, zoo bescheiden; zoo schoon in haar droom....”Steeds is de hei weemoedig; doch dien dag kwam zij hem smartelijk voor. Zag Hary Gerards er zijne stemming als in een spiegel? Hij kende hare smart werkelijk.“Zij gevoelt haar vonnis, dacht hij.Zij weet haar doem ten ondergang. Doch heeft niemand dan gezien hoe prachtig dit panorama was? Heeft niemand medelijden gevoeld met hare arme schoonheid,—met de rijkeschoonheidvan ons dierbaar land? En toch is schoonheid geluk, geluk genoeg.”Zoo kalm en rustig lag de heide hem te voeten. Men kon gelooven dat zij glimlachte. Het was een glimlach van begrijpen. Maar alle vreugd was verre.“Mijn arme, trouwe heide.”Verder ging hij, door ’t bloeiend kruid. Daar stroomde het beekje dat gevoed wordt door de veenplassen: het bergt een wiegend bed van kers en ander kruid in zijn helderkoele strooming. Over de keien bedding glijden de stekelbaarsjes heen, en waterspinnen roeien met hare spichtige pooten in rukken over het spiegelend vlak.Het stroomt er om het “Sterrebosch” heenkronkelend.Hary herinnerde zich legenden van deze boomrijke plek in de heide. Zij was als een park. De menschen zeiden er van, dat een rijk heer er een kasteel had laten bouwen. Hij was getrouwd geweest met een meisje uit het dorp. Wat er mee gebeurd was in het einde, was eene donkere geschiedenis. Het kasteel was in de aarde weggezonken. Sporen van metselwerk bleven er nog over. Het was een weelderige tuin, de ruïne van een aardsch paradijs, in de grauwe woestenij der heide.“Sagen en schoonheid zullen ééns geheel voorbij zijn. Die kleine, klare stroom gaat zijn bedding afstaan voor een afvoerkanaal, waarlangs het vuile mijnwater de Roode Beek wordt toegevoerd.Mijn God, dat mooie, reine water! Er zal een tijd komen dat er geen beek meer helder is in ons gewest en geen bron meer zuiver....”En hij zag de gore aardhoopen, die de mijn steeds omringen, reeds uitgestrekt over dit schoone landschap. De mijn haat het bloeiende land. Die hoopen stapelen zich op en kruipen voort. Zij vormen dijken; zij liggen er als reuzenbedden. Tegen welken zondvloed beschutten zij? Zelf zijn ze verderf en dood, deze immer groeiende pyramiden ónzer beschaving. Zij sluipen voort als fantastische monsters, schuifelende slangen; als krokodillen glijden zij al verder, verder, vernielend graan en goed veld, onteerend den kostbaren grond der heilige aarde.“De aarde met haar wasdom heeftGod gegeven aan den mensch dat hij van haar zou leven, en genieten van haar schoon. Haar aanschijn was volmaakt en haar hart was altijd mild in overvloed. Doch de menschen zijn als dieren geworden, woelend in hare ingewanden.”Het schokte in zijn keel op:“Gij vernielt mijn prachtig land!”Hij had zijn vuist wel kunnen ballen tegen den hatelijken “bok” op het mijndak. Toen klaagde het in hem: “waarom kan onze rijke grond niet blijven leven in vruchtbaarheid en pracht?”De stilte was hoorbaar om hem, wijd en wonderbaar. Boven hem kringde een wulp in breedecirkelvluchten krijschte luid zijn tragische kreten.De zon ging neer. Haar laatste goud vervluchtigde in het roode purper vanhet gebloemte over de dommelende heffingen. Voor hem lagen de enkele hutten, waar de armsten der gemeente woonden,—de bezembinders.Laat ik ze vermijden, dacht hij, en om het dennenboschje heen gaan. Het kermisavondtooneel stond voor zijn geest. “Anna” fluisterde hij zachtjes door zijn gedachten heen. Hij had haar sinds niet weergezien.Hij naderde de groep dennen, die reeds donker stonden.Voor hem trad een jonge kerel op het pad.“Moet je me hier weer in mijn weg loopen, zeg? Wat heb jij je met mij te moeien? Jij was die vervloekte kerel van Zondag-avond, jij-ja! Heet het liegen als je durft?”Hary was een stap terug gedeinsd, bleek, geschrokken.“Maar nu afgerekend,” brulde Willem Stoffels, zich moed insprekend met een vloek,—en zijn vuist trof Hary Gerards vlak in ’t gelaat. Het duizelde Hary voor de oogen, doch hij ontweek schielijk een heftigeren slag en sprong op den aanvaller aan. Maar hij vond hem gereed. Stoffels trapte naar hem en vloog hem naar de keel. Zij vielen over elkander op den grond; Stoffels hamerde met vuistslagen zijn slachtoffer. Hary lag bewusteloos.“Ziezoo,” zeide Stoffels tot zich zelven, waar hij Hary zag met bloed op ’t aangezicht “dat heeft hij al vast.” Hij borg het zakmes op, waarmee hij zijn vuist gewapend had gehouden. Het stalen heft was al voldoende geweest in zijn toegeknepen vingers; hij hadde anders het lemmet niet geschuwd.En hij ging het boschje in, zonder om te zien.Den volgenden dag kwam er bij Jansen iemand in de herberg die vertelde, dat Hary Gerards dood geslagen was in de Brunssumer heide. Vader Jansen vloog op, of iets hem gestoken had.“Wat zeg je?” riep hij in ontzetting. “Dat verhoede God!”Anna was lijkbleek geworden en zat als versteend.Jansen zag alleen den man die van doodslag gesproken had, en wilde weten: wie, en hoe, en waar? Maar de ander wist niet méér.Doch een tweede kwam.“Ze hebben hem geslagen,” vertelde deze: “doch hij leeft nog. Het is gebeurd bij het boschje bij Stoffels, de bezembinder....”De verteller die een blik op Anna had geworpen, vertelde niet verder.“Niet dood?” kwam ’t bevend van Anna’s bleeke lippen.“Hij moet er bewusteloos gelegen hebben tot den nacht, ging de boer voort. De koele dauw en de koude hebben hem weer tot zich zelven gebracht. Toen is hij naar huis kunnen geraken. Zijn heel gezicht was opgezwollen en ’t haar stond stijf van ’t bloed.”Anna ging weg. In de keuken barstte zij uit in tranen.“Het is mijn schuld” kreunde zij.Toen Jansen van een gang door ’t dorp ’s avonds thuis kwam verzekerde hij, dat géén Stoffels ooit meer een voet zou zetten over zijn drempel.

