Noord-Brabant.

Noord-Brabant.I. Algemeen Beeld.Noord-Brabant! Onwillekeurig kwam voor niet langen tijd bij den Hollander een onaangenaam gevoel op, als hij Noord-Brabant moest bezoeken, nog meer, als hij genoodzaakt was, daar zijn woonplaats te kiezen. Het land “aan gene zijde van den Moerdijk” beschouwde men als het uiteinde van Nederland, en Limburg werd nauwelijks tot Nederland gerekend.Zelfs was het geruimen tijd een slechte naam voor den vreemdeling, als hij in Noord-Brabant verblijf koos of moest kiezen. Dit gewest werd aangewezen voor vele jongelieden van rijke familiën, die in den strijd met de wereld voor haar verlokkingen bezweken waren, en hier werden uitbesteed, om er te wonen en minder aan verleiding te zijn blootgesteld in de stille dorpen. Zenuwlijders, dronkaards, verkwisters en dergelijke lieden werden tot in het eerste gedeelte der 19eeeuw ondergebracht bij de Noord-Brabantsche boeren, die in deze schrale landouw met weinig economische ontwikkeling de voordeelen, daaraan verbonden, goed konden gebruiken. Op tal van dorpskerkhoven vindt men zware zerksteenen met wapens en namen der aanzienlijkste geslachten uit den lande. Men zou aanvankelijk vermoeden, dat hier de rustplaatsen van ambachtsheeren en hun familieleden gevonden worden. Veeltijds is dit niet het geval en zijn het bestedelingen uit Holland geweest, die hier door de zerk met familiewapen en naam de laatste herinnering aan een treurig bestaan hebben achtergelaten.Gelukkig is de verhouding tot en ook de geographische kennis van het zuiden van ons land veel verbeterd, maar naar zijn rechte waarde wordt Noord-Brabant nog zelden geschat, vooral wat betreft het typisch landschapsschoon en zijn eigenaardige volkstoestanden. Zeker, Breda kent menigeen; het Liesbosch en Mastbosch, Prinsenhage en Ginneken zijn bekende plekjes geworden; een enkele verdwaalt nog wel eens in het Ulvenhoutsche bosch, maar daarmede heeft mengewoonlijk het grensgebied van zijn zomerbezoeken bereikt en wat buiten deze plaatsen ligt, is terra incognita. De meesten sporen Tilburg, Eindhoven en Helmond schier achteloos voorbij, alleen met de opmerking, dat er vele fabrieksschoorsteenen rooken, maar weinigen komen tot het besluit, deze steden te bezoeken, en nog minder, om het achterliggende land te doorkruisen of langs de overige dorpen van Noord-Brabant rond te zwerven.En toch, die onverschilligheid kan enkel voortkomen uit onkunde. Want het Brabantsche landschap heeft veel zelfstandig schoons.De toon der Noord-Brabantsche natuur heeft iets eigenaardigs, geheel anders dan elders op de zandgronden in ons land. Men ziet, men proeft, men ruikt en gevoelt het, dat men in Noord-Brabant is, zonder dat men zich in bijzonderheden rekenschap kan geven, waardoor.Een zacht waas van rust ligt over de landbevolking, en het schijnt, alsof de geleidelijke overgangsvormen in den bouw van het landschap daarop invloed hebben uitgeoefend. Want terwijl de natuur rustig en lachend is, doen de bewoners, bij hun over ’t geheel armoedig voorkomen, zich kennen door goedhartigheid en vriendelijkheid, door een opgewekten levenstoon, die getuigt van tevredenheid, met datgene, wat hun is aangeboden aan de tafel des levens. Van hooge aspiraties zijn zij niet vervuld. In de sombere en geenszins altijd even zindelijke keuken der kleine boertjes zal de schamel gekleede vrouw des huizes ook den vreemdeling met welwillende gastvrijheid ontvangen, en hem gaarne iets aanbieden van hetgeen keuken of kelder bezit.Zoo paart zich het karakter der bewoners aan de natuur van het landschap in Noord-Brabant en van beide zal men houden, als men ze kent.In Holland kreeg ik lief de zomerweiden,doorvlekt van ’t loome vee; het hooge grasvan ’t hooiveld, bont doorbloemd; in ’t veen den plas,omzoomd door riet, en ’t elzenbosch bij zijde;de blanke en bochtige IJsel, die bij wasden uiterwaard bestroomde; booten spreidener golven schuin op ’t vlak, dat zij doorsnijden,die slaan aan dijk in ’t riet met ruischgeplas.Hoe zou het zandig Brabant nog behagen,mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei?wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,zong Is. P. de Vooys, toen hij het eerst dit land leerde kennen. Maar nadat hij er had rondgedoold over de heiden en door de bosschen, klonk het als kinderlijk dankbaar:Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreedop gladden grintweg, dwars door bosch en hei,naast open akkers, langs de stille wei,door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,U dank ik vroom voor ’t heldere urenblij,den akker, dien ik zwaar bearbeid weet,de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed,grasvlak en bosch, wier vree ’k mij vaak ontzei.Slaan wij thans een blik op de gesteldheid en de ontwikkelingsgeschiedenis van den bodem.Het grootste gedeelte van Noord-Brabant bestaat uit lichtgolvende terreinen van zandgronden met geringe hoogteverschillen en zacht in elkander overgaande terreinhellingen. De zandgronden nemen het geheele zuiden in beslag; zij worden alleen in het noorden en westen afgewisseld door een strook van kleigronden, die in het noordwesten de grootste breedte hebben, en welke wij reeds leerden kennen, toen wij van Oudenbosch over Steenbergen naar Tolen reisden. (Zie pag.195).De door geleidelijke overgangen golvende bodem is kenmerkend voor het grootste deel der zandgronden van Noord-Brabant. Alleen een uitzondering maken hierop de zandverstuivingen, welke, hetzij nog in beweging, als de wind krachtig waait, hetzij vastgelegd door de dennenbosschen, zoo hier en daar te midden der heiden worden aangetroffen. Van de bewegelijke zandverstuivingen vindt men er in den tegenwoordigen tijd niet vele meer; zij zijn meest door de uitbreidende boschcultuur aan banden gelegd.Voor den opmerkzamen waarnemer valt het bij een wandeling over de velden van Noord-Brabant al spoedig in het oog, dat de bodem er in samenstelling en oppervlakte-vormen nogal verschilt van dien der zandgronden in Drente, Overijsel en Gelderland. In deze laatste gewesten komen talrijke scherp geteekende reliefvormen voor, hoogteruggen en heuvels met steile hellingen, die de vlakten afbreken. In Noord-Brabant daarentegen is het, alsof een reuzenschaaf den bodem heeft afgevlakt en genivelleerd. En als men iets nader den grond beschouwt, ziet men ook, dat de hoekige, kantige, zware keien van de Drentsche heiden in Noord-Brabant in ’t geheel niet gevonden worden. Zelfs de kleinere keisteenen van het grint, dat in Noord-Brabant in regelmatige lagen wordt aangetroffen, hebben een afgeronde of afgeslepen gedaante en dragen duidelijk de sporen, dat zij over elkander werden gerold en geschoven gedurende lange perioden, en daardoor een krachtig werkend afslijpingsproces hebben ondergaan. Het zijn dezelfde soort van afgeslepen steenen, als men in de snelstroomende rivieren van het bergland kan waarnemen, waar door het afdrijvende water het rotspuin der bergen snel over elkander wordt bewogen en zoo afgeschuurd tot deze gedaante.Die steenen, in verband met de ligging van grint en zand in geregelde lagen, benevens andere verschijnselen, hebben aan de aardkundigen de gegevens verschaft, waaruit de geschiedenis van dezen bodem valt af te leiden. Wij kunnen ons dat proces als volgt voorstellen. In het geologisch tijdperk, dat men het Diluvium noemt, lag dit land geheel onder water. De Maas, in den benedenloop met den Rijn vereenigd, stroomde als een reusachtige breede stroom over een groot gedeelte van het landschap naar zee, en niet onwaarschijnlijk voegde in het westen langs het dal der stroompjes, die bij Breda samenkomen en door de Mark verder vloeien, de Schelde haar wateren hierbij. De groote waterrijkdom dezer rivieren in dien tijd was het gevolg van den bekenden ijstijd, dien wij in deel I al beschreven, toen de gletschers en sneeuwvelden der Alpen zich over een gedeelte van Zuid-Duitschland voortschoven. Door het afsmelten van dat ijs en die sneeuw ontstond een groote waterafvoer, waardoor genoemde rivieren zoo sterk met water bezwaard werden, dat zij geheele landstreken in den benedenloop overstroomden gedurende een lange periode. Als reuzenrivieren bruisten die stroomen over het land, nu hier, dan daar weder een eenigszins diepere bedding vormend, maar overal zachte hellingen doende ontstaan en de heuvels afslijtend.Deze rivieren voerden met hun snellen stroom het puin der vaste rotsen uit het brongebied mede, schoven het voort over de bedding en schuurden het daardoor op hun langen weg in groote tijdsperioden af tot afgeronde stukken, welke wij hier nog vinden in den bodem. In den benedenloop lieten zij het steenpuin liggen en zoo is het opgehoopt tot vrij vlakke lagen. Voor een gedeelte is dat steenpuin verweerd tot fijn zand, voor het grootste gedeelte was het reeds tot zandkorrels geworden, toen de rivieren het hier aanvoerden.Deze steenen en zandkorrels toonen nog duidelijk aan, dat zij van zuidelijke afkomst zijn. Als wij hier over de heiden wandelen, glinsteren na een regenbui ons allerwegen de witte kwartskorrels tegen in den grond. Die witte kwarts nu is een produkt, voornamelijk van de rotsen uit het Rijn- en Maasgebied afkomstig.Wij wandelen hier dus op een bodem, door de rivieren in den diluvialen tijd van de rotsen der Ardennen, de Vogezen en uit Lotharingen, enz. aangevoerd en neergelegd tot regelmatige, zacht hellende lagen. De breede, glooiend afloopende, ondiepe geul, waarlangs dwars door Noord-Brabant de riviertjes de Dommel, de Aa en hun bijstroomen naar Den Bosch stroomen, wijst nog het oude, verloopen gedeelte van den diluvialen Maasloop in een zwak overblijfsel aan. De oude Scheldeloop heeft zoo waarschijnlijk haar sporen nog in het dal der Mark, voorbij Breda, achtergelaten. Toen in den tijd na het Diluvium dit landschap boven water kwam, lag het daar, zooals het laatstelijk gemodelleerd was door de afzwakkende rivieren, die allengs een meer bepaalde en vaste bedding hadden overgehouden.In den aardbodem vinden wij nog vele overblijfselen, welke van zijn geschiedenis getuigen. De uitgebreide leembanken, welke op vele plaatsen op eenige diepte onder de oppervlakte worden aangetroffen, herinneren aan de voorhistorische rivierloopen, welke hier klei hebben neergelegd, die later weder door zand- en grintlagen werd overdekt. Thans worden zoo hier en daar die oude kleilagen uit de diepte opgedolven voor de steen- en pannenbakkerijen, welke men op onderscheidene plaatsen in Noord-Brabant in de heiden kan aantreffen.Een aangename afwisseling in het landschapskarakter geven de vele riviertjes, die den bodem hoofdzakelijk in een richting van het zuiden naar het noorden doorsnijden. Vriendelijk, met allerlei speelsche bochten zich buigend en wringend, slingeren zij door het Brabantsche landschap, als zilveren linten de talrijke dorpen en gehuchten tot hoofdlijnen van het leven en verkeer der bevolking aan elkander schakelend.Bij den bovenloop, nabij en over de zuidelijke Rijksgrens, ziet men de eerste stadiën der wordingsgeschiedenis dier beekjes nog duidelijk in de heiden. Uit moerassige, lage terreindeelen met struiken en heide, hier en daar met eenig riet en andere moerasplanten begroeid, plekken, waar het water samenloopt en door de onderliggende dichte leemlaag niet in den bodem kan wegzinken, ziet men dergelijke beekjes te voorschijn komen, eenzaam door de heide dwalend, schier zonder groenen oeverzoom, of deze slechts tot een smalle strook beperkt. Maar het stroomende water komt in de diepte in aanraking met de leemlagen van den ondergrond, lost van dat leem iets op en voert het mede, om het verder benedenwaarts als sliblaagjes neder te leggen langs de oevers. Zoo ontstaan de schoone groengronden langs de stroompjes, de met frisch, groen gras begroeide rivierzoomen, waarboven op vele plaatsen reeksen wilgen en populieren hun slanke gestalten opbeuren uit het lagere hakhout, dat de landen en wegen begrenst. Het is, of de natuur van het zuiden naar het noorden reuzenguirlandes over het Brabantsche landschap slingert, die de sombere eenzaamheid der bruine heiden en moerassen, met hun zwarte vennen en meren, afbreken door opgewekt leven.Langs deze riviertjes werden oudtijds meestal de kasteelen der heeren gebouwd; aan deze riviertjes ontstonden ook de meeste en oudste dorpen. De riviertjes vereenigen zich op enkele plaatsen in kommen, die centrale punten in het landschap aanwijzen, waar, evenals de waterwegen, ook de bewoners samenstroomden bij het onderling verkeer. In de oudheid ontstonden aldus grootere nederzettingen, dorpen en vlekken, die niet zelden tot kleine landsteden aangroeiden. Binnen een dergelijke kom ontstond bij de samenvloeiing van Dommel en Aa, met hun vele bijstroomen, ’s-Hertogenbosch; waar onderscheidene kleine stroompjes samenkwamen tot de Mark en een breeder water vormden, verrees Breda; bij Rozendaal ziet men dezelfde geschiedenis en ook het ontstaan van Eindhoven isop deze wijze te verklaren. Van de riviertjes ging de ontginning en inbezitneming des bodems uit; aan hun oevers ontstonden de dorpen en van de oude nederzettingen drong men steeds verder door in de heiden, welke de breede ruggen der waterscheidingen tusschen de riviertjes overdekten, om die langzamerhand te doen inkrimpen door het zich uitbreidend cultuurland.Trots dit ontginningsproces, gedurende vele honderden jaren voortgezet, strekken zich in Noord-Brabant nog groote heiden uit. Ongeveer 25% van de oppervlakte wordt nog door de woeste gronden in beslag genomen. Maar van jaar tot jaar krimpt het ledige, eentonige heideveld in.Sedert lang werden er al pogingen aangewend, om het land met bosschen te overdekken, en in de laatste eeuw is met kracht daaraan van tijd tot tijd de hand geslagen. Het was vooral de invloed der Nederlandsche Heidemaatschappij, die door wetenschappelijke voorlichting den weg gewezen heeft, waardoor men op de schrale gronden schoone sparrenbosschen kan doen verrijzen; in het zuiden vindt men ze reeds in menigte, de lucht vervullend met hun opwekkende geuren.De heiden met hun frissche natuur, door geen valsche kunst bedorven, door geen moderne maatschappij met haar strijd en politiek, haar gedoe en mode verontrust, treffen den dichter door hun stemmig realisme, dat Herman Robbers juist teekent. “Bruin, rossig-vaal-bruin, naar het oosten, zoover het oog reikt, met hier en daar wat dof-groen van eenzame sparrenboompjes en een wazen gloed tegen de heuvlende grondbobbels aan, lag die wijde heide, de groote, eenzame hei van het zuidelijk Noord-Brabant, onder de dampen, die in ’t zonlicht zweefden, vaal donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den kant uit van de zon. In ’t noorden en westen, in strak rechte lijnen, een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in ’t zuiden, tusschen de hei, die in rustige verte verdween in donkeren boschrand, de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.De vèr, vèr blauwende hemel, toch één met het liggende land door de stilte die groot is, heerscht altijddurend. Het knerpen der krekels, noch ’t vinkengesjilp, noch ’t regelmatig geroep van een eenigen vogel, die hoog in de lucht heen en weer scheert, kunnen haar deren, de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den smallen, vast aardenen weg naar het dorp toe”.Op die heiden met hun veenplassen of vennen en te midden der sparrenbosschen van Noord-Brabant lag het tooneel, waar het dichteroog van Dr. Schepers zijn Bragi-zangen zag geboren worden en ontwikkelen tot een goden-mythe.Zonnelicht zweeft,Gezeefd door de sparren;Glad van glanzen glimt het ven;’t Blauw met de bolleBlinkende wolkenRimpelt in ’t riet omruischte ven.Heerlijk, zoo halfOmkuifd door den dommel,Droomend te drijven op ’t dobberend vlot,Te zwemmen, waar ’t zonlichtZuiltjes van licht maakt;Te spartelen onder de spar.Maar boven dat blauw,Wie boodschapt mijVan ’t heerlijke, hooge Walhal?Zou het er zaliger zijn?J. B. Schepers.Over de heiden doolt zoo hier en daar nog de herder rond met zijn kudde, sleeploopend met zijn staf, de lange dagen aaneen, en als dan deGulden avond gloortop deinende heide,gaan de moegeweideschapen vredig voort.Stil is de lage lucht—En de oude herderhoedt ze langzaam verdernaar het klein gehucht.J. L. Walch.Bovenal doet het Brabantsche landschap zijn kostelijk schoon uitkomen in den herfst, op die stille, zonnige dagen, welke geheel passen in den toon dezer droomerige natuur, en haar tooien met feestelijke kleuren.Want in het najaar, als het land gaat slapen,Wordt alles zoo volkomen schoon;Dan draagt het, al te kort, een koningskroonVan louter bladgoud om de lichte slapen.Frans Bastiaanse.Wat aangaat de cultuur en ingebruikneming des bodems is het landschapskarakter in Noord-Brabant ook een geheel ander dan in de overige gewesten der gecultiveerde zandgronden van Nederland. Flinke, aaneengesloten weiden, die men in Gelderland, Overijsel en Drente op de zandgronden nog wel vindt, ziet men in de zuidelijke gewesten van Noord-Brabant weinig. Het zijn meestal kleine stukjes grasland, die dikwijls onafgescheiden aan de eveneens kleine stukken bouwland grenzen en waarop één à twee koeien, aan een touw gebonden, omeen paal loopen te grazen. Een klein gedeelte van den dag komen de koeien in het land; het meest staan zij op stal en worden daar gevoed. Gemis van voldoend grasland en overvloed van bouwland, naast de versnippering van grondbezit, zijn de oorzaken van deze kleine landbouwkunde. Hiermede is ook verbonden, dat koeien, zoowel als ossen, nog veel als trekdieren gebruikt worden. De koeien, welke de melk geven, ziet men niet zelden ook den karnmolen drijven, den mest naar het land trekken en het groenvoeder en hooi uit het land vervoeren.Klein, versnipperd, onregelmatig, weinig economisch en niet naar moderne opvatting ingericht, zijn hier de landverdeeling en de landhuishoudkunde. Wij hebben in deze schets het oog op de zandgronden van Noord-Brabant; de kleigronden hebben een andere landverdeeling en een ander karakter.In overeenstemming met dien toestand is ook de welvaart, de levenswijze en de uitdrukking daarvan in woningbouw en weelde. De Noord-Brabantsche boerenwoning, met die in Friesland, Groningen, Holland en ook in Drente op vele plaatsen vergeleken, maakt een pover figuur. De tijden van welvaart voor den boerenstand, die in de overige gewesten de boerenhuizen in heerenhuizen en villa’s hebben veranderd, schijnen over de hoofden der Brabanters te zijn heengegaan, zonder hen te beroeren, of in elk geval zonder er veranderingen teweeg te brengen. In het zuiden der provincie zijn de kleine boerenhuizen (groote vindt men er weinige, door het klein grondbezit) uiterst eenvoudig en sober gebouwd. Naar het noorden wordt de welvaart grooter, de boerenhuizen zijn er netter en men ziet de verfkwast meer gebruikt, die in het zuiden wel wordt vergeten. Ook in het westen, in de Baronie van Breda, vindt men alles flinker dan in het oosten en het Peelland.De boerenwoningen bestaan in het Z. der provincie meestal uit een complex van gebouwtjes bij elkander; het eigenlijke woonhuis, omringd door schuren en stallen, in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst. De laatste zijn alle ruwe, houten getimmerten, zonder verf op deuren of luiken, met stroo gedekt, veelal de grijsgele wanden gevormd uit gevlochten horden, met leem bestreken. Elk dier getimmerten op de hofstede heeft een eigen doel. Het kleine gebouwtje ter zijde van het woonhuis, is het bakhuis, waar men den oven vindt, waarin de boer zijn eigen brood bakt. Ook vindt men in vele huizen den oven terzijde van den haard in het woonvertrek. Een ander gebouwtje op het erf is de bewaarplaats van graan, met den dorschvloer er naast; weer een ander dient voor de kar of voor het brandhout en de heizoden. In de uithoeken dezer getimmerten zijn de varkenshokken, enz. Eigenaardig schilderachtig is op het erf nog de waterput met den onverschilligen zwengel, een langen, bijna niet behouwen, ruwen boomstam.Het hoofdgebouw bestaat uit het eigenlijke woonhuis in het voorgedeelte,waaraan ook een schuur is verbonden. Het woongedeelte bestaat uit een huiskamer, tevens keuken, een groot vertrek met bedsteden langs de wanden en de ruime schouw op den binnenmuur. Daar brandt men op het haardvuur heizoden en takkenbossen, die een eigenaardigen, niet onaangenamen geur verspreiden, welken men bij het naderen dezer gehuchten (ook op de Veluwe, in Drente en elders) terstond bemerken kan. Onmiddellijk achter het woongedeelte loopt in de schuur een dwarsgang en daarop volgt dwars door het huis de koestal, waar de koeien steeds op den mest staan, met den kop naar genoemde dwarsgang. Veel mest te verkrijgen is een belangrijke zaak voor deze boertjes; al vanouds geldt hier de spreekwijze, dat “de mest een tweede Onzen Lieve Heer is”.Met de aldus door elkander staande gebouwtjes gelijkt de hofstede in Noord-Brabant reeds een gehucht in miniatuur. Zij roept ons onwillekeurig de hoeven van de oude Franken voor den geest, welke eveneens uit vele naast elkander verrijzende gebouwen bestonden, elk voor een afzonderlijk doel ingericht. Hoe scherp stak deze woningbouw bij het groote Saksische huis af, waar alles zooveel mogelijk onder één dak werd samengebracht en waar de woning voor de menschen en de schuur uit één groot geheel bestonden. (In het O. van Overijsel vindt men nog dergelijke woningen). De veelheid van gebouwen op een erf wordt reeds minder, naarmate men meer het N. van Noord-Brabant nadert, en naar het Z. van Limburg ziet men spoedig eveneens een ander type van boerenwoning.Eigenaardig is het in Noord-Brabant, en eveneens in Limburg, dat de gemeenten hier veel gronden in bezit hebben, voornamelijk woeste gronden en bosschen. Dat gemeentelijk grondbezit moet wel onderscheiden worden van de marken, welke men elders vond1. Van alle woeste gronden in Noord-Brabant is ongeveer 35 % gemeente-eigendom.In de vroegere Baronie van Breda is het gemeentelijk grondbezit niet zoo aanzienlijk. Zeker moet dit mede daaraan worden toegeschreven, dat hier de bodem over ’t geheel vruchtbaarder is en de grootere welvaart der bewoners hen meer leidde tot ontginningen. Aldus was het ook gesteld in het land van Bergen-op-Zoom. Doch in de Meierij van Den Bosch vooral heerschte door de verregaande versnippering van grondbezit en de geringe productiviteit van het landbouwbedrijf een algemeene toestand van soberheid of armoede bij den boerenstand in de 18eeeuw, naast achterlijkheid.Talrijke stukken uit de 17een 18eeeuw zijn er, die dit bewijzen. De heeren op de kasteelen uitgezonderd, was schier nergens de bekrompenheid der boerenten plattenlande zoo groot als hier. Flinke, groote boerderijen trof men uiterst zelden aan naast de vele kleine bedrijven met 1 à 3 runderen. Enkel boerenarbeiders vond men daarbij betrekkelijk weinig: zij zouden geen werk gevonden hebben bij de kleine boertjes, die zelf het boerenwerk met ruimte konden verrichten en in een groot gedeelte des jaars nog tijd overhielden.Daarenboven werd over geheel Noord-Brabant de toestand der bevolking gedrukt door de ligging in een grensgewest, dat als veroverd gebied werd beschouwd, als bezit van de Republiek, en waar van tijd tot tijd gedurende de 16een 17eeeuw door den oorlog de dorpen werden plat gebrand. Zware lasten en heerlijke rechten van allerlei aard drukten in onderscheidene dorpen de bewoners daarenboven nog in hooge mate.Door dien toestand van armoede zochten de landbouwers in hun vrijen tijd er iets bij te verdienen. De vlasbouw, die vanouds een boerenbedrijf voor eigen behoefte was, evenals de schapenhouderij voor de wol, had hen gebracht tot spinnerij en weverij in den vrijen tijd, om hun eigen kleedingstukken te vervaardigen. Door nood gedrongen, kwamen zij er toe om die nijverheid uit te breiden, teneinde hierdoor hun lot te verbeteren. Het was en bleef tot in de eerste