Door Zeeuwsch-Vlaanderen.

Door Zeeuwsch-Vlaanderen.Nu wij de Zeeuwsche eilanden bezocht hebben, begeven wij ons van hier naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Wij zullen de boot nemen van Vlissingen naar Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen vervolgens van het westen naar het oosten doorwandelen, om daarna van Hulst naar Walsoorden aan de Schelde het land nog eens dwars te doorsnijden, de Schelde weder over te gaan met het veer naar Hansweerd, om van hier binnen enkele minuten den spoorweg van Zuid-Beveland weder te bereiken.Voor hem, die de breede Schelde niet wil overvaren, is er geen andere gelegenheid, om in Zeeuwsch-Vlaanderen te komen, dan over Antwerpen en van daar over St. Nicolaas met den trein naar Hulst te reizen en zoo verder. Wie ten W. van den Braakman wil zijn, moet over Gent reizen, vervolgens naar Eecloo of Maldeghem, om hier een tram te kiezen.Wij begeven ons weder naar Vlissingen, gaan daar aan boord van een boot en bevinden ons weldra op de breede Hont of Wester-Schelde. Het bevaren van de Schelde heeft iets grootsch en indrukwekkends. Dat aan deze breede watervlakte de naam is gegeven van de rivier, welke België doorstroomt, is in strijd met de natuurlijke geschiedenis van het land. Want wij bevinden ons in werkelijkheid op een inham der zee, een schepping van de zee, waar de oceaan zijn zoute wateren bij elken vloed nog in uitstort en als een zware, rijzende golf voortstuwt tot bij Antwerpen, om daarna, vereenigd met het water, dat de Schelde afvoert, terug te keeren. De rivier de Schelde eindigt eigenlijk ongeveer daar, waar zij de Nederlandsche grens bereikt, ten einde hier in den inham, welken de zee heeft geschapen als om de rivier tegemoet te gaan, uit te monden. De oudere schoolgeographen, die als één van de drie hoofdrivieren van Nederland ook de Schelde noemden, eischten voor ons land iets op, wat Nederland niet toekomt, omdat de Schelde als rivier bijna geheel Belgisch is; wij nemen enkel haar rivierwater over en niets meer.Achter ons begint Vlissingen langzaam weg te nevelen en aan den overkant van de Schelde zien wij de vage massa van struiken allengs aangroeien en zich vervormen tot stammen. Tal van witte zeilen zwieren lustig om ons over de zacht deinende watervlakte. Zoo hier en daar stijgt de zware rookzuil op van een groot stoomschip, dat zijn ladingen uit verre landen aanvoert naar of afvoert van Antwerpen, de eerste koopstad der Schelde. De groote buitenlandsche stoombooten worstelen en stampen tegen den ebstroom, en strepen van schuimend kielzog wijzen nog lang den weg aan, dien zij hebben afgelegd. Tusschen die vaartuigen door laveeren een paar loodskotters, die zee kiezen, om den schepen den weg te wijzen naar en door de Schelde, te midden van de gevaarlijke banken.Wij vorderen meer en meer; de kerktorens, huizen en boomen van Walcherens zuidpunt duiken weg aan den horizon, en uit den blauwgrijzen, nevelachtigen band, welke, van Vlissingen gezien aan de overzijde lucht en water scheidde, ontwikkelt zich langzamerhand duidelijk de hooge dijk, waarboven een toren, roode daken, enkele boomen en scheepsmasten zichtbaar worden. Onze vaart heeft ongeveer een half uur geduurd; thans zijn wij voor de haven van Breskens. Als de stoomboot door het water binnen kan loopen, komen we zonder moeite aan wal, doch als het lage water ons noodzaakt, om aan het hoofd uit te stappen, hebben wij een moeielijke wandeling over de ongelijke steenen der zeewering, glibberig door de overstrooming van het vloedwater.De zeemondingen van het delta-land hebben een eigenaardige bekoring door de voortdurende afwisseling, welke zij in hun uiterlijk aanbieden bij het dagelijksch spel van vloed en ebbe. Hier, in de Wester-Schelde, is het verschil in waterstand nogal aanzienlijk en het neemt van den mond tot dicht bij Antwerpen in grootte toe. Te Vlissingen en Breskens bedraagt het gemiddelde verval van den waterstand bij de getijden 36 d.M. (bij springtij 46 d.M.), te Terneuzen 39 (bij springtij 49), te Bath 44 (bij springtij 51) en te Antwerpen 43 d.M. Door deze groote rijzing van het water bij vloed is de Schelde zoo ver in het land voor groote schepen bevaarbaar.Gedurende laagwater vormt de Schelde een reeks van uitgestrekte, zonnig grijze vlakten, tijdelijke rustplaatsen voor tienduizenden blanke zeevogels, meer of minder in blinkende schittering gehuld, naarmate de eb lager afloopt. Golvende, zilveren banden, van onregelmatige breedte en vorm, doorsnijden die platen langs de diepere geulen en met zijarmen strekken die zich uit, als om enkelen kleinen meertjes, op de banken verstrooid, de hand te bieden in hun eenzame verlatenheid, bijna afgezonderd van de zee.Slechts kort duurt die toestand, want na een kwart etmaal rijzen de wateren weder, eerst schuchter, als om de eilanden onmerkbaar en spelend te naderen,en straks met meer kracht, als om ze te bestormen. Aanvankelijk nemen de golven de buitenwerken veroverend in; verder doen zij bij hoogen vloed de banken, gorzen en schorren weder verdwijnen door het overwinnend heir van de steeds krachtiger aansnellende legerscharen der golven, die over het overwonnen land met huppelenden pas voortijlen naar de bolwerken langs den oever, welke hun, dank zij den verdedigingswerken onzer waterstaatsofficieren, het “tot hiertoe en niet verder!” toeroepen. Dan worden deze groote, breede ruimten één uitgebreide watereenzaamheid, één geluidlooze ruimte zonder omlijning, zonder eenig houvast voor het oog.Op dit oogenblik strekt de Schelde zich nog in haar volle uitgebreidheid, doch kalm en rustig, uit. Maar wild en onstuimig kan ook die waterarm worden, dreigend en jagend. Als de westenwind uit zee komt aangieren en de golven doet schuimen, bruisen en koken met donderend geraas, waar zij met de banken in strijd komen; als de zwellende vloeden in woedend geweld tegen elkander opsteigeren en, hier in de nauwte doorgedrongen, tot bergen van water en hooge kruinen van schuim opdrijven, dan dreunen de dijken bij de zware aanvallen en mokerslagen van hun machtigen vijand, dien zij trachten tegen te houden.Als wij te Breskens voet aan wal zetten, krijgen wij door de indrukken der plaats en van het volk bijna onmiddellijk een gevoel, of wij in een vreemd land zijn. Wel hooren wij nog de Nederlandsche taal spreken, maar zij is met zooveel vreemde elementen vermengd, dat men daarin buitenlandsche invloeden onmiddellijk kan ontdekken. De bouw der woningen, de inrichting der nederzettingen, de namen der herbergen, de “estaminets”, de kleeding, schier in alles bemerken wij iets, dat Zeeuwsch-Vlaanderen van het overige Nederland onderscheidt.Zeeuwsch-Vlaanderen is dan ook een “achterhoek van den overkant”, zooals Nagtglas het noemde; het vormt een overgang tot het Belgische Vlamenland en behoort er geographisch nader toe dan tot Zeeland. Toch bestaat er in het volkseigene dier beide streken nog groot verschil, dat men spoedig opmerkt, als men over de grenzen naar België gaat. Men vindt in het Belgische niet alleen overheerschend een anderen godsdienst, andere kleeding, andere volksgebruiken en gewoonten, maar ook een andere taal, een taal, zoozeer afwijkend van het Zeeuwsch-Vlaamsche dialect, dat de Zeeuw, die in Zeeuwsch-Vlaanderen een zusterspraak hoort, welke hij terstond herkent, waarmede hij zonder eenige moeite spoedig vertrouwd is, de taal over de rijks-grens als een vreemde taal beschouwt, grootendeels voor hem onverstaanbaar. Dit verschil is zeer in ’t oogvallend, omdat beide gedeelten niet door een natuurkundige grens van elkander gescheiden zijn, maar geographisch in elkander overgaan, terwijl er een dagelijksche aanraking tusschen beide gedeelten plaats heeft, thans nog bevorderd door spoorwegen,kanalen, trams, enz. Daarenboven is dit verschil opmerkelijk omdat vóór een viertal eeuwen het volk aan deze en gene zijde van de tegenwoordige staatsgrens één was. Het oude Vlaanderen strekte zich uit tot de Wester-Schelde, en in dien tijd bestond ook dat taalverschil niet, zooals blijkt uit de geschreven stukken der 16eeeuw. Wij hebben hier dus het verloop van een scheidingsproces in historischen tijd op te merken, waardoor een volk, één van afkomst, verdeeld werd. Doch bovendien heeft in het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen de invloed van een binnenlandsche kolonisatie gewerkt, die hier volkselementen uit het overige Zeeland aanbracht, welke met het bekende conservatisme, den Zeeuw eigen, hun dialect, gewoonten en kleeding ten deele bewaarden, maar onder den invloed van het Vlaamsche toch eigenaardig ontwikkelden.Het West-Vlaanderensche en het Zeeuwsch-Vlaanderensche (bijv. in het district van Sluis) zijn zeer verschillende dialecten. Waaruit is het verschijnsel te verklaren, dat o. a. in het gebied van Sluis de volkstaal met het Walcherensche dialect meer overeenkomst heeft dan met het West-Vlaamsche?Niet onwaarschijnlijk werd de Zeeuwsche invloed in ouden tijd ook al tot ten zuiden van de Schelde uitgebreid, zooals o. a. hieruit valt af te leiden, dat de Zeeuwen in 1180 Damme bedijkten. Maar de invloed der Zeeuwsche taal, hoewel misschien op het eiland Kadzand het best bewaard, moest door het leven der bevolking met en in Vlaanderen wel verloopen, en uit de geschreven stukken der 16eeeuw valt overeenkomst in dialect tusschen Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen af te leiden, gelijk wij zeiden.Na dien tijd evenwel werd de scheiding voltooid. Tijdens den Spaanschen oorlog vluchtten vele bewoners om den wille van den godsdienst uit Vlaanderen naar Walcheren, hielden daar langen tijd verblijf en brachten, van daar terugkeerend, natuurlijk de taal mede, die zij er hadden aangenomen. Zelfs werd uit het Walcherensche de vrouwenkleeding gedeeltelijk overgenomen en de ouderwetsche zeden in westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen hebben daarmede ook de meeste overeenkomst.De invloed der staatkundige vereeniging met Noord-Nederland deed zich vervolgens in Staats-Vlaanderen gevoelen. Van West-Vlaanderen was men gescheiden, doch met Zeeland stond men door handel, rechtsbedeeling, godsdienst, bloedverwantschap en omgang in de nauwste betrekking. Daarenboven vestigden zich vele Zeeuwen in Staats-Vlaanderen. Dit alles werkte samen, om hier den Zeeuwschen tongval de overhand te doen verkrijgen, en deze werd de grondslag van de zich ontwikkelende taal.Maar toch, het Zeeuwsch was er niet zuiver, want in Staats-Vlaanderen vestigden zich ook vele vreemdelingen, die hun eigenaardige taalelementen oplosten in het Zeeuwsche. Franschen, Walen, Luikenaars en Salzburgers kwamen hier aan. Door hun invloed werd de taal gewijzigd. “De taal is eenZeeuwsch gebouw, op een Vlaamschen grondslag omhoog gerezen, dat hier een uitheemschen vorm heeft aangenomen,” zegt de heer H. Q. Janssen, die deze dialecten goed kende.Gaat men de dialecten meer in bijzonderheden na, alsmede de nationale kleeding, dan zijn er drie gedeelten in Zeeuwsch-Vlaanderen te onderscheiden. Het westelijk gedeelte, ten W. van den Braakman, heeft een Vlaamschen grondslag, onder Zeeuwsche invloeden gewijzigd; het Land van Axel, ten O. van den Braakman, is meer Zeeuwsch getint, en het ten oosten daarvan gelegen Land-van-Hulst is meer met Brabant en Antwerpen verwant. Wij komen later hierop terug.In de eerste plaats een blik op de geschiedenis des bodems en der bewoners.Het is geen gemakkelijke taak de veranderingen van Zeeuwsch-Vlaanderens bodem en wateren in historischen tijd na te gaan, en wij willen dit ook geenszins beproeven. Daarvoor is buitengewone locale kennis noodig naast studie van de bronnen. Wel zijn er kaarten van het oude Zeeland en ook van Zeeuwsch-Vlaanderen geconstrueerd uit gegevens, welke men aan de geschiedenis ontleende, doch dikwijls liet men zich daarbij ten deele leiden door onbewezen gissingen. De voorstelling, welke Ab Utrecht Dresselhuis in zijn kaart van Zeeland omstreeks 1200, gegeven heeft van Zeeuwsch-Vlaanderen, wordt op vele gronden als onjuist beschouwd.Wij hebben voor dit werk een historische kaart laten reproduceeren van Zeeland naar een voorbeeld, dat een copie is van Lieven van Thuyne, gemaakt volgens een kaart, die van 1288 heet te zijn. De echtheid dezer kaart wordt door enkelen bestreden, door anderen verdedigd. Geheel juist is ook deze kaart zeker niet, maar wij meenden haar toch te moeten overnemen, om daarmede, zij het ook niet in details nauwkeurig, toch een algemeen beeld van den vermoedelijken toestand van oud-Zeeland te geven. Voor Zeeuwsch-Vlaanderen schijnt ons deze kaart juister dan die, welke Dresselhuis ontwierp; voor de overige gedeelten heeft die van Dresselhuis misschien meer waarde.Zonder nu in bijzonderheden te treden, gelooven wij ons Zeeuwsch-Vlaanderen, evenals het overige gedeelte van Zeeland, vóór den aanvang onzer jaartelling te moeten voorstellen als een laag kustland, van onderscheidene waterarmen doorsneden, maar toch over ’t geheel droog gelegen. De lagere waterstand der zee, welken wij reeds vroeger aannamen voor dien tijd, geeft ons grond tot een dergelijke veronderstelling. Daardoor was dit kustland bijzonder gunstig gelegen voor de eerste scheepvaart en had zich hier in de eerste eeuwen onzer jaartellingreeds een bevolking gevestigd, die, evenals op de kustplaatsen van Zeeland (Domburg enz.), tot een hooge welvaart was gekomen.De waterarmen in het kustgebied waren meest niet zoo breed als later, het Zwin misschien uitgezonderd. Het Zwin was een waterarm, die van den mond der Wester-Schelde in zuidelijke richting zich tot Brugge uitstrekte, waar het een natuurlijke haven vormde, terwijl onderscheidene smallere zij-armen er mede waren verbonden. Vóór 1180 vloeide het zeewater tot Brugge, doch dewijl deze stad gevaar liep van overstroomd te worden, versterkte men den afsluitingsdijk, die een uur beneden Brugge liep, en de stad aan dien dijk, Damme, werd daardoor de voornaamste haven van dit gewest. Aan het Zwin hadden zich ook andere nederzettingen gevormd: o. a. Sluis, Oostburg, e. a. Toen het Zwin als een doodloopend water, waarin de vloed opliep, om daarna terug te keeren, in den lateren tijd meer en meer dichtslibde in den bovenloop, werd de handel vervolgens naar Sluis verplaatst, gelijk wij zien zullen, terwijl ook deze plaats later een landstad werd.Het Vlaamsche kustland, ten Z. langs de Schelde, werd al vroeg bewoond; hier begon St. Amand in het begin der 7eeeuw met St. Eloy de evangelieprediking, en in dien tijd bestonden Oostburg en Aardenburg reeds. De evangeliepredikers stichtten hier onderscheidene kloosters. Van het leggen van dijken en het inpolderen wordt niet gesproken vóór ± 1100, toen de genoemde dijk bij Damme gelegd werd. Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat in die eerste eeuwen het leggen van zware dijken niet noodig was, evenmin als in Holland, zoodat er enkel lagere kaden werden aangetroffen.Toen evenwel de rijzing van het niveau der zee na de 10eeeuw zich langs de geheele kust openbaarde, die in het noorden de Zuiderzee deed ontstaan (zie I pag. 14 en 341), nam ook hier aan de kust de landvernieling aanvang. Langs de waterarmen, misschien wel door lage kaden omringd, spoelde het slappe land weg en het water drong er dieper in door. Aldus loste Zeeuwsch-Vlaanderen, voor zoover de bewoners door het leggen van dijken er geen voldoenden tegenstand aan boden, zich op in onderscheidene eilanden, door breede wateren gescheiden. Dit proces zette zich voort tot de 16eeeuw en deed heel wat land teniet gaan. Het Zwin werd breeder, hoewel tevens in het zuiden langzamerhand ondieper; de Braakman vormde zich tot een woest water (± 1440), het Land van Saeftinge in het oosten verdween in de golven (bij onderscheidene vloeden in de 16eeeuw); het Hellegat werd een breede inham, enz. In dien strijd werd de gedaante van het land geheel veranderd en weken de bewoners terug voor het water, terwijl de onrustige oorlogstijden der 16eeeuw niet de noodige zorg deden besteden aan het onderhoud van de verdedigingsmiddelen voor het land.Doch na die woeste overwinningen der zee begon weder de aanwinst vanland. Toen het proces der landvernieling gestaakt werd, toen de bevolking tot eenige rust kwam en de dijken werden aangelegd of versterkt, terwijl alleen enkele binnenwateren met de zee in betrekking bleven, voerde het vloedwater bij elk getijde nieuw slib aan, dat in die doodloopende wateren bezonk. Sliklagen vulden de binnenwateren op, en vroeger goede havensteden als Damme en Sluis konden weldra niet meer bereikt worden door de schepen uit de zee.De ontwikkelende landbouw maakte zich meester van de aanwassen, om het verloren land te herwinnen, en zoo werd Staats-Vlaanderen in een gebied met aaneengesloten bedijkingen veranderd. Het vroegere Zwin, waar oudtijds zulk een aanzienlijke handel gedreven werd, waarvan Maerlant getuigt in de Wapene Martijn:“Al waert al dijn, dat comt in ’t Zwin,Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;”waar in 1340 voor Sluis een zeeslag geleverd werd, bij welke de Fransche vloot, 123 zeilen sterk en met 40000 koppen bemand, door de Engelschen overwonnen werd, aangevoerd onder koning Eduard in persoon; waar in 1484 aartshertog Maximiliaan met wel anderhalf honderd schepen binnenliep, is langzamerhand geheel verdwenen. In 1648 werd het uit naijver der provinciën afgesloten, waarna het door opgroeiing en inpoldering steeds verkleinde. In 1872—73 verdween het laatste gedeelte door de bedijking van den Willem-Leopoldpolder. Nog in onzen tijd zet die arbeid van landaanwinst zich voort; in den Braakman en in het Land van Saeftinge hadden de laatste inpolderingen plaats.Zoo is Zeeuwsch-Vlaanderen van een handelsgewest met bloeiende koopsteden en levendige zeevaart in den loop der laatste vier eeuwen een landbouwstreek geworden. De steden hebben daardoor veel van hun beteekenis verloren, doch het land is er bij vooruitgegaan. Door de herhaaldelijk nieuwe ingepolderde landen kwam er grond beschikbaar en vestigden zich hier ook kolonisten van Zeeuwsche eilanden, zelfs uit vreemde landen. Dit had ten gevolge, dat men er tegenwoordig nog zooveel volkselementen kan opmerken, die niet zelden van polder tot polder verschillen in godsdienst, zeden, gewoonten en kleederdracht.Staatkundig heeft Vlaanderen in de oudheid een groote beteekenis gehad. Men verstond daaronder in de latere middeleeuwen het graafschap, dat ten N. grensde aan de Noordzee en den mond der Schelde, zoodat het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot het graafschap Vlaanderen behoorde en de Schelde de grens ervan uitmaakte. Verder vormden in het O. het markgraafschap Antwerpen, het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen de grens, in het Z. Henegouwen, het graafschap Artois en een gedeelte van Picardië, en in het W. de Noordzee. In den tijd van Lodewijk den Vrome had Vlaanderen reeds eenzekere, doch beperkte uitgestrektheid verkregen en kwam het als een afzonderlijk land voor. Als zoodanig wordt het vermeld in het voorschrift, dat Lodewijk gaf omtrent de verdeeling van zijn landen in 838. Een streek bij Brugge komt in de 7eeeuw het eerst voor onder den naam van Pagus Flandrensis, waaraan de naam van het graafschap ontleend schijnt te wezen. Men meent, dat de Frankische koningen het land tot in de 9eeeuw door houtvesters (forestiers) deden besturen. Een van hen, Boudewijn met den IJzeren Arm, verwierf in 863 de hand eener dochter van Karel den Kale, die het gebied van zijn schoonzoon vergrootte en tot een graafschap verhief. De graven van Vlaanderen leefden herhaaldelijk in oorlog met hun naburen, vooral met de Graven van Holland, over het bezit van Zeeland ten westen van de Schelde (zie pag.192), dat zijn de eilanden Walcheren, Zuid-Beveland, Noord-Beveland e. a., welke na 1323 aan Holland kwamen.Bij de oorlogen van Vlaanderen met Frankrijk, de inwendige beroeringen, den vrijheidsstrijd van Jacob van Artevelde, waardoor de Fransche invloed in Vlaanderen bedwongen en de grond tot de zelfstandigheid van het land gelegd werd, zullen wij niet stilstaan. Door Philips den Goede werd Vlaanderen, met nog andere deelen van Nederland, onder één bestuur vereenigd, in 1429 met het graafschap Namen, in 1430 met de hertogdommen Brabant en Limburg, in 1433 met de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Al die bezittingen, vermeerderd met het hertogdom Luxemburg, vielen in 1467 ten deel aan Karel den Stoute, in 1477 aan zijn dochter Maria, en door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk kwamen zij aan het Oostenrijksche huis. Onder Philips den Schoone kwam Vlaanderen met de andere Nederlandsche gewesten in nadere betrekking tot Spanje en deze duurde voort onder Karel V en Philips II, totdat de opstand losbarstte onder laatstgenoemden vorst. Vlaanderen nam daaraan aanvankelijk met ijver deel, schaarde zich voor en na aan de zijde van den Prins van Oranje, maar bleef ten slotte een provincie van de zuidelijke of Spaansche Nederlanden.In het noordelijk gedeelte van Vlaanderen werd echter de grensstrijd tusschen Spanje en de Nederlanden gedurende den tachtigjarigen oorlog voortgezet. Hier werd door de noordelijke Nederlanden een gedeelte van Vlaanderen veroverd, dat in 1648 bij den vrede van Munster aan de Algemeene Staten werd afgestaan. Dit gedeelte verkreeg destijds den naam van Staats-Vlaanderen en behoorde tot de Generaliteitslanden. De grensscheiding was in het vredesverdrag niet nauwkeurig bepaald, doch nader werd die omschreven in het verdrag van 28 Sept. 1664; later kwam er in 1715 een nieuw, gewijzigd grensverdrag tot stand. Nog herhaaldelijk hadden er grenswijzigingen plaats, o. a. in 1718 en 1786.Staats-Vlaanderen nu stond onder de oppermacht van de Algemeene Staten derVereenigde Nederlanden, die uit hun midden jaarlijks Gedeputeerden afvaardigden om de regeering der steden te bezetten, rekeningen op te nemen, enz. De Raad van State had het beheer over de geldmiddelen. Alleen langs de noordkust was een gedeelte, “het Committimus” geheeten, dat meer onder Gecommitteerde Raden van Zeeland stond.De ingezetenen van Staats-Vlaanderen hebben in den tachtigjarigen oorlog met warmte de zaak der vrijheid omhelsd en daardoor was hun aansluiting bij de noordelijke gewesten bepaald, terwijl zij in de afscheiding van het overige Vlaanderen geen bezwaar zagen. De economische belangen, welke het gedeelte, dat sedert Staats-Vlaanderen heette, met het zuidelijke Vlaanderen hadden verbonden, hadden na de 16eeeuw niet meer de beteekenis van vroeger, gelijk wij nader zullen aantoonen, en daardoor werd de band tusschen beide deelen van Vlaanderen losser. Zelfs zag men daar niet zelden een bijzonderen ijver aan den dag leggen voor de belangen van het noorden.Sluis en Hulst hebben bij de Pacificatie van Gent met kracht er op aangedrongen, dat de Spaansche, Hoogduitsche en Italiaansche krijgsbenden uit het land zouden verdreven worden, en zij hielden zich aan de Unie van Utrecht. Staats-Vlaanderen werd dan ook meest Protestantsch, alleen uitgezonderd het Land-van-Hulst, dat in de macht van Spanje viel en eerst in 1645 heroverd werd, evenals eenige gedeelten van heerlijkheden en dorpen, die eerst door den vrede van Munster er bijgevoegd werden, n.l. de streek lands tegenover Axel, ten zuiden van het Canisvliet, en de Staatsche gedeelten van de heerlijkheden Watervliet en Waterland en van het graafschap Middelburg. De kapellen, die de Roomsch-Katholieken hadden te Sluis en IJzendijke, waren meer in ’t belang van de bezetting dan van de burgerij.Na de herstelling van onze onafhankelijkheid in 1815 werd het vroegere Staats-Vlaanderen tot de provincie Zeeland gerekend en is daarbij gebleven, al zijn de grenzen niet geheel dezelfde. Sedert wordt dit gedeelte van Nederland meest Zeeuwsch-Vlaanderen genoemd.In economisch opzicht was Vlaanderen een tijdlang het belangrijkste gewest der Nederlanden. Vlaanderen trok voornamelijk voordeel van den door de kruistochten in het leven geroepen nieuwen staat van zaken op het gebied van handel en verkeer. In dien tijd werd in Vlaanderen de eerste groote tusschenmarkt voor den wereldhandel geopend. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. Vlaanderen was van de zuidelijke gewesten der Nederlanden het eenige, dat door de zee bespoeld werd, en tevens het meest bevolkte gebied. De Vlaamsche steden waren in dien tijd reeds de aanzienlijkste, met een levendige nijverheid, terwijl de bodem er uitermate vruchtbaar was en goed bebouwd werd.Van de zee kon men langs de onderscheidene waterarmen in het land doordringen, en op deze inhammen had zich een drukke scheepvaart ontwikkeld met stoute zeelieden, die met de Zeeuwschen het eerst flinke tochten over den oceaan waagden. In den tijd der kruistochten werden kruisvaarders uit het westen door Vlaamsche schepen overgebracht naar de Middellandsche Zee en met Oostersche voortbrengselen kwamen die terug. Daardoor werd Vlaanderen als vanzelf de markt voor de Oostersche waren, en door zijn geographische ligging, ongeveer midden tusschen de Oostzee en Middellandsche Zee, was dit gewest in de middeleeuwen aangewezen, om de handelaren der Hanze en die der Italiaansche steden aan de Middellandsche Zee tot elkander te brengen. Vlaanderen werd het ontmoetingsgebied tusschen noord en zuid; zoo ontwikkelden zich deze havens tot centrale markten voor den wereldhandel. De Vlaamsche nijverheid gaf daaraan tevens voedsel, terwijl zij op haar beurt door den handel werd gesterkt.Tot de belangrijkste steden van Vlaanderen behoorden Brugge, Gent, Yperen, Oudenaarden, Rijsel, Aalst en Kortrijk. In al deze steden, bovenal te Gent, bestonden lakenfabrieken. Voor de scheepvaart was vooral Brugge het gunstigst gelegen. Deze stad lag wel niet dicht bij de kust, maar zij had met de zee gemeenschap door het reeds beschreven Zwin langs Damme en Sluis. In de 13eeeuw werd Brugge de groote voorraadschuur der voortbrengselen van Europa en het Oosten, de stapelplaats van den geheelen Nederlandschen handel. De toevloed van vreemdelingen te Brugge en de toeneming der bevolking maakten de stad een tijdlang tot de aanzienlijkste der Nederlanden; hier waren in het midden der 14eeeuw ongeveer 150.000 inwoners gevestigd en de beurs van Brugge beheerschte den wereldhandel. Het Hanzeverbond, Londen, Bristol, Avignon, Lissabon, Barcelona, Pisa, Genua en Venetië, alsmede Noord-Nederlandsche steden, hadden hier hun handelskantoren; papier op Brugge was gangbaar door de geheele wereld.Toen de waterverbinding van Brugge met de zee slechter werd in de 16eeeuw, werd Antwerpen, zoo gunstig gelegen aan de Schelde, de opvolger van Brugge en de beheerschende stad van den wereldhandel, om die rol te blijven vervullen, tot de inneming van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585.Door dit alles vormde de kuststreek van het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot de 16eeeuw het voorland van het aanzienlijkste handelsgebied der aarde en ontwikkelden zich hier aan de mondingen der wateren belangrijke voorhavens, die grooter welvaart verkregen, naarmate het verkeer op de hoofd-handelssteden door de dichtslibbende wateren meer bemoeilijkt werd. Daardoor waren de steden van Staats-Vlaanderen met den bloei der zuidelijke handelssteden van Vlaanderen verbonden. Doch sedert de handelsbloei van het achterland achteruitging of ophield, werd ook die betrekking minder, de behoefte aannauwe aaneensluiting geringer. Dat was reeds het geval in het midden der 16eeeuw. Het noordelijke kustland van Vlaanderen gevoelde zich toen los van het in verval gerakende Brugge, trachtte zelf daarvoor in de plaats te komen, dewijl het nog open toegangen had uit zee, en deze omstandigheid bevorderde de scheiding tusschen noordelijk en zuidelijk Vlaanderen, deed het noordelijke nauwer bij Noord-Nederland aansluiten.Dezen invloed der geographische ontwikkeling van den bodem op de staatkunde meenden wij kortelijk te moeten aanduiden, omdat die medegewerkt heeft, om een deel van Vlaanderen aan Noord-Nederland te verbinden, waardoor wij een strook lands ten zuiden van de Wester-Schelde als een Nederlandsch gewest kunnen doorwandelen, hoewel het in afkomst nader aan het Belgische Vlamingenland verbonden is.Door de geschiedenis is de bevolking van Zeeuwsch-Vlaanderen in karakter Vlaamsch, maar vanouds met internationale bestanddeelen vermengd, welke door het drukke verkeer in dit bedrijvig gewest gebracht zijn. In den tijd, toen het als Staats-Vlaanderen zijn wereldhandel reeds verloren had, maar als vruchtbaar landbouw-gewest bleef bloeien, was dit gebied een grensgebied, dat verdedigd moest worden en daarvoor ook vreemde elementen in zich opnam. Vooral de nieuw aanwassende polders vormden van tijd tot tijd een nieuw gebied, geschikt tot vestiging van vreemdelingen. De gastvrijheid, binnen de landpalen der Nederlandsche gewesten verleend aan hen, die elders om hun geloof vervolgd werden, maakte Staats-Vlaanderen tot een toevluchtsoord voor vele emigranten. Tal van familienamen herinneren er nog aan Fransche afkomst. Men ontmoet er de namen Du Rieu, du Pré, Risseeuw (Rossé), Toussaint, de Hulu, Erasmus e.a. schier overal; de naam Hennequin wijst op afkomst eener familie uit Noord-Frankrijk. De hartelijke ontvangst maakte voor de vreemdelingen de vestiging in deze gewesten aangenamer, en vooral de Franschen, die hier veelal kwamen met kapitaal, waren er zeer gezien. Zij vormen nog een aanzienlijke klasse onder de bevolking, een soort van aristocratie, en hebben er veel bijgedragen tot de ontwikkeling der welvaart.Minder in aanzien waren de Salzburgsche immigranten. Toen in de eerste helft der 18eeeuw tal van plaatsen in Staats-Vlaanderen door koortsen ontvolkt waren, kwam er behoefte aan arbeiders op het land, dewijl vele boerenzoons geen lust hadden in den landarbeid en liever te scheep gingen of zich in de steden als heerenknechts verhuurden. Om hierin te voorzien, wisten de Staten-Generaal in 1732 een 700tal Salzburgers, die wegens hun Lutherschen godsdienst vervolgd werden, over te halen, zich hier te vestigen. Die lieden, verjaagd en verdrukt, kwamen na veel ellende in Staats-Vlaanderen aan, in de hoop hier geloofsvrijheid en arbeid te zullen vinden.In de consistoriekamer van de Luthersche kerk te Groede hangt nog een plaat, gemaakt naar een schilderij uit die dagen, welke de uitdrijving dier verdrukten voorstelt. Hier wordt een drietal afgebeeld, in eenigszins theatrale houding voortschrijdend, het hoofd omhoog geheven, den bijbel aan het hart gedrukt, terwijl verder een moeder haar zuigeling in de armen heeft en een paar kleine kinderen met zich voert. Een man is neergevallen op den kruiwagen, waarop hij zijn bundeltje heeft geladen: alles, wat hem overbleef van zijn welvaart; hij is door smart overmeesterd. Een vrouw heeft zich omgekeerd; zij is op de knieën gezonken en strekt de armen uit naar de heerlijke bergen van haar vaderland. Zij kan niet scheiden. Maar naast haar, achter de anderen, overal staan de dragonders, om hen weg te drijven in ballingschap, naar een vreemd, onbekend land.Doch hoe goed ook bedoeld, het leven hier viel den Salzburgers tegen, terwijl zij evenmin de behoefte aan werkkrachten op het land aanvulden. De Hollanders meenden, dat zij volstaan konden met de Salzburgers zoo goed mogelijk in hun huishouden te zetten en gaven nog eenige voorschotten in den eersten tijd. Voor de verzwakte lieden evenwel was het verschil in stand en arbeid te groot. Gewoon, in goud- en zoutmijnen te werken, bij metaalsmelterijen te arbeiden, konden zij niet gewennen aan den arbeid op de zware klei. Van den aanvang af zag men rusteloosheid, teleurstelling en moedeloosheid bij velen hunner. Bij troepen trokken zij het land door, in alle dorpen zoekend naar iets, wat op hun vaderland geleek. Er werd een kunstmatige werkverschaffing voor hen in ’t leven geroepen; een wolfabriek o. a. werd opgericht, om daardoor de schapenteelt aan te moedigen en den Salzburgers een arbeid te verschaffen, zooals zij dien wenschten. De Salzburgers zijn in aantal verminderd; velen vertrokken weder en hoofdzakelijk komen zij nog voor in Groede, waar de Luthersche gemeente een kerk heeft.Na dit algemeene overzicht zetten wij onze wandeling voort door het landschap. Wij zullen eerst het Land-van-Kadzand in Zeeuwsch-Vlaanderen, ten westen van den Braakman, doortrekken. Wij bevinden ons in Breskens, een flink dorp, waar de nette, lage huizen grootendeels langs een breede straat zijn gebouwd. Er ligt reeds een Belgische tint over dit dorp. De bloei van Breskens dagteekent voornamelijk van den aanleg van den grooten weg, den breeden “Calcey-weg”, dien Napoleon I van Gent tot hier, in 1808, liet leggen, om de verbinding met Middelburg te verkrijgen, en die eerst tien jaren later voltooid werd.De polders van deze gemeente zijn pas in 1619 op het water teruggewonnen.Toch was deze plek al in den Romeinschen tijd bewoond, zooals uit opgegraven penningen blijkt. Doch het oude Breskens werd in de 15eeeuw overstroomd. Hoewel in 1480 (of 86) op de golven herwonnen, ging het in 1570 door het bezwijken van den zeedijk opnieuw te gronde, om eerst later weer te worden aangelegd.De weg van Breskens naar Groede, over de klinkers, is een lieve wandeling; olmen en populieren spreiden er hun beschuttend looverdak uit. Aan afwisseling ontbreekt het niet. Ter weerszijden zien wij nu eens uitgestrekte bouwlanden, waarop de voortreffelijke Zeeuwsche tarwe golft, dan weer heldergroen vlas, sierlijk gepluimde gerst, frissche suikerpeeën of welige weilanden, waarop het vee rustig graast in de schaduw der bloeiende, hooge meidoornstruiken. Houtgewas wordt niet gemist en de groote bouwhoeven liggen soms als in een bosch verscholen. De arbeiderswoningen zien er meer schilderachtig dan welvarend uit, en waar gij er enkele aantreft bij een klein, ouderwetsch, houten molentje, kunt gij u een paar eeuwen terugdenken, in den tijd, toen onze landschapsschilders dergelijke tafereeltjes zoo schoon op het doek wisten te brengen. De menschenbeweging is echter schaarsch in deze streken; het is er buitengewoon stil, zelfs tot het drukkende toe. Of die stilte ook invloed heeft op den geest en de opgewektheid der bewoners? De heer Nagtglas meende bij de arbeidersbevolking hier niet dat pit te vinden als elders.Boven het lommer steekt een torentje uit: dat is Groede, een goed bevolkt dorp, met een schier uitsluitend Protestantsche bevolking. In den tijd der worsteling tusschen dwang en vrijheid stak men hier de dijken door en het land liep onder water. De kerk bleef toen achter te midden van het verwoeste land. Doch in de 17eeeuw ving men opnieuw met het dijken aan, en toen het land weder droog lag en in bezit genomen werd, is ook het oude kerkje in eere hersteld. Op een pleintje, tusschen frisch en bloemrijk plantsoen, staat daar het eerwaardige bedehuis, omringd door kleine, maar nette woningen.In Groede vindt men een Luthersche gemeente met een eigen predikant en school. Zij dankt haar ontstaan aan de Salzburgers, wier komst in deze gewesten wij beschreven. Hoewel deze kerkelijke gemeente door belangrijke giften gesteund werd,—de wonderdokter Ludeman te Sloterdijk o. a. schonk er in 1749 tienduizend gulden aan—bleef zij kwijnen. De nakomelingen der Salzburgers zijn thans zoo verstrooid, dat men er nauwelijks meer sporen van kan vinden.Ook de Fransche gemeente, uit rijker en arbeidzamer réfugié’s ontstaan, ging in het eerste gedeelte der 19eeeuw teniet, evenals de Doopsgezinde.Vervolgens loopt de weg verder door de vruchtbare kleilanden naar Kadzand. Overal op dezen tocht zien wij, dat wij ons in een uiterst vruchtbare streek bevinden. Nergens ruischt de gerst voller en zwaarder dan in het land vanKadzand en het kan gebeuren bij donkeren avond, dat de boer op den weg stilstaat, om te onderscheiden, wat daar zoo ruischt: zijn “baardtarwe” of de zee. Nergens vlammen de klaprozen heller op uit de zwartgroene, zoetrokige klaver of trappelen de breedschonkige, fijnschoppige paarden luchtiger voor zware vrachten over de hooge kleidijken dan in het land van Kadzand.Waar bloeien de boonen zóó rijk, als wilden ze met hun zoete, zware geuren bedwelmen, die langs de akkers gaat, en waar lachen de blauwe vlasbloempjes zoo koketjes uit het lichtgroen omhoog? Waar schuilen oude boerderijen en felrood bepande, zwarte schuren in hun blauwe wilgen deftiger en ongenaakbaar vriendelijker onder de hooggesnoeide, donkere olmen, en waar zijn ouderwetscher ploegen, waar wagens, die zóó hotsen, vrouwen, die zoo kunnen “commeeren”, en rijke boeren, die zoo statig kunnen rentenieren als in het land van Kadzand? Aldus schetst de heer G. Haspels den indruk van dit land door het doen uitkomen van de sprekende contrasten.Het oude eiland Kadzand is al sedert lang door bedijkingen van verslijmde en opgeslibde stroomen aan het vasteland verbonden. Het dorp komt met zijn oud kerkgebouw schilderachtig uit tegen de duinen op den achtergrond. Van deze plaats maakt Dante gewag in zijn Divina Commedia, als hij in zijn XVenzang der Inferno, volgens de vertaling van Hacke van Mijnden, zegt:“Gelijk de Vlamen ’t land, aan zee gelegenBij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloedenDoor zware dijken te beschermen plegen”.Stiller dorp dan Kadzand kan men zich op dit oogenblik nauwelijks denken. De vrij nette woningen zijn aan de voorzijde veelal gesloten en op de kunstig gesnoeide palm- en taxisstruiken, tusschen de bloembedden der kleine tuintjes, sjilpen de musschen rustig.Het dorp Retranchement, of eigenlijk: “Retranchement Cadsandria”, door het spraakgebruik tot “Trezjement” verbasterd, dankt zijn naam aan de versterkingen, door Prins Maurits aangelegd, om meester te blijven van den zeearm het Zwin.Waar gij thans onafzienbare akkers aanschouwt, door bloeiend koolzaad als verguld, waar het kostelijk graan golft of bieten groeien, zag men voor niet lange jaren alleen kale schorren en slikken, waarop slechts wat zeekraal werd ingezameld en de scheper zijn kudde weidde. De smalle, ondiepe kreek, welke er doorheen kronkelde, was het overschot van de beroemdste der zeeboezems van Europa, de reeds besproken “Sincfala”, de zuidelijke grens van het oude Friesland, aan welker oevers Brugge eens tot een der aanzienlijkste havens van Europa werd.Wij naderen het stedeke Sluis. Een hoogte buiten de stad, achter de begraafplaats, wijst de plek aan, waar eens het vermaarde kasteel van Sluis stond.Filips van Bourgondië, gehuwd met Margaretha, erfdochter van Vlaanderen, en sinds 1384 graaf van Vlaanderen, wilde de dikwijls onstuimige Vlamingen, die vrijheid niet zelden met bandeloosheid verwarden, in bedwang houden. Om verder ook den Engelschen, hetzij een inval in of een gemakkelijke verbinding met het licht tot opstand geneigde Brugge te beletten, besloot Filips, den doorgang van het Zwin door een sterkte te verzekeren. Daar lag, op den meest westelijken uithoek der schor Bewester-Eede, tegenover den mond van den Budansvliet en waar deze zich met het Zwin vereenigde, het plaatsje Sluis, dat Filips had ingeruild en aan Vlaanderen bracht. Hier wilde hij een kasteel bouwen, dat zoowel het vrije verkeer van Engeland met Vlaanderen kon beletten als de Vlamingen in toom houden. In 1385 werden er de grondslagen voor gelegd, ten N. van de stad, aan de oostzijde der haven, en er verrees een bouwgevaarte, in vorm aan de Bastille te Parijs herinnerend, sterk en hecht van metselwerk, geschikt, om den stormram te trotseeren. De zware muren vormden een vierkant, welks buitenzijden, binnen de grachten, van het oosten naar het westen 86 M. besloegen en van het oosten naar het zuiden 80 M. Op regelmatige afstanden waren de muren door ronde torens versterkt; aan de hoeken verrezen de zwaarste torens. Het muurwerk had een dikte van 3,8 M. Aan de binnenzijden liepen, zoowel langs de torens als aan den wal, twee rijen gewelfde gangen boven elkander, die een veilige gemeenschap van het eene punt met het andere verleenden. De benedenste gang, welke ongeveer een meter onder den beganen grond van het plein lag, voerde naar de kelders of onderste gewelven der torens:Grauwe kluizen, donk’re holen,Nimmer door de zon bestraald,Waar geen lichtglimp heen kwam dolen,Dan in scheemring gansch verdwaald;Waar de wanden en gewelvenAltoos biggelden van ’t vocht,Of zij weenden om zichzelvenOf om ’t wee van zulk een krocht,aldus Hofdijk. Het geheel bevatte 36 kelders en vertrekken.Hertog Jan zonder Vrees deed aan de westzijde der haven, tegenover het kasteel, nog een nieuwe sterkte bouwen, kleiner, doch niet minder sterk, die gewoonlijk “de toren van Bourgondië” genoemd werd; met een keten tusschen beide gespannen, kon de haven worden afgesloten. Nog in 1794 was die keten op het raadhuis te Sluis aanwezig.Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao 1739 op het gemeente-archief.Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao1739 op het gemeente-archief.Het reusachtig slot vervulde een belangrijke rol in de geschiedenis van Sluis; het heeft menige belegering moeten doorstaan en onderscheidenen aanzienlijken diende het tot gevangenis. Dit was het geval met den hertog van Bouillonin 1553, met den Admiraal de Coligny in 1557 en met Lamoraal van Egmond, den zoon van den onthoofden graaf van dien naam, in 1582.De veranderde krijgskunst had in de 16eeeuw reeds den toren van Bourgondië nutteloos gemaakt, zoodat die werd afgebroken, doch het groote slot werd versterkt. In de 17een 18eeeuw verviel het kasteel al meer en meer; in 1794 hebben de Franschen het sterke slot gedeeltelijk doen springen en in 1840 zijn de bouwvallen voor afbraak verkocht. De steenklompen zijn grootendeels gebruikt als zinkstukken voor de dijken te Ellewoudsdijk. Zoo werd, in puin gevallen, het kasteel nogmaals tot een bolwerk des lands bestemd.“Sluis” of “Sluis in Vlaanderen” is onder den naam Lammensvliet ontstaan aan het Zwin en verkreeg in 1290 stadsrechten van Guy van Dampierre. Door visscherij, scheepvaart en koophandel wies de stad aan en in het begin der 15eeeuw bedroeg het aantal makelaars te Sluis reeds 87. Het dichtslibben van het Zwin bij Brugge en boven Sluis deed den handel verder benedenwaarts verplaatsen. Kooplieden en schepelingen uit alle landen van Europa ontmoetten toen elkander hier, en Sluis bloeide in het Bourgondische tijdperk zoozeer, dat de vorsten er dikwerf vertoefden en feestvierden.De haven van Sluis.De haven van Sluis.Isabella van Portugal, de bruid van Filips den Goede, toen graaf van Vlaanderen, kwam op Kerstdag 1429 te Sluis aan en werd hier door haar bruidegom opgewacht; volgens enkelen zou het huwelijk te Sluis zijn voltrokken. Margaretha van York, de zuster van den Koning van Engeland, kwam den 25enJuni 1468 met 16 schepen te Sluis binnen, waar zij door een stoet van aanzienlijken en haar bruidegom werd ontvangen; de ondertrouw had hier plaats. De bloeitijd van Sluis viel in het midden der 15eeeuw; destijds telde Sluis 7 markten, 69 straten, 2 parochiekerken, 3 openbare kapellen, 3 kloosters en tal van openbare gebouwen.De onrustige tijden aan het eind der 15eeeuw, de belegering in 1492, die eengroot gedeelte van de stad vernielde, den handel knakte, brachten den eersten slag toe aan Sluis. Het ondieper worden van het Zwin, waardoor groote schepen niet in de stad konden komen, deed het verdere, en in de 16eeeuw ging Sluis snel achteruit, zoodat geheele straten vervielen. De stad kwam aanvankelijk geheel onder Brugge te staan, en hoewel zij gedurende den opstand tegen Spanje meer zelfstandig werd, zich van Brugge afscheidde en zich bij de Unie van Utrecht aansloot, toch stond Sluis gedurende den oorlog en ook later als grensstad aan vele belegeringen bloot en nooit kwam zij tot haar ouden bloei terug. Het aantal bewoonde huizen en inwoners kromp in en in 1840 telde Sluis niet meer dan 257 huizen binnen de kom. Sedert is het aantal bewoners wel weder iets toegenomen, zoodat dit bedroeg 2300 in 1900, maar het is toch een rustig, stil landstadje gebleven, alleen kleinhandel op den omtrek drijvend. Van de eens zoo aanzienlijke haven is niets meer over dan een ligplaats voor de schepen in het kanaal naar Brugge. Zoo is Sluis een dood stadje geworden, met smalle straten. Het bombardement van 1794 verwoestte een gedeelte der nederzetting; de prachtige St. Janskerk geraakte in 1811 in brand en werd vernield en aldus zijn vele schoone gebouwen van Sluis te gronde gegaan.Het belangrijkste gebouw van Sluis is nog het stadhuis, in 1396 gebouwd, met zijn in den trant der Vlaamsche belfroits gebouwden toren, die zich trotsch verheft met zijn vier spitsen. Dit gebouw is gerestaureerd en in den oorspronkelijken toestand teruggebracht.Bij het uurwerk van den toren, in een der galmgaten, zetelt de oudste burger van Sluis, een houten beeldje, in 1424 vervaardigd, dat bij het slaan enkele tonen aangeeft en als “de klokman Jantje van Sluis” bekend staat.Al is Sluis in verval, toch getuigt menig geveltje nog van de ruime beurs, waaruit het eens is gebouwd.Een eenvoudige grafnaald op de begraafplaats van Sluis wijst de rustplaats aan van den bekenden geschiedvorscher en taalkundige, J. H. Van Dale, den 21enMei 1872 hier overleden, waar hij als onderwijzer werkzaam was. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, door Van Dale vervaardigd, is nog altijd een vraagbaak en draagt, hoe ook herzien, steeds nog zijn naam.Aan den buitenkant van Sluis ontwaart men op korten afstand over de bouwlanden een zwaren, stompen toren, die boven eenig geboomte en enkele huizen uitsteekt. Dat is de toren van St. Anna-ter-Muiden, eens ook havenstad van het vermaarde Brugge, doch thans slechts een gehuchtje.St. Anna-ter-Muiden is een zeer oud plaatsje, welks jaar van opkomst men niet kent; het is ontstaan aan de monding of samenkomst van een paar wateren met het Zwin, naar welke uitmonding het zijn naam kreeg. In 1241 werd dezeplaats verheven tot een smalstad met tol vrijheid. Toen het land aan de westzijde langzamerhand aanslibde, geraakte de stad verder van zee verwijderd. De bewoners verplaatsten nu hun huizen meer zeewaarts, doch bij brieven van 1445, gegeven door Filips van Bourgondië, werd hun dit verboden, omdat de vijand zich in oorlogstijd daarachter ging verschuilen bij de aanvallen op Sluis.Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.De haven van St. Anna-ter-Muiden in het Zwin was oudtijds hoogst belangrijk en de stad had een aanzienlijke visscherij. Doch in de 16eeeuw was de stad reeds in verval; Ter-Muiden was in 1650 bijna geheel afgebrand en werd grootendeels door de inwoners verlaten. Aan opkomst van het plaatsje viel sedert niet meer te denken en het verviel tot een gehucht, dat er arm, maar schilderachtig uitziet. Hoewel hier sinds eeuwen geen schepen meer gezien werden, sprak men tot voor kort nog van “de kaai”, als ware het een havenstad.Van Sluis richten wij ons naar het oosten en vervolgens naar het zuiden; over de vruchtbare landouwen zien wij eindelijk vóór ons, te midden van het geboomte, het stedeke Aardenburg verrijzen, dat algemeen bekend is in den lande door zijn beroemde verdediging in 1672.Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden,Uit bosch en beemden ’t hoofd omhoog,Ten sieraad dier bekoorlijke oorden,De lusthof voor des vreemdlings oog?Wie prijkt daar in die vruchtbre streken,Maar schier den strakken blik ontweken,Die langs de golvende akkers weidt,En toont ons, door ’t verblindend pralenVan vorstenhof en marmren zalen’t Bekoorlijk beeld der needrigheid?O, wandlaar! voor geen plaats op aardeWijkt die vergeten, kleine stad!Zij is een steen van hooge waarde,In Neerlands gloriekroon gevat;’t Is zij, die eens de slaafsche ketenMet forsche vuist heeft losgereten,Die ’t zuchtend vaderland omgaf;Zij dreef in ’t barnen der gevarenDen roem van Frankrijks legerscharenGrootmoedig van haar muren af.Aldus bezong P. Ph. de Kanter deze stad in 1835.Aardenburg doet zich kennen als een net stadje; het ziet er uit, of het pas uit een doosje kwam, zoo proper lijkt alles, en geen hout, dat ongeverfd is. Ook vindt men er menig sierlijk en met kosten gebouwd huis, zoodat de plaats, hoewel sedert lang geen havenstad meer, toch de welvaart niet ingeboet heeft. Een oude poort verleent toegang tot de hoofdstraat der stad. Het sieraad van Aardenburg is de prachtige St. Bavokerk, zeker een der fraaiste kerken van Zeeland, in middeleeuwschen stijl gebouwd, gelegen tusschen hoog opgaand geboomte. Het weeshuis met twee spitse gevels, uit 1631, valt terstond in het oog. Naar den buitenkant, aan een met olmen beplant plein, staat het raadhuis, een net gebouw, dat aan een villa doet denken.Aardenburg is een oude stad, die vóór de opkomst van Brugge van zooveel beteekenis was, dat zij als een der aanzienlijkste steden van Vlaanderen en als de hoofdstad der zeeplaatsen van dat gewest werd beschouwd. Zij had een haven, waarvan vermeld wordt, dat zij wel 600 schepen kon bevatten, terwijl haar wallen ongeveer 70 bunder besloegen. Belangrijk was de handel van Aardenburg, die o. a. op de Oostzee gedreven werd, en door de privilegiën, welke de graven van Vlaanderen aan Aardenburg schonken, werden Spaansche, Duitsche en andere kooplieden naar deze stad gelokt. Ook bloeiden er in de 12een 13eeeuw reeds wol- en lakenweverijen. Een kanaal, dat in de 13eeeuw naar zee werd gegraven, bevorderde den handel niet weinig.Doch oorlogsrampen, watervloeden, het dichtslibben van de haven vernietigden de welvaart der plaats, die van een havenstad in een landstad veranderd werd.In 1604 werd Aardenburg door Prins Maurits voor de Unie veroverd. De stad werd nu aanzienlijk versterkt en van bezetting voorzien. Na 1648 liet men de vestingwerken vervallen en in 1672 besloot men zelfs ze te sloopen. Op aanhouden der bewoners en der Zeeuwen werd dit nog uitgesteld. Doch toen de Franschen in dat jaar op den morgen van den 26enJuni voor Aardenburg kwamen met 8000 à 9000 manschappen was de stad schier zonder voorraad, waren de wallen niet versterkt en had men slechts vier bruikbare stukken. Terwijl de bezetting kort van te voren naar Sluis was vertrokken, scheen er voor deovergebleven 30 manschappen onder den vaandrig Elias Beekman en de 175 weerbare burgers, die op de been waren te brengen, geen kans op behoud.De Franschen besprongen in dezen hachelijken toestand de veste, vielen onder het geschreeuw: “sla dood, sla dood!” op de landpoort aan, maar door den dapperen Elias Beekman aangevoerd, werd niet alleen de aanval der Franschen afgeslagen, doch werden er zelfs 620 krijgsgevangenen gemaakt, waaronder 9 officieren, terwijl de Aardenburgers geen enkel man verloren. Evenals eens in Haarlem, hadden ook de vrouwen dapper medegewerkt tot het behoud der stad, Margaretha Sandra, huisvrouw van den voorzittenden schepen, zat met een hoop jongens op een stoep, om de kogels, die te groot waren, door te hakken, welke bij hoedenvol naar den wal werden gebracht. Zoo bleef de stad in dit ongeluksjaar voor Nederland behouden.Den roem dezer overwinning houdt men in Aardenburg hoog, en van Beekman zegt een dichter der stad:Uw roem, door moed en trouw verkregen,Blijve, als uw fiere heldendegen,Voor ’t laatste nageslacht bewaard,hierbij zinspelende op den degen van den vaandrig, die op het stadhuis berust. Het tweede eeuwfeest dier gebeurtenis, waartoe Tollens reeds opwekte,Dan loov’ men God en vier’ men feest,Opdat de naneef niet vergeet,Wat Aardenburg voor Neêrland deed,werd op 26 en 27 Juni luisterrijk gevierd.Aardenburg ligt in de schoonste kleistreken van Zeeuwsch-Vlaanderen.Het goud der koopmanswinsten op de stroomen is vervangen door de voordeelen, die de landbouw oplevert. Het stadje ligt echter nabij den zoom der zandgronden. Niet heel ver van hier, te St. Kruis en Eede, kunt ge reeds den overgang van den zwaren Zeeuwschen kleibodem tot den Vlaamschen, meer boomrijken zandgrond ontdekken.In de met zooveel zorg overal bebouwde akkers zult gij thans moeielijk de woeste wouden van Hulsterloo herkennen, waar de dichter den Reinaert-roman spelen laat. En toch zijn hier overal nog herinneringen aan dit gedicht levendig. Bij Aardenburg moet een schuur staan, welke “Malpertuis” heet, naar het kasteel van den slimmen vos, en onder Schoondijke, bij Waterlandskerkje, ligt het aloude gehucht Steenhove, een overblijfsel van het verdronken Elmare, waar Reinaert zijn zoogenaamden oom Isegrim aan het klokketouw bond, zoodat men in den omtrekZwoer,’t Was of de duivel òf zijn moer,Die de klok zoo geweldig deed gaan.HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800Naar J. C.Ramaer.Lith. Gebrs. Braakensiek, A’dam.Van Aardenburg begeven wij ons naar Oostburg, een plaats met een vriendelijk, niet onwelvarend voorkomen, die evenveel van Sluis en Aardenburg verschilt als deze twee plaatsen onderling. Op marktdag komt er in het stadje meer leven; dan ziet gij hier de stille, stijve, Zeeuwsche boeren met de vlugge, babbelende, blauwgekielde Vlamingen handeldrijven en menig “kapke” bier te zamen verschalken.Ook Oostburg is een zeer oude nederzetting, waar Eligius in het begin der 7eeeuw het evangelie predikte en waar de Noormannen plunderend doordrongen. Eens door den koophandel bloeiend als een volkrijke havenstad, ging het in den Spaanschen tijd sterk achteruit, en in 1673 werden de vestingwerken geslecht.Wij vinden geen tijd, om verder bij de historische herinneringen dezer plaats stil te staan.Door een landschap, dat de Zeeuwsch-Vlaamsche dichterboer Faro aldus schetst:Hier ziet men popels, daar abeelen,Ginds bloeiend vlas en golvend graanDoor zoele westenwindjes streelen,Of wieglend op en nedergaan.Waar eens bij ’t argloos rijzen, duiken,Het kroost der zee door net en fuikenEn raaf en meeuwen werd bespied,Stijgt nu de leeuwrik fier naar bovenEn ’t looverdak en bosch en hovenWeergalmt van ’t juublend lentelied,bereiken wij IJzendijke, eveneens een overoude nederzetting, waarvan reeds in 984 melding wordt gemaakt, die in de 12eeeuw onder de steden werd geteld, en in de 13eeeuw lid der Hanze was. Deze stad ging in de 14eeeuw grootendeels te gronde en het overgebleven deel werd in 1570 door overstrooming vernield.Doch ongeveer 800 meter zuidoostwaarts ontstond een nieuwe nederzetting, het tegenwoordige IJzendijke, in deze gewesten “Isendieke” genoemd.Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.Een welbebouwde straat voert ons naar de markt, een ruim, langwerpig plein, ingesloten door vele nieuwe gebouwen, maar eveneens eenige met trap- en puntgevels.Enkele dagteekenen nog uit den tijd, toen prins Maurits, na een beleg van zeven dagen, deze bijna onneembare vesting innam, 10 Mei 1604. Maurits deed dien voorburcht van Zeeland met geduchte versterkingen omringen. In Oct. 1830 deed het bendehoofd, Ernest Gregoire, de Belgische vlag hier op den toren plaatsen, maar spoedig daarna werd die weder door Nederlandsche troepen verwijderd. De vestingwerken zijn in 1842 voor goed geslecht.Belangrijke gebouwen vindt men er niet. De achtkante koepelkerk (Herv.), die spits toeloopt en in een peer eindigt, is een net gebouw van 1612, maar heeft weinig bijzonders.Ten N.W. hiervan ligt Schoondijke, eigenlijk Willemsdorp geheeten, een vriendelijke plaats. Tusschen de lage doch nette woningen zien wij hier en daar gezellige tuintjes, in den zomer kleurrijk door tal van pioenen, goudsbloemen en duizendschoonen, omsloten door met zorg geschoren palm- en taxisstruiken. De nederzetting ontstond in 1651 bij het bedijken van het tweede gedeelte van den Prins-Willempolder en werd aanvankelijk Willemsdorp genoemd, maar de herinnering aan de door overstrooming vernielde parochie Schoondijke was nog zoo levendig, dat men de nieuwe plaats aldus noemde.Van IJzendijke bezoeken wij het door Willem Beukelsz. algemeen bekende Biervliet, thans een dorp met verstrooide huizen. Biervliet was eens een bloeiende stad, waar aanzienlijke edelen en zelfs vorsten van tijd tot tijd, willig of onvrijwillig, vertoefden. Graaf Floris V werd hier een tijdlang door den Vlaamschen graaf Guy van Dampierre gevangen gehouden, en Keizer Karel V zou hier met zijn beide zusters op het graf van Willem Beukelsz. haring hebben genuttigd. Een straat in het vervallen, kleine plaatsje, kaai genoemd, herinnert nog aan de welvarende, machtige zeestad, wier krijgshaftige burgers hun landvorst naar “die landen van over zee” volgden, en de eersten zouden geweest zijn, die de banier met den zwarten leeuw van Vlaanderen op de wallen van Jeruzalem plantten.In de in 1660 gebouwde, nette kerk herinneren een paar overblijfselen van geschilderde glazen aan Willem Beukelsz., die als de uitvinder of verbeteraar van het haringkaken wordt beschouwd.Hiermede hebben wij den Braakman bereikt, die Zeeuwsch-Vlaanderen nog in twee gedeelten scheidt. Dit water heeft echter zijn besten tijd reeds gehad en voortdurend wordt het verkleind door vernieuwde inpolderingen. Het gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen ten W. van den Braakman wordt door de Zeeuwen veelal onder den algemeenen naam van “Land-van-Kadzand” aangeduid en de bewoners als Kadzandtenaars.Wij overzien ten slotte nog, vóór wij dit gebied verlaten, de kleederdracht der landbevolking, hoofdzakelijk in dezen geleid door Dr. de Man.De Kadzandtenaars zochten in de onrustige tijden, toen dit land veel door deSpaansche of door de Staatsche troepen te lijden had en later bij de invallen van de Franschen, dikwijls veiligheid op het eiland van Walcheren, om later naar hun woonplaats terug te keeren. De overeenkomst in godsdienstige opvatting en strengheid van zeden deed de Kadzandtenaars nader aansluiten bij Walcheren dan bij het zuidelijk Vlaanderen, waarvan zij door religie gescheiden waren. Daardoor had de Kadzandsche kleeding vroeger veel overeenkomst met die van Walcheren, hoewel een gedeelte in dit land ook Vlaamsche kleeding droeg.Toch bleven in het Land-van-Kadzand de Walcherensche invloeden niet overheerschend. De vele uitgeweken Walen, Franschen, Doopsgezinden en Salzburgers, welke zich hier van lieverlede met de oorspronkelijke bewoners verbonden, terwijl men er tevens veel Katholieken vond, waren oorzaak, dat de bevolking zeer gemengd werd. Wel bleef de grondtrek lang iets Walcherens behouden, doch de invloed van het Belgisch-Vlaamsche neemt hier in de laatste halve eeuw sterk toe wegens de nadere aanraking met België, en doordien het grondbezit voor een groot gedeelte in handen van Belgische heeren is gekomen. Het Walchersche karakter der kleeding is daardoor verloren gegaan.Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.De kleeding der mannen in het Land-van-Kadzand is geheel burgerlijk geworden. De vrouwenkleeding heeft er nog iets eigenaardigs en is niet Zeeuwsch en niet Vlaamsch, hoewel het eenvoudige, stemmige aan het Walchersche herinnert. Over ’t geheel komen de kleeding en mutsen der vrouwen wel iets overeen met die der vrouwen in Overijsel, bij Zwolle. Vroeger had de echte Kadzandsche muts een door karkas rondom het gelaat en ook om de kin gespannen, breeden rand, welke wijd van de wangen af stond. Thans is de muts veel enger, de rand veel smaller en veranderd in een ouderwetsche Hollandsche neepjesmuts, zooals die voor een halve eeuw bekend was. Vroeger droegen de vrouwen hoeden, doch thans ook niet meer.Van krullen en strikken of van een beugel rondom het hoofd is geen sprake. De ooren zijn vrij en men hangt er lange sieraden in, die men bellen noemt; het zijn puntbellen van nieuwerwetschen vorm en van goud. Het jak der vrouwenis stemmig, veelal donkerbruin van kleur, en wordt van voren zonder eenige elegantie zoo hoog mogelijk tot den hals gesloten. Het onderstuk, de schoot, dien men in Kadzand het “zet” noemt, is buitengewoon lang; de beuk ziet men in ’t geheel niet. Een satijnen schort wordt hierbij gedragen, en hoewel de rokken niet zoo talrijk zijn als op Walcheren, kan men toch aan de vrouwenfiguren zien, dat men die meer in aantal draagt dan noodig is tot bescherming tegen de koude.Wij wenden ons thans naar het oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. De ruimte verbiedt ons, lang te verwijlen bij dit gewest. Wij zullen er daarom meer een overzicht van nemen dan in een gedetailleerde beschrijving treden, en bezoeken slechts kortelijk enkele plaatsen.Op de smalle landstrook, die ten Z. van den Braakman nog tot Nederland behoort, ligt het visschersplaatsje Philippine (mosselen en garnalen), eens een vesting, thans niet meer dan een armoedig dorp met veel herbergen. Als eenmaal de Braakman geheel is ingedijkt, wat in een niet ver verschiet het geval moet zijn, zal de visschersbevolking zich van hier moeten verplaatsen.Zoo komen wij ten O. van den Braakman.Het westelijk gedeelte van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen wordt veelal aangeduid als het Land-van-Axel, waartoe ook Ter-Neuzen en Zaamslag behooren, het overige als het Land-van-Hulst. Het valt al spoedig in het oog, als wij het Land-van-Axel doorwandelen, dat de bevolking zich in kleeding, gewoonten en denkwijze onderscheidt van die in het 4eDistrict, maar eveneens van die van het Overkwartier en het Land-van-Hulst. In het oogvallend is in vele opzichten de overeenkomst van de bevolking in het Land-van-Axel met die op Walcheren. Dit verschijnsel valt te verklaren uit de geschiedenis. In het Land-van-Axel kende men slechts één kerk, en wel de oud-Hervormde, doch vroeger gewijzigd door de gestrenge Walcherensche artikelen, en men was er dus kerkelijk in overeenstemming met dat eiland. Verder behoorde het Land-van-Axel in den tijd der Republiek tot het zoogenaamde “Committimus”, een gebied in Staats-Vlaanderen, waar Gecommitteerde Raden van Zeeland het hoogste gezag hadden en Zeelands hoofdstad den toon aangaf, terwijl de Generaliteit elders heerschte.Hierdoor vond men in Axel oudtijds navolging van de Walchersche kleeding, van geloofsijver, van kerkelijke tucht, enz. en toen het aan de zijde der Staten gekomen was, ook afscheiding van het naburige Land-van-Hulst, dat meer Katholiek bleef. In het Land-van-Axel vindt men strenge orthodoxie, die zich scherp onderscheidt van het Katholieke element en ook in kleeding en gebruikendaarvan afwijkt. De Axelaar wil geen Vlaming zijn: hij wil blijven, wat hij was, en heeft daardoor van zijn oud-nationale kleeding nog veel bewaard. Wij leeren de Axelsche kleeding kennen door de voorbeelden op degekleurde plaat. (Zie ook de fig. op pag.176).De mannen hebben de oude kleeding niet zoo goed bewaard als de vrouwen; toch hebben wij daarvan op de plaat nog een voorbeeld. De Axelaar had vroeger, als alle Zeeuwen, zijn knoopen en broekstukken, zijn gebloemden hemdrok, zijn signetten en cachetten, zijn pijpekot en zijn gespen. Fluweel was hier veel meer in gebruik dan op Walcheren, en omdat het een rijke streek was, waren de sieraden er grooter. Veel er van wordt door de erfgenamen bewaard, maar niet gedragen; het ronde hoedje wordt door een pet vervangen, maar de ernst van het karakter en het uiterlijk blijven nog dezelfde als voorheen. Vroeger was het des Zondags aan den hoed te zien, of men een gewoon mensch dan wel een magistraat voor zich had.De Axelsche boerenmeisjes, vooral de gegoede boerendochters, zijn nog eigenaardig gekleed (zie 6, 7, 12 en 13 dergekleurde plaat). De hooge schoudertoppen, waartusschen het hoofd als is weggezonken, herinneren min of meer aan de kleeding in den tijd van vader Cats, en het geheel dezer vrouwendracht doet denken aan de rijke, maar stijve kleederen der Spanjaarden. Waar de Axelsche kleeding vandaan komt en wanneer deze is ingevoerd, weet men niet. Op de hofsteden wordt de oude kleeding nog gedragen door de meisjes; in de grootere plaatsen, als Axel en Ter-Neuzen, is de gewone burgerkleeding al meest ingevoerd.Gaan wij enkele deelen dier kleeding nog nader na. Vroeger droeg men hier een stijve Walcherensche muts, en onder den arbeid doet men dat nog, een herinnering aan de betrekking tusschen beide gewesten. In de dorpen en steden dragen de meisjes thans reeds mutsen, overeenkomende met die op Tolen of Schouwen, terwijl overigens de kleeding burgerlijk is.De oude Walcherensche versierselen worden nog door de landmeisjes gedragen, maar de vormen zijn anders en rijker. De “naelde” van vroeger is afgeschaft, maar de Walcherensche krullen ziet men hier weder. Zij staan loodrecht en worden veel hooger gedragen, niet naast, maar boven de oogen. Naast de krullen schitteren bij ongehuwden twee prachtige spelden of knoppen, zooals men ze niet op Walcheren, maar wel op Tolen ziet; zij zijn van goud, met of zonder pareltjes er bij. Aan de krullen hangen geen bellen, zooals bij de dames in de steden, maar andere “hangers”, die prachtig en zeer groot zijn, met steentjes of parelen. Men spreekt hier ook van “strikken”, zooals men op Walcheren gewoon is te dragen. Uit alles blijkt, dat de landman hier in den regel ruimer met aardsche goederen gezegend is dan de Walcherensche boer, en dat men, bij allen eenvoud des gemoeds, toch gaarne zijn rijkdom laat uitkomen door een soliede weelde.De beuk en het doekje, die wij vroeger bij het Land-van-Goes als eigenaardig voor de Zeeuwsche kleeding beschreven, vindt men ook hier terug, maar prachtiger. Het is Vlaamsche sier, die met Zeeuwschen eenvoud vereenigd is, zegt Dr. de Man. Het doekje is echter een doek geworden, hoewel geen omslagdoek, maar een stuk, dat bij jak en beuk tehuis behoort.De beuk wordt door de meisjes zelf gemaakt. Zij zijn hier echter niet, zooals op Walcheren, gesteld op zuiver wit voor Zondagsche kleeding, maar houden meer van kleuren, waaruit eenigszins een zuidelijker aard spreekt. De beuk is wel dikwerf wit, maar wordt dan toch nog door levendig gekleurde koralen versierd. De koralenversiering neemt van Walcheren af naar het oosten en zuiden toe. Op Walcheren vindt men aan de beuk somtijds een rand van glasheldere koralen; bij de Nieuwlandsche meisjes komen die al meer voor en de Roomsch-Katholieke meisjes op Zuid-Beveland dragen reeds boven de beuk een kraag van gekleurde koralen. Doch Axel gaat in dezen het verst.Zuiddam te Axel.Zuiddam te Axel.De doek tusschen beuk en jak is een voornaam deel van de vrouwenkleeding alhier, evenals in andere streken van Zeeland. Doch die doek wordt in Axel anders gebruikt. Voor de meisjes uit Axel moeten de doeken afzonderlijk geweven worden en zij kosten dan ook wel 25 gulden. Zij hebben, uitgespreid, een oppervlakte van een vierkanten meter. De doek wordt geweven van gekleurde zijde en die kleuren moeten echt sprekend zijn, terwijl een groote bloem met randen of rosetten moet uitkomen. Hij versiert niet alleen boezem en rug, maar geeft door de plooien met hooge schouders, die verder worden aangevuld met een onderstuk, een zeer eigenaardig postuur aan de vrouwengestalte, dat voor Axel kenmerkend is. De opspitsende schouders schijnen in de laatste halve eeuw in hoogte te zijn toegenomen.De rokkenomvang der vrouwen van Axel herinnert aan dien van Walcheren, is zelfs nog grooter. De wijd uitstaande buitenrok is hier altijd zeer stijf, zwart moiré, mooi opgelegd met een rand van gebloemd fluweel van scherpe, sprekende kleuren. Een rood baaien rok vormt gewoonlijk nog een van de vele, die zij dragen. De schort is bijzonder groot en omsluit al die rokken bijna geheel; denaam “voorschoot” past er dan ook niet voor. Zij is van gekleurde zijde, afgezet met blauw of ander lint, en om haar vast te binden gebruikt men veelal een breeden, doorgaans gekleurden, op fluweel gehechten band, die van voren goed te zien is.Het Land-van-Hulst was oudtijds afgescheiden van het Land-van-Axel door het Hellegat, eens een breede waterarm van Hulst naar het noorden, doch die in 1845 binnen enger grenzen werd gebracht. Dit water bewerkte een scheiding tusschen de bewoners aan beide zijden, welke ook hierdoor bevorderd werd, dat Axel meer met Walcheren en Gent in betrekking kwam, Hulst meer met Noord- en Zuid-Brabant en het nabijgelegen Antwerpen.De bewoners van het Land-van-Hulst zijn grootendeels Katholiek; alleen in de noorderstreek vindt men nog enkele Protestanten. Het Hulsterland vormt derhalve meer een overgang naar het Belgische.Al is er in Hulst nog wel iets eigenaardigs in de kleeding overgebleven, waardoor de vrouwen uit het Land-van-Hulst zich van die uit de overige gedeelten van Zeeuwsch-Vlaanderen onderscheiden, toch gaat het eigenaardig landelijke en ook de Hulster kleederdracht meer en meer verloren. In de plaats Hulst ziet men alleen de stedelijke kleederdracht. Verschil in kleeding tusschen Protestanten en Katholieken bemerkt men hier niet.Vrouwen uit het Land-van-Hulst.Vrouwen uit het Land-van-Hulst.De vrouwenmuts in het Land-van-Hulst, van fijne kant vervaardigd, gelijkt niet op de mutsen, elders in Zeeland gedragen, maar komt meer met de Noord-Brabantsche overeen; bij beide daalt de kant naar beneden en van achteren komen de vleugels of slippen wel bij elkander, maar eenvoudig tot den hals en niet met een lange strook langs den rug. Onder de bovenmuts wordt een zwart zijden ondermutsje gedragen, veel in kleur en stof verschillend van de Walcherensche en Goesche muts. De muts wordt naar het zuiden meer Brabantsch, zoodat men den overgang kan waarnemen. Bij de mutsen gebruikt men een weelde van spelden als nergens anders; bij haar toilet gebruikt het Hulster meisje alleen voor haar muts wel 300 à 400 kleinemutsenspelden. Het haar, dat iets donkerder is dan op Walcheren, wordt door de vrouwen in een scheiding gedragen. Oorijzers of beugels met krullen of boeken aan beide zijden van het hoofd draagt men hier niet; dit wijst er op, dat de Hulstenaars niet van dezelfde afkomst zijn als de Zeeuwen. Het haar dragen zij zonder bellen, naalden of andere sieraden, maar bellen dragen zij wèl in de ooren.Van de aanzienlijke plaatsen in dit gewest wijzen wij op Sas-van-Gent, gebouwd aan een sluis of sas aan het einde der vaart, die de Gentenaren met vergunning van Filips II in de 16eeeuw hebben gedolven van Gent naar het Sassche Gat, om hierlangs een kortere vaart naar de Wester-Schelde te verkrijgen. Doch door de dichtslibbing van het Sassche Gat en de daarop volgende bedijking kwam Sas-van-Gent in het midden van het land te liggen, waardoor de plaats in bloei achteruitging. Zij leefde echter weder op na het graven van het Kanaal-van-Gent naar Ter-Neuzen in 1826. Door zijn ligging aan de grens heeft Sas-van-Gent veel fabrieken. Het is een nette plaats.Aan het noordelijk einde van dit kanaal ligt Ter-Neuzen, een havenstad aan de Schelde, nog altijd met vestingwerken. De stad heeft haar bloei te danken aan het Kanaal van Gent.Axel is een oud plaatsje, dat reeds bloeide in de 9eeeuw, doch thans niet meer is dan een klein plattelandsstadje.Hulst is een aanzienlijk en ruim gebouwde plaats, met luchtige straten, welke meest op de markt uitloopen. De door kastanjes beschaduwde markt is omringd door nette huizen en aan het marktplein verrijst het stadhuis met vierkanten toren, die in drie achtkante omgangen uitloopt, terwijl een hooge, hardsteenen pui, met wapens in hardsteen, aan den voorkant, toegang geeft tot de vestibule.Hulst heeft een fraaie Gothische kruiskerk, met houten toren op het kruis.Ook Hulst is een oude stad, die in de 12eeeuw al bloeide en ontstaan is om een burcht nabij de voormalige Asscherpoort. In 1618 werd Hulst in een sterke vesting herschapen, doch na 1795 werden de verdedigingsmiddelen niet meer onderhouden. De stad bloeit thans door het marktverkeer; zij staat in nauwer betrekking tot Antwerpen dan tot Nederlandsche steden.Wij nemen hier afscheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, gaan per tram naar Walsoorden, varen hier weder over de Schelde, wandelen naar het station Hansweerd om verder te reizen naar het vasteland en vervolgens onze wandelingen door Nederland in Noord-Brabant voort te zetten.