Vroeger stond die oude baksteenen boerenwoning, met de twee oude donkere tuya’s naast den drempel, geheel eenzaam bij den rand der heide, met het zacht bewogen land ter eene zijde, en de donkere diepte vol van ’t purper donker van het heidekruid naar den anderen kant. In twee jaar tijds was alles anders geworden. De oude weg was onherkenbaar; hij was vernieuwd. Een nieuwe breede weg was van hem uitgegaan en dwars door de heide snijdend, had hij met zijn zandgele kling een heuvel doorploegd, om met een wijden elleboogskromming naar een tweeden heuvel opte gaan. Boven het kunstmatig aldus ontstaan ravijn stond thans het mijngebouw. Het stond er met het lichte rood zijner pasgebouwde baksteenen muren te schitteren in de zon. Het was een triomfkreet onder den blauwen hemel. Het was een vloek in den vrede van het landschap. Machteloos lag de donkere heide voor den indringeling, die haar bestreek met de klare gevels en de trotsche schouwen. Verschuchterd vlood de donkerbruine diepte in hare ebbende golving, onder de blauwe nevels der verte, weg naar de verre kimmen.

Ook was er naar de overzij van den weg geen vrij, schoon, wiegend veld meer. Uitgestrekte stukken waren uitgediept en baksteen was er vervaardigd; baksteenen stonden er nog tot logge “ovens” opgestapeld en huizen bleven er voortdurend in aanbouw. Anderen warenreeds voltooid. Ingenieurswoningen waren er verrezen en arbeiderswoningen, als een heel nieuw dorp; een drinkhuis stond er als een kasteel midden in.

