B. Zeeland.I. Ontwikkeling der Provincie en enkele Opmerkingen.Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd, om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en enkele oude wetten.Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda (Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt, in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis) heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen, is niet onwaarschijnlijk.Tot ongeveer het begin der 9eeeuw behoorde Zeeland tot het land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwinin Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag.176), nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel op de bevolking gedrukt.De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische, dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel als hetzelfde werden beschouwd.Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen en de Krammer.De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en Holland. In de 9eeeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na dezen, doch niet vóór de 11eeeuw, zien wij de graven van Vlaanderen en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323 deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde (de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II, bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele, Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland, Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den Brabantschen wal.In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in den tijd derRepubliek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:’k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde,Door ’t wereldrond om trouw en deugd vermaard,Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde,Den schrik verspreidden over de aard.Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?De Lange’s1overmoed, of Ewouts2vuist,Die ’t eerst den trots van Arragon kon dwingen,Medina’s vloten heeft vergruisd?Of Hollands redders, toen ’t aemechtig LeydenWelhaast in ’t wee, te lang geduld, verzonk,Toen bij den lof van ’t nameloos verblijdenBoisots3en Willemsz4eerzang klonk?De Moor5, vol vuur zich offrend voor uw zonen,Of Lieven6, de eer van ’t trouwe Zieriksee;En Haeck7, wien, al te vroeg, zijn moed betoonenDe stoute ziel ontvlieden dee?Of de Evertsens8, om ’t bloed, zoo mild vergoten,Den lofzang van geheel een wereld waard;De Bankerts9, roem en trots van Neerlands vloten,Verdedigd door hun leeuwenaard.In ’t midden prijkt, gelijk bij minder lichtenAan ’t helder zwerk de zilverblanke maan,De Ruyter, voor wiens staf de volk’ren zwichtten,De schrik van d’ ouden Oceaan!In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21enJuni de wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen, terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen, waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder opschudding, en den 28enApril 1747 werd door de Staten van Zeeland de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen politieke: zij welde op uit den boezem des volks.Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel; Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten, en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat Heye schreef:Uit zee hebt gij uw grond gewrocht,O Nederland—en wat onze oogenIn uw landouw bewondren mogen,Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht,En uit haar diepe, wilde golvenDe reinste parels opgedolven.Als visschersvolk staakt gij in zeeEn bracht, na strijd van tachtig jaren,Als oorlogsschatting van de barenEuroop’de Vrijheid en de Vree,En zaagt voor ’t dundoek van uw kielenElk volk in vreeze en eerbied knielen.Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater, het overvloedigewater des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij, volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden vele eeuwen de meekrap geweest.Geen boekweit siert der Zeeuwen erf,Schoon ze elders de oogen vleitDoor ’t levend wit, met rozenverfBekoorlijk overspreid,Maar Zeelands kleigrond voedt een plant,Wier schoon, wier heilzaam roodVoor eeuwen reeds aan ’t vaderlandEen tak van welvaart bood.Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort:De meekrap, hier zoo schoon,Spreidt nog in ’t afgelegenst oordHaar kleur vol zwier ten toon.Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur vervangen.De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een bijzonder smakelijk vleesch.Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.1Sebastiaan de Lange, van ter Veer.2Ewout Pietersz. Worst.3Lodewijk Boisot.4Adriaan Willemsz.5Jan en Joost de Moor.6Lieven Jansz. Kaersemaker.7Pieter Haeck, baljuw van Middelburg.8Geslacht der Evertsens.9Joost en Adriaan Bankert.II. Van Steenbergen over Tolen en St. Filipsland naar Duiveland en Schouwen.De noordelijkste eilandenrij van Zeeland valt het gemakkelijkst van Noord-Brabant uit te bereiken.Van Breda over Oudenbosch loopt een stoomtram naar Steenbergen en hiervangt een lijn aan, die thans de beste verbinding geeft met de eilanden. Wij zullen deze route in hoofdrichting volgen, ook al veroorloven wij ons van tijd tot tijd flinke zijuitstapjes.Wanneer wij met den stoomtram van Oudenbosch reizen, bemerken wij al spoedig, op korten afstand ten westen van dit plaatsje, dat wij feitelijk in het delta-land zijn aangekomen. Al bevinden wij ons hier thans in het midden van het land, al schuimen nergens in de nabijheid de woedende wateren, het vette kleiland, door onderscheidene hooge dijken doorsneden, hoe achteloos kalm ook in cynische rust gelegen, zij beide wijzen duidelijk aan, dat hier eens de golven het vruchtbare slib hebben aangevoerd, waarop de schoone tarwe en bieten worden verbouwd. Doch al is het feitelijk in het deltaland, het water heeft hier zijn gaven van nieuwland nog aan den zandbodem van Noord-Brabant vastgehecht.Wij naderen Steenbergen, waar de zandgronden in een rug tusschen de kleigronden vooruitschuiven, een laatste worsteling tusschen Diluvium en Alluvium. Stil en vergeten ligt daar het oude stedeke; in zijn straten heerscht diepe rust. Merkwaardigheden zoekt ge vruchteloos in deze plaats, al zou de hooge ouderdom der stad hier allicht iets uit het verre verleden doen vermoeden, want volgens de meening van enkele historieschrijvers zou de nederzetting te dezer plaatse haar oorsprong te danken hebben aan een tolhuis, dat in 603 aan het kanaal, gegraven van Strienemonde tot Strienham, door zekeren Strenius, landvoogd van dit gewest, gebouwd werd. In elk geval was Steenbergen in de 14eeeuw een vrij aanzienlijke koopstad, die handel dreef op Engeland en Denemarken. De nederzetting was toen veel grooter dan thans. Doch met het aanslibben van het delta-land gingen de voordeelen van haar ligging aan de groote stroomen verloren. Er vormde zich een voorland voor Steenbergen; de plaats werd een landstad, en de handel ging hiermede teniet. En toen in 1365 een zware brand de stad trof en bijna geheel vernielde, werd zij wel herbouwd, maar binnen een engeren ringmuur dan vroeger. Men verhaalt, doch dit lijkt niet waarschijnlijk, dat het nieuw herbouwde Steenbergen nauwelijks een tiende gedeelte van zijn vorige grootte zou verkregen hebben.Steenbergen was destijds een vesting, maar slechts een enkele muur omringde de stad, en in den tijd van den tachtigjarigen oorlog was zij niet in staat aan de belegeringen van den hertog van Parma in 1583, en later aan die van Prins Maurits in 1590, tegenstand te bieden. Eerst in 1629 werd zij volgens de beginselen der nieuwere vestingbouwkunde versterkt met een aarden wal. Hiervan is echter niets meer over dan enkele sporen van den omtrek; Steenbergen ligt thans open en is een onbeduidend landstadje met ruim 2000 inwoners, die hoofdzakelijk hun bron van bestaan vinden in de landelijke omstreken en door de beetwortelsuiker- en stoommeelfabrieken. Architectonisch schoon zoekt men vruchteloos in hetoude plaatsje; het was reeds economisch te gronde gegaan, vóór de Hollandsche bouwkunst zich tot haar typische schoonheid ontwikkelde. De burgerhuizen, ruim gebouwd met breede gangen, staren wezenloos en als zonder karakter op de stille straten.Wij volgen de lijn van den tram, die de jonge polders van noordwestelijk Noord-Brabant naar Nieuw-Vosmeer doorsnijdt. Over ’t geheel is dit een weinig aantrekkelijk landschap. Maar hoe eentonig ook, een bron van produktieve levenskracht is in dien vetten aardbodem verborgen. Vóór 500 jaren lag de noordwestelijke hoek van Noord-Brabant tot dicht bij Steenbergen nog bijna geheel onder water: een woeste vlakte met slikken en platen, bij vloed één waterzee, welker golven woest over de ondiepten heenstroomden, terwijl bij ebbe de slibberige gewassen grijsglanzend uit het water kwamen opduiken.Eerst langzamerhand drong de dijkenbouwende bevolking in deze vlekken door, en van tijd tot tijd werden de nieuwe gedeelten door den mensch geannexeerd voor het bedrijf, die zich het best er toe leenden. Het eerst werden de Nieuw-Vosmeersche en de Nieuwe Heipolder, waarlangs de trambaan loopt, in 1433 bedijkt (herdijkt in 1565). ’t Was een eiland, midden in het water, door de bewoners van Oud-Vosmeer op Tolen bedijkt en zeker ook grootendeels bevolkt. Daardoor werd Nieuw-Vosmeer als polder tot Zeeland gerekend, hoewel door het breede water der Eendracht er van gescheiden, en tot 1809 bleef Nieuw-Vosmeer een Zeeuwsch dorp, dat eerst in dat jaar provinciaal tot Noord-Brabant gebracht werd. In natuurkundigen zin echter zijn wij hier reeds in Zeeland.Door het verloopen en dichtslibben der wateren rondom den genoemden oudsten polder hadden naar alle kanten nieuwe bedijkingen plaats: de Oude Heipolder in 1515, de West-Graaf-Hendrikpolder 1528–1538, de Heenepolder in 1610, de Boerengors 1630, de Heerenpolder 1633, de Oude Vlietpolder 1649, de Noord-Heenpolder in 1655. Zoo is, stukje na stukje, de noordwesthoek van het oude Noord-Brabant aangegroeid met delta-land, van een geheel ander karakter dan de echte Brabantsche grond, en Steenbergen was aldus geheel een landstadje geworden.Het landschap van Steenbergen tot Nieuw-Vosmeer biedt weinig afwisseling aan. Uitgestrekte, vruchtbare bouwlanden ziet men aan beide zijden, effen, met geen andere afwisseling in het relief dan de dijken, die de geschiedenis des bodems aanwijzen als de jaarkringen van de boomen des wouds. De boerenhuizen staan op zichzelf, meestal tusschen eenig geboomte, over de velden verstrooid, typen van groote landbouwhuizen. In den zomer overdekt een donkergroen dit landschap door de velden, met beetwortels beplant, die er hun breede bladen uitspreiden, afgewisseld met tarwevelden, ajuin en enkele weiden. ’t Is hier een echte landbouwstreek.Zoo bereiken wij Nieuw-Vosmeer, bijna op de grens van Noord-Brabant, een flink dorp, in de lengte langs den dijk gebouwd, waarboven de roode pannendaken uitkomen. Een weinig ten noorden van het dorp den blik naar het westen richtend zien wij links vóór ons het eiland Tolen, rechts St. Filipsland.Wij laten ons eerst naar Oud-Vosmeer overzetten, om een kijkje te nemen op het eiland Tolen. Starende van den hoogen dijk over het land, blijkt het ons, dat dit eiland uit onderscheidene polders is aaneengevoegd, alle verschillende tijdperken van bedijking aanwijzend. Het eigenlijke Land-van-Tolen is een der oudste eilanden van Zeeland en wordt gerekend onder de landen, die sedert 850 bedijkt zijn, al kent men het juiste jaar niet. In de 13eeeuw bestond Tolen uit tal van kleine eilanden, die allengs door bedijkingen aan elkander werden gesloten. Door het bedijken van het noordelijk deel van den Pluimpot werden in 1556 de oostelijke ambachten aan de westelijke verbonden, en ook in de volgende eeuwen zetten de aanwinst van land en de aaneensluiting zich voort.Van het nette dorp Oud-Vosmeer, langs den dijk, bereikt men weldra het stadje Tolen met ongeveer 3000 inwoners, een oude vesting, waarvan de wallen en grachten nog gedeeltelijk zijn overgebleven. Het is een aan elkander gebouwd plaatsje, met een ruime markt, terwijl onderscheidene oud-Hollandsche gevels den straten een vriendelijk karakter geven. De kerk met haar vierkanten toren en stompe spits ligt tusschen hoog geboomte. Het oude stadhuis is een smal en hoog gebouw van arduin, met een dubbelen arduinsteenen opgang en vier verdiepingen hoog; de trans is als van schietgaten voorzien en het torentje met hooge spits draagt een speeluurwerk.Raadhuis te Tolen.Raadhuis te Tolen.Tolen is waarschijnlijk opgekomen als een tolhuis van den hertog van Brabant, dat hier gebouwd werd aan de Eendracht, eens een druk bevaren water. De naam der stad staat met tol in verband. In de eerste helft der 13eeeuw kwamde plaats in het bezit der Graven van Holland en Zeeland, die er een steenen huis voor den ontvanger van den tol lieten bouwen, en aan het tolhuis ontstond een nederzetting, die in 1335 de vrijheid verkreeg, om stapelvrij koren en haver Holland binnen te voeren. In 1431 hebben eenige Brabantsche kooplieden vele aanwassen en schorren om het Oude dorp van het land van “Ter-Tholen” laten bedijken en zoo verkreeg de nederzetting een handelsgebied op het aanwassende eiland. Daardoor had Tolen in 1438 zooveel beteekenis erlangd, dat het, evenals Reimerswaal, Kortgene, Goes, Vlissingen e. a. steden, een oorlogsvloot moest uitrusten tegen de Oosterlingen. Toch kon de plaats zich niet verheffen boven den rang van een landstadje met winkelnering van een klein eiland. De visscherij, die er vroeger levendig was, is meest naar Bergen-op-Zoom verplaatst.Van Tolen doorkruisen wij het eiland over Poortvliet, een boerendorp, naar Scherpenisse, een steedsch gebouwd dorp, en St. Maartensdijk. De twee laatstgenoemde plaatsen lagen vroeger aan het breede water den Pluimpot, dat het land van Scherpenisse van dat van Tolen scheidde, doch boven genoemde plaatsen in 1556 reeds is ingedijkt tot een smalle kreek en alleen in het benedengedeelte door een smaller water nog met de Ooster-Schelde is verbonden. St. Maartensdijk was vroeger een smalstad, een stad met beperkte rechten; het is thans een flink dorp met een groote markt, die door boomen overschaduwd is. Het is een vrij drukke marktplaats van het eiland. De kerk dagteekent van vóór de Hervorming; men vindt er een praalgraf van Frederik van Borsele uit 1470, dat zeer geschonden is.In de nabijheid verrees vroeger het adellijk huis “het hof te St. Maartensdijk”, een oud, aanzienlijk gebouw, aan den voorkant met een ruim plein, waartoe een groote voorpoort toegang verleende. Een breede gracht omringde het slot met zijn stallingen, tuinen en bosschen. Vroeger was dit slot de woning van den Graaf van Oostervant; Frank van Borselen, de laatste gemaal der ongelukkige Jacoba van Beieren, verkreeg dezen titel en was heer van St. Maartensdijk. In de groote kerk van het dorp zou het geheime huwelijk tusschen Frank van Borselen en Jacoba van Beieren gesloten zijn. Op de plek van het slot, waar vóór een halve eeuw nog uitgestrekte bosschen gevonden werden, staat tegenwoordig slechts een arbeiderswoning, en een gemetselde kelder is het eenige overblijfsel van het eens zoo sterke gebouw.In het westen van het eiland ligt het dorp Stavenisse, langs een breede met boomen beplante straat gebouwd, benevens met enkele huizen om de kerk. Het vroegere kasteel van den ambachtsheer is verdwenen; wij zagen nog de fundamenten van het slot. In de kerk vindt men een fraai marmeren praalgraf van Jhr. Hieronymus van Tuyl van Serooskerke, overl. 1669, gebeiteld door R. Verhulst.Van hier is een veer, dat over het Keeten naar Vianen op Duiveland overzet.Wij zullen van dat middel gebruik maken, om Duiveland te bereiken, teneinde de oude verbindingsmiddelen der Zeeuwsche eilanden te leeren kennen.Daar vóór ons ligt het verbindingswater tusschen de Ooster-Schelde en Krammer, dat van het zuiden af de namen draagt van Keeten, Mastgat en Zijpe. Zulke wateren tusschen de hoofdarmen der riviermonden hebben een zeer afwisselende geschiedenis van worden en vergaan. Waar het eene te gronde gaat en tot land wordt, geschiedt dit niet zelden ten voordeele van een ander water, dat gelijktijdig in breedte en diepte toeneemt. Zoo ging het ook bij de eilanden, die vóór ons liggen. Schouwen en Duiveland bestonden oudtijds uit onderscheidene eilanden, door wateren doorsneden, en in de 13eeeuw scheidde de Gouwe of Golde, een breed water, het eigenlijke Schouwen in het westen nog van Duiveland en Dreischor in het oosten. Dit water liep ten O. van Zieriksee naar het N., waar het tusschen Duiveland en Dreischor den naam van Dijkwater verkreeg; het was in 1304 nog zoo breed, dat de zeeslag tusschen de Hollandsche en Fransche schepen tegen de Vlaamsche aan den anderen kant er geleverd kon worden. Doch langzamerhand verlandde dit water meer en meer; in 1373 en 1374 werden in het noorden landen ingepolderd, waardoor Schouwen met Dreischor werd verbonden, en sedert zette dit proces zich voort. Zelfs werd in 1610 de Gouwe in het zuiden bij Zieriksee geheel afgesloten.Terwijl deze wateren verdwenen, namen Keeten, Mastgat en Zijpe in beteekenis toe. In de 16eeeuw kon men hier een reeks van slikken waarnemen, door ondiepe geulen en kreeken gescheiden. Zelfs konden de Spanjaarden in 1575 van St. Filipsland uit over de platen heen bij eb het Keeten bereiken, dat zij doorwaadden, om op Duiveland te komen en vervolgens het beleg voor Zieriksee te slaan. De Zijpe was in het begin der 18eeeuw zoo ondiep, dat men aan het noordelijk einde er door kon waden.Sedert is dit water dieper geworden; er kwam meer vloedwater binnen, het schuurde over den bodem en vormde een geregelde bedding. Waar men in 1705 nog door de Zijpe kon waden, stond in 1760 reeds 40 voet water en tegenwoordig meer dan 100 voet.Op dit oogenblik liggen die stroomen in machtelooze rust verzonken, weerloos tusschen de slibberige banken, die grijs en zwart glinsteren in het zonnelicht, terwijl van verre de groene dijkwanden het waterlandschap omboorden. De oeverhavens leveren een treurig schouwspel op van slechts enkele verlaten plassen in de kleibedding, waar een verdwaald vischje spartelt in het slik. De veerman staart beschouwend over dit tafereel, dat hij nauwkeurig kent en hetwelk schier dagelijks voor zijn aanzicht wederkeert, om na te gaan, of aan den horizon de geest des Oceaans de wateren ook weder bezielt met nieuw leven. Hij ziet eindelijk de krachten wederkeeren bij den schijndoode: een golfje jaagt van verre spelemeiendover de banken, een tweede volgt iets hooger, en zij naderen. Het water rijst, de haven vult zich weder, zij het ook nog langzaam. Nu maakt de veerman zich gereed, om den overtocht te aanvaarden; wel ligt het ranke vaartuig nog een eind van den wal, maar de schipper stapt met zijn hooge laarzen door water en slijk en op zijn rug worden wij van den wal aan boord gezet. Het scheepje gaat van wal; zacht zwelt het zeil; in onregelmatige zigzaglijnen naderen wij den westelijken oever. Den oever? Neen! Op verren afstand zien wij eerst den dijk. Evenals bij het ter scheep gaan doet de sterke gestalte van den veerman thans weder dienst en... wij worden afgezet op den kant van een der naakte slikken langs den dijk. Ongeveer 20 minuten moeten wij een tocht maken over dit slijkgebied, een wel tamelijk vasten bodem, maar glibberig, overdekt met kleine waterkommetjes, die aan elkander grenzen, door iets hoogere wanden en pollen gescheiden. Over die hoogten als het ware voortspringend, telkens voor onzen voet een nieuw heuveltje uitzoekend te midden van het water, dat hooger rijst, van tijd tot tijd misstappend, zoodat het zilte water om ons opspat, wordt eindelijk de dijk bereikt. Een boerenwagen zagen wij voor ons uit rijden, de wielen plassend door het water en in een stralenkrans de droppels uitwerpend naar alle kanten, waar zij schitterden als zilveren parels in de zon; het was het voertuig, dat de post overbracht van de veerboot naar het eiland.Was thans onze overtocht lastig, niet zelden kan die ook gevaarlijk worden. Bij hoogen waterstand en storm kan ’t er dreigend zijn en hebben oude veerlieden soms uren werk, om, worstelend met golven en stroomen, de reizigers over te varen, hetgeen wel eens geheel mislukt.Tegenwoordig gaat de verbinding gemakkelijker. Om die te leeren kennen, keeren wij in gedachten terug naar Nieuw-Vosmeer en nemen daar den stoomtram weder. Op korten afstand ten noorden van het dorp buigt de baan zich naar het westen over den zwaren Slaak-dam, die door de slikken van de Heene gelegd is, om St. Filipsland met het vasteland te verbinden. Reeds in 1858 was men met het bouwen van een dergelijken dam begonnen, die spoedig weder te gronde ging. Later was men hiermede gelukkiger, en al werden in het begin nog gaten in den dijk geslagen, toch hield hij stand. Deze dam heeft een lengte van ± 2700 meter, d. i. ongeveer een half uur gaans. Aan beide zijden breiden zich steeds aangroeiende slikken uit, welke door elken vloed met nieuwe sliblaagjes bedekt worden en waarover enkele stroompjes bij ebbe tijdens het afvloeien van het getijdenwater diepere geulen openhouden. De grensscheiding van Noord-Brabant en Zeeland loopt dwars door den dam. Men bemerkt het aan de seinen, als men de grens gepasseerd is; op Noord-Brabantsch gebied hoort men van tijd tot tijd het luiden der bel van de locomotief, in Zeeland eerst hoort men de stoomfluit.Wij bevinden ons op St. Filipsland of Filipsland, zooals de bewoners zeggen, een jong eiland, dat een verschrikkelijken strijd met de wateren gestreden heeft. Wel had het reeds vroeger droog gelegen, maar op het eind der 15eeeuw lag het geheel overstroomd. In 1496 werd het opnieuw bedijkt door Filips van Bourgondië, doch in 1511 en nog eens in 1530 liep het geheel onder water en eerst in 1645 werd het wederom ingedijkt. Het dorp St. Filipsland ligt aan den dijk in den hoek van het eiland; de roode daken en een proper molentje komen van verre boven den dijk uit. Op Zondag, als de visschers tehuis zijn, is ’t een levendig gezicht, de vloot van schuiten te zien, bij het dorp gelegen.Flinke stoomveerbooten brengen thans de verbinding over de Zijpe met Duiveland tot stand, om aan beide zijden bij den stoomtram aan te sluiten. Zoo bevinden wij ons spoedig te Bruinisse, een welvarend dorp, dat met zijn roodpannen daken schilderachtig afsteekt bij de grijze kuststreek. Visscherij, oester- en mosselcultuur en de levendige handel in de produkten van het water, vooral op Engeland en België, vormen de bron van bestaan voor deze plaats. Zij telt 2600 inwoners; de visschersvloot bestaat uit 157 schepen, waarvan 135 hoogaarzen.De kerk te Bruinisse is een oud gebouw uit de 15eeeuw. In 1898 zou de kerk gedeeltelijk gesloopt worden, doch door bemiddeling der oudheidkundige commissie van het Zeeuwsch Genootschap voor Wetenschappen is het gebouw door restauratie bewaard gebleven.Een fraaie, lommerrijke straatweg leidt van Zijperhaven, de haven van de tramboot, ten Z. van Bruinisse, voorbij de dorpen Oosterland, Nieuwerkerk en Kapelle naar Zieriksee. Deze weg is een der schoonste van Duiveland; meer boschrijke gedeelten wisselen schilderachtig af met vruchtbare bouw- en graslanden.Oosterland is een bekoorlijk dorp; in de nabijheid ziet men het Slot of Heerenhof te midden van geboomte en vijvers. De oude, in een zadeldak eindigende kerktoren, dagteekent uit het eind der 14eeeuw. Nieuwerkerk is eveneens een fraai dorp; het dorp Ouwerkerk is reeds van verre kenbaar aan zijn toren met stompe spits, die in drie verdiepingen oprijst. Deze en de Jacobstoren in Den Haag zijn de eenige zeshoekige torens in Nederland.III. Zieriksee.De weg buigt zich van Ouwerkerk naar het noorden langs het in ’t lommer verscholen oude dorp Kapelle, waar in de 15eeeuw de adellijke huizen Gistelis, Maalstede en Bruëlis gevonden werden, die thans zijn verdwenen. De weg loopt dwars door in de Gouwe aangewonnen polders (zie pag.200) en vóór ons ligt in het volle groen van boomen en graswallen Zieriksee, de hoofdstad van de vereenigde vroegere eilanden Schouwen, Duiveland en Dreischor. Van verre zagenwij reeds den zwaren, stompen St.-Lievenstoren uit den berg van groen opplompen, maar bij een draai van den weg staat men ineens voor de stad, waar de Noorderhavenpoort de grens van het oude stadsgebied aanwijst.De Noorderhavenpoort boeit door den eenvoud der Vlaamsche Renaissance en bestaat uit twee aaneengebouwde huizen met een grooten doorgang; in de lijnen harer vier spitstorentjes openbaart zich een fraaie Gothiek. Vooral wanneer men deze poort van de stad uit ziet achter de kom der oude haven, maakt zij grooten indruk.Behalve deze heeft de stad nog de Zuidhavenpoort, een zwaar, massief gebouw, evenals de bovengenoemde in 1491 door Albrecht van Saksen gesticht en in 1507 gerestaureerd, en de Nobelpoort, een zwaar gebouw met slanke torenspitsen, dat volgens de overlevering gebouwd is door twee adellijke jonkvrouwen, Anna en Maria, naar wie de beide spitsen genoemd zouden zijn; wellicht is het een legende geweven om de heiligenbeelden, die in de twee torens der poort gevonden worden. Merkwaardig is de verglaasde baksteen, bij dezen torenbouw aangewend. De overige der zes poorten, welke de stad vroeger had, zijn gesloopt; de breede gracht evenwel is nog bewaard.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.Bij het binnentreden maakt Zieriksee den indruk van een vriendelijk landstadje met nog enkele oude huizen, doch over ’t geheel met een modern uiterlijk. De stadsaanleg van Zieriksee heeft het aangenaam grillige van de oude Hollandsche steden; huizen, in rijen gebouwd, zonder plan; straten, die bij toeval elkander vinden, verrassend in elkander loopen en dan weer nieuwe straten zoeken.Behalve de poorten vindt men er nog andere merkwaardige gebouwen. Wij noemen het stadhuis, in 1554 gebouwd, met twee Renaissance-gevels uit dien tijd. Vroeger stond hier een ander stadhuis, waarvan een deel van den belfroot of toren nog aanwezig is, thans eindigend in een Renaissance-spits, die als symbool van den alouden koophandel en de zeevaart dezer stad een vergulden Neptunus tot windwijzer voert. De benedenzaal van het stadhuis is bedorven door deinbouwing van vertrekken. De raadzaal en de schepenbank, stijl Louis XV, dagteekent van 1772; de burgemeesterskamer, ingericht in 1661, heeft een fraaien schoorsteen van 1673.Een der vriendelijkste stadsgedeelten vormt het gedempte Havenplein en het Kraanplein, met plantsoen begroeid en door flinke huizen ingesloten. Hier ziet men in de nabijheid de Gravensteen verrijzen, bij verkorting “het Steen” genoemd, waar vroeger de baljuw en de Rentmeester-generaal, beoosten Schelde, resideerde, doch dat reeds zeer vroeg als gevangenis heeft gediend, waarvoor het nog gebruikt wordt. Het voorste gedeelte dagteekent uit den tijd van Karel V, toen Mechelsche bouwmeesters den merkwaardigen voorgevel optrokken, dien Mechelsche smeden versierden met ankers, welke aan de symbolen van het Bourgondische en Oostenrijksche huis herinneren. Helaas! dat fraaie smeedwerk werd in de 19eeeuw door den wansmaak des tijds zeer mishandeld.Een der weinige in ons land bewaarde steenen gevels uit de 14eeeuw is die van het zoogenaamde Tempeliers- of St.-Janshuis met baksteenen topgevel.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.Het grootste en merkwaardigste gebouw van Zieriksee is de toren der Groote of St. Lievens Monsterkerk. Op een met acacia’s en olmen beplant plein, door huizen omsloten, aan den buitenrand in het westen der stad, staan kerk en toren op korten afstand van elkander; het is, of de grijze, eerwaardige toren niet meer weten wil van de monsterachtige kerk in Vitruviusstijl, welke men hem in 1832 tot metgezel heeft gegeven. Hij wendt zich met trotschheid af van den karakterloozen bastaard, dien men in zijn familie heeft willen brengen.Hier, op deze plek, werd een kapel opgericht, aan St. Lieven toegewijd, waarschijnlijk in 1151; vervolgens werd een nieuwe kerk gebouwd omstreeks 1378, toen een kapittel van 24 kanunniken gesticht werd.Daar deze kanunniken gemeenschappelijk leefden op de wijze der kloosterbroeders, werd deze kerk Monsterkerk genoemd (naar ’t Gr. monasterion). Onder de kanunniken kwamen uiterst bekwame mannen voor; wij wijzen opden geleerden Philippus à Leidis, den beoefenaar van het kanonieke recht, die daarin onderwijs gaf te Orleans, in 1369 tot hoogleeraar te Parijs werd beroepen en eindelijk, naar zijn vaderland teruggekeerd, de raadsheer van Graaf Willem van Beieren werd; verder nog op den niet minder beroemden arts en geleerde Levinius Lemnius, een Zierikseeënaar (geb. 1505), die in deze kerk werd begraven.De toen gebouwde kerk brandde gedeeltelijk af in 1466, maar werd hersteld en dit gebouw bleef bestaan tot 1832, toen door de onvoorzichtigheid van een loodgieter de kerk weder in de asch werd gelegd. In plaats van het gebouw in zijn waardige vormen te herstellen, werd de tegenwoordige kerk gebouwd.Gelukkig is de toren bewaard gebleven, een zwaar Gothisch gebouw, dat daar nog in volle majesteit verrijst. De bouw van den toren werd in 1454 aangevangen door Anthony Kelderman uit Mechelen, gesproten uit een kunstenaarsfamilie, aan wie Zeeland ook het merkwaardige stadhuis te Middelburg en de kerk te Veere dankt. Deze kerk is een der machtigste Gothische monumenten van de geheele wereld, zegt Jhr. de Stuers. Met Rijkshulp onderging dat monument in 1836–1840 een verknoeiing en werd de toren gekroond met een in hout vervaardigd hoofdgestel in Empire-stijl. Nadat een en ander bouwvallig geworden was, nam het Rijk den toren van de stad over, en door stad en Rijk werd in 1882–1895 de restauratie ondernomen.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.De toren is, zooals de meeste torens uit dien tijd, onvoltooid gebleven. Een afbeelding op het stadhuis stelt den toren voor, zooals de ontwerper zich dien gedacht had. De toren zou dan 200 M. hoog geworden zijn, langzaam afloopend bij elken ommegang.Zieriksee is als nederzetting ontstaan op een hoorn of hoek van het oude eiland Schouwen, op korten afstand van de Schelde, zoowel als van het verbindingswater met het noorden, de Gouwe. Daar had reeds in vroegen tijd een vereeniging plaats van landbouw, scheepvaart, handel en industrie. Als eilandstad gunstig gelegen voor het afleveren der landbouwprodukten, werd het een locale marktplaats, en de venige, derrieachtige aardlagen, welke men er onder de klei aande oppervlakte vond, gaven aanleiding tot het selbarnen of zoutbranden (zie de noot op pag.166), dat hier een levendige industrie werd. Een schilderij op het stadhuis geeft van de zoutbranderij een afbeelding. Nabij de stad had men nog lang de bewijzen der vroegere zoutbranderij in een paar heuvels, Noord-Zelke en Zuid-Zelke, welke gevormd waren uit de asch, die bij het zoutbranden overbleef. De heuvel Zuid-Zelke werd op den tweeden Paaschdag door oud en jong beklommen; men wierp van hier de hardgekookte eieren in de hoogte, sporen van de oude lente-offers. Doch de zelkasch werd verkocht aan de glasblazerijen en na jaren achtereen aan de stadskas groote voordeelen geschonken te hebben, werd de laatste zelkheuvel in 1895 weggevoerd.Toen de zoutbranderij verboden werd van overheidswege, wegens de landvernieling, die zij tengevolge had, wist de ontluikende scheepvaart het klipzout reeds uit Spanje en Frankrijk aan te voeren en in plaats van zoutbranderijen ontstonden er zoutziederijen en raffinaderijen. Van welk belang dit was, blijkt hieruit, dat er in 1526 nog 77 zoutkeeten bestonden. Daarbij kwam nog de visscherij als bron van bestaan en de levendige scheepvaart en handel. Deze bedrijven werkten samen, om Zieriksee in de 15een 16eeeuw tot een welvarende stad te maken.Doch de groote zoutindustrie ging in de 17een 18eeeuw langzamerhand te gronde; de haring- en kabeljauwvisscherij, in de 16eeeuw zoo bloeiend, terwijl er in 1711 nog ongeveer 80 visschersschepen gevonden werden, ging teniet, zoodat er in 1800 slechts 2 waren overgebleven. Eveneens verdween de eens zoo bloeiende scheepvaart. In 1720 telde de stad nog 75 koopvaardijschepen, maar onder het Fransch bestuur ging zij geheel te gronde.Toch is Zieriksee geen doode stad; zij is enkel teruggedrongen tot haar natuurlijke handelssfeer en werd weer uitsluitend de marktplaats van Schouwen en Duiveland. Op de marktdagen is het nog een echt levendige plaats. Een lange haven, tusschen twee hooge dijken gelegen, de Nieuwe haven, brengt Zieriksee in verbinding met de Schelde; in 1579 begon men die aan te leggen. Vroeger had de stad de Oude haven, die ten oosten der stad uitkwam in een kreek of diep, dat in de Schelde uitliep.IV. Over Brouwershaven naar Westenschouwen.Met veel bochten, doch in hoofdrichting naar het noorden, loopt de stoomtram thans van Brouwershaven dwars door Schouwen. Langs welig begroeide bouwlanden, grazige weiden en belommerde dijken buigt de straatweg voorbij het fraaie geboomte der buitenplaats Zorgvlied, waarbij zich aansluiten de villa’s Welgelegen, Mon Plaisir, Buitenrust en andere, die te zamen het gehucht “Schuddebeurs” vormen, aldus genoemd naar een uitspanning met fraaien tuin. Dezevriendelijke, boschrijke oase, te midden der kleilanden, was al vroeg door de Zierikseesche familiën zeer gezocht.Niet ver van hier, aan den Kloosterweg, verhief zich eens het rijke Karthuizer klooster Zion of Berg Zion, dat in 1575 verwoest werd bij de belegering van Zieriksee door de Spanjaarden. Wij komen voorbij Noordgouwe, een dorp in een jong aangewassen polder, waar in 1304 nog een scheepsstrijd plaats had tusschen Hollandsche, Fransche en Vlaamsche vloten, voorbij Zonnemaire, omstreeks 1400 ontstaan in een toen bedijkten polder, door Bommenede, een bloeiend dorp aan den zeedijk, en bereiken spoedig Brouwershaven.Brouwershaven is een oude smalstad aan de Grevelingen en telt thans ongeveer 1400 inwoners. Het stedeke maakt een melancholischen indruk; zoo stil en vergeten ziet het er uit, wat te meer uitkomt door het ruime marktplein bij de haven, waar het raadhuis verrijst met zijn schilderachtigen gevel, en dat er op wijst, dat deze plaats eens grooter beteekenis moet hebben gehad.Het stadhuis van Brouwershaven werd in 1599 gebouwd en is in 1890 gerestaureerd naar het oorspronkelijk plan; de gevel is een beeld van den levendigen, opgewekten Renaissancestijl. Als men het bordes met dubbelen hardsteenen opgang betreedt, ziet men boven den fraaien ingang een nis met het beeld der gerechtigheid, waaronder in ’t Latijn staat, dat “de wet het behoud voor ’t gemeenebest is.” De klapvensters, de in lood gevatte, kleine ruitjes, de levendige afwisseling van kleuren en vormen, brengen ons den gouden tijd voor den geest, toen welvaart en kunst hun hoogtij vierden in deze landen en zich uitten bij schier elk openbaar gebouw, zelfs in de kleinste landstad.Stadhuis te Brouwershaven.Stadhuis te Brouwershaven.In het stadhuis vindt men het archief der stad met het oudste stuk uit 1344, waarbij aan Brouwershaven een vrije haringmarkt werd geschonken. Een folio-exemplaar der werken van Cats met eigenhandig geschreven opdracht en sierlijke zilveren sloten wordt op het stadhuis bewaard ter herinnering aan het feit, dat Jacob Cats in deze plaats het levenslicht aanschouwde, 10 Nov. 1577.Van Brouwershaven is Cats de groote burger. Een klein, nederig huisje in de Noorderstraat, met twee ramen en een deur in de benedenverdieping en één raam in den dakgevel, wordt als het geboortehuis van den dichter van “den Boerenbijbel”aangewezen. In het begin der 19eeeuw zag dit huisje er nog juist zoo uit als in den tijd, toen Cats er opgroeide; later is het veranderd. Op de Markt is in 1829 een standbeeld van Cats opgericht, rustende op een vierkant voetstuk van arduin. Om den Hollandschen schoonmaakgeest eer aan te doen, wordt het jaarlijks zorgvuldig gewit.Een hoogst belangrijk gebouw is de kerk van St. Petrus en Paulus, een der mooiste bouwgewrochten in Nederland; het werd van 1876–1892 door het Rijk en de stad gezamenlijk gerestaureerd. Het koor met ambulatorium, vijf absidiale kapellen en transept, alles gewelfd met baksteen, dagteekent van 1293; de tegenwoordige drie schepen zijn uit de 15eeeuw. Toen men er aan dacht, dit gebouw te sloopen, trok de Regeering zich het gelukkig aan en zoo bleef het voor de geschiedenis onzer bouwkunst behouden. Het antieke orgel, dat het jaartal 1557 droeg, is aan het Rijk verkocht en bevindt zich in het Rijks-Museum te Amsterdam.Brouwershaven wijst