Door Zeeuwsch-Vlaanderen.Nu wij de Zeeuwsche eilanden bezocht hebben, begeven wij ons van hier naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Wij zullen de boot nemen van Vlissingen naar Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen vervolgens van het westen naar het oosten doorwandelen, om daarna van Hulst naar Walsoorden aan de Schelde het land nog eens dwars te doorsnijden, de Schelde weder over te gaan met het veer naar Hansweerd, om van hier binnen enkele minuten den spoorweg van Zuid-Beveland weder te bereiken.Voor hem, die de breede Schelde niet wil overvaren, is er geen andere gelegenheid, om in Zeeuwsch-Vlaanderen te komen, dan over Antwerpen en van daar over St. Nicolaas met den trein naar Hulst te reizen en zoo verder. Wie ten W. van den Braakman wil zijn, moet over Gent reizen, vervolgens naar Eecloo of Maldeghem, om hier een tram te kiezen.Wij begeven ons weder naar Vlissingen, gaan daar aan boord van een boot en bevinden ons weldra op de breede Hont of Wester-Schelde. Het bevaren van de Schelde heeft iets grootsch en indrukwekkends. Dat aan deze breede watervlakte de naam is gegeven van de rivier, welke België doorstroomt, is in strijd met de natuurlijke geschiedenis van het land. Want wij bevinden ons in werkelijkheid op een inham der zee, een schepping van de zee, waar de oceaan zijn zoute wateren bij elken vloed nog in uitstort en als een zware, rijzende golf voortstuwt tot bij Antwerpen, om daarna, vereenigd met het water, dat de Schelde afvoert, terug te keeren. De rivier de Schelde eindigt eigenlijk ongeveer daar, waar zij de Nederlandsche grens bereikt, ten einde hier in den inham, welken de zee heeft geschapen als om de rivier tegemoet te gaan, uit te monden. De oudere schoolgeographen, die als één van de drie hoofdrivieren van Nederland ook de Schelde noemden, eischten voor ons land iets op, wat Nederland niet toekomt, omdat de Schelde als rivier bijna geheel Belgisch is; wij nemen enkel haar rivierwater over en niets meer.Achter ons begint Vlissingen langzaam weg te nevelen en aan den overkant van de Schelde zien wij de vage massa van struiken allengs aangroeien en zich vervormen tot stammen. Tal van witte zeilen zwieren lustig om ons over de zacht deinende watervlakte. Zoo hier en daar stijgt de zware rookzuil op van een groot stoomschip, dat zijn ladingen uit verre landen aanvoert naar of afvoert van Antwerpen, de eerste koopstad der Schelde. De groote buitenlandsche stoombooten worstelen en stampen tegen den ebstroom, en strepen van schuimend kielzog wijzen nog lang den weg aan, dien zij hebben afgelegd. Tusschen die vaartuigen door laveeren een paar loodskotters, die zee kiezen, om den schepen den weg te wijzen naar en door de Schelde, te midden van de gevaarlijke banken.Wij vorderen meer en meer; de kerktorens, huizen en boomen van Walcherens zuidpunt duiken weg aan den horizon, en uit den blauwgrijzen, nevelachtigen band, welke, van Vlissingen gezien aan de overzijde lucht en water scheidde, ontwikkelt zich langzamerhand duidelijk de hooge dijk, waarboven een toren, roode daken, enkele boomen en scheepsmasten zichtbaar worden. Onze vaart heeft ongeveer een half uur geduurd; thans zijn wij voor de haven van Breskens. Als de stoomboot door het water binnen kan loopen, komen we zonder moeite aan wal, doch als het lage water ons noodzaakt, om aan het hoofd uit te stappen, hebben wij een moeielijke wandeling over de ongelijke steenen der zeewering, glibberig door de overstrooming van het vloedwater.De zeemondingen van het delta-land hebben een eigenaardige bekoring door de voortdurende afwisseling, welke zij in hun uiterlijk aanbieden bij het dagelijksch spel van vloed en ebbe. Hier, in de Wester-Schelde, is het verschil in waterstand nogal aanzienlijk en het neemt van den mond tot dicht bij Antwerpen in grootte toe. Te Vlissingen en Breskens bedraagt het gemiddelde verval van den waterstand bij de getijden 36 d.M. (bij springtij 46 d.M.), te Terneuzen 39 (bij springtij 49), te Bath 44 (bij springtij 51) en te Antwerpen 43 d.M. Door deze groote rijzing van het water bij vloed is de Schelde zoo ver in het land voor groote schepen bevaarbaar.Gedurende laagwater vormt de Schelde een reeks van uitgestrekte, zonnig grijze vlakten, tijdelijke rustplaatsen voor tienduizenden blanke zeevogels, meer of minder in blinkende schittering gehuld, naarmate de eb lager afloopt. Golvende, zilveren banden, van onregelmatige breedte en vorm, doorsnijden die platen langs de diepere geulen en met zijarmen strekken die zich uit, als om enkelen kleinen meertjes, op de banken verstrooid, de hand te bieden in hun eenzame verlatenheid, bijna afgezonderd van de zee.Slechts kort duurt die toestand, want na een kwart etmaal rijzen de wateren weder, eerst schuchter, als om de eilanden onmerkbaar en spelend te naderen,en straks met meer kracht, als om ze te bestormen. Aanvankelijk nemen de golven de buitenwerken veroverend in; verder doen zij bij hoogen vloed de banken, gorzen en schorren weder verdwijnen door het overwinnend heir van de steeds krachtiger aansnellende legerscharen der golven, die over het overwonnen land met huppelenden pas voortijlen naar de bolwerken langs den oever, welke hun, dank zij den verdedigingswerken onzer waterstaatsofficieren, het “tot hiertoe en niet verder!” toeroepen. Dan worden deze groote, breede ruimten één uitgebreide watereenzaamheid, één geluidlooze ruimte zonder omlijning, zonder eenig houvast voor het oog.Op dit oogenblik strekt de Schelde zich nog in haar volle uitgebreidheid, doch kalm en rustig, uit. Maar wild en onstuimig kan ook die waterarm worden, dreigend en jagend. Als de westenwind uit zee komt aangieren en de golven doet schuimen, bruisen en koken met donderend geraas, waar zij met de banken in strijd komen; als de zwellende vloeden in woedend geweld tegen elkander opsteigeren en, hier in de nauwte doorgedrongen, tot bergen van water en hooge kruinen van schuim opdrijven, dan dreunen de dijken bij de zware aanvallen en mokerslagen van hun machtigen vijand, dien zij trachten tegen te houden.Als wij te Breskens voet aan wal zetten, krijgen wij door de indrukken der plaats en van het volk bijna onmiddellijk een gevoel, of wij in een vreemd land zijn. Wel hooren wij nog de Nederlandsche taal spreken, maar zij is met zooveel vreemde elementen vermengd, dat men daarin buitenlandsche invloeden onmiddellijk kan ontdekken. De bouw der woningen, de inrichting der nederzettingen, de namen der herbergen, de “estaminets”, de kleeding, schier in alles bemerken wij iets, dat Zeeuwsch-Vlaanderen van het overige Nederland onderscheidt.Zeeuwsch-Vlaanderen is dan ook een “achterhoek van den overkant”, zooals Nagtglas het noemde; het vormt een overgang tot het Belgische Vlamenland en behoort er geographisch nader toe dan tot Zeeland. Toch bestaat er in het volkseigene dier beide streken nog groot verschil, dat men spoedig opmerkt, als men over de grenzen naar België gaat. Men vindt in het Belgische niet alleen overheerschend een anderen godsdienst, andere kleeding, andere volksgebruiken en gewoonten, maar ook een andere taal, een taal, zoozeer afwijkend van het Zeeuwsch-Vlaamsche dialect, dat de Zeeuw, die in Zeeuwsch-Vlaanderen een zusterspraak hoort, welke hij terstond herkent, waarmede hij zonder eenige moeite spoedig vertrouwd is, de taal over de rijks-grens als een vreemde taal beschouwt, grootendeels voor hem onverstaanbaar. Dit verschil is zeer in ’t oogvallend, omdat beide gedeelten niet door een natuurkundige grens van elkander gescheiden zijn, maar geographisch in elkander overgaan, terwijl er een dagelijksche aanraking tusschen beide gedeelten plaats heeft, thans nog bevorderd door spoorwegen,kanalen, trams, enz. Daarenboven is dit verschil opmerkelijk omdat vóór een viertal eeuwen het volk aan deze en gene zijde van de tegenwoordige staatsgrens één was. Het oude Vlaanderen strekte zich uit tot de Wester-Schelde, en in dien tijd bestond ook dat taalverschil niet, zooals blijkt uit de geschreven stukken der 16eeeuw. Wij hebben hier dus het verloop van een scheidingsproces in historischen tijd op te merken, waardoor een volk, één van afkomst, verdeeld werd. Doch bovendien heeft in het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen de invloed van een binnenlandsche kolonisatie gewerkt, die hier volkselementen uit het overige Zeeland aanbracht, welke met het bekende conservatisme, den Zeeuw eigen, hun dialect, gewoonten en kleeding ten deele bewaarden, maar onder den invloed van het Vlaamsche toch eigenaardig ontwikkelden.Het West-Vlaanderensche en het Zeeuwsch-Vlaanderensche (bijv. in het district van Sluis) zijn zeer verschillende dialecten. Waaruit is het verschijnsel te verklaren, dat o. a. in het gebied van Sluis de volkstaal met het Walcherensche dialect meer overeenkomst heeft dan met het West-Vlaamsche?Niet onwaarschijnlijk werd de Zeeuwsche invloed in ouden tijd ook al tot ten zuiden van de Schelde uitgebreid, zooals o. a. hieruit valt af te leiden, dat de Zeeuwen in 1180 Damme bedijkten. Maar de invloed der Zeeuwsche taal, hoewel misschien op het eiland Kadzand het best bewaard, moest door het leven der bevolking met en in Vlaanderen wel verloopen, en uit de geschreven stukken der 16eeeuw valt overeenkomst in dialect tusschen Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen af te leiden, gelijk wij zeiden.Na dien tijd evenwel werd de scheiding voltooid. Tijdens den Spaanschen oorlog vluchtten vele bewoners om den wille van den godsdienst uit Vlaanderen naar Walcheren, hielden daar langen tijd verblijf en brachten, van daar terugkeerend, natuurlijk de taal mede, die zij er hadden aangenomen. Zelfs werd uit het Walcherensche de vrouwenkleeding gedeeltelijk overgenomen en de ouderwetsche zeden in westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen hebben daarmede ook de meeste overeenkomst.De invloed der staatkundige vereeniging met Noord-Nederland deed zich vervolgens in Staats-Vlaanderen gevoelen. Van West-Vlaanderen was men gescheiden, doch met Zeeland stond men door handel, rechtsbedeeling, godsdienst, bloedverwantschap en omgang in de nauwste betrekking. Daarenboven vestigden zich vele Zeeuwen in Staats-Vlaanderen. Dit alles werkte samen, om hier den Zeeuwschen tongval de overhand te doen verkrijgen, en deze werd de grondslag van de zich ontwikkelende taal.Maar toch, het Zeeuwsch was er niet zuiver, want in Staats-Vlaanderen vestigden zich ook vele vreemdelingen, die hun eigenaardige taalelementen oplosten in het Zeeuwsche. Franschen, Walen, Luikenaars en Salzburgers kwamen hier aan. Door hun invloed werd de taal gewijzigd. “De taal is eenZeeuwsch gebouw, op een Vlaamschen grondslag omhoog gerezen, dat hier een uitheemschen vorm heeft aangenomen,” zegt de heer H. Q. Janssen, die deze dialecten goed kende.Gaat men de dialecten meer in bijzonderheden na, alsmede de nationale kleeding, dan zijn er drie gedeelten in Zeeuwsch-Vlaanderen te onderscheiden. Het westelijk gedeelte, ten W. van den Braakman, heeft een Vlaamschen grondslag, onder Zeeuwsche invloeden gewijzigd; het Land van Axel, ten O. van den Braakman, is meer Zeeuwsch getint, en het ten oosten daarvan gelegen Land-van-Hulst is meer met Brabant en Antwerpen verwant. Wij komen later hierop terug.In de eerste plaats een blik op de geschiedenis des bodems en der bewoners.Het is geen gemakkelijke taak de veranderingen van Zeeuwsch-Vlaanderens bodem en wateren in historischen tijd na te gaan, en wij willen dit ook geenszins beproeven. Daarvoor is buitengewone locale kennis noodig naast studie van de bronnen. Wel zijn er kaarten van het oude Zeeland en ook van Zeeuwsch-Vlaanderen geconstrueerd uit gegevens, welke men aan de geschiedenis ontleende, doch dikwijls liet men zich daarbij ten deele leiden door onbewezen gissingen. De voorstelling, welke Ab Utrecht Dresselhuis in zijn kaart van Zeeland omstreeks 1200, gegeven heeft van Zeeuwsch-Vlaanderen, wordt op vele gronden als onjuist beschouwd.Wij hebben voor dit werk een historische kaart laten reproduceeren van Zeeland naar een voorbeeld, dat een copie is van Lieven van Thuyne, gemaakt volgens een kaart, die van 1288 heet te zijn. De echtheid dezer kaart wordt door enkelen bestreden, door anderen verdedigd. Geheel juist is ook deze kaart zeker niet, maar wij meenden haar toch te moeten overnemen, om daarmede, zij het ook niet in details nauwkeurig, toch een algemeen beeld van den vermoedelijken toestand van oud-Zeeland te geven. Voor Zeeuwsch-Vlaanderen schijnt ons deze kaart juister dan die, welke Dresselhuis ontwierp; voor de overige gedeelten heeft die van Dresselhuis misschien meer waarde.Zonder nu in bijzonderheden te treden, gelooven wij ons Zeeuwsch-Vlaanderen, evenals het overige gedeelte van Zeeland, vóór den aanvang onzer jaartelling te moeten voorstellen als een laag kustland, van onderscheidene waterarmen doorsneden, maar toch over ’t geheel droog gelegen. De lagere waterstand der zee, welken wij reeds vroeger aannamen voor dien tijd, geeft ons grond tot een dergelijke veronderstelling. Daardoor was dit kustland bijzonder gunstig gelegen voor de eerste scheepvaart en had zich hier in de eerste eeuwen onzer jaartellingreeds een bevolking gevestigd, die, evenals op de kustplaatsen van Zeeland (Domburg enz.), tot een hooge welvaart was gekomen.De waterarmen in het kustgebied waren meest niet zoo breed als later, het Zwin misschien uitgezonderd. Het Zwin was een waterarm, die van den mond der Wester-Schelde in zuidelijke richting zich tot Brugge uitstrekte, waar het een natuurlijke haven vormde, terwijl onderscheidene smallere zij-armen er mede waren verbonden. Vóór 1180 vloeide het zeewater tot Brugge, doch dewijl deze stad gevaar liep van overstroomd te worden, versterkte men den afsluitingsdijk, die een uur beneden Brugge liep, en de stad aan dien dijk, Damme, werd daardoor de voornaamste haven van dit gewest. Aan het Zwin hadden zich ook andere nederzettingen gevormd: o. a. Sluis, Oostburg, e. a. Toen het Zwin als een doodloopend water, waarin de vloed opliep, om daarna terug te keeren, in den lateren tijd meer en meer dichtslibde in den bovenloop, werd de handel vervolgens naar Sluis verplaatst, gelijk wij zien zullen, terwijl ook deze plaats later een landstad werd.Het Vlaamsche kustland, ten Z. langs de Schelde, werd al vroeg bewoond; hier begon St. Amand in het begin der 7eeeuw met St. Eloy de evangelieprediking, en in dien tijd bestonden Oostburg en Aardenburg reeds. De evangeliepredikers stichtten hier onderscheidene kloosters. Van het leggen van dijken en het inpolderen wordt niet gesproken vóór ± 1100, toen de genoemde dijk bij Damme gelegd werd. Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat in die eerste eeuwen het leggen van zware dijken niet noodig was, evenmin als in Holland, zoodat er enkel lagere kaden werden aangetroffen.Toen evenwel de rijzing van het niveau der zee na de 10eeeuw zich langs de geheele kust openbaarde, die in het noorden de Zuiderzee deed ontstaan (zie I pag. 14 en 341), nam ook hier aan de kust de landvernieling aanvang. Langs de waterarmen, misschien wel door lage kaden omringd, spoelde het slappe land weg en het water drong er dieper in door. Aldus loste Zeeuwsch-Vlaanderen, voor zoover de bewoners door het leggen van dijken er geen voldoenden tegenstand aan boden, zich op in onderscheidene eilanden, door breede wateren gescheiden. Dit proces zette zich voort tot de 16eeeuw en deed heel wat land teniet gaan. Het Zwin werd breeder, hoewel tevens in het zuiden langzamerhand ondieper; de Braakman vormde zich tot een woest water (± 1440), het Land van Saeftinge in het oosten verdween in de golven (bij onderscheidene vloeden in de 16eeeuw); het Hellegat werd een breede inham, enz. In dien strijd werd de gedaante van het land geheel veranderd en weken de bewoners terug voor het water, terwijl de onrustige oorlogstijden der 16eeeuw niet de noodige zorg deden besteden aan het onderhoud van de verdedigingsmiddelen voor het land.Doch na die woeste overwinningen der zee begon weder de aanwinst vanland. Toen het proces der landvernieling gestaakt werd, toen de bevolking tot eenige rust kwam en de dijken werden aangelegd of versterkt, terwijl alleen enkele binnenwateren met de zee in betrekking bleven, voerde het vloedwater bij elk getijde nieuw slib aan, dat in die doodloopende wateren bezonk. Sliklagen vulden de binnenwateren op, en vroeger goede havensteden als Damme en Sluis konden weldra niet meer bereikt worden door de schepen uit de zee.De ontwikkelende landbouw maakte zich meester van de aanwassen, om het verloren land te herwinnen, en zoo werd Staats-Vlaanderen in een gebied met aaneengesloten bedijkingen veranderd. Het vroegere Zwin, waar oudtijds zulk een aanzienlijke handel gedreven werd, waarvan Maerlant getuigt in de Wapene Martijn:“Al waert al dijn, dat comt in ’t Zwin,Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;”waar in 1340 voor Sluis een zeeslag geleverd werd, bij welke de Fransche vloot, 123 zeilen sterk en met 40000 koppen bemand, door de Engelschen overwonnen werd, aangevoerd onder koning Eduard in persoon; waar in 1484 aartshertog Maximiliaan met wel anderhalf honderd schepen binnenliep, is langzamerhand geheel verdwenen. In 1648 werd het uit naijver der provinciën afgesloten, waarna het door opgroeiing en inpoldering steeds verkleinde. In 1872—73 verdween het laatste gedeelte door de bedijking van den Willem-Leopoldpolder. Nog in onzen tijd zet die arbeid van landaanwinst zich voort; in den Braakman en in het Land van Saeftinge hadden de laatste inpolderingen plaats.Zoo is Zeeuwsch-Vlaanderen van een handelsgewest met bloeiende koopsteden en levendige zeevaart in den loop der laatste vier eeuwen een landbouwstreek geworden. De steden hebben daardoor veel van hun beteekenis verloren, doch het land is er bij vooruitgegaan. Door de herhaaldelijk nieuwe ingepolderde landen kwam er grond beschikbaar en vestigden zich hier ook kolonisten van Zeeuwsche eilanden, zelfs uit vreemde landen. Dit had ten gevolge, dat men er tegenwoordig nog zooveel volkselementen kan opmerken, die niet zelden van polder tot polder verschillen in godsdienst, zeden, gewoonten en kleederdracht.Staatkundig heeft Vlaanderen in de oudheid een groote beteekenis gehad. Men verstond daaronder in de latere middeleeuwen het graafschap, dat ten N. grensde aan de Noordzee en den mond der Schelde, zoodat het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot het graafschap Vlaanderen behoorde en de Schelde de grens ervan uitmaakte. Verder vormden in het O. het markgraafschap Antwerpen, het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen de grens, in het Z. Henegouwen, het graafschap Artois en een gedeelte van Picardië, en in het W. de Noordzee. In den tijd van Lodewijk den Vrome had Vlaanderen reeds eenzekere, doch beperkte uitgestrektheid verkregen en kwam het als een afzonderlijk land voor. Als zoodanig wordt het vermeld in het voorschrift, dat Lodewijk gaf omtrent de verdeeling van zijn landen in 838. Een streek bij Brugge komt in de 7eeeuw het eerst voor onder den naam van Pagus Flandrensis, waaraan de naam van het graafschap ontleend schijnt te wezen. Men meent, dat de Frankische koningen het land tot in de 9eeeuw door houtvesters (forestiers) deden besturen. Een van hen, Boudewijn met den IJzeren Arm, verwierf in 863 de hand eener dochter van Karel den Kale, die het gebied van zijn schoonzoon vergrootte en tot een graafschap verhief. De graven van Vlaanderen leefden herhaaldelijk in oorlog met hun naburen, vooral met de Graven van Holland, over het bezit van Zeeland ten westen van de Schelde (zie pag.192), dat zijn de eilanden Walcheren, Zuid-Beveland, Noord-Beveland e. a., welke na 1323 aan Holland kwamen.Bij de oorlogen van Vlaanderen met Frankrijk, de inwendige beroeringen, den vrijheidsstrijd van Jacob van Artevelde, waardoor de Fransche invloed in Vlaanderen bedwongen en de grond tot de zelfstandigheid van het land gelegd werd, zullen wij niet stilstaan. Door Philips den Goede werd Vlaanderen, met nog andere deelen van Nederland, onder één bestuur vereenigd, in 1429 met het graafschap Namen, in 1430 met de hertogdommen Brabant en Limburg, in 1433 met de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Al die bezittingen, vermeerderd met het hertogdom Luxemburg, vielen in 1467 ten deel aan Karel den Stoute, in 1477 aan zijn dochter Maria, en door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk kwamen zij aan het Oostenrijksche huis. Onder Philips den Schoone kwam Vlaanderen met de andere Nederlandsche gewesten in nadere betrekking tot Spanje en deze duurde voort onder Karel V en Philips II, totdat de opstand losbarstte onder laatstgenoemden vorst. Vlaanderen nam daaraan aanvankelijk met ijver deel, schaarde zich voor en na aan de zijde van den Prins van Oranje, maar bleef ten slotte een provincie van de zuidelijke of Spaansche Nederlanden.In het noordelijk gedeelte van Vlaanderen werd echter de grensstrijd tusschen Spanje en de Nederlanden gedurende den tachtigjarigen oorlog voortgezet. Hier werd door de noordelijke Nederlanden een gedeelte van Vlaanderen veroverd, dat in 1648 bij den vrede van Munster aan de Algemeene Staten werd afgestaan. Dit gedeelte verkreeg destijds den naam van Staats-Vlaanderen en behoorde tot de Generaliteitslanden. De grensscheiding was in het vredesverdrag niet nauwkeurig bepaald, doch nader werd die omschreven in het verdrag van 28 Sept. 1664; later kwam er in 1715 een nieuw, gewijzigd grensverdrag tot stand. Nog herhaaldelijk hadden er grenswijzigingen plaats, o. a. in 1718 en 1786.Staats-Vlaanderen nu stond onder de oppermacht van de Algemeene Staten derVereenigde Nederlanden, die uit hun midden jaarlijks Gedeputeerden afvaardigden om de regeering der steden te bezetten, rekeningen op te nemen, enz. De Raad van State had het beheer over de geldmiddelen. Alleen langs de noordkust was een gedeelte, “het Committimus” geheeten, dat meer onder Gecommitteerde Raden van Zeeland stond.De ingezetenen van Staats-Vlaanderen hebben in den tachtigjarigen oorlog met warmte de zaak der vrijheid omhelsd en daardoor was hun aansluiting bij de noordelijke gewesten bepaald, terwijl zij in de afscheiding van het overige Vlaanderen geen bezwaar zagen. De economische belangen, welke het gedeelte, dat sedert Staats-Vlaanderen heette, met het zuidelijke Vlaanderen hadden verbonden, hadden na de 16eeeuw niet meer de beteekenis van vroeger, gelijk wij nader zullen aantoonen, en daardoor werd de band tusschen beide deelen van Vlaanderen losser. Zelfs zag men daar niet zelden een bijzonderen ijver aan den dag leggen voor de belangen van het noorden.Sluis en Hulst hebben bij de Pacificatie van Gent met kracht er op aangedrongen, dat de Spaansche, Hoogduitsche en Italiaansche krijgsbenden uit het land zouden verdreven worden, en zij hielden zich aan de Unie van Utrecht. Staats-Vlaanderen werd dan ook meest Protestantsch, alleen uitgezonderd het Land-van-Hulst, dat in de macht van Spanje viel en eerst in 1645 heroverd werd, evenals eenige gedeelten van heerlijkheden en dorpen, die eerst door den vrede van Munster er bijgevoegd werden, n.l. de streek lands tegenover Axel, ten zuiden van het Canisvliet, en de Staatsche gedeelten van de heerlijkheden Watervliet en Waterland en van het graafschap Middelburg. De kapellen, die de Roomsch-Katholieken hadden te Sluis en IJzendijke, waren meer in ’t belang van de bezetting dan van de burgerij.Na de herstelling van onze onafhankelijkheid in 1815 werd het vroegere Staats-Vlaanderen tot de provincie Zeeland gerekend en is daarbij gebleven, al zijn de grenzen niet geheel dezelfde. Sedert wordt dit gedeelte van Nederland meest Zeeuwsch-Vlaanderen genoemd.In economisch opzicht was Vlaanderen een tijdlang het belangrijkste gewest der Nederlanden. Vlaanderen trok voornamelijk voordeel van den door de kruistochten in het leven geroepen nieuwen staat van zaken op het gebied van handel en verkeer. In dien tijd werd in Vlaanderen de eerste groote tusschenmarkt voor den wereldhandel geopend. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. Vlaanderen was van de zuidelijke gewesten der Nederlanden het eenige, dat door de zee bespoeld werd, en tevens het meest bevolkte gebied. De Vlaamsche steden waren in dien tijd reeds de aanzienlijkste, met een levendige nijverheid, terwijl de bodem er uitermate vruchtbaar was en goed bebouwd werd.Van de zee kon men langs de onderscheidene waterarmen in het land doordringen, en op deze inhammen had zich een drukke scheepvaart ontwikkeld met stoute zeelieden, die met de Zeeuwschen het eerst flinke tochten over den oceaan waagden. In den tijd der kruistochten werden kruisvaarders uit het westen door Vlaamsche schepen overgebracht naar de Middellandsche Zee en met Oostersche voortbrengselen kwamen die terug. Daardoor werd Vlaanderen als vanzelf de markt voor de Oostersche waren, en door zijn geographische ligging, ongeveer midden tusschen de Oostzee en Middellandsche Zee, was dit gewest in de middeleeuwen aangewezen, om de handelaren der Hanze en die der Italiaansche steden aan de Middellandsche Zee tot elkander te brengen. Vlaanderen werd het ontmoetingsgebied tusschen noord en zuid; zoo ontwikkelden zich deze havens tot centrale markten voor den wereldhandel. De Vlaamsche nijverheid gaf daaraan tevens voedsel, terwijl zij op haar beurt door den handel werd gesterkt.Tot de belangrijkste steden van Vlaanderen behoorden Brugge, Gent, Yperen, Oudenaarden, Rijsel, Aalst en Kortrijk. In al deze steden, bovenal te Gent, bestonden lakenfabrieken. Voor de scheepvaart was vooral Brugge het gunstigst gelegen. Deze stad lag wel niet dicht bij de kust, maar zij had met de zee gemeenschap door het reeds beschreven Zwin langs Damme en Sluis. In de 13eeeuw werd Brugge de groote voorraadschuur der voortbrengselen van Europa en het Oosten, de stapelplaats van den geheelen Nederlandschen handel. De toevloed van vreemdelingen te Brugge en de toeneming der bevolking maakten de stad een tijdlang tot de aanzienlijkste der Nederlanden; hier waren in het midden der 14eeeuw ongeveer 150.000 inwoners gevestigd en de beurs van Brugge beheerschte den wereldhandel. Het Hanzeverbond, Londen, Bristol, Avignon, Lissabon, Barcelona, Pisa, Genua en Venetië, alsmede Noord-Nederlandsche steden, hadden hier hun handelskantoren; papier op Brugge was gangbaar door de geheele wereld.Toen de waterverbinding van Brugge met de zee slechter werd in de 16eeeuw, werd Antwerpen, zoo gunstig gelegen aan de Schelde, de opvolger van Brugge en de beheerschende stad van den wereldhandel, om die rol te blijven vervullen, tot de inneming van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585.Door dit alles vormde de kuststreek van het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot de 16eeeuw het voorland van het aanzienlijkste handelsgebied der aarde en ontwikkelden zich hier aan de mondingen der wateren belangrijke voorhavens, die grooter welvaart verkregen, naarmate het verkeer op de hoofd-handelssteden door de dichtslibbende wateren meer bemoeilijkt werd. Daardoor waren de steden van Staats-Vlaanderen met den bloei der zuidelijke handelssteden van Vlaanderen verbonden. Doch sedert de handelsbloei van het achterland achteruitging of ophield, werd ook die betrekking minder, de behoefte aannauwe aaneensluiting geringer. Dat was reeds het geval in het midden der 16eeeuw. Het noordelijke kustland van Vlaanderen gevoelde zich toen los van het in verval gerakende Brugge, trachtte zelf daarvoor in de plaats te komen, dewijl het nog open toegangen had uit zee, en deze omstandigheid bevorderde de scheiding tusschen noordelijk en zuidelijk Vlaanderen, deed het noordelijke nauwer bij Noord-Nederland aansluiten.Dezen invloed der geographische ontwikkeling van den bodem op de staatkunde meenden wij kortelijk te moeten aanduiden, omdat die medegewerkt heeft, om een deel van Vlaanderen aan Noord-Nederland te verbinden, waardoor wij een strook lands ten zuiden van de Wester-Schelde als een Nederlandsch gewest kunnen doorwandelen, hoewel het in afkomst nader aan het Belgische Vlamingenland verbonden is.Door de geschiedenis is de bevolking van Zeeuwsch-Vlaanderen in karakter Vlaamsch, maar vanouds met internationale bestanddeelen vermengd, welke door het drukke verkeer in dit bedrijvig gewest gebracht zijn. In den tijd, toen het als Staats-Vlaanderen zijn wereldhandel reeds verloren had, maar als vruchtbaar landbouw-gewest bleef bloeien, was dit gebied een grensgebied, dat verdedigd moest worden en daarvoor ook vreemde elementen in zich opnam. Vooral de nieuw aanwassende polders vormden van tijd tot tijd een nieuw gebied, geschikt tot vestiging van vreemdelingen. De gastvrijheid, binnen de landpalen der Nederlandsche gewesten verleend aan hen, die elders om hun geloof vervolgd werden, maakte Staats-Vlaanderen tot een toevluchtsoord voor vele emigranten. Tal van familienamen herinneren er nog aan Fransche afkomst. Men ontmoet er de namen Du Rieu, du Pré, Risseeuw (Rossé), Toussaint, de Hulu, Erasmus e.a. schier overal; de naam Hennequin wijst op afkomst eener familie uit Noord-Frankrijk. De hartelijke ontvangst maakte voor de vreemdelingen de vestiging in deze gewesten aangenamer, en vooral de Franschen, die hier veelal kwamen met kapitaal, waren er zeer gezien. Zij vormen nog een aanzienlijke klasse onder de bevolking, een soort van aristocratie, en hebben er veel bijgedragen tot de ontwikkeling der welvaart.Minder in aanzien waren de Salzburgsche immigranten. Toen in de eerste helft der 18eeeuw tal van plaatsen in Staats-Vlaanderen door koortsen ontvolkt waren, kwam er behoefte aan arbeiders op het land, dewijl vele boerenzoons geen lust hadden in den landarbeid en liever te scheep gingen of zich in de steden als heerenknechts verhuurden. Om hierin te voorzien, wisten de Staten-Generaal in 1732 een 700tal Salzburgers, die wegens hun Lutherschen godsdienst vervolgd werden, over te halen, zich hier te vestigen. Die lieden, verjaagd en verdrukt, kwamen na veel ellende in Staats-Vlaanderen aan, in de hoop hier geloofsvrijheid en arbeid te zullen vinden.In de consistoriekamer van de Luthersche kerk te Groede hangt nog een plaat, gemaakt naar een schilderij uit die dagen, welke de uitdrijving dier verdrukten voorstelt. Hier wordt een drietal afgebeeld, in eenigszins theatrale houding voortschrijdend, het hoofd omhoog geheven, den bijbel aan het hart gedrukt, terwijl verder een moeder haar zuigeling in de armen heeft en een paar kleine kinderen met zich voert. Een man is neergevallen op den kruiwagen, waarop hij zijn bundeltje heeft geladen: alles, wat hem overbleef van zijn welvaart; hij is door smart overmeesterd. Een vrouw heeft zich omgekeerd; zij is op de knieën gezonken en strekt de armen uit naar de heerlijke bergen van haar vaderland. Zij kan niet scheiden. Maar naast haar, achter de anderen, overal staan de dragonders, om hen weg te drijven in ballingschap, naar een vreemd, onbekend land.Doch hoe goed ook bedoeld, het leven hier viel den Salzburgers tegen, terwijl zij evenmin de behoefte aan werkkrachten op het land aanvulden. De Hollanders meenden, dat zij volstaan konden met de Salzburgers zoo goed mogelijk in hun huishouden te zetten en gaven nog eenige voorschotten in den eersten tijd. Voor de verzwakte lieden evenwel was het verschil in stand en arbeid te groot. Gewoon, in goud- en zoutmijnen te werken, bij metaalsmelterijen te arbeiden, konden zij niet gewennen aan den arbeid op de zware klei. Van den aanvang af zag men rusteloosheid, teleurstelling en moedeloosheid bij velen hunner. Bij troepen trokken zij het land door, in alle dorpen zoekend naar iets, wat op hun vaderland geleek. Er werd een kunstmatige werkverschaffing voor hen in ’t leven geroepen; een wolfabriek o. a. werd opgericht, om daardoor de schapenteelt aan te moedigen en den Salzburgers een arbeid te verschaffen, zooals zij dien wenschten. De Salzburgers zijn in aantal verminderd; velen vertrokken weder en hoofdzakelijk komen zij nog voor in Groede, waar de Luthersche gemeente een kerk heeft.Na dit algemeene overzicht zetten wij onze wandeling voort door het landschap. Wij zullen eerst het Land-van-Kadzand in Zeeuwsch-Vlaanderen, ten westen van den Braakman, doortrekken. Wij bevinden ons in Breskens, een flink dorp, waar de nette, lage huizen grootendeels langs een breede straat zijn gebouwd. Er ligt reeds een Belgische tint over dit dorp. De bloei van Breskens dagteekent voornamelijk van den aanleg van den grooten weg, den breeden “Calcey-weg”, dien Napoleon I van Gent tot hier, in 1808, liet leggen, om de verbinding met Middelburg te verkrijgen, en die eerst tien jaren later voltooid werd.De polders van deze gemeente zijn pas in 1619 op het water teruggewonnen.Toch was deze plek al in den Romeinschen tijd bewoond, zooals uit opgegraven penningen blijkt. Doch het oude Breskens werd in de 15eeeuw overstroomd. Hoewel in 1480 (of 86) op de golven herwonnen, ging het in 1570 door het bezwijken van den zeedijk opnieuw te gronde, om eerst later weer te worden aangelegd.De weg van Breskens naar Groede, over de klinkers, is een lieve wandeling; olmen en populieren spreiden er hun beschuttend looverdak uit. Aan afwisseling ontbreekt het niet. Ter weerszijden zien wij nu eens uitgestrekte bouwlanden, waarop de voortreffelijke Zeeuwsche tarwe golft, dan weer heldergroen vlas, sierlijk gepluimde gerst, frissche suikerpeeën of welige weilanden, waarop het vee rustig graast in de schaduw der bloeiende, hooge meidoornstruiken. Houtgewas wordt niet gemist en de groote bouwhoeven liggen soms als in een bosch verscholen. De arbeiderswoningen zien er meer schilderachtig dan welvarend uit, en waar gij er enkele aantreft bij een klein, ouderwetsch, houten molentje, kunt gij u een paar eeuwen terugdenken, in den tijd, toen onze landschapsschilders dergelijke tafereeltjes zoo schoon op het doek wisten te brengen. De menschenbeweging is echter schaarsch in deze streken; het is er buitengewoon stil, zelfs tot het drukkende toe. Of die stilte ook invloed heeft op den geest en de opgewektheid der bewoners? De heer Nagtglas meende bij de arbeidersbevolking hier niet dat pit te vinden als elders.Boven het lommer steekt een torentje uit: dat is Groede, een goed bevolkt dorp, met een schier uitsluitend Protestantsche bevolking. In den tijd der worsteling tusschen dwang en vrijheid stak men hier de dijken door en het land liep onder water. De kerk bleef toen achter te midden van het verwoeste land. Doch in de 17eeeuw ving men opnieuw met het dijken aan, en toen het land weder droog lag en in bezit genomen werd, is ook het oude kerkje in eere hersteld. Op een pleintje, tusschen frisch en bloemrijk plantsoen, staat daar het eerwaardige bedehuis, omringd door kleine, maar nette woningen.In Groede vindt men een Luthersche gemeente met een eigen predikant en school. Zij dankt haar ontstaan aan de Salzburgers, wier komst in deze gewesten wij beschreven. Hoewel deze kerkelijke gemeente door belangrijke giften gesteund werd,—de wonderdokter Ludeman te Sloterdijk o. a. schonk er in 1749 tienduizend gulden aan—bleef zij kwijnen. De nakomelingen der Salzburgers zijn thans zoo verstrooid, dat men er nauwelijks meer sporen van kan vinden.Ook de Fransche gemeente, uit rijker en arbeidzamer réfugié’s ontstaan, ging in het eerste gedeelte der 19eeeuw teniet, evenals de Doopsgezinde.Vervolgens loopt de weg verder door de vruchtbare kleilanden naar Kadzand. Overal op dezen tocht zien wij, dat wij ons in een uiterst vruchtbare streek bevinden. Nergens ruischt de gerst voller en zwaarder dan in het land vanKadzand en het kan gebeuren bij donkeren avond, dat de boer op den weg stilstaat, om te onderscheiden, wat daar zoo ruischt: zijn “baardtarwe” of de zee. Nergens vlammen de klaprozen heller op uit de zwartgroene, zoetrokige klaver of trappelen de breedschonkige, fijnschoppige paarden luchtiger voor zware vrachten over de hooge kleidijken dan in het land van Kadzand.Waar bloeien de boonen zóó rijk, als wilden ze met hun zoete, zware geuren bedwelmen, die langs de akkers gaat, en waar lachen de blauwe vlasbloempjes zoo koketjes uit het lichtgroen omhoog? Waar schuilen oude boerderijen en felrood bepande, zwarte schuren in hun blauwe wilgen deftiger en ongenaakbaar vriendelijker onder de hooggesnoeide, donkere olmen, en waar zijn ouderwetscher ploegen, waar wagens, die zóó hotsen, vrouwen, die zoo kunnen “commeeren”, en rijke boeren, die zoo statig kunnen rentenieren als in het land van Kadzand? Aldus schetst de heer G. Haspels den indruk van dit land door het doen uitkomen van de sprekende contrasten.Het oude eiland Kadzand is al sedert lang door bedijkingen van verslijmde en opgeslibde stroomen aan het vasteland verbonden. Het dorp komt met zijn oud kerkgebouw schilderachtig uit tegen de duinen op den achtergrond. Van deze plaats maakt Dante gewag in zijn Divina Commedia, als hij in zijn XVenzang der Inferno, volgens de vertaling van Hacke van Mijnden, zegt:“Gelijk de Vlamen ’t land, aan zee gelegenBij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloedenDoor zware dijken te beschermen plegen”.Stiller dorp dan Kadzand kan men zich op dit oogenblik nauwelijks denken. De vrij nette woningen zijn aan de voorzijde veelal gesloten en op de kunstig gesnoeide palm- en taxisstruiken, tusschen de bloembedden der kleine tuintjes, sjilpen de musschen rustig.Het dorp Retranchement, of eigenlijk: “Retranchement Cadsandria”, door het spraakgebruik tot “Trezjement” verbasterd, dankt zijn naam aan de versterkingen, door Prins Maurits aangelegd, om meester te blijven van den zeearm het Zwin.Waar gij thans onafzienbare akkers aanschouwt, door bloeiend koolzaad als verguld, waar het kostelijk graan golft of bieten groeien, zag men voor niet lange jaren alleen kale schorren en slikken, waarop slechts wat zeekraal werd ingezameld en de scheper zijn kudde weidde. De smalle, ondiepe kreek, welke er doorheen kronkelde, was het overschot van de beroemdste der zeeboezems van Europa, de reeds besproken “Sincfala”, de zuidelijke grens van het oude Friesland, aan welker oevers Brugge eens tot een der aanzienlijkste havens van Europa werd.Wij naderen het stedeke Sluis. Een hoogte buiten de stad, achter de begraafplaats, wijst de plek aan, waar eens het vermaarde kasteel van Sluis stond.Filips van Bourgondië, gehuwd met Margaretha, erfdochter van Vlaanderen, en sinds 1384 graaf van Vlaanderen, wilde de dikwijls onstuimige Vlamingen, die vrijheid niet zelden met bandeloosheid verwarden, in bedwang houden. Om verder ook den Engelschen, hetzij een inval in of een gemakkelijke verbinding met het licht tot opstand geneigde Brugge te beletten, besloot Filips, den doorgang van het Zwin door een sterkte te verzekeren. Daar lag, op den meest westelijken uithoek der schor Bewester-Eede, tegenover den mond van den Budansvliet en waar deze zich met het Zwin vereenigde, het plaatsje Sluis, dat Filips had ingeruild en aan Vlaanderen bracht. Hier wilde hij een kasteel bouwen, dat zoowel het vrije verkeer van Engeland met Vlaanderen kon beletten als de Vlamingen in toom houden. In 1385 werden er de grondslagen voor gelegd, ten N. van de stad, aan de oostzijde der haven, en er verrees een bouwgevaarte, in vorm aan de Bastille te Parijs herinnerend, sterk en hecht van metselwerk, geschikt, om den stormram te trotseeren. De zware muren vormden een vierkant, welks buitenzijden, binnen de grachten, van het oosten naar het westen 86 M. besloegen en van het oosten naar het zuiden 80 M. Op regelmatige afstanden waren de muren door ronde torens versterkt; aan de hoeken verrezen de zwaarste torens. Het muurwerk had een dikte van 3,8 M. Aan de binnenzijden liepen, zoowel langs de torens als aan den wal, twee rijen gewelfde gangen boven elkander, die een veilige gemeenschap van het eene punt met het andere verleenden. De benedenste gang, welke ongeveer een meter onder den beganen grond van het plein lag, voerde naar de kelders of onderste gewelven der torens:Grauwe kluizen, donk’re holen,Nimmer door de zon bestraald,Waar geen lichtglimp heen kwam dolen,Dan in scheemring gansch verdwaald;Waar de wanden en gewelvenAltoos biggelden van ’t vocht,Of zij weenden om zichzelvenOf om ’t wee van zulk een krocht,aldus Hofdijk. Het geheel bevatte 36 kelders en vertrekken.Hertog Jan zonder Vrees deed aan de westzijde der haven, tegenover het kasteel, nog een nieuwe sterkte bouwen, kleiner, doch niet minder sterk, die gewoonlijk “de toren van Bourgondië” genoemd werd; met een keten tusschen beide gespannen, kon de haven worden afgesloten. Nog in 1794 was die keten op het raadhuis te Sluis aanwezig.Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao 1739 op het gemeente-archief.Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao1739 op het gemeente-archief.Het reusachtig slot vervulde een belangrijke rol in de geschiedenis van Sluis; het heeft menige belegering moeten doorstaan en onderscheidenen aanzienlijken diende het tot gevangenis. Dit was het geval met den hertog van Bouillonin 1553, met den Admiraal de Coligny in 1557 en met Lamoraal van Egmond, den zoon van den onthoofden graaf van dien naam, in 1582.De veranderde krijgskunst had in de 16eeeuw reeds den toren van Bourgondië nutteloos gemaakt, zoodat die werd afgebroken, doch het groote slot werd versterkt. In de 17een 18eeeuw verviel het kasteel al meer en meer; in 1794 hebben de Franschen het sterke slot gedeeltelijk doen springen en in 1840 zijn de bouwvallen voor afbraak verkocht. De steenklompen zijn grootendeels gebruikt als zinkstukken voor de dijken te Ellewoudsdijk. Zoo werd, in puin gevallen, het kasteel nogmaals tot een bolwerk des lands bestemd.“Sluis” of “Sluis in Vlaanderen” is onder den naam Lammensvliet ontstaan aan het Zwin en verkreeg in 1290 stadsrechten van Guy van Dampierre. Door visscherij, scheepvaart en koophandel wies de stad aan en in het begin der 15eeeuw bedroeg het aantal makelaars te Sluis reeds 87. Het dichtslibben van het Zwin bij Brugge en boven Sluis deed den handel verder benedenwaarts verplaatsen. Kooplieden en schepelingen uit alle landen van Europa ontmoetten toen elkander hier, en Sluis bloeide in het Bourgondische tijdperk zoozeer, dat de vorsten er dikwerf vertoefden en feestvierden.De haven van Sluis.De haven van Sluis.Isabella van Portugal, de bruid van Filips den Goede, toen graaf van Vlaanderen, kwam op Kerstdag 1429 te Sluis aan en werd hier door haar bruidegom opgewacht; volgens enkelen zou het huwelijk te Sluis zijn voltrokken. Margaretha van York, de zuster van den Koning van Engeland, kwam den 25enJuni 1468 met 16 schepen te Sluis binnen, waar zij door een stoet van aanzienlijken en haar bruidegom werd ontvangen; de ondertrouw had hier plaats. De bloeitijd van Sluis viel in het midden der 15eeeuw; destijds telde Sluis 7 markten, 69 straten, 2 parochiekerken, 3 openbare kapellen, 3 kloosters en tal van openbare gebouwen.De onrustige tijden aan het eind der 15eeeuw, de belegering in 1492, die eengroot gedeelte van de stad vernielde, den handel knakte, brachten den eersten slag toe aan Sluis. Het ondieper worden van het Zwin, waardoor groote schepen niet in de stad konden komen, deed het verdere, en in de 16eeeuw ging Sluis snel achteruit, zoodat geheele straten vervielen. De stad kwam aanvankelijk geheel onder Brugge te staan, en hoewel zij gedurende den opstand tegen Spanje meer zelfstandig werd, zich van Brugge afscheidde en zich bij de Unie van Utrecht aansloot, toch stond Sluis gedurende den oorlog en ook later als grensstad aan vele belegeringen bloot en nooit kwam zij tot haar ouden bloei terug. Het aantal bewoonde huizen en inwoners kromp in en in 1840 telde Sluis niet meer dan 257 huizen binnen de kom. Sedert is het aantal bewoners wel weder iets toegenomen, zoodat dit bedroeg 2300 in 1900, maar het is toch een rustig, stil landstadje gebleven, alleen kleinhandel op den omtrek drijvend. Van de eens zoo aanzienlijke haven is niets meer over dan een ligplaats voor de schepen in het kanaal naar Brugge. Zoo is Sluis een dood stadje geworden, met smalle straten. Het bombardement van 1794 verwoestte een gedeelte der nederzetting; de prachtige St. Janskerk geraakte in 1811 in brand en werd vernield en aldus zijn vele schoone gebouwen van Sluis te gronde gegaan.Het belangrijkste gebouw van Sluis is nog het stadhuis, in 1396 gebouwd, met zijn in den trant der Vlaamsche belfroits gebouwden toren, die zich trotsch verheft met zijn vier spitsen. Dit gebouw is gerestaureerd en in den oorspronkelijken toestand teruggebracht.Bij het uurwerk van den toren, in een der galmgaten, zetelt de oudste burger van Sluis, een houten beeldje, in 1424 vervaardigd, dat bij het slaan enkele tonen aangeeft en als “de klokman Jantje van Sluis” bekend staat.Al is Sluis in verval, toch getuigt menig geveltje nog van de ruime beurs, waaruit het eens is gebouwd.Een eenvoudige grafnaald op de begraafplaats van Sluis wijst de rustplaats aan van den bekenden geschiedvorscher en taalkundige, J. H. Van Dale, den 21enMei 1872 hier overleden, waar hij als onderwijzer werkzaam was. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, door Van Dale vervaardigd, is nog altijd een vraagbaak en draagt, hoe ook herzien, steeds nog zijn naam.Aan den buitenkant van Sluis ontwaart men op korten afstand over de bouwlanden een zwaren, stompen toren, die boven eenig geboomte en enkele huizen uitsteekt. Dat is de toren van St. Anna-ter-Muiden, eens ook havenstad van het vermaarde Brugge, doch thans slechts een gehuchtje.St. Anna-ter-Muiden is een zeer oud plaatsje, welks jaar van opkomst men niet kent; het is ontstaan aan de monding of samenkomst van een paar wateren met het Zwin, naar welke uitmonding het zijn naam kreeg. In 1241 werd dezeplaats verheven tot een smalstad met tol vrijheid. Toen het land aan de westzijde langzamerhand aanslibde, geraakte de stad verder van zee verwijderd. De bewoners verplaatsten nu hun huizen meer zeewaarts, doch bij brieven van 1445, gegeven door Filips van Bourgondië, werd hun dit verboden, omdat de vijand zich in oorlogstijd daarachter ging verschuilen bij de aanvallen op Sluis.Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.De haven van St. Anna-ter-Muiden in het Zwin was oudtijds hoogst belangrijk en de stad had een aanzienlijke visscherij. Doch in de 16eeeuw was de stad reeds in verval; Ter-Muiden was in 1650 bijna geheel afgebrand en werd grootendeels door de inwoners verlaten. Aan opkomst van het plaatsje viel sedert niet meer te denken en het verviel tot een gehucht, dat er arm, maar schilderachtig uitziet. Hoewel hier sinds eeuwen geen schepen meer gezien werden, sprak men tot voor kort nog van “de kaai”, als ware het een havenstad.Van Sluis richten wij ons naar het oosten en vervolgens naar het zuiden; over de vruchtbare landouwen zien wij eindelijk vóór ons, te midden van het geboomte, het stedeke Aardenburg verrijzen, dat algemeen bekend is in den lande door zijn beroemde verdediging in 1672.Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden,Uit bosch en beemden ’t hoofd omhoog,Ten sieraad dier bekoorlijke oorden,De lusthof voor des vreemdlings oog?Wie prijkt daar in die vruchtbre streken,Maar schier den strakken blik ontweken,Die langs de golvende akkers weidt,En toont ons, door ’t verblindend pralenVan vorstenhof en marmren zalen’t Bekoorlijk beeld der needrigheid?O, wandlaar! voor geen plaats op aardeWijkt die vergeten, kleine stad!Zij is een steen van hooge waarde,In Neerlands gloriekroon gevat;’t Is zij, die eens de slaafsche ketenMet forsche vuist heeft losgereten,Die ’t zuchtend vaderland omgaf;Zij dreef in ’t barnen der gevarenDen roem van Frankrijks legerscharenGrootmoedig van haar muren af.Aldus bezong P. Ph. de Kanter deze stad in 1835.Aardenburg doet zich kennen als een net stadje; het ziet er uit, of het pas uit een doosje kwam, zoo proper lijkt alles, en geen hout, dat ongeverfd is. Ook vindt men er menig sierlijk en met kosten gebouwd huis, zoodat de plaats, hoewel sedert lang geen havenstad meer, toch de welvaart niet ingeboet heeft. Een oude poort verleent toegang tot de hoofdstraat der stad. Het sieraad van Aardenburg is de prachtige St. Bavokerk, zeker een der fraaiste kerken van Zeeland, in middeleeuwschen stijl gebouwd, gelegen tusschen hoog opgaand geboomte. Het weeshuis met twee spitse gevels, uit 1631, valt terstond in het oog. Naar den buitenkant, aan een met olmen beplant plein, staat het raadhuis, een net gebouw, dat aan een villa doet denken.Aardenburg is een oude stad, die vóór de opkomst van Brugge van zooveel beteekenis was, dat zij als een der aanzienlijkste steden van Vlaanderen en als de hoofdstad der zeeplaatsen van dat gewest werd beschouwd. Zij had een haven, waarvan vermeld wordt, dat zij wel 600 schepen kon bevatten, terwijl haar wallen ongeveer 70 bunder besloegen. Belangrijk was de handel van Aardenburg, die o. a. op de Oostzee gedreven werd, en door de privilegiën, welke de graven van Vlaanderen aan Aardenburg schonken, werden Spaansche, Duitsche en andere kooplieden naar deze stad gelokt. Ook bloeiden er in de 12een 13eeeuw reeds wol- en lakenweverijen. Een kanaal, dat in de 13eeeuw naar zee werd gegraven, bevorderde den handel niet weinig.Doch oorlogsrampen, watervloeden, het dichtslibben van de haven vernietigden de welvaart der plaats, die van een havenstad in een landstad veranderd werd.In 1604 werd Aardenburg door Prins Maurits voor de Unie veroverd. De stad werd nu aanzienlijk versterkt en van bezetting voorzien. Na 1648 liet men de vestingwerken vervallen en in 1672 besloot men zelfs ze te sloopen. Op aanhouden der bewoners en der Zeeuwen werd dit nog uitgesteld. Doch toen de Franschen in dat jaar op den morgen van den 26enJuni voor Aardenburg kwamen met 8000 à 9000 manschappen was de stad schier zonder voorraad, waren de wallen niet versterkt en had men slechts vier bruikbare stukken. Terwijl de bezetting kort van te voren naar Sluis was vertrokken, scheen er voor deovergebleven 30 manschappen onder den vaandrig Elias Beekman en de 175 weerbare burgers, die op de been waren te brengen, geen kans op behoud.De Franschen besprongen in dezen hachelijken toestand de veste, vielen onder het geschreeuw: “sla dood, sla dood!” op de landpoort aan, maar door den dapperen Elias Beekman aangevoerd, werd niet alleen de aanval der Franschen afgeslagen, doch werden er zelfs 620 krijgsgevangenen gemaakt, waaronder 9 officieren, terwijl de Aardenburgers geen enkel man verloren. Evenals eens in Haarlem, hadden ook de vrouwen dapper medegewerkt tot het behoud der stad, Margaretha Sandra, huisvrouw van den voorzittenden schepen, zat met een hoop jongens op een stoep, om de kogels, die te groot waren, door te hakken, welke bij hoedenvol naar den wal werden gebracht. Zoo bleef de stad in dit ongeluksjaar voor Nederland behouden.Den roem dezer overwinning houdt men in Aardenburg hoog, en van Beekman zegt een dichter der stad:Uw roem, door moed en trouw verkregen,Blijve, als uw fiere heldendegen,Voor ’t laatste nageslacht bewaard,hierbij zinspelende op den degen van den vaandrig, die op het stadhuis berust. Het tweede eeuwfeest dier gebeurtenis, waartoe Tollens reeds opwekte,Dan loov’ men God en vier’ men feest,Opdat de naneef niet vergeet,Wat Aardenburg voor Neêrland deed,werd op 26 en 27 Juni luisterrijk gevierd.Aardenburg ligt in de schoonste kleistreken van Zeeuwsch-Vlaanderen.Het goud der koopmanswinsten op de stroomen is vervangen door de voordeelen, die de landbouw oplevert. Het stadje ligt echter nabij den zoom der zandgronden. Niet heel ver van hier, te St. Kruis en Eede, kunt ge reeds den overgang van den zwaren Zeeuwschen kleibodem tot den Vlaamschen, meer boomrijken zandgrond ontdekken.In de met zooveel zorg overal bebouwde akkers zult gij thans moeielijk de woeste wouden van Hulsterloo herkennen, waar de dichter den Reinaert-roman spelen laat. En toch zijn hier overal nog herinneringen aan dit gedicht levendig. Bij Aardenburg moet een schuur staan, welke “Malpertuis” heet, naar het kasteel van den slimmen vos, en onder Schoondijke, bij Waterlandskerkje, ligt het aloude gehucht Steenhove, een overblijfsel van het verdronken Elmare, waar Reinaert zijn zoogenaamden oom Isegrim aan het klokketouw bond, zoodat men in den omtrekZwoer,’t Was of de duivel òf zijn moer,Die de klok zoo geweldig deed gaan.HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800Naar J. C.Ramaer.Lith. Gebrs. Braakensiek, A’dam.Van Aardenburg begeven wij ons naar Oostburg, een plaats met een vriendelijk, niet onwelvarend voorkomen, die evenveel van Sluis en Aardenburg verschilt als deze twee plaatsen onderling. Op marktdag komt er in het stadje meer leven; dan ziet gij hier de stille, stijve, Zeeuwsche boeren met de vlugge, babbelende, blauwgekielde Vlamingen handeldrijven en menig “kapke” bier te zamen verschalken.Ook Oostburg is een zeer oude nederzetting, waar Eligius in het begin der 7eeeuw het evangelie predikte en waar de Noormannen plunderend doordrongen. Eens door den koophandel bloeiend als een volkrijke havenstad, ging het in den Spaanschen tijd sterk achteruit, en in 1673 werden de vestingwerken geslecht.Wij vinden geen tijd, om verder bij de historische herinneringen dezer plaats stil te staan.Door een landschap, dat de Zeeuwsch-Vlaamsche dichterboer Faro aldus schetst:Hier ziet men popels, daar abeelen,Ginds bloeiend vlas en golvend graanDoor zoele westenwindjes streelen,Of wieglend op en nedergaan.Waar eens bij ’t argloos rijzen, duiken,Het kroost der zee door net en fuikenEn raaf en meeuwen werd bespied,Stijgt nu de leeuwrik fier naar bovenEn ’t looverdak en bosch en hovenWeergalmt van ’t juublend lentelied,bereiken wij IJzendijke, eveneens een overoude nederzetting, waarvan reeds in 984 melding wordt gemaakt, die in de 12eeeuw onder de steden werd geteld, en in de 13eeeuw lid der Hanze was. Deze stad ging in de 14eeeuw grootendeels te gronde en het overgebleven deel werd in 1570 door overstrooming vernield.Doch ongeveer 800 meter zuidoostwaarts ontstond een nieuwe nederzetting, het tegenwoordige IJzendijke, in deze gewesten “Isendieke” genoemd.Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.Een welbebouwde straat voert ons naar de markt, een ruim, langwerpig plein, ingesloten door vele nieuwe gebouwen, maar eveneens eenige met trap- en puntgevels.Enkele dagteekenen nog uit den tijd, toen prins Maurits, na een beleg van zeven dagen, deze bijna onneembare vesting innam, 10 Mei 1604. Maurits deed dien voorburcht van Zeeland met geduchte versterkingen omringen. In Oct. 1830 deed het bendehoofd, Ernest Gregoire, de Belgische vlag hier op den toren plaatsen, maar spoedig daarna werd die weder door Nederlandsche troepen verwijderd. De vestingwerken zijn in 1842 voor goed geslecht.Belangrijke gebouwen vindt men er niet. De achtkante koepelkerk (Herv.), die spits toeloopt en in een peer eindigt, is een net gebouw van 1612, maar heeft weinig bijzonders.Ten N.W. hiervan ligt Schoondijke, eigenlijk Willemsdorp geheeten, een vriendelijke plaats. Tusschen de lage doch nette woningen zien wij hier en daar gezellige tuintjes, in den zomer kleurrijk door tal van pioenen, goudsbloemen en duizendschoonen, omsloten door met zorg geschoren palm- en taxisstruiken. De nederzetting ontstond in 1651 bij het bedijken van het tweede gedeelte van den Prins-Willempolder en werd aanvankelijk Willemsdorp genoemd, maar de herinnering aan de door overstrooming vernielde parochie Schoondijke was nog zoo levendig, dat men de nieuwe plaats aldus noemde.Van IJzendijke bezoeken wij het door Willem Beukelsz. algemeen bekende Biervliet, thans een dorp met verstrooide huizen. Biervliet was eens een bloeiende stad, waar aanzienlijke edelen en zelfs vorsten van tijd tot tijd, willig of onvrijwillig, vertoefden. Graaf Floris V werd hier een tijdlang door den Vlaamschen graaf Guy van Dampierre gevangen gehouden, en Keizer Karel V zou hier met zijn beide zusters op het graf van Willem Beukelsz. haring hebben genuttigd. Een straat in het vervallen, kleine plaatsje, kaai genoemd, herinnert nog aan de welvarende, machtige zeestad, wier krijgshaftige burgers hun landvorst naar “die landen van over zee” volgden, en de eersten zouden geweest zijn, die de banier met den zwarten leeuw van Vlaanderen op de wallen van Jeruzalem plantten.In de in 1660 gebouwde, nette kerk herinneren een paar overblijfselen van geschilderde glazen aan Willem Beukelsz., die als de uitvinder of verbeteraar van het haringkaken wordt beschouwd.Hiermede hebben wij den Braakman bereikt, die Zeeuwsch-Vlaanderen nog in twee gedeelten scheidt. Dit water heeft echter zijn besten tijd reeds gehad en voortdurend wordt het verkleind door vernieuwde inpolderingen. Het gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen ten W. van den Braakman wordt door de Zeeuwen veelal onder den algemeenen naam van “Land-van-Kadzand” aangeduid en de bewoners als Kadzandtenaars.Wij overzien ten slotte nog, vóór wij dit gebied verlaten, de kleederdracht der landbevolking, hoofdzakelijk in dezen geleid door Dr. de Man.De Kadzandtenaars zochten in de onrustige tijden, toen dit land veel door deSpaansche of door de Staatsche troepen te lijden had en later bij de invallen van de Franschen, dikwijls veiligheid op het eiland van Walcheren, om later naar hun woonplaats terug te keeren. De overeenkomst in godsdienstige opvatting en strengheid van zeden deed de Kadzandtenaars nader aansluiten bij Walcheren dan bij het zuidelijk Vlaanderen, waarvan zij door religie gescheiden waren. Daardoor had de Kadzandsche kleeding vroeger veel overeenkomst met die van Walcheren, hoewel een gedeelte in dit land ook Vlaamsche kleeding droeg.Toch bleven in het Land-van-Kadzand de Walcherensche invloeden niet overheerschend. De vele uitgeweken Walen, Franschen, Doopsgezinden en Salzburgers, welke zich hier van lieverlede met de oorspronkelijke bewoners verbonden, terwijl men er tevens veel Katholieken vond, waren oorzaak, dat de bevolking zeer gemengd werd. Wel bleef de grondtrek lang iets Walcherens behouden, doch de invloed van het Belgisch-Vlaamsche neemt hier in de laatste halve eeuw sterk toe wegens de nadere aanraking met België, en doordien het grondbezit voor een groot gedeelte in handen van Belgische heeren is gekomen. Het Walchersche karakter der kleeding is daardoor verloren gegaan.Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.De kleeding der mannen in het Land-van-Kadzand is geheel burgerlijk geworden. De vrouwenkleeding heeft er nog iets eigenaardigs en is niet Zeeuwsch en niet Vlaamsch, hoewel het eenvoudige, stemmige aan het Walchersche herinnert. Over ’t geheel komen de kleeding en mutsen der vrouwen wel iets overeen met die der vrouwen in Overijsel, bij Zwolle. Vroeger had de echte Kadzandsche muts een door karkas rondom het gelaat en ook om de kin gespannen, breeden rand, welke wijd van de wangen af stond. Thans is de muts veel enger, de rand veel smaller en veranderd in een ouderwetsche Hollandsche neepjesmuts, zooals die voor een halve eeuw bekend was. Vroeger droegen de vrouwen hoeden, doch thans ook niet meer.Van krullen en strikken of van een beugel rondom het hoofd is geen sprake. De ooren zijn vrij en men hangt er lange sieraden in, die men bellen noemt; het zijn puntbellen van nieuwerwetschen vorm en van goud. Het jak der vrouwenis stemmig, veelal donkerbruin van kleur, en wordt van voren zonder eenige elegantie zoo hoog mogelijk tot den hals gesloten. Het onderstuk, de schoot, dien men in Kadzand het “zet” noemt, is buitengewoon lang; de beuk ziet men in ’t geheel niet. Een satijnen schort wordt hierbij gedragen, en hoewel de rokken niet zoo talrijk zijn als op Walcheren, kan men toch aan de vrouwenfiguren zien, dat men die meer in aantal draagt dan noodig is tot bescherming tegen de koude.Wij wenden ons thans naar het oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. De ruimte verbiedt ons, lang te verwijlen bij dit gewest. Wij zullen er daarom meer een overzicht van nemen dan in een gedetailleerde beschrijving treden, en bezoeken slechts kortelijk enkele plaatsen.Op de smalle landstrook, die ten Z. van den Braakman nog tot Nederland behoort, ligt het visschersplaatsje Philippine (mosselen en garnalen), eens een vesting, thans niet meer dan een armoedig dorp met veel herbergen. Als eenmaal de Braakman geheel is ingedijkt, wat in een niet ver verschiet het geval moet zijn, zal de visschersbevolking zich van hier moeten verplaatsen.Zoo komen wij ten O. van den Braakman.Het westelijk gedeelte van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen wordt veelal aangeduid als het Land-van-Axel, waartoe ook Ter-Neuzen en Zaamslag behooren, het overige als het Land-van-Hulst. Het valt al spoedig in het oog, als wij het Land-van-Axel doorwandelen, dat de bevolking zich in kleeding, gewoonten en denkwijze onderscheidt van die in het 4eDistrict, maar eveneens van die van het Overkwartier en het Land-van-Hulst. In het oogvallend is in vele opzichten de overeenkomst van de bevolking in het Land-van-Axel met die op Walcheren. Dit verschijnsel valt te verklaren uit de geschiedenis. In het Land-van-Axel kende men slechts één kerk, en wel de oud-Hervormde, doch vroeger gewijzigd door de gestrenge Walcherensche artikelen, en men was er dus kerkelijk in overeenstemming met dat eiland. Verder behoorde het Land-van-Axel in den tijd der Republiek tot het zoogenaamde “Committimus”, een gebied in Staats-Vlaanderen, waar Gecommitteerde Raden van Zeeland het hoogste gezag hadden en Zeelands hoofdstad den toon aangaf, terwijl de Generaliteit elders heerschte.Hierdoor vond men in Axel oudtijds navolging van de Walchersche kleeding, van geloofsijver, van kerkelijke tucht, enz. en toen het aan de zijde der Staten gekomen was, ook afscheiding van het naburige Land-van-Hulst, dat meer Katholiek bleef. In het Land-van-Axel vindt men strenge orthodoxie, die zich scherp onderscheidt van het Katholieke element en ook in kleeding en gebruikendaarvan afwijkt. De Axelaar wil geen Vlaming zijn: hij wil blijven, wat hij was, en heeft daardoor van zijn oud-nationale kleeding nog veel bewaard. Wij leeren de Axelsche kleeding kennen door de voorbeelden op degekleurde plaat. (Zie ook de fig. op pag.176).De mannen hebben de oude kleeding niet zoo goed bewaard als de vrouwen; toch hebben wij daarvan op de plaat nog een voorbeeld. De Axelaar had vroeger, als alle Zeeuwen, zijn knoopen en broekstukken, zijn gebloemden hemdrok, zijn signetten en cachetten, zijn pijpekot en zijn gespen. Fluweel was hier veel meer in gebruik dan op Walcheren, en omdat het een rijke streek was, waren de sieraden er grooter. Veel er van wordt door de erfgenamen bewaard, maar niet gedragen; het ronde hoedje wordt door een pet vervangen, maar de ernst van het karakter en het uiterlijk blijven nog dezelfde als voorheen. Vroeger was het des Zondags aan den hoed te zien, of men een gewoon mensch dan wel een magistraat voor zich had.De Axelsche boerenmeisjes, vooral de gegoede boerendochters, zijn nog eigenaardig gekleed (zie 6, 7, 12 en 13 dergekleurde plaat). De hooge schoudertoppen, waartusschen het hoofd als is weggezonken, herinneren min of meer aan de kleeding in den tijd van vader Cats, en het geheel dezer vrouwendracht doet denken aan de rijke, maar stijve kleederen der Spanjaarden. Waar de Axelsche kleeding vandaan komt en wanneer deze is ingevoerd, weet men niet. Op de hofsteden wordt de oude kleeding nog gedragen door de meisjes; in de grootere plaatsen, als Axel en Ter-Neuzen, is de gewone burgerkleeding al meest ingevoerd.Gaan wij enkele deelen dier kleeding nog nader na. Vroeger droeg men hier een stijve Walcherensche muts, en onder den arbeid doet men dat nog, een herinnering aan de betrekking tusschen beide gewesten. In de dorpen en steden dragen de meisjes thans reeds mutsen, overeenkomende met die op Tolen of Schouwen, terwijl overigens de kleeding burgerlijk is.De oude Walcherensche versierselen worden nog door de landmeisjes gedragen, maar de vormen zijn anders en rijker. De “naelde” van vroeger is afgeschaft, maar de Walcherensche krullen ziet men hier weder. Zij staan loodrecht en worden veel hooger gedragen, niet naast, maar boven de oogen. Naast de krullen schitteren bij ongehuwden twee prachtige spelden of knoppen, zooals men ze niet op Walcheren, maar wel op Tolen ziet; zij zijn van goud, met of zonder pareltjes er bij. Aan de krullen hangen geen bellen, zooals bij de dames in de steden, maar andere “hangers”, die prachtig en zeer groot zijn, met steentjes of parelen. Men spreekt hier ook van “strikken”, zooals men op Walcheren gewoon is te dragen. Uit alles blijkt, dat de landman hier in den regel ruimer met aardsche goederen gezegend is dan de Walcherensche boer, en dat men, bij allen eenvoud des gemoeds, toch gaarne zijn rijkdom laat uitkomen door een soliede weelde.De beuk en het doekje, die wij vroeger bij het Land-van-Goes als eigenaardig voor de Zeeuwsche kleeding beschreven, vindt men ook hier terug, maar prachtiger. Het is Vlaamsche sier, die met Zeeuwschen eenvoud vereenigd is, zegt Dr. de Man. Het doekje is echter een doek geworden, hoewel geen omslagdoek, maar een stuk, dat bij jak en beuk tehuis behoort.De beuk wordt door de meisjes zelf gemaakt. Zij zijn hier echter niet, zooals op Walcheren, gesteld op zuiver wit voor Zondagsche kleeding, maar houden meer van kleuren, waaruit eenigszins een zuidelijker aard spreekt. De beuk is wel dikwerf wit, maar wordt dan toch nog door levendig gekleurde koralen versierd. De koralenversiering neemt van Walcheren af naar het oosten en zuiden toe. Op Walcheren vindt men aan de beuk somtijds een rand van glasheldere koralen; bij de Nieuwlandsche meisjes komen die al meer voor en de Roomsch-Katholieke meisjes op Zuid-Beveland dragen reeds boven de beuk een kraag van gekleurde koralen. Doch Axel gaat in dezen het verst.Zuiddam te Axel.Zuiddam te Axel.De doek tusschen beuk en jak is een voornaam deel van de vrouwenkleeding alhier, evenals in andere streken van Zeeland. Doch die doek wordt in Axel anders gebruikt. Voor de meisjes uit Axel moeten de doeken afzonderlijk geweven worden en zij kosten dan ook wel 25 gulden. Zij hebben, uitgespreid, een oppervlakte van een vierkanten meter. De doek wordt geweven van gekleurde zijde en die kleuren moeten echt sprekend zijn, terwijl een groote bloem met randen of rosetten moet uitkomen. Hij versiert niet alleen boezem en rug, maar geeft door de plooien met hooge schouders, die verder worden aangevuld met een onderstuk, een zeer eigenaardig postuur aan de vrouwengestalte, dat voor Axel kenmerkend is. De opspitsende schouders schijnen in de laatste halve eeuw in hoogte te zijn toegenomen.De rokkenomvang der vrouwen van Axel herinnert aan dien van Walcheren, is zelfs nog grooter. De wijd uitstaande buitenrok is hier altijd zeer stijf, zwart moiré, mooi opgelegd met een rand van gebloemd fluweel van scherpe, sprekende kleuren. Een rood baaien rok vormt gewoonlijk nog een van de vele, die zij dragen. De schort is bijzonder groot en omsluit al die rokken bijna geheel; denaam “voorschoot” past er dan ook niet voor. Zij is van gekleurde zijde, afgezet met blauw of ander lint, en om haar vast te binden gebruikt men veelal een breeden, doorgaans gekleurden, op fluweel gehechten band, die van voren goed te zien is.Het Land-van-Hulst was oudtijds afgescheiden van het Land-van-Axel door het Hellegat, eens een breede waterarm van Hulst naar het noorden, doch die in 1845 binnen enger grenzen werd gebracht. Dit water bewerkte een scheiding tusschen de bewoners aan beide zijden, welke ook hierdoor bevorderd werd, dat Axel meer met Walcheren en Gent in betrekking kwam, Hulst meer met Noord- en Zuid-Brabant en het nabijgelegen Antwerpen.De bewoners van het Land-van-Hulst zijn grootendeels Katholiek; alleen in de noorderstreek vindt men nog enkele Protestanten. Het Hulsterland vormt derhalve meer een overgang naar het Belgische.Al is er in Hulst nog wel iets eigenaardigs in de kleeding overgebleven, waardoor de vrouwen uit het Land-van-Hulst zich van die uit de overige gedeelten van Zeeuwsch-Vlaanderen onderscheiden, toch gaat het eigenaardig landelijke en ook de Hulster kleederdracht meer en meer verloren. In de plaats Hulst ziet men alleen de stedelijke kleederdracht. Verschil in kleeding tusschen Protestanten en Katholieken bemerkt men hier niet.Vrouwen uit het Land-van-Hulst.Vrouwen uit het Land-van-Hulst.De vrouwenmuts in het Land-van-Hulst, van fijne kant vervaardigd, gelijkt niet op de mutsen, elders in Zeeland gedragen, maar komt meer met de Noord-Brabantsche overeen; bij beide daalt de kant naar beneden en van achteren komen de vleugels of slippen wel bij elkander, maar eenvoudig tot den hals en niet met een lange strook langs den rug. Onder de bovenmuts wordt een zwart zijden ondermutsje gedragen, veel in kleur en stof verschillend van de Walcherensche en Goesche muts. De muts wordt naar het zuiden meer Brabantsch, zoodat men den overgang kan waarnemen. Bij de mutsen gebruikt men een weelde van spelden als nergens anders; bij haar toilet gebruikt het Hulster meisje alleen voor haar muts wel 300 à 400 kleinemutsenspelden. Het haar, dat iets donkerder is dan op Walcheren, wordt door de vrouwen in een scheiding gedragen. Oorijzers of beugels met krullen of boeken aan beide zijden van het hoofd draagt men hier niet; dit wijst er op, dat de Hulstenaars niet van dezelfde afkomst zijn als de Zeeuwen. Het haar dragen zij zonder bellen, naalden of andere sieraden, maar bellen dragen zij wèl in de ooren.Van de aanzienlijke plaatsen in dit gewest wijzen wij op Sas-van-Gent, gebouwd aan een sluis of sas aan het einde der vaart, die de Gentenaren met vergunning van Filips II in de 16eeeuw hebben gedolven van Gent naar het Sassche Gat, om hierlangs een kortere vaart naar de Wester-Schelde te verkrijgen. Doch door de dichtslibbing van het Sassche Gat en de daarop volgende bedijking kwam Sas-van-Gent in het midden van het land te liggen, waardoor de plaats in bloei achteruitging. Zij leefde echter weder op na het graven van het Kanaal-van-Gent naar Ter-Neuzen in 1826. Door zijn ligging aan de grens heeft Sas-van-Gent veel fabrieken. Het is een nette plaats.Aan het noordelijk einde van dit kanaal ligt Ter-Neuzen, een havenstad aan de Schelde, nog altijd met vestingwerken. De stad heeft haar bloei te danken aan het Kanaal van Gent.Axel is een oud plaatsje, dat reeds bloeide in de 9eeeuw, doch thans niet meer is dan een klein plattelandsstadje.Hulst is een aanzienlijk en ruim gebouwde plaats, met luchtige straten, welke meest op de markt uitloopen. De door kastanjes beschaduwde markt is omringd door nette huizen en aan het marktplein verrijst het stadhuis met vierkanten toren, die in drie achtkante omgangen uitloopt, terwijl een hooge, hardsteenen pui, met wapens in hardsteen, aan den voorkant, toegang geeft tot de vestibule.Hulst heeft een fraaie Gothische kruiskerk, met houten toren op het kruis.Ook Hulst is een oude stad, die in de 12eeeuw al bloeide en ontstaan is om een burcht nabij de voormalige Asscherpoort. In 1618 werd Hulst in een sterke vesting herschapen, doch na 1795 werden de verdedigingsmiddelen niet meer onderhouden. De stad bloeit thans door het marktverkeer; zij staat in nauwer betrekking tot Antwerpen dan tot Nederlandsche steden.Wij nemen hier afscheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, gaan per tram naar Walsoorden, varen hier weder over de Schelde, wandelen naar het station Hansweerd om verder te reizen naar het vasteland en vervolgens onze wandelingen door Nederland in Noord-Brabant voort te zetten.

