V. Zuid-Beveland.Wie met den spoortrein van Bergen-op-Zoom naar Goes reist, volgt eerst korten tijd in zuidelijke richting den hoogen landzoom, waarmede Noord-Brabant aan Zeeland grenst. Doch na weinige minuten verlaat de spoorweg het afwisselende, heuvelachtige gebied der diluviale zandgronden, en wanneer men op eenigen afstand links op een hoogte het schilderachtige kerkje van Woensdrecht op een heuvel ziet liggen, buigt de weg zich naar het westen. Binnen weinige oogenblikken bevinden wij ons daarna op den spoorwegdam, die sedert 1867 de Ooster-Schelde van de Wester-Schelde afscheidt en Zuid-Beveland met het vasteland heeft verbonden.De dam, die bij den aanleg nog te midden van de wel is waar ondiepe wateren lag, wordt thans aan beide zijden reeds ingesloten door uitgestrekte gorzen, met gras en zeekraal begroeid, welke alleen bij hoogen vloed onder water komen en op verderen afstand overgaan in de naakte slikken, glibberige grijs-zwarte banken, die bij de eerste eb in de zon glinsteren door den vochtigen slijkbodem en de plassen, welke er overal op verspreid liggen. Eentonig, zonder eenige verheffing, effen als de waterspiegel, terwijl geen boom of hooge plant zich hier vertoont, breiden de gorzen zich uit in de Ooster-Schelde. Alleen wordt de effene oppervlakte afgebroken door kronkelende waterloopen, die in zonderlinge bochten door de gorzen slingeren en met steile oevers er enkele voeten diep in doordringen. Deze riviertjes zijn ontstaan en worden onderhouden door het afloopende ebwater, dat na hooge vloeden wegloopt van de gorzen, doch bij de na-eb zijn zij veelal zoo goed als droog. Het vee en de schapen, die op de gorzen weiden, moeten hierop letten en, als de vloed opkomt, op de hoogste gedeelten of op de dijken van het land een toevluchtsoord zoeken.Van de hoogste aanslibbingen, de gorzen nabij het land van Noord-Brabant, zijn er reeds onderscheidene ingepolderd ten zuiden van den dam, die door dijken bij het land werden gevoegd. Ten noorden van den dam gaat de landaanwinst niet zoo snel voort, sedert de Schelde geen slibstoffen meer aan de Ooster-Schelde toevoert na het leggen van den dam.Hoewel de aanslibbing langs de Ooster-Schelde thans zeer gering is, zienwij toch uit den trein, die in het eerst dicht langs den noordelijken dijk van Zuid-Beveland loopt, dat zich hier groote platen uitbreiden in de Ooster-Schelde, welke bij hooge vloeden geheel wegduiken onder de wateren.Het gebied, dat wij daar vóór ons zien liggen, een slijkvlakte van twee uren breed en ongeveer vier uren lang, is, helaas! een terrein, waarop de mensch in zijn strijd tegen de natuur een nederlaag heeft geleden; hier heeft vóór eenige eeuwen de zee tegen de Zeeuwen een slag geleverd, waarbij zij met zware verliezen werden teruggedreven, om eerst daar stand te houden, waar zich thans de hooge dijk verheft. Buiten dien dijk ligt het “Verdronken land van Zuid-Beveland”, zooals de kaarten het aanduiden, en daar ver over de watervlakte, op niet grooten afstand van de kust van het eiland Tolen, op de Speelmansplaat, liggen de fondamenten van de oude stad Reimerswaal. Op de ruïnen van dit vernielde landschap oefent de Iersekesche oestervisscherij thans haar bedrijf uit.Groote veranderingen hebben op dit oostelijke, smalle gedeelte van Zuid-Beveland plaatsgegrepen in den loop der eeuwen. In geen gedeelte van Zeeland is zooveel land aan de golven ten offer gegeven, dat nooit herwonnen werd, als hier. Omstreeks het jaar 1200 had het land in het oostelijk gedeelte een uitbreiding naar het noorden ongeveer tot een rechte lijn, welke men van Bergen-op-Zoom naar Wemeldinge kan trekken. Ook naar het zuiden was Zuid-Beveland destijds veel breeder en in het oosten was het eiland door een arm van de Schelde van Noord-Brabant gescheiden.Dit gedeelte van Zuid-Beveland, ten oosten van Ierseke, heette oudtijds Oostwatering of “beoosten Ierseke” en het overige Westwatering. Het oude Oostwatering was geheel een polderland, bestaande uit afzonderlijke bedijkingen, welke aan elkander sloten.Wie voor een viertal eeuwen stond op een hoogte bij Ierseke en naar het oosten blikte, zou daar op korten afstand vóór zich den toren van Kouwerve en van Duivenee hebben zien verrijzen, en verderop de spitsen van het klooster Mariënhof, de torens van Nieuwerkerk, den ouden en sterken ridderburcht Lodyke, die met de heerlijkheid aan een der heeren van Reimerswaal behoorde.Nog verschillende andere dorpen zouden hier van verre in het vruchtbare land gezien zijn geworden, als: Machole, Broecke en Kreecke; Steenvliet, Everwaarden, Schaudee, Nieuwlande, beide laatstgenoemde met bevoorrechte jaarmarkten begunstigd en met een voor die tijden niet onaanzienlijken handel, en andere. Maar wie het land beschouwde met helderen blik, zou er met groote bezorgdheid vele meer of minder diepe kuilen en plassen in den bodem bemerkt hebben. Dat waren de veengaten, waaruit de zoutbranders het zoutveen hadden gegraven, om dit te branden, en die om de voordeelen van het zout den bodem vernielden.De belangrijkste plaats in dit landschap was Reimerswaal of Romerswaal, eenbelangrijke stad, aan de toen nog niet breede Ooster-Schelde gelegen, tegenover Schakerloo op Tolen, waarnaar een overzetveer bestond. Reimerswaal was een oude stad, omtrent welker ontstaan echter niets bekend is, en werd als een der voornaamste steden van Zeeland beschouwd. In 1374 werd Reimerswaal door Hertog Albrecht van Beieren omwald, waarna de voorrechten, door onderscheidene graven aan de stad verleend, aan de burgers een aanzienlijke welvaart deden toevloeien. In 1315 had de stad het voorrecht verkregen, dat alle goederen, die van Zeeland naar Brabant of omgekeerd werden vervoerd, te Reimerswaal ter markt gebracht moesten worden. Rudolf van Diepholt, de 53ebisschop van Utrecht, schonk in 1449 aan de stad Reimerswaal het kerkelijk rechtsgebied over geheel Zuid-Beveland.Die weelde bracht de bevolking telkens tot overmoed. In 1454 overviel en verdreef zij zelfs de regeering uit de stad, en voor dit misdrijf werd haar door den stadhouder Karel van Bourgondië alleen na voldoening van zekere boete vergiffenis geschonken. De burgers moesten, volgens berichten, barrevoets en blootshoofds in hun hemd zich voor den Stadhouder verootmoedigen.Steeds nam Reimerswaal nog toe in bloei en vermeerderden zijn voorrechten. Maria van Bourgondië schonk de stad verschillende privilegiën, in 1477 o.a. dit, dat de dijkgraven van Oostwatering altijd in deze stad moesten wonen. Karel V vergunde der stad, dat de schepenen er dagelijks recht zouden spreken, in plaats van driemaal per week, wat voorheen het geval was, ten gerieve van den grooten toevloed van kooplieden. In 1559 ontving Filips II als graaf van Zeeland in Reimerswaal nog de hulde van dit gewest, welke huldiging volgens sommige schrijvers steeds in deze stad zou zijn geschied.Maar dreigende machten stormden weldra te vuur en te water los op het rijke Reimerswaal en zijn omstreken. Een vreeselijke brand had reeds in 1520 meer dan 300 huizen en pakhuizen in de stad vernield. Toch herstelde de koopstad zich spoedig weder.Maar daarna kwam de vreeselijke overstrooming van 1530. De Novemberstorm van dat jaar joeg de wateren der zee op in de Zeeuwsche monden en over bijna geheel Zeeland, maar ook elders hadden zware overstroomingen plaats. Het vreeselijkste lot trof Zuid-Beveland, dat bijna geheel onder water werd gezet. Het binnenstroomende water vernielde het door het uitmoeren reeds half verwoeste land geheel, en in het noordoosten bleef alleen Reimerswaal met een poldertje, gezamenlijk door een eigen dijk ingesloten, als een afzonderlijk eilandje gespaard. Bijna al het overige land van Oostwatering ging geheel te loor.Reimerswaal zette helaas! zijn zoutbranderij nog voort, waartoe de “wilde moer” bij de stad het veen leverde, en had in 1541 nog vele zoutketen, waar zout werd bereid.Door dit landvernielen werd de algeheele ondergang van het laatste overblijfsel lands in het verdronken land bevorderd. De beide watervloeden van Januari en Februari 1551 vernielden den dijk en deden het poldertje bij de stad, als ook de stad zelf, onderloopen. Wel werden de dijken weder hersteld, maar in 1555 had er nogmaals een overstrooming plaats, waardoor de polder om de stad verloren ging. Reimerswaal was thans niet meer dan een stad-eilandje, welks muren reeds onmiddellijk door water werden ingesloten. De stormvloed van 11 en 12 Januari 1557 tastte de stad zelf opnieuw aan; de poorten en muren werden vernield, de plaats liep onder, en de meeste huizen, benevens het stadhuis, kerken en kloosters, bezweken voor de kracht der woedende golven. Slechts weinig bleef van deze aanzienlijke stad gespaard en dit laatste werd nog te gronde gericht door een fellen brand in het volgende jaar.Toch hield een gedeelte der bewoners nog stand, worstelende tegen de elementen. Maar nadat de watervloeden van 1561 en 1563 de overgebleven stadsgedeelten weder geteisterd hadden, drongen de bewoners aan op hulp bij de Staten van Zeeland en den Prins van Oranje. Men beschouwde echter den toestand van Reimerswaal als onherstelbaar; de bewoners moesten zich redden, zooals zij konden, en toen in 1573 Zeeuwsche krijgsbenden het laatste overblijfsel der stad belegerden, innamen en vervolgens, wijl de stad niet meer tegen de Spanjaarden te verdedigen was en zij haar evenmin aan den vijand in handen wilden laten vallen, in brand staken, was het lot van Reimerswaal voorgoed beslist. De plaats werd in 1574 geheel ontmanteld; de bewoners, verarmd en ontmoedigd als zij waren, verlieten de sombere plek, die steeds door overstrooming bedreigd werd; de regeering der plaats deed vrijwillig afstand van den rang der stad, die niet meer onder de vijf goede steden verscheen op de statenvergaderingen der provincie, en er bleven slechts enkele visschershuizen over in de verlaten stad, een ruïne te midden der golven.De overgebleven burgers hielden stand tot 1631, toen een 4000-tal Spaansche soldaten, die bij een sloepgevecht op het verdronken land van Zuid-Beveland gevangen genomen waren, op Reimerswaal waren gebracht, om daar bewaard te worden. Bevreesd voor den overlast van het krijgsvolk, vertrokken de laatste bewoners uit de stad, die hun niets meer aanbood. Zij vestigden zich meest in de stad Tolen, waar zij zich nauw aan elkander sloten en lang een afzonderlijke volksgroep vormden, die allengs opging in de Tolenaars. Hoofdzakelijk vonden zij hier in de mosselvangst een bron van bestaan.Spoedig ging Reimerswaal nu geheel te gronde. In 1634 werden de straatsteenen door de Staten bij openbare veiling verkocht voor 1081 gulden, welk bedrag onder de schuldeischers bij preferentie verdeeld werd. Daarmede was de eens zoo roemrijke stad, waarvan Hofferus in het op haar in ’t Latijn gedichte grafschrift zeide:“In haar gaf eens de vorst, tot hoog bestier ontbodenVan ’t vrije recht, aan ’t volk zijn woord van trouw en eer”,doelende op Filips II, voorgoed vernietigd. Al te fel bestookt door de gramschap van twee goden, nl. van Thetys en Vulkaan, was het een insolvente boedel geworden, door de schuldeischers verkocht.In de Ooster-Schelde, niet ver van Tolen, op de zoogenaamde Speelmansplaat, wordt de plek nog aangewezen, waar eens Reimerswaal gevonden werd. Een tochtje naar de niet ten onrechte als “groot kerkhof” aangeduide plek, met een zeilboot van Tolen uit, is altijd een groote aantrekkelijkheid en wordt dikwijls gedaan.Als men de Eendracht uitzeilt en vervolgens naar het westen koerst, ziet men ten zuiden van het diep, dat langs de zuidkust van Tolen loopt, bij eb weldra een plaat opglinsteren. Dat is de Speelmansplaat, die zich met de plaat “de Vogelaar” als een arm naar hetN.W.uitstrekt. Hier kan men bij laag water de overblijfselen van Reimerswaal nog zien. Een lange rij van palen, die noordwaarts zich in het diep verliest, wijst nog op de haven; dwarsbalken en planken verbinden enkele palen nog. Groote steenen, vrij regelmatig geplaatst, wijzen er op, dat hier eenmaal een druk veer was op het eiland Tolen. Op dat eiland vindt men bij Schakerloo door de polders een weg, die den naam van “Veereweg” nog draagt. Op de plaat ziet men een vreemde grondstof, die voor selkasch, een overblijfsel van het zoutbranden, gehouden wordt. De richting der straten kan men nog goed onderscheiden, daar fundamenten van gebouwen nog zichtbaar zijn. Blauwe schalien, de vroegere dakbedekking, groote moppen, zooals eertijds de steenen gebakken werden, potscherven, enz. liggen overal verspreid. De plaats, waar eens de groote parochiekerk stond, is nog duidelijk te zien; de ingeheide palen, waarop de pilaren en muren rustten, wijzen haar plaats aan; zelfs ligt nog een gedeelte van den kerkvloer bloot. Bij opmeting bleek, dat de lengte der kerk 25 Meter bedroeg, de breedte 15 M.In de nabijheid hiervan vindt men het kerkhof, thans door zand bedolven. Wanneer de golfslag het zand wat losgewoeld heeft, kan men den doodenakker duidelijk onderscheiden door overblijfselen van doodkisten, van geraamten, enz. In 1883 verrichtte Dr. Sasse hier nog opgravingen; hij vond hier onderscheidene merkwaardige schedels, die hij voor anthropologisch onderzoek bewaarde. Tal van pottebakkerijen en ook leerlooierijen schijnen hier eens gevonden te zijn; looierskuipen, waarin nog run aanwezig is, wijzen op dit bedrijf.De legende heeft ook de geschiedenis van Reimerswaal omhuld met haar dichterlijk waas. Ook hier wordt gesproken van een meermin, die den vloek uitsprak over de stad, een verhaal, dat ook elders is gelocaliseerd. Dat Reimerswaal eens een aanzienlijke stad was, kan niet betwijfeld worden; de volksoverlevering, dat deweelde hier zoo ver was gegaan, dat gouden kloppers de deuren versierden en de paarden met zilveren hoefijzers beslagen waren, echter wèl.Na een korten tijd toevens moeten wij de verzonken stad weer verlaten. De eb is voorbij; de wateren der Schelde rijzen; zij stuwen voort over de platen, en als wij weer met ons scheepje dobberen, zien wij den grondslag van Reimerswaal op nieuw bedolven onder de wateren, die spelemeien in lustigen golfslag over het groote kerkhof.Door de overstroomingen, welke Reimerswaal te gronde deden gaan, was er ook van Oostwatering slechts weinig overgebleven. Eerst in 1594 tot ’96 werden de Monniken-, Maagde- en Nieuw-Krabbendijkerpolder weder drooggelegd. Enkele polders van het ondergeloopen land werden weder gewonnen, doch op de kaart van Hattinga, in 1747 genomen, was de Oud-Mairepolder het oostelijkste punt van het eiland (ongeveer ten zuiden van Krabbendijke). Ten oosten daarvan lag een breede vlakte van gorzen, schorren en slikken, met enkele geulen en waterspranken doorsneden, die zich tot het hooge land van Noord-Brabant uitstrekte. De geheele streek, die de spoorweg van Woensdrecht naar Krabbendijke doorloopt, is na 1740 ingepolderd en bestaat uit jonge dorpen, langs de polderdijken gebouwd.Vóór wij ons afwenden van het verdronken land, moeten wij nog een historische gebeurtenis in herinnering brengen, die zich hier afspeelde op deze schorren. Het was in het jaar 1572, toen Goes door de Watergeuzen onder Tseeraerts belegerd werd, dat Christoval de Mondragon, een wakker Spaansch krijgsman, besloot de stad te ontzetten. Met 3000 man, Walen, Spanjaarden en Duitschers, maakte hij zich daartoe op, ging te Bergen-op-Zoom scheep en zette zeewaarts koers, als wilde hij de Zeeuwsche vloot aantasten. Maar op het voorstel van Dirk Bloemaert, een Noord-Brabanter van geboorte, die bekend was in deze streken, werden zij weldra weder ontscheept, om den tocht over het verdronken land te volbrengen. De afstand van de Agger aan den Brabantschen wal tot het oude land van Valkenisse bedroeg ongeveer vier uren: een aaneenschakeling van slikken en ondergeloopen land, met kreken doorsneden, ’t Was een gevaarlijke tocht, maar het waagstuk werd ondernomen.Toen ze op de Agger stonden, werd elk der manschappen een zakje met mondvoorraad en krijgsbehoeften uitgereikt, om aan den hals te hangen; de schroomvalligen werden aangemoedigd door het vooruitzicht op den roem en den rijken buit en men trad te water, om te voet Zuid-Beveland te bereiken. Wel was het eb, maar toch moest men tot de knieën, soms tot het middel, door het water waden. Bloemaert ging met Mondragon voorop, daarna volgden de Spanjaarden, verder de Duitschers; de Walen vormden de achterhoede. Het was een verwonderlijk schouwspel, die drieduizend krijgsknechten daar halverwegeboven het water te zien plassen. Maar het geluk begunstigde de stoutmoedigen; slechts negen man verdronken in de diepere geulen en toen het middaggetij zijn volle hoogte bereikt had, betraden de laatsten den dijk bij Krabbendijke. Ook het verdere van den tocht liep gunstig af voor Mondragon en Goes viel door deze kloeke onderneming weer tijdelijk in handen der Spanjaarden.Is de daad van Mondragon een moedige onderneming der Spanjaarden geweest, die wij niet mogen verzwijgen, daarginds bij Reimerswaal had nog een dappere daad plaats, die de onversaagdheid der Zeeuwen in het licht stelde. Toen Requesens Alva in de Nederlanden opvolgde, wilde hij, in tegenstelling met zijn voorganger, de Nederlanders ook op zee bestrijden. Dertig zware schepen, aangevoerd door den bekwamen d’Avila, zouden langs de Wester-Schelde naar Walcheren zeilen en zeventig smakken, aangevoerd door Glimes en Romero, moesten van Bergen-op-Zoom de Ooster-Schelde afkomen.Die krijgstoerustingen tegen Walcheren kwamen Oranje ter oore; hij ijlde naar Vlissingen en verzamelde de Hollandsche en Zeeuwsche zeemacht onder Lodewijk van Boisot, die de Ooster-Schelde opvoer. Voortgestuwd door een noordwester koelte, ontmoette Boisot de vloot van Glimes bij Reimerswaal; bij ’t Lodyksche Gat kwamen de vloten binnenschots. Een moorddadig vuur kostte velen der onzen het leven en Boisot verloor een oog. De Spanjaarden sprongen zelfs op zijn schip over; er ontstond een hardnekkig gevecht, dat weldra, daar nu ook de andere vaartuigen aanklampten, algemeen werd. Hier volgde Jasper Leunszoon van Zoutelande de daad van Jan Haring; hij haalde de vlag van het admiraals-schip van Glimes en bracht die behouden bij de zijnen. Romero deed een nieuwe vlag hijschen, enterde aan de andere zijde van het schip van Boisot, die eindelijk, toen hij een zestigtal vijanden had te bestrijden op zijn schip, de lont in ’t kruit stak, om zich niet over te geven. Doch hiermede werd ook het pleit beslecht; Romero, juist gered, vluchtte met zijn volk naar Tolen, waar Requesens met zijn hofstoet op den dijk in koude en regen het schouwspel stond aan te zien. De Zeeuwen veroverden of verbrandden verscheidene schepen, en het veroverde Spaansche geschut werd naar Walcheren opgebracht. D’Avila, die op de Wester-Schelde bij Breskens het tij liet verloopen, trok na het vernemen van de nederlaag bij Reimerswaal terug naar Antwerpen, zonder iets te hebben verricht. Zoo bleef Walcheren voor den Prins behouden. Ook over de platen van dit verdronken land klinkt de geschiedenis van den roem van Nederlands dapperen.Wanneer wij onzen tocht met den trein voortzetten, gaan wij voorbij Krabbendijke, een dorp, dat in 1591 na hernieuwde bedijking weder ontstaan is en zich ten noorden en ten zuiden van de spoorweglijn uitbreidt; nabij den zuidelijken dijk van het eiland verrijst in het geboomte het oude dorp Waarde.Ook dit dorp is niet meer, wat het in de middeleeuwen was, toen zich hier een sterk kasteel verhief naast de kerk, die destijds veel grooter was, en er een proostdij der Tempelieren gevonden werd, welke later aan de Maltheser ridders kwam. Het eens aanzienlijke dorp is afgenomen en het grondgebied is ten zuiden door vele overstroomingen sterk afgeslagen.Vervolgens loopt de spoorweg op ongeveer een kwartier afstands van Kruiningen, thans een der grootste Zeeuwsche dorpen en een der schoonste van het eiland, met ruim 1200 bewoners binnen de kom, aan een kruispunt langs eenige wegen gebouwd, te midden van flinke boomgaarden en bouwlanden. Kruiningen is nog van oude dagteekening; in de 13eeeuw was het reeds als een vrijheerlijkheid bekend en de bezitters dier heerlijkheid werden in het begin der 15eeeuw erfburggraven van Zeeland. Ook bezat de heerlijkheid reeds vroeg een eigen schepenbank en afzonderlijke keuren, week- en jaarmarkten. De heeren van Kruiningen hadden hun slot, het kasteel van Kruiningen, achter de kerk. Het was een gebouw uit de 13eeeuw, eens zeer aanzienlijk; in 1612, na ’t overlijden van Maximiliaan van Kruiningen, die geen mannelijke nakomelingen naliet, is het in verval geraakt en in 1720 moest het worden afgebroken.Ongeveer tegenover Kruiningen loopt van den spoorweg de weg naar Ierseke, een dorp, langs den dijk gebouwd en door boomgaarden ingesloten. Aan den waterkant van Ierseke vindt men talrijke oesterputten, die een belangrijke bron van bestaan zijn voor deze plaats en een eigenaardig bedrijf.Ook Ierseke is een oude plaats, die in den tijd, toen de overstroomingen het oostelijk gedeelte van Zuid-Beveland nog niet verwoest hadden, met Reimerswaal en Goes kon wedijveren en evenals deze steden uitgebreide tolvrijheid, een Woensdagsche weekmarkt bezat en ook met jaar- en paardenmarkten begunstigd werd. Te Ierseke was zelfs eens het onderdekenschap van het westelijk deel van Zuid-Beveland gevestigd, dat Goes in 1413 wist te verkrijgen. Op het uiterste van den oostkant van het eiland tegen den dijk gelegen, die Oost- en Westwatering van elkander scheidde, lag het destijds als middelpunt van een bloeiende streek zeer gunstig, doch na den ondergang van Oostwatering is het zeer vervallen.In de 19eeeuw zijn de oesterteelt en oesterhandel voor Ierseke een bron van afwisselenden bloei geworden. Wij willen hierbij een kort overzicht geven van de geschiedenis der oestercultuur.De eigenlijke oestercultuur, nl. wat men thans daaronder verstaat, dagteekent in Zeeland van 1870. Evenwel is de oesternijverheid in Zeeland al van veel ouderen datum. Langen tijd was Zieriksee het middelpunt van dezen handel. Job Baster, de bekende geleerde Zeeuw uit de laatste helft der 18eeeuw, zegt, dat er destijds te Zieriksee veel Engelsche oesters verhandeld werden, aldusgenoemd, omdat het grootste gedeelte daarvan jaarlijks met schepen hier te lande gebracht werd. De zoogenaamde “oesterhaalders” voerden uit Engeland in dien tijd de oesters aan, welke daarna in oesterputten, groote, met grenen planken bevloerde bakken, waarin 4 à 6 voet zeewater stond, geplaatst werden, waarin het water met elk getijde ververscht werd. Na 6 à 10 dagen werden de oesters dientengevolge geschuurd, d.i. van alle slib en vuiligheid, die zij uit Engeland medebrachten, gezuiverd en schoongemaakt en daarna in tonnen ter verzending ingekuipt.Oesterperceel te Ierseke.Oesterperceel te Ierseke.Ook werden in dien tijd al kleine oesters uit Engeland aangevoerd; de oesters, die te klein waren, om verzonden te worden, werden uitgeschoten, bewaard, en in zee op die plaatsen gezaaid of uitgestrooid, welke men geschikt achtte voor verderen groei. Deze platen in zee noemde men oesterbanken. Zelfs kleine, jarige oestertjes, broed genoemd, werden op die wijze gezaaid. Omdat de oesters hier niet zoo sterk voortteelden, werd elk jaar met een opzettelijk daarvoor bestemd schip, dat doorgaans in het laatst van April aankwam, oesterbroed uit Engeland gehaald.Van de bij Schouwen en Duiveland liggende oesterbanken werden in den herfst en in den winter de oesters gevischt en de kleine weder in zee geworpen. De groote werden in de oesterputten schoongemaakt en gezuiverd, in vaten verpakt en verzonden. Dat waren de Zeeuwsche oesters, die de Engelsche overtroffen.Of de Zeeuwsche wateren in historischen tijd steeds oesters voortbrachten, dan wel, of deze dieren zich later hier vertoonden, is niet zeker te zeggen. Boxhorn verhaalt in zijn Kroniek van 1644, dat zich in 1620 aan de zuidkust van Schouwen oesterbanken vertoonden, van welke de burgers van Zieriksee menigmaal oesters haalden, maar toen Smallegange in 1696 de Kroniek van Zeeland uitgaf, schreef hij, dat, ofschoon de oesterbanken geheel waren verdwenen, zij de aanleiding geweest waren van den Zierikseeschen oesterhandel, die sedert dien tijd de oesters uit Engeland liet komen.ZEELAND OMSTREEKS 1280ZEELAND OMSTREEKS 1280Verkleinde afbeelding der kaart van LIEVEN VAN THUYNE.“Dese charte is de double van eene ghelijcke charte bij mij, ondergheschreven ghesworen Landtmetere der stede van Ghendt, ghetrocken naer d’originele, berustende int secreet ’s Landts van den Vrije, int selve secreet gevonden ende daeruyte ghelicht ter ordonnantie haerlieder ssme Hoogheden, bij Mr.Jan van Blooijs,raet ordinaris van deselve haerlieder Hoogheden int jaer MDCX (XVIethiene), mij ’t oorconde.”(Get.)Lieven van Thuyne.In het oostelijk deel der Ooster-Schelde kunnen op zijn vroegst de oesterbankengevonden zijn in het laatst der 17eof het begin der 18eeeuw, maar in 1784 wordt voor het eerst melding gemaakt van oestervisscherij op de banken beoosten Ierseke. Oorspronkelijk was het visschen van oesters daar alleen aan visschers uit Zeeland vergund, doch in 1799 werd het recht daartoe allen Bataafschen burgers toegekend. In 1805 kwam de visscherij op de wateren van Zeeland aan het Departementaal Bestuur, in 1820 onder het Domeinbestuur, en in 1825 werd daarvoor een speciaal college in ’t leven geroepen, dat van ’t Bestuur van de visscherijen op de Schelde en “Zeeuwsche stroomen”, hetwelk nog bestaat.In 1870 werd bijK. B.bepaald, dat de natuurlijke oesterbanken van de Schelde en de Zeeuwsche stroomen aan de publieke visscherij onttrokken en in ’t openbaar in perceelen verpacht zouden worden.De vrije visscherij van oesters, zooals die vroeger bestond, nam af; na 1886 vond ze op de Ooster-Schelde niet meer plaats. Op de Grevelingen vóór het Dijkwater is ze weer opgevat. Thans kan men echter zeggen, dat al het op de Schelde en Zeeuwsche stroomen voor schelpdieren in aanmerking komende water verpacht is, met uitzondering der Wester-Schelde, waar ingevolge de regeling met België verpachting niet mogelijk is. De beste perceelen werden gepacht door maatschappijen of naamlooze vennootschappen, die zich op de oesterteelt toelegden. En daarvoor is Ierseke de belangrijkste plaats.Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.Vóór 1870 had de oester-industrie in Zeeland zich bepaald tot het visschen en rapen van oesters en het tijdelijk neerleggen op daarvoor geschikte gronden of daarvoor ingerichte putten van uit den vreemde, uit Engeland of Schotland aangevoerde oesters. Omstreeks 1850 waren er in Zeeland 5 voorname oesterputten: één te Vlissingen, één te Veere, één te Zieriksee en twee te Bruinisse. Ongeveer 200 visschers hielden zich in dien tijd daarmede bezig. Vooral van Tolen, Bruinisse en Arnemuiden uit werd in dien tijd de oestervisscherij op de Ooster-Schelde gedreven.Na 1870 was het hoofddoel der oester-cultuur meer oesters te verkrijgen, zoowelvoor den verkoop als voor de teelt van volgende jaren. De cultuur bestond in den aanvang voornamelijk in het opvangen van broed op de daartoe gepachte perceelen. Voor dat opvangen gebruikte men takkenbossen, gekalkte buizen, gekalkte dakpannen, enz.; de laatste voldeden het best. Snel breidde zich het gebruik van dakpannen op de perceelen eerst uit, doch omstreeks 1900 verminderde dit weder. Daar er genoeg broed valt op de banken en de voorwerpen, die zich van nature daarop bevinden, voldoende zijn voor de aanhechting van het broed, zijn deze dure hulpmiddelen niet meer zooveel noodig.Over ’t geheel heeft in de laatste jaren de teelt van oesters op deze banken veel van het kunstmatige verloren, daar ook de kweekbakken verminderd zijn; zij bepaalt zich tegenwoordig bovenal tot het opkorren en sorteeren van de oesters en het overbrengen daarvan naar andere perceelen, waar men een snelleren groei kan verwachten. De Iersekebank is bovenal het terrein voor het vet worden der oesters; op de Bergsche bank (Bergen-op-Zoom) valt veel broed, en zoo hebben de verschillende banken hun eigenaardigheden.De oester-cultuur heeft sterke fluctuatiën ondergaan, niet alleen in de produktie, maar ook in de prijzen. De grootsche verwachtingen van de rentabiliteit, eens dienaangaande gekoesterd, zijn niet vervuld voor de maatschappijen, die hier optraden. Daarmede schommelde ook de welvaart van Ierseke. In de laatste jaren daalden de prijzen sterk en was de vraag naar Zeeuwsche oesters minder, mede als gevolg van de slechtere hoedanigheid van het produkt. Er schijnt een overproduktie te zijn bevorderd, welke de qualiteit deed achteruitgaan. De verbetering daarvan is een belangrijk vraagstuk.Wij mogen ons hier niet langer ophouden, maar stappen weder in den trein, passeeren het Kanaal van Hansweerd naar Wemeldinge, dat in 1867 is voltooid, om de Ooster- met de Wester-Schelde te verbinden, sedert de spoorwegdam gelegd is—een recht kanaal, door hooge dijken ingesloten, dat als het ware over het land heen loopt—en reizen ineens door naar Goes, om van hier het westelijk Zuid-Beveland nader te bezoeken en te doorwandelen.In het Land van Ter-Goes.Wij bevinden ons thans in het hart van het tegenwoordige Zuid-Beveland, dat naar de stad van dien naam bij het landvolk veelal als het Land van Ter-Goes wordt aangeduid. Goes vormt hier vrijwel het geographisch centrum van het land en was sedert lang het economische- en handels-centrum van het eiland, zelfs het wetenschappelijk middelpunt van dit gebied.Het geographisch centrum van westelijk Zuid-Beveland is Goes echter nogniet zeer langen tijd. Van de steden van het oude Zuid-Beveland en van Zeeland in ’t algemeen kan wel gezegd worden, dat zij niet zijn ontstaan in het binnenland, maar aan de randen van de eilanden langs de wateren, of daar, waar een bevaarbare waterarm dieper landwaarts liep, ook verder in het land. Het oude Zeeland heeft alles aan het water te danken: zijn kracht en energie, zijn opkomst en bloei, zijn vruchtbaren bodem en zijn welvarende steden.Reimerswaal en Ierseke, evenals Goes, lagen in hun opkomst aan zee; Vlissingen, Veere en Arnemuiden eveneens en ook Middelburg had een zeehaven, gelijk mede met Zieriksee het geval was. Waar de zee zich terugtrok, vervielen de steden veelal geheel, zooals Veere en Arnemuiden ons aantoonen, wanneer niet andere bronnen van welvaart het verlies van den handel op zee konden neutraliseeren.Goes verkeert in deze laatste gelukkige omstandigheid. Hoewel thans ver van de zee verwijderd en alleen door een gegraven haven er mede vereenigd, is Goes een bloeiende plaats gebleven, de marktplaats van het eiland, de stad, waarin zich het karakter van westelijk Zuid-Beveland concentreert.Als wij de kaart beschouwen, waarop Ab Utrecht Dresselhuis den vermoedelijken toestand van Zeeland omstreeks 1200 geteekend heeft—ook de kaart, die wij overnamen, komt daar veel mede overeen—dan zien wij, dat in dien tijd het westelijk Zuid-Beveland bestond uit een groot eiland, ten westen van Ierseke, waarop in ’t noorden Goes lag aan een water, dat Wolfaertsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidde, terwijl het eiland in het westen niet verder liep dan ’s Heer-Arendskerke. Heinkenszand lag als een afzonderlijk eilandje ten westen (niet op onze kaart) en Baarland (Borland) en Borsele vormden een of meer afzonderlijke eilandjes in het zuiden.Zeeuwsche boeren op den weg.Zeeuwsche boeren op den weg.Naar het zuidwesten had al vroeg de aanzienlijkste uitbreiding plaats. Het breede water, de Zwake, dat Borsele in ’t noorden begrensde, verlandde en werd reeds vroeg bedijkt, het laatst daarvan misschien de St.-Anthoniepolder in 1516, waardoor Baarland en Borsele met Zuid-Beveland verbonden werden.Vóór deze verlanding vormde Heinkenszand een belangrijk handelspunt, omdat de scheepvaartweg van Middelburg naar Antwerpen hierlangs liep, zoodat dit dorp een bloeiend verkeer verkreeg, hetwelk evenwel door het verlanden derwateren en de daarop gevolgde inpolderingen geheel verliep en in het begin der 17eeeuw had opgehouden te bestaan.De Schenge, de Puye en het Goesche diep, die Wolfaartsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidden, bleven nog bestaan tot 1809, toen door de indijking van den Wilhelminapolder het oostelijk gedeelte van dit water werd afgesloten, terwijl in 1874 het westelijk gedeelte van den Schengepolder werd bedijkt.Op deze wijze werd het westelijk Zuid-Beveland uitgebreid door verschillende bedijkingen en aanhechtingen van omliggende eilanden, waarvan wij slechts eenige noemden, tot het zijn tegenwoordige gedaante verkreeg. Verliezen had het eiland echter ook te lijden, doch niet zoo aanzienlijk als het oosten van Zuid-Beveland.Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het Land van Ter-Goes draagt nog de sporen van die ontwikkelingsgeschiedenis op ’t gelaat; de wateren, welke vroeger de eilandjes scheidden, kan men dikwijls gemakkelijk herkennen aan de lange, smalle polders tusschen twee hooge dijken. Op vele plaatsen evenwel is die herkenning moeilijker, omdat de wateren bij gedeelten werden ingedijkt en daardoor de vorm van het oorspronkelijke water niet altijd in dien der polders bewaard bleef.Wij vangen onze wandelingen aan in de stad Goes, een vriendelijk provinciestadje met ongeveer 7000 zielen. Zeer zeker heeft de stad haar ontstaan te danken aan de nederzetting bij een sterkte, welke op den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land aan de Gosaha werd opgeworpen en later als het slot Oostende bekend was. De huizen, die in den omtrek van dat slot gebouwd werden, vormden het dorp ter-Gosaha, waaruit volgens de meening van sommige schrijvers de naam der latere stad Goes zou ontstaan zijn.Het slot Oostende (Ostende) is waarschijnlijk door een der heeren van Borselegesticht; het verkreeg zijn naam naar de ligging op het oosteinde van het eiland. In zijn bloeienden toestand had het binnen den zwaren muur van het opperhof, behalve de woongebouwen, ook nog een fraaie, met een toren versierde slotkapel.Het slot Oostende heeft een niet onbelangrijke geschiedenis voor Zuid-Beveland en herhaaldelijk werd de belegering om de zware muren geslagen, o. a. in 1300 door Jan van Renesse, toen het door de bewoners van Reimerswaal ontzet werd. Maar de meeste bekendheid erlangde dit gebouw als de verblijfplaats van Jacoba van Beieren.Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet,Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen,Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongenEn ’t ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer,Van ’t krijgstooneel gekeerd en moe van ’t roem behalen,Een stille rustplaats zocht in ’t lommer van uw zalenEn zorgde voor ’s lands bloei en zorgde voor ’s lands eer;Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stondGraaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden,En met des lijdens last tot stervens toe beladen,Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.’t Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd,In ’t vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten,Wijl ’t opgewonden volk, bij luide jubelkreten,Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.’t Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man,Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven,In ’t zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw drevenEn, hoe door ’t lot getergd, zich zalig wanen kan.’t Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond,Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen;Vrij moog’ de storm des tijds met uwe puinen spelen,En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.R. C. H. Römer.Dit slot Oostende behoorde tot de weinige goederen, die in 1428 aan de ongelukkige gravin Jacoba van Beieren overbleven. Terwijl zij hier haar verblijf hield, trachtte zij haar leed te vergeten door den omgang met den adel en het landvolk, die de gravin gaarne hulde bewezen. Zij gaf hier wedstrijden in het gaai- of vogelschieten, waaraan zijzelf deelnam, en werd soms tot koningin vanhet feest verheven. Niet alleen door de edellieden en haar deelgenooten, maar ook door een deputatie van edelvrouwen en van het landvolk, in nationale kleeding gedost, met korte jakjes en lange rokken, het hoofd met een muts of aan de zijden loshangenden doek bedekt, werden der gravin hier huldigingsgeschenken gebracht. En deze, verrukt over zooveel trouw, zooals zij maar al te weinig had gekend, beloonde hen rijkelijk: aan de ingezetenen van vijf dorpen werd vrijheid van de vlastienden geschonken, welke vrijheden steeds bleven bestaan. Het gaaischieten is op Zuid-Beveland sedert nog een geliefd volksfeest gebleven; en bij tal van dorpen ziet men nog de hooge palen verrijzen, met een “prang” en een “hoofdvogel” in het midden gekroond, die dit bewijzen. Bovenal is dit bij de Katholieke het geval.Het oude slot van Oostende ging in het laatst der 16eeeuw over aan het geslacht Van der Goes, doch na het overlijden van Adriaan Van der Goes in 1747 werd het door de erfgenamen verkocht aan den Raad van State. De zalen, die zoo dikwijls de oude edelen met hun feestvreugde in gala hadden ontvangen, werden toen bestemd voor een militair hospitaal; in het volgende jaar werd het kasteel tot stadskazerne ingericht. Doch de oude muren werden hoe langer hoe bouwvalliger en in 1750 werd besloten, het gebouw te verkoopen. De kooper sloeg tegen den ringmuur paardenstallen op en in 1751, toen een gedeelte afgebroken en verbouwd was, verkreeg de eigenaar het recht, hier bier en drank te mogen schenken aan de landlieden. Zoo was het kasteel, waaraan de oorsprong van Goes te danken is, afgedaald tot den rang van een boerenherberg.Thans is het niets anders; enkel eenige zware muurstukken in de schuur houden de herinnering aan het kasteel levendig; onder den grond moeten nog de overblijfselen van een onderaardsche gang gevonden worden. En in den hof groeit een moerbezieboom aan den muur, welke, bijna enkel schors, op hoogen ouderdom wijst, maar toch nog vruchten draagt; deze boom zou, volgens de overlevering, nog door Jacoba van Beieren zelf geplant zijn.Huis in de 15e eeuw te Goes.Huis in de 15eeeuw te Goes.Het slot moge de aanleiding geweest zijn voor het ontstaan van de nederzetting te Goes, de ontwikkeling en bloei der plaats was niet aan het kasteel te danken. Hoezeer ook het aanzien der heeren van Oostende daalde, Goes heeft daardoor weinig geleden. De stad heeft haar bloei en uitbreiding te danken als marktplaats aan de dorpen van het eiland. Minder dan de andere Zeeuwsche steden heeft Goes zijn welvaart door de ongunst der tijden of de verlegging der wateren verloren. De handel deed Goes wel bloeien, maar het was geen internationale handel, zooals voor de steden op Walcheren en in Vlaanderen; het was de handel in produkten van en voor het eiland. Het nadeel van ’t verloopen der haven kon daardoor gemakkelijk overwonnen worden. Toen dan ook die oude haven, het overblijfsel der Gosaha, in het midden der 15eeeuw dichtslibde en niet meer op “den Diepe”uitkwam, werd die gedeeltelijk vergraven; in 1651 werd eindelijk een nieuwe haven aangelegd. Ook deze werd echter door de aanlandingen van den mond weder afgesloten van het buitenwater, en toen in 1809 de Wilhelminapolder in de Schenge was afgedamd, moest het havenkanaal verlengd worden, wilde Goes niet van het buitenwater worden afgesloten. In 1810 werd deze verlenging voor de scheepvaart geopend, doch door ontgronding der sluis kwam zij eerst in 1819 voor goed gereed. Eigenlijk is die haven niet meer dan een kanaal, dat met een boog van de stad naar het noordoosten loopt naar het gehucht Sas-van-Goes, aan den mond bij de Ooster-Schelde. Niet ver van dien havenmond, enkele minuten noordelijker bij den noordoosthoek van het Oost-Beveland-poldertje, waar Zandkreek en Ooster-Schelde samenkomen, staat op een dijk een lantaarn ten dienste der zeevarenden. Den bekenden loods der O.-I. Compagnie, Frans Naerebout, wiens onverschrokken en zelfopofferend streven, om schipbreukelingen uit de woedende golven op de Zeeuwsche wateren te redden, zoo dikwijls met glansrijken uitslag bekroond en beroemd werd, zoodat Nierstrasz en Bellamy die daden door hun zangen vereeuwigden, zag men op zijn ouden dag dat licht ontsteken, totdat hij hier zijn bescheiden doch roemrijke aardsche taak voorgoed nederlegde, den 29enAug. 1818, in den ouderdom van 71 jaren.Het centrum van Goes vormt de Groote Markt, een flink, vierkant plein, door burgerlijk nette huizen omringd, zonder dat hun bouw zich door iets bijzonders kenmerkt. Aan den eenen kant verheft zich het stadhuis, een oud gebouw, dat in 1771 en volgende jaren grootendeels vernieuwd is. Aan den rechterkant verrijst een zware, vierkante toren, met een pui er voor en in een dubbelen, achtkanten koepel van hout eindigend, aansluitend bij een gebouw van later dagteekening. Deze toren werd waarschijnlijk in de 14eeeuw gebouwd, maar is in uiterlijk veel veranderd; toch doet hij nog eenigszins denken aan de belfroi’s uit de Vlaamsche steden, die zulk een grooten invloedhadden op het politieke leven. Van den toren te Goes valt dit laatste evenwel niet te zeggen; omtrent zijn invloed op de geschiedenis is weinig bekend. Aan den anderen hoek van het stadhuis verrijst eveneens een vierkante toren, met gebogen dak afnemend en in een achtkant houten koepeltje eindigend, terwijl op den gevel tusschen de torens wapens zijn aangebracht.Markt en stadhuis te Goes.Markt en stadhuis te Goes.Inwendig is de groote zaal van het stadhuis belangrijk; de door Geeraerts geschilderde grauwtjes van deze groote zaal zijn in 1874 door de Rijks-adviseurs voor de monumenten gered en met Rijks-subsidie gerestaureerd; de gemeente bracht daarna de zaal terug in den stijl Lodewijk XV.Het belangrijkste gebouw van Goes is de Groote kerk, ook wel Maria Magdalenakerk genoemd, een trotsch gebouwde, Gothische kruiskerk, die haar wedergade in Zeeland niet heeft. Jhr. de Stuers noemde deze kerk een der fraaiste en rijkst uitgevoerde monumenten der bouwkunst.De lengte der kerk is 66 meter, de breedte 52. Zij is verdeeld in vijf schepen, waarvan de buitenste tot kapellen waren ingericht, en heeft een breed, uitstekend transept, terwijl de koorsluiting wordt gevormd door absiden, waarvan de buitenste eigenaardig elk twee der schepen overspannen.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Het geheel der kerk vertoont den stijl der latere Gothiek en de beide transeptgevels vooral, in tuf- en bergsteen uitgevoerd, zijn zeer fraaie voorbeelden daarvan. Van binnen doet het ruim, met zijn fraai behakte kapiteelen en schijnbaar triforium, even denken aan deLeidsche St.-Pancraskerk. Alleen het koor heeft thans nog steenen gewelven, waarmede vroeger het geheele gebouw zeker bedekt was; die van het westelijk deel zijn ingestort bij den zwaren brand in de 19eeeuw.Vroeger had de kerk geschilderde glazen, waarvan thans niets meer overig is. Gelukkig is het gebouw beter onderhouden, ook al werd het van zijn sieraden ontdaan.Het is niet bekend, wanneer met den bouw der kerk is aangevangen, doch toen in den aanvang der 15eeeuw het westelijk gedeelte gebouwd werd, bestond het oostelijke reeds. Deze kerk werd in 1423 ingewijd. Het houtwerk brandde den 11enSept. 1618 af, doch werd van 1619–1621 hersteld. In 1578 kwam deze kerk aan de Hervormden.De toren loopt uit in een spits, welke een doorsnede van acht rozebladen vormt en niet hoog is.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18e eeuw.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18eeeuw.In de zoogenaamde wandelkerk ligt het stof bewaard van den Zeeuwschen kroniekschrijver Smallegange en een groote, blauwe steen, door de Maatschappij tot N. van ’t Algemeen hier in 1819 gelegd, wijst de rustplaats aan van den onverschrokken menschenvriend Frans Naerebout, den 30enAug. 1748 te Veere geboren en te Sas-van-Goes overleden, 29 Aug. 1818.Wanneer wij nog het Gothische huis op de Turfkade met zijn fraaien gevel uit het begin der 16eeeuw beschouwen en de fraaie pomp op de beestenmarkt met kinderengroep, door A. Vervoort, van 1774, dan hebben wij de merkwaardigheden van Goes bezichtigd. Oude, artistieke poorten heeft de stad niet meer; van 1855–1862 werden de West-, Koe-, Nieuwe-, Oost-, Donkere en Zuidpoort gesloopt.Doch al vindt men er geen buitengewone gebouwen, burgerlijk welvarende huizen, de verblijfplaatsen der neringdoenden, die in het marktverkeer een bron van bestaan vinden, ziet men in alle straten van Goes. Vooral de graanmarkt is de bloei der stad. Op de marktdagen is het er zeer levendig.Wij verlaten thans Goes en wandelen langs een veelal beschaduwden weg, die begrensd wordt door bouwlanden, graslanden en boomgaarden, naar het dorp Kloetinge, op ongeveer twintig minuten van Goes gelegen.Vriendelijk in het geboomte verscholen, doet Kloetinge zich reeds van verre als een fraai Zuid-Bevelandsch dorp kennen. De nederzetting is grootendeels uit flinke, doch eenvoudige huizen, gebouwd om een open plein, met boomen beplant en met een gemetselde waterkom of wed in het midden. Aan dit plein ziet men op het zuideind de kerk, een Gothische kruiskerk uit de 15eeeuw, met in lood gevatte ruiten, terwijl op het eind een vierkante toren verrijst, met fraaie, pyramidale spits, in een peer eindigend. De kerk is in den laatsten tijd geheel gerestaureerd. Het houten ribgewelf in de kerk is met apostelbeeldjes versierd en de beide transepten zijn met steenen gewelven gedekt. Het koor is bovenal fraai en rijk met colonnetten en een boogfries versierd. In de kerk vindt men vele oude grafsteenen. Rondom het godshuis is het kerkhof, met kastanjes beplant.Op een uur afstands van Goes ligt het dorp Kapelle. De nette, welvarende plaats is schilderachtig gelegen tusschen het zware geboomte, dat zich aan alle kanten verheft; uit de verte is zij reeds kenbaar aan haar 65 meter hoogen kerktoren, die statig uitkomt boven den heuvel van groen, waarin zich het dorp schijnt te verschuilen op de vlakte.De kerk van Kapelle dagteekent, volgens een opschrift boven den hoofdingang aan de voorzijde van den toren, uit het begin der 15eeeuw; zij vormt met den toren één geheel en is als een der merkwaardigste monumenten van dien aard in Zeeland te beschouwen.Het gebouw staat op een ruim terrein, de voormalige begraafplaats, thans met plantsoen begroeid en door geboomte overschaduwd; de richting der lengteas is naar het oosten; als bijna alle Katholieke kerken van vroegeren tijd is zij dus “georienteerd”. Het geheele gebouw werd in baksteen uitgevoerd met een spaarzaam gebruik van zandsteen; het heeft binnenwerks een lengte van 50 meter bij 17 meter breedte. De inwendige ruimte is verdeeld in drie schepen of beuken met een veelhoekig gesloten koor aan het middenschip, waaraan door den lateren uitbouw van een koepel blijkbaar een verdubbeling ten deel is gevallen. Een fraaie houten kap dekt als torengewelf het kerkruim. De geprofileerde ribben zijn versierd met rijk gebeeldhouwde figuren, vermoedelijk voorstellingen der Apostelen, onder baldakijns en steunende op karakteristiek gehouwen draagsteenen.Dit alles was tot voor kort, helaas! overdekt met een zwaar lijkkleed van witkalk en pleisterwerk, waaronder de fijnheid van het beeldhouwwerk geheel verborgen was, terwijl ook het schilderwerk er geheel onzichtbaar door werd. Ook van het blauw geschilderd plafond met gouden sterren, waarvan oude lieden in het dorp nog spraken, was niets te zien.Het kerkgebouw is thans gerestaureerd en in den ouden toestand teruggebracht, voor zoover dit mogelijk was. Van de oude beschilderde kerkramen zijn in de koren nog enkele brokstukken aanwezig, die slechts een vaag denkbeeld kunnen geven van het schoone geheel, dat hier vroeger werd gevonden.De toren, waarin zich de hoofdingang bevindt, heeft een vierkanten vorm; hij is afgedekt met een gemetselde spits en versierd met vier, mede gemetselde hoektorentjes, een constructie, die in ons land slechts zelden voorkomt, o. a. ook bij den toren der Oude Kerk van Delft. Omtrent de beteekenis dier vier torentjes, welke vroeger meer gevonden werden, zijn de meeningen verdeeld. Sommigen vermoeden, dat dit een teeken zou zijn van een moederkerk, anderen van een kapittelkerk. Ab Utrecht Dresselhuis ontdekte uit een testament van het begin der 15eeeuw, dat Kapelle de oudste hoofdplaats was van het dekanaat van Zuid-Beveland, en kwam daardoor tot de conclusie, dat de kerk als teeken harer waardigheid waarschijnlijk die bekroning draagt. In de kerk vindt men, behalve een fraaie schepenbank van 1674, nog een gedeelte der Gothische koorbanken, zeer waarschijnlijk dagteekenend uit den tijd, toen de kerk is gesticht.Verder vindt men er vele hardsteenen grafzerken, uitstekend gebeiteld, die niet alleen een bewijs leveren van den kunstsmaak in vervlogen tijden, maar tevens een bijdrage leveren voor de kennis der kleederdrachten uit het verleden.In het koor der kerk staat de graftombe van Philibert van Tuyl van Serooskerken, vrijheer van Tienhoven, heer van Maalstede, Kapelle, Biezelinge enz., overl. 1639, en van zijn echtgenoote Anna van Heer-Jansdam, overl. 1643. Deze edelman, die het slot Maalstede bewoonde, behoorde tot een geslacht, dat van 1398 af tot het midden der 17eeeuw een merkwaardige plaats heeft ingenomen in de geschiedenis van Zeeland. Op staatkundig gebied vervulde genoemde Philibert van Tuyl een belangrijke rol; W. te Water rekent hem onder “de Zeeuwen, door geleerdheid lofwaardig” en prijst zijn “weergalooze wetenschap in de kennis van vaderlandsche en Zeeuwsche zaken”.Op het twee meter hooge, fraai bewerkte voetstuk der tombe ligt een zware dekzerk, waarop in relief, tusschen de familiewapens en zestien kwartierschilden, de levensgroote beelden van den ridder in zijn wapenrusting en van zijn echtgenoote in een deftig, lang gewaad. Waarschijnlijk is dit grafgesteente door een Antwerpensch beeldhouwer gebeiteld. Het werk werd met veel zorg en nauwkeurigheid en in edelen stijl uitgevoerd.Jaren lang had dit alles aan verwaarloozing ten prooi gestaan, en wat de grafschenders van 1798 waren begonnen, had de tijd voortgezet. Gelukkig trok de Commissie uit het Zeeuwsch Genootschap, belast met de zorg voor het opsporen en bewaren der oude gedenkteekenen, zich dit werk in 1876 aan, en door den steun van Mr. W. R. baron van Tuyl van Serooskerken en Zuylen te Zuylen bijUtrecht werd het geheel gerestaureerd, zoodat het weder prijkt in vollen luister.Het kerkplein te Kapelle is aan alle zijden omringd door welvarende, doch eenvoudige burgerhuizen, welke geen opmerkenswaardigheden aanbieden, evenmin als het overige van het dorp. De vraag moet echter onwillekeurig bij den bezoeker van Kapelle oprijzen, waaraan dit landelijk dorp een zoo prachtig kerkgebouw te danken heeft? Om dat te verklaren, moeten wij ons terugdenken in de geschiedenis van deze plaats. Het thans zoo landelijke Kapelle, enkel bestaande van den landbouw, had in de 14eeeuw reeds bloeiende lakenweverijen, welke den naijver der Goesche burgers opwekten en, door hun concurrentie gedrukt, in den tachtigjarigen oorlog te gronde gingen. Kapelle is sedert een landbouwersdorp geworden, maar de kerk kan nog als een monument van dien vroegeren rijkdom beschouwd worden.Ten noordoosten van Kapelle lag oudtijds het kasteel Maalstede of Maelstede, dat voor een der oudste kasteelen van het eiland gehouden werd en van omstreeks het jaar 1200 moet dagteekenen. Het was een zwaar, vierkant gebouw, van voren met een voorhof en op den noordwesthoek een torentje, terwijl het van binnen voorzien was van ruime zalen en vertrekken; het was omringd door grachten en plantages. In het laatst der 18eeeuw werd dit inmiddels vervallen kasteel afgebroken.Verder noordoostelijk, nabij het kanaal van Zuid-Beveland en aan de Schelde, ligt het dorp Wemeldinge, een fraaie, in dicht geboomte verscholen plaats, hoofdzakelijk bestaande uit een lange straat. Het dorp wordt veel door schilders bezocht. Oudtijds verhieven zich in deze plaats een adellijk nonnenklooster en een convent der Tempelieren, later een bezitting der ridders van St. Jan. Het inwendig gerestaureerde oude kerkje is schilderachtig gelegen aan het eind van het dorp, op een iets hooger terrein; het bezit fraaie gestoelten en bewerkingen.Van Kapelle naar het zuiden wandelende, bereiken wij op korten afstand het dorp Biezelinge. Thans is Biezelinge een lief, eenvoudig plaatsje met een net kerkje. Eens was het een niet onbelangrijke havenplaats. In de nabijheid van het dorp lag vroeger het rijk begiftigde nonnenklooster Jeruzalem.Onze plaatsruimte laat niet toe, alle flinke dorpen van Zuid-Beveland te beschrijven of de bijzonderheden er van op te sommen. Wij wijzen hierop, om niet de gevolgtrekking uit te lokken, dat alleen de door ons genoemde dorpen een bezoek waard zijn. Men vindt er nog vele, die dit voorrecht deelen. Wij zouden kunnen wijzen op den schoonen Wilhelminapolder, die langs een prachtigen, door olmen belommerden weg langs de haven van Goes te bereiken is, waar met merkwaardige zorg delandbouw gedreven wordt en schier geen voet gronds verloren gaat, een vriendelijk tooneel van genoegelijkheid en welvaart, dat u tegenlacht.Hier, waar eens vloed en ebbe vielBij ’t ruischen van de breede baren,Daar schiep de kunst, door ’s menschen hand,Een zee van gouden korenarenRond golvend over ’t vruchtbaar land.Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Doch wij moeten ons vergenoegen met een algemeen beeld van den indruk, dien het Land van Ter-Goes maakt op den bezoeker. En dat beeld valt uit zeer ten gunste van dat gewest.Holland prijz’ zijn klaverweiden,Roeme op ’t zuivelrijke gras,Zeeland, van dat erf gescheidenDoor een woesten waterplas,Uit uw slibben, uit uw stroomen,Beurt gij, als Neptunus’ bruid,Die de baren kan betoomen,’t Hoofd ter groene golven uit!Niet, als van uw nageburen,Welig, rijk Zuid-Beveland!Schonk natuur u steile muren,Duinen van onvruchtbaar zand;Neen, o neen! maar kunst van dijken,Die u van rondom beschermt,Woekerde uw zoo vruchtbre slijkenUit de Scheld, die u omarmt.O, Zuid-Bevelandsche beemden,Vruchtbaar zonder wederga,Dat u ’t starend oog der vreemdenDiep getroffen gadesla.Zooveel duizenden gemeten,Trotsche bosschen, goudgeel graan,Staart uw dankbre ingezetenJaarlijks met verrukking aan.Dat uw hooge, breede dijken,’t Bolwerk tegen ’t golfgeweld,Vrij met trotsche boomen prijken,Spieglend zich in zee en Scheld.Zij verschuilen, zij omvattenMeekrapstoven, schuren vlas,Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten,De oogst en kiem van ’t veldgewas.Zij omvatten dorpen, steden,Lustwaranden, groot en schoon,Landbouwrijkdom stemt de zedenOp een gullen, lossen toon.Boeren, die geen reuzen wijken,Met boerinnen, rond en frisch,Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijkenKracht en vuur te trekken is.Kracht en vuur, die niet ontaarden,Schenkt hier de ijzerharde grondAan de forsche, breede paarden,’t Kouter scheurend door de klont;Of die ons in zomertijden,Onder lachen en gestoei,Door de gouden kamers rijden,Waar het lijnzaad staat in bloei.Aldus bezong een beschrijvend dichter, wiens naam ons onbekend is, in 1843 den roem van het toenmalige Zuid-Beveland. En niet ten onrechte.Al vindt men hier geen afwisseling van terreinen, de eentonige vorm van het landschap wordt allerwegen afgebroken door hooge dijken, zware bolwerken, die het krachtigste getuigenis afleggen van den strijd om ruimte, door den mensch tegen de wateren gestreden, terwijl de meeste wegen met rijen zwaar iepengeboomte beplant zijn. De ruimten binnen die dijken wordt ingenomen door uitgestrekte akkers, waarop uitstekend graan golft, waar vroeger meer het vlas zijn zachtblauw bloempje deed schemeren en waar in den laatsten tijd de bietencultuur in den zomer het geel van de tarwe met het donkergroen doet afwisselen. En daartusschen liggen de landhuizen verspreid: flinke gebouwen met hooge schuren om het graan te bergen en meestal door boomen omgeven, terwijl zoo hier en daar aan de dijken of meer in de polders de kerktorens hun spitsen uit het geboomte, dat zich in de dorpen verheft, ten hemel beuren. Schilderachtige partijen, wel niet door forsche lijnen, maar door huiselijkheid en vriendelijkheid uitmuntend, vindt men er vele. Onderscheidene dorpen worden dan ook veel bezocht door schilders, zelfs uit het buitenland, die in den kleurentoon en de lichteffecten van het land en zijn wateren de inspiratie voor hun schoonste scheppingen vinden. Een dergelijk dorp is o. a. Wemeldinge, gelijk wij zeiden.De schoonste tijd, om Zuid-Beveland te bezoeken, is de lente, als het weder gunstig is en het nieuwe leven over het land is ontwaakt. Dan geuren hier bloeiende meidorens in menigte; dan zijn de weilanden frisch en groen; op de akkers golft het koolzaad als een heldergeel kleed, geweven uit duizenden kruisbloempjes, en de boomgaarden zijn in hun rozigen feesttooi gehuld. Indien tijd wordt overal het woord van den genialen Goesenaar, Johannes Antonides, bevestigd:De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwdEn ’t veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.Vroeger bood het landschap van Zuid-Beveland nog meer afwisseling aan. Toen was ook dit eiland met tal van kloosters en kasteelen overdekt, die door hun statigen bouw en boschrijke omstreken de schoone tegenstellingen verhoogden. Wij noemen enkele. Goes had zijn slot Oostende, Heer Hendrikskinderen zijn slot Huis te-Werf; ’s Heer Arentskerke had een stout kasteel, dat uit het water oprees; men vond kasteelen of ridderhofsteden te Baarsdorp, Baarland, Heinkenszand, Nisse, Kloetinge, Kapelle, Ellewoudsdijk en elders.Doch met den adel zijn ook de kasteelen op Zuid-Beveland alle verdwenen; het is een eiland met boeren bewoners, waar Ceres den schepter voert, dien zij Neptunus ontworsteld heeft. Groote buitenverblijven vindt men zelfs op Zuid-Beveland niet meer; hier woont een ijverig arbeidende bevolking, die in de bewerking van den vruchtbaren bodem haar bron van welvaart ziet. Zuid-Beveland wordt dan ook de “korenschuur van Zeeland” genoemd, een naam, die niet onverdiend is, omdat de bouwlanden hier de beste van Zeeland zijn, de landen er veel opbrengen. De Bevelander, die wel de heerlijke atmosfeer der zandgronden miste, vond in de rijke opbrengst des lands een ruime schadeloosstelling, en drukte dat spreekwoordelijk uit: “Brabantsche lucht, maar Zeeuwsche renten”.Verder draagt Zuid-Beveland roem op zijn uitstekende boomkweekers. Den eerenaam “Paradijs van Zeeland” heeft het zeker mede te danken aan de rijke boomgaarden met heerlijk ooft, die men hier vindt, terwijl de vriendelijke, schoone vrouwen uit het Land-van-ter-Goes de gedachte aan het Paradijs nog versterken. De volkseigene kleeding wordt in deze streken nog het meest bewaard en wekt algemeene bewondering.De kleeding in het land van Goes kan als de meest schilderachtige van geheel Zeeland beschouwd worden; vooral bij de vrouwen is zij het best in stand gehouden. Zij gevoelen het, dat in hun costuum iets bekoorlijks, iets verhevens ligt, hetwelk aan hooger komaf doet denken, iets adellijks met een stamboom in het verre verleden wortelend, en leggen daarom de nationale kleeding niet af, wanneer zij in den vreemde gaan. De dienstmeisjes uit het Goesche in Den Haag, waar zij veel voorkomen, en in Amsterdam, waar slechts enkelen zijn, trekken de aandacht; niet de nieuwsgierige aandacht, welke den lachlust opwekt, zooals bij den grootstedeling te licht geschiedt, als hij den provinciaal in eigen dracht aanschouwt, maar de eerbiedige aandacht, die tot bewondering stemt voor het schoone en aristocratische, dat er uit spreekt.Wij willen hier tot afwisseling in ons reizen en trekken een kleine geschiedenis verhalen, welke duidelijk bewijst, hoezeer de Zuid-Bevelandsche meisjes in hun nationaal costuum de aandacht van vreemdelingen boeien. Het verhaal, dat waar is, betreft niemand minder dan Keizer Napoleon I. Deze bracht den 11enMei 1810 een bezoek aan den Zuid-Bevelandschen polder “Zuid-Kraaijert”, van welken polder uit de Franschen, na den terugtocht der Engelschen naar Walcheren in 1809, dikwijls, doch vruchteloos gepoogd hadden, de vijandelijke schepen uit het Sloe te verdrijven. Napoleon wilde zelf deze plek zien en had het déjeuner besteld in een hofstede, destijds bewoond door Nicolaas Willemse Honderd. Toen het déjeuner, dat in Goes was klaargemaakt, helaas! niet op tijd gebracht werd en de groote Keizer op het punt stond, gramstorig uit te barsten, wierp hij een blik op de 17-jarige dochter van den boer. Haar lief gezicht en vorstelijk Zeeuwsen costuum deden de zwarte wolk bij den machtige spoedig verdwijnen en hij beval, dat er dadelijk eieren gekookt, boterhammen gesneden en koffie gezet moest worden, maar wijl het eten nu toch op zijn boersch was, wilde de Keizer ook door een boerin bediend worden en wel door de dochter des huizes.Spoedig was het bestelde gereed en de Keizer knoopte een gesprek aan met het jeugdige boerinnetje, dat door de Fransche troepen, die hier gelegen hadden, een weinig Fransch kon spreken.Het eerste, wat de belangstellende Keizer haar vroeg, was, of zij getrouwd was. Toen het antwoord ontkennend luidde, volgde de vraag, of zij al een vrijer had? Het meisje lachte schuchter, zooals gewoonlijk met boerenmeisjes bij dergelijke vragen het geval is, en toen de Keizer aanhield, bekende zij, dat haar hart niet meer vrij was. “Dat had ik wel gedacht,” zei Napoleon en streek het boerinnetje over de wang, “gij zijt een veel te knap meisje, om niet gevrijd te worden”. “Maar,” hervatte hij verder, “laat dien vrijer loopen en ga met mij mede naar Parijs; ik zal goed voor u zorgen.” Ofschoon Napoleon dit bij herhaling vroeg en het meisje reeds bijna bezweek voor dat schitterend aanbod, bleef zij toch op het eiland: haar ouders konden niet met het plan instemmen. Toen Napoleon echter vroeg, waarom zij niet huwde, antwoordde het boerinnetje, dat haar minnaar nog geen middel van bestaan had. Napoleon was zoo getroffen door het bekoorlijke gezichtje, dat hij haar vroeg, wat er aan ontbrak. Zij vertelde hem, dat dit ongeveer ƒ 300 ’s jaars was. “Welnu,” antwoordde de Keizer, “gij moogt wel iets hebben, omdat gij ons goed bedient.” Napoleon beloofde nu het meisje, haar jaarlijks ƒ 300 te zullen uitkeeren en als zij getrouwd was het dubbele, terwijl hij haar als handgeld twee dubbele gouden Napoleons schonk.Werkelijk moet dit meisje als loon voor haar vriendelijk optreden bij den Keizeren voor haar bekoorlijkheid het eerste jaar dit bedrag hebben ontvangen, doch de val des Keizers deed het jaargeld spoedig voor de Zeeuwsche schoone verloren gaan.De Zeeuwsche costuums te beschrijven is voor een niet-Zeeuw, ook al heeft hij hun land in alle richtingen doorkruist en veel met het volk omgegaan, een moeielijke taak, vooral waar de costuumkunde niet tot zijn eigenlijke studie behoort. Doch door het gelukkig denkbeeld der Zeeuwen, om bij het bezoek vanH.H. M.M.de Koningin en de Koningin-Regentes op 21 Aug. 1894 aanH.H. M.M.de echt nationale kleederdrachten te toonen en in een beschrijving te verduidelijken, een boek, waarvan slechts weinige exemplaren gedrukt werden, zijn wij in staat, hieraan een en ander te ontleenen, dat betrouwbaar is en op nauwgezette kennis berust. Aan Dr. J. C. de Man, den kenner van Zeeland, hebben wij de beschrijving der tegenwoordige kleederdrachten te danken, aan den heer J. A. Frederiks een inleiding over het historisch costuum, en beiden zullen wij dankbaar raadplegen.In de eerste plaats een korte schets van het Zuid-Bevelandsche vrouwencostuum en de versiering. Onmiddellijk wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vierkante gouden platen of boeken, hier stikken genoemd, de Zeeuwsche naam voor stukken, welke aan beide zijden van het voorhoofd iets boven de oogen schuin uitsteken, terwijl hooger, aan beide zijden van het kuifje veelal zwarte haar, dat, op het voorhoofd naar achter omgebogen, iets onder de muts uitkomt, gouden bollen zijn aangebracht. Deze platen, die soms wel zes c.M. hoog en vier breed zijn, worden aan een hoepel om het hoofd bevestigd, een echte, oude haarband.Over een nette, witte ondermuts draagt de Goesche een buitenmuts van doorzichtig borduurwerk, die breed uitstaat terzijde van het hoofd, aan de kanten rond afloopt en van voor en achter den fijn gevormden hals goed laat zien, terwijl ook het gouden slot met de kralen duidelijk zichtbaar zijn. Die mutsen met gouden stukken geven aan de Goesche vrouw een schilderachtig, voornaam voorkomen en de breede, uitstaande kanten zijn uitingen van een levenslustig karakter, waardoor de vroolijke meisjes uit het land van Goes zich van de meer stemmige op Walcheren onderscheiden. Ook kan men aan den vorm en grootte der mutsen in het Goesche een verschil vinden bij Protestanten en Katholieken. De laatsten hebben grooter muts met langer, op de schouders afhangende kant, meer vierkant afgesneden.Ter zijde van de muts zit gewoonlijk van achteren een gouden haarknop of parel. Deze “gouden paerde”, zooals de naam luidt in de taal der bevolking, d. i. parelspelden, zijn òf effen, òf gewerkt; er behooren in den regel nog kleine cantille spelden bij. Hierin is geen verschil bij Roomschen en Protestanten.De hoed moet passen bij de muts. Vroeger droegen de vrouwen hier schelphoeden,die veel sierlijker waren dan die van Walcheren. Zij hadden strooien randjes en een bol met velerlei lint. Doch die ziet men thans niet meer. Ook de hedendaagsche hoed op Zuid-Beveland, die voor een halve eeuw algemeen was, wordt weinig meer gedragen, omdat men dien ouderwetsch vindt. Toch bezitten de meesten een hoed. Hij is van fijn stroo, en evenals de geheele kleeding zwieriger dan de Walchersche; aan den rand is hij omzoomd met een strooien biesje van roosjes of pikkeltjes; de voering is fijn en niet altijd blauw en op den hoed zelf zijn onderscheidene rosetten, of, zooals men ze noemt, kransen van stroo, die men als navolging ook vindt in het Walchersche Nieuwland, maar niet op Walcheren zelf. Het eigenaardige van den Zuid-Bevelandschen hoed is, dat er noch van voren, noch van achteren linten aan zijn, iets, waarvan men op Walcheren juist veel werk maakt. Wil de wind zich van den hoed meester maken, dan moet men hem met een speldje vaststeken.Bij deze mutsen behoort ook de overige kleeding iets levendigs te hebben. Daartoe leent zich de schilderachtige doek, om de schouders geslagen, welke aan den voorkant een driehoekige beuk voor de borst openlaat, eveneens met een gekleurden doek bedekt en omhangen met een kantvormige versiering van gekleurde kralen. De bijna geheel bloote armen passen bij dit costuum en verhoogen de aantrekkingskracht der Goesche schoonen.Een eigenaardigen indruk maakt de Goesche vrouw met deze kleederdracht in het landschap. Altijd ziet men haar met de blinkende gouden stukken; melkmeisjes ziet men in de weide de koeien melkend, terwijl de gouden platen van verre schitterend uitkomen in het licht der dalende avondzon, als waren zij feeën afgedaald naar het lage land aan den mond der Schelde. Hier komen ons de woorden van Cats voor den geest, die de Zeeuwsche “jonckvrouwen” tot half bovenaardsche verschijningen verhief, toen hij schreef:Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten,(Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten)Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant,Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant;Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachtenEen onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten,Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesichtEen droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.De vrouwen hebben hier nog het best hun nationale dracht bewaard; die der mannen is meestal opgelost in de algemeene, maar toch zien wij nog enkelen in een landskleeding, zij het ook reeds verzwakt in bijzonderheden. Het typische oude hoofddeksel van den Zuid-Bevelandschen boer is een lage, bolvormige hoed met naar achter omgeslagen rand, een type, dat reeds in de 13eeeuw werdaangetroffen. De hoed is niet effen, maar wollig, vooral in de duurdere soorten, en dat wollige en pluizige staat goed en doet den Goesenaar dadelijk herkennen. Men kent hem ook aan zijn twee zilveren broekstukken; zij zijn niet, als de Walchersche, bezet met het wapen van Holland met de leeuwen, maar keurig bewerkt met glinsterende punten en vlokken, zoodat ieder ze mooier vindt. De Katholieke boeren gaan evenals de anderen gekleed; alleen kan men de verschillende gezindten leeren kennen door een wijziging van voren aan den hoed.Wat heeft aanleiding gegeven tot dit verschil van kleeding tusschen Katholieken en Protestanten? Bij de eersten heeft het kleurrijke steeds meer geheerscht in de kerken, werd het schoone meer gehuldigd. De kleederdracht der Goesche vrouwen dagteekent ongetwijfeld uit den tijd vóór de Hervorming. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de Katholieken zich hier uit Brabant later gevestigd hebben. Zij namen het schilderachtige costuum over, dat met hun aard niet in strijd was, maar wijzigden dit eenigszins naar hun smaak en zoo bleef het verschil bestaan. Wij erkennen echter, dat dit slechts een veronderstelling is.Noord-Beveland, Schouwen, Tolen en Duiveland verschillen in kleeding van Goes en Walcheren en sluiten zich alle nader aan bij de Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Noord- en Zuid-Beveland, hoewel sedert negen eeuwen den naam van “Beveland” dragend, hebben een verschillende bevolking, hetgeen blijkt uit lichaamsvorm, gewoonten, uitspraak der woorden en ook uit de kleeding. Op eerstgenoemde eilanden hebben de boeren echter meest hun nationale kleeding afgelegd; alleen de vrouwen hebben de nationale staartmutsen bewaard. Slechts kleine variaties komen daarin voor op de verschillende eilanden. Zoo is de “Schouwsche” of “Toolsche muts”, gelijk men haar noemt, op Noord-Beveland meer vierkant, elders meer rond. Het algemeen model is een ronde bol met daaromheen een rijke kant, die op Tolen weer anders is dan op Noord-Beveland. Zij ligt over de schouders en een deel van den rug, niet stijf, maar zwierig met plooien en golvingen.Aan beide zijden van het hoofd worden spiraalvormige krullen gedragen op deze eilanden. Die krullen zijn op de Zuid-Hollandsche eilanden het grootst, op Schouwen, Duiveland, Tolen en Noord-Beveland kleiner. De kleine Schouwensche krul is, evenals de Walchersche, misschien nog een overblijfsel van het volk, dat in lang vervlogen tijden de kust van Schouwen bewoonde.Onderscheidene oude gewoonten en gebruiken hebben op Zuid-Beveland lang standgehouden. Nog voor weinige jaren werd in Juli, als de “zaedoest” (zaaddorsch) daar was, waarbij vrouwen en meisjes de “stukken” naar het zaaddorschzeil droegen (zie een afbeelding bij Walcheren), dat op het veld werd uitgespannen, en de mannen met forschen, gezwinden maatslag “de vlui” hanteerden,na afloop van het werk de “Meie” gevlochten, een krans van groen en bloemen, die door een paar jonge meisjes, gevolgd door een joelenden hoop, naar den baas werd gedragen “om hem met den geëindigden dorsch” geluk te wenschen, waarop een feest volgde. Handboog- en gaaischieten behooren hier nog tot geliefde uitspanningen, waarbij de koning gekroond wordt. In elk Zeeuwsch dorp bijna vindt men de “klapbank”, een plaats onder een linde of een afdak, waar de dorpsjongens ’s avonds, na afloop van den arbeid, samenkomen om te praten en allerlei nieuwtjes te bespreken; als het mogelijk is, vindt men die tegenover de smidse, waar het helder vlammende vuur in den donker licht werpt op de verzamelplaats.Eigenaardig zijn de dorpsjongelingen-vereenigingen, een soort van jongelieden-gilden, met een bestuur en bijeenkomsten, soms ook terloops op de “klapbank”, en door wie de zaken van algemeen belang voor ’t jonge volkje geregeld worden. Wanneer een jonkman uit een naburig dorp komt, om een meisje te vrijen, zal de jongelings-vereeniging zich daarmede bemoeien, en de huwelijkskandidaat wordt niet toegelaten, vóór hij van haar toestemming heeft verkregen, een toestemming die gemakkelijk gekocht kan worden tegen een tractatiegeld.Een schaduwzijde van de maatschappelijke toestanden op vele Zeeuwsche eilanden is, dat rijke Belgische heeren hier eigenaars van groote boerenplaatsen trachten te worden, zoodat de Zeeuwsche boeren voor een groot gedeelte pachters zijn. Die vreemdelingen, “poepen” genoemd, ziet men niet gaarne; als uitlanders deelen zij niet in de lasten en staan zij in geen nauwe betrekking tot hun pachters, zoodat het hun eenige doel is, van de “Zeeuwsche renten” te profiteeren.Wij zetten thans ons tochtje voort naar het eiland Walcheren.