in zijn geschiedenis duidelijk aan, hoe de omstandigheden ten voor- of nadeele van een plaats kunnen veranderen. De plaats is ontstaan aan den mond van een water, de Duivenee, dat voorbij Brijdorpe uit het eiland kwam en hier in het breede zeegat uitmondde. Brijdorpe, thans een onbeduidend gehucht, was in de 13eeeuw een dorp van beteekenis, een der aanzienlijkste dorpen van Schouwen. Waarschijnlijk beteekent de naam “Brouwersdorp”. Graaf Floris V wilde Brijdorpe tot een koopstad maken, en om een haven te verkrijgen aan den mond der Duivenee, werd hier door den Hollandschen Graaf van Jan van Renesse 100 gemeten lands gekocht, om er een stad en een haven aan te leggen in 1288; door den dood van Floris V verkreeg het plaatsje echter nog geen stedelijke rechten. Het kwam pas tot grooten bloei na den afval van Spanje, toen het in 1590 verlof kreeg, zich door wallen te beveiligen, de gedaante en het karakter eener stad aannam, een smalstad werd. Het recht van stemhebbende stad verkreeg Brouwershaven niet.De handel in bier uit Holland was een groote bron van welvaart voor de plaats in oude tijden; Zeeland moest bij gebrek aan goed water zijn bier hoofdzakelijk van elders verkrijgen. Naast den bierhandel bracht de visscherij, vooral de haringvisscherij, de plaats tot welvaart; in de 17eeeuw kwamen vele kooplieden uit Holland hier, om de haring in te koopen. Doch met den achteruitgang der visscherij taande ook de welvaart van Brouwershaven. In 1822 was de plaats zoozeer in verval, dat het aantal ingezetenen tot 322 gedaald was.Er kwam hoop op nieuw leven en ook werkelijk vooruitgang, toen in 1838het Brouwershavensche Gat werd betond, om te kunnen dienen tot toegangspoort uit zee voor de groote schepen, naar Dordrecht en Rotterdam bestemd. De verwachting was hoog gespannen, daar deze reede in den winter steeds open was; tal van loodsen, verificateurs, enz. vestigden er zich met het oog op het herbloeien van den handel; een groot logement “Catsburg” werd gebouwd, om de vreemdelingen te kunnen herbergen. Doch die hoop werd niet verwezenlijkt, en na de opening van den Nieuwen Waterweg voor Rotterdam verliet het scheepvaartverkeer Brouwershaven weder; de ambtenaren vertrokken, de bedrijvigheid stond plotseling stil. Brouwershaven was weder een doode stad geworden als vóór 1838. En die toestand was des te drukkender, daar hij volgde op een vleugje van nieuw, opbloeiend leven.Wij verlaten het droefgeestige stedeke, waar de tram ophoudt, om het westelijk Schouwen nog te doorkruisen op eigen gelegenheid. Terwijl wij den weg langs den zwaren dijk volgen, die de woedende golven der zee in het Brouwershavensche Gat tegenhoudt, hebben wij van tijd tot tijd gelegenheid, die hooge borstwering te beklimmen en een gezicht over Schouwen aan den eenen, over de zee aan den anderen kant te genieten. In het noorden zien wij over de thans rustige wateren de duinen van Goedereede in het zonlicht blinken met den toren van Ouddorp; in het zuiden vóór ons ligt Schouwen in een diepe kom, waar graslanden met bouwlanden, door goudgele tarwe bedekt, afwisselen, terwijl hier en daar een dorpje, te midden van eenig geboomte, uit het overigens naakte land oprijst.Vóór een vijftal eeuwen had het landschap hier een ander aanzien. Onderscheidene kasteelen en aanzienlijke kloosters verrezen zoo hier en daar uit het land, waarvan thans geen bouwvallen zelfs meer over zijn, en meer dan één bloeiend dorp uit de middeleeuwen is gedaald tot den omvang van een gehucht. Zoo bijv. Brijdorpe, dat wij reeds noemden. Het slot Herkestein, waar in 1426 de Engelschen en de Hoeksche edelen, die vrouwe Jacoba getrouw waren gebleven, moesten onderdoen voor de Kabeljauwschen, is geheel verdwenen, zoodat men zijn plaats niet meer weet; Looperskapelle en Klaaskinderenkerke zijn van dorpen gehuchten geworden, en van het klooster “Bethlehem bij de duinen van Schouwen”, dat in de 12eeeuw gesticht en in 1572 door de Watergeuzen verbrand werd, is ook niets meer over; alleen is de naam nog bewaard voor een hofstede.Langs het dorpje Scharendijke en voorbij het gehucht Oudendijke zien wij in het noorden weldra de duinheuvels plaats maken voor den dijk en spoedig daarna komen de toren en trapgevels van een kasteel tusschen het geboomte te voorschijn, terwijl de achtergrond in het westen gevormd wordt door een schilderachtigen, boschrijken zoom langs de duinen, die zoo hier en daar in witteblinkerts er uit oprijzen, als om te toonen, waaraan West-Schouwen zijn heerlijke natuur te danken heeft. Want thans bevinden wij ons op het wel meest afgelegen, maar ook het schoonste en oudste gedeelte van Schouwen, dat in de oudheid door den adel bijzonder gezocht was.Het slot, dat wij vóór ons zien, is een treurig overblijfsel van het eens zoo beroemde Moermont, in de oudheid een sterk kasteel, omringd door wijde en diepe grachten en met vijf torens versterkt. Dit was het stamhuis en de verblijfplaats der Heeren van Renesse, waartoe ook de Zeeuwsche Bayard, heer Jan van Renesse, behoorde, die wegens de wonderen van dapperheid, welke hij meer dan eens verrichtte, in de landskronieken wordt aangeduid met den eerenaam van “de vrome en onversaagde ridder”. In 1244 vertoefde op dit slot Graaf Willem II; in 1297 werd het maanden lang belegerd door Wolfert van Borselen en bijna geheel vernield. Na herbouwd te zijn werd het nogmaals verwoest, maar in 1513 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1751 werd het in den toestand gebracht, waarin men het thans ziet, doch de trotsche bosschen met aangename wandeldreven zijn alle verdwenen, en alleen eenig ruw, slecht onderhouden geboomte omringt het vervallen oude huis, dat slechts tot arbeiderswoning dient.Het slot Moermond Renesse.Het slot Moermond Renesse.Weinige minuten verder ligt het dorp Renesse, te midden van de bekoorlijke geeststreken, gebouwd rondom een ruim, met boomen beplant kerkplein. Door een boschrijken zoom, binnenlangs de duinen, loopt de straatweg van Renesse naar Haamstede, terwijl langs den weg de paden zich in bosch en duin verliezen. De duinen hebben hier de aanzienlijke breedte van een uur gaans.Het vriendelijk dorp Haamstede, dat wij thans bereikt hebben, vormt een breede straat, met olmen en kastanjes beplant, die zich in het midden om de kerk verbreedt tot een plein. Hoewel het dorp van hoogen ouderdom is, vindt men er toch geen oude gebouwen; de drieschepige kruiskerk heeft haar tegenwoordigen vorm in 1605 verkregen en biedt weinig belangrijks.Ten westen, onmiddellijk naast het dorp, verrijst het oude slot Haamstede. Eenmuur met zware ijzeren poort, de poortpilaren gekroond met de wapens van Witte en Mogge, de vroegere bezitters, sluit aan de zijde van het dorp de plaats af, en de heerlijke bosschen strekken zich naar het westen uit tot diep in het duin. Binnen de voorpoort gekomen, ziet men het slot, door grachten ingesloten en met een klein plein rondom het gebouw. De steenen brug voert tot een oude steenen poort, met klimop omrankt en met een wapen gekroond. Daar verder verrijst de hooge, gekanteelde muur van het huis met twee torens.Het slot Haamstede werd vermoedelijk in de eerste jaren der 14eeeuw gebouwd door Witte van Haamstede. Van dit slot snelde de dappere Witte, Grave Floreszoon, in 1304, naar Holland, plantte de leeuwenvaan op den Blinkert, bestreed den Vlaming en wist geestdrift te wekken voor het Hollandsche Gravenhuis. Zoo werd hij de “geesel der Vlamingen”, de “redder van Holland”.“Men vraagt zich niet, of menig heldDen eedlen Witte vergezelt,Genoeg, genoeg is ’t, dat hij kwam,De wakkre telg uit Hollands stam!En wat zou ook een tal van knechtenIn staat zijn, meerder uit te rechten?Een balsemdrop, een bloem bevruchtMet geuren ieder deel der lucht;Een enkle zon verlicht de sfeer,Een enkle held bezielt een heir.”Tot 1454 bleef deze heerlijkheid in het bezit der Witte’s van Haamstede. Na verschillende lotswisselingen der edelen van Haamstede viel het oude slot in 1525, toen René van Brugge er heer was en hij de roemrijke overwinning van Karel V bij Pavia ook op Schouwen wilde vieren, terwijl des avonds smeerpotten en teertonnen de muren zouden verlichten, als een prooi der vlammen, waaruit weinig gered werd. Alleen de geroosterde wanden, een paar torens en de hoofdpoort bleven staan met enkele muurbrokken. Zoo bleef het slot een verlaten ruïne. Toen Keizer Karel V in 1540 te Zieriksee kwam, begaf hij zich nog naar Haamstede, om de plek te zien, waar op een aan hem gewijden vreugdedag het roemrijke slot was verwoest.In 1608 werd het slot herbouwd door Jacob van den Einde, den toenmaligen bezitter der heerlijkheid. Nog werd het uitgebreid in 1879–81, en het laatst onderging het veranderingen in 1888. De zware bosschen, die er stonden, werden in het midden der 19eeeuw grootendeels gekapt, maar zijn door jong hout vervangen, dat thans weer prachtige, koele lanen aanbiedt en een heerlijken overgang naar het woeste duinland vormt, dat daar nog ligt als een stuk onbedorven natuur.Door dit slot en de verdere schoone omstreken, alsmede door de behagelijke rust, waarin het dorp ligt, is Haamstede een plaats, juist geschikt, om het geestelijk evenwicht, dat in onzen zenuwachtigen tijd veel heeft te doorstaan, te herstellen.Op korten afstand, ten zuiden van Haamstede, ligt aan den voet van de duinen het schilderachtige dorp Burg, gebouwd aan het met vruchtboomen beplante kerkplein. De kerk is in 1674 gesticht. Zij bezit een kunstvol glasraam uit de 17eeeuw, geschonken door de Staten van Zeeland.Ten zuidwesten van Burg stond tot 1890 het oude slot Craayenstein, dat, hoewel verbouwd, afkomstig zou zijn uit den tijd der Noormannen. Aan dezen burcht dankt het dorp zijn naam. Ten O. van het dorp vindt men, ten deele opgegraven, de fundamenten van het klooster Leliëndale, in 1459 gesticht en na verwoesting bij den beeldenstorm geheel verlaten.Een eigenaardig volksfeest, geheel bijzonder voor Schouwen, dat in den laatsten tijd weer toeneemt in beteekenis, moeten wij nog vermelden. Dat is het zoogenaamde “stra-rijden,” bij verkorting ook “stra” genoemd.Het slot te Haamstede.Het slot te Haamstede.Stra is een tweeledig ding: het is een kermis zonder kramen, een paardenmarkt zonder koopers of verkoopers, een jaarmarkt zonder nadagen, zonder officieel karakter, bij geen autoriteit bekend, in geen almanak opgegeven, conventioneel ontstaande en eindigende, een dag van ontspanning, die vrienden bij elkander brengt, een episode in de wintersche dagelijkschheid, die jaarlijks komt en daarin getrouwer is dan ijs en schaatsen.De stra is eigenlijk een uitsluitend Schouwensch feest, men kan het niet beter karakteriseeren dan als een volksfeest, het was een soort van kermis op het strand, waaraan het ook zijn naam heeft te danken. Door het weglaten der beide laatsteletters is de naam strand moeilijk meer in stra te herkennen, maar het eigenlijke van het feest wijst toch op die afkomst.Als de kortste winterdagen voorbij zijn en de rijzende zon den aantocht van de lente verkondigt, als de veldarbeid na de winterrust weder begint aan te vangen, of althans wordt voorbereid, viert men vooraf het strandfeest, dat men als stra-rijden aanduidt. Elk dorp heeft zijn bepaalden dag vanstra-rijden, te beginnen met den eersten Maandag in Maart en zoo vervolgens. Dan worden de paarden alle netjes gekamd en geborsteld, de staart in kunstige vlechten geslagen en de zoons en knechts der boeren stijgen te paard, om, na in het dorp vereenigd te zijn, in optocht naar het strand te rijden. Geen paard blijft op dien dag op stal en de zonen des huizes hebben natuurlijk het recht op de keur van de paarden. Ongezadeld, in flinken draf, rijdt men aldus naar zee, waar den dieren de voeten gespoeld worden, als om den zegen voor het nieuw aankomende arbeidsjaar op het veld, waaraan de paarden ruim hun deel hebben, uit Neptunus’ hand te vragen.Aan het strand gekomen, wordt de paardenstoet in het zilte nat gedreven.Zij plassenEn wasschenDe kooten;Hun pootenGaan klapperenBij ’t dapperenDoor ’t water-Geklater.De hoevenBeproevenHet vochtige zand;Een lustige kwant,Een vroolijke ruiter,Zet ’t paard aan, maar stuit erBij ’t stuivende duin,aldus schetst een medewerker van de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846 het stra-rijden.Het stra-rijden is een voetspoeling der paarden in zee. Als dit onder vroolijke scherts geschied is, keeren de stra-rijders naar het dorp terug, waar een soort van kermis gehouden wordt. Daar zijn thans de stalletjes en kraampjes geplaatst met sinaasappelen en koek, en niet meer op het strand, en in de dorpsherberg heerscht een druk leven, dat nog voortgezet wordt, ook nadat de stra-rijders hun paarden weder op stal hebben gebracht.Elk dorp in het westelijk Schouwen heeft zijn eigen stra-dag, zeiden wij. Men berekent de stra-dagen naar dien van Haamstede, waar stra valt daags vóór vastenavond. De stra-dag van Renesse heeft een week eerder plaats; dit dorp opentde reeks der stra-dagen. Des Zaterdags na Haamstede heeft Noordwelle zijn stra; een week daarna Serooskerke en nog een week later Ellemeet, vervolgens Elkersee.Waaraan de stra-dagen hun oorsprong hebben te danken? Niet onwaarschijnlijk behooren zij in de reeks der oude lentefeesten. Zooals men in de landgewesten naar de bosschen toog, als de tempels der goden, wendde men zich aan de kust naar de zee, de machtige en indrukwekkende, die volgens het volksgeloof weer en wind beheerscht, die door haar bruisen de stormen aankondigt, en uit wier schoot de onweders oprijzen. Is het onnatuurlijk, dat men de goden, die daar woonden en heerschten, eerbiedig huldigde; dat men de paarden, die den ploeg trekken, in zee als ’t ware een wijdenden doop deed ondergaan, vóór zij het akkerwerk aanvingen?In Zeeland gaf de zee aanleiding tot menige uitspanning. De jeugd begaf zich steeds gaarne naar het strand, om zoowel in het duin te stoeien als zich met de spelende golfbeweging van het water op het strand te vermeien en in de ondiepe wateren van de kust te spartelen. De tragische geschiedenis van Roosje heeft het gebruik, om jonge meisjes stoeiend in zee te dragen, algemeen bekend gemaakt voor Walcheren, doch het vond ook hier plaats.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.In het zuidwesten van het eiland ligt aan den breeden Scheldemond Westenschouwen, thans een gehucht van slechts een tiental huizen, niet een bezoek waard, als men het zeegezicht uitzondert. Doch eens lag hier een aanzienlijke plaats, die al vroeg het bloeiendste vlek van Schouwen uitmaakte. In den tijd, toen de Ooster-Schelde nog een minder breed water was, had Westenschouwen door zijn ligging aan den mond een goede haven, om de zeevaart in binnenvaart te doen overgaan. In 1438 werd van hier de vaart op Portugal en Spanje gedreven, en door tal van privilegiën van tolvrijheid, o.a. in Lotharingen en Limburg, in Engeland (1475) en elders, bloeide Westenschouwen op tot een aanzienlijke plaats. Hier begon men in 1493 het eerst in Zeeland voor de vischvangsthoekers te bouwen; vroeger werd de visscherij slechts met kleine pinken gedreven. Toen werd Westenschouwen een bloeiend, fraai dorp. Reigersbergh verhaalt van een dreef van boomen, aan beide zijden van de straat tot de kerk toe, die met schoone huizen bezet was, waarin de fraaiste kelders waren, als ware het een stad geweest. Vreemdelingen van alle streken kwamen in Westenschouwen, waar de Rijnsche wijn, volgens een mededeeling, in 28 herbergen geschonken werd en waar een levendig verkeer heerschte.Maar aan deze veranderlijke stroomen wisselt alles. De eens zoo schoone haven verzandde en was aan het eind der 15eof in het begin der 16eeeuw verloopen. Voor een plaats, die door haar haven alleen was opgekomen, werd hierdoor de bron van welvaart gesloten. Daarbij kwam, dat gelijktijdig hiermede het gevaar voor overstrooming dreigde en de bodem werd aangetast. Reeds voor eenigen tijd waren kerk en toren verder landwaarts verplaatst, en de plek, waar het oude Westenschouwen stond, moest geheel buitengedijkt worden.De bewoners verlieten Westenschouwen; het eene huis na het andere werd afgebroken. De legende fabelt van een meermin, die hier gevangen werd, en wrake roepende den vloek uitsprak over de plaats.Of het door den vloek der meermin was of niet, Westenschouwen is te gronde gegaan. De wateren der Schelde spoelen thans, waar eens het dorp stond. In 1591 was de kerk niets meer dan een bouwval. De huizen verdwenen, het eene voor, het andere na. Nog lang bleef de kerktoren staan, een schilderachtige ruïne op den bodem der verlaten plaats, maar in 1845 werd die bouwval afgebroken en verkocht.Wij staren van hier naar het oosten in de richting van Zieriksee en laten den blik weiden over de breede vlakte der Schelde, die met een groote ronding in Schouwen opbuigt. Deze inham is een gevolg van de werking van het water, dat de zuidkust van Schouwen met nimmer rustende vraatzucht heeft afgeknaagd en uitgehold. Al langen tijd is Zuid-Schouwen door dijkvallen en oeverafschuivingen, die telkens gedeelten lands in de diepte deden verzinken, aangetast en zoo zijn van Westenschouwen tot Zieriksee in den loop der tijden onderscheidene dorpen en stukken lands in de golven verdwenen. Dicht bij het havenhoofd van Zieriksee lag eens het dorp Borrendamme, dat, in 1477 en 1530 reeds sterk aangetast, in 1613 geheel verwoest werd. In 1662 ging in deze streek het dorp Rengerskerke te gronde. Het dorp Zuidkerke is reeds vroeg hier vergaan en een nieuw dorp van denzelfden naam, verder binnenwaarts gebouwd, is in 1534 weer verdwenen. Simonskerke, St. Jacobskerke, Brieskerke met de buurt ’s Heer-Arendshaven zijn alle vergaan door het water.Daardoor is de eens veel smallere Ooster-Schelde een breede inham der zee geworden in den loop der tijden. Het eiland Worigeszand of Orisant, tusschen Noord-Bevelanden Schouwen gelegen, is in de 18eeeuw door den waterwolf geheel opgeslokt.Doch wij willen ons niet langer met treurige gedachten aan de vergankelijkheid der Zeeuwsche gronden bezighouden. Wij verlaten dit eiland met de overtuiging, dat, al kon niet elke grondbraak of oeverafschuiving beteugeld worden, onze ingenieurswetenschap door het beperken van het landverlies toch ook hier schitterende overwinningen heeft behaald op de natuur.
B. Zeeland.I. Ontwikkeling der Provincie en enkele Opmerkingen.Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd, om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en enkele oude wetten.Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda (Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt, in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis) heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen, is niet onwaarschijnlijk.Tot ongeveer het begin der 9eeeuw behoorde Zeeland tot het land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwinin Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag.176), nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel op de bevolking gedrukt.De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische, dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel als hetzelfde werden beschouwd.Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen en de Krammer.De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en Holland. In de 9eeeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na dezen, doch niet vóór de 11eeeuw, zien wij de graven van Vlaanderen en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323 deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde (de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II, bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele, Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland, Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den Brabantschen wal.In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in den tijd derRepubliek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:’k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde,Door ’t wereldrond om trouw en deugd vermaard,Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde,Den schrik verspreidden over de aard.Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?De Lange’s1overmoed, of Ewouts2vuist,Die ’t eerst den trots van Arragon kon dwingen,Medina’s vloten heeft vergruisd?Of Hollands redders, toen ’t aemechtig LeydenWelhaast in ’t wee, te lang geduld, verzonk,Toen bij den lof van ’t nameloos verblijdenBoisots3en Willemsz4eerzang klonk?De Moor5, vol vuur zich offrend voor uw zonen,Of Lieven6, de eer van ’t trouwe Zieriksee;En Haeck7, wien, al te vroeg, zijn moed betoonenDe stoute ziel ontvlieden dee?Of de Evertsens8, om ’t bloed, zoo mild vergoten,Den lofzang van geheel een wereld waard;De Bankerts9, roem en trots van Neerlands vloten,Verdedigd door hun leeuwenaard.In ’t midden prijkt, gelijk bij minder lichtenAan ’t helder zwerk de zilverblanke maan,De Ruyter, voor wiens staf de volk’ren zwichtten,De schrik van d’ ouden Oceaan!In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21enJuni de wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen, terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen, waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder opschudding, en den 28enApril 1747 werd door de Staten van Zeeland de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen politieke: zij welde op uit den boezem des volks.Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel; Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten, en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat Heye schreef:Uit zee hebt gij uw grond gewrocht,O Nederland—en wat onze oogenIn uw landouw bewondren mogen,Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht,En uit haar diepe, wilde golvenDe reinste parels opgedolven.Als visschersvolk staakt gij in zeeEn bracht, na strijd van tachtig jaren,Als oorlogsschatting van de barenEuroop’de Vrijheid en de Vree,En zaagt voor ’t dundoek van uw kielenElk volk in vreeze en eerbied knielen.Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater, het overvloedigewater des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij, volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden vele eeuwen de meekrap geweest.Geen boekweit siert der Zeeuwen erf,Schoon ze elders de oogen vleitDoor ’t levend wit, met rozenverfBekoorlijk overspreid,Maar Zeelands kleigrond voedt een plant,Wier schoon, wier heilzaam roodVoor eeuwen reeds aan ’t vaderlandEen tak van welvaart bood.Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort:De meekrap, hier zoo schoon,Spreidt nog in ’t afgelegenst oordHaar kleur vol zwier ten toon.Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur vervangen.De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een bijzonder smakelijk vleesch.Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.1Sebastiaan de Lange, van ter Veer.2Ewout Pietersz. Worst.3Lodewijk Boisot.4Adriaan Willemsz.5Jan en Joost de Moor.6Lieven Jansz. Kaersemaker.7Pieter Haeck, baljuw van Middelburg.8Geslacht der Evertsens.9Joost en Adriaan Bankert.II. Van Steenbergen over Tolen en St. Filipsland naar Duiveland en Schouwen.De noordelijkste eilandenrij van Zeeland valt het gemakkelijkst van Noord-Brabant uit te bereiken.Van Breda over Oudenbosch loopt een stoomtram naar Steenbergen en hiervangt een lijn aan, die thans de beste verbinding geeft met de eilanden. Wij zullen deze route in hoofdrichting volgen, ook al veroorloven wij ons van tijd tot tijd flinke zijuitstapjes.Wanneer wij met den stoomtram van Oudenbosch reizen, bemerken wij al spoedig, op korten afstand ten westen van dit plaatsje, dat wij feitelijk in het delta-land zijn aangekomen. Al bevinden wij ons hier thans in het midden van het land, al schuimen nergens in de nabijheid de woedende wateren, het vette kleiland, door onderscheidene hooge dijken doorsneden, hoe achteloos kalm ook in cynische rust gelegen, zij beide wijzen duidelijk aan, dat hier eens de golven het vruchtbare slib hebben aangevoerd, waarop de schoone tarwe en bieten worden verbouwd. Doch al is het feitelijk in het deltaland, het water heeft hier zijn gaven van nieuwland nog aan den zandbodem van Noord-Brabant vastgehecht.Wij naderen Steenbergen, waar de zandgronden in een rug tusschen de kleigronden vooruitschuiven, een laatste worsteling tusschen Diluvium en Alluvium. Stil en vergeten ligt daar het oude stedeke; in zijn straten heerscht diepe rust. Merkwaardigheden zoekt ge vruchteloos in deze plaats, al zou de hooge ouderdom der stad hier allicht iets uit het verre verleden doen vermoeden, want volgens de meening van enkele historieschrijvers zou de nederzetting te dezer plaatse haar oorsprong te danken hebben aan een tolhuis, dat in 603 aan het kanaal, gegraven van Strienemonde tot Strienham, door zekeren Strenius, landvoogd van dit gewest, gebouwd werd. In elk geval was Steenbergen in de 14eeeuw een vrij aanzienlijke koopstad, die handel dreef op Engeland en Denemarken. De nederzetting was toen veel grooter dan thans. Doch met het aanslibben van het delta-land gingen de voordeelen van haar ligging aan de groote stroomen verloren. Er vormde zich een voorland voor Steenbergen; de plaats werd een landstad, en de handel ging hiermede teniet. En toen in 1365 een zware brand de stad trof en bijna geheel vernielde, werd zij wel herbouwd, maar binnen een engeren ringmuur dan vroeger. Men verhaalt, doch dit lijkt niet waarschijnlijk, dat het nieuw herbouwde Steenbergen nauwelijks een tiende gedeelte van zijn vorige grootte zou verkregen hebben.Steenbergen was destijds een vesting, maar slechts een enkele muur omringde de stad, en in den tijd van den tachtigjarigen oorlog was zij niet in staat aan de belegeringen van den hertog van Parma in 1583, en later aan die van Prins Maurits in 1590, tegenstand te bieden. Eerst in 1629 werd zij volgens de beginselen der nieuwere vestingbouwkunde versterkt met een aarden wal. Hiervan is echter niets meer over dan enkele sporen van den omtrek; Steenbergen ligt thans open en is een onbeduidend landstadje met ruim 2000 inwoners, die hoofdzakelijk hun bron van bestaan vinden in de landelijke omstreken en door de beetwortelsuiker- en stoommeelfabrieken. Architectonisch schoon zoekt men vruchteloos in hetoude plaatsje; het was reeds economisch te gronde gegaan, vóór de Hollandsche bouwkunst zich tot haar typische schoonheid ontwikkelde. De burgerhuizen, ruim gebouwd met breede gangen, staren wezenloos en als zonder karakter op de stille straten.Wij volgen de lijn van den tram, die de jonge polders van noordwestelijk Noord-Brabant naar Nieuw-Vosmeer doorsnijdt. Over ’t geheel is dit een weinig aantrekkelijk landschap. Maar hoe eentonig ook, een bron van produktieve levenskracht is in dien vetten aardbodem verborgen. Vóór 500 jaren lag de noordwestelijke hoek van Noord-Brabant tot dicht bij Steenbergen nog bijna geheel onder water: een woeste vlakte met slikken en platen, bij vloed één waterzee, welker golven woest over de ondiepten heenstroomden, terwijl bij ebbe de slibberige gewassen grijsglanzend uit het water kwamen opduiken.Eerst langzamerhand drong de dijkenbouwende bevolking in deze vlekken door, en van tijd tot tijd werden de nieuwe gedeelten door den mensch geannexeerd voor het bedrijf, die zich het best er toe leenden. Het eerst werden de Nieuw-Vosmeersche en de Nieuwe Heipolder, waarlangs de trambaan loopt, in 1433 bedijkt (herdijkt in 1565). ’t Was een eiland, midden in het water, door de bewoners van Oud-Vosmeer op Tolen bedijkt en zeker ook grootendeels bevolkt. Daardoor werd Nieuw-Vosmeer als polder tot Zeeland gerekend, hoewel door het breede water der Eendracht er van gescheiden, en tot 1809 bleef Nieuw-Vosmeer een Zeeuwsch dorp, dat eerst in dat jaar provinciaal tot Noord-Brabant gebracht werd. In natuurkundigen zin echter zijn wij hier reeds in Zeeland.Door het verloopen en dichtslibben der wateren rondom den genoemden oudsten polder hadden naar alle kanten nieuwe bedijkingen plaats: de Oude Heipolder in 1515, de West-Graaf-Hendrikpolder 1528–1538, de Heenepolder in 1610, de Boerengors 1630, de Heerenpolder 1633, de Oude Vlietpolder 1649, de Noord-Heenpolder in 1655. Zoo is, stukje na stukje, de noordwesthoek van het oude Noord-Brabant aangegroeid met delta-land, van een geheel ander karakter dan de echte Brabantsche grond, en Steenbergen was aldus geheel een landstadje geworden.Het landschap van Steenbergen tot Nieuw-Vosmeer biedt weinig afwisseling aan. Uitgestrekte, vruchtbare bouwlanden ziet men aan beide zijden, effen, met geen andere afwisseling in het relief dan de dijken, die de geschiedenis des bodems aanwijzen als de jaarkringen van de boomen des wouds. De boerenhuizen staan op zichzelf, meestal tusschen eenig geboomte, over de velden verstrooid, typen van groote landbouwhuizen. In den zomer overdekt een donkergroen dit landschap door de velden, met beetwortels beplant, die er hun breede bladen uitspreiden, afgewisseld met tarwevelden, ajuin en enkele weiden. ’t Is hier een echte landbouwstreek.Zoo bereiken wij Nieuw-Vosmeer, bijna op de grens van Noord-Brabant, een flink dorp, in de lengte langs den dijk gebouwd, waarboven de roode pannendaken uitkomen. Een weinig ten noorden van het dorp den blik naar het westen richtend zien wij links vóór ons het eiland Tolen, rechts St. Filipsland.Wij laten ons eerst naar Oud-Vosmeer overzetten, om een kijkje te nemen op het eiland Tolen. Starende van den hoogen dijk over het land, blijkt het ons, dat dit eiland uit onderscheidene polders is aaneengevoegd, alle verschillende tijdperken van bedijking aanwijzend. Het eigenlijke Land-van-Tolen is een der oudste eilanden van Zeeland en wordt gerekend onder de landen, die sedert 850 bedijkt zijn, al kent men het juiste jaar niet. In de 13eeeuw bestond Tolen uit tal van kleine eilanden, die allengs door bedijkingen aan elkander werden gesloten. Door het bedijken van het noordelijk deel van den Pluimpot werden in 1556 de oostelijke ambachten aan de westelijke verbonden, en ook in de volgende eeuwen zetten de aanwinst van land en de aaneensluiting zich voort.Van het nette dorp Oud-Vosmeer, langs den dijk, bereikt men weldra het stadje Tolen met ongeveer 3000 inwoners, een oude vesting, waarvan de wallen en grachten nog gedeeltelijk zijn overgebleven. Het is een aan elkander gebouwd plaatsje, met een ruime markt, terwijl onderscheidene oud-Hollandsche gevels den straten een vriendelijk karakter geven. De kerk met haar vierkanten toren en stompe spits ligt tusschen hoog geboomte. Het oude stadhuis is een smal en hoog gebouw van arduin, met een dubbelen arduinsteenen opgang en vier verdiepingen hoog; de trans is als van schietgaten voorzien en het torentje met hooge spits draagt een speeluurwerk.Raadhuis te Tolen.Raadhuis te Tolen.Tolen is waarschijnlijk opgekomen als een tolhuis van den hertog van Brabant, dat hier gebouwd werd aan de Eendracht, eens een druk bevaren water. De naam der stad staat met tol in verband. In de eerste helft der 13eeeuw kwamde plaats in het bezit der Graven van Holland en Zeeland, die er een steenen huis voor den ontvanger van den tol lieten bouwen, en aan het tolhuis ontstond een nederzetting, die in 1335 de vrijheid verkreeg, om stapelvrij koren en haver Holland binnen te voeren. In 1431 hebben eenige Brabantsche kooplieden vele aanwassen en schorren om het Oude dorp van het land van “Ter-Tholen” laten bedijken en zoo verkreeg de nederzetting een handelsgebied op het aanwassende eiland. Daardoor had Tolen in 1438 zooveel beteekenis erlangd, dat het, evenals Reimerswaal, Kortgene, Goes, Vlissingen e. a. steden, een oorlogsvloot moest uitrusten tegen de Oosterlingen. Toch kon de plaats zich niet verheffen boven den rang van een landstadje met winkelnering van een klein eiland. De visscherij, die er vroeger levendig was, is meest naar Bergen-op-Zoom verplaatst.Van Tolen doorkruisen wij het eiland over Poortvliet, een boerendorp, naar Scherpenisse, een steedsch gebouwd dorp, en St. Maartensdijk. De twee laatstgenoemde plaatsen lagen vroeger aan het breede water den Pluimpot, dat het land van Scherpenisse van dat van Tolen scheidde, doch boven genoemde plaatsen in 1556 reeds is ingedijkt tot een smalle kreek en alleen in het benedengedeelte door een smaller water nog met de Ooster-Schelde is verbonden. St. Maartensdijk was vroeger een smalstad, een stad met beperkte rechten; het is thans een flink dorp met een groote markt, die door boomen overschaduwd is. Het is een vrij drukke marktplaats van het eiland. De kerk dagteekent van vóór de Hervorming; men vindt er een praalgraf van Frederik van Borsele uit 1470, dat zeer geschonden is.In de nabijheid verrees vroeger het adellijk huis “het hof te St. Maartensdijk”, een oud, aanzienlijk gebouw, aan den voorkant met een ruim plein, waartoe een groote voorpoort toegang verleende. Een breede gracht omringde het slot met zijn stallingen, tuinen en bosschen. Vroeger was dit slot de woning van den Graaf van Oostervant; Frank van Borselen, de laatste gemaal der ongelukkige Jacoba van Beieren, verkreeg dezen titel en was heer van St. Maartensdijk. In de groote kerk van het dorp zou het geheime huwelijk tusschen Frank van Borselen en Jacoba van Beieren gesloten zijn. Op de plek van het slot, waar vóór een halve eeuw nog uitgestrekte bosschen gevonden werden, staat tegenwoordig slechts een arbeiderswoning, en een gemetselde kelder is het eenige overblijfsel van het eens zoo sterke gebouw.In het westen van het eiland ligt het dorp Stavenisse, langs een breede met boomen beplante straat gebouwd, benevens met enkele huizen om de kerk. Het vroegere kasteel van den ambachtsheer is verdwenen; wij zagen nog de fundamenten van het slot. In de kerk vindt men een fraai marmeren praalgraf van Jhr. Hieronymus van Tuyl van Serooskerke, overl. 