Door Zeeuwsch-Vlaanderen.Nu wij de Zeeuwsche eilanden bezocht hebben, begeven wij ons van hier naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Wij zullen de boot nemen van Vlissingen naar Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen vervolgens van het westen naar het oosten doorwandelen, om daarna van Hulst naar Walsoorden aan de Schelde het land nog eens dwars te doorsnijden, de Schelde weder over te gaan met het veer naar Hansweerd, om van hier binnen enkele minuten den spoorweg van Zuid-Beveland weder te bereiken.Voor hem, die de breede Schelde niet wil overvaren, is er geen andere gelegenheid, om in Zeeuwsch-Vlaanderen te komen, dan over Antwerpen en van daar over St. Nicolaas met den trein naar Hulst te reizen en zoo verder. Wie ten W. van den Braakman wil zijn, moet over Gent reizen, vervolgens naar Eecloo of Maldeghem, om hier een tram te kiezen.Wij begeven ons weder naar Vlissingen, gaan daar aan boord van een boot en bevinden ons weldra op de breede Hont of Wester-Schelde. Het bevaren van de Schelde heeft iets grootsch en indrukwekkends. Dat aan deze breede watervlakte de naam is gegeven van de rivier, welke België doorstroomt, is in strijd met de natuurlijke geschiedenis van het land. Want wij bevinden ons in werkelijkheid op een inham der zee, een schepping van de zee, waar de oceaan zijn zoute wateren bij elken vloed nog in uitstort en als een zware, rijzende golf voortstuwt tot bij Antwerpen, om daarna, vereenigd met het water, dat de Schelde afvoert, terug te keeren. De rivier de Schelde eindigt eigenlijk ongeveer daar, waar zij de Nederlandsche grens bereikt, ten einde hier in den inham, welken de zee heeft geschapen als om de rivier tegemoet te gaan, uit te monden. De oudere schoolgeographen, die als één van de drie hoofdrivieren van Nederland ook de Schelde noemden, eischten voor ons land iets op, wat Nederland niet toekomt, omdat de Schelde als rivier bijna geheel Belgisch is; wij nemen enkel haar rivierwater over en niets meer.Achter ons begint Vlissingen langzaam weg te nevelen en aan den overkant van de Schelde zien wij de vage massa van struiken allengs aangroeien en zich vervormen tot stammen. Tal van witte zeilen zwieren lustig om ons over de zacht deinende watervlakte. Zoo hier en daar stijgt de zware rookzuil op van een groot stoomschip, dat zijn ladingen uit verre landen aanvoert naar of afvoert van Antwerpen, de eerste koopstad der Schelde. De groote buitenlandsche stoombooten worstelen en stampen tegen den ebstroom, en strepen van schuimend kielzog wijzen nog lang den weg aan, dien zij hebben afgelegd. Tusschen die vaartuigen door laveeren een paar loodskotters, die zee kiezen, om den schepen den weg te wijzen naar en door de Schelde, te midden van de gevaarlijke banken.Wij vorderen meer en meer; de kerktorens, huizen en boomen van Walcherens zuidpunt duiken weg aan den horizon, en uit den blauwgrijzen, nevelachtigen band, welke, van Vlissingen gezien aan de overzijde lucht en water scheidde, ontwikkelt zich langzamerhand duidelijk de hooge dijk, waarboven een toren, roode daken, enkele boomen en scheepsmasten zichtbaar worden. Onze vaart heeft ongeveer een half uur geduurd; thans zijn wij voor de haven van Breskens. Als de stoomboot door het water binnen kan loopen, komen we zonder moeite aan wal, doch als het lage water ons noodzaakt, om aan het hoofd uit te stappen, hebben wij een moeielijke wandeling over de ongelijke steenen der zeewering, glibberig door de overstrooming van het vloedwater.De zeemondingen van het delta-land hebben een eigenaardige bekoring door de voortdurende afwisseling, welke zij in hun uiterlijk aanbieden bij het dagelijksch spel van vloed en ebbe. Hier, in de Wester-Schelde, is het verschil in waterstand nogal aanzienlijk en het neemt van den mond tot dicht bij Antwerpen in grootte toe. Te Vlissingen en Breskens bedraagt het gemiddelde verval van den waterstand bij de getijden 36 d.M. (bij springtij 46 d.M.), te Terneuzen 39 (bij springtij 49), te Bath 44 (bij springtij 51) en te Antwerpen 43 d.M. Door deze groote rijzing van het water bij vloed is de Schelde zoo ver in het land voor groote schepen bevaarbaar.Gedurende laagwater vormt de Schelde een reeks van uitgestrekte, zonnig grijze vlakten, tijdelijke rustplaatsen voor tienduizenden blanke zeevogels, meer of minder in blinkende schittering gehuld, naarmate de eb lager afloopt. Golvende, zilveren banden, van onregelmatige breedte en vorm, doorsnijden die platen langs de diepere geulen en met zijarmen strekken die zich uit, als om enkelen kleinen meertjes, op de banken verstrooid, de hand te bieden in hun eenzame verlatenheid, bijna afgezonderd van de zee.Slechts kort duurt die toestand, want na een kwart etmaal rijzen de wateren weder, eerst schuchter, als om de eilanden onmerkbaar en spelend te naderen,en straks met meer kracht, als om ze te bestormen. Aanvankelijk nemen de golven de buitenwerken veroverend in; verder doen zij bij hoogen vloed de banken, gorzen en schorren weder verdwijnen door het overwinnend heir van de steeds krachtiger aansnellende legerscharen der golven, die over het overwonnen land met huppelenden pas voortijlen naar de bolwerken langs den oever, welke hun, dank zij den verdedigingswerken onzer waterstaatsofficieren, het “tot hiertoe en niet verder!” toeroepen. Dan worden deze groote, breede ruimten één uitgebreide watereenzaamheid, één geluidlooze ruimte zonder omlijning, zonder eenig houvast voor het oog.Op dit oogenblik strekt de Schelde zich nog in haar volle uitgebreidheid, doch kalm en rustig, uit. Maar wild en onstuimig kan ook die waterarm worden, dreigend en jagend. Als de westenwind uit zee komt aangieren en de golven doet schuimen, bruisen en koken met donderend geraas, waar zij met de banken in strijd komen; als de zwellende vloeden in woedend geweld tegen elkander opsteigeren en, hier in de nauwte doorgedrongen, tot bergen van water en hooge kruinen van schuim opdrijven, dan dreunen de dijken bij de zware aanvallen en mokerslagen van hun machtigen vijand, dien zij trachten tegen te houden.Als wij te Breskens voet aan wal zetten, krijgen wij door de indrukken der plaats en van het volk bijna onmiddellijk een gevoel, of wij in een vreemd land zijn. Wel hooren wij nog de Nederlandsche taal spreken, maar zij is met zooveel vreemde elementen vermengd, dat men daarin buitenlandsche invloeden onmiddellijk kan ontdekken. De bouw der woningen, de inrichting der nederzettingen, de namen der herbergen, de “estaminets”, de kleeding, schier in alles bemerken wij iets, dat Zeeuwsch-Vlaanderen van het overige Nederland onderscheidt.Zeeuwsch-Vlaanderen is dan ook een “achterhoek van den overkant”, zooals Nagtglas het noemde; het vormt een overgang tot het Belgische Vlamenland en behoort er geographisch nader toe dan tot Zeeland. Toch bestaat er in het volkseigene dier beide streken nog groot verschil, dat men spoedig opmerkt, als men over de grenzen naar België gaat. Men vindt in het Belgische niet alleen overheerschend een anderen godsdienst, andere kleeding, andere volksgebruiken en gewoonten, maar ook een andere taal, een taal, zoozeer afwijkend van het Zeeuwsch-Vlaamsche dialect, dat de Zeeuw, die in Zeeuwsch-Vlaanderen een zusterspraak hoort, welke hij terstond herkent, waarmede hij zonder eenige moeite spoedig vertrouwd is, de taal over de rijks-grens als een vreemde taal beschouwt, grootendeels voor hem onverstaanbaar. Dit verschil is zeer in ’t oogvallend, omdat beide gedeelten niet door een natuurkundige grens van elkander gescheiden zijn, maar geographisch in elkander overgaan, terwijl er een dagelijksche aanraking tusschen beide gedeelten plaats heeft, thans nog bevorderd door spoorwegen,kanalen, trams, enz. Daarenboven is dit verschil opmerkelijk omdat vóór een viertal eeuwen het volk aan deze en gene zijde van de tegenwoordige staatsgrens één was. Het oude Vlaanderen strekte zich uit tot de Wester-Schelde, en in dien tijd bestond ook dat taalverschil niet, zooals blijkt uit de geschreven stukken der 16eeeuw. Wij hebben hier dus het verloop van een scheidingsproces in historischen tijd op te merken, waardoor een volk, één van afkomst, verdeeld werd. Doch bovendien heeft in het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen de invloed van een binnenlandsche kolonisatie gewerkt, die hier volkselementen uit het overige Zeeland aanbracht, welke met het bekende conservatisme, den Zeeuw eigen, hun dialect, gewoonten en kleeding ten deele bewaarden, maar onder den invloed van het Vlaamsche toch eigenaardig ontwikkelden.Het West-Vlaanderensche en het Zeeuwsch-Vlaanderensche (bijv. in het district van Sluis) zijn zeer verschillende dialecten. Waaruit is het verschijnsel te verklaren, dat o. a. in het gebied van Sluis de volkstaal met het Walcherensche dialect meer overeenkomst heeft dan met het West-Vlaamsche?Niet onwaarschijnlijk werd de Zeeuwsche invloed in ouden tijd ook al tot ten zuiden van de Schelde uitgebreid, zooals o. a. hieruit valt af te leiden, dat de Zeeuwen in 1180 Damme bedijkten. Maar de invloed der Zeeuwsche taal, hoewel misschien op het eiland Kadzand het best bewaard, moest door het leven der bevolking met en in Vlaanderen wel verloopen, en uit de geschreven stukken der 16eeeuw valt overeenkomst in dialect tusschen Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen af te leiden, gelijk wij zeiden.Na dien tijd evenwel werd de scheiding voltooid. Tijdens den Spaanschen oorlog vluchtten vele bewoners om den wille van den godsdienst uit Vlaanderen naar Walcheren, hielden daar langen tijd verblijf en brachten, van daar terugkeerend, natuurlijk de taal mede, die zij er hadden aangenomen. Zelfs werd uit het Walcherensche de vrouwenkleeding gedeeltelijk overgenomen en de ouderwetsche zeden in westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen hebben daarmede ook de meeste overeenkomst.De invloed der staatkundige vereeniging met Noord-Nederland deed zich vervolgens in Staats-Vlaanderen gevoelen. Van West-Vlaanderen was men gescheiden, doch met Zeeland stond men door handel, rechtsbedeeling, godsdienst, bloedverwantschap en omgang in de nauwste betrekking. Daarenboven vestigden zich vele Zeeuwen in Staats-Vlaanderen. Dit alles werkte samen, om hier den Zeeuwschen tongval de overhand te doen verkrijgen, en deze werd de grondslag van de zich ontwikkelende taal.Maar toch, het Zeeuwsch was er niet zuiver, want in Staats-Vlaanderen vestigden zich ook vele vreemdelingen, die hun eigenaardige taalelementen oplosten in het Zeeuwsche. Franschen, Walen, Luikenaars en Salzburgers kwamen hier aan. Door hun invloed werd de taal gewijzigd. “De taal is eenZeeuwsch gebouw, op een Vlaamschen grondslag omhoog gerezen, dat hier een uitheemschen vorm heeft aangenomen,” zegt de heer H. Q. Janssen, die deze dialecten goed kende.Gaat men de dialecten meer in bijzonderheden na, alsmede de nationale kleeding, dan zijn er drie gedeelten in Zeeuwsch-Vlaanderen te onderscheiden. Het westelijk gedeelte, ten W. van den Braakman, heeft een Vlaamschen grondslag, onder Zeeuwsche invloeden gewijzigd; het Land van Axel, ten O. van den Braakman, is meer Zeeuwsch getint, en het ten oosten daarvan gelegen Land-van-Hulst is meer met Brabant en Antwerpen verwant. Wij komen later hierop terug.In de eerste plaats een blik op de geschiedenis des bodems en der bewoners.Het is geen gemakkelijke taak de veranderingen van Zeeuwsch-Vlaanderens bodem en wateren in historischen tijd na te gaan, en wij willen dit ook geenszins beproeven. Daarvoor is buitengewone locale kennis noodig naast studie van de bronnen. Wel zijn er kaarten van het oude Zeeland en ook van Zeeuwsch-Vlaanderen geconstrueerd uit gegevens, welke men aan de geschiedenis ontleende, doch dikwijls liet men zich daarbij ten deele leiden door onbewezen gissingen. De voorstelling, welke Ab Utrecht Dresselhuis in zijn kaart van Zeeland omstreeks 1200, gegeven heeft van Zeeuwsch-Vlaanderen, wordt op vele gronden als onjuist beschouwd.Wij hebben voor dit werk een historische kaart laten reproduceeren van Zeeland naar een voorbeeld, dat een copie is van Lieven van Thuyne, gemaakt volgens een kaart, die van 1288 heet te zijn. De echtheid dezer kaart wordt door enkelen bestreden, door anderen verdedigd. Geheel juist is ook deze kaart zeker niet, maar wij meenden haar toch te moeten overnemen, om daarmede, zij het ook niet in details nauwkeurig, toch een algemeen beeld van den vermoedelijken toestand van oud-Zeeland te geven. Voor Zeeuwsch-Vlaanderen schijnt ons deze kaart juister dan die, welke Dresselhuis ontwierp; voor de overige gedeelten heeft die van Dresselhuis misschien meer waarde.Zonder nu in bijzonderheden te treden, gelooven wij ons Zeeuwsch-Vlaanderen, evenals het overige gedeelte van Zeeland, vóór den aanvang onzer jaartelling te moeten voorstellen als een laag kustland, van onderscheidene waterarmen doorsneden, maar toch over ’t geheel droog gelegen. De lagere waterstand der zee, welken wij reeds vroeger aannamen voor dien tijd, geeft ons grond tot een dergelijke veronderstelling. Daardoor was dit kustland bijzonder gunstig gelegen voor de eerste scheepvaart en had zich hier in de eerste eeuwen onzer jaartellingreeds een bevolking gevestigd, die, evenals op de kustplaatsen van Zeeland (Domburg enz.), tot een hooge welvaart was gekomen.De waterarmen in het kustgebied waren meest niet zoo breed als later, het Zwin misschien uitgezonderd. Het Zwin was een waterarm, die van den mond der Wester-Schelde in zuidelijke richting zich tot Brugge uitstrekte, waar het een natuurlijke haven vormde, terwijl onderscheidene smallere zij-armen er mede waren verbonden. Vóór 1180 vloeide het zeewater tot Brugge, doch dewijl deze stad gevaar liep van overstroomd te worden, versterkte men den afsluitingsdijk, die een uur beneden Brugge liep, en de stad aan dien dijk, Damme, werd daardoor de voornaamste haven van dit gewest. Aan het Zwin hadden zich ook andere nederzettingen gevormd: o. a. Sluis, Oostburg, e. a. Toen het Zwin als een doodloopend water, waarin de vloed opliep, om daarna terug te keeren, in den lateren tijd meer en meer dichtslibde in den bovenloop, werd de handel vervolgens naar Sluis verplaatst, gelijk wij zien zullen, terwijl ook deze plaats later een landstad werd.Het Vlaamsche kustland, ten Z. langs de Schelde, werd al vroeg bewoond; hier begon St. Amand in het begin der 7eeeuw met St. Eloy de evangelieprediking, en in dien tijd bestonden Oostburg en Aardenburg reeds. De evangeliepredikers stichtten hier onderscheidene kloosters. Van het leggen van dijken en het inpolderen wordt niet gesproken vóór ± 1100, toen de genoemde dijk bij Damme gelegd werd. Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat in die eerste eeuwen het leggen van zware dijken niet noodig was, evenmin als in Holland, zoodat er enkel lagere kaden werden aangetroffen.Toen evenwel de rijzing van het niveau der zee na de 10eeeuw zich langs de geheele kust openbaarde, die in het noorden de Zuiderzee deed ontstaan (zie I pag. 14 en 341), nam ook hier aan de kust de landvernieling aanvang. Langs de waterarmen, misschien wel door lage kaden omringd, spoelde het slappe land weg en het water drong er dieper in door. Aldus loste Zeeuwsch-Vlaanderen, voor zoover de bewoners door het leggen van dijken er geen voldoenden tegenstand aan boden, zich op in onderscheidene eilanden, door breede wateren gescheiden. Dit proces zette zich voort tot de 16eeeuw en deed heel wat land teniet gaan. Het Zwin werd breeder, hoewel tevens in het zuiden langzamerhand ondieper; de Braakman vormde zich tot een woest water (± 1440), het Land van Saeftinge in het oosten verdween in de golven (bij onderscheidene vloeden in de 16eeeuw); het Hellegat werd een breede inham, enz. In dien strijd werd de gedaante van het land geheel veranderd en weken de bewoners terug voor het water, terwijl de onrustige oorlogstijden der 16eeeuw niet de noodige zorg deden besteden aan het onderhoud van de verdedigingsmiddelen voor het land.Doch na die woeste overwinningen der zee begon weder de aanwinst vanland. Toen het proces der landvernieling gestaakt werd, toen de bevolking tot eenige rust kwam en de dijken werden aangelegd of versterkt, terwijl alleen enkele binnenwateren met de zee in betrekking bleven, voerde het vloedwater bij elk getijde nieuw slib aan, dat in die doodloopende wateren bezonk. Sliklagen vulden de binnenwateren op, en vroeger goede havensteden als Damme en Sluis konden weldra niet meer bereikt worden door de schepen uit de zee.De ontwikkelende landbouw maakte zich meester van de aanwassen, om het verloren land te herwinnen, en zoo werd Staats-Vlaanderen in een gebied met aaneengesloten bedijkingen veranderd. Het vroegere Zwin, waar oudtijds zulk een aanzienlijke handel gedreven werd, waarvan Maerlant getuigt in de Wapene Martijn:“Al waert al dijn, dat comt in ’t Zwin,Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;”waar in 1340 voor Sluis een zeeslag geleverd werd, bij welke de Fransche vloot, 123 zeilen sterk en met 40000 koppen bemand, door de Engelschen overwonnen werd, aangevoerd onder koning Eduard in persoon; waar in 1484 aartshertog Maximiliaan met wel anderhalf honderd schepen binnenliep, is langzamerhand geheel verdwenen. In 1648 werd het uit naijver der provinciën afgesloten, waarna het door opgroeiing en inpoldering steeds verkleinde. In 1872—73 verdween het laatste gedeelte door de bedijking van den Willem-Leopoldpolder. Nog in onzen tijd zet die arbeid van landaanwinst zich voort; in den Braakman en in het Land van Saeftinge hadden de laatste inpolderingen plaats.Zoo is Zeeuwsch-Vlaanderen van een handelsgewest met bloeiende koopsteden en levendige zeevaart in den loop der laatste vier eeuwen een landbouwstreek geworden. De steden hebben daardoor veel van hun beteekenis verloren, doch het land is er bij vooruitgegaan. Door de herhaaldelijk nieuwe ingepolderde landen kwam er grond beschikbaar en vestigden zich hier ook kolonisten van Zeeuwsche eilanden, zelfs uit vreemde landen. Dit had ten gevolge, dat men er tegenwoordig nog zooveel volkselementen kan opmerken, die niet zelden van polder tot polder verschillen in godsdienst, zeden, gewoonten en kleederdracht.Staatkundig heeft Vlaanderen in de oudheid een groote beteekenis gehad. Men verstond daaronder in de latere middeleeuwen het graafschap, dat ten N. grensde aan de Noordzee en den mond der Schelde, zoodat het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot het graafschap Vlaanderen behoorde en de Schelde de grens ervan uitmaakte. Verder vormden in het O. het markgraafschap Antwerpen, het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen de grens, in het Z. Henegouwen, het graafschap Artois en een gedeelte van Picardië, en in het W. de Noordzee. In den tijd van Lodewijk den Vrome had Vlaanderen reeds eenzekere, doch beperkte uitgestrektheid verkregen en kwam het als een afzonderlijk land voor. Als zoodanig wordt het vermeld in het voorschrift, dat Lodewijk gaf omtrent de verdeeling van zijn landen in 838. Een streek bij Brugge komt in de 7eeeuw het eerst voor onder den naam van Pagus Flandrensis, waaraan de naam van het graafschap ontleend schijnt te wezen. Men meent, dat de Frankische koningen het land tot in de 9eeeuw door houtvesters (forestiers) deden besturen. Een van hen, Boudewijn met den IJzeren Arm, verwierf in 863 de hand eener dochter van Karel den Kale, die het gebied van zijn schoonzoon vergrootte en tot een graafschap verhief. De graven van Vlaanderen leefden herhaaldelijk in oorlog met hun naburen, vooral met de Graven van Holland, over het bezit van Zeeland ten westen van de Schelde (zie pag.192), dat zijn de eilanden Walcheren, Zuid-Beveland, Noord-Beveland e. a., welke na 1323 aan Holland kwamen.Bij de oorlogen van Vlaanderen met Frankrijk, de inwendige beroeringen, den vrijheidsstrijd van Jacob van Artevelde, waardoor de Fransche invloed in Vlaanderen bedwongen en de grond tot de zelfstandigheid van het land gelegd werd, zullen wij niet stilstaan. Door Philips den Goede werd Vlaanderen, met nog andere deelen van Nederland, onder één bestuur vereenigd, in 1429 met het graafschap Namen, in 1430 met de hertogdommen Brabant en Limburg, in 1433 met de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Al die bezittingen, vermeerderd met het hertogdom Luxemburg, vielen in 1467 ten deel aan Karel den Stoute, in 1477 aan zijn dochter Maria, en door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk kwamen zij aan het Oostenrijksche huis. Onder Philips den Schoone kwam Vlaanderen met de andere Nederlandsche gewesten in nadere betrekking tot Spanje en deze duurde voort onder Karel V en Philips II, totdat de opstand losbarstte onder laatstgenoemden vorst. Vlaanderen nam daaraan aanvankelijk met ijver deel, schaarde zich voor en na aan de zijde van den Prins van Oranje, maar bleef ten slotte een provincie van de zuidelijke of Spaansche Nederlanden.In het noordelijk gedeelte van Vlaanderen werd echter de grensstrijd tusschen Spanje en de Nederlanden gedurende den tachtigjarigen oorlog voortgezet. Hier werd door de noordelijke Nederlanden een gedeelte van Vlaanderen veroverd, dat in 1648 bij den vrede van Munster aan de Algemeene Staten werd afgestaan. Dit gedeelte verkreeg destijds den naam van Staats-Vlaanderen en behoorde tot de Generaliteitslanden. De grensscheiding was in het vredesverdrag niet nauwkeurig bepaald, doch nader werd die omschreven in het verdrag van 28 Sept. 1664; later kwam er in 1715 een nieuw, gewijzigd grensverdrag tot stand. Nog herhaaldelijk hadden er grenswijzigingen plaats, o. a. in 1718 en 1786.Staats-Vlaanderen nu stond onder de oppermacht van de Algemeene Staten derVereenigde Nederlanden, die uit hun midden jaarlijks Gedeputeerden afvaardigden om de regeering der steden te bezetten, rekeningen op te nemen, enz. De Raad van State had het beheer over de geldmiddelen. Alleen langs de noordkust was een gedeelte, “het Committimus” geheeten, dat meer onder Gecommitteerde Raden van Zeeland stond.De ingezetenen van Staats-Vlaanderen hebben in den tachtigjarigen oorlog met warmte de zaak der vrijheid omhelsd en daardoor was hun aansluiting bij de noordelijke gewesten bepaald, terwijl zij in de afscheiding van het overige Vlaanderen geen bezwaar zagen. De economische belangen, welke het gedeelte, dat sedert Staats-Vlaanderen heette, met het zuidelijke Vlaanderen hadden verbonden, hadden na de 16eeeuw niet meer de beteekenis van vroeger, gelijk wij nader zullen aantoonen, en daardoor werd de band tusschen beide deelen van Vlaanderen losser. Zelfs zag men daar niet zelden een bijzonderen ijver aan den dag leggen voor de belangen van het noorden.Sluis en Hulst hebben bij de Pacificatie van Gent met kracht er op aangedrongen, dat de Spaansche, Hoogduitsche en Italiaansche krijgsbenden uit het land zouden verdreven worden, en zij hielden zich aan de Unie van Utrecht. Staats-Vlaanderen werd dan ook meest Protestantsch, alleen uitgezonderd het Land-van-Hulst, dat in de macht van Spanje viel en eerst in 1645 heroverd werd, evenals eenige gedeelten van heerlijkheden en dorpen, die eerst door den vrede van Munster er bijgevoegd werden, n.l. de streek lands tegenover Axel, ten zuiden van het Canisvliet, en de Staatsche gedeelten van de heerlijkheden Watervliet en Waterland en van het graafschap Middelburg. De kapellen, die de Roomsch-Katholieken hadden te Sluis en IJzendijke, waren meer in ’t belang van de bezetting dan van de burgerij.Na de herstelling van onze onafhankelijkheid in 1815 werd het vroegere Staats-Vlaanderen tot de provincie Zeeland gerekend en is daarbij gebleven, al zijn de grenzen niet geheel dezelfde. Sedert wordt dit gedeelte van Nederland meest Zeeuwsch-Vlaanderen genoemd.In economisch opzicht was Vlaanderen een tijdlang het belangrijkste gewest der Nederlanden. Vlaanderen trok voornamelijk voordeel van den door de kruistochten in het leven geroepen nieuwen staat van zaken op het gebied van handel en verkeer. In dien tijd werd in Vlaanderen de eerste groote tusschenmarkt voor den wereldhandel geopend. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. Vlaanderen was van de zuidelijke gewesten der Nederlanden het eenige, dat door de zee bespoeld werd, en tevens het meest bevolkte gebied. De Vlaamsche steden waren in dien tijd reeds de aanzienlijkste, met een levendige nijverheid, terwijl de bodem er uitermate vruchtbaar was en goed bebouwd werd.Van de zee kon men langs de onderscheidene waterarmen in het land doordringen, en op deze inhammen had zich een drukke scheepvaart ontwikkeld met stoute zeelieden, die met de Zeeuwschen het eerst flinke tochten over den oceaan waagden. In den tijd der kruistochten werden kruisvaarders uit het westen door Vlaamsche schepen overgebracht naar de Middellandsche Zee en met Oostersche voortbrengselen kwamen die terug. Daardoor werd Vlaanderen als vanzelf de markt voor de Oostersche waren, en door zijn geographische ligging, ongeveer midden tusschen de Oostzee en Middellandsche Zee, was dit gewest in de middeleeuwen aangewezen, om de handelaren der Hanze en die der Italiaansche steden aan de Middellandsche Zee tot elkander te brengen. Vlaanderen werd het ontmoetingsgebied tusschen noord en zuid; zoo ontwikkelden zich deze havens tot centrale markten voor den wereldhandel. De Vlaamsche nijverheid gaf daaraan tevens voedsel, terwijl zij op haar beurt door den handel werd gesterkt.Tot de belangrijkste steden van Vlaanderen behoorden Brugge, Gent, Yperen, Oudenaarden, Rijsel, Aalst en Kortrijk. In al deze steden, bovenal te Gent, bestonden lakenfabrieken. Voor de scheepvaart was vooral Brugge het gunstigst gelegen. Deze stad lag wel niet dicht bij de kust, maar zij had met de zee gemeenschap door het reeds beschreven Zwin langs Damme en Sluis. In de 13eeeuw werd Brugge de groote voorraadschuur der voortbrengselen van Europa en het Oosten, de stapelplaats van den geheelen Nederlandschen handel. De toevloed van vreemdelingen te Brugge en de toeneming der bevolking maakten de stad een tijdlang tot de aanzienlijkste der Nederlanden; hier waren in het midden der 14eeeuw ongeveer 150.000 inwoners gevestigd en de beurs van Brugge beheerschte den wereldhandel. Het Hanzeverbond, Londen, Bristol, Avignon, Lissabon, Barcelona, Pisa, Genua en Venetië, alsmede Noord-Nederlandsche steden, hadden hier hun handelskantoren; papier op Brugge was gangbaar door de geheele wereld.Toen de waterverbinding van Brugge met de zee slechter werd in de 16eeeuw, werd Antwerpen, zoo gunstig gelegen aan de Schelde, de opvolger van Brugge en de beheerschende stad van den wereldhandel, om die rol te blijven vervullen, tot de inneming van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585.Door dit alles vormde de kuststreek van het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot de 16eeeuw het voorland van het aanzienlijkste handelsgebied der aarde en ontwikkelden zich hier aan de mondingen der wateren belangrijke voorhavens, die grooter welvaart verkregen, naarmate het verkeer op de hoofd-handelssteden door de dichtslibbende wateren meer bemoeilijkt werd. Daardoor waren de steden van Staats-Vlaanderen met den bloei der zuidelijke handelssteden van Vlaanderen verbonden. Doch sedert de handelsbloei van het achterland achteruitging of ophield, werd ook die betrekking minder, de behoefte aannauwe aaneensluiting geringer. Dat was reeds het geval in het midden der 16eeeuw. Het noordelijke kustland van Vlaanderen gevoelde zich toen los van het in verval gerakende Brugge, trachtte zelf daarvoor in de plaats te komen, dewijl het nog open toegangen had uit zee, en deze omstandigheid bevorderde de scheiding tusschen noordelijk en zuidelijk Vlaanderen, deed het noordelijke nauwer bij Noord-Nederland aansluiten.Dezen invloed der geographische ontwikkeling van den bodem op de staatkunde meenden wij kortelijk te moeten aanduiden, omdat die medegewerkt heeft, om een deel van Vlaanderen aan Noord-Nederland te verbinden, waardoor wij een strook lands ten zuiden van de Wester-Schelde als een Nederlandsch gewest kunnen doorwandelen, hoewel het in afkomst nader aan het Belgische Vlamingenland verbonden is.Door de geschiedenis is de bevolking van Zeeuwsch-Vlaanderen in karakter Vlaamsch, maar vanouds met internationale bestanddeelen vermengd, welke door het drukke verkeer in dit bedrijvig gewest gebracht zijn. In den tijd, toen het als Staats-Vlaanderen zijn wereldhandel reeds verloren had, maar als vruchtbaar landbouw-gewest bleef bloeien, was dit gebied een grensgebied, dat verdedigd moest worden en daarvoor ook vreemde elementen in zich opnam. Vooral de nieuw aanwassende polders vormden van tijd tot tijd een nieuw gebied, geschikt tot vestiging van vreemdelingen. De gastvrijheid, binnen de landpalen der Nederlandsche gewesten verleend aan hen, die elders om hun geloof vervolgd werden, maakte Staats-Vlaanderen tot een toevluchtsoord voor vele emigranten. Tal van familienamen herinneren er nog aan Fransche afkomst. Men ontmoet er de namen Du Rieu, du Pré, Risseeuw (Rossé), Toussaint, de Hulu, Erasmus e.a. schier overal; de naam Hennequin wijst op afkomst eener familie uit Noord-Frankrijk. De hartelijke ontvangst maakte voor de vreemdelingen de vestiging in deze gewesten aangenamer, en vooral de Franschen, die hier veelal kwamen met kapitaal, waren er zeer gezien. Zij vormen nog een aanzienlijke klasse onder de bevolking, een soort van aristocratie, en hebben er veel bijgedragen tot de ontwikkeling der welvaart.Minder in aanzien waren de Salzburgsche immigranten. Toen in de eerste helft der 18eeeuw tal van plaatsen in Staats-Vlaanderen door koortsen ontvolkt waren, kwam er behoefte aan arbeiders op het land, dewijl vele boerenzoons geen lust hadden in den landarbeid en liever te scheep gingen of zich in de steden als heerenknechts verhuurden. Om hierin te voorzien, wisten de Staten-Generaal in 1732 een 700tal Salzburgers, die wegens hun Lutherschen godsdienst vervolgd werden, over te halen, zich hier te vestigen. Die lieden, verjaagd en verdrukt, kwamen na veel ellende in Staats-Vlaanderen aan, in de hoop hier geloofsvrijheid en arbeid te zullen vinden.In de consistoriekamer van de Luthersche kerk te Groede hangt nog een plaat, gemaakt naar een schilderij uit die dagen, welke de uitdrijving dier verdrukten voorstelt. Hier wordt een drietal afgebeeld, in eenigszins theatrale houding voortschrijdend, het hoofd omhoog geheven, den bijbel aan het hart gedrukt, terwijl verder een moeder haar zuigeling in de armen heeft en een paar kleine kinderen met zich voert. Een man is neergevallen op den kruiwagen, waarop hij zijn bundeltje heeft geladen: alles, wat hem overbleef van zijn welvaart; hij is door smart overmeesterd. Een vrouw heeft zich omgekeerd; zij is op de knieën gezonken en strekt de armen uit naar de heerlijke bergen van haar vaderland. Zij kan niet scheiden. Maar naast haar, achter de anderen, overal staan de dragonders, om hen weg te drijven in ballingschap, naar een vreemd, onbekend land.Doch hoe goed ook bedoeld, het leven hier viel den Salzburgers tegen, terwijl zij evenmin de behoefte aan werkkrachten op het land aanvulden. De Hollanders meenden, dat zij volstaan konden met de Salzburgers zoo goed mogelijk in hun huishouden te zetten en gaven nog eenige voorschotten in den eersten tijd. Voor de verzwakte lieden evenwel was het verschil in stand en arbeid te groot. Gewoon, in goud- en zoutmijnen te werken, bij metaalsmelterijen te arbeiden, konden zij niet gewennen aan den arbeid op de zware klei. Van den aanvang af zag men rusteloosheid, teleurstelling en moedeloosheid bij velen hunner. Bij troepen trokken zij het land door, in alle dorpen zoekend naar iets, wat op hun vaderland geleek. Er werd een kunstmatige werkverschaffing voor hen in ’t leven geroepen; een wolfabriek o. a. werd opgericht, om daardoor de schapenteelt aan te moedigen en den Salzburgers een arbeid te verschaffen, zooals zij dien wenschten. De Salzburgers zijn in aantal verminderd; velen vertrokken weder en hoofdzakelijk komen zij nog voor in Groede, waar de Luthersche gemeente een kerk heeft.Na dit algemeene overzicht zetten wij onze wandeling voort door het landschap. Wij zullen eerst het Land-van-Kadzand in Zeeuwsch-Vlaanderen, ten westen van den Braakman, doortrekken. Wij bevinden ons in Breskens, een flink dorp, waar de nette, lage huizen grootendeels langs een breede straat zijn gebouwd. Er ligt reeds een Belgische tint over dit dorp. De bloei van Breskens dagteekent voornamelijk van den aanleg van den grooten weg, den breeden “Calcey-weg”, dien Napoleon I van Gent tot hier, in 1808, liet leggen, om de verbinding met Middelburg te verkrijgen, en die eerst tien jaren later voltooid werd.De polders van deze gemeente zijn pas in 1619 op het water teruggewonnen.Toch was deze plek al in den Romeinschen tijd bewoond, zooals uit opgegraven penningen blijkt. Doch het oude Breskens werd in de 15eeeuw overstroomd. Hoewel in 1480 (of 86) op de golven herwonnen, ging het in 1570 door het bezwijken van den zeedijk opnieuw te gronde, om eerst later weer te worden aangelegd.De weg van Breskens naar Groede, over de klinkers, is een lieve wandeling; olmen en populieren spreiden er hun beschuttend looverdak uit. Aan afwisseling ontbreekt het niet. Ter weerszijden zien wij nu eens uitgestrekte bouwlanden, waarop de voortreffelijke Zeeuwsche tarwe golft, dan weer heldergroen vlas, sierlijk gepluimde gerst, frissche suikerpeeën of welige weilanden, waarop het vee rustig graast in de schaduw der bloeiende, hooge meidoornstruiken. Houtgewas wordt niet gemist en de groote bouwhoeven liggen soms als in een bosch verscholen. De arbeiderswoningen zien er meer schilderachtig dan welvarend uit, en waar gij er enkele aantreft bij een klein, ouderwetsch, houten molentje, kunt gij u een paar eeuwen terugdenken, in den tijd, toen onze landschapsschilders dergelijke tafereeltjes zoo schoon op het doek wisten te brengen. De menschenbeweging is echter schaarsch in deze streken; het is er buitengewoon stil, zelfs tot het drukkende toe. Of die stilte ook invloed heeft op den geest en de opgewektheid der bewoners? De heer Nagtglas meende bij de arbeidersbevolking hier niet dat pit te vinden als elders.Boven het lommer steekt een torentje uit: dat is Groede, een goed bevolkt dorp, met een schier uitsluitend Protestantsche bevolking. In den tijd der worsteling tusschen dwang en vrijheid stak men hier de dijken door en het land liep onder water. De kerk bleef toen achter te midden van het verwoeste land. Doch in de 17eeeuw ving men opnieuw met het dijken aan, en toen het land weder droog lag en in bezit genomen werd, is ook het oude kerkje in eere hersteld. Op een pleintje, tusschen frisch en bloemrijk plantsoen, staat daar het eerwaardige bedehuis, omringd door kleine, maar nette woningen.In Groede vindt men een Luthersche gemeente met een eigen predikant en school. Zij dankt haar ontstaan aan de Salzburgers, wier komst in deze gewesten wij beschreven. Hoewel deze kerkelijke gemeente door belangrijke giften gesteund werd,—de wonderdokter Ludeman te Sloterdijk o. a. schonk er in 1749 tienduizend gulden aan—bleef zij kwijnen. De nakomelingen der Salzburgers zijn thans zoo verstrooid, dat men er nauwelijks meer sporen van kan vinden.Ook de Fransche gemeente, uit rijker en arbeidzamer réfugié’s ontstaan, ging in het eerste gedeelte der 19eeeuw teniet, evenals de Doopsgezinde.Vervolgens loopt de weg verder door de vruchtbare kleilanden naar Kadzand. Overal op dezen tocht zien wij, dat wij ons in een uiterst vruchtbare streek bevinden. Nergens ruischt de gerst voller en zwaarder dan in het land vanKadzand en het kan gebeuren bij donkeren avond, dat de boer op den weg stilstaat, om te onderscheiden, wat daar zoo ruischt: zijn “baardtarwe” of de zee. Nergens vlammen de klaprozen heller op uit de zwartgroene, zoetrokige klaver of trappelen de breedschonkige, fijnschoppige paarden luchtiger voor zware vrachten over de hooge kleidijken dan in het land van Kadzand.Waar bloeien de boonen zóó rijk, als wilden ze met hun zoete, zware geuren bedwelmen, die langs de akkers gaat, en waar lachen de blauwe vlasbloempjes zoo koketjes uit het lichtgroen omhoog? Waar schuilen oude boerderijen en felrood bepande, zwarte schuren in hun blauwe wilgen deftiger en ongenaakbaar vriendelijker onder de hooggesnoeide, donkere olmen, en waar zijn ouderwetscher ploegen, waar wagens, die zóó hotsen, vrouwen, die zoo kunnen “commeeren”, en rijke boeren, die zoo statig kunnen rentenieren als in het land van Kadzand? Aldus schetst de heer G. Haspels den indruk van dit land door het doen uitkomen van de sprekende contrasten.Het oude eiland Kadzand is al sedert lang door bedijkingen van verslijmde en opgeslibde stroomen aan het vasteland verbonden. Het dorp komt met zijn oud kerkgebouw schilderachtig uit tegen de duinen op den achtergrond. Van deze plaats maakt Dante gewag in zijn Divina Commedia, als hij in zijn XVenzang der Inferno, volgens de vertaling van Hacke van Mijnden, zegt:“Gelijk de Vlamen ’t land, aan zee gelegenBij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloedenDoor zware dijken te beschermen plegen”.Stiller dorp dan Kadzand kan men zich op dit oogenblik nauwelijks denken. De vrij nette woningen zijn aan de voorzijde veelal gesloten en op de kunstig gesnoeide palm- en taxisstruiken, tusschen de bloembedden der kleine tuintjes, sjilpen de musschen rustig.Het dorp Retranchement, of eigenlijk: “Retranchement Cadsandria”, door het spraakgebruik tot “Trezjement” verbasterd, dankt zijn naam aan de versterkingen, door Prins Maurits aangelegd, om meester te blijven van den zeearm het Zwin.Waar gij thans onafzienbare akkers aanschouwt, door bloeiend koolzaad als verguld, waar het kostelijk graan golft of bieten groeien, zag men voor niet lange jaren alleen kale schorren en slikken, waarop slechts wat zeekraal werd ingezameld en de scheper zijn kudde weidde. De smalle, ondiepe kreek, welke er doorheen kronkelde, was het overschot van de beroemdste der zeeboezems van Europa, de reeds besproken “Sincfala”, de zuidelijke grens van het oude Friesland, aan welker oevers Brugge eens tot een der aanzienlijkste havens van Europa werd.Wij naderen het stedeke Sluis. Een hoogte buiten de stad, achter de begraafplaats, wijst de plek aan, waar eens het vermaarde kasteel van Sluis stond.Filips van Bourgondië, gehuwd met Margaretha, erfdochter van Vlaanderen, en sinds 1384 graaf van Vlaanderen, wilde de dikwijls onstuimige Vlamingen, die vrijheid niet zelden met bandeloosheid verwarden, in bedwang houden. Om verder ook den Engelschen, hetzij een inval in of een gemakkelijke verbinding met het licht tot opstand geneigde Brugge te beletten, besloot Filips, den doorgang van het Zwin door een sterkte te verzekeren. Daar lag, op den meest westelijken uithoek der schor Bewester-Eede, tegenover den mond van den Budansvliet en waar deze zich met het Zwin vereenigde, het plaatsje Sluis, dat Filips had ingeruild en aan Vlaanderen bracht. Hier wilde hij een kasteel bouwen, dat zoowel het vrije verkeer van Engeland met Vlaanderen kon beletten als de Vlamingen in toom houden. In 1385 werden er de grondslagen voor gelegd, ten N. van de stad, aan de oostzijde der haven, en er verrees een bouwgevaarte, in vorm aan de Bastille te Parijs herinnerend, sterk en hecht van metselwerk, geschikt, om den stormram te trotseeren. De zware muren vormden een vierkant, welks buitenzijden, binnen de grachten, van het oosten naar het westen 86 M. besloegen en van het oosten naar het zuiden 80 M. Op regelmatige afstanden waren de muren door ronde torens versterkt; aan de hoeken verrezen de zwaarste torens. Het muurwerk had een dikte van 3,8 M. Aan de binnenzijden liepen, zoowel langs de torens als aan den wal, twee rijen gewelfde gangen boven elkander, die een veilige gemeenschap van het eene punt met het andere verleenden. De benedenste gang, welke ongeveer een meter onder den beganen grond van het plein lag, voerde naar de kelders of onderste gewelven der torens:Grauwe kluizen, donk’re holen,Nimmer door de zon bestraald,Waar geen lichtglimp heen kwam dolen,Dan in scheemring gansch verdwaald;Waar de wanden en gewelvenAltoos biggelden van ’t vocht,Of zij weenden om zichzelvenOf om ’t wee van zulk een krocht,aldus Hofdijk. Het geheel bevatte 36 kelders en vertrekken.Hertog Jan zonder Vrees deed aan de westzijde der haven, tegenover het kasteel, nog een nieuwe sterkte bouwen, kleiner, doch niet minder sterk, die gewoonlijk “de toren van Bourgondië” genoemd werd; met een keten tusschen beide gespannen, kon de haven worden afgesloten. Nog in 1794 was die keten op het raadhuis te Sluis aanwezig.Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao 1739 op het gemeente-archief.Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao1739 op het gemeente-archief.Het reusachtig slot vervulde een belangrijke rol in de geschiedenis van Sluis; het heeft menige belegering moeten doorstaan en onderscheidenen aanzienlijken diende het tot gevangenis. Dit was het geval met den hertog van Bouillonin 1553, met den Admiraal de Coligny in 1557 en met Lamoraal van Egmond, den zoon van den onthoofden graaf van dien naam, in 1582.De veranderde krijgskunst had in de 16eeeuw reeds den toren van Bourgondië nutteloos gemaakt, zoodat die werd afgebroken, doch het groote slot werd versterkt. In de 17een 18eeeuw verviel het kasteel al meer en meer; in 1794 hebben de Franschen het sterke slot gedeeltelijk doen springen en in 1840 zijn de bouwvallen voor afbraak verkocht. De steenklompen zijn grootendeels gebruikt als zinkstukken voor de dijken te Ellewoudsdijk. Zoo werd, in puin gevallen, het kasteel nogmaals tot een bolwerk des lands bestemd.“Sluis” of “Sluis in Vlaanderen” is onder den naam Lammensvliet ontstaan aan het Zwin en verkreeg in 1290 stadsrechten van Guy van Dampierre. Door visscherij, scheepvaart en koophandel wies de stad aan en in het begin der 15eeeuw bedroeg het aantal makelaars te Sluis reeds 87. Het dichtslibben van het Zwin bij Brugge en boven Sluis deed den handel verder benedenwaarts verplaatsen. Kooplieden en schepelingen uit alle landen van Europa ontmoetten toen elkander hier, en Sluis bloeide in het Bourgondische tijdperk zoozeer, dat de vorsten er dikwerf vertoefden en feestvierden.De haven van Sluis.De haven van Sluis.Isabella van Portugal, de bruid van Filips den Goede, toen graaf van Vlaanderen, kwam op Kerstdag 1429 te Sluis aan en werd hier door haar bruidegom opgewacht; volgens enkelen zou het huwelijk te Sluis zijn voltrokken. Margaretha van York, de zuster van den Koning van Engeland, kwam den 25enJuni 1468 met 16 schepen te Sluis binnen, waar zij door een stoet van aanzienlijken en haar bruidegom werd ontvangen; de ondertrouw had hier plaats. De bloeitijd van Sluis viel in het midden der 15eeeuw; destijds telde Sluis 7 markten, 69 straten, 2 parochiekerken, 3 openbare kapellen, 3 kloosters en tal van openbare gebouwen.De onrustige tijden aan het eind der 15eeeuw, de belegering in 1492, die eengroot gedeelte van de stad vernielde, den handel knakte, brachten den eersten slag toe aan Sluis. Het ondieper worden van het Zwin, waardoor groote schepen niet in de stad konden komen, deed het verdere, en in de 16eeeuw ging Sluis snel achteruit, zoodat geheele straten vervielen. De stad kwam aanvankelijk geheel onder Brugge te staan, en hoewel zij gedurende den opstand tegen Spanje meer zelfstandig werd, zich van Brugge afscheidde en zich bij de Unie van Utrecht aansloot, toch stond Sluis gedurende den oorlog en ook later als grensstad aan vele belegeringen bloot en nooit kwam zij tot haar ouden bloei terug. Het aantal bewoonde huizen en inwoners kromp in en in 1840 telde Sluis niet meer dan 257 huizen binnen de kom. Sedert is het aantal bewoners wel weder iets toegenomen, zoodat dit bedroeg 2300 in 1900, maar het is toch een rustig, stil landstadje gebleven, alleen kleinhandel op den omtrek drijvend. Van de eens zoo aanzienlijke haven is niets meer over dan een ligplaats voor de schepen in het kanaal naar Brugge. Zoo is Sluis een dood stadje geworden, met smalle straten. Het bombardement van 1794 verwoestte een gedeelte der nederzetting; de prachtige St. Janskerk geraakte in 1811 in brand en werd vernield en aldus zijn vele schoone gebouwen van Sluis te gronde gegaan.Het belangrijkste gebouw van Sluis is nog het stadhuis, in 1396 gebouwd, met zijn in den trant der Vlaamsche belfroits gebouwden toren, die zich trotsch verheft met zijn vier spitsen. Dit gebouw is gerestaureerd en in den oorspronkelijken toestand teruggebracht.Bij het uurwerk van den toren, in een der galmgaten, zetelt de oudste burger van Sluis, een houten beeldje, in 1424 vervaardigd, dat bij het slaan enkele tonen aangeeft en als “de klokman Jantje van Sluis” bekend staat.Al is Sluis in verval, toch getuigt menig geveltje nog van de ruime beurs, waaruit het eens is gebouwd.Een eenvoudige grafnaald op de begraafplaats van Sluis wijst de rustplaats aan van den bekenden geschiedvorscher en taalkundige, J. H. Van Dale, den 21enMei 1872 hier overleden, waar hij als onderwijzer werkzaam was. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, door Van Dale vervaardigd, is nog altijd een vraagbaak en draagt, hoe ook herzien, steeds nog zijn naam.Aan den buitenkant van Sluis ontwaart men op korten afstand over de bouwlanden een zwaren, stompen toren, die boven eenig geboomte en enkele huizen uitsteekt. Dat is de toren van St. Anna-ter-Muiden, eens ook havenstad van het vermaarde Brugge, doch thans slechts een gehuchtje.St. Anna-ter-Muiden is een zeer oud plaatsje, welks jaar van opkomst men niet kent; het is ontstaan aan de monding of samenkomst van een paar wateren met het Zwin, naar welke uitmonding het zijn naam kreeg. In 1241 werd dezeplaats verheven tot een smalstad met tol vrijheid. Toen het land aan de westzijde langzamerhand aanslibde, geraakte de stad verder van zee verwijderd. De bewoners verplaatsten nu hun huizen meer zeewaarts, doch bij brieven van 1445, gegeven door Filips van Bourgondië, werd hun dit verboden, omdat de vijand zich in oorlogstijd daarachter ging verschuilen bij de aanvallen op Sluis.Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.De haven van St. Anna-ter-Muiden in het Zwin was oudtijds hoogst belangrijk en de stad had een aanzienlijke visscherij. Doch in de 16eeeuw was de stad reeds in verval; Ter-Muiden was in 1650 bijna geheel afgebrand en werd grootendeels door de inwoners verlaten. Aan opkomst van het plaatsje viel sedert niet meer te denken en het verviel tot een gehucht, dat er arm, maar schilderachtig uitziet. Hoewel hier sinds eeuwen geen schepen meer gezien werden, sprak men tot voor kort nog van “de kaai”, als ware het een havenstad.Van Sluis richten wij ons naar het oosten en vervolgens naar het zuiden; over de vruchtbare landouwen zien wij eindelijk vóór ons, te midden van het geboomte, het stedeke Aardenburg verrijzen, dat algemeen bekend is in den lande door zijn beroemde verdediging in 1672.Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden,Uit bosch en beemden ’t hoofd omhoog,Ten sieraad dier bekoorlijke oorden,De lusthof voor des vreemdlings oog?Wie prijkt daar in die vruchtbre streken,Maar schier den strakken blik ontweken,Die langs de golvende akkers weidt,En toont ons, door ’t verblindend pralenVan vorstenhof en marmren zalen’t Bekoorlijk beeld der needrigheid?O, wandlaar! voor geen plaats op aardeWijkt die vergeten, kleine stad!Zij is een steen van hooge waarde,In Neerlands gloriekroon gevat;’t Is zij, die eens de slaafsche ketenMet forsche vuist heeft losgereten,Die ’t zuchtend vaderland omgaf;Zij dreef in ’t barnen der gevarenDen roem van Frankrijks legerscharenGrootmoedig van haar muren af.Aldus bezong P. Ph. de Kanter deze stad in 1835.Aardenburg doet zich kennen als een net stadje; het ziet er uit, of het pas uit een doosje kwam, zoo proper lijkt alles, en geen hout, dat ongeverfd is. Ook vindt men er menig sierlijk en met kosten gebouwd huis, zoodat de plaats, hoewel sedert lang geen havenstad meer, toch de welvaart niet ingeboet heeft. Een oude poort verleent toegang tot de hoofdstraat der stad. Het sieraad van Aardenburg is de prachtige St. Bavokerk, zeker een der fraaiste kerken van Zeeland, in middeleeuwschen stijl gebouwd, gelegen tusschen hoog opgaand geboomte. Het weeshuis met twee spitse gevels, uit 1631, valt terstond in het oog. Naar den buitenkant, aan een met olmen beplant plein, staat het raadhuis, een net gebouw, dat aan een villa doet denken.Aardenburg is een oude stad, die vóór de opkomst van Brugge van zooveel beteekenis was, dat zij als een der aanzienlijkste steden van Vlaanderen en als de hoofdstad der zeeplaatsen van dat gewest werd beschouwd. Zij had een haven, waarvan vermeld wordt, dat zij wel 600 schepen kon bevatten, terwijl haar wallen ongeveer 70 bunder besloegen. Belangrijk was de handel van Aardenburg, die o. a. op de Oostzee gedreven werd, en door de privilegiën, welke de graven van Vlaanderen aan Aardenburg schonken, werden Spaansche, Duitsche en andere kooplieden naar deze stad gelokt. Ook bloeiden er in de 12een 13eeeuw reeds wol- en lakenweverijen. Een kanaal, dat in de 13eeeuw naar zee werd gegraven, bevorderde den handel niet weinig.Doch oorlogsrampen, watervloeden, het dichtslibben van de haven vernietigden de welvaart der plaats, die van een havenstad in een landstad veranderd werd.In 1604 werd Aardenburg door Prins Maurits voor de Unie veroverd. De stad werd nu aanzienlijk versterkt en van bezetting voorzien. Na 1648 liet men de vestingwerken vervallen en in 1672 besloot men zelfs ze te sloopen. Op aanhouden der bewoners en der Zeeuwen werd dit nog uitgesteld. Doch toen de Franschen in dat jaar op den morgen van den 26enJuni voor Aardenburg kwamen met 8000 à 9000 manschappen was de stad schier zonder voorraad, waren de wallen niet versterkt en had men slechts vier bruikbare stukken. Terwijl de bezetting kort van te voren naar Sluis was vertrokken, scheen er voor deovergebleven 30 manschappen onder den vaandrig Elias Beekman en de 175 weerbare burgers, die op de been waren te brengen, geen kans op behoud.De Franschen besprongen in dezen hachelijken toestand de veste, vielen onder het geschreeuw: “sla dood, sla dood!” op de landpoort aan, maar door den dapperen Elias Beekman aangevoerd, werd niet alleen de aanval der Franschen afgeslagen, doch werden er zelfs 620 krijgsgevangenen gemaakt, waaronder 9 officieren, terwijl de Aardenburgers geen enkel man verloren. Evenals eens in Haarlem, hadden ook de vrouwen dapper medegewerkt tot het behoud der stad, Margaretha Sandra, huisvrouw van den voorzittenden schepen, zat met een hoop jongens op een stoep, om de kogels, die te groot waren, door te hakken, welke bij hoedenvol naar den wal werden gebracht. Zoo bleef de stad in dit ongeluksjaar voor Nederland behouden.Den roem dezer overwinning houdt men in Aardenburg hoog, en van Beekman zegt een dichter der stad:Uw roem, door moed en trouw verkregen,Blijve, als uw fiere heldendegen,Voor ’t laatste nageslacht bewaard,hierbij zinspelende op den degen van den vaandrig, die op het stadhuis berust. Het tweede eeuwfeest dier gebeurtenis, waartoe Tollens reeds opwekte,Dan loov’ men God en vier’ men feest,Opdat de naneef niet vergeet,Wat Aardenburg voor Neêrland deed,werd op 26 en 27 Juni luisterrijk gevierd.Aardenburg ligt in de schoonste kleistreken van Zeeuwsch-Vlaanderen.Het goud der koopmanswinsten op de stroomen is vervangen door de voordeelen, die de landbouw oplevert. Het stadje ligt echter nabij den zoom der zandgronden. Niet heel ver van hier, te St. Kruis en Eede, kunt ge reeds den overgang van den zwaren Zeeuwschen kleibodem tot den Vlaamschen, meer boomrijken zandgrond ontdekken.In de met zooveel zorg overal bebouwde akkers zult gij thans moeielijk de woeste wouden van Hulsterloo herkennen, waar de dichter den Reinaert-roman spelen laat. En toch zijn hier overal nog herinneringen aan dit gedicht levendig. Bij Aardenburg moet een schuur staan, welke “Malpertuis” heet, naar het kasteel van den slimmen vos, en onder Schoondijke, bij Waterlandskerkje, ligt het aloude gehucht Steenhove, een overblijfsel van het verdronken Elmare, waar Reinaert zijn zoogenaamden oom Isegrim aan het klokketouw bond, zoodat men in den omtrekZwoer,’t Was of de duivel òf zijn moer,Die de klok zoo geweldig deed gaan.HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800Naar J. C.Ramaer.Lith. Gebrs. Braakensiek, A’dam.Van Aardenburg begeven wij ons naar Oostburg, een plaats met een vriendelijk, niet onwelvarend voorkomen, die evenveel van Sluis en Aardenburg verschilt als deze twee plaatsen onderling. Op marktdag komt er in het stadje meer leven; dan ziet gij hier de stille, stijve, Zeeuwsche boeren met de vlugge, babbelende, blauwgekielde Vlamingen handeldrijven en menig “kapke” bier te zamen verschalken.Ook Oostburg is een zeer oude nederzetting, waar Eligius in het begin der 7eeeuw het evangelie predikte en waar de Noormannen plunderend doordrongen. Eens door den koophandel bloeiend als een volkrijke havenstad, ging het in den Spaanschen tijd sterk achteruit, en in 1673 werden de vestingwerken geslecht.Wij vinden geen tijd, om verder bij de historische herinneringen dezer plaats stil te staan.Door een landschap, dat de Zeeuwsch-Vlaamsche dichterboer Faro aldus schetst:Hier ziet men popels, daar abeelen,Ginds bloeiend vlas en golvend graanDoor zoele westenwindjes streelen,Of wieglend op en nedergaan.Waar eens bij ’t argloos rijzen, duiken,Het kroost der zee door net en fuikenEn raaf en meeuwen werd bespied,Stijgt nu de leeuwrik fier naar bovenEn ’t looverdak en bosch en hovenWeergalmt van ’t juublend lentelied,bereiken wij IJzendijke, eveneens een overoude nederzetting, waarvan reeds in 984 melding wordt gemaakt, die in de 12eeeuw onder de steden werd geteld, en in de 13eeeuw lid der Hanze was. Deze stad ging in de 14eeeuw grootendeels te gronde en het overgebleven deel werd in 1570 door overstrooming vernield.Doch ongeveer 800 meter zuidoostwaarts ontstond een nieuwe nederzetting, het tegenwoordige IJzendijke, in deze gewesten “Isendieke” genoemd.Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.Een welbebouwde straat voert ons naar de markt, een ruim, langwerpig plein, ingesloten door vele nieuwe gebouwen, maar eveneens eenige met trap- en puntgevels.Enkele dagteekenen nog uit den tijd, toen prins Maurits, na een beleg van zeven dagen, deze bijna onneembare vesting innam, 10 Mei 1604. Maurits deed dien voorburcht van Zeeland met geduchte versterkingen omringen. In Oct. 1830 deed het bendehoofd, Ernest Gregoire, de Belgische vlag hier op den toren plaatsen, maar spoedig daarna werd die weder door Nederlandsche troepen verwijderd. De vestingwerken zijn in 1842 voor goed geslecht.Belangrijke gebouwen vindt men er niet. De achtkante koepelkerk (Herv.), die spits toeloopt en in een peer eindigt, is een net gebouw van 1612, maar heeft weinig bijzonders.Ten N.W. hiervan ligt Schoondijke, eigenlijk Willemsdorp geheeten, een vriendelijke plaats. Tusschen de lage doch nette woningen zien wij hier en daar gezellige tuintjes, in den zomer kleurrijk door tal van pioenen, goudsbloemen en duizendschoonen, omsloten door met zorg geschoren palm- en taxisstruiken. De nederzetting ontstond in 1651 bij het bedijken van het tweede gedeelte van den Prins-Willempolder en werd aanvankelijk Willemsdorp genoemd, maar de herinnering aan de door overstrooming vernielde parochie Schoondijke was nog zoo levendig, dat men de nieuwe plaats aldus noemde.Van IJzendijke bezoeken wij het door Willem Beukelsz. algemeen bekende Biervliet, thans een dorp met verstrooide huizen. Biervliet was eens een bloeiende stad, waar aanzienlijke edelen en zelfs vorsten van tijd tot tijd, willig of onvrijwillig, vertoefden. Graaf Floris V werd hier een tijdlang door den Vlaamschen graaf Guy van Dampierre gevangen gehouden, en Keizer Karel V zou hier met zijn beide zusters op het graf van Willem Beukelsz. haring hebben genuttigd. Een straat in het vervallen, kleine plaatsje, kaai genoemd, herinnert nog aan de welvarende, machtige zeestad, wier krijgshaftige burgers hun landvorst naar “die landen van over zee” volgden, en de eersten zouden geweest zijn, die de banier met den zwarten leeuw van Vlaanderen op de wallen van Jeruzalem plantten.In de in 1660 gebouwde, nette kerk herinneren een paar overblijfselen van geschilderde glazen aan Willem Beukelsz., die als de uitvinder of verbeteraar van het haringkaken wordt beschouwd.Hiermede hebben wij den Braakman bereikt, die Zeeuwsch-Vlaanderen nog in twee gedeelten scheidt. Dit water heeft echter zijn besten tijd reeds gehad en voortdurend wordt het verkleind door vernieuwde inpolderingen. Het gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen ten W. van den Braakman wordt door de Zeeuwen veelal onder den algemeenen naam van “Land-van-Kadzand” aangeduid en de bewoners als Kadzandtenaars.Wij overzien ten slotte nog, vóór wij dit gebied verlaten, de kleederdracht der landbevolking, hoofdzakelijk in dezen geleid door Dr. de Man.De Kadzandtenaars zochten in de onrustige tijden, toen dit land veel door deSpaansche of door de Staatsche troepen te lijden had en later bij de invallen van de Franschen, dikwijls veiligheid op het eiland van Walcheren, om later naar hun woonplaats terug te keeren. De overeenkomst in godsdienstige opvatting en strengheid van zeden deed de Kadzandtenaars nader aansluiten bij Walcheren dan bij het zuidelijk Vlaanderen, waarvan zij door religie gescheiden waren. Daardoor had de Kadzandsche kleeding vroeger veel overeenkomst met die van Walcheren, hoewel een gedeelte in dit land ook Vlaamsche kleeding droeg.Toch bleven in het Land-van-Kadzand de Walcherensche invloeden niet overheerschend. De vele uitgeweken Walen, Franschen, Doopsgezinden en Salzburgers, welke zich hier van lieverlede met de oorspronkelijke bewoners verbonden, terwijl men er tevens veel Katholieken vond, waren oorzaak, dat de bevolking zeer gemengd werd. Wel bleef de grondtrek lang iets Walcherens behouden, doch de invloed van het Belgisch-Vlaamsche neemt hier in de laatste halve eeuw sterk toe wegens de nadere aanraking met België, en doordien het grondbezit voor een groot gedeelte in handen van Belgische heeren is gekomen. Het Walchersche karakter der kleeding is daardoor verloren gegaan.Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.De kleeding der mannen in het Land-van-Kadzand is geheel burgerlijk geworden. De vrouwenkleeding heeft er nog iets eigenaardigs en is niet Zeeuwsch en niet Vlaamsch, hoewel het eenvoudige, stemmige aan het Walchersche herinnert. Over ’t geheel komen de kleeding en mutsen der vrouwen wel iets overeen met die der vrouwen in Overijsel, bij Zwolle. Vroeger had de echte Kadzandsche muts een door karkas rondom het gelaat en ook om de kin gespannen, breeden rand, welke wijd van de wangen af stond. Thans is de muts veel enger, de rand veel smaller en veranderd in een ouderwetsche Hollandsche neepjesmuts, zooals die voor een halve eeuw bekend was. Vroeger droegen de vrouwen hoeden, doch thans ook niet meer.Van krullen en strikken of van een beugel rondom het hoofd is geen sprake. De ooren zijn vrij en men hangt er lange sieraden in, die men bellen noemt; het zijn puntbellen van nieuwerwetschen vorm en van goud. Het jak der vrouwenis stemmig, veelal donkerbruin van kleur, en wordt van voren zonder eenige elegantie zoo hoog mogelijk tot den hals gesloten. Het onderstuk, de schoot, dien men in Kadzand het “zet” noemt, is buitengewoon lang; de beuk ziet men in ’t geheel niet. Een satijnen schort wordt hierbij gedragen, en hoewel de rokken niet zoo talrijk zijn als op Walcheren, kan men toch aan de vrouwenfiguren zien, dat men die meer in aantal draagt dan noodig is tot bescherming tegen de koude.Wij wenden ons thans naar het oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. De ruimte verbiedt ons, lang te verwijlen bij dit gewest. Wij zullen er daarom meer een overzicht van nemen dan in een gedetailleerde beschrijving treden, en bezoeken slechts kortelijk enkele plaatsen.Op de smalle landstrook, die ten Z. van den Braakman nog tot Nederland behoort, ligt het visschersplaatsje Philippine (mosselen en garnalen), eens een vesting, thans niet meer dan een armoedig dorp met veel herbergen. Als eenmaal de Braakman geheel is ingedijkt, wat in een niet ver verschiet het geval moet zijn, zal de visschersbevolking zich van hier moeten verplaatsen.Zoo komen wij ten O. van den Braakman.Het westelijk gedeelte van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen wordt veelal aangeduid als het Land-van-Axel, waartoe ook Ter-Neuzen en Zaamslag behooren, het overige als het Land-van-Hulst. Het valt al spoedig in het oog, als wij het Land-van-Axel doorwandelen, dat de bevolking zich in kleeding, gewoonten en denkwijze onderscheidt van die in het 4eDistrict, maar eveneens van die van het Overkwartier en het Land-van-Hulst. In het oogvallend is in vele opzichten de overeenkomst van de bevolking in het Land-van-Axel met die op Walcheren. Dit verschijnsel valt te verklaren uit de geschiedenis. In het Land-van-Axel kende men slechts één kerk, en wel de oud-Hervormde, doch vroeger gewijzigd door de gestrenge Walcherensche artikelen, en men was er dus kerkelijk in overeenstemming met dat eiland. Verder behoorde het Land-van-Axel in den tijd der Republiek tot het zoogenaamde “Committimus”, een gebied in Staats-Vlaanderen, waar Gecommitteerde Raden van Zeeland het hoogste gezag hadden en Zeelands hoofdstad den toon aangaf, terwijl de Generaliteit elders heerschte.Hierdoor vond men in Axel oudtijds navolging van de Walchersche kleeding, van geloofsijver, van kerkelijke tucht, enz. en toen het aan de zijde der Staten gekomen was, ook afscheiding van het naburige Land-van-Hulst, dat meer Katholiek bleef. In het Land-van-Axel vindt men strenge orthodoxie, die zich scherp onderscheidt van het Katholieke element en ook in kleeding en gebruikendaarvan afwijkt. De Axelaar wil geen Vlaming zijn: hij wil blijven, wat hij was, en heeft daardoor van zijn oud-nationale kleeding nog veel bewaard. Wij leeren de Axelsche kleeding kennen door de voorbeelden op degekleurde plaat. (Zie ook de fig. op pag.176).De mannen hebben de oude kleeding niet zoo goed bewaard als de vrouwen; toch hebben wij daarvan op de plaat nog een voorbeeld. De Axelaar had vroeger, als alle Zeeuwen, zijn knoopen en broekstukken, zijn gebloemden hemdrok, zijn signetten en cachetten, zijn pijpekot en zijn gespen. Fluweel was hier veel meer in gebruik dan op Walcheren, en omdat het een rijke streek was, waren de sieraden er grooter. Veel er van wordt door de erfgenamen bewaard, maar niet gedragen; het ronde hoedje wordt door een pet vervangen, maar de ernst van het karakter en het uiterlijk blijven nog dezelfde als voorheen. Vroeger was het des Zondags aan den hoed te zien, of men een gewoon mensch dan wel een magistraat voor zich had.De Axelsche boerenmeisjes, vooral de gegoede boerendochters, zijn nog eigenaardig gekleed (zie 6, 7, 12 en 13 dergekleurde plaat). De hooge schoudertoppen, waartusschen het hoofd als is weggezonken, herinneren min of meer aan de kleeding in den tijd van vader Cats, en het geheel dezer vrouwendracht doet denken aan de rijke, maar stijve kleederen der Spanjaarden. Waar de Axelsche kleeding vandaan komt en wanneer deze is ingevoerd, weet men niet. Op de hofsteden wordt de oude kleeding nog gedragen door de meisjes; in de grootere plaatsen, als Axel en Ter-Neuzen, is de gewone burgerkleeding al meest ingevoerd.Gaan wij enkele deelen dier kleeding nog nader na. Vroeger droeg men hier een stijve Walcherensche muts, en onder den arbeid doet men dat nog, een herinnering aan de betrekking tusschen beide gewesten. In de dorpen en steden dragen de meisjes thans reeds mutsen, overeenkomende met die op Tolen of Schouwen, terwijl overigens de kleeding burgerlijk is.De oude Walcherensche versierselen worden nog door de landmeisjes gedragen, maar de vormen zijn anders en rijker. De “naelde” van vroeger is afgeschaft, maar de Walcherensche krullen ziet men hier weder. Zij staan loodrecht en worden veel hooger gedragen, niet naast, maar boven de oogen. Naast de krullen schitteren bij ongehuwden twee prachtige spelden of knoppen, zooals men ze niet op Walcheren, maar wel op Tolen ziet; zij zijn van goud, met of zonder pareltjes er bij. Aan de krullen hangen geen bellen, zooals bij de dames in de steden, maar andere “hangers”, die prachtig en zeer groot zijn, met steentjes of parelen. Men spreekt hier ook van “strikken”, zooals men op Walcheren gewoon is te dragen. Uit alles blijkt, dat de landman hier in den regel ruimer met aardsche goederen gezegend is dan de Walcherensche boer, en dat men, bij allen eenvoud des gemoeds, toch gaarne zijn rijkdom laat uitkomen door een soliede weelde.De beuk en het doekje, die wij vroeger bij het Land-van-Goes als eigenaardig voor de Zeeuwsche kleeding beschreven, vindt men ook hier terug, maar prachtiger. Het is Vlaamsche sier, die met Zeeuwschen eenvoud vereenigd is, zegt Dr. de Man. Het doekje is echter een doek geworden, hoewel geen omslagdoek, maar een stuk, dat bij jak en beuk tehuis behoort.De beuk wordt door de meisjes zelf gemaakt. Zij zijn hier echter niet, zooals op Walcheren, gesteld op zuiver wit voor Zondagsche kleeding, maar houden meer van kleuren, waaruit eenigszins een zuidelijker aard spreekt. De beuk is wel dikwerf wit, maar wordt dan toch nog door levendig gekleurde koralen versierd. De koralenversiering neemt van Walcheren af naar het oosten en zuiden toe. Op Walcheren vindt men aan de beuk somtijds een rand van glasheldere koralen; bij de Nieuwlandsche meisjes komen die al meer voor en de Roomsch-Katholieke meisjes op Zuid-Beveland dragen reeds boven de beuk een kraag van gekleurde koralen. Doch Axel gaat in dezen het verst.Zuiddam te Axel.Zuiddam te Axel.De doek tusschen beuk en jak is een voornaam deel van de vrouwenkleeding alhier, evenals in andere streken van Zeeland. Doch die doek wordt in Axel anders gebruikt. Voor de meisjes uit Axel moeten de doeken afzonderlijk geweven worden en zij kosten dan ook wel 25 gulden. Zij hebben, uitgespreid, een oppervlakte van een vierkanten meter. De doek wordt geweven van gekleurde zijde en die kleuren moeten echt sprekend zijn, terwijl een groote bloem met randen of rosetten moet uitkomen. Hij versiert niet alleen boezem en rug, maar geeft door de plooien met hooge schouders, die verder worden aangevuld met een onderstuk, een zeer eigenaardig postuur aan de vrouwengestalte, dat voor Axel kenmerkend is. De opspitsende schouders schijnen in de laatste halve eeuw in hoogte te zijn toegenomen.De rokkenomvang der vrouwen van Axel herinnert aan dien van Walcheren, is zelfs nog grooter. De wijd uitstaande buitenrok is hier altijd zeer stijf, zwart moiré, mooi opgelegd met een rand van gebloemd fluweel van scherpe, sprekende kleuren. Een rood baaien rok vormt gewoonlijk nog een van de vele, die zij dragen. De schort is bijzonder groot en omsluit al die rokken bijna geheel; denaam “voorschoot” past er dan ook niet voor. Zij is van gekleurde zijde, afgezet met blauw of ander lint, en om haar vast te binden gebruikt men veelal een breeden, doorgaans gekleurden, op fluweel gehechten band, die van voren goed te zien is.Het Land-van-Hulst was oudtijds afgescheiden van het Land-van-Axel door het Hellegat, eens een breede waterarm van Hulst naar het noorden, doch die in 1845 binnen enger grenzen werd gebracht. Dit water bewerkte een scheiding tusschen de bewoners aan beide zijden, welke ook hierdoor bevorderd werd, dat Axel meer met Walcheren en Gent in betrekking kwam, Hulst meer met Noord- en Zuid-Brabant en het nabijgelegen Antwerpen.De bewoners van het Land-van-Hulst zijn grootendeels Katholiek; alleen in de noorderstreek vindt men nog enkele Protestanten. Het Hulsterland vormt derhalve meer een overgang naar het Belgische.Al is er in Hulst nog wel iets eigenaardigs in de kleeding overgebleven, waardoor de vrouwen uit het Land-van-Hulst zich van die uit de overige gedeelten van Zeeuwsch-Vlaanderen onderscheiden, toch gaat het eigenaardig landelijke en ook de Hulster kleederdracht meer en meer verloren. In de plaats Hulst ziet men alleen de stedelijke kleederdracht. Verschil in kleeding tusschen Protestanten en Katholieken bemerkt men hier niet.Vrouwen uit het Land-van-Hulst.Vrouwen uit het Land-van-Hulst.De vrouwenmuts in het Land-van-Hulst, van fijne kant vervaardigd, gelijkt niet op de mutsen, elders in Zeeland gedragen, maar komt meer met de Noord-Brabantsche overeen; bij beide daalt de kant naar beneden en van achteren komen de vleugels of slippen wel bij elkander, maar eenvoudig tot den hals en niet met een lange strook langs den rug. Onder de bovenmuts wordt een zwart zijden ondermutsje gedragen, veel in kleur en stof verschillend van de Walcherensche en Goesche muts. De muts wordt naar het zuiden meer Brabantsch, zoodat men den overgang kan waarnemen. Bij de mutsen gebruikt men een weelde van spelden als nergens anders; bij haar toilet gebruikt het Hulster meisje alleen voor haar muts wel 300 à 400 kleinemutsenspelden. Het haar, dat iets donkerder is dan op Walcheren, wordt door de vrouwen in een scheiding gedragen. Oorijzers of beugels met krullen of boeken aan beide zijden van het hoofd draagt men hier niet; dit wijst er op, dat de Hulstenaars niet van dezelfde afkomst zijn als de Zeeuwen. Het haar dragen zij zonder bellen, naalden of andere sieraden, maar bellen dragen zij wèl in de ooren.Van de aanzienlijke plaatsen in dit gewest wijzen wij op Sas-van-Gent, gebouwd aan een sluis of sas aan het einde der vaart, die de Gentenaren met vergunning van Filips II in de 16eeeuw hebben gedolven van Gent naar het Sassche Gat, om hierlangs een kortere vaart naar de Wester-Schelde te verkrijgen. Doch door de dichtslibbing van het Sassche Gat en de daarop volgende bedijking kwam Sas-van-Gent in het midden van het land te liggen, waardoor de plaats in bloei achteruitging. Zij leefde echter weder op na het graven van het Kanaal-van-Gent naar Ter-Neuzen in 1826. Door zijn ligging aan de grens heeft Sas-van-Gent veel fabrieken. Het is een nette plaats.Aan het noordelijk einde van dit kanaal ligt Ter-Neuzen, een havenstad aan de Schelde, nog altijd met vestingwerken. De stad heeft haar bloei te danken aan het Kanaal van Gent.Axel is een oud plaatsje, dat reeds bloeide in de 9eeeuw, doch thans niet meer is dan een klein plattelandsstadje.Hulst is een aanzienlijk en ruim gebouwde plaats, met luchtige straten, welke meest op de markt uitloopen. De door kastanjes beschaduwde markt is omringd door nette huizen en aan het marktplein verrijst het stadhuis met vierkanten toren, die in drie achtkante omgangen uitloopt, terwijl een hooge, hardsteenen pui, met wapens in hardsteen, aan den voorkant, toegang geeft tot de vestibule.Hulst heeft een fraaie Gothische kruiskerk, met houten toren op het kruis.Ook Hulst is een oude stad, die in de 12eeeuw al bloeide en ontstaan is om een burcht nabij de voormalige Asscherpoort. In 1618 werd Hulst in een sterke vesting herschapen, doch na 1795 werden de verdedigingsmiddelen niet meer onderhouden. De stad bloeit thans door het marktverkeer; zij staat in nauwer betrekking tot Antwerpen dan tot Nederlandsche steden.Wij nemen hier afscheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, gaan per tram naar Walsoorden, varen hier weder over de Schelde, wandelen naar het station Hansweerd om verder te reizen naar het vasteland en vervolgens onze wandelingen door Nederland in Noord-Brabant voort te zetten.