V. Zuid-Beveland.Wie met den spoortrein van Bergen-op-Zoom naar Goes reist, volgt eerst korten tijd in zuidelijke richting den hoogen landzoom, waarmede Noord-Brabant aan Zeeland grenst. Doch na weinige minuten verlaat de spoorweg het afwisselende, heuvelachtige gebied der diluviale zandgronden, en wanneer men op eenigen afstand links op een hoogte het schilderachtige kerkje van Woensdrecht op een heuvel ziet liggen, buigt de weg zich naar het westen. Binnen weinige oogenblikken bevinden wij ons daarna op den spoorwegdam, die sedert 1867 de Ooster-Schelde van de Wester-Schelde afscheidt en Zuid-Beveland met het vasteland heeft verbonden.De dam, die bij den aanleg nog te midden van de wel is waar ondiepe wateren lag, wordt thans aan beide zijden reeds ingesloten door uitgestrekte gorzen, met gras en zeekraal begroeid, welke alleen bij hoogen vloed onder water komen en op verderen afstand overgaan in de naakte slikken, glibberige grijs-zwarte banken, die bij de eerste eb in de zon glinsteren door den vochtigen slijkbodem en de plassen, welke er overal op verspreid liggen. Eentonig, zonder eenige verheffing, effen als de waterspiegel, terwijl geen boom of hooge plant zich hier vertoont, breiden de gorzen zich uit in de Ooster-Schelde. Alleen wordt de effene oppervlakte afgebroken door kronkelende waterloopen, die in zonderlinge bochten door de gorzen slingeren en met steile oevers er enkele voeten diep in doordringen. Deze riviertjes zijn ontstaan en worden onderhouden door het afloopende ebwater, dat na hooge vloeden wegloopt van de gorzen, doch bij de na-eb zijn zij veelal zoo goed als droog. Het vee en de schapen, die op de gorzen weiden, moeten hierop letten en, als de vloed opkomt, op de hoogste gedeelten of op de dijken van het land een toevluchtsoord zoeken.Van de hoogste aanslibbingen, de gorzen nabij het land van Noord-Brabant, zijn er reeds onderscheidene ingepolderd ten zuiden van den dam, die door dijken bij het land werden gevoegd. Ten noorden van den dam gaat de landaanwinst niet zoo snel voort, sedert de Schelde geen slibstoffen meer aan de Ooster-Schelde toevoert na het leggen van den dam.Hoewel de aanslibbing langs de Ooster-Schelde thans zeer gering is, zienwij toch uit den trein, die in het eerst dicht langs den noordelijken dijk van Zuid-Beveland loopt, dat zich hier groote platen uitbreiden in de Ooster-Schelde, welke bij hooge vloeden geheel wegduiken onder de wateren.Het gebied, dat wij daar vóór ons zien liggen, een slijkvlakte van twee uren breed en ongeveer vier uren lang, is, helaas! een terrein, waarop de mensch in zijn strijd tegen de natuur een nederlaag heeft geleden; hier heeft vóór eenige eeuwen de zee tegen de Zeeuwen een slag geleverd, waarbij zij met zware verliezen werden teruggedreven, om eerst daar stand te houden, waar zich thans de hooge dijk verheft. Buiten dien dijk ligt het “Verdronken land van Zuid-Beveland”, zooals de kaarten het aanduiden, en daar ver over de watervlakte, op niet grooten afstand van de kust van het eiland Tolen, op de Speelmansplaat, liggen de fondamenten van de oude stad Reimerswaal. Op de ruïnen van dit vernielde landschap oefent de Iersekesche oestervisscherij thans haar bedrijf uit.Groote veranderingen hebben op dit oostelijke, smalle gedeelte van Zuid-Beveland plaatsgegrepen in den loop der eeuwen. In geen gedeelte van Zeeland is zooveel land aan de golven ten offer gegeven, dat nooit herwonnen werd, als hier. Omstreeks het jaar 1200 had het land in het oostelijk gedeelte een uitbreiding naar het noorden ongeveer tot een rechte lijn, welke men van Bergen-op-Zoom naar Wemeldinge kan trekken. Ook naar het zuiden was Zuid-Beveland destijds veel breeder en in het oosten was het eiland door een arm van de Schelde van Noord-Brabant gescheiden.Dit gedeelte van Zuid-Beveland, ten oosten van Ierseke, heette oudtijds Oostwatering of “beoosten Ierseke” en het overige Westwatering. Het oude Oostwatering was geheel een polderland, bestaande uit afzonderlijke bedijkingen, welke aan elkander sloten.Wie voor een viertal eeuwen stond op een hoogte bij Ierseke en naar het oosten blikte, zou daar op korten afstand vóór zich den toren van Kouwerve en van Duivenee hebben zien verrijzen, en verderop de spitsen van het klooster Mariënhof, de torens van Nieuwerkerk, den ouden en sterken ridderburcht Lodyke, die met de heerlijkheid aan een der heeren van Reimerswaal behoorde.Nog verschillende andere dorpen zouden hier van verre in het vruchtbare land gezien zijn geworden, als: Machole, Broecke en Kreecke; Steenvliet, Everwaarden, Schaudee, Nieuwlande, beide laatstgenoemde met bevoorrechte jaarmarkten begunstigd en met een voor die tijden niet onaanzienlijken handel, en andere. Maar wie het land beschouwde met helderen blik, zou er met groote bezorgdheid vele meer of minder diepe kuilen en plassen in den bodem bemerkt hebben. Dat waren de veengaten, waaruit de zoutbranders het zoutveen hadden gegraven, om dit te branden, en die om de voordeelen van het zout den bodem vernielden.De belangrijkste plaats in dit landschap was Reimerswaal of Romerswaal, eenbelangrijke stad, aan de toen nog niet breede Ooster-Schelde gelegen, tegenover Schakerloo op Tolen, waarnaar een overzetveer bestond. Reimerswaal was een oude stad, omtrent welker ontstaan echter niets bekend is, en werd als een der voornaamste steden van Zeeland beschouwd. In 1374 werd Reimerswaal door Hertog Albrecht van Beieren omwald, waarna de voorrechten, door onderscheidene graven aan de stad verleend, aan de burgers een aanzienlijke welvaart deden toevloeien. In 1315 had de stad het voorrecht verkregen, dat alle goederen, die van Zeeland naar Brabant of omgekeerd werden vervoerd, te Reimerswaal ter markt gebracht moesten worden. Rudolf van Diepholt, de 53ebisschop van Utrecht, schonk in 1449 aan de stad Reimerswaal het kerkelijk rechtsgebied over geheel Zuid-Beveland.Die weelde bracht de bevolking telkens tot overmoed. In 1454 overviel en verdreef zij zelfs de regeering uit de stad, en voor dit misdrijf werd haar door den stadhouder Karel van Bourgondië alleen na voldoening van zekere boete vergiffenis geschonken. De burgers moesten, volgens berichten, barrevoets en blootshoofds in hun hemd zich voor den Stadhouder verootmoedigen.Steeds nam Reimerswaal nog toe in bloei en vermeerderden zijn voorrechten. Maria van Bourgondië schonk de stad verschillende privilegiën, in 1477 o.a. dit, dat de dijkgraven van Oostwatering altijd in deze stad moesten wonen. Karel V vergunde der stad, dat de schepenen er dagelijks recht zouden spreken, in plaats van driemaal per week, wat voorheen het geval was, ten gerieve van den grooten toevloed van kooplieden. In 1559 ontving Filips II als graaf van Zeeland in Reimerswaal nog de hulde van dit gewest, welke huldiging volgens sommige schrijvers steeds in deze stad zou zijn geschied.Maar dreigende machten stormden weldra te vuur en te water los op het rijke Reimerswaal en zijn omstreken. Een vreeselijke brand had reeds in 1520 meer dan 300 huizen en pakhuizen in de stad vernield. Toch herstelde de koopstad zich spoedig weder.Maar daarna kwam de vreeselijke overstrooming van 1530. De Novemberstorm van dat jaar joeg de wateren der zee op in de Zeeuwsche monden en over bijna geheel Zeeland, maar ook elders hadden zware overstroomingen plaats. Het vreeselijkste lot trof Zuid-Beveland, dat bijna geheel onder water werd gezet. Het binnenstroomende water vernielde het door het uitmoeren reeds half verwoeste land geheel, en in het noordoosten bleef alleen Reimerswaal met een poldertje, gezamenlijk door een eigen dijk ingesloten, als een afzonderlijk eilandje gespaard. Bijna al het overige land van Oostwatering ging geheel te loor.Reimerswaal zette helaas! zijn zoutbranderij nog voort, waartoe de “wilde moer” bij de stad het veen leverde, en had in 1541 nog vele zoutketen, waar zout werd bereid.Door dit landvernielen werd de algeheele ondergang van het laatste overblijfsel lands in het verdronken land bevorderd. De beide watervloeden van Januari en Februari 1551 vernielden den dijk en deden het poldertje bij de stad, als ook de stad zelf, onderloopen. Wel werden de dijken weder hersteld, maar in 1555 had er nogmaals een overstrooming plaats, waardoor de polder om de stad verloren ging. Reimerswaal was thans niet meer dan een stad-eilandje, welks muren reeds onmiddellijk door water werden ingesloten. De stormvloed van 11 en 12 Januari 1557 tastte de stad zelf opnieuw aan; de poorten en muren werden vernield, de plaats liep onder, en de meeste huizen, benevens het stadhuis, kerken en kloosters, bezweken voor de kracht der woedende golven. Slechts weinig bleef van deze aanzienlijke stad gespaard en dit laatste werd nog te gronde gericht door een fellen brand in het volgende jaar.Toch hield een gedeelte der bewoners nog stand, worstelende tegen de elementen. Maar nadat de watervloeden van 1561 en 1563 de overgebleven stadsgedeelten weder geteisterd hadden, drongen de bewoners aan op hulp bij de Staten van Zeeland en den Prins van Oranje. Men beschouwde echter den toestand van Reimerswaal als onherstelbaar; de bewoners moesten zich redden, zooals zij konden, en toen in 1573 Zeeuwsche krijgsbenden het laatste overblijfsel der stad belegerden, innamen en vervolgens, wijl de stad niet meer tegen de Spanjaarden te verdedigen was en zij haar evenmin aan den vijand in handen wilden laten vallen, in brand staken, was het lot van Reimerswaal voorgoed beslist. De plaats werd in 1574 geheel ontmanteld; de bewoners, verarmd en ontmoedigd als zij waren, verlieten de sombere plek, die steeds door overstrooming bedreigd werd; de regeering der plaats deed vrijwillig afstand van den rang der stad, die niet meer onder de vijf goede steden verscheen op de statenvergaderingen der provincie, en er bleven slechts enkele visschershuizen over in de verlaten stad, een ruïne te midden der golven.De overgebleven burgers hielden stand tot 1631, toen een 4000-tal Spaansche soldaten, die bij een sloepgevecht op het verdronken land van Zuid-Beveland gevangen genomen waren, op Reimerswaal waren gebracht, om daar bewaard te worden. Bevreesd voor den overlast van het krijgsvolk, vertrokken de laatste bewoners uit de stad, die hun niets meer aanbood. Zij vestigden zich meest in de stad Tolen, waar zij zich nauw aan elkander sloten en lang een afzonderlijke volksgroep vormden, die allengs opging in de Tolenaars. Hoofdzakelijk vonden zij hier in de mosselvangst een bron van bestaan.Spoedig ging Reimerswaal nu geheel te gronde. In 1634 werden de straatsteenen door de Staten bij openbare veiling verkocht voor 1081 gulden, welk bedrag onder de schuldeischers bij preferentie verdeeld werd. Daarmede was de eens zoo roemrijke stad, waarvan Hofferus in het op haar in ’t Latijn gedichte grafschrift zeide:“In haar gaf eens de vorst, tot hoog bestier ontbodenVan ’t vrije recht, aan ’t volk zijn woord van trouw en eer”,doelende op Filips II, voorgoed vernietigd. Al te fel bestookt door de gramschap van twee goden, nl. van Thetys en Vulkaan, was het een insolvente boedel geworden, door de schuldeischers verkocht.In de Ooster-Schelde, niet ver van Tolen, op de zoogenaamde Speelmansplaat, wordt de plek nog aangewezen, waar eens Reimerswaal gevonden werd. Een tochtje naar de niet ten onrechte als “groot kerkhof” aangeduide plek, met een zeilboot van Tolen uit, is altijd een groote aantrekkelijkheid en wordt dikwijls gedaan.Als men de Eendracht uitzeilt en vervolgens naar het westen koerst, ziet men ten zuiden van het diep, dat langs de zuidkust van Tolen loopt, bij eb weldra een plaat opglinsteren. Dat is de Speelmansplaat, die zich met de plaat “de Vogelaar” als een arm naar hetN.W.uitstrekt. Hier kan men bij laag water de overblijfselen van Reimerswaal nog zien. Een lange rij van palen, die noordwaarts zich in het diep verliest, wijst nog op de haven; dwarsbalken en planken verbinden enkele palen nog. Groote steenen, vrij regelmatig geplaatst, wijzen er op, dat hier eenmaal een druk veer was op het eiland Tolen. Op dat eiland vindt men bij Schakerloo door de polders een weg, die den naam van “Veereweg” nog draagt. Op de plaat ziet men een vreemde grondstof, die voor selkasch, een overblijfsel van het zoutbranden, gehouden wordt. De richting der straten kan men nog goed onderscheiden, daar fundamenten van gebouwen nog zichtbaar zijn. Blauwe schalien, de vroegere dakbedekking, groote moppen, zooals eertijds de steenen gebakken werden, potscherven, enz. liggen overal verspreid. De plaats, waar eens de groote parochiekerk stond, is nog duidelijk te zien; de ingeheide palen, waarop de pilaren en muren rustten, wijzen haar plaats aan; zelfs ligt nog een gedeelte van den kerkvloer bloot. Bij opmeting bleek, dat de lengte der kerk 25 Meter bedroeg, de breedte 15 M.In de nabijheid hiervan vindt men het kerkhof, thans door zand bedolven. Wanneer de golfslag het zand wat losgewoeld heeft, kan men den doodenakker duidelijk onderscheiden door overblijfselen van doodkisten, van geraamten, enz. In 1883 verrichtte Dr. Sasse hier nog opgravingen; hij vond hier onderscheidene merkwaardige schedels, die hij voor anthropologisch onderzoek bewaarde. Tal van pottebakkerijen en ook leerlooierijen schijnen hier eens gevonden te zijn; looierskuipen, waarin nog run aanwezig is, wijzen op dit bedrijf.De legende heeft ook de geschiedenis van Reimerswaal omhuld met haar dichterlijk waas. Ook hier wordt gesproken van een meermin, die den vloek uitsprak over de stad, een verhaal, dat ook elders is gelocaliseerd. Dat Reimerswaal eens een aanzienlijke stad was, kan niet betwijfeld worden; de volksoverlevering, dat deweelde hier zoo ver was gegaan, dat gouden kloppers de deuren versierden en de paarden met zilveren hoefijzers beslagen waren, echter wèl.Na een korten tijd toevens moeten wij de verzonken stad weer verlaten. De eb is voorbij; de wateren der Schelde rijzen; zij stuwen voort over de platen, en als wij weer met ons scheepje dobberen, zien wij den grondslag van Reimerswaal op nieuw bedolven onder de wateren, die spelemeien in lustigen golfslag over het groote kerkhof.Door de overstroomingen, welke Reimerswaal te gronde deden gaan, was er ook van Oostwatering slechts weinig overgebleven. Eerst in 1594 tot ’96 werden de Monniken-, Maagde- en Nieuw-Krabbendijkerpolder weder drooggelegd. Enkele polders van het ondergeloopen land werden weder gewonnen, doch op de kaart van Hattinga, in 1747 genomen, was de Oud-Mairepolder het oostelijkste punt van het eiland (ongeveer ten zuiden van Krabbendijke). Ten oosten daarvan lag een breede vlakte van gorzen, schorren en slikken, met enkele geulen en waterspranken doorsneden, die zich tot het hooge land van Noord-Brabant uitstrekte. De geheele streek, die de spoorweg van Woensdrecht naar Krabbendijke doorloopt, is na 1740 ingepolderd en bestaat uit jonge dorpen, langs de polderdijken gebouwd.Vóór wij ons afwenden van het verdronken land, moeten wij nog een historische gebeurtenis in herinnering brengen, die zich hier afspeelde op deze schorren. Het was in het jaar 1572, toen Goes door de Watergeuzen onder Tseeraerts belegerd werd, dat Christoval de Mondragon, een wakker Spaansch krijgsman, besloot de stad te ontzetten. Met 3000 man, Walen, Spanjaarden en Duitschers, maakte hij zich daartoe op, ging te Bergen-op-Zoom scheep en zette zeewaarts koers, als wilde hij de Zeeuwsche vloot aantasten. Maar op het voorstel van Dirk Bloemaert, een Noord-Brabanter van geboorte, die bekend was in deze streken, werden zij weldra weder ontscheept, om den tocht over het verdronken land te volbrengen. De afstand van de Agger aan den Brabantschen wal tot het oude land van Valkenisse bedroeg ongeveer vier uren: een aaneenschakeling van slikken en ondergeloopen land, met kreken doorsneden, ’t Was een gevaarlijke tocht, maar het waagstuk werd ondernomen.Toen ze op de Agger stonden, werd elk der manschappen een zakje met mondvoorraad en krijgsbehoeften uitgereikt, om aan den hals te hangen; de schroomvalligen werden aangemoedigd door het vooruitzicht op den roem en den rijken buit en men trad te water, om te voet Zuid-Beveland te bereiken. Wel was het eb, maar toch moest men tot de knieën, soms tot het middel, door het water waden. Bloemaert ging met Mondragon voorop, daarna volgden de Spanjaarden, verder de Duitschers; de Walen vormden de achterhoede. Het was een verwonderlijk schouwspel, die drieduizend krijgsknechten daar halverwegeboven het water te zien plassen. Maar het geluk begunstigde de stoutmoedigen; slechts negen man verdronken in de diepere geulen en toen het middaggetij zijn volle hoogte bereikt had, betraden de laatsten den dijk bij Krabbendijke. Ook het verdere van den tocht liep gunstig af voor Mondragon en Goes viel door deze kloeke onderneming weer tijdelijk in handen der Spanjaarden.Is de daad van Mondragon een moedige onderneming der Spanjaarden geweest, die wij niet mogen verzwijgen, daarginds bij Reimerswaal had nog een dappere daad plaats, die de onversaagdheid der Zeeuwen in het licht stelde. Toen Requesens Alva in de Nederlanden opvolgde, wilde hij, in tegenstelling met zijn voorganger, de Nederlanders ook op zee bestrijden. Dertig zware schepen, aangevoerd door den bekwamen d’Avila, zouden langs de Wester-Schelde naar Walcheren zeilen en zeventig smakken, aangevoerd door Glimes en Romero, moesten van Bergen-op-Zoom de Ooster-Schelde afkomen.Die krijgstoerustingen tegen Walcheren kwamen Oranje ter oore; hij ijlde naar Vlissingen en verzamelde de Hollandsche en Zeeuwsche zeemacht onder Lodewijk van Boisot, die de Ooster-Schelde opvoer. Voortgestuwd door een noordwester koelte, ontmoette Boisot de vloot van Glimes bij Reimerswaal; bij ’t Lodyksche Gat kwamen de vloten binnenschots. Een moorddadig vuur kostte velen der onzen het leven en Boisot verloor een oog. De Spanjaarden sprongen zelfs op zijn schip over; er ontstond een hardnekkig gevecht, dat weldra, daar nu ook de andere vaartuigen aanklampten, algemeen werd. Hier volgde Jasper Leunszoon van Zoutelande de daad van Jan Haring; hij haalde de vlag van het admiraals-schip van Glimes en bracht die behouden bij de zijnen. Romero deed een nieuwe vlag hijschen, enterde aan de andere zijde van het schip van Boisot, die eindelijk, toen hij een zestigtal vijanden had te bestrijden op zijn schip, de lont in ’t kruit stak, om zich niet over te geven. Doch hiermede werd ook het pleit beslecht; Romero, juist gered, vluchtte met zijn volk naar Tolen, waar Requesens met zijn hofstoet op den dijk in koude en regen het schouwspel stond aan te zien. De Zeeuwen veroverden of verbrandden verscheidene schepen, en het veroverde Spaansche geschut werd naar Walcheren opgebracht. D’Avila, die op de Wester-Schelde bij Breskens het tij liet verloopen, trok na het vernemen van de nederlaag bij Reimerswaal terug naar Antwerpen, zonder iets te hebben verricht. Zoo bleef Walcheren voor den Prins behouden. Ook over de platen van dit verdronken land klinkt de geschiedenis van den roem van Nederlands dapperen.Wanneer wij onzen tocht met den trein voortzetten, gaan wij voorbij Krabbendijke, een dorp, dat in 1591 na hernieuwde bedijking weder ontstaan is en zich ten noorden en ten zuiden van de spoorweglijn uitbreidt; nabij den zuidelijken dijk van het eiland verrijst in het geboomte het oude dorp Waarde.Ook dit dorp is niet meer, wat het in de middeleeuwen was, toen zich hier een sterk kasteel verhief naast de kerk, die destijds veel grooter was, en er een proostdij der Tempelieren gevonden werd, welke later aan de Maltheser ridders kwam. Het eens aanzienlijke dorp is afgenomen en het grondgebied is ten zuiden door vele overstroomingen sterk afgeslagen.Vervolgens loopt de spoorweg op ongeveer een kwartier afstands van Kruiningen, thans een der grootste Zeeuwsche dorpen en een der schoonste van het eiland, met ruim 1200 bewoners binnen de kom, aan een kruispunt langs eenige wegen gebouwd, te midden van flinke boomgaarden en bouwlanden. Kruiningen is nog van oude dagteekening; in de 13eeeuw was het reeds als een vrijheerlijkheid bekend en de bezitters dier heerlijkheid werden in het begin der 15eeeuw erfburggraven van Zeeland. Ook bezat de heerlijkheid reeds vroeg een eigen schepenbank en afzonderlijke keuren, week- en jaarmarkten. De heeren van Kruiningen hadden hun slot, het kasteel van Kruiningen, achter de kerk. Het was een gebouw uit de 13eeeuw, eens zeer aanzienlijk; in 1612, na ’t overlijden van Maximiliaan van Kruiningen, die geen mannelijke nakomelingen naliet, is het in verval geraakt en in 1720 moest het worden afgebroken.Ongeveer tegenover Kruiningen loopt van den spoorweg de weg naar Ierseke, een dorp, langs den dijk gebouwd en door boomgaarden ingesloten. Aan den waterkant van Ierseke vindt men talrijke oesterputten, die een belangrijke bron van bestaan zijn voor deze plaats en een eigenaardig bedrijf.Ook Ierseke is een oude plaats, die in den tijd, toen de overstroomingen het oostelijk gedeelte van Zuid-Beveland nog niet verwoest hadden, met Reimerswaal en Goes kon wedijveren en evenals deze steden uitgebreide tolvrijheid, een Woensdagsche weekmarkt bezat en ook met jaar- en paardenmarkten begunstigd werd. Te Ierseke was zelfs eens het onderdekenschap van het westelijk deel van Zuid-Beveland gevestigd, dat Goes in 1413 wist te verkrijgen. Op het uiterste van den oostkant van het eiland tegen den dijk gelegen, die Oost- en Westwatering van elkander scheidde, lag het destijds als middelpunt van een bloeiende streek zeer gunstig, doch na den ondergang van Oostwatering is het zeer vervallen.In de 19eeeuw zijn de oesterteelt en oesterhandel voor Ierseke een bron van afwisselenden bloei geworden. Wij willen hierbij een kort overzicht geven van de geschiedenis der oestercultuur.De eigenlijke oestercultuur, nl. wat men thans daaronder verstaat, dagteekent in Zeeland van 1870. Evenwel is de oesternijverheid in Zeeland al van veel ouderen datum. Langen tijd was Zieriksee het middelpunt van dezen handel. Job Baster, de bekende geleerde Zeeuw uit de laatste helft der 18eeeuw, zegt, dat er destijds te Zieriksee veel Engelsche oesters verhandeld werden, aldusgenoemd, omdat het grootste gedeelte daarvan jaarlijks met schepen hier te lande gebracht werd. De zoogenaamde “oesterhaalders” voerden uit Engeland in dien tijd de oesters aan, welke daarna in oesterputten, groote, met grenen planken bevloerde bakken, waarin 4 à 6 voet zeewater stond, geplaatst werden, waarin het water met elk getijde ververscht werd. Na 6 à 10 dagen werden de oesters dientengevolge geschuurd, d.i. van alle slib en vuiligheid, die zij uit Engeland medebrachten, gezuiverd en schoongemaakt en daarna in tonnen ter verzending ingekuipt.Oesterperceel te Ierseke.Oesterperceel te Ierseke.Ook werden in dien tijd al kleine oesters uit Engeland aangevoerd; de oesters, die te klein waren, om verzonden te worden, werden uitgeschoten, bewaard, en in zee op die plaatsen gezaaid of uitgestrooid, welke men geschikt achtte voor verderen groei. Deze platen in zee noemde men oesterbanken. Zelfs kleine, jarige oestertjes, broed genoemd, werden op die wijze gezaaid. Omdat de oesters hier niet zoo sterk voortteelden, werd elk jaar met een opzettelijk daarvoor bestemd schip, dat doorgaans in het laatst van April aankwam, oesterbroed uit Engeland gehaald.Van de bij Schouwen en Duiveland liggende oesterbanken werden in den herfst en in den winter de oesters gevischt en de kleine weder in zee geworpen. De groote werden in de oesterputten schoongemaakt en gezuiverd, in vaten verpakt en verzonden. Dat waren de Zeeuwsche oesters, die de Engelsche overtroffen.Of de Zeeuwsche wateren in historischen tijd steeds oesters voortbrachten, dan wel, of deze dieren zich later hier vertoonden, is niet zeker te zeggen. Boxhorn verhaalt in zijn Kroniek van 1644, dat zich in 1620 aan de zuidkust van Schouwen oesterbanken vertoonden, van welke de burgers van Zieriksee menigmaal oesters haalden, maar toen Smallegange in 1696 de Kroniek van Zeeland uitgaf, schreef hij, dat, ofschoon de oesterbanken geheel waren verdwenen, zij de aanleiding geweest waren van den Zierikseeschen oesterhandel, die sedert dien tijd de oesters uit Engeland liet komen.ZEELAND OMSTREEKS 1280ZEELAND OMSTREEKS 1280Verkleinde afbeelding der kaart van LIEVEN VAN THUYNE.“Dese charte is de double van eene ghelijcke charte bij mij, ondergheschreven ghesworen Landtmetere der stede van Ghendt, ghetrocken naer d’originele, berustende int secreet ’s Landts van den Vrije, int selve secreet gevonden ende daeruyte ghelicht ter ordonnantie haerlieder ssme Hoogheden, bij Mr.Jan van Blooijs,raet ordinaris van deselve haerlieder Hoogheden int jaer MDCX (XVIethiene), mij ’t oorconde.”(Get.)Lieven van Thuyne.In het oostelijk deel der Ooster-Schelde kunnen op zijn vroegst de oesterbankengevonden zijn in het laatst der 17eof het begin der 18eeeuw, maar in 1784 wordt voor het eerst melding gemaakt van oestervisscherij op de banken beoosten Ierseke. Oorspronkelijk was het visschen van oesters daar alleen aan visschers uit Zeeland vergund, doch in 1799 werd het recht daartoe allen Bataafschen burgers toegekend. In 1805 kwam de visscherij op de wateren van Zeeland aan het Departementaal Bestuur, in 1820 onder het Domeinbestuur, en in 1825 werd daarvoor een speciaal college in ’t leven geroepen, dat van ’t Bestuur van de visscherijen op de Schelde en “Zeeuwsche stroomen”, hetwelk nog bestaat.In 1870 werd bijK. B.bepaald, dat de natuurlijke oesterbanken van de Schelde en de Zeeuwsche stroomen aan de publieke visscherij onttrokken en in ’t openbaar in perceelen verpacht zouden worden.De vrije visscherij van oesters, zooals die vroeger bestond, nam af; na 1886 vond ze op de Ooster-Schelde niet meer plaats. Op de Grevelingen vóór het Dijkwater is ze weer opgevat. Thans kan men echter zeggen, dat al het op de Schelde en Zeeuwsche stroomen voor schelpdieren in aanmerking komende water verpacht is, met uitzondering der Wester-Schelde, waar ingevolge de regeling met België verpachting niet mogelijk is. De beste perceelen werden gepacht door maatschappijen of naamlooze vennootschappen, die zich op de oesterteelt toelegden. En daarvoor is Ierseke de belangrijkste plaats.Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.Vóór 1870 had de oester-industrie in Zeeland zich bepaald tot het visschen en rapen van oesters en het tijdelijk neerleggen op daarvoor geschikte gronden of daarvoor ingerichte putten van uit den vreemde, uit Engeland of Schotland aangevoerde oesters. Omstreeks 1850 waren er in Zeeland 5 voorname oesterputten: één te Vlissingen, één te Veere, één te Zieriksee en twee te Bruinisse. Ongeveer 200 visschers hielden zich in dien tijd daarmede bezig. Vooral van Tolen, Bruinisse en Arnemuiden uit werd in dien tijd de oestervisscherij op de Ooster-Schelde gedreven.Na 1870 was het hoofddoel der oester-cultuur meer oesters te verkrijgen, zoowelvoor den verkoop als voor de teelt van volgende jaren. De cultuur bestond in den aanvang voornamelijk in het opvangen van broed op de daartoe gepachte perceelen. Voor dat opvangen gebruikte men takkenbossen, gekalkte buizen, gekalkte dakpannen, enz.; de laatste voldeden het best. Snel breidde zich het gebruik van dakpannen op de perceelen eerst uit, doch omstreeks 1900 verminderde dit weder. Daar er genoeg broed valt op de banken en de voorwerpen, die zich van nature daarop bevinden, voldoende zijn voor de aanhechting van het broed, zijn deze dure hulpmiddelen niet meer zooveel noodig.Over ’t geheel heeft in de laatste jaren de teelt van oesters op deze banken veel van het kunstmatige verloren, daar ook de kweekbakken verminderd zijn; zij bepaalt zich tegenwoordig bovenal tot het opkorren en sorteeren van de oesters en het overbrengen daarvan naar andere perceelen, waar men een snelleren groei kan verwachten. De Iersekebank is bovenal het terrein voor het vet worden der oesters; op de Bergsche bank (Bergen-op-Zoom) valt veel broed, en zoo hebben de verschillende banken hun eigenaardigheden.De oester-cultuur heeft sterke fluctuatiën ondergaan, niet alleen in de produktie, maar ook in de prijzen. De grootsche verwachtingen van de rentabiliteit, eens dienaangaande gekoesterd, zijn niet vervuld voor de maatschappijen, die hier optraden. Daarmede schommelde ook de welvaart van Ierseke. In de laatste jaren daalden de prijzen sterk en was de vraag naar Zeeuwsche oesters minder, mede als gevolg van de slechtere hoedanigheid van het produkt. Er schijnt een overproduktie te zijn bevorderd, welke de qualiteit deed achteruitgaan. De verbetering daarvan is een belangrijk vraagstuk.Wij mogen ons hier niet langer ophouden, maar stappen weder in den trein, passeeren het Kanaal van Hansweerd naar Wemeldinge, dat in 1867 is voltooid, om de Ooster- met de Wester-Schelde te verbinden, sedert de spoorwegdam gelegd is—een recht kanaal, door hooge dijken ingesloten, dat als het ware over het land heen loopt—en reizen ineens door naar Goes, om van hier het westelijk Zuid-Beveland nader te bezoeken en te doorwandelen.In het Land van Ter-Goes.Wij bevinden ons thans in het hart van het tegenwoordige Zuid-Beveland, dat naar de stad van dien naam bij het landvolk veelal als het Land van Ter-Goes wordt aangeduid. Goes vormt hier vrijwel het geographisch centrum van het land en was sedert lang het economische- en handels-centrum van het eiland, zelfs het wetenschappelijk middelpunt van dit gebied.Het geographisch centrum van westelijk Zuid-Beveland is Goes echter nogniet zeer langen tijd. Van de steden van het oude Zuid-Beveland en van Zeeland in ’t algemeen kan wel gezegd worden, dat zij niet zijn ontstaan in het binnenland, maar aan de randen van de eilanden langs de wateren, of daar, waar een bevaarbare waterarm dieper landwaarts liep, ook verder in het land. Het oude Zeeland heeft alles aan het water te danken: zijn kracht en energie, zijn opkomst en bloei, zijn vruchtbaren bodem en zijn welvarende steden.Reimerswaal en Ierseke, evenals Goes, lagen in hun opkomst aan zee; Vlissingen, Veere en Arnemuiden eveneens en ook Middelburg had een zeehaven, gelijk mede met Zieriksee het geval was. Waar de zee zich terugtrok, vervielen de steden veelal geheel, zooals Veere en Arnemuiden ons aantoonen, wanneer niet andere bronnen van welvaart het verlies van den handel op zee konden neutraliseeren.Goes verkeert in deze laatste gelukkige omstandigheid. Hoewel thans ver van de zee verwijderd en alleen door een gegraven haven er mede vereenigd, is Goes een bloeiende plaats gebleven, de marktplaats van het eiland, de stad, waarin zich het karakter van westelijk Zuid-Beveland concentreert.Als wij de kaart beschouwen, waarop Ab Utrecht Dresselhuis den vermoedelijken toestand van Zeeland omstreeks 1200 geteekend heeft—ook de kaart, die wij overnamen, komt daar veel mede overeen—dan zien wij, dat in dien tijd het westelijk Zuid-Beveland bestond uit een groot eiland, ten westen van Ierseke, waarop in ’t noorden Goes lag aan een water, dat Wolfaertsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidde, terwijl het eiland in het westen niet verder liep dan ’s Heer-Arendskerke. Heinkenszand lag als een afzonderlijk eilandje ten westen (niet op onze kaart) en Baarland (Borland) en Borsele vormden een of meer afzonderlijke eilandjes in het zuiden.Zeeuwsche boeren op den weg.Zeeuwsche boeren op den weg.Naar het zuidwesten had al vroeg de aanzienlijkste uitbreiding plaats. Het breede water, de Zwake, dat Borsele in ’t noorden begrensde, verlandde en werd reeds vroeg bedijkt, het laatst daarvan misschien de St.-Anthoniepolder in 1516, waardoor Baarland en Borsele met Zuid-Beveland verbonden werden.Vóór deze verlanding vormde Heinkenszand een belangrijk handelspunt, omdat de scheepvaartweg van Middelburg naar Antwerpen hierlangs liep, zoodat dit dorp een bloeiend verkeer verkreeg, hetwelk evenwel door het verlanden derwateren en de daarop gevolgde inpolderingen geheel verliep en in het begin der 17eeeuw had opgehouden te bestaan.De Schenge, de Puye en het Goesche diep, die Wolfaartsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidden, bleven nog bestaan tot 1809, toen door de indijking van den Wilhelminapolder het oostelijk gedeelte van dit water werd afgesloten, terwijl in 1874 het westelijk gedeelte van den Schengepolder werd bedijkt.Op deze wijze werd het westelijk Zuid-Beveland uitgebreid door verschillende bedijkingen en aanhechtingen van omliggende eilanden, waarvan wij slechts eenige noemden, tot het zijn tegenwoordige gedaante verkreeg. Verliezen had het eiland echter ook te lijden, doch niet zoo aanzienlijk als het oosten van Zuid-Beveland.Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het Land van Ter-Goes draagt nog de sporen van die ontwikkelingsgeschiedenis op ’t gelaat; de wateren, welke vroeger de eilandjes scheidden, kan men dikwijls gemakkelijk herkennen aan de lange, smalle polders tusschen twee hooge dijken. Op vele plaatsen evenwel is die herkenning moeilijker, omdat de wateren bij gedeelten werden ingedijkt en daardoor de vorm van het oorspronkelijke water niet altijd in dien der polders bewaard bleef.Wij vangen onze wandelingen aan in de stad Goes, een vriendelijk provinciestadje met ongeveer 7000 zielen. Zeer zeker heeft de stad haar ontstaan te danken aan de nederzetting bij een sterkte, welke op den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land aan de Gosaha werd opgeworpen en later als het slot Oostende bekend was. De huizen, die in den omtrek van dat slot gebouwd werden, vormden het dorp ter-Gosaha, waaruit volgens de meening van sommige schrijvers de naam der latere stad Goes zou ontstaan zijn.Het slot Oostende (Ostende) is waarschijnlijk door een der heeren van Borselegesticht; het verkreeg zijn naam naar de ligging op het oosteinde van het eiland. In zijn bloeienden toestand had het binnen den zwaren muur van het opperhof, behalve de woongebouwen, ook nog een fraaie, met een toren versierde slotkapel.Het slot Oostende heeft een niet onbelangrijke geschiedenis voor Zuid-Beveland en herhaaldelijk werd de belegering om de zware muren geslagen, o. a. in 1300 door Jan van Renesse, toen het door de bewoners van Reimerswaal ontzet werd. Maar de meeste bekendheid erlangde dit gebouw als de verblijfplaats van Jacoba van Beieren.Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet,Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen,Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongenEn ’t ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer,Van ’t krijgstooneel gekeerd en moe van ’t roem behalen,Een stille rustplaats zocht in ’t lommer van uw zalenEn zorgde voor ’s lands bloei en zorgde voor ’s lands eer;Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stondGraaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden,En met des lijdens last tot stervens toe beladen,Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.’t Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd,In ’t vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten,Wijl ’t opgewonden volk, bij luide jubelkreten,Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.’t Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man,Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven,In ’t zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw drevenEn, hoe door ’t lot getergd, zich zalig wanen kan.’t Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond,Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen;Vrij moog’ de storm des tijds met uwe puinen spelen,En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.R. C. H. Römer.Dit slot Oostende behoorde tot de weinige goederen, die in 1428 aan de ongelukkige gravin Jacoba van Beieren overbleven. Terwijl zij hier haar verblijf hield, trachtte zij haar leed te vergeten door den omgang met den adel en het landvolk, die de gravin gaarne hulde bewezen. Zij gaf hier wedstrijden in het gaai- of vogelschieten, waaraan zijzelf deelnam, en werd soms tot koningin vanhet feest verheven. Niet alleen door de edellieden en haar deelgenooten, maar ook door een deputatie van edelvrouwen en van het landvolk, in nationale kleeding gedost, met korte jakjes en lange rokken, het hoofd met een muts of aan de zijden loshangenden doek bedekt, werden der gravin hier huldigingsgeschenken gebracht. En deze, verrukt over zooveel trouw, zooals zij maar al te weinig had gekend, beloonde hen rijkelijk: aan de ingezetenen van vijf dorpen werd vrijheid van de vlastienden geschonken, welke vrijheden steeds bleven bestaan. Het gaaischieten is op Zuid-Beveland sedert nog een geliefd volksfeest gebleven; en bij tal van dorpen ziet men nog de hooge palen verrijzen, met een “prang” en een “hoofdvogel” in het midden gekroond, die dit bewijzen. Bovenal is dit bij de Katholieke het geval.Het oude slot van Oostende ging in het laatst der 16eeeuw over aan het geslacht Van der Goes, doch na het overlijden van Adriaan Van der Goes in 1747 werd het door de erfgenamen verkocht aan den Raad van State. De zalen, die zoo dikwijls de oude edelen met hun feestvreugde in gala hadden ontvangen, werden toen bestemd voor een militair hospitaal; in het volgende jaar werd het kasteel tot stadskazerne ingericht. Doch de oude muren werden hoe langer hoe bouwvalliger en in 1750 werd besloten, het gebouw te verkoopen. De kooper sloeg tegen den ringmuur paardenstallen op en in 1751, toen een gedeelte afgebroken en verbouwd was, verkreeg de eigenaar het recht, hier bier en drank te mogen schenken aan de landlieden. Zoo was het kasteel, waaraan de oorsprong van Goes te danken is, afgedaald tot den rang van een boerenherberg.Thans is het niets anders; enkel eenige zware muurstukken in de schuur houden de herinnering aan het kasteel levendig; onder den grond moeten nog de overblijfselen van een onderaardsche gang gevonden worden. En in den hof groeit een moerbezieboom aan den muur, welke, bijna enkel schors, op hoogen ouderdom wijst, maar toch nog vruchten draagt; deze boom zou, volgens de overlevering, nog door Jacoba van Beieren zelf geplant zijn.Huis in de 15e eeuw te Goes.Huis in de 15eeeuw te Goes.Het slot moge de aanleiding geweest zijn voor het ontstaan van de nederzetting te Goes, de ontwikkeling en bloei der plaats was niet aan het kasteel te danken. Hoezeer ook het aanzien der heeren van Oostende daalde, Goes heeft daardoor weinig geleden. De stad heeft haar bloei en uitbreiding te danken als marktplaats aan de dorpen van het eiland. Minder dan de andere Zeeuwsche steden heeft Goes zijn welvaart door de ongunst der tijden of de verlegging der wateren verloren. De handel deed Goes wel bloeien, maar het was geen internationale handel, zooals voor de steden op Walcheren en in Vlaanderen; het was de handel in produkten van en voor het eiland. Het nadeel van ’t verloopen der haven kon daardoor gemakkelijk overwonnen worden. Toen dan ook die oude haven, het overblijfsel der Gosaha, in het midden der 15eeeuw dichtslibde en niet meer op “den Diepe”uitkwam, werd die gedeeltelijk vergraven; in 1651 werd eindelijk een nieuwe haven aangelegd. Ook deze werd echter door de aanlandingen van den mond weder afgesloten van het buitenwater, en toen in 1809 de Wilhelminapolder in de Schenge was afgedamd, moest het havenkanaal verlengd worden, wilde Goes niet van het buitenwater worden afgesloten. In 1810 werd deze verlenging voor de scheepvaart geopend, doch door ontgronding der sluis kwam zij eerst in 1819 voor goed gereed. Eigenlijk is die haven niet meer dan een kanaal, dat met een boog van de stad naar het noordoosten loopt naar het gehucht Sas-van-Goes, aan den mond bij de Ooster-Schelde. Niet ver van dien havenmond, enkele minuten noordelijker bij den noordoosthoek van het Oost-Beveland-poldertje, waar Zandkreek en Ooster-Schelde samenkomen, staat op een dijk een lantaarn ten dienste der zeevarenden. Den bekenden loods der O.-I. Compagnie, Frans Naerebout, wiens onverschrokken en zelfopofferend streven, om schipbreukelingen uit de woedende golven op de Zeeuwsche wateren te redden, zoo dikwijls met glansrijken uitslag bekroond en beroemd werd, zoodat Nierstrasz en Bellamy die daden door hun zangen vereeuwigden, zag men op zijn ouden dag dat licht ontsteken, totdat hij hier zijn bescheiden doch roemrijke aardsche taak voorgoed nederlegde, den 29enAug. 1818, in den ouderdom van 71 jaren.Het centrum van Goes vormt de Groote Markt, een flink, vierkant plein, door burgerlijk nette huizen omringd, zonder dat hun bouw zich door iets bijzonders kenmerkt. Aan den eenen kant verheft zich het stadhuis, een oud gebouw, dat in 1771 en volgende jaren grootendeels vernieuwd is. Aan den rechterkant verrijst een zware, vierkante toren, met een pui er voor en in een dubbelen, achtkanten koepel van hout eindigend, aansluitend bij een gebouw van later dagteekening. Deze toren werd waarschijnlijk in de 14eeeuw gebouwd, maar is in uiterlijk veel veranderd; toch doet hij nog eenigszins denken aan de belfroi’s uit de Vlaamsche steden, die zulk een grooten invloedhadden op het politieke leven. Van den toren te Goes valt dit laatste evenwel niet te zeggen; omtrent zijn invloed op de geschiedenis is weinig bekend. Aan den anderen hoek van het stadhuis verrijst eveneens een vierkante toren, met gebogen dak afnemend en in een achtkant houten koepeltje eindigend, terwijl op den gevel tusschen de torens wapens zijn aangebracht.Markt en stadhuis te Goes.Markt en stadhuis te Goes.Inwendig is de groote zaal van het stadhuis belangrijk; de door Geeraerts geschilderde grauwtjes van deze groote zaal zijn in 1874 door de Rijks-adviseurs voor de monumenten gered en met Rijks-subsidie gerestaureerd; de gemeente bracht daarna de zaal terug in den stijl Lodewijk XV.Het belangrijkste gebouw van Goes is de Groote kerk, ook wel Maria Magdalenakerk genoemd, een trotsch gebouwde, Gothische kruiskerk, die haar wedergade in Zeeland niet heeft. Jhr. de Stuers noemde deze kerk een der fraaiste en rijkst uitgevoerde monumenten der bouwkunst.De lengte der kerk is 66 meter, de breedte 52. Zij is verdeeld in vijf schepen, waarvan de buitenste tot kapellen waren ingericht, en heeft een breed, uitstekend transept, terwijl de koorsluiting wordt gevormd door absiden, waarvan de buitenste eigenaardig elk twee der schepen overspannen.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Het geheel der kerk vertoont den stijl der latere Gothiek en de beide transeptgevels vooral, in tuf- en bergsteen uitgevoerd, zijn zeer fraaie voorbeelden daarvan. Van binnen doet het ruim, met zijn fraai behakte kapiteelen en schijnbaar triforium, even denken aan deLeidsche St.-Pancraskerk. Alleen het koor heeft thans nog steenen gewelven, waarmede vroeger het geheele gebouw zeker bedekt was; die van het westelijk deel zijn ingestort bij den zwaren brand in de 19eeeuw.Vroeger had de kerk geschilderde glazen, waarvan thans niets meer overig is. Gelukkig is het gebouw beter onderhouden, ook al werd het van zijn sieraden ontdaan.Het is niet bekend, wanneer met den bouw der kerk is aangevangen, doch toen in den aanvang der 15eeeuw het westelijk gedeelte gebouwd werd, bestond het oostelijke reeds. Deze kerk werd in 1423 ingewijd. Het houtwerk brandde den 11enSept. 1618 af, doch werd van 1619–1621 hersteld. In 1578 kwam deze kerk aan de Hervormden.De toren loopt uit in een spits, welke een doorsnede van acht rozebladen vormt en niet hoog is.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18e eeuw.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18eeeuw.In de zoogenaamde wandelkerk ligt het stof bewaard van den Zeeuwschen kroniekschrijver Smallegange en een groote, blauwe steen, door de Maatschappij tot N. van ’t Algemeen hier in 1819 gelegd, wijst de rustplaats aan van den onverschrokken menschenvriend Frans Naerebout, den 30enAug. 1748 te Veere geboren en te Sas-van-Goes overleden, 29 Aug. 1818.Wanneer wij nog het Gothische huis op de Turfkade met zijn fraaien gevel uit het begin der 16eeeuw beschouwen en de fraaie pomp op de beestenmarkt met kinderengroep, door A. Vervoort, van 1774, dan hebben wij de merkwaardigheden van Goes bezichtigd. Oude, artistieke poorten heeft de stad niet meer; van 1855–1862 werden de West-, Koe-, Nieuwe-, Oost-, Donkere en Zuidpoort gesloopt.Doch al vindt men er geen buitengewone gebouwen, burgerlijk welvarende huizen, de verblijfplaatsen der neringdoenden, die in het marktverkeer een bron van bestaan vinden, ziet men in alle straten van Goes. Vooral de graanmarkt is de bloei der stad. Op de marktdagen is het er zeer levendig.Wij verlaten thans Goes en wandelen langs een veelal beschaduwden weg, die begrensd wordt door bouwlanden, graslanden en boomgaarden, naar het dorp Kloetinge, op ongeveer twintig minuten van Goes gelegen.Vriendelijk in het geboomte verscholen, doet Kloetinge zich reeds van verre als een fraai Zuid-Bevelandsch dorp kennen. De nederzetting is grootendeels uit flinke, doch eenvoudige huizen, gebouwd om een open plein, met boomen beplant en met een gemetselde waterkom of wed in het midden. Aan dit plein ziet men op het zuideind de kerk, een Gothische kruiskerk uit de 15eeeuw, met in lood gevatte ruiten, terwijl op het eind een vierkante toren verrijst, met fraaie, pyramidale spits, in een peer eindigend. De kerk is in den laatsten tijd geheel gerestaureerd. Het houten ribgewelf in de kerk is met apostelbeeldjes versierd en de beide transepten zijn met steenen gewelven gedekt. Het koor is bovenal fraai en rijk met colonnetten en een boogfries versierd. In de kerk vindt men vele oude grafsteenen. Rondom het godshuis is het kerkhof, met kastanjes beplant.Op een uur afstands van Goes ligt het dorp Kapelle. De nette, welvarende plaats is schilderachtig gelegen tusschen het zware geboomte, dat zich aan alle kanten verheft; uit de verte is zij reeds kenbaar aan haar 65 meter hoogen kerktoren, die statig uitkomt boven den heuvel van groen, waarin zich het dorp schijnt te verschuilen op de vlakte.De kerk van Kapelle dagteekent, volgens een opschrift boven den hoofdingang aan de voorzijde van den toren, uit het begin der 15eeeuw; zij vormt met den toren één geheel en is als een der merkwaardigste monumenten van dien aard in Zeeland te beschouwen.Het gebouw staat op een ruim terrein, de voormalige begraafplaats, thans met plantsoen begroeid en door geboomte overschaduwd; de richting der lengteas is naar het oosten; als bijna alle Katholieke kerken van vroegeren tijd is zij dus “georienteerd”. Het geheele gebouw werd in baksteen uitgevoerd met een spaarzaam gebruik van zandsteen; het heeft binnenwerks een lengte van 50 meter bij 17 meter breedte. De inwendige ruimte is verdeeld in drie schepen of beuken met een veelhoekig gesloten koor aan het middenschip, waaraan door den lateren uitbouw van een koepel blijkbaar een verdubbeling ten deel is gevallen. Een fraaie houten kap dekt als torengewelf het kerkruim. De geprofileerde ribben zijn versierd met rijk gebeeldhouwde figuren, vermoedelijk voorstellingen der Apostelen, onder baldakijns en steunende op karakteristiek gehouwen draagsteenen.Dit alles was tot voor kort, helaas! overdekt met een zwaar lijkkleed van witkalk en pleisterwerk, waaronder de fijnheid van het beeldhouwwerk geheel verborgen was, terwijl ook het schilderwerk er geheel onzichtbaar door werd. Ook van het blauw geschilderd plafond met gouden sterren, waarvan oude lieden in het dorp nog spraken, was niets te zien.Het kerkgebouw is thans gerestaureerd en in den ouden toestand teruggebracht, voor zoover dit mogelijk was. Van de oude beschilderde kerkramen zijn in de koren nog enkele brokstukken aanwezig, die slechts een vaag denkbeeld kunnen geven van het schoone geheel, dat hier vroeger werd gevonden.De toren, waarin zich de hoofdingang bevindt, heeft een vierkanten vorm; hij is afgedekt met een gemetselde spits en versierd met vier, mede gemetselde hoektorentjes, een constructie, die in ons land slechts zelden voorkomt, o. a. ook bij den toren der Oude Kerk van Delft. Omtrent de beteekenis dier vier torentjes, welke vroeger meer gevonden werden, zijn de meeningen verdeeld. Sommigen vermoeden, dat dit een teeken zou zijn van een moederkerk, anderen van een kapittelkerk. Ab Utrecht Dresselhuis ontdekte uit een testament van het begin der 15eeeuw, dat Kapelle de oudste hoofdplaats was van het dekanaat van Zuid-Beveland, en kwam daardoor tot de conclusie, dat de kerk als teeken harer waardigheid waarschijnlijk die bekroning draagt. In de kerk vindt men, behalve een fraaie schepenbank van 1674, nog een gedeelte der Gothische koorbanken, zeer waarschijnlijk dagteekenend uit den tijd, toen de kerk is gesticht.Verder vindt men er vele hardsteenen grafzerken, uitstekend gebeiteld, die niet alleen een bewijs leveren van den kunstsmaak in vervlogen tijden, maar tevens een bijdrage leveren voor de kennis der kleederdrachten uit het verleden.In het koor der kerk staat de graftombe van Philibert van Tuyl van Serooskerken, vrijheer van Tienhoven, heer van Maalstede, Kapelle, Biezelinge enz., overl. 