helft der 19eeeuw nog grootendeels huisindustrie, maar die gedurende de 17een 18eeeuw, en misschien reeds vroeger, ook al werkte voor den uitvoer naar Holland. In Brabant kon de bevolking, met bescheidener eischen, geringer levensbehoeften en voordeeliger levensvoorwaarden, vooral doordien het aanvullingsarbeid was bij het boerenbedrijf, goedkooper arbeiden dan in Holland, waar bovendien de handel en scheepvaart hooger loonen deden ontstaan. Deze bekrompen toestand der boeren in de streken, waar de nederzettingen tot verregaande verdeeling van den bodem en het kleine bedrijf gevoerd hadden, legde den grond voor de industrieele opkomst.In streken met welvaart en groote boerenbedrijven, waar alle handenarbeid daarvoor benoodigd was, waar geen behoefte drong tot nevenarbeid, kon de industrie niet aldus onder de boerenbevolking ontstaan. De zuidelijke gewesten van Noord-Brabant en die van Twente, waar de economische toestanden weinig van elkander verschilden, werden door gelijke omstandigheden de districten der weefindustrie bij uitnemendheid, welke vooral na het midden der 19eeeuw van huisindustrie bijna geheel tot fabrieksnijverheid op groote schaal overging.In Holland, Friesland, Groningen en Zeeland, waar eveneens de vlasteelt in vroeger eeuwen veel tot vlasserij, spinnen en weven voor eigen behoefte aanleiding had gegeven, had dit alles reeds in de 18eeeuw zoo goed als opgehouden een boerenbedrijf te zijn; de gunstiger economische toestanden der boeren in deze gewesten hadden het bedrijf doen vergeten.De aldus ontwikkelde fabrieksnijverheid was in enkele streken ook van invloedop de nederzettingen. Bij huisnijverheid behoefden de woningen, verstrooid over de dorpen, niet verlaten te worden; nu de fabriek de arbeiders elken morgen samenriep binnen haar muren, was men er meer op bedacht, zich in de nabijheid daarvan neder te zetten. Een vorige generatie bleef nog half boer en was half fabrieksarbeider; de jongere werd aan den landarbeid ontwend en groeide op als fabrieksarbeider. De inkomsten als zoodanig waren wel niet hoog, maar toch hooger dan die van den arbeider-landbouwer. Daardoor verleerde, helaas! deze klasse van lieden den boerenarbeid en werden zij meer en meer afhankelijk van de fabrieken bij het maatschappelijk ontwikkelingsproces.Door deze omstandigheden werden in de centra van fabrieksnijverheid de nederzettingen uitgebreid en groeiden op enkele plekken de dorpen samen tot één groote, stedelijke nederzetting. Dat was o. a. het geval met Tilburg. In de 15eeeuw met omstreeks 3000 zielen, in 1796 met 8500 inwoners, in 1830 met 11700, in 1850 met 14600, in 1876 met 25330 zielen, telde deze plaats in 1890: 33900 en in 1900: 40600 inwoners. Twaalf wijken of afzonderlijke dorpen, waaruit Tilburg voor een eeuw bestond, zijn tot één stad geworden.Wat den vorm der nederzettingen betreft, is in Noord-Brabant het lengtetype bij de meeste dorpen overheerschend. Het type der onregelmatig verstrooide huizen, met één of meer open pleinen of brinken, eveneens van onregelmatige gedaante, vindt men hier niet. Schier alle dorpen zijn gebouwd in de lengte langs den weg en vormen in de kom veelal een breedere straat, niet zelden met linden omzoomd, waaraan het Raadhuis gebouwd is.De grootere dorpen ontstonden veelal aan een kruispunt van wegen en bezitten in de kern dan een kruisstraat. Ook buiten de dorpen had de huizenbouw, waar hij meer geïsoleerd is, langs de wegen plaats. Den boer, die in zelfgenoegzaamheid op een groote hoeve alleen woont te midden van zijn landerijen, zooals in Friesland, Groningen, Holland en elders, vindt men hier zelden of niet. De versnipperde verdeeling des lands en het verstrooide landbezit maakten dit ook onmogelijk; daarenboven streed dat tegen den aard van het Frankische volk.Toch vindt men in Noord-Brabant op de zandgronden niet die urenlange, eentonige dorpen der Groninger veenkoloniën. De dorpen zijn gewoonlijk niet lang; zij worden afgebroken door schilderachtige landwegen, om weer door nieuwe te worden vervangen. De streek-dorpen, rechthoekig de regelmatige, strookvormige grondverdeeling snijdend, zooals wij die vinden te Staphorst, Ruinerwold, enz., ziet men hier niet en kan men hier niet vinden door de eigenaardige verdeeling der gronden.Vindt men in Noord-Brabant nergens dorpen met zulke mooie boerenhuizen als in Groningen, daarentegen is Brabant het land van kerken, kloosters enkasteelen, zooals geen ander gedeelte van ons vaderland. Mooie kerken vindt men er overal, op vele plaatsen trotsche bouwgewrochten, waar overigens bij de bevolking de grootste eenvoud en soberheid heerscht. Het is, alsof men er de nooddruft des levens bespaarde, om den Allerhoogste een groot, Zijns waardig paleis te bouwen. Dit verschijnsel staat in verband met den heerschenden Katholieken godsdienst, die de kerkelijke bouwkunst steeds heeft bevorderd. In de noordelijke streken, die meer Protestantsch zijn, vindt men minder van die trotsche kerken, tenminste niet uit den nieuweren tijd.Het voormalig Kasteel van Wouw.Het voormalig Kasteel van Wouw.Kloosters treft men er schier overal aan, in vele plaatsen meer dan een. Het aantal geestelijke zusters in deze provincie is zeer aanzienlijk; schier in elk dorp en voor een groot gedeelte ook in de steden hebben zij het onderwijs van de vrouwelijke jeugd in handen. Maar ook de monnikenkloosters nemen er in de laatste halve eeuw weer sterk toe; de monniken deden hier soms groote gebouwen met een uitgebreide industrie verrijzen, zooals de Trappisten in de Schaapskooi bij Tilburg; elders wisten zij de oude kasteelen in hun bezit te krijgen. Sedert de aanzienlijke heeren met het te gronde gaan der heerlijke rechten en de gewijzigde eischen des levens in den modernen tijd hun groote buitens meer en meer verlieten, werden die veel door monnikenorden gekocht en in kloosters veranderd. Op de binnenplaatsen en in de schooneslotgaarden, waar eens de adellijke jonkvrouwen zich vermaakten, waar die slanke gestalten rondzweefden in zijde en satijn, ziet men thans de monniken of geestelijke zusters rondwaren, gebeden opzeggend of penitentie oefenend.Boerin uit VeldhovenBoerin uit VeldhovenVroeger vond men veel meer kasteelen in Noord-Brabant; bijna elk groot dorp had er een. In de werken van Jakob le Roy, “Groot wereldlijk tooneel des hertogdoms van Brabant”, in 1730 verschenen met 188 kopergravuren, vindt men die kasteelen afgebeeld en eveneens kan men ze leeren kennen in het werk van de Cantillon, “Vermakelijkheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen”, met 200 kunstplaten, van 1768–70 verschenen. De trotsche kasteelen, die hun muren uit de grachten deden verrijzen en door hun bouw herinnerden aan den riddertijd, zijn meest alle verdwenen; enkele overgeblevene zijn gemoderniseerd. De bevolking is er echter nog mild met de benaming “kasteel”, welke niet zelden ook aan een gewoon heerenhuis gegeven wordt.Als echte kasteelen kunnen wij nog wijzen op dat van Helmond, Croy (thans klooster) en Heeswijk; ook Bouvigne heeft nog een kasteelachtig uiterlijk.Noord-Brabant ontleent zijn naam aan het oude landschap Brachbant, bij Latijnsche schrijvers Bracbantum of Bracbantia geheeten, dat ten W. en N. aan de Schelde, ten O. aan de Dender en ten Z. aan de Haine grensde en dus het zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Oost-Vlaanderen en het westelijk gedeelte van Henegouwen besloeg. Dit oude Brachbant breidde zijn grenzen uit over de nabijgelegen landstreken en verkreeg den rang van een hertogdom. Het hertogdom Brabant grensde ten N. aan Holland en aan de Maas, die het van het hertogdom Gelder scheidde, ten O. aan het hertogdom Gelder en het Prins-Bisdom Luik, ten Z. aan het graafschap Namen, ten Z.W. aan het graafschap Henegouwen, ten W. aan het graafschap Vlaanderen en voor een klein gedeelte aan het markgraafschap Antwerpen. Door die uitbreiding en door den rang van hertogdom was Brabant voor het einde der grafelijke regeering een aanzienlijk gewest der Nederlanden, welks staten bij de algemeene vergaderingen een eersten rang innamen en de eerste stem voerden. Daar Brabant ongeveer te midden der andere provinciën gelegen was, had ook de Gouverneur- (of Gouvernante) Generaal zijn zetel in dit gewest, nl. te Brussel, en het opperste gerechtshof, dat zijn rechtspraak over alle Nederlanden uitstrekte, werd door Filips den Schoone in 1504 binnen een der steden van Brabant, nl. te Mechelen, geplaatst.Gedurende den tachtigjarigen oorlog werd het vroegere hertogdom verdeeld en het noordelijk gedeelte vermeesterd door de Staten der Vereenigde Nederlanden. Dit gedeelte stond gedurende den tijd der Republiek als Staats-Brabant bekend en behoorde aan de Generaliteit. Het omvatte het vroegere kwartier van ’s-Hertogenbosch, d. i. de stad en de Meierij van ’s-Hertogenbosch, de stad en het Markgraafschap Bergen-op-Zoom, de stad en de Baronie van Breda, de heerlijkheid Steenbergen, de heerlijkheid Willemsstad, de stad Grave en het Land-van-Kuik, de vrije heerlijkheden Ravestein en Megen en nog enkele kleinere deelen. De noordelijke streek, ongeveer tot de lijn ’s-Hertogenbosch–Klundert, waartoe de dorpen der Langstraat, Geertruidenberg, Lage-Zwaluwe, enz. behoorden, maakten in dien tijd deel uit van Holland.Uit dit Staats-Brabant werd de provincie Noord-Brabant gevormd, met eenige wijziging der grenzen. In het noorden werd Noord-Brabant uitgebreid tot de groote rivieren en werd er dus een deel van Holland aan toegevoegd. Hier kan men nog duidelijk den vroegeren Hollandschen invloed ontdekken bij de bewoners. Terwijl overigens Noord-Brabant meest Katholiek is, vindt men hier nog de meeste Protestanten.Noord-Brabantsche huifkar.Noord-Brabantsche huifkar.Noord-Brabant is een vroeg bewoond gewest. Hier woonden, volgens Plinius, in het westen de Taxandriërs en in den Karolingischen tijd strekte zich hier de gouw Taxandrië uit, naar de Taxandriërs aldus genoemd, terwijl in het oosten, langs de Maas, de Mosago, de Maasgouw, lag.Zijn vaste bevolking ontving het land door Frankische stammen. De sporen van deze oorspronkelijke bevolking zijn nog bewaard gebleven in de taal, die een zuiver Frankisch dialect vormt. Prof. Te Winkel verdeelt deze taal in twee afdeelingen: in West-Frankisch en Oost-Frankisch. Het zuiver West-Frankisch wordt gevonden in: 1. Oost-Vlaanderen, 2. het westelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 3. het westelijk gedeelte van de provincie Antwerpen, 4. het westelijkgedeelte der Bommelerwaard, de Tielerwaard en de Betuwe. Het zuiver Oost-Frankisch wordt gevonden in: 1. het Land-van-Maas-en-Waal, 2. het oostelijk gedeelte der provincie Noord-Brabant, 3. het oostelijk gedeelte der provincie Antwerpen, 4. het oostelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 5. in Belgisch Limburg, 6. in het grootste gedeelte van Nederlandsch Limburg.In het oosten van Noord-Brabant is de Peel, die eeuwen lang een moeras vormde, dat moeilijk kon worden overgestoken, de grens van het zuiver Oost-Frankische taalgewest. Ten oosten van de Peel, langs de Maas, in het Land-van-Kuik en in het Land-van-Nijmegen, is het Oost-Frankisch met Saksische elementen vermengd, al is het ook weinig. De Saksische elementen, die zich ten O. van de Peel in het Frankisch oplosten, bleven door gemis van verkeer voor de gewesten ten W. van de Peel uitgesloten. Daardoor werd de Peel een grens voor de dialecten.Het oud-Frankische karakter spreekt ontegenzeggelijk duidelijk uit de landbevolking van Noord-Brabant. De Franken worden gekenschetst als vriendelijk, zacht van karakter, met goedhartige, gulle inborst en met gehechtheid aan het oude, eigenschappen, welke men hier meer dan ergens elders terugvindt. De Franken zijn gehecht aan hun geboorteland, geen landverhuizers, en zoo is ook hier de landverhuizing geringer dan in eenige andere provincie van Nederland hoewel de economische toestanden er minder gunstig zijn.Eenvoudig zijn de Brabanters in hun leven, in hun huis, op hun akker, met hun rijtuig, op den weg. Welk een verschil tusschen den Brabantschen boer op den weg met den Hollandschen, Groningschen of Frieschen vergeleken. Geen sierlijke rijtuigen vindt men in Noord-Brabant bij de boeren, waarmede zij uitgaan of naar de stad rijden. Men ziet hier enkel de zwaar gebouwde, ruw bewerkte karren, met witte huiven overdekt en nauwelijks geverfd, vervoermiddelen, welke weinig zullen verschillen bij die uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Het paard schommelt in rustigen stap over den weg, terwijl veelal de voerman er naast loopt of op zijde van het inspan zich plaatst en door het klappend geluid van de zweep en het eigenaardig geroep, dat het paard verstaat, het dier leidt. Zij kennen elkander, de omgang is vertrouwelijk. Nergens wordt ook zooveel zorg besteed om de paarden tegen den hinder van vliegen te beschermen, als hier. Overal ziet men in den zomer vliegennetten, terwijl groene struiken het dier om den kop wuiven. Zoo gaat het in eentonige cadans over de wegen.Melancholiek is ’t klinken van de bellenAan ’t haam van ’t paard, dat stapvoets sloft in ’t zand;Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kantEn gansche zwermen vliegen vergezellenHet beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen;Den kop omlaag, door ’t kwastig net omrand,Zoo trekt het dier langs ’t hooge, dorre landDe tweewielskar en blijft eentonig schellen.En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,In ’t grauwe kleed met sjokkig loomen gang;Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt,Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang;Zij hebben saam te lang hun werk gedeeldEn sukk’len samen voort, hun leven lang.Aldus teekent Dr. Schepers den Noord-Brabantschen boer op weg. In die stootende karren en het belgeklank ruischt een weemoedige landschapsmuziek, welke men in de noordelijke gewesten, waar wagens op vier wielen gebruikt worden, mist. Ook Guido Gezelle had die muziek opgemerkt in zijn land.Ze stappen, hun bellen al klinken,de vrome twee horsen te gaar;ze zwoegen, ze zweeten, en blinkendoet ’t blonde gelijm van hun haar.Ze stappen, ze stenen, ze stijvende strengen, en ’t ronde gareelhet spant op hun spannende lijven,de voerman beweegt ze aan een zeel.Daar Noord-Brabant langen tijd als een overwonnen gewest beschouwd werd, twijfelde men wel eens omtrent zijn gehechtheid aan de Republiek, te eerder daar de overheerschende godsdienst meer overeenkwam met dien van de zuidelijke Nederlanden. Maar al was de behandeling dezer landen vroeger geenszins die van een gelijke, al misten de Brabanters de rechten der overige provinciën, toch bleven zij trouw aan den staat, waarmede zij vereenigd waren, aan den Prins, dien zij beschouwden als hun heer. “Onder die burgers blijkt ingeboren getrouwicheyt tot haeren naturelycken landsheere, want sy altoos bereit syn geweest mit haren prince te leven ofte sterven”, werd van hen getuigd.Den Landsheer trouw tot in den dood!Zwoer Brabant eeuwen lang,Der vaadren leuze in vrede, in nood,Zij nu der zonen zang.U klinke ons lied, ’s lands Hooge Vrouw,U, vorstlijk maagdelijn,’t Moge U de tolk van Brabants trouw,Van Brabants liefde zijn.klonk het in Mei 1894, bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes, in Den Bosch den Vorstinnen uit volle borst tegemoet. En waar wij reisden in Brabant, overal vonden wij er trouwe gehechtheid aan ons vorstenhuis. Ik zag dat het sterkst in de sombere dagen der ziekte van H. M., toen ik hier ronddoolde. Schier geen afgelegen dorp, dat ik bezocht, of de eenvoudige menschen, die vernamen, dat ik uit Den Haag kwam, vroegen het eerst naar de gezondheid van H. M. de Koningin.Wij zullen thans ons tochtje door Noord-Brabant gaan maken en aanvangen in het westen.1Het ontstaan der gemeentelijke bezittingen en van de gemeenschappelijke gronden in het algemeen vindt men uitvoeriger uiteengezet in H. Blink, Geschiedenis van den boerenstand en den landbouw in Nederland.II. Door Noord-Brabant.Bergen-Op-Zoom.Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt het te bevreemden, dat men hier sprak van “bergen op den zoom” der zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden, waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig, dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden—slibvlakten, grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden.Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen der visschers in de duinen. Reeds in de 8eeeuw werd door Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken, hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert het begin der 17eeeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering aan Geertruida aldus is genoemd.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18e eeuw.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18eeeuw.Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende, levendigehandelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16enSept. van dat jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18enMaart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld; zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte wallen en vestingterreinen.Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld, met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en de daaropuitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over ’t geheel heeft de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.Schoorsteenmantel uit de 15e eeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Schoorsteenmantel uit de 15eeeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men dewapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode, Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d’Auvergne, Aremberg en Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten vervallen werd verklaard.In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten, afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk aan de Gothiek.Ook de zoogenaamde “Witte zaal”, die gewoonlijk gebezigd wordt voor de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan, viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd, maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof, tegenwoordigde kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer, behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door heer Jan van Glimes, bijgenaamd “Jan met de lippen”, gebouwd, die het vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke tonen des jachthoorns.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie, lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren, waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken, werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter.Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid Katholiek.Door het Westen van Noord-Brabant en naar Breda.Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten over het lage polderland.Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622 Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit de 14eeeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen, dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten den tijd der suikercampagne, benauwend stil.De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs was hier korten tijd de munt van Hollandgevestigd, toen Filips van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw, zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal, voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk, in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen, maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor zij waren vervaardigden van de voormalige abdij aan de Schelde werden zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus, op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de fig. pag.340).Priesterkoor der kerk te Wouw.Priesterkoor der kerk te Wouw.Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19eeeuw was dit slechts een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839 werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen van groen, geel en bruin aan het landschap.Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje, waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst, alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel door riet gedekt, en rondom staan een zestalhuizen en boerderijen, opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve, knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam “Petite Suisse” hieraan gegeven.Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal, het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn Amsterdam—Rotterdam—België—Parijs. Daardoor is het station een druk, internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.Marktplein te Rozendaal.Marktplein te Rozendaal.De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke, flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde, Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal daardoor een haven kreeg, welke voor den handel opHolland aan den eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26enJuni 1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.Keutelstraatje te Rozendaal.Keutelstraatje te Rozendaal.De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder den indruk der waarneming op het juiste moment.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.De kortste weg van Rozendaal naarBreda loopt rechtuit naar het oosten over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder te bereiken.Kerk te Oudenbosch.Kerk te Oudenbosch.Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel, een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant, dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het westen vindt men over ’t geheel de boerenbedrijven grooter dan in het oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond, en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker, netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid, de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen, waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in verband stonden, zooals suikerfabrieken.Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten, die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijkjongen datum; een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd, en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf, dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de suikerfabrikage uitgeoefend.Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000 inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk, hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12 koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor de helft door de kerkgangers gevuld worden.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving nog trotscher en dieperindruk makend. Deze inrichting van onderwijs hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de hulpmiddelen der opvoeding.Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden, dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.Vroeger kasteel te Etten.Vroeger kasteel te Etten.Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo is het overal.Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen wij te Etten, een flinke,nette nederzetting, meest langs de breede dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden wordt overschaduwd.Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken in de 5eeeuw en voerde later den naam van “vrijheid”, hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, “Houte” geheeten, bestond tot 1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken, Staatsgezinden turfschipper op te richten.Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt, om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het Liesbosch brengen in den kring van Breda.