Nu wij de Zeeuwsche eilanden bezocht hebben, begeven wij ons van hier naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Wij zullen de boot nemen van Vlissingen naar Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen vervolgens van het westen naar het oosten doorwandelen, om daarna van Hulst naar Walsoorden aan de Schelde het land nog eens dwars te doorsnijden, de Schelde weder over te gaan met het veer naar Hansweerd, om van hier binnen enkele minuten den spoorweg van Zuid-Beveland weder te bereiken.

Voor hem, die de breede Schelde niet wil overvaren, is er geen andere gelegenheid, om in Zeeuwsch-Vlaanderen te komen, dan over Antwerpen en van daar over St. Nicolaas met den trein naar Hulst te reizen en zoo verder. Wie ten W. van den Braakman wil zijn, moet over Gent reizen, vervolgens naar Eecloo of Maldeghem, om hier een tram te kiezen.

Wij begeven ons weder naar Vlissingen, gaan daar aan boord van een boot en bevinden ons weldra op de breede Hont of Wester-Schelde. Het bevaren van de Schelde heeft iets grootsch en indrukwekkends. Dat aan deze breede watervlakte de naam is gegeven van de rivier, welke België doorstroomt, is in strijd met de natuurlijke geschiedenis van het land. Want wij bevinden ons in werkelijkheid op een inham der zee, een schepping van de zee, waar de oceaan zijn zoute wateren bij elken vloed nog in uitstort en als een zware, rijzende golf voortstuwt tot bij Antwerpen, om daarna, vereenigd met het water, dat de Schelde afvoert, terug te keeren. De rivier de Schelde eindigt eigenlijk ongeveer daar, waar zij de Nederlandsche grens bereikt, ten einde hier in den inham, welken de zee heeft geschapen als om de rivier tegemoet te gaan, uit te monden. De oudere schoolgeographen, die als één van de drie hoofdrivieren van Nederland ook de Schelde noemden, eischten voor ons land iets op, wat Nederland niet toekomt, omdat de Schelde als rivier bijna geheel Belgisch is; wij nemen enkel haar rivierwater over en niets meer.

Achter ons begint Vlissingen langzaam weg te nevelen en aan den overkant van de Schelde zien wij de vage massa van struiken allengs aangroeien en zich vervormen tot stammen. Tal van witte zeilen zwieren lustig om ons over de zacht deinende watervlakte. Zoo hier en daar stijgt de zware rookzuil op van een groot stoomschip, dat zijn ladingen uit verre landen aanvoert naar of afvoert van Antwerpen, de eerste koopstad der Schelde. De groote buitenlandsche stoombooten worstelen en stampen tegen den ebstroom, en strepen van schuimend kielzog wijzen nog lang den weg aan, dien zij hebben afgelegd. Tusschen die vaartuigen door laveeren een paar loodskotters, die zee kiezen, om den schepen den weg te wijzen naar en door de Schelde, te midden van de gevaarlijke banken.