1639, en van zijn echtgenoote Anna van Heer-Jansdam, overl. 1643. Deze edelman, die het slot Maalstede bewoonde, behoorde tot een geslacht, dat van 1398 af tot het midden der 17eeeuw een merkwaardige plaats heeft ingenomen in de geschiedenis van Zeeland. Op staatkundig gebied vervulde genoemde Philibert van Tuyl een belangrijke rol; W. te Water rekent hem onder “de Zeeuwen, door geleerdheid lofwaardig” en prijst zijn “weergalooze wetenschap in de kennis van vaderlandsche en Zeeuwsche zaken”.Op het twee meter hooge, fraai bewerkte voetstuk der tombe ligt een zware dekzerk, waarop in relief, tusschen de familiewapens en zestien kwartierschilden, de levensgroote beelden van den ridder in zijn wapenrusting en van zijn echtgenoote in een deftig, lang gewaad. Waarschijnlijk is dit grafgesteente door een Antwerpensch beeldhouwer gebeiteld. Het werk werd met veel zorg en nauwkeurigheid en in edelen stijl uitgevoerd.Jaren lang had dit alles aan verwaarloozing ten prooi gestaan, en wat de grafschenders van 1798 waren begonnen, had de tijd voortgezet. Gelukkig trok de Commissie uit het Zeeuwsch Genootschap, belast met de zorg voor het opsporen en bewaren der oude gedenkteekenen, zich dit werk in 1876 aan, en door den steun van Mr. W. R. baron van Tuyl van Serooskerken en Zuylen te Zuylen bijUtrecht werd het geheel gerestaureerd, zoodat het weder prijkt in vollen luister.Het kerkplein te Kapelle is aan alle zijden omringd door welvarende, doch eenvoudige burgerhuizen, welke geen opmerkenswaardigheden aanbieden, evenmin als het overige van het dorp. De vraag moet echter onwillekeurig bij den bezoeker van Kapelle oprijzen, waaraan dit landelijk dorp een zoo prachtig kerkgebouw te danken heeft? Om dat te verklaren, moeten wij ons terugdenken in de geschiedenis van deze plaats. Het thans zoo landelijke Kapelle, enkel bestaande van den landbouw, had in de 14eeeuw reeds bloeiende lakenweverijen, welke den naijver der Goesche burgers opwekten en, door hun concurrentie gedrukt, in den tachtigjarigen oorlog te gronde gingen. Kapelle is sedert een landbouwersdorp geworden, maar de kerk kan nog als een monument van dien vroegeren rijkdom beschouwd worden.Ten noordoosten van Kapelle lag oudtijds het kasteel Maalstede of Maelstede, dat voor een der oudste kasteelen van het eiland gehouden werd en van omstreeks het jaar 1200 moet dagteekenen. Het was een zwaar, vierkant gebouw, van voren met een voorhof en op den noordwesthoek een torentje, terwijl het van binnen voorzien was van ruime zalen en vertrekken; het was omringd door grachten en plantages. In het laatst der 18eeeuw werd dit inmiddels vervallen kasteel afgebroken.Verder noordoostelijk, nabij het kanaal van Zuid-Beveland en aan de Schelde, ligt het dorp Wemeldinge, een fraaie, in dicht geboomte verscholen plaats, hoofdzakelijk bestaande uit een lange straat. Het dorp wordt veel door schilders bezocht. Oudtijds verhieven zich in deze plaats een adellijk nonnenklooster en een convent der Tempelieren, later een bezitting der ridders van St. Jan. Het inwendig gerestaureerde oude kerkje is schilderachtig gelegen aan het eind van het dorp, op een iets hooger terrein; het bezit fraaie gestoelten en bewerkingen.Van Kapelle naar het zuiden wandelende, bereiken wij op korten afstand het dorp Biezelinge. Thans is Biezelinge een lief, eenvoudig plaatsje met een net kerkje. Eens was het een niet onbelangrijke havenplaats. In de nabijheid van het dorp lag vroeger het rijk begiftigde nonnenklooster Jeruzalem.Onze plaatsruimte laat niet toe, alle flinke dorpen van Zuid-Beveland te beschrijven of de bijzonderheden er van op te sommen. Wij wijzen hierop, om niet de gevolgtrekking uit te lokken, dat alleen de door ons genoemde dorpen een bezoek waard zijn. Men vindt er nog vele, die dit voorrecht deelen. Wij zouden kunnen wijzen op den schoonen Wilhelminapolder, die langs een prachtigen, door olmen belommerden weg langs de haven van Goes te bereiken is, waar met merkwaardige zorg delandbouw gedreven wordt en schier geen voet gronds verloren gaat, een vriendelijk tooneel van genoegelijkheid en welvaart, dat u tegenlacht.Hier, waar eens vloed en ebbe vielBij ’t ruischen van de breede baren,Daar schiep de kunst, door ’s menschen hand,Een zee van gouden korenarenRond golvend over ’t vruchtbaar land.Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Doch wij moeten ons vergenoegen met een algemeen beeld van den indruk, dien het Land van Ter-Goes maakt op den bezoeker. En dat beeld valt uit zeer ten gunste van dat gewest.Holland prijz’ zijn klaverweiden,Roeme op ’t zuivelrijke gras,Zeeland, van dat erf gescheidenDoor een woesten waterplas,Uit uw slibben, uit uw stroomen,Beurt gij, als Neptunus’ bruid,Die de baren kan betoomen,’t Hoofd ter groene golven uit!Niet, als van uw nageburen,Welig, rijk Zuid-Beveland!Schonk natuur u steile muren,Duinen van onvruchtbaar zand;Neen, o neen! maar kunst van dijken,Die u van rondom beschermt,Woekerde uw zoo vruchtbre slijkenUit de Scheld, die u omarmt.O, Zuid-Bevelandsche beemden,Vruchtbaar zonder wederga,Dat u ’t starend oog der vreemdenDiep getroffen gadesla.Zooveel duizenden gemeten,Trotsche bosschen, goudgeel graan,Staart uw dankbre ingezetenJaarlijks met verrukking aan.Dat uw hooge, breede dijken,’t Bolwerk tegen ’t golfgeweld,Vrij met trotsche boomen prijken,Spieglend zich in zee en Scheld.Zij verschuilen, zij omvattenMeekrapstoven, schuren vlas,Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten,De oogst en kiem van ’t veldgewas.Zij omvatten dorpen, steden,Lustwaranden, groot en schoon,Landbouwrijkdom stemt de zedenOp een gullen, lossen toon.Boeren, die geen reuzen wijken,Met boerinnen, rond en frisch,Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijkenKracht en vuur te trekken is.Kracht en vuur, die niet ontaarden,Schenkt hier de ijzerharde grondAan de forsche, breede paarden,’t Kouter scheurend door de klont;Of die ons in zomertijden,Onder lachen en gestoei,Door de gouden kamers rijden,Waar het lijnzaad staat in bloei.Aldus bezong een beschrijvend dichter, wiens naam ons onbekend is, in 1843 den roem van het toenmalige Zuid-Beveland. En niet ten onrechte.Al vindt men hier geen afwisseling van terreinen, de eentonige vorm van het landschap wordt allerwegen afgebroken door hooge dijken, zware bolwerken, die het krachtigste getuigenis afleggen van den strijd om ruimte, door den mensch tegen de wateren gestreden, terwijl de meeste wegen met rijen zwaar iepengeboomte beplant zijn. De ruimten binnen die dijken wordt ingenomen door uitgestrekte akkers, waarop uitstekend graan golft, waar vroeger meer het vlas zijn zachtblauw bloempje deed schemeren en waar in den laatsten tijd de bietencultuur in den zomer het geel van de tarwe met het donkergroen doet afwisselen. En daartusschen liggen de landhuizen verspreid: flinke gebouwen met hooge schuren om het graan te bergen en meestal door boomen omgeven, terwijl zoo hier en daar aan de dijken of meer in de polders de kerktorens hun spitsen uit het geboomte, dat zich in de dorpen verheft, ten hemel beuren. Schilderachtige partijen, wel niet door forsche lijnen, maar door huiselijkheid en vriendelijkheid uitmuntend, vindt men er vele. Onderscheidene dorpen worden dan ook veel bezocht door schilders, zelfs uit het buitenland, die in den kleurentoon en de lichteffecten van het land en zijn wateren de inspiratie voor hun schoonste scheppingen vinden. Een dergelijk dorp is o. a. Wemeldinge, gelijk wij zeiden.De schoonste tijd, om Zuid-Beveland te bezoeken, is de lente, als het weder gunstig is en het nieuwe leven over het land is ontwaakt. Dan geuren hier bloeiende meidorens in menigte; dan zijn de weilanden frisch en groen; op de akkers golft het koolzaad als een heldergeel kleed, geweven uit duizenden kruisbloempjes, en de boomgaarden zijn in hun rozigen feesttooi gehuld. Indien tijd wordt overal het woord van den genialen Goesenaar, Johannes Antonides, bevestigd:De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwdEn ’t veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.Vroeger bood het landschap van Zuid-Beveland nog meer afwisseling aan. Toen was ook dit eiland met tal van kloosters en kasteelen overdekt, die door hun statigen bouw en boschrijke omstreken de schoone tegenstellingen verhoogden. Wij noemen enkele. Goes had zijn slot Oostende, Heer Hendrikskinderen zijn slot Huis te-Werf; ’s Heer Arentskerke had een stout kasteel, dat uit het water oprees; men vond kasteelen of ridderhofsteden te Baarsdorp, Baarland, Heinkenszand, Nisse, Kloetinge, Kapelle, Ellewoudsdijk en elders.Doch met den adel zijn ook de kasteelen op Zuid-Beveland alle verdwenen; het is een eiland met boeren bewoners, waar Ceres den schepter voert, dien zij Neptunus ontworsteld heeft. Groote buitenverblijven vindt men zelfs op Zuid-Beveland niet meer; hier woont een ijverig arbeidende bevolking, die in de bewerking van den vruchtbaren bodem haar bron van welvaart ziet. Zuid-Beveland wordt dan ook de “korenschuur van Zeeland” genoemd, een naam, die niet onverdiend is, omdat de bouwlanden hier de beste van Zeeland zijn, de landen er veel opbrengen. De Bevelander, die wel de heerlijke atmosfeer der zandgronden miste, vond in de rijke opbrengst des lands een ruime schadeloosstelling, en drukte dat spreekwoordelijk uit: “Brabantsche lucht, maar Zeeuwsche renten”.Verder draagt Zuid-Beveland roem op zijn uitstekende boomkweekers. Den eerenaam “Paradijs van Zeeland” heeft het zeker mede te danken aan de rijke boomgaarden met heerlijk ooft, die men hier vindt, terwijl de vriendelijke, schoone vrouwen uit het Land-van-ter-Goes de gedachte aan het Paradijs nog versterken. De volkseigene kleeding wordt in deze streken nog het meest bewaard en wekt algemeene bewondering.De kleeding in het land van Goes kan als de meest schilderachtige van geheel Zeeland beschouwd worden; vooral bij de vrouwen is zij het best in stand gehouden. Zij gevoelen het, dat in hun costuum iets bekoorlijks, iets verhevens ligt, hetwelk aan hooger komaf doet denken, iets adellijks met een stamboom in het verre verleden wortelend, en leggen daarom de nationale kleeding niet af, wanneer zij in den vreemde gaan. De dienstmeisjes uit het Goesche in Den Haag, waar zij veel voorkomen, en in Amsterdam, waar slechts enkelen zijn, trekken de aandacht; niet de nieuwsgierige aandacht, welke den lachlust opwekt, zooals bij den grootstedeling te licht geschiedt, als hij den provinciaal in eigen dracht aanschouwt, maar de eerbiedige aandacht, die tot bewondering stemt voor het schoone en aristocratische, dat er uit spreekt.Wij willen hier tot afwisseling in ons reizen en trekken een kleine geschiedenis verhalen, welke duidelijk bewijst, hoezeer de Zuid-Bevelandsche meisjes in hun nationaal costuum de aandacht van vreemdelingen boeien. Het verhaal, dat waar is, betreft niemand minder dan Keizer Napoleon I. Deze bracht den 11enMei 1810 een bezoek aan den Zuid-Bevelandschen polder “Zuid-Kraaijert”, van welken polder uit de Franschen, na den terugtocht der Engelschen naar Walcheren in 1809, dikwijls, doch vruchteloos gepoogd hadden, de vijandelijke schepen uit het Sloe te verdrijven. Napoleon wilde zelf deze plek zien en had het déjeuner besteld in een hofstede, destijds bewoond door Nicolaas Willemse Honderd. Toen het déjeuner, dat in Goes was klaargemaakt, helaas! niet op tijd gebracht werd en de groote Keizer op het punt stond, gramstorig uit te barsten, wierp hij een blik op de 17-jarige dochter van den boer. Haar lief gezicht en vorstelijk Zeeuwsen costuum deden de zwarte wolk bij den machtige spoedig verdwijnen en hij beval, dat er dadelijk eieren gekookt, boterhammen gesneden en koffie gezet moest worden, maar wijl het eten nu toch op zijn boersch was, wilde de Keizer ook door een boerin bediend worden en wel door de dochter des huizes.Spoedig was het bestelde gereed en de Keizer knoopte een gesprek aan met het jeugdige boerinnetje, dat door de Fransche troepen, die hier gelegen hadden, een weinig Fransch kon spreken.Het eerste, wat de belangstellende Keizer haar vroeg, was, of zij getrouwd was. Toen het antwoord ontkennend luidde, volgde de vraag, of zij al een vrijer had? Het meisje lachte schuchter, zooals gewoonlijk met boerenmeisjes bij dergelijke vragen het geval is, en toen de Keizer aanhield, bekende zij, dat haar hart niet meer vrij was. “Dat had ik wel gedacht,” zei Napoleon en streek het boerinnetje over de wang, “gij zijt een veel te knap meisje, om niet gevrijd te worden”. “Maar,” hervatte hij verder, “laat dien vrijer loopen en ga met mij mede naar Parijs; ik zal goed voor u zorgen.” Ofschoon Napoleon dit bij herhaling vroeg en het meisje reeds bijna bezweek voor dat schitterend aanbod, bleef zij toch op het eiland: haar ouders konden niet met het plan instemmen. Toen Napoleon echter vroeg, waarom zij niet huwde, antwoordde het boerinnetje, dat haar minnaar nog geen middel van bestaan had. Napoleon was zoo getroffen door het bekoorlijke gezichtje, dat hij haar vroeg, wat er aan ontbrak. Zij vertelde hem, dat dit ongeveer ƒ 300 ’s jaars was. “Welnu,” antwoordde de Keizer, “gij moogt wel iets hebben, omdat gij ons goed bedient.” Napoleon beloofde nu het meisje, haar jaarlijks ƒ 300 te zullen uitkeeren en als zij getrouwd was het dubbele, terwijl hij haar als handgeld twee dubbele gouden Napoleons schonk.Werkelijk moet dit meisje als loon voor haar vriendelijk optreden bij den Keizeren voor haar bekoorlijkheid het eerste jaar dit bedrag hebben ontvangen, doch de val des Keizers deed het jaargeld spoedig voor de Zeeuwsche schoone verloren gaan.De Zeeuwsche costuums te beschrijven is voor een niet-Zeeuw, ook al heeft hij hun land in alle richtingen doorkruist en veel met het volk omgegaan, een moeielijke taak, vooral waar de costuumkunde niet tot zijn eigenlijke studie behoort. Doch door het gelukkig denkbeeld der Zeeuwen, om bij het bezoek vanH.H. M.M.de Koningin en de Koningin-Regentes op 21 Aug. 1894 aanH.H. M.M.de echt nationale kleederdrachten te toonen en in een beschrijving te verduidelijken, een boek, waarvan slechts weinige exemplaren gedrukt werden, zijn wij in staat, hieraan een en ander te ontleenen, dat betrouwbaar is en op nauwgezette kennis berust. Aan Dr. J. C. de Man, den kenner van Zeeland, hebben wij de beschrijving der tegenwoordige kleederdrachten te danken, aan den heer J. A. Frederiks een inleiding over het historisch costuum, en beiden zullen wij dankbaar raadplegen.In de eerste plaats een korte schets van het Zuid-Bevelandsche vrouwencostuum en de versiering. Onmiddellijk wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vierkante gouden platen of boeken, hier stikken genoemd, de Zeeuwsche naam voor stukken, welke aan beide zijden van het voorhoofd iets boven de oogen schuin uitsteken, terwijl hooger, aan beide zijden van het kuifje veelal zwarte haar, dat, op het voorhoofd naar achter omgebogen, iets onder de muts uitkomt, gouden bollen zijn aangebracht. Deze platen, die soms wel zes c.M. hoog en vier breed zijn, worden aan een hoepel om het hoofd bevestigd, een echte, oude haarband.Over een nette, witte ondermuts draagt de Goesche een buitenmuts van doorzichtig borduurwerk, die breed uitstaat terzijde van het hoofd, aan de kanten rond afloopt en van voor en achter den fijn gevormden hals goed laat zien, terwijl ook het gouden slot met de kralen duidelijk zichtbaar zijn. Die mutsen met gouden stukken geven aan de Goesche vrouw een schilderachtig, voornaam voorkomen en de breede, uitstaande kanten zijn uitingen van een levenslustig karakter, waardoor de vroolijke meisjes uit het land van Goes zich van de meer stemmige op Walcheren onderscheiden. Ook kan men aan den vorm en grootte der mutsen in het Goesche een verschil vinden bij Protestanten en Katholieken. De laatsten hebben grooter muts met langer, op de schouders afhangende kant, meer vierkant afgesneden.Ter zijde van de muts zit gewoonlijk van achteren een gouden haarknop of parel. Deze “gouden paerde”, zooals de naam luidt in de taal der bevolking, d. i. parelspelden, zijn òf effen, òf gewerkt; er behooren in den regel nog kleine cantille spelden bij. Hierin is geen verschil bij Roomschen en Protestanten.De hoed moet passen bij de muts. Vroeger droegen de vrouwen hier schelphoeden,die veel sierlijker waren dan die van Walcheren. Zij hadden strooien randjes en een bol met velerlei lint. Doch die ziet men thans niet meer. Ook de hedendaagsche hoed op Zuid-Beveland, die voor een halve eeuw algemeen was, wordt weinig meer gedragen, omdat men dien ouderwetsch vindt. Toch bezitten de meesten een hoed. Hij is van fijn stroo, en evenals de geheele kleeding zwieriger dan de Walchersche; aan den rand is hij omzoomd met een strooien biesje van roosjes of pikkeltjes; de voering is fijn en niet altijd blauw en op den hoed zelf zijn onderscheidene rosetten, of, zooals men ze noemt, kransen van stroo, die men als navolging ook vindt in het Walchersche Nieuwland, maar niet op Walcheren zelf. Het eigenaardige van den Zuid-Bevelandschen hoed is, dat er noch van voren, noch van achteren linten aan zijn, iets, waarvan men op Walcheren juist veel werk maakt. Wil de wind zich van den hoed meester maken, dan moet men hem met een speldje vaststeken.Bij deze mutsen behoort ook de overige kleeding iets levendigs te hebben. Daartoe leent zich de schilderachtige doek, om de schouders geslagen, welke aan den voorkant een driehoekige beuk voor de borst openlaat, eveneens met een gekleurden doek bedekt en omhangen met een kantvormige versiering van gekleurde kralen. De bijna geheel bloote armen passen bij dit costuum en verhoogen de aantrekkingskracht der Goesche schoonen.Een eigenaardigen indruk maakt de Goesche vrouw met deze kleederdracht in het landschap. Altijd ziet men haar met de blinkende gouden stukken; melkmeisjes ziet men in de weide de koeien melkend, terwijl de gouden platen van verre schitterend uitkomen in het licht der dalende avondzon, als waren zij feeën afgedaald naar het lage land aan den mond der Schelde. Hier komen ons de woorden van Cats voor den geest, die de Zeeuwsche “jonckvrouwen” tot half bovenaardsche verschijningen verhief, toen hij schreef:Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten,(Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten)Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant,Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant;Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachtenEen onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten,Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesichtEen droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.De vrouwen hebben hier nog het best hun nationale dracht bewaard; die der mannen is meestal opgelost in de algemeene, maar toch zien wij nog enkelen in een landskleeding, zij het ook reeds verzwakt in bijzonderheden. Het typische oude hoofddeksel van den Zuid-Bevelandschen boer is een lage, bolvormige hoed met naar achter omgeslagen rand, een type, dat reeds in de 13eeeuw werdaangetroffen. De hoed is niet effen, maar wollig, vooral in de duurdere soorten, en dat wollige en pluizige staat goed en doet den Goesenaar dadelijk herkennen. Men kent hem ook aan zijn twee zilveren broekstukken; zij zijn niet, als de Walchersche, bezet met het wapen van Holland met de leeuwen, maar keurig bewerkt met glinsterende punten en vlokken, zoodat ieder ze mooier vindt. De Katholieke boeren gaan evenals de anderen gekleed; alleen kan men de verschillende gezindten leeren kennen door een wijziging van voren aan den hoed.Wat heeft aanleiding gegeven tot dit verschil van kleeding tusschen Katholieken en Protestanten? Bij de eersten heeft het kleurrijke steeds meer geheerscht in de kerken, werd het schoone meer gehuldigd. De kleederdracht der Goesche vrouwen dagteekent ongetwijfeld uit den tijd vóór de Hervorming. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de Katholieken zich hier uit Brabant later gevestigd hebben. Zij namen het schilderachtige costuum over, dat met hun aard niet in strijd was, maar wijzigden dit eenigszins naar hun smaak en zoo bleef het verschil bestaan. Wij erkennen echter, dat dit slechts een veronderstelling is.Noord-Beveland, Schouwen, Tolen en Duiveland verschillen in kleeding van Goes en Walcheren en sluiten zich alle nader aan bij de Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Noord- en Zuid-Beveland, hoewel sedert negen eeuwen den naam van “Beveland” dragend, hebben een verschillende bevolking, hetgeen blijkt uit lichaamsvorm, gewoonten, uitspraak der woorden en ook uit de kleeding. Op eerstgenoemde eilanden hebben de boeren echter meest hun nationale kleeding afgelegd; alleen de vrouwen hebben de nationale staartmutsen bewaard. Slechts kleine variaties komen daarin voor op de verschillende eilanden. Zoo is de “Schouwsche” of “Toolsche muts”, gelijk men haar noemt, op Noord-Beveland meer vierkant, elders meer rond. Het algemeen model is een ronde bol met daaromheen een rijke kant, die op Tolen weer anders is dan op Noord-Beveland. Zij ligt over de schouders en een deel van den rug, niet stijf, maar zwierig met plooien en golvingen.Aan beide zijden van het hoofd worden spiraalvormige krullen gedragen op deze eilanden. Die krullen zijn op de Zuid-Hollandsche eilanden het grootst, op Schouwen, Duiveland, Tolen en Noord-Beveland kleiner. De kleine Schouwensche krul is, evenals de Walchersche, misschien nog een overblijfsel van het volk, dat in lang vervlogen tijden de kust van Schouwen bewoonde.Onderscheidene oude gewoonten en gebruiken hebben op Zuid-Beveland lang standgehouden. Nog voor weinige jaren werd in Juli, als de “zaedoest” (zaaddorsch) daar was, waarbij vrouwen en meisjes de “stukken” naar het zaaddorschzeil droegen (zie een afbeelding bij Walcheren), dat op het veld werd uitgespannen, en de mannen met forschen, gezwinden maatslag “de vlui” hanteerden,na afloop van het werk de “Meie” gevlochten, een krans van groen en bloemen, die door een paar jonge meisjes, gevolgd door een joelenden hoop, naar den baas werd gedragen “om hem met den geëindigden dorsch” geluk te wenschen, waarop een feest volgde. Handboog- en gaaischieten behooren hier nog tot geliefde uitspanningen, waarbij de koning gekroond wordt. In elk Zeeuwsch dorp bijna vindt men de “klapbank”, een plaats onder een linde of een afdak, waar de dorpsjongens ’s avonds, na afloop van den arbeid, samenkomen om te praten en allerlei nieuwtjes te bespreken; als het mogelijk is, vindt men die tegenover de smidse, waar het helder vlammende vuur in den donker licht werpt op de verzamelplaats.Eigenaardig zijn de dorpsjongelingen-vereenigingen, een soort van jongelieden-gilden, met een bestuur en bijeenkomsten, soms ook terloops op de “klapbank”, en door wie de zaken van algemeen belang voor ’t jonge volkje geregeld worden. Wanneer een jonkman uit een naburig dorp komt, om een meisje te vrijen, zal de jongelings-vereeniging zich daarmede bemoeien, en de huwelijkskandidaat wordt niet toegelaten, vóór hij van haar toestemming heeft verkregen, een toestemming die gemakkelijk gekocht kan worden tegen een tractatiegeld.Een schaduwzijde van de maatschappelijke toestanden op vele Zeeuwsche eilanden is, dat rijke Belgische heeren hier eigenaars van groote boerenplaatsen trachten te worden, zoodat de Zeeuwsche boeren voor een groot gedeelte pachters zijn. Die vreemdelingen, “poepen” genoemd, ziet men niet gaarne; als uitlanders deelen zij niet in de lasten en staan zij in geen nauwe betrekking tot hun pachters, zoodat het hun eenige doel is, van de “Zeeuwsche renten” te profiteeren.Wij zetten thans ons tochtje voort naar het eiland Walcheren.
V. Zuid-Beveland.Wie met den spoortrein van Bergen-op-Zoom naar Goes reist, volgt eerst korten tijd in zuidelijke richting den hoogen landzoom, waarmede Noord-Brabant aan Zeeland grenst. Doch na weinige minuten verlaat de spoorweg het afwisselende, heuvelachtige gebied der diluviale zandgronden, en wanneer men op eenigen afstand links op een hoogte het schilderachtige kerkje van Woensdrecht op een heuvel ziet liggen, buigt de weg zich naar het westen. Binnen weinige oogenblikken bevinden wij ons daarna op den spoorwegdam, die sedert 1867 de Ooster-Schelde van de Wester-Schelde afscheidt en Zuid-Beveland met het vasteland heeft verbonden.De dam, die bij den aanleg nog te midden van de wel is waar ondiepe wateren lag, wordt thans aan beide zijden reeds ingesloten door uitgestrekte gorzen, met gras en zeekraal begroeid, welke alleen bij hoogen vloed onder water komen en op verderen afstand overgaan in de naakte slikken, glibberige grijs-zwarte banken, die bij de eerste eb in de zon glinsteren door den vochtigen slijkbodem en de plassen, welke er overal op verspreid liggen. Eentonig, zonder eenige verheffing, effen als de waterspiegel, terwijl geen boom of hooge plant zich hier vertoont, breiden de gorzen zich uit in de Ooster-Schelde. Alleen wordt de effene oppervlakte afgebroken door kronkelende waterloopen, die in zonderlinge bochten door de gorzen slingeren en met steile oevers er enkele voeten diep in doordringen. Deze riviertjes zijn ontstaan en worden onderhouden door het afloopende ebwater, dat na hooge vloeden wegloopt van de gorzen, doch bij de na-eb zijn zij veelal zoo goed als droog. Het vee en de schapen, die op de gorzen weiden, moeten hierop letten en, als de vloed opkomt, op de hoogste gedeelten of op de dijken van het land een toevluchtsoord zoeken.Van de hoogste aanslibbingen, de gorzen nabij het land van Noord-Brabant, zijn er reeds onderscheidene ingepolderd ten zuiden van den dam, die door dijken bij het land werden gevoegd. Ten noorden van den dam gaat de landaanwinst niet zoo snel voort, sedert de Schelde geen slibstoffen meer aan de Ooster-Schelde toevoert na het leggen van den dam.Hoewel de aanslibbing langs de Ooster-Schelde thans zeer gering is, zienwij toch uit den trein, die in het eerst dicht langs den noordelijken dijk van Zuid-Beveland loopt, dat zich hier groote platen uitbreiden in de Ooster-Schelde, welke bij hooge vloeden geheel wegduiken onder de wateren.Het gebied, dat wij daar vóór ons zien liggen, een slijkvlakte van twee uren breed en ongeveer vier uren lang, is, helaas! een terrein, waarop de mensch in zijn strijd tegen de natuur een nederlaag heeft geleden; hier heeft vóór eenige eeuwen de zee tegen de Zeeuwen een slag geleverd, waarbij zij met zware verliezen werden teruggedreven, om eerst daar stand te houden, waar zich thans de hooge dijk verheft. Buiten dien dijk ligt het “Verdronken land van Zuid-Beveland”, zooals de kaarten het aanduiden, en daar ver over de watervlakte, op niet grooten afstand van de kust van het eiland Tolen, op de Speelmansplaat, liggen de fondamenten van de oude stad Reimerswaal. Op de ruïnen van dit vernielde landschap oefent de Iersekesche oestervisscherij thans haar bedrijf uit.Groote veranderingen hebben op dit oostelijke, smalle gedeelte van Zuid-Beveland plaatsgegrepen in den loop der eeuwen. In geen gedeelte van Zeeland is zooveel land aan de golven ten offer gegeven, dat nooit herwonnen werd, als hier. Omstreeks het jaar 1200 had het land in het oostelijk gedeelte een uitbreiding naar het noorden ongeveer tot een rechte lijn, welke men van Bergen-op-Zoom naar Wemeldinge kan trekken. Ook naar het zuiden was Zuid-Beveland destijds veel breeder en in het oosten was het eiland door een arm van de Schelde van Noord-Brabant gescheiden.Dit gedeelte van Zuid-Beveland, ten oosten van Ierseke, heette oudtijds Oostwatering of “beoosten Ierseke” en het overige Westwatering. Het oude Oostwatering was geheel een polderland, bestaande uit afzonderlijke bedijkingen, welke aan elkander sloten.Wie voor een viertal eeuwen stond op een hoogte bij Ierseke en naar het oosten blikte, zou daar op korten afstand vóór zich den toren van Kouwerve en van Duivenee hebben zien verrijzen, en verderop de spitsen van het klooster Mariënhof, de torens van Nieuwerkerk, den ouden en sterken ridderburcht Lodyke, die met de heerlijkheid aan een der heeren van Reimerswaal behoorde.Nog verschillende andere dorpen zouden hier van verre in het vruchtbare land gezien zijn geworden, als: Machole, Broecke en Kreecke; Steenvliet, Everwaarden, Schaudee, Nieuwlande, beide laatstgenoemde met bevoorrechte jaarmarkten begunstigd en met een voor die tijden niet onaanzienlijken handel, en andere. Maar wie het land beschouwde met helderen blik, zou er met groote bezorgdheid vele meer of minder diepe kuilen en plassen in den bodem bemerkt hebben. Dat waren de veengaten, waaruit de zoutbranders het zoutveen hadden gegraven, om dit te branden, en die om de voordeelen van het zout den bodem vernielden.De belangrijkste plaats in dit landschap was Reimerswaal of Romerswaal, eenbelangrijke stad, aan de toen nog niet breede Ooster-Schelde gelegen, tegenover Schakerloo op Tolen, waarnaar een overzetveer bestond. Reimerswaal was een oude stad, omtrent welker ontstaan echter niets bekend is, en werd als een der voornaamste steden van Zeeland beschouwd. In 1374 werd Reimerswaal door Hertog Albrecht van Beieren omwald, waarna de voorrechten, door onderscheidene graven aan de stad verleend, aan de burgers een aanzienlijke welvaart deden toevloeien. In 1315 had de stad het voorrecht verkregen, dat alle goederen, die van Zeeland naar Brabant of omgekeerd werden vervoerd, te Reimerswaal ter markt gebracht moesten worden. Rudolf van Diepholt, de 53ebisschop van Utrecht, schonk in 1449 aan de stad Reimerswaal het kerkelijk rechtsgebied over geheel Zuid-Beveland.Die weelde bracht de bevolking telkens tot overmoed. In 1454 overviel en verdreef zij zelfs de regeering uit de stad, en voor dit misdrijf werd haar door den stadhouder Karel van Bourgondië alleen na voldoening van zekere boete vergiffenis geschonken. De burgers moesten, volgens berichten, barrevoets en blootshoofds in hun hemd zich voor den Stadhouder verootmoedigen.Steeds nam Reimerswaal nog toe in bloei en vermeerderden zijn voorrechten. Maria van Bourgondië schonk de stad verschillende privilegiën, in 1477 o.a. dit, dat de dijkgraven van Oostwatering altijd in deze stad moesten wonen. Karel V vergunde der stad, dat de schepenen er dagelijks recht zouden spreken, in plaats van driemaal per week, wat voorheen het geval was, ten gerieve van den grooten toevloed van kooplieden. In 1559 ontving Filips II als graaf van Zeeland in Reimerswaal nog de hulde van dit gewest, welke huldiging volgens sommige schrijvers steeds in deze stad zou zijn geschied.Maar dreigende machten stormden weldra te vuur en te water los op het rijke Reimerswaal en zijn omstreken. Een vreeselijke brand had reeds in 1520 meer dan 300 huizen en pakhuizen in de stad vernield. Toch herstelde de koopstad zich spoedig weder.Maar daarna kwam de vreeselijke overstrooming van 1530. De Novemberstorm van dat jaar joeg de wateren der zee op in de Zeeuwsche monden en over bijna geheel Zeeland, maar ook elders hadden zware overstroomingen plaats. Het vreeselijkste lot trof Zuid-Beveland, dat bijna geheel onder water werd gezet. Het binnenstroomende water vernielde het door het uitmoeren reeds half verwoeste land geheel, en in het noordoosten bleef alleen Reimerswaal met een poldertje, gezamenlijk door een eigen dijk ingesloten, als een afzonderlijk eilandje gespaard. Bijna al het overige land van Oostwatering ging geheel te loor.Reimerswaal zette helaas! zijn zoutbranderij nog voort, waartoe de “wilde moer” bij de stad het veen leverde, en had in 1541 nog vele zoutketen, waar zout werd bereid.Door dit landvernielen werd de algeheele ondergang van het laatste overblijfsel lands in het verdronken land bevorderd. De beide watervloeden van Januari en Februari 1551 vernielden den dijk en deden het poldertje bij de stad, als ook de stad zelf, onderloopen. Wel werden de dijken weder hersteld, maar in 1555 had er nogmaals een overstrooming plaats, waardoor de polder om de stad verloren ging. Reimerswaal was thans niet meer dan een stad-eilandje, welks muren reeds onmiddellijk door water werden ingesloten. De stormvloed van 11 en 12 Januari 1557 tastte de stad zelf opnieuw aan; de poorten en muren werden vernield, de plaats liep onder, en de meeste huizen, benevens het stadhuis, kerken en kloosters, bezweken voor de kracht der woedende golven. Slechts weinig bleef van deze aanzienlijke stad gespaard en dit laatste werd nog te gronde gericht door een fellen brand in het volgende jaar.Toch hield een gedeelte der bewoners nog stand, worstelende tegen de elementen. Maar nadat de watervloeden van 1561 en 1563 de overgebleven stadsgedeelten weder geteisterd hadden, drongen de bewoners aan op hulp bij de Staten van Zeeland en den Prins van Oranje. Men beschouwde echter den toestand van Reimerswaal als onherstelbaar; de bewoners moesten zich redden, zooals zij konden, en toen in 1573 Zeeuwsche krijgsbenden het laatste overblijfsel der stad belegerden, innamen en vervolgens, wijl de stad niet meer tegen de Spanjaarden te verdedigen was en zij haar evenmin aan den vijand in handen wilden laten vallen, in brand staken, was het lot van Reimerswaal voorgoed beslist. De plaats werd in 1574 geheel ontmanteld; de bewoners, verarmd en ontmoedigd als zij waren, verlieten de sombere plek, die steeds door overstrooming bedreigd werd; de regeering der plaats deed vrijwillig afstand van den rang der stad, die niet meer onder de vijf goede steden verscheen op de statenvergaderingen der provincie, en er bleven slechts enkele visschershuizen over in de verlaten stad, een ruïne te midden der golven.De overgebleven burgers hielden stand tot 1631, toen een 4000-tal Spaansche soldaten, die bij een sloepgevecht op het verdronken land van Zuid-Beveland gevangen genomen waren, op Reimerswaal waren gebracht, om daar bewaard te worden. Bevreesd voor den overlast van het krijgsvolk, vertrokken de laatste bewoners uit de stad, die hun niets meer aanbood. Zij vestigden zich meest in de stad Tolen, waar zij zich nauw aan elkander sloten en lang een afzonderlijke volksgroep vormden, die allengs opging in de Tolenaars. Hoofdzakelijk vonden zij hier in de mosselvangst een bron van bestaan.Spoedig ging Reimerswaal nu geheel te gronde. In 1634 werden de straatsteenen door de Staten bij openbare veiling verkocht voor 1081 gulden, welk bedrag onder de schuldeischers bij preferentie verdeeld werd. Daarmede was de eens zoo roemrijke stad, waarvan Hofferus in het op haar in ’t Latijn gedichte grafschrift zeide:“In haar gaf eens de vorst, tot hoog bestier ontbodenVan ’t vrije recht, aan ’t volk zijn woord van trouw en eer”,doelende op Filips II, voorgoed vernietigd. Al te fel bestookt door de gramschap van twee goden, nl. van Thetys en Vulkaan, was het een insolvente boedel geworden, door de schuldeischers verkocht.In de Ooster-Schelde, niet ver van Tolen, op de zoogenaamde Speelmansplaat, wordt de plek nog aangewezen, waar eens Reimerswaal gevonden werd. Een tochtje naar de niet ten onrechte als “groot kerkhof” aangeduide plek, met een zeilboot van Tolen uit, is altijd een groote aantrekkelijkheid en wordt dikwijls gedaan.Als men de Eendracht uitzeilt en vervolgens naar het westen koerst, ziet men ten zuiden van het diep, dat langs de zuidkust van Tolen loopt, bij eb weldra een plaat opglinsteren. Dat is de Speelmansplaat, die zich met de plaat “de Vogelaar” als een arm naar hetN.W.uitstrekt. Hier kan men bij laag water de overblijfselen van Reimerswaal nog zien. Een lange rij van palen, die noordwaarts zich in het diep verliest, wijst nog op de haven; dwarsbalken en planken verbinden enkele palen nog. Groote steenen, vrij regelmatig geplaatst, wijzen er op, dat hier eenmaal een druk veer was op het eiland Tolen. Op dat eiland vindt men bij Schakerloo door de polders een weg, die den naam van “Veereweg” nog draagt. Op de plaat ziet men een vreemde grondstof, die voor selkasch, een overblijfsel van het zoutbranden, gehouden wordt. De richting der straten kan men nog goed onderscheiden, daar fundamenten van gebouwen nog zichtbaar zijn. Blauwe schalien, de vroegere dakbedekking, groote moppen, zooals eertijds de steenen gebakken werden, potscherven, enz. liggen overal verspreid. De plaats, waar eens de groote parochiekerk stond, is nog duidelijk te zien; de ingeheide palen, waarop de pilaren en muren rustten, wijzen haar plaats aan; zelfs ligt nog een gedeelte van den kerkvloer bloot. Bij opmeting bleek, dat de lengte der kerk 25 Meter bedroeg, de breedte 15 M.In de nabijheid hiervan vindt men het kerkhof, thans door zand bedolven. Wanneer de golfslag het zand wat losgewoeld heeft, kan men den doodenakker duidelijk onderscheiden door overblijfselen van doodkisten, van geraamten, enz. In 1883 verrichtte Dr. Sasse hier nog opgravingen; hij vond hier onderscheidene merkwaardige schedels, die hij voor anthropologisch onderzoek bewaarde. Tal van pottebakkerijen en ook leerlooierijen schijnen hier eens gevonden te zijn; looierskuipen, waarin nog run aanwezig is, wijzen op dit bedrijf.De legende heeft ook de geschiedenis van Reimerswaal omhuld met haar dichterlijk waas. Ook hier wordt gesproken van een meermin, die den vloek uitsprak over de stad, een verhaal, dat ook elders is gelocaliseerd. Dat Reimerswaal eens een aanzienlijke stad was, kan niet betwijfeld worden; de volksoverlevering, dat deweelde hier zoo ver was gegaan, dat gouden kloppers de deuren versierden en de paarden met zilveren hoefijzers beslagen waren, echter wèl.Na een korten tijd toevens moeten wij de verzonken stad weer verlaten. De eb is voorbij; de wateren der Schelde rijzen; zij stuwen voort over de platen, en als wij weer met ons scheepje dobberen, zien wij den grondslag van Reimerswaal op nieuw bedolven onder de wateren, die spelemeien in lustigen golfslag over het groote kerkhof.Door de overstroomingen, welke Reimerswaal te gronde deden gaan, was er ook van Oostwatering slechts weinig overgebleven. Eerst in 1594 tot ’96 werden de Monniken-, Maagde- en Nieuw-Krabbendijkerpolder weder drooggelegd. Enkele polders van het ondergeloopen land werden weder gewonnen, doch op de kaart van Hattinga, in 1747 genomen, was de Oud-Mairepolder het oostelijkste punt van het eiland (ongeveer ten zuiden van Krabbendijke). Ten oosten daarvan lag een breede vlakte van gorzen, schorren en slikken, met enkele geulen en waterspranken doorsneden, die zich tot het hooge land van Noord-Brabant uitstrekte. De geheele streek, die de spoorweg van Woensdrecht naar Krabbendijke doorloopt, is na 1740 ingepolderd en bestaat uit jonge dorpen, langs de polderdijken gebouwd.Vóór wij ons afwenden van het verdronken land, moeten wij nog een historische gebeurtenis in herinnering brengen, die zich hier afspeelde op deze schorren. Het was in het jaar 1572, toen Goes door de Watergeuzen onder Tseeraerts belegerd werd, dat Christoval de Mondragon, een wakker Spaansch krijgsman, besloot de stad te ontzetten. Met 3000 man, Walen, Spanjaarden en Duitschers, maakte hij zich daartoe op, ging te Bergen-op-Zoom scheep en zette zeewaarts koers, als wilde hij de Zeeuwsche vloot aantasten. Maar op het voorstel van Dirk Bloemaert, een Noord-Brabanter van geboorte, die bekend was in deze streken, werden zij weldra weder ontscheept, om den tocht over het verdronken land te volbrengen. De afstand van de Agger aan den Brabantschen wal tot het oude land van Valkenisse bedroeg ongeveer vier uren: een aaneenschakeling van slikken en ondergeloopen land, met kreken doorsneden, ’t Was een gevaarlijke tocht, maar het waagstuk werd ondernomen.Toen ze op de Agger stonden, werd elk der manschappen een zakje met mondvoorraad en krijgsbehoeften uitgereikt, om aan den hals te hangen; de schroomvalligen werden aangemoedigd door het vooruitzicht op den roem en den rijken buit en men trad te water, om te voet Zuid-Beveland te bereiken. Wel was het eb, maar toch moest men tot de knieën, soms tot het middel, door het water waden. Bloemaert ging met Mondragon voorop, daarna volgden de Spanjaarden, verder de Duitschers; de Walen vormden de achterhoede. Het was een verwonderlijk schouwspel, die drieduizend krijgsknechten daar halverwegeboven het water te zien plassen. Maar het geluk begunstigde de stoutmoedigen; slechts negen man verdronken in de diepere geulen en toen het middaggetij zijn volle hoogte bereikt had, betraden de laatsten den dijk bij Krabbendijke. Ook het verdere van den tocht liep gunstig af voor Mondragon en Goes viel door deze kloeke onderneming weer tijdelijk in handen der Spanjaarden.Is de daad van Mondragon een moedige onderneming der Spanjaarden geweest, die wij niet mogen verzwijgen, daarginds bij Reimerswaal had nog een dappere daad plaats, die de onversaagdheid der Zeeuwen in het licht stelde. Toen Requesens Alva in de Nederlanden opvolgde, wilde hij, in tegenstelling met zijn voorganger, de Nederlanders ook op zee bestrijden. Dertig zware schepen, aangevoerd door den bekwamen d’Avila, zouden langs de Wester-Schelde naar Walcheren zeilen en zeventig smakken, aangevoerd door Glimes en Romero, moesten van Bergen-op-Zoom de Ooster-Schelde afkomen.Die krijgstoerustingen tegen Walcheren kwamen Oranje ter oore; hij ijlde naar Vlissingen en verzamelde de Hollandsche en Zeeuwsche zeemacht onder Lodewijk van Boisot, die de Ooster-Schelde opvoer. Voortgestuwd door een noordwester koelte, ontmoette Boisot de vloot van Glimes bij Reimerswaal; bij ’t Lodyksche Gat kwamen de vloten binnenschots. Een moorddadig vuur kostte velen der onzen het leven en Boisot verloor een oog. De Spanjaarden sprongen zelfs op zijn schip over; er ontstond een hardnekkig gevecht, dat weldra, daar nu ook de andere vaartuigen aanklampten, algemeen werd. Hier volgde Jasper Leunszoon van Zoutelande de daad van Jan Haring; hij haalde de vlag van het admiraals-schip van Glimes en bracht die behouden bij de zijnen. Romero deed een nieuwe vlag hijschen, enterde aan de andere zijde van het schip van Boisot, die eindelijk, toen hij een zestigtal vijanden had te bestrijden op zijn schip, de lont in ’t kruit stak, om zich niet over te geven. Doch hiermede werd ook het pleit beslecht; Romero, juist gered, vluchtte met zijn volk naar Tolen, waar Requesens met zijn hofstoet op den dijk in koude en regen het schouwspel stond aan te zien. De Zeeuwen veroverden of verbrandden verscheidene schepen, en het veroverde Spaansche geschut werd naar Walcheren opgebracht. D’Avila, die op de Wester-Schelde bij Breskens het tij liet verloopen, trok na het vernemen van de nederlaag bij Reimerswaal terug naar Antwerpen, zonder iets te hebben verricht. Zoo bleef Walcheren voor den Prins behouden. Ook over de platen van dit verdronken land klinkt de geschiedenis van den roem van Nederlands dapperen.Wanneer wij onzen tocht met den trein voortzetten, gaan wij voorbij Krabbendijke, een dorp, dat in 1591 na hernieuwde bedijking weder ontstaan is en zich ten noorden en ten zuiden van de spoorweglijn uitbreidt; nabij den zuidelijken dijk van het eiland verrijst in het geboomte het oude dorp Waarde.Ook dit dorp is niet meer, wat het in de middeleeuwen was, toen zich hier een sterk kasteel verhief naast de kerk, die destijds veel grooter was, en er een proostdij der Tempelieren gevonden werd, welke later aan de Maltheser ridders kwam. Het eens aanzienlijke dorp is afgenomen en het grondgebied is ten zuiden door vele overstroomingen sterk afgeslagen.Vervolgens loopt de spoorweg op ongeveer een kwartier afstands van Kruiningen, thans een der grootste Zeeuwsche dorpen en een der schoonste van het eiland, met ruim 1200 bewoners binnen de kom, aan een kruispunt langs eenige wegen gebouwd, te midden van flinke boomgaarden en bouwlanden. Kruiningen is nog van oude dagteekening; in de 13eeeuw was het reeds als een vrijheerlijkheid bekend en de bezitters dier heerlijkheid werden in het begin der 15eeeuw erfburggraven van Zeeland. Ook bezat de heerlijkheid reeds vroeg een eigen schepenbank en afzonderlijke keuren, week- en jaarmarkten. De heeren van Kruiningen hadden hun slot, het kasteel van Kruiningen, achter de kerk. Het was een gebouw uit de 13eeeuw, eens zeer aanzienlijk; in 1612, na ’t overlijden van Maximiliaan van Kruiningen, die geen mannelijke nakomelingen naliet, is het in verval geraakt en in 1720 moest het worden afgebroken.Ongeveer tegenover Kruiningen loopt van den spoorweg de weg naar Ierseke, een dorp, langs den dijk gebouwd en door boomgaarden ingesloten. Aan den waterkant van Ierseke vindt men talrijke oesterputten, die een belangrijke bron van bestaan zijn voor deze plaats en een eigenaardig bedrijf.Ook Ierseke is een oude plaats, die in den tijd, toen de overstroomingen het oostelijk gedeelte van Zuid-Beveland nog niet verwoest hadden, met Reimerswaal en Goes kon wedijveren en evenals deze steden uitgebreide tolvrijheid, een Woensdagsche weekmarkt bezat en ook met jaar- en paardenmarkten begunstigd werd. Te Ierseke was zelfs eens het onderdekenschap van het westelijk deel van Zuid-Beveland gevestigd, dat Goes in 1413 wist te verkrijgen. Op het uiterste van den oostkant van het eiland tegen den dijk gelegen, die Oost- en Westwatering van elkander scheidde, lag het destijds als middelpunt van een bloeiende streek zeer gunstig, doch na den ondergang van Oostwatering is het zeer vervallen.In de 19eeeuw zijn de oesterteelt en oesterhandel voor Ierseke een bron van afwisselenden bloei geworden. Wij willen hierbij een kort overzicht geven van de geschiedenis der oestercultuur.De eigenlijke oestercultuur, nl. wat men thans daaronder verstaat, dagteekent in Zeeland van 1870. Evenwel is de oesternijverheid in Zeeland al van veel ouderen datum. Langen tijd was Zieriksee het middelpunt van dezen handel. Job Baster, de bekende geleerde Zeeuw uit de laatste helft der 18eeeuw, zegt, dat er destijds te Zieriksee veel Engelsche oesters verhandeld werden, aldusgenoemd, omdat het grootste gedeelte daarvan jaarlijks met schepen hier te lande gebracht werd. De zoogenaamde “oesterhaalders” voerden uit Engeland in dien tijd de oesters aan, welke daarna in oesterputten, groote, met grenen planken bevloerde bakken, waarin 4 à 6 voet zeewater stond, geplaatst werden, waarin het water met elk getijde ververscht werd. Na 6 à 10 dagen werden de oesters dientengevolge geschuurd, d.i. van alle slib en vuiligheid, die zij uit Engeland medebrachten, gezuiverd en schoongemaakt en daarna in tonnen ter verzending ingekuipt.Oesterperceel te Ierseke.Oesterperceel te Ierseke.Ook werden in dien tijd al kleine oesters uit Engeland aangevoerd; de oesters, die te klein waren, om verzonden te worden, werden uitgeschoten, bewaard, en in zee op die plaatsen gezaaid of uitgestrooid, welke men geschikt achtte voor verderen groei. Deze platen in zee noemde men oesterbanken. Zelfs kleine, jarige oestertjes, broed genoemd, werden op die wijze gezaaid. Omdat de oesters hier niet zoo sterk voortteelden, werd elk jaar met een opzettelijk daarvoor bestemd schip, dat doorgaans in het laatst van April aankwam, oesterbroed uit Engeland gehaald.Van de bij Schouwen en Duiveland liggende oesterbanken werden in den herfst en in den winter de oesters gevischt en de kleine weder in zee geworpen. De groote werden in de oesterputten schoongemaakt en gezuiverd, in vaten verpakt en verzonden. Dat waren de Zeeuwsche oesters, die de Engelsche overtroffen.Of de Zeeuwsche wateren in historischen tijd steeds oesters voortbrachten, dan wel, of deze dieren zich later hier vertoonden, is niet zeker te zeggen. Boxhorn verhaalt in zijn Kroniek van 1644, dat zich in 1620 aan de zuidkust van Schouwen oesterbanken vertoonden, van welke de burgers van Zieriksee menigmaal oesters haalden, maar toen Smallegange in 1696 de Kroniek van Zeeland uitgaf, schreef hij, dat, ofschoon de oesterbanken geheel waren verdwenen, zij de aanleiding geweest waren van den Zierikseeschen oesterhandel, die sedert dien tijd de oesters uit Engeland liet komen.ZEELAND OMSTREEKS 1280ZEELAND OMSTREEKS 1280Verkleinde afbeelding der kaart van LIEVEN VAN THUYNE.