Noord-Brabant.I. Algemeen Beeld.Noord-Brabant! Onwillekeurig kwam voor niet langen tijd bij den Hollander een onaangenaam gevoel op, als hij Noord-Brabant moest bezoeken, nog meer, als hij genoodzaakt was, daar zijn woonplaats te kiezen. Het land “aan gene zijde van den Moerdijk” beschouwde men als het uiteinde van Nederland, en Limburg werd nauwelijks tot Nederland gerekend.Zelfs was het geruimen tijd een slechte naam voor den vreemdeling, als hij in Noord-Brabant verblijf koos of moest kiezen. Dit gewest werd aangewezen voor vele jongelieden van rijke familiën, die in den strijd met de wereld voor haar verlokkingen bezweken waren, en hier werden uitbesteed, om er te wonen en minder aan verleiding te zijn blootgesteld in de stille dorpen. Zenuwlijders, dronkaards, verkwisters en dergelijke lieden werden tot in het eerste gedeelte der 19eeeuw ondergebracht bij de Noord-Brabantsche boeren, die in deze schrale landouw met weinig economische ontwikkeling de voordeelen, daaraan verbonden, goed konden gebruiken. Op tal van dorpskerkhoven vindt men zware zerksteenen met wapens en namen der aanzienlijkste geslachten uit den lande. Men zou aanvankelijk vermoeden, dat hier de rustplaatsen van ambachtsheeren en hun familieleden gevonden worden. Veeltijds is dit niet het geval en zijn het bestedelingen uit Holland geweest, die hier door de zerk met familiewapen en naam de laatste herinnering aan een treurig bestaan hebben achtergelaten.Gelukkig is de verhouding tot en ook de geographische kennis van het zuiden van ons land veel verbeterd, maar naar zijn rechte waarde wordt Noord-Brabant nog zelden geschat, vooral wat betreft het typisch landschapsschoon en zijn eigenaardige volkstoestanden. Zeker, Breda kent menigeen; het Liesbosch en Mastbosch, Prinsenhage en Ginneken zijn bekende plekjes geworden; een enkele verdwaalt nog wel eens in het Ulvenhoutsche bosch, maar daarmede heeft mengewoonlijk het grensgebied van zijn zomerbezoeken bereikt en wat buiten deze plaatsen ligt, is terra incognita. De meesten sporen Tilburg, Eindhoven en Helmond schier achteloos voorbij, alleen met de opmerking, dat er vele fabrieksschoorsteenen rooken, maar weinigen komen tot het besluit, deze steden te bezoeken, en nog minder, om het achterliggende land te doorkruisen of langs de overige dorpen van Noord-Brabant rond te zwerven.En toch, die onverschilligheid kan enkel voortkomen uit onkunde. Want het Brabantsche landschap heeft veel zelfstandig schoons.De toon der Noord-Brabantsche natuur heeft iets eigenaardigs, geheel anders dan elders op de zandgronden in ons land. Men ziet, men proeft, men ruikt en gevoelt het, dat men in Noord-Brabant is, zonder dat men zich in bijzonderheden rekenschap kan geven, waardoor.Een zacht waas van rust ligt over de landbevolking, en het schijnt, alsof de geleidelijke overgangsvormen in den bouw van het landschap daarop invloed hebben uitgeoefend. Want terwijl de natuur rustig en lachend is, doen de bewoners, bij hun over ’t geheel armoedig voorkomen, zich kennen door goedhartigheid en vriendelijkheid, door een opgewekten levenstoon, die getuigt van tevredenheid, met datgene, wat hun is aangeboden aan de tafel des levens. Van hooge aspiraties zijn zij niet vervuld. In de sombere en geenszins altijd even zindelijke keuken der kleine boertjes zal de schamel gekleede vrouw des huizes ook den vreemdeling met welwillende gastvrijheid ontvangen, en hem gaarne iets aanbieden van hetgeen keuken of kelder bezit.Zoo paart zich het karakter der bewoners aan de natuur van het landschap in Noord-Brabant en van beide zal men houden, als men ze kent.In Holland kreeg ik lief de zomerweiden,doorvlekt van ’t loome vee; het hooge grasvan ’t hooiveld, bont doorbloemd; in ’t veen den plas,omzoomd door riet, en ’t elzenbosch bij zijde;de blanke en bochtige IJsel, die bij wasden uiterwaard bestroomde; booten spreidener golven schuin op ’t vlak, dat zij doorsnijden,die slaan aan dijk in ’t riet met ruischgeplas.Hoe zou het zandig Brabant nog behagen,mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei?wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,zong Is. P. de Vooys, toen hij het eerst dit land leerde kennen. Maar nadat hij er had rondgedoold over de heiden en door de bosschen, klonk het als kinderlijk dankbaar:Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreedop gladden grintweg, dwars door bosch en hei,naast open akkers, langs de stille wei,door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,U dank ik vroom voor ’t heldere urenblij,den akker, dien ik zwaar bearbeid weet,de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed,grasvlak en bosch, wier vree ’k mij vaak ontzei.Slaan wij thans een blik op de gesteldheid en de ontwikkelingsgeschiedenis van den bodem.Het grootste gedeelte van Noord-Brabant bestaat uit lichtgolvende terreinen van zandgronden met geringe hoogteverschillen en zacht in elkander overgaande terreinhellingen. De zandgronden nemen het geheele zuiden in beslag; zij worden alleen in het noorden en westen afgewisseld door een strook van kleigronden, die in het noordwesten de grootste breedte hebben, en welke wij reeds leerden kennen, toen wij van Oudenbosch over Steenbergen naar Tolen reisden. (Zie pag.195).De door geleidelijke overgangen golvende bodem is kenmerkend voor het grootste deel der zandgronden van Noord-Brabant. Alleen een uitzondering maken hierop de zandverstuivingen, welke, hetzij nog in beweging, als de wind krachtig waait, hetzij vastgelegd door de dennenbosschen, zoo hier en daar te midden der heiden worden aangetroffen. Van de bewegelijke zandverstuivingen vindt men er in den tegenwoordigen tijd niet vele meer; zij zijn meest door de uitbreidende boschcultuur aan banden gelegd.Voor den opmerkzamen waarnemer valt het bij een wandeling over de velden van Noord-Brabant al spoedig in het oog, dat de bodem er in samenstelling en oppervlakte-vormen nogal verschilt van dien der zandgronden in Drente, Overijsel en Gelderland. In deze laatste gewesten komen talrijke scherp geteekende reliefvormen voor, hoogteruggen en heuvels met steile hellingen, die de vlakten afbreken. In Noord-Brabant daarentegen is het, alsof een reuzenschaaf den bodem heeft afgevlakt en genivelleerd. En als men iets nader den grond beschouwt, ziet men ook, dat de hoekige, kantige, zware keien van de Drentsche heiden in Noord-Brabant in ’t geheel niet gevonden worden. Zelfs de kleinere keisteenen van het grint, dat in Noord-Brabant in regelmatige lagen wordt aangetroffen, hebben een afgeronde of afgeslepen gedaante en dragen duidelijk de sporen, dat zij over elkander werden gerold en geschoven gedurende lange perioden, en daardoor een krachtig werkend afslijpingsproces hebben ondergaan. Het zijn dezelfde soort van afgeslepen steenen, als men in de snelstroomende rivieren van het bergland kan waarnemen, waar door het afdrijvende water het rotspuin der bergen snel over elkander wordt bewogen en zoo afgeschuurd tot deze gedaante.Die steenen, in verband met de ligging van grint en zand in geregelde lagen, benevens andere verschijnselen, hebben aan de aardkundigen de gegevens verschaft, waaruit de geschiedenis van dezen bodem valt af te leiden. Wij kunnen ons dat proces als volgt voorstellen. In het geologisch tijdperk, dat men het Diluvium noemt, lag dit land geheel onder water. De Maas, in den benedenloop met den Rijn vereenigd, stroomde als een reusachtige breede stroom over een groot gedeelte van het landschap naar zee, en niet onwaarschijnlijk voegde in het westen langs het dal der stroompjes, die bij Breda samenkomen en door de Mark verder vloeien, de Schelde haar wateren hierbij. De groote waterrijkdom dezer rivieren in dien tijd was het gevolg van den bekenden ijstijd, dien wij in deel I al beschreven, toen de gletschers en sneeuwvelden der Alpen zich over een gedeelte van Zuid-Duitschland voortschoven. Door het afsmelten van dat ijs en die sneeuw ontstond een groote waterafvoer, waardoor genoemde rivieren zoo sterk met water bezwaard werden, dat zij geheele landstreken in den benedenloop overstroomden gedurende een lange periode. Als reuzenrivieren bruisten die stroomen over het land, nu hier, dan daar weder een eenigszins diepere bedding vormend, maar overal zachte hellingen doende ontstaan en de heuvels afslijtend.Deze rivieren voerden met hun snellen stroom het puin der vaste rotsen uit het brongebied mede, schoven het voort over de bedding en schuurden het daardoor op hun langen weg in groote tijdsperioden af tot afgeronde stukken, welke wij hier nog vinden in den bodem. In den benedenloop lieten zij het steenpuin liggen en zoo is het opgehoopt tot vrij vlakke lagen. Voor een gedeelte is dat steenpuin verweerd tot fijn zand, voor het grootste gedeelte was het reeds tot zandkorrels geworden, toen de rivieren het hier aanvoerden.Deze steenen en zandkorrels toonen nog duidelijk aan, dat zij van zuidelijke afkomst zijn. Als wij hier over de heiden wandelen, glinsteren na een regenbui ons allerwegen de witte kwartskorrels tegen in den grond. Die witte kwarts nu is een produkt, voornamelijk van de rotsen uit het Rijn- en Maasgebied afkomstig.Wij wandelen hier dus op een bodem, door de rivieren in den diluvialen tijd van de rotsen der Ardennen, de Vogezen en uit Lotharingen, enz. aangevoerd en neergelegd tot regelmatige, zacht hellende lagen. De breede, glooiend afloopende, ondiepe geul, waarlangs dwars door Noord-Brabant de riviertjes de Dommel, de Aa en hun bijstroomen naar Den Bosch stroomen, wijst nog het oude, verloopen gedeelte van den diluvialen Maasloop in een zwak overblijfsel aan. De oude Scheldeloop heeft zoo waarschijnlijk haar sporen nog in het dal der Mark, voorbij Breda, achtergelaten. Toen in den tijd na het Diluvium dit landschap boven water kwam, lag het daar, zooals het laatstelijk gemodelleerd was door de afzwakkende rivieren, die allengs een meer bepaalde en vaste bedding hadden overgehouden.In den aardbodem vinden wij nog vele overblijfselen, welke van zijn geschiedenis getuigen. De uitgebreide leembanken, welke op vele plaatsen op eenige diepte onder de oppervlakte worden aangetroffen, herinneren aan de voorhistorische rivierloopen, welke hier klei hebben neergelegd, die later weder door zand- en grintlagen werd overdekt. Thans worden zoo hier en daar die oude kleilagen uit de diepte opgedolven voor de steen- en pannenbakkerijen, welke men op onderscheidene plaatsen in Noord-Brabant in de heiden kan aantreffen.Een aangename afwisseling in het landschapskarakter geven de vele riviertjes, die den bodem hoofdzakelijk in een richting van het zuiden naar het noorden doorsnijden. Vriendelijk, met allerlei speelsche bochten zich buigend en wringend, slingeren zij door het Brabantsche landschap, als zilveren linten de talrijke dorpen en gehuchten tot hoofdlijnen van het leven en verkeer der bevolking aan elkander schakelend.Bij den bovenloop, nabij en over de zuidelijke Rijksgrens, ziet men de eerste stadiën der wordingsgeschiedenis dier beekjes nog duidelijk in de heiden. Uit moerassige, lage terreindeelen met struiken en heide, hier en daar met eenig riet en andere moerasplanten begroeid, plekken, waar het water samenloopt en door de onderliggende dichte leemlaag niet in den bodem kan wegzinken, ziet men dergelijke beekjes te voorschijn komen, eenzaam door de heide dwalend, schier zonder groenen oeverzoom, of deze slechts tot een smalle strook beperkt. Maar het stroomende water komt in de diepte in aanraking met de leemlagen van den ondergrond, lost van dat leem iets op en voert het mede, om het verder benedenwaarts als sliblaagjes neder te leggen langs de oevers. Zoo ontstaan de schoone groengronden langs de stroompjes, de met frisch, groen gras begroeide rivierzoomen, waarboven op vele plaatsen reeksen wilgen en populieren hun slanke gestalten opbeuren uit het lagere hakhout, dat de landen en wegen begrenst. Het is, of de natuur van het zuiden naar het noorden reuzenguirlandes over het Brabantsche landschap slingert, die de sombere eenzaamheid der bruine heiden en moerassen, met hun zwarte vennen en meren, afbreken door opgewekt leven.Langs deze riviertjes werden oudtijds meestal de kasteelen der heeren gebouwd; aan deze riviertjes ontstonden ook de meeste en oudste dorpen. De riviertjes vereenigen zich op enkele plaatsen in kommen, die centrale punten in het landschap aanwijzen, waar, evenals de waterwegen, ook de bewoners samenstroomden bij het onderling verkeer. In de oudheid ontstonden aldus grootere nederzettingen, dorpen en vlekken, die niet zelden tot kleine landsteden aangroeiden. Binnen een dergelijke kom ontstond bij de samenvloeiing van Dommel en Aa, met hun vele bijstroomen, ’s-Hertogenbosch; waar onderscheidene kleine stroompjes samenkwamen tot de Mark en een breeder water vormden, verrees Breda; bij Rozendaal ziet men dezelfde geschiedenis en ook het ontstaan van Eindhoven isop deze wijze te verklaren. Van de riviertjes ging de ontginning en inbezitneming des bodems uit; aan hun oevers ontstonden de dorpen en van de oude nederzettingen drong men steeds verder door in de heiden, welke de breede ruggen der waterscheidingen tusschen de riviertjes overdekten, om die langzamerhand te doen inkrimpen door het zich uitbreidend cultuurland.Trots dit ontginningsproces, gedurende vele honderden jaren voortgezet, strekken zich in Noord-Brabant nog groote heiden uit. Ongeveer 25% van de oppervlakte wordt nog door de woeste gronden in beslag genomen. Maar van jaar tot jaar krimpt het ledige, eentonige heideveld in.Sedert lang werden er al pogingen aangewend, om het land met bosschen te overdekken, en in de laatste eeuw is met kracht daaraan van tijd tot tijd de hand geslagen. Het was vooral de invloed der Nederlandsche Heidemaatschappij, die door wetenschappelijke voorlichting den weg gewezen heeft, waardoor men op de schrale gronden schoone sparrenbosschen kan doen verrijzen; in het zuiden vindt men ze reeds in menigte, de lucht vervullend met hun opwekkende geuren.De heiden met hun frissche natuur, door geen valsche kunst bedorven, door geen moderne maatschappij met haar strijd en politiek, haar gedoe en mode verontrust, treffen den dichter door hun stemmig realisme, dat Herman Robbers juist teekent. “Bruin, rossig-vaal-bruin, naar het oosten, zoover het oog reikt, met hier en daar wat dof-groen van eenzame sparrenboompjes en een wazen gloed tegen de heuvlende grondbobbels aan, lag die wijde heide, de groote, eenzame hei van het zuidelijk Noord-Brabant, onder de dampen, die in ’t zonlicht zweefden, vaal donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den kant uit van de zon. In ’t noorden en westen, in strak rechte lijnen, een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in ’t zuiden, tusschen de hei, die in rustige verte verdween in donkeren boschrand, de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.De vèr, vèr blauwende hemel, toch één met het liggende land door de stilte die groot is, heerscht altijddurend. Het knerpen der krekels, noch ’t vinkengesjilp, noch ’t regelmatig geroep van een eenigen vogel, die hoog in de lucht heen en weer scheert, kunnen haar deren, de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den smallen, vast aardenen weg naar het dorp toe”.Op die heiden met hun veenplassen of vennen en te midden der sparrenbosschen van Noord-Brabant lag het tooneel, waar het dichteroog van Dr. Schepers zijn Bragi-zangen zag geboren worden en ontwikkelen tot een goden-mythe.Zonnelicht zweeft,Gezeefd door de sparren;Glad van glanzen glimt het ven;’t Blauw met de bolleBlinkende wolkenRimpelt in ’t riet omruischte ven.Heerlijk, zoo halfOmkuifd door den dommel,Droomend te drijven op ’t dobberend vlot,Te zwemmen, waar ’t zonlichtZuiltjes van licht maakt;Te spartelen onder de spar.Maar boven dat blauw,Wie boodschapt mijVan ’t heerlijke, hooge Walhal?Zou het er zaliger zijn?J. B. Schepers.Over de heiden doolt zoo hier en daar nog de herder rond met zijn kudde, sleeploopend met zijn staf, de lange dagen aaneen, en als dan deGulden avond gloortop deinende heide,gaan de moegeweideschapen vredig voort.Stil is de lage lucht—En de oude herderhoedt ze langzaam verdernaar het klein gehucht.J. L. Walch.Bovenal doet het Brabantsche landschap zijn kostelijk schoon uitkomen in den herfst, op die stille, zonnige dagen, welke geheel passen in den toon dezer droomerige natuur, en haar tooien met feestelijke kleuren.Want in het najaar, als het land gaat slapen,Wordt alles zoo volkomen schoon;Dan draagt het, al te kort, een koningskroonVan louter bladgoud om de lichte slapen.Frans Bastiaanse.Wat aangaat de cultuur en ingebruikneming des bodems is het landschapskarakter in Noord-Brabant ook een geheel ander dan in de overige gewesten der gecultiveerde zandgronden van Nederland. Flinke, aaneengesloten weiden, die men in Gelderland, Overijsel en Drente op de zandgronden nog wel vindt, ziet men in de zuidelijke gewesten van Noord-Brabant weinig. Het zijn meestal kleine stukjes grasland, die dikwijls onafgescheiden aan de eveneens kleine stukken bouwland grenzen en waarop één à twee koeien, aan een touw gebonden, omeen paal loopen te grazen. Een klein gedeelte van den dag komen de koeien in het land; het meest staan zij op stal en worden daar gevoed. Gemis van voldoend grasland en overvloed van bouwland, naast de versnippering van grondbezit, zijn de oorzaken van deze kleine landbouwkunde. Hiermede is ook verbonden, dat koeien, zoowel als ossen, nog veel als trekdieren gebruikt worden. De koeien, welke de melk geven, ziet men niet zelden ook den karnmolen drijven, den mest naar het land trekken en het groenvoeder en hooi uit het land vervoeren.Klein, versnipperd, onregelmatig, weinig economisch en niet naar moderne opvatting ingericht, zijn hier de landverdeeling en de landhuishoudkunde. Wij hebben in deze schets het oog op de zandgronden van Noord-Brabant; de kleigronden hebben een andere landverdeeling en een ander karakter.In overeenstemming met dien toestand is ook de welvaart, de levenswijze en de uitdrukking daarvan in woningbouw en weelde. De Noord-Brabantsche boerenwoning, met die in Friesland, Groningen, Holland en ook in Drente op vele plaatsen vergeleken, maakt een pover figuur. De tijden van welvaart voor den boerenstand, die in de overige gewesten de boerenhuizen in heerenhuizen en villa’s hebben veranderd, schijnen over de hoofden der Brabanters te zijn heengegaan, zonder hen te beroeren, of in elk geval zonder er veranderingen teweeg te brengen. In het zuiden der provincie zijn de kleine boerenhuizen (groote vindt men er weinige, door het klein grondbezit) uiterst eenvoudig en sober gebouwd. Naar het noorden wordt de welvaart grooter, de boerenhuizen zijn er netter en men ziet de verfkwast meer gebruikt, die in het zuiden wel wordt vergeten. Ook in het westen, in de Baronie van Breda, vindt men alles flinker dan in het oosten en het Peelland.De boerenwoningen bestaan in het Z. der provincie meestal uit een complex van gebouwtjes bij elkander; het eigenlijke woonhuis, omringd door schuren en stallen, in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst. De laatste zijn alle ruwe, houten getimmerten, zonder verf op deuren of luiken, met stroo gedekt, veelal de grijsgele wanden gevormd uit gevlochten horden, met leem bestreken. Elk dier getimmerten op de hofstede heeft een eigen doel. Het kleine gebouwtje ter zijde van het woonhuis, is het bakhuis, waar men den oven vindt, waarin de boer zijn eigen brood bakt. Ook vindt men in vele huizen den oven terzijde van den haard in het woonvertrek. Een ander gebouwtje op het erf is de bewaarplaats van graan, met den dorschvloer er naast; weer een ander dient voor de kar of voor het brandhout en de heizoden. In de uithoeken dezer getimmerten zijn de varkenshokken, enz. Eigenaardig schilderachtig is op het erf nog de waterput met den onverschilligen zwengel, een langen, bijna niet behouwen, ruwen boomstam.Het hoofdgebouw bestaat uit het eigenlijke woonhuis in het voorgedeelte,waaraan ook een schuur is verbonden. Het woongedeelte bestaat uit een huiskamer, tevens keuken, een groot vertrek met bedsteden langs de wanden en de ruime schouw op den binnenmuur. Daar brandt men op het haardvuur heizoden en takkenbossen, die een eigenaardigen, niet onaangenamen geur verspreiden, welken men bij het naderen dezer gehuchten (ook op de Veluwe, in Drente en elders) terstond bemerken kan. Onmiddellijk achter het woongedeelte loopt in de schuur een dwarsgang en daarop volgt dwars door het huis de koestal, waar de koeien steeds op den mest staan, met den kop naar genoemde dwarsgang. Veel mest te verkrijgen is een belangrijke zaak voor deze boertjes; al vanouds geldt hier de spreekwijze, dat “de mest een tweede Onzen Lieve Heer is”.Met de aldus door elkander staande gebouwtjes gelijkt de hofstede in Noord-Brabant reeds een gehucht in miniatuur. Zij roept ons onwillekeurig de hoeven van de oude Franken voor den geest, welke eveneens uit vele naast elkander verrijzende gebouwen bestonden, elk voor een afzonderlijk doel ingericht. Hoe scherp stak deze woningbouw bij het groote Saksische huis af, waar alles zooveel mogelijk onder één dak werd samengebracht en waar de woning voor de menschen en de schuur uit één groot geheel bestonden. (In het O. van Overijsel vindt men nog dergelijke woningen). De veelheid van gebouwen op een erf wordt reeds minder, naarmate men meer het N. van Noord-Brabant nadert, en naar het Z. van Limburg ziet men spoedig eveneens een ander type van boerenwoning.Eigenaardig is het in Noord-Brabant, en eveneens in Limburg, dat de gemeenten hier veel gronden in bezit hebben, voornamelijk woeste gronden en bosschen. Dat gemeentelijk grondbezit moet wel onderscheiden worden van de marken, welke men elders vond1. Van alle woeste gronden in Noord-Brabant is ongeveer 35 % gemeente-eigendom.In de vroegere Baronie van Breda is het gemeentelijk grondbezit niet zoo aanzienlijk. Zeker moet dit mede daaraan worden toegeschreven, dat hier de bodem over ’t geheel vruchtbaarder is en de grootere welvaart der bewoners hen meer leidde tot ontginningen. Aldus was het ook gesteld in het land van Bergen-op-Zoom. Doch in de Meierij van Den Bosch vooral heerschte door de verregaande versnippering van grondbezit en de geringe productiviteit van het landbouwbedrijf een algemeene toestand van soberheid of armoede bij den boerenstand in de 18eeeuw, naast achterlijkheid.Talrijke stukken uit de 17een 18eeeuw zijn er, die dit bewijzen. De heeren op de kasteelen uitgezonderd, was schier nergens de bekrompenheid der boerenten plattenlande zoo groot als hier. Flinke, groote boerderijen trof men uiterst zelden aan naast de vele kleine bedrijven met 1 à 3 runderen. Enkel boerenarbeiders vond men daarbij betrekkelijk weinig: zij zouden geen werk gevonden hebben bij de kleine boertjes, die zelf het boerenwerk met ruimte konden verrichten en in een groot gedeelte des jaars nog tijd overhielden.Daarenboven werd over geheel Noord-Brabant de toestand der bevolking gedrukt door de ligging in een grensgewest, dat als veroverd gebied werd beschouwd, als bezit van de Republiek, en waar van tijd tot tijd gedurende de 16een 17eeeuw door den oorlog de dorpen werden plat gebrand. Zware lasten en heerlijke rechten van allerlei aard drukten in onderscheidene dorpen de bewoners daarenboven nog in hooge mate.Door dien toestand van armoede zochten de landbouwers in hun vrijen tijd er iets bij te verdienen. De vlasbouw, die vanouds een boerenbedrijf voor eigen behoefte was, evenals de schapenhouderij voor de wol, had hen gebracht tot spinnerij en weverij in den vrijen tijd, om hun eigen kleedingstukken te vervaardigen. Door nood gedrongen, kwamen zij er toe om die nijverheid uit te breiden, teneinde hierdoor hun lot te verbeteren. Het was en bleef tot in de eerste helft der 19eeeuw nog grootendeels huisindustrie, maar die gedurende de 17een 18eeeuw, en misschien reeds vroeger, ook al werkte voor den uitvoer naar Holland. In Brabant kon de bevolking, met bescheidener eischen, geringer levensbehoeften en voordeeliger levensvoorwaarden, vooral doordien het aanvullingsarbeid was bij het boerenbedrijf, goedkooper arbeiden dan in Holland, waar bovendien de handel en scheepvaart hooger loonen deden ontstaan. Deze bekrompen toestand der boeren in de streken, waar de nederzettingen tot verregaande verdeeling van den bodem en het kleine bedrijf gevoerd hadden, legde den grond voor de industrieele opkomst.In streken met welvaart en groote boerenbedrijven, waar alle handenarbeid daarvoor benoodigd was, waar geen behoefte drong tot nevenarbeid, kon de industrie niet aldus onder de boerenbevolking ontstaan. De zuidelijke gewesten van Noord-Brabant en die van Twente, waar de economische toestanden weinig van elkander verschilden, werden door gelijke omstandigheden de districten der weefindustrie bij uitnemendheid, welke vooral na het midden der 19eeeuw van huisindustrie bijna geheel tot fabrieksnijverheid op groote schaal overging.In Holland, Friesland, Groningen en Zeeland, waar eveneens de vlasteelt in vroeger eeuwen veel tot vlasserij, spinnen en weven voor eigen behoefte aanleiding had gegeven, had dit alles reeds in de 18eeeuw zoo goed als opgehouden een boerenbedrijf te zijn; de gunstiger economische toestanden der boeren in deze gewesten hadden het bedrijf doen vergeten.De aldus ontwikkelde fabrieksnijverheid was in enkele streken ook van invloedop de nederzettingen. Bij huisnijverheid behoefden de woningen, verstrooid over de dorpen, niet verlaten te worden; nu de fabriek de arbeiders elken morgen samenriep binnen haar muren, was men er meer op bedacht, zich in de nabijheid daarvan neder te zetten. Een vorige generatie bleef nog half boer en was half fabrieksarbeider; de jongere werd aan den landarbeid ontwend en groeide op als fabrieksarbeider. De inkomsten als zoodanig waren wel niet hoog, maar toch hooger dan die van den arbeider-landbouwer. Daardoor verleerde, helaas! deze klasse van lieden den boerenarbeid en werden zij meer en meer afhankelijk van de fabrieken bij het maatschappelijk ontwikkelingsproces.Door deze omstandigheden werden in de centra van fabrieksnijverheid de nederzettingen uitgebreid en groeiden op enkele plekken de dorpen samen tot één groote, stedelijke nederzetting. Dat was o. a. het geval met Tilburg. In de 15eeeuw met omstreeks 3000 zielen, in 1796 met 8500 inwoners, in 1830 met 11700, in 1850 met 14600, in 1876 met 25330 zielen, telde deze plaats in 1890: 33900 en in 1900: 40600 inwoners. Twaalf wijken of afzonderlijke dorpen, waaruit Tilburg voor een eeuw bestond, zijn tot één stad geworden.Wat den vorm der nederzettingen betreft, is in Noord-Brabant het lengtetype bij de meeste dorpen overheerschend. Het type der onregelmatig verstrooide huizen, met één of meer open pleinen of brinken, eveneens van onregelmatige gedaante, vindt men hier niet. Schier alle dorpen zijn gebouwd in de lengte langs den weg en vormen in de kom veelal een breedere straat, niet zelden met linden omzoomd, waaraan het Raadhuis gebouwd is.De grootere dorpen ontstonden veelal aan een kruispunt van wegen en bezitten in de kern dan een kruisstraat. Ook buiten de dorpen had de huizenbouw, waar hij meer geïsoleerd is, langs de wegen plaats. Den boer, die in zelfgenoegzaamheid op een groote hoeve alleen woont te midden van zijn landerijen, zooals in Friesland, Groningen, Holland en elders, vindt men hier zelden of niet. De versnipperde verdeeling des lands en het verstrooide landbezit maakten dit ook onmogelijk; daarenboven streed dat tegen den aard van het Frankische volk.Toch vindt men in Noord-Brabant op de zandgronden niet die urenlange, eentonige dorpen der Groninger veenkoloniën. De dorpen zijn gewoonlijk niet lang; zij worden afgebroken door schilderachtige landwegen, om weer door nieuwe te worden vervangen. De streek-dorpen, rechthoekig de regelmatige, strookvormige grondverdeeling snijdend, zooals wij die vinden te Staphorst, Ruinerwold, enz., ziet men hier niet en kan men hier niet vinden door de eigenaardige verdeeling der gronden.Vindt men in Noord-Brabant nergens dorpen met zulke mooie boerenhuizen als in Groningen, daarentegen is Brabant het land van kerken, kloosters enkasteelen, zooals geen ander gedeelte van ons vaderland. Mooie kerken vindt men er overal, op vele plaatsen trotsche bouwgewrochten, waar overigens bij de bevolking de grootste eenvoud en soberheid heerscht. Het is, alsof men er de nooddruft des levens bespaarde, om den Allerhoogste een groot, Zijns waardig paleis te bouwen. Dit verschijnsel staat in verband met den heerschenden Katholieken godsdienst, die de kerkelijke bouwkunst steeds heeft bevorderd. In de noordelijke streken, die meer Protestantsch zijn, vindt men minder van die trotsche kerken, tenminste niet uit den nieuweren tijd.Het voormalig Kasteel van Wouw.Het voormalig Kasteel van Wouw.Kloosters treft men er schier overal aan, in vele plaatsen meer dan een. Het aantal geestelijke zusters in deze provincie is zeer aanzienlijk; schier in elk dorp en voor een groot gedeelte ook in de steden hebben zij het onderwijs van de vrouwelijke jeugd in handen. Maar ook de monnikenkloosters nemen er in de laatste halve eeuw weer sterk toe; de monniken deden hier soms groote gebouwen met een uitgebreide industrie verrijzen, zooals de Trappisten in de Schaapskooi bij Tilburg; elders wisten zij de oude kasteelen in hun bezit te krijgen. Sedert de aanzienlijke heeren met het te gronde gaan der heerlijke rechten en de gewijzigde eischen des levens in den modernen tijd hun groote buitens meer en meer verlieten, werden die veel door monnikenorden gekocht en in kloosters veranderd. Op de binnenplaatsen en in de schooneslotgaarden, waar eens de adellijke jonkvrouwen zich vermaakten, waar die slanke gestalten rondzweefden in zijde en satijn, ziet men thans de monniken of geestelijke zusters rondwaren, gebeden opzeggend of penitentie oefenend.Boerin uit VeldhovenBoerin uit VeldhovenVroeger vond men veel meer kasteelen in Noord-Brabant; bijna elk groot dorp had er een. In de werken van Jakob le Roy, “Groot wereldlijk tooneel des hertogdoms van Brabant”, in 1730 verschenen met 188 kopergravuren, vindt men die kasteelen afgebeeld en eveneens kan men ze leeren kennen in het werk van de Cantillon, “Vermakelijkheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen”, met 200 kunstplaten, van 1768–70 verschenen. De trotsche kasteelen, die hun muren uit de grachten deden verrijzen en door hun bouw herinnerden aan den riddertijd, zijn meest alle verdwenen; enkele overgeblevene zijn gemoderniseerd. De bevolking is er echter nog mild met de benaming “kasteel”, welke niet zelden ook aan een gewoon heerenhuis gegeven wordt.Als echte kasteelen kunnen wij nog wijzen op dat van Helmond, Croy (thans klooster) en Heeswijk; ook Bouvigne heeft nog een kasteelachtig uiterlijk.Noord-Brabant ontleent zijn naam aan het oude landschap Brachbant, bij Latijnsche schrijvers Bracbantum of Bracbantia geheeten, dat ten W. en N. aan de Schelde, ten O. aan de Dender en ten Z. aan de Haine grensde en dus het zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Oost-Vlaanderen en het westelijk gedeelte van Henegouwen besloeg. Dit oude Brachbant breidde zijn grenzen uit over de nabijgelegen landstreken en verkreeg den rang van een hertogdom. Het hertogdom Brabant grensde ten N. aan Holland en aan de Maas, die het van het hertogdom Gelder scheidde, ten O. aan het hertogdom Gelder en het Prins-Bisdom Luik, ten Z. aan het graafschap Namen, ten Z.W. aan het graafschap Henegouwen, ten W. aan het graafschap Vlaanderen en voor een klein gedeelte aan het markgraafschap Antwerpen. Door die uitbreiding en door den rang van hertogdom was Brabant voor het einde der grafelijke regeering een aanzienlijk gewest der Nederlanden, welks staten bij de algemeene vergaderingen een eersten rang innamen en de eerste stem voerden. Daar Brabant ongeveer te midden der andere provinciën gelegen was, had ook de Gouverneur- (of Gouvernante) Generaal zijn zetel in dit gewest, nl. te Brussel, en het opperste gerechtshof, dat zijn rechtspraak over alle Nederlanden uitstrekte, werd door Filips den Schoone in 1504 binnen een der steden van Brabant, nl. te Mechelen, geplaatst.Gedurende den tachtigjarigen oorlog werd het vroegere hertogdom verdeeld en het noordelijk gedeelte vermeesterd door de Staten der Vereenigde Nederlanden. Dit gedeelte stond gedurende den tijd der Republiek als Staats-Brabant bekend en behoorde aan de Generaliteit. Het omvatte het vroegere kwartier van ’s-Hertogenbosch, d. i. de stad en de Meierij van ’s-Hertogenbosch, de stad en het Markgraafschap Bergen-op-Zoom, de stad en de Baronie van Breda, de heerlijkheid Steenbergen, de heerlijkheid Willemsstad, de stad Grave en het Land-van-Kuik, de vrije heerlijkheden Ravestein en Megen en nog enkele kleinere deelen. De noordelijke streek, ongeveer tot de lijn ’s-Hertogenbosch–Klundert, waartoe de dorpen der Langstraat, Geertruidenberg, Lage-Zwaluwe, enz. behoorden, maakten in dien tijd deel uit van Holland.Uit dit Staats-Brabant werd de provincie Noord-Brabant gevormd, met eenige wijziging der grenzen. In het noorden werd Noord-Brabant uitgebreid tot de groote rivieren en werd er dus een deel van Holland aan toegevoegd. Hier kan men nog duidelijk den vroegeren Hollandschen invloed ontdekken bij de bewoners. Terwijl overigens Noord-Brabant meest Katholiek is, vindt men hier nog de meeste Protestanten.Noord-Brabantsche huifkar.Noord-Brabantsche huifkar.Noord-Brabant is een vroeg bewoond gewest. Hier woonden, volgens Plinius, in het westen de Taxandriërs en in den Karolingischen tijd strekte zich hier de gouw Taxandrië uit, naar de Taxandriërs aldus genoemd, terwijl in het oosten, langs de Maas, de Mosago, de Maasgouw, lag.Zijn vaste bevolking ontving het land door Frankische stammen. De sporen van deze oorspronkelijke bevolking zijn nog bewaard gebleven in de taal, die een zuiver Frankisch dialect vormt. Prof. Te Winkel verdeelt deze taal in twee afdeelingen: in West-Frankisch en Oost-Frankisch. Het zuiver West-Frankisch wordt gevonden in: 1. Oost-Vlaanderen, 2. het westelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 3. het westelijk gedeelte van de provincie Antwerpen, 4. het westelijkgedeelte der Bommelerwaard, de Tielerwaard en de Betuwe. Het zuiver Oost-Frankisch wordt gevonden in: 1. het Land-van-Maas-en-Waal, 2. het oostelijk gedeelte der provincie Noord-Brabant, 3. het oostelijk gedeelte der provincie Antwerpen, 4. het oostelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 5. in Belgisch Limburg, 6. in het grootste gedeelte van Nederlandsch Limburg.In het oosten van Noord-Brabant is de Peel, die eeuwen lang een moeras vormde, dat moeilijk kon worden overgestoken, de grens van het zuiver Oost-Frankische taalgewest. Ten oosten van de Peel, langs de Maas, in het Land-van-Kuik en in het Land-van-Nijmegen, is het Oost-Frankisch met Saksische elementen vermengd, al is het ook weinig. De Saksische elementen, die zich ten O. van de Peel in het Frankisch oplosten, bleven door gemis van verkeer voor de gewesten ten W. van de Peel uitgesloten. Daardoor werd de Peel een grens voor de dialecten.Het oud-Frankische karakter spreekt ontegenzeggelijk duidelijk uit de landbevolking van Noord-Brabant. De Franken worden gekenschetst als vriendelijk, zacht van karakter, met goedhartige, gulle inborst en met gehechtheid aan het oude, eigenschappen, welke men hier meer dan ergens elders terugvindt. De Franken zijn gehecht aan hun geboorteland, geen landverhuizers, en zoo is ook hier de landverhuizing geringer dan in eenige andere provincie van Nederland hoewel de economische toestanden er minder gunstig zijn.Eenvoudig zijn de Brabanters in hun leven, in hun huis, op hun akker, met hun rijtuig, op den weg. Welk een verschil tusschen den Brabantschen boer op den weg met den Hollandschen, Groningschen of Frieschen vergeleken. Geen sierlijke rijtuigen vindt men in Noord-Brabant bij de boeren, waarmede zij uitgaan of naar de stad rijden. Men ziet hier enkel de zwaar gebouwde, ruw bewerkte karren, met witte huiven overdekt en nauwelijks geverfd, vervoermiddelen, welke weinig zullen verschillen bij die uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Het paard schommelt in rustigen stap over den weg, terwijl veelal de voerman er naast loopt of op zijde van het inspan zich plaatst en door het klappend geluid van de zweep en het eigenaardig geroep, dat het paard verstaat, het dier leidt. Zij kennen elkander, de omgang is vertrouwelijk. Nergens wordt ook zooveel zorg besteed om de paarden tegen den hinder van vliegen te beschermen, als hier. Overal ziet men in den zomer vliegennetten, terwijl groene struiken het dier om den kop wuiven. Zoo gaat het in eentonige cadans over de wegen.Melancholiek is ’t klinken van de bellenAan ’t haam van ’t paard, dat stapvoets sloft in ’t zand;Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kantEn gansche zwermen vliegen vergezellenHet beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen;Den kop omlaag, door ’t kwastig net omrand,Zoo trekt het dier langs ’t hooge, dorre landDe tweewielskar en blijft eentonig schellen.En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,In ’t grauwe kleed met sjokkig loomen gang;Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt,Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang;Zij hebben saam te lang hun werk gedeeldEn sukk’len samen voort, hun leven lang.Aldus teekent Dr. Schepers den Noord-Brabantschen boer op weg. In die stootende karren en het belgeklank ruischt een weemoedige landschapsmuziek, welke men in de noordelijke gewesten, waar wagens op vier wielen gebruikt worden, mist. Ook Guido Gezelle had die muziek opgemerkt in zijn land.Ze stappen, hun bellen al klinken,de vrome twee horsen te gaar;ze zwoegen, ze zweeten, en blinkendoet ’t blonde gelijm van hun haar.Ze stappen, ze stenen, ze stijvende strengen, en ’t ronde gareelhet spant op hun spannende lijven,de voerman beweegt ze aan een zeel.Daar Noord-Brabant langen tijd als een overwonnen gewest beschouwd werd, twijfelde men wel eens omtrent zijn gehechtheid aan de Republiek, te eerder daar de overheerschende godsdienst meer overeenkwam met dien van de zuidelijke Nederlanden. Maar al was de behandeling dezer landen vroeger geenszins die van een gelijke, al misten de Brabanters de rechten der overige provinciën, toch bleven zij trouw aan den staat, waarmede zij vereenigd waren, aan den Prins, dien zij beschouwden als hun heer. “Onder die burgers blijkt ingeboren getrouwicheyt tot haeren naturelycken landsheere, want sy altoos bereit syn geweest mit haren prince te leven ofte sterven”, werd van hen getuigd.Den Landsheer trouw tot in den dood!Zwoer Brabant eeuwen lang,Der vaadren leuze in vrede, in nood,Zij nu der zonen zang.U klinke ons lied, ’s lands Hooge Vrouw,U, vorstlijk maagdelijn,’t Moge U de tolk van Brabants trouw,Van Brabants liefde zijn.klonk het in Mei 1894, bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes, in Den Bosch den Vorstinnen uit volle borst tegemoet. En waar wij reisden in Brabant, overal vonden wij er trouwe gehechtheid aan ons vorstenhuis. Ik zag dat het sterkst in de sombere dagen der ziekte van H. M., toen ik hier ronddoolde. Schier geen afgelegen dorp, dat ik bezocht, of de eenvoudige menschen, die vernamen, dat ik uit Den Haag kwam, vroegen het eerst naar de gezondheid van H. M. de Koningin.Wij zullen thans ons tochtje door Noord-Brabant gaan maken en aanvangen in het westen.1Het ontstaan der gemeentelijke bezittingen en van de gemeenschappelijke gronden in het algemeen vindt men uitvoeriger uiteengezet in H. Blink, Geschiedenis van den boerenstand en den landbouw in Nederland.II. Door Noord-Brabant.Bergen-Op-Zoom.Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt het te bevreemden, dat men hier sprak van “bergen op den zoom” der zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden, waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig, dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden—slibvlakten, grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden.Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen der visschers in de duinen. Reeds in de 8eeeuw werd door Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken, hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert het begin der 17eeeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering aan Geertruida aldus is genoemd.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18e eeuw.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18eeeuw.Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende, levendigehandelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16enSept. van dat jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18enMaart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld; zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte wallen en vestingterreinen.Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld, met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en de daaropuitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over ’t geheel heeft de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.Schoorsteenmantel uit de 15e eeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Schoorsteenmantel uit de 15eeeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men dewapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode, Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d’Auvergne, Aremberg en Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten vervallen werd verklaard.In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten, afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk aan de Gothiek.Ook de zoogenaamde “Witte zaal”, die gewoonlijk gebezigd wordt voor de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan, viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd, maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof, tegenwoordigde kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer, behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door heer Jan van Glimes, bijgenaamd “Jan met de lippen”, gebouwd, die het vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke tonen des jachthoorns.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie, lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren, waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken, werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter.Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid Katholiek.Door het Westen van Noord-Brabant en naar Breda.Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten over het lage polderland.Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622 Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit de 14eeeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen, dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten den tijd der suikercampagne, benauwend stil.De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs was hier korten tijd de munt van Hollandgevestigd, toen Filips van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw, zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal, voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk, in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen, maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor zij waren vervaardigden van de voormalige abdij aan de Schelde werden zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus, op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de fig. pag.340).Priesterkoor der kerk te Wouw.Priesterkoor der kerk te Wouw.Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19eeeuw was dit slechts een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839 werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen van groen, geel en bruin aan het landschap.Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje, waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst, alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel door riet gedekt, en rondom staan een zestalhuizen en boerderijen, opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve, knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam “Petite Suisse” hieraan gegeven.Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal, het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn Amsterdam—Rotterdam—België—Parijs. Daardoor is het station een druk, internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.Marktplein te Rozendaal.Marktplein te Rozendaal.De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke, flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde, Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal daardoor een haven kreeg, welke voor den handel opHolland aan den eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26enJuni 1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.Keutelstraatje te Rozendaal.Keutelstraatje te Rozendaal.De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder den indruk der waarneming op het juiste moment.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.De kortste weg van Rozendaal naarBreda loopt rechtuit naar het oosten over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder te bereiken.Kerk te Oudenbosch.Kerk te Oudenbosch.Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel, een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant, dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het westen vindt men over ’t geheel de boerenbedrijven grooter dan in het oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond, en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker, netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid, de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen, waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in verband stonden, zooals suikerfabrieken.Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten, die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijkjongen datum; een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd, en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf, dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de suikerfabrikage uitgeoefend.Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000 inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk, hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12 koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor de helft door de kerkgangers gevuld worden.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving nog trotscher en dieperindruk makend. Deze inrichting van onderwijs hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de hulpmiddelen der opvoeding.Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden, dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.Vroeger kasteel te Etten.Vroeger kasteel te Etten.Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo is het overal.Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen wij te Etten, een flinke,nette nederzetting, meest langs de breede dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden wordt overschaduwd.Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken in de 5eeeuw en voerde later den naam van “vrijheid”, hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, “Houte” geheeten, bestond tot 1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken, Staatsgezinden turfschipper op te richten.Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt, om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het Liesbosch brengen in den kring van Breda.