Doch dat was alles nog slechts een aanvang. Wanneer de ontginning eerst begon, zouden er weldra duizend menschen werk vinden. Nieuwe steenovens dan, en nieuwe huizenreeksen om ze te bergen! En reeds hadden de steenbakkerijen overal het groene land weggevreten. Naar de heuvelende glooiïng heen vluchtten de korenvelden voor hunne onverzadigbare vraatzucht.

“Melaatschheid van mijn schoon, dierbaar Limburg: ik zie en tel uw wonden,—dacht Hary Gerards. Het is de dood van het veld. Het is de zegevierende intocht van den nieuwen tijd over het oude land, met de vliegende vaandels zijner rookpluimen en de krijschendesignalen der stoomfluiten. Dat zijn uwe veldteekens, Industrie, op onze groene akkers; dat zijn uw veldtenten te midden van onzen groenen vrede! Wat is het geluk dat gij zaait, en wat zal de vervulling uwer beloften zijn, onder den rook der mijn?”

Op de heuvelen zeeg het koren neer in zware rijpte. Geen vogel zong. Onder het gerij der karren rookte het stof op van den zandigen weg. In haar bloeiend purper deinde de heide.

“Hoe schoon zij is, dacht hij: zij is zoo zacht en stil, zoo bescheiden; zoo schoon in haar droom....”

Steeds is de hei weemoedig; doch dien dag kwam zij hem smartelijk voor. Zag Hary Gerards er zijne stemming als in een spiegel? Hij kende hare smart werkelijk.

“Zij gevoelt haar vonnis, dacht hij.Zij weet haar doem ten ondergang. Doch heeft niemand dan gezien hoe prachtig dit panorama was? Heeft niemand medelijden gevoeld met hare arme schoonheid,—met de rijkeschoonheidvan ons dierbaar land? En toch is schoonheid geluk, geluk genoeg.”

Zoo kalm en rustig lag de heide hem te voeten. Men kon gelooven dat zij glimlachte. Het was een glimlach van begrijpen. Maar alle vreugd was verre.

“Mijn arme, trouwe heide.”

Verder ging hij, door ’t bloeiend kruid. Daar stroomde het beekje dat gevoed wordt door de veenplassen: het bergt een wiegend bed van kers en ander kruid in zijn helderkoele strooming. Over de keien bedding glijden de stekelbaarsjes heen, en waterspinnen roeien met hare spichtige pooten in rukken over het spiegelend vlak.

Het stroomt er om het “Sterrebosch” heenkronkelend.

Hary herinnerde zich legenden van deze boomrijke plek in de heide. Zij was als een park. De menschen zeiden er van, dat een rijk heer er een kasteel had laten bouwen. Hij was getrouwd geweest met een meisje uit het dorp. Wat er mee gebeurd was in het einde, was eene donkere geschiedenis. Het kasteel was in de aarde weggezonken. Sporen van metselwerk bleven er nog over. Het was een weelderige tuin, de ruïne van een aardsch paradijs, in de grauwe woestenij der heide.

“Sagen en schoonheid zullen ééns geheel voorbij zijn. Die kleine, klare stroom gaat zijn bedding afstaan voor een afvoerkanaal, waarlangs het vuile mijnwater de Roode Beek wordt toegevoerd.Mijn God, dat mooie, reine water! Er zal een tijd komen dat er geen beek meer helder is in ons gewest en geen bron meer zuiver....”

En hij zag de gore aardhoopen, die de mijn steeds omringen, reeds uitgestrekt over dit schoone landschap. De mijn haat het bloeiende land. Die hoopen stapelen zich op en kruipen voort. Zij vormen dijken; zij liggen er als reuzenbedden. Tegen welken zondvloed beschutten zij? Zelf zijn ze verderf en dood, deze immer groeiende pyramiden ónzer beschaving. Zij sluipen voort als fantastische monsters, schuifelende slangen; als krokodillen glijden zij al verder, verder, vernielend graan en goed veld, onteerend den kostbaren grond der heilige aarde.