“Dese charte is de double van eene ghelijcke charte bij mij, ondergheschreven ghesworen Landtmetere der stede van Ghendt, ghetrocken naer d’originele, berustende int secreet ’s Landts van den Vrije, int selve secreet gevonden ende daeruyte ghelicht ter ordonnantie haerlieder ssme Hoogheden, bij Mr.Jan van Blooijs,raet ordinaris van deselve haerlieder Hoogheden int jaer MDCX (XVIethiene), mij ’t oorconde.”(Get.)Lieven van Thuyne.In het oostelijk deel der Ooster-Schelde kunnen op zijn vroegst de oesterbankengevonden zijn in het laatst der 17eof het begin der 18eeeuw, maar in 1784 wordt voor het eerst melding gemaakt van oestervisscherij op de banken beoosten Ierseke. Oorspronkelijk was het visschen van oesters daar alleen aan visschers uit Zeeland vergund, doch in 1799 werd het recht daartoe allen Bataafschen burgers toegekend. In 1805 kwam de visscherij op de wateren van Zeeland aan het Departementaal Bestuur, in 1820 onder het Domeinbestuur, en in 1825 werd daarvoor een speciaal college in ’t leven geroepen, dat van ’t Bestuur van de visscherijen op de Schelde en “Zeeuwsche stroomen”, hetwelk nog bestaat.In 1870 werd bijK. B.bepaald, dat de natuurlijke oesterbanken van de Schelde en de Zeeuwsche stroomen aan de publieke visscherij onttrokken en in ’t openbaar in perceelen verpacht zouden worden.De vrije visscherij van oesters, zooals die vroeger bestond, nam af; na 1886 vond ze op de Ooster-Schelde niet meer plaats. Op de Grevelingen vóór het Dijkwater is ze weer opgevat. Thans kan men echter zeggen, dat al het op de Schelde en Zeeuwsche stroomen voor schelpdieren in aanmerking komende water verpacht is, met uitzondering der Wester-Schelde, waar ingevolge de regeling met België verpachting niet mogelijk is. De beste perceelen werden gepacht door maatschappijen of naamlooze vennootschappen, die zich op de oesterteelt toelegden. En daarvoor is Ierseke de belangrijkste plaats.Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.Vóór 1870 had de oester-industrie in Zeeland zich bepaald tot het visschen en rapen van oesters en het tijdelijk neerleggen op daarvoor geschikte gronden of daarvoor ingerichte putten van uit den vreemde, uit Engeland of Schotland aangevoerde oesters. Omstreeks 1850 waren er in Zeeland 5 voorname oesterputten: één te Vlissingen, één te Veere, één te Zieriksee en twee te Bruinisse. Ongeveer 200 visschers hielden zich in dien tijd daarmede bezig. Vooral van Tolen, Bruinisse en Arnemuiden uit werd in dien tijd de oestervisscherij op de Ooster-Schelde gedreven.Na 1870 was het hoofddoel der oester-cultuur meer oesters te verkrijgen, zoowelvoor den verkoop als voor de teelt van volgende jaren. De cultuur bestond in den aanvang voornamelijk in het opvangen van broed op de daartoe gepachte perceelen. Voor dat opvangen gebruikte men takkenbossen, gekalkte buizen, gekalkte dakpannen, enz.; de laatste voldeden het best. Snel breidde zich het gebruik van dakpannen op de perceelen eerst uit, doch omstreeks 1900 verminderde dit weder. Daar er genoeg broed valt op de banken en de voorwerpen, die zich van nature daarop bevinden, voldoende zijn voor de aanhechting van het broed, zijn deze dure hulpmiddelen niet meer zooveel noodig.Over ’t geheel heeft in de laatste jaren de teelt van oesters op deze banken veel van het kunstmatige verloren, daar ook de kweekbakken verminderd zijn; zij bepaalt zich tegenwoordig bovenal tot het opkorren en sorteeren van de oesters en het overbrengen daarvan naar andere perceelen, waar men een snelleren groei kan verwachten. De Iersekebank is bovenal het terrein voor het vet worden der oesters; op de Bergsche bank (Bergen-op-Zoom) valt veel broed, en zoo hebben de verschillende banken hun eigenaardigheden.De oester-cultuur heeft sterke fluctuatiën ondergaan, niet alleen in de produktie, maar ook in de prijzen. De grootsche verwachtingen van de rentabiliteit, eens dienaangaande gekoesterd, zijn niet vervuld voor de maatschappijen, die hier optraden. Daarmede schommelde ook de welvaart van Ierseke. In de laatste jaren daalden de prijzen sterk en was de vraag naar Zeeuwsche oesters minder, mede als gevolg van de slechtere hoedanigheid van het produkt. Er schijnt een overproduktie te zijn bevorderd, welke de qualiteit deed achteruitgaan. De verbetering daarvan is een belangrijk vraagstuk.Wij mogen ons hier niet langer ophouden, maar stappen weder in den trein, passeeren het Kanaal van Hansweerd naar Wemeldinge, dat in 1867 is voltooid, om de Ooster- met de Wester-Schelde te verbinden, sedert de spoorwegdam gelegd is—een recht kanaal, door hooge dijken ingesloten, dat als het ware over het land heen loopt—en reizen ineens door naar Goes, om van hier het westelijk Zuid-Beveland nader te bezoeken en te doorwandelen.In het Land van Ter-Goes.Wij bevinden ons thans in het hart van het tegenwoordige Zuid-Beveland, dat naar de stad van dien naam bij het landvolk veelal als het Land van Ter-Goes wordt aangeduid. Goes vormt hier vrijwel het geographisch centrum van het land en was sedert lang het economische- en handels-centrum van het eiland, zelfs het wetenschappelijk middelpunt van dit gebied.Het geographisch centrum van westelijk Zuid-Beveland is Goes echter nogniet zeer langen tijd. Van de steden van het oude Zuid-Beveland en van Zeeland in ’t algemeen kan wel gezegd worden, dat zij niet zijn ontstaan in het binnenland, maar aan de randen van de eilanden langs de wateren, of daar, waar een bevaarbare waterarm dieper landwaarts liep, ook verder in het land. Het oude Zeeland heeft alles aan het water te danken: zijn kracht en energie, zijn opkomst en bloei, zijn vruchtbaren bodem en zijn welvarende steden.Reimerswaal en Ierseke, evenals Goes, lagen in hun opkomst aan zee; Vlissingen, Veere en Arnemuiden eveneens en ook Middelburg had een zeehaven, gelijk mede met Zieriksee het geval was. Waar de zee zich terugtrok, vervielen de steden veelal geheel, zooals Veere en Arnemuiden ons aantoonen, wanneer niet andere bronnen van welvaart het verlies van den handel op zee konden neutraliseeren.Goes verkeert in deze laatste gelukkige omstandigheid. Hoewel thans ver van de zee verwijderd en alleen door een gegraven haven er mede vereenigd, is Goes een bloeiende plaats gebleven, de marktplaats van het eiland, de stad, waarin zich het karakter van westelijk Zuid-Beveland concentreert.Als wij de kaart beschouwen, waarop Ab Utrecht Dresselhuis den vermoedelijken toestand van Zeeland omstreeks 1200 geteekend heeft—ook de kaart, die wij overnamen, komt daar veel mede overeen—dan zien wij, dat in dien tijd het westelijk Zuid-Beveland bestond uit een groot eiland, ten westen van Ierseke, waarop in ’t noorden Goes lag aan een water, dat Wolfaertsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidde, terwijl het eiland in het westen niet verder liep dan ’s Heer-Arendskerke. Heinkenszand lag als een afzonderlijk eilandje ten westen (niet op onze kaart) en Baarland (Borland) en Borsele vormden een of meer afzonderlijke eilandjes in het zuiden.Zeeuwsche boeren op den weg.Zeeuwsche boeren op den weg.Naar het zuidwesten had al vroeg de aanzienlijkste uitbreiding plaats. Het breede water, de Zwake, dat Borsele in ’t noorden begrensde, verlandde en werd reeds vroeg bedijkt, het laatst daarvan misschien de St.-Anthoniepolder in 1516, waardoor Baarland en Borsele met Zuid-Beveland verbonden werden.Vóór deze verlanding vormde Heinkenszand een belangrijk handelspunt, omdat de scheepvaartweg van Middelburg naar Antwerpen hierlangs liep, zoodat dit dorp een bloeiend verkeer verkreeg, hetwelk evenwel door het verlanden derwateren en de daarop gevolgde inpolderingen geheel verliep en in het begin der 17eeeuw had opgehouden te bestaan.De Schenge, de Puye en het Goesche diep, die Wolfaartsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidden, bleven nog bestaan tot 1809, toen door de indijking van den Wilhelminapolder het oostelijk gedeelte van dit water werd afgesloten, terwijl in 1874 het westelijk gedeelte van den Schengepolder werd bedijkt.Op deze wijze werd het westelijk Zuid-Beveland uitgebreid door verschillende bedijkingen en aanhechtingen van omliggende eilanden, waarvan wij slechts eenige noemden, tot het zijn tegenwoordige gedaante verkreeg. Verliezen had het eiland echter ook te lijden, doch niet zoo aanzienlijk als het oosten van Zuid-Beveland.Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het Land van Ter-Goes draagt nog de sporen van die ontwikkelingsgeschiedenis op ’t gelaat; de wateren, welke vroeger de eilandjes scheidden, kan men dikwijls gemakkelijk herkennen aan de lange, smalle polders tusschen twee hooge dijken. Op vele plaatsen evenwel is die herkenning moeilijker, omdat de wateren bij gedeelten werden ingedijkt en daardoor de vorm van het oorspronkelijke water niet altijd in dien der polders bewaard bleef.Wij vangen onze wandelingen aan in de stad Goes, een vriendelijk provinciestadje met ongeveer 7000 zielen. Zeer zeker heeft de stad haar ontstaan te danken aan de nederzetting bij een sterkte, welke op den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land aan de Gosaha werd opgeworpen en later als het slot Oostende bekend was. De huizen, die in den omtrek van dat slot gebouwd werden, vormden het dorp ter-Gosaha, waaruit volgens de meening van sommige schrijvers de naam der latere stad Goes zou ontstaan zijn.Het slot Oostende (Ostende) is waarschijnlijk door een der heeren van Borselegesticht; het verkreeg zijn naam naar de ligging op het oosteinde van het eiland. In zijn bloeienden toestand had het binnen den zwaren muur van het opperhof, behalve de woongebouwen, ook nog een fraaie, met een toren versierde slotkapel.Het slot Oostende heeft een niet onbelangrijke geschiedenis voor Zuid-Beveland en herhaaldelijk werd de belegering om de zware muren geslagen, o. a. in 1300 door Jan van Renesse, toen het door de bewoners van Reimerswaal ontzet werd. Maar de meeste bekendheid erlangde dit gebouw als de verblijfplaats van Jacoba van Beieren.Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet,Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen,Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongenEn ’t ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer,Van ’t krijgstooneel gekeerd en moe van ’t roem behalen,Een stille rustplaats zocht in ’t lommer van uw zalenEn zorgde voor ’s lands bloei en zorgde voor ’s lands eer;Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stondGraaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden,En met des lijdens last tot stervens toe beladen,Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.’t Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd,In ’t vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten,Wijl ’t opgewonden volk, bij luide jubelkreten,Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.’t Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man,Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven,In ’t zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw drevenEn, hoe door ’t lot getergd, zich zalig wanen kan.’t Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond,Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen;Vrij moog’ de storm des tijds met uwe puinen spelen,En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.R. C. H. Römer.Dit slot Oostende behoorde tot de weinige goederen, die in 1428 aan de ongelukkige gravin Jacoba van Beieren overbleven. Terwijl zij hier haar verblijf hield, trachtte zij haar leed te vergeten door den omgang met den adel en het landvolk, die de gravin gaarne hulde bewezen. Zij gaf hier wedstrijden in het gaai- of vogelschieten, waaraan zijzelf deelnam, en werd soms tot koningin vanhet feest verheven. Niet alleen door de edellieden en haar deelgenooten, maar ook door een deputatie van edelvrouwen en van het landvolk, in nationale kleeding gedost, met korte jakjes en lange rokken, het hoofd met een muts of aan de zijden loshangenden doek bedekt, werden der gravin hier huldigingsgeschenken gebracht. En deze, verrukt over zooveel trouw, zooals zij maar al te weinig had gekend, beloonde hen rijkelijk: aan de ingezetenen van vijf dorpen werd vrijheid van de vlastienden geschonken, welke vrijheden steeds bleven bestaan. Het gaaischieten is op Zuid-Beveland sedert nog een geliefd volksfeest gebleven; en bij tal van dorpen ziet men nog de hooge palen verrijzen, met een “prang” en een “hoofdvogel” in het midden gekroond, die dit bewijzen. Bovenal is dit bij de Katholieke het geval.Het oude slot van Oostende ging in het laatst der 16eeeuw over aan het geslacht Van der Goes, doch na het overlijden van Adriaan Van der Goes in 1747 werd het door de erfgenamen verkocht aan den Raad van State. De zalen, die zoo dikwijls de oude edelen met hun feestvreugde in gala hadden ontvangen, werden toen bestemd voor een militair hospitaal; in het volgende jaar werd het kasteel tot stadskazerne ingericht. Doch de oude muren werden hoe langer hoe bouwvalliger en in 1750 werd besloten, het gebouw te verkoopen. De kooper sloeg tegen den ringmuur paardenstallen op en in 1751, toen een gedeelte afgebroken en verbouwd was, verkreeg de eigenaar het recht, hier bier en drank te mogen schenken aan de landlieden. Zoo was het kasteel, waaraan de oorsprong van Goes te danken is, afgedaald tot den rang van een boerenherberg.Thans is het niets anders; enkel eenige zware muurstukken in de schuur houden de herinnering aan het kasteel levendig; onder den grond moeten nog de overblijfselen van een onderaardsche gang gevonden worden. En in den hof groeit een moerbezieboom aan den muur, welke, bijna enkel schors, op hoogen ouderdom wijst, maar toch nog vruchten draagt; deze boom zou, volgens de overlevering, nog door Jacoba van Beieren zelf geplant zijn.Huis in de 15e eeuw te Goes.Huis in de 15eeeuw te Goes.Het slot moge de aanleiding geweest zijn voor het ontstaan van de nederzetting te Goes, de ontwikkeling en bloei der plaats was niet aan het kasteel te danken. Hoezeer ook het aanzien der heeren van Oostende daalde, Goes heeft daardoor weinig geleden. De stad heeft haar bloei en uitbreiding te danken als marktplaats aan de dorpen van het eiland. Minder dan de andere Zeeuwsche steden heeft Goes zijn welvaart door de ongunst der tijden of de verlegging der wateren verloren. De handel deed Goes wel bloeien, maar het was geen internationale handel, zooals voor de steden op Walcheren en in Vlaanderen; het was de handel in produkten van en voor het eiland. Het nadeel van ’t verloopen der haven kon daardoor gemakkelijk overwonnen worden. Toen dan ook die oude haven, het overblijfsel der Gosaha, in het midden der 15eeeuw dichtslibde en niet meer op “den Diepe”uitkwam, werd die gedeeltelijk vergraven; in 1651 werd eindelijk een nieuwe haven aangelegd. Ook deze werd echter door de aanlandingen van den mond weder afgesloten van het buitenwater, en toen in 1809 de Wilhelminapolder in de Schenge was afgedamd, moest het havenkanaal verlengd worden, wilde Goes niet van het buitenwater worden afgesloten. In 1810 werd deze verlenging voor de scheepvaart geopend, doch door ontgronding der sluis kwam zij eerst in 1819 voor goed gereed. Eigenlijk is die haven niet meer dan een kanaal, dat met een boog van de stad naar het noordoosten loopt naar het gehucht Sas-van-Goes, aan den mond bij de Ooster-Schelde. Niet ver van dien havenmond, enkele minuten noordelijker bij den noordoosthoek van het Oost-Beveland-poldertje, waar Zandkreek en Ooster-Schelde samenkomen, staat op een dijk een lantaarn ten dienste der zeevarenden. Den bekenden loods der O.-I. Compagnie, Frans Naerebout, wiens onverschrokken en zelfopofferend streven, om schipbreukelingen uit de woedende golven op de Zeeuwsche wateren te redden, zoo dikwijls met glansrijken uitslag bekroond en beroemd werd, zoodat Nierstrasz en Bellamy die daden door hun zangen vereeuwigden, zag men op zijn ouden dag dat licht ontsteken, totdat hij hier zijn bescheiden doch roemrijke aardsche taak voorgoed nederlegde, den 29enAug. 1818, in den ouderdom van 71 jaren.Het centrum van Goes vormt de Groote Markt, een flink, vierkant plein, door burgerlijk nette huizen omringd, zonder dat hun bouw zich door iets bijzonders kenmerkt. Aan den eenen kant verheft zich het stadhuis, een oud gebouw, dat in 1771 en volgende jaren grootendeels vernieuwd is. Aan den rechterkant verrijst een zware, vierkante toren, met een pui er voor en in een dubbelen, achtkanten koepel van hout eindigend, aansluitend bij een gebouw van later dagteekening. Deze toren werd waarschijnlijk in de 14eeeuw gebouwd, maar is in uiterlijk veel veranderd; toch doet hij nog eenigszins denken aan de belfroi’s uit de Vlaamsche steden, die zulk een grooten invloedhadden op het politieke leven. Van den toren te Goes valt dit laatste evenwel niet te zeggen; omtrent zijn invloed op de geschiedenis is weinig bekend. Aan den anderen hoek van het stadhuis verrijst eveneens een vierkante toren, met gebogen dak afnemend en in een achtkant houten koepeltje eindigend, terwijl op den gevel tusschen de torens wapens zijn aangebracht.Markt en stadhuis te Goes.Markt en stadhuis te Goes.Inwendig is de groote zaal van het stadhuis belangrijk; de door Geeraerts geschilderde grauwtjes van deze groote zaal zijn in 1874 door de Rijks-adviseurs voor de monumenten gered en met Rijks-subsidie gerestaureerd; de gemeente bracht daarna de zaal terug in den stijl Lodewijk XV.Het belangrijkste gebouw van Goes is de Groote kerk, ook wel Maria Magdalenakerk genoemd, een trotsch gebouwde, Gothische kruiskerk, die haar wedergade in Zeeland niet heeft. Jhr. de Stuers noemde deze kerk een der fraaiste en rijkst uitgevoerde monumenten der bouwkunst.De lengte der kerk is 66 meter, de breedte 52. Zij is verdeeld in vijf schepen, waarvan de buitenste tot kapellen waren ingericht, en heeft een breed, uitstekend transept, terwijl de koorsluiting wordt gevormd door absiden, waarvan de buitenste eigenaardig elk twee der schepen overspannen.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Het geheel der kerk vertoont den stijl der latere Gothiek en de beide transeptgevels vooral, in tuf- en bergsteen uitgevoerd, zijn zeer fraaie voorbeelden daarvan. Van binnen doet het ruim, met zijn fraai behakte kapiteelen en schijnbaar triforium, even denken aan deLeidsche St.-Pancraskerk. Alleen het koor heeft thans nog steenen gewelven, waarmede vroeger het geheele gebouw zeker bedekt was; die van het westelijk deel zijn ingestort bij den zwaren brand in de 19eeeuw.Vroeger had de kerk geschilderde glazen, waarvan thans niets meer overig is. Gelukkig is het gebouw beter onderhouden, ook al werd het van zijn sieraden ontdaan.Het is niet bekend, wanneer met den bouw der kerk is aangevangen, doch toen in den aanvang der 15eeeuw het westelijk gedeelte gebouwd werd, bestond het oostelijke reeds. Deze kerk werd in 1423 ingewijd. Het houtwerk brandde den 11enSept. 1618 af, doch werd van 1619–1621 hersteld. In 1578 kwam deze kerk aan de Hervormden.De toren loopt uit in een spits, welke een doorsnede van acht rozebladen vormt en niet hoog is.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18e eeuw.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18eeeuw.In de zoogenaamde wandelkerk ligt het stof bewaard van den Zeeuwschen kroniekschrijver Smallegange en een groote, blauwe steen, door de Maatschappij tot N. van ’t Algemeen hier in 1819 gelegd, wijst de rustplaats aan van den onverschrokken menschenvriend Frans Naerebout, den 30enAug. 1748 te Veere geboren en te Sas-van-Goes overleden, 29 Aug. 1818.Wanneer wij nog het Gothische huis op de Turfkade met zijn fraaien gevel uit het begin der 16eeeuw beschouwen en de fraaie pomp op de beestenmarkt met kinderengroep, door A. Vervoort, van 1774, dan hebben wij de merkwaardigheden van Goes bezichtigd. Oude, artistieke poorten heeft de stad niet meer; van 1855–1862 werden de West-, Koe-, Nieuwe-, Oost-, Donkere en Zuidpoort gesloopt.Doch al vindt men er geen buitengewone gebouwen, burgerlijk welvarende huizen, de verblijfplaatsen der neringdoenden, die in het marktverkeer een bron van bestaan vinden, ziet men in alle straten van Goes. Vooral de graanmarkt is de bloei der stad. Op de marktdagen is het er zeer levendig.Wij verlaten thans Goes en wandelen langs een veelal beschaduwden weg, die begrensd wordt door bouwlanden, graslanden en boomgaarden, naar het dorp Kloetinge, op ongeveer twintig minuten van Goes gelegen.Vriendelijk in het geboomte verscholen, doet Kloetinge zich reeds van verre als een fraai Zuid-Bevelandsch dorp kennen. De nederzetting is grootendeels uit flinke, doch eenvoudige huizen, gebouwd om een open plein, met boomen beplant en met een gemetselde waterkom of wed in het midden. Aan dit plein ziet men op het zuideind de kerk, een Gothische kruiskerk uit de 15eeeuw, met in lood gevatte ruiten, terwijl op het eind een vierkante toren verrijst, met fraaie, pyramidale spits, in een peer eindigend. De kerk is in den laatsten tijd geheel gerestaureerd. Het houten ribgewelf in de kerk is met apostelbeeldjes versierd en de beide transepten zijn met steenen gewelven gedekt. Het koor is bovenal fraai en rijk met colonnetten en een boogfries versierd. In de kerk vindt men vele oude grafsteenen. Rondom het godshuis is het kerkhof, met kastanjes beplant.Op een uur afstands van Goes ligt het dorp Kapelle. De nette, welvarende plaats is schilderachtig gelegen tusschen het zware geboomte, dat zich aan alle kanten verheft; uit de verte is zij reeds kenbaar aan haar 65 meter hoogen kerktoren, die statig uitkomt boven den heuvel van groen, waarin zich het dorp schijnt te verschuilen op de vlakte.De kerk van Kapelle dagteekent, volgens een opschrift boven den hoofdingang aan de voorzijde van den toren, uit het begin der 15eeeuw; zij vormt met den toren één geheel en is als een der merkwaardigste monumenten van dien aard in Zeeland te beschouwen.Het gebouw staat op een ruim terrein, de voormalige begraafplaats, thans met plantsoen begroeid en door geboomte overschaduwd; de richting der lengteas is naar het oosten; als bijna alle Katholieke kerken van vroegeren tijd is zij dus “georienteerd”. Het geheele gebouw werd in baksteen uitgevoerd met een spaarzaam gebruik van zandsteen; het heeft binnenwerks een lengte van 50 meter bij 17 meter breedte. De inwendige ruimte is verdeeld in drie schepen of beuken met een veelhoekig gesloten koor aan het middenschip, waaraan door den lateren uitbouw van een koepel blijkbaar een verdubbeling ten deel is gevallen. Een fraaie houten kap dekt als torengewelf het kerkruim. De geprofileerde ribben zijn versierd met rijk gebeeldhouwde figuren, vermoedelijk voorstellingen der Apostelen, onder baldakijns en steunende op karakteristiek gehouwen draagsteenen.Dit alles was tot voor kort, helaas! overdekt met een zwaar lijkkleed van witkalk en pleisterwerk, waaronder de fijnheid van het beeldhouwwerk geheel verborgen was, terwijl ook het schilderwerk er geheel onzichtbaar door werd. Ook van het blauw geschilderd plafond met gouden sterren, waarvan oude lieden in het dorp nog spraken, was niets te zien.Het kerkgebouw is thans gerestaureerd en in den ouden toestand teruggebracht, voor zoover dit mogelijk was. Van de oude beschilderde kerkramen zijn in de koren nog enkele brokstukken aanwezig, die slechts een vaag denkbeeld kunnen geven van het schoone geheel, dat hier vroeger werd gevonden.De toren, waarin zich de hoofdingang bevindt, heeft een vierkanten vorm; hij is afgedekt met een gemetselde spits en versierd met vier, mede gemetselde hoektorentjes, een constructie, die in ons land slechts zelden voorkomt, o. a. ook bij den toren der Oude Kerk van Delft. Omtrent de beteekenis dier vier torentjes, welke vroeger meer gevonden werden, zijn de meeningen verdeeld. Sommigen vermoeden, dat dit een teeken zou zijn van een moederkerk, anderen van een kapittelkerk. Ab Utrecht Dresselhuis ontdekte uit een testament van het begin der 15eeeuw, dat Kapelle de oudste hoofdplaats was van het dekanaat van Zuid-Beveland, en kwam daardoor tot de conclusie, dat de kerk als teeken harer waardigheid waarschijnlijk die bekroning draagt. In de kerk vindt men, behalve een fraaie schepenbank van 1674, nog een gedeelte der Gothische koorbanken, zeer waarschijnlijk dagteekenend uit den tijd, toen de kerk is gesticht.Verder vindt men er vele hardsteenen grafzerken, uitstekend gebeiteld, die niet alleen een bewijs leveren van den kunstsmaak in vervlogen tijden, maar tevens een bijdrage leveren voor de kennis der kleederdrachten uit het verleden.In het koor der kerk staat de graftombe van Philibert van Tuyl van Serooskerken, vrijheer van Tienhoven, heer van Maalstede, Kapelle, Biezelinge enz., overl. 1639, en van zijn echtgenoote Anna van Heer-Jansdam, overl. 1643. Deze edelman, die het slot Maalstede bewoonde, behoorde tot een geslacht, dat van 1398 af tot het midden der 17eeeuw een merkwaardige plaats heeft ingenomen in de geschiedenis van Zeeland. Op staatkundig gebied vervulde genoemde Philibert van Tuyl een belangrijke rol; W. te Water rekent hem onder “de Zeeuwen, door geleerdheid lofwaardig” en prijst zijn “weergalooze wetenschap in de kennis van vaderlandsche en Zeeuwsche zaken”.Op het twee meter hooge, fraai bewerkte voetstuk der tombe ligt een zware dekzerk, waarop in relief, tusschen de familiewapens en zestien kwartierschilden, de levensgroote beelden van den ridder in zijn wapenrusting en van zijn echtgenoote in een deftig, lang gewaad. Waarschijnlijk is dit grafgesteente door een Antwerpensch beeldhouwer gebeiteld. Het werk werd met veel zorg en nauwkeurigheid en in edelen stijl uitgevoerd.Jaren lang had dit alles aan verwaarloozing ten prooi gestaan, en wat de grafschenders van 1798 waren begonnen, had de tijd voortgezet. Gelukkig trok de Commissie uit het Zeeuwsch Genootschap, belast met de zorg voor het opsporen en bewaren der oude gedenkteekenen, zich dit werk in 1876 aan, en door den steun van Mr. W. R. baron van Tuyl van Serooskerken en Zuylen te Zuylen bijUtrecht werd het geheel gerestaureerd, zoodat het weder prijkt in vollen luister.Het kerkplein te Kapelle is aan alle zijden omringd door welvarende, doch eenvoudige burgerhuizen, welke geen opmerkenswaardigheden aanbieden, evenmin als het overige van het dorp. De vraag moet echter onwillekeurig bij den bezoeker van Kapelle oprijzen, waaraan dit landelijk dorp een zoo prachtig kerkgebouw te danken heeft? Om dat te verklaren, moeten wij ons terugdenken in de geschiedenis van deze plaats. Het thans zoo landelijke Kapelle, enkel bestaande van den landbouw, had in de 14eeeuw reeds bloeiende lakenweverijen, welke den naijver der Goesche burgers opwekten en, door hun concurrentie gedrukt, in den tachtigjarigen oorlog te gronde gingen. Kapelle is sedert een landbouwersdorp geworden, maar de kerk kan nog als een monument van dien vroegeren rijkdom beschouwd worden.Ten noordoosten van Kapelle lag oudtijds het kasteel Maalstede of Maelstede, dat voor een der oudste kasteelen van het eiland gehouden werd en van omstreeks het jaar 1200 moet dagteekenen. Het was een zwaar, vierkant gebouw, van voren met een voorhof en op den noordwesthoek een torentje, terwijl het van binnen voorzien was van ruime zalen en vertrekken; het was omringd door grachten en plantages. In het laatst der 18eeeuw werd dit inmiddels vervallen kasteel afgebroken.Verder noordoostelijk, nabij het kanaal van Zuid-Beveland en aan de Schelde, ligt het dorp Wemeldinge, een fraaie, in dicht geboomte verscholen plaats, hoofdzakelijk bestaande uit een lange straat. Het dorp wordt veel door schilders bezocht. Oudtijds verhieven zich in deze plaats een adellijk nonnenklooster en een convent der Tempelieren, later een bezitting der ridders van St. Jan. Het inwendig gerestaureerde oude kerkje is schilderachtig gelegen aan het eind van het dorp, op een iets hooger terrein; het bezit fraaie gestoelten en bewerkingen.Van Kapelle naar het zuiden wandelende, bereiken wij op korten afstand het dorp Biezelinge. Thans is Biezelinge een lief, eenvoudig plaatsje met een net kerkje. Eens was het een niet onbelangrijke havenplaats. In de nabijheid van het dorp lag vroeger het rijk begiftigde nonnenklooster Jeruzalem.Onze plaatsruimte laat niet toe, alle flinke dorpen van Zuid-Beveland te beschrijven of de bijzonderheden er van op te sommen. Wij wijzen hierop, om niet de gevolgtrekking uit te lokken, dat alleen de door ons genoemde dorpen een bezoek waard zijn. Men vindt er nog vele, die dit voorrecht deelen. Wij zouden kunnen wijzen op den schoonen Wilhelminapolder, die langs een prachtigen, door olmen belommerden weg langs de haven van Goes te bereiken is, waar met merkwaardige zorg delandbouw gedreven wordt en schier geen voet gronds verloren gaat, een vriendelijk tooneel van genoegelijkheid en welvaart, dat u tegenlacht.Hier, waar eens vloed en ebbe vielBij ’t ruischen van de breede baren,Daar schiep de kunst, door ’s menschen hand,Een zee van gouden korenarenRond golvend over ’t vruchtbaar land.Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Doch wij moeten ons vergenoegen met een algemeen beeld van den indruk, dien het Land van Ter-Goes maakt op den bezoeker. En dat beeld valt uit zeer ten gunste van dat gewest.Holland prijz’ zijn klaverweiden,Roeme op ’t zuivelrijke gras,Zeeland, van dat erf gescheidenDoor een woesten waterplas,Uit uw slibben, uit uw stroomen,Beurt gij, als Neptunus’ bruid,Die de baren kan betoomen,’t Hoofd ter groene golven uit!Niet, als van uw nageburen,Welig, rijk Zuid-Beveland!Schonk natuur u steile muren,Duinen van onvruchtbaar zand;Neen, o neen! maar kunst van dijken,Die u van rondom beschermt,Woekerde uw zoo vruchtbre slijkenUit de Scheld, die u omarmt.O, Zuid-Bevelandsche beemden,Vruchtbaar zonder wederga,Dat u ’t starend oog der vreemdenDiep getroffen gadesla.Zooveel duizenden gemeten,Trotsche bosschen, goudgeel graan,Staart uw dankbre ingezetenJaarlijks met verrukking aan.Dat uw hooge, breede dijken,’t Bolwerk tegen ’t golfgeweld,Vrij met trotsche boomen prijken,Spieglend zich in zee en Scheld.Zij verschuilen, zij omvattenMeekrapstoven, schuren vlas,Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten,De oogst en kiem van ’t veldgewas.Zij omvatten dorpen, steden,Lustwaranden, groot en schoon,Landbouwrijkdom stemt de zedenOp een gullen, lossen toon.Boeren, die geen reuzen wijken,Met boerinnen, rond en frisch,Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijkenKracht en vuur te trekken is.Kracht en vuur, die niet ontaarden,Schenkt hier de ijzerharde grondAan de forsche, breede paarden,’t Kouter scheurend door de klont;Of die ons in zomertijden,Onder lachen en gestoei,Door de gouden kamers rijden,Waar het lijnzaad staat in bloei.Aldus bezong een beschrijvend dichter, wiens naam ons onbekend is, in 1843 den roem van het toenmalige Zuid-Beveland. En niet ten onrechte.Al vindt men hier geen afwisseling van terreinen, de eentonige vorm van het landschap wordt allerwegen afgebroken door hooge dijken, zware bolwerken, die het krachtigste getuigenis afleggen van den strijd om ruimte, door den mensch tegen de wateren gestreden, terwijl de meeste wegen met rijen zwaar iepengeboomte beplant zijn. De ruimten binnen die dijken wordt ingenomen door uitgestrekte akkers, waarop uitstekend graan golft, waar vroeger meer het vlas zijn zachtblauw bloempje deed schemeren en waar in den laatsten tijd de bietencultuur in den zomer het geel van de tarwe met het donkergroen doet afwisselen. En daartusschen liggen de landhuizen verspreid: flinke gebouwen met hooge schuren om het graan te bergen en meestal door boomen omgeven, terwijl zoo hier en daar aan de dijken of meer in de polders de kerktorens hun spitsen uit het geboomte, dat zich in de dorpen verheft, ten hemel beuren. Schilderachtige partijen, wel niet door forsche lijnen, maar door huiselijkheid en vriendelijkheid uitmuntend, vindt men er vele. Onderscheidene dorpen worden dan ook veel bezocht door schilders, zelfs uit het buitenland, die in den kleurentoon en de lichteffecten van het land en zijn wateren de inspiratie voor hun schoonste scheppingen vinden. Een dergelijk dorp is o. a. Wemeldinge, gelijk wij zeiden.De schoonste tijd, om Zuid-Beveland te bezoeken, is de lente, als het weder gunstig is en het nieuwe leven over het land is ontwaakt. Dan geuren hier bloeiende meidorens in menigte; dan zijn de weilanden frisch en groen; op de akkers golft het koolzaad als een heldergeel kleed, geweven uit duizenden kruisbloempjes, en de boomgaarden zijn in hun rozigen feesttooi gehuld. Indien tijd wordt overal het woord van den genialen Goesenaar, Johannes Antonides, bevestigd:De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwdEn ’t veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.Vroeger bood het landschap van Zuid-Beveland nog meer afwisseling aan. Toen was ook dit eiland met tal van kloosters en kasteelen overdekt, die door hun statigen bouw en boschrijke omstreken de schoone tegenstellingen verhoogden. Wij noemen enkele. Goes had zijn slot Oostende, Heer Hendrikskinderen zijn slot Huis te-Werf; ’s Heer Arentskerke had een stout kasteel, dat uit het water oprees; men vond kasteelen of ridderhofsteden te Baarsdorp, Baarland, Heinkenszand, Nisse, Kloetinge, Kapelle, Ellewoudsdijk en elders.Doch met den adel zijn ook de kasteelen op Zuid-Beveland alle verdwenen; het is een eiland met boeren bewoners, waar Ceres den schepter voert, dien zij Neptunus ontworsteld heeft. Groote buitenverblijven vindt men zelfs op Zuid-Beveland niet meer; hier woont een ijverig arbeidende bevolking, die in de bewerking van den vruchtbaren bodem haar bron van welvaart ziet. Zuid-Beveland wordt dan ook de “korenschuur van Zeeland” genoemd, een naam, die niet onverdiend is, omdat de bouwlanden hier de beste van Zeeland zijn, de landen er veel opbrengen. De Bevelander, die wel de heerlijke atmosfeer der zandgronden miste, vond in de rijke opbrengst des lands een ruime schadeloosstelling, en drukte dat spreekwoordelijk uit: “Brabantsche lucht, maar Zeeuwsche renten”.Verder draagt Zuid-Beveland roem op zijn uitstekende boomkweekers. Den eerenaam “Paradijs van Zeeland” heeft het zeker mede te danken aan de rijke boomgaarden met heerlijk ooft, die men hier vindt, terwijl de vriendelijke, schoone vrouwen uit het Land-van-ter-Goes de gedachte aan het Paradijs nog versterken. De volkseigene kleeding wordt in deze streken nog het meest bewaard en wekt algemeene bewondering.De kleeding in het land van Goes kan als de meest schilderachtige van geheel Zeeland beschouwd worden; vooral bij de vrouwen is zij het best in stand gehouden. Zij gevoelen het, dat in hun costuum iets bekoorlijks, iets verhevens ligt, hetwelk aan hooger komaf doet denken, iets adellijks met een stamboom in het verre verleden wortelend, en leggen daarom de nationale kleeding niet af, wanneer zij in den vreemde gaan. De dienstmeisjes uit het Goesche in Den Haag, waar zij veel voorkomen, en in Amsterdam, waar slechts enkelen zijn, trekken de aandacht; niet de nieuwsgierige aandacht, welke den lachlust opwekt, zooals bij den grootstedeling te licht geschiedt, als hij den provinciaal in eigen dracht aanschouwt, maar de eerbiedige aandacht, die tot bewondering stemt voor het schoone en aristocratische, dat er uit spreekt.Wij willen hier tot afwisseling in ons reizen en trekken een kleine geschiedenis verhalen, welke duidelijk bewijst, hoezeer de Zuid-Bevelandsche meisjes in hun nationaal costuum de aandacht van vreemdelingen boeien. Het verhaal, dat waar is, betreft niemand minder dan Keizer Napoleon I. Deze bracht den 11enMei 1810 een bezoek aan den Zuid-Bevelandschen polder “Zuid-Kraaijert”, van welken polder uit de Franschen, na den terugtocht der Engelschen naar Walcheren in 1809, dikwijls, doch vruchteloos gepoogd hadden, de vijandelijke schepen uit het Sloe te verdrijven. Napoleon wilde zelf deze plek zien en had het déjeuner besteld in een hofstede, destijds bewoond door Nicolaas Willemse Honderd. Toen het déjeuner, dat in Goes was klaargemaakt, helaas! niet op tijd gebracht werd en de groote Keizer op het punt stond, gramstorig uit te barsten, wierp hij een blik op de 17-jarige dochter van den boer. Haar lief gezicht en vorstelijk Zeeuwsen costuum deden de zwarte wolk bij den machtige spoedig verdwijnen en hij beval, dat er dadelijk eieren gekookt, boterhammen gesneden en koffie gezet moest worden, maar wijl het eten nu toch op zijn boersch was, wilde de Keizer ook door een boerin bediend worden en wel door de dochter des huizes.Spoedig was het bestelde gereed en de Keizer knoopte een gesprek aan met het jeugdige boerinnetje, dat door de Fransche troepen, die hier gelegen hadden, een weinig Fransch kon spreken.Het eerste, wat de belangstellende Keizer haar vroeg, was, of zij getrouwd was. Toen het antwoord ontkennend luidde, volgde de vraag, of zij al een vrijer had? Het meisje lachte schuchter, zooals gewoonlijk met boerenmeisjes bij dergelijke vragen het geval is, en toen de Keizer aanhield, bekende zij, dat haar hart niet meer vrij was. “Dat had ik wel gedacht,” zei Napoleon en streek het boerinnetje over de wang, “gij zijt een veel te knap meisje, om niet gevrijd te worden”. “Maar,” hervatte hij verder, “laat dien vrijer loopen en ga met mij mede naar Parijs; ik zal goed voor u zorgen.” Ofschoon Napoleon dit bij herhaling vroeg en het meisje reeds bijna bezweek voor dat schitterend aanbod, bleef zij toch op het eiland: haar ouders konden niet met het plan instemmen. Toen Napoleon echter vroeg, waarom zij niet huwde, antwoordde het boerinnetje, dat haar minnaar nog geen middel van bestaan had. Napoleon was zoo getroffen door het bekoorlijke gezichtje, dat hij haar vroeg, wat er aan ontbrak. Zij vertelde hem, dat dit ongeveer ƒ 300 ’s jaars was. “Welnu,” antwoordde de Keizer, “gij moogt wel iets hebben, omdat gij ons goed bedient.” Napoleon beloofde nu het meisje, haar jaarlijks ƒ 300 te zullen uitkeeren en als zij getrouwd was het dubbele, terwijl hij haar als handgeld twee dubbele gouden Napoleons schonk.Werkelijk moet dit meisje als loon voor haar vriendelijk optreden bij den Keizeren voor haar bekoorlijkheid het eerste jaar dit bedrag hebben ontvangen, doch de val des Keizers deed het jaargeld spoedig voor de Zeeuwsche schoone verloren gaan.De Zeeuwsche costuums te beschrijven is voor een niet-Zeeuw, ook al heeft hij hun land in alle richtingen doorkruist en veel met het volk omgegaan, een moeielijke taak, vooral waar de costuumkunde niet tot zijn eigenlijke studie behoort. Doch door het gelukkig denkbeeld der Zeeuwen, om bij het bezoek vanH.H. M.M.de Koningin en de Koningin-Regentes op 21 Aug. 1894 aanH.H. M.M.de echt nationale kleederdrachten te toonen en in een beschrijving te verduidelijken, een boek, waarvan slechts weinige exemplaren gedrukt werden, zijn wij in staat, hieraan een en ander te ontleenen, dat betrouwbaar is en op nauwgezette kennis berust. Aan Dr. J. C. de Man, den kenner van Zeeland, hebben wij de beschrijving der tegenwoordige kleederdrachten te danken, aan den heer J. A. Frederiks een inleiding over het historisch costuum, en beiden zullen wij dankbaar raadplegen.In de eerste plaats een korte schets van het Zuid-Bevelandsche vrouwencostuum en de versiering. Onmiddellijk wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vierkante gouden platen of boeken, hier stikken genoemd, de Zeeuwsche naam voor stukken, welke aan beide zijden van het voorhoofd iets boven de oogen schuin uitsteken, terwijl hooger, aan beide zijden van het kuifje veelal zwarte haar, dat, op het voorhoofd naar achter omgebogen, iets onder de muts uitkomt, gouden bollen zijn aangebracht. Deze platen, die soms wel zes c.M. hoog en vier breed zijn, worden aan een hoepel om het hoofd bevestigd, een echte, oude haarband.Over een nette, witte ondermuts draagt de Goesche een buitenmuts van doorzichtig borduurwerk, die breed uitstaat terzijde van het hoofd, aan de kanten rond afloopt en van voor en achter den fijn gevormden hals goed laat zien, terwijl ook het gouden slot met de kralen duidelijk zichtbaar zijn. Die mutsen met gouden stukken geven aan de Goesche vrouw een schilderachtig, voornaam voorkomen en de breede, uitstaande kanten zijn uitingen van een levenslustig karakter, waardoor de vroolijke meisjes uit het land van Goes zich van de meer stemmige op Walcheren onderscheiden. Ook kan men aan den vorm en grootte der mutsen in het Goesche een verschil vinden bij Protestanten en Katholieken. De laatsten hebben grooter muts met langer, op de schouders afhangende kant, meer vierkant afgesneden.Ter zijde van de muts zit gewoonlijk van achteren een gouden haarknop of parel. Deze “gouden paerde”, zooals de naam luidt in de taal der bevolking, d. i. parelspelden, zijn òf effen, òf gewerkt; er behooren in den regel nog kleine cantille spelden bij. Hierin is geen verschil bij Roomschen en Protestanten.De hoed moet passen bij de muts. Vroeger droegen de vrouwen hier schelphoeden,die veel sierlijker waren dan die van Walcheren. Zij hadden strooien randjes en een bol met velerlei lint. Doch die ziet men thans niet meer. Ook de hedendaagsche hoed op Zuid-Beveland, die voor een halve eeuw algemeen was, wordt weinig meer gedragen, omdat men dien ouderwetsch vindt. Toch bezitten de meesten een hoed. Hij is van fijn stroo, en evenals de geheele kleeding zwieriger dan de Walchersche; aan den rand is hij omzoomd met een strooien biesje van roosjes of pikkeltjes; de voering is fijn en niet altijd blauw en op den hoed zelf zijn onderscheidene rosetten, of, zooals men ze noemt, kransen van stroo, die men als navolging ook vindt in het Walchersche Nieuwland, maar niet op Walcheren zelf. Het eigenaardige van den Zuid-Bevelandschen hoed is, dat er noch van voren, noch van achteren linten aan zijn, iets, waarvan men op Walcheren juist veel werk maakt. Wil de wind zich van den hoed meester maken, dan moet men hem met een speldje vaststeken.Bij deze mutsen behoort ook de overige kleeding iets levendigs te hebben. Daartoe leent zich de schilderachtige doek, om de schouders geslagen, welke aan den voorkant een driehoekige beuk voor de borst openlaat, eveneens met een gekleurden doek bedekt en omhangen met een kantvormige versiering van gekleurde kralen. De bijna geheel bloote armen passen bij dit costuum en verhoogen de aantrekkingskracht der Goesche schoonen.Een eigenaardigen indruk maakt de Goesche vrouw met deze kleederdracht in het landschap. Altijd ziet men haar met de blinkende gouden stukken; melkmeisjes ziet men in de weide de koeien melkend, terwijl de gouden platen van verre schitterend uitkomen in het licht der dalende avondzon, als waren zij feeën afgedaald naar het lage land aan den mond der Schelde. Hier komen ons de woorden van Cats voor den geest, die de Zeeuwsche “jonckvrouwen” tot half bovenaardsche verschijningen verhief, toen hij schreef:Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten,(Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten)Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant,Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant;Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachtenEen onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten,Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesichtEen droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.De vrouwen hebben hier nog het best hun nationale dracht bewaard; die der mannen is meestal opgelost in de algemeene, maar toch zien wij nog enkelen in een landskleeding, zij het ook reeds verzwakt in bijzonderheden. Het typische oude hoofddeksel van den Zuid-Bevelandschen boer is een lage, bolvormige hoed met naar achter omgeslagen rand, een type, dat reeds in de 13eeeuw werdaangetroffen. De hoed is niet effen, maar wollig, vooral in de duurdere soorten, en dat wollige en pluizige staat goed en doet den Goesenaar dadelijk herkennen. Men kent hem ook aan zijn twee zilveren broekstukken; zij zijn niet, als de Walchersche, bezet met het wapen van Holland met de leeuwen, maar keurig bewerkt met glinsterende punten en vlokken, zoodat ieder ze mooier vindt. De Katholieke boeren gaan evenals de anderen gekleed; alleen kan men de verschillende gezindten leeren kennen door een wijziging van voren aan den hoed.Wat heeft aanleiding gegeven tot dit verschil van kleeding tusschen Katholieken en Protestanten? Bij de eersten heeft het kleurrijke steeds meer geheerscht in de kerken, werd het schoone meer gehuldigd. De kleederdracht der Goesche vrouwen dagteekent ongetwijfeld uit den tijd vóór de Hervorming. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de Katholieken zich hier uit Brabant later gevestigd hebben. Zij namen het schilderachtige costuum over, dat met hun aard niet in strijd was, maar wijzigden dit eenigszins naar hun smaak en zoo bleef het verschil bestaan. Wij erkennen echter, dat dit slechts een veronderstelling is.Noord-Beveland, Schouwen, Tolen en Duiveland verschillen in kleeding van Goes en Walcheren en sluiten zich alle nader aan bij de Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Noord- en Zuid-Beveland, hoewel sedert negen eeuwen den naam van “Beveland” dragend, hebben een verschillende bevolking, hetgeen blijkt uit lichaamsvorm, gewoonten, uitspraak der woorden en ook uit de kleeding. Op eerstgenoemde eilanden hebben de boeren echter meest hun nationale kleeding afgelegd; alleen de vrouwen hebben de nationale staartmutsen bewaard. Slechts kleine variaties komen daarin voor op de verschillende eilanden. Zoo is de “Schouwsche” of “Toolsche muts”, gelijk men haar noemt, op Noord-Beveland meer vierkant, elders meer rond. Het algemeen model is een ronde bol met daaromheen een rijke kant, die op Tolen weer anders is dan op Noord-Beveland. Zij ligt over de schouders en een deel van den rug, niet stijf, maar zwierig met plooien en golvingen.Aan beide zijden van het hoofd worden spiraalvormige krullen gedragen op deze eilanden. Die krullen zijn op de Zuid-Hollandsche eilanden het grootst, op Schouwen, Duiveland, Tolen en Noord-Beveland kleiner. De kleine Schouwensche krul is, evenals de Walchersche, misschien nog een overblijfsel van het volk, dat in lang vervlogen tijden de kust van Schouwen bewoonde.Onderscheidene oude gewoonten en gebruiken hebben op Zuid-Beveland lang standgehouden. Nog voor weinige jaren werd in Juli, als de “zaedoest” (zaaddorsch) daar was, waarbij vrouwen en meisjes de “stukken” naar het zaaddorschzeil droegen (zie een afbeelding bij Walcheren), dat op het veld werd uitgespannen, en de mannen met forschen, gezwinden maatslag “de vlui” hanteerden,na afloop van het werk de “Meie” gevlochten, een krans van groen en bloemen, die door een paar jonge meisjes, gevolgd door een joelenden hoop, naar den baas werd gedragen “om hem met den geëindigden dorsch” geluk te wenschen, waarop een feest volgde. Handboog- en gaaischieten behooren hier nog tot geliefde uitspanningen, waarbij de koning gekroond wordt. In elk Zeeuwsch dorp bijna vindt men de “klapbank”, een plaats onder een linde of een afdak, waar de dorpsjongens ’s avonds, na afloop van den arbeid, samenkomen om te praten en allerlei nieuwtjes te bespreken; als het mogelijk is, vindt men die tegenover de smidse, waar het helder vlammende vuur in den donker licht werpt op de verzamelplaats.Eigenaardig zijn de dorpsjongelingen-vereenigingen, een soort van jongelieden-gilden, met een bestuur en bijeenkomsten, soms ook terloops op de “klapbank”, en door wie de zaken van algemeen belang voor ’t jonge volkje geregeld worden. Wanneer een jonkman uit een naburig dorp komt, om een meisje te vrijen, zal de jongelings-vereeniging zich daarmede bemoeien, en de huwelijkskandidaat wordt niet toegelaten, vóór hij van haar toestemming heeft verkregen, een toestemming die gemakkelijk gekocht kan worden tegen een tractatiegeld.Een schaduwzijde van de maatschappelijke toestanden op vele Zeeuwsche eilanden is, dat rijke Belgische heeren hier eigenaars van groote boerenplaatsen trachten te worden, zoodat de Zeeuwsche boeren voor een groot gedeelte pachters zijn. Die vreemdelingen, “poepen” genoemd, ziet men niet gaarne; als uitlanders deelen zij niet in de lasten en staan zij in geen nauwe betrekking tot hun pachters, zoodat het hun eenige doel is, van de “Zeeuwsche renten” te profiteeren.Wij zetten thans ons tochtje voort naar het eiland Walcheren.