I. Algemeen Beeld.Noord-Brabant! Onwillekeurig kwam voor niet langen tijd bij den Hollander een onaangenaam gevoel op, als hij Noord-Brabant moest bezoeken, nog meer, als hij genoodzaakt was, daar zijn woonplaats te kiezen. Het land “aan gene zijde van den Moerdijk” beschouwde men als het uiteinde van Nederland, en Limburg werd nauwelijks tot Nederland gerekend.Zelfs was het geruimen tijd een slechte naam voor den vreemdeling, als hij in Noord-Brabant verblijf koos of moest kiezen. Dit gewest werd aangewezen voor vele jongelieden van rijke familiën, die in den strijd met de wereld voor haar verlokkingen bezweken waren, en hier werden uitbesteed, om er te wonen en minder aan verleiding te zijn blootgesteld in de stille dorpen. Zenuwlijders, dronkaards, verkwisters en dergelijke lieden werden tot in het eerste gedeelte der 19eeeuw ondergebracht bij de Noord-Brabantsche boeren, die in deze schrale landouw met weinig economische ontwikkeling de voordeelen, daaraan verbonden, goed konden gebruiken. Op tal van dorpskerkhoven vindt men zware zerksteenen met wapens en namen der aanzienlijkste geslachten uit den lande. Men zou aanvankelijk vermoeden, dat hier de rustplaatsen van ambachtsheeren en hun familieleden gevonden worden. Veeltijds is dit niet het geval en zijn het bestedelingen uit Holland geweest, die hier door de zerk met familiewapen en naam de laatste herinnering aan een treurig bestaan hebben achtergelaten.Gelukkig is de verhouding tot en ook de geographische kennis van het zuiden van ons land veel verbeterd, maar naar zijn rechte waarde wordt Noord-Brabant nog zelden geschat, vooral wat betreft het typisch landschapsschoon en zijn eigenaardige volkstoestanden. Zeker, Breda kent menigeen; het Liesbosch en Mastbosch, Prinsenhage en Ginneken zijn bekende plekjes geworden; een enkele verdwaalt nog wel eens in het Ulvenhoutsche bosch, maar daarmede heeft mengewoonlijk het grensgebied van zijn zomerbezoeken bereikt en wat buiten deze plaatsen ligt, is terra incognita. De meesten sporen Tilburg, Eindhoven en Helmond schier achteloos voorbij, alleen met de opmerking, dat er vele fabrieksschoorsteenen rooken, maar weinigen komen tot het besluit, deze steden te bezoeken, en nog minder, om het achterliggende land te doorkruisen of langs de overige dorpen van Noord-Brabant rond te zwerven.En toch, die onverschilligheid kan enkel voortkomen uit onkunde. Want het Brabantsche landschap heeft veel zelfstandig schoons.De toon der Noord-Brabantsche natuur heeft iets eigenaardigs, geheel anders dan elders op de zandgronden in ons land. Men ziet, men proeft, men ruikt en gevoelt het, dat men in Noord-Brabant is, zonder dat men zich in bijzonderheden rekenschap kan geven, waardoor.Een zacht waas van rust ligt over de landbevolking, en het schijnt, alsof de geleidelijke overgangsvormen in den bouw van het landschap daarop invloed hebben uitgeoefend. Want terwijl de natuur rustig en lachend is, doen de bewoners, bij hun over ’t geheel armoedig voorkomen, zich kennen door goedhartigheid en vriendelijkheid, door een opgewekten levenstoon, die getuigt van tevredenheid, met datgene, wat hun is aangeboden aan de tafel des levens. Van hooge aspiraties zijn zij niet vervuld. In de sombere en geenszins altijd even zindelijke keuken der kleine boertjes zal de schamel gekleede vrouw des huizes ook den vreemdeling met welwillende gastvrijheid ontvangen, en hem gaarne iets aanbieden van hetgeen keuken of kelder bezit.Zoo paart zich het karakter der bewoners aan de natuur van het landschap in Noord-Brabant en van beide zal men houden, als men ze kent.In Holland kreeg ik lief de zomerweiden,doorvlekt van ’t loome vee; het hooge grasvan ’t hooiveld, bont doorbloemd; in ’t veen den plas,omzoomd door riet, en ’t elzenbosch bij zijde;de blanke en bochtige IJsel, die bij wasden uiterwaard bestroomde; booten spreidener golven schuin op ’t vlak, dat zij doorsnijden,die slaan aan dijk in ’t riet met ruischgeplas.Hoe zou het zandig Brabant nog behagen,mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei?wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,zong Is. P. de Vooys, toen hij het eerst dit land leerde kennen. Maar nadat hij er had rondgedoold over de heiden en door de bosschen, klonk het als kinderlijk dankbaar:Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreedop gladden grintweg, dwars door bosch en hei,naast open akkers, langs de stille wei,door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,U dank ik vroom voor ’t heldere urenblij,den akker, dien ik zwaar bearbeid weet,de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed,grasvlak en bosch, wier vree ’k mij vaak ontzei.Slaan wij thans een blik op de gesteldheid en de ontwikkelingsgeschiedenis van den bodem.Het grootste gedeelte van Noord-Brabant bestaat uit lichtgolvende terreinen van zandgronden met geringe hoogteverschillen en zacht in elkander overgaande terreinhellingen. De zandgronden nemen het geheele zuiden in beslag; zij worden alleen in het noorden en westen afgewisseld door een strook van kleigronden, die in het noordwesten de grootste breedte hebben, en welke wij reeds leerden kennen, toen wij van Oudenbosch over Steenbergen naar Tolen reisden. (Zie pag.195).De door geleidelijke overgangen golvende bodem is kenmerkend voor het grootste deel der zandgronden van Noord-Brabant. Alleen een uitzondering maken hierop de zandverstuivingen, welke, hetzij nog in beweging, als de wind krachtig waait, hetzij vastgelegd door de dennenbosschen, zoo hier en daar te midden der heiden worden aangetroffen. Van de bewegelijke zandverstuivingen vindt men er in den tegenwoordigen tijd niet vele meer; zij zijn meest door de uitbreidende boschcultuur aan banden gelegd.Voor den opmerkzamen waarnemer valt het bij een wandeling over de velden van Noord-Brabant al spoedig in het oog, dat de bodem er in samenstelling en oppervlakte-vormen nogal verschilt van dien der zandgronden in Drente, Overijsel en Gelderland. In deze laatste gewesten komen talrijke scherp geteekende reliefvormen voor, hoogteruggen en heuvels met steile hellingen, die de vlakten afbreken. In Noord-Brabant daarentegen is het, alsof een reuzenschaaf den bodem heeft afgevlakt en genivelleerd. En als men iets nader den grond beschouwt, ziet men ook, dat de hoekige, kantige, zware keien van de Drentsche heiden in Noord-Brabant in ’t geheel niet gevonden worden. Zelfs de kleinere keisteenen van het grint, dat in Noord-Brabant in regelmatige lagen wordt aangetroffen, hebben een afgeronde of afgeslepen gedaante en dragen duidelijk de sporen, dat zij over elkander werden gerold en geschoven gedurende lange perioden, en daardoor een krachtig werkend afslijpingsproces hebben ondergaan. Het zijn dezelfde soort van afgeslepen steenen, als men in de snelstroomende rivieren van het bergland kan waarnemen, waar door het afdrijvende water het rotspuin der bergen snel over elkander wordt bewogen en zoo afgeschuurd tot deze gedaante.Die steenen, in verband met de ligging van grint en zand in geregelde lagen, benevens andere verschijnselen, hebben aan de aardkundigen de gegevens verschaft, waaruit de geschiedenis van dezen bodem valt af te leiden. Wij kunnen ons dat proces als volgt voorstellen. In het geologisch tijdperk, dat men het Diluvium noemt, lag dit land geheel onder water. De Maas, in den benedenloop met den Rijn vereenigd, stroomde als een reusachtige breede stroom over een groot gedeelte van het landschap naar zee, en niet onwaarschijnlijk voegde in het westen langs het dal der stroompjes, die bij Breda samenkomen en door de Mark verder vloeien, de Schelde haar wateren hierbij. De groote waterrijkdom dezer rivieren in dien tijd was het gevolg van den bekenden ijstijd, dien wij in deel I al beschreven, toen de gletschers en sneeuwvelden der Alpen zich over een gedeelte van Zuid-Duitschland voortschoven. Door het afsmelten van dat ijs en die sneeuw ontstond een groote waterafvoer, waardoor genoemde rivieren zoo sterk met water bezwaard werden, dat zij geheele landstreken in den benedenloop overstroomden gedurende een lange periode. Als reuzenrivieren bruisten die stroomen over het land, nu hier, dan daar weder een eenigszins diepere bedding vormend, maar overal zachte hellingen doende ontstaan en de heuvels afslijtend.Deze rivieren voerden met hun snellen stroom het puin der vaste rotsen uit het brongebied mede, schoven het voort over de bedding en schuurden het daardoor op hun langen weg in groote tijdsperioden af tot afgeronde stukken, welke wij hier nog vinden in den bodem. In den benedenloop lieten zij het steenpuin liggen en zoo is het opgehoopt tot vrij vlakke lagen. Voor een gedeelte is dat steenpuin verweerd tot fijn zand, voor het grootste gedeelte was het reeds tot zandkorrels geworden, toen de rivieren het hier aanvoerden.Deze steenen en zandkorrels toonen nog duidelijk aan, dat zij van zuidelijke afkomst zijn. Als wij hier over de heiden wandelen, glinsteren na een regenbui ons allerwegen de witte kwartskorrels tegen in den grond. Die witte kwarts nu is een produkt, voornamelijk van de rotsen uit het Rijn- en Maasgebied afkomstig.Wij wandelen hier dus op een bodem, door de rivieren in den diluvialen tijd van de rotsen der Ardennen, de Vogezen en uit Lotharingen, enz. aangevoerd en neergelegd tot regelmatige, zacht hellende lagen. De breede, glooiend afloopende, ondiepe geul, waarlangs dwars door Noord-Brabant de riviertjes de Dommel, de Aa en hun bijstroomen naar Den Bosch stroomen, wijst nog het oude, verloopen gedeelte van den diluvialen Maasloop in een zwak overblijfsel aan. De oude Scheldeloop heeft zoo waarschijnlijk haar sporen nog in het dal der Mark, voorbij Breda, achtergelaten. Toen in den tijd na het Diluvium dit landschap boven water kwam, lag het daar, zooals het laatstelijk gemodelleerd was door de afzwakkende rivieren, die allengs een meer bepaalde en vaste bedding hadden overgehouden.In den aardbodem vinden wij nog vele overblijfselen, welke van zijn geschiedenis getuigen. De uitgebreide leembanken, welke op vele plaatsen op eenige diepte onder de oppervlakte worden aangetroffen, herinneren aan de voorhistorische rivierloopen, welke hier klei hebben neergelegd, die later weder door zand- en grintlagen werd overdekt. Thans worden zoo hier en daar die oude kleilagen uit de diepte opgedolven voor de steen- en pannenbakkerijen, welke men op onderscheidene plaatsen in Noord-Brabant in de heiden kan aantreffen.Een aangename afwisseling in het landschapskarakter geven de vele riviertjes, die den bodem hoofdzakelijk in een richting van het zuiden naar het noorden doorsnijden. Vriendelijk, met allerlei speelsche bochten zich buigend en wringend, slingeren zij door het Brabantsche landschap, als zilveren linten de talrijke dorpen en gehuchten tot hoofdlijnen van het leven en verkeer der bevolking aan elkander schakelend.Bij den bovenloop, nabij en over de zuidelijke Rijksgrens, ziet men de eerste stadiën der wordingsgeschiedenis dier beekjes nog duidelijk in de heiden. Uit moerassige, lage terreindeelen met struiken en heide, hier en daar met eenig riet en andere moerasplanten begroeid, plekken, waar het water samenloopt en door de onderliggende dichte leemlaag niet in den bodem kan wegzinken, ziet men dergelijke beekjes te voorschijn komen, eenzaam door de heide dwalend, schier zonder groenen oeverzoom, of deze slechts tot een smalle strook beperkt. Maar het stroomende water komt in de diepte in aanraking met de leemlagen van den ondergrond, lost van dat leem iets op en voert het mede, om het verder benedenwaarts als sliblaagjes neder te leggen langs de oevers. Zoo ontstaan de schoone groengronden langs de stroompjes, de met frisch, groen gras begroeide rivierzoomen, waarboven op vele plaatsen reeksen wilgen en populieren hun slanke gestalten opbeuren uit het lagere hakhout, dat de landen en wegen begrenst. Het is, of de natuur van het zuiden naar het noorden reuzenguirlandes over het Brabantsche landschap slingert, die de sombere eenzaamheid der bruine heiden en moerassen, met hun zwarte vennen en meren, afbreken door opgewekt leven.Langs deze riviertjes werden oudtijds meestal de kasteelen der heeren gebouwd; aan deze riviertjes ontstonden ook de meeste en oudste dorpen. De riviertjes vereenigen zich op enkele plaatsen in kommen, die centrale punten in het landschap aanwijzen, waar, evenals de waterwegen, ook de bewoners samenstroomden bij het onderling verkeer. In de oudheid ontstonden aldus grootere nederzettingen, dorpen en vlekken, die niet zelden tot kleine landsteden aangroeiden. Binnen een dergelijke kom ontstond bij de samenvloeiing van Dommel en Aa, met hun vele bijstroomen, ’s-Hertogenbosch; waar onderscheidene kleine stroompjes samenkwamen tot de Mark en een breeder water vormden, verrees Breda; bij Rozendaal ziet men dezelfde geschiedenis en ook het ontstaan van Eindhoven isop deze wijze te verklaren. Van de riviertjes ging de ontginning en inbezitneming des bodems uit; aan hun oevers ontstonden de dorpen en van de oude nederzettingen drong men steeds verder door in de heiden, welke de breede ruggen der waterscheidingen tusschen de riviertjes overdekten, om die langzamerhand te doen inkrimpen door het zich uitbreidend cultuurland.Trots dit ontginningsproces, gedurende vele honderden jaren voortgezet, strekken zich in Noord-Brabant nog groote heiden uit. Ongeveer 25% van de oppervlakte wordt nog door de woeste gronden in beslag genomen. Maar van jaar tot jaar krimpt het ledige, eentonige heideveld in.Sedert lang werden er al pogingen aangewend, om het land met bosschen te overdekken, en in de laatste eeuw is met kracht daaraan van tijd tot tijd de hand geslagen. Het was vooral de invloed der Nederlandsche Heidemaatschappij, die door wetenschappelijke voorlichting den weg gewezen heeft, waardoor men op de schrale gronden schoone sparrenbosschen kan doen verrijzen; in het zuiden vindt men ze reeds in menigte, de lucht vervullend met hun opwekkende geuren.De heiden met hun frissche natuur, door geen valsche kunst bedorven, door geen moderne maatschappij met haar strijd en politiek, haar gedoe en mode verontrust, treffen den dichter door hun stemmig realisme, dat Herman Robbers juist teekent. “Bruin, rossig-vaal-bruin, naar het oosten, zoover het oog reikt, met hier en daar wat dof-groen van eenzame sparrenboompjes en een wazen gloed tegen de heuvlende grondbobbels aan, lag die wijde heide, de groote, eenzame hei van het zuidelijk Noord-Brabant, onder de dampen, die in ’t zonlicht zweefden, vaal donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den kant uit van de zon. In ’t noorden en westen, in strak rechte lijnen, een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in ’t zuiden, tusschen de hei, die in rustige verte verdween in donkeren boschrand, de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.De vèr, vèr blauwende hemel, toch één met het liggende land door de stilte die groot is, heerscht altijddurend. Het knerpen der krekels, noch ’t vinkengesjilp, noch ’t regelmatig geroep van een eenigen vogel, die hoog in de lucht heen en weer scheert, kunnen haar deren, de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den smallen, vast aardenen weg naar het dorp toe”.Op die heiden met hun veenplassen of vennen en te midden der sparrenbosschen van Noord-Brabant lag het tooneel, waar het dichteroog van Dr. Schepers zijn Bragi-zangen zag geboren worden en ontwikkelen tot een goden-mythe.Zonnelicht zweeft,Gezeefd door de sparren;Glad van glanzen glimt het ven;’t Blauw met de bolleBlinkende wolkenRimpelt in ’t riet omruischte ven.Heerlijk, zoo halfOmkuifd door den dommel,Droomend te drijven op ’t dobberend vlot,Te zwemmen, waar ’t zonlichtZuiltjes van licht maakt;Te spartelen onder de spar.Maar boven dat blauw,Wie boodschapt mijVan ’t heerlijke, hooge Walhal?Zou het er zaliger zijn?J. B. Schepers.Over de heiden doolt zoo hier en daar nog de herder rond met zijn kudde, sleeploopend met zijn staf, de lange dagen aaneen, en als dan deGulden avond gloortop deinende heide,gaan de moegeweideschapen vredig voort.Stil is de lage lucht—En de oude herderhoedt ze langzaam verdernaar het klein gehucht.J. L. Walch.Bovenal doet het Brabantsche landschap zijn kostelijk schoon uitkomen in den herfst, op die stille, zonnige dagen, welke geheel passen in den toon dezer droomerige natuur, en haar tooien met feestelijke kleuren.Want in het najaar, als het land gaat slapen,Wordt alles zoo volkomen schoon;Dan draagt het, al te kort, een koningskroonVan louter bladgoud om de lichte slapen.Frans Bastiaanse.Wat aangaat de cultuur en ingebruikneming des bodems is het landschapskarakter in Noord-Brabant ook een geheel ander dan in de overige gewesten der gecultiveerde zandgronden van Nederland. Flinke, aaneengesloten weiden, die men in Gelderland, Overijsel en Drente op de zandgronden nog wel vindt, ziet men in de zuidelijke gewesten van Noord-Brabant weinig. Het zijn meestal kleine stukjes grasland, die dikwijls onafgescheiden aan de eveneens kleine stukken bouwland grenzen en waarop één à twee koeien, aan een touw gebonden, omeen paal loopen te grazen. Een klein gedeelte van den dag komen de koeien in het land; het meest staan zij op stal en worden daar gevoed. Gemis van voldoend grasland en overvloed van bouwland, naast de versnippering van grondbezit, zijn de oorzaken van deze kleine landbouwkunde. Hiermede is ook verbonden, dat koeien, zoowel als ossen, nog veel als trekdieren gebruikt worden. De koeien, welke de melk geven, ziet men niet zelden ook den karnmolen drijven, den mest naar het land trekken en het groenvoeder en hooi uit het land vervoeren.Klein, versnipperd, onregelmatig, weinig economisch en niet naar moderne opvatting ingericht, zijn hier de landverdeeling en de landhuishoudkunde. Wij hebben in deze schets het oog op de zandgronden van Noord-Brabant; de kleigronden hebben een andere landverdeeling en een ander karakter.In overeenstemming met dien toestand is ook de welvaart, de levenswijze en de uitdrukking daarvan in woningbouw en weelde. De Noord-Brabantsche boerenwoning, met die in Friesland, Groningen, Holland en ook in Drente op vele plaatsen vergeleken, maakt een pover figuur. De tijden van welvaart voor den boerenstand, die in de overige gewesten de boerenhuizen in heerenhuizen en villa’s hebben veranderd, schijnen over de hoofden der Brabanters te zijn heengegaan, zonder hen te beroeren, of in elk geval zonder er veranderingen teweeg te brengen. In het zuiden der provincie zijn de kleine boerenhuizen (groote vindt men er weinige, door het klein grondbezit) uiterst eenvoudig en sober gebouwd. Naar het noorden wordt de welvaart grooter, de boerenhuizen zijn er netter en men ziet de verfkwast meer gebruikt, die in het zuiden wel wordt vergeten. Ook in het westen, in de Baronie van Breda, vindt men alles flinker dan in het oosten en het Peelland.De boerenwoningen bestaan in het Z. der provincie meestal uit een complex van gebouwtjes bij elkander; het eigenlijke woonhuis, omringd door schuren en stallen, in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst. De laatste zijn alle ruwe, houten getimmerten, zonder verf op deuren of luiken, met stroo gedekt, veelal de grijsgele wanden gevormd uit gevlochten horden, met leem bestreken. Elk dier getimmerten op de hofstede heeft een eigen doel. Het kleine gebouwtje ter zijde van het woonhuis, is het bakhuis, waar men den oven vindt, waarin de boer zijn eigen brood bakt. Ook vindt men in vele huizen den oven terzijde van den haard in het woonvertrek. Een ander gebouwtje op het erf is de bewaarplaats van graan, met den dorschvloer er naast; weer een ander dient voor de kar of voor het brandhout en de heizoden. In de uithoeken dezer getimmerten zijn de varkenshokken, enz. Eigenaardig schilderachtig is op het erf nog de waterput met den onverschilligen zwengel, een langen, bijna niet behouwen, ruwen boomstam.Het hoofdgebouw bestaat uit het eigenlijke woonhuis in het voorgedeelte,waaraan ook een schuur is verbonden. Het woongedeelte bestaat uit een huiskamer, tevens keuken, een groot vertrek met bedsteden langs de wanden en de ruime schouw op den binnenmuur. Daar brandt men op het haardvuur heizoden en takkenbossen, die een eigenaardigen, niet onaangenamen geur verspreiden, welken men bij het naderen dezer gehuchten (ook op de Veluwe, in Drente en elders) terstond bemerken kan. Onmiddellijk achter het woongedeelte loopt in de schuur een dwarsgang en daarop volgt dwars door het huis de koestal, waar de koeien steeds op den mest staan, met den kop naar genoemde dwarsgang. Veel mest te verkrijgen is een belangrijke zaak voor deze boertjes; al vanouds geldt hier de spreekwijze, dat “de mest een tweede Onzen Lieve Heer is”.Met de aldus door elkander staande gebouwtjes gelijkt de hofstede in Noord-Brabant reeds een gehucht in miniatuur. Zij roept ons onwillekeurig de hoeven van de oude Franken voor den geest, welke eveneens uit vele naast elkander verrijzende gebouwen bestonden, elk voor een afzonderlijk doel ingericht. Hoe scherp stak deze woningbouw bij het groote Saksische huis af, waar alles zooveel mogelijk onder één dak werd samengebracht en waar de woning voor de menschen en de schuur uit één groot geheel bestonden. (In het O. van Overijsel vindt men nog dergelijke woningen). De veelheid van gebouwen op een erf wordt reeds minder, naarmate men meer het N. van Noord-Brabant nadert, en naar het Z. van Limburg ziet men spoedig eveneens een ander type van boerenwoning.Eigenaardig is het in Noord-Brabant, en eveneens in Limburg, dat de gemeenten hier veel gronden in bezit hebben, voornamelijk woeste gronden en bosschen. Dat gemeentelijk grondbezit moet wel onderscheiden worden van de marken, welke men elders vond1. Van alle woeste gronden in Noord-Brabant is ongeveer 35 % gemeente-eigendom.In de vroegere Baronie van Breda is het gemeentelijk grondbezit niet zoo aanzienlijk. Zeker moet dit mede daaraan worden toegeschreven, dat hier de bodem over ’t geheel vruchtbaarder is en de grootere welvaart der bewoners hen meer leidde tot ontginningen. Aldus was het ook gesteld in het land van Bergen-op-Zoom. Doch in de Meierij van Den Bosch vooral heerschte door de verregaande versnippering van grondbezit en de geringe productiviteit van het landbouwbedrijf een algemeene toestand van soberheid of armoede bij den boerenstand in de 18eeeuw, naast achterlijkheid.Talrijke stukken uit de 17een 18eeeuw zijn er, die dit bewijzen. De heeren op de kasteelen uitgezonderd, was schier nergens de bekrompenheid der boerenten plattenlande zoo groot als hier. Flinke, groote boerderijen trof men uiterst zelden aan naast de vele kleine bedrijven met 1 à 3 runderen. Enkel boerenarbeiders vond men daarbij betrekkelijk weinig: zij zouden geen werk gevonden hebben bij de kleine boertjes, die zelf het boerenwerk met ruimte konden verrichten en in een groot gedeelte des jaars nog tijd overhielden.Daarenboven werd over geheel Noord-Brabant de toestand der bevolking gedrukt door de ligging in een grensgewest, dat als veroverd gebied werd beschouwd, als bezit van de Republiek, en waar van tijd tot tijd gedurende de 16een 17eeeuw door den oorlog de dorpen werden plat gebrand. Zware lasten en heerlijke rechten van allerlei aard drukten in onderscheidene dorpen de bewoners daarenboven nog in hooge mate.Door dien toestand van armoede zochten de landbouwers in hun vrijen tijd er iets bij te verdienen. De vlasbouw, die vanouds een boerenbedrijf voor eigen behoefte was, evenals de schapenhouderij voor de wol, had hen gebracht tot spinnerij en weverij in den vrijen tijd, om hun eigen kleedingstukken te vervaardigen. Door nood gedrongen, kwamen zij er toe om die nijverheid uit te breiden, teneinde hierdoor hun lot te verbeteren. Het was en bleef tot in de eerste helft der 19eeeuw nog grootendeels huisindustrie, maar die gedurende de 17een 18eeeuw, en misschien reeds vroeger, ook al werkte voor den uitvoer naar Holland. In Brabant kon de bevolking, met bescheidener eischen, geringer levensbehoeften en voordeeliger levensvoorwaarden, vooral doordien het aanvullingsarbeid was bij het boerenbedrijf, goedkooper arbeiden dan in Holland, waar bovendien de handel en scheepvaart hooger loonen deden ontstaan. Deze bekrompen toestand der boeren in de streken, waar de nederzettingen tot verregaande verdeeling van den bodem en het kleine bedrijf gevoerd hadden, legde den grond voor de industrieele opkomst.In streken met welvaart en groote boerenbedrijven, waar alle handenarbeid daarvoor benoodigd was, waar geen behoefte drong tot nevenarbeid, kon de industrie niet aldus onder de boerenbevolking ontstaan. De zuidelijke gewesten van Noord-Brabant en die van Twente, waar de economische toestanden weinig van elkander verschilden, werden door gelijke omstandigheden de districten der weefindustrie bij uitnemendheid, welke vooral na het midden der 19eeeuw van huisindustrie bijna geheel tot fabrieksnijverheid op groote schaal overging.In Holland, Friesland, Groningen en Zeeland, waar eveneens de vlasteelt in vroeger eeuwen veel tot vlasserij, spinnen en weven voor eigen behoefte aanleiding had gegeven, had dit alles reeds in de 18eeeuw zoo goed als opgehouden een boerenbedrijf te zijn; de gunstiger economische toestanden der boeren in deze gewesten hadden het bedrijf doen vergeten.De aldus ontwikkelde fabrieksnijverheid was in enkele streken ook van invloedop de nederzettingen. Bij huisnijverheid behoefden de woningen, verstrooid over de dorpen, niet verlaten te worden; nu de fabriek de arbeiders elken morgen samenriep binnen haar muren, was men er meer op bedacht, zich in de nabijheid daarvan neder te zetten. Een vorige generatie bleef nog half boer en was half fabrieksarbeider; de jongere werd aan den landarbeid ontwend en groeide op als fabrieksarbeider. De inkomsten als zoodanig waren wel niet hoog, maar toch hooger dan die van den arbeider-landbouwer. Daardoor verleerde, helaas! deze klasse van lieden den boerenarbeid en werden zij meer en meer afhankelijk van de fabrieken bij het maatschappelijk ontwikkelingsproces.Door deze omstandigheden werden in de centra van fabrieksnijverheid de nederzettingen uitgebreid en groeiden op enkele plekken de dorpen samen tot één groote, stedelijke nederzetting. Dat was o. a. het geval met Tilburg. In de 15eeeuw met omstreeks 3000 zielen, in 1796 met 8500 inwoners, in 1830 met 11700, in 1850 met 14600, in 1876 met 25330 zielen, telde deze plaats in 1890: 33900 en in 1900: 40600 inwoners. Twaalf wijken of afzonderlijke dorpen, waaruit Tilburg voor een eeuw bestond, zijn tot één stad geworden.Wat den vorm der nederzettingen betreft, is in Noord-Brabant het lengtetype bij de meeste dorpen overheerschend. Het type der onregelmatig verstrooide huizen, met één of meer open pleinen of brinken, eveneens van onregelmatige gedaante, vindt men hier niet. Schier alle dorpen zijn gebouwd in de lengte langs den weg en vormen in de kom veelal een breedere straat, niet zelden met linden omzoomd, waaraan het Raadhuis gebouwd is.De grootere dorpen ontstonden veelal aan een kruispunt van wegen en bezitten in de kern dan een kruisstraat. Ook buiten de dorpen had de huizenbouw, waar hij meer geïsoleerd is, langs de wegen plaats. Den boer, die in zelfgenoegzaamheid op een groote hoeve alleen woont te midden van zijn landerijen, zooals in Friesland, Groningen, Holland en elders, vindt men hier zelden of niet. De versnipperde verdeeling des lands en het verstrooide landbezit maakten dit ook onmogelijk; daarenboven streed dat tegen den aard van het Frankische volk.Toch vindt men in Noord-Brabant op de zandgronden niet die urenlange, eentonige dorpen der Groninger veenkoloniën. De dorpen zijn gewoonlijk niet lang; zij worden afgebroken door schilderachtige landwegen, om weer door nieuwe te worden vervangen. De streek-dorpen, rechthoekig de regelmatige, strookvormige grondverdeeling snijdend, zooals wij die vinden te Staphorst, Ruinerwold, enz., ziet men hier niet en kan men hier niet vinden door de eigenaardige verdeeling der gronden.Vindt men in Noord-Brabant nergens dorpen met zulke mooie boerenhuizen als in Groningen, daarentegen is Brabant het land van kerken, kloosters enkasteelen, zooals geen ander gedeelte van ons vaderland. Mooie kerken vindt men er overal, op vele plaatsen trotsche bouwgewrochten, waar overigens bij de bevolking de grootste eenvoud en soberheid heerscht. Het is, alsof men er de nooddruft des levens bespaarde, om den Allerhoogste een groot, Zijns waardig paleis te bouwen. Dit verschijnsel staat in verband met den heerschenden Katholieken godsdienst, die de kerkelijke bouwkunst steeds heeft bevorderd. In de noordelijke streken, die meer Protestantsch zijn, vindt men minder van die trotsche kerken, tenminste niet uit den nieuweren tijd.Het voormalig Kasteel van Wouw.Het voormalig Kasteel van Wouw.Kloosters treft men er schier overal aan, in vele plaatsen meer dan een. Het aantal geestelijke zusters in deze provincie is zeer aanzienlijk; schier in elk dorp en voor een groot gedeelte ook in de steden hebben zij het onderwijs van de vrouwelijke jeugd in handen. Maar ook de monnikenkloosters nemen er in de laatste halve eeuw weer sterk toe; de monniken deden hier soms groote gebouwen met een uitgebreide industrie verrijzen, zooals de Trappisten in de Schaapskooi bij Tilburg; elders wisten zij de oude kasteelen in hun bezit te krijgen. Sedert de aanzienlijke heeren met het te gronde gaan der heerlijke rechten en de gewijzigde eischen des levens in den modernen tijd hun groote buitens meer en meer verlieten, werden die veel door monnikenorden gekocht en in kloosters veranderd. Op de binnenplaatsen en in de schooneslotgaarden, waar eens de adellijke jonkvrouwen zich vermaakten, waar die slanke gestalten rondzweefden in zijde en satijn, ziet men thans de monniken of geestelijke zusters rondwaren, gebeden opzeggend of penitentie oefenend.Boerin uit VeldhovenBoerin uit VeldhovenVroeger vond men veel meer kasteelen in Noord-Brabant; bijna elk groot dorp had er een. In de werken van Jakob le Roy, “Groot wereldlijk tooneel des hertogdoms van Brabant”, in 1730 verschenen met 188 kopergravuren, vindt men die kasteelen afgebeeld en eveneens kan men ze leeren kennen in het werk van de Cantillon, “Vermakelijkheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen”, met 200 kunstplaten, van 1768–70 verschenen. De trotsche kasteelen, die hun muren uit de grachten deden verrijzen en door hun bouw herinnerden aan den riddertijd, zijn meest alle verdwenen; enkele overgeblevene zijn gemoderniseerd. De bevolking is er echter nog mild met de benaming “kasteel”, welke niet zelden ook aan een gewoon heerenhuis gegeven wordt.Als echte kasteelen kunnen wij nog wijzen op dat van Helmond, Croy (thans klooster) en Heeswijk; ook Bouvigne heeft nog een kasteelachtig uiterlijk.Noord-Brabant ontleent zijn naam aan het oude landschap Brachbant, bij Latijnsche schrijvers Bracbantum of Bracbantia geheeten, dat ten W. en N. aan de Schelde, ten O. aan de Dender en ten Z. aan de Haine grensde en dus het zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Oost-Vlaanderen en het westelijk gedeelte van Henegouwen besloeg. Dit oude Brachbant breidde zijn grenzen uit over de nabijgelegen landstreken en verkreeg den rang van een hertogdom. Het hertogdom Brabant grensde ten N. aan Holland en aan de Maas, die het van het hertogdom Gelder scheidde, ten O. aan het hertogdom Gelder en het Prins-Bisdom Luik, ten Z. aan het graafschap Namen, ten Z.W. aan het graafschap Henegouwen, ten W. aan het graafschap Vlaanderen en voor een klein gedeelte aan het markgraafschap Antwerpen. Door die uitbreiding en door den rang van hertogdom was Brabant voor het einde der grafelijke regeering een aanzienlijk gewest der Nederlanden, welks staten bij de algemeene vergaderingen een eersten rang innamen en de eerste stem voerden. Daar Brabant ongeveer te midden der andere provinciën gelegen was, had ook de Gouverneur- (of Gouvernante) Generaal zijn zetel in dit gewest, nl. te Brussel, en het opperste gerechtshof, dat zijn rechtspraak over alle Nederlanden uitstrekte, werd door Filips den Schoone in 1504 binnen een der steden van Brabant, nl. te Mechelen, geplaatst.Gedurende den tachtigjarigen oorlog werd het vroegere hertogdom verdeeld en het noordelijk gedeelte vermeesterd door de Staten der Vereenigde Nederlanden. Dit gedeelte stond gedurende den tijd der Republiek als Staats-Brabant bekend en behoorde aan de Generaliteit. Het omvatte het vroegere kwartier van ’s-Hertogenbosch, d. i. de stad en de Meierij van ’s-Hertogenbosch, de stad en het Markgraafschap Bergen-op-Zoom, de stad en de Baronie van Breda, de heerlijkheid Steenbergen, de heerlijkheid Willemsstad, de stad Grave en het Land-van-Kuik, de vrije heerlijkheden Ravestein en Megen en nog enkele kleinere deelen. De noordelijke streek, ongeveer tot de lijn ’s-Hertogenbosch–Klundert, waartoe de dorpen der Langstraat, Geertruidenberg, Lage-Zwaluwe, enz. behoorden, maakten in dien tijd deel uit van Holland.Uit dit Staats-Brabant werd de provincie Noord-Brabant gevormd, met eenige wijziging der grenzen. In het noorden werd Noord-Brabant uitgebreid tot de groote rivieren en werd er dus een deel van Holland aan toegevoegd. Hier kan men nog duidelijk den vroegeren Hollandschen invloed ontdekken bij de bewoners. Terwijl overigens Noord-Brabant meest Katholiek is, vindt men hier nog de meeste Protestanten.Noord-Brabantsche huifkar.Noord-Brabantsche huifkar.Noord-Brabant is een vroeg bewoond gewest. Hier woonden, volgens Plinius, in het westen de Taxandriërs en in den Karolingischen tijd strekte zich hier de gouw Taxandrië uit, naar de Taxandriërs aldus genoemd, terwijl in het oosten, langs de Maas, de Mosago, de Maasgouw, lag.Zijn vaste bevolking ontving het land door Frankische stammen. De sporen van deze oorspronkelijke bevolking zijn nog bewaard gebleven in de taal, die een zuiver Frankisch dialect vormt. Prof. Te Winkel verdeelt deze taal in twee afdeelingen: in West-Frankisch en Oost-Frankisch. Het zuiver West-Frankisch wordt gevonden in: 1. Oost-Vlaanderen, 2. het westelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 3. het westelijk gedeelte van de provincie Antwerpen, 4. het westelijkgedeelte der Bommelerwaard, de Tielerwaard en de Betuwe. Het zuiver Oost-Frankisch wordt gevonden in: 1. het Land-van-Maas-en-Waal, 2. het oostelijk gedeelte der provincie Noord-Brabant, 3. het oostelijk gedeelte der provincie Antwerpen, 4. het oostelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 5. in Belgisch Limburg, 6. in het grootste gedeelte van Nederlandsch Limburg.In het oosten van Noord-Brabant is de Peel, die eeuwen lang een moeras vormde, dat moeilijk kon worden overgestoken, de grens van het zuiver Oost-Frankische taalgewest. Ten oosten van de Peel, langs de Maas, in het Land-van-Kuik en in het Land-van-Nijmegen, is het Oost-Frankisch met Saksische elementen vermengd, al is het ook weinig. De Saksische elementen, die zich ten O. van de Peel in het Frankisch oplosten, bleven door gemis van verkeer voor de gewesten ten W. van de Peel uitgesloten. Daardoor werd de Peel een grens voor de dialecten.Het oud-Frankische karakter spreekt ontegenzeggelijk duidelijk uit de landbevolking van Noord-Brabant. De Franken worden gekenschetst als vriendelijk, zacht van karakter, met goedhartige, gulle inborst en met gehechtheid aan het oude, eigenschappen, welke men hier meer dan ergens elders terugvindt. De Franken zijn gehecht aan hun geboorteland, geen landverhuizers, en zoo is ook hier de landverhuizing geringer dan in eenige andere provincie van Nederland hoewel de economische toestanden er minder gunstig zijn.Eenvoudig zijn de Brabanters in hun leven, in hun huis, op hun akker, met hun rijtuig, op den weg. Welk een verschil tusschen den Brabantschen boer op den weg met den Hollandschen, Groningschen of Frieschen vergeleken. Geen sierlijke rijtuigen vindt men in Noord-Brabant bij de boeren, waarmede zij uitgaan of naar de stad rijden. Men ziet hier enkel de zwaar gebouwde, ruw bewerkte karren, met witte huiven overdekt en nauwelijks geverfd, vervoermiddelen, welke weinig zullen verschillen bij die uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Het paard schommelt in rustigen stap over den weg, terwijl veelal de voerman er naast loopt of op zijde van het inspan zich plaatst en door het klappend geluid van de zweep en het eigenaardig geroep, dat het paard verstaat, het dier leidt. Zij kennen elkander, de omgang is vertrouwelijk. Nergens wordt ook zooveel zorg besteed om de paarden tegen den hinder van vliegen te beschermen, als hier. Overal ziet men in den zomer vliegennetten, terwijl groene struiken het dier om den kop wuiven. Zoo gaat het in eentonige cadans over de wegen.Melancholiek is ’t klinken van de bellenAan ’t haam van ’t paard, dat stapvoets sloft in ’t zand;Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kantEn gansche zwermen vliegen vergezellenHet beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen;Den kop omlaag, door ’t kwastig net omrand,Zoo trekt het dier langs ’t hooge, dorre landDe tweewielskar en blijft eentonig schellen.En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,In ’t grauwe kleed met sjokkig loomen gang;Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt,Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang;Zij hebben saam te lang hun werk gedeeldEn sukk’len samen voort, hun leven lang.Aldus teekent Dr. Schepers den Noord-Brabantschen boer op weg. In die stootende karren en het belgeklank ruischt een weemoedige landschapsmuziek, welke men in de noordelijke gewesten, waar wagens op vier wielen gebruikt worden, mist. Ook Guido Gezelle had die muziek opgemerkt in zijn land.Ze stappen, hun bellen al klinken,de vrome twee horsen te gaar;ze zwoegen, ze zweeten, en blinkendoet ’t blonde gelijm van hun haar.Ze stappen, ze stenen, ze stijvende strengen, en ’t ronde gareelhet spant op hun spannende lijven,de voerman beweegt ze aan een zeel.Daar Noord-Brabant langen tijd als een overwonnen gewest beschouwd werd, twijfelde men wel eens omtrent zijn gehechtheid aan de Republiek, te eerder daar de overheerschende godsdienst meer overeenkwam met dien van de zuidelijke Nederlanden. Maar al was de behandeling dezer landen vroeger geenszins die van een gelijke, al misten de Brabanters de rechten der overige provinciën, toch bleven zij trouw aan den staat, waarmede zij vereenigd waren, aan den Prins, dien zij beschouwden als hun heer. “Onder die burgers blijkt ingeboren getrouwicheyt tot haeren naturelycken landsheere, want sy altoos bereit syn geweest mit haren prince te leven ofte sterven”, werd van hen getuigd.Den Landsheer trouw tot in den dood!Zwoer Brabant eeuwen lang,Der vaadren leuze in vrede, in nood,Zij nu der zonen zang.U klinke ons lied, ’s lands Hooge Vrouw,U, vorstlijk maagdelijn,’t Moge U de tolk van Brabants trouw,Van Brabants liefde zijn.klonk het in Mei 1894, bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes, in Den Bosch den Vorstinnen uit volle borst tegemoet. En waar wij reisden in Brabant, overal vonden wij er trouwe gehechtheid aan ons vorstenhuis. Ik zag dat het sterkst in de sombere dagen der ziekte van H. M., toen ik hier ronddoolde. Schier geen afgelegen dorp, dat ik bezocht, of de eenvoudige menschen, die vernamen, dat ik uit Den Haag kwam, vroegen het eerst naar de gezondheid van H. M. de Koningin.Wij zullen thans ons tochtje door Noord-Brabant gaan maken en aanvangen in het westen.1Het ontstaan der gemeentelijke bezittingen en van de gemeenschappelijke gronden in het algemeen vindt men uitvoeriger uiteengezet in H. Blink, Geschiedenis van den boerenstand en den landbouw in Nederland.