Wij vorderen meer en meer; de kerktorens, huizen en boomen van Walcherens zuidpunt duiken weg aan den horizon, en uit den blauwgrijzen, nevelachtigen band, welke, van Vlissingen gezien aan de overzijde lucht en water scheidde, ontwikkelt zich langzamerhand duidelijk de hooge dijk, waarboven een toren, roode daken, enkele boomen en scheepsmasten zichtbaar worden. Onze vaart heeft ongeveer een half uur geduurd; thans zijn wij voor de haven van Breskens. Als de stoomboot door het water binnen kan loopen, komen we zonder moeite aan wal, doch als het lage water ons noodzaakt, om aan het hoofd uit te stappen, hebben wij een moeielijke wandeling over de ongelijke steenen der zeewering, glibberig door de overstrooming van het vloedwater.

De zeemondingen van het delta-land hebben een eigenaardige bekoring door de voortdurende afwisseling, welke zij in hun uiterlijk aanbieden bij het dagelijksch spel van vloed en ebbe. Hier, in de Wester-Schelde, is het verschil in waterstand nogal aanzienlijk en het neemt van den mond tot dicht bij Antwerpen in grootte toe. Te Vlissingen en Breskens bedraagt het gemiddelde verval van den waterstand bij de getijden 36 d.M. (bij springtij 46 d.M.), te Terneuzen 39 (bij springtij 49), te Bath 44 (bij springtij 51) en te Antwerpen 43 d.M. Door deze groote rijzing van het water bij vloed is de Schelde zoo ver in het land voor groote schepen bevaarbaar.

Gedurende laagwater vormt de Schelde een reeks van uitgestrekte, zonnig grijze vlakten, tijdelijke rustplaatsen voor tienduizenden blanke zeevogels, meer of minder in blinkende schittering gehuld, naarmate de eb lager afloopt. Golvende, zilveren banden, van onregelmatige breedte en vorm, doorsnijden die platen langs de diepere geulen en met zijarmen strekken die zich uit, als om enkelen kleinen meertjes, op de banken verstrooid, de hand te bieden in hun eenzame verlatenheid, bijna afgezonderd van de zee.

Slechts kort duurt die toestand, want na een kwart etmaal rijzen de wateren weder, eerst schuchter, als om de eilanden onmerkbaar en spelend te naderen,en straks met meer kracht, als om ze te bestormen. Aanvankelijk nemen de golven de buitenwerken veroverend in; verder doen zij bij hoogen vloed de banken, gorzen en schorren weder verdwijnen door het overwinnend heir van de steeds krachtiger aansnellende legerscharen der golven, die over het overwonnen land met huppelenden pas voortijlen naar de bolwerken langs den oever, welke hun, dank zij den verdedigingswerken onzer waterstaatsofficieren, het “tot hiertoe en niet verder!” toeroepen. Dan worden deze groote, breede ruimten één uitgebreide watereenzaamheid, één geluidlooze ruimte zonder omlijning, zonder eenig houvast voor het oog.

Op dit oogenblik strekt de Schelde zich nog in haar volle uitgebreidheid, doch kalm en rustig, uit. Maar wild en onstuimig kan ook die waterarm worden, dreigend en jagend. Als de westenwind uit zee komt aangieren en de golven doet schuimen, bruisen en koken met donderend geraas, waar zij met de banken in strijd komen; als de zwellende vloeden in woedend geweld tegen elkander opsteigeren en, hier in de nauwte doorgedrongen, tot bergen van water en hooge kruinen van schuim opdrijven, dan dreunen de dijken bij de zware aanvallen en mokerslagen van hun machtigen vijand, dien zij trachten tegen te houden.

Als wij te Breskens voet aan wal zetten, krijgen wij door de indrukken der plaats en van het volk bijna onmiddellijk een gevoel, of wij in een vreemd land zijn. Wel hooren wij nog de Nederlandsche taal spreken, maar zij is met zooveel vreemde elementen vermengd, dat men daarin buitenlandsche invloeden onmiddellijk kan ontdekken. De bouw der woningen, de inrichting der nederzettingen, de namen der herbergen, de “estaminets”, de kleeding, schier in alles bemerken wij iets, dat Zeeuwsch-Vlaanderen van het overige Nederland onderscheidt.

Zeeuwsch-Vlaanderen is dan ook een “achterhoek van den overkant”, zooals Nagtglas het noemde; het vormt een overgang tot het Belgische Vlamenland en behoort er geographisch nader toe dan tot Zeeland. Toch bestaat er in het volkseigene dier beide streken nog groot verschil, dat men spoedig opmerkt, als men over de grenzen naar België gaat. Men vindt in het Belgische niet alleen overheerschend een anderen godsdienst, andere kleeding, andere volksgebruiken en gewoonten, maar ook een andere taal, een taal, zoozeer afwijkend van het Zeeuwsch-Vlaamsche dialect, dat de Zeeuw, die in Zeeuwsch-Vlaanderen een zusterspraak hoort, welke hij terstond herkent, waarmede hij zonder eenige moeite spoedig vertrouwd is, de taal over de rijks-grens als een vreemde taal beschouwt, grootendeels voor hem onverstaanbaar. Dit verschil is zeer in ’t oogvallend, omdat beide gedeelten niet door een natuurkundige grens van elkander gescheiden zijn, maar geographisch in elkander overgaan, terwijl er een dagelijksche aanraking tusschen beide gedeelten plaats heeft, thans nog bevorderd door spoorwegen,kanalen, trams, enz. Daarenboven is dit verschil opmerkelijk omdat vóór een viertal eeuwen het volk aan deze en gene zijde van de tegenwoordige staatsgrens één was. Het oude Vlaanderen strekte zich uit tot de Wester-Schelde, en in dien tijd bestond ook dat taalverschil niet, zooals blijkt uit de geschreven stukken der 16eeeuw. Wij hebben hier dus het verloop van een scheidingsproces in historischen tijd op te merken, waardoor een volk, één van afkomst, verdeeld werd. Doch bovendien heeft in het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen de invloed van een binnenlandsche kolonisatie gewerkt, die hier volkselementen uit het overige Zeeland aanbracht, welke met het bekende conservatisme, den Zeeuw eigen, hun dialect, gewoonten en kleeding ten deele bewaarden, maar onder den invloed van het Vlaamsche toch eigenaardig ontwikkelden.

Het West-Vlaanderensche en het Zeeuwsch-Vlaanderensche (bijv. in het district van Sluis) zijn zeer verschillende dialecten. Waaruit is het verschijnsel te verklaren, dat o. a. in het gebied van Sluis de volkstaal met het Walcherensche dialect meer overeenkomst heeft dan met het West-Vlaamsche?

Niet onwaarschijnlijk werd de Zeeuwsche invloed in ouden tijd ook al tot ten zuiden van de Schelde uitgebreid, zooals o. a. hieruit valt af te leiden, dat de Zeeuwen in 1180 Damme bedijkten. Maar de invloed der Zeeuwsche taal, hoewel misschien op het eiland Kadzand het best bewaard, moest door het leven der bevolking met en in Vlaanderen wel verloopen, en uit de geschreven stukken der 16eeeuw valt overeenkomst in dialect tusschen Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen af te leiden, gelijk wij zeiden.

Na dien tijd evenwel werd de scheiding voltooid. Tijdens den Spaanschen oorlog vluchtten vele bewoners om den wille van den godsdienst uit Vlaanderen naar Walcheren, hielden daar langen tijd verblijf en brachten, van daar terugkeerend, natuurlijk de taal mede, die zij er hadden aangenomen. Zelfs werd uit het Walcherensche de vrouwenkleeding gedeeltelijk overgenomen en de ouderwetsche zeden in westelijk Zeeuwsch-Vlaanderen hebben daarmede ook de meeste overeenkomst.

De invloed der staatkundige vereeniging met Noord-Nederland deed zich vervolgens in Staats-Vlaanderen gevoelen. Van West-Vlaanderen was men gescheiden, doch met Zeeland stond men door handel, rechtsbedeeling, godsdienst, bloedverwantschap en omgang in de nauwste betrekking. Daarenboven vestigden zich vele Zeeuwen in Staats-Vlaanderen. Dit alles werkte samen, om hier den Zeeuwschen tongval de overhand te doen verkrijgen, en deze werd de grondslag van de zich ontwikkelende taal.

Maar toch, het Zeeuwsch was er niet zuiver, want in Staats-Vlaanderen vestigden zich ook vele vreemdelingen, die hun eigenaardige taalelementen oplosten in het Zeeuwsche. Franschen, Walen, Luikenaars en Salzburgers kwamen hier aan. Door hun invloed werd de taal gewijzigd. “De taal is eenZeeuwsch gebouw, op een Vlaamschen grondslag omhoog gerezen, dat hier een uitheemschen vorm heeft aangenomen,” zegt de heer H. Q. Janssen, die deze dialecten goed kende.

Gaat men de dialecten meer in bijzonderheden na, alsmede de nationale kleeding, dan zijn er drie gedeelten in Zeeuwsch-Vlaanderen te onderscheiden. Het westelijk gedeelte, ten W. van den Braakman, heeft een Vlaamschen grondslag, onder Zeeuwsche invloeden gewijzigd; het Land van Axel, ten O. van den Braakman, is meer Zeeuwsch getint, en het ten oosten daarvan gelegen Land-van-Hulst is meer met Brabant en Antwerpen verwant. Wij komen later hierop terug.

In de eerste plaats een blik op de geschiedenis des bodems en der bewoners.

Het is geen gemakkelijke taak de veranderingen van Zeeuwsch-Vlaanderens bodem en wateren in historischen tijd na te gaan, en wij willen dit ook geenszins beproeven. Daarvoor is buitengewone locale kennis noodig naast studie van de bronnen. Wel zijn er kaarten van het oude Zeeland en ook van Zeeuwsch-Vlaanderen geconstrueerd uit gegevens, welke men aan de geschiedenis ontleende, doch dikwijls liet men zich daarbij ten deele leiden door onbewezen gissingen. De voorstelling, welke Ab Utrecht Dresselhuis in zijn kaart van Zeeland omstreeks 1200, gegeven heeft van Zeeuwsch-Vlaanderen, wordt op vele gronden als onjuist beschouwd.

Wij hebben voor dit werk een historische kaart laten reproduceeren van Zeeland naar een voorbeeld, dat een copie is van Lieven van Thuyne, gemaakt volgens een kaart, die van 1288 heet te zijn. De echtheid dezer kaart wordt door enkelen bestreden, door anderen verdedigd. Geheel juist is ook deze kaart zeker niet, maar wij meenden haar toch te moeten overnemen, om daarmede, zij het ook niet in details nauwkeurig, toch een algemeen beeld van den vermoedelijken toestand van oud-Zeeland te geven. Voor Zeeuwsch-Vlaanderen schijnt ons deze kaart juister dan die, welke Dresselhuis ontwierp; voor de overige gedeelten heeft die van Dresselhuis misschien meer waarde.

Zonder nu in bijzonderheden te treden, gelooven wij ons Zeeuwsch-Vlaanderen, evenals het overige gedeelte van Zeeland, vóór den aanvang onzer jaartelling te moeten voorstellen als een laag kustland, van onderscheidene waterarmen doorsneden, maar toch over ’t geheel droog gelegen. De lagere waterstand der zee, welken wij reeds vroeger aannamen voor dien tijd, geeft ons grond tot een dergelijke veronderstelling. Daardoor was dit kustland bijzonder gunstig gelegen voor de eerste scheepvaart en had zich hier in de eerste eeuwen onzer jaartellingreeds een bevolking gevestigd, die, evenals op de kustplaatsen van Zeeland (Domburg enz.), tot een hooge welvaart was gekomen.

De waterarmen in het kustgebied waren meest niet zoo breed als later, het Zwin misschien uitgezonderd. Het Zwin was een waterarm, die van den mond der Wester-Schelde in zuidelijke richting zich tot Brugge uitstrekte, waar het een natuurlijke haven vormde, terwijl onderscheidene smallere zij-armen er mede waren verbonden. Vóór 1180 vloeide het zeewater tot Brugge, doch dewijl deze stad gevaar liep van overstroomd te worden, versterkte men den afsluitingsdijk, die een uur beneden Brugge liep, en de stad aan dien dijk, Damme, werd daardoor de voornaamste haven van dit gewest. Aan het Zwin hadden zich ook andere nederzettingen gevormd: o. a. Sluis, Oostburg, e. a. Toen het Zwin als een doodloopend water, waarin de vloed opliep, om daarna terug te keeren, in den lateren tijd meer en meer dichtslibde in den bovenloop, werd de handel vervolgens naar Sluis verplaatst, gelijk wij zien zullen, terwijl ook deze plaats later een landstad werd.

Het Vlaamsche kustland, ten Z. langs de Schelde, werd al vroeg bewoond; hier begon St. Amand in het begin der 7eeeuw met St. Eloy de evangelieprediking, en in dien tijd bestonden Oostburg en Aardenburg reeds. De evangeliepredikers stichtten hier onderscheidene kloosters. Van het leggen van dijken en het inpolderen wordt niet gesproken vóór ± 1100, toen de genoemde dijk bij Damme gelegd werd. Het komt ons niet onwaarschijnlijk voor, dat in die eerste eeuwen het leggen van zware dijken niet noodig was, evenmin als in Holland, zoodat er enkel lagere kaden werden aangetroffen.

Toen evenwel de rijzing van het niveau der zee na de 10eeeuw zich langs de geheele kust openbaarde, die in het noorden de Zuiderzee deed ontstaan (zie I pag. 14 en 341), nam ook hier aan de kust de landvernieling aanvang. Langs de waterarmen, misschien wel door lage kaden omringd, spoelde het slappe land weg en het water drong er dieper in door. Aldus loste Zeeuwsch-Vlaanderen, voor zoover de bewoners door het leggen van dijken er geen voldoenden tegenstand aan boden, zich op in onderscheidene eilanden, door breede wateren gescheiden. Dit proces zette zich voort tot de 16eeeuw en deed heel wat land teniet gaan. Het Zwin werd breeder, hoewel tevens in het zuiden langzamerhand ondieper; de Braakman vormde zich tot een woest water (± 1440), het Land van Saeftinge in het oosten verdween in de golven (bij onderscheidene vloeden in de 16eeeuw); het Hellegat werd een breede inham, enz. In dien strijd werd de gedaante van het land geheel veranderd en weken de bewoners terug voor het water, terwijl de onrustige oorlogstijden der 16eeeuw niet de noodige zorg deden besteden aan het onderhoud van de verdedigingsmiddelen voor het land.

Doch na die woeste overwinningen der zee begon weder de aanwinst vanland. Toen het proces der landvernieling gestaakt werd, toen de bevolking tot eenige rust kwam en de dijken werden aangelegd of versterkt, terwijl alleen enkele binnenwateren met de zee in betrekking bleven, voerde het vloedwater bij elk getijde nieuw slib aan, dat in die doodloopende wateren bezonk. Sliklagen vulden de binnenwateren op, en vroeger goede havensteden als Damme en Sluis konden weldra niet meer bereikt worden door de schepen uit de zee.

De ontwikkelende landbouw maakte zich meester van de aanwassen, om het verloren land te herwinnen, en zoo werd Staats-Vlaanderen in een gebied met aaneengesloten bedijkingen veranderd. Het vroegere Zwin, waar oudtijds zulk een aanzienlijke handel gedreven werd, waarvan Maerlant getuigt in de Wapene Martijn:

“Al waert al dijn, dat comt in ’t Zwin,Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;”

“Al waert al dijn, dat comt in ’t Zwin,

Gout, Zilver, Loot, Staal, IJzer, Tin;”

waar in 1340 voor Sluis een zeeslag geleverd werd, bij welke de Fransche vloot, 123 zeilen sterk en met 40000 koppen bemand, door de Engelschen overwonnen werd, aangevoerd onder koning Eduard in persoon; waar in 1484 aartshertog Maximiliaan met wel anderhalf honderd schepen binnenliep, is langzamerhand geheel verdwenen. In 1648 werd het uit naijver der provinciën afgesloten, waarna het door opgroeiing en inpoldering steeds verkleinde. In 1872—73 verdween het laatste gedeelte door de bedijking van den Willem-Leopoldpolder. Nog in onzen tijd zet die arbeid van landaanwinst zich voort; in den Braakman en in het Land van Saeftinge hadden de laatste inpolderingen plaats.

Zoo is Zeeuwsch-Vlaanderen van een handelsgewest met bloeiende koopsteden en levendige zeevaart in den loop der laatste vier eeuwen een landbouwstreek geworden. De steden hebben daardoor veel van hun beteekenis verloren, doch het land is er bij vooruitgegaan. Door de herhaaldelijk nieuwe ingepolderde landen kwam er grond beschikbaar en vestigden zich hier ook kolonisten van Zeeuwsche eilanden, zelfs uit vreemde landen. Dit had ten gevolge, dat men er tegenwoordig nog zooveel volkselementen kan opmerken, die niet zelden van polder tot polder verschillen in godsdienst, zeden, gewoonten en kleederdracht.

Staatkundig heeft Vlaanderen in de oudheid een groote beteekenis gehad. Men verstond daaronder in de latere middeleeuwen het graafschap, dat ten N. grensde aan de Noordzee en den mond der Schelde, zoodat het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot het graafschap Vlaanderen behoorde en de Schelde de grens ervan uitmaakte. Verder vormden in het O. het markgraafschap Antwerpen, het hertogdom Brabant en het graafschap Henegouwen de grens, in het Z. Henegouwen, het graafschap Artois en een gedeelte van Picardië, en in het W. de Noordzee. In den tijd van Lodewijk den Vrome had Vlaanderen reeds eenzekere, doch beperkte uitgestrektheid verkregen en kwam het als een afzonderlijk land voor. Als zoodanig wordt het vermeld in het voorschrift, dat Lodewijk gaf omtrent de verdeeling van zijn landen in 838. Een streek bij Brugge komt in de 7eeeuw het eerst voor onder den naam van Pagus Flandrensis, waaraan de naam van het graafschap ontleend schijnt te wezen. Men meent, dat de Frankische koningen het land tot in de 9eeeuw door houtvesters (forestiers) deden besturen. Een van hen, Boudewijn met den IJzeren Arm, verwierf in 863 de hand eener dochter van Karel den Kale, die het gebied van zijn schoonzoon vergrootte en tot een graafschap verhief. De graven van Vlaanderen leefden herhaaldelijk in oorlog met hun naburen, vooral met de Graven van Holland, over het bezit van Zeeland ten westen van de Schelde (zie pag.192), dat zijn de eilanden Walcheren, Zuid-Beveland, Noord-Beveland e. a., welke na 1323 aan Holland kwamen.

Bij de oorlogen van Vlaanderen met Frankrijk, de inwendige beroeringen, den vrijheidsstrijd van Jacob van Artevelde, waardoor de Fransche invloed in Vlaanderen bedwongen en de grond tot de zelfstandigheid van het land gelegd werd, zullen wij niet stilstaan. Door Philips den Goede werd Vlaanderen, met nog andere deelen van Nederland, onder één bestuur vereenigd, in 1429 met het graafschap Namen, in 1430 met de hertogdommen Brabant en Limburg, in 1433 met de graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. Al die bezittingen, vermeerderd met het hertogdom Luxemburg, vielen in 1467 ten deel aan Karel den Stoute, in 1477 aan zijn dochter Maria, en door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk kwamen zij aan het Oostenrijksche huis. Onder Philips den Schoone kwam Vlaanderen met de andere Nederlandsche gewesten in nadere betrekking tot Spanje en deze duurde voort onder Karel V en Philips II, totdat de opstand losbarstte onder laatstgenoemden vorst. Vlaanderen nam daaraan aanvankelijk met ijver deel, schaarde zich voor en na aan de zijde van den Prins van Oranje, maar bleef ten slotte een provincie van de zuidelijke of Spaansche Nederlanden.

In het noordelijk gedeelte van Vlaanderen werd echter de grensstrijd tusschen Spanje en de Nederlanden gedurende den tachtigjarigen oorlog voortgezet. Hier werd door de noordelijke Nederlanden een gedeelte van Vlaanderen veroverd, dat in 1648 bij den vrede van Munster aan de Algemeene Staten werd afgestaan. Dit gedeelte verkreeg destijds den naam van Staats-Vlaanderen en behoorde tot de Generaliteitslanden. De grensscheiding was in het vredesverdrag niet nauwkeurig bepaald, doch nader werd die omschreven in het verdrag van 28 Sept. 1664; later kwam er in 1715 een nieuw, gewijzigd grensverdrag tot stand. Nog herhaaldelijk hadden er grenswijzigingen plaats, o. a. in 1718 en 1786.

Staats-Vlaanderen nu stond onder de oppermacht van de Algemeene Staten derVereenigde Nederlanden, die uit hun midden jaarlijks Gedeputeerden afvaardigden om de regeering der steden te bezetten, rekeningen op te nemen, enz. De Raad van State had het beheer over de geldmiddelen. Alleen langs de noordkust was een gedeelte, “het Committimus” geheeten, dat meer onder Gecommitteerde Raden van Zeeland stond.

De ingezetenen van Staats-Vlaanderen hebben in den tachtigjarigen oorlog met warmte de zaak der vrijheid omhelsd en daardoor was hun aansluiting bij de noordelijke gewesten bepaald, terwijl zij in de afscheiding van het overige Vlaanderen geen bezwaar zagen. De economische belangen, welke het gedeelte, dat sedert Staats-Vlaanderen heette, met het zuidelijke Vlaanderen hadden verbonden, hadden na de 16eeeuw niet meer de beteekenis van vroeger, gelijk wij nader zullen aantoonen, en daardoor werd de band tusschen beide deelen van Vlaanderen losser. Zelfs zag men daar niet zelden een bijzonderen ijver aan den dag leggen voor de belangen van het noorden.

Sluis en Hulst hebben bij de Pacificatie van Gent met kracht er op aangedrongen, dat de Spaansche, Hoogduitsche en Italiaansche krijgsbenden uit het land zouden verdreven worden, en zij hielden zich aan de Unie van Utrecht. Staats-Vlaanderen werd dan ook meest Protestantsch, alleen uitgezonderd het Land-van-Hulst, dat in de macht van Spanje viel en eerst in 1645 heroverd werd, evenals eenige gedeelten van heerlijkheden en dorpen, die eerst door den vrede van Munster er bijgevoegd werden, n.l. de streek lands tegenover Axel, ten zuiden van het Canisvliet, en de Staatsche gedeelten van de heerlijkheden Watervliet en Waterland en van het graafschap Middelburg. De kapellen, die de Roomsch-Katholieken hadden te Sluis en IJzendijke, waren meer in ’t belang van de bezetting dan van de burgerij.

Na de herstelling van onze onafhankelijkheid in 1815 werd het vroegere Staats-Vlaanderen tot de provincie Zeeland gerekend en is daarbij gebleven, al zijn de grenzen niet geheel dezelfde. Sedert wordt dit gedeelte van Nederland meest Zeeuwsch-Vlaanderen genoemd.

In economisch opzicht was Vlaanderen een tijdlang het belangrijkste gewest der Nederlanden. Vlaanderen trok voornamelijk voordeel van den door de kruistochten in het leven geroepen nieuwen staat van zaken op het gebied van handel en verkeer. In dien tijd werd in Vlaanderen de eerste groote tusschenmarkt voor den wereldhandel geopend. Verschillende omstandigheden werkten daartoe mede. Vlaanderen was van de zuidelijke gewesten der Nederlanden het eenige, dat door de zee bespoeld werd, en tevens het meest bevolkte gebied. De Vlaamsche steden waren in dien tijd reeds de aanzienlijkste, met een levendige nijverheid, terwijl de bodem er uitermate vruchtbaar was en goed bebouwd werd.Van de zee kon men langs de onderscheidene waterarmen in het land doordringen, en op deze inhammen had zich een drukke scheepvaart ontwikkeld met stoute zeelieden, die met de Zeeuwschen het eerst flinke tochten over den oceaan waagden. In den tijd der kruistochten werden kruisvaarders uit het westen door Vlaamsche schepen overgebracht naar de Middellandsche Zee en met Oostersche voortbrengselen kwamen die terug. Daardoor werd Vlaanderen als vanzelf de markt voor de Oostersche waren, en door zijn geographische ligging, ongeveer midden tusschen de Oostzee en Middellandsche Zee, was dit gewest in de middeleeuwen aangewezen, om de handelaren der Hanze en die der Italiaansche steden aan de Middellandsche Zee tot elkander te brengen. Vlaanderen werd het ontmoetingsgebied tusschen noord en zuid; zoo ontwikkelden zich deze havens tot centrale markten voor den wereldhandel. De Vlaamsche nijverheid gaf daaraan tevens voedsel, terwijl zij op haar beurt door den handel werd gesterkt.

Tot de belangrijkste steden van Vlaanderen behoorden Brugge, Gent, Yperen, Oudenaarden, Rijsel, Aalst en Kortrijk. In al deze steden, bovenal te Gent, bestonden lakenfabrieken. Voor de scheepvaart was vooral Brugge het gunstigst gelegen. Deze stad lag wel niet dicht bij de kust, maar zij had met de zee gemeenschap door het reeds beschreven Zwin langs Damme en Sluis. In de 13eeeuw werd Brugge de groote voorraadschuur der voortbrengselen van Europa en het Oosten, de stapelplaats van den geheelen Nederlandschen handel. De toevloed van vreemdelingen te Brugge en de toeneming der bevolking maakten de stad een tijdlang tot de aanzienlijkste der Nederlanden; hier waren in het midden der 14eeeuw ongeveer 150.000 inwoners gevestigd en de beurs van Brugge beheerschte den wereldhandel. Het Hanzeverbond, Londen, Bristol, Avignon, Lissabon, Barcelona, Pisa, Genua en Venetië, alsmede Noord-Nederlandsche steden, hadden hier hun handelskantoren; papier op Brugge was gangbaar door de geheele wereld.

Toen de waterverbinding van Brugge met de zee slechter werd in de 16eeeuw, werd Antwerpen, zoo gunstig gelegen aan de Schelde, de opvolger van Brugge en de beheerschende stad van den wereldhandel, om die rol te blijven vervullen, tot de inneming van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585.

Door dit alles vormde de kuststreek van het tegenwoordige Zeeuwsch-Vlaanderen tot de 16eeeuw het voorland van het aanzienlijkste handelsgebied der aarde en ontwikkelden zich hier aan de mondingen der wateren belangrijke voorhavens, die grooter welvaart verkregen, naarmate het verkeer op de hoofd-handelssteden door de dichtslibbende wateren meer bemoeilijkt werd. Daardoor waren de steden van Staats-Vlaanderen met den bloei der zuidelijke handelssteden van Vlaanderen verbonden. Doch sedert de handelsbloei van het achterland achteruitging of ophield, werd ook die betrekking minder, de behoefte aannauwe aaneensluiting geringer. Dat was reeds het geval in het midden der 16eeeuw. Het noordelijke kustland van Vlaanderen gevoelde zich toen los van het in verval gerakende Brugge, trachtte zelf daarvoor in de plaats te komen, dewijl het nog open toegangen had uit zee, en deze omstandigheid bevorderde de scheiding tusschen noordelijk en zuidelijk Vlaanderen, deed het noordelijke nauwer bij Noord-Nederland aansluiten.

Dezen invloed der geographische ontwikkeling van den bodem op de staatkunde meenden wij kortelijk te moeten aanduiden, omdat die medegewerkt heeft, om een deel van Vlaanderen aan Noord-Nederland te verbinden, waardoor wij een strook lands ten zuiden van de Wester-Schelde als een Nederlandsch gewest kunnen doorwandelen, hoewel het in afkomst nader aan het Belgische Vlamingenland verbonden is.

Door de geschiedenis is de bevolking van Zeeuwsch-Vlaanderen in karakter Vlaamsch, maar vanouds met internationale bestanddeelen vermengd, welke door het drukke verkeer in dit bedrijvig gewest gebracht zijn. In den tijd, toen het als Staats-Vlaanderen zijn wereldhandel reeds verloren had, maar als vruchtbaar landbouw-gewest bleef bloeien, was dit gebied een grensgebied, dat verdedigd moest worden en daarvoor ook vreemde elementen in zich opnam. Vooral de nieuw aanwassende polders vormden van tijd tot tijd een nieuw gebied, geschikt tot vestiging van vreemdelingen. De gastvrijheid, binnen de landpalen der Nederlandsche gewesten verleend aan hen, die elders om hun geloof vervolgd werden, maakte Staats-Vlaanderen tot een toevluchtsoord voor vele emigranten. Tal van familienamen herinneren er nog aan Fransche afkomst. Men ontmoet er de namen Du Rieu, du Pré, Risseeuw (Rossé), Toussaint, de Hulu, Erasmus e.a. schier overal; de naam Hennequin wijst op afkomst eener familie uit Noord-Frankrijk. De hartelijke ontvangst maakte voor de vreemdelingen de vestiging in deze gewesten aangenamer, en vooral de Franschen, die hier veelal kwamen met kapitaal, waren er zeer gezien. Zij vormen nog een aanzienlijke klasse onder de bevolking, een soort van aristocratie, en hebben er veel bijgedragen tot de ontwikkeling der welvaart.

Minder in aanzien waren de Salzburgsche immigranten. Toen in de eerste helft der 18eeeuw tal van plaatsen in Staats-Vlaanderen door koortsen ontvolkt waren, kwam er behoefte aan arbeiders op het land, dewijl vele boerenzoons geen lust hadden in den landarbeid en liever te scheep gingen of zich in de steden als heerenknechts verhuurden. Om hierin te voorzien, wisten de Staten-Generaal in 1732 een 700tal Salzburgers, die wegens hun Lutherschen godsdienst vervolgd werden, over te halen, zich hier te vestigen. Die lieden, verjaagd en verdrukt, kwamen na veel ellende in Staats-Vlaanderen aan, in de hoop hier geloofsvrijheid en arbeid te zullen vinden.

In de consistoriekamer van de Luthersche kerk te Groede hangt nog een plaat, gemaakt naar een schilderij uit die dagen, welke de uitdrijving dier verdrukten voorstelt. Hier wordt een drietal afgebeeld, in eenigszins theatrale houding voortschrijdend, het hoofd omhoog geheven, den bijbel aan het hart gedrukt, terwijl verder een moeder haar zuigeling in de armen heeft en een paar kleine kinderen met zich voert. Een man is neergevallen op den kruiwagen, waarop hij zijn bundeltje heeft geladen: alles, wat hem overbleef van zijn welvaart; hij is door smart overmeesterd. Een vrouw heeft zich omgekeerd; zij is op de knieën gezonken en strekt de armen uit naar de heerlijke bergen van haar vaderland. Zij kan niet scheiden. Maar naast haar, achter de anderen, overal staan de dragonders, om hen weg te drijven in ballingschap, naar een vreemd, onbekend land.

Doch hoe goed ook bedoeld, het leven hier viel den Salzburgers tegen, terwijl zij evenmin de behoefte aan werkkrachten op het land aanvulden. De Hollanders meenden, dat zij volstaan konden met de Salzburgers zoo goed mogelijk in hun huishouden te zetten en gaven nog eenige voorschotten in den eersten tijd. Voor de verzwakte lieden evenwel was het verschil in stand en arbeid te groot. Gewoon, in goud- en zoutmijnen te werken, bij metaalsmelterijen te arbeiden, konden zij niet gewennen aan den arbeid op de zware klei. Van den aanvang af zag men rusteloosheid, teleurstelling en moedeloosheid bij velen hunner. Bij troepen trokken zij het land door, in alle dorpen zoekend naar iets, wat op hun vaderland geleek. Er werd een kunstmatige werkverschaffing voor hen in ’t leven geroepen; een wolfabriek o. a. werd opgericht, om daardoor de schapenteelt aan te moedigen en den Salzburgers een arbeid te verschaffen, zooals zij dien wenschten. De Salzburgers zijn in aantal verminderd; velen vertrokken weder en hoofdzakelijk komen zij nog voor in Groede, waar de Luthersche gemeente een kerk heeft.

Na dit algemeene overzicht zetten wij onze wandeling voort door het landschap. Wij zullen eerst het Land-van-Kadzand in Zeeuwsch-Vlaanderen, ten westen van den Braakman, doortrekken. Wij bevinden ons in Breskens, een flink dorp, waar de nette, lage huizen grootendeels langs een breede straat zijn gebouwd. Er ligt reeds een Belgische tint over dit dorp. De bloei van Breskens dagteekent voornamelijk van den aanleg van den grooten weg, den breeden “Calcey-weg”, dien Napoleon I van Gent tot hier, in 1808, liet leggen, om de verbinding met Middelburg te verkrijgen, en die eerst tien jaren later voltooid werd.

De polders van deze gemeente zijn pas in 1619 op het water teruggewonnen.Toch was deze plek al in den Romeinschen tijd bewoond, zooals uit opgegraven penningen blijkt. Doch het oude Breskens werd in de 15eeeuw overstroomd. Hoewel in 1480 (of 86) op de golven herwonnen, ging het in 1570 door het bezwijken van den zeedijk opnieuw te gronde, om eerst later weer te worden aangelegd.

De weg van Breskens naar Groede, over de klinkers, is een lieve wandeling; olmen en populieren spreiden er hun beschuttend looverdak uit. Aan afwisseling ontbreekt het niet. Ter weerszijden zien wij nu eens uitgestrekte bouwlanden, waarop de voortreffelijke Zeeuwsche tarwe golft, dan weer heldergroen vlas, sierlijk gepluimde gerst, frissche suikerpeeën of welige weilanden, waarop het vee rustig graast in de schaduw der bloeiende, hooge meidoornstruiken. Houtgewas wordt niet gemist en de groote bouwhoeven liggen soms als in een bosch verscholen. De arbeiderswoningen zien er meer schilderachtig dan welvarend uit, en waar gij er enkele aantreft bij een klein, ouderwetsch, houten molentje, kunt gij u een paar eeuwen terugdenken, in den tijd, toen onze landschapsschilders dergelijke tafereeltjes zoo schoon op het doek wisten te brengen. De menschenbeweging is echter schaarsch in deze streken; het is er buitengewoon stil, zelfs tot het drukkende toe. Of die stilte ook invloed heeft op den geest en de opgewektheid der bewoners? De heer Nagtglas meende bij de arbeidersbevolking hier niet dat pit te vinden als elders.

Boven het lommer steekt een torentje uit: dat is Groede, een goed bevolkt dorp, met een schier uitsluitend Protestantsche bevolking. In den tijd der worsteling tusschen dwang en vrijheid stak men hier de dijken door en het land liep onder water. De kerk bleef toen achter te midden van het verwoeste land. Doch in de 17eeeuw ving men opnieuw met het dijken aan, en toen het land weder droog lag en in bezit genomen werd, is ook het oude kerkje in eere hersteld. Op een pleintje, tusschen frisch en bloemrijk plantsoen, staat daar het eerwaardige bedehuis, omringd door kleine, maar nette woningen.

In Groede vindt men een Luthersche gemeente met een eigen predikant en school. Zij dankt haar ontstaan aan de Salzburgers, wier komst in deze gewesten wij beschreven. Hoewel deze kerkelijke gemeente door belangrijke giften gesteund werd,—de wonderdokter Ludeman te Sloterdijk o. a. schonk er in 1749 tienduizend gulden aan—bleef zij kwijnen. De nakomelingen der Salzburgers zijn thans zoo verstrooid, dat men er nauwelijks meer sporen van kan vinden.

Ook de Fransche gemeente, uit rijker en arbeidzamer réfugié’s ontstaan, ging in het eerste gedeelte der 19eeeuw teniet, evenals de Doopsgezinde.

Vervolgens loopt de weg verder door de vruchtbare kleilanden naar Kadzand. Overal op dezen tocht zien wij, dat wij ons in een uiterst vruchtbare streek bevinden. Nergens ruischt de gerst voller en zwaarder dan in het land vanKadzand en het kan gebeuren bij donkeren avond, dat de boer op den weg stilstaat, om te onderscheiden, wat daar zoo ruischt: zijn “baardtarwe” of de zee. Nergens vlammen de klaprozen heller op uit de zwartgroene, zoetrokige klaver of trappelen de breedschonkige, fijnschoppige paarden luchtiger voor zware vrachten over de hooge kleidijken dan in het land van Kadzand.

Waar bloeien de boonen zóó rijk, als wilden ze met hun zoete, zware geuren bedwelmen, die langs de akkers gaat, en waar lachen de blauwe vlasbloempjes zoo koketjes uit het lichtgroen omhoog? Waar schuilen oude boerderijen en felrood bepande, zwarte schuren in hun blauwe wilgen deftiger en ongenaakbaar vriendelijker onder de hooggesnoeide, donkere olmen, en waar zijn ouderwetscher ploegen, waar wagens, die zóó hotsen, vrouwen, die zoo kunnen “commeeren”, en rijke boeren, die zoo statig kunnen rentenieren als in het land van Kadzand? Aldus schetst de heer G. Haspels den indruk van dit land door het doen uitkomen van de sprekende contrasten.

Het oude eiland Kadzand is al sedert lang door bedijkingen van verslijmde en opgeslibde stroomen aan het vasteland verbonden. Het dorp komt met zijn oud kerkgebouw schilderachtig uit tegen de duinen op den achtergrond. Van deze plaats maakt Dante gewag in zijn Divina Commedia, als hij in zijn XVenzang der Inferno, volgens de vertaling van Hacke van Mijnden, zegt:

“Gelijk de Vlamen ’t land, aan zee gelegenBij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloedenDoor zware dijken te beschermen plegen”.

“Gelijk de Vlamen ’t land, aan zee gelegen

Bij Brugge en Kadzand, tegen hooge vloeden

Door zware dijken te beschermen plegen”.

Stiller dorp dan Kadzand kan men zich op dit oogenblik nauwelijks denken. De vrij nette woningen zijn aan de voorzijde veelal gesloten en op de kunstig gesnoeide palm- en taxisstruiken, tusschen de bloembedden der kleine tuintjes, sjilpen de musschen rustig.

Het dorp Retranchement, of eigenlijk: “Retranchement Cadsandria”, door het spraakgebruik tot “Trezjement” verbasterd, dankt zijn naam aan de versterkingen, door Prins Maurits aangelegd, om meester te blijven van den zeearm het Zwin.

Waar gij thans onafzienbare akkers aanschouwt, door bloeiend koolzaad als verguld, waar het kostelijk graan golft of bieten groeien, zag men voor niet lange jaren alleen kale schorren en slikken, waarop slechts wat zeekraal werd ingezameld en de scheper zijn kudde weidde. De smalle, ondiepe kreek, welke er doorheen kronkelde, was het overschot van de beroemdste der zeeboezems van Europa, de reeds besproken “Sincfala”, de zuidelijke grens van het oude Friesland, aan welker oevers Brugge eens tot een der aanzienlijkste havens van Europa werd.

Wij naderen het stedeke Sluis. Een hoogte buiten de stad, achter de begraafplaats, wijst de plek aan, waar eens het vermaarde kasteel van Sluis stond.