1669, gebeiteld door R. Verhulst.Van hier is een veer, dat over het Keeten naar Vianen op Duiveland overzet.Wij zullen van dat middel gebruik maken, om Duiveland te bereiken, teneinde de oude verbindingsmiddelen der Zeeuwsche eilanden te leeren kennen.Daar vóór ons ligt het verbindingswater tusschen de Ooster-Schelde en Krammer, dat van het zuiden af de namen draagt van Keeten, Mastgat en Zijpe. Zulke wateren tusschen de hoofdarmen der riviermonden hebben een zeer afwisselende geschiedenis van worden en vergaan. Waar het eene te gronde gaat en tot land wordt, geschiedt dit niet zelden ten voordeele van een ander water, dat gelijktijdig in breedte en diepte toeneemt. Zoo ging het ook bij de eilanden, die vóór ons liggen. Schouwen en Duiveland bestonden oudtijds uit onderscheidene eilanden, door wateren doorsneden, en in de 13eeeuw scheidde de Gouwe of Golde, een breed water, het eigenlijke Schouwen in het westen nog van Duiveland en Dreischor in het oosten. Dit water liep ten O. van Zieriksee naar het N., waar het tusschen Duiveland en Dreischor den naam van Dijkwater verkreeg; het was in 1304 nog zoo breed, dat de zeeslag tusschen de Hollandsche en Fransche schepen tegen de Vlaamsche aan den anderen kant er geleverd kon worden. Doch langzamerhand verlandde dit water meer en meer; in 1373 en 1374 werden in het noorden landen ingepolderd, waardoor Schouwen met Dreischor werd verbonden, en sedert zette dit proces zich voort. Zelfs werd in 1610 de Gouwe in het zuiden bij Zieriksee geheel afgesloten.Terwijl deze wateren verdwenen, namen Keeten, Mastgat en Zijpe in beteekenis toe. In de 16eeeuw kon men hier een reeks van slikken waarnemen, door ondiepe geulen en kreeken gescheiden. Zelfs konden de Spanjaarden in 1575 van St. Filipsland uit over de platen heen bij eb het Keeten bereiken, dat zij doorwaadden, om op Duiveland te komen en vervolgens het beleg voor Zieriksee te slaan. De Zijpe was in het begin der 18eeeuw zoo ondiep, dat men aan het noordelijk einde er door kon waden.Sedert is dit water dieper geworden; er kwam meer vloedwater binnen, het schuurde over den bodem en vormde een geregelde bedding. Waar men in 1705 nog door de Zijpe kon waden, stond in 1760 reeds 40 voet water en tegenwoordig meer dan 100 voet.Op dit oogenblik liggen die stroomen in machtelooze rust verzonken, weerloos tusschen de slibberige banken, die grijs en zwart glinsteren in het zonnelicht, terwijl van verre de groene dijkwanden het waterlandschap omboorden. De oeverhavens leveren een treurig schouwspel op van slechts enkele verlaten plassen in de kleibedding, waar een verdwaald vischje spartelt in het slik. De veerman staart beschouwend over dit tafereel, dat hij nauwkeurig kent en hetwelk schier dagelijks voor zijn aanzicht wederkeert, om na te gaan, of aan den horizon de geest des Oceaans de wateren ook weder bezielt met nieuw leven. Hij ziet eindelijk de krachten wederkeeren bij den schijndoode: een golfje jaagt van verre spelemeiendover de banken, een tweede volgt iets hooger, en zij naderen. Het water rijst, de haven vult zich weder, zij het ook nog langzaam. Nu maakt de veerman zich gereed, om den overtocht te aanvaarden; wel ligt het ranke vaartuig nog een eind van den wal, maar de schipper stapt met zijn hooge laarzen door water en slijk en op zijn rug worden wij van den wal aan boord gezet. Het scheepje gaat van wal; zacht zwelt het zeil; in onregelmatige zigzaglijnen naderen wij den westelijken oever. Den oever? Neen! Op verren afstand zien wij eerst den dijk. Evenals bij het ter scheep gaan doet de sterke gestalte van den veerman thans weder dienst en... wij worden afgezet op den kant van een der naakte slikken langs den dijk. Ongeveer 20 minuten moeten wij een tocht maken over dit slijkgebied, een wel tamelijk vasten bodem, maar glibberig, overdekt met kleine waterkommetjes, die aan elkander grenzen, door iets hoogere wanden en pollen gescheiden. Over die hoogten als het ware voortspringend, telkens voor onzen voet een nieuw heuveltje uitzoekend te midden van het water, dat hooger rijst, van tijd tot tijd misstappend, zoodat het zilte water om ons opspat, wordt eindelijk de dijk bereikt. Een boerenwagen zagen wij voor ons uit rijden, de wielen plassend door het water en in een stralenkrans de droppels uitwerpend naar alle kanten, waar zij schitterden als zilveren parels in de zon; het was het voertuig, dat de post overbracht van de veerboot naar het eiland.Was thans onze overtocht lastig, niet zelden kan die ook gevaarlijk worden. Bij hoogen waterstand en storm kan ’t er dreigend zijn en hebben oude veerlieden soms uren werk, om, worstelend met golven en stroomen, de reizigers over te varen, hetgeen wel eens geheel mislukt.Tegenwoordig gaat de verbinding gemakkelijker. Om die te leeren kennen, keeren wij in gedachten terug naar Nieuw-Vosmeer en nemen daar den stoomtram weder. Op korten afstand ten noorden van het dorp buigt de baan zich naar het westen over den zwaren Slaak-dam, die door de slikken van de Heene gelegd is, om St. Filipsland met het vasteland te verbinden. Reeds in 1858 was men met het bouwen van een dergelijken dam begonnen, die spoedig weder te gronde ging. Later was men hiermede gelukkiger, en al werden in het begin nog gaten in den dijk geslagen, toch hield hij stand. Deze dam heeft een lengte van ± 2700 meter, d. i. ongeveer een half uur gaans. Aan beide zijden breiden zich steeds aangroeiende slikken uit, welke door elken vloed met nieuwe sliblaagjes bedekt worden en waarover enkele stroompjes bij ebbe tijdens het afvloeien van het getijdenwater diepere geulen openhouden. De grensscheiding van Noord-Brabant en Zeeland loopt dwars door den dam. Men bemerkt het aan de seinen, als men de grens gepasseerd is; op Noord-Brabantsch gebied hoort men van tijd tot tijd het luiden der bel van de locomotief, in Zeeland eerst hoort men de stoomfluit.Wij bevinden ons op St. Filipsland of Filipsland, zooals de bewoners zeggen, een jong eiland, dat een verschrikkelijken strijd met de wateren gestreden heeft. Wel had het reeds vroeger droog gelegen, maar op het eind der 15eeeuw lag het geheel overstroomd. In 1496 werd het opnieuw bedijkt door Filips van Bourgondië, doch in 1511 en nog eens in 1530 liep het geheel onder water en eerst in 1645 werd het wederom ingedijkt. Het dorp St. Filipsland ligt aan den dijk in den hoek van het eiland; de roode daken en een proper molentje komen van verre boven den dijk uit. Op Zondag, als de visschers tehuis zijn, is ’t een levendig gezicht, de vloot van schuiten te zien, bij het dorp gelegen.Flinke stoomveerbooten brengen thans de verbinding over de Zijpe met Duiveland tot stand, om aan beide zijden bij den stoomtram aan te sluiten. Zoo bevinden wij ons spoedig te Bruinisse, een welvarend dorp, dat met zijn roodpannen daken schilderachtig afsteekt bij de grijze kuststreek. Visscherij, oester- en mosselcultuur en de levendige handel in de produkten van het water, vooral op Engeland en België, vormen de bron van bestaan voor deze plaats. Zij telt 2600 inwoners; de visschersvloot bestaat uit 157 schepen, waarvan 135 hoogaarzen.De kerk te Bruinisse is een oud gebouw uit de 15eeeuw. In 1898 zou de kerk gedeeltelijk gesloopt worden, doch door bemiddeling der oudheidkundige commissie van het Zeeuwsch Genootschap voor Wetenschappen is het gebouw door restauratie bewaard gebleven.Een fraaie, lommerrijke straatweg leidt van Zijperhaven, de haven van de tramboot, ten Z. van Bruinisse, voorbij de dorpen Oosterland, Nieuwerkerk en Kapelle naar Zieriksee. Deze weg is een der schoonste van Duiveland; meer boschrijke gedeelten wisselen schilderachtig af met vruchtbare bouw- en graslanden.Oosterland is een bekoorlijk dorp; in de nabijheid ziet men het Slot of Heerenhof te midden van geboomte en vijvers. De oude, in een zadeldak eindigende kerktoren, dagteekent uit het eind der 14eeeuw. Nieuwerkerk is eveneens een fraai dorp; het dorp Ouwerkerk is reeds van verre kenbaar aan zijn toren met stompe spits, die in drie verdiepingen oprijst. Deze en de Jacobstoren in Den Haag zijn de eenige zeshoekige torens in Nederland.III. Zieriksee.De weg buigt zich van Ouwerkerk naar het noorden langs het in ’t lommer verscholen oude dorp Kapelle, waar in de 15eeeuw de adellijke huizen Gistelis, Maalstede en Bruëlis gevonden werden, die thans zijn verdwenen. De weg loopt dwars door in de Gouwe aangewonnen polders (zie pag.200) en vóór ons ligt in het volle groen van boomen en graswallen Zieriksee, de hoofdstad van de vereenigde vroegere eilanden Schouwen, Duiveland en Dreischor. Van verre zagenwij reeds den zwaren, stompen St.-Lievenstoren uit den berg van groen opplompen, maar bij een draai van den weg staat men ineens voor de stad, waar de Noorderhavenpoort de grens van het oude stadsgebied aanwijst.De Noorderhavenpoort boeit door den eenvoud der Vlaamsche Renaissance en bestaat uit twee aaneengebouwde huizen met een grooten doorgang; in de lijnen harer vier spitstorentjes openbaart zich een fraaie Gothiek. Vooral wanneer men deze poort van de stad uit ziet achter de kom der oude haven, maakt zij grooten indruk.Behalve deze heeft de stad nog de Zuidhavenpoort, een zwaar, massief gebouw, evenals de bovengenoemde in 1491 door Albrecht van Saksen gesticht en in 1507 gerestaureerd, en de Nobelpoort, een zwaar gebouw met slanke torenspitsen, dat volgens de overlevering gebouwd is door twee adellijke jonkvrouwen, Anna en Maria, naar wie de beide spitsen genoemd zouden zijn; wellicht is het een legende geweven om de heiligenbeelden, die in de twee torens der poort gevonden worden. Merkwaardig is de verglaasde baksteen, bij dezen torenbouw aangewend. De overige der zes poorten, welke de stad vroeger had, zijn gesloopt; de breede gracht evenwel is nog bewaard.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.Bij het binnentreden maakt Zieriksee den indruk van een vriendelijk landstadje met nog enkele oude huizen, doch over ’t geheel met een modern uiterlijk. De stadsaanleg van Zieriksee heeft het aangenaam grillige van de oude Hollandsche steden; huizen, in rijen gebouwd, zonder plan; straten, die bij toeval elkander vinden, verrassend in elkander loopen en dan weer nieuwe straten zoeken.Behalve de poorten vindt men er nog andere merkwaardige gebouwen. Wij noemen het stadhuis, in 1554 gebouwd, met twee Renaissance-gevels uit dien tijd. Vroeger stond hier een ander stadhuis, waarvan een deel van den belfroot of toren nog aanwezig is, thans eindigend in een Renaissance-spits, die als symbool van den alouden koophandel en de zeevaart dezer stad een vergulden Neptunus tot windwijzer voert. De benedenzaal van het stadhuis is bedorven door deinbouwing van vertrekken. De raadzaal en de schepenbank, stijl Louis XV, dagteekent van 1772; de burgemeesterskamer, ingericht in 1661, heeft een fraaien schoorsteen van 1673.Een der vriendelijkste stadsgedeelten vormt het gedempte Havenplein en het Kraanplein, met plantsoen begroeid en door flinke huizen ingesloten. Hier ziet men in de nabijheid de Gravensteen verrijzen, bij verkorting “het Steen” genoemd, waar vroeger de baljuw en de Rentmeester-generaal, beoosten Schelde, resideerde, doch dat reeds zeer vroeg als gevangenis heeft gediend, waarvoor het nog gebruikt wordt. Het voorste gedeelte dagteekent uit den tijd van Karel V, toen Mechelsche bouwmeesters den merkwaardigen voorgevel optrokken, dien Mechelsche smeden versierden met ankers, welke aan de symbolen van het Bourgondische en Oostenrijksche huis herinneren. Helaas! dat fraaie smeedwerk werd in de 19eeeuw door den wansmaak des tijds zeer mishandeld.Een der weinige in ons land bewaarde steenen gevels uit de 14eeeuw is die van het zoogenaamde Tempeliers- of St.-Janshuis met baksteenen topgevel.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.Het grootste en merkwaardigste gebouw van Zieriksee is de toren der Groote of St. Lievens Monsterkerk. Op een met acacia’s en olmen beplant plein, door huizen omsloten, aan den buitenrand in het westen der stad, staan kerk en toren op korten afstand van elkander; het is, of de grijze, eerwaardige toren niet meer weten wil van de monsterachtige kerk in Vitruviusstijl, welke men hem in 1832 tot metgezel heeft gegeven. Hij wendt zich met trotschheid af van den karakterloozen bastaard, dien men in zijn familie heeft willen brengen.Hier, op deze plek, werd een kapel opgericht, aan St. Lieven toegewijd, waarschijnlijk in 1151; vervolgens werd een nieuwe kerk gebouwd omstreeks 1378, toen een kapittel van 24 kanunniken gesticht werd.Daar deze kanunniken gemeenschappelijk leefden op de wijze der kloosterbroeders, werd deze kerk Monsterkerk genoemd (naar ’t Gr. monasterion). Onder de kanunniken kwamen uiterst bekwame mannen voor; wij wijzen opden geleerden Philippus à Leidis, den beoefenaar van het kanonieke recht, die daarin onderwijs gaf te Orleans, in 1369 tot hoogleeraar te Parijs werd beroepen en eindelijk, naar zijn vaderland teruggekeerd, de raadsheer van Graaf Willem van Beieren werd; verder nog op den niet minder beroemden arts en geleerde Levinius Lemnius, een Zierikseeënaar (geb. 1505), die in deze kerk werd begraven.De toen gebouwde kerk brandde gedeeltelijk af in 1466, maar werd hersteld en dit gebouw bleef bestaan tot 1832, toen door de onvoorzichtigheid van een loodgieter de kerk weder in de asch werd gelegd. In plaats van het gebouw in zijn waardige vormen te herstellen, werd de tegenwoordige kerk gebouwd.Gelukkig is de toren bewaard gebleven, een zwaar Gothisch gebouw, dat daar nog in volle majesteit verrijst. De bouw van den toren werd in 1454 aangevangen door Anthony Kelderman uit Mechelen, gesproten uit een kunstenaarsfamilie, aan wie Zeeland ook het merkwaardige stadhuis te Middelburg en de kerk te Veere dankt. Deze kerk is een der machtigste Gothische monumenten van de geheele wereld, zegt Jhr. de Stuers. Met Rijkshulp onderging dat monument in 1836–1840 een verknoeiing en werd de toren gekroond met een in hout vervaardigd hoofdgestel in Empire-stijl. Nadat een en ander bouwvallig geworden was, nam het Rijk den toren van de stad over, en door stad en Rijk werd in 1882–1895 de restauratie ondernomen.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.De toren is, zooals de meeste torens uit dien tijd, onvoltooid gebleven. Een afbeelding op het stadhuis stelt den toren voor, zooals de ontwerper zich dien gedacht had. De toren zou dan 200 M. hoog geworden zijn, langzaam afloopend bij elken ommegang.Zieriksee is als nederzetting ontstaan op een hoorn of hoek van het oude eiland Schouwen, op korten afstand van de Schelde, zoowel als van het verbindingswater met het noorden, de Gouwe. Daar had reeds in vroegen tijd een vereeniging plaats van landbouw, scheepvaart, handel en industrie. Als eilandstad gunstig gelegen voor het afleveren der landbouwprodukten, werd het een locale marktplaats, en de venige, derrieachtige aardlagen, welke men er onder de klei aande oppervlakte vond, gaven aanleiding tot het selbarnen of zoutbranden (zie de noot op pag.166), dat hier een levendige industrie werd. Een schilderij op het stadhuis geeft van de zoutbranderij een afbeelding. Nabij de stad had men nog lang de bewijzen der vroegere zoutbranderij in een paar heuvels, Noord-Zelke en Zuid-Zelke, welke gevormd waren uit de asch, die bij het zoutbranden overbleef. De heuvel Zuid-Zelke werd op den tweeden Paaschdag door oud en jong beklommen; men wierp van hier de hardgekookte eieren in de hoogte, sporen van de oude lente-offers. Doch de zelkasch werd verkocht aan de glasblazerijen en na jaren achtereen aan de stadskas groote voordeelen geschonken te hebben, werd de laatste zelkheuvel in 1895 weggevoerd.Toen de zoutbranderij verboden werd van overheidswege, wegens de landvernieling, die zij tengevolge had, wist de ontluikende scheepvaart het klipzout reeds uit Spanje en Frankrijk aan te voeren en in plaats van zoutbranderijen ontstonden er zoutziederijen en raffinaderijen. Van welk belang dit was, blijkt hieruit, dat er in 1526 nog 77 zoutkeeten bestonden. Daarbij kwam nog de visscherij als bron van bestaan en de levendige scheepvaart en handel. Deze bedrijven werkten samen, om Zieriksee in de 15een 16eeeuw tot een welvarende stad te maken.Doch de groote zoutindustrie ging in de 17een 18eeeuw langzamerhand te gronde; de haring- en kabeljauwvisscherij, in de 16eeeuw zoo bloeiend, terwijl er in 1711 nog ongeveer 80 visschersschepen gevonden werden, ging teniet, zoodat er in 1800 slechts 2 waren overgebleven. Eveneens verdween de eens zoo bloeiende scheepvaart. In 1720 telde de stad nog 75 koopvaardijschepen, maar onder het Fransch bestuur ging zij geheel te gronde.Toch is Zieriksee geen doode stad; zij is enkel teruggedrongen tot haar natuurlijke handelssfeer en werd weer uitsluitend de marktplaats van Schouwen en Duiveland. Op de marktdagen is het nog een echt levendige plaats. Een lange haven, tusschen twee hooge dijken gelegen, de Nieuwe haven, brengt Zieriksee in verbinding met de Schelde; in 1579 begon men die aan te leggen. Vroeger had de stad de Oude haven, die ten oosten der stad uitkwam in een kreek of diep, dat in de Schelde uitliep.IV. Over Brouwershaven naar Westenschouwen.Met veel bochten, doch in hoofdrichting naar het noorden, loopt de stoomtram thans van Brouwershaven dwars door Schouwen. Langs welig begroeide bouwlanden, grazige weiden en belommerde dijken buigt de straatweg voorbij het fraaie geboomte der buitenplaats Zorgvlied, waarbij zich aansluiten de villa’s Welgelegen, Mon Plaisir, Buitenrust en andere, die te zamen het gehucht “Schuddebeurs” vormen, aldus genoemd naar een uitspanning met fraaien tuin. Dezevriendelijke, boschrijke oase, te midden der kleilanden, was al vroeg door de Zierikseesche familiën zeer gezocht.Niet ver van hier, aan den Kloosterweg, verhief zich eens het rijke Karthuizer klooster Zion of Berg Zion, dat in 1575 verwoest werd bij de belegering van Zieriksee door de Spanjaarden. Wij komen voorbij Noordgouwe, een dorp in een jong aangewassen polder, waar in 1304 nog een scheepsstrijd plaats had tusschen Hollandsche, Fransche en Vlaamsche vloten, voorbij Zonnemaire, omstreeks 1400 ontstaan in een toen bedijkten polder, door Bommenede, een bloeiend dorp aan den zeedijk, en bereiken spoedig Brouwershaven.Brouwershaven is een oude smalstad aan de Grevelingen en telt thans ongeveer 1400 inwoners. Het stedeke maakt een melancholischen indruk; zoo stil en vergeten ziet het er uit, wat te meer uitkomt door het ruime marktplein bij de haven, waar het raadhuis verrijst met zijn schilderachtigen gevel, en dat er op wijst, dat deze plaats eens grooter beteekenis moet hebben gehad.Het stadhuis van Brouwershaven werd in 1599 gebouwd en is in 1890 gerestaureerd naar het oorspronkelijk plan; de gevel is een beeld van den levendigen, opgewekten Renaissancestijl. Als men het bordes met dubbelen hardsteenen opgang betreedt, ziet men boven den fraaien ingang een nis met het beeld der gerechtigheid, waaronder in ’t Latijn staat, dat “de wet het behoud voor ’t gemeenebest is.” De klapvensters, de in lood gevatte, kleine ruitjes, de levendige afwisseling van kleuren en vormen, brengen ons den gouden tijd voor den geest, toen welvaart en kunst hun hoogtij vierden in deze landen en zich uitten bij schier elk openbaar gebouw, zelfs in de kleinste landstad.Stadhuis te Brouwershaven.Stadhuis te Brouwershaven.In het stadhuis vindt men het archief der stad met het oudste stuk uit 1344, waarbij aan Brouwershaven een vrije haringmarkt werd geschonken. Een folio-exemplaar der werken van Cats met eigenhandig geschreven opdracht en sierlijke zilveren sloten wordt op het stadhuis bewaard ter herinnering aan het feit, dat Jacob Cats in deze plaats het levenslicht aanschouwde, 10 Nov. 1577.Van Brouwershaven is Cats de groote burger. Een klein, nederig huisje in de Noorderstraat, met twee ramen en een deur in de benedenverdieping en één raam in den dakgevel, wordt als het geboortehuis van den dichter van “den Boerenbijbel”aangewezen. In het begin der 19eeeuw zag dit huisje er nog juist zoo uit als in den tijd, toen Cats er opgroeide; later is het veranderd. Op de Markt is in 1829 een standbeeld van Cats opgericht, rustende op een vierkant voetstuk van arduin. Om den Hollandschen schoonmaakgeest eer aan te doen, wordt het jaarlijks zorgvuldig gewit.Een hoogst belangrijk gebouw is de kerk van St. Petrus en Paulus, een der mooiste bouwgewrochten in Nederland; het werd van 1876–1892 door het Rijk en de stad gezamenlijk gerestaureerd. Het koor met ambulatorium, vijf absidiale kapellen en transept, alles gewelfd met baksteen, dagteekent van 1293; de tegenwoordige drie schepen zijn uit de 15eeeuw. Toen men er aan dacht, dit gebouw te sloopen, trok de Regeering zich het gelukkig aan en zoo bleef het voor de geschiedenis onzer bouwkunst behouden. Het antieke orgel, dat het jaartal 1557 droeg, is aan het Rijk verkocht en bevindt zich in het Rijks-Museum te Amsterdam.Brouwershaven wijst in zijn geschiedenis duidelijk aan, hoe de omstandigheden ten voor- of nadeele van een plaats kunnen veranderen. De plaats is ontstaan aan den mond van een water, de Duivenee, dat voorbij Brijdorpe uit het eiland kwam en hier in het breede zeegat uitmondde. Brijdorpe, thans een onbeduidend gehucht, was in de 13eeeuw een dorp van beteekenis, een der aanzienlijkste dorpen van Schouwen. Waarschijnlijk beteekent de naam “Brouwersdorp”. Graaf Floris V wilde Brijdorpe tot een koopstad maken, en om een haven te verkrijgen aan den mond der Duivenee, werd hier door den Hollandschen Graaf van Jan van Renesse 100 gemeten lands gekocht, om er een stad en een haven aan te leggen in 1288; door den dood van Floris V verkreeg het plaatsje echter nog geen stedelijke rechten. Het kwam pas tot grooten bloei na den afval van Spanje, toen het in 1590 verlof kreeg, zich door wallen te beveiligen, de gedaante en het karakter eener stad aannam, een smalstad werd. Het recht van stemhebbende stad verkreeg Brouwershaven niet.De handel in bier uit Holland was een groote bron van welvaart voor de plaats in oude tijden; Zeeland moest bij gebrek aan goed water zijn bier hoofdzakelijk van elders verkrijgen. Naast den bierhandel bracht de visscherij, vooral de haringvisscherij, de plaats tot welvaart; in de 17eeeuw kwamen vele kooplieden uit Holland hier, om de haring in te koopen. Doch met den achteruitgang der visscherij taande ook de welvaart van Brouwershaven. In 1822 was de plaats zoozeer in verval, dat het aantal ingezetenen tot 322 gedaald was.Er kwam hoop op nieuw leven en ook werkelijk vooruitgang, toen in 1838het Brouwershavensche Gat werd betond, om te kunnen dienen tot toegangspoort uit zee voor de groote schepen, naar Dordrecht en Rotterdam bestemd. De verwachting was hoog gespannen, daar deze reede in den winter steeds open was; tal van loodsen, verificateurs, enz. vestigden er zich met het oog op het herbloeien van den handel; een groot logement “Catsburg” werd gebouwd, om de vreemdelingen te kunnen herbergen. Doch die hoop werd niet verwezenlijkt, en na de opening van den Nieuwen Waterweg voor Rotterdam verliet het scheepvaartverkeer Brouwershaven weder; de ambtenaren vertrokken, de bedrijvigheid stond plotseling stil. Brouwershaven was weder een doode stad geworden als vóór 1838. En die toestand was des te drukkender, daar hij volgde op een vleugje van nieuw, opbloeiend leven.Wij verlaten het droefgeestige stedeke, waar de tram ophoudt, om het westelijk Schouwen nog te doorkruisen op eigen gelegenheid. Terwijl wij den weg langs den zwaren dijk volgen, die de woedende golven der zee in het Brouwershavensche Gat tegenhoudt, hebben wij van tijd tot tijd gelegenheid, die hooge borstwering te beklimmen en een gezicht over Schouwen aan den eenen, over de zee aan den anderen kant te genieten. In het noorden zien wij over de thans rustige wateren de duinen van Goedereede in het zonlicht blinken met den toren van Ouddorp; in het zuiden vóór ons ligt Schouwen in een diepe kom, waar graslanden met bouwlanden, door goudgele tarwe bedekt, afwisselen, terwijl hier en daar een dorpje, te midden van eenig geboomte, uit het overigens naakte land oprijst.Vóór een vijftal eeuwen had het landschap hier een ander aanzien. Onderscheidene kasteelen en aanzienlijke kloosters verrezen zoo hier en daar uit het land, waarvan thans geen bouwvallen zelfs meer over zijn, en meer dan één bloeiend dorp uit de middeleeuwen is gedaald tot den omvang van een gehucht. Zoo bijv. Brijdorpe, dat wij reeds noemden. Het slot Herkestein, waar in 1426 de Engelschen en de Hoeksche edelen, die vrouwe Jacoba getrouw waren gebleven, moesten onderdoen voor de Kabeljauwschen, is geheel verdwenen, zoodat men zijn plaats niet meer weet; Looperskapelle en Klaaskinderenkerke zijn van dorpen gehuchten geworden, en van het klooster “Bethlehem bij de duinen van Schouwen”, dat in de 12eeeuw gesticht en in 1572 door de Watergeuzen verbrand werd, is ook niets meer over; alleen is de naam nog bewaard voor een hofstede.Langs het dorpje Scharendijke en voorbij het gehucht Oudendijke zien wij in het noorden weldra de duinheuvels plaats maken voor den dijk en spoedig daarna komen de toren en trapgevels van een kasteel tusschen het geboomte te voorschijn, terwijl de achtergrond in het westen gevormd wordt door een schilderachtigen, boschrijken zoom langs de duinen, die zoo hier en daar in witteblinkerts er uit oprijzen, als om te toonen, waaraan West-Schouwen zijn heerlijke natuur te danken heeft. Want thans bevinden wij ons op het wel meest afgelegen, maar ook het schoonste en oudste gedeelte van Schouwen, dat in de oudheid door den adel bijzonder gezocht was.Het slot, dat wij vóór ons zien, is een treurig overblijfsel van het eens zoo beroemde Moermont, in de oudheid een sterk kasteel, omringd door wijde en diepe grachten en met vijf torens versterkt. Dit was het stamhuis en de verblijfplaats der Heeren van Renesse, waartoe ook de Zeeuwsche Bayard, heer Jan van Renesse, behoorde, die wegens de wonderen van dapperheid, welke hij meer dan eens verrichtte, in de landskronieken wordt aangeduid met den eerenaam van “de vrome en onversaagde ridder”. In 1244 vertoefde op dit slot Graaf Willem II; in 1297 werd het maanden lang belegerd door Wolfert van Borselen en bijna geheel vernield. Na herbouwd te zijn werd het nogmaals verwoest, maar in 1513 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1751 werd het in den toestand gebracht, waarin men het thans ziet, doch de trotsche bosschen met aangename wandeldreven zijn alle verdwenen, en alleen eenig ruw, slecht onderhouden geboomte omringt het vervallen oude huis, dat slechts tot arbeiderswoning dient.Het slot Moermond Renesse.Het slot Moermond Renesse.Weinige minuten verder ligt het dorp Renesse, te midden van de bekoorlijke geeststreken, gebouwd rondom een ruim, met boomen beplant kerkplein. Door een boschrijken zoom, binnenlangs de duinen, loopt de straatweg van Renesse naar Haamstede, terwijl langs den weg de paden zich in bosch en duin verliezen. De duinen hebben hier de aanzienlijke breedte van een uur gaans.Het vriendelijk dorp Haamstede, dat wij thans bereikt hebben, vormt een breede straat, met olmen en kastanjes beplant, die zich in het midden om de kerk verbreedt tot een plein. Hoewel het dorp van hoogen ouderdom is, vindt men er toch geen oude gebouwen; de drieschepige kruiskerk heeft haar tegenwoordigen vorm in 1605 verkregen en biedt weinig belangrijks.Ten westen, onmiddellijk naast het dorp, verrijst het oude slot Haamstede. Eenmuur met zware ijzeren poort, de poortpilaren gekroond met de wapens van Witte en Mogge, de vroegere bezitters, sluit aan de zijde van het dorp de plaats af, en de heerlijke bosschen strekken zich naar het westen uit tot diep in het duin. Binnen de voorpoort gekomen, ziet men het slot, door grachten ingesloten en met een klein plein rondom het gebouw. De steenen brug voert tot een oude steenen poort, met klimop omrankt en met een wapen gekroond. Daar verder verrijst de hooge, gekanteelde muur van het huis met twee torens.Het slot Haamstede werd vermoedelijk in de eerste jaren der 14eeeuw gebouwd door Witte van Haamstede. Van dit slot snelde de dappere Witte, Grave Floreszoon, in 1304, naar Holland, plantte de leeuwenvaan op den Blinkert, bestreed den Vlaming en wist geestdrift te wekken voor het Hollandsche Gravenhuis. Zoo werd hij de “geesel der Vlamingen”, de “redder van Holland”.“Men vraagt zich niet, of menig heldDen eedlen Witte vergezelt,Genoeg, genoeg is ’t, dat hij kwam,De wakkre telg uit Hollands stam!En wat zou ook een tal van knechtenIn staat zijn, meerder uit te rechten?Een balsemdrop, een bloem bevruchtMet geuren ieder deel der lucht;Een enkle zon verlicht de sfeer,Een enkle held bezielt een heir.”Tot 1454 bleef deze heerlijkheid in het bezit der Witte’s van Haamstede. Na verschillende lotswisselingen der edelen van Haamstede viel het oude slot in 1525, toen René van Brugge er heer was en hij de roemrijke overwinning van Karel V bij Pavia ook op Schouwen wilde vieren, terwijl des avonds smeerpotten en teertonnen de muren zouden verlichten, als een prooi der vlammen, waaruit weinig gered werd. Alleen de geroosterde wanden, een paar torens en de hoofdpoort bleven staan met enkele muurbrokken. Zoo bleef het slot een verlaten ruïne. Toen Keizer Karel V in 1540 te Zieriksee kwam, begaf hij zich nog naar Haamstede, om de plek te zien, waar op een aan hem gewijden vreugdedag het roemrijke slot was verwoest.In 1608 werd het slot herbouwd door Jacob van den Einde, den toenmaligen bezitter der heerlijkheid. Nog werd het uitgebreid in 1879–81, en het laatst onderging het veranderingen in 1888. De zware bosschen, die er stonden, werden in het midden der 19eeeuw grootendeels gekapt, maar zijn door jong hout vervangen, dat thans weer prachtige, koele lanen aanbiedt en een heerlijken overgang naar het woeste duinland vormt, dat daar nog ligt als een stuk onbedorven natuur.Door dit slot en de verdere schoone omstreken, alsmede door de behagelijke rust, waarin het dorp ligt, is Haamstede een plaats, juist geschikt, om het geestelijk evenwicht, dat in onzen zenuwachtigen tijd veel heeft te doorstaan, te herstellen.Op korten afstand, ten zuiden van Haamstede, ligt aan den voet van de duinen het schilderachtige dorp Burg, gebouwd aan het met vruchtboomen beplante kerkplein. De kerk is in 1674 gesticht. Zij bezit een kunstvol glasraam uit de 17eeeuw, geschonken door de Staten van Zeeland.Ten zuidwesten van Burg stond tot 1890 het oude slot Craayenstein, dat, hoewel verbouwd, afkomstig zou zijn uit den tijd der Noormannen. Aan dezen burcht dankt het dorp zijn naam. Ten O. van het dorp vindt men, ten deele opgegraven, de fundamenten van het klooster Leliëndale, in 1459 gesticht en na verwoesting bij den beeldenstorm geheel verlaten.Een eigenaardig volksfeest, geheel bijzonder voor Schouwen, dat in den laatsten tijd weer toeneemt in beteekenis, moeten wij nog vermelden. Dat is het zoogenaamde “stra-rijden,” bij verkorting ook “stra” genoemd.Het slot te Haamstede.Het slot te Haamstede.Stra is een tweeledig ding: het is een kermis zonder kramen, een paardenmarkt zonder koopers of verkoopers, een jaarmarkt zonder nadagen, zonder officieel karakter, bij geen autoriteit bekend, in geen almanak opgegeven, conventioneel ontstaande en eindigende, een dag van ontspanning, die vrienden bij elkander brengt, een episode in de wintersche dagelijkschheid, die jaarlijks komt en daarin getrouwer is dan ijs en schaatsen.De stra is eigenlijk een uitsluitend Schouwensch feest, men kan het niet beter karakteriseeren dan als een volksfeest, het was een soort van kermis op het strand, waaraan het ook zijn naam heeft te danken. Door het weglaten der beide laatsteletters is de naam strand moeilijk meer in stra te herkennen, maar het eigenlijke van het feest wijst toch op die afkomst.Als de kortste winterdagen voorbij zijn en de rijzende zon den aantocht van de lente verkondigt, als de veldarbeid na de winterrust weder begint aan te vangen, of althans wordt voorbereid, viert men vooraf het strandfeest, dat men als stra-rijden aanduidt. Elk dorp heeft zijn bepaalden dag vanstra-rijden, te beginnen met den eersten Maandag in Maart en zoo vervolgens. Dan worden de paarden alle netjes gekamd en geborsteld, de staart in kunstige vlechten geslagen en de zoons en knechts der boeren stijgen te paard, om, na in het dorp vereenigd te zijn, in optocht naar het strand te rijden. Geen paard blijft op dien dag op stal en de zonen des huizes hebben natuurlijk het recht op de keur van de paarden. Ongezadeld, in flinken draf, rijdt men aldus naar zee, waar den dieren de voeten gespoeld worden, als om den zegen voor het nieuw aankomende arbeidsjaar op het veld, waaraan de paarden ruim hun deel hebben, uit Neptunus’ hand te vragen.Aan het strand gekomen, wordt de paardenstoet in het zilte nat gedreven.Zij plassenEn wasschenDe kooten;Hun pootenGaan klapperenBij ’t dapperenDoor ’t water-Geklater.De hoevenBeproevenHet vochtige zand;Een lustige kwant,Een vroolijke ruiter,Zet ’t paard aan, maar stuit erBij ’t stuivende duin,aldus schetst een medewerker van de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846 het stra-rijden.Het stra-rijden is een voetspoeling der paarden in zee. Als dit onder vroolijke scherts geschied is, keeren de stra-rijders naar het dorp terug, waar een soort van kermis gehouden wordt. Daar zijn thans de stalletjes en kraampjes geplaatst met sinaasappelen en koek, en niet meer op het strand, en in de dorpsherberg heerscht een druk leven, dat nog voortgezet wordt, ook nadat de stra-rijders hun paarden weder op stal hebben gebracht.Elk dorp in het westelijk Schouwen heeft zijn eigen stra-dag, zeiden wij. Men berekent de stra-dagen naar dien van Haamstede, waar stra valt daags vóór vastenavond. De stra-dag van Renesse heeft een week eerder plaats; dit dorp opentde reeks der stra-dagen. Des Zaterdags na Haamstede heeft Noordwelle zijn stra; een week daarna Serooskerke en nog een week later Ellemeet, vervolgens Elkersee.Waaraan de stra-dagen hun oorsprong hebben te danken? Niet onwaarschijnlijk behooren zij in de reeks der oude lentefeesten. Zooals men in de landgewesten naar de bosschen toog, als de tempels der goden, wendde men zich aan de kust naar de zee, de machtige en indrukwekkende, die volgens het volksgeloof weer en wind beheerscht, die door haar bruisen de stormen aankondigt, en uit wier schoot de onweders oprijzen. Is het onnatuurlijk, dat men de goden, die daar woonden en heerschten, eerbiedig huldigde; dat men de paarden, die den ploeg trekken, in zee als ’t ware een wijdenden doop deed ondergaan, vóór zij het akkerwerk aanvingen?In Zeeland gaf de zee aanleiding tot menige uitspanning. De jeugd begaf zich steeds gaarne naar het strand, om zoowel in het duin te stoeien als zich met de spelende golfbeweging van het water op het strand te vermeien en in de ondiepe wateren van de kust te spartelen. De tragische geschiedenis van Roosje heeft het gebruik, om jonge meisjes stoeiend in zee te dragen, algemeen bekend gemaakt voor Walcheren, doch het vond ook hier plaats.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.In het zuidwesten van het eiland ligt aan den breeden Scheldemond Westenschouwen, thans een gehucht van slechts een tiental huizen, niet een bezoek waard, als men het zeegezicht uitzondert. Doch eens lag hier een aanzienlijke plaats, die al vroeg het bloeiendste vlek van Schouwen uitmaakte. In den tijd, toen de Ooster-Schelde nog een minder breed water was, had Westenschouwen door zijn ligging aan den mond een goede haven, om de zeevaart in binnenvaart te doen overgaan. In 1438 werd van hier de vaart op Portugal en Spanje gedreven, en door tal van privilegiën van tolvrijheid, o.a. in Lotharingen en Limburg, in Engeland (1475) en elders, bloeide Westenschouwen op tot een aanzienlijke plaats. Hier begon men in 1493 het eerst in Zeeland voor de vischvangsthoekers te bouwen; vroeger werd de visscherij slechts met kleine pinken gedreven. Toen werd Westenschouwen een bloeiend, fraai dorp. Reigersbergh verhaalt van een dreef van boomen, aan beide zijden van de straat tot de kerk toe, die met schoone huizen bezet was, waarin de fraaiste kelders waren, als ware het een stad geweest. Vreemdelingen van alle streken kwamen in Westenschouwen, waar de Rijnsche wijn, volgens een mededeeling, in 28 herbergen geschonken werd en waar een levendig verkeer heerschte.Maar aan deze veranderlijke stroomen wisselt alles. De eens zoo schoone haven verzandde en was aan het eind der 15eof in het begin der 16eeeuw verloopen. Voor een plaats, die door haar haven alleen was opgekomen, werd hierdoor de bron van welvaart gesloten. Daarbij kwam, dat gelijktijdig hiermede het gevaar voor overstrooming dreigde en de bodem werd aangetast. Reeds voor eenigen tijd waren kerk en toren verder landwaarts verplaatst, en de plek, waar het oude Westenschouwen stond, moest geheel buitengedijkt worden.De bewoners verlieten Westenschouwen; het eene huis na het andere werd afgebroken. De legende fabelt van een meermin, die hier gevangen werd, en wrake roepende den vloek uitsprak over de plaats.Of het door den vloek der meermin was of niet, Westenschouwen is te gronde gegaan. De wateren der Schelde spoelen thans, waar eens het dorp stond. In 1591 was de kerk niets meer dan een bouwval. De huizen verdwenen, het eene voor, het andere na. Nog lang bleef de kerktoren staan, een schilderachtige ruïne op den bodem der verlaten plaats, maar in 1845 werd die bouwval afgebroken en verkocht.Wij staren van hier naar het oosten in de richting van Zieriksee en laten den blik weiden over de breede vlakte der Schelde, die met een groote ronding in Schouwen opbuigt. Deze inham is een gevolg van de werking van het water, dat de zuidkust van Schouwen met nimmer rustende vraatzucht heeft afgeknaagd en uitgehold. Al langen tijd is Zuid-Schouwen door dijkvallen en oeverafschuivingen, die telkens gedeelten lands in de diepte deden verzinken, aangetast en zoo zijn van Westenschouwen tot Zieriksee in den loop der tijden onderscheidene dorpen en stukken lands in de golven verdwenen. Dicht bij het havenhoofd van Zieriksee lag eens het dorp Borrendamme, dat, in 1477 en 1530 reeds sterk aangetast, in 1613 geheel verwoest werd. In 1662 ging in deze streek het dorp Rengerskerke te gronde. Het dorp Zuidkerke is reeds vroeg hier vergaan en een nieuw dorp van denzelfden naam, verder binnenwaarts gebouwd, is in 1534 weer verdwenen. Simonskerke, St. Jacobskerke, Brieskerke met de buurt ’s Heer-Arendshaven zijn alle vergaan door het water.Daardoor is de eens veel smallere Ooster-Schelde een breede inham der zee geworden in den loop der tijden. Het eiland Worigeszand of Orisant, tusschen Noord-Bevelanden Schouwen gelegen, is in de 18eeeuw door den waterwolf geheel opgeslokt.Doch wij willen ons niet langer met treurige gedachten aan de vergankelijkheid der Zeeuwsche gronden bezighouden. Wij verlaten dit eiland met de overtuiging, dat, al kon niet elke grondbraak of oeverafschuiving beteugeld worden, onze ingenieurswetenschap door het beperken van het landverlies toch ook hier schitterende overwinningen heeft behaald op de natuur.