Noord-Brabant! Onwillekeurig kwam voor niet langen tijd bij den Hollander een onaangenaam gevoel op, als hij Noord-Brabant moest bezoeken, nog meer, als hij genoodzaakt was, daar zijn woonplaats te kiezen. Het land “aan gene zijde van den Moerdijk” beschouwde men als het uiteinde van Nederland, en Limburg werd nauwelijks tot Nederland gerekend.

Zelfs was het geruimen tijd een slechte naam voor den vreemdeling, als hij in Noord-Brabant verblijf koos of moest kiezen. Dit gewest werd aangewezen voor vele jongelieden van rijke familiën, die in den strijd met de wereld voor haar verlokkingen bezweken waren, en hier werden uitbesteed, om er te wonen en minder aan verleiding te zijn blootgesteld in de stille dorpen. Zenuwlijders, dronkaards, verkwisters en dergelijke lieden werden tot in het eerste gedeelte der 19eeeuw ondergebracht bij de Noord-Brabantsche boeren, die in deze schrale landouw met weinig economische ontwikkeling de voordeelen, daaraan verbonden, goed konden gebruiken. Op tal van dorpskerkhoven vindt men zware zerksteenen met wapens en namen der aanzienlijkste geslachten uit den lande. Men zou aanvankelijk vermoeden, dat hier de rustplaatsen van ambachtsheeren en hun familieleden gevonden worden. Veeltijds is dit niet het geval en zijn het bestedelingen uit Holland geweest, die hier door de zerk met familiewapen en naam de laatste herinnering aan een treurig bestaan hebben achtergelaten.

Gelukkig is de verhouding tot en ook de geographische kennis van het zuiden van ons land veel verbeterd, maar naar zijn rechte waarde wordt Noord-Brabant nog zelden geschat, vooral wat betreft het typisch landschapsschoon en zijn eigenaardige volkstoestanden. Zeker, Breda kent menigeen; het Liesbosch en Mastbosch, Prinsenhage en Ginneken zijn bekende plekjes geworden; een enkele verdwaalt nog wel eens in het Ulvenhoutsche bosch, maar daarmede heeft mengewoonlijk het grensgebied van zijn zomerbezoeken bereikt en wat buiten deze plaatsen ligt, is terra incognita. De meesten sporen Tilburg, Eindhoven en Helmond schier achteloos voorbij, alleen met de opmerking, dat er vele fabrieksschoorsteenen rooken, maar weinigen komen tot het besluit, deze steden te bezoeken, en nog minder, om het achterliggende land te doorkruisen of langs de overige dorpen van Noord-Brabant rond te zwerven.