Filips van Bourgondië, gehuwd met Margaretha, erfdochter van Vlaanderen, en sinds 1384 graaf van Vlaanderen, wilde de dikwijls onstuimige Vlamingen, die vrijheid niet zelden met bandeloosheid verwarden, in bedwang houden. Om verder ook den Engelschen, hetzij een inval in of een gemakkelijke verbinding met het licht tot opstand geneigde Brugge te beletten, besloot Filips, den doorgang van het Zwin door een sterkte te verzekeren. Daar lag, op den meest westelijken uithoek der schor Bewester-Eede, tegenover den mond van den Budansvliet en waar deze zich met het Zwin vereenigde, het plaatsje Sluis, dat Filips had ingeruild en aan Vlaanderen bracht. Hier wilde hij een kasteel bouwen, dat zoowel het vrije verkeer van Engeland met Vlaanderen kon beletten als de Vlamingen in toom houden. In 1385 werden er de grondslagen voor gelegd, ten N. van de stad, aan de oostzijde der haven, en er verrees een bouwgevaarte, in vorm aan de Bastille te Parijs herinnerend, sterk en hecht van metselwerk, geschikt, om den stormram te trotseeren. De zware muren vormden een vierkant, welks buitenzijden, binnen de grachten, van het oosten naar het westen 86 M. besloegen en van het oosten naar het zuiden 80 M. Op regelmatige afstanden waren de muren door ronde torens versterkt; aan de hoeken verrezen de zwaarste torens. Het muurwerk had een dikte van 3,8 M. Aan de binnenzijden liepen, zoowel langs de torens als aan den wal, twee rijen gewelfde gangen boven elkander, die een veilige gemeenschap van het eene punt met het andere verleenden. De benedenste gang, welke ongeveer een meter onder den beganen grond van het plein lag, voerde naar de kelders of onderste gewelven der torens:

Grauwe kluizen, donk’re holen,Nimmer door de zon bestraald,Waar geen lichtglimp heen kwam dolen,Dan in scheemring gansch verdwaald;

Grauwe kluizen, donk’re holen,

Nimmer door de zon bestraald,

Waar geen lichtglimp heen kwam dolen,

Dan in scheemring gansch verdwaald;

Waar de wanden en gewelvenAltoos biggelden van ’t vocht,Of zij weenden om zichzelvenOf om ’t wee van zulk een krocht,

Waar de wanden en gewelven

Altoos biggelden van ’t vocht,

Of zij weenden om zichzelven

Of om ’t wee van zulk een krocht,

aldus Hofdijk. Het geheel bevatte 36 kelders en vertrekken.

Hertog Jan zonder Vrees deed aan de westzijde der haven, tegenover het kasteel, nog een nieuwe sterkte bouwen, kleiner, doch niet minder sterk, die gewoonlijk “de toren van Bourgondië” genoemd werd; met een keten tusschen beide gespannen, kon de haven worden afgesloten. Nog in 1794 was die keten op het raadhuis te Sluis aanwezig.

Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao 1739 op het gemeente-archief.Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao1739 op het gemeente-archief.

Het stadhuis en de markt te Sluis, naar een teekening ao1739 op het gemeente-archief.

Het reusachtig slot vervulde een belangrijke rol in de geschiedenis van Sluis; het heeft menige belegering moeten doorstaan en onderscheidenen aanzienlijken diende het tot gevangenis. Dit was het geval met den hertog van Bouillonin 1553, met den Admiraal de Coligny in 1557 en met Lamoraal van Egmond, den zoon van den onthoofden graaf van dien naam, in 1582.

De veranderde krijgskunst had in de 16eeeuw reeds den toren van Bourgondië nutteloos gemaakt, zoodat die werd afgebroken, doch het groote slot werd versterkt. In de 17een 18eeeuw verviel het kasteel al meer en meer; in 1794 hebben de Franschen het sterke slot gedeeltelijk doen springen en in 1840 zijn de bouwvallen voor afbraak verkocht. De steenklompen zijn grootendeels gebruikt als zinkstukken voor de dijken te Ellewoudsdijk. Zoo werd, in puin gevallen, het kasteel nogmaals tot een bolwerk des lands bestemd.

“Sluis” of “Sluis in Vlaanderen” is onder den naam Lammensvliet ontstaan aan het Zwin en verkreeg in 1290 stadsrechten van Guy van Dampierre. Door visscherij, scheepvaart en koophandel wies de stad aan en in het begin der 15eeeuw bedroeg het aantal makelaars te Sluis reeds 87. Het dichtslibben van het Zwin bij Brugge en boven Sluis deed den handel verder benedenwaarts verplaatsen. Kooplieden en schepelingen uit alle landen van Europa ontmoetten toen elkander hier, en Sluis bloeide in het Bourgondische tijdperk zoozeer, dat de vorsten er dikwerf vertoefden en feestvierden.

De haven van Sluis.De haven van Sluis.

De haven van Sluis.

Isabella van Portugal, de bruid van Filips den Goede, toen graaf van Vlaanderen, kwam op Kerstdag 1429 te Sluis aan en werd hier door haar bruidegom opgewacht; volgens enkelen zou het huwelijk te Sluis zijn voltrokken. Margaretha van York, de zuster van den Koning van Engeland, kwam den 25enJuni 1468 met 16 schepen te Sluis binnen, waar zij door een stoet van aanzienlijken en haar bruidegom werd ontvangen; de ondertrouw had hier plaats. De bloeitijd van Sluis viel in het midden der 15eeeuw; destijds telde Sluis 7 markten, 69 straten, 2 parochiekerken, 3 openbare kapellen, 3 kloosters en tal van openbare gebouwen.

De onrustige tijden aan het eind der 15eeeuw, de belegering in 1492, die eengroot gedeelte van de stad vernielde, den handel knakte, brachten den eersten slag toe aan Sluis. Het ondieper worden van het Zwin, waardoor groote schepen niet in de stad konden komen, deed het verdere, en in de 16eeeuw ging Sluis snel achteruit, zoodat geheele straten vervielen. De stad kwam aanvankelijk geheel onder Brugge te staan, en hoewel zij gedurende den opstand tegen Spanje meer zelfstandig werd, zich van Brugge afscheidde en zich bij de Unie van Utrecht aansloot, toch stond Sluis gedurende den oorlog en ook later als grensstad aan vele belegeringen bloot en nooit kwam zij tot haar ouden bloei terug. Het aantal bewoonde huizen en inwoners kromp in en in 1840 telde Sluis niet meer dan 257 huizen binnen de kom. Sedert is het aantal bewoners wel weder iets toegenomen, zoodat dit bedroeg 2300 in 1900, maar het is toch een rustig, stil landstadje gebleven, alleen kleinhandel op den omtrek drijvend. Van de eens zoo aanzienlijke haven is niets meer over dan een ligplaats voor de schepen in het kanaal naar Brugge. Zoo is Sluis een dood stadje geworden, met smalle straten. Het bombardement van 1794 verwoestte een gedeelte der nederzetting; de prachtige St. Janskerk geraakte in 1811 in brand en werd vernield en aldus zijn vele schoone gebouwen van Sluis te gronde gegaan.

Het belangrijkste gebouw van Sluis is nog het stadhuis, in 1396 gebouwd, met zijn in den trant der Vlaamsche belfroits gebouwden toren, die zich trotsch verheft met zijn vier spitsen. Dit gebouw is gerestaureerd en in den oorspronkelijken toestand teruggebracht.

Bij het uurwerk van den toren, in een der galmgaten, zetelt de oudste burger van Sluis, een houten beeldje, in 1424 vervaardigd, dat bij het slaan enkele tonen aangeeft en als “de klokman Jantje van Sluis” bekend staat.

Al is Sluis in verval, toch getuigt menig geveltje nog van de ruime beurs, waaruit het eens is gebouwd.

Een eenvoudige grafnaald op de begraafplaats van Sluis wijst de rustplaats aan van den bekenden geschiedvorscher en taalkundige, J. H. Van Dale, den 21enMei 1872 hier overleden, waar hij als onderwijzer werkzaam was. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal, door Van Dale vervaardigd, is nog altijd een vraagbaak en draagt, hoe ook herzien, steeds nog zijn naam.

Aan den buitenkant van Sluis ontwaart men op korten afstand over de bouwlanden een zwaren, stompen toren, die boven eenig geboomte en enkele huizen uitsteekt. Dat is de toren van St. Anna-ter-Muiden, eens ook havenstad van het vermaarde Brugge, doch thans slechts een gehuchtje.

St. Anna-ter-Muiden is een zeer oud plaatsje, welks jaar van opkomst men niet kent; het is ontstaan aan de monding of samenkomst van een paar wateren met het Zwin, naar welke uitmonding het zijn naam kreeg. In 1241 werd dezeplaats verheven tot een smalstad met tol vrijheid. Toen het land aan de westzijde langzamerhand aanslibde, geraakte de stad verder van zee verwijderd. De bewoners verplaatsten nu hun huizen meer zeewaarts, doch bij brieven van 1445, gegeven door Filips van Bourgondië, werd hun dit verboden, omdat de vijand zich in oorlogstijd daarachter ging verschuilen bij de aanvallen op Sluis.

Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.

Markt te St. Anna-ter-Muiden bij Sluis.

De haven van St. Anna-ter-Muiden in het Zwin was oudtijds hoogst belangrijk en de stad had een aanzienlijke visscherij. Doch in de 16eeeuw was de stad reeds in verval; Ter-Muiden was in 1650 bijna geheel afgebrand en werd grootendeels door de inwoners verlaten. Aan opkomst van het plaatsje viel sedert niet meer te denken en het verviel tot een gehucht, dat er arm, maar schilderachtig uitziet. Hoewel hier sinds eeuwen geen schepen meer gezien werden, sprak men tot voor kort nog van “de kaai”, als ware het een havenstad.

Van Sluis richten wij ons naar het oosten en vervolgens naar het zuiden; over de vruchtbare landouwen zien wij eindelijk vóór ons, te midden van het geboomte, het stedeke Aardenburg verrijzen, dat algemeen bekend is in den lande door zijn beroemde verdediging in 1672.

Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden,Uit bosch en beemden ’t hoofd omhoog,Ten sieraad dier bekoorlijke oorden,De lusthof voor des vreemdlings oog?Wie prijkt daar in die vruchtbre streken,Maar schier den strakken blik ontweken,Die langs de golvende akkers weidt,En toont ons, door ’t verblindend pralenVan vorstenhof en marmren zalen’t Bekoorlijk beeld der needrigheid?

Wie heft daarginds, aan Vlaandrens boorden,

Uit bosch en beemden ’t hoofd omhoog,

Ten sieraad dier bekoorlijke oorden,

De lusthof voor des vreemdlings oog?

Wie prijkt daar in die vruchtbre streken,

Maar schier den strakken blik ontweken,

Die langs de golvende akkers weidt,

En toont ons, door ’t verblindend pralen

Van vorstenhof en marmren zalen

’t Bekoorlijk beeld der needrigheid?

O, wandlaar! voor geen plaats op aardeWijkt die vergeten, kleine stad!Zij is een steen van hooge waarde,In Neerlands gloriekroon gevat;’t Is zij, die eens de slaafsche ketenMet forsche vuist heeft losgereten,Die ’t zuchtend vaderland omgaf;Zij dreef in ’t barnen der gevarenDen roem van Frankrijks legerscharenGrootmoedig van haar muren af.

O, wandlaar! voor geen plaats op aarde

Wijkt die vergeten, kleine stad!

Zij is een steen van hooge waarde,

In Neerlands gloriekroon gevat;

’t Is zij, die eens de slaafsche keten

Met forsche vuist heeft losgereten,

Die ’t zuchtend vaderland omgaf;

Zij dreef in ’t barnen der gevaren

Den roem van Frankrijks legerscharen

Grootmoedig van haar muren af.

Aldus bezong P. Ph. de Kanter deze stad in 1835.

Aardenburg doet zich kennen als een net stadje; het ziet er uit, of het pas uit een doosje kwam, zoo proper lijkt alles, en geen hout, dat ongeverfd is. Ook vindt men er menig sierlijk en met kosten gebouwd huis, zoodat de plaats, hoewel sedert lang geen havenstad meer, toch de welvaart niet ingeboet heeft. Een oude poort verleent toegang tot de hoofdstraat der stad. Het sieraad van Aardenburg is de prachtige St. Bavokerk, zeker een der fraaiste kerken van Zeeland, in middeleeuwschen stijl gebouwd, gelegen tusschen hoog opgaand geboomte. Het weeshuis met twee spitse gevels, uit 1631, valt terstond in het oog. Naar den buitenkant, aan een met olmen beplant plein, staat het raadhuis, een net gebouw, dat aan een villa doet denken.

Aardenburg is een oude stad, die vóór de opkomst van Brugge van zooveel beteekenis was, dat zij als een der aanzienlijkste steden van Vlaanderen en als de hoofdstad der zeeplaatsen van dat gewest werd beschouwd. Zij had een haven, waarvan vermeld wordt, dat zij wel 600 schepen kon bevatten, terwijl haar wallen ongeveer 70 bunder besloegen. Belangrijk was de handel van Aardenburg, die o. a. op de Oostzee gedreven werd, en door de privilegiën, welke de graven van Vlaanderen aan Aardenburg schonken, werden Spaansche, Duitsche en andere kooplieden naar deze stad gelokt. Ook bloeiden er in de 12een 13eeeuw reeds wol- en lakenweverijen. Een kanaal, dat in de 13eeeuw naar zee werd gegraven, bevorderde den handel niet weinig.

Doch oorlogsrampen, watervloeden, het dichtslibben van de haven vernietigden de welvaart der plaats, die van een havenstad in een landstad veranderd werd.

In 1604 werd Aardenburg door Prins Maurits voor de Unie veroverd. De stad werd nu aanzienlijk versterkt en van bezetting voorzien. Na 1648 liet men de vestingwerken vervallen en in 1672 besloot men zelfs ze te sloopen. Op aanhouden der bewoners en der Zeeuwen werd dit nog uitgesteld. Doch toen de Franschen in dat jaar op den morgen van den 26enJuni voor Aardenburg kwamen met 8000 à 9000 manschappen was de stad schier zonder voorraad, waren de wallen niet versterkt en had men slechts vier bruikbare stukken. Terwijl de bezetting kort van te voren naar Sluis was vertrokken, scheen er voor deovergebleven 30 manschappen onder den vaandrig Elias Beekman en de 175 weerbare burgers, die op de been waren te brengen, geen kans op behoud.

De Franschen besprongen in dezen hachelijken toestand de veste, vielen onder het geschreeuw: “sla dood, sla dood!” op de landpoort aan, maar door den dapperen Elias Beekman aangevoerd, werd niet alleen de aanval der Franschen afgeslagen, doch werden er zelfs 620 krijgsgevangenen gemaakt, waaronder 9 officieren, terwijl de Aardenburgers geen enkel man verloren. Evenals eens in Haarlem, hadden ook de vrouwen dapper medegewerkt tot het behoud der stad, Margaretha Sandra, huisvrouw van den voorzittenden schepen, zat met een hoop jongens op een stoep, om de kogels, die te groot waren, door te hakken, welke bij hoedenvol naar den wal werden gebracht. Zoo bleef de stad in dit ongeluksjaar voor Nederland behouden.

Den roem dezer overwinning houdt men in Aardenburg hoog, en van Beekman zegt een dichter der stad:

Uw roem, door moed en trouw verkregen,Blijve, als uw fiere heldendegen,Voor ’t laatste nageslacht bewaard,

Uw roem, door moed en trouw verkregen,

Blijve, als uw fiere heldendegen,

Voor ’t laatste nageslacht bewaard,

hierbij zinspelende op den degen van den vaandrig, die op het stadhuis berust. Het tweede eeuwfeest dier gebeurtenis, waartoe Tollens reeds opwekte,

Dan loov’ men God en vier’ men feest,Opdat de naneef niet vergeet,Wat Aardenburg voor Neêrland deed,

Dan loov’ men God en vier’ men feest,

Opdat de naneef niet vergeet,

Wat Aardenburg voor Neêrland deed,

werd op 26 en 27 Juni luisterrijk gevierd.

Aardenburg ligt in de schoonste kleistreken van Zeeuwsch-Vlaanderen.

Het goud der koopmanswinsten op de stroomen is vervangen door de voordeelen, die de landbouw oplevert. Het stadje ligt echter nabij den zoom der zandgronden. Niet heel ver van hier, te St. Kruis en Eede, kunt ge reeds den overgang van den zwaren Zeeuwschen kleibodem tot den Vlaamschen, meer boomrijken zandgrond ontdekken.

In de met zooveel zorg overal bebouwde akkers zult gij thans moeielijk de woeste wouden van Hulsterloo herkennen, waar de dichter den Reinaert-roman spelen laat. En toch zijn hier overal nog herinneringen aan dit gedicht levendig. Bij Aardenburg moet een schuur staan, welke “Malpertuis” heet, naar het kasteel van den slimmen vos, en onder Schoondijke, bij Waterlandskerkje, ligt het aloude gehucht Steenhove, een overblijfsel van het verdronken Elmare, waar Reinaert zijn zoogenaamden oom Isegrim aan het klokketouw bond, zoodat men in den omtrek

Zwoer,’t Was of de duivel òf zijn moer,Die de klok zoo geweldig deed gaan.

Zwoer,

’t Was of de duivel òf zijn moer,

Die de klok zoo geweldig deed gaan.

HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800Naar J. C.Ramaer.Lith. Gebrs. Braakensiek, A’dam.

HET ZUID-HOLLANDSCHE DELTAGEBIED OMSTREEKS 1800

Naar J. C.Ramaer.

Lith. Gebrs. Braakensiek, A’dam.

Van Aardenburg begeven wij ons naar Oostburg, een plaats met een vriendelijk, niet onwelvarend voorkomen, die evenveel van Sluis en Aardenburg verschilt als deze twee plaatsen onderling. Op marktdag komt er in het stadje meer leven; dan ziet gij hier de stille, stijve, Zeeuwsche boeren met de vlugge, babbelende, blauwgekielde Vlamingen handeldrijven en menig “kapke” bier te zamen verschalken.

Ook Oostburg is een zeer oude nederzetting, waar Eligius in het begin der 7eeeuw het evangelie predikte en waar de Noormannen plunderend doordrongen. Eens door den koophandel bloeiend als een volkrijke havenstad, ging het in den Spaanschen tijd sterk achteruit, en in 1673 werden de vestingwerken geslecht.

Wij vinden geen tijd, om verder bij de historische herinneringen dezer plaats stil te staan.

Door een landschap, dat de Zeeuwsch-Vlaamsche dichterboer Faro aldus schetst:

Hier ziet men popels, daar abeelen,Ginds bloeiend vlas en golvend graanDoor zoele westenwindjes streelen,Of wieglend op en nedergaan.Waar eens bij ’t argloos rijzen, duiken,Het kroost der zee door net en fuikenEn raaf en meeuwen werd bespied,Stijgt nu de leeuwrik fier naar bovenEn ’t looverdak en bosch en hovenWeergalmt van ’t juublend lentelied,

Hier ziet men popels, daar abeelen,

Ginds bloeiend vlas en golvend graan

Door zoele westenwindjes streelen,

Of wieglend op en nedergaan.

Waar eens bij ’t argloos rijzen, duiken,

Het kroost der zee door net en fuiken

En raaf en meeuwen werd bespied,

Stijgt nu de leeuwrik fier naar boven

En ’t looverdak en bosch en hoven

Weergalmt van ’t juublend lentelied,

bereiken wij IJzendijke, eveneens een overoude nederzetting, waarvan reeds in 984 melding wordt gemaakt, die in de 12eeeuw onder de steden werd geteld, en in de 13eeeuw lid der Hanze was. Deze stad ging in de 14eeeuw grootendeels te gronde en het overgebleven deel werd in 1570 door overstrooming vernield.

Doch ongeveer 800 meter zuidoostwaarts ontstond een nieuwe nederzetting, het tegenwoordige IJzendijke, in deze gewesten “Isendieke” genoemd.

Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.

Markt te IJzendijke, met den toren van de Herv. kerk op den achtergrond.

Een welbebouwde straat voert ons naar de markt, een ruim, langwerpig plein, ingesloten door vele nieuwe gebouwen, maar eveneens eenige met trap- en puntgevels.Enkele dagteekenen nog uit den tijd, toen prins Maurits, na een beleg van zeven dagen, deze bijna onneembare vesting innam, 10 Mei 1604. Maurits deed dien voorburcht van Zeeland met geduchte versterkingen omringen. In Oct. 1830 deed het bendehoofd, Ernest Gregoire, de Belgische vlag hier op den toren plaatsen, maar spoedig daarna werd die weder door Nederlandsche troepen verwijderd. De vestingwerken zijn in 1842 voor goed geslecht.

Belangrijke gebouwen vindt men er niet. De achtkante koepelkerk (Herv.), die spits toeloopt en in een peer eindigt, is een net gebouw van 1612, maar heeft weinig bijzonders.

Ten N.W. hiervan ligt Schoondijke, eigenlijk Willemsdorp geheeten, een vriendelijke plaats. Tusschen de lage doch nette woningen zien wij hier en daar gezellige tuintjes, in den zomer kleurrijk door tal van pioenen, goudsbloemen en duizendschoonen, omsloten door met zorg geschoren palm- en taxisstruiken. De nederzetting ontstond in 1651 bij het bedijken van het tweede gedeelte van den Prins-Willempolder en werd aanvankelijk Willemsdorp genoemd, maar de herinnering aan de door overstrooming vernielde parochie Schoondijke was nog zoo levendig, dat men de nieuwe plaats aldus noemde.

Van IJzendijke bezoeken wij het door Willem Beukelsz. algemeen bekende Biervliet, thans een dorp met verstrooide huizen. Biervliet was eens een bloeiende stad, waar aanzienlijke edelen en zelfs vorsten van tijd tot tijd, willig of onvrijwillig, vertoefden. Graaf Floris V werd hier een tijdlang door den Vlaamschen graaf Guy van Dampierre gevangen gehouden, en Keizer Karel V zou hier met zijn beide zusters op het graf van Willem Beukelsz. haring hebben genuttigd. Een straat in het vervallen, kleine plaatsje, kaai genoemd, herinnert nog aan de welvarende, machtige zeestad, wier krijgshaftige burgers hun landvorst naar “die landen van over zee” volgden, en de eersten zouden geweest zijn, die de banier met den zwarten leeuw van Vlaanderen op de wallen van Jeruzalem plantten.

In de in 1660 gebouwde, nette kerk herinneren een paar overblijfselen van geschilderde glazen aan Willem Beukelsz., die als de uitvinder of verbeteraar van het haringkaken wordt beschouwd.

Hiermede hebben wij den Braakman bereikt, die Zeeuwsch-Vlaanderen nog in twee gedeelten scheidt. Dit water heeft echter zijn besten tijd reeds gehad en voortdurend wordt het verkleind door vernieuwde inpolderingen. Het gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen ten W. van den Braakman wordt door de Zeeuwen veelal onder den algemeenen naam van “Land-van-Kadzand” aangeduid en de bewoners als Kadzandtenaars.

Wij overzien ten slotte nog, vóór wij dit gebied verlaten, de kleederdracht der landbevolking, hoofdzakelijk in dezen geleid door Dr. de Man.

De Kadzandtenaars zochten in de onrustige tijden, toen dit land veel door deSpaansche of door de Staatsche troepen te lijden had en later bij de invallen van de Franschen, dikwijls veiligheid op het eiland van Walcheren, om later naar hun woonplaats terug te keeren. De overeenkomst in godsdienstige opvatting en strengheid van zeden deed de Kadzandtenaars nader aansluiten bij Walcheren dan bij het zuidelijk Vlaanderen, waarvan zij door religie gescheiden waren. Daardoor had de Kadzandsche kleeding vroeger veel overeenkomst met die van Walcheren, hoewel een gedeelte in dit land ook Vlaamsche kleeding droeg.

Toch bleven in het Land-van-Kadzand de Walcherensche invloeden niet overheerschend. De vele uitgeweken Walen, Franschen, Doopsgezinden en Salzburgers, welke zich hier van lieverlede met de oorspronkelijke bewoners verbonden, terwijl men er tevens veel Katholieken vond, waren oorzaak, dat de bevolking zeer gemengd werd. Wel bleef de grondtrek lang iets Walcherens behouden, doch de invloed van het Belgisch-Vlaamsche neemt hier in de laatste halve eeuw sterk toe wegens de nadere aanraking met België, en doordien het grondbezit voor een groot gedeelte in handen van Belgische heeren is gekomen. Het Walchersche karakter der kleeding is daardoor verloren gegaan.

Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.

Vrouwen uit het Land-van-Kadzand.

De kleeding der mannen in het Land-van-Kadzand is geheel burgerlijk geworden. De vrouwenkleeding heeft er nog iets eigenaardigs en is niet Zeeuwsch en niet Vlaamsch, hoewel het eenvoudige, stemmige aan het Walchersche herinnert. Over ’t geheel komen de kleeding en mutsen der vrouwen wel iets overeen met die der vrouwen in Overijsel, bij Zwolle. Vroeger had de echte Kadzandsche muts een door karkas rondom het gelaat en ook om de kin gespannen, breeden rand, welke wijd van de wangen af stond. Thans is de muts veel enger, de rand veel smaller en veranderd in een ouderwetsche Hollandsche neepjesmuts, zooals die voor een halve eeuw bekend was. Vroeger droegen de vrouwen hoeden, doch thans ook niet meer.

Van krullen en strikken of van een beugel rondom het hoofd is geen sprake. De ooren zijn vrij en men hangt er lange sieraden in, die men bellen noemt; het zijn puntbellen van nieuwerwetschen vorm en van goud. Het jak der vrouwenis stemmig, veelal donkerbruin van kleur, en wordt van voren zonder eenige elegantie zoo hoog mogelijk tot den hals gesloten. Het onderstuk, de schoot, dien men in Kadzand het “zet” noemt, is buitengewoon lang; de beuk ziet men in ’t geheel niet. Een satijnen schort wordt hierbij gedragen, en hoewel de rokken niet zoo talrijk zijn als op Walcheren, kan men toch aan de vrouwenfiguren zien, dat men die meer in aantal draagt dan noodig is tot bescherming tegen de koude.

Wij wenden ons thans naar het oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen. De ruimte verbiedt ons, lang te verwijlen bij dit gewest. Wij zullen er daarom meer een overzicht van nemen dan in een gedetailleerde beschrijving treden, en bezoeken slechts kortelijk enkele plaatsen.

Op de smalle landstrook, die ten Z. van den Braakman nog tot Nederland behoort, ligt het visschersplaatsje Philippine (mosselen en garnalen), eens een vesting, thans niet meer dan een armoedig dorp met veel herbergen. Als eenmaal de Braakman geheel is ingedijkt, wat in een niet ver verschiet het geval moet zijn, zal de visschersbevolking zich van hier moeten verplaatsen.

Zoo komen wij ten O. van den Braakman.

Het westelijk gedeelte van oostelijk Zeeuwsch-Vlaanderen wordt veelal aangeduid als het Land-van-Axel, waartoe ook Ter-Neuzen en Zaamslag behooren, het overige als het Land-van-Hulst. Het valt al spoedig in het oog, als wij het Land-van-Axel doorwandelen, dat de bevolking zich in kleeding, gewoonten en denkwijze onderscheidt van die in het 4eDistrict, maar eveneens van die van het Overkwartier en het Land-van-Hulst. In het oogvallend is in vele opzichten de overeenkomst van de bevolking in het Land-van-Axel met die op Walcheren. Dit verschijnsel valt te verklaren uit de geschiedenis. In het Land-van-Axel kende men slechts één kerk, en wel de oud-Hervormde, doch vroeger gewijzigd door de gestrenge Walcherensche artikelen, en men was er dus kerkelijk in overeenstemming met dat eiland. Verder behoorde het Land-van-Axel in den tijd der Republiek tot het zoogenaamde “Committimus”, een gebied in Staats-Vlaanderen, waar Gecommitteerde Raden van Zeeland het hoogste gezag hadden en Zeelands hoofdstad den toon aangaf, terwijl de Generaliteit elders heerschte.

Hierdoor vond men in Axel oudtijds navolging van de Walchersche kleeding, van geloofsijver, van kerkelijke tucht, enz. en toen het aan de zijde der Staten gekomen was, ook afscheiding van het naburige Land-van-Hulst, dat meer Katholiek bleef. In het Land-van-Axel vindt men strenge orthodoxie, die zich scherp onderscheidt van het Katholieke element en ook in kleeding en gebruikendaarvan afwijkt. De Axelaar wil geen Vlaming zijn: hij wil blijven, wat hij was, en heeft daardoor van zijn oud-nationale kleeding nog veel bewaard. Wij leeren de Axelsche kleeding kennen door de voorbeelden op degekleurde plaat. (Zie ook de fig. op pag.176).

De mannen hebben de oude kleeding niet zoo goed bewaard als de vrouwen; toch hebben wij daarvan op de plaat nog een voorbeeld. De Axelaar had vroeger, als alle Zeeuwen, zijn knoopen en broekstukken, zijn gebloemden hemdrok, zijn signetten en cachetten, zijn pijpekot en zijn gespen. Fluweel was hier veel meer in gebruik dan op Walcheren, en omdat het een rijke streek was, waren de sieraden er grooter. Veel er van wordt door de erfgenamen bewaard, maar niet gedragen; het ronde hoedje wordt door een pet vervangen, maar de ernst van het karakter en het uiterlijk blijven nog dezelfde als voorheen. Vroeger was het des Zondags aan den hoed te zien, of men een gewoon mensch dan wel een magistraat voor zich had.

De Axelsche boerenmeisjes, vooral de gegoede boerendochters, zijn nog eigenaardig gekleed (zie 6, 7, 12 en 13 dergekleurde plaat). De hooge schoudertoppen, waartusschen het hoofd als is weggezonken, herinneren min of meer aan de kleeding in den tijd van vader Cats, en het geheel dezer vrouwendracht doet denken aan de rijke, maar stijve kleederen der Spanjaarden. Waar de Axelsche kleeding vandaan komt en wanneer deze is ingevoerd, weet men niet. Op de hofsteden wordt de oude kleeding nog gedragen door de meisjes; in de grootere plaatsen, als Axel en Ter-Neuzen, is de gewone burgerkleeding al meest ingevoerd.

Gaan wij enkele deelen dier kleeding nog nader na. Vroeger droeg men hier een stijve Walcherensche muts, en onder den arbeid doet men dat nog, een herinnering aan de betrekking tusschen beide gewesten. In de dorpen en steden dragen de meisjes thans reeds mutsen, overeenkomende met die op Tolen of Schouwen, terwijl overigens de kleeding burgerlijk is.

De oude Walcherensche versierselen worden nog door de landmeisjes gedragen, maar de vormen zijn anders en rijker. De “naelde” van vroeger is afgeschaft, maar de Walcherensche krullen ziet men hier weder. Zij staan loodrecht en worden veel hooger gedragen, niet naast, maar boven de oogen. Naast de krullen schitteren bij ongehuwden twee prachtige spelden of knoppen, zooals men ze niet op Walcheren, maar wel op Tolen ziet; zij zijn van goud, met of zonder pareltjes er bij. Aan de krullen hangen geen bellen, zooals bij de dames in de steden, maar andere “hangers”, die prachtig en zeer groot zijn, met steentjes of parelen. Men spreekt hier ook van “strikken”, zooals men op Walcheren gewoon is te dragen. Uit alles blijkt, dat de landman hier in den regel ruimer met aardsche goederen gezegend is dan de Walcherensche boer, en dat men, bij allen eenvoud des gemoeds, toch gaarne zijn rijkdom laat uitkomen door een soliede weelde.

De beuk en het doekje, die wij vroeger bij het Land-van-Goes als eigenaardig voor de Zeeuwsche kleeding beschreven, vindt men ook hier terug, maar prachtiger. Het is Vlaamsche sier, die met Zeeuwschen eenvoud vereenigd is, zegt Dr. de Man. Het doekje is echter een doek geworden, hoewel geen omslagdoek, maar een stuk, dat bij jak en beuk tehuis behoort.

De beuk wordt door de meisjes zelf gemaakt. Zij zijn hier echter niet, zooals op Walcheren, gesteld op zuiver wit voor Zondagsche kleeding, maar houden meer van kleuren, waaruit eenigszins een zuidelijker aard spreekt. De beuk is wel dikwerf wit, maar wordt dan toch nog door levendig gekleurde koralen versierd. De koralenversiering neemt van Walcheren af naar het oosten en zuiden toe. Op Walcheren vindt men aan de beuk somtijds een rand van glasheldere koralen; bij de Nieuwlandsche meisjes komen die al meer voor en de Roomsch-Katholieke meisjes op Zuid-Beveland dragen reeds boven de beuk een kraag van gekleurde koralen. Doch Axel gaat in dezen het verst.

Zuiddam te Axel.Zuiddam te Axel.

Zuiddam te Axel.

De doek tusschen beuk en jak is een voornaam deel van de vrouwenkleeding alhier, evenals in andere streken van Zeeland. Doch die doek wordt in Axel anders gebruikt. Voor de meisjes uit Axel moeten de doeken afzonderlijk geweven worden en zij kosten dan ook wel 25 gulden. Zij hebben, uitgespreid, een oppervlakte van een vierkanten meter. De doek wordt geweven van gekleurde zijde en die kleuren moeten echt sprekend zijn, terwijl een groote bloem met randen of rosetten moet uitkomen. Hij versiert niet alleen boezem en rug, maar geeft door de plooien met hooge schouders, die verder worden aangevuld met een onderstuk, een zeer eigenaardig postuur aan de vrouwengestalte, dat voor Axel kenmerkend is. De opspitsende schouders schijnen in de laatste halve eeuw in hoogte te zijn toegenomen.

De rokkenomvang der vrouwen van Axel herinnert aan dien van Walcheren, is zelfs nog grooter. De wijd uitstaande buitenrok is hier altijd zeer stijf, zwart moiré, mooi opgelegd met een rand van gebloemd fluweel van scherpe, sprekende kleuren. Een rood baaien rok vormt gewoonlijk nog een van de vele, die zij dragen. De schort is bijzonder groot en omsluit al die rokken bijna geheel; denaam “voorschoot” past er dan ook niet voor. Zij is van gekleurde zijde, afgezet met blauw of ander lint, en om haar vast te binden gebruikt men veelal een breeden, doorgaans gekleurden, op fluweel gehechten band, die van voren goed te zien is.

Het Land-van-Hulst was oudtijds afgescheiden van het Land-van-Axel door het Hellegat, eens een breede waterarm van Hulst naar het noorden, doch die in 1845 binnen enger grenzen werd gebracht. Dit water bewerkte een scheiding tusschen de bewoners aan beide zijden, welke ook hierdoor bevorderd werd, dat Axel meer met Walcheren en Gent in betrekking kwam, Hulst meer met Noord- en Zuid-Brabant en het nabijgelegen Antwerpen.

De bewoners van het Land-van-Hulst zijn grootendeels Katholiek; alleen in de noorderstreek vindt men nog enkele Protestanten. Het Hulsterland vormt derhalve meer een overgang naar het Belgische.

Al is er in Hulst nog wel iets eigenaardigs in de kleeding overgebleven, waardoor de vrouwen uit het Land-van-Hulst zich van die uit de overige gedeelten van Zeeuwsch-Vlaanderen onderscheiden, toch gaat het eigenaardig landelijke en ook de Hulster kleederdracht meer en meer verloren. In de plaats Hulst ziet men alleen de stedelijke kleederdracht. Verschil in kleeding tusschen Protestanten en Katholieken bemerkt men hier niet.

Vrouwen uit het Land-van-Hulst.Vrouwen uit het Land-van-Hulst.

Vrouwen uit het Land-van-Hulst.

De vrouwenmuts in het Land-van-Hulst, van fijne kant vervaardigd, gelijkt niet op de mutsen, elders in Zeeland gedragen, maar komt meer met de Noord-Brabantsche overeen; bij beide daalt de kant naar beneden en van achteren komen de vleugels of slippen wel bij elkander, maar eenvoudig tot den hals en niet met een lange strook langs den rug. Onder de bovenmuts wordt een zwart zijden ondermutsje gedragen, veel in kleur en stof verschillend van de Walcherensche en Goesche muts. De muts wordt naar het zuiden meer Brabantsch, zoodat men den overgang kan waarnemen. Bij de mutsen gebruikt men een weelde van spelden als nergens anders; bij haar toilet gebruikt het Hulster meisje alleen voor haar muts wel 300 à 400 kleinemutsenspelden. Het haar, dat iets donkerder is dan op Walcheren, wordt door de vrouwen in een scheiding gedragen. Oorijzers of beugels met krullen of boeken aan beide zijden van het hoofd draagt men hier niet; dit wijst er op, dat de Hulstenaars niet van dezelfde afkomst zijn als de Zeeuwen. Het haar dragen zij zonder bellen, naalden of andere sieraden, maar bellen dragen zij wèl in de ooren.

Van de aanzienlijke plaatsen in dit gewest wijzen wij op Sas-van-Gent, gebouwd aan een sluis of sas aan het einde der vaart, die de Gentenaren met vergunning van Filips II in de 16eeeuw hebben gedolven van Gent naar het Sassche Gat, om hierlangs een kortere vaart naar de Wester-Schelde te verkrijgen. Doch door de dichtslibbing van het Sassche Gat en de daarop volgende bedijking kwam Sas-van-Gent in het midden van het land te liggen, waardoor de plaats in bloei achteruitging. Zij leefde echter weder op na het graven van het Kanaal-van-Gent naar Ter-Neuzen in 1826. Door zijn ligging aan de grens heeft Sas-van-Gent veel fabrieken. Het is een nette plaats.

Aan het noordelijk einde van dit kanaal ligt Ter-Neuzen, een havenstad aan de Schelde, nog altijd met vestingwerken. De stad heeft haar bloei te danken aan het Kanaal van Gent.

Axel is een oud plaatsje, dat reeds bloeide in de 9eeeuw, doch thans niet meer is dan een klein plattelandsstadje.

Hulst is een aanzienlijk en ruim gebouwde plaats, met luchtige straten, welke meest op de markt uitloopen. De door kastanjes beschaduwde markt is omringd door nette huizen en aan het marktplein verrijst het stadhuis met vierkanten toren, die in drie achtkante omgangen uitloopt, terwijl een hooge, hardsteenen pui, met wapens in hardsteen, aan den voorkant, toegang geeft tot de vestibule.

Hulst heeft een fraaie Gothische kruiskerk, met houten toren op het kruis.

Ook Hulst is een oude stad, die in de 12eeeuw al bloeide en ontstaan is om een burcht nabij de voormalige Asscherpoort. In 1618 werd Hulst in een sterke vesting herschapen, doch na 1795 werden de verdedigingsmiddelen niet meer onderhouden. De stad bloeit thans door het marktverkeer; zij staat in nauwer betrekking tot Antwerpen dan tot Nederlandsche steden.

Wij nemen hier afscheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, gaan per tram naar Walsoorden, varen hier weder over de Schelde, wandelen naar het station Hansweerd om verder te reizen naar het vasteland en vervolgens onze wandelingen door Nederland in Noord-Brabant voort te zetten.


Back to IndexNext