B. Zeeland.I. Ontwikkeling der Provincie en enkele Opmerkingen.Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd, om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en enkele oude wetten.Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda (Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt, in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis) heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen, is niet onwaarschijnlijk.Tot ongeveer het begin der 9eeeuw behoorde Zeeland tot het land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwinin Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag.176), nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel op de bevolking gedrukt.De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische, dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel als hetzelfde werden beschouwd.Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen en de Krammer.De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en Holland. In de 9eeeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na dezen, doch niet vóór de 11eeeuw, zien wij de graven van Vlaanderen en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323 deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde (de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II, bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele, Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland, Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den Brabantschen wal.In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in den tijd derRepubliek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:’k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde,Door ’t wereldrond om trouw en deugd vermaard,Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde,Den schrik verspreidden over de aard.Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?De Lange’s1overmoed, of Ewouts2vuist,Die ’t eerst den trots van Arragon kon dwingen,Medina’s vloten heeft vergruisd?Of Hollands redders, toen ’t aemechtig LeydenWelhaast in ’t wee, te lang geduld, verzonk,Toen bij den lof van ’t nameloos verblijdenBoisots3en Willemsz4eerzang klonk?De Moor5, vol vuur zich offrend voor uw zonen,Of Lieven6, de eer van ’t trouwe Zieriksee;En Haeck7, wien, al te vroeg, zijn moed betoonenDe stoute ziel ontvlieden dee?Of de Evertsens8, om ’t bloed, zoo mild vergoten,Den lofzang van geheel een wereld waard;De Bankerts9, roem en trots van Neerlands vloten,Verdedigd door hun leeuwenaard.In ’t midden prijkt, gelijk bij minder lichtenAan ’t helder zwerk de zilverblanke maan,De Ruyter, voor wiens staf de volk’ren zwichtten,De schrik van d’ ouden Oceaan!In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21enJuni de wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen, terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen, waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder opschudding, en den 28enApril 1747 werd door de Staten van Zeeland de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen politieke: zij welde op uit den boezem des volks.Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel; Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten, en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat Heye schreef:Uit zee hebt gij uw grond gewrocht,O Nederland—en wat onze oogenIn uw landouw bewondren mogen,Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht,En uit haar diepe, wilde golvenDe reinste parels opgedolven.Als visschersvolk staakt gij in zeeEn bracht, na strijd van tachtig jaren,Als oorlogsschatting van de barenEuroop’de Vrijheid en de Vree,En zaagt voor ’t dundoek van uw kielenElk volk in vreeze en eerbied knielen.Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater, het overvloedigewater des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij, volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden vele eeuwen de meekrap geweest.Geen boekweit siert der Zeeuwen erf,Schoon ze elders de oogen vleitDoor ’t levend wit, met rozenverfBekoorlijk overspreid,Maar Zeelands kleigrond voedt een plant,Wier schoon, wier heilzaam roodVoor eeuwen reeds aan ’t vaderlandEen tak van welvaart bood.Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort:De meekrap, hier zoo schoon,Spreidt nog in ’t afgelegenst oordHaar kleur vol zwier ten toon.Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur vervangen.De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een bijzonder smakelijk vleesch.Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.1Sebastiaan de Lange, van ter Veer.2Ewout Pietersz. Worst.3Lodewijk Boisot.4Adriaan Willemsz.5Jan en Joost de Moor.6Lieven Jansz. Kaersemaker.7Pieter Haeck, baljuw van Middelburg.8Geslacht der Evertsens.9Joost en Adriaan Bankert.
I. Ontwikkeling der Provincie en enkele Opmerkingen.Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd, om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en enkele oude wetten.Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda (Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt, in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis) heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen, is niet onwaarschijnlijk.Tot ongeveer het begin der 9eeeuw behoorde Zeeland tot het land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwinin Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag.176), nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel op de bevolking gedrukt.De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische, dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel als hetzelfde werden beschouwd.Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen en de Krammer.De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en Holland. In de 9eeeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na dezen, doch niet vóór de 11eeeuw, zien wij de graven van Vlaanderen en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323 deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde (de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II, bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele, Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland, Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den Brabantschen wal.In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in den tijd derRepubliek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:’k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde,Door ’t wereldrond om trouw en deugd vermaard,Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde,Den schrik verspreidden over de aard.Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?De Lange’s1overmoed, of Ewouts2vuist,Die ’t eerst den trots van Arragon kon dwingen,Medina’s vloten heeft vergruisd?Of Hollands redders, toen ’t aemechtig LeydenWelhaast in ’t wee, te lang geduld, verzonk,Toen bij den lof van ’t nameloos verblijdenBoisots3en Willemsz4eerzang klonk?De Moor5, vol vuur zich offrend voor uw zonen,Of Lieven6, de eer van ’t trouwe Zieriksee;En Haeck7, wien, al te vroeg, zijn moed betoonenDe stoute ziel ontvlieden dee?Of de Evertsens8, om ’t bloed, zoo mild vergoten,Den lofzang van geheel een wereld waard;De Bankerts9, roem en trots van Neerlands vloten,Verdedigd door hun leeuwenaard.In ’t midden prijkt, gelijk bij minder lichtenAan ’t helder zwerk de zilverblanke maan,De Ruyter, voor wiens staf de volk’ren zwichtten,De schrik van d’ ouden Oceaan!In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21enJuni de wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen, terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen, waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder opschudding, en den 28enApril 1747 werd door de Staten van Zeeland de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen politieke: zij welde op uit den boezem des volks.Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel; Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten, en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat Heye schreef:Uit zee hebt gij uw grond gewrocht,O Nederland—en wat onze oogenIn uw landouw bewondren mogen,Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht,En uit haar diepe, wilde golvenDe reinste parels opgedolven.Als visschersvolk staakt gij in zeeEn bracht, na strijd van tachtig jaren,Als oorlogsschatting van de barenEuroop’de Vrijheid en de Vree,En zaagt voor ’t dundoek van uw kielenElk volk in vreeze en eerbied knielen.Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater, het overvloedigewater des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij, volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden vele eeuwen de meekrap geweest.Geen boekweit siert der Zeeuwen erf,Schoon ze elders de oogen vleitDoor ’t levend wit, met rozenverfBekoorlijk overspreid,Maar Zeelands kleigrond voedt een plant,Wier schoon, wier heilzaam roodVoor eeuwen reeds aan ’t vaderlandEen tak van welvaart bood.Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort:De meekrap, hier zoo schoon,Spreidt nog in ’t afgelegenst oordHaar kleur vol zwier ten toon.Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur vervangen.De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een bijzonder smakelijk vleesch.Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.
Hebben wij in ons algemeen overzicht het delta-land als één natuurlijk geheel beschouwd en Zeeland met de Zuid-Hollandsche eilanden vereenigd, om de betrekkingen tusschen land en volk aan te toonen, toch bestaat er verschil tusschen beide als een gevolg van de eeuwenlange staatkundige opvatting en van den Vlaamschen invloed, die zich in Zeeland sterk op de bevolking deed gelden, zooals o.a. blijkt uit de bouwkunst en enkele oude wetten.
Zeeland vormt het oudste gedeelte van het deltaland, de Zuid-Hollandsche eilanden zijn grootendeels jonger. In de oudste stukken, die op deze landen betrekking hebben, wordt dan ook al van de Zeeuwsche eilanden gesproken. Schouwen wordt reeds genoemd in een brief van 976 als een afzonderlijke gouw Scaldis, aan de Golda (Gouwe), en van Beveland (pagus Bevelanda) wordt in dienzelfden tijd melding gemaakt. Ook Brumsole of Borselen wordt daarbij genoemd.
Van Walcheren zijn echter duidelijker berichten overgebleven; dit eiland treedt het eerst in de geschiedenis op. Reeds Alcuinus noemt, in het leven van Willebrord, Walcheren een eiland. De Scaldis of Schelde was den Romeinen bekend, en het eiland Schouwen (Scaldis) heeft daaraan zijn naam te danken. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de Ooster-Schelde destijds als de hoofdmond werd beschouwd, al had die ook op verre na nog niet de breedte van thans. In het algemeen kan men aannemen, dat in den Romeinschen tijd Zeeland, hoewel door waterarmen doorsneden, nog niet die breede inhammen der zee had als thans. Het is echter niet mogelijk, de geographische gesteldheid des lands in dien tijd in bijzonderheden te leeren kennen.
Wie de oudste bewoners van Zeeland waren, valt niet te zeggen. De opgegraven gedenkteekenen, als beelden der godin Nehalennia, welke in het strand gevonden werden, en die aan een vrouwenvereering doen denken, wijzen op vóór-Germaansche bewoners, misschien wel van Keltischen oorsprong, gelijk wij zeiden. Dat de Kelten bij het voortschuiven der Germanen naar het westen, gelijk dat ook in Frankrijk en Britannië kon worden waargenomen, in een uithoek nog standhielden en eindelijk zich vermengden met de voortstuwende rassen, is niet onwaarschijnlijk.
Tot ongeveer het begin der 9eeeuw behoorde Zeeland tot het land der Friezen, die, zij het ook niet oorspronkelijk, dan toch als volkplantingen zich hier gevestigd hadden. De oude Friesche wetten spreken van de uitbreiding van Friesland tot aan de Sinefal in het zuiden, waaronder het thans verdwenen water het Zwinin Zeeuwsch-Vlaanderen moet worden verstaan. Uit de verbinding met Friesland zijn in Zeeland, behalve in de kleeding (zie pag.176), nog eenige sporen van Friesche instellingen bewaard, zooals de verdeeling der landerijen naar het aantal vee, gelijk die in de oude charters voorkomt. De Zeeuwsche taal wordt beschouwd als een Friesch-West-Frankisch dialect. Ook in den lichaamsbouw wil men bij de Zeeuwen Friesche elementen zien, al komt de Friesche grondvorm er nergens zuiver voor den dag. Na den Frieschen invloed heeft in Zeeland de Zuid-Frankische gewerkt en deze heeft meer zijn bijzonderen stempel op de bevolking gedrukt.
De Friesche invloed in Zeeland hield spoedig op; in 839 strekte Friesland zich niet verder uit dan tot de Maas, zoodat Zeeland er niet toe behoorde. Zeeland kwam in nadere betrekking tot het West-Frankische Rijk en vooral tot Vlaanderen, waarmede het ook door handel en verkeer in relatie stond. Daardoor verkregen de Zeeuwsche rechten later meer overeenkomst met de Frankische en wel de Salische, dan met de Friesche, zoodat Zeeuwsch recht en Frankisch recht wel als hetzelfde werden beschouwd.
Zeeland komt als graafschap voor tusschen Vlaanderen, Brabant, Holland en Voorne gelegen, in het N. zich uitstrekkende tot de Grevelingen en de Krammer.
De vrije Heerlijkheid Voorne lag in het noorden tusschen Zeeland en Holland. In de 9eeeuw waren de eilanden van Zeeland in handen van Deensche vorsten, die het in leen hadden van Frankische koningen. Na dezen, doch niet vóór de 11eeeuw, zien wij de graven van Vlaanderen en Holland in het bewind over Zeeland. Lang een twistappel tusschen beiden, daar het in eilanden verdeeld gebied geschikt was, om bij gedeelten genomen te worden, was er in Zeeland weinig eenheid tusschen de eilanden en bestreden de Vlaamsche en Hollandsche vorsten elkander herhaaldelijk de rechten op de deelen van Zeeland. Sedert 1246 noemden de graven van Holland zich ook graven van Zeeland, doch eerst in 1323 deed graaf Lodewijk van Vlaanderen ten behoeve van graaf Willem III van Holland afstand van zijn rechten op Zeeland bewesten de Schelde (de zuidelijke eilanden). Tijdens den laatsten graaf, Filips II, bestond het graafschap Zeeland uit de eilanden Walcheren, Borsele, Zuid-Beveland, Noord-Beveland, Wolfaartsdijk, Schouwen, Duiveland, Tolen, St. Filipsland, benevens de heerlijkheid Sommelsdijk op Overflakkee en de heerlijkheid Nieuw-Vosmeer en Hinkelenoord op den Brabantschen wal.
In den tijd der Republiek maakte Zeeland een provincie der Unie uit, die zich van de Grevelingen en de Krammer tot de Wester-Schelde uitstrekte, terwijl ten zuiden der Wester-Schelde het veroverd gebied tot de Generaliteitslanden behoorde. Eerst in 1815 verkreeg Zeeland als provincie haar tegenwoordige grenzen, toen Staats-Vlaanderen als Zeeuwsch-Vlaanderen bij Zeeland werd gevoegd.
Als zelfbewuste eenheid is Zeeland eigenlijk eerst opgetreden in den tijd derRepubliek. Toen gevoelden de Zeeuwen zich solidair met Holland en hun stoere, zelfstandig en individualistisch ontwikkelde krachten op de verschillende eilanden vereenigden zich met andere tot bevordering der vaderlandsche onafhankelijkheid. Hebben wij de namen der helden reeds genoemd, wij laten toch een Hollander daarover nog spreken, die dit erkennend, in 1836 zong:
’k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde,Door ’t wereldrond om trouw en deugd vermaard,Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde,Den schrik verspreidden over de aard.
’k Heb Zeeland lief, den grond, die mannen teelde,
Door ’t wereldrond om trouw en deugd vermaard,
Die, waar de driekleur van zijn vanen speelde,
Den schrik verspreidden over de aard.
Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?De Lange’s1overmoed, of Ewouts2vuist,Die ’t eerst den trots van Arragon kon dwingen,Medina’s vloten heeft vergruisd?
Wien hunner zal mijn luit naar eisch bezingen?
De Lange’s1overmoed, of Ewouts2vuist,
Die ’t eerst den trots van Arragon kon dwingen,
Medina’s vloten heeft vergruisd?
Of Hollands redders, toen ’t aemechtig LeydenWelhaast in ’t wee, te lang geduld, verzonk,Toen bij den lof van ’t nameloos verblijdenBoisots3en Willemsz4eerzang klonk?
Of Hollands redders, toen ’t aemechtig Leyden
Welhaast in ’t wee, te lang geduld, verzonk,
Toen bij den lof van ’t nameloos verblijden
Boisots3en Willemsz4eerzang klonk?
De Moor5, vol vuur zich offrend voor uw zonen,Of Lieven6, de eer van ’t trouwe Zieriksee;En Haeck7, wien, al te vroeg, zijn moed betoonenDe stoute ziel ontvlieden dee?
De Moor5, vol vuur zich offrend voor uw zonen,
Of Lieven6, de eer van ’t trouwe Zieriksee;
En Haeck7, wien, al te vroeg, zijn moed betoonen
De stoute ziel ontvlieden dee?
Of de Evertsens8, om ’t bloed, zoo mild vergoten,Den lofzang van geheel een wereld waard;De Bankerts9, roem en trots van Neerlands vloten,Verdedigd door hun leeuwenaard.
Of de Evertsens8, om ’t bloed, zoo mild vergoten,
Den lofzang van geheel een wereld waard;
De Bankerts9, roem en trots van Neerlands vloten,
Verdedigd door hun leeuwenaard.
In ’t midden prijkt, gelijk bij minder lichtenAan ’t helder zwerk de zilverblanke maan,De Ruyter, voor wiens staf de volk’ren zwichtten,De schrik van d’ ouden Oceaan!
In ’t midden prijkt, gelijk bij minder lichten
Aan ’t helder zwerk de zilverblanke maan,
De Ruyter, voor wiens staf de volk’ren zwichtten,
De schrik van d’ ouden Oceaan!
In Zeeland klonk in de benarde oogenblikken der Republiek het eerst de roepstem des volks tot de Oranjes om hulp, en dat niet tevergeefs. Dit geschiedde in 1672, toen te Veere den 21enJuni de wethouderschap gedwongen werd, de belofte af te leggen, den Prins het stadhouderschap aan te bieden, en van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Een herhaling hiervan had plaats in 1747, toen, terwijl uit niets bleek, dat de groote menigte belang stelde in de verheffing van den Prins tot Stadhouder, bij het naderen van den oorlog uit de zuidelijke Nederlanden tot onze grenzen de schutterij van Veere den wensch te kennen gaf, om den Prins tot Stadhouder te verkiezen, waarna de vroedschap een besluit nam in dien zin. De overige steden in Zeeland volgden weder op het sein van Veere, hier met, daar zonder opschudding, en den 28enApril 1747 werd door de Staten van Zeeland de Prins tot Stadhouder aangesteld, waarna weldra andere gewesten eveneens hiertoe overgingen. De Oranjegezindheid in Zeeland was geen politieke: zij welde op uit den boezem des volks.
Zeeland was in de eerste plaats door de natuur voorbestemd tot een land voor de ontwikkeling van scheepvaart, handel en visscherij. Reeds in den Romeinschen tijd bloeiden hier enkele gedeelten door den handel; Domburg schijnt destijds reeds een druk bezochte zeehaven te zijn geweest, zooals blijkt uit gevonden geloftesteenen. Walcheren was zeer welvarend in den tijd der Noormannen, die het in 837 brandschatten, en onderscheidene welvarende en rijke steden ontstonden hier in de middeleeuwen en in de eerste periode der nieuwe geschiedenis. Voor Zeeland geldt meer dan voor eenig ander gedeelte des lands, wat Heye schreef:
Uit zee hebt gij uw grond gewrocht,O Nederland—en wat onze oogenIn uw landouw bewondren mogen,Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht,En uit haar diepe, wilde golvenDe reinste parels opgedolven.
Uit zee hebt gij uw grond gewrocht,
O Nederland—en wat onze oogen
In uw landouw bewondren mogen,
Uw rijkdom hebt ge in zee gewrocht,
En uit haar diepe, wilde golven
De reinste parels opgedolven.
Als visschersvolk staakt gij in zeeEn bracht, na strijd van tachtig jaren,Als oorlogsschatting van de barenEuroop’de Vrijheid en de Vree,En zaagt voor ’t dundoek van uw kielenElk volk in vreeze en eerbied knielen.
Als visschersvolk staakt gij in zee
En bracht, na strijd van tachtig jaren,
Als oorlogsschatting van de baren
Euroop’de Vrijheid en de Vree,
En zaagt voor ’t dundoek van uw kielen
Elk volk in vreeze en eerbied knielen.
Zeeland was als landbouwgewest al vroeg beroemd. Toen elders op de kleigronden nog weinig akkerbouw kon gedreven worden wegens gemis van goede afwatering, kon op de Zeeuwsche eilanden, waar de ebbe elk etmaal tweemaal een lagen stand deed ontstaan van het buitenwater, het overvloedigewater des lands op eenvoudige wijze zonder hulp van kunstmiddelen geloosd worden en was het land voor akkerbouw goed geschikt. Watermolens ziet men er nog weinig. De Zeeuwsche tarwe had dan ook steeds een uitstekenden naam, en in den tijd van keizer Karel V vond men hier zulke fijne moes- en ooftsoorten, dat zij, volgens den keizer, die der zuidelijke landen overtroffen.
Een belangrijk produkt van Zeelands landbouw is sedert oude tijden vele eeuwen de meekrap geweest.
Geen boekweit siert der Zeeuwen erf,Schoon ze elders de oogen vleitDoor ’t levend wit, met rozenverfBekoorlijk overspreid,Maar Zeelands kleigrond voedt een plant,Wier schoon, wier heilzaam roodVoor eeuwen reeds aan ’t vaderlandEen tak van welvaart bood.
Geen boekweit siert der Zeeuwen erf,
Schoon ze elders de oogen vleit
Door ’t levend wit, met rozenverf
Bekoorlijk overspreid,
Maar Zeelands kleigrond voedt een plant,
Wier schoon, wier heilzaam rood
Voor eeuwen reeds aan ’t vaderland
Een tak van welvaart bood.
Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort:De meekrap, hier zoo schoon,Spreidt nog in ’t afgelegenst oordHaar kleur vol zwier ten toon.
Nog bloeit die tak, schoon kwijnend, voort:
De meekrap, hier zoo schoon,
Spreidt nog in ’t afgelegenst oord
Haar kleur vol zwier ten toon.
Zoo zong de dichteres Petronella Moens in 1836. Thans echter is de meekrapteelt zoo goed als opgehouden en mede door bietencultuur vervangen.
De veeteelt is van minder beteekenis dan de akkerbouw; daarom wordt de opbrengst van de zuivel dan ook op onderscheidene eilanden niet anders beschouwd dan als een huishoudgeld voor moeder de vrouw. De schapenteelt is er echter van groot belang; de ziltachtige kruiden op de bij hoogen vloed onderloopende gorzen en schorren geven een bijzonder smakelijk vleesch.
Verder geeft de zee zelf een plantenvoedsel in de zeekraal (Salicornia herbacae), ook wel kaalkruid, krabbekwaad en hanepoot genoemd, die in Zeeland als groente gebruikt wordt en tevens als heilzaam geneesmiddel tegen scheurbuik dient. Het verzamelen hiervan beschrijven wij later.
Wij zullen thans onze wandelingen over de Zeeuwsche eilanden voortzetten, aanvangende bij de noordelijkste rij.
1Sebastiaan de Lange, van ter Veer.2Ewout Pietersz. Worst.3Lodewijk Boisot.4Adriaan Willemsz.5Jan en Joost de Moor.6Lieven Jansz. Kaersemaker.7Pieter Haeck, baljuw van Middelburg.8Geslacht der Evertsens.9Joost en Adriaan Bankert.
1Sebastiaan de Lange, van ter Veer.
2Ewout Pietersz. Worst.
3Lodewijk Boisot.
4Adriaan Willemsz.
5Jan en Joost de Moor.
6Lieven Jansz. Kaersemaker.
7Pieter Haeck, baljuw van Middelburg.
8Geslacht der Evertsens.
9Joost en Adriaan Bankert.