En toch, die onverschilligheid kan enkel voortkomen uit onkunde. Want het Brabantsche landschap heeft veel zelfstandig schoons.

De toon der Noord-Brabantsche natuur heeft iets eigenaardigs, geheel anders dan elders op de zandgronden in ons land. Men ziet, men proeft, men ruikt en gevoelt het, dat men in Noord-Brabant is, zonder dat men zich in bijzonderheden rekenschap kan geven, waardoor.

Een zacht waas van rust ligt over de landbevolking, en het schijnt, alsof de geleidelijke overgangsvormen in den bouw van het landschap daarop invloed hebben uitgeoefend. Want terwijl de natuur rustig en lachend is, doen de bewoners, bij hun over ’t geheel armoedig voorkomen, zich kennen door goedhartigheid en vriendelijkheid, door een opgewekten levenstoon, die getuigt van tevredenheid, met datgene, wat hun is aangeboden aan de tafel des levens. Van hooge aspiraties zijn zij niet vervuld. In de sombere en geenszins altijd even zindelijke keuken der kleine boertjes zal de schamel gekleede vrouw des huizes ook den vreemdeling met welwillende gastvrijheid ontvangen, en hem gaarne iets aanbieden van hetgeen keuken of kelder bezit.

Zoo paart zich het karakter der bewoners aan de natuur van het landschap in Noord-Brabant en van beide zal men houden, als men ze kent.

In Holland kreeg ik lief de zomerweiden,doorvlekt van ’t loome vee; het hooge grasvan ’t hooiveld, bont doorbloemd; in ’t veen den plas,omzoomd door riet, en ’t elzenbosch bij zijde;de blanke en bochtige IJsel, die bij wasden uiterwaard bestroomde; booten spreidener golven schuin op ’t vlak, dat zij doorsnijden,die slaan aan dijk in ’t riet met ruischgeplas.

In Holland kreeg ik lief de zomerweiden,

doorvlekt van ’t loome vee; het hooge gras

van ’t hooiveld, bont doorbloemd; in ’t veen den plas,

omzoomd door riet, en ’t elzenbosch bij zijde;

de blanke en bochtige IJsel, die bij was

den uiterwaard bestroomde; booten spreiden

er golven schuin op ’t vlak, dat zij doorsnijden,

die slaan aan dijk in ’t riet met ruischgeplas.

Hoe zou het zandig Brabant nog behagen,mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei?wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,

Hoe zou het zandig Brabant nog behagen,

mij, kind van spel op dijk, in stroom en wei?

wat zou ik eenzaam staan op wilde hei,

zong Is. P. de Vooys, toen hij het eerst dit land leerde kennen. Maar nadat hij er had rondgedoold over de heiden en door de bosschen, klonk het als kinderlijk dankbaar:

Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreedop gladden grintweg, dwars door bosch en hei,naast open akkers, langs de stille wei,door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,

Mijn zomersch land, dat ik zoo vaak doorreed

op gladden grintweg, dwars door bosch en hei,

naast open akkers, langs de stille wei,

door eik- en elzenstruik wuivend omkleed,

U dank ik vroom voor ’t heldere urenblij,den akker, dien ik zwaar bearbeid weet,de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed,grasvlak en bosch, wier vree ’k mij vaak ontzei.

U dank ik vroom voor ’t heldere urenblij,

den akker, dien ik zwaar bearbeid weet,

de hei, van eenzaamheid zoo grensloos breed,

grasvlak en bosch, wier vree ’k mij vaak ontzei.

Slaan wij thans een blik op de gesteldheid en de ontwikkelingsgeschiedenis van den bodem.

Het grootste gedeelte van Noord-Brabant bestaat uit lichtgolvende terreinen van zandgronden met geringe hoogteverschillen en zacht in elkander overgaande terreinhellingen. De zandgronden nemen het geheele zuiden in beslag; zij worden alleen in het noorden en westen afgewisseld door een strook van kleigronden, die in het noordwesten de grootste breedte hebben, en welke wij reeds leerden kennen, toen wij van Oudenbosch over Steenbergen naar Tolen reisden. (Zie pag.195).

De door geleidelijke overgangen golvende bodem is kenmerkend voor het grootste deel der zandgronden van Noord-Brabant. Alleen een uitzondering maken hierop de zandverstuivingen, welke, hetzij nog in beweging, als de wind krachtig waait, hetzij vastgelegd door de dennenbosschen, zoo hier en daar te midden der heiden worden aangetroffen. Van de bewegelijke zandverstuivingen vindt men er in den tegenwoordigen tijd niet vele meer; zij zijn meest door de uitbreidende boschcultuur aan banden gelegd.

Voor den opmerkzamen waarnemer valt het bij een wandeling over de velden van Noord-Brabant al spoedig in het oog, dat de bodem er in samenstelling en oppervlakte-vormen nogal verschilt van dien der zandgronden in Drente, Overijsel en Gelderland. In deze laatste gewesten komen talrijke scherp geteekende reliefvormen voor, hoogteruggen en heuvels met steile hellingen, die de vlakten afbreken. In Noord-Brabant daarentegen is het, alsof een reuzenschaaf den bodem heeft afgevlakt en genivelleerd. En als men iets nader den grond beschouwt, ziet men ook, dat de hoekige, kantige, zware keien van de Drentsche heiden in Noord-Brabant in ’t geheel niet gevonden worden. Zelfs de kleinere keisteenen van het grint, dat in Noord-Brabant in regelmatige lagen wordt aangetroffen, hebben een afgeronde of afgeslepen gedaante en dragen duidelijk de sporen, dat zij over elkander werden gerold en geschoven gedurende lange perioden, en daardoor een krachtig werkend afslijpingsproces hebben ondergaan. Het zijn dezelfde soort van afgeslepen steenen, als men in de snelstroomende rivieren van het bergland kan waarnemen, waar door het afdrijvende water het rotspuin der bergen snel over elkander wordt bewogen en zoo afgeschuurd tot deze gedaante.

Die steenen, in verband met de ligging van grint en zand in geregelde lagen, benevens andere verschijnselen, hebben aan de aardkundigen de gegevens verschaft, waaruit de geschiedenis van dezen bodem valt af te leiden. Wij kunnen ons dat proces als volgt voorstellen. In het geologisch tijdperk, dat men het Diluvium noemt, lag dit land geheel onder water. De Maas, in den benedenloop met den Rijn vereenigd, stroomde als een reusachtige breede stroom over een groot gedeelte van het landschap naar zee, en niet onwaarschijnlijk voegde in het westen langs het dal der stroompjes, die bij Breda samenkomen en door de Mark verder vloeien, de Schelde haar wateren hierbij. De groote waterrijkdom dezer rivieren in dien tijd was het gevolg van den bekenden ijstijd, dien wij in deel I al beschreven, toen de gletschers en sneeuwvelden der Alpen zich over een gedeelte van Zuid-Duitschland voortschoven. Door het afsmelten van dat ijs en die sneeuw ontstond een groote waterafvoer, waardoor genoemde rivieren zoo sterk met water bezwaard werden, dat zij geheele landstreken in den benedenloop overstroomden gedurende een lange periode. Als reuzenrivieren bruisten die stroomen over het land, nu hier, dan daar weder een eenigszins diepere bedding vormend, maar overal zachte hellingen doende ontstaan en de heuvels afslijtend.

Deze rivieren voerden met hun snellen stroom het puin der vaste rotsen uit het brongebied mede, schoven het voort over de bedding en schuurden het daardoor op hun langen weg in groote tijdsperioden af tot afgeronde stukken, welke wij hier nog vinden in den bodem. In den benedenloop lieten zij het steenpuin liggen en zoo is het opgehoopt tot vrij vlakke lagen. Voor een gedeelte is dat steenpuin verweerd tot fijn zand, voor het grootste gedeelte was het reeds tot zandkorrels geworden, toen de rivieren het hier aanvoerden.

Deze steenen en zandkorrels toonen nog duidelijk aan, dat zij van zuidelijke afkomst zijn. Als wij hier over de heiden wandelen, glinsteren na een regenbui ons allerwegen de witte kwartskorrels tegen in den grond. Die witte kwarts nu is een produkt, voornamelijk van de rotsen uit het Rijn- en Maasgebied afkomstig.

Wij wandelen hier dus op een bodem, door de rivieren in den diluvialen tijd van de rotsen der Ardennen, de Vogezen en uit Lotharingen, enz. aangevoerd en neergelegd tot regelmatige, zacht hellende lagen. De breede, glooiend afloopende, ondiepe geul, waarlangs dwars door Noord-Brabant de riviertjes de Dommel, de Aa en hun bijstroomen naar Den Bosch stroomen, wijst nog het oude, verloopen gedeelte van den diluvialen Maasloop in een zwak overblijfsel aan. De oude Scheldeloop heeft zoo waarschijnlijk haar sporen nog in het dal der Mark, voorbij Breda, achtergelaten. Toen in den tijd na het Diluvium dit landschap boven water kwam, lag het daar, zooals het laatstelijk gemodelleerd was door de afzwakkende rivieren, die allengs een meer bepaalde en vaste bedding hadden overgehouden.

In den aardbodem vinden wij nog vele overblijfselen, welke van zijn geschiedenis getuigen. De uitgebreide leembanken, welke op vele plaatsen op eenige diepte onder de oppervlakte worden aangetroffen, herinneren aan de voorhistorische rivierloopen, welke hier klei hebben neergelegd, die later weder door zand- en grintlagen werd overdekt. Thans worden zoo hier en daar die oude kleilagen uit de diepte opgedolven voor de steen- en pannenbakkerijen, welke men op onderscheidene plaatsen in Noord-Brabant in de heiden kan aantreffen.

Een aangename afwisseling in het landschapskarakter geven de vele riviertjes, die den bodem hoofdzakelijk in een richting van het zuiden naar het noorden doorsnijden. Vriendelijk, met allerlei speelsche bochten zich buigend en wringend, slingeren zij door het Brabantsche landschap, als zilveren linten de talrijke dorpen en gehuchten tot hoofdlijnen van het leven en verkeer der bevolking aan elkander schakelend.

Bij den bovenloop, nabij en over de zuidelijke Rijksgrens, ziet men de eerste stadiën der wordingsgeschiedenis dier beekjes nog duidelijk in de heiden. Uit moerassige, lage terreindeelen met struiken en heide, hier en daar met eenig riet en andere moerasplanten begroeid, plekken, waar het water samenloopt en door de onderliggende dichte leemlaag niet in den bodem kan wegzinken, ziet men dergelijke beekjes te voorschijn komen, eenzaam door de heide dwalend, schier zonder groenen oeverzoom, of deze slechts tot een smalle strook beperkt. Maar het stroomende water komt in de diepte in aanraking met de leemlagen van den ondergrond, lost van dat leem iets op en voert het mede, om het verder benedenwaarts als sliblaagjes neder te leggen langs de oevers. Zoo ontstaan de schoone groengronden langs de stroompjes, de met frisch, groen gras begroeide rivierzoomen, waarboven op vele plaatsen reeksen wilgen en populieren hun slanke gestalten opbeuren uit het lagere hakhout, dat de landen en wegen begrenst. Het is, of de natuur van het zuiden naar het noorden reuzenguirlandes over het Brabantsche landschap slingert, die de sombere eenzaamheid der bruine heiden en moerassen, met hun zwarte vennen en meren, afbreken door opgewekt leven.

Langs deze riviertjes werden oudtijds meestal de kasteelen der heeren gebouwd; aan deze riviertjes ontstonden ook de meeste en oudste dorpen. De riviertjes vereenigen zich op enkele plaatsen in kommen, die centrale punten in het landschap aanwijzen, waar, evenals de waterwegen, ook de bewoners samenstroomden bij het onderling verkeer. In de oudheid ontstonden aldus grootere nederzettingen, dorpen en vlekken, die niet zelden tot kleine landsteden aangroeiden. Binnen een dergelijke kom ontstond bij de samenvloeiing van Dommel en Aa, met hun vele bijstroomen, ’s-Hertogenbosch; waar onderscheidene kleine stroompjes samenkwamen tot de Mark en een breeder water vormden, verrees Breda; bij Rozendaal ziet men dezelfde geschiedenis en ook het ontstaan van Eindhoven isop deze wijze te verklaren. Van de riviertjes ging de ontginning en inbezitneming des bodems uit; aan hun oevers ontstonden de dorpen en van de oude nederzettingen drong men steeds verder door in de heiden, welke de breede ruggen der waterscheidingen tusschen de riviertjes overdekten, om die langzamerhand te doen inkrimpen door het zich uitbreidend cultuurland.

Trots dit ontginningsproces, gedurende vele honderden jaren voortgezet, strekken zich in Noord-Brabant nog groote heiden uit. Ongeveer 25% van de oppervlakte wordt nog door de woeste gronden in beslag genomen. Maar van jaar tot jaar krimpt het ledige, eentonige heideveld in.

Sedert lang werden er al pogingen aangewend, om het land met bosschen te overdekken, en in de laatste eeuw is met kracht daaraan van tijd tot tijd de hand geslagen. Het was vooral de invloed der Nederlandsche Heidemaatschappij, die door wetenschappelijke voorlichting den weg gewezen heeft, waardoor men op de schrale gronden schoone sparrenbosschen kan doen verrijzen; in het zuiden vindt men ze reeds in menigte, de lucht vervullend met hun opwekkende geuren.

De heiden met hun frissche natuur, door geen valsche kunst bedorven, door geen moderne maatschappij met haar strijd en politiek, haar gedoe en mode verontrust, treffen den dichter door hun stemmig realisme, dat Herman Robbers juist teekent. “Bruin, rossig-vaal-bruin, naar het oosten, zoover het oog reikt, met hier en daar wat dof-groen van eenzame sparrenboompjes en een wazen gloed tegen de heuvlende grondbobbels aan, lag die wijde heide, de groote, eenzame hei van het zuidelijk Noord-Brabant, onder de dampen, die in ’t zonlicht zweefden, vaal donkerbruin in den tintel-zilveren dag, bijna zwart zelfs den kant uit van de zon. In ’t noorden en westen, in strak rechte lijnen, een ruige zelfkant van dennenbosch, duizendpootig, en in ’t zuiden, tusschen de hei, die in rustige verte verdween in donkeren boschrand, de torenspits met het zwarte kruisje, de daken der lage huizen en hutten, de ruggen der beesten, het armelijk beetje bebouwde grond.

De vèr, vèr blauwende hemel, toch één met het liggende land door de stilte die groot is, heerscht altijddurend. Het knerpen der krekels, noch ’t vinkengesjilp, noch ’t regelmatig geroep van een eenigen vogel, die hoog in de lucht heen en weer scheert, kunnen haar deren, de stilte, noch ook het rommelen, dof, van een boerenkar over den smallen, vast aardenen weg naar het dorp toe”.

Op die heiden met hun veenplassen of vennen en te midden der sparrenbosschen van Noord-Brabant lag het tooneel, waar het dichteroog van Dr. Schepers zijn Bragi-zangen zag geboren worden en ontwikkelen tot een goden-mythe.

Zonnelicht zweeft,Gezeefd door de sparren;Glad van glanzen glimt het ven;’t Blauw met de bolleBlinkende wolkenRimpelt in ’t riet omruischte ven.Heerlijk, zoo halfOmkuifd door den dommel,Droomend te drijven op ’t dobberend vlot,Te zwemmen, waar ’t zonlichtZuiltjes van licht maakt;Te spartelen onder de spar.Maar boven dat blauw,Wie boodschapt mijVan ’t heerlijke, hooge Walhal?Zou het er zaliger zijn?

Zonnelicht zweeft,

Gezeefd door de sparren;

Glad van glanzen glimt het ven;

’t Blauw met de bolle

Blinkende wolken

Rimpelt in ’t riet omruischte ven.

Heerlijk, zoo half

Omkuifd door den dommel,

Droomend te drijven op ’t dobberend vlot,

Te zwemmen, waar ’t zonlicht

Zuiltjes van licht maakt;

Te spartelen onder de spar.

Maar boven dat blauw,

Wie boodschapt mij

Van ’t heerlijke, hooge Walhal?

Zou het er zaliger zijn?

J. B. Schepers.

Over de heiden doolt zoo hier en daar nog de herder rond met zijn kudde, sleeploopend met zijn staf, de lange dagen aaneen, en als dan de

Gulden avond gloortop deinende heide,gaan de moegeweideschapen vredig voort.

Gulden avond gloort

op deinende heide,

gaan de moegeweide

schapen vredig voort.

Stil is de lage lucht—En de oude herderhoedt ze langzaam verdernaar het klein gehucht.

Stil is de lage lucht—

En de oude herder

hoedt ze langzaam verder

naar het klein gehucht.

J. L. Walch.

Bovenal doet het Brabantsche landschap zijn kostelijk schoon uitkomen in den herfst, op die stille, zonnige dagen, welke geheel passen in den toon dezer droomerige natuur, en haar tooien met feestelijke kleuren.

Want in het najaar, als het land gaat slapen,Wordt alles zoo volkomen schoon;Dan draagt het, al te kort, een koningskroonVan louter bladgoud om de lichte slapen.

Want in het najaar, als het land gaat slapen,

Wordt alles zoo volkomen schoon;

Dan draagt het, al te kort, een koningskroon

Van louter bladgoud om de lichte slapen.

Frans Bastiaanse.

Wat aangaat de cultuur en ingebruikneming des bodems is het landschapskarakter in Noord-Brabant ook een geheel ander dan in de overige gewesten der gecultiveerde zandgronden van Nederland. Flinke, aaneengesloten weiden, die men in Gelderland, Overijsel en Drente op de zandgronden nog wel vindt, ziet men in de zuidelijke gewesten van Noord-Brabant weinig. Het zijn meestal kleine stukjes grasland, die dikwijls onafgescheiden aan de eveneens kleine stukken bouwland grenzen en waarop één à twee koeien, aan een touw gebonden, omeen paal loopen te grazen. Een klein gedeelte van den dag komen de koeien in het land; het meest staan zij op stal en worden daar gevoed. Gemis van voldoend grasland en overvloed van bouwland, naast de versnippering van grondbezit, zijn de oorzaken van deze kleine landbouwkunde. Hiermede is ook verbonden, dat koeien, zoowel als ossen, nog veel als trekdieren gebruikt worden. De koeien, welke de melk geven, ziet men niet zelden ook den karnmolen drijven, den mest naar het land trekken en het groenvoeder en hooi uit het land vervoeren.

Klein, versnipperd, onregelmatig, weinig economisch en niet naar moderne opvatting ingericht, zijn hier de landverdeeling en de landhuishoudkunde. Wij hebben in deze schets het oog op de zandgronden van Noord-Brabant; de kleigronden hebben een andere landverdeeling en een ander karakter.

In overeenstemming met dien toestand is ook de welvaart, de levenswijze en de uitdrukking daarvan in woningbouw en weelde. De Noord-Brabantsche boerenwoning, met die in Friesland, Groningen, Holland en ook in Drente op vele plaatsen vergeleken, maakt een pover figuur. De tijden van welvaart voor den boerenstand, die in de overige gewesten de boerenhuizen in heerenhuizen en villa’s hebben veranderd, schijnen over de hoofden der Brabanters te zijn heengegaan, zonder hen te beroeren, of in elk geval zonder er veranderingen teweeg te brengen. In het zuiden der provincie zijn de kleine boerenhuizen (groote vindt men er weinige, door het klein grondbezit) uiterst eenvoudig en sober gebouwd. Naar het noorden wordt de welvaart grooter, de boerenhuizen zijn er netter en men ziet de verfkwast meer gebruikt, die in het zuiden wel wordt vergeten. Ook in het westen, in de Baronie van Breda, vindt men alles flinker dan in het oosten en het Peelland.

De boerenwoningen bestaan in het Z. der provincie meestal uit een complex van gebouwtjes bij elkander; het eigenlijke woonhuis, omringd door schuren en stallen, in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst. De laatste zijn alle ruwe, houten getimmerten, zonder verf op deuren of luiken, met stroo gedekt, veelal de grijsgele wanden gevormd uit gevlochten horden, met leem bestreken. Elk dier getimmerten op de hofstede heeft een eigen doel. Het kleine gebouwtje ter zijde van het woonhuis, is het bakhuis, waar men den oven vindt, waarin de boer zijn eigen brood bakt. Ook vindt men in vele huizen den oven terzijde van den haard in het woonvertrek. Een ander gebouwtje op het erf is de bewaarplaats van graan, met den dorschvloer er naast; weer een ander dient voor de kar of voor het brandhout en de heizoden. In de uithoeken dezer getimmerten zijn de varkenshokken, enz. Eigenaardig schilderachtig is op het erf nog de waterput met den onverschilligen zwengel, een langen, bijna niet behouwen, ruwen boomstam.

Het hoofdgebouw bestaat uit het eigenlijke woonhuis in het voorgedeelte,waaraan ook een schuur is verbonden. Het woongedeelte bestaat uit een huiskamer, tevens keuken, een groot vertrek met bedsteden langs de wanden en de ruime schouw op den binnenmuur. Daar brandt men op het haardvuur heizoden en takkenbossen, die een eigenaardigen, niet onaangenamen geur verspreiden, welken men bij het naderen dezer gehuchten (ook op de Veluwe, in Drente en elders) terstond bemerken kan. Onmiddellijk achter het woongedeelte loopt in de schuur een dwarsgang en daarop volgt dwars door het huis de koestal, waar de koeien steeds op den mest staan, met den kop naar genoemde dwarsgang. Veel mest te verkrijgen is een belangrijke zaak voor deze boertjes; al vanouds geldt hier de spreekwijze, dat “de mest een tweede Onzen Lieve Heer is”.

Met de aldus door elkander staande gebouwtjes gelijkt de hofstede in Noord-Brabant reeds een gehucht in miniatuur. Zij roept ons onwillekeurig de hoeven van de oude Franken voor den geest, welke eveneens uit vele naast elkander verrijzende gebouwen bestonden, elk voor een afzonderlijk doel ingericht. Hoe scherp stak deze woningbouw bij het groote Saksische huis af, waar alles zooveel mogelijk onder één dak werd samengebracht en waar de woning voor de menschen en de schuur uit één groot geheel bestonden. (In het O. van Overijsel vindt men nog dergelijke woningen). De veelheid van gebouwen op een erf wordt reeds minder, naarmate men meer het N. van Noord-Brabant nadert, en naar het Z. van Limburg ziet men spoedig eveneens een ander type van boerenwoning.

Eigenaardig is het in Noord-Brabant, en eveneens in Limburg, dat de gemeenten hier veel gronden in bezit hebben, voornamelijk woeste gronden en bosschen. Dat gemeentelijk grondbezit moet wel onderscheiden worden van de marken, welke men elders vond1. Van alle woeste gronden in Noord-Brabant is ongeveer 35 % gemeente-eigendom.

In de vroegere Baronie van Breda is het gemeentelijk grondbezit niet zoo aanzienlijk. Zeker moet dit mede daaraan worden toegeschreven, dat hier de bodem over ’t geheel vruchtbaarder is en de grootere welvaart der bewoners hen meer leidde tot ontginningen. Aldus was het ook gesteld in het land van Bergen-op-Zoom. Doch in de Meierij van Den Bosch vooral heerschte door de verregaande versnippering van grondbezit en de geringe productiviteit van het landbouwbedrijf een algemeene toestand van soberheid of armoede bij den boerenstand in de 18eeeuw, naast achterlijkheid.

Talrijke stukken uit de 17een 18eeeuw zijn er, die dit bewijzen. De heeren op de kasteelen uitgezonderd, was schier nergens de bekrompenheid der boerenten plattenlande zoo groot als hier. Flinke, groote boerderijen trof men uiterst zelden aan naast de vele kleine bedrijven met 1 à 3 runderen. Enkel boerenarbeiders vond men daarbij betrekkelijk weinig: zij zouden geen werk gevonden hebben bij de kleine boertjes, die zelf het boerenwerk met ruimte konden verrichten en in een groot gedeelte des jaars nog tijd overhielden.

Daarenboven werd over geheel Noord-Brabant de toestand der bevolking gedrukt door de ligging in een grensgewest, dat als veroverd gebied werd beschouwd, als bezit van de Republiek, en waar van tijd tot tijd gedurende de 16een 17eeeuw door den oorlog de dorpen werden plat gebrand. Zware lasten en heerlijke rechten van allerlei aard drukten in onderscheidene dorpen de bewoners daarenboven nog in hooge mate.

Door dien toestand van armoede zochten de landbouwers in hun vrijen tijd er iets bij te verdienen. De vlasbouw, die vanouds een boerenbedrijf voor eigen behoefte was, evenals de schapenhouderij voor de wol, had hen gebracht tot spinnerij en weverij in den vrijen tijd, om hun eigen kleedingstukken te vervaardigen. Door nood gedrongen, kwamen zij er toe om die nijverheid uit te breiden, teneinde hierdoor hun lot te verbeteren. Het was en bleef tot in de eerste helft der 19eeeuw nog grootendeels huisindustrie, maar die gedurende de 17een 18eeeuw, en misschien reeds vroeger, ook al werkte voor den uitvoer naar Holland. In Brabant kon de bevolking, met bescheidener eischen, geringer levensbehoeften en voordeeliger levensvoorwaarden, vooral doordien het aanvullingsarbeid was bij het boerenbedrijf, goedkooper arbeiden dan in Holland, waar bovendien de handel en scheepvaart hooger loonen deden ontstaan. Deze bekrompen toestand der boeren in de streken, waar de nederzettingen tot verregaande verdeeling van den bodem en het kleine bedrijf gevoerd hadden, legde den grond voor de industrieele opkomst.

In streken met welvaart en groote boerenbedrijven, waar alle handenarbeid daarvoor benoodigd was, waar geen behoefte drong tot nevenarbeid, kon de industrie niet aldus onder de boerenbevolking ontstaan. De zuidelijke gewesten van Noord-Brabant en die van Twente, waar de economische toestanden weinig van elkander verschilden, werden door gelijke omstandigheden de districten der weefindustrie bij uitnemendheid, welke vooral na het midden der 19eeeuw van huisindustrie bijna geheel tot fabrieksnijverheid op groote schaal overging.

In Holland, Friesland, Groningen en Zeeland, waar eveneens de vlasteelt in vroeger eeuwen veel tot vlasserij, spinnen en weven voor eigen behoefte aanleiding had gegeven, had dit alles reeds in de 18eeeuw zoo goed als opgehouden een boerenbedrijf te zijn; de gunstiger economische toestanden der boeren in deze gewesten hadden het bedrijf doen vergeten.