“De aarde met haar wasdom heeftGod gegeven aan den mensch dat hij van haar zou leven, en genieten van haar schoon. Haar aanschijn was volmaakt en haar hart was altijd mild in overvloed. Doch de menschen zijn als dieren geworden, woelend in hare ingewanden.”

Het schokte in zijn keel op:

“Gij vernielt mijn prachtig land!”

Hij had zijn vuist wel kunnen ballen tegen den hatelijken “bok” op het mijndak. Toen klaagde het in hem: “waarom kan onze rijke grond niet blijven leven in vruchtbaarheid en pracht?”

De stilte was hoorbaar om hem, wijd en wonderbaar. Boven hem kringde een wulp in breedecirkelvluchten krijschte luid zijn tragische kreten.

De zon ging neer. Haar laatste goud vervluchtigde in het roode purper vanhet gebloemte over de dommelende heffingen. Voor hem lagen de enkele hutten, waar de armsten der gemeente woonden,—de bezembinders.

Laat ik ze vermijden, dacht hij, en om het dennenboschje heen gaan. Het kermisavondtooneel stond voor zijn geest. “Anna” fluisterde hij zachtjes door zijn gedachten heen. Hij had haar sinds niet weergezien.

Hij naderde de groep dennen, die reeds donker stonden.

Voor hem trad een jonge kerel op het pad.

“Moet je me hier weer in mijn weg loopen, zeg? Wat heb jij je met mij te moeien? Jij was die vervloekte kerel van Zondag-avond, jij-ja! Heet het liegen als je durft?”

Hary was een stap terug gedeinsd, bleek, geschrokken.

“Maar nu afgerekend,” brulde Willem Stoffels, zich moed insprekend met een vloek,—en zijn vuist trof Hary Gerards vlak in ’t gelaat. Het duizelde Hary voor de oogen, doch hij ontweek schielijk een heftigeren slag en sprong op den aanvaller aan. Maar hij vond hem gereed. Stoffels trapte naar hem en vloog hem naar de keel. Zij vielen over elkander op den grond; Stoffels hamerde met vuistslagen zijn slachtoffer. Hary lag bewusteloos.

“Ziezoo,” zeide Stoffels tot zich zelven, waar hij Hary zag met bloed op ’t aangezicht “dat heeft hij al vast.” Hij borg het zakmes op, waarmee hij zijn vuist gewapend had gehouden. Het stalen heft was al voldoende geweest in zijn toegeknepen vingers; hij hadde anders het lemmet niet geschuwd.

En hij ging het boschje in, zonder om te zien.

Den volgenden dag kwam er bij Jansen iemand in de herberg die vertelde, dat Hary Gerards dood geslagen was in de Brunssumer heide. Vader Jansen vloog op, of iets hem gestoken had.

“Wat zeg je?” riep hij in ontzetting. “Dat verhoede God!”

Anna was lijkbleek geworden en zat als versteend.

Jansen zag alleen den man die van doodslag gesproken had, en wilde weten: wie, en hoe, en waar? Maar de ander wist niet méér.

Doch een tweede kwam.

“Ze hebben hem geslagen,” vertelde deze: “doch hij leeft nog. Het is gebeurd bij het boschje bij Stoffels, de bezembinder....”

De verteller die een blik op Anna had geworpen, vertelde niet verder.

“Niet dood?” kwam ’t bevend van Anna’s bleeke lippen.

“Hij moet er bewusteloos gelegen hebben tot den nacht, ging de boer voort. De koele dauw en de koude hebben hem weer tot zich zelven gebracht. Toen is hij naar huis kunnen geraken. Zijn heel gezicht was opgezwollen en ’t haar stond stijf van ’t bloed.”

Anna ging weg. In de keuken barstte zij uit in tranen.

“Het is mijn schuld” kreunde zij.

Toen Jansen van een gang door ’t dorp ’s avonds thuis kwam verzekerde hij, dat géén Stoffels ooit meer een voet zou zetten over zijn drempel.


Back to IndexNext