II. Van Steenbergen over Tolen en St. Filipsland naar Duiveland en Schouwen.De noordelijkste eilandenrij van Zeeland valt het gemakkelijkst van Noord-Brabant uit te bereiken.Van Breda over Oudenbosch loopt een stoomtram naar Steenbergen en hiervangt een lijn aan, die thans de beste verbinding geeft met de eilanden. Wij zullen deze route in hoofdrichting volgen, ook al veroorloven wij ons van tijd tot tijd flinke zijuitstapjes.Wanneer wij met den stoomtram van Oudenbosch reizen, bemerken wij al spoedig, op korten afstand ten westen van dit plaatsje, dat wij feitelijk in het delta-land zijn aangekomen. Al bevinden wij ons hier thans in het midden van het land, al schuimen nergens in de nabijheid de woedende wateren, het vette kleiland, door onderscheidene hooge dijken doorsneden, hoe achteloos kalm ook in cynische rust gelegen, zij beide wijzen duidelijk aan, dat hier eens de golven het vruchtbare slib hebben aangevoerd, waarop de schoone tarwe en bieten worden verbouwd. Doch al is het feitelijk in het deltaland, het water heeft hier zijn gaven van nieuwland nog aan den zandbodem van Noord-Brabant vastgehecht.Wij naderen Steenbergen, waar de zandgronden in een rug tusschen de kleigronden vooruitschuiven, een laatste worsteling tusschen Diluvium en Alluvium. Stil en vergeten ligt daar het oude stedeke; in zijn straten heerscht diepe rust. Merkwaardigheden zoekt ge vruchteloos in deze plaats, al zou de hooge ouderdom der stad hier allicht iets uit het verre verleden doen vermoeden, want volgens de meening van enkele historieschrijvers zou de nederzetting te dezer plaatse haar oorsprong te danken hebben aan een tolhuis, dat in 603 aan het kanaal, gegraven van Strienemonde tot Strienham, door zekeren Strenius, landvoogd van dit gewest, gebouwd werd. In elk geval was Steenbergen in de 14eeeuw een vrij aanzienlijke koopstad, die handel dreef op Engeland en Denemarken. De nederzetting was toen veel grooter dan thans. Doch met het aanslibben van het delta-land gingen de voordeelen van haar ligging aan de groote stroomen verloren. Er vormde zich een voorland voor Steenbergen; de plaats werd een landstad, en de handel ging hiermede teniet. En toen in 1365 een zware brand de stad trof en bijna geheel vernielde, werd zij wel herbouwd, maar binnen een engeren ringmuur dan vroeger. Men verhaalt, doch dit lijkt niet waarschijnlijk, dat het nieuw herbouwde Steenbergen nauwelijks een tiende gedeelte van zijn vorige grootte zou verkregen hebben.Steenbergen was destijds een vesting, maar slechts een enkele muur omringde de stad, en in den tijd van den tachtigjarigen oorlog was zij niet in staat aan de belegeringen van den hertog van Parma in 1583, en later aan die van Prins Maurits in 1590, tegenstand te bieden. Eerst in 1629 werd zij volgens de beginselen der nieuwere vestingbouwkunde versterkt met een aarden wal. Hiervan is echter niets meer over dan enkele sporen van den omtrek; Steenbergen ligt thans open en is een onbeduidend landstadje met ruim 2000 inwoners, die hoofdzakelijk hun bron van bestaan vinden in de landelijke omstreken en door de beetwortelsuiker- en stoommeelfabrieken. Architectonisch schoon zoekt men vruchteloos in hetoude plaatsje; het was reeds economisch te gronde gegaan, vóór de Hollandsche bouwkunst zich tot haar typische schoonheid ontwikkelde. De burgerhuizen, ruim gebouwd met breede gangen, staren wezenloos en als zonder karakter op de stille straten.Wij volgen de lijn van den tram, die de jonge polders van noordwestelijk Noord-Brabant naar Nieuw-Vosmeer doorsnijdt. Over ’t geheel is dit een weinig aantrekkelijk landschap. Maar hoe eentonig ook, een bron van produktieve levenskracht is in dien vetten aardbodem verborgen. Vóór 500 jaren lag de noordwestelijke hoek van Noord-Brabant tot dicht bij Steenbergen nog bijna geheel onder water: een woeste vlakte met slikken en platen, bij vloed één waterzee, welker golven woest over de ondiepten heenstroomden, terwijl bij ebbe de slibberige gewassen grijsglanzend uit het water kwamen opduiken.Eerst langzamerhand drong de dijkenbouwende bevolking in deze vlekken door, en van tijd tot tijd werden de nieuwe gedeelten door den mensch geannexeerd voor het bedrijf, die zich het best er toe leenden. Het eerst werden de Nieuw-Vosmeersche en de Nieuwe Heipolder, waarlangs de trambaan loopt, in 1433 bedijkt (herdijkt in 1565). ’t Was een eiland, midden in het water, door de bewoners van Oud-Vosmeer op Tolen bedijkt en zeker ook grootendeels bevolkt. Daardoor werd Nieuw-Vosmeer als polder tot Zeeland gerekend, hoewel door het breede water der Eendracht er van gescheiden, en tot 1809 bleef Nieuw-Vosmeer een Zeeuwsch dorp, dat eerst in dat jaar provinciaal tot Noord-Brabant gebracht werd. In natuurkundigen zin echter zijn wij hier reeds in Zeeland.Door het verloopen en dichtslibben der wateren rondom den genoemden oudsten polder hadden naar alle kanten nieuwe bedijkingen plaats: de Oude Heipolder in 1515, de West-Graaf-Hendrikpolder 1528–1538, de Heenepolder in 1610, de Boerengors 1630, de Heerenpolder 1633, de Oude Vlietpolder 1649, de Noord-Heenpolder in 1655. Zoo is, stukje na stukje, de noordwesthoek van het oude Noord-Brabant aangegroeid met delta-land, van een geheel ander karakter dan de echte Brabantsche grond, en Steenbergen was aldus geheel een landstadje geworden.Het landschap van Steenbergen tot Nieuw-Vosmeer biedt weinig afwisseling aan. Uitgestrekte, vruchtbare bouwlanden ziet men aan beide zijden, effen, met geen andere afwisseling in het relief dan de dijken, die de geschiedenis des bodems aanwijzen als de jaarkringen van de boomen des wouds. De boerenhuizen staan op zichzelf, meestal tusschen eenig geboomte, over de velden verstrooid, typen van groote landbouwhuizen. In den zomer overdekt een donkergroen dit landschap door de velden, met beetwortels beplant, die er hun breede bladen uitspreiden, afgewisseld met tarwevelden, ajuin en enkele weiden. ’t Is hier een echte landbouwstreek.Zoo bereiken wij Nieuw-Vosmeer, bijna op de grens van Noord-Brabant, een flink dorp, in de lengte langs den dijk gebouwd, waarboven de roode pannendaken uitkomen. Een weinig ten noorden van het dorp den blik naar het westen richtend zien wij links vóór ons het eiland Tolen, rechts St. Filipsland.Wij laten ons eerst naar Oud-Vosmeer overzetten, om een kijkje te nemen op het eiland Tolen. Starende van den hoogen dijk over het land, blijkt het ons, dat dit eiland uit onderscheidene polders is aaneengevoegd, alle verschillende tijdperken van bedijking aanwijzend. Het eigenlijke Land-van-Tolen is een der oudste eilanden van Zeeland en wordt gerekend onder de landen, die sedert 850 bedijkt zijn, al kent men het juiste jaar niet. In de 13eeeuw bestond Tolen uit tal van kleine eilanden, die allengs door bedijkingen aan elkander werden gesloten. Door het bedijken van het noordelijk deel van den Pluimpot werden in 1556 de oostelijke ambachten aan de westelijke verbonden, en ook in de volgende eeuwen zetten de aanwinst van land en de aaneensluiting zich voort.Van het nette dorp Oud-Vosmeer, langs den dijk, bereikt men weldra het stadje Tolen met ongeveer 3000 inwoners, een oude vesting, waarvan de wallen en grachten nog gedeeltelijk zijn overgebleven. Het is een aan elkander gebouwd plaatsje, met een ruime markt, terwijl onderscheidene oud-Hollandsche gevels den straten een vriendelijk karakter geven. De kerk met haar vierkanten toren en stompe spits ligt tusschen hoog geboomte. Het oude stadhuis is een smal en hoog gebouw van arduin, met een dubbelen arduinsteenen opgang en vier verdiepingen hoog; de trans is als van schietgaten voorzien en het torentje met hooge spits draagt een speeluurwerk.Raadhuis te Tolen.Raadhuis te Tolen.Tolen is waarschijnlijk opgekomen als een tolhuis van den hertog van Brabant, dat hier gebouwd werd aan de Eendracht, eens een druk bevaren water. De naam der stad staat met tol in verband. In de eerste helft der 13eeeuw kwamde plaats in het bezit der Graven van Holland en Zeeland, die er een steenen huis voor den ontvanger van den tol lieten bouwen, en aan het tolhuis ontstond een nederzetting, die in 1335 de vrijheid verkreeg, om stapelvrij koren en haver Holland binnen te voeren. In 1431 hebben eenige Brabantsche kooplieden vele aanwassen en schorren om het Oude dorp van het land van “Ter-Tholen” laten bedijken en zoo verkreeg de nederzetting een handelsgebied op het aanwassende eiland. Daardoor had Tolen in 1438 zooveel beteekenis erlangd, dat het, evenals Reimerswaal, Kortgene, Goes, Vlissingen e. a. steden, een oorlogsvloot moest uitrusten tegen de Oosterlingen. Toch kon de plaats zich niet verheffen boven den rang van een landstadje met winkelnering van een klein eiland. De visscherij, die er vroeger levendig was, is meest naar Bergen-op-Zoom verplaatst.Van Tolen doorkruisen wij het eiland over Poortvliet, een boerendorp, naar Scherpenisse, een steedsch gebouwd dorp, en St. Maartensdijk. De twee laatstgenoemde plaatsen lagen vroeger aan het breede water den Pluimpot, dat het land van Scherpenisse van dat van Tolen scheidde, doch boven genoemde plaatsen in 1556 reeds is ingedijkt tot een smalle kreek en alleen in het benedengedeelte door een smaller water nog met de Ooster-Schelde is verbonden. St. Maartensdijk was vroeger een smalstad, een stad met beperkte rechten; het is thans een flink dorp met een groote markt, die door boomen overschaduwd is. Het is een vrij drukke marktplaats van het eiland. De kerk dagteekent van vóór de Hervorming; men vindt er een praalgraf van Frederik van Borsele uit 1470, dat zeer geschonden is.In de nabijheid verrees vroeger het adellijk huis “het hof te St. Maartensdijk”, een oud, aanzienlijk gebouw, aan den voorkant met een ruim plein, waartoe een groote voorpoort toegang verleende. Een breede gracht omringde het slot met zijn stallingen, tuinen en bosschen. Vroeger was dit slot de woning van den Graaf van Oostervant; Frank van Borselen, de laatste gemaal der ongelukkige Jacoba van Beieren, verkreeg dezen titel en was heer van St. Maartensdijk. In de groote kerk van het dorp zou het geheime huwelijk tusschen Frank van Borselen en Jacoba van Beieren gesloten zijn. Op de plek van het slot, waar vóór een halve eeuw nog uitgestrekte bosschen gevonden werden, staat tegenwoordig slechts een arbeiderswoning, en een gemetselde kelder is het eenige overblijfsel van het eens zoo sterke gebouw.In het westen van het eiland ligt het dorp Stavenisse, langs een breede met boomen beplante straat gebouwd, benevens met enkele huizen om de kerk. Het vroegere kasteel van den ambachtsheer is verdwenen; wij zagen nog de fundamenten van het slot. In de kerk vindt men een fraai marmeren praalgraf van Jhr. Hieronymus van Tuyl van Serooskerke, overl. 1669, gebeiteld door R. Verhulst.Van hier is een veer, dat over het Keeten naar Vianen op Duiveland overzet.Wij zullen van dat middel gebruik maken, om Duiveland te bereiken, teneinde de oude verbindingsmiddelen der Zeeuwsche eilanden te leeren kennen.Daar vóór ons ligt het verbindingswater tusschen de Ooster-Schelde en Krammer, dat van het zuiden af de namen draagt van Keeten, Mastgat en Zijpe. Zulke wateren tusschen de hoofdarmen der riviermonden hebben een zeer afwisselende geschiedenis van worden en vergaan. Waar het eene te gronde gaat en tot land wordt, geschiedt dit niet zelden ten voordeele van een ander water, dat gelijktijdig in breedte en diepte toeneemt. Zoo ging het ook bij de eilanden, die vóór ons liggen. Schouwen en Duiveland bestonden oudtijds uit onderscheidene eilanden, door wateren doorsneden, en in de 13eeeuw scheidde de Gouwe of Golde, een breed water, het eigenlijke Schouwen in het westen nog van Duiveland en Dreischor in het oosten. Dit water liep ten O. van Zieriksee naar het N., waar het tusschen Duiveland en Dreischor den naam van Dijkwater verkreeg; het was in 1304 nog zoo breed, dat de zeeslag tusschen de Hollandsche en Fransche schepen tegen de Vlaamsche aan den anderen kant er geleverd kon worden. Doch langzamerhand verlandde dit water meer en meer; in 1373 en 1374 werden in het noorden landen ingepolderd, waardoor Schouwen met Dreischor werd verbonden, en sedert zette dit proces zich voort. Zelfs werd in 1610 de Gouwe in het zuiden bij Zieriksee geheel afgesloten.Terwijl deze wateren verdwenen, namen Keeten, Mastgat en Zijpe in beteekenis toe. In de 16eeeuw kon men hier een reeks van slikken waarnemen, door ondiepe geulen en kreeken gescheiden. Zelfs konden de Spanjaarden in 1575 van St. Filipsland uit over de platen heen bij eb het Keeten bereiken, dat zij doorwaadden, om op Duiveland te komen en vervolgens het beleg voor Zieriksee te slaan. De Zijpe was in het begin der 18eeeuw zoo ondiep, dat men aan het noordelijk einde er door kon waden.Sedert is dit water dieper geworden; er kwam meer vloedwater binnen, het schuurde over den bodem en vormde een geregelde bedding. Waar men in 1705 nog door de Zijpe kon waden, stond in 1760 reeds 40 voet water en tegenwoordig meer dan 100 voet.Op dit oogenblik liggen die stroomen in machtelooze rust verzonken, weerloos tusschen de slibberige banken, die grijs en zwart glinsteren in het zonnelicht, terwijl van verre de groene dijkwanden het waterlandschap omboorden. De oeverhavens leveren een treurig schouwspel op van slechts enkele verlaten plassen in de kleibedding, waar een verdwaald vischje spartelt in het slik. De veerman staart beschouwend over dit tafereel, dat hij nauwkeurig kent en hetwelk schier dagelijks voor zijn aanzicht wederkeert, om na te gaan, of aan den horizon de geest des Oceaans de wateren ook weder bezielt met nieuw leven. Hij ziet eindelijk de krachten wederkeeren bij den schijndoode: een golfje jaagt van verre spelemeiendover de banken, een tweede volgt iets hooger, en zij naderen. Het water rijst, de haven vult zich weder, zij het ook nog langzaam. Nu maakt de veerman zich gereed, om den overtocht te aanvaarden; wel ligt het ranke vaartuig nog een eind van den wal, maar de schipper stapt met zijn hooge laarzen door water en slijk en op zijn rug worden wij van den wal aan boord gezet. Het scheepje gaat van wal; zacht zwelt het zeil; in onregelmatige zigzaglijnen naderen wij den westelijken oever. Den oever? Neen! Op verren afstand zien wij eerst den dijk. Evenals bij het ter scheep gaan doet de sterke gestalte van den veerman thans weder dienst en... wij worden afgezet op den kant van een der naakte slikken langs den dijk. Ongeveer 20 minuten moeten wij een tocht maken over dit slijkgebied, een wel tamelijk vasten bodem, maar glibberig, overdekt met kleine waterkommetjes, die aan elkander grenzen, door iets hoogere wanden en pollen gescheiden. Over die hoogten als het ware voortspringend, telkens voor onzen voet een nieuw heuveltje uitzoekend te midden van het water, dat hooger rijst, van tijd tot tijd misstappend, zoodat het zilte water om ons opspat, wordt eindelijk de dijk bereikt. Een boerenwagen zagen wij voor ons uit rijden, de wielen plassend door het water en in een stralenkrans de droppels uitwerpend naar alle kanten, waar zij schitterden als zilveren parels in de zon; het was het voertuig, dat de post overbracht van de veerboot naar het eiland.Was thans onze overtocht lastig, niet zelden kan die ook gevaarlijk worden. Bij hoogen waterstand en storm kan ’t er dreigend zijn en hebben oude veerlieden soms uren werk, om, worstelend met golven en stroomen, de reizigers over te varen, hetgeen wel eens geheel mislukt.Tegenwoordig gaat de verbinding gemakkelijker. Om die te leeren kennen, keeren wij in gedachten terug naar Nieuw-Vosmeer en nemen daar den stoomtram weder. Op korten afstand ten noorden van het dorp buigt de baan zich naar het westen over den zwaren Slaak-dam, die door de slikken van de Heene gelegd is, om St. Filipsland met het vasteland te verbinden. Reeds in 1858 was men met het bouwen van een dergelijken dam begonnen, die spoedig weder te gronde ging. Later was men hiermede gelukkiger, en al werden in het begin nog gaten in den dijk geslagen, toch hield hij stand. Deze dam heeft een lengte van ± 2700 meter, d. i. ongeveer een half uur gaans. Aan beide zijden breiden zich steeds aangroeiende slikken uit, welke door elken vloed met nieuwe sliblaagjes bedekt worden en waarover enkele stroompjes bij ebbe tijdens het afvloeien van het getijdenwater diepere geulen openhouden. De grensscheiding van Noord-Brabant en Zeeland loopt dwars door den dam. Men bemerkt het aan de seinen, als men de grens gepasseerd is; op Noord-Brabantsch gebied hoort men van tijd tot tijd het luiden der bel van de locomotief, in Zeeland eerst hoort men de stoomfluit.Wij bevinden ons op St. Filipsland of Filipsland, zooals de bewoners zeggen, een jong eiland, dat een verschrikkelijken strijd met de wateren gestreden heeft. Wel had het reeds vroeger droog gelegen, maar op het eind der 15eeeuw lag het geheel overstroomd. In 1496 werd het opnieuw bedijkt door Filips van Bourgondië, doch in 1511 en nog eens in 1530 liep het geheel onder water en eerst in 1645 werd het wederom ingedijkt. Het dorp St. Filipsland ligt aan den dijk in den hoek van het eiland; de roode daken en een proper molentje komen van verre boven den dijk uit. Op Zondag, als de visschers tehuis zijn, is ’t een levendig gezicht, de vloot van schuiten te zien, bij het dorp gelegen.Flinke stoomveerbooten brengen thans de verbinding over de Zijpe met Duiveland tot stand, om aan beide zijden bij den stoomtram aan te sluiten. Zoo bevinden wij ons spoedig te Bruinisse, een welvarend dorp, dat met zijn roodpannen daken schilderachtig afsteekt bij de grijze kuststreek. Visscherij, oester- en mosselcultuur en de levendige handel in de produkten van het water, vooral op Engeland en België, vormen de bron van bestaan voor deze plaats. Zij telt 2600 inwoners; de visschersvloot bestaat uit 157 schepen, waarvan 135 hoogaarzen.De kerk te Bruinisse is een oud gebouw uit de 15eeeuw. In 1898 zou de kerk gedeeltelijk gesloopt worden, doch door bemiddeling der oudheidkundige commissie van het Zeeuwsch Genootschap voor Wetenschappen is het gebouw door restauratie bewaard gebleven.Een fraaie, lommerrijke straatweg leidt van Zijperhaven, de haven van de tramboot, ten Z. van Bruinisse, voorbij de dorpen Oosterland, Nieuwerkerk en Kapelle naar Zieriksee. Deze weg is een der schoonste van Duiveland; meer boschrijke gedeelten wisselen schilderachtig af met vruchtbare bouw- en graslanden.Oosterland is een bekoorlijk dorp; in de nabijheid ziet men het Slot of Heerenhof te midden van geboomte en vijvers. De oude, in een zadeldak eindigende kerktoren, dagteekent uit het eind der 14eeeuw. Nieuwerkerk is eveneens een fraai dorp; het dorp Ouwerkerk is reeds van verre kenbaar aan zijn toren met stompe spits, die in drie verdiepingen oprijst. Deze en de Jacobstoren in Den Haag zijn de eenige zeshoekige torens in Nederland.III. Zieriksee.De weg buigt zich van Ouwerkerk naar het noorden langs het in ’t lommer verscholen oude dorp Kapelle, waar in de 15eeeuw de adellijke huizen Gistelis, Maalstede en Bruëlis gevonden werden, die thans zijn verdwenen. De weg loopt dwars door in de Gouwe aangewonnen polders (zie pag.200) en vóór ons ligt in het volle groen van boomen en graswallen Zieriksee, de hoofdstad van de vereenigde vroegere eilanden Schouwen, Duiveland en Dreischor. Van verre zagenwij reeds den zwaren, stompen St.-Lievenstoren uit den berg van groen opplompen, maar bij een draai van den weg staat men ineens voor de stad, waar de Noorderhavenpoort de grens van het oude stadsgebied aanwijst.De Noorderhavenpoort boeit door den eenvoud der Vlaamsche Renaissance en bestaat uit twee aaneengebouwde huizen met een grooten doorgang; in de lijnen harer vier spitstorentjes openbaart zich een fraaie Gothiek. Vooral wanneer men deze poort van de stad uit ziet achter de kom der oude haven, maakt zij grooten indruk.Behalve deze heeft de stad nog de Zuidhavenpoort, een zwaar, massief gebouw, evenals de bovengenoemde in 1491 door Albrecht van Saksen gesticht en in 1507 gerestaureerd, en de Nobelpoort, een zwaar gebouw met slanke torenspitsen, dat volgens de overlevering gebouwd is door twee adellijke jonkvrouwen, Anna en Maria, naar wie de beide spitsen genoemd zouden zijn; wellicht is het een legende geweven om de heiligenbeelden, die in de twee torens der poort gevonden worden. Merkwaardig is de verglaasde baksteen, bij dezen torenbouw aangewend. De overige der zes poorten, welke de stad vroeger had, zijn gesloopt; de breede gracht evenwel is nog bewaard.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.Bij het binnentreden maakt Zieriksee den indruk van een vriendelijk landstadje met nog enkele oude huizen, doch over ’t geheel met een modern uiterlijk. De stadsaanleg van Zieriksee heeft het aangenaam grillige van de oude Hollandsche steden; huizen, in rijen gebouwd, zonder plan; straten, die bij toeval elkander vinden, verrassend in elkander loopen en dan weer nieuwe straten zoeken.Behalve de poorten vindt men er nog andere merkwaardige gebouwen. Wij noemen het stadhuis, in 1554 gebouwd, met twee Renaissance-gevels uit dien tijd. Vroeger stond hier een ander stadhuis, waarvan een deel van den belfroot of toren nog aanwezig is, thans eindigend in een Renaissance-spits, die als symbool van den alouden koophandel en de zeevaart dezer stad een vergulden Neptunus tot windwijzer voert. De benedenzaal van het stadhuis is bedorven door deinbouwing van vertrekken. De raadzaal en de schepenbank, stijl Louis XV, dagteekent van 1772; de burgemeesterskamer, ingericht in 1661, heeft een fraaien schoorsteen van 1673.Een der vriendelijkste stadsgedeelten vormt het gedempte Havenplein en het Kraanplein, met plantsoen begroeid en door flinke huizen ingesloten. Hier ziet men in de nabijheid de Gravensteen verrijzen, bij verkorting “het Steen” genoemd, waar vroeger de baljuw en de Rentmeester-generaal, beoosten Schelde, resideerde, doch dat reeds zeer vroeg als gevangenis heeft gediend, waarvoor het nog gebruikt wordt. Het voorste gedeelte dagteekent uit den tijd van Karel V, toen Mechelsche bouwmeesters den merkwaardigen voorgevel optrokken, dien Mechelsche smeden versierden met ankers, welke aan de symbolen van het Bourgondische en Oostenrijksche huis herinneren. Helaas! dat fraaie smeedwerk werd in de 19eeeuw door den wansmaak des tijds zeer mishandeld.Een der weinige in ons land bewaarde steenen gevels uit de 14eeeuw is die van het zoogenaamde Tempeliers- of St.-Janshuis met baksteenen topgevel.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.Het grootste en merkwaardigste gebouw van Zieriksee is de toren der Groote of St. Lievens Monsterkerk. Op een met acacia’s en olmen beplant plein, door huizen omsloten, aan den buitenrand in het westen der stad, staan kerk en toren op korten afstand van elkander; het is, of de grijze, eerwaardige toren niet meer weten wil van de monsterachtige kerk in Vitruviusstijl, welke men hem in 1832 tot metgezel heeft gegeven. Hij wendt zich met trotschheid af van den karakterloozen bastaard, dien men in zijn familie heeft willen brengen.Hier, op deze plek, werd een kapel opgericht, aan St. Lieven toegewijd, waarschijnlijk in 1151; vervolgens werd een nieuwe kerk gebouwd omstreeks 1378, toen een kapittel van 24 kanunniken gesticht werd.Daar deze kanunniken gemeenschappelijk leefden op de wijze der kloosterbroeders, werd deze kerk Monsterkerk genoemd (naar ’t Gr. monasterion). Onder de kanunniken kwamen uiterst bekwame mannen voor; wij wijzen opden geleerden Philippus à Leidis, den beoefenaar van het kanonieke recht, die daarin onderwijs gaf te Orleans, in 1369 tot hoogleeraar te Parijs werd beroepen en eindelijk, naar zijn vaderland teruggekeerd, de raadsheer van Graaf Willem van Beieren werd; verder nog op den niet minder beroemden arts en geleerde Levinius Lemnius, een Zierikseeënaar (geb. 1505), die in deze kerk werd begraven.De toen gebouwde kerk brandde gedeeltelijk af in 1466, maar werd hersteld en dit gebouw bleef bestaan tot 1832, toen door de onvoorzichtigheid van een loodgieter de kerk weder in de asch werd gelegd. In plaats van het gebouw in zijn waardige vormen te herstellen, werd de tegenwoordige kerk gebouwd.Gelukkig is de toren bewaard gebleven, een zwaar Gothisch gebouw, dat daar nog in volle majesteit verrijst. De bouw van den toren werd in 1454 aangevangen door Anthony Kelderman uit Mechelen, gesproten uit een kunstenaarsfamilie, aan wie Zeeland ook het merkwaardige stadhuis te Middelburg en de kerk te Veere dankt. Deze kerk is een der machtigste Gothische monumenten van de geheele wereld, zegt Jhr. de Stuers. Met Rijkshulp onderging dat monument in 1836–1840 een verknoeiing en werd de toren gekroond met een in hout vervaardigd hoofdgestel in Empire-stijl. Nadat een en ander bouwvallig geworden was, nam het Rijk den toren van de stad over, en door stad en Rijk werd in 1882–1895 de restauratie ondernomen.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.De toren is, zooals de meeste torens uit dien tijd, onvoltooid gebleven. Een afbeelding op het stadhuis stelt den toren voor, zooals de ontwerper zich dien gedacht had. De toren zou dan 200 M. hoog geworden zijn, langzaam afloopend bij elken ommegang.Zieriksee is als nederzetting ontstaan op een hoorn of hoek van het oude eiland Schouwen, op korten afstand van de Schelde, zoowel als van het verbindingswater met het noorden, de Gouwe. Daar had reeds in vroegen tijd een vereeniging plaats van landbouw, scheepvaart, handel en industrie. Als eilandstad gunstig gelegen voor het afleveren der landbouwprodukten, werd het een locale marktplaats, en de venige, derrieachtige aardlagen, welke men er onder de klei aande oppervlakte vond, gaven aanleiding tot het selbarnen of zoutbranden (zie de noot op pag.166), dat hier een levendige industrie werd. Een schilderij op het stadhuis geeft van de zoutbranderij een afbeelding. Nabij de stad had men nog lang de bewijzen der vroegere zoutbranderij in een paar heuvels, Noord-Zelke en Zuid-Zelke, welke gevormd waren uit de asch, die bij het zoutbranden overbleef. De heuvel Zuid-Zelke werd op den tweeden Paaschdag door oud en jong beklommen; men wierp van hier de hardgekookte eieren in de hoogte, sporen van de oude lente-offers. Doch de zelkasch werd verkocht aan de glasblazerijen en na jaren achtereen aan de stadskas groote voordeelen geschonken te hebben, werd de laatste zelkheuvel in 1895 weggevoerd.Toen de zoutbranderij verboden werd van overheidswege, wegens de landvernieling, die zij tengevolge had, wist de ontluikende scheepvaart het klipzout reeds uit Spanje en Frankrijk aan te voeren en in plaats van zoutbranderijen ontstonden er zoutziederijen en raffinaderijen. Van welk belang dit was, blijkt hieruit, dat er in 1526 nog 77 zoutkeeten bestonden. Daarbij kwam nog de visscherij als bron van bestaan en de levendige scheepvaart en handel. Deze bedrijven werkten samen, om Zieriksee in de 15een 16eeeuw tot een welvarende stad te maken.Doch de groote zoutindustrie ging in de 17een 18eeeuw langzamerhand te gronde; de haring- en kabeljauwvisscherij, in de 16eeeuw zoo bloeiend, terwijl er in 1711 nog ongeveer 80 visschersschepen gevonden werden, ging teniet, zoodat er in 1800 slechts 2 waren overgebleven. Eveneens verdween de eens zoo bloeiende scheepvaart. In 1720 telde de stad nog 75 koopvaardijschepen, maar onder het Fransch bestuur ging zij geheel te gronde.Toch is Zieriksee geen doode stad; zij is enkel teruggedrongen tot haar natuurlijke handelssfeer en werd weer uitsluitend de marktplaats van Schouwen en Duiveland. Op de marktdagen is het nog een echt levendige plaats. Een lange haven, tusschen twee hooge dijken gelegen, de Nieuwe haven, brengt Zieriksee in verbinding met de Schelde; in 1579 begon men die aan te leggen. Vroeger had de stad de Oude haven, die ten oosten der stad uitkwam in een kreek of diep, dat in de Schelde uitliep.IV. Over Brouwershaven naar Westenschouwen.Met veel bochten, doch in hoofdrichting naar het noorden, loopt de stoomtram thans van Brouwershaven dwars door Schouwen. Langs welig begroeide bouwlanden, grazige weiden en belommerde dijken buigt de straatweg voorbij het fraaie geboomte der buitenplaats Zorgvlied, waarbij zich aansluiten de villa’s Welgelegen, Mon Plaisir, Buitenrust en andere, die te zamen het gehucht “Schuddebeurs” vormen, aldus genoemd naar een uitspanning met fraaien tuin. Dezevriendelijke, boschrijke oase, te midden der kleilanden, was al vroeg door de Zierikseesche familiën zeer gezocht.Niet ver van hier, aan den Kloosterweg, verhief zich eens het rijke Karthuizer klooster Zion of Berg Zion, dat in 1575 verwoest werd bij de belegering van Zieriksee door de Spanjaarden. Wij komen voorbij Noordgouwe, een dorp in een jong aangewassen polder, waar in 1304 nog een scheepsstrijd plaats had tusschen Hollandsche, Fransche en Vlaamsche vloten, voorbij Zonnemaire, omstreeks 1400 ontstaan in een toen bedijkten polder, door Bommenede, een bloeiend dorp aan den zeedijk, en bereiken spoedig Brouwershaven.Brouwershaven is een oude smalstad aan de Grevelingen en telt thans ongeveer 1400 inwoners. Het stedeke maakt een melancholischen indruk; zoo stil en vergeten ziet het er uit, wat te meer uitkomt door het ruime marktplein bij de haven, waar het raadhuis verrijst met zijn schilderachtigen gevel, en dat er op wijst, dat deze plaats eens grooter beteekenis moet hebben gehad.Het stadhuis van Brouwershaven werd in 1599 gebouwd en is in 1890 gerestaureerd naar het oorspronkelijk plan; de gevel is een beeld van den levendigen, opgewekten Renaissancestijl. Als men het bordes met dubbelen hardsteenen opgang betreedt, ziet men boven den fraaien ingang een nis met het beeld der gerechtigheid, waaronder in ’t Latijn staat, dat “de wet het behoud voor ’t gemeenebest is.” De klapvensters, de in lood gevatte, kleine ruitjes, de levendige afwisseling van kleuren en vormen, brengen ons den gouden tijd voor den geest, toen welvaart en kunst hun hoogtij vierden in deze landen en zich uitten bij schier elk openbaar gebouw, zelfs in de kleinste landstad.Stadhuis te Brouwershaven.Stadhuis te Brouwershaven.In het stadhuis vindt men het archief der stad met het oudste stuk uit 1344, waarbij aan Brouwershaven een vrije haringmarkt werd geschonken. Een folio-exemplaar der werken van Cats met eigenhandig geschreven opdracht en sierlijke zilveren sloten wordt op het stadhuis bewaard ter herinnering aan het feit, dat Jacob Cats in deze plaats het levenslicht aanschouwde, 10 Nov. 1577.Van Brouwershaven is Cats de groote burger. Een klein, nederig huisje in de Noorderstraat, met twee ramen en een deur in de benedenverdieping en één raam in den dakgevel, wordt als het geboortehuis van den dichter van “den Boerenbijbel”aangewezen. In het begin der 19eeeuw zag dit huisje er nog juist zoo uit als in den tijd, toen Cats er opgroeide; later is het veranderd. Op de Markt is in 1829 een standbeeld van Cats opgericht, rustende op een vierkant voetstuk van arduin. Om den Hollandschen schoonmaakgeest eer aan te doen, wordt het jaarlijks zorgvuldig gewit.Een hoogst belangrijk gebouw is de kerk van St. Petrus en Paulus, een der mooiste bouwgewrochten in Nederland; het werd van 1876–1892 door het Rijk en de stad gezamenlijk gerestaureerd. Het koor met ambulatorium, vijf absidiale kapellen en transept, alles gewelfd met baksteen, dagteekent van 1293; de tegenwoordige drie schepen zijn uit de 15eeeuw. Toen men er aan dacht, dit gebouw te sloopen, trok de Regeering zich het gelukkig aan en zoo bleef het voor de geschiedenis onzer bouwkunst behouden. Het antieke orgel, dat het jaartal 1557 droeg, is aan het Rijk verkocht en bevindt zich in het Rijks-Museum te Amsterdam.Brouwershaven wijst in zijn geschiedenis duidelijk aan, hoe de omstandigheden ten voor- of nadeele van een plaats kunnen veranderen. De plaats is ontstaan aan den mond van een water, de Duivenee, dat voorbij Brijdorpe uit het eiland kwam en hier in het breede zeegat uitmondde. Brijdorpe, thans een onbeduidend gehucht, was in de 13eeeuw een dorp van beteekenis, een der aanzienlijkste dorpen van Schouwen. Waarschijnlijk beteekent de naam “Brouwersdorp”. Graaf Floris V wilde Brijdorpe tot een koopstad maken, en om een haven te verkrijgen aan den mond der Duivenee, werd hier door den Hollandschen Graaf van Jan van Renesse 100 gemeten lands gekocht, om er een stad en een haven aan te leggen in 1288; door den dood van Floris V verkreeg het plaatsje echter nog geen stedelijke rechten. Het kwam pas tot grooten bloei na den afval van Spanje, toen het in 1590 verlof kreeg, zich door wallen te beveiligen, de gedaante en het karakter eener stad aannam, een smalstad werd. Het recht van stemhebbende stad verkreeg Brouwershaven niet.De handel in bier uit Holland was een groote bron van welvaart voor de plaats in oude tijden; Zeeland moest bij gebrek aan goed water zijn bier hoofdzakelijk van elders verkrijgen. Naast den bierhandel bracht de visscherij, vooral de haringvisscherij, de plaats tot welvaart; in de 17eeeuw kwamen vele kooplieden uit Holland hier, om de haring in te koopen. Doch met den achteruitgang der visscherij taande ook de welvaart van Brouwershaven. In 1822 was de plaats zoozeer in verval, dat het aantal ingezetenen tot 322 gedaald was.Er kwam hoop op nieuw leven en ook werkelijk vooruitgang, toen in 1838het Brouwershavensche Gat werd betond, om te kunnen dienen tot toegangspoort uit zee voor de groote schepen, naar Dordrecht en Rotterdam bestemd. De verwachting was hoog gespannen, daar deze reede in den winter steeds open was; tal van loodsen, verificateurs, enz. vestigden er zich met het oog op het herbloeien van den handel; een groot logement “Catsburg” werd gebouwd, om de vreemdelingen te kunnen herbergen. Doch die hoop werd niet verwezenlijkt, en na de opening van den Nieuwen Waterweg voor Rotterdam verliet het scheepvaartverkeer Brouwershaven