De aldus ontwikkelde fabrieksnijverheid was in enkele streken ook van invloedop de nederzettingen. Bij huisnijverheid behoefden de woningen, verstrooid over de dorpen, niet verlaten te worden; nu de fabriek de arbeiders elken morgen samenriep binnen haar muren, was men er meer op bedacht, zich in de nabijheid daarvan neder te zetten. Een vorige generatie bleef nog half boer en was half fabrieksarbeider; de jongere werd aan den landarbeid ontwend en groeide op als fabrieksarbeider. De inkomsten als zoodanig waren wel niet hoog, maar toch hooger dan die van den arbeider-landbouwer. Daardoor verleerde, helaas! deze klasse van lieden den boerenarbeid en werden zij meer en meer afhankelijk van de fabrieken bij het maatschappelijk ontwikkelingsproces.

Door deze omstandigheden werden in de centra van fabrieksnijverheid de nederzettingen uitgebreid en groeiden op enkele plekken de dorpen samen tot één groote, stedelijke nederzetting. Dat was o. a. het geval met Tilburg. In de 15eeeuw met omstreeks 3000 zielen, in 1796 met 8500 inwoners, in 1830 met 11700, in 1850 met 14600, in 1876 met 25330 zielen, telde deze plaats in 1890: 33900 en in 1900: 40600 inwoners. Twaalf wijken of afzonderlijke dorpen, waaruit Tilburg voor een eeuw bestond, zijn tot één stad geworden.

Wat den vorm der nederzettingen betreft, is in Noord-Brabant het lengtetype bij de meeste dorpen overheerschend. Het type der onregelmatig verstrooide huizen, met één of meer open pleinen of brinken, eveneens van onregelmatige gedaante, vindt men hier niet. Schier alle dorpen zijn gebouwd in de lengte langs den weg en vormen in de kom veelal een breedere straat, niet zelden met linden omzoomd, waaraan het Raadhuis gebouwd is.

De grootere dorpen ontstonden veelal aan een kruispunt van wegen en bezitten in de kern dan een kruisstraat. Ook buiten de dorpen had de huizenbouw, waar hij meer geïsoleerd is, langs de wegen plaats. Den boer, die in zelfgenoegzaamheid op een groote hoeve alleen woont te midden van zijn landerijen, zooals in Friesland, Groningen, Holland en elders, vindt men hier zelden of niet. De versnipperde verdeeling des lands en het verstrooide landbezit maakten dit ook onmogelijk; daarenboven streed dat tegen den aard van het Frankische volk.

Toch vindt men in Noord-Brabant op de zandgronden niet die urenlange, eentonige dorpen der Groninger veenkoloniën. De dorpen zijn gewoonlijk niet lang; zij worden afgebroken door schilderachtige landwegen, om weer door nieuwe te worden vervangen. De streek-dorpen, rechthoekig de regelmatige, strookvormige grondverdeeling snijdend, zooals wij die vinden te Staphorst, Ruinerwold, enz., ziet men hier niet en kan men hier niet vinden door de eigenaardige verdeeling der gronden.

Vindt men in Noord-Brabant nergens dorpen met zulke mooie boerenhuizen als in Groningen, daarentegen is Brabant het land van kerken, kloosters enkasteelen, zooals geen ander gedeelte van ons vaderland. Mooie kerken vindt men er overal, op vele plaatsen trotsche bouwgewrochten, waar overigens bij de bevolking de grootste eenvoud en soberheid heerscht. Het is, alsof men er de nooddruft des levens bespaarde, om den Allerhoogste een groot, Zijns waardig paleis te bouwen. Dit verschijnsel staat in verband met den heerschenden Katholieken godsdienst, die de kerkelijke bouwkunst steeds heeft bevorderd. In de noordelijke streken, die meer Protestantsch zijn, vindt men minder van die trotsche kerken, tenminste niet uit den nieuweren tijd.

Het voormalig Kasteel van Wouw.Het voormalig Kasteel van Wouw.

Het voormalig Kasteel van Wouw.

Kloosters treft men er schier overal aan, in vele plaatsen meer dan een. Het aantal geestelijke zusters in deze provincie is zeer aanzienlijk; schier in elk dorp en voor een groot gedeelte ook in de steden hebben zij het onderwijs van de vrouwelijke jeugd in handen. Maar ook de monnikenkloosters nemen er in de laatste halve eeuw weer sterk toe; de monniken deden hier soms groote gebouwen met een uitgebreide industrie verrijzen, zooals de Trappisten in de Schaapskooi bij Tilburg; elders wisten zij de oude kasteelen in hun bezit te krijgen. Sedert de aanzienlijke heeren met het te gronde gaan der heerlijke rechten en de gewijzigde eischen des levens in den modernen tijd hun groote buitens meer en meer verlieten, werden die veel door monnikenorden gekocht en in kloosters veranderd. Op de binnenplaatsen en in de schooneslotgaarden, waar eens de adellijke jonkvrouwen zich vermaakten, waar die slanke gestalten rondzweefden in zijde en satijn, ziet men thans de monniken of geestelijke zusters rondwaren, gebeden opzeggend of penitentie oefenend.

Boerin uit VeldhovenBoerin uit Veldhoven

Boerin uit Veldhoven

Vroeger vond men veel meer kasteelen in Noord-Brabant; bijna elk groot dorp had er een. In de werken van Jakob le Roy, “Groot wereldlijk tooneel des hertogdoms van Brabant”, in 1730 verschenen met 188 kopergravuren, vindt men die kasteelen afgebeeld en eveneens kan men ze leeren kennen in het werk van de Cantillon, “Vermakelijkheden van Brabant en deszelfs onderhoorige landen”, met 200 kunstplaten, van 1768–70 verschenen. De trotsche kasteelen, die hun muren uit de grachten deden verrijzen en door hun bouw herinnerden aan den riddertijd, zijn meest alle verdwenen; enkele overgeblevene zijn gemoderniseerd. De bevolking is er echter nog mild met de benaming “kasteel”, welke niet zelden ook aan een gewoon heerenhuis gegeven wordt.

Als echte kasteelen kunnen wij nog wijzen op dat van Helmond, Croy (thans klooster) en Heeswijk; ook Bouvigne heeft nog een kasteelachtig uiterlijk.

Noord-Brabant ontleent zijn naam aan het oude landschap Brachbant, bij Latijnsche schrijvers Bracbantum of Bracbantia geheeten, dat ten W. en N. aan de Schelde, ten O. aan de Dender en ten Z. aan de Haine grensde en dus het zuidoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Oost-Vlaanderen en het westelijk gedeelte van Henegouwen besloeg. Dit oude Brachbant breidde zijn grenzen uit over de nabijgelegen landstreken en verkreeg den rang van een hertogdom. Het hertogdom Brabant grensde ten N. aan Holland en aan de Maas, die het van het hertogdom Gelder scheidde, ten O. aan het hertogdom Gelder en het Prins-Bisdom Luik, ten Z. aan het graafschap Namen, ten Z.W. aan het graafschap Henegouwen, ten W. aan het graafschap Vlaanderen en voor een klein gedeelte aan het markgraafschap Antwerpen. Door die uitbreiding en door den rang van hertogdom was Brabant voor het einde der grafelijke regeering een aanzienlijk gewest der Nederlanden, welks staten bij de algemeene vergaderingen een eersten rang innamen en de eerste stem voerden. Daar Brabant ongeveer te midden der andere provinciën gelegen was, had ook de Gouverneur- (of Gouvernante) Generaal zijn zetel in dit gewest, nl. te Brussel, en het opperste gerechtshof, dat zijn rechtspraak over alle Nederlanden uitstrekte, werd door Filips den Schoone in 1504 binnen een der steden van Brabant, nl. te Mechelen, geplaatst.

Gedurende den tachtigjarigen oorlog werd het vroegere hertogdom verdeeld en het noordelijk gedeelte vermeesterd door de Staten der Vereenigde Nederlanden. Dit gedeelte stond gedurende den tijd der Republiek als Staats-Brabant bekend en behoorde aan de Generaliteit. Het omvatte het vroegere kwartier van ’s-Hertogenbosch, d. i. de stad en de Meierij van ’s-Hertogenbosch, de stad en het Markgraafschap Bergen-op-Zoom, de stad en de Baronie van Breda, de heerlijkheid Steenbergen, de heerlijkheid Willemsstad, de stad Grave en het Land-van-Kuik, de vrije heerlijkheden Ravestein en Megen en nog enkele kleinere deelen. De noordelijke streek, ongeveer tot de lijn ’s-Hertogenbosch–Klundert, waartoe de dorpen der Langstraat, Geertruidenberg, Lage-Zwaluwe, enz. behoorden, maakten in dien tijd deel uit van Holland.

Uit dit Staats-Brabant werd de provincie Noord-Brabant gevormd, met eenige wijziging der grenzen. In het noorden werd Noord-Brabant uitgebreid tot de groote rivieren en werd er dus een deel van Holland aan toegevoegd. Hier kan men nog duidelijk den vroegeren Hollandschen invloed ontdekken bij de bewoners. Terwijl overigens Noord-Brabant meest Katholiek is, vindt men hier nog de meeste Protestanten.

Noord-Brabantsche huifkar.Noord-Brabantsche huifkar.

Noord-Brabantsche huifkar.

Noord-Brabant is een vroeg bewoond gewest. Hier woonden, volgens Plinius, in het westen de Taxandriërs en in den Karolingischen tijd strekte zich hier de gouw Taxandrië uit, naar de Taxandriërs aldus genoemd, terwijl in het oosten, langs de Maas, de Mosago, de Maasgouw, lag.

Zijn vaste bevolking ontving het land door Frankische stammen. De sporen van deze oorspronkelijke bevolking zijn nog bewaard gebleven in de taal, die een zuiver Frankisch dialect vormt. Prof. Te Winkel verdeelt deze taal in twee afdeelingen: in West-Frankisch en Oost-Frankisch. Het zuiver West-Frankisch wordt gevonden in: 1. Oost-Vlaanderen, 2. het westelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 3. het westelijk gedeelte van de provincie Antwerpen, 4. het westelijkgedeelte der Bommelerwaard, de Tielerwaard en de Betuwe. Het zuiver Oost-Frankisch wordt gevonden in: 1. het Land-van-Maas-en-Waal, 2. het oostelijk gedeelte der provincie Noord-Brabant, 3. het oostelijk gedeelte der provincie Antwerpen, 4. het oostelijk gedeelte van Zuid-Brabant, 5. in Belgisch Limburg, 6. in het grootste gedeelte van Nederlandsch Limburg.

In het oosten van Noord-Brabant is de Peel, die eeuwen lang een moeras vormde, dat moeilijk kon worden overgestoken, de grens van het zuiver Oost-Frankische taalgewest. Ten oosten van de Peel, langs de Maas, in het Land-van-Kuik en in het Land-van-Nijmegen, is het Oost-Frankisch met Saksische elementen vermengd, al is het ook weinig. De Saksische elementen, die zich ten O. van de Peel in het Frankisch oplosten, bleven door gemis van verkeer voor de gewesten ten W. van de Peel uitgesloten. Daardoor werd de Peel een grens voor de dialecten.

Het oud-Frankische karakter spreekt ontegenzeggelijk duidelijk uit de landbevolking van Noord-Brabant. De Franken worden gekenschetst als vriendelijk, zacht van karakter, met goedhartige, gulle inborst en met gehechtheid aan het oude, eigenschappen, welke men hier meer dan ergens elders terugvindt. De Franken zijn gehecht aan hun geboorteland, geen landverhuizers, en zoo is ook hier de landverhuizing geringer dan in eenige andere provincie van Nederland hoewel de economische toestanden er minder gunstig zijn.

Eenvoudig zijn de Brabanters in hun leven, in hun huis, op hun akker, met hun rijtuig, op den weg. Welk een verschil tusschen den Brabantschen boer op den weg met den Hollandschen, Groningschen of Frieschen vergeleken. Geen sierlijke rijtuigen vindt men in Noord-Brabant bij de boeren, waarmede zij uitgaan of naar de stad rijden. Men ziet hier enkel de zwaar gebouwde, ruw bewerkte karren, met witte huiven overdekt en nauwelijks geverfd, vervoermiddelen, welke weinig zullen verschillen bij die uit de eerste eeuwen onzer jaartelling. Het paard schommelt in rustigen stap over den weg, terwijl veelal de voerman er naast loopt of op zijde van het inspan zich plaatst en door het klappend geluid van de zweep en het eigenaardig geroep, dat het paard verstaat, het dier leidt. Zij kennen elkander, de omgang is vertrouwelijk. Nergens wordt ook zooveel zorg besteed om de paarden tegen den hinder van vliegen te beschermen, als hier. Overal ziet men in den zomer vliegennetten, terwijl groene struiken het dier om den kop wuiven. Zoo gaat het in eentonige cadans over de wegen.

Melancholiek is ’t klinken van de bellenAan ’t haam van ’t paard, dat stapvoets sloft in ’t zand;Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kantEn gansche zwermen vliegen vergezellen

Melancholiek is ’t klinken van de bellen

Aan ’t haam van ’t paard, dat stapvoets sloft in ’t zand;

Het opgeschoffeld zand zweeft naar den kant

En gansche zwermen vliegen vergezellen

Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen;Den kop omlaag, door ’t kwastig net omrand,Zoo trekt het dier langs ’t hooge, dorre landDe tweewielskar en blijft eentonig schellen.

Het beest, dat scheukt en kopschudt van hun kwellen;

Den kop omlaag, door ’t kwastig net omrand,

Zoo trekt het dier langs ’t hooge, dorre land

De tweewielskar en blijft eentonig schellen.

En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,In ’t grauwe kleed met sjokkig loomen gang;Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt,Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang;Zij hebben saam te lang hun werk gedeeldEn sukk’len samen voort, hun leven lang.

En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld,

In ’t grauwe kleed met sjokkig loomen gang;

Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt,

Hoog klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang;

Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld

En sukk’len samen voort, hun leven lang.

Aldus teekent Dr. Schepers den Noord-Brabantschen boer op weg. In die stootende karren en het belgeklank ruischt een weemoedige landschapsmuziek, welke men in de noordelijke gewesten, waar wagens op vier wielen gebruikt worden, mist. Ook Guido Gezelle had die muziek opgemerkt in zijn land.

Ze stappen, hun bellen al klinken,de vrome twee horsen te gaar;ze zwoegen, ze zweeten, en blinkendoet ’t blonde gelijm van hun haar.

Ze stappen, hun bellen al klinken,

de vrome twee horsen te gaar;

ze zwoegen, ze zweeten, en blinken

doet ’t blonde gelijm van hun haar.

Ze stappen, ze stenen, ze stijvende strengen, en ’t ronde gareelhet spant op hun spannende lijven,de voerman beweegt ze aan een zeel.

Ze stappen, ze stenen, ze stijven

de strengen, en ’t ronde gareel

het spant op hun spannende lijven,

de voerman beweegt ze aan een zeel.

Daar Noord-Brabant langen tijd als een overwonnen gewest beschouwd werd, twijfelde men wel eens omtrent zijn gehechtheid aan de Republiek, te eerder daar de overheerschende godsdienst meer overeenkwam met dien van de zuidelijke Nederlanden. Maar al was de behandeling dezer landen vroeger geenszins die van een gelijke, al misten de Brabanters de rechten der overige provinciën, toch bleven zij trouw aan den staat, waarmede zij vereenigd waren, aan den Prins, dien zij beschouwden als hun heer. “Onder die burgers blijkt ingeboren getrouwicheyt tot haeren naturelycken landsheere, want sy altoos bereit syn geweest mit haren prince te leven ofte sterven”, werd van hen getuigd.

Den Landsheer trouw tot in den dood!Zwoer Brabant eeuwen lang,Der vaadren leuze in vrede, in nood,Zij nu der zonen zang.

Den Landsheer trouw tot in den dood!

Zwoer Brabant eeuwen lang,

Der vaadren leuze in vrede, in nood,

Zij nu der zonen zang.

U klinke ons lied, ’s lands Hooge Vrouw,U, vorstlijk maagdelijn,’t Moge U de tolk van Brabants trouw,Van Brabants liefde zijn.

U klinke ons lied, ’s lands Hooge Vrouw,

U, vorstlijk maagdelijn,

’t Moge U de tolk van Brabants trouw,

Van Brabants liefde zijn.

klonk het in Mei 1894, bij het bezoek van H.H. M.M. de Koningin en de Koningin-Regentes, in Den Bosch den Vorstinnen uit volle borst tegemoet. En waar wij reisden in Brabant, overal vonden wij er trouwe gehechtheid aan ons vorstenhuis. Ik zag dat het sterkst in de sombere dagen der ziekte van H. M., toen ik hier ronddoolde. Schier geen afgelegen dorp, dat ik bezocht, of de eenvoudige menschen, die vernamen, dat ik uit Den Haag kwam, vroegen het eerst naar de gezondheid van H. M. de Koningin.

Wij zullen thans ons tochtje door Noord-Brabant gaan maken en aanvangen in het westen.

1Het ontstaan der gemeentelijke bezittingen en van de gemeenschappelijke gronden in het algemeen vindt men uitvoeriger uiteengezet in H. Blink, Geschiedenis van den boerenstand en den landbouw in Nederland.

1Het ontstaan der gemeentelijke bezittingen en van de gemeenschappelijke gronden in het algemeen vindt men uitvoeriger uiteengezet in H. Blink, Geschiedenis van den boerenstand en den landbouw in Nederland.

II. Door Noord-Brabant.Bergen-Op-Zoom.Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt het te bevreemden, dat men hier sprak van “bergen op den zoom” der zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden, waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig, dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden—slibvlakten, grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden.Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen der visschers in de duinen. Reeds in de 8eeeuw werd door Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken, hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert het begin der 17eeeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering aan Geertruida aldus is genoemd.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18e eeuw.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18eeeuw.Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende, levendigehandelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16enSept. van dat jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18enMaart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld; zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte wallen en vestingterreinen.Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld, met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en de daaropuitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over ’t geheel heeft de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.Schoorsteenmantel uit de 15e eeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Schoorsteenmantel uit de 15eeeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men dewapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode, Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d’Auvergne, Aremberg en Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten vervallen werd verklaard.In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten, afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk aan de Gothiek.Ook de zoogenaamde “Witte zaal”, die gewoonlijk gebezigd wordt voor de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan, viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd, maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof, tegenwoordigde kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer, behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door heer Jan van Glimes, bijgenaamd “Jan met de lippen”, gebouwd, die het vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke tonen des jachthoorns.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie, lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren, waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken, werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter.Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid Katholiek.Door het Westen van Noord-Brabant en naar Breda.Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten over het lage polderland.Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622 Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit de 14eeeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen, dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten den tijd der suikercampagne, benauwend stil.De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs was hier korten tijd de munt van Hollandgevestigd, toen Filips van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw, zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal, voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk, in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen, maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor zij waren vervaardigden van de voormalige abdij aan de Schelde werden zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus, op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de fig. pag.340).Priesterkoor der kerk te Wouw.Priesterkoor der kerk te Wouw.Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19eeeuw was dit slechts een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839 werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen van groen, geel en bruin aan het landschap.Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje, waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst, alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel door riet gedekt, en rondom staan een zestalhuizen en boerderijen, opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve, knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam “Petite Suisse” hieraan gegeven.Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal, het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn Amsterdam—Rotterdam—België—Parijs. Daardoor is het station een druk, internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.Marktplein te Rozendaal.Marktplein te Rozendaal.De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke, flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde, Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal daardoor een haven kreeg, welke voor den handel opHolland aan den eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26enJuni 1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.Keutelstraatje te Rozendaal.Keutelstraatje te Rozendaal.De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder den indruk der waarneming op het juiste moment.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.De kortste weg van Rozendaal naarBreda loopt rechtuit naar het oosten over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder te bereiken.Kerk te Oudenbosch.Kerk te Oudenbosch.Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel, een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant, dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het westen vindt men over ’t geheel de boerenbedrijven grooter dan in het oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond, en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker, netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid, de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen, waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in verband stonden, zooals suikerfabrieken.Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten, die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijkjongen datum; een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd, en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf, dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de suikerfabrikage uitgeoefend.Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000 inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk, hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12 koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor de helft door de kerkgangers gevuld worden.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving nog trotscher en dieperindruk makend. Deze inrichting van onderwijs hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de hulpmiddelen der opvoeding.Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden, dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.Vroeger kasteel te Etten.Vroeger kasteel te Etten.Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo is het overal.Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen wij te Etten, een flinke,nette nederzetting, meest langs de breede dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden wordt overschaduwd.Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken in de 5eeeuw en voerde later den naam van “vrijheid”, hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, “Houte” geheeten, bestond tot 1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken, Staatsgezinden turfschipper op te richten.Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt, om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het Liesbosch brengen in den kring van Breda.

Bergen-Op-Zoom.Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt het te bevreemden, dat men hier sprak van “bergen op den zoom” der zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden, waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig, dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden—slibvlakten, grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden.Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen der visschers in de duinen. Reeds in de 8eeeuw werd door Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken, hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert het begin der 17eeeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering aan Geertruida aldus is genoemd.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18e eeuw.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18eeeuw.Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende, levendigehandelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16enSept. van dat jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18enMaart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld; zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte wallen en vestingterreinen.Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld, met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en de daaropuitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over ’t geheel heeft de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.Schoorsteenmantel uit de 15e eeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Schoorsteenmantel uit de 15eeeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men dewapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode, Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d’Auvergne, Aremberg en Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten vervallen werd verklaard.In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten, afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk aan de Gothiek.Ook de zoogenaamde “Witte zaal”, die gewoonlijk gebezigd wordt voor de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan, viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd, maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof, tegenwoordigde kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer, behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door heer Jan van Glimes, bijgenaamd “Jan met de lippen”, gebouwd, die het vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke tonen des jachthoorns.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie, lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren, waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken, werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter.Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid Katholiek.

Wij beginnen onze wandelingen door Noord-Brabant in het westen, om aan te sluiten bij het vroeger betreden gebied. Daar, op de helling der hooge zandgronden, die zoo hier en daar met boschrijke heuvelrijen opdoemen voor het oog, als men van Zuid-Beveland over den dam door de Ooster-Schelde en langs de aangeslibde bedijkingen in dezen vroegeren waterarm Noord-Brabant nadert, ligt Bergen-op-Zoom. Valt het te bevreemden, dat men hier sprak van “bergen op den zoom” der zandgronden, waar die aan het water grenzen? In elk geval, welke etymologie ook wordt gevonden, de naam der plaats wordt voldoende verklaard uit de natuurlijke gesteldheid des lands en de ligging. Want Bergen-op-Zoom is gebouwd op een afwisselend, heuvelachtig terrein en ook in den omtrek worden vele, betrekkelijk hooge heuvelen gevonden, waarvan echter in 1622 bij de belegering der stad door de Spanjaarden enkele werden weggegraven. Dat de naam der stad afgeleid zou zijn van het onbeduidende watertje de Zoom, is al zeer onwaarschijnlijk.

Naar het westen schuift Bergen-op-Zoom langs de haven vooruit tot nabij den oever der Ooster-Schelde, terwijl de haven, met een reeks van oesterputten daar langs, als een scherp toeloopende neus in het water vooruitsteekt tot de vervallen Waterschans, aan welken uithoek men de Schelde voor zich ziet liggen in al haar eigenaardigheden. Bij vloed schuimt het breede water met woeste slagen als een woelige zee op het land aan, om zijn vraatzucht hier bot te vieren, gramstorig, dat het niet meer kan heerschen als voorheen. En bij eb laat de Schelde sarrend nog de overblijfselen van verloren land aan den toeschouwer zien: de Molenplaat in het westen en het Verdronken Land van het Markiezaat van Bergen-op-Zoom in het zuiden—slibvlakten, grijszwart glinsterend in het zonlicht, van enkele kreeken doorsneden.

Bergen-op-Zoom is een oude nederzetting. Ongetwijfeld heeft de vestiging van visschers op een veilig punt in de nabijheid van het breede water medegewerkt tot het ontstaan van het plaatsje in de bergen op den zoom, die min of meer herinnerden aan de nederzettingen der visschers in de duinen. Reeds in de 8eeeuw werd door Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen (den hofmeier van Dagobert, koning der Franken) hier een kapelletje gesticht. Deze kapel stond aan den oever der Schelde nabij een bron, die onophoudelijk zoet water gaf en als de St.-Geertruidsbron bekend was. Aan het water van deze bron werden lang geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven, zoodat de geneesheeren van den zieken Frederik Hendrik nog voorschreven, het naar Den Haag te voeren, om het den Prins aan tafel te doen gebruiken, hetgeen bij de ambassadeurs van Frankrijk navolging vond. Doch sedert het begin der 17eeeuw is deze bron langzamerhand vergraven en in haar voedingsvermogen verzwakt, zoodat zij geheel verloren is gegaan. Het komt ons voor, dat ook de Geertruidapolder bij de stad ter herinnering aan Geertruida aldus is genoemd.

Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18e eeuw.Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18eeeuw.

Marktplein te Bergen-op-Zoom in de 18eeeuw.

Bergen-op-Zoom was gedurende de middeleeuwen tot een welvarende, levendigehandelsstad opgebloeid. De ligging aan den bevaarbaren stroom, waarlangs de Engelsche schepen konden naderen, de vrijheid van tollen in geheel Holland en Zeeland, door Hertog Albrecht van Beieren aan haar bij giftbrief van 1395 verleend, deden haar opkomen tot een belangrijke handelsplaats, waar groote missen werden gehouden, welke zelfs met die van Antwerpen concurreerden. Vreemde kooplieden vestigden zich hier en vooral Engelschen zag men er, zoodat een straat naar hen genoemd werd; de naam Engelsche straat herinnert nog hieraan. Men had hier zelfs een beurs, vóór die te Amsterdam; een lakenhal, een huis voor de Hanze en een levendige goud- en zilversmidsnijverheid. Maar Bergen-op-Zoom moest weldra voor het gunstiger gelegen Antwerpen onderdoen, en in den tijd der Spaansche beroerten, toen Antwerpen zijn bloei zoozeer aan het kwijnen zag geraken, ging Bergen-op-Zoom nog meer achteruit en werd de beursstad van voorheen een kleine, landelijke vesting met een beperkten, localen handel en eenige visscherij.

Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.

Tegenwoordige Groote markt te Bergen-op-Zoom.

Als vesting heeft Bergen-op-Zoom onderscheidene belegeringen doorstaan. In 1577 werd de stad aan de Staatsche zijde gebracht en in 1588 en 1622 werd zij vruchteloos door de Spanjaarden onder hun grootste veldheeren, Parma en Spinola, belegerd. Vóór 1747 was deze veste nooit door een vijand ingenomen, doch den 16enSept. van dat jaar werd zij na een zwaar bombardement, dat haar verschrikkelijk teisterde, door de Franschen onder Löwenthal bemachtigd. Den 18enMaart 1814 poogden de Engelschen haar bij verrassing te nemen, doch toen zij in de stad waren, werden de aanvallers door de bezetting gevangen gemaakt of verdreven met groote verliezen.

Bergen-op-Zoom werd, vooral in den tijd van Willem III, onder leiding van den beroemden Menno van Coehoorn, tot een meesterstuk van vestingbouwkunst gemaakt. Sedert 1867 evenwel is de stad ontmanteld; zij breidt zich thans uit met nieuwe gedeelten over de geslechte wallen en vestingterreinen.