Wie met den spoortrein van Bergen-op-Zoom naar Goes reist, volgt eerst korten tijd in zuidelijke richting den hoogen landzoom, waarmede Noord-Brabant aan Zeeland grenst. Doch na weinige minuten verlaat de spoorweg het afwisselende, heuvelachtige gebied der diluviale zandgronden, en wanneer men op eenigen afstand links op een hoogte het schilderachtige kerkje van Woensdrecht op een heuvel ziet liggen, buigt de weg zich naar het westen. Binnen weinige oogenblikken bevinden wij ons daarna op den spoorwegdam, die sedert 1867 de Ooster-Schelde van de Wester-Schelde afscheidt en Zuid-Beveland met het vasteland heeft verbonden.
De dam, die bij den aanleg nog te midden van de wel is waar ondiepe wateren lag, wordt thans aan beide zijden reeds ingesloten door uitgestrekte gorzen, met gras en zeekraal begroeid, welke alleen bij hoogen vloed onder water komen en op verderen afstand overgaan in de naakte slikken, glibberige grijs-zwarte banken, die bij de eerste eb in de zon glinsteren door den vochtigen slijkbodem en de plassen, welke er overal op verspreid liggen. Eentonig, zonder eenige verheffing, effen als de waterspiegel, terwijl geen boom of hooge plant zich hier vertoont, breiden de gorzen zich uit in de Ooster-Schelde. Alleen wordt de effene oppervlakte afgebroken door kronkelende waterloopen, die in zonderlinge bochten door de gorzen slingeren en met steile oevers er enkele voeten diep in doordringen. Deze riviertjes zijn ontstaan en worden onderhouden door het afloopende ebwater, dat na hooge vloeden wegloopt van de gorzen, doch bij de na-eb zijn zij veelal zoo goed als droog. Het vee en de schapen, die op de gorzen weiden, moeten hierop letten en, als de vloed opkomt, op de hoogste gedeelten of op de dijken van het land een toevluchtsoord zoeken.
Van de hoogste aanslibbingen, de gorzen nabij het land van Noord-Brabant, zijn er reeds onderscheidene ingepolderd ten zuiden van den dam, die door dijken bij het land werden gevoegd. Ten noorden van den dam gaat de landaanwinst niet zoo snel voort, sedert de Schelde geen slibstoffen meer aan de Ooster-Schelde toevoert na het leggen van den dam.
Hoewel de aanslibbing langs de Ooster-Schelde thans zeer gering is, zienwij toch uit den trein, die in het eerst dicht langs den noordelijken dijk van Zuid-Beveland loopt, dat zich hier groote platen uitbreiden in de Ooster-Schelde, welke bij hooge vloeden geheel wegduiken onder de wateren.Het gebied, dat wij daar vóór ons zien liggen, een slijkvlakte van twee uren breed en ongeveer vier uren lang, is, helaas! een terrein, waarop de mensch in zijn strijd tegen de natuur een nederlaag heeft geleden; hier heeft vóór eenige eeuwen de zee tegen de Zeeuwen een slag geleverd, waarbij zij met zware verliezen werden teruggedreven, om eerst daar stand te houden, waar zich thans de hooge dijk verheft. Buiten dien dijk ligt het “Verdronken land van Zuid-Beveland”, zooals de kaarten het aanduiden, en daar ver over de watervlakte, op niet grooten afstand van de kust van het eiland Tolen, op de Speelmansplaat, liggen de fondamenten van de oude stad Reimerswaal. Op de ruïnen van dit vernielde landschap oefent de Iersekesche oestervisscherij thans haar bedrijf uit.
Groote veranderingen hebben op dit oostelijke, smalle gedeelte van Zuid-Beveland plaatsgegrepen in den loop der eeuwen. In geen gedeelte van Zeeland is zooveel land aan de golven ten offer gegeven, dat nooit herwonnen werd, als hier. Omstreeks het jaar 1200 had het land in het oostelijk gedeelte een uitbreiding naar het noorden ongeveer tot een rechte lijn, welke men van Bergen-op-Zoom naar Wemeldinge kan trekken. Ook naar het zuiden was Zuid-Beveland destijds veel breeder en in het oosten was het eiland door een arm van de Schelde van Noord-Brabant gescheiden.
Dit gedeelte van Zuid-Beveland, ten oosten van Ierseke, heette oudtijds Oostwatering of “beoosten Ierseke” en het overige Westwatering. Het oude Oostwatering was geheel een polderland, bestaande uit afzonderlijke bedijkingen, welke aan elkander sloten.
Wie voor een viertal eeuwen stond op een hoogte bij Ierseke en naar het oosten blikte, zou daar op korten afstand vóór zich den toren van Kouwerve en van Duivenee hebben zien verrijzen, en verderop de spitsen van het klooster Mariënhof, de torens van Nieuwerkerk, den ouden en sterken ridderburcht Lodyke, die met de heerlijkheid aan een der heeren van Reimerswaal behoorde.
Nog verschillende andere dorpen zouden hier van verre in het vruchtbare land gezien zijn geworden, als: Machole, Broecke en Kreecke; Steenvliet, Everwaarden, Schaudee, Nieuwlande, beide laatstgenoemde met bevoorrechte jaarmarkten begunstigd en met een voor die tijden niet onaanzienlijken handel, en andere. Maar wie het land beschouwde met helderen blik, zou er met groote bezorgdheid vele meer of minder diepe kuilen en plassen in den bodem bemerkt hebben. Dat waren de veengaten, waaruit de zoutbranders het zoutveen hadden gegraven, om dit te branden, en die om de voordeelen van het zout den bodem vernielden.
De belangrijkste plaats in dit landschap was Reimerswaal of Romerswaal, eenbelangrijke stad, aan de toen nog niet breede Ooster-Schelde gelegen, tegenover Schakerloo op Tolen, waarnaar een overzetveer bestond. Reimerswaal was een oude stad, omtrent welker ontstaan echter niets bekend is, en werd als een der voornaamste steden van Zeeland beschouwd. In 1374 werd Reimerswaal door Hertog Albrecht van Beieren omwald, waarna de voorrechten, door onderscheidene graven aan de stad verleend, aan de burgers een aanzienlijke welvaart deden toevloeien. In 1315 had de stad het voorrecht verkregen, dat alle goederen, die van Zeeland naar Brabant of omgekeerd werden vervoerd, te Reimerswaal ter markt gebracht moesten worden. Rudolf van Diepholt, de 53ebisschop van Utrecht, schonk in 1449 aan de stad Reimerswaal het kerkelijk rechtsgebied over geheel Zuid-Beveland.
Die weelde bracht de bevolking telkens tot overmoed. In 1454 overviel en verdreef zij zelfs de regeering uit de stad, en voor dit misdrijf werd haar door den stadhouder Karel van Bourgondië alleen na voldoening van zekere boete vergiffenis geschonken. De burgers moesten, volgens berichten, barrevoets en blootshoofds in hun hemd zich voor den Stadhouder verootmoedigen.
Steeds nam Reimerswaal nog toe in bloei en vermeerderden zijn voorrechten. Maria van Bourgondië schonk de stad verschillende privilegiën, in 1477 o.a. dit, dat de dijkgraven van Oostwatering altijd in deze stad moesten wonen. Karel V vergunde der stad, dat de schepenen er dagelijks recht zouden spreken, in plaats van driemaal per week, wat voorheen het geval was, ten gerieve van den grooten toevloed van kooplieden. In 1559 ontving Filips II als graaf van Zeeland in Reimerswaal nog de hulde van dit gewest, welke huldiging volgens sommige schrijvers steeds in deze stad zou zijn geschied.
Maar dreigende machten stormden weldra te vuur en te water los op het rijke Reimerswaal en zijn omstreken. Een vreeselijke brand had reeds in 1520 meer dan 300 huizen en pakhuizen in de stad vernield. Toch herstelde de koopstad zich spoedig weder.
Maar daarna kwam de vreeselijke overstrooming van 1530. De Novemberstorm van dat jaar joeg de wateren der zee op in de Zeeuwsche monden en over bijna geheel Zeeland, maar ook elders hadden zware overstroomingen plaats. Het vreeselijkste lot trof Zuid-Beveland, dat bijna geheel onder water werd gezet. Het binnenstroomende water vernielde het door het uitmoeren reeds half verwoeste land geheel, en in het noordoosten bleef alleen Reimerswaal met een poldertje, gezamenlijk door een eigen dijk ingesloten, als een afzonderlijk eilandje gespaard. Bijna al het overige land van Oostwatering ging geheel te loor.
Reimerswaal zette helaas! zijn zoutbranderij nog voort, waartoe de “wilde moer” bij de stad het veen leverde, en had in 1541 nog vele zoutketen, waar zout werd bereid.
Door dit landvernielen werd de algeheele ondergang van het laatste overblijfsel lands in het verdronken land bevorderd. De beide watervloeden van Januari en Februari 1551 vernielden den dijk en deden het poldertje bij de stad, als ook de stad zelf, onderloopen. Wel werden de dijken weder hersteld, maar in 1555 had er nogmaals een overstrooming plaats, waardoor de polder om de stad verloren ging. Reimerswaal was thans niet meer dan een stad-eilandje, welks muren reeds onmiddellijk door water werden ingesloten. De stormvloed van 11 en 12 Januari 1557 tastte de stad zelf opnieuw aan; de poorten en muren werden vernield, de plaats liep onder, en de meeste huizen, benevens het stadhuis, kerken en kloosters, bezweken voor de kracht der woedende golven. Slechts weinig bleef van deze aanzienlijke stad gespaard en dit laatste werd nog te gronde gericht door een fellen brand in het volgende jaar.
Toch hield een gedeelte der bewoners nog stand, worstelende tegen de elementen. Maar nadat de watervloeden van 1561 en 1563 de overgebleven stadsgedeelten weder geteisterd hadden, drongen de bewoners aan op hulp bij de Staten van Zeeland en den Prins van Oranje. Men beschouwde echter den toestand van Reimerswaal als onherstelbaar; de bewoners moesten zich redden, zooals zij konden, en toen in 1573 Zeeuwsche krijgsbenden het laatste overblijfsel der stad belegerden, innamen en vervolgens, wijl de stad niet meer tegen de Spanjaarden te verdedigen was en zij haar evenmin aan den vijand in handen wilden laten vallen, in brand staken, was het lot van Reimerswaal voorgoed beslist. De plaats werd in 1574 geheel ontmanteld; de bewoners, verarmd en ontmoedigd als zij waren, verlieten de sombere plek, die steeds door overstrooming bedreigd werd; de regeering der plaats deed vrijwillig afstand van den rang der stad, die niet meer onder de vijf goede steden verscheen op de statenvergaderingen der provincie, en er bleven slechts enkele visschershuizen over in de verlaten stad, een ruïne te midden der golven.
De overgebleven burgers hielden stand tot 1631, toen een 4000-tal Spaansche soldaten, die bij een sloepgevecht op het verdronken land van Zuid-Beveland gevangen genomen waren, op Reimerswaal waren gebracht, om daar bewaard te worden. Bevreesd voor den overlast van het krijgsvolk, vertrokken de laatste bewoners uit de stad, die hun niets meer aanbood. Zij vestigden zich meest in de stad Tolen, waar zij zich nauw aan elkander sloten en lang een afzonderlijke volksgroep vormden, die allengs opging in de Tolenaars. Hoofdzakelijk vonden zij hier in de mosselvangst een bron van bestaan.
Spoedig ging Reimerswaal nu geheel te gronde. In 1634 werden de straatsteenen door de Staten bij openbare veiling verkocht voor 1081 gulden, welk bedrag onder de schuldeischers bij preferentie verdeeld werd. Daarmede was de eens zoo roemrijke stad, waarvan Hofferus in het op haar in ’t Latijn gedichte grafschrift zeide:
“In haar gaf eens de vorst, tot hoog bestier ontbodenVan ’t vrije recht, aan ’t volk zijn woord van trouw en eer”,
“In haar gaf eens de vorst, tot hoog bestier ontboden
Van ’t vrije recht, aan ’t volk zijn woord van trouw en eer”,
doelende op Filips II, voorgoed vernietigd. Al te fel bestookt door de gramschap van twee goden, nl. van Thetys en Vulkaan, was het een insolvente boedel geworden, door de schuldeischers verkocht.
In de Ooster-Schelde, niet ver van Tolen, op de zoogenaamde Speelmansplaat, wordt de plek nog aangewezen, waar eens Reimerswaal gevonden werd. Een tochtje naar de niet ten onrechte als “groot kerkhof” aangeduide plek, met een zeilboot van Tolen uit, is altijd een groote aantrekkelijkheid en wordt dikwijls gedaan.
Als men de Eendracht uitzeilt en vervolgens naar het westen koerst, ziet men ten zuiden van het diep, dat langs de zuidkust van Tolen loopt, bij eb weldra een plaat opglinsteren. Dat is de Speelmansplaat, die zich met de plaat “de Vogelaar” als een arm naar hetN.W.uitstrekt. Hier kan men bij laag water de overblijfselen van Reimerswaal nog zien. Een lange rij van palen, die noordwaarts zich in het diep verliest, wijst nog op de haven; dwarsbalken en planken verbinden enkele palen nog. Groote steenen, vrij regelmatig geplaatst, wijzen er op, dat hier eenmaal een druk veer was op het eiland Tolen. Op dat eiland vindt men bij Schakerloo door de polders een weg, die den naam van “Veereweg” nog draagt. Op de plaat ziet men een vreemde grondstof, die voor selkasch, een overblijfsel van het zoutbranden, gehouden wordt. De richting der straten kan men nog goed onderscheiden, daar fundamenten van gebouwen nog zichtbaar zijn. Blauwe schalien, de vroegere dakbedekking, groote moppen, zooals eertijds de steenen gebakken werden, potscherven, enz. liggen overal verspreid. De plaats, waar eens de groote parochiekerk stond, is nog duidelijk te zien; de ingeheide palen, waarop de pilaren en muren rustten, wijzen haar plaats aan; zelfs ligt nog een gedeelte van den kerkvloer bloot. Bij opmeting bleek, dat de lengte der kerk 25 Meter bedroeg, de breedte 15 M.
In de nabijheid hiervan vindt men het kerkhof, thans door zand bedolven. Wanneer de golfslag het zand wat losgewoeld heeft, kan men den doodenakker duidelijk onderscheiden door overblijfselen van doodkisten, van geraamten, enz. In 1883 verrichtte Dr. Sasse hier nog opgravingen; hij vond hier onderscheidene merkwaardige schedels, die hij voor anthropologisch onderzoek bewaarde. Tal van pottebakkerijen en ook leerlooierijen schijnen hier eens gevonden te zijn; looierskuipen, waarin nog run aanwezig is, wijzen op dit bedrijf.
De legende heeft ook de geschiedenis van Reimerswaal omhuld met haar dichterlijk waas. Ook hier wordt gesproken van een meermin, die den vloek uitsprak over de stad, een verhaal, dat ook elders is gelocaliseerd. Dat Reimerswaal eens een aanzienlijke stad was, kan niet betwijfeld worden; de volksoverlevering, dat deweelde hier zoo ver was gegaan, dat gouden kloppers de deuren versierden en de paarden met zilveren hoefijzers beslagen waren, echter wèl.
Na een korten tijd toevens moeten wij de verzonken stad weer verlaten. De eb is voorbij; de wateren der Schelde rijzen; zij stuwen voort over de platen, en als wij weer met ons scheepje dobberen, zien wij den grondslag van Reimerswaal op nieuw bedolven onder de wateren, die spelemeien in lustigen golfslag over het groote kerkhof.
Door de overstroomingen, welke Reimerswaal te gronde deden gaan, was er ook van Oostwatering slechts weinig overgebleven. Eerst in 1594 tot ’96 werden de Monniken-, Maagde- en Nieuw-Krabbendijkerpolder weder drooggelegd. Enkele polders van het ondergeloopen land werden weder gewonnen, doch op de kaart van Hattinga, in 1747 genomen, was de Oud-Mairepolder het oostelijkste punt van het eiland (ongeveer ten zuiden van Krabbendijke). Ten oosten daarvan lag een breede vlakte van gorzen, schorren en slikken, met enkele geulen en waterspranken doorsneden, die zich tot het hooge land van Noord-Brabant uitstrekte. De geheele streek, die de spoorweg van Woensdrecht naar Krabbendijke doorloopt, is na 1740 ingepolderd en bestaat uit jonge dorpen, langs de polderdijken gebouwd.
Vóór wij ons afwenden van het verdronken land, moeten wij nog een historische gebeurtenis in herinnering brengen, die zich hier afspeelde op deze schorren. Het was in het jaar 1572, toen Goes door de Watergeuzen onder Tseeraerts belegerd werd, dat Christoval de Mondragon, een wakker Spaansch krijgsman, besloot de stad te ontzetten. Met 3000 man, Walen, Spanjaarden en Duitschers, maakte hij zich daartoe op, ging te Bergen-op-Zoom scheep en zette zeewaarts koers, als wilde hij de Zeeuwsche vloot aantasten. Maar op het voorstel van Dirk Bloemaert, een Noord-Brabanter van geboorte, die bekend was in deze streken, werden zij weldra weder ontscheept, om den tocht over het verdronken land te volbrengen. De afstand van de Agger aan den Brabantschen wal tot het oude land van Valkenisse bedroeg ongeveer vier uren: een aaneenschakeling van slikken en ondergeloopen land, met kreken doorsneden, ’t Was een gevaarlijke tocht, maar het waagstuk werd ondernomen.
Toen ze op de Agger stonden, werd elk der manschappen een zakje met mondvoorraad en krijgsbehoeften uitgereikt, om aan den hals te hangen; de schroomvalligen werden aangemoedigd door het vooruitzicht op den roem en den rijken buit en men trad te water, om te voet Zuid-Beveland te bereiken. Wel was het eb, maar toch moest men tot de knieën, soms tot het middel, door het water waden. Bloemaert ging met Mondragon voorop, daarna volgden de Spanjaarden, verder de Duitschers; de Walen vormden de achterhoede. Het was een verwonderlijk schouwspel, die drieduizend krijgsknechten daar halverwegeboven het water te zien plassen. Maar het geluk begunstigde de stoutmoedigen; slechts negen man verdronken in de diepere geulen en toen het middaggetij zijn volle hoogte bereikt had, betraden de laatsten den dijk bij Krabbendijke. Ook het verdere van den tocht liep gunstig af voor Mondragon en Goes viel door deze kloeke onderneming weer tijdelijk in handen der Spanjaarden.
Is de daad van Mondragon een moedige onderneming der Spanjaarden geweest, die wij niet mogen verzwijgen, daarginds bij Reimerswaal had nog een dappere daad plaats, die de onversaagdheid der Zeeuwen in het licht stelde. Toen Requesens Alva in de Nederlanden opvolgde, wilde hij, in tegenstelling met zijn voorganger, de Nederlanders ook op zee bestrijden. Dertig zware schepen, aangevoerd door den bekwamen d’Avila, zouden langs de Wester-Schelde naar Walcheren zeilen en zeventig smakken, aangevoerd door Glimes en Romero, moesten van Bergen-op-Zoom de Ooster-Schelde afkomen.
Die krijgstoerustingen tegen Walcheren kwamen Oranje ter oore; hij ijlde naar Vlissingen en verzamelde de Hollandsche en Zeeuwsche zeemacht onder Lodewijk van Boisot, die de Ooster-Schelde opvoer. Voortgestuwd door een noordwester koelte, ontmoette Boisot de vloot van Glimes bij Reimerswaal; bij ’t Lodyksche Gat kwamen de vloten binnenschots. Een moorddadig vuur kostte velen der onzen het leven en Boisot verloor een oog. De Spanjaarden sprongen zelfs op zijn schip over; er ontstond een hardnekkig gevecht, dat weldra, daar nu ook de andere vaartuigen aanklampten, algemeen werd. Hier volgde Jasper Leunszoon van Zoutelande de daad van Jan Haring; hij haalde de vlag van het admiraals-schip van Glimes en bracht die behouden bij de zijnen. Romero deed een nieuwe vlag hijschen, enterde aan de andere zijde van het schip van Boisot, die eindelijk, toen hij een zestigtal vijanden had te bestrijden op zijn schip, de lont in ’t kruit stak, om zich niet over te geven. Doch hiermede werd ook het pleit beslecht; Romero, juist gered, vluchtte met zijn volk naar Tolen, waar Requesens met zijn hofstoet op den dijk in koude en regen het schouwspel stond aan te zien. De Zeeuwen veroverden of verbrandden verscheidene schepen, en het veroverde Spaansche geschut werd naar Walcheren opgebracht. D’Avila, die op de Wester-Schelde bij Breskens het tij liet verloopen, trok na het vernemen van de nederlaag bij Reimerswaal terug naar Antwerpen, zonder iets te hebben verricht. Zoo bleef Walcheren voor den Prins behouden. Ook over de platen van dit verdronken land klinkt de geschiedenis van den roem van Nederlands dapperen.
Wanneer wij onzen tocht met den trein voortzetten, gaan wij voorbij Krabbendijke, een dorp, dat in 1591 na hernieuwde bedijking weder ontstaan is en zich ten noorden en ten zuiden van de spoorweglijn uitbreidt; nabij den zuidelijken dijk van het eiland verrijst in het geboomte het oude dorp Waarde.Ook dit dorp is niet meer, wat het in de middeleeuwen was, toen zich hier een sterk kasteel verhief naast de kerk, die destijds veel grooter was, en er een proostdij der Tempelieren gevonden werd, welke later aan de Maltheser ridders kwam. Het eens aanzienlijke dorp is afgenomen en het grondgebied is ten zuiden door vele overstroomingen sterk afgeslagen.
Vervolgens loopt de spoorweg op ongeveer een kwartier afstands van Kruiningen, thans een der grootste Zeeuwsche dorpen en een der schoonste van het eiland, met ruim 1200 bewoners binnen de kom, aan een kruispunt langs eenige wegen gebouwd, te midden van flinke boomgaarden en bouwlanden. Kruiningen is nog van oude dagteekening; in de 13eeeuw was het reeds als een vrijheerlijkheid bekend en de bezitters dier heerlijkheid werden in het begin der 15eeeuw erfburggraven van Zeeland. Ook bezat de heerlijkheid reeds vroeg een eigen schepenbank en afzonderlijke keuren, week- en jaarmarkten. De heeren van Kruiningen hadden hun slot, het kasteel van Kruiningen, achter de kerk. Het was een gebouw uit de 13eeeuw, eens zeer aanzienlijk; in 1612, na ’t overlijden van Maximiliaan van Kruiningen, die geen mannelijke nakomelingen naliet, is het in verval geraakt en in 1720 moest het worden afgebroken.
Ongeveer tegenover Kruiningen loopt van den spoorweg de weg naar Ierseke, een dorp, langs den dijk gebouwd en door boomgaarden ingesloten. Aan den waterkant van Ierseke vindt men talrijke oesterputten, die een belangrijke bron van bestaan zijn voor deze plaats en een eigenaardig bedrijf.
Ook Ierseke is een oude plaats, die in den tijd, toen de overstroomingen het oostelijk gedeelte van Zuid-Beveland nog niet verwoest hadden, met Reimerswaal en Goes kon wedijveren en evenals deze steden uitgebreide tolvrijheid, een Woensdagsche weekmarkt bezat en ook met jaar- en paardenmarkten begunstigd werd. Te Ierseke was zelfs eens het onderdekenschap van het westelijk deel van Zuid-Beveland gevestigd, dat Goes in 1413 wist te verkrijgen. Op het uiterste van den oostkant van het eiland tegen den dijk gelegen, die Oost- en Westwatering van elkander scheidde, lag het destijds als middelpunt van een bloeiende streek zeer gunstig, doch na den ondergang van Oostwatering is het zeer vervallen.
In de 19eeeuw zijn de oesterteelt en oesterhandel voor Ierseke een bron van afwisselenden bloei geworden. Wij willen hierbij een kort overzicht geven van de geschiedenis der oestercultuur.
De eigenlijke oestercultuur, nl. wat men thans daaronder verstaat, dagteekent in Zeeland van 1870. Evenwel is de oesternijverheid in Zeeland al van veel ouderen datum. Langen tijd was Zieriksee het middelpunt van dezen handel. Job Baster, de bekende geleerde Zeeuw uit de laatste helft der 18eeeuw, zegt, dat er destijds te Zieriksee veel Engelsche oesters verhandeld werden, aldusgenoemd, omdat het grootste gedeelte daarvan jaarlijks met schepen hier te lande gebracht werd. De zoogenaamde “oesterhaalders” voerden uit Engeland in dien tijd de oesters aan, welke daarna in oesterputten, groote, met grenen planken bevloerde bakken, waarin 4 à 6 voet zeewater stond, geplaatst werden, waarin het water met elk getijde ververscht werd. Na 6 à 10 dagen werden de oesters dientengevolge geschuurd, d.i. van alle slib en vuiligheid, die zij uit Engeland medebrachten, gezuiverd en schoongemaakt en daarna in tonnen ter verzending ingekuipt.
Oesterperceel te Ierseke.Oesterperceel te Ierseke.
Oesterperceel te Ierseke.
Ook werden in dien tijd al kleine oesters uit Engeland aangevoerd; de oesters, die te klein waren, om verzonden te worden, werden uitgeschoten, bewaard, en in zee op die plaatsen gezaaid of uitgestrooid, welke men geschikt achtte voor verderen groei. Deze platen in zee noemde men oesterbanken. Zelfs kleine, jarige oestertjes, broed genoemd, werden op die wijze gezaaid. Omdat de oesters hier niet zoo sterk voortteelden, werd elk jaar met een opzettelijk daarvoor bestemd schip, dat doorgaans in het laatst van April aankwam, oesterbroed uit Engeland gehaald.
Van de bij Schouwen en Duiveland liggende oesterbanken werden in den herfst en in den winter de oesters gevischt en de kleine weder in zee geworpen. De groote werden in de oesterputten schoongemaakt en gezuiverd, in vaten verpakt en verzonden. Dat waren de Zeeuwsche oesters, die de Engelsche overtroffen.
Of de Zeeuwsche wateren in historischen tijd steeds oesters voortbrachten, dan wel, of deze dieren zich later hier vertoonden, is niet zeker te zeggen. Boxhorn verhaalt in zijn Kroniek van 1644, dat zich in 1620 aan de zuidkust van Schouwen oesterbanken vertoonden, van welke de burgers van Zieriksee menigmaal oesters haalden, maar toen Smallegange in 1696 de Kroniek van Zeeland uitgaf, schreef hij, dat, ofschoon de oesterbanken geheel waren verdwenen, zij de aanleiding geweest waren van den Zierikseeschen oesterhandel, die sedert dien tijd de oesters uit Engeland liet komen.
ZEELAND OMSTREEKS 1280ZEELAND OMSTREEKS 1280Verkleinde afbeelding der kaart van LIEVEN VAN THUYNE.“Dese charte is de double van eene ghelijcke charte bij mij, ondergheschreven ghesworen Landtmetere der stede van Ghendt, ghetrocken naer d’originele, berustende int secreet ’s Landts van den Vrije, int selve secreet gevonden ende daeruyte ghelicht ter ordonnantie haerlieder ssme Hoogheden, bij Mr.Jan van Blooijs,raet ordinaris van deselve haerlieder Hoogheden int jaer MDCX (XVIethiene), mij ’t oorconde.”(Get.)Lieven van Thuyne.
ZEELAND OMSTREEKS 1280
Verkleinde afbeelding der kaart van LIEVEN VAN THUYNE.
“Dese charte is de double van eene ghelijcke charte bij mij, ondergheschreven ghesworen Landtmetere der stede van Ghendt, ghetrocken naer d’originele, berustende int secreet ’s Landts van den Vrije, int selve secreet gevonden ende daeruyte ghelicht ter ordonnantie haerlieder ssme Hoogheden, bij Mr.Jan van Blooijs,raet ordinaris van deselve haerlieder Hoogheden int jaer MDCX (XVIethiene), mij ’t oorconde.”
(Get.)Lieven van Thuyne.
In het oostelijk deel der Ooster-Schelde kunnen op zijn vroegst de oesterbankengevonden zijn in het laatst der 17eof het begin der 18eeeuw, maar in 1784 wordt voor het eerst melding gemaakt van oestervisscherij op de banken beoosten Ierseke. Oorspronkelijk was het visschen van oesters daar alleen aan visschers uit Zeeland vergund, doch in 1799 werd het recht daartoe allen Bataafschen burgers toegekend. In 1805 kwam de visscherij op de wateren van Zeeland aan het Departementaal Bestuur, in 1820 onder het Domeinbestuur, en in 1825 werd daarvoor een speciaal college in ’t leven geroepen, dat van ’t Bestuur van de visscherijen op de Schelde en “Zeeuwsche stroomen”, hetwelk nog bestaat.
In 1870 werd bijK. B.bepaald, dat de natuurlijke oesterbanken van de Schelde en de Zeeuwsche stroomen aan de publieke visscherij onttrokken en in ’t openbaar in perceelen verpacht zouden worden.
De vrije visscherij van oesters, zooals die vroeger bestond, nam af; na 1886 vond ze op de Ooster-Schelde niet meer plaats. Op de Grevelingen vóór het Dijkwater is ze weer opgevat. Thans kan men echter zeggen, dat al het op de Schelde en Zeeuwsche stroomen voor schelpdieren in aanmerking komende water verpacht is, met uitzondering der Wester-Schelde, waar ingevolge de regeling met België verpachting niet mogelijk is. De beste perceelen werden gepacht door maatschappijen of naamlooze vennootschappen, die zich op de oesterteelt toelegden. En daarvoor is Ierseke de belangrijkste plaats.
Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.
Vrouwen te Ierseke, die oesters bewerken.
Vóór 1870 had de oester-industrie in Zeeland zich bepaald tot het visschen en rapen van oesters en het tijdelijk neerleggen op daarvoor geschikte gronden of daarvoor ingerichte putten van uit den vreemde, uit Engeland of Schotland aangevoerde oesters. Omstreeks 1850 waren er in Zeeland 5 voorname oesterputten: één te Vlissingen, één te Veere, één te Zieriksee en twee te Bruinisse. Ongeveer 200 visschers hielden zich in dien tijd daarmede bezig. Vooral van Tolen, Bruinisse en Arnemuiden uit werd in dien tijd de oestervisscherij op de Ooster-Schelde gedreven.
Na 1870 was het hoofddoel der oester-cultuur meer oesters te verkrijgen, zoowelvoor den verkoop als voor de teelt van volgende jaren. De cultuur bestond in den aanvang voornamelijk in het opvangen van broed op de daartoe gepachte perceelen. Voor dat opvangen gebruikte men takkenbossen, gekalkte buizen, gekalkte dakpannen, enz.; de laatste voldeden het best. Snel breidde zich het gebruik van dakpannen op de perceelen eerst uit, doch omstreeks 1900 verminderde dit weder. Daar er genoeg broed valt op de banken en de voorwerpen, die zich van nature daarop bevinden, voldoende zijn voor de aanhechting van het broed, zijn deze dure hulpmiddelen niet meer zooveel noodig.
Over ’t geheel heeft in de laatste jaren de teelt van oesters op deze banken veel van het kunstmatige verloren, daar ook de kweekbakken verminderd zijn; zij bepaalt zich tegenwoordig bovenal tot het opkorren en sorteeren van de oesters en het overbrengen daarvan naar andere perceelen, waar men een snelleren groei kan verwachten. De Iersekebank is bovenal het terrein voor het vet worden der oesters; op de Bergsche bank (Bergen-op-Zoom) valt veel broed, en zoo hebben de verschillende banken hun eigenaardigheden.
De oester-cultuur heeft sterke fluctuatiën ondergaan, niet alleen in de produktie, maar ook in de prijzen. De grootsche verwachtingen van de rentabiliteit, eens dienaangaande gekoesterd, zijn niet vervuld voor de maatschappijen, die hier optraden. Daarmede schommelde ook de welvaart van Ierseke. In de laatste jaren daalden de prijzen sterk en was de vraag naar Zeeuwsche oesters minder, mede als gevolg van de slechtere hoedanigheid van het produkt. Er schijnt een overproduktie te zijn bevorderd, welke de qualiteit deed achteruitgaan. De verbetering daarvan is een belangrijk vraagstuk.
Wij mogen ons hier niet langer ophouden, maar stappen weder in den trein, passeeren het Kanaal van Hansweerd naar Wemeldinge, dat in 1867 is voltooid, om de Ooster- met de Wester-Schelde te verbinden, sedert de spoorwegdam gelegd is—een recht kanaal, door hooge dijken ingesloten, dat als het ware over het land heen loopt—en reizen ineens door naar Goes, om van hier het westelijk Zuid-Beveland nader te bezoeken en te doorwandelen.