weder; de ambtenaren vertrokken, de bedrijvigheid stond plotseling stil. Brouwershaven was weder een doode stad geworden als vóór 1838. En die toestand was des te drukkender, daar hij volgde op een vleugje van nieuw, opbloeiend leven.Wij verlaten het droefgeestige stedeke, waar de tram ophoudt, om het westelijk Schouwen nog te doorkruisen op eigen gelegenheid. Terwijl wij den weg langs den zwaren dijk volgen, die de woedende golven der zee in het Brouwershavensche Gat tegenhoudt, hebben wij van tijd tot tijd gelegenheid, die hooge borstwering te beklimmen en een gezicht over Schouwen aan den eenen, over de zee aan den anderen kant te genieten. In het noorden zien wij over de thans rustige wateren de duinen van Goedereede in het zonlicht blinken met den toren van Ouddorp; in het zuiden vóór ons ligt Schouwen in een diepe kom, waar graslanden met bouwlanden, door goudgele tarwe bedekt, afwisselen, terwijl hier en daar een dorpje, te midden van eenig geboomte, uit het overigens naakte land oprijst.Vóór een vijftal eeuwen had het landschap hier een ander aanzien. Onderscheidene kasteelen en aanzienlijke kloosters verrezen zoo hier en daar uit het land, waarvan thans geen bouwvallen zelfs meer over zijn, en meer dan één bloeiend dorp uit de middeleeuwen is gedaald tot den omvang van een gehucht. Zoo bijv. Brijdorpe, dat wij reeds noemden. Het slot Herkestein, waar in 1426 de Engelschen en de Hoeksche edelen, die vrouwe Jacoba getrouw waren gebleven, moesten onderdoen voor de Kabeljauwschen, is geheel verdwenen, zoodat men zijn plaats niet meer weet; Looperskapelle en Klaaskinderenkerke zijn van dorpen gehuchten geworden, en van het klooster “Bethlehem bij de duinen van Schouwen”, dat in de 12eeeuw gesticht en in 1572 door de Watergeuzen verbrand werd, is ook niets meer over; alleen is de naam nog bewaard voor een hofstede.Langs het dorpje Scharendijke en voorbij het gehucht Oudendijke zien wij in het noorden weldra de duinheuvels plaats maken voor den dijk en spoedig daarna komen de toren en trapgevels van een kasteel tusschen het geboomte te voorschijn, terwijl de achtergrond in het westen gevormd wordt door een schilderachtigen, boschrijken zoom langs de duinen, die zoo hier en daar in witteblinkerts er uit oprijzen, als om te toonen, waaraan West-Schouwen zijn heerlijke natuur te danken heeft. Want thans bevinden wij ons op het wel meest afgelegen, maar ook het schoonste en oudste gedeelte van Schouwen, dat in de oudheid door den adel bijzonder gezocht was.Het slot, dat wij vóór ons zien, is een treurig overblijfsel van het eens zoo beroemde Moermont, in de oudheid een sterk kasteel, omringd door wijde en diepe grachten en met vijf torens versterkt. Dit was het stamhuis en de verblijfplaats der Heeren van Renesse, waartoe ook de Zeeuwsche Bayard, heer Jan van Renesse, behoorde, die wegens de wonderen van dapperheid, welke hij meer dan eens verrichtte, in de landskronieken wordt aangeduid met den eerenaam van “de vrome en onversaagde ridder”. In 1244 vertoefde op dit slot Graaf Willem II; in 1297 werd het maanden lang belegerd door Wolfert van Borselen en bijna geheel vernield. Na herbouwd te zijn werd het nogmaals verwoest, maar in 1513 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1751 werd het in den toestand gebracht, waarin men het thans ziet, doch de trotsche bosschen met aangename wandeldreven zijn alle verdwenen, en alleen eenig ruw, slecht onderhouden geboomte omringt het vervallen oude huis, dat slechts tot arbeiderswoning dient.Het slot Moermond Renesse.Het slot Moermond Renesse.Weinige minuten verder ligt het dorp Renesse, te midden van de bekoorlijke geeststreken, gebouwd rondom een ruim, met boomen beplant kerkplein. Door een boschrijken zoom, binnenlangs de duinen, loopt de straatweg van Renesse naar Haamstede, terwijl langs den weg de paden zich in bosch en duin verliezen. De duinen hebben hier de aanzienlijke breedte van een uur gaans.Het vriendelijk dorp Haamstede, dat wij thans bereikt hebben, vormt een breede straat, met olmen en kastanjes beplant, die zich in het midden om de kerk verbreedt tot een plein. Hoewel het dorp van hoogen ouderdom is, vindt men er toch geen oude gebouwen; de drieschepige kruiskerk heeft haar tegenwoordigen vorm in 1605 verkregen en biedt weinig belangrijks.Ten westen, onmiddellijk naast het dorp, verrijst het oude slot Haamstede. Eenmuur met zware ijzeren poort, de poortpilaren gekroond met de wapens van Witte en Mogge, de vroegere bezitters, sluit aan de zijde van het dorp de plaats af, en de heerlijke bosschen strekken zich naar het westen uit tot diep in het duin. Binnen de voorpoort gekomen, ziet men het slot, door grachten ingesloten en met een klein plein rondom het gebouw. De steenen brug voert tot een oude steenen poort, met klimop omrankt en met een wapen gekroond. Daar verder verrijst de hooge, gekanteelde muur van het huis met twee torens.Het slot Haamstede werd vermoedelijk in de eerste jaren der 14eeeuw gebouwd door Witte van Haamstede. Van dit slot snelde de dappere Witte, Grave Floreszoon, in 1304, naar Holland, plantte de leeuwenvaan op den Blinkert, bestreed den Vlaming en wist geestdrift te wekken voor het Hollandsche Gravenhuis. Zoo werd hij de “geesel der Vlamingen”, de “redder van Holland”.“Men vraagt zich niet, of menig heldDen eedlen Witte vergezelt,Genoeg, genoeg is ’t, dat hij kwam,De wakkre telg uit Hollands stam!En wat zou ook een tal van knechtenIn staat zijn, meerder uit te rechten?Een balsemdrop, een bloem bevruchtMet geuren ieder deel der lucht;Een enkle zon verlicht de sfeer,Een enkle held bezielt een heir.”Tot 1454 bleef deze heerlijkheid in het bezit der Witte’s van Haamstede. Na verschillende lotswisselingen der edelen van Haamstede viel het oude slot in 1525, toen René van Brugge er heer was en hij de roemrijke overwinning van Karel V bij Pavia ook op Schouwen wilde vieren, terwijl des avonds smeerpotten en teertonnen de muren zouden verlichten, als een prooi der vlammen, waaruit weinig gered werd. Alleen de geroosterde wanden, een paar torens en de hoofdpoort bleven staan met enkele muurbrokken. Zoo bleef het slot een verlaten ruïne. Toen Keizer Karel V in 1540 te Zieriksee kwam, begaf hij zich nog naar Haamstede, om de plek te zien, waar op een aan hem gewijden vreugdedag het roemrijke slot was verwoest.In 1608 werd het slot herbouwd door Jacob van den Einde, den toenmaligen bezitter der heerlijkheid. Nog werd het uitgebreid in 1879–81, en het laatst onderging het veranderingen in 1888. De zware bosschen, die er stonden, werden in het midden der 19eeeuw grootendeels gekapt, maar zijn door jong hout vervangen, dat thans weer prachtige, koele lanen aanbiedt en een heerlijken overgang naar het woeste duinland vormt, dat daar nog ligt als een stuk onbedorven natuur.Door dit slot en de verdere schoone omstreken, alsmede door de behagelijke rust, waarin het dorp ligt, is Haamstede een plaats, juist geschikt, om het geestelijk evenwicht, dat in onzen zenuwachtigen tijd veel heeft te doorstaan, te herstellen.Op korten afstand, ten zuiden van Haamstede, ligt aan den voet van de duinen het schilderachtige dorp Burg, gebouwd aan het met vruchtboomen beplante kerkplein. De kerk is in 1674 gesticht. Zij bezit een kunstvol glasraam uit de 17eeeuw, geschonken door de Staten van Zeeland.Ten zuidwesten van Burg stond tot 1890 het oude slot Craayenstein, dat, hoewel verbouwd, afkomstig zou zijn uit den tijd der Noormannen. Aan dezen burcht dankt het dorp zijn naam. Ten O. van het dorp vindt men, ten deele opgegraven, de fundamenten van het klooster Leliëndale, in 1459 gesticht en na verwoesting bij den beeldenstorm geheel verlaten.Een eigenaardig volksfeest, geheel bijzonder voor Schouwen, dat in den laatsten tijd weer toeneemt in beteekenis, moeten wij nog vermelden. Dat is het zoogenaamde “stra-rijden,” bij verkorting ook “stra” genoemd.Het slot te Haamstede.Het slot te Haamstede.Stra is een tweeledig ding: het is een kermis zonder kramen, een paardenmarkt zonder koopers of verkoopers, een jaarmarkt zonder nadagen, zonder officieel karakter, bij geen autoriteit bekend, in geen almanak opgegeven, conventioneel ontstaande en eindigende, een dag van ontspanning, die vrienden bij elkander brengt, een episode in de wintersche dagelijkschheid, die jaarlijks komt en daarin getrouwer is dan ijs en schaatsen.De stra is eigenlijk een uitsluitend Schouwensch feest, men kan het niet beter karakteriseeren dan als een volksfeest, het was een soort van kermis op het strand, waaraan het ook zijn naam heeft te danken. Door het weglaten der beide laatsteletters is de naam strand moeilijk meer in stra te herkennen, maar het eigenlijke van het feest wijst toch op die afkomst.Als de kortste winterdagen voorbij zijn en de rijzende zon den aantocht van de lente verkondigt, als de veldarbeid na de winterrust weder begint aan te vangen, of althans wordt voorbereid, viert men vooraf het strandfeest, dat men als stra-rijden aanduidt. Elk dorp heeft zijn bepaalden dag vanstra-rijden, te beginnen met den eersten Maandag in Maart en zoo vervolgens. Dan worden de paarden alle netjes gekamd en geborsteld, de staart in kunstige vlechten geslagen en de zoons en knechts der boeren stijgen te paard, om, na in het dorp vereenigd te zijn, in optocht naar het strand te rijden. Geen paard blijft op dien dag op stal en de zonen des huizes hebben natuurlijk het recht op de keur van de paarden. Ongezadeld, in flinken draf, rijdt men aldus naar zee, waar den dieren de voeten gespoeld worden, als om den zegen voor het nieuw aankomende arbeidsjaar op het veld, waaraan de paarden ruim hun deel hebben, uit Neptunus’ hand te vragen.Aan het strand gekomen, wordt de paardenstoet in het zilte nat gedreven.Zij plassenEn wasschenDe kooten;Hun pootenGaan klapperenBij ’t dapperenDoor ’t water-Geklater.De hoevenBeproevenHet vochtige zand;Een lustige kwant,Een vroolijke ruiter,Zet ’t paard aan, maar stuit erBij ’t stuivende duin,aldus schetst een medewerker van de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846 het stra-rijden.Het stra-rijden is een voetspoeling der paarden in zee. Als dit onder vroolijke scherts geschied is, keeren de stra-rijders naar het dorp terug, waar een soort van kermis gehouden wordt. Daar zijn thans de stalletjes en kraampjes geplaatst met sinaasappelen en koek, en niet meer op het strand, en in de dorpsherberg heerscht een druk leven, dat nog voortgezet wordt, ook nadat de stra-rijders hun paarden weder op stal hebben gebracht.Elk dorp in het westelijk Schouwen heeft zijn eigen stra-dag, zeiden wij. Men berekent de stra-dagen naar dien van Haamstede, waar stra valt daags vóór vastenavond. De stra-dag van Renesse heeft een week eerder plaats; dit dorp opentde reeks der stra-dagen. Des Zaterdags na Haamstede heeft Noordwelle zijn stra; een week daarna Serooskerke en nog een week later Ellemeet, vervolgens Elkersee.Waaraan de stra-dagen hun oorsprong hebben te danken? Niet onwaarschijnlijk behooren zij in de reeks der oude lentefeesten. Zooals men in de landgewesten naar de bosschen toog, als de tempels der goden, wendde men zich aan de kust naar de zee, de machtige en indrukwekkende, die volgens het volksgeloof weer en wind beheerscht, die door haar bruisen de stormen aankondigt, en uit wier schoot de onweders oprijzen. Is het onnatuurlijk, dat men de goden, die daar woonden en heerschten, eerbiedig huldigde; dat men de paarden, die den ploeg trekken, in zee als ’t ware een wijdenden doop deed ondergaan, vóór zij het akkerwerk aanvingen?In Zeeland gaf de zee aanleiding tot menige uitspanning. De jeugd begaf zich steeds gaarne naar het strand, om zoowel in het duin te stoeien als zich met de spelende golfbeweging van het water op het strand te vermeien en in de ondiepe wateren van de kust te spartelen. De tragische geschiedenis van Roosje heeft het gebruik, om jonge meisjes stoeiend in zee te dragen, algemeen bekend gemaakt voor Walcheren, doch het vond ook hier plaats.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.In het zuidwesten van het eiland ligt aan den breeden Scheldemond Westenschouwen, thans een gehucht van slechts een tiental huizen, niet een bezoek waard, als men het zeegezicht uitzondert. Doch eens lag hier een aanzienlijke plaats, die al vroeg het bloeiendste vlek van Schouwen uitmaakte. In den tijd, toen de Ooster-Schelde nog een minder breed water was, had Westenschouwen door zijn ligging aan den mond een goede haven, om de zeevaart in binnenvaart te doen overgaan. In 1438 werd van hier de vaart op Portugal en Spanje gedreven, en door tal van privilegiën van tolvrijheid, o.a. in Lotharingen en Limburg, in Engeland (1475) en elders, bloeide Westenschouwen op tot een aanzienlijke plaats. Hier begon men in 1493 het eerst in Zeeland voor de vischvangsthoekers te bouwen; vroeger werd de visscherij slechts met kleine pinken gedreven. Toen werd Westenschouwen een bloeiend, fraai dorp. Reigersbergh verhaalt van een dreef van boomen, aan beide zijden van de straat tot de kerk toe, die met schoone huizen bezet was, waarin de fraaiste kelders waren, als ware het een stad geweest. Vreemdelingen van alle streken kwamen in Westenschouwen, waar de Rijnsche wijn, volgens een mededeeling, in 28 herbergen geschonken werd en waar een levendig verkeer heerschte.Maar aan deze veranderlijke stroomen wisselt alles. De eens zoo schoone haven verzandde en was aan het eind der 15eof in het begin der 16eeeuw verloopen. Voor een plaats, die door haar haven alleen was opgekomen, werd hierdoor de bron van welvaart gesloten. Daarbij kwam, dat gelijktijdig hiermede het gevaar voor overstrooming dreigde en de bodem werd aangetast. Reeds voor eenigen tijd waren kerk en toren verder landwaarts verplaatst, en de plek, waar het oude Westenschouwen stond, moest geheel buitengedijkt worden.De bewoners verlieten Westenschouwen; het eene huis na het andere werd afgebroken. De legende fabelt van een meermin, die hier gevangen werd, en wrake roepende den vloek uitsprak over de plaats.Of het door den vloek der meermin was of niet, Westenschouwen is te gronde gegaan. De wateren der Schelde spoelen thans, waar eens het dorp stond. In 1591 was de kerk niets meer dan een bouwval. De huizen verdwenen, het eene voor, het andere na. Nog lang bleef de kerktoren staan, een schilderachtige ruïne op den bodem der verlaten plaats, maar in 1845 werd die bouwval afgebroken en verkocht.Wij staren van hier naar het oosten in de richting van Zieriksee en laten den blik weiden over de breede vlakte der Schelde, die met een groote ronding in Schouwen opbuigt. Deze inham is een gevolg van de werking van het water, dat de zuidkust van Schouwen met nimmer rustende vraatzucht heeft afgeknaagd en uitgehold. Al langen tijd is Zuid-Schouwen door dijkvallen en oeverafschuivingen, die telkens gedeelten lands in de diepte deden verzinken, aangetast en zoo zijn van Westenschouwen tot Zieriksee in den loop der tijden onderscheidene dorpen en stukken lands in de golven verdwenen. Dicht bij het havenhoofd van Zieriksee lag eens het dorp Borrendamme, dat, in 1477 en 1530 reeds sterk aangetast, in 1613 geheel verwoest werd. In 1662 ging in deze streek het dorp Rengerskerke te gronde. Het dorp Zuidkerke is reeds vroeg hier vergaan en een nieuw dorp van denzelfden naam, verder binnenwaarts gebouwd, is in 1534 weer verdwenen. Simonskerke, St. Jacobskerke, Brieskerke met de buurt ’s Heer-Arendshaven zijn alle vergaan door het water.Daardoor is de eens veel smallere Ooster-Schelde een breede inham der zee geworden in den loop der tijden. Het eiland Worigeszand of Orisant, tusschen Noord-Bevelanden Schouwen gelegen, is in de 18eeeuw door den waterwolf geheel opgeslokt.Doch wij willen ons niet langer met treurige gedachten aan de vergankelijkheid der Zeeuwsche gronden bezighouden. Wij verlaten dit eiland met de overtuiging, dat, al kon niet elke grondbraak of oeverafschuiving beteugeld worden, onze ingenieurswetenschap door het beperken van het landverlies toch ook hier schitterende overwinningen heeft behaald op de natuur.
De noordelijkste eilandenrij van Zeeland valt het gemakkelijkst van Noord-Brabant uit te bereiken.
Van Breda over Oudenbosch loopt een stoomtram naar Steenbergen en hiervangt een lijn aan, die thans de beste verbinding geeft met de eilanden. Wij zullen deze route in hoofdrichting volgen, ook al veroorloven wij ons van tijd tot tijd flinke zijuitstapjes.
Wanneer wij met den stoomtram van Oudenbosch reizen, bemerken wij al spoedig, op korten afstand ten westen van dit plaatsje, dat wij feitelijk in het delta-land zijn aangekomen. Al bevinden wij ons hier thans in het midden van het land, al schuimen nergens in de nabijheid de woedende wateren, het vette kleiland, door onderscheidene hooge dijken doorsneden, hoe achteloos kalm ook in cynische rust gelegen, zij beide wijzen duidelijk aan, dat hier eens de golven het vruchtbare slib hebben aangevoerd, waarop de schoone tarwe en bieten worden verbouwd. Doch al is het feitelijk in het deltaland, het water heeft hier zijn gaven van nieuwland nog aan den zandbodem van Noord-Brabant vastgehecht.
Wij naderen Steenbergen, waar de zandgronden in een rug tusschen de kleigronden vooruitschuiven, een laatste worsteling tusschen Diluvium en Alluvium. Stil en vergeten ligt daar het oude stedeke; in zijn straten heerscht diepe rust. Merkwaardigheden zoekt ge vruchteloos in deze plaats, al zou de hooge ouderdom der stad hier allicht iets uit het verre verleden doen vermoeden, want volgens de meening van enkele historieschrijvers zou de nederzetting te dezer plaatse haar oorsprong te danken hebben aan een tolhuis, dat in 603 aan het kanaal, gegraven van Strienemonde tot Strienham, door zekeren Strenius, landvoogd van dit gewest, gebouwd werd. In elk geval was Steenbergen in de 14eeeuw een vrij aanzienlijke koopstad, die handel dreef op Engeland en Denemarken. De nederzetting was toen veel grooter dan thans. Doch met het aanslibben van het delta-land gingen de voordeelen van haar ligging aan de groote stroomen verloren. Er vormde zich een voorland voor Steenbergen; de plaats werd een landstad, en de handel ging hiermede teniet. En toen in 1365 een zware brand de stad trof en bijna geheel vernielde, werd zij wel herbouwd, maar binnen een engeren ringmuur dan vroeger. Men verhaalt, doch dit lijkt niet waarschijnlijk, dat het nieuw herbouwde Steenbergen nauwelijks een tiende gedeelte van zijn vorige grootte zou verkregen hebben.
Steenbergen was destijds een vesting, maar slechts een enkele muur omringde de stad, en in den tijd van den tachtigjarigen oorlog was zij niet in staat aan de belegeringen van den hertog van Parma in 1583, en later aan die van Prins Maurits in 1590, tegenstand te bieden. Eerst in 1629 werd zij volgens de beginselen der nieuwere vestingbouwkunde versterkt met een aarden wal. Hiervan is echter niets meer over dan enkele sporen van den omtrek; Steenbergen ligt thans open en is een onbeduidend landstadje met ruim 2000 inwoners, die hoofdzakelijk hun bron van bestaan vinden in de landelijke omstreken en door de beetwortelsuiker- en stoommeelfabrieken. Architectonisch schoon zoekt men vruchteloos in hetoude plaatsje; het was reeds economisch te gronde gegaan, vóór de Hollandsche bouwkunst zich tot haar typische schoonheid ontwikkelde. De burgerhuizen, ruim gebouwd met breede gangen, staren wezenloos en als zonder karakter op de stille straten.
Wij volgen de lijn van den tram, die de jonge polders van noordwestelijk Noord-Brabant naar Nieuw-Vosmeer doorsnijdt. Over ’t geheel is dit een weinig aantrekkelijk landschap. Maar hoe eentonig ook, een bron van produktieve levenskracht is in dien vetten aardbodem verborgen. Vóór 500 jaren lag de noordwestelijke hoek van Noord-Brabant tot dicht bij Steenbergen nog bijna geheel onder water: een woeste vlakte met slikken en platen, bij vloed één waterzee, welker golven woest over de ondiepten heenstroomden, terwijl bij ebbe de slibberige gewassen grijsglanzend uit het water kwamen opduiken.
Eerst langzamerhand drong de dijkenbouwende bevolking in deze vlekken door, en van tijd tot tijd werden de nieuwe gedeelten door den mensch geannexeerd voor het bedrijf, die zich het best er toe leenden. Het eerst werden de Nieuw-Vosmeersche en de Nieuwe Heipolder, waarlangs de trambaan loopt, in 1433 bedijkt (herdijkt in 1565). ’t Was een eiland, midden in het water, door de bewoners van Oud-Vosmeer op Tolen bedijkt en zeker ook grootendeels bevolkt. Daardoor werd Nieuw-Vosmeer als polder tot Zeeland gerekend, hoewel door het breede water der Eendracht er van gescheiden, en tot 1809 bleef Nieuw-Vosmeer een Zeeuwsch dorp, dat eerst in dat jaar provinciaal tot Noord-Brabant gebracht werd. In natuurkundigen zin echter zijn wij hier reeds in Zeeland.
Door het verloopen en dichtslibben der wateren rondom den genoemden oudsten polder hadden naar alle kanten nieuwe bedijkingen plaats: de Oude Heipolder in 1515, de West-Graaf-Hendrikpolder 1528–1538, de Heenepolder in 1610, de Boerengors 1630, de Heerenpolder 1633, de Oude Vlietpolder 1649, de Noord-Heenpolder in 1655. Zoo is, stukje na stukje, de noordwesthoek van het oude Noord-Brabant aangegroeid met delta-land, van een geheel ander karakter dan de echte Brabantsche grond, en Steenbergen was aldus geheel een landstadje geworden.
Het landschap van Steenbergen tot Nieuw-Vosmeer biedt weinig afwisseling aan. Uitgestrekte, vruchtbare bouwlanden ziet men aan beide zijden, effen, met geen andere afwisseling in het relief dan de dijken, die de geschiedenis des bodems aanwijzen als de jaarkringen van de boomen des wouds. De boerenhuizen staan op zichzelf, meestal tusschen eenig geboomte, over de velden verstrooid, typen van groote landbouwhuizen. In den zomer overdekt een donkergroen dit landschap door de velden, met beetwortels beplant, die er hun breede bladen uitspreiden, afgewisseld met tarwevelden, ajuin en enkele weiden. ’t Is hier een echte landbouwstreek.
Zoo bereiken wij Nieuw-Vosmeer, bijna op de grens van Noord-Brabant, een flink dorp, in de lengte langs den dijk gebouwd, waarboven de roode pannendaken uitkomen. Een weinig ten noorden van het dorp den blik naar het westen richtend zien wij links vóór ons het eiland Tolen, rechts St. Filipsland.
Wij laten ons eerst naar Oud-Vosmeer overzetten, om een kijkje te nemen op het eiland Tolen. Starende van den hoogen dijk over het land, blijkt het ons, dat dit eiland uit onderscheidene polders is aaneengevoegd, alle verschillende tijdperken van bedijking aanwijzend. Het eigenlijke Land-van-Tolen is een der oudste eilanden van Zeeland en wordt gerekend onder de landen, die sedert 850 bedijkt zijn, al kent men het juiste jaar niet. In de 13eeeuw bestond Tolen uit tal van kleine eilanden, die allengs door bedijkingen aan elkander werden gesloten. Door het bedijken van het noordelijk deel van den Pluimpot werden in 1556 de oostelijke ambachten aan de westelijke verbonden, en ook in de volgende eeuwen zetten de aanwinst van land en de aaneensluiting zich voort.
Van het nette dorp Oud-Vosmeer, langs den dijk, bereikt men weldra het stadje Tolen met ongeveer 3000 inwoners, een oude vesting, waarvan de wallen en grachten nog gedeeltelijk zijn overgebleven. Het is een aan elkander gebouwd plaatsje, met een ruime markt, terwijl onderscheidene oud-Hollandsche gevels den straten een vriendelijk karakter geven. De kerk met haar vierkanten toren en stompe spits ligt tusschen hoog geboomte. Het oude stadhuis is een smal en hoog gebouw van arduin, met een dubbelen arduinsteenen opgang en vier verdiepingen hoog; de trans is als van schietgaten voorzien en het torentje met hooge spits draagt een speeluurwerk.
Raadhuis te Tolen.Raadhuis te Tolen.
Raadhuis te Tolen.
Tolen is waarschijnlijk opgekomen als een tolhuis van den hertog van Brabant, dat hier gebouwd werd aan de Eendracht, eens een druk bevaren water. De naam der stad staat met tol in verband. In de eerste helft der 13eeeuw kwamde plaats in het bezit der Graven van Holland en Zeeland, die er een steenen huis voor den ontvanger van den tol lieten bouwen, en aan het tolhuis ontstond een nederzetting, die in 1335 de vrijheid verkreeg, om stapelvrij koren en haver Holland binnen te voeren. In 1431 hebben eenige Brabantsche kooplieden vele aanwassen en schorren om het Oude dorp van het land van “Ter-Tholen” laten bedijken en zoo verkreeg de nederzetting een handelsgebied op het aanwassende eiland. Daardoor had Tolen in 1438 zooveel beteekenis erlangd, dat het, evenals Reimerswaal, Kortgene, Goes, Vlissingen e. a. steden, een oorlogsvloot moest uitrusten tegen de Oosterlingen. Toch kon de plaats zich niet verheffen boven den rang van een landstadje met winkelnering van een klein eiland. De visscherij, die er vroeger levendig was, is meest naar Bergen-op-Zoom verplaatst.
Van Tolen doorkruisen wij het eiland over Poortvliet, een boerendorp, naar Scherpenisse, een steedsch gebouwd dorp, en St. Maartensdijk. De twee laatstgenoemde plaatsen lagen vroeger aan het breede water den Pluimpot, dat het land van Scherpenisse van dat van Tolen scheidde, doch boven genoemde plaatsen in 1556 reeds is ingedijkt tot een smalle kreek en alleen in het benedengedeelte door een smaller water nog met de Ooster-Schelde is verbonden. St. Maartensdijk was vroeger een smalstad, een stad met beperkte rechten; het is thans een flink dorp met een groote markt, die door boomen overschaduwd is. Het is een vrij drukke marktplaats van het eiland. De kerk dagteekent van vóór de Hervorming; men vindt er een praalgraf van Frederik van Borsele uit 1470, dat zeer geschonden is.
In de nabijheid verrees vroeger het adellijk huis “het hof te St. Maartensdijk”, een oud, aanzienlijk gebouw, aan den voorkant met een ruim plein, waartoe een groote voorpoort toegang verleende. Een breede gracht omringde het slot met zijn stallingen, tuinen en bosschen. Vroeger was dit slot de woning van den Graaf van Oostervant; Frank van Borselen, de laatste gemaal der ongelukkige Jacoba van Beieren, verkreeg dezen titel en was heer van St. Maartensdijk. In de groote kerk van het dorp zou het geheime huwelijk tusschen Frank van Borselen en Jacoba van Beieren gesloten zijn. Op de plek van het slot, waar vóór een halve eeuw nog uitgestrekte bosschen gevonden werden, staat tegenwoordig slechts een arbeiderswoning, en een gemetselde kelder is het eenige overblijfsel van het eens zoo sterke gebouw.
In het westen van het eiland ligt het dorp Stavenisse, langs een breede met boomen beplante straat gebouwd, benevens met enkele huizen om de kerk. Het vroegere kasteel van den ambachtsheer is verdwenen; wij zagen nog de fundamenten van het slot. In de kerk vindt men een fraai marmeren praalgraf van Jhr. Hieronymus van Tuyl van Serooskerke, overl. 1669, gebeiteld door R. Verhulst.
Van hier is een veer, dat over het Keeten naar Vianen op Duiveland overzet.Wij zullen van dat middel gebruik maken, om Duiveland te bereiken, teneinde de oude verbindingsmiddelen der Zeeuwsche eilanden te leeren kennen.
Daar vóór ons ligt het verbindingswater tusschen de Ooster-Schelde en Krammer, dat van het zuiden af de namen draagt van Keeten, Mastgat en Zijpe. Zulke wateren tusschen de hoofdarmen der riviermonden hebben een zeer afwisselende geschiedenis van worden en vergaan. Waar het eene te gronde gaat en tot land wordt, geschiedt dit niet zelden ten voordeele van een ander water, dat gelijktijdig in breedte en diepte toeneemt. Zoo ging het ook bij de eilanden, die vóór ons liggen. Schouwen en Duiveland bestonden oudtijds uit onderscheidene eilanden, door wateren doorsneden, en in de 13eeeuw scheidde de Gouwe of Golde, een breed water, het eigenlijke Schouwen in het westen nog van Duiveland en Dreischor in het oosten. Dit water liep ten O. van Zieriksee naar het N., waar het tusschen Duiveland en Dreischor den naam van Dijkwater verkreeg; het was in 1304 nog zoo breed, dat de zeeslag tusschen de Hollandsche en Fransche schepen tegen de Vlaamsche aan den anderen kant er geleverd kon worden. Doch langzamerhand verlandde dit water meer en meer; in 1373 en 1374 werden in het noorden landen ingepolderd, waardoor Schouwen met Dreischor werd verbonden, en sedert zette dit proces zich voort. Zelfs werd in 1610 de Gouwe in het zuiden bij Zieriksee geheel afgesloten.
Terwijl deze wateren verdwenen, namen Keeten, Mastgat en Zijpe in beteekenis toe. In de 16eeeuw kon men hier een reeks van slikken waarnemen, door ondiepe geulen en kreeken gescheiden. Zelfs konden de Spanjaarden in 1575 van St. Filipsland uit over de platen heen bij eb het Keeten bereiken, dat zij doorwaadden, om op Duiveland te komen en vervolgens het beleg voor Zieriksee te slaan. De Zijpe was in het begin der 18eeeuw zoo ondiep, dat men aan het noordelijk einde er door kon waden.
Sedert is dit water dieper geworden; er kwam meer vloedwater binnen, het schuurde over den bodem en vormde een geregelde bedding. Waar men in 1705 nog door de Zijpe kon waden, stond in 1760 reeds 40 voet water en tegenwoordig meer dan 100 voet.
Op dit oogenblik liggen die stroomen in machtelooze rust verzonken, weerloos tusschen de slibberige banken, die grijs en zwart glinsteren in het zonnelicht, terwijl van verre de groene dijkwanden het waterlandschap omboorden. De oeverhavens leveren een treurig schouwspel op van slechts enkele verlaten plassen in de kleibedding, waar een verdwaald vischje spartelt in het slik. De veerman staart beschouwend over dit tafereel, dat hij nauwkeurig kent en hetwelk schier dagelijks voor zijn aanzicht wederkeert, om na te gaan, of aan den horizon de geest des Oceaans de wateren ook weder bezielt met nieuw leven. Hij ziet eindelijk de krachten wederkeeren bij den schijndoode: een golfje jaagt van verre spelemeiendover de banken, een tweede volgt iets hooger, en zij naderen. Het water rijst, de haven vult zich weder, zij het ook nog langzaam. Nu maakt de veerman zich gereed, om den overtocht te aanvaarden; wel ligt het ranke vaartuig nog een eind van den wal, maar de schipper stapt met zijn hooge laarzen door water en slijk en op zijn rug worden wij van den wal aan boord gezet. Het scheepje gaat van wal; zacht zwelt het zeil; in onregelmatige zigzaglijnen naderen wij den westelijken oever. Den oever? Neen! Op verren afstand zien wij eerst den dijk. Evenals bij het ter scheep gaan doet de sterke gestalte van den veerman thans weder dienst en... wij worden afgezet op den kant van een der naakte slikken langs den dijk. Ongeveer 20 minuten moeten wij een tocht maken over dit slijkgebied, een wel tamelijk vasten bodem, maar glibberig, overdekt met kleine waterkommetjes, die aan elkander grenzen, door iets hoogere wanden en pollen gescheiden. Over die hoogten als het ware voortspringend, telkens voor onzen voet een nieuw heuveltje uitzoekend te midden van het water, dat hooger rijst, van tijd tot tijd misstappend, zoodat het zilte water om ons opspat, wordt eindelijk de dijk bereikt. Een boerenwagen zagen wij voor ons uit rijden, de wielen plassend door het water en in een stralenkrans de droppels uitwerpend naar alle kanten, waar zij schitterden als zilveren parels in de zon; het was het voertuig, dat de post overbracht van de veerboot naar het eiland.
Was thans onze overtocht lastig, niet zelden kan die ook gevaarlijk worden. Bij hoogen waterstand en storm kan ’t er dreigend zijn en hebben oude veerlieden soms uren werk, om, worstelend met golven en stroomen, de reizigers over te varen, hetgeen wel eens geheel mislukt.
Tegenwoordig gaat de verbinding gemakkelijker. Om die te leeren kennen, keeren wij in gedachten terug naar Nieuw-Vosmeer en nemen daar den stoomtram weder. Op korten afstand ten noorden van het dorp buigt de baan zich naar het westen over den zwaren Slaak-dam, die door de slikken van de Heene gelegd is, om St. Filipsland met het vasteland te verbinden. Reeds in 1858 was men met het bouwen van een dergelijken dam begonnen, die spoedig weder te gronde ging. Later was men hiermede gelukkiger, en al werden in het begin nog gaten in den dijk geslagen, toch hield hij stand. Deze dam heeft een lengte van ± 2700 meter, d. i. ongeveer een half uur gaans. Aan beide zijden breiden zich steeds aangroeiende slikken uit, welke door elken vloed met nieuwe sliblaagjes bedekt worden en waarover enkele stroompjes bij ebbe tijdens het afvloeien van het getijdenwater diepere geulen openhouden. De grensscheiding van Noord-Brabant en Zeeland loopt dwars door den dam. Men bemerkt het aan de seinen, als men de grens gepasseerd is; op Noord-Brabantsch gebied hoort men van tijd tot tijd het luiden der bel van de locomotief, in Zeeland eerst hoort men de stoomfluit.
Wij bevinden ons op St. Filipsland of Filipsland, zooals de bewoners zeggen, een jong eiland, dat een verschrikkelijken strijd met de wateren gestreden heeft. Wel had het reeds vroeger droog gelegen, maar op het eind der 15eeeuw lag het geheel overstroomd. In 1496 werd het opnieuw bedijkt door Filips van Bourgondië, doch in 1511 en nog eens in 1530 liep het geheel onder water en eerst in 1645 werd het wederom ingedijkt. Het dorp St. Filipsland ligt aan den dijk in den hoek van het eiland; de roode daken en een proper molentje komen van verre boven den dijk uit. Op Zondag, als de visschers tehuis zijn, is ’t een levendig gezicht, de vloot van schuiten te zien, bij het dorp gelegen.
Flinke stoomveerbooten brengen thans de verbinding over de Zijpe met Duiveland tot stand, om aan beide zijden bij den stoomtram aan te sluiten. Zoo bevinden wij ons spoedig te Bruinisse, een welvarend dorp, dat met zijn roodpannen daken schilderachtig afsteekt bij de grijze kuststreek. Visscherij, oester- en mosselcultuur en de levendige handel in de produkten van het water, vooral op Engeland en België, vormen de bron van bestaan voor deze plaats. Zij telt 2600 inwoners; de visschersvloot bestaat uit 157 schepen, waarvan 135 hoogaarzen.