Wanneer wij Bergen-op-Zoom doorwandelen, zien wij in het stadsbeeld, met zijn geconcentreerden bouw, met het marktplein in het midden en de daaropuitloopende, smalle straten, nog duidelijk het karakter van de vroegere vesting. Groote gebouwen en belangrijke pleinen vindt men er niet vele, het marktplein uitgezonderd; over ’t geheel heeft de stad een niet onwelvarend, burgerlijk aanzien.

Schoorsteenmantel uit de 15e eeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Schoorsteenmantel uit de 15eeeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Schoorsteenmantel uit de 15eeeuw, afkomstig uit het markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Aan het driehoekige marktplein trekt het stadhuis door zijn hoog dak en gekanteelden trans, doch overigens met renaissance karakter, met gevelbeelden en hardsteenen bordes, onze aandacht. Waarschijnlijk dagteekent de bouw gedeeltelijk van den oudsten tijd, omdat het raadhuis bij den brand van 1397 gespaard bleef, gedeeltelijk van na 1611. In de ruime vestibule van het stadhuis vindt men dewapenschilden der heeren, die vroeger over Bergen-op-Zoom hebben geregeerd. Sedert 1533 toch was Bergen-op-Zoom door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven, dat door de geslachten van Merode, Wittem, Bergh, Hohenzollern, de la Tour d’Auvergne, Aremberg en Sulzbach achtereenvolgens bezeten werd, totdat bij de revolutie in 1795 de waardigheid van markgraaf met andere heerlijke rechten vervallen werd verklaard.

In de trouwzaal van het stadhuis vindt men de prachtig gebeeldhouwde schouw, welke, evenals de hier aanwezige geschilderde portretten, afkomstig is uit het Markiezenhof. Deze schouw wordt als een der vroegste voortbrengselen der renaissancebeeldhouwkunst beschouwd en toegeschreven aan den beeldsnijder Mattheus Keldermans uit Antwerpen. Sommige onderdeelen dragen zeer duidelijk een klassiek karakter; andere, evenals het plan der versiering, herinneren sterk aan de Gothiek.

Ook de zoogenaamde “Witte zaal”, die gewoonlijk gebezigd wordt voor de zittingen van den Raad, geeft kunstig beeldsnijwerk te bewonderen en onderscheidene portretten van doorluchtige personen.

Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Kazerne in het Markiezenhof te Bergen-op-Zoom.

Van het raadhuis schuin de markt overgaande verrijst vóór ons de Hervormde kerk, die met haar zwaren, langen toren zich verschuilt achter burgerlijke huizen. Nadat de eerste kerk, door de H. Geertruida in 654 gesticht, in 1397 in de asch gelegd was, werd in 1442 door Jan van Glimes terzelfder plaatse een nieuw kerkgebouw gesticht, veel prachtiger dan het vorige, met een fraaien toren aan de westzijde en een torentje op het kruis. Doch bij de belegering in het jaar 1622 werd het oostelijk gedeelte van dit sierlijke gebouw verwoest, en gedurende de belegering van 1747, toen de stad door de bommen en gloeiende kogels der Franschen geteisterd werd, geraakten kerk en toren in brand, waardoor beide binnen korten tijd geheel vernield werden. Nadat eerst het houtwerk was uitgebrand en alleen het geraamte bleef staan, viel dit later ook in. Uit liefdegaven, in 1749 door het geheele land ingezameld, werd een nieuwe kerk opgebouwd, die in 1752 werd ingewijd, maar op verre na zoo groot en fraai niet is als de vroegere kerk.

Het merkwaardigste gebouw van Bergen-op-Zoom is het Markiezenhof, tegenwoordigde kazerne, in de Steenbergsche straat. Al kan men thans nog gemakkelijk zien, dat dit gebouw een groote architectonische beteekenis moet gehad hebben, maakt het geen diepen indruk meer, behalve op den kunstkenner. Hier resideerden eens de markiezen van het markgraafschap. Het Markiezenhof werd tusschen 1470 en 1480 door heer Jan van Glimes, bijgenaamd “Jan met de lippen”, gebouwd, die het vorstelijk liet inrichten met eigen bierbrouwerij en broodbakkerij op de terreinen. Ook de latere heeren hielden hier verblijf en trokken van het Markiezenhof dikwijls ter jacht in hun gebied. Van het tegenwoordige Beursplein voor de kazerne, vroeger een veel grootere ruimte, met linden beplant, klonken destijds herhaaldelijk de vroolijke tonen des jachthoorns.

Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.

Gevangenpoort te Bergen-op-Zoom.

Het Markiezenhof is inwendig geheel veranderd; alleen de mooie, lange, gerestaureerde voorgevel met zijn kunstig gesmede ijzeren tralies voor de vensters, in onderscheidene trapjesgevels uitloopend en met fraaie boogpoort, geeft nog een denkbeeld van de vroegere pracht van het gebouw in zijn welstand. De hooge, achtkante toren, waarvan op de binnenplaats een gedeelte nog te zien is en die vroeger hoog boven het dak van het gebouw uitstak, van welks platform men een verrukkelijk gezicht had over het schilderachtig terrein der omstreken, werd waarschijnlijk bij het bombardement in 1747 vernield.

Veel belangrijke gebouwen zien wij in Bergen-op-Zoom niet. Van de oude stadspoorten is de Gevangenpoort in het westelijk eind der Lieve-Vrouwestraat nog in wezen, die aan deze straat een schilderachtig voorkomen geeft. Het is een zwaar gebouw, met trapjesgevel in het midden en zijtorens, thans midden in de straat staande, omdat de stad zich sedert zijn bouw naar den kant der Schelde uitbreidde en meer vooruitgeschoven verdedigingsliniën de poort in tweede linie brachten. Die geschiedenis der stadsuitbreiding geeft aan de poort een ethnographische beteekenis. Deze poort verdeelt eigenaardig de bevolking der stad in twee gedeelten, die in afkomst verschillen. Aan den kant der Schelde wonen uit den aard der zaak meest visschers en schippers, die voor het meerendeel Protestanten zijn. Aan dien kant draagt de stad, evenals het geheele landschap, een Hollandsch karakter.

Doch aan de oostzijde der Gevangenpoort mist men vaarten en bruggen en bemerkt men onmiddellijk, op Brabantsch grondgebied te zijn. Hier hebben weinigen iets met de Schelde te maken; hier is men in een landstad, waar de meesten hun bedrijf hebben in handwerken, nering en landbouw. In dit gedeelte is de bevolking voor de meerderheid Katholiek.

Door het Westen van Noord-Brabant en naar Breda.Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten over het lage polderland.Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622 Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit de 14eeeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen, dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten den tijd der suikercampagne, benauwend stil.De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs was hier korten tijd de munt van Hollandgevestigd, toen Filips van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw, zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal, voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk, in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen, maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor zij waren vervaardigden van de voormalige abdij aan de Schelde werden zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus, op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de fig. pag.340).Priesterkoor der kerk te Wouw.Priesterkoor der kerk te Wouw.Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19eeeuw was dit slechts een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839 werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen van groen, geel en bruin aan het landschap.Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje, waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst, alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel door riet gedekt, en rondom staan een zestalhuizen en boerderijen, opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve, knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam “Petite Suisse” hieraan gegeven.Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal, het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn Amsterdam—Rotterdam—België—Parijs. Daardoor is het station een druk, internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.Marktplein te Rozendaal.Marktplein te Rozendaal.De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke, flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde, Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal daardoor een haven kreeg, welke voor den handel opHolland aan den eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26enJuni 1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.Keutelstraatje te Rozendaal.Keutelstraatje te Rozendaal.De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder den indruk der waarneming op het juiste moment.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.De kortste weg van Rozendaal naarBreda loopt rechtuit naar het oosten over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder te bereiken.Kerk te Oudenbosch.Kerk te Oudenbosch.Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel, een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant, dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het westen vindt men over ’t geheel de boerenbedrijven grooter dan in het oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond, en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker, netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid, de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen, waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in verband stonden, zooals suikerfabrieken.Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten, die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijkjongen datum; een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd, en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf, dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de suikerfabrikage uitgeoefend.Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000 inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk, hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12 koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor de helft door de kerkgangers gevuld worden.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving nog trotscher en dieperindruk makend. Deze inrichting van onderwijs hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de hulpmiddelen der opvoeding.Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden, dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.Vroeger kasteel te Etten.Vroeger kasteel te Etten.Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo is het overal.Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen wij te Etten, een flinke,nette nederzetting, meest langs de breede dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden wordt overschaduwd.Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken in de 5eeeuw en voerde later den naam van “vrijheid”, hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, “Houte” geheeten, bestond tot 1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken, Staatsgezinden turfschipper op te richten.Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt, om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het Liesbosch brengen in den kring van Breda.

Wij verlaten het stille stedeke, om Brabant in te trekken.

Naar het noorden kunnen wij den weg kiezen langs Halsteren. Ongeveer midden tusschen Bergen-op-Zoom en Halsteren loopt links een zandweg met eenige bochten naar een tamelijk hoogen heuvel, met kreupelhout begroeid, den Heiberg of Spinolaberg. Een pad voert door het dichte bosch naar boven en van deze hoogte heeft men prachtige vergezichten over het lage polderland.

Op den voorgrond verrijst Tolen, welks zware kerktoren zich plomp opbeurt tegen de blauwe lucht; in het midden ligt Halsteren, waar de gewitte muren der huizen en van den St. Anthoniusmolen met de spits der kerk wedijveren om in dit landschapsbeeld het meest uit te komen. Van zijn kwartier op deze hoogte zou Spinola in 1622 Bergen-op-Zoom met begeerige oogen hebben gadegeslagen, zonder dat het hem evenwel gelukte, de stad te vermeesteren.

Het dorp Halsteren is evenals Bergen-op-Zoom op den rand der hooge zandgronden gelegen. Het is een schilderachtig dorp met een kerk uit de 14eeeuw, een bouw, zooals men slechts weinig in het zuiden van het land aantreft; te Nuland-Geffen vindt men er een in dien geest. Te Halsteren buigt een weg zich af, die door de lage aangeslibde landen en over de Eendracht naar Tolen loopt. Voorbij Halsteren gaat de andere weg in noordelijke richting naar het oude stadje Steenbergen, dat wij reeds vroeger, pag. 196 van dit deel, leerden kennen.

Wij willen in gedachten den weg nog vervolgen naar het oude stadje Zevenbergen. Hoeveel overeenkomst ook het landschap met Holland aanbiedt, te Zevenbergen bemerken wij toch onmiddellijk, dat wij niet in een Hollandsch stadje zijn. De echt Hollandsche zindelijkheid vindt men hier niet meer; de muren der huizen geven daarvan zelfs blijken. Het plaatsje heeft niets merkwaardigs; het is grootendeels uit lage, burgerlijke huizen gebouwd en heeft een verbreeding in het marktplein, dat met iepeboomen is beplant. Thans is het er, buiten den tijd der suikercampagne, benauwend stil.

De suikerfabrieken, die hier goede grondstof vinden, brengen er tijdelijk eenig leven in het najaar. Eens moet Zevenbergen een vrij aanzienlijke handelsstad geweest zijn. Dat was in den tijd vóór de groote overstrooming van noordelijk Noord-Brabant in 1421. Zelfs was hier korten tijd de munt van Hollandgevestigd, toen Filips van Bourgondië haar wegens twisten met Dordrecht aan deze stad ontnam. Doch reeds in 1433 werd deze munt te Zevenbergen weder opgeheven en sedert lang ligt het stadje in de stille rust van een vergeten landplaatsje. Het slot, dat zich hier eens verhief, werd reeds in 1427 verwoest en is nooit meer opgebouwd.

Wij zullen ons in dit gedeelte van Noord-Brabant niet langer ophouden. De plaatsjes Dinteloord, Klundert en Willemsstad, het laatste een vesting, welke in 1583 gebouwd is op de toenmalige gors de Ruigenhil en op kosten van prins Willem I werd versterkt, bieden weinig belangrijks aan, dat den wandelaar trekt. Buiten Zevenbergen valt over de vlakte al spoedig naar het oosten van verre de zware, hooge koepel van een kerkgebouw in het oog. Dat is de kerk van het kleine dorpje Zevenbergschenhoek, niet ver van den spoorweg gelegen, een gebouw, zooals niet in zulk een klein dorpje zou verwacht worden. Doch wij moeten bedenken, dat wij in Noord-Brabant zijn, het land der kloosters en kerken bij uitnemendheid, waar zelfs de kleinste plaats offers beschikbaar stelt, om een trotsch godshuis te stichten.

Een andere weg van Bergen-op-Zoom loopt over Wouw naar Rozendaal, voorbij het Volkspark van Bergen-op-Zoom, dat op bescheiden schaal is aangelegd met fraaie waterwerken in een afwisselend terrein. De ruwe keiweg, welken de boeren liefst niet berijden, zoodat hier, evenals bij de meeste keiwegen in Noord-Brabant, de wagensporen ter zijde langs den harden weg loopen, voert door een landschap met afwisseling van graslanden, bouwlanden en bosschen, en op anderhalf uur afstands bereikt men het volkrijke, flinke dorp Wouw, met het ruime, vierkante door een dubbele rij boomen omringde dorpsplein in het midden.

Hoogst belangrijk is te Wouw de Lambertuskerk, een ruime kruiskerk, in 1414 gesticht, die in 1820 in het bezit der Katholieken gekomen is en sedert aanhoudend werd verfraaid. Niet alleen bezit de kerk een sierlijk altaar en preekstoel en fraaie geschilderde ramen, maar het meest munten de banken van het priesterkoor uit, die tot het schoonste houtbeeldwerk van Nederland gerekend worden. Deze prachtige kanunnikgestoelten, tegen elkander langs de wanden van het koor geplaatst, zijn van eikenhout en vervaardigd door kunstenaars als Arthur Quellinus en Willemsens, terwijl de ornamentiek werd gebeeldhouwd door Hendrik Verbruggen Jr. en den beroemden beeldhouwer Bouvart, naar wiens plannen het geheel werd bewerkt. Deze gestoelten zijn afkomstig van het St. Bernhardklooster te Antwerpen, waarvoor zij waren vervaardigden van de voormalige abdij aan de Schelde werden zij omstreeks 1830 hierheen gebracht. Behalve de koorbanken zijn ook de biechtstoelen met merkwaardig beeldhouwwerk versierd, waarvan wij alleen wijzen op den lezenden monnik met het getijboek in de hand.

Eenige minuten ten N.W. van het dorp vindt men nog enkele sporen van het vroegere kasteel van Wouw, waar de heeren van Bergen-op-Zoom veel verblijf hielden gedurende den zomer en waar Desiderius Erasmus, op verzoek en in tegenwoordigheid van den Heer van Bergen en vele aanzienlijken, een mondgesprek hield met Hendrik Cornelis Agrippe over de zoogenaamde magische of tooverkunsten, welker bedriegelijkheid Erasmus met kracht van redenen trachtte aan te toonen. (Zie de fig. pag.340).

Priesterkoor der kerk te Wouw.Priesterkoor der kerk te Wouw.

Priesterkoor der kerk te Wouw.

Op ruim een uur afstands, ten zuiden van Wouw, ligt de bekende Wouwsche-Plantage. In de eerste helft der 19eeeuw was dit slechts een uitgestrekt dennenbosch, behoorende tot het Rijks-domein. In 1839 werd het bosch verkocht aan den heer J. P. J. Caters, en vervolgens werd er in 1845, nevens het oude jachthuis een deftig heerenhuis gebouwd, terwijl de boschcultuur werd aangewend, om de streek te verfraaien. Daardoor is dit een der bekoorlijkste plekjes van Noord-Brabant geworden. Schoone beukenlanen loopen door de bosschen en boschjes en een rijkdom van houtsoorten geeft alle schakeeringen van groen, geel en bruin aan het landschap.

Voornamelijk het centrum der Plantage vormt een schilderachtig plekje, waar een romantisch gebouwd dorpje met pittoreske huizen verrijst, alsof zij uit de schoonste Zwitsersche valleien naar hier verplaatst waren. Daar ziet men het heerenhuis met zijn torentjes, geheel door riet gedekt, en rondom staan een zestalhuizen en boerderijen, opgetrokken van hout en steen, bekleed met boomschors, met halve, knoestige stammen, met mos en kleurige tegels versierd, de woningen omslingerd door wilden wingerd en rozen. De Wouwsche Plantage is een lustoord, waar men boschlucht kan genieten, heuvelen bestijgen en door dalen wandelen; niet ten onrechte wordt de naam “Petite Suisse” hieraan gegeven.

Een voordeel is het, dat men in Klein-Zwitserland nog niet zooveel Engelschen aantreft, als in het eigenlijk Zwitserland.

Langs een rechten, eentonigen keiweg bereiken wij Rozendaal, het kruispunt der spoorwegen. Twee internationale lijnen snijden hier elkander: die, welke van Vlissingen over Bokstel en Wesel de kortste verbinding met Duitschland geeft, en de lijn Amsterdam—Rotterdam—België—Parijs. Daardoor is het station een druk, internationaal ontmoetingspunt, waar alle talen gesproken worden.

Marktplein te Rozendaal.Marktplein te Rozendaal.

Marktplein te Rozendaal.

De naam Rozendaal zou allicht groote verwachtingen wekken omtrent het landelijk natuurschoon dezer plaats; wie Rozendaal bezoekt, zal zich echter teleurgesteld zien. Het is een eenvoudig, stedelijk gebouwd vlek, de huizen langs eenige straten gebouwd, met meest burgerlijke, flinke woningen, en een ruime marktstraat. Rozendaal heeft gedurende korten tijd nog stadsrechten bezeten. In 1809 werd onder koning Lodewijk Napoleon, die meer plaatsen op deze wijze begunstigde, Rozendaal tot stad verheven, maar in 1814 werd het weder tot een plattelandsplaats teruggebracht. Merkwaardige gebouwen zoekt men hier tevergeefs; de kerken hebben niets, waardoor zij boven andere dorpskerken uitmunten, en rozen vindt men er niet meer dan elders. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat deze plek eertijds een woest dal vormde langs de beekjes, die hier uit het zuiden komen, met distels en wilde rozen begroeid, waaraan zij haar naam ontleende. De nederzetting op deze plek kwam tot uitbreiding, toen de Steenbergsche Vliet tot deze plaats bevaarbaar gemaakt werd in 1451, en Rozendaal daardoor een haven kreeg, welke voor den handel opHolland aan den eenen kant en de zuidelijke streken aan den anderen kant van eenige beteekenis was. Meermalen slibden echter die haven en het kanaal dicht, zoodat zij in 1792 en 1823 opnieuw moesten worden opgegraven en verdiept. Doch bovenal ging Rozendaal vooruit, toen den 26enJuni 1854 de spoorweg naar Antwerpen geopend werd, waardoor het een schakel werd in het internationaal verkeer. Sedert heeft de plaats zich sterk uitgebreid en terwijl zij vroeger tot Nispen behoorde, is zij het moederdorp ver boven het hoofd gegroeid. Tal van fabrieken vindt men er, vooral suikerfabrieken, verder looierijen, een stijfselfabriek en bierbrouwerijen. De expeditie is er levendig.

Keutelstraatje te Rozendaal.Keutelstraatje te Rozendaal.

Keutelstraatje te Rozendaal.

De omstreken van Rozendaal bieden wel geen buitengewone aantrekkelijkheden, maar toch vindt men er menig plekje met intiem natuurschoon, dat men niet kan beschrijven, doch moet gevoelen onder den indruk der waarneming op het juiste moment.

Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.

Gezicht op Oudenbosch bij ijzel.

De kortste weg van Rozendaal naarBreda loopt rechtuit naar het oosten over Etten en Prinsenhage. Wij willen met ons stalen paard een omweg maken, om den harden keiweg te vermijden, en tevens een bezoek te brengen aan Oudenbosch, teneinde van hier te Etten den hoofdweg weder te bereiken.

Kerk te Oudenbosch.Kerk te Oudenbosch.

Kerk te Oudenbosch.

Zoo rijden wij naar het noorden over het dorp Oud-Gastel, een hoofdzakelijk in de lengte langs den weg gebouwd, flink boerendorp, en voorbij deze plaats ons oostwaarts wendend, naderen wij Oudenbosch. Wanneer wij het gedeelte van westelijk Noord-Brabant, dat wij thans hebben doorgetrokken, overzien en vergelijken met het oosten dezer provincie, dan maakt dit een veel beteren indruk. In het westen vindt men over ’t geheel de boerenbedrijven grooter dan in het oosten; de grond is er vruchtbaarder, gedeeltelijk klei of zavelgrond, en de boerenstand is er welvarender. Rijke boeren vindt men in het westen niet zelden. Maar toch blijft de levensstandaard er uiterst eenvoudig en zuinig. De boerenhuizen hebben er alle wel een flinker, netter voorkomen dan in het oosten, maar niet zelden is de boer even spaarzaam of zoo mogelijk nog spaarzamer. De huisnijverheid, de handweverij, welke in vroeger tijden in het oosten zoo levendig was, vond men hier niet; het landbouwgewest was er rijker en maakte niet noodig, dit hulpmiddel van bestaan uit te oefenen. Daardoor heeft zich het fabriekwezen niet in dien zin ontwikkeld. En waar in de laatste helft der negentiende eeuw hier fabrieken verrezen, waren het meestal die, welke met de produkten van den landbouw in verband stonden, zooals suikerfabrieken.

Naarmate wij Oudenbosch naderen, wordt de weg schaduwrijker en wij zien spoedig, dat hier de boomkweekerij een groote beteekenis heeft erlangd. Vooral aan den zuid-, oost- en noordkant is Oudenbosch door een breeden krans van boomkweekerijen halverwege ingesloten, die aan de omstreken der plaats een vriendelijk, frisch voorkomen geven. Toch is de boomkweekerij hier van betrekkelijkjongen datum; een der oude kweekers verzekerde ons, dat zij voor ongeveer een eeuw hier was opgekomen, eerst op kleine schaal; toen de bodem er uitstekend geschikt voor bleek, was zij uitgebreid. Het voorbeeld is gevolgd, en zoo werd in Oudenbosch de boomkweekerij een levendig bedrijf, dat veel levert aan het buitenland. Daarnaast wordt hier ook de suikerfabrikage uitgeoefend.

Oudenbosch is een vriendelijke, nette plaats, met een stedelijk uiterlijk, van een breede hoofdstraat doorsneden, met 5000 inwoners. Van verre naderend, maakt zij zelfs een grootsteedschen indruk door de hooge koepels en torens der kerken, die zoo statig oprijzen boven de nederige huizen, en zoo komt men onder den indruk, hier een trotsche kerkenstad te betreden. De kerken en geestelijke stichtingen der plaats trekken dan ook in de eerste plaats de aandacht van den bezoeker. De R. K. Agathakerk met haar hoogen koepel en trotschen voorgevel, is gebouwd naar het voorbeeld van de St. Pieterskerk te Rome en zou een groote stad niet onwaardig zijn. De kerk is 82 M. lang, 26 M. breed, en bestemd voor 28 altaren met 12 koepels. Zij is veel te groot voor de plaats en kan nauwelijks voor de helft door de kerkgangers gevuld worden.

Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.

Kapel en binnenplein van het Instituut St. Louis te Oudenbosch.

Schuin tegenover de kerk vindt men de gebouwen van het pensionaat St. Louis, een jongeheerenkostschool, die door fraters wordt bestuurd. Langs de straat heeft deze inrichting geen aanzienlijk uiterlijk; hier vindt men enkel de oude gebouwen, waarin voor een zestigtal jaren ongeveer de inrichting geopend werd, die zich tot een buitengewonen bloei heeft verheven. Sedert is de stichting hoe langer hoe meer uitgebreid met flinke gebouwen voor onderwijs en den godsdienst. Het pensionaat heeft een eigen kapel, wel kleiner dan de St. Agathakerk, maar naar hetzelfde model gebouwd en door de omgeving nog trotscher en dieperindruk makend. Deze inrichting van onderwijs hebben wij met groote ingenomenheid leeren kennen, getroffen door de milde opvatting, waarmede men hier in alle opzichten voorziet in de hulpmiddelen der opvoeding.

Wij zullen het klooster tot opleiding der Jezuïeten te Oudenbosch niet bezoeken en evenmin de openbare gebouwen. Uit het verre verleden biedt Oudenbosch niets merkwaardigs aan. Toch was de plaats al vroeg van beteekenis. Sedert 1421 had van hier een gewone overvaart tusschen Holland en Brabant plaats, maar door het aanslibben der gronden en door het bedijken van den polder Stand-daar-buiten werd Oudenbosch meer afgesloten van het water en was het veer zoo moeielijk geworden, dat de Staten het in 1500 moesten verleggen naar een andere plaats.

Vroeger kasteel te Etten.Vroeger kasteel te Etten.

Vroeger kasteel te Etten.

Langs de lijn van den stoomtram verlaten wij Oudenbosch. Tot Breda blijft het landschap in hoofdtrekken hetzelfde karakter behouden. Een vlak terrein, de gronden meest als bouwland in gebruik genomen, het land verdeeld in kleine, onregelmatige stukken, elk stuk lands door een haag van akkermaalshout ingesloten, de kleine, lage boerenwoningen met rieten daken hier en daar langs de oude wegen gegroepeerd, zoo is het overal.

Het eerste dorp, dat wij passeeren, is het fraaie, stille dorp Hoeven met zijn schilderachtig gelegen seminarie. Vervolgens komen wij te Etten, een flinke,nette nederzetting, meest langs de breede dorpstraat gebouwd, die aan beide zijden door dubbele rijen linden wordt overschaduwd.

Dit dorp is een der oudste nederzettingen in deze gewesten. Het zou in de Salische wetten reeds genoemd zijn als een der maalsteden of vergaderplaatsen der Franken in de 5eeeuw en voerde later den naam van “vrijheid”, hoewel het geen hoog gerecht had en behoorde tot het Land-van-Breda. Het kasteel van Etten, “Houte” geheeten, bestond tot 1815. Wij geven daarvan een afbeelding op de vorige bladzijde.

Na het verlaten van Etten zien wij links van verre weldra den spitsen toren van het nette Leur zich verheffen, een dorp, hetwelk er trotsch op is, dat Adriaan van Bergen, de turfschipper, die in 1590 zoo krachtig medewerkte, om Breda te verrassen, hier geboren zou zijn of er althans gewoond heeft. Op den tijd, dat wij dit schrijven, is men ijverig in de weer, om een herinneringsteeken voor den kloeken, Staatsgezinden turfschipper op te richten.

Vervolgens bereiken wij weldra het Liesbosch met zijn mooie boschpartijen en woeste bosschages, dat jaarlijks duizenden lokt, om er te vertoeven in de vrije natuur. Hiermede zijn wij aangekomen in de bezoeksfeer van Breda, want gewoonlijk brengt men van Breda uit een bezoek aan het Liesbosch. Wij, wandelaars of trekkers door het geheele land, volgen niet steeds de gewone routes of gaan niet altijd uit van de centra van het drukke verkeer. Toch willen wij het Liesbosch brengen in den kring van Breda.


Back to IndexNext