In het Land van Ter-Goes.Wij bevinden ons thans in het hart van het tegenwoordige Zuid-Beveland, dat naar de stad van dien naam bij het landvolk veelal als het Land van Ter-Goes wordt aangeduid. Goes vormt hier vrijwel het geographisch centrum van het land en was sedert lang het economische- en handels-centrum van het eiland, zelfs het wetenschappelijk middelpunt van dit gebied.Het geographisch centrum van westelijk Zuid-Beveland is Goes echter nogniet zeer langen tijd. Van de steden van het oude Zuid-Beveland en van Zeeland in ’t algemeen kan wel gezegd worden, dat zij niet zijn ontstaan in het binnenland, maar aan de randen van de eilanden langs de wateren, of daar, waar een bevaarbare waterarm dieper landwaarts liep, ook verder in het land. Het oude Zeeland heeft alles aan het water te danken: zijn kracht en energie, zijn opkomst en bloei, zijn vruchtbaren bodem en zijn welvarende steden.Reimerswaal en Ierseke, evenals Goes, lagen in hun opkomst aan zee; Vlissingen, Veere en Arnemuiden eveneens en ook Middelburg had een zeehaven, gelijk mede met Zieriksee het geval was. Waar de zee zich terugtrok, vervielen de steden veelal geheel, zooals Veere en Arnemuiden ons aantoonen, wanneer niet andere bronnen van welvaart het verlies van den handel op zee konden neutraliseeren.Goes verkeert in deze laatste gelukkige omstandigheid. Hoewel thans ver van de zee verwijderd en alleen door een gegraven haven er mede vereenigd, is Goes een bloeiende plaats gebleven, de marktplaats van het eiland, de stad, waarin zich het karakter van westelijk Zuid-Beveland concentreert.Als wij de kaart beschouwen, waarop Ab Utrecht Dresselhuis den vermoedelijken toestand van Zeeland omstreeks 1200 geteekend heeft—ook de kaart, die wij overnamen, komt daar veel mede overeen—dan zien wij, dat in dien tijd het westelijk Zuid-Beveland bestond uit een groot eiland, ten westen van Ierseke, waarop in ’t noorden Goes lag aan een water, dat Wolfaertsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidde, terwijl het eiland in het westen niet verder liep dan ’s Heer-Arendskerke. Heinkenszand lag als een afzonderlijk eilandje ten westen (niet op onze kaart) en Baarland (Borland) en Borsele vormden een of meer afzonderlijke eilandjes in het zuiden.Zeeuwsche boeren op den weg.Zeeuwsche boeren op den weg.Naar het zuidwesten had al vroeg de aanzienlijkste uitbreiding plaats. Het breede water, de Zwake, dat Borsele in ’t noorden begrensde, verlandde en werd reeds vroeg bedijkt, het laatst daarvan misschien de St.-Anthoniepolder in 1516, waardoor Baarland en Borsele met Zuid-Beveland verbonden werden.Vóór deze verlanding vormde Heinkenszand een belangrijk handelspunt, omdat de scheepvaartweg van Middelburg naar Antwerpen hierlangs liep, zoodat dit dorp een bloeiend verkeer verkreeg, hetwelk evenwel door het verlanden derwateren en de daarop gevolgde inpolderingen geheel verliep en in het begin der 17eeeuw had opgehouden te bestaan.De Schenge, de Puye en het Goesche diep, die Wolfaartsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidden, bleven nog bestaan tot 1809, toen door de indijking van den Wilhelminapolder het oostelijk gedeelte van dit water werd afgesloten, terwijl in 1874 het westelijk gedeelte van den Schengepolder werd bedijkt.Op deze wijze werd het westelijk Zuid-Beveland uitgebreid door verschillende bedijkingen en aanhechtingen van omliggende eilanden, waarvan wij slechts eenige noemden, tot het zijn tegenwoordige gedaante verkreeg. Verliezen had het eiland echter ook te lijden, doch niet zoo aanzienlijk als het oosten van Zuid-Beveland.Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het Land van Ter-Goes draagt nog de sporen van die ontwikkelingsgeschiedenis op ’t gelaat; de wateren, welke vroeger de eilandjes scheidden, kan men dikwijls gemakkelijk herkennen aan de lange, smalle polders tusschen twee hooge dijken. Op vele plaatsen evenwel is die herkenning moeilijker, omdat de wateren bij gedeelten werden ingedijkt en daardoor de vorm van het oorspronkelijke water niet altijd in dien der polders bewaard bleef.Wij vangen onze wandelingen aan in de stad Goes, een vriendelijk provinciestadje met ongeveer 7000 zielen. Zeer zeker heeft de stad haar ontstaan te danken aan de nederzetting bij een sterkte, welke op den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land aan de Gosaha werd opgeworpen en later als het slot Oostende bekend was. De huizen, die in den omtrek van dat slot gebouwd werden, vormden het dorp ter-Gosaha, waaruit volgens de meening van sommige schrijvers de naam der latere stad Goes zou ontstaan zijn.Het slot Oostende (Ostende) is waarschijnlijk door een der heeren van Borselegesticht; het verkreeg zijn naam naar de ligging op het oosteinde van het eiland. In zijn bloeienden toestand had het binnen den zwaren muur van het opperhof, behalve de woongebouwen, ook nog een fraaie, met een toren versierde slotkapel.Het slot Oostende heeft een niet onbelangrijke geschiedenis voor Zuid-Beveland en herhaaldelijk werd de belegering om de zware muren geslagen, o. a. in 1300 door Jan van Renesse, toen het door de bewoners van Reimerswaal ontzet werd. Maar de meeste bekendheid erlangde dit gebouw als de verblijfplaats van Jacoba van Beieren.Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet,Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen,Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongenEn ’t ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer,Van ’t krijgstooneel gekeerd en moe van ’t roem behalen,Een stille rustplaats zocht in ’t lommer van uw zalenEn zorgde voor ’s lands bloei en zorgde voor ’s lands eer;Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stondGraaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden,En met des lijdens last tot stervens toe beladen,Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.’t Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd,In ’t vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten,Wijl ’t opgewonden volk, bij luide jubelkreten,Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.’t Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man,Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven,In ’t zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw drevenEn, hoe door ’t lot getergd, zich zalig wanen kan.’t Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond,Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen;Vrij moog’ de storm des tijds met uwe puinen spelen,En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.R. C. H. Römer.Dit slot Oostende behoorde tot de weinige goederen, die in 1428 aan de ongelukkige gravin Jacoba van Beieren overbleven. Terwijl zij hier haar verblijf hield, trachtte zij haar leed te vergeten door den omgang met den adel en het landvolk, die de gravin gaarne hulde bewezen. Zij gaf hier wedstrijden in het gaai- of vogelschieten, waaraan zijzelf deelnam, en werd soms tot koningin vanhet feest verheven. Niet alleen door de edellieden en haar deelgenooten, maar ook door een deputatie van edelvrouwen en van het landvolk, in nationale kleeding gedost, met korte jakjes en lange rokken, het hoofd met een muts of aan de zijden loshangenden doek bedekt, werden der gravin hier huldigingsgeschenken gebracht. En deze, verrukt over zooveel trouw, zooals zij maar al te weinig had gekend, beloonde hen rijkelijk: aan de ingezetenen van vijf dorpen werd vrijheid van de vlastienden geschonken, welke vrijheden steeds bleven bestaan. Het gaaischieten is op Zuid-Beveland sedert nog een geliefd volksfeest gebleven; en bij tal van dorpen ziet men nog de hooge palen verrijzen, met een “prang” en een “hoofdvogel” in het midden gekroond, die dit bewijzen. Bovenal is dit bij de Katholieke het geval.Het oude slot van Oostende ging in het laatst der 16eeeuw over aan het geslacht Van der Goes, doch na het overlijden van Adriaan Van der Goes in 1747 werd het door de erfgenamen verkocht aan den Raad van State. De zalen, die zoo dikwijls de oude edelen met hun feestvreugde in gala hadden ontvangen, werden toen bestemd voor een militair hospitaal; in het volgende jaar werd het kasteel tot stadskazerne ingericht. Doch de oude muren werden hoe langer hoe bouwvalliger en in 1750 werd besloten, het gebouw te verkoopen. De kooper sloeg tegen den ringmuur paardenstallen op en in 1751, toen een gedeelte afgebroken en verbouwd was, verkreeg de eigenaar het recht, hier bier en drank te mogen schenken aan de landlieden. Zoo was het kasteel, waaraan de oorsprong van Goes te danken is, afgedaald tot den rang van een boerenherberg.Thans is het niets anders; enkel eenige zware muurstukken in de schuur houden de herinnering aan het kasteel levendig; onder den grond moeten nog de overblijfselen van een onderaardsche gang gevonden worden. En in den hof groeit een moerbezieboom aan den muur, welke, bijna enkel schors, op hoogen ouderdom wijst, maar toch nog vruchten draagt; deze boom zou, volgens de overlevering, nog door Jacoba van Beieren zelf geplant zijn.Huis in de 15e eeuw te Goes.Huis in de 15eeeuw te Goes.Het slot moge de aanleiding geweest zijn voor het ontstaan van de nederzetting te Goes, de ontwikkeling en bloei der plaats was niet aan het kasteel te danken. Hoezeer ook het aanzien der heeren van Oostende daalde, Goes heeft daardoor weinig geleden. De stad heeft haar bloei en uitbreiding te danken als marktplaats aan de dorpen van het eiland. Minder dan de andere Zeeuwsche steden heeft Goes zijn welvaart door de ongunst der tijden of de verlegging der wateren verloren. De handel deed Goes wel bloeien, maar het was geen internationale handel, zooals voor de steden op Walcheren en in Vlaanderen; het was de handel in produkten van en voor het eiland. Het nadeel van ’t verloopen der haven kon daardoor gemakkelijk overwonnen worden. Toen dan ook die oude haven, het overblijfsel der Gosaha, in het midden der 15eeeuw dichtslibde en niet meer op “den Diepe”uitkwam, werd die gedeeltelijk vergraven; in 1651 werd eindelijk een nieuwe haven aangelegd. Ook deze werd echter door de aanlandingen van den mond weder afgesloten van het buitenwater, en toen in 1809 de Wilhelminapolder in de Schenge was afgedamd, moest het havenkanaal verlengd worden, wilde Goes niet van het buitenwater worden afgesloten. In 1810 werd deze verlenging voor de scheepvaart geopend, doch door ontgronding der sluis kwam zij eerst in 1819 voor goed gereed. Eigenlijk is die haven niet meer dan een kanaal, dat met een boog van de stad naar het noordoosten loopt naar het gehucht Sas-van-Goes, aan den mond bij de Ooster-Schelde. Niet ver van dien havenmond, enkele minuten noordelijker bij den noordoosthoek van het Oost-Beveland-poldertje, waar Zandkreek en Ooster-Schelde samenkomen, staat op een dijk een lantaarn ten dienste der zeevarenden. Den bekenden loods der O.-I. Compagnie, Frans Naerebout, wiens onverschrokken en zelfopofferend streven, om schipbreukelingen uit de woedende golven op de Zeeuwsche wateren te redden, zoo dikwijls met glansrijken uitslag bekroond en beroemd werd, zoodat Nierstrasz en Bellamy die daden door hun zangen vereeuwigden, zag men op zijn ouden dag dat licht ontsteken, totdat hij hier zijn bescheiden doch roemrijke aardsche taak voorgoed nederlegde, den 29enAug. 1818, in den ouderdom van 71 jaren.Het centrum van Goes vormt de Groote Markt, een flink, vierkant plein, door burgerlijk nette huizen omringd, zonder dat hun bouw zich door iets bijzonders kenmerkt. Aan den eenen kant verheft zich het stadhuis, een oud gebouw, dat in 1771 en volgende jaren grootendeels vernieuwd is. Aan den rechterkant verrijst een zware, vierkante toren, met een pui er voor en in een dubbelen, achtkanten koepel van hout eindigend, aansluitend bij een gebouw van later dagteekening. Deze toren werd waarschijnlijk in de 14eeeuw gebouwd, maar is in uiterlijk veel veranderd; toch doet hij nog eenigszins denken aan de belfroi’s uit de Vlaamsche steden, die zulk een grooten invloedhadden op het politieke leven. Van den toren te Goes valt dit laatste evenwel niet te zeggen; omtrent zijn invloed op de geschiedenis is weinig bekend. Aan den anderen hoek van het stadhuis verrijst eveneens een vierkante toren, met gebogen dak afnemend en in een achtkant houten koepeltje eindigend, terwijl op den gevel tusschen de torens wapens zijn aangebracht.Markt en stadhuis te Goes.Markt en stadhuis te Goes.Inwendig is de groote zaal van het stadhuis belangrijk; de door Geeraerts geschilderde grauwtjes van deze groote zaal zijn in 1874 door de Rijks-adviseurs voor de monumenten gered en met Rijks-subsidie gerestaureerd; de gemeente bracht daarna de zaal terug in den stijl Lodewijk XV.Het belangrijkste gebouw van Goes is de Groote kerk, ook wel Maria Magdalenakerk genoemd, een trotsch gebouwde, Gothische kruiskerk, die haar wedergade in Zeeland niet heeft. Jhr. de Stuers noemde deze kerk een der fraaiste en rijkst uitgevoerde monumenten der bouwkunst.De lengte der kerk is 66 meter, de breedte 52. Zij is verdeeld in vijf schepen, waarvan de buitenste tot kapellen waren ingericht, en heeft een breed, uitstekend transept, terwijl de koorsluiting wordt gevormd door absiden, waarvan de buitenste eigenaardig elk twee der schepen overspannen.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Het geheel der kerk vertoont den stijl der latere Gothiek en de beide transeptgevels vooral, in tuf- en bergsteen uitgevoerd, zijn zeer fraaie voorbeelden daarvan. Van binnen doet het ruim, met zijn fraai behakte kapiteelen en schijnbaar triforium, even denken aan deLeidsche St.-Pancraskerk. Alleen het koor heeft thans nog steenen gewelven, waarmede vroeger het geheele gebouw zeker bedekt was; die van het westelijk deel zijn ingestort bij den zwaren brand in de 19eeeuw.Vroeger had de kerk geschilderde glazen, waarvan thans niets meer overig is. Gelukkig is het gebouw beter onderhouden, ook al werd het van zijn sieraden ontdaan.Het is niet bekend, wanneer met den bouw der kerk is aangevangen, doch toen in den aanvang der 15eeeuw het westelijk gedeelte gebouwd werd, bestond het oostelijke reeds. Deze kerk werd in 1423 ingewijd. Het houtwerk brandde den 11enSept. 1618 af, doch werd van 1619–1621 hersteld. In 1578 kwam deze kerk aan de Hervormden.De toren loopt uit in een spits, welke een doorsnede van acht rozebladen vormt en niet hoog is.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18e eeuw.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18eeeuw.In de zoogenaamde wandelkerk ligt het stof bewaard van den Zeeuwschen kroniekschrijver Smallegange en een groote, blauwe steen, door de Maatschappij tot N. van ’t Algemeen hier in 1819 gelegd, wijst de rustplaats aan van den onverschrokken menschenvriend Frans Naerebout, den 30enAug. 1748 te Veere geboren en te Sas-van-Goes overleden, 29 Aug. 1818.Wanneer wij nog het Gothische huis op de Turfkade met zijn fraaien gevel uit het begin der 16eeeuw beschouwen en de fraaie pomp op de beestenmarkt met kinderengroep, door A. Vervoort, van 1774, dan hebben wij de merkwaardigheden van Goes bezichtigd. Oude, artistieke poorten heeft de stad niet meer; van 1855–1862 werden de West-, Koe-, Nieuwe-, Oost-, Donkere en Zuidpoort gesloopt.Doch al vindt men er geen buitengewone gebouwen, burgerlijk welvarende huizen, de verblijfplaatsen der neringdoenden, die in het marktverkeer een bron van bestaan vinden, ziet men in alle straten van Goes. Vooral de graanmarkt is de bloei der stad. Op de marktdagen is het er zeer levendig.Wij verlaten thans Goes en wandelen langs een veelal beschaduwden weg, die begrensd wordt door bouwlanden, graslanden en boomgaarden, naar het dorp Kloetinge, op ongeveer twintig minuten van Goes gelegen.Vriendelijk in het geboomte verscholen, doet Kloetinge zich reeds van verre als een fraai Zuid-Bevelandsch dorp kennen. De nederzetting is grootendeels uit flinke, doch eenvoudige huizen, gebouwd om een open plein, met boomen beplant en met een gemetselde waterkom of wed in het midden. Aan dit plein ziet men op het zuideind de kerk, een Gothische kruiskerk uit de 15eeeuw, met in lood gevatte ruiten, terwijl op het eind een vierkante toren verrijst, met fraaie, pyramidale spits, in een peer eindigend. De kerk is in den laatsten tijd geheel gerestaureerd. Het houten ribgewelf in de kerk is met apostelbeeldjes versierd en de beide transepten zijn met steenen gewelven gedekt. Het koor is bovenal fraai en rijk met colonnetten en een boogfries versierd. In de kerk vindt men vele oude grafsteenen. Rondom het godshuis is het kerkhof, met kastanjes beplant.Op een uur afstands van Goes ligt het dorp Kapelle. De nette, welvarende plaats is schilderachtig gelegen tusschen het zware geboomte, dat zich aan alle kanten verheft; uit de verte is zij reeds kenbaar aan haar 65 meter hoogen kerktoren, die statig uitkomt boven den heuvel van groen, waarin zich het dorp schijnt te verschuilen op de vlakte.De kerk van Kapelle dagteekent, volgens een opschrift boven den hoofdingang aan de voorzijde van den toren, uit het begin der 15eeeuw; zij vormt met den toren één geheel en is als een der merkwaardigste monumenten van dien aard in Zeeland te beschouwen.Het gebouw staat op een ruim terrein, de voormalige begraafplaats, thans met plantsoen begroeid en door geboomte overschaduwd; de richting der lengteas is naar het oosten; als bijna alle Katholieke kerken van vroegeren tijd is zij dus “georienteerd”. Het geheele gebouw werd in baksteen uitgevoerd met een spaarzaam gebruik van zandsteen; het heeft binnenwerks een lengte van 50 meter bij 17 meter breedte. De inwendige ruimte is verdeeld in drie schepen of beuken met een veelhoekig gesloten koor aan het middenschip, waaraan door den lateren uitbouw van een koepel blijkbaar een verdubbeling ten deel is gevallen. Een fraaie houten kap dekt als torengewelf het kerkruim. De geprofileerde ribben zijn versierd met rijk gebeeldhouwde figuren, vermoedelijk voorstellingen der Apostelen, onder baldakijns en steunende op karakteristiek gehouwen draagsteenen.Dit alles was tot voor kort, helaas! overdekt met een zwaar lijkkleed van witkalk en pleisterwerk, waaronder de fijnheid van het beeldhouwwerk geheel verborgen was, terwijl ook het schilderwerk er geheel onzichtbaar door werd. Ook van het blauw geschilderd plafond met gouden sterren, waarvan oude lieden in het dorp nog spraken, was niets te zien.Het kerkgebouw is thans gerestaureerd en in den ouden toestand teruggebracht, voor zoover dit mogelijk was. Van de oude beschilderde kerkramen zijn in de koren nog enkele brokstukken aanwezig, die slechts een vaag denkbeeld kunnen geven van het schoone geheel, dat hier vroeger werd gevonden.De toren, waarin zich de hoofdingang bevindt, heeft een vierkanten vorm; hij is afgedekt met een gemetselde spits en versierd met vier, mede gemetselde hoektorentjes, een constructie, die in ons land slechts zelden voorkomt, o. a. ook bij den toren der Oude Kerk van Delft. Omtrent de beteekenis dier vier torentjes, welke vroeger meer gevonden werden, zijn de meeningen verdeeld. Sommigen vermoeden, dat dit een teeken zou zijn van een moederkerk, anderen van een kapittelkerk. Ab Utrecht Dresselhuis ontdekte uit een testament van het begin der 15eeeuw, dat Kapelle de oudste hoofdplaats was van het dekanaat van Zuid-Beveland, en kwam daardoor tot de conclusie, dat de kerk als teeken harer waardigheid waarschijnlijk die bekroning draagt. In de kerk vindt men, behalve een fraaie schepenbank van 1674, nog een gedeelte der Gothische koorbanken, zeer waarschijnlijk dagteekenend uit den tijd, toen de kerk is gesticht.Verder vindt men er vele hardsteenen grafzerken, uitstekend gebeiteld, die niet alleen een bewijs leveren van den kunstsmaak in vervlogen tijden, maar tevens een bijdrage leveren voor de kennis der kleederdrachten uit het verleden.In het koor der kerk staat de graftombe van Philibert van Tuyl van Serooskerken, vrijheer van Tienhoven, heer van Maalstede, Kapelle, Biezelinge enz., overl. 1639, en van zijn echtgenoote Anna van Heer-Jansdam, overl. 1643. Deze edelman, die het slot Maalstede bewoonde, behoorde tot een geslacht, dat van 1398 af tot het midden der 17eeeuw een merkwaardige plaats heeft ingenomen in de geschiedenis van Zeeland. Op staatkundig gebied vervulde genoemde Philibert van Tuyl een belangrijke rol; W. te Water rekent hem onder “de Zeeuwen, door geleerdheid lofwaardig” en prijst zijn “weergalooze wetenschap in de kennis van vaderlandsche en Zeeuwsche zaken”.Op het twee meter hooge, fraai bewerkte voetstuk der tombe ligt een zware dekzerk, waarop in relief, tusschen de familiewapens en zestien kwartierschilden, de levensgroote beelden van den ridder in zijn wapenrusting en van zijn echtgenoote in een deftig, lang gewaad. Waarschijnlijk is dit grafgesteente door een Antwerpensch beeldhouwer gebeiteld. Het werk werd met veel zorg en nauwkeurigheid en in edelen stijl uitgevoerd.Jaren lang had dit alles aan verwaarloozing ten prooi gestaan, en wat de grafschenders van 1798 waren begonnen, had de tijd voortgezet. Gelukkig trok de Commissie uit het Zeeuwsch Genootschap, belast met de zorg voor het opsporen en bewaren der oude gedenkteekenen, zich dit werk in 1876 aan, en door den steun van Mr. W. R. baron van Tuyl van Serooskerken en Zuylen te Zuylen bijUtrecht werd het geheel gerestaureerd, zoodat het weder prijkt in vollen luister.Het kerkplein te Kapelle is aan alle zijden omringd door welvarende, doch eenvoudige burgerhuizen, welke geen opmerkenswaardigheden aanbieden, evenmin als het overige van het dorp. De vraag moet echter onwillekeurig bij den bezoeker van Kapelle oprijzen, waaraan dit landelijk dorp een zoo prachtig kerkgebouw te danken heeft? Om dat te verklaren, moeten wij ons terugdenken in de geschiedenis van deze plaats. Het thans zoo landelijke Kapelle, enkel bestaande van den landbouw, had in de 14eeeuw reeds bloeiende lakenweverijen, welke den naijver der Goesche burgers opwekten en, door hun concurrentie gedrukt, in den tachtigjarigen oorlog te gronde gingen. Kapelle is sedert een landbouwersdorp geworden, maar de kerk kan nog als een monument van dien vroegeren rijkdom beschouwd worden.Ten noordoosten van Kapelle lag oudtijds het kasteel Maalstede of Maelstede, dat voor een der oudste kasteelen van het eiland gehouden werd en van omstreeks het jaar 1200 moet dagteekenen. Het was een zwaar, vierkant gebouw, van voren met een voorhof en op den noordwesthoek een torentje, terwijl het van binnen voorzien was van ruime zalen en vertrekken; het was omringd door grachten en plantages. In het laatst der 18eeeuw werd dit inmiddels vervallen kasteel afgebroken.Verder noordoostelijk, nabij het kanaal van Zuid-Beveland en aan de Schelde, ligt het dorp Wemeldinge, een fraaie, in dicht geboomte verscholen plaats, hoofdzakelijk bestaande uit een lange straat. Het dorp wordt veel door schilders bezocht. Oudtijds verhieven zich in deze plaats een adellijk nonnenklooster en een convent der Tempelieren, later een bezitting der ridders van St. Jan. Het inwendig gerestaureerde oude kerkje is schilderachtig gelegen aan het eind van het dorp, op een iets hooger terrein; het bezit fraaie gestoelten en bewerkingen.Van Kapelle naar het zuiden wandelende, bereiken wij op korten afstand het dorp Biezelinge. Thans is Biezelinge een lief, eenvoudig plaatsje met een net kerkje. Eens was het een niet onbelangrijke havenplaats. In de nabijheid van het dorp lag vroeger het rijk begiftigde nonnenklooster Jeruzalem.Onze plaatsruimte laat niet toe, alle flinke dorpen van Zuid-Beveland te beschrijven of de bijzonderheden er van op te sommen. Wij wijzen hierop, om niet de gevolgtrekking uit te lokken, dat alleen de door ons genoemde dorpen een bezoek waard zijn. Men vindt er nog vele, die dit voorrecht deelen. Wij zouden kunnen wijzen op den schoonen Wilhelminapolder, die langs een prachtigen, door olmen belommerden weg langs de haven van Goes te bereiken is, waar met merkwaardige zorg delandbouw gedreven wordt en schier geen voet gronds verloren gaat, een vriendelijk tooneel van genoegelijkheid en welvaart, dat u tegenlacht.Hier, waar eens vloed en ebbe vielBij ’t ruischen van de breede baren,Daar schiep de kunst, door ’s menschen hand,Een zee van gouden korenarenRond golvend over ’t vruchtbaar land.Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Doch wij moeten ons vergenoegen met een algemeen beeld van den indruk, dien het Land van Ter-Goes maakt op den bezoeker. En dat beeld valt uit zeer ten gunste van dat gewest.Holland prijz’ zijn klaverweiden,Roeme op ’t zuivelrijke gras,Zeeland, van dat erf gescheidenDoor een woesten waterplas,Uit uw slibben, uit uw stroomen,Beurt gij, als Neptunus’ bruid,Die de baren kan betoomen,’t Hoofd ter groene golven uit!Niet, als van uw nageburen,Welig, rijk Zuid-Beveland!Schonk natuur u steile muren,Duinen van onvruchtbaar zand;Neen, o neen! maar kunst van dijken,Die u van rondom beschermt,Woekerde uw zoo vruchtbre slijkenUit de Scheld, die u omarmt.O, Zuid-Bevelandsche beemden,Vruchtbaar zonder wederga,Dat u ’t starend oog der vreemdenDiep getroffen gadesla.Zooveel duizenden gemeten,Trotsche bosschen, goudgeel graan,Staart uw dankbre ingezetenJaarlijks met verrukking aan.Dat uw hooge, breede dijken,’t Bolwerk tegen ’t golfgeweld,Vrij met trotsche boomen prijken,Spieglend zich in zee en Scheld.Zij verschuilen, zij omvattenMeekrapstoven, schuren vlas,Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten,De oogst en kiem van ’t veldgewas.Zij omvatten dorpen, steden,Lustwaranden, groot en schoon,Landbouwrijkdom stemt de zedenOp een gullen, lossen toon.Boeren, die geen reuzen wijken,Met boerinnen, rond en frisch,Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijkenKracht en vuur te trekken is.Kracht en vuur, die niet ontaarden,Schenkt hier de ijzerharde grondAan de forsche, breede paarden,’t Kouter scheurend door de klont;Of die ons in zomertijden,Onder lachen en gestoei,Door de gouden kamers rijden,Waar het lijnzaad staat in bloei.Aldus bezong een beschrijvend dichter, wiens naam ons onbekend is, in 1843 den roem van het toenmalige Zuid-Beveland. En niet ten onrechte.Al vindt men hier geen afwisseling van terreinen, de eentonige vorm van het landschap wordt allerwegen afgebroken door hooge dijken, zware bolwerken, die het krachtigste getuigenis afleggen van den strijd om ruimte, door den mensch tegen de wateren gestreden, terwijl de meeste wegen met rijen zwaar iepengeboomte beplant zijn. De ruimten binnen die dijken wordt ingenomen door uitgestrekte akkers, waarop uitstekend graan golft, waar vroeger meer het vlas zijn zachtblauw bloempje deed schemeren en waar in den laatsten tijd de bietencultuur in den zomer het geel van de tarwe met het donkergroen doet afwisselen. En daartusschen liggen de landhuizen verspreid: flinke gebouwen met hooge schuren om het graan te bergen en meestal door boomen omgeven, terwijl zoo hier en daar aan de dijken of meer in de polders de kerktorens hun spitsen uit het geboomte, dat zich in de dorpen verheft, ten hemel beuren. Schilderachtige partijen, wel niet door forsche lijnen, maar door huiselijkheid en vriendelijkheid uitmuntend, vindt men er vele. Onderscheidene dorpen worden dan ook veel bezocht door schilders, zelfs uit het buitenland, die in den kleurentoon en de lichteffecten van het land en zijn wateren de inspiratie voor hun schoonste scheppingen vinden. Een dergelijk dorp is o. a. Wemeldinge, gelijk wij zeiden.De schoonste tijd, om Zuid-Beveland te bezoeken, is de lente, als het weder gunstig is en het nieuwe leven over het land is ontwaakt. Dan geuren hier bloeiende meidorens in menigte; dan zijn de weilanden frisch en groen; op de akkers golft het koolzaad als een heldergeel kleed, geweven uit duizenden kruisbloempjes, en de boomgaarden zijn in hun rozigen feesttooi gehuld. Indien tijd wordt overal het woord van den genialen Goesenaar, Johannes Antonides, bevestigd:De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwdEn ’t veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.Vroeger bood het landschap van Zuid-Beveland nog meer afwisseling aan. Toen was ook dit eiland met tal van kloosters en kasteelen overdekt, die door hun statigen bouw en boschrijke omstreken de schoone tegenstellingen verhoogden. Wij noemen enkele. Goes had zijn slot Oostende, Heer Hendrikskinderen zijn slot Huis te-Werf; ’s Heer Arentskerke had een stout kasteel, dat uit het water oprees; men vond kasteelen of ridderhofsteden te Baarsdorp, Baarland, Heinkenszand, Nisse, Kloetinge, Kapelle, Ellewoudsdijk en elders.Doch met den adel zijn ook de kasteelen op Zuid-Beveland alle verdwenen; het is een eiland met boeren bewoners, waar Ceres den schepter voert, dien zij Neptunus ontworsteld heeft. Groote buitenverblijven vindt men zelfs op Zuid-Beveland niet meer; hier woont een ijverig arbeidende bevolking, die in de bewerking van den vruchtbaren bodem haar bron van welvaart ziet. Zuid-Beveland wordt dan ook de “korenschuur van Zeeland” genoemd, een naam, die niet onverdiend is, omdat de bouwlanden hier de beste van Zeeland zijn, de landen er veel opbrengen. De Bevelander, die wel de heerlijke atmosfeer der zandgronden miste, vond in de rijke opbrengst des lands een ruime schadeloosstelling, en drukte dat spreekwoordelijk uit: “Brabantsche lucht, maar Zeeuwsche renten”.Verder draagt Zuid-Beveland roem op zijn uitstekende boomkweekers. Den eerenaam “Paradijs van Zeeland” heeft het zeker mede te danken aan de rijke boomgaarden met heerlijk ooft, die men hier vindt, terwijl de vriendelijke, schoone vrouwen uit het Land-van-ter-Goes de gedachte aan het Paradijs nog versterken. De volkseigene kleeding wordt in deze streken nog het meest bewaard en wekt algemeene bewondering.De kleeding in het land van Goes kan als de meest schilderachtige van geheel Zeeland beschouwd worden; vooral bij de vrouwen is zij het best in stand gehouden. Zij gevoelen het, dat in hun costuum iets bekoorlijks, iets verhevens ligt, hetwelk aan hooger komaf doet denken, iets adellijks met een stamboom in het verre verleden wortelend, en leggen daarom de nationale kleeding niet af, wanneer zij in den vreemde gaan. De dienstmeisjes uit het Goesche in Den Haag, waar zij veel voorkomen, en in Amsterdam, waar slechts enkelen zijn, trekken de aandacht; niet de nieuwsgierige aandacht, welke den lachlust opwekt, zooals bij den grootstedeling te licht geschiedt, als hij den provinciaal in eigen dracht aanschouwt, maar de eerbiedige aandacht, die tot bewondering stemt voor het schoone en aristocratische, dat er uit spreekt.Wij willen hier tot afwisseling in ons reizen en trekken een kleine geschiedenis verhalen, welke duidelijk bewijst, hoezeer de Zuid-Bevelandsche meisjes in hun nationaal costuum de aandacht van vreemdelingen boeien. Het verhaal, dat waar is, betreft niemand minder dan Keizer Napoleon I. Deze bracht den 11enMei 1810 een bezoek aan den Zuid-Bevelandschen polder “Zuid-Kraaijert”, van welken polder uit de Franschen, na den terugtocht der Engelschen naar Walcheren in 1809, dikwijls, doch vruchteloos gepoogd hadden, de vijandelijke schepen uit het Sloe te verdrijven. Napoleon wilde zelf deze plek zien en had het déjeuner besteld in een hofstede, destijds bewoond door Nicolaas Willemse Honderd. Toen het déjeuner, dat in Goes was klaargemaakt, helaas! niet op tijd gebracht werd en de groote Keizer op het punt stond, gramstorig uit te barsten, wierp hij een blik op de 17-jarige dochter van den boer. Haar lief gezicht en vorstelijk Zeeuwsen costuum deden de zwarte wolk bij den machtige spoedig verdwijnen en hij beval, dat er dadelijk eieren gekookt, boterhammen gesneden en koffie gezet moest worden, maar wijl het eten nu toch op zijn boersch was, wilde de Keizer ook door een boerin bediend worden en wel door de dochter des huizes.Spoedig was het bestelde gereed en de Keizer knoopte een gesprek aan met het jeugdige boerinnetje, dat door de Fransche troepen, die hier gelegen hadden, een weinig Fransch kon spreken.Het eerste, wat de belangstellende Keizer haar vroeg, was, of zij getrouwd was. Toen het antwoord ontkennend luidde, volgde de vraag, of zij al een vrijer had? Het meisje lachte schuchter, zooals gewoonlijk met boerenmeisjes bij dergelijke vragen het geval is, en toen de Keizer aanhield, bekende zij, dat haar hart niet meer vrij was. “Dat had ik wel gedacht,” zei Napoleon en streek het boerinnetje over de wang, “gij zijt een veel te knap meisje, om niet gevrijd te worden”. “Maar,” hervatte hij verder, “laat dien vrijer loopen en ga met mij mede naar Parijs; ik zal goed voor u zorgen.” Ofschoon Napoleon dit bij herhaling vroeg en het meisje reeds bijna bezweek voor dat schitterend aanbod, bleef zij toch op het eiland: haar ouders konden niet met het plan instemmen. Toen Napoleon echter vroeg, waarom zij niet huwde, antwoordde het boerinnetje, dat haar minnaar nog geen middel van bestaan had. Napoleon was zoo getroffen door het bekoorlijke gezichtje, dat hij haar vroeg, wat er aan ontbrak. Zij vertelde hem, dat dit ongeveer ƒ 300 ’s jaars was. “Welnu,” antwoordde de Keizer, “gij moogt wel iets hebben, omdat gij ons goed bedient.” Napoleon beloofde nu het meisje, haar jaarlijks ƒ 300 te zullen uitkeeren en als zij getrouwd was het dubbele, terwijl hij haar als handgeld twee dubbele gouden Napoleons schonk.Werkelijk moet dit meisje als loon voor haar vriendelijk optreden bij den Keizeren voor haar bekoorlijkheid het eerste jaar dit bedrag hebben ontvangen, doch de val des Keizers deed het jaargeld spoedig voor de Zeeuwsche schoone verloren gaan.De Zeeuwsche costuums te beschrijven is voor een niet-Zeeuw, ook al heeft hij hun land in alle richtingen doorkruist en veel met het volk omgegaan, een moeielijke taak, vooral waar de costuumkunde niet tot zijn eigenlijke studie behoort. Doch door het gelukkig denkbeeld der Zeeuwen, om bij het bezoek vanH.H. M.M.de Koningin en de Koningin-Regentes op 21 Aug. 1894 aanH.H. M.M.de echt nationale kleederdrachten te toonen en in een beschrijving te verduidelijken, een boek, waarvan slechts weinige exemplaren gedrukt werden, zijn wij in staat, hieraan een en ander te ontleenen, dat betrouwbaar is en op nauwgezette kennis berust. Aan Dr. J. C. de Man, den kenner van Zeeland, hebben wij de beschrijving der tegenwoordige kleederdrachten te danken, aan den heer J. A. Frederiks een inleiding over het historisch costuum, en beiden zullen wij dankbaar raadplegen.In de eerste plaats een korte schets van het Zuid-Bevelandsche vrouwencostuum en de versiering. Onmiddellijk wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vierkante gouden platen of boeken, hier stikken genoemd, de Zeeuwsche naam voor stukken, welke aan beide zijden van het voorhoofd iets boven de oogen schuin uitsteken, terwijl hooger, aan beide zijden van het kuifje veelal zwarte haar, dat, op het voorhoofd naar achter omgebogen, iets onder de muts uitkomt, gouden bollen zijn aangebracht. Deze platen, die soms wel zes c.M. hoog en vier breed zijn, worden aan een hoepel om het hoofd bevestigd, een echte, oude haarband.Over een nette, witte ondermuts draagt de Goesche een buitenmuts van doorzichtig borduurwerk, die breed uitstaat terzijde van het hoofd, aan de kanten rond afloopt en van voor en achter den fijn gevormden hals goed laat zien, terwijl ook het gouden slot met de kralen duidelijk zichtbaar zijn. Die mutsen met gouden stukken geven aan de Goesche vrouw een schilderachtig, voornaam voorkomen en de breede, uitstaande kanten zijn uitingen van een levenslustig karakter, waardoor de vroolijke meisjes uit het land van Goes zich van de meer stemmige op Walcheren onderscheiden. Ook kan men aan den vorm en grootte der mutsen in het Goesche een verschil vinden bij Protestanten en Katholieken. De laatsten hebben grooter muts met langer, op de schouders afhangende kant, meer vierkant afgesneden.Ter zijde van de muts zit gewoonlijk van achteren een gouden haarknop of parel. Deze “gouden paerde”, zooals de naam luidt in de taal der bevolking, d. i. parelspelden, zijn òf effen, òf gewerkt; er behooren in den regel nog kleine cantille spelden bij. Hierin is geen verschil bij Roomschen en Protestanten.De hoed moet passen bij de muts. Vroeger droegen de vrouwen hier schelphoeden,die veel sierlijker waren dan die van Walcheren. Zij hadden strooien randjes en een bol met velerlei lint. Doch die ziet men thans niet meer. Ook de hedendaagsche hoed op Zuid-Beveland, die voor een halve eeuw algemeen was, wordt weinig meer gedragen, omdat men dien ouderwetsch vindt. Toch bezitten de meesten een hoed. Hij is van fijn stroo, en evenals de geheele kleeding zwieriger dan de Walchersche; aan den rand is hij omzoomd met een strooien biesje van roosjes of pikkeltjes; de voering is fijn en niet altijd blauw en op den hoed zelf zijn onderscheidene rosetten, of, zooals men ze noemt, kransen van stroo, die men als navolging ook vindt in het Walchersche Nieuwland, maar niet op Walcheren zelf. Het eigenaardige van den Zuid-Bevelandschen hoed is, dat er noch van voren, noch van achteren linten aan zijn, iets, waarvan men op Walcheren juist veel werk maakt. Wil de wind zich van den hoed meester maken, dan moet men hem met een speldje vaststeken.Bij deze mutsen behoort ook de overige kleeding iets levendigs te hebben. Daartoe leent zich de schilderachtige doek, om de schouders geslagen, welke aan den voorkant een driehoekige beuk voor de borst openlaat, eveneens met een gekleurden doek bedekt en omhangen met een kantvormige versiering van gekleurde kralen. De bijna geheel bloote armen passen bij dit costuum en verhoogen de aantrekkingskracht der Goesche schoonen.Een eigenaardigen indruk maakt de Goesche vrouw met deze kleederdracht in het landschap. Altijd ziet men haar met de blinkende gouden stukken; melkmeisjes ziet men in de weide de koeien melkend, terwijl de gouden platen van verre schitterend uitkomen in het licht der dalende avondzon, als waren zij feeën afgedaald naar het lage land aan den mond der Schelde. Hier komen ons de woorden van Cats voor den geest, die de Zeeuwsche “jonckvrouwen” tot half bovenaardsche verschijningen verhief, toen hij schreef:Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten,(Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten)Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant,Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant;Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachtenEen onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten,Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesichtEen droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.De vrouwen hebben hier nog het best hun nationale dracht bewaard; die der mannen is meestal opgelost in de algemeene, maar toch zien wij nog enkelen in een landskleeding, zij het ook reeds verzwakt in bijzonderheden. Het typische oude hoofddeksel van den Zuid-Bevelandschen boer is een lage, bolvormige hoed met naar achter omgeslagen rand, een type, dat reeds in de 13eeeuw werdaangetroffen. De hoed is niet effen, maar wollig, vooral in de duurdere soorten, en dat wollige en pluizige staat goed en doet den Goesenaar dadelijk herkennen. Men kent hem ook aan zijn twee zilveren broekstukken; zij zijn niet, als de Walchersche, bezet met het wapen van Holland met de leeuwen, maar keurig bewerkt met glinsterende punten en vlokken, zoodat ieder ze mooier vindt. De Katholieke boeren gaan evenals de anderen gekleed; alleen kan men de verschillende gezindten leeren kennen door een wijziging van voren aan den hoed.Wat heeft aanleiding gegeven tot dit verschil van kleeding tusschen Katholieken en Protestanten? Bij de eersten heeft het kleurrijke steeds meer geheerscht in de kerken, werd het schoone meer gehuldigd. De kleederdracht der Goesche vrouwen dagteekent ongetwijfeld uit den tijd vóór de Hervorming. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de Katholieken zich hier uit Brabant later gevestigd hebben. Zij namen het schilderachtige costuum over, dat met hun aard niet in strijd was, maar wijzigden dit eenigszins naar hun smaak en zoo bleef het verschil bestaan. Wij erkennen echter, dat dit slechts een veronderstelling is.Noord-Beveland, Schouwen, Tolen en Duiveland verschillen in kleeding van Goes en Walcheren en sluiten zich alle nader aan bij de Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Noord- en Zuid-Beveland, hoewel sedert negen eeuwen den naam van “Beveland” dragend, hebben een verschillende bevolking, hetgeen blijkt uit lichaamsvorm, gewoonten, uitspraak der woorden en ook uit de kleeding. Op eerstgenoemde eilanden hebben de boeren echter meest hun nationale kleeding afgelegd; alleen de vrouwen hebben de nationale staartmutsen bewaard. Slechts kleine variaties komen daarin voor op de verschillende eilanden. Zoo is de “Schouwsche” of “Toolsche muts”, gelijk men haar noemt, op Noord-Beveland meer vierkant, elders meer rond. Het algemeen model is een ronde bol met daaromheen een rijke kant, die op Tolen weer anders is dan op Noord-Beveland. Zij ligt over de schouders en een deel van den rug, niet stijf, maar zwierig met plooien en golvingen.Aan beide zijden van het hoofd worden spiraalvormige krullen gedragen op deze eilanden. Die krullen zijn op de Zuid-Hollandsche eilanden het grootst, op Schouwen, Duiveland, Tolen en Noord-Beveland kleiner. De kleine Schouwensche krul is, evenals de Walchersche, misschien nog een overblijfsel van het volk, dat in lang vervlogen tijden de kust van Schouwen bewoonde.Onderscheidene oude gewoonten en gebruiken hebben op Zuid-Beveland lang standgehouden. Nog voor weinige jaren werd in Juli, als de “zaedoest” (zaaddorsch) daar was, waarbij vrouwen en meisjes de “stukken” naar het zaaddorschzeil droegen (zie een afbeelding bij Walcheren), dat op het veld werd uitgespannen, en de mannen met forschen, gezwinden maatslag “de vlui” hanteerden,na afloop van het werk de “Meie” gevlochten, een krans van groen en bloemen, die door een paar jonge meisjes, gevolgd door een joelenden hoop, naar den baas werd gedragen “om hem met den geëindigden dorsch” geluk te wenschen, waarop een feest volgde. Handboog- en gaaischieten behooren hier nog tot geliefde uitspanningen, waarbij de koning gekroond wordt. In elk Zeeuwsch dorp bijna vindt men de “klapbank”, een plaats onder een linde of een afdak, waar de dorpsjongens ’s avonds, na afloop van den arbeid, samenkomen om te praten en allerlei nieuwtjes te bespreken; als het mogelijk is, vindt men die tegenover de smidse, waar het helder vlammende vuur in den donker licht werpt op de verzamelplaats.Eigenaardig zijn de dorpsjongelingen-vereenigingen, een soort van jongelieden-gilden, met een bestuur en bijeenkomsten, soms ook terloops op de “klapbank”, en door wie de zaken van algemeen belang voor ’t jonge volkje geregeld worden. Wanneer een jonkman uit een naburig dorp komt, om een meisje te vrijen, zal de jongelings-vereeniging zich daarmede bemoeien, en de huwelijkskandidaat wordt niet toegelaten, vóór hij van haar toestemming heeft verkregen, een toestemming die gemakkelijk gekocht kan worden tegen een tractatiegeld.Een schaduwzijde van de maatschappelijke toestanden op vele Zeeuwsche eilanden is, dat rijke Belgische heeren hier eigenaars van groote boerenplaatsen trachten te worden, zoodat de Zeeuwsche boeren voor een groot gedeelte pachters zijn. Die vreemdelingen, “poepen” genoemd, ziet men niet gaarne; als uitlanders deelen zij niet in de lasten en staan zij in geen nauwe betrekking tot hun pachters, zoodat het hun eenige doel is, van de “Zeeuwsche renten” te profiteeren.Wij zetten thans ons tochtje voort naar het eiland Walcheren.
Wij bevinden ons thans in het hart van het tegenwoordige Zuid-Beveland, dat naar de stad van dien naam bij het landvolk veelal als het Land van Ter-Goes wordt aangeduid. Goes vormt hier vrijwel het geographisch centrum van het land en was sedert lang het economische- en handels-centrum van het eiland, zelfs het wetenschappelijk middelpunt van dit gebied.
Het geographisch centrum van westelijk Zuid-Beveland is Goes echter nogniet zeer langen tijd. Van de steden van het oude Zuid-Beveland en van Zeeland in ’t algemeen kan wel gezegd worden, dat zij niet zijn ontstaan in het binnenland, maar aan de randen van de eilanden langs de wateren, of daar, waar een bevaarbare waterarm dieper landwaarts liep, ook verder in het land. Het oude Zeeland heeft alles aan het water te danken: zijn kracht en energie, zijn opkomst en bloei, zijn vruchtbaren bodem en zijn welvarende steden.
Reimerswaal en Ierseke, evenals Goes, lagen in hun opkomst aan zee; Vlissingen, Veere en Arnemuiden eveneens en ook Middelburg had een zeehaven, gelijk mede met Zieriksee het geval was. Waar de zee zich terugtrok, vervielen de steden veelal geheel, zooals Veere en Arnemuiden ons aantoonen, wanneer niet andere bronnen van welvaart het verlies van den handel op zee konden neutraliseeren.
Goes verkeert in deze laatste gelukkige omstandigheid. Hoewel thans ver van de zee verwijderd en alleen door een gegraven haven er mede vereenigd, is Goes een bloeiende plaats gebleven, de marktplaats van het eiland, de stad, waarin zich het karakter van westelijk Zuid-Beveland concentreert.
Als wij de kaart beschouwen, waarop Ab Utrecht Dresselhuis den vermoedelijken toestand van Zeeland omstreeks 1200 geteekend heeft—ook de kaart, die wij overnamen, komt daar veel mede overeen—dan zien wij, dat in dien tijd het westelijk Zuid-Beveland bestond uit een groot eiland, ten westen van Ierseke, waarop in ’t noorden Goes lag aan een water, dat Wolfaertsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidde, terwijl het eiland in het westen niet verder liep dan ’s Heer-Arendskerke. Heinkenszand lag als een afzonderlijk eilandje ten westen (niet op onze kaart) en Baarland (Borland) en Borsele vormden een of meer afzonderlijke eilandjes in het zuiden.
Zeeuwsche boeren op den weg.Zeeuwsche boeren op den weg.
Zeeuwsche boeren op den weg.
Naar het zuidwesten had al vroeg de aanzienlijkste uitbreiding plaats. Het breede water, de Zwake, dat Borsele in ’t noorden begrensde, verlandde en werd reeds vroeg bedijkt, het laatst daarvan misschien de St.-Anthoniepolder in 1516, waardoor Baarland en Borsele met Zuid-Beveland verbonden werden.
Vóór deze verlanding vormde Heinkenszand een belangrijk handelspunt, omdat de scheepvaartweg van Middelburg naar Antwerpen hierlangs liep, zoodat dit dorp een bloeiend verkeer verkreeg, hetwelk evenwel door het verlanden derwateren en de daarop gevolgde inpolderingen geheel verliep en in het begin der 17eeeuw had opgehouden te bestaan.
De Schenge, de Puye en het Goesche diep, die Wolfaartsdijk (Westerdijk) van Zuid-Beveland scheidden, bleven nog bestaan tot 1809, toen door de indijking van den Wilhelminapolder het oostelijk gedeelte van dit water werd afgesloten, terwijl in 1874 het westelijk gedeelte van den Schengepolder werd bedijkt.
Op deze wijze werd het westelijk Zuid-Beveland uitgebreid door verschillende bedijkingen en aanhechtingen van omliggende eilanden, waarvan wij slechts eenige noemden, tot het zijn tegenwoordige gedaante verkreeg. Verliezen had het eiland echter ook te lijden, doch niet zoo aanzienlijk als het oosten van Zuid-Beveland.
Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743
Het SLOT OOSTENDE te GOES. 1743
Het Land van Ter-Goes draagt nog de sporen van die ontwikkelingsgeschiedenis op ’t gelaat; de wateren, welke vroeger de eilandjes scheidden, kan men dikwijls gemakkelijk herkennen aan de lange, smalle polders tusschen twee hooge dijken. Op vele plaatsen evenwel is die herkenning moeilijker, omdat de wateren bij gedeelten werden ingedijkt en daardoor de vorm van het oorspronkelijke water niet altijd in dien der polders bewaard bleef.
Wij vangen onze wandelingen aan in de stad Goes, een vriendelijk provinciestadje met ongeveer 7000 zielen. Zeer zeker heeft de stad haar ontstaan te danken aan de nederzetting bij een sterkte, welke op den oosthoek van het westelijk gelegen hooge land aan de Gosaha werd opgeworpen en later als het slot Oostende bekend was. De huizen, die in den omtrek van dat slot gebouwd werden, vormden het dorp ter-Gosaha, waaruit volgens de meening van sommige schrijvers de naam der latere stad Goes zou ontstaan zijn.
Het slot Oostende (Ostende) is waarschijnlijk door een der heeren van Borselegesticht; het verkreeg zijn naam naar de ligging op het oosteinde van het eiland. In zijn bloeienden toestand had het binnen den zwaren muur van het opperhof, behalve de woongebouwen, ook nog een fraaie, met een toren versierde slotkapel.
Het slot Oostende heeft een niet onbelangrijke geschiedenis voor Zuid-Beveland en herhaaldelijk werd de belegering om de zware muren geslagen, o. a. in 1300 door Jan van Renesse, toen het door de bewoners van Reimerswaal ontzet werd. Maar de meeste bekendheid erlangde dit gebouw als de verblijfplaats van Jacoba van Beieren.
Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet,Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen,Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongenEn ’t ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;
Niet dat bewaart uw naam, dat Vlaandrens krijgrenstoet,
Door Zeeuwschen adeltrots naar Zeeland heengedrongen,
Vergeefs uw vestingmuur met woede heeft besprongen
En ’t ongehoord bedrijf geboet heeft met zijn bloed;
Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer,Van ’t krijgstooneel gekeerd en moe van ’t roem behalen,Een stille rustplaats zocht in ’t lommer van uw zalenEn zorgde voor ’s lands bloei en zorgde voor ’s lands eer;
Niet dat ook schenkt u roem, dat Beaumonts eedle heer,
Van ’t krijgstooneel gekeerd en moe van ’t roem behalen,
Een stille rustplaats zocht in ’t lommer van uw zalen
En zorgde voor ’s lands bloei en zorgde voor ’s lands eer;
Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stondGraaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden,En met des lijdens last tot stervens toe beladen,Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.
Niet dat, o grijze burcht! maar dat in vroeger stond
Graaf Willems eenge spruit, door vriend en maag verraden,
En met des lijdens last tot stervens toe beladen,
Een welgemeend onthaal in uwe hallen vond.
’t Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd,In ’t vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten,Wijl ’t opgewonden volk, bij luide jubelkreten,Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.
’t Is of ons oog haar ziet, als ze, uit den strijd gekeerd,
In ’t vorstelijk verblijf verheugd is neergezeten,
Wijl ’t opgewonden volk, bij luide jubelkreten,
Als schutterkoningin haar huldigt en vereert.
’t Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man,Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven,In ’t zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw drevenEn, hoe door ’t lot getergd, zich zalig wanen kan.
’t Is, of zij voor ons rijst, wanneer zij met den man,
Voor wien zij rang en macht heeft willig prijsgegeven,
In ’t zwijgend avonduur ginds omdoolt door uw dreven
En, hoe door ’t lot getergd, zich zalig wanen kan.
’t Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond,Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen;Vrij moog’ de storm des tijds met uwe puinen spelen,En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.
’t Zij vrij den tijd gelukt, te sloopen, wat hier stond,
Den steilen vestingmuur met borstweer en kanteelen;
Vrij moog’ de storm des tijds met uwe puinen spelen,
En strooien, wat er rest, gevoelloos in het rond.
R. C. H. Römer.
Dit slot Oostende behoorde tot de weinige goederen, die in 1428 aan de ongelukkige gravin Jacoba van Beieren overbleven. Terwijl zij hier haar verblijf hield, trachtte zij haar leed te vergeten door den omgang met den adel en het landvolk, die de gravin gaarne hulde bewezen. Zij gaf hier wedstrijden in het gaai- of vogelschieten, waaraan zijzelf deelnam, en werd soms tot koningin vanhet feest verheven. Niet alleen door de edellieden en haar deelgenooten, maar ook door een deputatie van edelvrouwen en van het landvolk, in nationale kleeding gedost, met korte jakjes en lange rokken, het hoofd met een muts of aan de zijden loshangenden doek bedekt, werden der gravin hier huldigingsgeschenken gebracht. En deze, verrukt over zooveel trouw, zooals zij maar al te weinig had gekend, beloonde hen rijkelijk: aan de ingezetenen van vijf dorpen werd vrijheid van de vlastienden geschonken, welke vrijheden steeds bleven bestaan. Het gaaischieten is op Zuid-Beveland sedert nog een geliefd volksfeest gebleven; en bij tal van dorpen ziet men nog de hooge palen verrijzen, met een “prang” en een “hoofdvogel” in het midden gekroond, die dit bewijzen. Bovenal is dit bij de Katholieke het geval.
Het oude slot van Oostende ging in het laatst der 16eeeuw over aan het geslacht Van der Goes, doch na het overlijden van Adriaan Van der Goes in 1747 werd het door de erfgenamen verkocht aan den Raad van State. De zalen, die zoo dikwijls de oude edelen met hun feestvreugde in gala hadden ontvangen, werden toen bestemd voor een militair hospitaal; in het volgende jaar werd het kasteel tot stadskazerne ingericht. Doch de oude muren werden hoe langer hoe bouwvalliger en in 1750 werd besloten, het gebouw te verkoopen. De kooper sloeg tegen den ringmuur paardenstallen op en in 1751, toen een gedeelte afgebroken en verbouwd was, verkreeg de eigenaar het recht, hier bier en drank te mogen schenken aan de landlieden. Zoo was het kasteel, waaraan de oorsprong van Goes te danken is, afgedaald tot den rang van een boerenherberg.
Thans is het niets anders; enkel eenige zware muurstukken in de schuur houden de herinnering aan het kasteel levendig; onder den grond moeten nog de overblijfselen van een onderaardsche gang gevonden worden. En in den hof groeit een moerbezieboom aan den muur, welke, bijna enkel schors, op hoogen ouderdom wijst, maar toch nog vruchten draagt; deze boom zou, volgens de overlevering, nog door Jacoba van Beieren zelf geplant zijn.
Huis in de 15e eeuw te Goes.Huis in de 15eeeuw te Goes.
Huis in de 15eeeuw te Goes.
Het slot moge de aanleiding geweest zijn voor het ontstaan van de nederzetting te Goes, de ontwikkeling en bloei der plaats was niet aan het kasteel te danken. Hoezeer ook het aanzien der heeren van Oostende daalde, Goes heeft daardoor weinig geleden. De stad heeft haar bloei en uitbreiding te danken als marktplaats aan de dorpen van het eiland. Minder dan de andere Zeeuwsche steden heeft Goes zijn welvaart door de ongunst der tijden of de verlegging der wateren verloren. De handel deed Goes wel bloeien, maar het was geen internationale handel, zooals voor de steden op Walcheren en in Vlaanderen; het was de handel in produkten van en voor het eiland. Het nadeel van ’t verloopen der haven kon daardoor gemakkelijk overwonnen worden. Toen dan ook die oude haven, het overblijfsel der Gosaha, in het midden der 15eeeuw dichtslibde en niet meer op “den Diepe”uitkwam, werd die gedeeltelijk vergraven; in 1651 werd eindelijk een nieuwe haven aangelegd. Ook deze werd echter door de aanlandingen van den mond weder afgesloten van het buitenwater, en toen in 1809 de Wilhelminapolder in de Schenge was afgedamd, moest het havenkanaal verlengd worden, wilde Goes niet van het buitenwater worden afgesloten. In 1810 werd deze verlenging voor de scheepvaart geopend, doch door ontgronding der sluis kwam zij eerst in 1819 voor goed gereed. Eigenlijk is die haven niet meer dan een kanaal, dat met een boog van de stad naar het noordoosten loopt naar het gehucht Sas-van-Goes, aan den mond bij de Ooster-Schelde. Niet ver van dien havenmond, enkele minuten noordelijker bij den noordoosthoek van het Oost-Beveland-poldertje, waar Zandkreek en Ooster-Schelde samenkomen, staat op een dijk een lantaarn ten dienste der zeevarenden. Den bekenden loods der O.-I. Compagnie, Frans Naerebout, wiens onverschrokken en zelfopofferend streven, om schipbreukelingen uit de woedende golven op de Zeeuwsche wateren te redden, zoo dikwijls met glansrijken uitslag bekroond en beroemd werd, zoodat Nierstrasz en Bellamy die daden door hun zangen vereeuwigden, zag men op zijn ouden dag dat licht ontsteken, totdat hij hier zijn bescheiden doch roemrijke aardsche taak voorgoed nederlegde, den 29enAug. 1818, in den ouderdom van 71 jaren.
Het centrum van Goes vormt de Groote Markt, een flink, vierkant plein, door burgerlijk nette huizen omringd, zonder dat hun bouw zich door iets bijzonders kenmerkt. Aan den eenen kant verheft zich het stadhuis, een oud gebouw, dat in 1771 en volgende jaren grootendeels vernieuwd is. Aan den rechterkant verrijst een zware, vierkante toren, met een pui er voor en in een dubbelen, achtkanten koepel van hout eindigend, aansluitend bij een gebouw van later dagteekening. Deze toren werd waarschijnlijk in de 14eeeuw gebouwd, maar is in uiterlijk veel veranderd; toch doet hij nog eenigszins denken aan de belfroi’s uit de Vlaamsche steden, die zulk een grooten invloedhadden op het politieke leven. Van den toren te Goes valt dit laatste evenwel niet te zeggen; omtrent zijn invloed op de geschiedenis is weinig bekend. Aan den anderen hoek van het stadhuis verrijst eveneens een vierkante toren, met gebogen dak afnemend en in een achtkant houten koepeltje eindigend, terwijl op den gevel tusschen de torens wapens zijn aangebracht.
Markt en stadhuis te Goes.Markt en stadhuis te Goes.
Markt en stadhuis te Goes.
Inwendig is de groote zaal van het stadhuis belangrijk; de door Geeraerts geschilderde grauwtjes van deze groote zaal zijn in 1874 door de Rijks-adviseurs voor de monumenten gered en met Rijks-subsidie gerestaureerd; de gemeente bracht daarna de zaal terug in den stijl Lodewijk XV.
Het belangrijkste gebouw van Goes is de Groote kerk, ook wel Maria Magdalenakerk genoemd, een trotsch gebouwde, Gothische kruiskerk, die haar wedergade in Zeeland niet heeft. Jhr. de Stuers noemde deze kerk een der fraaiste en rijkst uitgevoerde monumenten der bouwkunst.
De lengte der kerk is 66 meter, de breedte 52. Zij is verdeeld in vijf schepen, waarvan de buitenste tot kapellen waren ingericht, en heeft een breed, uitstekend transept, terwijl de koorsluiting wordt gevormd door absiden, waarvan de buitenste eigenaardig elk twee der schepen overspannen.
Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.
Kreukelmarkt met gezicht op de Gr. Kerk te Goes.
Het geheel der kerk vertoont den stijl der latere Gothiek en de beide transeptgevels vooral, in tuf- en bergsteen uitgevoerd, zijn zeer fraaie voorbeelden daarvan. Van binnen doet het ruim, met zijn fraai behakte kapiteelen en schijnbaar triforium, even denken aan deLeidsche St.-Pancraskerk. Alleen het koor heeft thans nog steenen gewelven, waarmede vroeger het geheele gebouw zeker bedekt was; die van het westelijk deel zijn ingestort bij den zwaren brand in de 19eeeuw.
Vroeger had de kerk geschilderde glazen, waarvan thans niets meer overig is. Gelukkig is het gebouw beter onderhouden, ook al werd het van zijn sieraden ontdaan.
Het is niet bekend, wanneer met den bouw der kerk is aangevangen, doch toen in den aanvang der 15eeeuw het westelijk gedeelte gebouwd werd, bestond het oostelijke reeds. Deze kerk werd in 1423 ingewijd. Het houtwerk brandde den 11enSept. 1618 af, doch werd van 1619–1621 hersteld. In 1578 kwam deze kerk aan de Hervormden.
De toren loopt uit in een spits, welke een doorsnede van acht rozebladen vormt en niet hoog is.
DE KOEPOORT TE GOES. in de 18e eeuw.DE KOEPOORT TE GOES. in de 18eeeuw.
DE KOEPOORT TE GOES. in de 18eeeuw.
In de zoogenaamde wandelkerk ligt het stof bewaard van den Zeeuwschen kroniekschrijver Smallegange en een groote, blauwe steen, door de Maatschappij tot N. van ’t Algemeen hier in 1819 gelegd, wijst de rustplaats aan van den onverschrokken menschenvriend Frans Naerebout, den 30enAug. 1748 te Veere geboren en te Sas-van-Goes overleden, 29 Aug. 1818.
Wanneer wij nog het Gothische huis op de Turfkade met zijn fraaien gevel uit het begin der 16eeeuw beschouwen en de fraaie pomp op de beestenmarkt met kinderengroep, door A. Vervoort, van 1774, dan hebben wij de merkwaardigheden van Goes bezichtigd. Oude, artistieke poorten heeft de stad niet meer; van 1855–1862 werden de West-, Koe-, Nieuwe-, Oost-, Donkere en Zuidpoort gesloopt.
Doch al vindt men er geen buitengewone gebouwen, burgerlijk welvarende huizen, de verblijfplaatsen der neringdoenden, die in het marktverkeer een bron van bestaan vinden, ziet men in alle straten van Goes. Vooral de graanmarkt is de bloei der stad. Op de marktdagen is het er zeer levendig.
Wij verlaten thans Goes en wandelen langs een veelal beschaduwden weg, die begrensd wordt door bouwlanden, graslanden en boomgaarden, naar het dorp Kloetinge, op ongeveer twintig minuten van Goes gelegen.
Vriendelijk in het geboomte verscholen, doet Kloetinge zich reeds van verre als een fraai Zuid-Bevelandsch dorp kennen. De nederzetting is grootendeels uit flinke, doch eenvoudige huizen, gebouwd om een open plein, met boomen beplant en met een gemetselde waterkom of wed in het midden. Aan dit plein ziet men op het zuideind de kerk, een Gothische kruiskerk uit de 15eeeuw, met in lood gevatte ruiten, terwijl op het eind een vierkante toren verrijst, met fraaie, pyramidale spits, in een peer eindigend. De kerk is in den laatsten tijd geheel gerestaureerd. Het houten ribgewelf in de kerk is met apostelbeeldjes versierd en de beide transepten zijn met steenen gewelven gedekt. Het koor is bovenal fraai en rijk met colonnetten en een boogfries versierd. In de kerk vindt men vele oude grafsteenen. Rondom het godshuis is het kerkhof, met kastanjes beplant.
Op een uur afstands van Goes ligt het dorp Kapelle. De nette, welvarende plaats is schilderachtig gelegen tusschen het zware geboomte, dat zich aan alle kanten verheft; uit de verte is zij reeds kenbaar aan haar 65 meter hoogen kerktoren, die statig uitkomt boven den heuvel van groen, waarin zich het dorp schijnt te verschuilen op de vlakte.
De kerk van Kapelle dagteekent, volgens een opschrift boven den hoofdingang aan de voorzijde van den toren, uit het begin der 15eeeuw; zij vormt met den toren één geheel en is als een der merkwaardigste monumenten van dien aard in Zeeland te beschouwen.
Het gebouw staat op een ruim terrein, de voormalige begraafplaats, thans met plantsoen begroeid en door geboomte overschaduwd; de richting der lengteas is naar het oosten; als bijna alle Katholieke kerken van vroegeren tijd is zij dus “georienteerd”. Het geheele gebouw werd in baksteen uitgevoerd met een spaarzaam gebruik van zandsteen; het heeft binnenwerks een lengte van 50 meter bij 17 meter breedte. De inwendige ruimte is verdeeld in drie schepen of beuken met een veelhoekig gesloten koor aan het middenschip, waaraan door den lateren uitbouw van een koepel blijkbaar een verdubbeling ten deel is gevallen. Een fraaie houten kap dekt als torengewelf het kerkruim. De geprofileerde ribben zijn versierd met rijk gebeeldhouwde figuren, vermoedelijk voorstellingen der Apostelen, onder baldakijns en steunende op karakteristiek gehouwen draagsteenen.
Dit alles was tot voor kort, helaas! overdekt met een zwaar lijkkleed van witkalk en pleisterwerk, waaronder de fijnheid van het beeldhouwwerk geheel verborgen was, terwijl ook het schilderwerk er geheel onzichtbaar door werd. Ook van het blauw geschilderd plafond met gouden sterren, waarvan oude lieden in het dorp nog spraken, was niets te zien.
Het kerkgebouw is thans gerestaureerd en in den ouden toestand teruggebracht, voor zoover dit mogelijk was. Van de oude beschilderde kerkramen zijn in de koren nog enkele brokstukken aanwezig, die slechts een vaag denkbeeld kunnen geven van het schoone geheel, dat hier vroeger werd gevonden.
De toren, waarin zich de hoofdingang bevindt, heeft een vierkanten vorm; hij is afgedekt met een gemetselde spits en versierd met vier, mede gemetselde hoektorentjes, een constructie, die in ons land slechts zelden voorkomt, o. a. ook bij den toren der Oude Kerk van Delft. Omtrent de beteekenis dier vier torentjes, welke vroeger meer gevonden werden, zijn de meeningen verdeeld. Sommigen vermoeden, dat dit een teeken zou zijn van een moederkerk, anderen van een kapittelkerk. Ab Utrecht Dresselhuis ontdekte uit een testament van het begin der 15eeeuw, dat Kapelle de oudste hoofdplaats was van het dekanaat van Zuid-Beveland, en kwam daardoor tot de conclusie, dat de kerk als teeken harer waardigheid waarschijnlijk die bekroning draagt. In de kerk vindt men, behalve een fraaie schepenbank van 1674, nog een gedeelte der Gothische koorbanken, zeer waarschijnlijk dagteekenend uit den tijd, toen de kerk is gesticht.
Verder vindt men er vele hardsteenen grafzerken, uitstekend gebeiteld, die niet alleen een bewijs leveren van den kunstsmaak in vervlogen tijden, maar tevens een bijdrage leveren voor de kennis der kleederdrachten uit het verleden.
In het koor der kerk staat de graftombe van Philibert van Tuyl van Serooskerken, vrijheer van Tienhoven, heer van Maalstede, Kapelle, Biezelinge enz., overl. 1639, en van zijn echtgenoote Anna van Heer-Jansdam, overl. 1643. Deze edelman, die het slot Maalstede bewoonde, behoorde tot een geslacht, dat van 1398 af tot het midden der 17eeeuw een merkwaardige plaats heeft ingenomen in de geschiedenis van Zeeland. Op staatkundig gebied vervulde genoemde Philibert van Tuyl een belangrijke rol; W. te Water rekent hem onder “de Zeeuwen, door geleerdheid lofwaardig” en prijst zijn “weergalooze wetenschap in de kennis van vaderlandsche en Zeeuwsche zaken”.
Op het twee meter hooge, fraai bewerkte voetstuk der tombe ligt een zware dekzerk, waarop in relief, tusschen de familiewapens en zestien kwartierschilden, de levensgroote beelden van den ridder in zijn wapenrusting en van zijn echtgenoote in een deftig, lang gewaad. Waarschijnlijk is dit grafgesteente door een Antwerpensch beeldhouwer gebeiteld. Het werk werd met veel zorg en nauwkeurigheid en in edelen stijl uitgevoerd.
Jaren lang had dit alles aan verwaarloozing ten prooi gestaan, en wat de grafschenders van 1798 waren begonnen, had de tijd voortgezet. Gelukkig trok de Commissie uit het Zeeuwsch Genootschap, belast met de zorg voor het opsporen en bewaren der oude gedenkteekenen, zich dit werk in 1876 aan, en door den steun van Mr. W. R. baron van Tuyl van Serooskerken en Zuylen te Zuylen bijUtrecht werd het geheel gerestaureerd, zoodat het weder prijkt in vollen luister.
Het kerkplein te Kapelle is aan alle zijden omringd door welvarende, doch eenvoudige burgerhuizen, welke geen opmerkenswaardigheden aanbieden, evenmin als het overige van het dorp. De vraag moet echter onwillekeurig bij den bezoeker van Kapelle oprijzen, waaraan dit landelijk dorp een zoo prachtig kerkgebouw te danken heeft? Om dat te verklaren, moeten wij ons terugdenken in de geschiedenis van deze plaats. Het thans zoo landelijke Kapelle, enkel bestaande van den landbouw, had in de 14eeeuw reeds bloeiende lakenweverijen, welke den naijver der Goesche burgers opwekten en, door hun concurrentie gedrukt, in den tachtigjarigen oorlog te gronde gingen. Kapelle is sedert een landbouwersdorp geworden, maar de kerk kan nog als een monument van dien vroegeren rijkdom beschouwd worden.
Ten noordoosten van Kapelle lag oudtijds het kasteel Maalstede of Maelstede, dat voor een der oudste kasteelen van het eiland gehouden werd en van omstreeks het jaar 1200 moet dagteekenen. Het was een zwaar, vierkant gebouw, van voren met een voorhof en op den noordwesthoek een torentje, terwijl het van binnen voorzien was van ruime zalen en vertrekken; het was omringd door grachten en plantages. In het laatst der 18eeeuw werd dit inmiddels vervallen kasteel afgebroken.
Verder noordoostelijk, nabij het kanaal van Zuid-Beveland en aan de Schelde, ligt het dorp Wemeldinge, een fraaie, in dicht geboomte verscholen plaats, hoofdzakelijk bestaande uit een lange straat. Het dorp wordt veel door schilders bezocht. Oudtijds verhieven zich in deze plaats een adellijk nonnenklooster en een convent der Tempelieren, later een bezitting der ridders van St. Jan. Het inwendig gerestaureerde oude kerkje is schilderachtig gelegen aan het eind van het dorp, op een iets hooger terrein; het bezit fraaie gestoelten en bewerkingen.
Van Kapelle naar het zuiden wandelende, bereiken wij op korten afstand het dorp Biezelinge. Thans is Biezelinge een lief, eenvoudig plaatsje met een net kerkje. Eens was het een niet onbelangrijke havenplaats. In de nabijheid van het dorp lag vroeger het rijk begiftigde nonnenklooster Jeruzalem.
Onze plaatsruimte laat niet toe, alle flinke dorpen van Zuid-Beveland te beschrijven of de bijzonderheden er van op te sommen. Wij wijzen hierop, om niet de gevolgtrekking uit te lokken, dat alleen de door ons genoemde dorpen een bezoek waard zijn. Men vindt er nog vele, die dit voorrecht deelen. Wij zouden kunnen wijzen op den schoonen Wilhelminapolder, die langs een prachtigen, door olmen belommerden weg langs de haven van Goes te bereiken is, waar met merkwaardige zorg delandbouw gedreven wordt en schier geen voet gronds verloren gaat, een vriendelijk tooneel van genoegelijkheid en welvaart, dat u tegenlacht.
Hier, waar eens vloed en ebbe vielBij ’t ruischen van de breede baren,Daar schiep de kunst, door ’s menschen hand,Een zee van gouden korenarenRond golvend over ’t vruchtbaar land.
Hier, waar eens vloed en ebbe viel
Bij ’t ruischen van de breede baren,
Daar schiep de kunst, door ’s menschen hand,
Een zee van gouden korenaren
Rond golvend over ’t vruchtbaar land.
Zoo zouden wij verder kunnen gaan. Doch wij moeten ons vergenoegen met een algemeen beeld van den indruk, dien het Land van Ter-Goes maakt op den bezoeker. En dat beeld valt uit zeer ten gunste van dat gewest.
Holland prijz’ zijn klaverweiden,Roeme op ’t zuivelrijke gras,Zeeland, van dat erf gescheidenDoor een woesten waterplas,Uit uw slibben, uit uw stroomen,Beurt gij, als Neptunus’ bruid,Die de baren kan betoomen,’t Hoofd ter groene golven uit!
Holland prijz’ zijn klaverweiden,
Roeme op ’t zuivelrijke gras,
Zeeland, van dat erf gescheiden
Door een woesten waterplas,
Uit uw slibben, uit uw stroomen,
Beurt gij, als Neptunus’ bruid,
Die de baren kan betoomen,
’t Hoofd ter groene golven uit!
Niet, als van uw nageburen,Welig, rijk Zuid-Beveland!Schonk natuur u steile muren,Duinen van onvruchtbaar zand;Neen, o neen! maar kunst van dijken,Die u van rondom beschermt,Woekerde uw zoo vruchtbre slijkenUit de Scheld, die u omarmt.
Niet, als van uw nageburen,
Welig, rijk Zuid-Beveland!
Schonk natuur u steile muren,
Duinen van onvruchtbaar zand;
Neen, o neen! maar kunst van dijken,
Die u van rondom beschermt,
Woekerde uw zoo vruchtbre slijken
Uit de Scheld, die u omarmt.
O, Zuid-Bevelandsche beemden,Vruchtbaar zonder wederga,Dat u ’t starend oog der vreemdenDiep getroffen gadesla.Zooveel duizenden gemeten,Trotsche bosschen, goudgeel graan,Staart uw dankbre ingezetenJaarlijks met verrukking aan.
O, Zuid-Bevelandsche beemden,
Vruchtbaar zonder wederga,
Dat u ’t starend oog der vreemden
Diep getroffen gadesla.
Zooveel duizenden gemeten,
Trotsche bosschen, goudgeel graan,
Staart uw dankbre ingezeten
Jaarlijks met verrukking aan.
Dat uw hooge, breede dijken,’t Bolwerk tegen ’t golfgeweld,Vrij met trotsche boomen prijken,Spieglend zich in zee en Scheld.Zij verschuilen, zij omvattenMeekrapstoven, schuren vlas,Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten,De oogst en kiem van ’t veldgewas.
Dat uw hooge, breede dijken,
’t Bolwerk tegen ’t golfgeweld,
Vrij met trotsche boomen prijken,
Spieglend zich in zee en Scheld.
Zij verschuilen, zij omvatten
Meekrapstoven, schuren vlas,
Stapels lijnzaad, Zeeuwsche schatten,
De oogst en kiem van ’t veldgewas.
Zij omvatten dorpen, steden,Lustwaranden, groot en schoon,Landbouwrijkdom stemt de zedenOp een gullen, lossen toon.Boeren, die geen reuzen wijken,Met boerinnen, rond en frisch,Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijkenKracht en vuur te trekken is.
Zij omvatten dorpen, steden,
Lustwaranden, groot en schoon,
Landbouwrijkdom stemt de zeden
Op een gullen, lossen toon.
Boeren, die geen reuzen wijken,
Met boerinnen, rond en frisch,
Toonen, hoe uit Zeeuwsche slijken
Kracht en vuur te trekken is.
Kracht en vuur, die niet ontaarden,Schenkt hier de ijzerharde grondAan de forsche, breede paarden,’t Kouter scheurend door de klont;Of die ons in zomertijden,Onder lachen en gestoei,Door de gouden kamers rijden,Waar het lijnzaad staat in bloei.
Kracht en vuur, die niet ontaarden,
Schenkt hier de ijzerharde grond
Aan de forsche, breede paarden,
’t Kouter scheurend door de klont;
Of die ons in zomertijden,
Onder lachen en gestoei,
Door de gouden kamers rijden,
Waar het lijnzaad staat in bloei.
Aldus bezong een beschrijvend dichter, wiens naam ons onbekend is, in 1843 den roem van het toenmalige Zuid-Beveland. En niet ten onrechte.
Al vindt men hier geen afwisseling van terreinen, de eentonige vorm van het landschap wordt allerwegen afgebroken door hooge dijken, zware bolwerken, die het krachtigste getuigenis afleggen van den strijd om ruimte, door den mensch tegen de wateren gestreden, terwijl de meeste wegen met rijen zwaar iepengeboomte beplant zijn. De ruimten binnen die dijken wordt ingenomen door uitgestrekte akkers, waarop uitstekend graan golft, waar vroeger meer het vlas zijn zachtblauw bloempje deed schemeren en waar in den laatsten tijd de bietencultuur in den zomer het geel van de tarwe met het donkergroen doet afwisselen. En daartusschen liggen de landhuizen verspreid: flinke gebouwen met hooge schuren om het graan te bergen en meestal door boomen omgeven, terwijl zoo hier en daar aan de dijken of meer in de polders de kerktorens hun spitsen uit het geboomte, dat zich in de dorpen verheft, ten hemel beuren. Schilderachtige partijen, wel niet door forsche lijnen, maar door huiselijkheid en vriendelijkheid uitmuntend, vindt men er vele. Onderscheidene dorpen worden dan ook veel bezocht door schilders, zelfs uit het buitenland, die in den kleurentoon en de lichteffecten van het land en zijn wateren de inspiratie voor hun schoonste scheppingen vinden. Een dergelijk dorp is o. a. Wemeldinge, gelijk wij zeiden.
De schoonste tijd, om Zuid-Beveland te bezoeken, is de lente, als het weder gunstig is en het nieuwe leven over het land is ontwaakt. Dan geuren hier bloeiende meidorens in menigte; dan zijn de weilanden frisch en groen; op de akkers golft het koolzaad als een heldergeel kleed, geweven uit duizenden kruisbloempjes, en de boomgaarden zijn in hun rozigen feesttooi gehuld. Indien tijd wordt overal het woord van den genialen Goesenaar, Johannes Antonides, bevestigd:
De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwdEn ’t veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.
De mildste Ceres heeft hier laatst den troon gebouwd
En ’t veld gehuldigd met een tabbaard, geel van goud.
Vroeger bood het landschap van Zuid-Beveland nog meer afwisseling aan. Toen was ook dit eiland met tal van kloosters en kasteelen overdekt, die door hun statigen bouw en boschrijke omstreken de schoone tegenstellingen verhoogden. Wij noemen enkele. Goes had zijn slot Oostende, Heer Hendrikskinderen zijn slot Huis te-Werf; ’s Heer Arentskerke had een stout kasteel, dat uit het water oprees; men vond kasteelen of ridderhofsteden te Baarsdorp, Baarland, Heinkenszand, Nisse, Kloetinge, Kapelle, Ellewoudsdijk en elders.
Doch met den adel zijn ook de kasteelen op Zuid-Beveland alle verdwenen; het is een eiland met boeren bewoners, waar Ceres den schepter voert, dien zij Neptunus ontworsteld heeft. Groote buitenverblijven vindt men zelfs op Zuid-Beveland niet meer; hier woont een ijverig arbeidende bevolking, die in de bewerking van den vruchtbaren bodem haar bron van welvaart ziet. Zuid-Beveland wordt dan ook de “korenschuur van Zeeland” genoemd, een naam, die niet onverdiend is, omdat de bouwlanden hier de beste van Zeeland zijn, de landen er veel opbrengen. De Bevelander, die wel de heerlijke atmosfeer der zandgronden miste, vond in de rijke opbrengst des lands een ruime schadeloosstelling, en drukte dat spreekwoordelijk uit: “Brabantsche lucht, maar Zeeuwsche renten”.
Verder draagt Zuid-Beveland roem op zijn uitstekende boomkweekers. Den eerenaam “Paradijs van Zeeland” heeft het zeker mede te danken aan de rijke boomgaarden met heerlijk ooft, die men hier vindt, terwijl de vriendelijke, schoone vrouwen uit het Land-van-ter-Goes de gedachte aan het Paradijs nog versterken. De volkseigene kleeding wordt in deze streken nog het meest bewaard en wekt algemeene bewondering.
De kleeding in het land van Goes kan als de meest schilderachtige van geheel Zeeland beschouwd worden; vooral bij de vrouwen is zij het best in stand gehouden. Zij gevoelen het, dat in hun costuum iets bekoorlijks, iets verhevens ligt, hetwelk aan hooger komaf doet denken, iets adellijks met een stamboom in het verre verleden wortelend, en leggen daarom de nationale kleeding niet af, wanneer zij in den vreemde gaan. De dienstmeisjes uit het Goesche in Den Haag, waar zij veel voorkomen, en in Amsterdam, waar slechts enkelen zijn, trekken de aandacht; niet de nieuwsgierige aandacht, welke den lachlust opwekt, zooals bij den grootstedeling te licht geschiedt, als hij den provinciaal in eigen dracht aanschouwt, maar de eerbiedige aandacht, die tot bewondering stemt voor het schoone en aristocratische, dat er uit spreekt.
Wij willen hier tot afwisseling in ons reizen en trekken een kleine geschiedenis verhalen, welke duidelijk bewijst, hoezeer de Zuid-Bevelandsche meisjes in hun nationaal costuum de aandacht van vreemdelingen boeien. Het verhaal, dat waar is, betreft niemand minder dan Keizer Napoleon I. Deze bracht den 11enMei 1810 een bezoek aan den Zuid-Bevelandschen polder “Zuid-Kraaijert”, van welken polder uit de Franschen, na den terugtocht der Engelschen naar Walcheren in 1809, dikwijls, doch vruchteloos gepoogd hadden, de vijandelijke schepen uit het Sloe te verdrijven. Napoleon wilde zelf deze plek zien en had het déjeuner besteld in een hofstede, destijds bewoond door Nicolaas Willemse Honderd. Toen het déjeuner, dat in Goes was klaargemaakt, helaas! niet op tijd gebracht werd en de groote Keizer op het punt stond, gramstorig uit te barsten, wierp hij een blik op de 17-jarige dochter van den boer. Haar lief gezicht en vorstelijk Zeeuwsen costuum deden de zwarte wolk bij den machtige spoedig verdwijnen en hij beval, dat er dadelijk eieren gekookt, boterhammen gesneden en koffie gezet moest worden, maar wijl het eten nu toch op zijn boersch was, wilde de Keizer ook door een boerin bediend worden en wel door de dochter des huizes.
Spoedig was het bestelde gereed en de Keizer knoopte een gesprek aan met het jeugdige boerinnetje, dat door de Fransche troepen, die hier gelegen hadden, een weinig Fransch kon spreken.
Het eerste, wat de belangstellende Keizer haar vroeg, was, of zij getrouwd was. Toen het antwoord ontkennend luidde, volgde de vraag, of zij al een vrijer had? Het meisje lachte schuchter, zooals gewoonlijk met boerenmeisjes bij dergelijke vragen het geval is, en toen de Keizer aanhield, bekende zij, dat haar hart niet meer vrij was. “Dat had ik wel gedacht,” zei Napoleon en streek het boerinnetje over de wang, “gij zijt een veel te knap meisje, om niet gevrijd te worden”. “Maar,” hervatte hij verder, “laat dien vrijer loopen en ga met mij mede naar Parijs; ik zal goed voor u zorgen.” Ofschoon Napoleon dit bij herhaling vroeg en het meisje reeds bijna bezweek voor dat schitterend aanbod, bleef zij toch op het eiland: haar ouders konden niet met het plan instemmen. Toen Napoleon echter vroeg, waarom zij niet huwde, antwoordde het boerinnetje, dat haar minnaar nog geen middel van bestaan had. Napoleon was zoo getroffen door het bekoorlijke gezichtje, dat hij haar vroeg, wat er aan ontbrak. Zij vertelde hem, dat dit ongeveer ƒ 300 ’s jaars was. “Welnu,” antwoordde de Keizer, “gij moogt wel iets hebben, omdat gij ons goed bedient.” Napoleon beloofde nu het meisje, haar jaarlijks ƒ 300 te zullen uitkeeren en als zij getrouwd was het dubbele, terwijl hij haar als handgeld twee dubbele gouden Napoleons schonk.
Werkelijk moet dit meisje als loon voor haar vriendelijk optreden bij den Keizeren voor haar bekoorlijkheid het eerste jaar dit bedrag hebben ontvangen, doch de val des Keizers deed het jaargeld spoedig voor de Zeeuwsche schoone verloren gaan.
De Zeeuwsche costuums te beschrijven is voor een niet-Zeeuw, ook al heeft hij hun land in alle richtingen doorkruist en veel met het volk omgegaan, een moeielijke taak, vooral waar de costuumkunde niet tot zijn eigenlijke studie behoort. Doch door het gelukkig denkbeeld der Zeeuwen, om bij het bezoek vanH.H. M.M.de Koningin en de Koningin-Regentes op 21 Aug. 1894 aanH.H. M.M.de echt nationale kleederdrachten te toonen en in een beschrijving te verduidelijken, een boek, waarvan slechts weinige exemplaren gedrukt werden, zijn wij in staat, hieraan een en ander te ontleenen, dat betrouwbaar is en op nauwgezette kennis berust. Aan Dr. J. C. de Man, den kenner van Zeeland, hebben wij de beschrijving der tegenwoordige kleederdrachten te danken, aan den heer J. A. Frederiks een inleiding over het historisch costuum, en beiden zullen wij dankbaar raadplegen.
In de eerste plaats een korte schets van het Zuid-Bevelandsche vrouwencostuum en de versiering. Onmiddellijk wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vierkante gouden platen of boeken, hier stikken genoemd, de Zeeuwsche naam voor stukken, welke aan beide zijden van het voorhoofd iets boven de oogen schuin uitsteken, terwijl hooger, aan beide zijden van het kuifje veelal zwarte haar, dat, op het voorhoofd naar achter omgebogen, iets onder de muts uitkomt, gouden bollen zijn aangebracht. Deze platen, die soms wel zes c.M. hoog en vier breed zijn, worden aan een hoepel om het hoofd bevestigd, een echte, oude haarband.
Over een nette, witte ondermuts draagt de Goesche een buitenmuts van doorzichtig borduurwerk, die breed uitstaat terzijde van het hoofd, aan de kanten rond afloopt en van voor en achter den fijn gevormden hals goed laat zien, terwijl ook het gouden slot met de kralen duidelijk zichtbaar zijn. Die mutsen met gouden stukken geven aan de Goesche vrouw een schilderachtig, voornaam voorkomen en de breede, uitstaande kanten zijn uitingen van een levenslustig karakter, waardoor de vroolijke meisjes uit het land van Goes zich van de meer stemmige op Walcheren onderscheiden. Ook kan men aan den vorm en grootte der mutsen in het Goesche een verschil vinden bij Protestanten en Katholieken. De laatsten hebben grooter muts met langer, op de schouders afhangende kant, meer vierkant afgesneden.
Ter zijde van de muts zit gewoonlijk van achteren een gouden haarknop of parel. Deze “gouden paerde”, zooals de naam luidt in de taal der bevolking, d. i. parelspelden, zijn òf effen, òf gewerkt; er behooren in den regel nog kleine cantille spelden bij. Hierin is geen verschil bij Roomschen en Protestanten.
De hoed moet passen bij de muts. Vroeger droegen de vrouwen hier schelphoeden,die veel sierlijker waren dan die van Walcheren. Zij hadden strooien randjes en een bol met velerlei lint. Doch die ziet men thans niet meer. Ook de hedendaagsche hoed op Zuid-Beveland, die voor een halve eeuw algemeen was, wordt weinig meer gedragen, omdat men dien ouderwetsch vindt. Toch bezitten de meesten een hoed. Hij is van fijn stroo, en evenals de geheele kleeding zwieriger dan de Walchersche; aan den rand is hij omzoomd met een strooien biesje van roosjes of pikkeltjes; de voering is fijn en niet altijd blauw en op den hoed zelf zijn onderscheidene rosetten, of, zooals men ze noemt, kransen van stroo, die men als navolging ook vindt in het Walchersche Nieuwland, maar niet op Walcheren zelf. Het eigenaardige van den Zuid-Bevelandschen hoed is, dat er noch van voren, noch van achteren linten aan zijn, iets, waarvan men op Walcheren juist veel werk maakt. Wil de wind zich van den hoed meester maken, dan moet men hem met een speldje vaststeken.
Bij deze mutsen behoort ook de overige kleeding iets levendigs te hebben. Daartoe leent zich de schilderachtige doek, om de schouders geslagen, welke aan den voorkant een driehoekige beuk voor de borst openlaat, eveneens met een gekleurden doek bedekt en omhangen met een kantvormige versiering van gekleurde kralen. De bijna geheel bloote armen passen bij dit costuum en verhoogen de aantrekkingskracht der Goesche schoonen.
Een eigenaardigen indruk maakt de Goesche vrouw met deze kleederdracht in het landschap. Altijd ziet men haar met de blinkende gouden stukken; melkmeisjes ziet men in de weide de koeien melkend, terwijl de gouden platen van verre schitterend uitkomen in het licht der dalende avondzon, als waren zij feeën afgedaald naar het lage land aan den mond der Schelde. Hier komen ons de woorden van Cats voor den geest, die de Zeeuwsche “jonckvrouwen” tot half bovenaardsche verschijningen verhief, toen hij schreef:
Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten,(Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten)Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant,Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant;Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachtenEen onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten,Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesichtEen droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.
Ghij, Zeeus en soet geslacht; ghij, Venus lantgenooten,
(Want Venus is weleer oock uytter zee gesprooten)
Ghy, die met Venus hebt het eyghen Vaderlant,
Het eygen geestigh oogh en minnelijck verstant;
Jonckvrouwen, aerdig volck, die met verholen krachten
Een onbekenden brant ontsteeckt in ons gedachten,
Die met uw soet gelaet en lodderlijk gesicht
Een droeve ziel geneest, een treurig hert verlicht.
De vrouwen hebben hier nog het best hun nationale dracht bewaard; die der mannen is meestal opgelost in de algemeene, maar toch zien wij nog enkelen in een landskleeding, zij het ook reeds verzwakt in bijzonderheden. Het typische oude hoofddeksel van den Zuid-Bevelandschen boer is een lage, bolvormige hoed met naar achter omgeslagen rand, een type, dat reeds in de 13eeeuw werdaangetroffen. De hoed is niet effen, maar wollig, vooral in de duurdere soorten, en dat wollige en pluizige staat goed en doet den Goesenaar dadelijk herkennen. Men kent hem ook aan zijn twee zilveren broekstukken; zij zijn niet, als de Walchersche, bezet met het wapen van Holland met de leeuwen, maar keurig bewerkt met glinsterende punten en vlokken, zoodat ieder ze mooier vindt. De Katholieke boeren gaan evenals de anderen gekleed; alleen kan men de verschillende gezindten leeren kennen door een wijziging van voren aan den hoed.
Wat heeft aanleiding gegeven tot dit verschil van kleeding tusschen Katholieken en Protestanten? Bij de eersten heeft het kleurrijke steeds meer geheerscht in de kerken, werd het schoone meer gehuldigd. De kleederdracht der Goesche vrouwen dagteekent ongetwijfeld uit den tijd vóór de Hervorming. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de Katholieken zich hier uit Brabant later gevestigd hebben. Zij namen het schilderachtige costuum over, dat met hun aard niet in strijd was, maar wijzigden dit eenigszins naar hun smaak en zoo bleef het verschil bestaan. Wij erkennen echter, dat dit slechts een veronderstelling is.
Noord-Beveland, Schouwen, Tolen en Duiveland verschillen in kleeding van Goes en Walcheren en sluiten zich alle nader aan bij de Zuid-Hollandsche delta-eilanden. Noord- en Zuid-Beveland, hoewel sedert negen eeuwen den naam van “Beveland” dragend, hebben een verschillende bevolking, hetgeen blijkt uit lichaamsvorm, gewoonten, uitspraak der woorden en ook uit de kleeding. Op eerstgenoemde eilanden hebben de boeren echter meest hun nationale kleeding afgelegd; alleen de vrouwen hebben de nationale staartmutsen bewaard. Slechts kleine variaties komen daarin voor op de verschillende eilanden. Zoo is de “Schouwsche” of “Toolsche muts”, gelijk men haar noemt, op Noord-Beveland meer vierkant, elders meer rond. Het algemeen model is een ronde bol met daaromheen een rijke kant, die op Tolen weer anders is dan op Noord-Beveland. Zij ligt over de schouders en een deel van den rug, niet stijf, maar zwierig met plooien en golvingen.
Aan beide zijden van het hoofd worden spiraalvormige krullen gedragen op deze eilanden. Die krullen zijn op de Zuid-Hollandsche eilanden het grootst, op Schouwen, Duiveland, Tolen en Noord-Beveland kleiner. De kleine Schouwensche krul is, evenals de Walchersche, misschien nog een overblijfsel van het volk, dat in lang vervlogen tijden de kust van Schouwen bewoonde.
Onderscheidene oude gewoonten en gebruiken hebben op Zuid-Beveland lang standgehouden. Nog voor weinige jaren werd in Juli, als de “zaedoest” (zaaddorsch) daar was, waarbij vrouwen en meisjes de “stukken” naar het zaaddorschzeil droegen (zie een afbeelding bij Walcheren), dat op het veld werd uitgespannen, en de mannen met forschen, gezwinden maatslag “de vlui” hanteerden,na afloop van het werk de “Meie” gevlochten, een krans van groen en bloemen, die door een paar jonge meisjes, gevolgd door een joelenden hoop, naar den baas werd gedragen “om hem met den geëindigden dorsch” geluk te wenschen, waarop een feest volgde. Handboog- en gaaischieten behooren hier nog tot geliefde uitspanningen, waarbij de koning gekroond wordt. In elk Zeeuwsch dorp bijna vindt men de “klapbank”, een plaats onder een linde of een afdak, waar de dorpsjongens ’s avonds, na afloop van den arbeid, samenkomen om te praten en allerlei nieuwtjes te bespreken; als het mogelijk is, vindt men die tegenover de smidse, waar het helder vlammende vuur in den donker licht werpt op de verzamelplaats.
Eigenaardig zijn de dorpsjongelingen-vereenigingen, een soort van jongelieden-gilden, met een bestuur en bijeenkomsten, soms ook terloops op de “klapbank”, en door wie de zaken van algemeen belang voor ’t jonge volkje geregeld worden. Wanneer een jonkman uit een naburig dorp komt, om een meisje te vrijen, zal de jongelings-vereeniging zich daarmede bemoeien, en de huwelijkskandidaat wordt niet toegelaten, vóór hij van haar toestemming heeft verkregen, een toestemming die gemakkelijk gekocht kan worden tegen een tractatiegeld.
Een schaduwzijde van de maatschappelijke toestanden op vele Zeeuwsche eilanden is, dat rijke Belgische heeren hier eigenaars van groote boerenplaatsen trachten te worden, zoodat de Zeeuwsche boeren voor een groot gedeelte pachters zijn. Die vreemdelingen, “poepen” genoemd, ziet men niet gaarne; als uitlanders deelen zij niet in de lasten en staan zij in geen nauwe betrekking tot hun pachters, zoodat het hun eenige doel is, van de “Zeeuwsche renten” te profiteeren.
Wij zetten thans ons tochtje voort naar het eiland Walcheren.