De kerk te Bruinisse is een oud gebouw uit de 15eeeuw. In 1898 zou de kerk gedeeltelijk gesloopt worden, doch door bemiddeling der oudheidkundige commissie van het Zeeuwsch Genootschap voor Wetenschappen is het gebouw door restauratie bewaard gebleven.
Een fraaie, lommerrijke straatweg leidt van Zijperhaven, de haven van de tramboot, ten Z. van Bruinisse, voorbij de dorpen Oosterland, Nieuwerkerk en Kapelle naar Zieriksee. Deze weg is een der schoonste van Duiveland; meer boschrijke gedeelten wisselen schilderachtig af met vruchtbare bouw- en graslanden.
Oosterland is een bekoorlijk dorp; in de nabijheid ziet men het Slot of Heerenhof te midden van geboomte en vijvers. De oude, in een zadeldak eindigende kerktoren, dagteekent uit het eind der 14eeeuw. Nieuwerkerk is eveneens een fraai dorp; het dorp Ouwerkerk is reeds van verre kenbaar aan zijn toren met stompe spits, die in drie verdiepingen oprijst. Deze en de Jacobstoren in Den Haag zijn de eenige zeshoekige torens in Nederland.
III. Zieriksee.De weg buigt zich van Ouwerkerk naar het noorden langs het in ’t lommer verscholen oude dorp Kapelle, waar in de 15eeeuw de adellijke huizen Gistelis, Maalstede en Bruëlis gevonden werden, die thans zijn verdwenen. De weg loopt dwars door in de Gouwe aangewonnen polders (zie pag.200) en vóór ons ligt in het volle groen van boomen en graswallen Zieriksee, de hoofdstad van de vereenigde vroegere eilanden Schouwen, Duiveland en Dreischor. Van verre zagenwij reeds den zwaren, stompen St.-Lievenstoren uit den berg van groen opplompen, maar bij een draai van den weg staat men ineens voor de stad, waar de Noorderhavenpoort de grens van het oude stadsgebied aanwijst.De Noorderhavenpoort boeit door den eenvoud der Vlaamsche Renaissance en bestaat uit twee aaneengebouwde huizen met een grooten doorgang; in de lijnen harer vier spitstorentjes openbaart zich een fraaie Gothiek. Vooral wanneer men deze poort van de stad uit ziet achter de kom der oude haven, maakt zij grooten indruk.Behalve deze heeft de stad nog de Zuidhavenpoort, een zwaar, massief gebouw, evenals de bovengenoemde in 1491 door Albrecht van Saksen gesticht en in 1507 gerestaureerd, en de Nobelpoort, een zwaar gebouw met slanke torenspitsen, dat volgens de overlevering gebouwd is door twee adellijke jonkvrouwen, Anna en Maria, naar wie de beide spitsen genoemd zouden zijn; wellicht is het een legende geweven om de heiligenbeelden, die in de twee torens der poort gevonden worden. Merkwaardig is de verglaasde baksteen, bij dezen torenbouw aangewend. De overige der zes poorten, welke de stad vroeger had, zijn gesloopt; de breede gracht evenwel is nog bewaard.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.Bij het binnentreden maakt Zieriksee den indruk van een vriendelijk landstadje met nog enkele oude huizen, doch over ’t geheel met een modern uiterlijk. De stadsaanleg van Zieriksee heeft het aangenaam grillige van de oude Hollandsche steden; huizen, in rijen gebouwd, zonder plan; straten, die bij toeval elkander vinden, verrassend in elkander loopen en dan weer nieuwe straten zoeken.Behalve de poorten vindt men er nog andere merkwaardige gebouwen. Wij noemen het stadhuis, in 1554 gebouwd, met twee Renaissance-gevels uit dien tijd. Vroeger stond hier een ander stadhuis, waarvan een deel van den belfroot of toren nog aanwezig is, thans eindigend in een Renaissance-spits, die als symbool van den alouden koophandel en de zeevaart dezer stad een vergulden Neptunus tot windwijzer voert. De benedenzaal van het stadhuis is bedorven door deinbouwing van vertrekken. De raadzaal en de schepenbank, stijl Louis XV, dagteekent van 1772; de burgemeesterskamer, ingericht in 1661, heeft een fraaien schoorsteen van 1673.Een der vriendelijkste stadsgedeelten vormt het gedempte Havenplein en het Kraanplein, met plantsoen begroeid en door flinke huizen ingesloten. Hier ziet men in de nabijheid de Gravensteen verrijzen, bij verkorting “het Steen” genoemd, waar vroeger de baljuw en de Rentmeester-generaal, beoosten Schelde, resideerde, doch dat reeds zeer vroeg als gevangenis heeft gediend, waarvoor het nog gebruikt wordt. Het voorste gedeelte dagteekent uit den tijd van Karel V, toen Mechelsche bouwmeesters den merkwaardigen voorgevel optrokken, dien Mechelsche smeden versierden met ankers, welke aan de symbolen van het Bourgondische en Oostenrijksche huis herinneren. Helaas! dat fraaie smeedwerk werd in de 19eeeuw door den wansmaak des tijds zeer mishandeld.Een der weinige in ons land bewaarde steenen gevels uit de 14eeeuw is die van het zoogenaamde Tempeliers- of St.-Janshuis met baksteenen topgevel.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.Het grootste en merkwaardigste gebouw van Zieriksee is de toren der Groote of St. Lievens Monsterkerk. Op een met acacia’s en olmen beplant plein, door huizen omsloten, aan den buitenrand in het westen der stad, staan kerk en toren op korten afstand van elkander; het is, of de grijze, eerwaardige toren niet meer weten wil van de monsterachtige kerk in Vitruviusstijl, welke men hem in 1832 tot metgezel heeft gegeven. Hij wendt zich met trotschheid af van den karakterloozen bastaard, dien men in zijn familie heeft willen brengen.Hier, op deze plek, werd een kapel opgericht, aan St. Lieven toegewijd, waarschijnlijk in 1151; vervolgens werd een nieuwe kerk gebouwd omstreeks 1378, toen een kapittel van 24 kanunniken gesticht werd.Daar deze kanunniken gemeenschappelijk leefden op de wijze der kloosterbroeders, werd deze kerk Monsterkerk genoemd (naar ’t Gr. monasterion). Onder de kanunniken kwamen uiterst bekwame mannen voor; wij wijzen opden geleerden Philippus à Leidis, den beoefenaar van het kanonieke recht, die daarin onderwijs gaf te Orleans, in 1369 tot hoogleeraar te Parijs werd beroepen en eindelijk, naar zijn vaderland teruggekeerd, de raadsheer van Graaf Willem van Beieren werd; verder nog op den niet minder beroemden arts en geleerde Levinius Lemnius, een Zierikseeënaar (geb. 1505), die in deze kerk werd begraven.De toen gebouwde kerk brandde gedeeltelijk af in 1466, maar werd hersteld en dit gebouw bleef bestaan tot 1832, toen door de onvoorzichtigheid van een loodgieter de kerk weder in de asch werd gelegd. In plaats van het gebouw in zijn waardige vormen te herstellen, werd de tegenwoordige kerk gebouwd.Gelukkig is de toren bewaard gebleven, een zwaar Gothisch gebouw, dat daar nog in volle majesteit verrijst. De bouw van den toren werd in 1454 aangevangen door Anthony Kelderman uit Mechelen, gesproten uit een kunstenaarsfamilie, aan wie Zeeland ook het merkwaardige stadhuis te Middelburg en de kerk te Veere dankt. Deze kerk is een der machtigste Gothische monumenten van de geheele wereld, zegt Jhr. de Stuers. Met Rijkshulp onderging dat monument in 1836–1840 een verknoeiing en werd de toren gekroond met een in hout vervaardigd hoofdgestel in Empire-stijl. Nadat een en ander bouwvallig geworden was, nam het Rijk den toren van de stad over, en door stad en Rijk werd in 1882–1895 de restauratie ondernomen.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.De toren is, zooals de meeste torens uit dien tijd, onvoltooid gebleven. Een afbeelding op het stadhuis stelt den toren voor, zooals de ontwerper zich dien gedacht had. De toren zou dan 200 M. hoog geworden zijn, langzaam afloopend bij elken ommegang.Zieriksee is als nederzetting ontstaan op een hoorn of hoek van het oude eiland Schouwen, op korten afstand van de Schelde, zoowel als van het verbindingswater met het noorden, de Gouwe. Daar had reeds in vroegen tijd een vereeniging plaats van landbouw, scheepvaart, handel en industrie. Als eilandstad gunstig gelegen voor het afleveren der landbouwprodukten, werd het een locale marktplaats, en de venige, derrieachtige aardlagen, welke men er onder de klei aande oppervlakte vond, gaven aanleiding tot het selbarnen of zoutbranden (zie de noot op pag.166), dat hier een levendige industrie werd. Een schilderij op het stadhuis geeft van de zoutbranderij een afbeelding. Nabij de stad had men nog lang de bewijzen der vroegere zoutbranderij in een paar heuvels, Noord-Zelke en Zuid-Zelke, welke gevormd waren uit de asch, die bij het zoutbranden overbleef. De heuvel Zuid-Zelke werd op den tweeden Paaschdag door oud en jong beklommen; men wierp van hier de hardgekookte eieren in de hoogte, sporen van de oude lente-offers. Doch de zelkasch werd verkocht aan de glasblazerijen en na jaren achtereen aan de stadskas groote voordeelen geschonken te hebben, werd de laatste zelkheuvel in 1895 weggevoerd.Toen de zoutbranderij verboden werd van overheidswege, wegens de landvernieling, die zij tengevolge had, wist de ontluikende scheepvaart het klipzout reeds uit Spanje en Frankrijk aan te voeren en in plaats van zoutbranderijen ontstonden er zoutziederijen en raffinaderijen. Van welk belang dit was, blijkt hieruit, dat er in 1526 nog 77 zoutkeeten bestonden. Daarbij kwam nog de visscherij als bron van bestaan en de levendige scheepvaart en handel. Deze bedrijven werkten samen, om Zieriksee in de 15een 16eeeuw tot een welvarende stad te maken.Doch de groote zoutindustrie ging in de 17een 18eeeuw langzamerhand te gronde; de haring- en kabeljauwvisscherij, in de 16eeeuw zoo bloeiend, terwijl er in 1711 nog ongeveer 80 visschersschepen gevonden werden, ging teniet, zoodat er in 1800 slechts 2 waren overgebleven. Eveneens verdween de eens zoo bloeiende scheepvaart. In 1720 telde de stad nog 75 koopvaardijschepen, maar onder het Fransch bestuur ging zij geheel te gronde.Toch is Zieriksee geen doode stad; zij is enkel teruggedrongen tot haar natuurlijke handelssfeer en werd weer uitsluitend de marktplaats van Schouwen en Duiveland. Op de marktdagen is het nog een echt levendige plaats. Een lange haven, tusschen twee hooge dijken gelegen, de Nieuwe haven, brengt Zieriksee in verbinding met de Schelde; in 1579 begon men die aan te leggen. Vroeger had de stad de Oude haven, die ten oosten der stad uitkwam in een kreek of diep, dat in de Schelde uitliep.
De weg buigt zich van Ouwerkerk naar het noorden langs het in ’t lommer verscholen oude dorp Kapelle, waar in de 15eeeuw de adellijke huizen Gistelis, Maalstede en Bruëlis gevonden werden, die thans zijn verdwenen. De weg loopt dwars door in de Gouwe aangewonnen polders (zie pag.200) en vóór ons ligt in het volle groen van boomen en graswallen Zieriksee, de hoofdstad van de vereenigde vroegere eilanden Schouwen, Duiveland en Dreischor. Van verre zagenwij reeds den zwaren, stompen St.-Lievenstoren uit den berg van groen opplompen, maar bij een draai van den weg staat men ineens voor de stad, waar de Noorderhavenpoort de grens van het oude stadsgebied aanwijst.
De Noorderhavenpoort boeit door den eenvoud der Vlaamsche Renaissance en bestaat uit twee aaneengebouwde huizen met een grooten doorgang; in de lijnen harer vier spitstorentjes openbaart zich een fraaie Gothiek. Vooral wanneer men deze poort van de stad uit ziet achter de kom der oude haven, maakt zij grooten indruk.
Behalve deze heeft de stad nog de Zuidhavenpoort, een zwaar, massief gebouw, evenals de bovengenoemde in 1491 door Albrecht van Saksen gesticht en in 1507 gerestaureerd, en de Nobelpoort, een zwaar gebouw met slanke torenspitsen, dat volgens de overlevering gebouwd is door twee adellijke jonkvrouwen, Anna en Maria, naar wie de beide spitsen genoemd zouden zijn; wellicht is het een legende geweven om de heiligenbeelden, die in de twee torens der poort gevonden worden. Merkwaardig is de verglaasde baksteen, bij dezen torenbouw aangewend. De overige der zes poorten, welke de stad vroeger had, zijn gesloopt; de breede gracht evenwel is nog bewaard.
De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.
De voorzijde der Nobelpoort te Zieriksee.
Bij het binnentreden maakt Zieriksee den indruk van een vriendelijk landstadje met nog enkele oude huizen, doch over ’t geheel met een modern uiterlijk. De stadsaanleg van Zieriksee heeft het aangenaam grillige van de oude Hollandsche steden; huizen, in rijen gebouwd, zonder plan; straten, die bij toeval elkander vinden, verrassend in elkander loopen en dan weer nieuwe straten zoeken.
Behalve de poorten vindt men er nog andere merkwaardige gebouwen. Wij noemen het stadhuis, in 1554 gebouwd, met twee Renaissance-gevels uit dien tijd. Vroeger stond hier een ander stadhuis, waarvan een deel van den belfroot of toren nog aanwezig is, thans eindigend in een Renaissance-spits, die als symbool van den alouden koophandel en de zeevaart dezer stad een vergulden Neptunus tot windwijzer voert. De benedenzaal van het stadhuis is bedorven door deinbouwing van vertrekken. De raadzaal en de schepenbank, stijl Louis XV, dagteekent van 1772; de burgemeesterskamer, ingericht in 1661, heeft een fraaien schoorsteen van 1673.
Een der vriendelijkste stadsgedeelten vormt het gedempte Havenplein en het Kraanplein, met plantsoen begroeid en door flinke huizen ingesloten. Hier ziet men in de nabijheid de Gravensteen verrijzen, bij verkorting “het Steen” genoemd, waar vroeger de baljuw en de Rentmeester-generaal, beoosten Schelde, resideerde, doch dat reeds zeer vroeg als gevangenis heeft gediend, waarvoor het nog gebruikt wordt. Het voorste gedeelte dagteekent uit den tijd van Karel V, toen Mechelsche bouwmeesters den merkwaardigen voorgevel optrokken, dien Mechelsche smeden versierden met ankers, welke aan de symbolen van het Bourgondische en Oostenrijksche huis herinneren. Helaas! dat fraaie smeedwerk werd in de 19eeeuw door den wansmaak des tijds zeer mishandeld.
Een der weinige in ons land bewaarde steenen gevels uit de 14eeeuw is die van het zoogenaamde Tempeliers- of St.-Janshuis met baksteenen topgevel.
De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.
De Zuidhavenpoort met brug te Zieriksee.
Het grootste en merkwaardigste gebouw van Zieriksee is de toren der Groote of St. Lievens Monsterkerk. Op een met acacia’s en olmen beplant plein, door huizen omsloten, aan den buitenrand in het westen der stad, staan kerk en toren op korten afstand van elkander; het is, of de grijze, eerwaardige toren niet meer weten wil van de monsterachtige kerk in Vitruviusstijl, welke men hem in 1832 tot metgezel heeft gegeven. Hij wendt zich met trotschheid af van den karakterloozen bastaard, dien men in zijn familie heeft willen brengen.
Hier, op deze plek, werd een kapel opgericht, aan St. Lieven toegewijd, waarschijnlijk in 1151; vervolgens werd een nieuwe kerk gebouwd omstreeks 1378, toen een kapittel van 24 kanunniken gesticht werd.
Daar deze kanunniken gemeenschappelijk leefden op de wijze der kloosterbroeders, werd deze kerk Monsterkerk genoemd (naar ’t Gr. monasterion). Onder de kanunniken kwamen uiterst bekwame mannen voor; wij wijzen opden geleerden Philippus à Leidis, den beoefenaar van het kanonieke recht, die daarin onderwijs gaf te Orleans, in 1369 tot hoogleeraar te Parijs werd beroepen en eindelijk, naar zijn vaderland teruggekeerd, de raadsheer van Graaf Willem van Beieren werd; verder nog op den niet minder beroemden arts en geleerde Levinius Lemnius, een Zierikseeënaar (geb. 1505), die in deze kerk werd begraven.
De toen gebouwde kerk brandde gedeeltelijk af in 1466, maar werd hersteld en dit gebouw bleef bestaan tot 1832, toen door de onvoorzichtigheid van een loodgieter de kerk weder in de asch werd gelegd. In plaats van het gebouw in zijn waardige vormen te herstellen, werd de tegenwoordige kerk gebouwd.
Gelukkig is de toren bewaard gebleven, een zwaar Gothisch gebouw, dat daar nog in volle majesteit verrijst. De bouw van den toren werd in 1454 aangevangen door Anthony Kelderman uit Mechelen, gesproten uit een kunstenaarsfamilie, aan wie Zeeland ook het merkwaardige stadhuis te Middelburg en de kerk te Veere dankt. Deze kerk is een der machtigste Gothische monumenten van de geheele wereld, zegt Jhr. de Stuers. Met Rijkshulp onderging dat monument in 1836–1840 een verknoeiing en werd de toren gekroond met een in hout vervaardigd hoofdgestel in Empire-stijl. Nadat een en ander bouwvallig geworden was, nam het Rijk den toren van de stad over, en door stad en Rijk werd in 1882–1895 de restauratie ondernomen.
St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.
St. Lieven Monstertoren te Zieriksee.
De toren is, zooals de meeste torens uit dien tijd, onvoltooid gebleven. Een afbeelding op het stadhuis stelt den toren voor, zooals de ontwerper zich dien gedacht had. De toren zou dan 200 M. hoog geworden zijn, langzaam afloopend bij elken ommegang.
Zieriksee is als nederzetting ontstaan op een hoorn of hoek van het oude eiland Schouwen, op korten afstand van de Schelde, zoowel als van het verbindingswater met het noorden, de Gouwe. Daar had reeds in vroegen tijd een vereeniging plaats van landbouw, scheepvaart, handel en industrie. Als eilandstad gunstig gelegen voor het afleveren der landbouwprodukten, werd het een locale marktplaats, en de venige, derrieachtige aardlagen, welke men er onder de klei aande oppervlakte vond, gaven aanleiding tot het selbarnen of zoutbranden (zie de noot op pag.166), dat hier een levendige industrie werd. Een schilderij op het stadhuis geeft van de zoutbranderij een afbeelding. Nabij de stad had men nog lang de bewijzen der vroegere zoutbranderij in een paar heuvels, Noord-Zelke en Zuid-Zelke, welke gevormd waren uit de asch, die bij het zoutbranden overbleef. De heuvel Zuid-Zelke werd op den tweeden Paaschdag door oud en jong beklommen; men wierp van hier de hardgekookte eieren in de hoogte, sporen van de oude lente-offers. Doch de zelkasch werd verkocht aan de glasblazerijen en na jaren achtereen aan de stadskas groote voordeelen geschonken te hebben, werd de laatste zelkheuvel in 1895 weggevoerd.
Toen de zoutbranderij verboden werd van overheidswege, wegens de landvernieling, die zij tengevolge had, wist de ontluikende scheepvaart het klipzout reeds uit Spanje en Frankrijk aan te voeren en in plaats van zoutbranderijen ontstonden er zoutziederijen en raffinaderijen. Van welk belang dit was, blijkt hieruit, dat er in 1526 nog 77 zoutkeeten bestonden. Daarbij kwam nog de visscherij als bron van bestaan en de levendige scheepvaart en handel. Deze bedrijven werkten samen, om Zieriksee in de 15een 16eeeuw tot een welvarende stad te maken.
Doch de groote zoutindustrie ging in de 17een 18eeeuw langzamerhand te gronde; de haring- en kabeljauwvisscherij, in de 16eeeuw zoo bloeiend, terwijl er in 1711 nog ongeveer 80 visschersschepen gevonden werden, ging teniet, zoodat er in 1800 slechts 2 waren overgebleven. Eveneens verdween de eens zoo bloeiende scheepvaart. In 1720 telde de stad nog 75 koopvaardijschepen, maar onder het Fransch bestuur ging zij geheel te gronde.
Toch is Zieriksee geen doode stad; zij is enkel teruggedrongen tot haar natuurlijke handelssfeer en werd weer uitsluitend de marktplaats van Schouwen en Duiveland. Op de marktdagen is het nog een echt levendige plaats. Een lange haven, tusschen twee hooge dijken gelegen, de Nieuwe haven, brengt Zieriksee in verbinding met de Schelde; in 1579 begon men die aan te leggen. Vroeger had de stad de Oude haven, die ten oosten der stad uitkwam in een kreek of diep, dat in de Schelde uitliep.
IV. Over Brouwershaven naar Westenschouwen.Met veel bochten, doch in hoofdrichting naar het noorden, loopt de stoomtram thans van Brouwershaven dwars door Schouwen. Langs welig begroeide bouwlanden, grazige weiden en belommerde dijken buigt de straatweg voorbij het fraaie geboomte der buitenplaats Zorgvlied, waarbij zich aansluiten de villa’s Welgelegen, Mon Plaisir, Buitenrust en andere, die te zamen het gehucht “Schuddebeurs” vormen, aldus genoemd naar een uitspanning met fraaien tuin. Dezevriendelijke, boschrijke oase, te midden der kleilanden, was al vroeg door de Zierikseesche familiën zeer gezocht.Niet ver van hier, aan den Kloosterweg, verhief zich eens het rijke Karthuizer klooster Zion of Berg Zion, dat in 1575 verwoest werd bij de belegering van Zieriksee door de Spanjaarden. Wij komen voorbij Noordgouwe, een dorp in een jong aangewassen polder, waar in 1304 nog een scheepsstrijd plaats had tusschen Hollandsche, Fransche en Vlaamsche vloten, voorbij Zonnemaire, omstreeks 1400 ontstaan in een toen bedijkten polder, door Bommenede, een bloeiend dorp aan den zeedijk, en bereiken spoedig Brouwershaven.Brouwershaven is een oude smalstad aan de Grevelingen en telt thans ongeveer 1400 inwoners. Het stedeke maakt een melancholischen indruk; zoo stil en vergeten ziet het er uit, wat te meer uitkomt door het ruime marktplein bij de haven, waar het raadhuis verrijst met zijn schilderachtigen gevel, en dat er op wijst, dat deze plaats eens grooter beteekenis moet hebben gehad.Het stadhuis van Brouwershaven werd in 1599 gebouwd en is in 1890 gerestaureerd naar het oorspronkelijk plan; de gevel is een beeld van den levendigen, opgewekten Renaissancestijl. Als men het bordes met dubbelen hardsteenen opgang betreedt, ziet men boven den fraaien ingang een nis met het beeld der gerechtigheid, waaronder in ’t Latijn staat, dat “de wet het behoud voor ’t gemeenebest is.” De klapvensters, de in lood gevatte, kleine ruitjes, de levendige afwisseling van kleuren en vormen, brengen ons den gouden tijd voor den geest, toen welvaart en kunst hun hoogtij vierden in deze landen en zich uitten bij schier elk openbaar gebouw, zelfs in de kleinste landstad.Stadhuis te Brouwershaven.Stadhuis te Brouwershaven.In het stadhuis vindt men het archief der stad met het oudste stuk uit 1344, waarbij aan Brouwershaven een vrije haringmarkt werd geschonken. Een folio-exemplaar der werken van Cats met eigenhandig geschreven opdracht en sierlijke zilveren sloten wordt op het stadhuis bewaard ter herinnering aan het feit, dat Jacob Cats in deze plaats het levenslicht aanschouwde, 10 Nov. 1577.Van Brouwershaven is Cats de groote burger. Een klein, nederig huisje in de Noorderstraat, met twee ramen en een deur in de benedenverdieping en één raam in den dakgevel, wordt als het geboortehuis van den dichter van “den Boerenbijbel”aangewezen. In het begin der 19eeeuw zag dit huisje er nog juist zoo uit als in den tijd, toen Cats er opgroeide; later is het veranderd. Op de Markt is in 1829 een standbeeld van Cats opgericht, rustende op een vierkant voetstuk van arduin. Om den Hollandschen schoonmaakgeest eer aan te doen, wordt het jaarlijks zorgvuldig gewit.Een hoogst belangrijk gebouw is de kerk van St. Petrus en Paulus, een der mooiste bouwgewrochten in Nederland; het werd van 1876–1892 door het Rijk en de stad gezamenlijk gerestaureerd. Het koor met ambulatorium, vijf absidiale kapellen en transept, alles gewelfd met baksteen, dagteekent van 1293; de tegenwoordige drie schepen zijn uit de 15eeeuw. Toen men er aan dacht, dit gebouw te sloopen, trok de Regeering zich het gelukkig aan en zoo bleef het voor de geschiedenis onzer bouwkunst behouden. Het antieke orgel, dat het jaartal 1557 droeg, is aan het Rijk verkocht en bevindt zich in het Rijks-Museum te Amsterdam.Brouwershaven wijst in zijn geschiedenis duidelijk aan, hoe de omstandigheden ten voor- of nadeele van een plaats kunnen veranderen. De plaats is ontstaan aan den mond van een water, de Duivenee, dat voorbij Brijdorpe uit het eiland kwam en hier in het breede zeegat uitmondde. Brijdorpe, thans een onbeduidend gehucht, was in de 13eeeuw een dorp van beteekenis, een der aanzienlijkste dorpen van Schouwen. Waarschijnlijk beteekent de naam “Brouwersdorp”. Graaf Floris V wilde Brijdorpe tot een koopstad maken, en om een haven te verkrijgen aan den mond der Duivenee, werd hier door den Hollandschen Graaf van Jan van Renesse 100 gemeten lands gekocht, om er een stad en een haven aan te leggen in 1288; door den dood van Floris V verkreeg het plaatsje echter nog geen stedelijke rechten. Het kwam pas tot grooten bloei na den afval van Spanje, toen het in 1590 verlof kreeg, zich door wallen te beveiligen, de gedaante en het karakter eener stad aannam, een smalstad werd. Het recht van stemhebbende stad verkreeg Brouwershaven niet.De handel in bier uit Holland was een groote bron van welvaart voor de plaats in oude tijden; Zeeland moest bij gebrek aan goed water zijn bier hoofdzakelijk van elders verkrijgen. Naast den bierhandel bracht de visscherij, vooral de haringvisscherij, de plaats tot welvaart; in de 17eeeuw kwamen vele kooplieden uit Holland hier, om de haring in te koopen. Doch met den achteruitgang der visscherij taande ook de welvaart van Brouwershaven. In 1822 was de plaats zoozeer in verval, dat het aantal ingezetenen tot 322 gedaald was.Er kwam hoop op nieuw leven en ook werkelijk vooruitgang, toen in 1838het Brouwershavensche Gat werd betond, om te kunnen dienen tot toegangspoort uit zee voor de groote schepen, naar Dordrecht en Rotterdam bestemd. De verwachting was hoog gespannen, daar deze reede in den winter steeds open was; tal van loodsen, verificateurs, enz. vestigden er zich met het oog op het herbloeien van den handel; een groot logement “Catsburg” werd gebouwd, om de vreemdelingen te kunnen herbergen. Doch die hoop werd niet verwezenlijkt, en na de opening van den Nieuwen Waterweg voor Rotterdam verliet het scheepvaartverkeer Brouwershaven weder; de ambtenaren vertrokken, de bedrijvigheid stond plotseling stil. Brouwershaven was weder een doode stad geworden als vóór 1838. En die toestand was des te drukkender, daar hij volgde op een vleugje van nieuw, opbloeiend leven.Wij verlaten het droefgeestige stedeke, waar de tram ophoudt, om het westelijk Schouwen nog te doorkruisen op eigen gelegenheid. Terwijl wij den weg langs den zwaren dijk volgen, die de woedende golven der zee in het Brouwershavensche Gat tegenhoudt, hebben wij van tijd tot tijd gelegenheid, die hooge borstwering te beklimmen en een gezicht over Schouwen aan den eenen, over de zee aan den anderen kant te genieten. In het noorden zien wij over de thans rustige wateren de duinen van Goedereede in het zonlicht blinken met den toren van Ouddorp; in het zuiden vóór ons ligt Schouwen in een diepe kom, waar graslanden met bouwlanden, door goudgele tarwe bedekt, afwisselen, terwijl hier en daar een dorpje, te midden van eenig geboomte, uit het overigens naakte land oprijst.Vóór een vijftal eeuwen had het landschap hier een ander aanzien. Onderscheidene kasteelen en aanzienlijke kloosters verrezen zoo hier en daar uit het land, waarvan thans geen bouwvallen zelfs meer over zijn, en meer dan één bloeiend dorp uit de middeleeuwen is gedaald tot den omvang van een gehucht. Zoo bijv. Brijdorpe, dat wij reeds noemden. Het slot Herkestein, waar in 1426 de Engelschen en de Hoeksche edelen, die vrouwe Jacoba getrouw waren gebleven, moesten onderdoen voor de Kabeljauwschen, is geheel verdwenen, zoodat men zijn plaats niet meer weet; Looperskapelle en Klaaskinderenkerke zijn van dorpen gehuchten geworden, en van het klooster “Bethlehem bij de duinen van Schouwen”, dat in de 12eeeuw gesticht en in 1572 door de Watergeuzen verbrand werd, is ook niets meer over; alleen is de naam nog bewaard voor een hofstede.Langs het dorpje Scharendijke en voorbij het gehucht Oudendijke zien wij in het noorden weldra de duinheuvels plaats maken voor den dijk en spoedig daarna komen de toren en trapgevels van een kasteel tusschen het geboomte te voorschijn, terwijl de achtergrond in het westen gevormd wordt door een schilderachtigen, boschrijken zoom langs de duinen, die zoo hier en daar in witteblinkerts er uit oprijzen, als om te toonen, waaraan West-Schouwen zijn heerlijke natuur te danken heeft. Want thans bevinden wij ons op het wel meest afgelegen, maar ook het schoonste en oudste gedeelte van Schouwen, dat in de oudheid door den adel bijzonder gezocht was.Het slot, dat wij vóór ons zien, is een treurig overblijfsel van het eens zoo beroemde Moermont, in de oudheid een sterk kasteel, omringd door wijde en diepe grachten en met vijf torens versterkt. Dit was het stamhuis en de verblijfplaats der Heeren van Renesse, waartoe ook de Zeeuwsche Bayard, heer Jan van Renesse, behoorde, die wegens de wonderen van dapperheid, welke hij meer dan eens verrichtte, in de landskronieken wordt aangeduid met den eerenaam van “de vrome en onversaagde ridder”. In 1244 vertoefde op dit slot Graaf Willem II; in 1297 werd het maanden lang belegerd door Wolfert van Borselen en bijna geheel vernield. Na herbouwd te zijn werd het nogmaals verwoest, maar in 1513 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1751 werd het in den toestand gebracht, waarin men het thans ziet, doch de trotsche bosschen met aangename wandeldreven zijn alle verdwenen, en alleen eenig ruw, slecht onderhouden geboomte omringt het vervallen oude huis, dat slechts tot arbeiderswoning dient.Het slot Moermond Renesse.Het slot Moermond Renesse.Weinige minuten verder ligt het dorp Renesse, te midden van de bekoorlijke geeststreken, gebouwd rondom een ruim, met boomen beplant kerkplein. Door een boschrijken zoom, binnenlangs de duinen, loopt de straatweg van Renesse naar Haamstede, terwijl langs den weg de paden zich in bosch en duin verliezen. De duinen hebben hier de aanzienlijke breedte van een uur gaans.Het vriendelijk dorp Haamstede, dat wij thans bereikt hebben, vormt een breede straat, met olmen en kastanjes beplant, die zich in het midden om de kerk verbreedt tot een plein. Hoewel het dorp van hoogen ouderdom is, vindt men er toch geen oude gebouwen; de drieschepige kruiskerk heeft haar tegenwoordigen vorm in 1605 verkregen en biedt weinig belangrijks.Ten westen, onmiddellijk naast het dorp, verrijst het oude slot Haamstede. Eenmuur met zware ijzeren poort, de poortpilaren gekroond met de wapens van Witte en Mogge, de vroegere bezitters, sluit aan de zijde van het dorp de plaats af, en de heerlijke bosschen strekken zich naar het westen uit tot diep in het duin. Binnen de voorpoort gekomen, ziet men het slot, door grachten ingesloten en met een klein plein rondom het gebouw. De steenen brug voert tot een oude steenen poort, met klimop omrankt en met een wapen gekroond. Daar verder verrijst de hooge, gekanteelde muur van het huis met twee torens.Het slot Haamstede werd vermoedelijk in de eerste jaren der 14eeeuw gebouwd door Witte van Haamstede. Van dit slot snelde de dappere Witte, Grave Floreszoon, in 1304, naar Holland, plantte de leeuwenvaan op den Blinkert, bestreed den Vlaming en wist geestdrift te wekken voor het Hollandsche Gravenhuis. Zoo werd hij de “geesel der Vlamingen”, de “redder van Holland”.“Men vraagt zich niet, of menig heldDen eedlen Witte vergezelt,Genoeg, genoeg is ’t, dat hij kwam,De wakkre telg uit Hollands stam!En wat zou ook een tal van knechtenIn staat zijn, meerder uit te rechten?Een balsemdrop, een bloem bevruchtMet geuren ieder deel der lucht;Een enkle zon verlicht de sfeer,Een enkle held bezielt een heir.”Tot 1454 bleef deze heerlijkheid in het bezit der Witte’s van Haamstede. Na verschillende lotswisselingen der edelen van Haamstede viel het oude slot in 1525, toen René van Brugge er heer was en hij de roemrijke overwinning van Karel V bij Pavia ook op Schouwen wilde vieren, terwijl des avonds smeerpotten en teertonnen de muren zouden verlichten, als een prooi der vlammen, waaruit weinig gered werd. Alleen de geroosterde wanden, een paar torens en de hoofdpoort bleven staan met enkele muurbrokken. Zoo bleef het slot een verlaten ruïne. Toen Keizer Karel V in 1540 te Zieriksee kwam, begaf hij zich nog naar Haamstede, om de plek te zien, waar op een aan hem gewijden vreugdedag het roemrijke slot was verwoest.In 1608 werd het slot herbouwd door Jacob van den Einde, den toenmaligen bezitter der heerlijkheid. Nog werd het uitgebreid in 1879–81, en het laatst onderging het veranderingen in 1888. De zware bosschen, die er stonden, werden in het midden der 19eeeuw grootendeels gekapt, maar zijn door jong hout vervangen, dat thans weer prachtige, koele lanen aanbiedt en een heerlijken overgang naar het woeste duinland vormt, dat daar nog ligt als een stuk onbedorven natuur.Door dit slot en de verdere schoone omstreken, alsmede door de behagelijke rust, waarin het dorp ligt, is Haamstede een plaats, juist geschikt, om het geestelijk evenwicht, dat in onzen zenuwachtigen tijd veel heeft te doorstaan, te herstellen.Op korten afstand, ten zuiden van Haamstede, ligt aan den voet van de duinen het schilderachtige dorp Burg, gebouwd aan het met vruchtboomen beplante kerkplein. De kerk is in 1674 gesticht. Zij bezit een kunstvol glasraam uit de 17eeeuw, geschonken door de Staten van Zeeland.Ten zuidwesten van Burg stond tot 1890 het oude slot Craayenstein, dat, hoewel verbouwd, afkomstig zou zijn uit den tijd der Noormannen. Aan dezen burcht dankt het dorp zijn naam. Ten O. van het dorp vindt men, ten deele opgegraven, de fundamenten van het klooster Leliëndale, in 1459 gesticht en na verwoesting bij den beeldenstorm geheel verlaten.Een eigenaardig volksfeest, geheel bijzonder voor Schouwen, dat in den laatsten tijd weer toeneemt in beteekenis, moeten wij nog vermelden. Dat is het zoogenaamde “stra-rijden,” bij verkorting ook “stra” genoemd.Het slot te Haamstede.Het slot te Haamstede.Stra is een tweeledig ding: het is een kermis zonder kramen, een paardenmarkt zonder koopers of verkoopers, een jaarmarkt zonder nadagen, zonder officieel karakter, bij geen autoriteit bekend, in geen almanak opgegeven, conventioneel ontstaande en eindigende, een dag van ontspanning, die vrienden bij elkander brengt, een episode in de wintersche dagelijkschheid, die jaarlijks komt en daarin getrouwer is dan ijs en schaatsen.De stra is eigenlijk een uitsluitend Schouwensch feest, men kan het niet beter karakteriseeren dan als een volksfeest, het was een soort van kermis op het strand, waaraan het ook zijn naam heeft te danken. Door het weglaten der beide laatsteletters is de naam strand moeilijk meer in stra te herkennen, maar het eigenlijke van het feest wijst toch op die afkomst.Als de kortste winterdagen voorbij zijn en de rijzende zon den aantocht van de lente verkondigt, als de veldarbeid na de winterrust weder begint aan te vangen, of althans wordt voorbereid, viert men vooraf het strandfeest, dat men als stra-rijden aanduidt. Elk dorp heeft zijn bepaalden dag vanstra-rijden, te beginnen met den eersten Maandag in Maart en zoo vervolgens. Dan worden de paarden alle netjes gekamd en geborsteld, de staart in kunstige vlechten geslagen en de zoons en knechts der boeren stijgen te paard, om, na in het dorp vereenigd te zijn, in optocht naar het strand te rijden. Geen paard blijft op dien dag op stal en de zonen des huizes hebben natuurlijk het recht op de keur van de paarden. Ongezadeld, in flinken draf, rijdt men aldus naar zee, waar den dieren de voeten gespoeld worden, als om den zegen voor het nieuw aankomende arbeidsjaar op het veld, waaraan de paarden ruim hun deel hebben, uit Neptunus’ hand te vragen.Aan het strand gekomen, wordt de paardenstoet in het zilte nat gedreven.Zij plassenEn wasschenDe kooten;Hun pootenGaan klapperenBij ’t dapperenDoor ’t water-Geklater.De hoevenBeproevenHet vochtige zand;Een lustige kwant,Een vroolijke ruiter,Zet ’t paard aan, maar stuit erBij ’t stuivende duin,aldus schetst een medewerker van de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846 het stra-rijden.Het stra-rijden is een voetspoeling der paarden in zee. Als dit onder vroolijke scherts geschied is, keeren de stra-rijders naar het dorp terug, waar een soort van kermis gehouden wordt. Daar zijn thans de stalletjes en kraampjes geplaatst met sinaasappelen en koek, en niet meer op het strand, en in de dorpsherberg heerscht een druk leven, dat nog voortgezet wordt, ook nadat de stra-rijders hun paarden weder op stal hebben gebracht.Elk dorp in het westelijk Schouwen heeft zijn eigen stra-dag, zeiden wij. Men berekent de stra-dagen naar dien van Haamstede, waar stra valt daags vóór vastenavond. De stra-dag van Renesse heeft een week eerder plaats; dit dorp opentde reeks der stra-dagen. Des Zaterdags na Haamstede heeft Noordwelle zijn stra; een week daarna Serooskerke en nog een week later Ellemeet, vervolgens Elkersee.Waaraan de stra-dagen hun oorsprong hebben te danken? Niet onwaarschijnlijk behooren zij in de reeks der oude lentefeesten. Zooals men in de landgewesten naar de bosschen toog, als de tempels der goden, wendde men zich aan de kust naar de zee, de machtige en indrukwekkende, die volgens het volksgeloof weer en wind beheerscht, die door haar bruisen de stormen aankondigt, en uit wier schoot de onweders oprijzen. Is het onnatuurlijk, dat men de goden, die daar woonden en heerschten, eerbiedig huldigde; dat men de paarden, die den ploeg trekken, in zee als ’t ware een wijdenden doop deed ondergaan, vóór zij het akkerwerk aanvingen?In Zeeland gaf de zee aanleiding tot menige uitspanning. De jeugd begaf zich steeds gaarne naar het strand, om zoowel in het duin te stoeien als zich met de spelende golfbeweging van het water op het strand te vermeien en in de ondiepe wateren van de kust te spartelen. De tragische geschiedenis van Roosje heeft het gebruik, om jonge meisjes stoeiend in zee te dragen, algemeen bekend gemaakt voor Walcheren, doch het vond ook hier plaats.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.In het zuidwesten van het eiland ligt aan den breeden Scheldemond Westenschouwen, thans een gehucht van slechts een tiental huizen, niet een bezoek waard, als men het zeegezicht uitzondert. Doch eens lag hier een aanzienlijke plaats, die al vroeg het bloeiendste vlek van Schouwen uitmaakte. In den tijd, toen de Ooster-Schelde nog een minder breed water was, had Westenschouwen door zijn ligging aan den mond een goede haven, om de zeevaart in binnenvaart te doen overgaan. In 1438 werd van hier de vaart op Portugal en Spanje gedreven, en door tal van privilegiën van tolvrijheid, o.a. in Lotharingen en Limburg, in Engeland (1475) en elders, bloeide Westenschouwen op tot een aanzienlijke plaats. Hier begon men in 1493 het eerst in Zeeland voor de vischvangsthoekers te bouwen; vroeger werd de visscherij slechts met kleine pinken gedreven. Toen werd Westenschouwen een bloeiend, fraai dorp. Reigersbergh verhaalt van een dreef van boomen, aan beide zijden van de straat tot de kerk toe, die met schoone huizen bezet was, waarin de fraaiste kelders waren, als ware het een stad geweest. Vreemdelingen van alle streken kwamen in Westenschouwen, waar de Rijnsche wijn, volgens een mededeeling, in 28 herbergen geschonken werd en waar een levendig verkeer heerschte.Maar aan deze veranderlijke stroomen wisselt alles. De eens zoo schoone haven verzandde en was aan het eind der 15eof in het begin der 16eeeuw verloopen. Voor een plaats, die door haar haven alleen was opgekomen, werd hierdoor de bron van welvaart gesloten. Daarbij kwam, dat gelijktijdig hiermede het gevaar voor overstrooming dreigde en de bodem werd aangetast. Reeds voor eenigen tijd waren kerk en toren verder landwaarts verplaatst, en de plek, waar het oude Westenschouwen stond, moest geheel buitengedijkt worden.De bewoners verlieten Westenschouwen; het eene huis na het andere werd afgebroken. De legende fabelt van een meermin, die hier gevangen werd, en wrake roepende den vloek uitsprak over de plaats.Of het door den vloek der meermin was of niet, Westenschouwen is te gronde gegaan. De wateren der Schelde spoelen thans, waar eens het dorp stond. In 1591 was de kerk niets meer dan een bouwval. De huizen verdwenen, het eene voor, het andere na. Nog lang bleef de kerktoren staan, een schilderachtige ruïne op den bodem der verlaten plaats, maar in 1845 werd die bouwval afgebroken en verkocht.Wij staren van hier naar het oosten in de richting van Zieriksee en laten den blik weiden over de breede vlakte der Schelde, die met een groote ronding in Schouwen opbuigt. Deze inham is een gevolg van de werking van het water, dat de zuidkust van Schouwen met nimmer rustende vraatzucht heeft afgeknaagd en uitgehold. Al langen tijd is Zuid-Schouwen door dijkvallen en oeverafschuivingen, die telkens gedeelten lands in de diepte deden verzinken, aangetast en zoo zijn van Westenschouwen tot Zieriksee in den loop der tijden onderscheidene dorpen en stukken lands in de golven verdwenen. Dicht bij het havenhoofd van Zieriksee lag eens het dorp Borrendamme, dat, in 1477 en 1530 reeds sterk aangetast, in 1613 geheel verwoest werd. In 1662 ging in deze streek het dorp Rengerskerke te gronde. Het dorp Zuidkerke is reeds vroeg hier vergaan en een nieuw dorp van denzelfden naam, verder binnenwaarts gebouwd, is in 1534 weer verdwenen. Simonskerke, St. Jacobskerke, Brieskerke met de buurt ’s Heer-Arendshaven zijn alle vergaan door het water.Daardoor is de eens veel smallere Ooster-Schelde een breede inham der zee geworden in den loop der tijden. Het eiland Worigeszand of Orisant, tusschen Noord-Bevelanden Schouwen gelegen, is in de 18eeeuw door den waterwolf geheel opgeslokt.Doch wij willen ons niet langer met treurige gedachten aan de vergankelijkheid der Zeeuwsche gronden bezighouden. Wij verlaten dit eiland met de overtuiging, dat, al kon niet elke grondbraak of oeverafschuiving beteugeld worden, onze ingenieurswetenschap door het beperken van het landverlies toch ook hier schitterende overwinningen heeft behaald op de natuur.
Met veel bochten, doch in hoofdrichting naar het noorden, loopt de stoomtram thans van Brouwershaven dwars door Schouwen. Langs welig begroeide bouwlanden, grazige weiden en belommerde dijken buigt de straatweg voorbij het fraaie geboomte der buitenplaats Zorgvlied, waarbij zich aansluiten de villa’s Welgelegen, Mon Plaisir, Buitenrust en andere, die te zamen het gehucht “Schuddebeurs” vormen, aldus genoemd naar een uitspanning met fraaien tuin. Dezevriendelijke, boschrijke oase, te midden der kleilanden, was al vroeg door de Zierikseesche familiën zeer gezocht.
Niet ver van hier, aan den Kloosterweg, verhief zich eens het rijke Karthuizer klooster Zion of Berg Zion, dat in 1575 verwoest werd bij de belegering van Zieriksee door de Spanjaarden. Wij komen voorbij Noordgouwe, een dorp in een jong aangewassen polder, waar in 1304 nog een scheepsstrijd plaats had tusschen Hollandsche, Fransche en Vlaamsche vloten, voorbij Zonnemaire, omstreeks 1400 ontstaan in een toen bedijkten polder, door Bommenede, een bloeiend dorp aan den zeedijk, en bereiken spoedig Brouwershaven.
Brouwershaven is een oude smalstad aan de Grevelingen en telt thans ongeveer 1400 inwoners. Het stedeke maakt een melancholischen indruk; zoo stil en vergeten ziet het er uit, wat te meer uitkomt door het ruime marktplein bij de haven, waar het raadhuis verrijst met zijn schilderachtigen gevel, en dat er op wijst, dat deze plaats eens grooter beteekenis moet hebben gehad.
Het stadhuis van Brouwershaven werd in 1599 gebouwd en is in 1890 gerestaureerd naar het oorspronkelijk plan; de gevel is een beeld van den levendigen, opgewekten Renaissancestijl. Als men het bordes met dubbelen hardsteenen opgang betreedt, ziet men boven den fraaien ingang een nis met het beeld der gerechtigheid, waaronder in ’t Latijn staat, dat “de wet het behoud voor ’t gemeenebest is.” De klapvensters, de in lood gevatte, kleine ruitjes, de levendige afwisseling van kleuren en vormen, brengen ons den gouden tijd voor den geest, toen welvaart en kunst hun hoogtij vierden in deze landen en zich uitten bij schier elk openbaar gebouw, zelfs in de kleinste landstad.
Stadhuis te Brouwershaven.Stadhuis te Brouwershaven.
Stadhuis te Brouwershaven.
In het stadhuis vindt men het archief der stad met het oudste stuk uit 1344, waarbij aan Brouwershaven een vrije haringmarkt werd geschonken. Een folio-exemplaar der werken van Cats met eigenhandig geschreven opdracht en sierlijke zilveren sloten wordt op het stadhuis bewaard ter herinnering aan het feit, dat Jacob Cats in deze plaats het levenslicht aanschouwde, 10 Nov. 1577.
Van Brouwershaven is Cats de groote burger. Een klein, nederig huisje in de Noorderstraat, met twee ramen en een deur in de benedenverdieping en één raam in den dakgevel, wordt als het geboortehuis van den dichter van “den Boerenbijbel”aangewezen. In het begin der 19eeeuw zag dit huisje er nog juist zoo uit als in den tijd, toen Cats er opgroeide; later is het veranderd. Op de Markt is in 1829 een standbeeld van Cats opgericht, rustende op een vierkant voetstuk van arduin. Om den Hollandschen schoonmaakgeest eer aan te doen, wordt het jaarlijks zorgvuldig gewit.
Een hoogst belangrijk gebouw is de kerk van St. Petrus en Paulus, een der mooiste bouwgewrochten in Nederland; het werd van 1876–1892 door het Rijk en de stad gezamenlijk gerestaureerd. Het koor met ambulatorium, vijf absidiale kapellen en transept, alles gewelfd met baksteen, dagteekent van 1293; de tegenwoordige drie schepen zijn uit de 15eeeuw. Toen men er aan dacht, dit gebouw te sloopen, trok de Regeering zich het gelukkig aan en zoo bleef het voor de geschiedenis onzer bouwkunst behouden. Het antieke orgel, dat het jaartal 1557 droeg, is aan het Rijk verkocht en bevindt zich in het Rijks-Museum te Amsterdam.
Brouwershaven wijst in zijn geschiedenis duidelijk aan, hoe de omstandigheden ten voor- of nadeele van een plaats kunnen veranderen. De plaats is ontstaan aan den mond van een water, de Duivenee, dat voorbij Brijdorpe uit het eiland kwam en hier in het breede zeegat uitmondde. Brijdorpe, thans een onbeduidend gehucht, was in de 13eeeuw een dorp van beteekenis, een der aanzienlijkste dorpen van Schouwen. Waarschijnlijk beteekent de naam “Brouwersdorp”. Graaf Floris V wilde Brijdorpe tot een koopstad maken, en om een haven te verkrijgen aan den mond der Duivenee, werd hier door den Hollandschen Graaf van Jan van Renesse 100 gemeten lands gekocht, om er een stad en een haven aan te leggen in 1288; door den dood van Floris V verkreeg het plaatsje echter nog geen stedelijke rechten. Het kwam pas tot grooten bloei na den afval van Spanje, toen het in 1590 verlof kreeg, zich door wallen te beveiligen, de gedaante en het karakter eener stad aannam, een smalstad werd. Het recht van stemhebbende stad verkreeg Brouwershaven niet.
De handel in bier uit Holland was een groote bron van welvaart voor de plaats in oude tijden; Zeeland moest bij gebrek aan goed water zijn bier hoofdzakelijk van elders verkrijgen. Naast den bierhandel bracht de visscherij, vooral de haringvisscherij, de plaats tot welvaart; in de 17eeeuw kwamen vele kooplieden uit Holland hier, om de haring in te koopen. Doch met den achteruitgang der visscherij taande ook de welvaart van Brouwershaven. In 1822 was de plaats zoozeer in verval, dat het aantal ingezetenen tot 322 gedaald was.
Er kwam hoop op nieuw leven en ook werkelijk vooruitgang, toen in 1838het Brouwershavensche Gat werd betond, om te kunnen dienen tot toegangspoort uit zee voor de groote schepen, naar Dordrecht en Rotterdam bestemd. De verwachting was hoog gespannen, daar deze reede in den winter steeds open was; tal van loodsen, verificateurs, enz. vestigden er zich met het oog op het herbloeien van den handel; een groot logement “Catsburg” werd gebouwd, om de vreemdelingen te kunnen herbergen. Doch die hoop werd niet verwezenlijkt, en na de opening van den Nieuwen Waterweg voor Rotterdam verliet het scheepvaartverkeer Brouwershaven weder; de ambtenaren vertrokken, de bedrijvigheid stond plotseling stil. Brouwershaven was weder een doode stad geworden als vóór 1838. En die toestand was des te drukkender, daar hij volgde op een vleugje van nieuw, opbloeiend leven.
Wij verlaten het droefgeestige stedeke, waar de tram ophoudt, om het westelijk Schouwen nog te doorkruisen op eigen gelegenheid. Terwijl wij den weg langs den zwaren dijk volgen, die de woedende golven der zee in het Brouwershavensche Gat tegenhoudt, hebben wij van tijd tot tijd gelegenheid, die hooge borstwering te beklimmen en een gezicht over Schouwen aan den eenen, over de zee aan den anderen kant te genieten. In het noorden zien wij over de thans rustige wateren de duinen van Goedereede in het zonlicht blinken met den toren van Ouddorp; in het zuiden vóór ons ligt Schouwen in een diepe kom, waar graslanden met bouwlanden, door goudgele tarwe bedekt, afwisselen, terwijl hier en daar een dorpje, te midden van eenig geboomte, uit het overigens naakte land oprijst.
Vóór een vijftal eeuwen had het landschap hier een ander aanzien. Onderscheidene kasteelen en aanzienlijke kloosters verrezen zoo hier en daar uit het land, waarvan thans geen bouwvallen zelfs meer over zijn, en meer dan één bloeiend dorp uit de middeleeuwen is gedaald tot den omvang van een gehucht. Zoo bijv. Brijdorpe, dat wij reeds noemden. Het slot Herkestein, waar in 1426 de Engelschen en de Hoeksche edelen, die vrouwe Jacoba getrouw waren gebleven, moesten onderdoen voor de Kabeljauwschen, is geheel verdwenen, zoodat men zijn plaats niet meer weet; Looperskapelle en Klaaskinderenkerke zijn van dorpen gehuchten geworden, en van het klooster “Bethlehem bij de duinen van Schouwen”, dat in de 12eeeuw gesticht en in 1572 door de Watergeuzen verbrand werd, is ook niets meer over; alleen is de naam nog bewaard voor een hofstede.
Langs het dorpje Scharendijke en voorbij het gehucht Oudendijke zien wij in het noorden weldra de duinheuvels plaats maken voor den dijk en spoedig daarna komen de toren en trapgevels van een kasteel tusschen het geboomte te voorschijn, terwijl de achtergrond in het westen gevormd wordt door een schilderachtigen, boschrijken zoom langs de duinen, die zoo hier en daar in witteblinkerts er uit oprijzen, als om te toonen, waaraan West-Schouwen zijn heerlijke natuur te danken heeft. Want thans bevinden wij ons op het wel meest afgelegen, maar ook het schoonste en oudste gedeelte van Schouwen, dat in de oudheid door den adel bijzonder gezocht was.
Het slot, dat wij vóór ons zien, is een treurig overblijfsel van het eens zoo beroemde Moermont, in de oudheid een sterk kasteel, omringd door wijde en diepe grachten en met vijf torens versterkt. Dit was het stamhuis en de verblijfplaats der Heeren van Renesse, waartoe ook de Zeeuwsche Bayard, heer Jan van Renesse, behoorde, die wegens de wonderen van dapperheid, welke hij meer dan eens verrichtte, in de landskronieken wordt aangeduid met den eerenaam van “de vrome en onversaagde ridder”. In 1244 vertoefde op dit slot Graaf Willem II; in 1297 werd het maanden lang belegerd door Wolfert van Borselen en bijna geheel vernield. Na herbouwd te zijn werd het nogmaals verwoest, maar in 1513 opnieuw opgebouwd. Omstreeks 1751 werd het in den toestand gebracht, waarin men het thans ziet, doch de trotsche bosschen met aangename wandeldreven zijn alle verdwenen, en alleen eenig ruw, slecht onderhouden geboomte omringt het vervallen oude huis, dat slechts tot arbeiderswoning dient.
Het slot Moermond Renesse.Het slot Moermond Renesse.
Het slot Moermond Renesse.
Weinige minuten verder ligt het dorp Renesse, te midden van de bekoorlijke geeststreken, gebouwd rondom een ruim, met boomen beplant kerkplein. Door een boschrijken zoom, binnenlangs de duinen, loopt de straatweg van Renesse naar Haamstede, terwijl langs den weg de paden zich in bosch en duin verliezen. De duinen hebben hier de aanzienlijke breedte van een uur gaans.
Het vriendelijk dorp Haamstede, dat wij thans bereikt hebben, vormt een breede straat, met olmen en kastanjes beplant, die zich in het midden om de kerk verbreedt tot een plein. Hoewel het dorp van hoogen ouderdom is, vindt men er toch geen oude gebouwen; de drieschepige kruiskerk heeft haar tegenwoordigen vorm in 1605 verkregen en biedt weinig belangrijks.
Ten westen, onmiddellijk naast het dorp, verrijst het oude slot Haamstede. Eenmuur met zware ijzeren poort, de poortpilaren gekroond met de wapens van Witte en Mogge, de vroegere bezitters, sluit aan de zijde van het dorp de plaats af, en de heerlijke bosschen strekken zich naar het westen uit tot diep in het duin. Binnen de voorpoort gekomen, ziet men het slot, door grachten ingesloten en met een klein plein rondom het gebouw. De steenen brug voert tot een oude steenen poort, met klimop omrankt en met een wapen gekroond. Daar verder verrijst de hooge, gekanteelde muur van het huis met twee torens.
Het slot Haamstede werd vermoedelijk in de eerste jaren der 14eeeuw gebouwd door Witte van Haamstede. Van dit slot snelde de dappere Witte, Grave Floreszoon, in 1304, naar Holland, plantte de leeuwenvaan op den Blinkert, bestreed den Vlaming en wist geestdrift te wekken voor het Hollandsche Gravenhuis. Zoo werd hij de “geesel der Vlamingen”, de “redder van Holland”.
“Men vraagt zich niet, of menig heldDen eedlen Witte vergezelt,Genoeg, genoeg is ’t, dat hij kwam,De wakkre telg uit Hollands stam!En wat zou ook een tal van knechtenIn staat zijn, meerder uit te rechten?Een balsemdrop, een bloem bevruchtMet geuren ieder deel der lucht;Een enkle zon verlicht de sfeer,Een enkle held bezielt een heir.”
“Men vraagt zich niet, of menig held
Den eedlen Witte vergezelt,
Genoeg, genoeg is ’t, dat hij kwam,
De wakkre telg uit Hollands stam!
En wat zou ook een tal van knechten
In staat zijn, meerder uit te rechten?
Een balsemdrop, een bloem bevrucht
Met geuren ieder deel der lucht;
Een enkle zon verlicht de sfeer,
Een enkle held bezielt een heir.”
Tot 1454 bleef deze heerlijkheid in het bezit der Witte’s van Haamstede. Na verschillende lotswisselingen der edelen van Haamstede viel het oude slot in 1525, toen René van Brugge er heer was en hij de roemrijke overwinning van Karel V bij Pavia ook op Schouwen wilde vieren, terwijl des avonds smeerpotten en teertonnen de muren zouden verlichten, als een prooi der vlammen, waaruit weinig gered werd. Alleen de geroosterde wanden, een paar torens en de hoofdpoort bleven staan met enkele muurbrokken. Zoo bleef het slot een verlaten ruïne. Toen Keizer Karel V in 1540 te Zieriksee kwam, begaf hij zich nog naar Haamstede, om de plek te zien, waar op een aan hem gewijden vreugdedag het roemrijke slot was verwoest.
In 1608 werd het slot herbouwd door Jacob van den Einde, den toenmaligen bezitter der heerlijkheid. Nog werd het uitgebreid in 1879–81, en het laatst onderging het veranderingen in 1888. De zware bosschen, die er stonden, werden in het midden der 19eeeuw grootendeels gekapt, maar zijn door jong hout vervangen, dat thans weer prachtige, koele lanen aanbiedt en een heerlijken overgang naar het woeste duinland vormt, dat daar nog ligt als een stuk onbedorven natuur.
Door dit slot en de verdere schoone omstreken, alsmede door de behagelijke rust, waarin het dorp ligt, is Haamstede een plaats, juist geschikt, om het geestelijk evenwicht, dat in onzen zenuwachtigen tijd veel heeft te doorstaan, te herstellen.
Op korten afstand, ten zuiden van Haamstede, ligt aan den voet van de duinen het schilderachtige dorp Burg, gebouwd aan het met vruchtboomen beplante kerkplein. De kerk is in 1674 gesticht. Zij bezit een kunstvol glasraam uit de 17eeeuw, geschonken door de Staten van Zeeland.
Ten zuidwesten van Burg stond tot 1890 het oude slot Craayenstein, dat, hoewel verbouwd, afkomstig zou zijn uit den tijd der Noormannen. Aan dezen burcht dankt het dorp zijn naam. Ten O. van het dorp vindt men, ten deele opgegraven, de fundamenten van het klooster Leliëndale, in 1459 gesticht en na verwoesting bij den beeldenstorm geheel verlaten.
Een eigenaardig volksfeest, geheel bijzonder voor Schouwen, dat in den laatsten tijd weer toeneemt in beteekenis, moeten wij nog vermelden. Dat is het zoogenaamde “stra-rijden,” bij verkorting ook “stra” genoemd.
Het slot te Haamstede.Het slot te Haamstede.
Het slot te Haamstede.
Stra is een tweeledig ding: het is een kermis zonder kramen, een paardenmarkt zonder koopers of verkoopers, een jaarmarkt zonder nadagen, zonder officieel karakter, bij geen autoriteit bekend, in geen almanak opgegeven, conventioneel ontstaande en eindigende, een dag van ontspanning, die vrienden bij elkander brengt, een episode in de wintersche dagelijkschheid, die jaarlijks komt en daarin getrouwer is dan ijs en schaatsen.
De stra is eigenlijk een uitsluitend Schouwensch feest, men kan het niet beter karakteriseeren dan als een volksfeest, het was een soort van kermis op het strand, waaraan het ook zijn naam heeft te danken. Door het weglaten der beide laatsteletters is de naam strand moeilijk meer in stra te herkennen, maar het eigenlijke van het feest wijst toch op die afkomst.
Als de kortste winterdagen voorbij zijn en de rijzende zon den aantocht van de lente verkondigt, als de veldarbeid na de winterrust weder begint aan te vangen, of althans wordt voorbereid, viert men vooraf het strandfeest, dat men als stra-rijden aanduidt. Elk dorp heeft zijn bepaalden dag vanstra-rijden, te beginnen met den eersten Maandag in Maart en zoo vervolgens. Dan worden de paarden alle netjes gekamd en geborsteld, de staart in kunstige vlechten geslagen en de zoons en knechts der boeren stijgen te paard, om, na in het dorp vereenigd te zijn, in optocht naar het strand te rijden. Geen paard blijft op dien dag op stal en de zonen des huizes hebben natuurlijk het recht op de keur van de paarden. Ongezadeld, in flinken draf, rijdt men aldus naar zee, waar den dieren de voeten gespoeld worden, als om den zegen voor het nieuw aankomende arbeidsjaar op het veld, waaraan de paarden ruim hun deel hebben, uit Neptunus’ hand te vragen.
Aan het strand gekomen, wordt de paardenstoet in het zilte nat gedreven.
Zij plassenEn wasschenDe kooten;Hun pootenGaan klapperenBij ’t dapperenDoor ’t water-Geklater.De hoevenBeproevenHet vochtige zand;Een lustige kwant,Een vroolijke ruiter,Zet ’t paard aan, maar stuit erBij ’t stuivende duin,
Zij plassen
En wasschen
De kooten;
Hun pooten
Gaan klapperen
Bij ’t dapperen
Door ’t water-
Geklater.
De hoeven
Beproeven
Het vochtige zand;
Een lustige kwant,
Een vroolijke ruiter,
Zet ’t paard aan, maar stuit er
Bij ’t stuivende duin,
aldus schetst een medewerker van de Zeeuwsche Volksalmanak van 1846 het stra-rijden.
Het stra-rijden is een voetspoeling der paarden in zee. Als dit onder vroolijke scherts geschied is, keeren de stra-rijders naar het dorp terug, waar een soort van kermis gehouden wordt. Daar zijn thans de stalletjes en kraampjes geplaatst met sinaasappelen en koek, en niet meer op het strand, en in de dorpsherberg heerscht een druk leven, dat nog voortgezet wordt, ook nadat de stra-rijders hun paarden weder op stal hebben gebracht.
Elk dorp in het westelijk Schouwen heeft zijn eigen stra-dag, zeiden wij. Men berekent de stra-dagen naar dien van Haamstede, waar stra valt daags vóór vastenavond. De stra-dag van Renesse heeft een week eerder plaats; dit dorp opentde reeks der stra-dagen. Des Zaterdags na Haamstede heeft Noordwelle zijn stra; een week daarna Serooskerke en nog een week later Ellemeet, vervolgens Elkersee.
Waaraan de stra-dagen hun oorsprong hebben te danken? Niet onwaarschijnlijk behooren zij in de reeks der oude lentefeesten. Zooals men in de landgewesten naar de bosschen toog, als de tempels der goden, wendde men zich aan de kust naar de zee, de machtige en indrukwekkende, die volgens het volksgeloof weer en wind beheerscht, die door haar bruisen de stormen aankondigt, en uit wier schoot de onweders oprijzen. Is het onnatuurlijk, dat men de goden, die daar woonden en heerschten, eerbiedig huldigde; dat men de paarden, die den ploeg trekken, in zee als ’t ware een wijdenden doop deed ondergaan, vóór zij het akkerwerk aanvingen?
In Zeeland gaf de zee aanleiding tot menige uitspanning. De jeugd begaf zich steeds gaarne naar het strand, om zoowel in het duin te stoeien als zich met de spelende golfbeweging van het water op het strand te vermeien en in de ondiepe wateren van de kust te spartelen. De tragische geschiedenis van Roosje heeft het gebruik, om jonge meisjes stoeiend in zee te dragen, algemeen bekend gemaakt voor Walcheren, doch het vond ook hier plaats.
Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.
Geschilderd kerkraam der kerk te Burg, voorstellende de 5 Edelen van Zeeland met de zes stemhebbende steden en het wapen der provincie; op den voorgrond de zitplaats der ambachtsheeren.
In het zuidwesten van het eiland ligt aan den breeden Scheldemond Westenschouwen, thans een gehucht van slechts een tiental huizen, niet een bezoek waard, als men het zeegezicht uitzondert. Doch eens lag hier een aanzienlijke plaats, die al vroeg het bloeiendste vlek van Schouwen uitmaakte. In den tijd, toen de Ooster-Schelde nog een minder breed water was, had Westenschouwen door zijn ligging aan den mond een goede haven, om de zeevaart in binnenvaart te doen overgaan. In 1438 werd van hier de vaart op Portugal en Spanje gedreven, en door tal van privilegiën van tolvrijheid, o.a. in Lotharingen en Limburg, in Engeland (1475) en elders, bloeide Westenschouwen op tot een aanzienlijke plaats. Hier begon men in 1493 het eerst in Zeeland voor de vischvangsthoekers te bouwen; vroeger werd de visscherij slechts met kleine pinken gedreven. Toen werd Westenschouwen een bloeiend, fraai dorp. Reigersbergh verhaalt van een dreef van boomen, aan beide zijden van de straat tot de kerk toe, die met schoone huizen bezet was, waarin de fraaiste kelders waren, als ware het een stad geweest. Vreemdelingen van alle streken kwamen in Westenschouwen, waar de Rijnsche wijn, volgens een mededeeling, in 28 herbergen geschonken werd en waar een levendig verkeer heerschte.
Maar aan deze veranderlijke stroomen wisselt alles. De eens zoo schoone haven verzandde en was aan het eind der 15eof in het begin der 16eeeuw verloopen. Voor een plaats, die door haar haven alleen was opgekomen, werd hierdoor de bron van welvaart gesloten. Daarbij kwam, dat gelijktijdig hiermede het gevaar voor overstrooming dreigde en de bodem werd aangetast. Reeds voor eenigen tijd waren kerk en toren verder landwaarts verplaatst, en de plek, waar het oude Westenschouwen stond, moest geheel buitengedijkt worden.
De bewoners verlieten Westenschouwen; het eene huis na het andere werd afgebroken. De legende fabelt van een meermin, die hier gevangen werd, en wrake roepende den vloek uitsprak over de plaats.
Of het door den vloek der meermin was of niet, Westenschouwen is te gronde gegaan. De wateren der Schelde spoelen thans, waar eens het dorp stond. In 1591 was de kerk niets meer dan een bouwval. De huizen verdwenen, het eene voor, het andere na. Nog lang bleef de kerktoren staan, een schilderachtige ruïne op den bodem der verlaten plaats, maar in 1845 werd die bouwval afgebroken en verkocht.
Wij staren van hier naar het oosten in de richting van Zieriksee en laten den blik weiden over de breede vlakte der Schelde, die met een groote ronding in Schouwen opbuigt. Deze inham is een gevolg van de werking van het water, dat de zuidkust van Schouwen met nimmer rustende vraatzucht heeft afgeknaagd en uitgehold. Al langen tijd is Zuid-Schouwen door dijkvallen en oeverafschuivingen, die telkens gedeelten lands in de diepte deden verzinken, aangetast en zoo zijn van Westenschouwen tot Zieriksee in den loop der tijden onderscheidene dorpen en stukken lands in de golven verdwenen. Dicht bij het havenhoofd van Zieriksee lag eens het dorp Borrendamme, dat, in 1477 en 1530 reeds sterk aangetast, in 1613 geheel verwoest werd. In 1662 ging in deze streek het dorp Rengerskerke te gronde. Het dorp Zuidkerke is reeds vroeg hier vergaan en een nieuw dorp van denzelfden naam, verder binnenwaarts gebouwd, is in 1534 weer verdwenen. Simonskerke, St. Jacobskerke, Brieskerke met de buurt ’s Heer-Arendshaven zijn alle vergaan door het water.
Daardoor is de eens veel smallere Ooster-Schelde een breede inham der zee geworden in den loop der tijden. Het eiland Worigeszand of Orisant, tusschen Noord-Bevelanden Schouwen gelegen, is in de 18eeeuw door den waterwolf geheel opgeslokt.
Doch wij willen ons niet langer met treurige gedachten aan de vergankelijkheid der Zeeuwsche gronden bezighouden. Wij verlaten dit eiland met de overtuiging, dat, al kon niet elke grondbraak of oeverafschuiving beteugeld worden, onze ingenieurswetenschap door het beperken van het landverlies toch ook hier schitterende overwinningen heeft behaald op de natuur.